Het niet halen van de doelen voor sociale huurwoningen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het artikel «Het nationale woningbouwprogramma leidt tot verdere daling sociale huursector» op MeJudice en het artikel «Aantal sociale huurwoningen blijft dalen, in weerwil van kabinetsplannen» in Trouw?1, 2
Ja
Deelt u de mening dat het cruciaal is om het doel van 30% sociale huur in alle gemeenten te halen om alle Nederlanders van een betaalbare woning te kunnen voorzien?
Mijn doel is om meer betaalbare woningen te realiseren voor mensen met een laag inkomen en voor mensen met een middeninkomen. Daar is mijn beleid op gericht, zowel ten aanzien van de bestaande woningvoorraad alsook de nieuwbouwopgave. Voor de bestaande woningvoorraad geef ik bijvoorbeeld meer mogelijkheden aan gemeenten om malafide verhuur aan te pakken en introduceer ik huurprijsbescherming voor het middensegment. Ten aanzien van de nieuwbouwopgave stuur ik erop dat ten minste twee derde van de nieuwbouwwoningen tot en met 2030 moet bestaan uit betaalbare woningen: sociale huur, middenhuur en betaalbare koop.
Ten aanzien van de sociale huur is mijn beleid erop gericht dat woningcorporaties 250.000 nieuwe sociale huurwoningen bouwen tot en met 2030. Daardoor zal de sociale huurvoorraad in absolute omvang toenemen. Ik wil bovendien dat de sociale huurvoorraad evenwichtiger verdeeld wordt tussen gemeenten. Om die reden wil ik gemeenten die minder sociale huurwoningen in hun voorraad hebben dan het landelijke gemiddelde – op dit moment ca. 27% – verplichten om 30% van hun nieuwbouwopgave in te vullen met sociale huur.
Wat zijn volgens u de belangrijkste redenen dat het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad kleiner wordt in plaats van groter?
Ik zet in op het vergroten van de woningvoorraad van betaalbare woningen voor lage inkomens en middeninkomens. Daarom moet twee derde van de 900.000 nieuw te bouwen woningen tot en met 2030 betaalbaar zijn: 350.000 betaalbare koop- en middenhuurwoningen (40% van de totale opgave) en 250.000 sociale huurwoningen van corporaties (27% van de opgave). Het aandeel sociale huur in de totale nieuwbouwopgave komt overeen met het huidige aandeel sociale huur in de totale woningvoorraad, maar omdat de netto groei van de sociale huurvoorraad minder dan 250.000 zal zijn, zal het relatieve aandeel sociale huur in de totale woningvoorraad afnemen. Dat neemt niet weg dat mijn inzet voor meer betaalbare woningen bijdraagt aan een groei van de sociale huurvoorraad in absolute zin en betere beschikbaarheid van sociale huurwoningen door meer mogelijkheden voor huishoudens met een middeninkomen om door te stromen naar een betaalbare koop- of middenhuurwoning.
Volgens het artikel is een belangrijke reden voor het verlaagde aandeel de lagere conversiegraad als gevolg van de verkoop en sloop van bestaande sociale huurwoningen. Klopt dit? Kunt u historische cijfers en een prognose aanleveren over de sloop en verkoop van de sociale woningvoorraad?
Het klopt dat corporaties naast nieuwbouw ook woningen verkopen en slopen, waarbij sloop vaak gepaard gaat met vervangende nieuwbouw. Zowel verkoop als sloop is een noodzakelijk onderdeel van een gezonde bedrijfsvoering door corporaties en het in stand houden van een kwalitatief goede woningvoorraad. Ik zie dus geen reden om dit actief tegen te gaan. Bovendien geldt dat verkoop en sloop nagenoeg altijd een lokale afweging vergt, die corporaties maken in overleg met gemeenten en huurdersorganisaties. In de Nationale prestatieafspraken heb ik om die reden vastgelegd dat ik samen met corporaties, gemeenten en huurders streef naar een zo groot mogelijke netto groei van de sociale huurvoorraad, maar dat de lokale uitkomst hiervan op lokaal niveau bepaald moet worden.
De onderstaande tabel laat de ontwikkeling van de corporatievoorraad over de periode van 2015 tot en met 2021 zien. Hierin is te zien dat de corporatievoorraad sinds 2018 in absolute zin weer groeit, na een periode van krimp in de periode daarvoor. Er is op dit moment geen specifieke prognose van het aantal woningen dat corporaties de komende jaren zullen slopen en/of verkopen, maar het is reëel te verwachten dat dit in dezelfde orde van grootte zal zijn als in de afgelopen jaren.
Nieuwbouw
14.978
15.280
14.439
14.061
14.927
15.878
16.900
Aankoop
303
1.741
2.883
4.151
5.846
12.9211
2.142
Sloop
10.179
7.479
9.139
6.874
7.863
7.020
8.373
Verkoop totaal
17.076
15.667
11.416
12.175
11.631
19.9851
8.072
Saldo overige mutaties
839
782
–526
727
433
708
1.816
Eindstand
2.390.138
2.386.129
2.381.247
2.374.992
2.379.611
2.381.712
2.383.346
Bron: Staat van de Corporatiesector 2022, Autoriteit woningcorporaties
Het aantal aangekochte en verkochte woningen was in 2020 zo’n 10.000 woningen hoger dan normaal door de overname van Vestia-woningen door andere corporaties.
Welke opties zijn er om de verkoop en sloop van de bestaande voorraad in de toekomst tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat 250.000 sociale huurwoningen bijbouwen tot 2030 klaarblijkelijk niet genoeg is om het streefdoel van 30% te halen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, is mijn doel om de sociale huurvoorraad in absolute zin te laten groeien tot en met 2030 en om de sociale huurvoorraad meer evenwichtig tussen gemeenten te verdelen. Daar zijn de doelstelling om 250.000 nieuwe sociale huurwoningen door corporaties te laten bouwen en mijn voornemen om gemeenten met een lager aandeel sociale huur dan het landelijke gemiddelde te verplichten 30% van hun nieuwbouwopgave in te vullen met sociale huur op gericht.
Welke stappen gaat u ondernemen om het gestelde doel om extra sociale huurwoningen te realiseren en het streefdoel van 30% toch te halen?
Zie antwoord vraag 6.
Wat vindt u van de huidige afbakening van het DAEB-segment? Hoe verschilt dit van andere Europese landen?
De huidige DAEB-taak van corporaties, afgebakend door de liberalisatiegrens en de inkomensgrenzen, is ruim en passend bij de doelgroep die is aangewezen op sociale huur. Ik ben trots op de volkshuisvestelijke traditie in Nederland en de grote sociale huursector in Nederland. Er is geen land in Europa met zo'n grote sociale huursector als Nederland, zoals ik ook heb toegelicht in mijn brief van 12 oktober 20223.
Bent u van plan om het DAEB-segment uit te breiden zodat corporaties meer investeringsruimte krijgen en meer mensen een plaats kunnen krijgen in een corporatiewoning? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben niet van plan het sociale huursegment van corporaties uit te breiden. Uitbreiding van het sociale huursegment door meer mensen aanspraak te laten maken op een sociale huurwoning zou niet leiden tot meer investeringsruimte, maar mogelijk wel tot langere wachtlijsten en minder kansen op een woning voor juist die mensen die het meest afhankelijk zijn van de sociale huursector.
De ammoniakuitstoot van bronnen buiten de landbouw |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Wordt de aanbeveling van de wetenschappers om het isotopenonderzoek waarmee je verschil kunt maken tussen ammoniak uit de veehouderij en ammoniak uit verbrandingsprocessen ook regionaal uit te voeren door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) opgepakt?1, 2
Het aandeel van ammoniak uit verbrandingsprocessen in Nederland is laag, 87% van de ammoniak is afkomstig uit de veehouderij en 13% van de ammoniak kent andere bronnen, waarvan 3% uit verbrandingsprocessen. Het RIVM ziet geen aanleiding om de emissiecijfers uit verbrandingsprocessen aan te passen. Nederland is daarom niet het meest geschikte land om het isotopenonderzoek, zoals beschreven in het artikel uit Nature, uit te voeren.
Waar is de stellingname van het RIVM dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat er in Nederland sprake is van onderschatting van ammoniakemissies uit verbrandingsprocessen ten opzichte van emissies uit de landbouwsector op gebaseerd, aangezien in het betreffende onderzoeksrapport wordt aangegeven dat er geen grote verschillen zijn gevonden tussen het stedelijk gebied en het landelijk gebied en de Europese cijfers voor het aandeel landbouw in de ammoniakemissies niet lager zijn dan die voor Nederland?3
In het artikel van Nature worden drie bronnen van ammoniak uit verbrandingsprocessen genoemd, namelijk die uit verkeer, uit het verbranden van biomassa en uit het verbranden van steenkool. Voor deze drie bronnen heeft het RIVM de onderbouwing van de emissiefactor tegen het licht gehouden, waaruit blijkt dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de ammoniakemissie uit verbrandingsprocessen in Nederland wordt onderschat.
In Nederland wordt voor de bepaling van ammoniakemissies uit verkeer gebruikgemaakt van de emissiefactoren zoals afgeleid door TNO. Dit gebeurt op basis van TNO metingen aan de uitlaat van voertuigen. De emissiefactoren worden dus rechtstreeks bepaald uit metingen en zijn naar de laatste meetinzichten uit 2022 aangepast voor de meest recente emissiereeks 1990 -2021. Voor de emissies uit biomassa wordt gebruik gemaakt van emissiefactoren op basis van wetenschappelijke artikelen specifiek gericht op de bepaling van NH3 emissiefactoren uit houtverbranding. De emissiefactoren zijn in 2019 aangepast op basis van een literatuurstudie waarin het artikel geciteerd in het artikel van Nature is meegenomen. Bij de bepaling van de emissies wordt rekening gehouden met stookgedrag in de praktijk. De Emissieregistratie berekend op dit moment geen emissies uit de verbranding van steenkool omdat de internationale richtlijnen vermelden dat deze emissies niet voorkomen bij industriële toepassingen van steenkool. In Nederland is verder de toepassing van steenkool voor ruimteverwarming verwaarloosbaar.
In het artikel uit Nature wordt emissie uit steenkoolverbranding vermeld als bron van ammoniak. In een referentie in het artikel (Li, Q. et al, 2016) wordt een emissiefactor voor industriële kolenverbranding van 0,02 g/kg genoemd. Hierbij moet gemeld worden dat dit artikel refereert naar een ander artikel (Sutton et al., 2000) voor de waarde van deze emissiefactor: hierin wordt echter een emissiefactor van 0,00023 g/kg (0,23 g/t) gemeld voor industriële kolenverbranding. Tenslotte geeft RIVM aan dat de conclusies in het artikel van Nature voor Europa zijn gebaseerd op een beperkt aantal metingen waarbij het merendeel van de metingen van voor het jaar 2000 dateren. Deze metingen zijn dus minder geschikt om iets te zeggen over recente jaren en betreffen tevens indirecte metingen.
Gelet op het voorgaande, worden alle emissiefactoren voor ammoniakemissies uit verbrandingsprocessen tegen het licht gehouden?
Zie antwoord vraag 2.
Het artikel 'Pesticide use and incident Parkinson's disease in a cohort of farmers and their spouses' |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het wetenschappelijke artikel «Pesticide use and incident Parkinson's disease in a cohort of farmers and their spouses»?1
Ja.
Hoe reageert u op het toenemende aantal signalen en wetenschappelijke studies, in binnen- en buitenland, dat het gebruik van pesticiden in verband legt met een toename in het aantal gevallen van de ziekte van Parkinson onder boeren?
De toenemende zorgen in de samenleving omtrent de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en eventuele gezondheidseffecten begrijp ik heel goed. Het is noodzakelijk dat agrariërs hun werk veilig kunnen uitvoeren. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt volgens het Europees geharmoniseerd toetsingskader of het middel veilig is voor mens (waaronder de toepasser), dier en milieu. Agrariërs mogen uitsluitend gewasbeschermingsmiddelen gebruiken volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift.
Om de wetenschappelijke signalen te duiden in de Nederlandse praktijk heb ik het RIVM verzocht om zo spoedig mogelijk een lange termijn studie te starten naar mogelijke gezondheidseffecten van de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen van agrariërs en omwonenden. In dit onderzoek wordt de mogelijke relatie tussen de blootstelling aan ggewasbeschermingsmiddelen en de ziekte van Parkinson verder onderzocht. Het plan van aanpak vanuit het RIVM hiervoor zal 1 juli 2023 gereed zijn, waarna het daadwerkelijk onderzoek van start zal gaan. Het RIVM is reeds gestart met de voorbereidende activiteiten. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 605 en 610). Ik zal de Kamer regelmatig over de voortgang over dit onderwerp informeren.
Erkent u, in het licht van deze ontwikkelingen, dat het van groot belang is om uitgebreider onderzoek te doen naar de link tussen de ziekte van Parkinson en het gebruik van (specifieke) pesticiden zoals glyfosaat?
Ja. Zie verder het antwoord vraag 2.
Bent u bereid om uit voorzorg het gebruik van glyfosaat verder te verminderen?
Ik begrijp de zorgen rondom het gebruik van glyfosaat ontzettend goed. Ik heb uw Kamer verschillende keren geïnformeerd over de stand van zaken rond het verbieden van het gebruik van glyfosaathoudende middelen buiten geïntegreerde gewasbescherming. De herbeoordeling van de werkzame stof glyfosaat loopt. Op dit moment zijn er geen nieuwe wetenschappelijke inzichten die direct ingrijpen op de goedkeuring in de Europese Unie of de toelating in Nederland rechtvaardigen. Ik verwacht het voorstel van de Europese Commissie voor het al dan niet hernieuwen van de goedkeuring van glyfosaat in het najaar van 2023.
Tegelijkertijd ben ik me bewust van de wens van de Kamer om het gebruik van glyfosaathoudende middelen te beperken. Aangezien er geen sprake is van kalenderspuiten bij glyfosaathoudende middelen en bepaalde volvelds vooroogsttoepassingen inmiddels zijn verboden, richt ik mij hierbij op het verminderen van het gebruik van glyfosaathoudende toepassingen voor het doodspuiten van grasland, groenbemesters en vanggewassen. Ik heb uw Kamer over de voortgang daarvan recent geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 610).
Wat is de stand van zaken met de uitvoering van de moties van het lid Tjeerd de Groot over het verbieden van glyfosaat buiten geïntegreerde gewasbescherming?2
Er lopen inmiddels verschillende acties in het kader van het coalitieakkoord en het Uitvoeringsprogramma die bijdragen aan de uitvoering van de motie van de leden Tjeerd de Groot (D66) en Bromet (GroenLinks). Deze motie heeft betrekking op het gebruik van alternatieven voor het toepassen van glyfosaathoudende middelen voor het doodspuiten van grasland, groenbemesters en vanggewassen (Kamerstuk 27 858, nr. 599). Hieronder noem ik de acties:
Ik realiseer me dat uw Kamer hecht aan het zo snel mogelijk verplichten van deze alternatieven. Ik bied de sector de mogelijkheid om hierover de komende tijd mee te denken en tot private initiatieven te komen. Ik heb de sector (akkerbouw, bloembollen en melkveehouderij) gevraagd mij uiterlijk in juli van dit jaar te berichten over hun voornemens hieromtrent. Ik zal uw Kamer in het najaar informeren over de uitkomst hiervan. Mocht het onverhoopt niet lukken om hierover concrete afspraken te maken met de sector, dan zal ik zelf het voortouw nemen. Ik streef ernaar om deze verplichting uiterlijk 1 januari 2025 in te laten gaan. Ik zal uw Kamer in het najaar informeren over de voortgang.
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van mening dat het gebruik van pesticiden tot een absoluut minimum moet worden beperkt om de boer te beschermen tegen deze potentiële beroepsziekte, zoals de ziekte van Parkinson in Frankrijk al wordt geduid bij wijnboeren?
De gezondheid van agrariërs en omwonenden is voor mij uitermate belangrijk. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet om deze reden veilig zijn voor de mens en daarnaast voor dier en milieu. De nationale toelatingsprocedure van middelen en de Europese goedkeuringsprocedures voor werkzame stoffen voorzien in de beoordeling van deze risico’s – inclusief die op het gebied van (acute) neurotoxiciteit. In mijn brief van 5 oktober 2022 (Kamerstuk 27 858, nr. 581) heb ik aangegeven dat stoffen waarvoor een verband is gevonden met het ontstaan van neurodegeneratieve aandoeningen niet meer zijn goedgekeurd in Europa.
In een analyse van het RIVM op basis van de chemische structuur is slechts één stof aangetroffen die qua chemische structuur lijkt op bekende (verboden) stoffen die neurodegeneratieve effecten hebben, namelijk metiram.3 Deze stof wordt zeer weinig gebruikt in Nederland en is de afgelopen jaren niet verkocht. Dit betekent echter niet dat de mogelijkheden om de procedures volgens de laatste stand van de wetenschap te verbeteren onbenut moeten blijven. Het RIVM adviseerde mij in 2021 over verbetermogelijkheden van de huidige datavereisten voor de risicobeoordeling op het gebied van neurologische aandoeningen (Kamerstuk, 27 858, nr. 555).
Ik heb deze verbetermogelijkheden overgenomen en zet mij in om ze zo snel mogelijk te implementeren in Europees-verband. Dit gebeurt door enerzijds het RIVM deel te laten nemen aan wetenschappelijke werkgroepen in EFSA-verband. En anderzijds door het beschikbaar stellen van middelen om het RIVM in te laten schrijven op een internationale onderzoeksoproep, zoals ik u recentelijke heb gemeld (Kamerstuk 27 858, nr. 610).
Mijn intentie was om het RIVM een onderzoeksvoorstel te laten schrijven voor de recent gepubliceerde «call for tender» van de EFSA. Echter meldt het RIVM mij dat de reikwijdte van deze oproep niet volstaat om het toetsingskader van de risicobeoordeling op het gebied van neurologische aandoeningen te verbeteren (bijlage 1). Ik zet daarom in op de oproep van het EC Horizon-Health programma die in oktober a.s. verwacht wordt. Daarnaast zet ik met het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 in op het verminderen van de behoefte aan gewasbeschermingsmiddelen. Deze vermindering van behoefte zal de beperking van de blootstelling aan deze middelen bevorderen.
