De antwoorden op vragen van de leden De Hoop, Kwint en Westerveld over het feit dat veel reformatorische scholen nog altijd homoseksualiteit afwijzen en identiteitsverklaringen hanteren |
|
René Peters (CDA), Nico Drost (CU), Nicki Pouw-Verweij (BBB), Caroline van der Plas (BBB), Harm Beertema (PVV), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Heeft u bij de beantwoording van de vragen van de leden De Hoop, Kwint en Westerveld de volledig identiteitsverklaring van het Gomarus College gelezen, waarin wel gesproken wordt over het kwaad en het tegengaan van het kwaad en dit nadrukkelijk niet over seksuele oriëntatie van jongeren gaat?1
Ja, ik heb het volledige identiteitsdocument gelezen. Vervolgens is eerst in de vraagstelling en daarna in de beantwoording onbedoeld de link gelegd tussen het identiteitsdocument van het Gomarus College en het afwijzen van homoseksualiteit.
Hierover heeft mijn ministerie telefonisch contact gehad met de school. In dat gesprek is aangegeven dat ik de ontstane commotie betreur.
Vervolgens heb ik op 31 maart jl. een brief naar de Kamer gestuurd.2 In de brief geef ik ook aan dat ik dit ook richting de Kamer recht wil zetten. Het identiteitsdocument van de school spreekt niet over het afwijzen van homoseksualiteit.
Bent u het ermee eens dat zorgvuldigheid voor daadkracht moet gaan?
Ja. Daarom doe ik ook zorgvuldig onderzoek naar de uitvoering van de moties Kwint c.s. en Gündoğan/Simons.3 Hierover informeer ik de Kamer in de loop van dit jaar.
Ziet u ook dat u in schriftelijke vragen en in de beantwoording daarvan onjuist een paar zinnen uit de identiteitsverklaring van het Gomarus College gekoppeld zijn aan opvattingen over het huwelijk, gelijke behandeling voor iedereen, de seksuele oriëntatie van jongeren en een veilig schoolklimaat?
Ja. In de vraagstelling van de Kamervragen en de beantwoording van de Kamervragen is onbedoeld de link gelegd tussen een passage uit het identiteitsdocument van het Gomarus College en opvattingen over het huwelijk en seksuele oriëntatie.
Bent u bereid om te rectificeren en te verklaren dat deze passage uit de identiteitsverklaring van het Gomarus College niet gaat over seksuele oriëntatie van jongeren?
Ja, zeker.
Bent u bereid om de uitspraken die voortvloeien uit het onjuist gebruik van de passage uit de identiteitsverklaring terug te nemen?
Ja, zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om uw excuses aan te bieden?
Zeker, mijn ministerie heeft telefonisch contact gehad met de school, en aangegeven de ontstane situatie te betreuren, en zo excuses over te brengen. De school heeft aangegeven het contact en de rectificatiebrief op prijs te hebben gesteld.
Bent u bereid om u te laten informeren over hoe het Gomarus College invulling geeft aan christelijk onderwijs en werkt aan een veilig schoolklimaat waarin iedereen zichzelf kan en mag zijn?
Ja, daartoe ben ik bereid. Ambtenaren van mijn ministerie gaan binnenkort ook op werkbezoek op het Gomarus College om zich te laten informeren over het beleid van de school op dit terrein. Ik hou mijzelf ook aanbevolen voor een werkbezoek.
Bent u het ermee eens dat de toetssteen voor een identiteitsverklaring de Grondwet is, met daarin zorgvuldig verwoorde en omkaderde rechten en vrijheden, en niet een naar politiek inzicht in te kleuren vaag begrip als «basiswaarden van de rechtsstaat»? Bent u het in dat licht ermee eens dat scholen een verklaring mogen laten ondertekenen, mits het binnen de grenzen van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling blijft?
Scholen hebben op basis van artikel 23 Grondwet een recht om aan ouders en leerlingen te vragen de grondslag van de school te onderschrijven. Een belangrijke grens van de bevoegdheid om denominatief selectiebeleid te voeren is dat geen onderscheid mag worden gemaakt op basis van de seksuele gerichtheid van de leerling of de ouders.
Naar de uitvoering van de eerdergenoemde aangenomen moties Kwint c.s. en Gündoğan/Simons, die oproepen om (delen van) identiteitsverklaringen te verbieden, doe ik op dit moment zorgvuldig onderzoek. Hierover informeer ik de Kamer in de loop van dit jaar.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Zeer recent in Pakistan herhaalde en herbevestigde fatwa en honderden dreigementen tegen een Nederlandse parlementariër |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich de fatwa die over mij is uitgesproken door de Pakistaanse TLP-leider Muhammad Ashraf Asif Jalali die zei: «the government of Pakistan must take a strong narrative on the adverse blasphemy committed by Geert Wilders» en «he must be handed over to Muslims for public execution to ensure world peace»?1
Ja.
Heeft u er kennis van genomen dat Jalali die fatwa tegen mij recent op 26 maart 2023 heeft herhaald en herbevestigd met de woorden «Our fatwa is final»? Wat is uw oordeel daarover?
Ja, ik heb kennis genomen van deze fatwa. Het kabinet keurt deze en eerdere fatwa’s nadrukkelijk af. Bedreigingen, en in het bijzonder gericht aan democratisch gekozen politici, zijn onacceptabel en horen niet thuis in de Nederlandse samenleving. De Nederlandse overheid uit in bilaterale contacten met Pakistan regelmatig zijn afkeuring en ernstige zorgen ten aanzien van de ernstige bedreigingen die aan het adres van de heer Wilders zijn uitgesproken en zal dit blijven doen.
Bent u door de politie respectievelijk de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en/of de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) hierover geïnformeerd en tevens over het feit dat de herbevestiging van deze fatwa in één week tijd tot honderden doodsbedreigingen aan mijn adres heeft geleid waarvan vele die melden dat ik «de volgende ben na Salman Rushdie» en hun doodsbedreiging kracht bijzetten met de meest walgelijke filmpjes en plaatjes? Wat is uw oordeel daarover?
Zoals bekend kan ik niet ingaan op individuele zaken en eventuele ontvangen informatie hieromtrent. Zoals in antwoord op vraag 2 geschreven heb ik heb kennis genomen van deze fatwa. Het kabinet keurt deze en eerdere fatwa’s als ook dit soort filmpjes en plaatjes nadrukkelijk af.
Herinnert u zich dat er al eerder verschillende fatwa’s over mij zijn uitgesproken waaronder een fatwa die moslims in Nederland oproept mij te vermoorden en dat ik alleen al vorig jaar mede naar aanleiding daarvan zo’n 900 doodsbedreigingen heb ontvangen? Wat is uw oordeel daarover?
Ik ben op de hoogte van de verschillende fatwa’s die over de heer Wilders zijn uitgesproken. Zoals eerder gesteld, horen bedreigingen en fatwa’s absoluut niet thuis in onze samenleving. Het kabinet keurt deze dan ook nadrukkelijk af.
Wat is uw oordeel over het feit dat niemand van de vele buitenlandse bedreigers hier of in hun woonland strafrechtelijk zijn vervolgd? Deelt u de mening dat dat totaal onaanvaardbaar en onrechtvaardig is?
Bedreigingen, en in het bijzonder gericht aan democratisch gekozen politici, zijn onacceptabel en horen niet thuis in de Nederlandse samenleving. Ik realiseer mij terdege dat de impact op de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers van deze bedreigingen enorm kunnen zijn. Zoals ook eerder kenbaar gemaakt door de Minister van Justitie en Veiligheid zet het Openbaar Ministerie zich blijvend in om bedreigingen van volksvertegenwoordigers te onderzoeken en waar mogelijk te vervolgen.2 Voor het identificeren van verdachten die bedreigingen uiten via met name sociale media, waarbij veelal geen gebruik wordt gemaakt van de eigen personalia en niet de volledige personalia zijn genoemd, is nagenoeg altijd nader onderzoek nodig. Wanneer een verdachte zich in een ander land dan Nederland bevindt, is voor dat onderzoek rechtshulp nodig. Uiteindelijk is het aan het betreffende land zelf om te bepalen of en in hoeverre uitvoering kan worden gegeven aan een rechtshulpverzoek. Het Openbaar Ministerie kan – als er door het buitenland geen rechtshulp wordt verleend – alleen personen in Nederland vervolgen die rechtstreeks zijn te identificeren op basis van hun online gedane uitlatingen. Op 17 april jl. maakte het Openbaar Ministerie bekend een in Pakistan woonachtige persoon te vervolgen voor een ernstig bedreigende uitlating aan het adres van de heer Wilders. In dit geval ging het om de uitloving van een beloning om de heer Wilders om het leven te brengen. Voor strafrechtelijk onderzoek door buitenlandse autoriteiten geldt dat dit aan de autoriteiten van dit land zelf is. De Nederlandse overheid uit in het geval van Pakistan regelmatig zijn ernstige zorgen ten aanzien van de ernstige bedreigingen aan het adres van de heer Wilders en zal dit blijven doen. Tijdens een onderhoud met de Pakistaanse ambassadeur op 17 april jl. zijn deze ernstige zorgen nogmaals overgebracht.
Realiseert u zich dat deze fatwa’s en doodsbedreigingen tot gevolg hebben dat mijn persoonlijke vrijheid en functioneren als parlementariër al bijna twintig jaar beperkt wordt en dat het alleen al daarom van belang is dat u zich er krachtig tegen uitspreekt en de daders strafrechtelijk ter verantwoording worden geroepen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat mensen die een fatwa over mij uitspreken – waaronder Jalali – en anderen die me met de dood bedreigen altijd strafrechtelijk dienen te worden vervolgd, danwel in hun woonland danwel zouden moeten worden uitgeleverd aan Nederland om hier te worden vervolgd? Wat gaat u doen om dit te bereiken zeker nu de fatwa van Jalali door hem is herhaald en herbevestigd?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom heeft u als Minister-President de recent herbevestigde fatwa over – en honderden doodsbedreigingen gericht aan – mij als Nederlands parlementariër niet meteen publiekelijk veroordeeld?
Het is onacceptabel dat de heer Wilders al vele jaren te maken heeft met bedreigingen uit binnen- en buitenland. Zoals eerder benoemd uit het kabinet regelmatig zijn ernstige zorgen over de bedreigingen. Ik heb deze ernstige zorgen overgebracht in mijn gesprek met de premier van Pakistan op 20 februari jl. Dit is ook gebeurd tijdens het gesprek van de Minister van Buitenlandse Zaken met zijn Pakistaanse collega op 18 januari jl., tijdens de hoogambtelijke politieke consultaties met Pakistan op 8 februari jl. en laatstelijk op 17 april jl. bij de betekening van de dagvaarding aan de ambassadeur van Pakistan, zoals benoemd in het antwoord op de vragen 5, 6 en 7.
Waarom veroordeelt u publiekelijk wél de fakkeldragers tegen mevrouw Kaag maar niet de mensen die middels een fatwa oproepen mij te executeren of honderden moslims die hebben opgeroepen en aangekondigd mij te zullen onthoofden, op te hangen, de keel door te snijden of op andere wijze te vermoorden?
Alle bedreigingen aan het adres van volksvertegenwoordigers en personen zijn onacceptabel. Het kabinet keurt fatwa’s en de bedreigingen aan het adres van de heer Wilders, zoals eerder benoemd, ook publiekelijk nadrukkelijk af.
Bent u bereid u deze vragen gelet op de actualiteit van de vele bedreigingen en de gevolgen voor mij van de genoemde fatwa, vóór dinsdag 4 april 11.00 uur beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
VN-resolutie 2664 die humanitaire uitzonderingen mogelijk maakt in VN-sanctieregimes |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met VN-resolutie 2664?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de mogelijkheden om een «carve-out» in VN-sanctieregimes aan te brengen om humanitaire hulp door gerenommeerde humanitaire organisaties makkelijker mogelijk te maken?
VN-Veiligheidsraadsresolutie 2664 introduceert een humanitaire exemptie in alle VN-sanctieregimes. Het invoeren van humanitaire exempties2 komt tegemoet aan een breed en lang gedragen wens van humanitaire actoren en zal hun werk vergemakkelijken. Mede door uitdagingen als overcompliance en derisking door leveranciers en financiële dienstverleners tegen te gaan. Tevens maakt het harmoniseren van regelgeving compliance voor zowel banken als humanitaire actoren eenvoudiger en daarmee goedkoper. Daarnaast biedt de resolutie een unieke kans om humanitaire uitzonderingen te harmoniseren op basis van een nieuwe internationale standaard, zowel tussen de verschillende EU-sanctieregimes als t.o.v. sleutelpartners als de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.
In welke mate is de VN-resolutie 2664 reeds verwerkt in de EU-sanctieregime? Kunnen Nederlandse en Europese humanitaire organisaties al gebruik maken van de uitzonderingen gemaakt in VN-resolutie 2664?
VN-Veiligheidsraadresolutie 2664 voorziet in een uitzondering op het verbod om economische middelen ter beschikking te stellen aan entiteiten en personen op de sanctielijst. De uitzondering geldt voor bepaalde humanitaire actoren en enkel voor activiteiten die noodzakelijk zijn voor het leveren van humanitaire hulp en het ondersteunen van menselijke basisnoden. De EU heeft eerder dit jaar de benodigde aanpassingen gemaakt om de humanitaire exemptie door te voeren in de Europese wetteksten die VN-sanctieregimes implementeren. Ook is de exemptie, mede op Nederlands initiatief, reeds ingevoerd voor zogenaamde «gemengde» sanctieregimes, waar zowel EU- als VN-listings onder vallen. Nederland is in EU-kader voorvechter van het doorvoeren van de humanitaire exemptie in EU-autonome sanctieregimes, in lijn met VN-resolutie 2664. Zo werd in het EU-autonome sanctieregime ten aanzien van Syrië voor een initiële periode van zes maanden een humanitaire exemptie op basis van VN-Resolutie 2664 aangenomen. Met gelijkgezinden zet Nederland zich in om deze exemptie ook in andere regimes in te voeren. Dit gebeurt op een casy-by-case basis met inachtneming van eventuele risico’s en de specifieke context van elk sanctieregime.
Wat voor geschat effect heeft deze carve-out op de lokale bevolking in onder sancties geplaatste regimes, zoals Syrië en Iran?
Het is nog te vroeg om een precieze inschatting te maken van het effect van de implementatie van VN-Veiligheidsraadresolutie 2664. In gebieden waar al langer humanitaire exempties van kracht zijn (zoals Afghanistan en bezette delen van Oekraïne) rapporteren humanitaire organisaties dat deze maatregel hulpverlening daadwerkelijk vergemakkelijkt. Ook ten aanzien van Syrië ontvangt het kabinet signalen dat de recente exemptie de levering van humanitaire hulp al eenvoudiger maakt. Daarmee is de inschatting dat deze humanitaire exempties een positief effect zullen hebben op het welzijn van die delen van de bevolking die humanitaire hulp nodig hebben. Het kabinet zal de effecten actief blijven monitoren.
Hoe werkt u samen met banken en financiële dienstverleners om deze resolutie te implementeren?
Het kabinet voert regelmatig overleg met Ngo’s en banken via de Ronde Tafel Financiële Toegang, waar op verzoek van het kabinet ook VN-Veiligheidsraadresolutie 2664 is geagendeerd en toegelicht. Daarnaast voert het kabinet separate gesprekken met de Nederlandse Vereniging van Banken over de humanitaire exempties onder VN-Veiligheidsraadresolutie 2664. Bij deze gesprekken bespreekt het kabinet ook met banken en ngo’s hoe de harmonisering van regels op basis van resolutie 2664 kan helpen om problemen rond derisking en overcompliance te helpen oplossen – bijvoorbeeld bij het faciliteren van de aardbevingsrespons in Syrië. Banken en ngo’s geven aan deze inzet te verwelkomen.3 Ten slotte kunnen humanitaire organisaties en banken bij specifieke vragen direct contact opnemen met het humanitaire contactpunt van de EU, of het Ministerie van Financiën.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (WAS) |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met de brief «Stand van zaken moties en toezeggingen zomerreces 2022»?1
Ja.
Klopt het dat er een verkenning is naar het eventueel betrekken van klim- en boulderwanden bij de nieuwe verplichtingen van het WAS en dat deze dan bestempeld zullen worden als speeltoestel? Wanneer is de verkenning afgerond?