Hoe wordt er binnen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) rekening gehouden met deze ontwikkelingen?
Bij de (Europese) beoordeling van werkzame stoffen en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen worden de laatste wetenschappelijke inzichten meegenomen. Daarnaast wordt het beoordelingskader voor werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen periodiek bijgewerkt op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen worden in principe elke 10–15 jaar herbeoordeeld en zo weer in lijn gebracht met deze nieuwe inzichten.
Ik zet zelf ook in op verbetering van deze kaders, bijvoorbeeld op het terrein van neurodegeneratieve aandoeningen, maar ook bijvoorbeeld op het gebied van milieu, zoals de bijdrage van het Ctgb aan de ontwikkeling van een herzien richtsnoer voor de risicobeoordeling voor vogels en zoogdieren dat recent door EFSA is gepubliceerd. Binnen het Ministerie van LNV is er tevens volop aandacht voor de ontwikkelingen rondom de relatie tussen gewasbeschermingsmiddelen en mogelijke gezondheidseffecten. Om deze reden verzoek ik het RIVM om het onder vraag 2 genoemde gezondheidsonderzoek uit te voeren.
Erkent u dat het toelatingsbeleid van het Ctgb en de Europese autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) niet afdoende in staat is een veilige afweging te maken en dat deze zou moeten worden aangescherpt?
Het Ctgb en de EFSA zijn onafhankelijke organisaties met technisch-wetenschappelijke deskundigheid. De kaders die zij gebruiken voor de toelating en beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en werkzame stoffen, respectievelijk, beroepen zich op de meest recente wetenschappelijke kennis. Daarnaast worden onderdelen van het beoordelingskader periodiek herzien op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Deze kaders voorzien in het beoordelen van de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor mens, dier en milieu.
Bent u bereid te onderzoeken hoe de kaders, waarbinnen het Ctgb middelen toelaat, kunnen worden aangescherpt om te zorgen voor een geïntegreerde toelatingsprocedure waarbij de gezondheid van natuur én mens wordt geborgd?
Ik heb vertrouwen in de toelatingsprocedures van het Ctgb. Dit neemt niet weg dat het Ctgb, EFSA en het Ministerie van LNV continue bezien of de toelatingsprocedures verder kunnen worden verbeterd. Zo heb ik uw Kamer recent geïnformeerd dat ik voornemens ben om middelen en mensen beschikbaar te stellen voor de totstandkoming van geschikte EU-methodieken voor onderzoek naar de effecten van gewasbeschermingsmengsels (Kamerstuk 27 858, nr. 604).
Bent u bereid zich op Europees niveau in te zetten om dit nadrukkelijker ter sprake te brengen om te zorgen dat ook het EFSA voorzichtiger kijkt naar het toelatingsbeleid van potentieel gevaarlijke stoffen?
De (Europese) beoordelingskaders voor werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen zijn veelomvattend en streng. Ik heb uw Kamer recentelijk geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 610) over de «call for tender», die de EFSA inmiddels heeft gepubliceerd, voor het indienen van een projectvoorstel voor het ontwikkelen van nieuwe testrichtlijnen in internationaal samenwerkingsverband. De scope van deze oproep is helaas niet toereikend genoeg voor het RIVM om hier op in te schrijven. Ik vind het wel zeer belangrijk dat de toetsingskaders van de risicobeoordeling, waar mogelijk, worden verbeterd. Om deze reden zal ik, het RIVM opdracht geven een onderzoeksvoorstel te schrijven voor de oproep van het EC Horizon-Health programma die in oktober verwacht wordt. Uiteraard zal het RIVM dan eerst bezien of de oproep volstaat voor het door Nederland gewenste doel, namelijk het verbeteren van het toetsingskader. Daarnaast meldt het RIVM mij dat zij de intentie hebben om nu een reactie aan de EFSA te schrijven over waarom de recente oproep niet toereikend is. Ik steun dit initiatief.
Hoe worden de mogelijke gezondheidseffecten van pesticiden meegenomen in het Landbouwakkoord?
In december 2022 heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken van mijn inzet bij het gezondheidsonderzoek bij omwonenden en agrariërs (Kamerstuk 27 858, nr. 605). In het Landbouwakkoord zijn geen aanvullende specifieke afspraken voorzien over gezondheidseffecten. Wel wordt gewerkt aan afspraken om kennis en (praktijk)onderzoek naar weerbare teelten en emissiereductie om gebruik en emissies terug te dringen. Dit zal ook bijdragen aan het verlagen van eventuele risico’s op gezondheidseffecten.
Kunt u toelichten hoe u zich concreet zal inzetten voor de bovengenoemde onderwerpen?
Ik zet mij concreet in om de mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de gezondheid zoveel mogelijk te voorkomen. Ik doe dit enerzijds door het RIVM te verzoeken zo spoedig mogelijk te starten met een blootstellingsonderzoek voor agrariërs en omwonenden en anderzijds door het verbeteren van de datavereisten voor de risicobeoordeling van werkzame stoffen en middelen. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 2 en 6.
De nieuwe opzegboete bij vaste energiecontracten |
|
Renske Leijten |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
Wat vindt u van het Besluit van de ACM tot vaststelling van de Beleidsregel Redelijke opzegvergoedingen vergunninghouders 2023? Kunt u aangeven wat uw betrokkenheid is geweest bij dit besluit (Staatscourant 2023, 1492)?
Ik ben positief over de Beleidsregel Redelijke opzegvergoedingen vergunninghouders 2023 (hierna: Beleidsregel). Ik heb dit meermaals benadrukt, mede in de formele reactie richting de ACM in het kader van de Beleidsregel. Ook heb ik meermaals aangegeven dat ik wil dat de nieuwe Beleidsregel zo snel als mogelijk in werking treedt met de randvoorwaarde dat parallel daaraan geregeld moet zijn dat consumenten goed en tijdig geïnformeerd worden over de hoogte van de opzegvergoeding (door wijziging van de Informatiecode Elektriciteit en Gas).
In de praktijk komt de nieuwe Beleidsregel neer op een opzegvergoeding die beter aansluit op het risico van de energieleverancier dat bestaat doordat consumenten te allen tijde voortijdig hun energiecontract voor bepaalde tijd met vaste tarieven mogen beëindigen. De opzegvergoeding kan onder de nieuwe regels hoger uitvallen dan onder de oude regels wanneer de energieprijzen sterk dalen. Wanneer consumenten hun energiecontract uitzitten volgens afspraak of hun energiecontract beëindigen als de energieprijzen gelijk blijven of stijgen, hoeven zij geen opzegvergoeding te betalen. In dat geval is een consument goedkoper uit dan in de huidige situatie. Op dit moment staat de opzegvergoeding, die bestaat uit een vast bedrag, niet in verhouding met het risico dat energieleveranciers lopen bij een voortijdige overstap.1 Wanneer de energieprijzen dalen, kunnen energieleveranciers blijven zitten met duur ingekochte energie waarover was afgesproken dat de consument deze zou afnemen, terwijl de consument een minimale opzegvergoeding betaalt om elders een voordeliger energiecontract aan te gaan.
Energieleveranciers hebben aangegeven meer vaste energiecontracten aan te kunnen bieden wanneer de nieuwe regels rondom opzegvergoedingen zijn aangepast en de hoogte van de opzegvergoeding beter aansluit bij het verlies van de energieleverancier bij voortijdig overstappen.
Vindt u dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de juiste beslissing heeft genomen door via de opzegvergoeding het risico van een vast contract volledig bij de kleine eindgebruiker te leggen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is belangrijk dat consumenten op voorhand goed nadenken welk type energiecontract zij willen afsluiten: of zij zekerheid willen met een energiecontract met vaste tarieven zonder risico op tussentijdse prijsstijgingen, of liever een variabel energiecontract hebben. Als een consument een energiecontract aangaat voor een bepaalde periode, bijvoorbeeld een jaar, dan rekent de energieleverancier erop dat deze het energiecontract uitdient en niet voortijdig overstapt. De consument en de leverancier spreken immers onderling een periode van afname met elkaar af en leggen dat vast in een energiecontract. Deze afspraak stelt de energieleverancier in staat een scherp en vast tarief te bieden. Dit is niet zonder risico voor de energieleverancier; deze dekt de gehele afgesproken periode zo goed mogelijk af, maar draagt wel het risico dat de consument meer gaat verbruiken dan geschat, bijvoorbeeld in een erg koude winter. Daarvoor moet de energieleverancier dan extra, dure, energie inkopen op dat moment en dat leveren voor de vooraf afgesproken prijs.
De Beleidsregel is zo opgesteld dat alleen het risico waar de consument zelf invloed op heeft voor rekening van de consument komt. Als een consument kiest voor zekerheid en een vast energiecontract afsluit en dan toch voortijdig het contract eenzijdig wil beëindigen, dan blijft de energieleverancier zitten met dure energie als de energieprijzen in de tussentijd gedaald zijn. Wanneer de energieleverancier deze kosten zelf (gedeeltelijk) moet opvangen, werkt dit kostenverhogend voor het aanbod van vaste contracten, of worden deze beperkt aangeboden zien we nu. De kosten zullen namelijk op een andere manier gecompenseerd moeten worden, namelijk door dit in de tarieven door te berekenen. Dan betalen alle klanten mee aan de kosten die veroorzaakt zijn door de klant die contractbreuk pleegt.
Wat vindt u van de taakopvatting van de ACM als het de bescherming van de consument op de energiemarkt betreft? Kunt u uw antwoord toelichten?
De ACM houdt als onafhankelijk toezichthouder mede toezicht op de regels die zien op bescherming van consumenten op de energiemarkt, conform haar wettelijke taak. De ACM is hierin onafhankelijk.
Erkent u dat er op geen enkele manier sprake is van evenwichtige machtsverdeling tussen de energieleverancier en de gebruiker die een vast contract afsluit, omdat de laatste op geen enkele manier kennis kan hebben van de kostprijs van energie en gas, de winstmarge van de leverancier enzovoorts? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is mij bekend dat de machtsverdeling tussen de energieleverancier en de consument niet altijd evenwichtig is. Daarom ligt mijn aandacht op het uitbreiden en vooral verbeteren van de bescherming van consumenten ten aanzien van energie. Dit blijkt ook uit het wetsvoorstel Energiewet dat ik voornemens ben voor de zomer naar de Kamer te sturen.
Ik kan me goed voorstellen dat een consument geen kennis heeft van de kostprijs van elektriciteit en gas en de winstmarge van energieleveranciers. De ACM houdt daarom toezicht op energieleveranciers. Onlangs heeft de ACM onderzoek gedaan bij de drie grootste energieleveranciers (Eneco, Essent en Vattenfall) in Nederland om te controleren of de tarieven van deze bedrijven redelijk zijn na de invoering van het prijsplafond. Uit het onderzoek van de ACM is gebleken dat de drie energieleveranciers geen onredelijke tarieven hanteren.2 Ook heeft de ACM onderzoek gedaan bij Budget Thuis, Greenchoice en ENGIE (inclusief hun bedrijfsonderdeel UnitedConsumers). In dit onderzoek is eveneens geconcludeerd dat deze energieleveranciers geen onredelijke tarieven in het eerste kwartaal van 2023 hanteerden.3
Welk bedrag als opzegboete bij het voortijdig opzeggen van een energiecontract vindt u acceptabel? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Ik vind een bedrag als opzegvergoeding acceptabel zo lang de energieleverancier hierdoor geen onevenredig voordeel heeft en de consument duidelijk en transparant geïnformeerd wordt over de (hoogte van de) opzegvergoeding. In de Beleidsregel worden verschillende eisen gesteld ten aanzien van transparantie over de opzegvergoeding. Zo moet de energieleverancier ervoor zorgen dat in het energiecontract kenbaar en navolgbaar is hoe de energieleverancier de hoogte van de opzegvergoeding berekent. De energieleverancier moet een indicatie van de hoogte van de opzegvergoeding doorgeven aan de consument als deze daarom vraagt. Dit stelt de consument in staat om te bepalen of, en op welke termijn, het lagere tarief dat hij elders gaat betalen een voordeel oplevert en of hij in staat is het bedrag van de opzegvergoeding te betalen.
Als de consument – al dan niet via een nieuwe energieleverancier – opzegt, dan dient de consument onmiddellijk de voorlopige hoogte van de opzegvergoeding te vernemen van de oude energieleverancier. Op die manier heeft de consument nog de mogelijkheid om van het nieuwe contract af te zien binnen de wettelijke afkoelperiode van twee weken.
Vindt u dat een toezichthouder die óók naar het belang van de consument dient te kijken boetes van meer dan 400 euro kan toestaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik wil nogmaals benadrukken dat de opzegvergoeding slechts geldt in het geval van verlies als gevolg van de voortijdige opzegging van de consument bij een energiecontract met vaste tarieven voor bepaalde tijd in een markt met dalende energieprijzen. Alleen dan is er een verlies te vergoeden; er mag bovenop die vergoeding geen extra bedrag worden gevraagd.
Het is ook mogelijk dat de opzegvergoeding lager uitpakt dan nu of dat er helemaal geen opzegvergoeding verschuldigd is, namelijk bij gelijke of stijgende energieprijzen.
Verder verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 en 5. Ook bij een hoge opzegvergoeding kan de consument zelf bepalen of het betalen van een lager tarief elders opweegt tegen de eenmalige opzegvergoeding en of hij dit bedrag kan betalen.
Waarom is het risico voor het opzeggen van het contract volledig bij de consument gelegd en niet onderzocht of bijvoorbeeld het risico kan worden afgekocht of overgenomen door de energieleverancier waar naartoe wordt overgestapt? Kunt u uw antwoord toelichten?
De opzegvergoeding betreft een maximale opzegvergoeding en is in hoogte niet vooraf voorspelbaar, het moment van overstappen is dan immers niet bekend. Het vormgeven van de opzegvergoeding in de vorm van een afkoopsom vooraf kan ertoe leiden dat de opzegvergoeding in veel gevallen te hoog is. Daarnaast zou het introduceren van een vooraf te betalen afkoopsom (feitelijk een verzekering) kostenverhogend zijn voor consumenten die zich gewoon aan hun contract houden. Consumenten die de volledige vrijheid willen voor een overstap zijn dan beter af met een variabel of dynamisch energiecontract, dat op ieder moment kosteloos opzegbaar is.
Zoals aangegeven in antwoord 2 werkt het kostenverhogend wanneer de energieleverancier opzegvergoedingen (gedeeltelijk) moet compenseren. Ook wanneer de nieuwe energieleverancier een deel van het risico overneemt, geldt voor deze energieleverancier dat hij kosten maakt die gecompenseerd moeten worden via de tarieven. Ik vind het onwenselijk om een dergelijke constructie te organiseren, waarbij de kosten van contractbreuk opgevangen moeten worden door andere klanten.
Bent u bereid om de ACM te verzoeken dit besluit niet in te laten gaan per 1 april 2023? Zo neen waarom niet?
De nieuwe regels over opzegvergoedingen gaan in werking op 1 juni 2023. Ik ga de ACM niet verzoeken om dit besluit niet in te laten gaan, omdat ik er van overtuigd ben dat de nieuwe Beleidsregel een positief effect zal hebben voor zowel energieleveranciers als consumenten.
Wanneer kunt u een besluit van de ACM vernietigen, conform artikel 10 van de instellingswet van de ACM?
Ingevolge artikel 10 Instellingswet ACM kan ik besluiten van algemene strekking (bijvoorbeeld beleidsregels of regelgeving van de ACM) vernietigen indien de ACM een dergelijk besluit naar mijn oordeel onbevoegd heeft genomen. De ACM is een onafhankelijke markttoezichthouder die op basis van deskundigheid en zonder politieke inmenging besluiten neemt. Dit is ook een Europeesrechtelijke vereiste dat voor nationaal regulerende instanties voor het sectorspecifieke toezicht geldt.
Kunt u met een beroep op taakverwaarlozing van het beschermen van de positie van de consument een besluit van de ACM vernietigen? Zo neen, waarom niet?
De bevoegdheid op grond van artikel 23 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen om noodzakelijke voorzieningen te treffen bij ernstige taakverwaarlozing is bedoeld als ultimum remedium bij een dreiging van ontwrichting van de taakuitoefening door een zelfstandig bestuursorgaan. Deze bevoegdheid dient te worden onderscheiden van de bevoegdheid tot vernietiging van besluiten en heeft een andere werking.
Kunt u aangeven wat gedachte is geweest om artikel 22 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen buiten werking te plaatsen?
In de situatie vóór de fusie van de ACM was het vernietigingsrecht van artikel 22 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen met betrekking tot besluiten van de NMa en OPTA (voorgangers van de ACM) in het geheel uitgesloten. In artikel 10 Instellingswet ACM is uiteindelijk een beperkt vernietigingsrecht opgenomen. Deze mogelijkheid om in te grijpen is een uiterste middel. De onderliggende redenen voor het beperkte vernietigingsrecht zijn:
Vindt u het wenselijk dat een zelfstandig bestuursorgaan beleid en regels kan maken die grote gevolgen voor inwoners en bedrijven hebben, die niet gecorrigeerd kunnen worden door uzelf of de Tweede Kamer? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het gegeven dat de ACM in de invulling van haar toezicht beleid en regels kan maken is inherent aan haar onafhankelijke positie als zelfstandig bestuursorgaan ten opzichte van de politiek en de Minister. De ACM heeft de rechtsvorm van een zelfstandig bestuursorgaan gekregen, omdat Europese regelgeving op het gebied van energie, telecommunicatie, post en vervoer vereisen dat haar taken en bevoegdheden onafhankelijk van de politiek belegd zijn. Dit past ook in de opzet van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen die uitsluitend in drie gevallen instelling van een zelfstandig bestuursorgaan gerechtvaardigd acht. Behoefte aan onafhankelijke oordeelsvorming op grond van specifieke deskundigheid, zoals bij de ACM, is één van die gevallen. In het kabinetsstandpunt over het rapport «Een herkenbare staat: investeren in de overheid» (Kamerstuk 2004/05, 25 268, nr. 20) is neergelegd dat het onafhankelijkheidsmotief geldt voor markttoezichthouders, waaronder (de voorgangers van de ACM) de NMa en OPTA.