Op dit moment wordt bekeken hoe eisen kunnen worden gesteld aan klim-en boulderwanden wanneer zij, behalve voor sportbeoefening, ook voor vermaak en ontspanning gebruikt worden. Te denken valt aan kinderfeestjes of recreatie. Het doel hiervan is het verhogen van de veiligheid van zowel bestaande als toekomstige faciliteiten. Het is echter niet zo dat hiermee direct besloten wordt dat deze toestellen aan dezelfde eisen zoals gesteld in het WAS moeten voldoen als bijvoorbeeld wipkippen en glijbanen. Onderdeel van het eerder genoemde onderzoek is bezien of de veiligheid van deze faciliteiten verhoogd kan worden wanneer zij gebruikt worden voor andere doeleinden dan sporten en wat daarvoor nodig is. De ontwikkeling van dit nieuwe beleid loopt al meerdere jaren en zal zeker nog enige tijd in beslag nemen. Bij de beleidsvorming zullen belanghebbenden betrokken worden.
Bent u op de hoogte van de ontwikkelingen op het gebied van sportklimmen, dat sinds 2021 een Olympische sport is? Zo ja, herkent u de signalen dat klim- en boulderhallen zich zorgen maken over de consequenties van dit besluit? Wat is uw reactie op deze zorgen?
Ik ben op de hoogte van de ontwikkelingen en ik herken de signalen dat klim- en boulderhallen zich zorgen maken dat de toestellen in de klim- en boulderhallen als speeltoestel worden beschouwd. Ik zal bij de uitwerking van het reguleren van de veiligheid van klim- en boulderhallen rekening houden met de toepasselijkheid van de eisen. Dit betekent dat de eisen die aan speeltoestellen, zoals een glijbaan of een schommel in een speeltuin, worden gesteld niet één op één van toepassing hoeven te zijn op klim- en boulderwanden die geplaatst zijn op voor sportbeoefening bestemde locaties. Er is recent contact geweest met de branchevereniging en de bond van de klimsport. Gedurende de uitwerking van de regelgeving zal ik met hen in contact blijven over het reguleren van de veiligheid van klim- en boulderhallen die behalve voor sportbeoefening ook voor vermaak en ontspanning worden gebruikt.
Wat zullen de gevolgen zijn voor de klimsport en klimsportaccommodaties wanneer klim- en boulderwanden worden bestempeld als speeltoestel in het kader van het WAS?
Zoals eerder benoemd wordt op dit moment bezien hoe de veiligheid van klim- en boulderwanden gereguleerd kan worden wanneer zij behalve voor sportbeoefening ook voor vermaak en ontspanning worden gebruikt. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van dit inventarisatietraject.
Hoe wordt er onderscheid gemaakt tussen sport en spel bij het WAS? Hanteert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij het toezicht de regel dat, zodra er twijfel bestaat of er uitsluitend sprake is van sport, er sprake is van spelen?
Het WAS maakt onderscheid tussen sport- en speeltoestellen. Speeltoestellen worden omschreven als een inrichting bestemd voor vermaak of ontspanning. Sporttoestellen, zoals turntoestellen, voetbaldoelen en fitnessapparatuur, die primair zijn bestemd voor het uitoefenen of aanleren van een sport en geplaatst zijn op voor sportbeoefening bestemde locaties vallen niet onder het WAS, zolang de nadruk ligt op behendigheid, lichaamsoefening en training, in plaats van op vermaak en ontspanning.
Sporttoestellen zijn uitgesloten van het WAS en vallen daarom buiten het toezicht van de NVWA. De grens tussen sport- en speeltoestellen is onder de huidige regelgeving niet altijd even scherp. Er wordt verkend hoe er beter onderscheid tussen sport- en speeltoestellen kan worden gemaakt.
De NVWA gebruikt naast de wet- en regelgeving jurisprudentie over sport in relatie tot kinderfeestjes als leidraad bij toezicht en handhaving. De NVWA beschouwt recreatieve activiteiten zonder begeleiding en zonder duidelijk doel om prestaties te verbeteren als spel. Hierdoor worden toestellen bij sportactiviteiten of -locaties soms onder het WAS geplaatst. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het gebruik van toestellen op een (sport)locatie die hoofdzakelijk is opengesteld voor «vrij» spelen en feestjes en waar geen of nauwelijks sportbeoefening plaatsvindt. Toestellen geplaatst op een voor sportbeoefening bestemde locatie en die primair worden gebruikt voor sportbeoefening en af en toe opengesteld worden voor recreatieve activiteiten bedoeld als kennismaking met de sport (bijvoorbeeld kinderfeestjes), vallen niet onder het WAS.
Bent u het eens dat sportklimmen (top)sport is en dus niet thuishoort bij het WAS, dat van toepassing is op speeltoestellen en niet op sportvoorzieningen?
Ik ben het eens dat sportklimmen (top)sport is. Klim- en boulderwanden die uitsluitend gebruikt worden voor sportbeoefening vallen niet onder het WAS, omdat het WAS over attractie- en speeltoestellen gaat en niet over sport. Zodra klimsporttoestellen naast sportbeoefening ter beschikking worden gesteld voor recreatie vervaagt echter het onderscheid tussen sport en spel. Daarom wordt op dit moment bezien of de veiligheid van deze toestellen verhoogd kan worden wanneer zij gebruikt worden voor andere doeleinden dan sporten en wat daarvoor nodig is.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat klim- en boulderwanden oneigenlijk bestempeld worden als speeltoestel?
Klim- en boulderwanden die primair zijn bestemd voor het uitoefenen of aanleren van een sport en geplaatst zijn op voor sportbeoefening bestemde locaties zijn op dit moment uitgezonderd van het WAS, omdat dit als sport wordt gezien en niet als spel. Ook in het nieuwe WAS blijft dit zo. Zodra klim- en boulderwanden ter beschikking worden gesteld voor recreatie vervaagt dit onderscheid. Ik ben aan het verkennen hoe het onderscheid tussen een sport- en een speeltoestel verduidelijkt kan worden in situaties waarin een toestel zowel voor sportbeoefening als voor vermaak of ontspanning wordt gebruikt, en welke veiligheidseisen er aan deze toestellen gesteld zouden moeten worden. Hierbij is het uitgangspunt zoveel mogelijk aan te sluiten bij de toepasselijke veiligheidsnormen voor klim- en boulderwanden. Ik kan echter niet uitsluiten dat hierdoor klim- en boulderwanden die primair bestemd zijn op voor sportbeoefening bestemde en ter beschikking worden gesteld voor recreatie onder de definitie van een speeltoestel komen te vallen.
Het van overheidswege uitschakelen van internet terwijl de autoriteiten jagen op een Sikh-prediker |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over het van overheidswege uitschakelen van het internet in de deelstaat Punjab, terwijl de autoriteiten jagen op een Sikh-prediker?1
Ja.
Klopt het dat de media black-out in Punjab (India) ongeveer 30 miljoen Punjabi’s heeft getroffen?
Op 18 maart 2023 werd door de deelstaatregering van Punjab een bevel uitgevaardigd voor de sluiting van internetdiensten voor een periode van 24 uur. Deze periode werd uiteindelijk verlengd tot 23 maart 2023. De genoemde bevelen zijn uitgevaardigd onder de relevante bepalingen van de «Indian Telegraph Act» en «Temporary Suspension of Telecom Services (Public Emergency or Public Safety Rules), 2017» die de opschorting van internetdiensten toestaan in situaties die een bedreiging vormen voor de openbare veiligheid of neerkomen op een openbare noodsituatie.
De gedeeltelijke, tijdelijke opschorting van internetdiensten heeft volgens berichtgeving de gehele deelstaat Punjab geraakt, die bijna 30 miljoen inwoners telt. De breedbanddiensten zijn niet opgeschort. Bankfaciliteiten, ziekenhuisdiensten en andere essentiële diensten zijn niet verstoord.
Hoe beoordeelt u de bestraffing van een volledige bevolkingsgroep voor de daden van de radicale prediker Amritpal Singh?
Het kabinet is van mening dat toegang tot online media en diensten een essentieel onderdeel van mediavrijheid en vrijheid van meningsuiting vormt, en daarmee tot de mensenrechten gerekend kan worden. Het kabinet is dan ook van mening dat tot tijdelijke sluiting van internetdiensten alleen in uiterste noodsituaties, onder strikte voorwaarden en met de uiterste terughoudendheid zou moeten worden overgegaan, zoals bijvoorbeeld beschreven in het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten artikel 19.3.
De regering kan geen oordeel geven over de vraag of de vermeende dreiging voor de openbare orde en veiligheid dermate ernstig was dat deze een tijdelijke opschorting van internetdiensten voor de gehele bevolking van de deelstaat Punjab zou rechtvaardigen, omdat de regering over onvoldoende informatie over de exacte situatie en context beschikt.
Voegt u zich bij de constatering van de fractie van DENK, dat collectieve bestraffing een inperking van de mensenrechten is van de 30 miljoen Punjabi’s gevestigd in Punjab (India)?
Voor het standpunt van het kabinet verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3.
Volgens de Punjab-regering was er een «duidelijk potentieel voor bedreiging van de openbare veiligheid, verstoring van openbare voorzieningen, schade aan openbare activa en verstoring van de openbare orde in de staat Punjab vanwege misbruik van mobiele internetdiensten».
Graag voeg ik hier aan toe dat de vergaande bevoegdheden van de autoriteiten om internetdiensten tijdelijk af te sluiten in India zelf ter discussie staan. Het Indiase Hooggerechtshof heeft in een aantal recente uitspraken geoordeeld dat «het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht om zijn beroep uit te oefenen zich uitstrekt tot het medium internet» en dat «opschorting van het internet een drastische maatregel is, en alleen toegepast kan worden na beoordeling van minder ingrijpende oplossingen». De Permanente Commissie voor communicatie en informatietechnologie van het Indiase parlement heeft in haar rapport getiteld «Suspension of Telecom Services/Internet and Its Impact» een reeks aanbevelingen gedaan, waaronder een herziening van de wettelijke regeling voor de schorsing van internetdiensten en het opzetten van een database met internetdiensten stopzettingsbevelen. De aanbevelingen zijn echter nog niet uitgevoerd.
Het is van belang dat de discussie over verlenging en inzet van bevoegdheden voor tijdelijke sluiting van internetdiensten door betrokken partijen in India zelf gevoerd wordt, en dat besluitvorming hierover langs democratische en constitutionele weg verloopt.
Bent u bereid om zich uit te spreken over de inperking van de mensenrechten van de Punjabi’s gedurende de klopjacht naar de radicale prediker Amritpal Singh?
Nederland voert een mensenrechtendialoog met India in bilateraal, EU- en in VN-verband. De mensenrechtenambassadeur heeft vorige maand een bezoek aan India gebracht. Met vertegenwoordigers van de regering en de Nationale Mensenrechtencommissie heeft zij onder meer gesproken over het belang van vrijheid van meningsuiting en media (online en offline) alsmede de rechten van minderheden en vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. In Kolkata heeft de mensenrechtenambassadeur een interreligieuze dialoog gevoerd met religieuze leiders van verschillende geloofsovertuigingen, waaronder ook van de Sikhs. In de mensenrechtendialoog tussen de EU en India, die naar verwachting later dit jaar weer zal plaatsvinden, zullen vrijheid van meningsuiting, de rechten van minderheden en vrijheid van godsdienst en levensovertuiging ongetwijfeld ook weer nadrukkelijk op de agenda staan.
Deelt u de mening dat de rechten van een bevolkingsgroep zoals de Punjabi’s niet onderdrukt mogen worden door India? Zo ja, kunt u dan uiteenzetten op welke wijze u dit uitdraagt naar India? Zo nee, waarom niet?
Zie de antwoorden op de vragen 4 en 5.
Bent u bereid om in gesprek te treden met uw counterpart in India, al dan niet via de Indiase ambassadeur, over de situatie in India betreffende het censureren van de media in de deelstaat Punjab?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid om het gesprek aan te gaan met de Sikh-diaspora in Nederland, om een uiteenzetting te krijgen van hun legitieme zorgen en tevens deze over te brengen bij uw counterpart in India, al dan niet via de Indiase ambassadeur?
Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven, voert Nederland op verschillende niveaus een mensenrechtendialoog met India. Het kabinet laat zich hiervoor graag informeren door vertegenwoordigers van de Sikh-gemeenschap in Nederland en Europa. De mensenrechtenambassadeur gaat hierover graag in gesprek met vertegenwoordigers van de Sikh-gemeenschap zoals ze in Kolkata heeft gedaan.
Tevens hebben op 4 november 2022 vertegenwoordigers van de World Sikh Parliament Europa en voorzitter van de Punjab Right organisation een petitie aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken aangeboden in verband met de (jaarlijkse) herdenking van de Anti-Sikh-rellen van 1984. De vertegenwoordigers vroegen aandacht voor de kwetsbare positie van Sikh in India.
De brief van Eurocommissaris Sinkevicius aan de minister voor Natuur en Stikstof over de stikstofdoelen |
|
Pieter Omtzigt (Omtzigt) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
Klopt het dat u op 28 maart 2023 een overleg had met Eurocommissaris Sinkevičius in Brussel? Kunt u een gespreksverslag van die bijeenkomst openbaar maken?
Nee, ik heb op 28 maart 2023 geen overleg gehad met Eurocommissaris Sinkevičius en kan u zodoende geen gespreksverslag toezenden.
Kunt u de brief van 14 februari 2023, waarnaar de Eurocommissaris verwijst, openbaar maken?
Ik heb op 3 april uw Kamer zowel mijn brief van 14 februari 2023 aan Eurocommissaris Sinkevičius toegezonden als de antwoordbrief van de Eurocommissaris van 28 maart 2023.
Op welke wijze en op welk tijdstip heeft u de brief van 28 maart 2023 (niet op officieel briefpapier en zonder adres) ontvangen?1
De brief van Eurocommissaris Sinkevičius is op 28 maart 2023 aan de Permanente Vertegenwoordiging van de Nederlandse regering in Brussel aangeboden en is die avond laat doorgestuurd aan mijn ministerie. De brief is mij op 29 maart om 11:30 uur per email toegezonden.
Kunt u aangeven of en zo ja, welke bemoeienis, invloed, overleg de Nederlandse regering heeft gehad bij de totstandkoming van deze brief? Kunt u hier een uitputtend overzicht van geven?
Er is geen inhoudelijke betrokkenheid geweest van de Nederlandse regering met betrekking tot de totstandkoming van de brief van Eurocommissaris Sinkevičius.
Kunt u deze vagen een voor een en uiterlijk dinsdag 4 april 2023 om 14.00 uur beantwoorden in verband met het plenaire debat later die dag?
Met deze beantwoording heb ik voldaan aan uw verzoek.
Het bericht 'Grote stroom aan nieuwe leerlingen op internationale scholen levert problemen op' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Grote stroom aan nieuwe leerlingen op internationale scholen levert problemen op»1?
Ja.
Deelt u de mening dat het belangrijk is voor de integratie dat jonge nieuwkomers via het onderwijs zo snel mogelijk Nederlands leren en worden voorbereid om te werken en zo maximaal mee te doen in de samenleving? Deelt u tevens de mening dat Internationale Schakelklassen (ISK’s) daarin een cruciale rol spelen?
Ja, het is belangrijk dat jonge nieuwkomers zo snel mogelijk naar school gaan zodat ze de taal kunnen leren, kunnen integreren en participeren in onze samenleving. Daarom hebben we in Nederland zowel voor het po (taalklassen of nieuwkomersscholen) als het vo (internationale schakel klassen) scholen met een onderwijsprogramma dat specifiek gericht is op nieuwkomers. Dit programma biedt deze kinderen de mogelijkheid om de taal te leren en om zich voor te bereiden op instroom in het reguliere of speciaal onderwijs.
Is het juist dat op dit moment honderden jonge nieuwkomers op een wachtlijst staan voor een ISK-school en daardoor noodgedwongen thuis zitten? Welke mogelijkheden ziet u om de gemiddelde looptijd te verkoren? Welke mogelijkheden zijn er om in de tussentijd alsnog een vorm van onderwijs te geven in de opvang? Ziet u hier bijvoorbeeld mogelijkheden om met gemeentes en azc’s afspraken te maken om te werken aan het leren van de taal?
Isk-scholen kampen met ernstige capaciteitstekorten door het grote aantal jongeren dat een beroep doet op dit onderwijs. Dit aantal zal de komende periode verder toenemen2. Het tekort aan onderwijsplekken is een urgent maatschappelijk probleem en op heel korte termijn niet op te lossen zonder scholen en gemeentebesturen meer ruimte te geven om het onderwijs op een andere manier te organiseren.