Bent u bereid om – net als bij de tijdelijke wet Groningen en specifiek het IMG – het buiten werking zetten van artikel 22 van de Kaderwet ongedaan te maken? Zo neen, waarom niet?2
Ik ben niet van plan om het buitenwerking zetten van artikel 22 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, zoals neergelegd in artikel 10, eerste lid, van de Instellingswet ACM, ongedaan te maken. Dit past niet bij het uitgangspunt dat een markttoezichthouder onafhankelijk en deskundig is om zonder politieke inmenging besluiten te nemen. Daarnaast zou dit ook in strijd zijn met Europeesrechtelijke onafhankelijkheidseisen voor het sectorspecifieke toezicht dat voor de ACM geldt.
Anders dan in de vraag wordt gesuggereerd, wordt het buiten toepassing verklaren van artikel 22 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen in de Tijdelijke wet Groningen niet ongedaan gemaakt. Waarschijnlijk doelt u op het wetsvoorstel tot wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (novelle verbetering uitvoerbaarheid) (Kamerstuk 36 094). In dat wetsvoorstel is in artikel I, onderdeel Ca, een wijziging van artikel 9 van de Tijdelijke wet Groningen opgenomen. De wijziging in het genoemde wetsvoorstel betreft het schrappen van artikel 21 (de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de taakuitoefening door een zelfstandig bestuursorgaan) in deze bepaling; de wijziging heeft geen betrekking op het buiten toepassing verklaren van artikel 22.
Wilt u deze vragen voor 1 april 2023 beantwoorden?
Het is niet gelukt om de Kamervragen voor 1 april 2023 te beantwoorden. De antwoorden op de Kamervragen zijn wel vóór inwerkingtreding van de nieuwe Beleidsregel van de ACM verstuurd.
Het bericht ‘33 gemeenten verlagen tarieven voor pgb ondanks inflatie: ‘Als ik weer moet gaan werken, dan moeten mijn kinderen naar een instelling’’ |
|
Lucille Werner (CDA) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Wat vindt u ervan dat de uurtarieven voor het persoonsgebonden budget (pgb) in 33 gemeenten zijn verlaagd, soms tot het minimumloon?1
Ik vind het belangrijk dat budgethouders de zorg en ondersteuning kunnen krijgen die ze nodig hebben. Gemeenten zijn wettelijk verplicht om toereikende tarieven vast te stellen, zodat budgethouders passende zorg en ondersteuning kunnen inkopen. Daarbij moeten gemeenten in de verordening opnemen hoe zij tot de opbouw van hun pgb-tarieven komen.
Er is een onderscheid tussen tarieven voor formele en informele zorgverleners. Gemeenten hebben de ruimte om hierin een passend onderscheid te maken. De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet zijn ontworpen om mensen waar mogelijk op eigen kracht, aangevuld met gebruikelijke hulp door naasten, met mantelzorg en hulp van het sociale netwerk, en daar waar nodig met passende (formele) zorg en ondersteuning zoveel mogelijk mee te laten doen in de samenleving. Er wordt daarbij – waar dat kan – een beroep gedaan op het probleemoplossend vermogen van de cliënt zelf, zijn naasten en zijn sociale netwerk.
Als er sprake is van informele zorg, is er in veel gevallen geen formele arbeidsverhouding tussen de zorgverlener en de budgethouder. Tegenover deze vorm van informele zorg staat een lagere vergoeding dan bij formele zorg. Gemeenten zijn bij informele zorgverleners in ieder geval gehouden aan het wettelijk minimumloon (Wml).
Wat vindt u ervan dat tientallen budgethouders anoniem willen blijven, omdat ze bang zijn voor of geen ruzie willen hebben met de gemeente?
Ik vind het belangrijk dat budgethouders geen drempels ervaren als zij hun zorgen uiten of als zij zich melden bij hun gemeente. Het is een onwenselijke situatie als budgethouders anoniem willen blijven uit angst voor eventueel nadelige gevolgen. Ik hecht er waarde aan dat gemeenten een goede vertrouwensband hebben met hun inwoners.
Deelt u de mening dat je uitspreken over de hoogte van het pgb niet mag leiden tot een volgende lagere indicatie?
Ja. Wanneer een inwoner het niet eens is met de hoogte van zijn pgb, mag dat geen reden zijn tot een lagere indicatie.
Snapt u dat – gezien vraag 3 – het melden bij de gemeente, mocht je niet met je pgb uitkomen, voor een budgethouder ingewikkeld is?
Ik vind het belangrijk dat budgethouders zich kunnen melden bij de gemeenten indien zij het niet eens zijn met een beslissing van een gemeente. Daar bestaan tevens (formele) bezwaar- en beroepsprocedures voor. Er zijn mij geen signalen bekend dat melden bij de gemeenten leidt tot nadelige gevolgen, zoals een lagere beschikking.
Vindt u dat deze 33 gemeenten een reëel tarief betalen voor het pgb? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het hanteren van toereikende tarieven en dienen in de verordening te onderbouwen op welke wijze zij tot toereikende tarieven komen. De beoordeling of tarieven in individuele gevallen toereikend zijn, is daarmee primair aan gemeenten. Wanneer een budgethouder het niet eens is met de hoogte van het budget bestaat de mogelijkheid van bezwaar en beroep.
Kunt u uitleggen waarom u met een landelijke richtlijn komt?
Ik vind het belangrijk dat gemeenten toereikende tarieven vaststellen, zodat budgethouders passende zorg en ondersteuning kunnen inkopen.
Gemeenten moeten in hun verordening opnemen hoe zij de kostprijs van een voorziening berekenen. Het berekenen van deze kostprijs wordt voor de voorzieningen in natura in de Wmo 2015 gedaan op basis van de AMvB reële prijs Wmo 2015. Deze schrijft de (minimale) kostprijselementen voor op basis waarvan een tarief moet worden opgebouwd; deze elementen moeten ook verankerd worden in de lokale verordening. Voor de Jeugdwet is momenteel een AMvB reële prijs in ontwikkeling. Het voornemen is om de AMvB reële prijs Jeugdwet voor het zomerreces te agenderen in de Tweede Kamer.
Ook voor de hoogte van het pgb geldt dat gemeenten in de verordening moeten vastleggen op welke wijze zij de tarieven opbouwen. Ik constateer dat gemeenten op verschillende manieren hun tarieven bepalen en dat dit soms onduidelijkheid kan veroorzaken voor budgethouders en zorgaanbieders.
Daarom ontwikkel ik, in samenwerking met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en Per Saldo, een handreiking waarin een methode wordt uitgewerkt voor het berekenen van toereikende pgb-tarieven. Er worden geen landelijke tarieven vastgesteld, maar wel een uniforme, uitlegbare en uitvoerbare werkwijze. Met deze werkwijze wil ik gemeenten ook toerusten om transparant te zijn in de opbouw van een pgb-tarief.
Kun u toelichten wat u bedoelt met de zinsnede dat «gemeenten ook de ruimte moeten krijgen om de lokale situatie goed te laten meewegen»?
Gemeenten hebben de beleidsvrijheid om zelf keuzes te maken in de totstandkoming van lokale tarieven. Deze tarieven kunnen zij zo opbouwen, zodat deze passen bij de lokale situatie en lokale zorg- en ondersteuningsstructuur.
Daarin houden gemeenten bijvoorbeeld rekening met lokale verschillen in de verschillende kostprijselementen, de beschikbaarheid van zorgaanbieders, het soort zorgaanbieders en andere mogelijkheden van lokale ondersteuning.
Gaat u in de landelijke richtlijn formele en informele tarieven voor een pgb opnemen? Waarom wel of waarom niet?
De handreiking waarin de werkwijze voor de opbouw van pgb-tarieven wordt opgenomen, richt zich primair op tarieven voor formele zorg en ondersteuning.
Daarbij is het belangrijk voor ogen te houden dat er een onderscheid is tussen formele en informele zorgverleners. Bij een tarief voor formele zorg zie ik een duidelijke parallel met een maatwerkvoorziening (zorg in natura) uit de Wmo 2015. De kostprijs van een dergelijke voorziening, of deze nu door de gemeente of via een pgb wordt ingekocht, kan langs vaste kostprijselementen worden opgebouwd. Voor het tarief voor informele zorg, waarbij het gaat om ondersteuning door naasten, vind ik een dergelijke werkwijze niet passend.
Worden naast de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) ook cliënten- en patiëntenorganisaties betrokken bij het maken van de landelijke richtlijn? Zo ja, hoe dan precies? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik ben met zowel Per Saldo als met de VNG en gemeenten in gesprek bij het vormgeven van deze handreiking. Ik vind het belangrijk dat ook Per Saldo betrokken is bij deze opgave, omdat zij het perspectief van pgb-houders voor het voetlicht brengen.
Kunt u aangeven wanneer de landelijke richtlijn gereed is?
Het voornemen is om de handreiking voor het kerstreces gereed te hebben.
De verhuizing van Ferrovial |
|
Henk Nijboer (PvdA), Tom van der Lee (GL) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de plannen van het Spaanse bouwbedrijf Ferrovial om naar Nederland te verhuizen?1
Ik ben bekend met het voornemen van het bedrijf Ferrovial om de locatie van de tophoudster te verplaatsen van Spanje naar Nederland.
Ziet u het Nederlandse belastingsysteem als een van de redenen voor Ferrovial om naar Nederland te verhuizen?
Voor de motieven achter het voornemen kan ik alleen afgaan op de uitlatingen van het bedrijf zelf. Daaruit maak ik op dat het bedrijf geen fiscale redenen heeft voor de verplaatsing. Ferrovial stelt meer internationale investeerders te willen aantrekken, en daarvoor haar aandelen zowel in Spanje, Nederland als de Verenigde Staten (VS) te willen laten verhandelen. Een notering aan een Nederlandse beurs maakt het volgens Ferrovial eenvoudiger om een duale notering in de VS aan te vragen dan een beursnotering in Spanje.2
Heeft de Nederlandse belastingdienst of een andere Nederlandse overheidsdienst contact gehad met vertegenwoordigers van Ferrovial voorafgaand aan de aankondiging tot verhuizing? Op welke momenten vond dit plaats en welke instanties waren daarbij betrokken?
Ferrovial heeft al langere tijd meerdere vestigingen in Nederland. Daarom heeft het bedrijf hoogstwaarschijnlijk weleens contact met een of verscheidene Nederlandse overheidsdienst(en). Ik neem aan dat de vragenstellers vooral willen weten of het bedrijf contact heeft gehad met een Nederlandse overheidsdienst over het voornemen tot verplaatsing.
Ik heb navraag gedaan bij de overheidsdiensten (i) die relevant zijn in het licht van de door de leden van uw Kamer gestelde vragen; of (ii) waarmee eventueel contact in de rede zou liggen gezien de door het bedrijf gegeven motivatie voor de voorgenomen verplaatsing. Het gaat om het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, het Ministerie van Financiën, de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA), de Belastingdienst, de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de Nederlandse ambassade in Spanje.
Voor de Belastingdienst geldt het volgende. Het is onderdeel van het toezichtconcept bij grote ondernemingen dat er contact plaatsvindt tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst. Op basis van artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen is het echter niet toegestaan informatie over de fiscale positie van een individuele belastingplichtige voor iedereen kenbaar te maken. Hieronder valt ook de vraag over de inhoud van een eventueel contact met de Belastingdienst en het al dan niet bestaan van een afspraak die in het kader van zekerheid vooraf wordt overeengekomen tussen de Belastingdienst en een individuele belastingplichtige. Wel kunnen we bevestigen dat er geen recentelijk contact is geweest tussen Ferrovial en de Belastingdienst voorafgaand aan de bekendmaking van het voornemen van het bedrijf Ferrovial om de locatie van de tophoudster te verplaatsen van Spanje naar Nederland.
De AFM heeft mij laten weten dat Ferrovial contact heeft gehad met hen in het kader van het goedkeuringstraject van het prospectus dat nodig zal zijn voor de toelating tot de handel van de aandelen op Euronext. Wat een onderneming bespreekt met de toezichthouder is vertrouwelijke informatie en is dan ook niet met mij gedeeld.
Voor de andere overheidsdiensten waarbij ik navraag heb gedaan geldt dat het bedrijf, voor zover ik heb kunnen nagaan, voorafgaand aan de aankondiging van het voornemen tot verplaatsing daarover geen contact heeft gehad.
Is er tijdens deze contacten gesproken over het Nederlandse belastingsysteem?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 3. In reactie op vraag 5 merk ik in zijn algemeenheid op dat in het kader van zekerheid vooraf – binnen de kaders van wet, beleid en jurisprudentie – met de Belastingdienst enkel afspraken kunnen worden gemaakt over de fiscale gevolgen van een voorgenomen rechtshandeling.
Zijn er afspraken gemaakt met Ferrovial over de toepassing van de belastingregels en de te betalen belastingen?
Zie antwoord vraag 4.
Zo ja, wat is er afgesproken en in welke vorm (bijvoorbeeld een vooroverleg of een ruling)?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u de wenselijkheid van belastingconcurrentie met andere EU-landen? Schaart u de reden van deze verhuizing onder het mom van belastingconcurrentie?
Zoals ik heb aangegeven bij het antwoord op vraag 2, heeft het bedrijf bij mijn weten geen fiscale motieven voor het voornemen om de tophoudster naar Nederland te verplaatsen. Daarom zie ik niet in hoe de reden van deze verplaatsing onder belastingconcurrentie geschaard zou kunnen worden.
Over belastingconcurrentie met andere EU-landen in het algemeen is mijn positie als volgt. Het kabinet vindt het onwenselijk als het streven naar een aantrekkelijk investeringsklimaat leidt tot intensieve belastingconcurrentie tussen landen. Nederland wil een race naar de bodem voorkomen en de mogelijkheden voor bedrijven om belasting te ontwijken aanpakken. Nederland is daarom voorstander van internationale afspraken op het gebied van de belastingheffing van internationaal opererende bedrijven. Internationale afspraken dragen bij aan een zo groot mogelijk gelijk speelveld en (binnen de EU) aan een sterke interne markt. Nederland loopt voorop bij de implementatie van het EU-richtlijnvoorstel voor een minimumniveau aan winstbelasting («Pijler 2») die een ondergrens stelt aan belastingconcurrentie in de winstbelasting. Nederland heeft zelf een effectief tarief in de vennootschapsbelasting van 22,5% (niveau 2021),3 wat rond het Europees gemiddelde is en ruim boven het in Pijler 2 afgesproken minimumniveau van 15%. Ten aanzien van belastingontwijking heeft Nederland zich de afgelopen jaren op internationaal terrein als een voortrekker getoond en daarin ook unilateraal veel stappen gezet. Het IMF, de OESO en de Europese Commissie onderkennen de goede stappen van Nederland. In tegenstelling tot voorgaande edities doet de Europese Commissie aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op het terrein van belastingontwijking in het kader van het Europees Semester.
Kunt u iets zeggen over de misgelopen belastingopbrengsten voor de Spaanse Staat en de verwachte extra inkomsten voor Nederland?
Nee. In algemene zin merk ik op dat internationaal als uitgangspunt geldt dat winstbelasting geheven wordt op de plek waar waarde wordt gecreëerd. Dat betekent dat de verplaatsing van de vestigingsplaats van een tophoudster niet als gevolg heeft dat de gehele winst van een bedrijf voortaan in een ander land belast wordt. Er zijn te veel onzekere factoren, zoals de aard en omvang van de activiteiten die in Nederland worden ontplooid en de winstgevendheid daarvan, om een betrouwbare inschatting te kunnen maken van de consequenties voor de vennootschapsbelastingopbrengst van Nederland. Ook van het effect op andere belastingsoorten zoals de dividendbelasting en de loonbelasting kan geen betrouwbare inschatting gemaakt worden. Ik heb tot slot geen inzicht in het effect van deze bedrijfsbeslissing op de belastingafdracht aan de Spaanse overheid.
Een mogelijke oorzakelijke relatie tussen de (mRNA-)coronavaccins en de oversterfte in Nederland |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Kunt u wellicht één voorbeeld geven van een wetenschappelijk onderzoek dat al is verricht óf van een wetenschappelijk onderzoek dat op dit moment wordt uitgevoerd naar een mogelijke oorzakelijke relatie tussen de (mRNA-)coronavaccins en de oversterfte in Nederland?
Ik heb uw Kamer op 22 juni jl.1 geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het RIVM naar oversterfte in 2020 en 2021. In dit onderzoek is onder meer het risico op overlijden kort na vaccinatie onderzocht. Geconcludeerd wordt dat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een verhoogd risico op overlijden aan andere doodsoorzaken dan COVID-19 na het ontvangen van een COVID-19-vaccinatie. Verder loopt op dit moment traject 3 van het oversterfte onderzoek, zoals beschreven in de Kamerbrief van 9 februari jl.2, onder begeleiding van ZonMW en de onafhankelijke begeleidingscommissie. In lijn 3 van dit traject wordt onderzoek gedaan naar de relatie tussen vaccinatie en oversterfte. Inmiddels zijn er 9 onderzoeken gehonoreerd, hiervoor verwijs ik u naar de website van ZonMW3. Ik zie de uitkomsten van deze onderzoeken met belangstelling tegemoet.
Indien dit het geval is, welk onderzoek betreft dit?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de bovenstaande twee vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Mijn streven is om de vragen binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden.
Het artikel 'Arbeidsinspectie: Veel ongelukken bij installatie zonnepanelen' |
|
Mark Strolenberg (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Arbeidsinspectie: Veel ongelukken bij installatie zonnepanelen»?1
Ja, het artikel heb ik gelezen. Ik betreur het zeer dat bij het uitvoeren van de werkzaamheden werknemers zijn overleden. Niemand mag bij het uitvoeren van zijn werk betrokken raken bij een arbeidsongeval, zeker niet bij een ongeval met dodelijke afloop.
Deelt u de mening van de Nederlandse Arbeidsinspectie dat er meer aandacht moet komen voor veiligheid bij de installatie van zonnepanelen?
Ja, die mening deel ik. De Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: NLA) heeft een project zonnepanelen waarin reactieve meldingen worden opgepakt en preventieve inspecties worden uitgevoerd. Ook heeft de NLA recent aandacht besteed aan de problematiek in vakmedia en via de (sociale) media.2
De laatste jaren worden er in het kader van verduurzaming veel zonnepanelen geïnstalleerd en door de hoge energieprijzen neemt de vraag naar het plaatsen van zonnepanelen toe. Ik vind het belangrijk dat hierbij veilig wordt gewerkt. De NLA constateert dat met name bij verduurzamingswerkzaamheden op kleine bouwplaatsen en renovaties veiligheidsvoorschriften onvoldoende worden nageleefd.
Wat is volgens u de achterliggende reden dat er zoveel (dodelijke) ongelukken gebeuren in deze specifieke branche?
De achterliggende reden is mij niet bekend. Vermoedelijk verkiest men snelheid boven veiligheid. Zoals aangegeven is de vraag naar het plaatsen van zonnepanelen groot. De branche is de afgelopen jaren enorm gegroeid. Het betreft hier een relatief jonge branche waarin veel wordt gewerkt met kleine onderaannemers. Het gebrek aan werkervaring kan ervoor zorgen dat de werkenden veiligheidsrisico’s niet goed inschatten. Daarnaast is de keten lang en zijn opdrachtgevers soms niet op de hoogte van het feit dat een klus is uitbesteed aan een andere onderaannemer. Dit ontslaat hen uiteraard niet van de verantwoordelijkheid om veilig te werken. Uit de gesprekken die de NLA en mijn ministerie voeren met de branche komt naar voren dat zij zich hiervan bewust zijn en initiatieven ontwikkelen om de veiligheid te verbeteren.
Verder gaat het bij de installatie van zonnepanelen veelal om kleine projecten op verschillende locaties, vaak in opdracht van een particuliere eigenaar van een woning. Op elke locatie moet het werk veilig worden gedaan. Dit betekent het steeds opnieuw opbouwen en afbreken van de veiligheidsmaatregelen. Dit kan tijdrovend zijn. Echter, vooral bij dit soort risicovolle werkzaamheden, is het van groot belang om voor elke klus en elk project de juiste voorzorgsmaatregelen te nemen en gezond en veilig te blijven werken.
Hebben bedrijven die de veiligheidsregels overtreden een oneerlijk concurrentievoordeel ten opzichte van bedrijven die de regels netjes toepassen? Zo ja, verhoogt dit dan de urgentie bij u om de handhaving te verscherpen?
Ik vermoed dat bedrijven die de veiligheidsregels niet naleven denken dat ze sneller werken. Hierdoor bieden zij hun werkzaamheden aan tegen een lagere prijs. Maar wanneer er door de NLA wordt gehandhaafd (bijvoorbeeld door het stilleggen van de werkzaamheden, of het opleggen van een boete, of als er iets misgaat en er een ongeval gebeurt bij het plaatsen van de zonnepanelen), lopen de kosten al gauw op. Gerichtere controle door de NLA draagt bij aan het beter naleven van de geldende wetgeving over werken op hoogte.
Vindt u dat de sancties die de Nederlandse Arbeidsinspectie kan opleggen verstrekkend genoeg om een preventieve werking op werkgevers te hebben? Zo nee, zou u bereid zijn strengere sancties voor overtreders te overwegen?
Ja, ik vind de huidige sancties verstrekkend genoeg. Overtreding van het Arbobesluit 3.16, het niet voorkomen van valgevaar, valt onder de zware overtredingen. Bij constatering van deze overtreding kan de arbeidsinspecteur de werkzaamheden direct stilleggen.
Bent u in gesprek met partijen uit de sector (zoals Bouwend Nederland, Techniek Nederland en Holland Solar) om te onderzoeken welke maatregelen werken om naleving van de veiligheidsregels te doen toenemen? Wellicht kunnen bewezen methoden uit de bouw namelijk worden toegepast op deze sector, zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is de uitkomst van deze gesprekken?
De NLA is samen met mijn ministerie in gesprek met de sector over het verbeteren van de veiligheid. Uit die gesprekken komt naar voren dat de branche zelf initiatieven ontwikkelt om de veiligheid te verbeteren. De brancheverenigingen spelen verder een belangrijke rol in het onder de aandacht brengen van de arbocatalogi.
Het bericht ‘33 gemeenten verlagen tarieven voor pgb ondanks inflatie’ |
|
Harry Bevers (VVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «33 gemeenten verlagen tarieven voor pgb ondanks inflatie: «Als ik weer moet gaan werken, dan moeten mijn kinderen naar een instelling»»?1
Ja.
Is het juist dat er gemeenten zijn die de persoonsgebonden budget (pgb)-tarieven tot 50 procent oplopend verlagen?
Vanuit landelijk perspectief heb ik geen exact inzicht in de hoogte van de pgb-tarieven bij individuele gemeenten. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om toereikende tarieven vast te stellen. In de uitzending van EenVandaag wordt gesteld dat er gemeenten zijn die hun tarieven verlagen. Alle gemeenten zijn wettelijk verplicht om toereikende tarieven vast te stellen, zodat budgethouders met een pgb de zorg en ondersteuning kunnen inkopen die ze nodig hebben.
Kunt u van de 33 genoemde gemeenten aangeven wat het percentage van de verlaging is?
Nee dat kan ik niet. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Is het bekend of buiten de 33 genoemde gemeenten in dit bericht er nog meer gemeentes zijn die hun tarieven verlagen?
Ik ben structureel in gesprek met belangenorganisatie Per Saldo. Mede hierdoor ben ik bekend met enkele signalen van gemeenten die hun tarieven verlagen. Ik vind elk geval van een niet toereikend tarief onwenselijk. Alle gemeenten zijn wettelijk verplicht om toereikende tarieven vast te stellen zodat alle mensen met een pgb de zorg en ondersteuning kunnen inkopen die ze nodig hebben.
Bent u het eens dat een verlaging van deze omvang nauwelijks te begrijpen is in het licht van de hoge inflatie van afgelopen periode? Hoe onderbouwen gemeenten deze nieuwe tarieven als «reële tarieven»?
Pgb-tarieven worden in het kader van de Wmo 2015 en de Jeugdwet door gemeenten zelf bepaald. Gemeenten zijn vrij om hier zelf keuzes in te maken, maar zijn ook aan een aantal wettelijke voorwaarden gebonden. Zo zijn gemeenten verplicht om toereikende tarieven te hanteren en dienen gemeenten in hun verordening te beschrijven op welke wijze het pgb-tarief opgebouwd wordt. Voor de Wmo 2015 en de Jeugdwet geldt bij een informeel tarief de ondergrens van de Wet minimumloon (Wml).
De Wmo 2015 en de Jeugdwet zijn gedecentraliseerde wetten en gemeenten zijn verantwoordelijk voor een correcte uitvoering van de wet en dus voor een correcte opbouw van het tarief.
Om gemeenten te ondersteunen ontwikkel ik, in samenwerking met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en Per Saldo, een handreiking waarin een methode wordt uitgewerkt voor het berekenen van toereikende pgb-tarieven. Er worden geen landelijke tarieven vastgesteld, maar wel een uniforme, uitlegbare en uitvoerbare werkwijze waarmee ik gemeenten toerust om transparant te zijn in de opbouw van een pgb-tarief. Deze handreiking zal gemeenten ondersteunen bij het goed onderbouwen van de opbouw van hun tarieven.
Kunt u aangeven of en op welke manier gemeenten in contact staan met pgb-houders om de continuïteit van zorg voor deze groepen te borgen?
Als iemand niet zelfredzaam is en ook met hulp van naasten of het eigen sociale netwerk niet kan worden voorzien van de hulp en ondersteuning die nodig is, kan de gemeente passende zorg en ondersteuning – al dan niet in de vorm van een pgb – als voorziening verstrekken. Hier gaat een keukentafelgesprek aan vooraf. De aanvrager bespreekt in dat gesprek of de hulp wordt geleverd via zorg in natura, of dat dit via een pgb kan en wenselijk is.
Als er gekozen wordt voor een pgb kan een budgethouder de zorg en ondersteuning zelf inkopen middels de inzet van een zorgaanbieder of inzet via informele zorg door het sociale netwerk. In het geval dat de hulp geleverd wordt vanuit het sociaal netwerk, gebeurt dit (meestal) tegen een lager, informeel tarief.
Op welke wijze gemeenten contact houden met de budgethouders is vaak geregeld in het (persoonlijk) plan van de budgethouder. In de regel onderhouden gemeenten periodiek contact met de budgethouder.
Wat is het huidige uurtarief voor de zorg bij een pgb in de Wet langdurige zorg (Wlz), gegeven zowel de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 als de Wlz het pgb kent? Hoe verhoudt zich dit tot het in het bericht aangehaalde voorbeeld waarbij het tarief is verlaagd tot 14 euro per uur?
Voor de Wlz worden er maximum uurtarieven gehanteerd. Voor informele zorg wordt een maximum uurtarief gehanteerd van € 22,98. Voor formele zorg wordt een maximum uurtarief gehanteerd van € 72,39.
Het maximale tarief voor informele zorg in de Wlz is van toepassing voor zorgverleners die partner, familielid of kennis van de budgethouder zijn, zorgverleners zonder BIG-registratie of zorgverleners zonder KvK-inschrijving. Het tarief voor formele zorg geeft het maximum aan voor pgb-zorgverleners die werken voor een zorgaanbieder, die een BIG-registratie of KvK-inschrijving hebben.
Gemeenten hebben binnen de wettelijke kaders ruimte om zelf tarieven te bepalen. Deze tarieven liggen vast in gemeentelijke verordeningen en nadere regelgeving.
Een fatsoenlijk loon voor werknemers van sociale werkbedrijven |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u de acties van werknemers van sociale werkbedrijven (SW), waarbij onder andere wordt gevraagd om een fatsoenlijke vergoeding voor de gestegen prijzen?
Ik deel de zorgen van veel Nederlanders die door de inflatie en hoge energieprijzen de eindjes niet aan elkaar kunnen knopen. De acties van medewerkers van sociaal ontwikkelbedrijven gaan over loonsverhogingen en een hogere reiskostenvergoeding. Deze aangelegenheden liggen primair bij gemeenten, sociaal ontwikkelbedrijven en (de vertegenwoordiging van) werknemers. Daarom past mij terughoudendheid bij het beoordelen van de acties.
Vindt u ook dat SW-werknemers, waarvan de cao’s vóór de grote prijsstijgingen werden afgesloten, gecompenseerd zouden moeten worden voor de duurdere boodschappen en energierekening?
Voor veel huishoudens met een kleine beurs is de nood hoog door de fors gestegen energieprijzen en duurdere boodschappen. Dit geldt zeker ook voor medewerkers die vallen onder de Wsw en werken bij sociaal ontwikkelbedrijven.
Om mensen te compenseren voor de duurdere boodschappen en de hogere energierekening, heeft het kabinet een uitzonderlijk groot pakket aan koopkrachtmaatregelen beschikbaar gesteld, dat vooral ter ondersteuning is van lage en middeninkomens. Denk aan de verhoging van het wettelijk minimumloon, de inzet van de energietoeslag, het instellen van een tijdelijk prijsplafond voor energie, de verhoging van zowel de huur- als de zorgtoeslag, de korting op accijns op brandstof en de verlaging van de inkomensbelasting. Tegelijkertijd kunnen we de koopkracht niet alleen met maatregelen van het kabinet versterken. Werkgevers zijn hier hard bij nodig en spelen een belangrijke rol.
Hoewel ik oog heb voor de vraagstukken die voortkomen uit de afspraken die sociale partners in de cao SW hebben gemaakt, is het Rijk geen partij in de cao. Het is primair aan de cao-partijen zelf om afspraken uit de cao na te komen en om eventueel nieuwe afspraken te maken over de arbeidsvoorwaarden voor medewerkers. Het Rijk heeft een verantwoordelijkheid voor het bieden van financiering voor de uitvoering van de Wsw en de Participatiewet, waaronder beschut werk. Het geld dat het Rijk hiervoor beschikbaar stelt, kunnen gemeenten vrij besteden, onder meer aan de financiering van de cao’s. De financiering vanuit het Rijk wordt geïndexeerd voor ontwikkelingen in de lonen en prijzen middels het accres (voor de Algemene uitkering Gemeentefonds) en de LPO-systematiek (voor de Integratie-uitkering Participatie), wat arbeidsvoorwaardenruimte biedt.
Ik ben met VNG en Cedris over de situatie in gesprek. Zodra deze gesprekken zijn afgerond, zal ik de Kamer nader informeren.
Vindt u ook dat een stempelkaart waarmee je in een kringloopwinkel spullen kan krijgen, zoals in Rotterdam aan SW-werknemers is gegeven, geen recht doet aan de financiële problemen waar veel van de SW-werknemers mee te maken hebben?
Ik vind dat mensen die kampen met geldzorgen, problematische schulden of leven rondom de armoedegrens zich gezien en gehoord moeten voelen, goede hulp tot hun beschikking moeten hebben en moeten kunnen rekenen op bestaanszekerheid. Want achter geldzorgen en financiële problemen gaat enorm veel leed en verdriet schuil. De stress, eenzaamheid en uitsluiting die geldzorgen met zich meebrengen, belemmeren mensen om volwaardig deel te nemen aan de samenleving. Hierdoor ontstaan ook hardnekkige problemen op andere gebieden, zoals mentale en fysieke gezondheid, onderwijs, wonen, werken, opvoeding en veiligheid.
Hoewel ik het initiatief uit Rotterdam mooi vind, omdat veel mensen hierdoor geholpen worden, baart het mij zorgen als mensen hierop aangewezen zijn. Want uiteindelijk is het hebben van een voldoende en stabiel inkomen de basis voor bestaans- en inkomenszekerheid. In het antwoord op vraag twee heb ik een schets geven van de maatregelen die het kabinet treft om de bestaans- en inkomenszekerheid van mensen verder te versterken. Daarnaast vind ik dat ook werkgevers een belangrijke verantwoordelijkheid hebben om hieraan bij te dragen.
Begrijpt u dat werknemers van sociale werkbedrijven het oneerlijk vinden dat zij geen hoger loon krijgen, terwijl de andere ambtenaren er met de reeds afgesloten cao (terecht) 9% bij krijgen plus een eenmalige vergoeding van 750 euro?
Ja, dat begrijp ik. Medewerkers die vallen onder de Wsw zien dat gemeenten de arbeidsvoorwaarden binnen de cao Gemeenten verbetert en hun cao hierbij achterblijft.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) dat het niet mogelijk is om aanvullende arbeidsvoorwaarden af te spreken zonder dat daar een financiële dekking vanuit het Rijk tegenover staat?1
De werkgevers (VNG en Cedris) hebben in de tekst van de cao Aan de Slag opgenomen dat indexatie van het loongebouw met het stijgingspercentage van het wettelijk minimumloon afhankelijk is van volledige compensatie hiervan door het Rijk. Bij het formuleren van deze voorwaarde is het Rijk geen partij geweest. Ook zijn er hierover geen afspraken gemaakt met het Rijk.
Zoals hierboven geschetst heb ik oog voor de vraagstukken die voortkomen uit de afspraken die sociale partners onderling hebben gemaakt. Tegelijkertijd is het Rijk geen partij in de cao en is het in de eerste instantie aan de partijen zelf om afspraken uit de cao’s na te komen. Het Rijk biedt financiering voor de uitvoering van de Wsw en de Participatiewet. De middelen die hiervoor beschikbaar worden gesteld kunnen gemeenten inzetten voor de financiering van de cao’s.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat SW-medewerkers fatsoenlijk worden gecompenseerd voor de gestegen prijzen?
Het kabinet heeft een aantal maatregelen genomen om mensen te compenseren voor de gestegen prijzen. In het antwoord op vraag twee geef ik een schets van welke maatregelen het kabinet zoal treft.
Verder heeft het Rijk een belangrijke verantwoordelijkheid voor het bieden van financiering voor de uitvoering van de Wsw en de Participatiewet. Dit geld kunnen gemeenten vrij besteden, onder meer aan de financiering van een cao. Hierbij is van belang dat de financiering vanuit het Rijk wordt geïndexeerd voor ontwikkelingen in de lonen en prijzen middels het accres (voor de Algemene uitkering Gemeentefonds) en de LPO-systematiek (voor de Integratie-uitkering Participatie), wat arbeidsvoorwaardenruimte biedt.
Tenslotte benadruk ik graag opnieuw de belangrijke rol die werkgevers spelen. Naast alle maatregelen die het kabinet, treft spelen zij een essentiële rol om – met name arbeidsvoorwaarden – de bestaans- en inkomenszekerheid van mensen verder te versterken. In het geval van medewerkers die vallen onder de Wsw, is het dan ook primair aan gemeenten om eventueel aanvullende maatregelen te treffen om deze medewerkers – eventueel via arbeidsvoorwaarden – te compenseren. Ik ben met VNG en Cedris over de situatie in gesprek. Zodra deze gesprekken zijn afgerond, zal ik de Kamer hierover informeren.
Bent u bereid om oneerlijke verschillen in arbeidsvoorwaarden tussen SW-werknemers en andere ambtenaren weg te nemen?
Ik heb begrip voor de gevoelens van de Sw-medewerkers. Tegelijkertijd is het nadrukkelijk de verantwoordelijkheid van gemeenten om met de verschillen in arbeidsvoorwaarden tussen medewerkers die vallen onder de Wsw en ambtenaren om te gaan en om te besluiten over een eventuele aanpassing van de arbeidsvoorwaarden van medewerkers die vallen onder de Wsw. Zoals eerder aangegeven ben ik met de VNG en Cedris over de problematiek in gesprek.
Het bericht ‘Verontrustende signalen bij start vaccinatiecampagne’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Verontrustende signalen bij start vaccinatiecampagne», op basis van vrijgegeven Wet open overheid / Wet openbaarheid van bestuur (Woo / Wob)-documenten?1, 2
Ja.
Kunt u beamen dat de initiële vaccinatiebereidheid onder zorgpersoneel laag was? Weet u waarom zorgmedewerkers weinig vertrouwen hadden in de coronavaccinaties? Kunt u analyseren waarom juist de mensen die hard geraakt werden door de gevolgen van de coronapandemie en die dagelijks geconfronteerd werden met de mogelijk ernstige gevolgen van COVID-19 voor sommige mensen, toch niet onverdeeld positief stonden tegenover het grootschalig vaccineren tegen het coronavirus?