Op 30 november 2022 heb ik aan uw Kamer toegezegd om met een voorstel te komen dat ruimte biedt om op een andere manier het onderwijs voor een bredere groep nieuwkomers te organiseren en daarmee terug te komen naar de Kamer.
Het streven blijft daarbij om kinderen onderwijs te bieden dat het meest in het belang is van het kind. Dit betekent dat de inspanningen erop gericht zijn om kinderen zo snel mogelijk een regulier onderwijsaanbod te doen.
In verschillende bijeenkomsten heb ik de afgelopen periode gesproken over hoe ik de onderwijspraktijk op korte termijn kan helpen. Om dit zo goed mogelijk te garanderen heb ik besloten om op korte termijn met een spoedwetsvoorstel te komen waarmee voor nieuwkomers in het onderwijs tijdelijke voorzieningen mogelijk worden gemaakt. Met dit voorstel wil ik ruimte bieden aan scholen om het onderwijs voor nieuwkomers tijdelijk op een andere manier te organiseren, zodat de wachtlijsten worden tegengegaan. Er wordt momenteel nog gewerkt aan het wetsvoorstel.
Ik verwacht het wetsvoorstel begin juniaan uw Kamer te kunnen voorleggen en ga graag met uw Kamer hierover in gesprek.
Vanwege de massale toestroom van Oekraïense ontheemden heb ik medio 2022 de Wet tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden opgesteld. Hiermee heb ik de mogelijkheid gecreëerd om voor deze groep ontheemden tijdelijke onderwijsvoorzieningen (tov's) in te richten. Dit zorgde ervoor dat Oekraïense ontheemden een plek werd geboden binnen het onderwijs. Daarmee werd de druk op het reguliere nieuwkomersonderwijs enigszins verlicht. Desalniettemin zie ik dat de druk op het nieuwkomersonderwijs groot blijft.
Hoe wordt geanticipeerd op het toenemende aantal Oekraïense kinderen dat een beroep zal blijven doen op de capaciteit van ISK-scholen en het lesaanbod? Bent u bereid in samenspraak met het ISK-onderwijs plannen te maken om verdringing van andere doelgroepen te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Is het juist dat het recht op tweejarige financiering voor nieuwkomers die onderwijs zullen volgen op een ISK wordt gestart op het moment van aankomst in Nederland? Bent u bekend met de klacht vanuit ISK-scholen dat deze financieringsmethode tot een probleem leidt omdat minderjarige nieuwkomers die onderwijs zullen gaan volgen veel later op een ISK starten dan dat zij Nederland binnenkomen en daarmee het recht op financiering dus in de praktijk veel korter is dan twee jaar?
Op dit moment is het inderdaad zo dat de financiering voor onderwijs aan nieuwkomers start op het moment van aankomst in Nederland. Het klopt dat dit er in de praktijk toe kan leiden dat een schoolbestuur voor minder dan twee jaar nieuwkomersbekostiging ontvangt voor een leerling. Ik verken de mogelijkheden om deze systematiek aan te passen en zal de uitkomst daarvan ook met uw Kamer delen.
Bent u bereid deze financieringsmethode aan te passen en meer recht te doen aan de daadwerkelijke verblijfsduur in het onderwijs? Zo ja, op welke termijn? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid een feitelijk overzicht te verstrekken van de volgende cijfers:
Om te beginnen zaten er op 1 januari 2023 20.825 leerlingen binnen de voorwaarden van de nieuwkomersbekostiging in het voortgezet onderwijs. Deze leerlingen gaan niet allemaal naar een isk. Zij zijn niet verplicht om naar een isk te gaan maar kunnen er ook voor kiezen om meteen in te stromen in het regulier onderwijs.
Ik heb beperkt inzicht in het soort onderwijs dat deze leerlingen volgen. Binnen het register onderwijs deelnemers (ROD) is het mogelijk om leerlingen het onderwijskenmerk isk mee te geven, dit is in het lopende schooljaar voor 13.980 leerlingen het geval. Echter het is niet verplicht om leerlingen in een isk dit kenmerk mee te geven en hier is ook geen bekostiging aan verbonden. Daardoor is er een reële kans dat deze registratie niet compleet is en er meer leerlingen isk onderwijs volgen dan nu uit de registratie blijkt. Hierdoor kan ik op dit moment geen sluitend antwoord geven op de vragen over het aantal leerlingen, het aantal klassen en scholen en de spreiding.
Verder heeft LOWAN-vo recent een vragenlijst uitgezet onder alle isk’s. Uit de resultaten3 van deze vragenlijst blijkt dat naar schatting in totaal 30.000 leerlingen onderwijs volgen op de isk’s. In beginsel volgen leerlingen 2 jaar onderwijs op een isk. Er worden geen gegevens bijgehouden over de doorstroom naar het vervolgonderwijs en de loopbaan van nieuwkomers.
De inspectie heeft eerder wel in beeld gebracht in hoeverre de schoolloopbanen van nieuwkomers verschillen van schoolloopbanen van niet-nieuwkomers. In dit themarapport4 wordt onder andere gekeken naar verschillen in opgelopen vertraging, uitstroom naar het speciaal(basis)-onderwijs, schooladviezen, eindexamenresultaten en doorstroom naar het vervolgonderwijs. Het rapport concludeert dat nieuwkomers te maken hebben met meer moeilijkheden in de schoolloopbaan, maar ze krijgen ook kansen en benutten deze ook. De schoolloopbanen van nieuwkomers verlopen enerzijds moeizamer dan bij niet-nieuwkomers: ze lopen vaker vertraging op, wisselen vaker van school, krijgen een lager definitief basisschooladvies, slager minder vaak de eerste keer voor hun examen en starten minder vaak met vervolgonderwijs. Anderzijds maakt een deel van de nieuwkomers gedurende hun schoolloopbaan gebruik van kansen om door te stromen naar een niveau dat meer aansluit bij hun mogelijkheden. In het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs zijn nieuwkomers vaker dan niet-nieuwkomers opgestroomd en doen ze vaker op een hoger niveau eindexamen dan het niveau van hun basisschooladvies. Het merendeel van de nieuwkomers studeert door op een niveau passend bij hun eindexamen.
Tot slot is er geen sluitend beeld van de kwaliteit van eerste opvang anderstaligen (eoa’s) ofwel isk-scholen. Isk’s hebben geen eigen brin-of vestigingsnummer maar worden gekoppeld aan een afdeling binnen een school. Vaak is dat een afdeling van een vmbo-school. Hierdoor bestaat het risico dat de inspectie van het Onderwijs geen of onvoldoende zicht heeft op de isk’s. Om die reden voert de inspectie sinds 2021 jaarlijks een prestatieanalyse uit. In de prestatieanalyse analyseert de inspectie op basis van een aantal gegevens de onderwijskwaliteit en eventuele risico’s bij de eoa-afdelingen. Dit kan leiden tot een kwaliteitsonderzoek of een bestuursgesprek. In 2024 start de inspectie daarnaast met kwaliteitsonderzoeken over de onderwijskwaliteit van eoa-afdelingen in Nederland.
Als u (enkele van) bovenstaande getallen niet kunt verstrekken vanwege een gebrek aan specifieke registratie en monitoring op ISK, bent u dan bereid deze cijfers te gaan bij houden en de Kamer daarover te informeren?
Op dit moment is er geen wettelijke verplichting om het nieuwkomersonderwijs als dusdanig te registreren. Dit wil ik op termijn wel regelen, maar dit vergt een wetswijziging en is dus niet op korte termijn te realiseren. Tussentijds houd ik de vinger aan de pols via gesprekken met de scholen en betrokken organisaties als LOWAN en VNG. Ook kan ik tussentijds een peiling uitvoeren. De instroom fluctueert sterk waardoor een peiling altijd een momentopname zal zijn.
Bovendien bestaan isk’s volgens de wet niet, waardoor het niet mogelijk is om isk’s te onderscheiden bij DUO. Na de zomer verwacht ik te starten met een verkenning naar regulier nieuwkomersonderwijs, waar registratie en monitoring onderdeel van zullen zijn.
Zijn de aparte hoofdstukken van het toezichtskader voortgezet onderwijs in uw ogen voldoende om de kwaliteit van het specifieke onderwijs op de ISK scholen te borgen en is er binnen de inspectie voldoende kennis van ISK-onderwijs om goed toezicht te kunnen houden?
Ja, het onderzoekskader vo en het waarderingskader eerste opvang anderstaligen ofwel isk, wat daar onderdeel van is, zijn in mijn ogen voldoende om de kwaliteit van het onderwijs op de isk’s te borgen. In dit waarderingskader wordt specifiek rekening gehouden met de kenmerken van nieuwkomersonderwijs.
Binnen de inspectie is voldoende kennis aanwezig om toezicht te kunnen houden op dit type onderwijs. Het gaat om onderwijs dat valt onder de WVO. De inspecteurs zijn goed in staat om dit type onderwijs te beoordelen. Voor de eoa ofwel isk kent de inspectie specifieke richtlijnen en procedures, die onderdeel zijn van de Kennisbasis waarvan de inspecteurs gebruik maken. De inspectie schoolt nieuwe medewerkers hierin.
Is ooit overwogen een apart toezichtskader voor ISK onderwijs te ontwikkelen en zo ja, waarom is daar niet voor gekozen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet overwogen. Isk’s vallen onder de WVO. Het toezicht maakt daarom integraal onderdeel uit van het toezicht op scholen voor voortgezet onderwijs. De werkwijze zoals in het onderzoekskader VO 2021 staat beschreven, geldt voor alle onderwijsvoorzieningen die onder de WVO vallen. Zoals in het antwoord op vraag 9 beschreven, is er een apart waarderingskader voor eoa’s ofwel isk’s met een aantal standaardaanpassingen ten opzichte van het kader voor reguliere vo-scholen.
Is er voldoende aandacht voor benchmarking in de ISK-sector en zo nee, bent u bereid dit aan te jagen en zo ja, op welke wijze?
Nee, isk’s worden niet gebenchmarkt. Isk’s bestaan in verschillende varianten en zijn daarmee onderling niet goed vergelijkbaar.
Wel is er onderling contact tussen isk’s, bijvoorbeeld om goede voorbeelden uit te wisselen. Dat moedig ik aan. Daar heeft ook LOWAN een ondersteunende rol in en leveren ook mijn regiocoördinatoren een belangrijke bijdrage aan. LOWAN-vo heeft bijvoorbeeld de LOWAN-vo community. Deze community biedt de mogelijkheid om in gesprek te gaan met vakgenoten en kennis met elkaar de delen.
Welke belemmeringen zijn er in de aansluiting tussen het onderwijs in een ISK-klas en het vervolgonderwijs, zoals het middelbaar beroepsonderwijs, en hoe werkt u eraan deze weg te nemen?
Een leerling stroomt zo spoedig mogelijk en in beginsel binnen twee jaar van een isk naar vmbo, havo of vwo. Afhankelijk van het niveau en de leeftijd van een leerling kan ook doorstroom naar mbo, hbo of wo aan de orde zijn. Leerlingen kunnen overigens ook rechtstreeks in regulier vo of mbo instromen, afhankelijk van hun niveau, beheersing van het Nederlands en de ondersteuning die een vo-school of mbo-instelling kan bieden.
Om leerlingen een passende aansluiting van nieuwkomersonderwijs op vervolgonderwijs te kunnen bieden, is een warme overdracht en goede samenwerking tussen scholen van belang. Dit gaat in veel regio’s goed, maar nog niet overal. Ook de onderwijsbehoefte van de specifieke leerling in combinatie met het onderwijsaanbod op de isk en de nieuwe school kan een probleem vormen. Dit speelt bijvoorbeeld als een leerling nog langere tijd extra ondersteuning in de Nederlandse taal nodig heeft, of kan aan de orde zijn als in het nieuwkomersonderwijs niet (voldoende) kan worden aangesloten bij het niveau van de leerling.
Om de overstap soepel te laten verlopen, biedt Lowan vo aan scholen en onderwijsinstellingen een handreiking «In gesprek over doorstroom van isk naar mbo». Verder zijn er ook voorbeelden van isk en mbo-instellingen die gezamenlijk een onderwijsaanbod vorm geven en bestaat de mogelijkheid om een leerling met een beroepsgericht profiel vanuit de isk uit te besteden aan het mbo. Specifiek ten behoeve van de in- en doorstroom van ontheemden uit Oekraïne wordt ook gewerkt aan een aanpak van de doorstroom. Hier verwachten we lessen uit te trekken voor alle nieuwkomers.
Is het juist dat ISK onderwijs binnen de PABO-opleidingen weinig aandacht geniet? Ziet u mogelijkheden om binnen PABO-opleidingen meer aandacht te besteden aan ISK-onderwijs om aankomend docenten bekender te maken met ISK-onderwijs en om het aanbod van ISK-docenten te vergroten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Isk’s verzorgen nieuwkomersonderwijs aan leerlingen in het voortgezet onderwijs. Docenten binnen het voortgezet onderwijs worden opgeleid op eerste- of tweedegraads lerarenopleidingen. Pabo-opleidingen daarentegen leiden studenten op om les te geven in het primair onderwijs. Nieuwkomersonderwijs aan leerlingen in het primair onderwijs wordt gegeven op zogenoemde nieuwkomersscholen of taalscholen.
Uit een recente uitvraag aan pabo-opleidingen via de Vereniging Hogescholen bleek dat de meeste pabo-opleidingen binnen het curriculum aandacht besteden aan onderwijs aan anderstalige leerlingen. Dit kan zijn onder de naam NT2, maar ook onder andere namen zoals meertaligheid, anderstaligen, differentiëren of taalverwerving. Daarnaast bieden de meeste pabo-opleidingen ruimte voor verdere verdieping in het onderwerp, bijvoorbeeld via een minor. Ook is er in de helft van de opleidingen de mogelijkheid stage te lopen of een bezoek te brengen aan een azc-school, een nieuwkomersschool, een internationale school of een internationale groep binnen een reguliere school.
De meeste hogescholen bieden een vorm van bij- of nascholing aan leraren in het primair én voortgezet onderwijs op het gebied van NT2/nieuwkomersaanwijs aan. Dit kan in verschillende vormen, van losse modules tot post-initiële opleidingen.
Bent u bereid een aparte brief te sturen over de stand van het ISK-onderwijs en uw plannen hieromtrent zodat de Kamer in staat wordt gesteld zich meer bezig te houden met deze belangrijke vorm van onderwijs? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Bij de Wet tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden heb ik aangekondigd in 2023 aan de slag te gaan met het reguliere nieuwkomersonderwijs. Na de zomer verwacht ik te starten met een verkenning hierop. Hiermee wil ik in kaart brengen wat de stand van zaken is en waar we naartoe willen werken. Wanneer ik de resultaten hiervan heb ga ik graag met uw Kamer hierover in gesprek.
Het bericht ‘’Schrikbarende’ conclusies in zeer kritisch advies: Den Haag heeft ‘de regio’ stelselmatig verwaarloosd’. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht ««Schrikbarende» conclusies in zeer kritisch advies: Den Haag heeft «de regio» stelselmatig verwaarloosd»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie van het advies, dat het overheidsbeleid de verschillen tussen rijke en arme regio's in ons land heeft vergroot?2
Dit advies stelt dat er mede door beleidskeuzes van de overheid te grote verschillen zijn ontstaan tussen hoe goed het gaat met regio’s. De groeiende verschillen in welvaart en welzijn, samen met het afnemende vertrouwen in overheid en politiek, stemmen tot grote zorg. En vragen om actie van het hele kabinet, omdat de analyse vele beleidsterreinen raakt.
Welke stappen gaat u zetten om «principieel niet te rechtvaardigen regionale achterstanden» aan te pakken?
We hebben hierop de eerste stappen gezet. Zoals bijvoorbeeld met Regio Deals, door gezamenlijk als regio’s en rijk te investeren in regionale opgaven en kansen. En dit kabinet zet in op sterke regio’s aan de grens door interbestuurlijk te werken aan de (gebieds)opgaven in deze regio’s én door het versterken van de grensoverschrijdende samenwerking met grensregio’s in onze buurlanden. Maar het vraagt nadrukkelijk om meer actie, ook voor de lange termijn. We zijn als kabinet op dit moment bezig om te komen tot een reactie op het adviesrapport «Elke regio telt!». Voor het zomerreces zal deze aan de Kamer worden gestuurd.
Herkent u de conclusie, dat inwoners van achterstandsregio's een groot gebrek aan aandacht, begrip en respect vanuit de overheid voelen?