Peilingen voorafgaand aan de start van de COVID-19-vaccinatiecampagne lieten wisselende beelden zien. Uit een ledenpeiling van NU’91 bleek de vaccinatiebereidheid onder zorgpersoneel bijvoorbeeld laag3, terwijl kort daarna uit een onderzoek van I&O Research naar voren kwam dat de vaccinatiebereidheid onder zorgpersoneel net zo hoog was als gemiddeld4. De peiling van NU’91 liet zien dat zorgmedewerkers met name twijfelden over vaccinatie vanwege een gebrek aan (deskundige) informatie over het vaccin. Om een zo hoog mogelijke vaccinatiegraad te behalen, is door het Ministerie van VWS gekeken hoe in deze informatiebehoefte kon worden voorzien en hoe eventuele drempels konden worden weggenomen, onder meer door inzet van experts en wetenschappers.
Inmiddels blijkt uit cijfers van het RIVM tot en met 2 maart 2022 dat 83% van de werknemers in de zorgsector tenminste één vaccinatie tegen COVID-19 heeft ontvangen5. De opkomst onder zorgpersoneel is daarmee allerminst laag. Dat een deel van de zorgmedewerkers ervoor kiest om zich niet te laten vaccineren verandert niets aan de wetenschappelijk vastgestelde veiligheid en effectiviteit van vaccinatie.
Hoe reflecteert u op de weerstand tegen het influenzavaccin die bij veel zorgmedewerkers al jaren leeft, in relatie tot de weerstand die vele zorgmedewerkers voelden jegens de nieuwe coronavaccins? Bent u niet van mening dat juist zorgprofessionals bij uitstek bij machte zijn om vanuit hun kennis en ervaring een risico-afweging te maken met betrekking tot het nut, de noodzaak en de veiligheid van medische behandelingen, zoals vaccinatie? Waarom is, in plaats van deze signalen van zorgmedewerkers serieus te nemen, ingezet op het onderdrukken van deze geluiden in/van de zorg, teneinde de vaccinatiebereidheid in de rest van de samenleving niet nadelig te beïnvloeden?
Zie mijn antwoord op vraag 2. In het verleden is gebleken dat zorgmedewerkers niet optimaal gebruikmaakten van de griepvaccinatie die vanuit de werkgevers gratis wordt aangeboden. Vaccinatie van zorgmedewerkers is belangrijk, omdat zij werken met kwetsbare patiënten. Als een medewerker griep (of COVID-19) krijgt, kan hij het virus overdragen aan kwetsbare patiënten. Daarnaast kan de vaccinatie onnodige uitval door ziekte voorkomen. Dit is belangrijk voor de continuïteit van zorg. De afgelopen jaren hebben zorginstellingen daarom ingezet op informatievoorziening en bewustwording bij zorgmedewerkers over het nut, de noodzaak en de veiligheid van de griepvaccinatie, bijvoorbeeld door middel van campagnes die zijn afgestemd op de behoeften van de doelgroep. Zowel bij de griepvaccinatie als bij de COVID-19-vaccinatie is op geen enkele manier sprake geweest van onderdrukking van signalen.
Vindt u het medisch-ethisch verantwoord dat, zoals blijkt uit Wob-documentatie, in ieder geval is overwogen, zij het als «grap», om de financiële bonus voor zorgpersoneel te koppelen aan het nemen van een coronavaccinatie?
Het kabinet heeft zich verschillende malen uitgesproken tegen het gebruik van vaccinatiedwang of -drang. Het eventueel invoeren van een financiële prikkel om vaccinatie aan te moedigen is dan ook niet aan de orde geweest.
Kunt u uitleggen waarom stug werd doorgezet met de vaccinatiecampagne, terwijl het aantal meldingen van (ernstige) bijwerkingen die snel na de start van de vaccinatiecampagne binnenkwamen bij het Lareb aanzienlijk hoger waren dan werd verwacht? Waarom is het vaccineren destijds niet (tijdelijk) stilgelegd, aangezien dat bij vaccinatiecampagnes voor andere nieuwe infectieziekten in het verleden wel gebeurde, na veel minder meldingen?
Voor antwoorden op deze vragen verwijs ik naar de op 29 augustus jl. gegeven antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Van Haga (Groep Van Haga) van 25 juli jl.6
Waarom was het kennelijk belangrijker dat er «geen onrust» ontstond over de coronavaccinaties, dan transparant te zijn over de mogelijk relatief hoge kans op bijwerkingen en daarnaar gedegen onderzoek te doen? Waarom is actief ingezet op het niet volledig informeren van de bevolking over de coronavaccinatie en het daarmee ontnemen van informed consent? Kunt u onderbouwd uitleggen welke afwegingen en belangen hieraan ten grondslag lagen en waarom?
Ik neem nadrukkelijk afstand van de stellingname dat er geen gedegen onderzoek zou worden gedaan naar de kans op bijwerkingen en dat er niet transparant zou worden gecommuniceerd over de potentiële risico’s van vaccinatie tegen COVID-19. In de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen van het lid Van Haga ben ik al meerdere malen uitgebreid ingegaan op de monitoring van en communicatie over (mogelijke) bijwerkingen. Ik heb hier niets aan toe te voegen.
Hoe reflecteert u in retrospectief op de uitspraken van de voormalig Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat coronavaccinatie «veilig en effectief» was, terwijl hij en het kabinet toen al op de hoogte waren van het relatief grote aantal meldingen van ernstige bijwerkingen? Vindt u zijn uitspraken in dat licht bezien niet misleidend en zo nee, waarom niet?
Nee, zijn uitspraken vind ik niet misleidend. Er is geen sprake van gedragsbeïnvloeding, medische misleiding of het verspreiden van desinformatie door mijn ambtsvoorganger of ambtenaren van mijn departement. Er is altijd transparant gecommuniceerd over de kans op bijwerkingen na vaccinatie.
Deelt u de mening dat dergelijke uitspraken nooit gedaan zouden mogen worden in het kader van gedragsbeïnvloeding, zoals Minister De Jonge deed om de afnemende vaccinatiebereidheid onder Nederlanders te ondervangen, zoals blijkt uit Wob-documentatie? Vindt u niet dat er dan sprake is van medische misleiding en het verspreiden van desinformatie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe werd er binnen uw departement en het kabinet gereageerd op het feit dat er onder zorgmedewerkers, bijvoorbeeld bij huisartsenpraktijken, grootschalig uitval plaatsvond door bijwerkingen na coronavaccinatie? Waarom is dat, blijkbaar, geen »safety signal» geweest, of werden de vele bijwerkingen bij zorgmedewerkers in ieder geval niet belangrijk genoeg geacht om de grootschalige vaccinatiestrategie te heroverwegen? Had er, als reactie op de grote uitval niet juist gestopt moeten worden met prikken, in plaats van het vaccineren van zorgmedewerkers te spreiden, om het prikken koste wat het kost doorgang te laten vinden? Waarom was het doorgaan met prikken zoveel belangrijker dan de veiligheid en de gezondheid van de zorgmedewerkers?
Zie het antwoord op vraag 5.
Waarom was een van de functies van het Lareb om onrust over de coronavaccinaties weg te nemen? Hoe is dat te verenigen met de signaalfunctie van dit instituut om onafhankelijk bijwerkingen te registreren en te beoordelen?
Het is niet de functie van Lareb om onrust weg te nemen. Het is belangrijk dat men er vertrouwen in heeft dat de veiligheid van vaccins wordt bewaakt. Het is de taak van Lareb deze bewaking goed en onafhankelijk uit te voeren. Daarnaast is het delen van transparante, betrouwbare kennis over (mogelijke) bijwerkingen essentieel. Deze kennis, die berust op wetenschappelijke literatuur, draagt bij aan duidelijkheid over de veiligheid van geneesmiddelen en vaccins, waaronder ook de COVID-19-vaccins. Het beschikbaar stellen van betrouwbare informatie over de vaccins kan bijdragen aan het wegnemen van eventuele onrust.
De dood van een gedetineerde in een meerpersoonscel |
|
Michiel van Nispen |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de celgenoot van de dode persoon in de gevangenis Krimpen aan den IJssel is aangehouden door de politie en verdacht wordt van het om het leven brengen van zijn celgenoot in een meerpersoonscel?1
Allereerst wil ik opmerken dat een dergelijke gebeurtenis enorm aangrijpend is voor alle betrokkenen. Mijn gedachten zijn bij de nabestaanden van de overleden gedetineerde. Een dergelijke gebeurtenis heeft ook veel impact op het personeel en de medegedetineerden van de PI Krimpen aan den IJssel. Voor de betrokken medewerkers is opvang en nazorg georganiseerd. Ook de gedetineerden van de afdeling ontvangen de bijstand die zij nodig hebben.
De politie doet onderzoek naar het overlijden en de rol van de aangehouden medegedetineerde. Hangende het onderzoek kan ik hier niet op ingaan.
Hoe wordt op dit moment gescreend welke gedetineerden wel en niet geschikt zijn voor het verblijf met een celgenoot in een meerpersoonscel? Welk percentage gedetineerden wordt daartoe ongeschikt bevonden en welke criteria spelen daarbij een rol?
De directeur van een vestiging kan een gedetineerde een meerpersoonscel toewijzen tenzij hij/zij daarvoor ongeschikt wordt geacht. Volgens de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (RSPOG) kan deze ongeschiktheid samenhangen met gezondheidstoestand, verslavingsproblematiek, gedragsproblematiek, achtergrond van het gepleegde delict, psychische gestoordheid en aan betrokkene opgelegde beperkingen.
Naast de in de RSPOG genoemde aspecten wordt ook rekening gehouden met zaken als de culturele achtergrond van de gedetineerden, of gedetineerden roken en bijvoorbeeld taal. Ook kunnen gedetineerden aangeven een voorkeur te hebben om samen geplaatst te worden met een zelfgekozen andere gedetineerde. Indien mogelijk wordt hier rekening mee gehouden.
Binnen een aantal regimes is toewijzing van een meerpersoneelscel per definitie uitgesloten. Dit geldt voor het Penitentiair Psychiatrisch Centrum, de Terroristen Afdeling, de Afdeling met Beheers Problematisch Gedetineerden, de Extra Beveiligde Inrichting, de Afdeling Intensief Toezicht en de Extra Zorg Voorziening.
Het aantal ongeschikt bevonden gedetineerden voor meerpersoonscel-plaatsing wordt niet geregistreerd.
Welk percentage van de cellen wordt momenteel benut voor meerpersoonscelgebruik?
In het gevangeniswezen zijn thans 8.963 gedetineerden geplaatst. Hiervan zitten 6.187 gedetineerden alleen op cel en 2.776 gedetineerden in een meerpersoonscel (2.584 in een 2-persoonscel en 192 in een 6-persoonscel). Dat komt neer op ongeveer 31%2.
Hoeveel cellen er per inrichting meerpersoons bezet kunnen worden is per inrichting in kaart gebracht. De gebouwelijke situatie is daarin een bepalende factor. Het gaat hierbij niet alleen om het plaatsen van een tweede bed op de cel maar ook om de beschikbare sanitaire voorzieningen, de ruimte op de arbeidszalen, de verkeersruimtes etc.
Ziet u meerpersoonscelgebruik nog steeds als een volwaardige vorm van detentie, of wordt het vooral gebruikt omdat er een tijdelijk gebrek aan celcapaciteit is, zoals het bij de invoering aanvankelijk bedoeld was?
Ik zie een meerpersoonscel als een volwaardige vorm van detentie, die het ook mogelijk maakt flexibeler in te spelen op wisselende capaciteitsbehoefte. De tegenstelling die in de vraag besloten ligt deel ik dan ook niet. De meerpersoonscellen worden ingezet wanneer het nodig is. Dit houdt in dat zolang de bezetting het toelaat er vooral één persoon per cel wordt geplaatst.
Kunt u ingaan op de uitspraak van advocaat Van der Horst dat er wel vaker onenigheid is tussen gedetineerden in meerspersoonscellen, de inrichtingen hierin veel macht hebben en de gedetineerden weinig rechtsbescherming?2
Onenigheid tussen gedetineerden zijn regelmatig aan de orde. Bij een meerpersoonscel kan het delen van een verblijfsruimte in een gesloten setting leiden tot irritaties en ruzie.
Het huidige incident, waarbij een gedetineerde is aangehouden in verband met het overlijden van zijn medegedetineerde celgenoot, is zeer uitzonderlijk.
Met betrekking tot de rechtsbescherming van de gedetineerde kan ik het volgende zeggen. Op grond van artikel 16 jo. artikel 19 Penitentiaire Beginselenwet (PBW) bepaalt de directeur de wijze van onderbrenging en de mate van gemeenschap. In het tweede lid van artikel 11a Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (RSPOG) staan de beoordelingscriteria die gewogen worden alvorens plaatsing op een meerpersoonscel plaatsvindt. Voor het weigeren van een meerpersoonscel is de directeur op grond van de PBW bevoegd een straf op te leggen. Tegen het opleggen van een straf kan de gedetineerde in beklag gaan bij de Commissie van Toezicht. Als de klacht gegrond wordt verklaard (dit gebeurt wanneer de beslissing in strijd is met de voorschriften of onredelijk/onbillijk wordt geacht) wordt de beslissing geheel of gedeeltelijk vernietigd. Indien de klacht door de Commissie van Toezicht niet gegrond wordt verklaard is voor klager beroep mogelijk bij de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ).
Hoeveel vaker krijgt het ministerie meldingen en signalen, bijvoorbeeld ook vanuit het personeel, over de risico’s aan het gebruik van meerpersoonscellen, de oplopende spanningen en de toenemende werkdruk voor gevangenispersoneel die dit ook tot gevolg heeft?
Meerpersoonscellen vormen sinds 2004 een volwaardige vorm van detentie. Onderzoek heeft uitgewezen dat het gebruik van meerpersoonscellen in de praktijk niet tot de problemen heeft geleid die sommigen bij de invoering ervan hadden voorzien.4 Dat neemt niet weg dat er ook nu nog vanuit medewerkers van DJI kritische geluiden zijn. Deze signalen worden niet geregistreerd, maar zijn wel regelmatig onderwerp van gesprek tussen DJI en de medezeggenschap en ook met de bonden.
Voor wat betreft de veiligheid merk ik op dat binnen het gevangeniswezen in reguliere regimes een personeelsnorm van 2:24 wordt gehanteerd. Dat wil zeggen dat het uitgangspunt is dat er 2 executieve medewerkers aanwezig zijn op 24 uitgesloten gedetineerden. Bij toename van het aantal gedetineerden op een afdeling door inzet van meerpersoonscellen worden er evenredig meer executieve medewerkers ingezet om te blijven voldoen aan de norm van 2:24. Waar nodig worden aanvullende maatregelen in het dagprogramma of de personele bezetting getroffen om de orde en veiligheid helpen waarborgen.
Is dit vreselijke incident met dodelijke afloop reden voor u om opnieuw het meerpersoonscelgebruik kritisch te bezien, naast alle andere redenen die er al waren om hier niet zo enthousiast over te zijn, mede vanuit het belang van het gevangenispersoneel bezien? Zo niet, waarom niet?
DJI is naar aanleiding van dit incident een calamiteitenonderzoek gestart om meer inzicht te krijgen in de toedracht en achtergronden. Hierbij wordt specifiek gekeken naar advies, selectie en overplaatsing. Ook wordt gekeken naar de overdracht naar de PI Krimpen vanuit de inrichtingen waar de overleden gedetineerde alsmede de aangehouden celgenoot hiervoor hebben verbleven. Ik wacht de resultaten van het onderzoek af.
Mochten uit de onderzoeksresultaten aanbevelingen komen die het risico van een dergelijk incident kunnen reduceren dan worden vanzelfsprekend de maatregelen getroffen die hiervoor nodig zijn.
Het bericht ‘Joodse student voelt zich onveilig’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de inhoud van het bericht «Joodse student voelt zich onveilig»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Tegen antisemitisme moet krachtig opgetreden worden. Ik roep studenten en andere personen die hier slachtoffer van zijn daarom ook op om aangifte te doen.
Wat vindt u ervan dat er een «Israeli Apartheidsweek» wordt georganiseerd op de Rijksuniversiteit Groningen waarbij sprekers komen die beweren dat er in Palestina geen plek is voor een Joodse staat terwijl er steeds meer antisemitisme in de samenleving is?
Ik wil voorop stellen dat het kabinet antisemitisme verafschuwt en veroordeelt. De structurele inbedding van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) is daarvan een uiting.
De Rijksuniversiteit Groningen (RUG) heeft mij laten weten dat zij de «Israeli Apartheidsweek» niet heeft georganiseerd, maar dat enkele bijeenkomsten in het kader van die week wel hebben plaatsgevonden in haar ruimtes. Er moet binnen een academische omgeving ruimte zijn voor controversiële of onwelgevallige opvattingen die op weerstand kunnen stuiten, mits deze binnen de grenzen van de wet zijn en de academische standaarden in acht genomen blijven. In dergelijke gevallen is het aan de instelling om vooraf duidelijk aan te geven aan welke voorwaarden dergelijke bijeenkomsten moeten voldoen en om te zorgen dat de naleving hiervan wordt gewaarborgd. De RUG heeft mij laten weten dat zij bij de organisatie heeft aangegeven dat deze bijeenkomsten aan een aantal voorwaarden moeten voldoen: ze moeten voor iedereen toegankelijk zijn, er moet een moderator zijn en met de activiteiten tijdens deze bijeenkomst mag de wet niet worden overtreden. Van de meeste activiteiten die georganiseerd zijn in het kader van de «Israeli Apartheidsweek» kan de RUG bevestigen dat deze voldeden aan deze voorwaarden. Er heeft één bijeenkomst plaatsgevonden waarvan achteraf bleek dat deze voorwaarden niet gewaarborgd zijn. De RUG is momenteel bezig met een evaluatie en de conclusies hiervan worden meegenomen bij het aanscherpen van het protocol.
Hoe verhoudt dit evenement zich met de boodschap dat elke student zich veilig moet voelen op de universiteit?
Er moet binnen een academische omgeving ruimte zijn voor controversiële of onwelgevallige opvattingen die op weerstand kunnen stuiten, mits deze binnen de grenzen van de wet zijn en de academische standaarden in acht genomen blijven. Instellingen zijn hierbij verantwoordelijk voor het bieden van een veilige leer- en werkomgeving, waarin iedereen zich thuis voelt en zich kan ontplooien en waar een diversiteit aan perspectieven betrokken en overwogen wordt. Het is goed dat de RUG de in het antwoord op vraag 3 genoemde voorwaarden hanteert voor evenementen die georganiseerd worden in haar ruimtes om dit te waarborgen. Achteraf is gebleken dat er één bijeenkomst heeft plaatsgevonden waarbij de voorwaarden niet gewaarborgd waren en waar er dus mogelijk sprake is geweest van een onveilige omgeving. Het is goed dat de RUG dit evalueert en de conclusies gebruikt voor het aanscherpen van de regels.