Tijdens de vele gesprekken die ik overal in Nederland voer, ervaar ik steeds weer de kracht en eigenheid van de regio’s. Van Noardwest Fryslân tot Zeeuws-Vlaanderen. Van Zuid-Limburg tot de Achterhoek. De meeste mensen zijn trots op het gebied waar ze wonen, voelen zich er mee verbonden en leven er graag. Maar ik ervaar daar zeker ook dat veel mensen vinden dat de overheid onvoldoende naar hen luistert en twijfelen aan haar vermogen om de grote uitdagingen van onze tijd aan te pakken.
Herkent u het beeld, dat vertegenwoordigers van de rijksoverheid in de onderzochte regio’s onbekend zijn?
Het kabinet hecht aan de aanwezigheid en zichtbaarheid van de rijksoverheid in de regio. Het gaat daarbij om meer dan alleen een fysieke aanwezigheid. Het gaat er ook om duurzame samenwerkingsverbanden tussen het Rijk en de regio te leggen. Door een betere spreiding van rijksdiensten over het land en door de mogelijkheden die het hybride werken biedt waardoor medewerkers niet per se in de nabijheid van hun standplaats hoeven te wonen, kunnen medewerkers uit velerlei regio’s bij de rijksoverheid werken. Dit biedt belangrijke voordelen voor zowel de regio als het Rijk, onder meer bij het werven van medewerkers op de (krappe) arbeidsmarkt alsook om zo in het rijksbeleid het regioperspectief beter over het voetlicht te brengen. De bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zullen worden versterkt, zodat zij binnen het kabinet een stevigere coördinerende en adviserende rol kan vervullen bij de spreiding over het land. In de jaarlijkse Kamerbrief over de stand van de spreiding van rijkswerkgelegenheid zal hier nader op worden ingegaan.
Hoe bevordert u op uw eigen ministerie de betrokkenheid van ambtenaren bij regio’s op afstand van Den Haag?
Binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) wordt op verschillende manieren de betrokkenheid van ambtenaren bij de verschillende regio’s in Nederland bevordert. De laatste jaren trekken we op bepaalde onderdelen (denk hier bijvoorbeeld aan Regio Deals, het programma Regio’s aan de grens, NOVEX, het Nationaal programma Landelijk Gebied) steeds meer samen op met de verschillende regio’s in Nederland. Verder zijn er medewerkers van BZK die ook gedeeltelijk in dienst zijn van de provincie en wordt er in de tweede helft van dit jaar een rijkshub geopend in Assen.
Hoe verklaart u de eenzijdige focus op bedrijfsmatige efficiëntie en doelmatigheid bij de overheid?
De focus op efficiëntie en doelmatigheid is een filosofie die door veel landen is geadopteerd in de tweede helft van vorige eeuw toen de overheidsuitgaven sterk stegen. Toentertijd is gekozen voor een meer bedrijfsmatige aanpak in de besteding van publieke middelen om de overheidsfinanciën op orde te brengen. Dit gebeurde vanuit een sturingsfilosofie die we betitelen als het «New Public Management», waar waarden als efficiëntie en doelmatigheid dominant zijn. Hoewel efficiëntie en doelmatigheid onverminderd nastrevenswaardig blijven, vind ik het van belang om niet langer uit te gaan van New Public Management, maar te werken vanuit het toevoegen van publieke waarde (public value). De maatschappelijke opgave is het uitgangspunt. Hierbij luistert de overheid naar wat er leeft, zorgt dat signalen over wat er wel of niet goed gaat haar bereiken en zorgt dat er ruimte is om in de gevallen waarin beleid en wetgeving niet heeft voorzien of onbedoelde onevenredige uitkomsten heeft, oplossingen kunnen worden geboden. De overheden werken daarbij samen, over grenzen van organisaties heen. Soms worden er belemmeringen ervaren in de inrichting, die het toevoegen van publieke waarde niet ondersteunen. Ik werk aan een visie op de inrichting en sturing van de rijksoverheid door te leren van veranderinitiatieven van beleid- en uitvoeringsorganisaties om te werken aan een overheid die dienstbaar, rechtvaardig en responsief kan zijn. Verschillende rijksbrede initiatieven bieden daarbij ondersteuning, zoals een gewijzigde ambtseed, een gids Ambtelijk Vakmanschap waarin de gezamenlijke basisprincipes en waarden voor ons werk zijn beschreven, het Beleidskompas en dialoogvoering over ethische en morele vraagstukken op de werkvloer.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat de overheid «dienstbaar en dichtbij» is?
Een belangrijke opdracht aan het kabinet is om ervoor te zorgen dat mensen ervaren dat de overheid er ook voor hen is. Om vertrouwen te krijgen, moet de overheid betrouwbaar, dienstbaar en rechtvaardig zijn. Daar werk ik aan, samen met de collega’s in het kabinet, door te investeren in het verbeteren van de uitvoering, in het vakmanschap van ambtenaren en in het vergroten en versterken van de mogelijkheden voor burgers om invloed uit te oefenen. Dit laatste onder meer via het aan Uw Kamer voorgelegde wetsvoorstel Versterking participatie op decentraal niveau.3 Verder wordt gewerkt aan een wetsvoorstel om de Algemene wet bestuursrecht aan te passen en het waarborg karakter van deze wet te versterken. Daarnaast heeft elk departement de eigen wetten en regels onderzocht op hardvochtige effecten voor mensen, om deze waar mogelijk weg te nemen (zie onder meer Kamerstukken II 2021/22, 35 510, nr. 102).
Deelt u de mening, dat het beleid van een overheid die niet dienstbaar en dichtbij is, niet werkelijk efficiënt en doelmatig kan worden genoemd?
Ja, die mening deel ik. Wij moeten als overheid bijdragen aan de mogelijkheden die mensen hebben om bij te dragen aan onze samenleving en de economie. Dat vraagt ook om gerichte aandacht voor gebieden waar die inzet niet zo wordt ervaren. Ik kom hier in de kabinetsreactie op het adviesrapport «Elke regio telt!» op terug.
Deelt u de mening, dat een regionaal kiesstelsel de parlementaire aandacht voor regio’s zou kunnen vergroten?
Een van de aanbevelingen van de drie adviesraden in het rapport «Elke regio telt» is om te werken aan wederzijdse vertegenwoordiging: van regio’s op nationaal niveau en van het Rijk in de regio’s. Hiertoe zijn door de staatscommissie parlementair stelsel en het Burgerforum Kiesstelsel concrete voorstellen gedaan, die nu worden uitgewerkt in de vorm van het wetsvoorstel «Met een stem meer keus». De kiezer krijgt met dit wetsvoorstel de mogelijkheid om een stem uit te brengen op de gehele lijst van een partij, of op één enkele kandidaat van die partij («kandidaatsstem»). Kandidaten die zogeheten «kandidaatsstemmen» verwerven worden in de meeste gevallen makkelijker verkozen dan dat nu het geval zou zijn op basis van voorkeursstemmen, zodat kandidaten met bijvoorbeeld een aansprekend regionaal profiel laagdrempeliger door de kiezer kunnen worden gehonoreerd met een zetel. Het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel draagt er op die manier aan bij dat de parlementaire aandacht voor regio’s vergroot kan worden.
Hoe vertaalt u de conclusies van het advies naar een regio die nog verder weg ligt van Den Haag, namelijk Caribisch Nederland?
De conclusies en bevindingen uit het adviesrapport «Elke regio telt» sluiten aan bij de eerdere bevindingen van rapporten die specifiek over Caribisch Nederland zijn geschreven, zoals de voorlichting van de Raad van State uit 2019 en het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Koninkrijksrelaties. Hier wordt op teruggekomen in de kabinetsreactie op het adviesrapport «Elke regio telt!».
Het bericht 'Afschaffing btw op groente en fruit dreigt te sneuvelen' |
|
Pieter Grinwis (CU), Romke de Jong (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Afschaffing btw op groente en fruit dreigt te sneuvelen»?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van de Minister-President in de Eerste Kamer dat «het niet zo is dat de Belastingdienst een nultarief niet zou kunnen uitvoeren door ICT-problemen», maar dat het probleem zit in het «vormgeven en afbakenen van wat groente en fruit is»?2
Ja.
Waarom twijfelt u dan over het introduceren van een nultarief voor groente en fruit, terwijl er blijkens de afspraak in het coalitieakkoord en uitspraken van de Kamer breed politiek draagvlak is voor de introductie van een nultarief in de btw op groente en fruit, én de Belastingdienst – zoals blijkt uit de uitspraken van de Minister-President – het nultarief kan uitvoeren?
Er heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden over het al dan niet invoeren van een btw-nultarief op groente en fruit en/of alternatieve gezondheidsmaatregelen. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet. Hierop kan niet vooruit worden gelopen. Dat geldt ook voor wat betreft de reden(en) waarom eventueel van de maatregel zal worden afgezien.
Klopt het dat de oorzaak van deze twijfel ligt in de gedachte dat dit voor de Belastingdienst «leidt tot veel juridisch getouwtrek van producenten die vinden dat ze ook onder het nultarief moeten vallen»?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 3.
Waarom zijn dergelijke juridische procedures een probleem voor de Belastingdienst? Is de Belastingdienst inmiddels niet buitengewoon bedreven in het voeren van dit soort procedures? Is het niet zo dat in het verleden, bijvoorbeeld bij de differentiatie tussen het hoge en het lage btw-tarief, ook sprake was van «juridisch getouwtrek»? Zo ja, waarom was dit destijds geen bezwaar om tot invoering over te gaan, maar nu bij het nultarief op de btw op groente en fruit wel?
In tegenstelling tot de andere producten waarvoor het verlaagde btw-tarief geldt, zoals geneesmiddelen, is voor groente en fruit geen afbakening op basis van bestaande wetgeving mogelijk. Het verlaagde btw-tarief op geneesmiddelen is bijvoorbeeld slechts van toepassing op geneesmiddelen waarvoor een handelsvergunning is verleend op grond van de Geneesmiddelenwet. Desondanks worden op dit moment nog altijd tientallen procedures gevoerd waarbij ook deze scherpe afbakening wordt aangevochten op basis van het neutraliteitsbeginsel. Bij een btw-nultarief op groente en fruit is een dergelijke wettelijke verankering niet mogelijk waardoor ondergraving door toepassing van het neutraliteitsbeginsel nog eerder aan de orde is.
Indien sprake is van een niet juridisch-houdbare definitie levert dit niet alleen problemen op voor de Belastingdienst. Een btw-nultarief voor groente en fruit vraagt om een wettelijk onderscheid tussen groente en fruit enerzijds en andere voedingsmiddelen anderzijds. Voor andere voedingsmiddelen dan groente en fruit geldt het verlaagde btw-tarief van 9%. Het Unierechtelijke neutraliteitsbeginsel in de btw brengt mee dat op goederen en diensten die in de ogen van de «modale consument» met elkaar concurreren hetzelfde btw-tarief moet worden toegepast. Verschillen in btw-tarieven mogen, met andere woorden, geen concurrentieverstoring teweegbrengen. Als niet onder het nultarief vallende producten door de modale consument potentieel als vergelijkbaar worden gezien met producten die als groente en fruit zijn aangemerkt, kunnen verkopers van die producten ervoor kiezen om een juridische procedure te starten. Als de rechter ze gelijk geeft, zal dan op de door hen verkochte producten ook het nultarief kunnen worden toegepast. Deze producten concurreren op hun beurt weer met andere producten, die dan ook weer onder het nultarief zouden kunnen gaan vallen. Deze procedures zijn niet eenmalig, maar zullen zich blijven voortzetten omdat door elke procedure de afbakening van «groente en fruit» verandert. Dit levert rechtsonzekerheid op voor ondernemers. Er ontstaat dan bovendien olievlekwerking, waardoor er steeds meer ongezonde producten onder het btw-nultarief gaan vallen, waardoor het doel van het nultarief steeds meer verloren gaat, de maatregel ondoelmatiger wordt en de kosten van de maatregel steeds verder oplopen.
Verder verwacht de Belastingdienst juridische procedures over de toepassing van de zogeheten «eenheid-van-prestatie-leer». Deze leer bepaalt welk btw-tarief van toepassing is wanneer groente en fruit worden gecombineerd met andere prestaties (zoals toevoegingen aan groenten en fruit en samenstellingen van groente en fruit met andere voedingsmiddelen).
De bereidheid bij belastingplichtigen om te procederen wordt versterkt door het directe financiële voordeel dat zij bij een gewonnen procedure behalen. De door de consument betaalde btw hoeven zij dan niet af te dragen (of krijgen zij terug van de Belastingdienst) en is direct winst, omdat er geen plicht is om dit voordeel aan de consument door te geven. Dit voordeel is met name aanzienlijk bij grootwinkelbedrijven en loopt op met het verstrijken van de tijd. Procederen is in feite een loterij zonder nieten, omdat bij verlies geen extra heffing plaatsvindt en de consument de btw al heeft betaald.
Klopt het dat het afschaffen van de btw op groenten en fruit, afhankelijk van de vormgeving en afbakening waar de Minister-President aan refereerde, tussen de 550 en 950 miljoen euro kost? Welke dekkingsopties hebt u hierbij in gedachten?
Ja, dat klopt. Besluitvorming over eventuele invoering van deze maatregel en/of alternatieve gezondheidsmaatregelen, alsmede de dekking daarvoor, is aan een volgend kabinet.
Is het nog steeds mogelijk om de btw op groenten en fruit per 1 januari 2024 af te schaffen?
De Belastingdienst is ICT-technisch in staat om het btw-nultarief in te voeren, maar gelet op het feit dat afbakeningen juridisch onhoudbaar zijn is invoering per 1 januari 2024 niet verstandig voor zowel de handhaving als het bedrijfsleven. Besluitvorming door het demissionaire kabinet lijkt bovendien niet realistisch, gezien de datum van de verkiezingen.
Het rapport 'State of play of academic freedom in the EU Member. States Overview of de facto trends and developments' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het rapport van het Europees parlement «State of play of academic freedom in the EU Member. States Overview of de facto trends and developments»?1
Ja.
Hoe bent u van plan om de aanbevelingen uit het rapport uit te voeren?
Er is nader onderzoek nodig om de aanbeveling van het rapport van het Europese parlement goed te kunnen opvolgen. Ik zal bijvoorbeeld in gesprek gaan de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en De Jonge Akademie (DJA) om de conclusies van het rapport wat betreft hiërarchische besluitvorming beter te kunnen beoordelen. Daarnaast wordt een aantal van de vraagstukken in het rapport meegenomen in het lopende onderzoek over zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek en hoger onderwijs.2 In mijn brief aan uw Kamer verstuurd op 17 april 2023 ga ik verder in op de acties die ik zal ondernemen.
Op welke wijze kan gekomen worden tot een heldere definitie van het begrip «academische vrijheid»?
Ik wacht graag de resultaten af van het lopende onderzoek naar zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek en hoger onderwijs voor ik een uitspraak doe over de noodzaak van het aanscherpen van het begrip «academische vrijheid» in de Nederlandse context. Tot die tijd sluit ik mij aan bij de definitie van het begrip «academische vrijheid» opgesteld in het KNAW rapport Academische Vrijheid in Nederland.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de onderzoekers dat met de intreding van de wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie in 1997 de democratische medebeslissingsraden, bestaande uit academici, studenten en administratief personeel vervangen zijn door de medezeggenschapraden en dat dit heeft geleid tot een meer hiërarchische, uitvoerende bestuurspraktijk in de Nederlandse universiteiten?
Ik heb onvoldoende beeld of er een causaal verband is tussen de intreding van de wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie en de ontwikkeling van een hiërarchische, uitvoerende bestuurspraktijk die de academische vrijheid belemmert. Ik zal hierover in gesprek gaan met betrokkenen zoals de KNAW en DJA. Daarnaast neem ik deze zorg mee in het onderzoek dat loopt naar aanleiding van de motie van der Woude c.s.3 over zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek mogelijk inzichten bieden op dit onderwerp. Dit licht ik verder toe in mijn reactie op het Academische Vrijheid rapport van het Europees parlement, verzonden aan uw Kamer 17 april 2023.
Bent u het eens met de onderzoekers dat het sterk hiërarchisch karakter van het bestuur een direct gevaar vormt voor het zelfbestuur van Nederlandse universiteiten? Zo ja, hoe wilt u dit voorkomen? Zo nee, waarom niet?
De governance van de universiteiten kent decanen als (mee-)bestuurders, en bij wet verankerde medezeggenschapsorganen op verschillende niveaus van de organisatie, met instemmings- en adviesrechten op de hoofdlijnen van strategie en begroting. Voor goed functionerend en kwalitatief hoogwaardig hoger onderwijs is het noodzakelijk dat de driehoek van zeggenschap, toezicht en medezeggenschap in balans is. Ik heb onvoldoende beeld of dit ook daadwerkelijk zo ervaren wordt, dus zal hierover in gesprek gaan met betrokkenen zoals de KNAW en DJA. Ik maak mij wel zorgen over de participatiegraad in deze organen. Hierom ben ik, in samenwerking met sector- en medezeggenschapsorganisaties, een campagne gestart om de opkomst bij medezeggenschapsverkiezingen te vergroten.
Hoe beoordeelt u de constatering dat er sprake is van politieke sturing van onderzoek en tot op zekere hoogte van opleidingsprogramma door middel van publieke financiering en dat dit een potentiële bedreiging vormt voor institutionele autonomie, en daarmee indirect ook aan academische vrijheid onder druk zet?
De colleges van bestuur van de universiteiten zijn verantwoordelijk voor het borgen van de onafhankelijkheid van de wetenschap en de academische vrijheid4. Het bestuur van de universiteit staat onder toezicht van een onafhankelijke raad van toezicht5. De kwaliteit van het onderzoek en het onderwijs wordt op basis van artikel 1.18 van de WHW door onafhankelijke deskundigen beoordeeld6. De examencommissies zijn onafhankelijk gepositioneerd7. Daarnaast staan in de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit normen voor onderzoekers en zorgplichten voor instellingen. Bovendien vindt het grootste deel van de publieke financiering van onderzoek en onderwijs vindt plaats door middel van zogenoemde lumpsum-financiering. Hieraan worden door de overheid geen specifieke voorwaarden verbonden en daarmee is de mogelijkheid van politieke sturing (bijvoorbeeld in de zin van ideologische beïnvloeding) minimaal. NWO financiert ook een groot deel van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland (via de zogeheten tweede geldstroom). Zij is een zelfstandig bestuursorgaan en ik zie geen sprake van ongewenste sturing die academische vrijheid onder druk zet.
Ten aanzien van het onderwijs gelden als belangrijke bekostigingsvoorwaarden dat de opleidingen van kwaliteit zijn (de onafhankelijkheid van die beoordeling is geborgd via de accreditatie), dat de opleidingen toegankelijk zijn en dat het opleidingsaanbod op macroniveau bezien doelmatig is (onder andere met het oog op de arbeidsmarktvraag). Ik acht het van belang dat de overheid kan sturen op het starten van nieuwe opleidingen via het macrodoelmatigheidsbeleid en beschouw dit niet als een ongewenste vorm van sturing die de academische vrijheid onder druk zet. Een begrenzing van de autonomie van instellingen betekent overigens ook niet per definitie een beperking van de academische vrijheid.
Hoe bekijkt u de conclusies over de publieke financiering in relatie tot de ongewenste beïnvloeding door externe financiering, waaronder Europese subsidieprogramma’s en bedrijven?2
De colleges van bestuur van de universiteiten zijn verantwoordelijk voor het borgen van de onafhankelijkheid van de wetenschap en de academische vrijheid, onafhankelijk van de financieringsbron. De samenwerking tussen onderzoekers en het bedrijfsleven, de overheid en andere organisaties vind ik belangrijk. Samenwerking zorgt ervoor dat wetenschappelijk onderwijs en onderzoek goed aansluiten bij maatschappelijke uitdagingen en dat innovatie wordt gestimuleerd. Hierbij is het wel van belangrijk dat universiteiten informatie over externe financiering van leerstoelen actueel, volledig en publiek toegankelijk hebben. Daarmee kan voorkomen worden dat het vertrouwen in de wetenschap wordt geschaad.
Geeft de constatering dat de reeks aan tijdelijke contracten, specifiek bij jonge wetenschappers, de academische vrijheid schaadt u voldoende aanleiding om concrete en scherpere voorwaarden te verbinden aan de bekostiging? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het zorgelijk te lezen dat de reeksen tijdelijke contracten en de zogeheten «draaideurconstructies» onder jonge wetenschappers een risico vormen voor de academische vrijheid. Academische vrijheid moet te allen tijde geborgd worden. De kabinetsinzet is om draaideurconstructies te voorkomen. Om deze constructies te voorkomen is de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voornemens de regelgeving rondom tijdelijke contracten aanscherpen. Daarnaast is het van belang om in te zetten op stevige structurele financiering van de wetenschap en stimulering van vaste contracten. Dat doe ik met de sectorplannen en starters- en stimuleringsbeurzen. Ook investeer ik de komende tien jaar jaarlijks € 60 miljoen extra in de open competitie. Met deze ophoging van de open competitie zet ik in op een versteviging van het ongebonden onderzoek.
Heeft u in kaart wat het effect is van bedreigingen van wetenschappers op sociale media op de academische vrijheid?
Het is belangrijk om een beter beeld te krijgen van het effect van bedreigingen van wetenschappers op sociale media op de academische vrijheid. Er loopt nu een onderzoekstraject in samenwerking met UNESCO om de korte en lange termijn effecten van bedreigingen van wetenschappers via sociale media beter in kaart te brengen. Hierover zal rondom de zomer een internationale expertbijeenkomst plaatsvinden. De resultaten van deze bijeenkomst en het aansluitende onderzoek zullen te zijner tijd gedeeld worden met uw Kamer. Ook zal het lopende onderzoek over zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek mogelijk inzichten bieden op dit onderwerp. De resultaten van dit onderzoek worden dit najaar verwacht. Deze samenvatting zal ik te zijner tijd delen met uw Kamer.
Geven de conclusies van het rapport van het Europees parlement aanleiding tot nader onderzoek naar de academische vrijheid binnen de Nederlandse hoger onderwijsinstellingen?
Aan de hand van het de resultaten van het lopende onderzoek naar zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek en hoger onderwijs kan worden bepaald of verder onderzoek binnen Nederlandse hoger onderwijsinstellingen nodig is. De resultaten van dit onderzoek worden dit najaar verwacht.
Wat is uw beoordeling van de constatering dat er zorgen zijn over impact van de opkomende «cancel cultuur» op de diversiteit van wetenschappelijke perspectieven? Vindt u deze constatering voldoende onderbouwd door de twee artikelen in de verwijzingen?
De constatering dat «cancel culture» een (negatieve) impact heeft op de diversiteit van wetenschappelijke perspectieven wordt in het rapport onderbouwd aan de hand van drie artikelen, waarvan twee journalistieke stukken. Ik concludeer hieruit dat de effecten van «cancel cultuur» op de academische vrijheid nader onderzoek verdienen. De mogelijke impact van «cancel culture» wordt daarom meegenomen in het lopende onderzoek zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek en hoger onderwijs. De resultaten van dit onderzoek worden dit najaar verwacht.
Bent u van plan om te onderzoeken hoe het staat met de sociale veiligheid binnen hoger onderwijsinstellingen en wat het effect daarvan is op de academische vrijheid? Zo nee, waarom niet?
Er is reeds onderzoek voorhanden als het gaat om de sociale veiligheid binnen hoger onderwijsinstellingen. De uitkomsten hiervan licht ik toe in mijn brief die ik binnenkort naar uw Kamer stuur. In deze brief licht ik ook toe hoe ik samen met het veld wil werken aan het verbeteren van de sociale veiligheid binnen hoger onderwijsinstellingen. Ik zie vooralsnog geen reden om te onderzoeken in hoeverre een relatie bestaat tussen enerzijds de sociale veiligheid binnen hoger instellingen en anderzijds de academische vrijheid.
Kunt u garanderen dat onderzoekers aan Nederlandse universiteiten het gevoel hebben dat zij zonder angst voor vergelding kritiek kunnen uiten op hun werkgevers, het bestuur en het beleid? Zo nee, welke acties wilt u daartegen ondernemen?
Ik vind het belangrijk dat onderzoekers zonder angst voor vergelding kritiek kunnen uiten op hun werkgevers, het bestuur en het beleid. De resultaten van het lopende onderzoek zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek en hoger onderwijs zullen inzicht bieden in de mate waarin onderzoekers het gevoel hebben dat zij zonder angst voor vergelding kritiek kunnen uiten.
De resultaten van dit onderzoek worden dit najaar verwacht. Afhankelijk van de resultaten kunnen eventuele acties worden bepaald. Deze samenvatting zal ik te zijner tijd delen met uw Kamer.
Het bericht ‘Het geld is op, en dus verliest dit dorp tweederde van zijn bruggen: ‘Alsof we er hier niet toe doen’’ |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht van «Het geld is op, en dus verliest dit dorp tweederde van zijn bruggen: «Alsof we er hier niet toe doen»»1 en zou u op de belangrijkste bevindingen in zowel het nieuwsartikel als de bijbehorende videoreportage willen reageren?
Ja.
Deelt u de analyse dat het verdwijnen van bruggen in Pekela een bredere relevantie heeft dan alleen de vraag of de gemeente het onderhoud aan bruggen kan betalen? Zo ja, zou u op deze bredere relevantie over onder andere leefbaarheid en het verdwijnen van voorzieningen willen reflecteren?
Ja, als er wordt ingezoomd op het gebied, dan is er sprake van een complexe samenhang tussen demografische ontwikkeling, voorzieningenniveau, sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Een van de opgaven in het landelijk gebied is de maatschappelijke voorzieningen in stand te houden voor de inwoners, inclusief de bereikbaarheid daarvan.
Zou u in kaart willen brengen welke mogelijkheden er zijn voor het Rijk om Pekela te helpen bij de financiering van het onderhoud van deze bruggen?
Het vaarwegennet in Nederland is verdeeld in Rijksvaarwegen, provinciale vaarwegen en gemeentelijke vaarwegen. Het beheer en onderhoud hiervan is bij de betreffende overheden ondergebracht waarvoor zij dan ook een eigen verantwoordelijkheid hebben. Het Pekelerhoofddiep valt onder de gemeente en daar heeft Rijkswaterstaat of het Ministerie van IenW geen rol bij. Het kanaal is opgenomen in het recreatieve toervaartnet dat is vastgesteld in de omgevingsverordening van de provincie Groningen. De problematiek van te weinig onderhoudsbudget en achterstanden in onderhoud, waar de gemeente mee worstelt, is herkenbaar. Daar worstelt IenW ook mee. Daar is de gemeente Pekela niet mee geholpen, maar los van de verantwoordelijkheidsverdeling is er ook geen financiële mogelijkheid om bij te springen vanuit het Mobiliteitsfonds. Mogelijk kan het nieuwe verdeelmodel voor het Gemeentefonds hiervoor een uitkomst bieden.
Zou u willen reflecteren op het in eerdergenoemd nieuwsbericht beschreven gevoel van mensen dat zij niet gehoord worden en er zelfs niet toe doen, en dat in verband willen brengen met beslissingen over infrastructuur, het gepresenteerde rapport «Elke regio telt! Een nieuwe aanpak van verschillen tussen regio's» van De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving en de Raad voor het Openbaar bestuur2, evenals het plan «Voor Heel Nederland» van de CDA-fractie3?
Het kabinet komt met een reactie op de aanbevelingen van het rapport van RLI, ROB en RVS, «Elke regio telt!». Het recht op bereikbaarheid gaat niet alleen om het faciliteren van de toegang tot banen, voorzieningen en sociale contacten. Dat bleek ook al uit het PBL-rapport «Toegang voor iedereen» (oktober 2022). Zaken als ruimtelijke ordening en draagvlak voor de voorzieningen spelen een belangrijke rol. Daarom moet het gesprek breder worden gevoerd dan alleen over mobiliteit en infrastructuur en moet er aandacht zijn voor regionale verschillen. Deze grondgedachte is in de Hoofdlijnennotitie Mobiliteitsvisie 2050 opgenomen en wordt verder uitgewerkt in gesprek met andere departementen en medeoverheden.
Deelt u de opvatting, zoals in eerdergenoemd nieuwsbericht beschreven, dat het Rijk een morele plicht heeft om Pekela te helpen de weg omhoog te vinden? Ziet u een vergelijkbare morele plicht richting meer gemeenten in ons land en deelt u de opvatting dat het hier zou moeten gaan om structurele aandacht en betrokkenheid?
Het Rijk draagt bij aan de financiering van de gemeentelijke taken via het Gemeentefonds. De fondsbeheerder zijn de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en de Staatssecretaris van Financiën. Zij bestuderen elk jaar hoe de verdeling van het Gemeentefonds zich verhoudt tot de manier waarop de kosten van gemeenten zich ontwikkelen. Gemeenten bepalen zelf waar ze dit geld aan besteden. Dat zijn lastige keuzes als niet alle posten kunnen worden gedekt. Met het nieuwe verdeelmodel voor het Gemeentefonds is er meer aandacht voor de weerbaarheid van gemeenten met een beperkte financiële draagkracht. Het is niet de bedoeling dat de middelen fors achterblijven bij de ontwikkeling van de uitgaven en dat juist de kleine gemeenten die veel financiële problematiek hebben erop achteruitgaan. Dat heeft de aandacht van het kabinet. De Minister van BZK pakt dit samen met de medeoverheden op in het kader van de hele verdeelsystematiek van gelden.
Zou in contact willen treden met zowel de provincie als de actiegroep Bruggen Belang Pekela over de mogelijkheden om als Rijk bij te dragen aan een oplossing voor de financiering van het onderhoud aan bruggen?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 3, valt het Pekelerhoofddiep onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Los van de verantwoordelijkheidsverdeling, heeft het ministerie ook geen financiële mogelijkheid om bij te springen.
Deelt u de opvatting dat de rijksoverheid definitief afscheid moet nemen van de kosten-baten analyse als besluitvormingsinstrument? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit afscheid vormgeven?
In het Tweeminutendebat Verkeersveiligheid en Wegen van 13 april 2023 is de motie van de leden Krul en Van der Graaf4 aangenomen waarmee de Kamer het kabinet oproept om de maatschappelijke kosten-batenanalyse niet meer als enige besluitvormingsinstrument te gebruiken in het infrastructuurbeleid. De MKBA kent beperkingen, maar het blijft een nuttig instrument om objectief in te schatten wat de effecten en projectalternatieven behelzen. De MKBA levert beslisinformatie, maar is op zichzelf niet doorslaggevend en onderdeel van een bredere afweging in het kader van het MIRT. De motie wordt meegenomen in de herziening van de Werkwijzer MKBA die dit jaar wordt uitgevoerd.
De zorgen van honderden techprominenten over de ontwikkelingen op het gebied van kunstmatige intelligentie |
|
Renske Leijten |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
Herkent en erkent u de kritiek van honderden techprominenten dat er onvoldoende oog is voor de mogelijke maatschappelijke ontwrichtende effecten die kunstmatige intelligentie toepassingen met zich mee brengen? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?1
Het is uiteraard belangrijk dat er aandacht is voor de impact die de inzet van (krachtige) AI-systemen op onze samenleving kan hebben. Het afgelopen half jaar heeft de aandacht voor met name generatieve AI-systemen daarbij een enorme vlucht genomen.
Enerzijds maakt het karakter van deze technologie het mogelijk om als zeer geavanceerd hulpmiddel taken uit handen te nemen of te vergemakkelijken en bij te dragen aan maatschappelijke opgaven, anderzijds heeft het de potentie om bij te dragen aan desinformatie of manipulatie. Deze ongewenste, en in sommige gevallen potentieel ontwrichtende, effecten zijn zorgwekkend. Het tempo waarin deze technologie zich ontwikkelt brengt daarnaast onzekerheden met zich mee en daarbij bestaan er nog vraagtekens.
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) schrijft in haar rapport «opgave AI» dat effecten van (nieuwe) AI op publieke waarden niet vooraf te voorspellen zijn.2 Het is daarom belangrijk dat er in de maatschappij een continu debat gevoerd wordt en dat de overheid structureel signalen uit de samenleving ophaalt en uitgaat van een lerende aanpak. Momenteel wordt er daarom gewerkt aan het ontwikkelen van een visie op generatieve AI, naar aanleiding van een motie van de leden Dekker-Abdulaziz en Rajkowski.3 Ik informeer uw Kamer nog voor de zomer over de vorderingen. Deze visie zal open tot stand komen en zullen burgers, bedrijven en overheden actief worden gevraagd om bij te dragen aan dit traject.