Wat is uw reactie op het feit dat de door de Universiteit benoemde «onafhankelijke» moderator zelf lid is van de organisatie «Groningen voor Palestina»?
De Rijksuniversiteit Groningen heeft mij laten weten dat zij geen moderator voor de betreffende bijeenkomst heeft benoemd of aangewezen.
Bent u het eens met de stelling dat sprekers die zeggen dat «universiteiten die Israël niet volledig boycotten, zijn semi-dictatoriale instituten» geen podium horen te krijgen op de Rijksuniversiteit Groningen?
Binnen een universiteit moet binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van de academische standaarden ruimte zijn voor controversiële of onwelgevallige opvattingen, ook als die zich richten tegen de universiteit zelf. Het is niet aan mij om te beoordelen of deze uitspraak binnen de grenzen van de wet valt. Het is in individuele gevallen aan het openbaar ministerie om te beoordelen of er sprake is van discriminatie, c.q. strafbaarheid op grond van de artikelen in het Wetboek van Strafrecht. Dat zal afhankelijk zijn van alle concrete omstandigheden van het geval. Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven heeft de universiteit wel een verantwoordelijkheid in het creëren van een veilige leeromgeving en ik verwacht daarom ook dat universiteiten voorwaarden stellen aan de evenementen die op de instelling georganiseerd mogen worden. De Rijksuniversiteit Groningen heeft mij laten weten dat elk verzoek om zaal te reserveren getoetst wordt volgens een protocol, waarbij de eisen voor externe partijen strenger zijn. Deze verzoeken worden getoetst op de relatie met onderwijs en onderzoek, de academische benadering van het onderwerp, openbaarheid van de bijeenkomst en de onafhankelijke moderating. Er heeft zich nu een situatie voorgedaan waar medewerkers zalen hebben aangevraagd voor activiteiten van een derde partij, zonder dat expliciet te vermelden. De RUG beraadt zich nu op een scherper protocol om dit in de toekomst te voorkomen.
Bent u het eens met de stelling dat het organiseren van een «Israeli Apartheidsweek» de onveiligheid van Joodse studenten vergroot?
Ik kan mij voorstellen dat deze week onveilige gevoelens oproept bij Joodse en andere studenten. Dat neemt niet weg dat, binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van de academische standaarden, binnen een academische omgeving ruimte moet zijn voor controversiële of onwelgevallige opvattingen die op weerstand kunnen stuiten. Dit is niet in tegenspraak met een veilige leeromgeving.
Bent u van mening dat de «Israeli Apartheidsweek» antisemitische elementen bevat? Zo ja, wat gaat u eraan doen om dit tegen te gaan?
Het recht op vrije vereniging is een verworvenheid die we in Nederland met overtuiging respecteren en hanteren. De overheid dient zich niet vooraf te bemoeien met de uitnodiging van sprekers en de inhoudelijke bijdragen van sprekers tijdens evenementen. De organisatie dient zich aan de wet te houden. Eenieder in Nederland kan aangifte doen indien men meent dat de wet is overtreden. De autoriteiten zullen vervolgens de aangifte onderzoeken en besluiten om al dan niet tot vervolging over te gaan.
Verklaart u het groeiend antisemitisme in de samenleving mede door het groeiend aantal anti-Israelevenementen?
Er zijn geen eenduidige gegevens beschikbaar die laten zien of antisemitisme in de samenleving toeneemt vanwege dergelijke evenementen. Ook beschikt de Minister van Justitie en Veiligheid niet over gegevens met betrekking tot de ontwikkeling van het aantal van dergelijke evenementen.
Bent u voornemens, in navolging van Duitsland, de BDS-beweging (Boycott, Divestment and Sanctions) officieel te bestempelen als antisemitisch?
Het kabinet ondersteunt niet de internationaal georganiseerde oproep tot BDS (Boycott, Divestment and Sanctions), en is tegenstander van een boycot tegen Israël. Het kabinet hanteert de lijn dat het geen activiteiten financiert die BDS tegen Israël bevorderen. Uitlatingen of bijeenkomsten van de beweging worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering. Dat is onder meer vervat in onze Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het ligt niet voor de hand om het in algemene zin oproepen tot een boycot of sancties tegen een land te interpreteren als discriminatie, nu het leveren van kritiek op staten in beginsel wordt beschermd door de vrijheid van meningsuiting. Of sprake is van discriminatie, c.q. strafbaarheid op grond van de artikelen in het Wetboek van Strafrecht, zal afhankelijk zijn van alle concrete omstandigheden van het geval.
Bent u bereid met de Rijksuniversiteit Groningen in gesprek te gaan over de veiligheid van Joodse studenten naar aanleiding van de berichtgeving over dit evenement?
Op 8 juni jl. stuurde ik de integrale aanpak sociale veiligheid en inclusie in hoger onderwijs en wetenschap2 naar uw Kamer. In dit kader spreekt het ministerie met alle hoger onderwijsinstellingen over sociale veiligheid van alle studenten en medewerkers. Bij de uitwerking van de aanpak betrek ik ook de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding en treedt het ministerie in gesprek met Joodse jongerenorganisaties.
Bent u van mening dat het afrukken van de mezoeza van een deurpost niet onder vandalisme geschaard moet worden, maar volgens de IHRA-definitie (International Holocaust Remembrance Alliance), onder antisemitisme?
Het kabinet stelt voorop dat alle vormen van antisemitisme absoluut onaanvaardbaar acht en zich zal blijven inzetten voor de uitbanning daarvan.3
Het is goed voorstelbaar dat het afrukken van de mezoeza de schrik heeft aangejaagd bij de (Joodse) bewoners van het pand. Het is aan het openbaar ministerie en de rechter om te bepalen of in een individueel geval sprake is van een strafbare gedraging op grond van de artikelen in het Wetboek van Strafrecht. Gedragingen die overeenkomen met bepaalde voorbeelden van de niet-limitatieve lijst van de IHRA, kunnen voor de politie, het openbaar ministerie en de rechter behulpzaam zijn om alert te zijn op feiten en omstandigheden die een indicatie zouden kunnen vormen van discriminerende uitingen of delicten met een discriminatie-aspect.
Hoe bevordert u dat incidenten die naar hun aard niet slechts een algemeen delict zijn, maar naar hun aard ook antisemitisch, op de juiste manier geregistreerd en opgevolgd worden, zoals voorgesteld in de motie-Bisschop (Kamerstuk 35 570-VI, nr. 70)?
Zoals de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid in zijn brief van 10 maart 2021 reeds heeft aangegeven bevat de IHRA-definitie indicatoren die meegewogen kunnen worden in het oordeel of sprake is van groepsbelediging (artikel 137c Wetboek van Strafrecht), het aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden (artikel 137d Wetboek van Strafrecht), of een discriminatoir aspect bij een commuun delict (codis-feit). Uiteindelijk moet uit de concrete casuïstiek blijken op welke wijze de definitie in de opsporings- en vervolgingspraktijk toepasbaar is. De politie en het Openbaar Ministerie (OM) nemen elk delict inzake mogelijk specifieke discriminatie of commune feiten met een discriminatoir aspect uiterst serieus, ook die delicten gepleegd met mogelijk antisemitisch motief. Het OM en (bijvoorbeeld) het Joods Netwerk van de politie zijn erop toegerust om discriminatiefeiten dan wel commune feiten met een discriminatoir aspect, waarbij een antisemitisch motief mogelijk een rol speelt, te onderkennen en te zorgen voor een correcte en afdoende opvolging.
Bent u bekend met het gegeven dat in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering een resultaatsverplichting is vastgelegd dat het areaal van de stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden, waarop de depositie van stikstof niet groter is dan de hoeveelheid in mol per hectare per jaar waarboven verslechtering van de kwaliteit van deze habitats niet op voorhand is uit te sluiten, in 2035 74 procent bedraagt?
Ja.
Klopt het dat de provincies op of rond 1 juli 2023 stikstofplannen moeten indienen waarin dit doel niet in 2035 maar in 2030 wordt gehaald, omdat dat in het coalitieakkoord staat, maar nog niet in de wet staat?
In het coalitieakkoord is afgesproken om de omgevingswaarde voor stikstof te versnellen naar 2030. Het kabinet heeft hiervoor gekozen vanuit ecologisch, juridisch en maatschappelijk-economisch oogpunt. Deze afspraak is nader toegelicht en uitgewerkt in de handreiking voor provincies die hiervoor is opgesteld. Daarnaast geldt dat deze doelstelling van het kabinet ook in lijn is met de motie De Groot (D66) en motie Van Campen, die de regering verzoekt versnelling aan te brengen in het vastleggen van het naar voren halen van de omgevingswaarde voor 2035 naar 2030.
De huidige inzichten in de staat van de natuur ondersteunen de noodzaak tot het reduceren van stikstofdepositie. Naast de noodzaak tot reductie van stikstofdepositie bestaan de opgaven voor klimaat (2030) en water (KRW-verplichtingen voor 2027). Om onzekerheid voor betrokkenen, afwentelingsrisico’s en dure lock-ins en desinvesteringen te voorkomen worden de opgaven integraal aangepakt.
Op welk moment wordt de wetgeving ingediend om 2030 in de wet te verankeren?
Het kabinet werkt aan het wetsvoorstel dat voorziet in de wettelijke verankering van de versnelling van de omgevingswaarde voor stikstofdepositie van 2035 naar 2030 (coalitieakkoord), de ijkmomenten van Remkes (2025 en 2028), en de uitbreiding van de vergunningplicht voor stikstofgerelateerde wijzigingen. Beoogde eerstvolgende stap in het wetgevingsprocesis verzending voor advies aan de Raad van State.
Zal de wetgeving die wordt ingediend de deadline op 2030 zetten, zal er een andere deadline worden gekozen of zullen er ontsnappingsclausules worden ingebouwd?
Het wetsvoorstel, waaraan het kabinet op basis van het coalitieakkoord en de voorstellen van de heer Remkes («Wat wel kan») werkt, versnelt de wettelijke stikstofdoelstelling (omgevingswaarde) van 2035 naar 2030. Conform het advies van de heer Remkes worden in het wetsvoorstel ten aanzien van het stikstofdoel voor 2030 ook twee ijkmomenten in 2025 en 2028 opgenomen. Tijdens de ijkmomenten wordt bezien of er dwingende inhoudelijke redenen zijn om iets meer tijd te nemen voor het halen van de doelstelling, vanwege de redenen die de heer Remkes in zijn rapport1 geeft:
Hoe denkt u provincies te kunnen dwingen om plannen te maken op basis van een nog niet bestaande wet? Wat is daarvoor de wettelijke grondslag?
Uitgangspunt is dat provincies met hun bevoegdheden en kennis een belangrijke rol spelen bij het realiseren van de doelen en de transitie in het landelijk gebied. Op grond van artikel 1.12fa van de Wet natuurbescherming en – na inwerkingtreding van de Omgevingswet – artikel 11.69b van het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten provincies precies aangeven welke maatregelen zij nemen om bij te dragen aan de vermindering van de stikstofdepositie met het oog op het tijdig voldoen aan de landelijke doelstellingen (met de geplande wetswijziging betreft dit 74% onder de KDW in 2030) en om uitwerking te geven aan het programma stikstofreductie en natuurverbetering (PSN).
Daarbij geldt dat de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet en daarop gebaseerde regelgeving reeds voorzien in de wettelijke provinciale taak om maatregelen te nemen om te voldoen aan de internationale biodiversiteitsverplichtingen; en het treffen van instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen voor Natura 2000-gebieden. Deze staande verplichting geldt ongeacht het naar voren halen van de omgevingswaarde voor stikstofreductie van 2035 naar 2030. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering biedt echter een belangrijk landelijk, resultaatsverplichtend kader.
Als maatregelen uitblijven of de doelen niet gehaald dreigen te worden dan beschikt het Rijk over verschillende mogelijkheden om provincies bij te sturen. Daarbij gaat het onder andere om het (bestuurlijk) gesprek of om ondersteuning vanuit het Rijk. Daarnaast geldt dat als uit toetsing blijkt dat plannen uit de gebiedsprogramma’s onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen, deze niet in aanmerking komen voor financiering uit het Transitiefonds. Tevens geldt dat, indien daar noodzaak toe is, er bijvoorbeeld bijgestuurd kan worden door het stellen van instructieregels en de instrumenten van het interbestuurlijk toezicht. Denkbaar is ook dat het Rijk direct met gemeenten en waterschappen afspraken maakt. Tot slot geldt dat het Rijk zelf (aanvullende) maatregelen kan nemen.
Herinnert u zich dat de Kamer, via de motie van het lid Omtzigt, een onafhankelijk juridisch advies heeft aangevraagd over de geschiktheid van de gemodelleerde stikstofdeposities van individuele bronnen voor het toekennen of intrekken van Wet Natuurbescherming (Wnb)-vergunningen, omdat er enorm sterke twijfel is of je boeren kunt onteigenen op basis van waarden in het Aerius-model?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe u die motie gaat uitvoeren door de conceptopdracht en degene aan wie u voornemens bent de opdracht te gunnen aan de Kamer te doen toekomen?
De Tweede Kamer is op 6 april jl.3 geïnformeerd over de manier waarop deze motie wordt opgevolgd. Daarin is aangegeven dat de landsadvocaat wordt gevraagd om de juridische kaderstelling te formuleren. Ik streef ernaar om deze uitwerking voor de zomer van dit jaar met de Tweede Kamer te delen.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen een week beantwoorden, onder andere omdat deze vragen van belang zijn voor de nieuwe Staten en de nieuwe colleges?
De gevraagde termijn is niet gehaald.
Het bericht ‘Rechtszaak over trage besluitvorming herstel toeslagenaffaire’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Is het u bekend hoeveel rechtszaken er in 2023 al zijn aangespannen tegen de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT)?1
Er zijn 35 inhoudelijke beroepen ingediend en 1.118 beroepen niet tijdig beslissen (peildatum 24 maart 2023).
Zoals ik eerder al heb aangegeven, is het kabinet er veel aan gelegen om niet tegenover gedupeerde ouders in juridische procedures te staan. We weten allemaal welke ellende ouders en kinderen in de toeslagenaffaire hebben meegemaakt. Ze willen het allemaal achter zich laten en zo snel mogelijk. Dat betekent dat we juridische procedures zoveel mogelijk moeten zien te voorkomen. Daarom zijn we ook continu bezig om de hersteloperatie te verbeteren en te versnellen zodat ouders zich niet gedwongen voelen om te kiezen voor een gang naar de rechter.
Klopt het dat op 24 maart aanstaande de rechtbank Midden-Nederland vier zaken behandelt die representatief zijn voor de verschillende procedures die er lopen tegen de UHT, van gedupeerden die wachten op een beslissing over compensatie en herstel als gevolg van de kinderopvangtoeslagenaffaire?
Dat klopt, op 24 maart jl zijn door de rechtbank Midden-Nederland vier zaken behandeld op zitting, waarbij in brede zin de problematiek van het niet tijdig beslissen op aanvragen en in bezwaar besproken is.
Bent u het ermee eens dat het goed is dat de rechter de zaken in een zitting van de meervoudige kamer behandelt, waarbij de procedures bij de UHT in de bredere context kunnen worden besproken?
Het is aan de rechter om te bepalen hoe zaken worden behandeld. Ik vind het waardevol dat de rechtbank de gelegenheid heeft geboden om ter zitting de dilemma’s toe te lichten die verbonden zijn aan het niet tijdig kunnen beslissen op aanvragen en bezwaarschriften. Tijdens de zitting is stilgestaan bij de maatregelen die zijn en worden genomen maar ook bij de beperkingen om beroepen niet tijdig beslissen te voorkomen.
Wanneer verwacht u een uitspraak in deze vier zaken?
De rechtbank heeft aangegeven op 14 april aanstaande uitspraak te doen.
Kunt u zodra de uitspraken worden gepubliceerd, zo snel mogelijk een kabinetsreactie op deze uitspraken naar de Kamer sturen?
Na bekendmaking van de uitspraken, zal ik deze bestuderen. In ieder geval zal een reactie van het kabinet op de uitspraken in de volgende voortgangsrapportage en zo nodig tussentijds aan uw Kamer worden gestuurd.
Deelt u de mening dat de uitspraak van de rechter in deze zaken heel belangrijk is en dat indien de uitspraak daartoe aanleiding geeft, er aanpassingen moeten worden gedaan in het proces en eventueel wetgeving?
Ik deel het belang van de uitspraken. De verwachting is dat de rechter zaaksoverstijgende uitspraken zal doen tegen de achtergrond van de dilemma’s die spelen in de hersteloperatie. Zoals ter zitting ook besproken, zijn eenvoudige oplossingen niet voorhanden. Aan de uitspraken van de rechter in de individuele zaken wordt vanzelfsprekend gevolg gegeven. Als rechter meent dat aanpassing van het proces of de regelgeving in de rede ligt, dan zal worden gekeken op welke manier daar het beste invulling aan gegeven kan worden.
Binnen welke termijn kan de Kamer deze eventuele aanpassingen aan proces en wetgeving na de uitspraak verwachten?
Naar aanleiding van de uitspraak zal worden stilgestaan bij eventuele maatregelen en de termijn waarbinnen die kunnen worden ingevoerd. Dat hangt van de uitspraak af, de aard van eventuele maatregelen en de samenhang met het huidige pakket aan maatregelen, zoals voorzien in de 13e Voortgangsrapportage.
De financiering van de Stichting Schooldakrevolutie |
|
Chris Stoffer (SGP), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Is de veronderstelling juist dat de financiering vanuit het Rijk voor Stichting Schooldakrevolutie stopgezet wordt?1
Nee.
Waarom heeft u hiervoor gekozen?
In de beginjaren van de Schooldakrevolutie werd het potentieel aan duurzame opwek van energie op schooldaken nauwelijks benut en evenmin waren er marktpartijen die scholen hierbij goed konden ondersteunen. Hierom ontvangt de Stichting Schooldakrevolutie sinds 2019 subsidie van het rijk voor het bieden van ondersteuning aan PO- en VO-scholen bij het realiseren van zonnepanelen. Deze subsidie wordt afgebouwd, omdat zowel de markt als de Stichting Schooldakrevolutie zich inmiddels verder ontwikkeld hebben. Er wordt nog eenmalig subsidie toegekend voor het jaar 2024. De afspraak is dat de Stichting Schooldakrevolutie vanaf 2025 zelfstandig moet kunnen opereren.
Daarnaast biedt het rijk via het ontzorgingsprogramma Maatschappelijk Vastgoed ondersteuning aan onder andere PO- en VO-scholen die willen verduurzamen. Via dit spoor organiseert BZK de ontzorging van maatschappelijk vastgoedeigenaren structureler en op landelijke schaal. Bovendien richt de ontzorging zich op meer verduurzamingsmaatregelen, dus ook isolatie en zuinigere installaties. Hiervoor hebben de provincies middelen ontvangen. Het streven is dat dit programma wordt verlengd tot aan 2030. De Schooldakrevolutie wordt via het ontzorgingsprogramma door een aantal provincies ingeschakeld. Ook wordt de Schooldakrevolutie direct benaderd door afzonderlijke scholen.
Hoe waardeert u de bijdrage van de Stichting Schooldakrevolutie aan de verduurzaming van schoolgebouwen in de afgelopen jaren?
Ik heb grote waardering voor de maatschappelijke inzet van de Stichting Schooldakrevolutie. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 levert Schooldakrevolutie een belangrijke bijdrage aan de verduurzaming van schoolgebouwen in het primair en voortgezet onderwijs.
Deelt u de mening dat verduurzaming van schoolgebouwen bijdraagt aan het verlagen van de (sterk opgelopen) jaarlijkse energiekosten, aan de landelijke klimaatopgave en aan het aanschouwelijk onderwijs richting leerlingen?
Ja
Deelt u de mening dat continuering van de Stichting Schooldakrevolutie en haar opgebouwde kennis en netwerk belangrijk zijn voor goede voortgang bij de verduurzaming van schoolgebouwen?
Ja, mede dankzij de inzet van de Stichting Schooldakrevolutie wordt het potentieel aan duurzame opwek op schooldaken beter benut. Met het geleidelijk afbouwen van de subsidie, stellen we de Schooldakrevolutie in staat om de nodige stappen te zetten zodat het vanaf 2025 zelfstandig verder kan.
Bent u bereid in overleg met andere betrokken partijen te zorgen voor continuering van de Stichting Schooldakrevolutie en afdoende financiering hiervoor, bijvoorbeeld vanuit de beschikbare middelen voor het Klimaatfonds?
Ja, zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 2.
Het gevolg van een hogere instroom van jonge pensioendeelnemers voor het opbouwpercentage |
|
Henk Nijboer (PvdA), Senna Maatoug (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() ![]() |
Klopt het dat de instroom van meer jonge pensioendeelnemers als gevolg van de verlaging van de startleeftijd ervoor kan zorgen dat het fiscaal maximale opbouwpercentage voor alle deelnemers van de pensioenregeling in kwestie daalt?
Nee, dat klopt niet. Voor elke deelnemer aan de pensioenregeling dient afzonderlijk de ruimte voor pensioenopbouw te worden bepaald. De fiscale begrenzingen uit de Wet op de loonbelasting 1964 zijn individueel. De ruimte voor pensioenopbouw wordt als volgt berekend: pensioengrondslag x opbouwpercentage x pensioengevende diensttijd. Hierbij is de pensioengrondslag het voltijd pensioengevend loon minus de voltijd AOW-franchise (zijnde 16.322 euro bij een maximum opbouwpercentage van 1,875 procent). In geval van deeltijdwerk worden het pensioengevend loon en de AOW-franchise naar rato verlaagd via de factor pensioengevende diensttijd (deze is 1 in geval van voltijd en tussen de 0 en 1 in geval van deeltijd). Niet de leeftijd van de deelnemer, maar de hoogte van het pensioengevend loon is dus bepalend voor de fiscale begrenzing van de pensioenopbouw. In de situatie dat een deelnemer (uitgaande van een voltijd dienstbetrekking) een lager inkomen heeft dan de AOW-franchise is er geen pensioengrondslag waarover pensioen kan worden opgebouwd. Alleen die deelnemer heeft dan geen pensioenopbouw. Dit is conform de huidige en toekomstige systematiek en raakt de andere deelnemers niet. Overigens kent artikel 10aa Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 wel twee verlaagde AOW-franchises in combinatie met lagere opbouwpercentages (zijnde een franchise van 13.033 euro bij een opbouwpercentage van maximaal 1,701 procent en een franchise van 14.714 euro met een opbouwpercentage van 1,701 procent tot en met 1,788 procent). Ook in het nieuwe fiscale kader blijven verlaagde franchises in combinatie met een lager premiepercentage onderdeel van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Los daarvan kan in een pensioenregeling in beginsel ook met een andere franchise of geen franchise worden gewerkt. In die gevallen moet de pensioenregeling zo zijn vormgegeven dat voor elke deelnemer afzonderlijk de pensioenopbouw binnen de fiscale ruimte blijft. Het toepassen van een lagere franchise kan met name gunstig zijn voor werknemers met een lager loon.
Klopt het dat dit effect het grootst is bij franchiseloze regelingen, zoals voor kappers geldt, omdat daar de instroom van jonge deelnemers met een lager loon het grootst is?
Nee, dat klopt niet. De ruimte voor pensioenopbouw is in Nederland gebaseerd op het driepijlerstelsel. Hierbij vormt de eerste pijler (de AOW) de basisvoorziening en zijn het arbeidsvoorwaardelijk pensioen (tweede pijler) en de individuele pensioenopbouw (derde pijler) aanvullend op de AOW. Pensioenopbouw in de tweede of de derde pijler is mogelijk indien het pensioengevend loon hoger is dan de AOW-franchise. In een pensioenregeling zonder AOW-franchise dient daarom ook per deelnemer te worden bepaald of pensioenopbouw mogelijk is binnen de fiscale begrenzingen.
Net als in regelingen met AOW-franchise zal de regeling dusdanig vormgegeven moeten worden dat deelnemers met een loon lager dan de AOW-franchise geen pensioenopbouw hebben. Het is overigens mogelijk om in een pensioenregeling voor verschillende inkomensgroepen verschillende franchises en opbouwpercentages te hanteren. Overigens zijn franchiseloze regelingen niet altijd gunstiger voor alle lage inkomens. Afhankelijk van de hoogte van het salaris kan het ook voordeliger zijn om wel een (verlaagde) franchise te hanteren met een hoger opbouwpercentage. Dit is aan sociale partners om te bepalen, aangezien het een arbeidsvoorwaarde betreft.
Bent u het eens dat het zeer onwenselijk is als pensioenpremies dalen wegens beleid dat gericht is op pensioenopbouw voor meer (jonge) mensen?
De pensioenambitie die als uitgangspunt geldt voor het huidige en toekomstige pensioenstelsel is een pensioen van 75% van het gemiddeld loon, op te bouwen in 40 jaar (wat neerkomt op 80% in ruim 42 jaar). Deze ambitie is inclusief de AOW. De fiscale opbouwruimte is zo vormgegeven dat iedere deelnemer in 40 jaar (inclusief AOW) 75% van het gemiddelde loon als pensioen kan opbouwen. Het is aan sociale partners om binnen deze afgesproken fiscale grenzen aanvullende pensioenregelingen af te spreken.
Bent u het eens dat de fiscale beperking voornamelijk het doel heeft om fiscale overstimulering te voorkomen maar dat dit voor lage inkomens niet snel geldt? Bent u bereid de wet op dit punt aan te passen?
De fiscale begrenzingen in de Wet op de loonbelasting 1964 bieden ruimte voor het opbouwen van een adequaat pensioen gericht op een pensioenambitie van 75% van het gemiddelde loon in 40 jaar inclusief de AOW. Deze ambitie geldt voor iedereen, ongeacht de hoogte van het inkomen. Omdat bij de vormgeving van de fiscale ruimte rekening wordt gehouden met de AOW, is pensioenopbouw in de tweede of de derde pijler fiscaal alleen toegestaan indien het loon hoger is dan de AOW-franchise. Deze fiscale begrenzingen zijn ook van belang voor de overheidsfinanciën. Het verruimen van het fiscale kader voor pensioenopbouw zal leiden tot een hoger budgettair beslag. Het verruimen van de wet is ook niet nodig omdat pensioenopbouw met een lagere AOW-franchise of zonder AOW-franchise ook op individueel niveau mogelijk blijft binnen de pensioenambitie van 75% van het gemiddelde loon in 40 jaar. Concreet betekent dit dat bij een lagere of geen AOW-franchise een lagere pensioenopbouw moet worden afgesproken. Wel is het zo dat het hanteren van geen AOW-franchise of een veel lagere AOW-franchise in het algemeen, in combinatie met een daarbij behorend lager premiepercentage of opbouwpercentage, voor hogere inkomens zal leiden tot een lagere vervangingsratio dan de gewenste pensioenambitie van 75% van het gemiddelde loon in 40 jaar. Daarbij is het overigens ook mogelijk om in een pensioenregeling voor verschillende inkomensgroepen verschillende AOW-franchises en opbouwpercentages te hanteren, zodat voor verschillende inkomensgroepen de fiscale ruimte optimaal wordt benut. In verschillende pensioenregelingen wordt dit ook in de praktijk zo gedaan.
Bent u bereid om u in te zetten om daling van pensioenpremies als gevolg van een hogere instroom van jongeren te voorkomen? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Zoals bij antwoord 1 en 2 is aangegeven is een daling van de pensioenpremie door instroom van jongeren niet nodig. Het kan wel zo zijn dat jongeren van 18 jaar met een loon op het niveau wettelijk minimumloon niet direct pensioen kunnen opbouwen, aangezien zij nog een inkomen hebben onder de AOW-franchise. Voor jongeren vanaf 19 jaar geldt dat het wettelijk minimumloon al hoger is dan de verlaagde AOW-franchise die op grond van artikel 10aa Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 kan worden gehanteerd (zijnde 13.033 euro). Voor jongeren vanaf 20 jaar geldt dit ook voor de reguliere AOW-franchise. Het is aan sociale partners welke AOW-franchise wordt gehanteerd in een pensioenregeling. Overigens kunnen ook jongeren van 18 jaar met een hoger inkomen dan het wettelijk minimumloon en de AOW-franchise wel aanvullend pensioen opbouwen.
Kunt u een overzicht geven van pensioenregelingen waarbij geen franchise geldt?
In 2022 waren er 34 pensioenregelingen van de 272 pensioenregelingen ondergebracht bij pensioenfondsen waarin geen franchise was afgesproken. Dit betreft 3 regelingen bij een bedrijfstakpensioenfonds, 19 bij een ondernemingspensioenfonds en 12 bij overige fondsen (zoals apf-en). Dit betrof in het totaal ca 37.000 deelnemers op een totaal van 5,9 miljoen deelnemers. Het merendeel van de regelingen zonder franchise zijn gesloten regelingen zonder opbouw, of met alleen nog opbouw voor premievrije deelnemers wegens arbeidsongeschiktheid. Er zijn slechts 8 actieve regelingen zonder franchise, waarvan de regeling bij het pensioenfonds kappersbedrijf verreweg het grootste is (in 2021 ruim 19.000 deelnemers).1
Het bericht dat de sluiting van rijtestlocaties definitief is |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Sluiting rijtestlocaties definitief; Winschoten uitzondering»?1
Ja.
Wat is de stand van zaken?
Sinds 2018 worden in Terneuzen geen rijtesten meer afgenomen. Dit besluit is tot stand gekomen na een uitvoerige evaluatie van het locatiebeleid. Hierover zijn in 2022 ook vragen beantwoord van het lid Van der Plas.2
Waarom is er voor gekozen om geen rijtesten en wel rijexamens af te nemen in Terneuzen?
In 2016 is door het CBR een uitvoerige evaluatie uitgevoerd met betrekking tot het locatiebeleid voor het afnemen van rijtesten. Aanleiding daarvoor was onder andere de constatering dat de vraag naar rijtesten op bepaalde locaties dusdanig laag was dat het in termen van bedrijfsvoering een uitdaging was om deze dienstverlening op alle 53 locaties in stand te houden. Een rijtest wordt immers door een specialist (een zogenaamde Deskundige Praktische Rijgeschiktheid, DPR) uitgevoerd en niet door een examinator. Ter illustratie: in Terneuzen werden ten tijde van de evaluatie in 2016, jaarlijks gemiddeld 111 rijtesten afgenomen (circa twee per week). Dat was het laagste aantal rijtesten van alle 53 locaties.
Op basis van de evaluatie in 2016 is besloten de rijtest minder fijnmazig aan te bieden en te concentreren op 30 locaties (in plaats van 53). Een belangrijk uitgangspunt bij de keuze voor de locaties die overbleven was dat de afstand tot een locatie in termen van aanrijdtijd acceptabel zou blijven en voor alle burgers niet boven de 60 minuten zou mogen komen. Dit werd mede ingegeven op basis van klantonderzoek. Dit uitgangspunt is vervolgens landelijk toegepast voor alle locaties. In deze heroverweging is uiteindelijk de keuze gemaakt de rijtesten die afgenomen werden in Terneuzen te concentreren op de locatie Goes. Ook op 22 andere locaties is het afnemen van de rijtest verplaatst naar een nabijgelegen locatie. De concentratie van 53 naar 30 locaties is in 2017 geëffectueerd.
Vervolgens is in 2018 de sluiting van de 22 locaties geëvalueerd middels een enquête onder klanten en rijopleiders die in de eerste drie kwartalen een rijtest hadden gedaan. Op basis van de resultaten van deze enquête en na overleg met de brancheverenigingen BOVAG, FAM en VRB is besloten om de locatie Winschoten te heropenen voor rijtesten gelet op de geografische ligging en het relatief hoge volume rijtesten op deze locatie (gemiddeld 341 per jaar, circa 7 rijtesten per week, ruim driemaal zoveel als in Terneuzen). Het aantal locaties waar rijtesten worden afgenomen komt daarmee op 31.
Het aantal praktijkexamens dat het CBR in Terneuzen jaarlijks afneemt is veel hoger; namelijk circa 3.600 per jaar en rechtvaardigt dat het CBR deze dienstverlening in Terneuzen continueert.
Op welke andere locaties worden geen rijtesten en wel rijexamens afgenomen?
Op de volgende locaties worden geen rijtesten en wel rijexamens afgenomen:
Hoeveel extra capaciteit moet het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) beschikbaar stellen om ook rijtesten af te nemen in Terneuzen?
Het is niet zozeer de absolute capaciteit die bepaalt of er rijtesten kunnen worden afgenomen. Het gaat veel meer om de praktische uitvoerbaarheid. Om een kwalitatieve, betrouwbare en klantgerichte dienstverlening te kunnen borgen is het volume van het aantal rijtesten van belang. De verplaatsing van de rijtesten naar Goes betekent dat op die locatie een groter volume aan rijtesten ontstaat waardoor deze dienstverlening op meer dagen aangeboden kan worden. Hierdoor hebben klanten meer keuze in de dag waarop zij de rijtest willen doen en zijn zij over het algemeen sneller aan de beurt. Daarnaast is in 2018 de concentratie naar 30 locaties geëvalueerd onder klanten en rijopleiders. Dat gaf geen aanleiding het besluit omtrent Terneuzen te herzien. Conform de huidige prognose van het CBR is de verwachting dat voor 2023 het aantal kandidaten voor een rijtest afkomstig uit Zeeuws-Vlaanderen hooguit circa 100 betreft. Het organiseren en plannen van rijtesten in Terneuzen voor een dusdanig kleine groep kent veel haken en ogen in de uitvoering, onder meer omdat er voor het afnemen van rijtesten een aparte specialist (Deskundige Praktische Rijgeschiktheid, DPR) naar de locatie moet komen en nog een extra DPR achter de hand moet worden gehouden voor het geval de eerste DPR uitvalt door ziekte. Dat maakt het lastig om te plannen en daarbij voldoende rekening te houden met de wensen van de klant.
Hoeveel procent van de inwoners uit Zeeuws-Vlaanderen nemen een rijtest af in Goes? Hoeveel procent van deze inwoners zeggen hun afspraak af of komen niet opdagen bij hun afspraak?
Volgens de prognose (op basis van historische gegevens) worden jaarlijks hooguit 100 rijtesten in Goes afgelegd door kandidaten afkomstig uit Zeeuws-Vlaanderen. Dit is slechts een fractie van het totaal aantal inwoners in Zeeuws-Vlaanderen. Het percentage kandidaten dat afzegt of niet komt opdagen is niet bekend voor deze separate doelgroep. Over de hele linie komt dit overigens nauwelijks voor.
Hoeveel procent van de inwoners uit Zuid- en Noord-Beveland nemen een rijtest af in Goes? Hoeveel procent van deze inwoners zeggen hun afspraak af of komen niet opdagen bij hun afspraak?
Het is bij het CBR niet bekend hoeveel inwoners uit Zuid- en Noord-Beveland een rijtest afnemen in Goes. Het blijft in relatie tot het totale aantal bewoners uit deze gebieden een zeer klein percentage.
Hoe verhouden deze cijfers zich ten opzichte van de vorige situatie, toen er wel rijtesten werden afgenomen in Terneuzen?
Deze gegevens zijn niet bekend bij het CBR. Het ligt voor de hand dat de circa 100 rijtesten per jaar die eerder in Terneuzen werden afgelegd, nu in Goes worden afgelegd.
Op basis waarvan bepaalt het CBR of een regio wel of geen rijtestlocatie krijgt?
Zie antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het behouden van een rijbewijs belangrijk is voor de bereikbaarheid van de regio, en dat er geen verschil tussen regio’s moet zijn?
Het rijbewijs is voor veel mensen zeer belangrijk voor hun mobiliteit en autonomie. Tegelijkertijd is het in het belang van de verkeersveiligheid soms nodig dat de rijgeschiktheid wordt beoordeeld middels een rijtest. Ik deel uw mening dat er geen verschil tussen regio’s mag zijn. Dit wordt ook geborgd omdat een van de uitgangspunten van het CBR voor de concentratie in 2017 is geweest dat de maximale reistijd naar een rijtestlocatie 60 minuten mag bedragen. Dat geldt in heel Nederland. Aan die norm wordt ook in Zeeuws-Vlaanderen nog steeds voldaan.