Tegelijkertijd zet het kabinet zich in om de reeds bekende risico’s van AI te adresseren, in de eerste plaats via regulering. Naast al bestaande voor AI relevante wet- en regelgeving (zoals de AVG en de Grondwet) richt de Europese AI-verordening – die op dit moment nog in onderhandeling is – zich specifiek op een aanscherping van het reguleren van AI-systemen in de Europese Unie. De AI-verordening is productwetgeving, opdat AI systemen pas op de markt komen als aan de eisen van de verordening is voldaan. In de concept AI-verordening4 zijn AI-systemen onderverdeeld in verschillende categorieën. Afhankelijk van de categorie waarin een AI-systeem valt, gelden zwaardere of minder zware eisen. Het merendeel van de eisen geldt voor AI-systemen met hoge risico’s voor gezondheid, veiligheid en mensenrechten.
Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten op het stimuleren van mensgerichte AI. Dit gebeurt onder andere door te investeren in de ontwikkeling van oplossingen voor verantwoorde en veilige AI via onder meer de ELSA-labs5 en het ROBUST-programma.6 Naast het weren van negatieve AI-toepassingen, moeten we positieve AI-toepassingen blijven omarmen.
Bent u het eens met de stelling dat de maatschappelijke vraagstukken die voortkomen uit de toepassing van kunstmatige intelligentie niet bepaald moeten worden door techbedrijven maar een maatschappelijk en politiek debat verdienen? Vindt u dit maatschappelijke en politieke debat tot op heden voldoende gevoerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ja, ik kan mij vinden in de stelling dat maatschappelijke vraagstukken die voortkomen uit AI-toepassingen een brede maatschappelijke dialoog verdienen. Daarbij onderstreep ik dat het debat zowel maatschappelijk als politiek hierover momenteel op veel verschillende manieren wordt gevoerd.
Door de recente ontwikkelingen op het gebied van AI is de aandacht voor AI in het publieke debat sterk toegenomen. Dit is bijvoorbeeld merkbaar aan de grote (social) media-aandacht voor het onderwerp. Het maatschappelijk debat over de impact van AI op onze samenleving wordt echter al langere tijd gevoerd. Hierbij is aandacht voor zowel de enorme kansen die met een technologie als AI gemoeid gaan, alsook de risico’s. Zo is er afgelopen jaren veel aandacht geweest voor onderwerpen als transparantie, bias en het belang van menselijk toezicht op AI. Deze signalen zijn actief meegenomen in het nationale AI-beleid.
Om zicht te houden op nieuwe maatschappelijke vraagstukken en risico’s van AI is het van groot belang het gesprek hierover met verschillende partijen te blijven voeren. Deze maatschappelijke dialoog staat ook centraal bij het in 2023 komen tot een (kabinets)visie op generatieve AI, waarbij een stevig maatschappelijk debat over de maatschappelijke impact van (generatieve) AI met burgers, overheden en bedrijven zal worden gevoerd en als belangrijke input fungeert.
Hier ligt ook een brede en gedeelde verantwoordelijkheid, ook bij aanbieders en gebruikers van AI, wetenschappers, onderwijsinstellingen, burgers en overheden. En daar zet het kabinet zich vol voor in, bijvoorbeeld via de Nederlandse AI Coalitie. Via dit publiek-private samenwerkingsverband werken overheid, bedrijfsleven, onderwijs- en onderzoeksinstellingen en maatschappelijke organisaties in gezamenlijkheid aan maatschappelijk verantwoorde AI-toepassingen.
Daarnaast is de (aankomende) AI-verordening een directe reactie op de in de maatschappij gesignaleerde risico’s. De Europese Unie pakt met deze verordening de regie rondom de maatschappelijke vraagstukken rondom AI. Dit geldt ook voor een aantal andere Europese wetten, zoals de Digital Markets Act en de Digital Services Act. Bedrijven mogen alleen (digitale) producten en diensten leveren op de Europese markt als deze veilig zijn en mensenrechten respecteren.
Kunt u de concrete uitwerking van het waardenkader sturen, naar aanleiding van aangenomen motie Leijten en Ceder? Zo nee, wanneer kan de Kamer deze concrete uitwerking verwachten?2
Met uw Kamer deel ik de behoefte aan één duidelijk waardenkader dat toegepast kan worden in digitalisering in alle sectoren. Tegelijkertijd constateer ik dat er al meerdere waardenkaders zijn die tegelijkertijd gelden. Zo zijn de waarden die wij als maatschappij van fundamenteel belang achten vastgelegd in de Grondwet. Hierbij valt te denken aan non-discriminatie, privacy en vrijheid van meningsuiting. De bescherming van deze waarden is uitgewerkt in wetgeving. De AVG ziet bijvoorbeeld toe op de bescherming van persoonsgegevens. Op basis van deze wet- en regelgeving zijn er diverse handreikingen opgesteld om organisaties te helpen deze waarden ook in de praktijk te beschermen. Voorbeeld hiervan zijn de Impact Assessment Mensenrechten Algoritmen (IAMA),8 de handreiking non-discriminatie by design en de Code Goed Digitaal Openbaar Bestuur (CODIO)9.
Welke publieke waarden een rol spelen in concrete situaties is (mede) afhankelijk van de sector en het specifieke geval. Zo is de hierboven genoemde CODIO voor digitalisering in het openbaar bestuur opgebouwd als een bouwwerk dat bestaat uit drie fundamenten: (1) democratie, (2) rechtstaat en (3) bestuurskracht; zes principes: (1) participatie, (2) maatschappelijke waarde, (3) mensenrechten, (4) procedurele rechtvaardigheid, (5) bestuurskwaliteit en (6) verantwoordelijkheid; en 30 specifieke waarden. De code biedt een rijkheid aan waarden maar ook drie heldere ankerpunten: democratie, rechtstaat en bestuurskracht. De vraag die in het openbaar bestuur wordt gesteld ziet minder op een aanvullend waardenkader dan op handreiking bij de toepassing van alle bestaande kaders. Daarom ontwikkel ik bijvoorbeeld een implementatiekader «verantwoorde inzet van algoritmes» met daarin alle verplichte en aanbevolen onderdelen waarmee rekening moet worden gehouden bij het ontwikkelen en inzetten van algoritmes.
Tegelijkertijd heb ook ik de behoefte om de bestaande waardenkaders in samenhang te beschouwen en te verbinden. In de brief over het implementatiekader, die u nog voor de zomer van mij ontvangt, zal ik aangeven hoe we daartoe willen komen.
Kunt u zich vinden in de oproep van de techprominenten om een pauze in te lassen met betrekking tot het gebruik van vergaande kunstmatige intelligentie en kunt u in uw antwoord betrekken hoe zich dit verhoudt tot het normenkader dat moet worden opgesteld door de Autoriteit Persoonsgegevens en dat nog niet ontwikkeld is?
Ik herken zorgen die genoemd worden in de oproep van techprominenten en het is goed dat zij daarvoor aandacht vragen.
De oproep richt zich echter in grote mate op toekomstige ontwikkelingen, terwijl we nu al impact zien van generatieve AI. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om desinformatie en gevolgen voor het onderwijs. Deze gevolgen worden niet opgelost met een pauze. Het is daarom van belang om ook nu al actie te nemen.
Op de korte termijn werkt het kabinet aan adresseren van die gevolgen.10 Het kabinet werkt ook aan een integrale visie op generatieve AI naar aanleiding van een motie11 van uw Kamer.
Daarnaast is de oproep een steun in de rug voor de Nederlandse en Europese aanpak om tot mensgerichte AI te komen. Zoals in antwoord 1 beschreven, investeren we in het veiliger kunnen maken van AI-systemen en stellen gaan we via de AI-verordening eisen stellen om deze veiligheid te waarborgen.
In Nederland werken we ook aan het versterken van toezicht op algoritmes en AI. Diverse toezichthouders hebben met AI en algoritmes te maken. De DCA bij de AP richt zich vanaf januari 2023, conform de doelen in de inrichtingsnota algoritmetoezichthouder, op het komen tot gezamenlijke en sectoroverstijgende normuitleg.12 Bijvoorbeeld over transparantieverplichtingen in wet- en regelgeving. Ook faciliteert de AP het gezamenlijk uitleggen van juridische normen en kaders op het gebied van algoritmes en AI. Dit moet bijdragen aan het scheppen van duidelijkheid aan ondertoezichtgestelden – bijvoorbeeld bedrijven of overheden – over hoe en aan welke normen zij moeten voldoen als het gaat om de (verantwoorde) inzet van AI. Naast deze inspanningen van de DCA zal het kabinet het toezicht op basis van de AI verordening vormgeven zodra deze definitief tot stand is gekomen. Bij de voorbereiding, die nu al loopt zijn diverse toezichthouders betrokken.
Kunt u aangeven welke adviescolleges, instanties of andere gremia de overheid en bestuurders adviseren over de ethische aspecten van het gebruik van kunstmatige intelligentie en nieuwe digitale toepassingen?
Bij de ontwikkeling en het gebruik van AI en nieuwe digitale toepassingen wint de overheid advies in over de ethische aspecten van een breed scala aan organisaties, bedrijven en personen, waaronder de wetenschap en het maatschappelijk middenveld. Recente voorbeelden daarvan zijn onderzoeken van het Rathenau Instituut en de WRR. Deze organisaties worden ook betrokken bij het opstellen van de kabinetsvisie op generatieve AI.
Onderdelen van de rijksoverheid en andere (mede-)overheden hebben daarnaast ook zelf adviesorganen voor de ethische aspecten van het gebruik van AI en digitale toepassingen. Voorbeelden daarvan zijn de Commissie Data Ethiek van het UWV en de Adviescommissie Analytics bij het Ministerie van Financiën en ethische commissies bij gemeenten en provincies.
De problemen bij het afschaffen van btw op groente en fruit |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Kuipers , Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Afschaffing btw op groente en fruit dreigt te sneuvelen1»?
Ja.
Kunt u de voorspelde kosten, tussen de 550 en 950 miljoen euro, voor het afschaffen van de btw op groente en fruit gespecificeerd inzichtelijk maken? Kunnen deze kosten niet gecompenseerd worden door te snijden in andere overheidsuitgaven, die niet ten goede komen aan de verbetering van de volksgezondheid en het verminderen van de sociale ongelijkheid?
Er heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden over het al dan niet invoeren van een btw-nultarief op groente en fruit en/of alternatieve gezondheidsmaatregelen. Besluitvorming hierover, en over de bekostiging, is aan een volgend kabinet.
De kosten voor het eventueel afschaffen van de btw op groente en fruit zijn afhankelijk van de variant die gekozen wordt. Onderstaande tabel toont voor de door SEO onderzochte varianten een inschatting van de budgettaire kosten.
Variant Budgettaire impact (miljoen)
Variant 1 (beste aansluiting bij Schijf van Vijf) 600–650
Variant 2 (onbewerkte groente en fruit in Schijf van Vijf zonder toevoegingen) 550–600
Variant 3 (onbewerkte groente en fruit in de Schijf van Vijf, geen restricties op toevoegingen) 550–600
Variant 4 (groente en fruit in originele vorm en in de Schijf van Vijf) 500–550
Variant 5 (hoofdstuk 7 en 8 uit GN) 650–700
Variant 6 (hoofdstuk 7, 8 en 20 uit GN) 900–950
Waarom is het zo’n ontzettend ingewikkeld probleem om te definiëren wat valt onder de noemer «groente en fruit»? Vindt u het niet volstrekt absurd dat de Nederlandse overheid de regulering van beleid en bestuur dusdanig ver heeft doorgevoerd dat er hele onderzoeksrapporten gewijd moeten worden aan de vraag wat groente en fruit is, hoe het «neutraliteitsprincipe» daarop van toepassing is en of daaraan allerlei verregaande criteria, zoals de bereidingswijze, of het «maatschappelijk spraakgebruik» ten grondslag zouden moeten liggen
Een btw-nultarief voor groente en fruit vereist een duidelijk wettelijk en houdbaar onderscheid tussen groente en fruit enerzijds en andere voedingsmiddelen die belast zijn tegen het verlaagde btw-tarief van 9% anderzijds. Dit is van belang om te voorkomen dat steeds meer (ongezonde) voedingsmiddelen onder het nultarief gaan vallen. Als ook ongezonde producten onder het nultarief kunnen vallen zal het beoogde gezondheidseffect afnemen. Overheidsmiddelen worden dan ondoelmatig en ondoeltreffend besteed.
Het externe onderzoek heeft dan ook niet zozeer betrekking op de vraag wat «groente» en «fruit» is. Voor de begrippen «groente» en «fruit» bestaan diverse tuinbouwkundige, plantkundige, culinaire en culturele interpretaties. Het onderzoek is met name gericht op het in kaart brengen van wat een juridisch houdbaar onderscheid zou kunnen zijn tussen producten die wel en niet bij de gezondheidsdoelstellingen van de maatregel passen. Bij deze juridische houdbaarheid speelt met name het Unierechtelijk neutraliteitsbeginsel een rol. Uiteraard zijn daarnaast ook de effectiviteit (leidt een btw-verlaging daadwerkelijk tot een prijsverlaging en zo ja, leidt deze dan tot een toename in de consumptie van groente en fruit), uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en het budgettaire beslag van de maatregel van groot belang.
Om tot zorgvuldige besluitvorming te komen heeft het kabinet er dan ook voor gekozen om niet één afbakeningsvariant in kaart te brengen maar een aantal en die op de genoemde aspecten te beoordelen.
Waarom spelen de belangen van producenten en de vrees voor «juridisch getouwtrek» zo’n grote rol? Vindt u niet dat de politiek leidend zou moeten zijn in de besluitvorming over een dergelijke beleidsbepaling en dat de angst voor rechtszaken van commerciële partijen daarin geen rol zou moeten spelen?
Een niet-juridisch houdbare maatregel vergroot het risico op onbedoelde verruiming van de reikwijdte van de maatregel, doordat steeds meer ongezonde voedingsmiddelen onder het btw-nultarief kunnen gaan vallen. Dit doet af aan de doeltreffendheid en doelmatigheid van de maatregel, heeft tot gevolg dat het budgettaire beslag van de maatregel steeds verder toeneemt en zorgt voor rechtsonzekerheid bij ondernemers. Dit laatste heeft mede tot gevolg dat ondernemers procedures kunnen starten over het neutraliteitsbeginsel. Deze procedures zijn naar verwachting niet eenmalig, maar zullen zich blijven voortzetten omdat door elke procedure de afbakening van «groente en fruit» verandert. De bereidheid bij belastingplichtigen om te procederen wordt versterkt door het directe financiële voordeel dat zij bij een gewonnen procedure behalen. Dit zorgt voor sterk verhoogde uitvoeringslasten voor de Belastingdienst en belast de rechterlijke macht. De juridische houdbaarheid van deze maatregel heeft dus brede gevolgen en gaat niet alleen over het belang van commerciële partijen. Daarom is het een belangrijk aspect om in kaart te brengen ten behoeve van de besluitvorming.
Bent u niet van mening dat het heffen van btw op primaire voedingsmiddelen zoals groente en fruit überhaupt vreemd is?
De Europese BTW-richtlijn 2006 heeft als uitgangspunt dat alle goederen en diensten in de heffing worden betrokken. (Super)verlaagde btw-tarieven en vrijstellingen worden beperkt toegepast omdat ze het systeem complexer maken en (daarmee) verstorend werken. Voor bepaalde primaire levensbehoeften als voedingsmiddelen wordt sinds jaar en dag het verlaagde btw-tarief (op dit moment 9%) toegepast.
Kunt u de conclusie uit het onderzoeksrapport2 dat het afschaffen van btw op groente en fruit slechts een «beperkt effect» heeft op de eetgewoonten van mensen rijmen met het feit dat meermaals is aangetoond dat de leefstijl binnen bevolkingsgroepen met lagere inkomens slechter is, omdat gezond eten voor deze populatie vaak te duur is en dat dit grote gevolgen heeft voor de gezondheid van deze mensen en daarmee samenhangend met de sociale en economische positie van deze groepen in de samenleving? Vindt u dit niet contrasterend?
Nee, beide conclusies kunnen tegelijkertijd juist zijn: dat gezond eten relatief duurder is, maar dat het geschatte effect van een btw-nultarief op groente en fruit een gemiddelde toename van 4% aan groente- en fruitconsumptie is. Volgens SEO zal de impact beperkt zijn omdat de vraag naar groente en fruit relatief ongevoelig is voor prijsveranderingen en omdat doorvertaling naar lagere prijzen niet gegarandeerd is. Daarbij komt dat de maatregel ongericht is voor ondersteuning van de lagere inkomensgroepen omdat, aangenomen dat een btw-verlaging wordt doorberekend in de prijs, iedereen van een verlaging profiteert, dus ook de hogere inkomens die relatief meer fruit eten. Als je specifiek lagere inkomensgroepen wilt ondersteunen moet worden nagedacht over een meer gerichte maatregel.