Op basis waarvan zou het CBR kunnen bepalen om ook weer rijtesten af te nemen in Terneuzen?
Op dit moment is er geen aanleiding om het besluit dat in 2017 is genomen te heroverwegen. Er heeft destijds een zorgvuldig proces en afweging plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is na de concentratie van locaties vervolgens geëvalueerd waarbij ook de mening van klanten is meegenomen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met het CBR over de mogelijkheid om weer rijtesten af te nemen in Terneuzen?
Op dit moment ziet het ministerie daarvoor geen aanleiding. In 2022 is er naar aanleiding van vergelijkbare vragen van het lid Van der Plas al overleg gevoerd met het CBR. Het CBR heeft de sluiting van diverse locaties en het locatiebeleid toen nogmaals bekeken. Vanuit het belang van de borging van een kwalitatieve, betrouwbare en klantgerichte dienstverlening is geconcludeerd dat de gehanteerde criteria voor het sluiten van locaties nog steeds valide zijn.
Het bericht 'Huiseigenaren geschokt door hoge WOZ-taxaties: ’Makkelijk scoren door schuld bij bezwaarbureaus te leggen’' |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Huiseigenaren geschokt door hoge WOZ-taxaties: «Makkelijk scoren door schuld bij bezwaarbureaus te leggen»»?1
Ja.
Klopt het dat vier op de tien huiseigenaren die bezwaar maken tegen een WOZ-taxatie, in het gelijk worden gesteld? Zo ja, welke verklaring heeft u hiervoor?
Ja. Dit komt op hoofdlijnen overeen met de cijfers die de Waarderingskamer heeft gepubliceerd over het jaar 2021. Van de bezwaarschriften die in 2021 zijn ingediend tegen de WOZ-waarde van een woning is namelijk 39,4% gehonoreerd. Dat betekent dat de WOZ-waarde is veranderd bij 39,4% van de WOZ-waarden van woningen waartegen bezwaar is gemaakt. Nu in 2021 tegen 3,2% van de woningen bezwaar is gemaakt, is de WOZ-waarde dus bij 1,3% van de woningen aangepast. Ten aanzien van de bezwaarschriften die in 2022 zijn ingediend, zijn deze cijfers nog niet bekend.
De WOZ-waarde van een woning wordt bepaald door op systematische manier de te taxeren woning te vergelijken met verkoopcijfers van vergelijkbare woningen. Om woningen goed te vergelijken wordt gekeken naar overeenkomsten en verschillen wat betreft primaire objectkenmerken, zoals het type woning en de ligging, en secundaire objectkenmerken, zoals de kwaliteit, het onderhoudsniveau en de ligging (ten opzichte van zon, water, etc.). De reden dat gemeenten bij een heroverweging van de WOZ-waarde in het kader van een bezwaar tot een andere inschatting komen, ligt voor een deel aan het feit dat de geregistreerde objectkenmerken soms niet meer correct blijken te zijn. Dit betreft dan met name onjuistheden in de secundaire objectkenmerken, zoals de onderhoudstoestand van de woning en de kwaliteit van de woonvoorzieningen. Dergelijke objectkenmerken zijn onderhevig aan verandering en gemeenten hebben daar op het moment van beschikken niet altijd zicht op.
Bent u het ermee eens dat dit percentage te hoog ligt? Deelt u de mening dat dit percentage erop kan duiden dat de kwaliteit van veel WOZ-taxaties ondermaats is en veel huiseigenaren hierdoor te hoog worden aangeslagen en dus teveel belasting betalen over hun eigen woning?
Ja, dit percentage ligt hoog. Gemeenten streven ernaar om WOZ-waarden zo correct mogelijk vast te stellen. Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven, is dat echter niet altijd mogelijk. Het is daarom van belang dat belanghebbenden laagdrempelig hun bezwaren kenbaar kunnen maken. Zoals het kabinet heeft aangekondigd, wordt daarom bijvoorbeeld verkend of informeel contact voorafgaand aan bezwaar wettelijk kan worden geregeld. In de praktijk zetten gemeenten hier al op in. Op de website Hoe kan ik controleren of de WOZ-waarde klopt? | Rijksoverheid.nl van de rijksoverheid staat overigens uitgelegd hoe belanghebbenden kunnen controleren of hun WOZ-waarde klopt en wat belanghebbenden kunnen doen als ze het niet eens zijn met de vastgestelde WOZ-waarden. Dankzij de kwaliteit van de gemeentelijke werkzaamheden en het benutten van de laagdrempelige toegang tot bezwaar of informeel contact kan niet gezegd worden dat een significant aantal woningeigenaren teveel belasting betaalt als gevolg van een onjuiste WOZ-waarde. Het grootste deel van de initieel getaxeerde WOZ-waarden van woningen blijft in stand.
Hoeveel gemeenten of samenwerkingsverbanden hebben geen «goede» beoordeling van de Waarderingskamer gekregen?
De Waarderingskamer controleert en beoordeelt jaarlijks aan de hand van een groot aantal criteria op diverse aspecten of gemeenten dan wel samenwerkingsverbanden de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) goed uitvoeren. Dit resulteert in een algemeen oordeel waarbij vier categorieën worden gehanteerd: «Goed», «Voldoende», «Moet op onderdelen verbeterd worden» en «Moet dringend verbeterd worden». «Goed» en «Voldoende» betekent dat de gemeente of het samenwerkingsverband van gemeenten de WOZ-uitvoering voldoende zorgvuldig uitvoert. «Moet op onderdelen verbeterd worden» en «Moet dringend verbeterd worden» betekent dat er sprake is van onderdelen waar men niet voldoet aan de eisen. Eind 2022 hadden 250 gemeenten het algemeen oordeel «Goed» gekregen, 85 gemeenten het oordeel «Voldoende», 9 gemeenten het oordeel «Moet op onderdelen verbeterd worden» en er waren geen gemeenten met het oordeel «Moet dringend verbeterd worden».
Hoeveel belastingplichtigen worden aangeslagen door een gemeente of samenwerkingsverband wiens taxaties niet goed zijn?
Eén van de criteria die de Waarderingskamer hanteert bij het bepalen van het algemeen oordeel over de uitvoering van de Wet WOZ door gemeenten en samenwerkingsverbanden, is de juistheid van de WOZ-waarden.2 Daarbij zij opgemerkt dat gemeenten en samenwerkingsverbanden pas na een positieve beoordeling van de juistheid van de WOZ-waarden door de Waarderingskamer, over mogen gaan tot bekendmaking van de (nieuwe) WOZ-waarden. Dat betekent dat de Waarderingskamer ook bij gemeenten en samenwerkingsverbanden die niet het algemeen oordeel «Goed» hebben gekregen, heeft vastgesteld dat de WOZ-taxaties voldoen aan de geldende eisen en dat de WOZ-waarden overeenkomstig het marktwaardeniveau zijn vastgesteld.
Ziet u dat in gemeenten of samenwerkingsverbanden met een score «goed» het aantal succesvolle bezwaren lager ligt? Zo nee, hoe kan het dan dat er toch een score «goed» is afgegeven?
Zoals bij de beantwoording van de vorige vragen is aangegeven, hanteert de Waarderingskamer meerdere criteria bij het bepalen van het algemeen oordeel over de uitvoering van de Wet WOZ, waarvan de juistheid van de WOZ-waarden er één is. Verder is reeds aangegeven dat gemeenten en samenwerkingsverbanden pas na een positieve beoordeling van de juistheid van de WOZ-waarden door de Waarderingskamer, mogen overgaan tot bekendmaking van de (nieuwe) WOZ-waarden. Er valt dan ook geen direct verband te leggen tussen het algemeen oordeel van de Waarderingskamer en het aantal bezwaarschriften dat door de betreffende gemeente of het betreffende samenwerkingsverband is gehonoreerd.
Deelt u de opvatting dat een hoog aantal succesvolle bezwaren reden moet zijn tot nader onderzoek of eventueel ingrijpen inzake de kwaliteit van de WOZ-taxaties van gemeenten of samenwerkingsverbanden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Bij de uitvoering van de Wet WOZ zijn gemeenten en samenwerkingsverbanden continue bezig met het signaleren en doorvoeren van verbeteringen om de kwaliteit te borgen als onderdeel van de jaarlijkse herwaarderingscyclus. Zoals aangegeven in mijn brief van 23 maart 2023[1] ben ik op dit moment aan het onderzoeken op welke wijze dit informele traject voor uitvoeringsorganisaties verplicht kan worden gesteld en hoe de Waarderingskamer dit meeneemt in haar toezicht. Zoals ik in mijn brief van 30 september 20223 heb aangekondigd, werk ik samen met de betrokken stakeholders ook aan een aantal verbeterpunten die de transparantie en betrouwbaarheid ten goede moeten komen. Er gaat immers een groot institutioneel vertrouwen uit van de WOZ-waarde die steeds breder wordt gebruikt.
Uitvoeringsorganisaties hebben oog voor relevante technische en maatschappelijke ontwikkelingen. Bij woningen wordt gebruik gemaakt van modelmatige waardebepaling, waarbij de taxeren woning wordt vergeleken met de verkoopprijs van woningen rondom de waardepeildatum. Bij de waardevaststelling wordt de waarde van de woning vastgesteld op één waarde en wordt deze waarde via de WOZ-beschikking bekend gemaakt aan belanghebbende. Dit vindt in de regel plaats met de oplegging van de aanslag onroerendezaakbelasting via een gecombineerd aanslagbiljet. Indien belanghebbende het niet eens is met de hoogte van de WOZ-waarde kan bezwaar worden aangetekend binnen de wettelijke termijn. Steeds meer uitvoeringsorganisaties zetten echter in op «informeel contact» om te voorkomen dat belanghebbenden in een formeel bezwaartraject terecht komen, terwijl dit ondervangen had kunnen worden door al eerder contact te hebben met een belanghebbende. Een voorbeeld van dit informele contact is om tijdens de beschikkingsronde (uiterlijk de eerste 8 weken van het kalenderjaar) tot aan het aflopen van de wettelijke bezwaartermijn van 6 weken te werken met een klantcontactcenter en met terugbelverzoeken voor een taxateur. Het is belangrijk om te benadrukken dat gemeenten en samenwerkingsverbanden belang hebben bij een juiste waardering, dit zorgt immers voor minder bezwaren en ontlast op dat punt de uitvoering.
Hoe houdt u toezicht op de beoordelingen van de Waarderingskamer? Bent u bereid om gezien het hoge aantal succesvolle bezwaren deze beoordelingen nader tegen het licht te houden? Zo nee, waarom niet?
De wijze waarop ik toezicht houd op de Waarderingskamer is vastgelegd in het Toezichtarrangement. Dit arrangement is onder andere gepubliceerd op de website van de Waarderingskamer (https://www.waarderingskamer.nl/waarderingskamer/beleid-strategie-waarderingskamer/)
Bent u het ermee eens dat er meer regie genomen moet worden om mogelijke extra kwaliteitseisen aan gemeenten of samenwerkingsverbanden op te kunnen leggen om zo het aantal huiseigenaren dat structureel veel te hoog wordt aangeslagen omlaag te kunnen brengen? Zo ja, bent u bereid om dit te doen?
Zoals bij de beantwoording van voorgaande vragen is aangegeven, deel ik de conclusie dat huiseigenaren structureel veel te hoog worden aangeslagen niet. Er moet hierbij onderscheid worden gemaakt tussen het vaststellen van de WOZ-waarde en het uiteindelijk opleggen van een belastingaanslag, waarbij de WOZ-waarde als heffingsgrondslag wordt gebruikt. Wat de regie betreft, geldt dat de Waarderingskamer van gemeenten en samenwerkingsverbanden verwacht dat zij zelf de afhandeling van bezwaren onderzoeken en daaruit lessen trekken voor de volgende herwaardering. Op deze manier worden gemeenten en samenwerkingsverbanden gestimuleerd om de signalen uit de bezwaren te gebruiken voor de optimalisatie van gebruikte gegevens, gehanteerde werkprocessen en toegepaste taxatiemodellen. In haar toezicht controleert de Waarderingskamer of gemeenten en samenwerkingsverbanden daadwerkelijk lessen hebben getrokken uit de ingediende en gehonoreerde WOZ-bezwaren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Btw op menselijke geslachtscellen |
|
Wieke Paulusma (D66), Romke de Jong (D66) |
|
Kuipers , Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het gegeven dat het btw-tarief op 21% ligt voor menselijke geslachtscellen zoals zaad- en eicellen, bijvoorbeeld bij donatie om een kinderwens te vervullen?
Ja.
Waarom ligt het btw-tarief (21%) voor geslachtscellen die voor reproductieve doeleinden bij mensen worden ingezet, hoger dan het btw-tarief (9%) van dierlijke geslachtscellen (bijvoorbeeld bij sperma van paarden)? Wat vindt u hiervan?
Het uitgangspunt van de Europese Btw-richtlijn is dat goederenleveringen en diensten belast zijn tegen het algemene tarief. De Btw-richtlijn biedt lidstaten daarnaast de ruimte om op bepaalde goederenleveringen en diensten een verlaagd tarief toe te passen.1 Dit is bijvoorbeeld mogelijk op goederenleveringen die normaal bestemd zijn voor gebruik in de landbouw.
In Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting 1968 is gebruik gemaakt van de ruimte die de Btw-richtlijn biedt voor een verlaagd tarief op goederenleveringen die normaal bestemd zijn voor het gebruik in de landbouw. Hieronder zijn begrepen goederen (waaronder sperma) die bestemd zijn voor de voortplanting van de in de tabelpost genoemde dieren. De Btw-richtlijn biedt echter geen ruimte om het verlaagde tarief toe te passen op geslachtscellen die voor reproductieve doeleinden bij mensen worden geleverd, waardoor hierop het algemene tarief van 21% van toepassing is.
Kunt u aangeven waarom het btw-tarief voor menselijke geslachtscellen zoals zaad- en eicellen niet valt onder de vrijstelling zoals voor ander menselijk lichaamsmateriaal zoals voor menselijke organen, menselijk bloed en moedermelk?1
De Btw-richtlijn voorziet in een aantal vrijstellingen die, als uitzondering op de hoofdregel, strikt moeten worden uitgelegd. De Btw-richtlijn staat enkel toe om de levering van menselijke organen, menselijk bloed en moedermelk vrij te stellen van btw. De levering van menselijke geslachtscellen valt daarmee niet onder de reikwijdte van deze bepaling.
Deelt u de mening dat kosten voor mensen met een kinderwens die afhankelijk zijn van geslachtsceldonatie en kunstmatige inseminatie niet onnodig hoger moeten liggen dan ze nu al zijn?
Ja. In de Embryowet is het bedrag dat gevraagd mag worden door eicelbanken en spermabanken voor het verstrekken van geslachtscellen al gemaximaliseerd, omdat het niet gewenst is dat winst wordt gemaakt op handel in geslachtscellen. Er is vastgelegd dat het verboden is om voor geslachtscellen die gedoneerd zijn ten behoeve van een zwangerschap van een ander een bedrag te vragen dat hoger is dan de kosten die rechtsreeks het gevolg zijn van de handelingen die daarmee (ten behoeve van de donatie) zijn verricht. In de praktijk gaat het dan voornamelijk om de kosten voor invriezen en bewaren van de geslachtscellen.
Kunt u toelichten hoeveel mensen jaarlijks gebruik maken van zaad- of eiceldonatie om een kinderwens te kunnen vervullen?
Figuur 1 tot en met 3 geven weer hoeveel registraties van behandelingen met donorzaadcellen, donoreicellen en donorembryo’s in het registratiesysteem van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (Sdkb) staan. De cijfers staan gesorteerd op het jaar waarin de behandeling heeft plaatsgevonden. Het meetpunt voor deze cijfers is januari 2023. Alleen de behandelingen die uiteindelijk leidden tot een doorgaande zwangerschap worden geregistreerd.
Het totale aantal geregistreerde behandelingen over 2022 is nog niet bekend. Vanwege de registratietermijn van 24 weken voor het aanleveren van gegevens, kunnen klinieken ook nog in 2023 gegevens over behandelingen van 2022 aanleveren.
Figuur 1: Aantal geregistreerde behandelingen met donorzaadcellen van de afgelopen 10 jaar, in het jaar dat de behandeling is uitgevoerd.
* Nog niet compleet i.v.m. de registratietermijn van 24 weken.
Figuur 2: Aantal geregistreerde behandelingen met donoreicellen van de afgelopen 10 jaar, per jaar dat de behandeling is uitgevoerd.
* Nog niet compleet i.v.m. de registratietermijn van 24 weken.
Figuur 3: Aantal geregistreerde behandelingen met donorembryo's van de afgelopen 10 jaar, per jaar dat de behandeling is uitgevoerd.
* Nog niet compleet i.v.m. de registratietermijn van 24 weken.
Bent u voorts van mening dat het binnen de btw-richtlijn mogelijk is om geslachtscellen zoals zaad- en eicellen voor donatie voor reproductieve doeleinden bij mensen vrij te stellen van btw? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of en hoe hier uitvoering aan kan worden gegeven? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3, biedt de Btw-richtlijn niet de ruimte om de vrijstelling zodanig uit te breiden dat ook de levering van menselijke geslachtscellen daaronder kan worden gebracht. Een eventuele aanpassing van de Btw-richtlijn vergt de instemming van alle lidstaten en vergt in de regel een langdurig Europees wetgevingstraject die op dit moment niet wordt voorzien. Een btw-vrijstelling zou overigens slechts gedeeltelijk of mogelijk in het geheel niet tot een lagere prijs leiden. Ten eerste omdat de leverancier die de vrijstelling toepast bij gevolg ook geen recht meer heeft op aftrek van btw op zijn kosten en ten tweede omdat in het algemeen blijkt dat een btw-verlaging niet altijd (volledig) worden doorberekend.
Bent u bereid deze schriftelijke vragen te beantwoorden voorafgaand aan de plenaire behandeling van de Wijziging van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting in verband met de tweede evaluatie van de wet, het actieplan ter ondersteuning van donorkinderen en de omvorming van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting tot publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan?2