Overigens is prijs niet de enige factor die aankoopgedrag bepaalt. Ook in welke mate mensen als gewoonte hebben groente en fruit te kopen, bereiden en eten speelt bijvoorbeeld een rol.
Denkt u niet dat het beperkte effect dat het afschaffen van de btw op groente en fruit misschien heeft op de korte termijn, naar alle waarschijnlijkheid steeds groter wordt op de langere termijn, aangezien het niet alleen gaat om bestedingspatronen en financiële keuzes van mensen, maar vooral ook om een cultuuromslag in het leef- en eetpatroon, die tijd nodig heeft?
Nee, uit het onderzoek blijkt dat een juridisch houdbare afbakening niet mogelijk is en naar verwachting zal de categorie producten waar het btw-nultarief voor geldt steeds verder uitbreiden. Mogelijkerwijs zal het nultarief dan ook gelden voor producten die niet vallen onder de Schijf van Vijf. Bovendien is het, ook gezien de beantwoording op vraag 6, de vraag of het effect van een btw-verlaging sterk genoeg is om – ook door het kabinet – een gewenste cultuuromslag tot stand te brengen.
Denkt u niet dat de positieve gevolgen van zo’n cultuuromslag, bijvoorbeeld doordat volgende generaties opgroeien met gezondere voeding omdat hun ouders gaandeweg «geleerd» hebben dat dit voor hen financieel beschikbaar is en gezondheidswinst oplevert, op de langere termijn dusdanig positieve gevolgen heeft voor de algemene volksgezondheid, dat het effect van deze maatregelen steeds groter wordt en de kosten die voor de initiële afschaffing van de btw gemaakt zullen moeten worden, ruimschoots zullen worden terugverdiend, onder andere door een vermindering van de zorgkosten door mensen met obesitas, diabetes, kanker en andere leefstijlgerelateerde aandoeningen?
Nee, verwezen wordt naar het antwoord op vraag 7.
Kunt u, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, een schatting doen van de gezondheidswinst op de langere termijn die de in het onderzoek genoemde initiële vier procent stijging van groente en fruit zal opleveren? Hoeveel kinderen groeien hierdoor gezonder op? Hoeveel ziektelast en zorgkosten voor de maatschappij zal dit schelen? Indien u hiervan geen analyse kunt maken, bent u dan bereid om dit in kaart te gaan brengen?
Een schatting van de gezondheidswinst op langere termijn is niet onderzocht. Wel constateert SEO dat de gezondheidseffecten onder meer kunnen verwateren als de afbakening niet juridisch houdbaar is en als daardoor steeds meer producten aan de afbakening worden toegevoegd. Het is aan een volgend kabinet om besluiten te nemen over nadere vervolgacties omtrent het btw-nultarief op groente en fruit. In het verleden is echter wel reeds in het kader van de Brede Maatschappelijke Heroverweging een berekening gemaakt naar de verwachtte daling in ziektekosten en de verhouding tot de budgettaire derving bij een btw-verlaging van 9% naar 5% op leveringen van groente en fruit.
Wat vindt u ervan dat de uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst inmiddels zorgen voor de frustratie van verschillende beleidsmaatregelen, die kunnen bijdragen aan de financiële, economische en sociaal-maatschappelijke gezondheid van ons land? Hoe lang mag het tekortschieten van deze overheidsinstantie nog een excuus zijn voor het niet doorvoeren van noodzakelijk beleid en het tegenhouden van goed bestuur van ons land?
Er heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden over het al dan niet invoeren van een btw-nultarief op groente en fruit en/of alternatieve gezondheidsmaatregelen. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet. Hierop kan niet vooruit worden gelopen. Dat geldt ook voor wat betreft de reden(en) waarom de maatregel al dan niet wordt genomen. De maatregel is op verzoek van het demissionaire kabinet uitdrukkelijk niet alleen beoordeeld op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, maar ook op diverse andere belangrijke aspecten.
De Belastingdienst heeft zorgen over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de maatregel. Het beeld dat deze zorgen ongegrond zijn, doet het kabinet nadrukkelijk van de hand. De risico’s die de Belastingdienst ziet, hangen samen met de beperkte juridische houdbaarheid van de maatregel.
Overigens heeft hetgeen dat in dit onderzoek naar voren is gekomen over de uitvoerbaarheid geen betrekking op de uitdagingen waarvoor de Belastingdienst zich, met name op ICT-gebied, gesteld ziet. Het uitbreiden van het btw-nultarief naar groente en fruit is ICT-technisch mogelijk, maar stuit op de andere, reeds genoemde, uitvoeringsbezwaren. Die bezwaren hangen samen met de maatregel zelf, niet met de stand van de ICT-voorzieningen van de Belastingdienst.
Bent u het eens met de stelling van het onderzoek dat andere maatregelen, zoals bijvoorbeeld het invoeren van een suikertaks, geschikter zijn voor het ontmoedigen van ongezond eten? Zo ja, denkt u niet dat dergelijke vormen van overheidsbetutteling en dwang en drang juist aversie oproepen bij mensen en bovendien de burger laten opdraaien voor het feit dat de overheid zelf jarenlang heeft verzaakt om goed voor de bevolking en de volksgezondheid te zorgen, door niet eerder in te zetten op leefstijlverbetering, preventie en educatie, met betrekking tot gezond eten en leven?
SEO heeft geconcludeerd dat er alternatieve instrumenten zijn om burgers aan te zetten tot een gezonder voedingspatroon. SEO heeft echter niet onderzocht of deze instrumenten inderdaad effectiever en efficiënter zijn. Het is aan een volgend kabinet om te beoordelen of nader onderzoek naar deze maatregelen nodig is. Het ontmoedigen van ongezond eten en het stimuleren van gezond eten vraagt een pakket aan maatregelen. Met de brief van 9 december jl. heeft het kabinet haar pakket van maatregelen aangekondigd op het gebied van leefstijl, overgewicht en voeding.
Wat heeft het onderzoek naar het afschaffen van de btw op groente en fruit gekost?
Het onderzoek is na aanbesteding door SEO uitgevoerd voor € 110.322 exclusief btw.
Kent u het bericht «Onderhoud Schiphol loopt wéér uit, bewoners nog langer in de herrie»?1
Ja.
Kunt u zich herinneren dat de leden van Raan en Vestering u hierover op 11 november 2022 al bevroegen en specifiek wezen op de te verwachten vertraging vanwege de plannen om asfalt aan te leggen bij temperaturen die dat onmogelijk maken?2
Zie antwoord vraag 1.
Staat u nog altijd achter uw antwoord dat «in de planning rekening is gehouden met de weersomstandigheden in deze periode van het jaar»?
Ja. Schiphol is verantwoordelijk voor de planning en uitvoering van de onderhoudswerkzaamheden op Schiphol. Zoals ook in de beantwoording van deze Kamervragen is benoemd, is er in de planning enige ruimte gereserveerd om eventuele verstoringen door het weer in deze periode vroeg in het jaar, op te vangen en een, mede voor de omgeving gewenste, beheersbare einddatum aan te houden.
De Tijdelijke regeling groot onderhoud banenstelsel Schiphol 2023 geeft vrijstelling van baangebruiksregels en stelt vervangende grenswaarden in de handhavingspunten voor het jaar 2023 vast in verband met onderhoud. Het is niet in het belang van omwonenden om bij het opstellen van een dergelijke regeling op voorhand uit te gaan van een langere doorlooptijd. Dat zou immers een langere vrijstelling en grote aanpassing van de grenswaarden met zich meebrengen.
Staat u nog altijd achter uw antwoord dat «in de planning ruimte is gereserveerd om eventuele kleine verstoringen, die optreden als gevolg van het weer (te lage temperatuur, te nat of te veel wind) op te vangen»?
Zie antwoord vraag 3.
Kent u het bericht van Schiphol «Groot onderhoud Zwanenburgbaan duurt langer vanwege slecht weer»?3
Ja.
Waarom voert Schiphol als argument voor de vertraging aan dat er in week 10 een aantal dagen met nachtvorst waren terwijl dit absoluut niet ongewoon is begin maart?
In de planning van Schiphol zijn een paar dagen opgenomen om eventuele vertragingen in te lopen. Echter, een bovengemiddelde hoeveelheid slecht weer leidde tot een vertraging die niet meer in te lopen was binnen de oorspronkelijke planning.
Waarom wordt überhaupt gewezen naar vorst als reden voor vertraging aangezien in de «Tijdelijke regeling groot onderhoud banenstelsel Schiphol 2023» werd gemeld dat asfalt al niet meer kan worden verwerkt bij een temperatuur onder de 10 graden?
Vorst is aangegeven als voorbeeld, maar naast temperatuur zijn wind en neerslag ook van invloed op de werkzaamheden. Deze invloed is niet voor alle materialen en bewerkingen hetzelfde. Er worden bijvoorbeeld verschillende soorten asfalt verwerkt, die niet allemaal op een gelijke manier beïnvloed worden door weersomstandigheden.
Deelt u de mening dat deze vertraging absoluut te voorzien was? Waarom heeft u niet ingegrepen?
Schiphol is verantwoordelijk voor de planning en uitvoering van de onderhoudswerkzaamheden op Schiphol. In de beantwoording van eerdere Kamervragen4 is toegelicht dat de rol van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat beperkt is tot het verlenen van vrijstellingen van regels in het Luchthavenverkeerbesluit voor het baan- en routegebruik en het vaststellen van vervangende regels en grenswaarden geluid vanwege het afwijkende baangebruik tijdens de onderhoudsperioden. Mede voor het onderhoud aan de Zwanenburgbaan is de «tijdelijke regeling groot onderhoud banenstelsel Schiphol 2023» opgesteld. Met betrekking tot het onderhoud aan de Zwanenburgbaan zijn specifieke vrijstellingen in de regeling opgenomen voor de periode van 2 januari 2023 tot en met 19 april 2023. Schiphol heeft aangegeven geen verlenging van deze regeling aan te vragen als gevolg van de vertraging. Dit betekent dat Schiphol bij de uitloop van het onderhoud zich aan de normaal geldende regels moet houden.
Zoals aangegeven bij de antwoorden op de vragen 3 en 4, houdt Schiphol in de planning van onderhoudswerkzaamheden een redelijke onzekerheidsmarge aan om gemiddelde vertragingen als gevolg van weersomstandigheden (temperatuur, regen en wind) op te vangen. Daarover zijn in de review in 2022 van de werkplanning van het huidige grootbaanonderhoud door een onafhankelijke derde partij, geen onvolkomenheden geconstateerd. Door (combinaties van) verstoringen kan er evenwel toch meer dan gemiddeld vertraging optreden. Het aanhouden van een ruimere marge voor de onderhoudsperiode om met dergelijk extreme omstandigheden rekening te houden, is zoals toegelicht in antwoord op vragen 3 en 4 niet gewenst.
Herinnert u zich dat ook het onderhoud aan de Polderbaan in 2021 weken vertraging opliep, zogenaamd door kou?4
Ik herinner mij het onderhoud aan de Polderbaan en de daarbij opgelopen vertraging.
Wat vind u ervan dat twee Kamerleden de vertraging wel aan zagen komen en de I&W- en Schipholbestuurders, met al hun ondersteuning, niet?
Er is in de planning een onzekerheidsmarge aangehouden om rekening te houden met de impact van jaarlijks voorkomende verstoringen door het weer in de onderhoudsperiode. Kortdurende verstoringen tijdens de onderhoudsperiode kunnen worden opgevangen door werkzaamheden te verplaatsen of te intensiveren. Echter niet alle mogelijke verstoringen die tot (grotere) vertraging kunnen leiden zijn in de planning meegenomen.
Kunt u zich voorstellen dat na zo’n flagrante tekortkoming het beeld blijft hangen dat het bestuur incapabel dan wel kwaadwillig is?
Zie antwoord op vraag 10. Dit beeld wordt niet gedeeld.
Kunt u aangeven waarom u eerder weigerde om de gestelde vragen 5, 6 en 7 te beantwoorden, die inzichtelijk moesten maken hoeveel stikstofneerslag er zou worden veroorzaakt op Natura 2000-gebieden door de 5.400 vrachtwagenbewegingen om asfalt aan te voeren, de 5.600 vrachtwagenbewegingen om bestaand asfalt af te voeren en de overige activiteiten? Kunt u die vragen alsnog beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Van een weigering de gestelde vragen te beantwoorden is geenszins sprake geweest. Zoals in de kamerbrief van 5 december 2022 is aangegeven, was er op 22 november 2022 bij de Minister voor Natuur en Stikstof een handhavingsverzoek ingediend met betrekking tot het aangekondigde groot onderhoud en werd het onwenselijk geacht om bij de beantwoording van de vragen 2 t/m 9 op de uitkomst daarvan vooruit te lopen. Bij kamerbrief van 3 februari 2023 heeft de Minister voor Natuur en Stikstof alsnog een antwoord gegeven op deze vragen, waaronder de vragen 5, 6 en 7.6
In voornoemde brief van 3 februari is aangegeven dat bij de vragen 5 en 6 kennelijk wordt gerefereerd aan de in de Tijdelijke regeling groot onderhoud banenstelsel Schiphol 2023 beschreven onderhoudswerkzaamheden aan de Zwanenburgbaan. Immers, het genoemde aantal vrachtwagenbewegingen heeft blijkens de Tijdelijke regeling groot onderhoud banenstelsel Schiphol 2023 betrekking op het onderhoud van de Zwanenburgbaan. In dezelfde brief is aangegeven dat de onderhoudswerkzaamheden aan de Zwanenburgbaan vallen binnen het bestaand gebruik waarvoor op de referentiedatum toestemming was verleend. Die werkzaamheden hoeven dus niet passend te worden beoordeeld. Schiphol heeft hiervoor dus geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig.
Deelt u de mening dat verwijzen naar de juridische constructie van het «bestaand recht» geen antwoord is op hoeveel stikstof er neerslaat?
De Minister voor Natuur en Stikstof heeft met de verwijzing naar het bestaand recht evenwel willen aangeven dat Schiphol niet inzichtelijk hoeft te maken hoeveel stikstofdepositie er zou worden veroorzaakt op Natura 2000-gebieden door de desbetreffende vrachtwagenbewegingen.
Kunt u aangeven in hoeverre het reguliere onderhoud nu anno 2023 (de mate, frequentie, activiteiten) zich verhoudt tot de situatie van voor 1994? Heeft de toename in het aantal vluchten of aanscherping in veiligheidsregelgeving invloed gehad op de mate en frequentie waarin onderhoud nodig is? En, valt een toegenomen stikstofuitstoot door frequenter onderhoud als gevolg van intensiever gebruik onder het «bestaand recht» uit 1994?
De Zwanenburgbaan is gebouwd in de jaren »60 van de twintigste eeuw. De aard van werkzaamheden vandaag de dag verschilt niet van de onderhoudswerkzaamheden in de jaren »90. Wel heeft Schiphol er, met de baanonderhoudsstrategie, voor gekozen om werkzaamheden meer te clusteren. Dit betekent dat er minder vaak groot onderhoud wordt uitgevoerd op de baan, maar áls er onderhoud wordt uitgevoerd, de baan een langere periode buiten gebruik is. Hierdoor neemt de totale tijd dat de baan over de jaren heen buiten gebruik is af en daarmee ook de totale impact op de omgeving. Het wijzigen van de baanonderhoudsstrategie maakt het lastig het onderhoud van voor 1994 een-op-een te vergelijken met de huidige situatie.
Zoals in de Kamerbrief van 3 februari 2023 is aangegeven, is voor het project Schiphol als luchthaven met vier banen toestemming verleend vóór de vroegste Europese referentiedatum van 10 juni 1994 (Vogelrichtlijngebieden). Die toestemming geldt ook voor het daarmee onlosmakelijk verbonden beheer en onderhoud, zodat deze activiteiten deel uitmaken van de referentiesituatie.
In 2003 is Schiphol uitgebreid met de Polderbaan. Dat betekent dat voor Natura 2000-gebieden aangewezen vóór 2003 geen sprake is van bestaand recht en ook het onderhoud ervan niet als bestaand recht kan worden aangemerkt. De Minister voor Natuur en Stikstof heeft in haar rol als bevoegd gezag voor de Wnb-aanvraag geconstateerd dat in de aanvraag en de daarbij behorende passende beoordeling geen (of in ieder geval onvoldoende) rekening is gehouden met het beheer en onderhoud van de Polderbaan met betrekking tot de Natura 2000-gebieden die vóór 2003 zijn aangewezen. Schiphol is gevraagd haar Wnb-aanvraag en de daarbij behorende passende beoordeling op dit punt aan te vullen.
Met oog op in hoeverre frequenter onderhoud als gevolg van intensiever gebruik en aanscherping van regelgeving onder het «bestaand recht» uit 1994 valt is het vaste jurisprudentie dat de referentiesituatie en de daarmee samenhangende bestaande rechten wordt ontleend aan hetgeen maximaal was toegestaan op de referentiedatum.7 Beperkingen in de toestemming op de Europese referentiedatum kunnen alleen voortvloeien uit die toestemming of eventuele latere inperkingen op die toestemming en niet uit wat feitelijk aanwezig was ten tijde van de toestemming. Dat zou zich ook niet verdragen met de rechtszekerheid die de basis is voor bestaande rechten.8 Rechtszekerheid kan alleen voortvloeien uit een toestemming en niet uit de feitelijk aanwezige situatie op de Europese referentiedatum. Het voorgaande betekent dat een intensivering van gebruik en het daarmee samenhangende frequentere onderhoud onder bestaand recht valt. Voor zover geen sprake is van bestaande rechten is, zoals hiervoor aangegeven, Schiphol gevraagd haar Wnb-aanvraag en de daarbij behorende passende beoordeling op dit punt aan te vullen.
Kunt u aangeven wat het «speciaal materiaal» is dat volgens Schiphol is ingezet om de baan te verwarmen en te drogen?
Er is om de beschikbare productietijd te maximaliseren een hydrojet ingezet. Dit is een speciale wegdekdroger en is ingezet om het werkoppervlak sneller droog te maken na neerslag.
Kunt u aangeven of bij de inzet van dit speciale materiaal stikstof is vrijgekomen? En zo ja, hoeveel? Hoeveel daarvan is neergeslagen op Natura 2000-gebieden?
Er is geen inschatting gemaakt van de uitstoot van de inzet van de hydrojet.
Immers, zoals is aangegeven in de Kamerbrief van 3 februari, verzonden door de Minister voor Natuur en Stikstof, vallen de onderhoudswerkzaamheden binnen het bestaand gebruik waarvoor op de referentiedatum toestemming was verleend. Deze werkzaamheden hoeven dus niet passend te worden beoordeeld.
Is het gebruik van zulk «speciaal materiaal» ook vergund onder het bestaande recht uit 1994? Deelt u de mening dat de inzet van dit materiaal helemaal niet strikt noodzakelijk is voor het onderhoud?
Zie het antwoord op vraag 16. De omstandigheid dat gebruik wordt gemaakt van nieuwe technieken, laat onverlet dat beheer en onderhoud onder bestaand gebruik valt. De inzet van de hydrojet was nodig om de werkzaamheden in een zo kort mogelijke tijd uit te voeren en was daarmee strikt noodzakelijk.
Wat vindt u ervan dat Schiphol met een nieuwsbericht komt dat ze de verwarming in de gebouwen lager zetten om gas te besparen, maar tegelijkertijd sneeuw weghaalt met asfaltverwarming/asfaltverwarmers?5
Het is goed om te lezen dat Schiphol zich bewust is van de noodzaak om gas- en energieverbruik terug te dringen.
Welke stappen gaat u nemen richting Schiphol? Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat Schiphol door falend management de omwonenden van de andere banen nog langer aan extra herrie blootstelt?
Er wordt bij de voorbereiding van de onderhoudswerkzaamheden rekening gehouden met mogelijk te verwachten effecten van het weer op de werkzaamheden. Daarnaast heeft Schiphol geen verlenging aangevraagd van de verleende vrijstelling middels de ministeriële regeling. Dit betekent dat Schiphol bij de uitloop van het onderhoud zich aan de normaal geldende regels moet houden.
Schiphol blijft evalueren hoe het onderhoud betrouwbaarder, sneller en efficiënter uitgevoerd kan worden. De aankomende maanden evalueert Schiphol de Baanonderhoudsstrategie, onder andere met luchthavenpartners en omwonenden. De mogelijke verbeterpunten voor het plannen van baanonderhoud worden meegenomen in de toekomst. De huidige situatie is mede ontstaan vanuit het spanningsveld tussen het beperken van de duur van het onderhoud en daarmee de impact op de omgeving en de gemiddelde weerssituatie die wordt gebaseerd op ervaring en historische weerbeelden.
Zijn er mogelijkheden om Schiphol te beboeten, te beperken of te bestraffen voor de uitgelopen werkzaamheden en bijbehorende overlast? Zo ja, bent u bereid daartoe over te gaan?
Zie antwoord vraag 19.
Hoe gaat u zorgen dat dit soort situaties in de toekomst niet meer voorkomen?
Zie antwoord vraag 19.
Deelt u de mening dat het verstandig zou zijn om in de toekomst in te grijpen wanneer u zo expliciet gewaarschuwd wordt voor duidelijke fouten-in-de-maak?
Zie ook het antwoord op vraag 8. De rol van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat is beperkt tot het verlenen van vrijstellingen van regels in het Luchthavenverkeerbesluit voor het baan- en routegebruik en het vaststellen van vervangende regels en grenswaarden geluid vanwege het afwijkende baangebruik tijdens de onderhoudsperioden.
Het bericht ‘Steeds meer Nederlandse leerkrachten in Vlaanderen’ |
|
René Peters (CDA), Harm Beertema (PVV) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Is bij u bekend dat er steeds meer Nederlandse leerkrachten in Vlaanderen werken als leerkracht?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Zou een reden kunnen zijn dat er in Vlaanderen meer aandacht is voor een stevige theoretische basis?
Leraar zijn is een heel mooi en betekenisvol vak, of je nu werkt in Nederland of Vlaanderen. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom Nederlandse leerkrachten ervoor kiezen om te werken in Vlaanderen. Dat kunnen verschillen in onderwijssystemen of arbeidsvoorwaarden zijn, maar er zijn ook andere verklaringen denkbaar zoals culturele verschillen, verschillen in woningprijzen of persoonlijke motieven. De cijfers betekenen overigens niet noodzakelijk dat het gaat over personen die in Nederland hun lerarenopleiding volgden of wonen en dan naar Vlaanderen uitwijken om les te geven. Ruim de helft van de Nederlandse leerkrachten in Vlaanderen werkt bovendien in Antwerpen of Brussel, waar al jaren een vrij grote gemeenschap van Nederlanders woont en werkt. Ook dat verklaart een deel van de cijfers. Overigens verdienen leerkrachten in Nederland over het algemeen niet minder dan in Vlaanderen.2
Zou een reden kunnen zijn dat in Vlaanderen leerkrachten minder bezig moeten zijn met het onderhandelen met kinderen en het gezag van de leerkracht nog van betekenis is?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat Nederlandse leerkrachten in Nederland willen blijven werken?
Daarvoor moeten wat mij betreft alle registers open, zoals in de Lerarenstrategie beschreven staat.3 We moeten er samen voor zorgen dat het beroep leraar aantrekkelijk is en blijft, zodat leraren en schoolleiders graag in het onderwijs werken en er meer mensen in het onderwijs aan de slag willen. We hebben daarom onder andere investeringen gedaan in de salarissen van leraren en het aanpakken van werkdruk, we geven meer ruimte voor ontwikkeling en professionalisering, we zorgen dat meer mensen kiezen voor de opleiding via zij-instroom routes en we stellen extra geld beschikbaar voor ondersteunend personeel om leraar te worden. Daarnaast zetten we in op meer (regionale) samenwerking en maken we samen met onderwijsorganisaties afspraken over ingewikkelde dilemma’s over onderwijstijd, bevoegdheden en flexibilisering van de lerarenopleidingen. Voor de zomer informeren mijn collega, Minister Dijkgraaf en ik u over de voortgang.
Het artikel ‘Draagvlak voor hulp Oekraïense vluchtelingen in Slowakije staat onder druk’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Draagvlak voor hulp Oekraïense vluchtelingen in Slowakije staat onder druk»?1.
Ja.
Hoe kijkt u naar het bericht dat Slowakije erg kwetsbaar blijkt voor desinformatie vanuit Rusland? Hoe kijkt u hier naar de rol van sociale media in het verspreiden van desinformatie?
De verspreiding van Russische desinformatie wereldwijd is zorgelijk en zeker ook de verspreiding hiervan in EU lidstaten, waaronder Slowakije. Sociale media spelen een grote rol bij het verspreiden van desinformatie. Berichten als dit onderstrepen het belang om in EU-verband gezamenlijk op te trekken in het verhogen van de weerbaarheid tegen desinformatie.
Welke risico’s ziet u voor aankomende verkiezingen in het najaar in Slowakije en de toenemende verspreiding van desinformatie uit Rusland?
Het is aan de kiesgerechtigde Slowaken om een keus te maken bij de verkiezingen in dit najaar. Wel weten we dat desinformatie invloed kan hebben op de politieke keuzes die mensen maken. Ook in die zin is groeiende verspreiding van desinformatie in Slowakije zorgelijk.
Welke risico’s ziet u voor het functioneren van de EU als de pro-Russische partij van Robert Fico de verkiezingen wint in Slowakije aankomend najaar?
Mocht de partij van Robert Fico de aanstaande verkiezingen in Slowakije winnen, dan kunnen we verwachten dat dit de besluitvorming binnen de EU ten aanzien van steun aan Oekraïne en inzet jegens Rusland niet vergemakkelijkt. Nederland zal er ook in dat geval alles aan blijven doen EU-eenheid te blijven bewerkstelligen.
Wat wordt er in EU-verband gedaan om gezamenlijk op te trekken tegen Russische desinformatie in EU-lidstaten? Welke maatregelen worden genomen om de verspreiding van desinformatie tegen te gaan? Bent u het ermee eens dat hier een belangrijke rol is weggelegd voor social media platformen aangezien hun digitale infrastructuur wordt gebruikt door kwaadwillenden om desinformatie te verspreiden? Zo ja, in hoeverre betrekt u social media bedrijven bij de aanpak van desinformatie? Zo nee, waarom niet?
De Europese Unie pakt desinformatie, of «Foreign Information Manipulation and Interference» (FIMI)2, afkomstig vanuit statelijke, of daaraan gelieerde, actoren aan, daar waar dit een risico vormt voor de nationale veiligheid. Voor het tegengaan van FIMI heeft de EU een instrumentarium ontwikkeld dat aangekondigd is in het Europees Democratie Actieplan.3 Hierbij horen nieuwe instrumenten die het mogelijk maken kosten te verhalen op actoren achter beïnvloedingsoperaties, de strategische communicatieactiviteiten van de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) te versterken en FIMI inzichtelijk te maken. Verder wordt middels de wet inzake digitale diensten (DSA) een wettelijke basis gecreëerd voor een co-regulerende aanpak van de vernieuwde gedragscode tegen desinformatie. Hiermee spreekt de EU sociale media bedrijven aan op hun verantwoordelijkheid voor het tegengaan van FIMI. Bij het ontwikkelen van eventuele nieuwe instrumenten staat voor het kabinet het waarborgen van fundamentele rechten altijd voorop. Zie voor de aanpak in Nederland de «Rijksbrede strategie effectieve aanpak van desinformatie»4, die uw Kamer op 23 december 2022 toeging.
Wat is de laatste stand van zaken van de herziening van de code of practice on online disinformation waar social media bedrijven zich aan hebben gecommitteerd in Europa? Heeft deze herziening reeds plaatsgevonden, zo ja wanneer en wat betekent dit concreet voor de aanpak van desinformatie van social media platformen? Zo nee, wanneer vindt deze herziening plaats?
Op 16 juni 2022 is de hernieuwde Praktijkcode tegen desinformatie gepubliceerd. Deze is ondertekend door 34 organisaties. Naast grote online platformen zoals Meta, Twitter en Google, hebben ook kleinere platformen, online advertentiebedrijven en fact-checkers zich aangesloten. Uw Kamer is op 29 november 2022 per brief geïnformeerd over de inhoud van deze praktijkcode en de concrete gevolgen ervan.5
Welke stappen moeten en kunnen volgens Nederland worden gezet in EU-verband om Russische desinformatie tegen te gaan? Welke rol kan Nederland hierin spelen?
In EU verband wordt gewerkt aan meer coördinatie tussen EU-lidstaten en inzet van EU-instrumenten om gezamenlijk op te trekken tegen de verspreiding van Russische desinformatie. Nederland ondersteunt de FIMI Toolbox, en zet zich in voor de verdere ontwikkeling hiervan, met als doel verschillende EU instrumenten samen te brengen en antwoord te bieden tegen ongewenste buitenlandse inmenging in het informatie domein.
Meer dan 40% van de Slowaken zou stellen dat Slowakije geen financiële steun aan Oekraïne zou moeten verlenen, zijn vergelijkbare cijfers te zien in andere EU-lidstaten? Zo ja, in welke?
Nederland houdt geen totaaloverzicht bij van steun onder de bevolking in EU lidstaten voor financiële steun aan Oekraïne.
Hoe monitort u toenemende euroscepsis sinds de start van de oorlog in Oekraïne in Slowakije of in andere Centraal- of Oost-Europese landen?
De ambassades van Nederland in Slowakije en andere Centraal-Europese lidstaten houden de ontwikkelingen in hun respectievelijke landen in de gaten, waaronder hoe er onder de bevolking wordt gedacht over de oorlog in Oekraïne, steun voor de EU en democratische waarden in het algemeen. Hierbij kunnen vele factoren een rol spelen en is het niet eenvoudig de link te leggen tussen de oorlog in Oekraïne en al dan niet toenemende euroscepsis.
Heeft u de informatie dat er sprake is van toenemende Russische beïnvloeding en verspreiding van desinformatie bij aankomende verkiezingen van andere EU-lidstaten? Zijn er lidstaten die een verhoogd risico lopen op actieve buitenlandse beïnvloeding vanuit Rusland? Zo ja, welke?
Russische beïnvloeding en verspreiding van desinformatie rondom verkiezingen zijn fenomenen die al jaren bekend zijn en waar Nederland, ook in EU-verband, tegen optreedt. Er kan niet zo eenvoudig en eenduidig een lijst gemaakt worden met EU-lidstaten die een verhoogd risico lopen op buitenlandse beïnvloeding vanuit Rusland.
De Zuidas die meebeslist over docenten en inhoud van het universitair onderwijs over indirecte belastingen |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Zuidas beslist mee over docenten en inhoud van universitair onderwijs»1, «Minister Dijkgraaf wil uitleg over invloed Zuidas op studie fiscaal recht»2 en «VU onderzoekt invloed Zuidaskantoren en Belastingdienst op haar studie fiscaal recht»3?
Ja.
Hoe lang bestaat het door de Zuidas en de Belastingdienst gesponsorde onderwijs aan de Vrije Universiteit (VU), de Tilburg University (UvT), de Universiteit Maastricht (UM) en de Universiteit Leiden (UL) in de «indirecte belastingen», zoals btw, douaneheffingen en accijnzen?
Sinds 1 januari 2008 bestaat de samenwerking tussen de Vrije Universiteit Amsterdam (VU), Maastricht University (UM), Tilburg University (TiU), de Belastingdienst en enkele Zuidaskantoren4 met het oog op het aanbieden van een specialisatie indirecte belastingen binnen hun masteropleidingen fiscaal recht en/of fiscale economie. De Universiteit Leiden (LU) neemt sinds studiejaar 2016–2017 deel aan de samenwerking. De samenwerking bestaat uit een financiële sponsoring en het leveren van (gast)docenten. Daarnaast zijn er enkele hoogleraren met een dubbele aanstelling bij de universiteit en een van de Zuidaskantoren.
Klopt het dat de sponsoring van de Zuidas en de Belastingdienst betrekking heeft op initieel bachelor- en masteronderwijs van deze universiteiten in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)?
De instellingen hebben mij laten weten dat de samenwerking en de daarbij verleende ondersteuning in de vorm van een financiële sponsoring en het leveren van (gast)docenten onderwijs in initiële masteropleidingen en aanbod in de postinitiële fase betreffen. Voor TiU en de UM geldt dat er ook in het bacheloronderwijs sprake is van inzet van gastdocenten uit het werkveld dat de sponsorbijdrage levert.
Wat is de omvang van de sponsoring in financiële termen de afgelopen vijf jaar?
Ik heb de instellingen gevraagd de omvang van de sponsering inzichtelijk te maken. De daarvoor relevante gegevens hebben zij in navolgende tabel opgenomen.
135.000
1,2 FTE
0,2 FTE
0,2 FTE (12.500)
135.000
1,4 FTE
0,2 FTE
0,4 FTE (25.000)
128.750
1,4 FTE
0,3 FTE
0,4 FTE (18.750 – i.v.m. gedeelte jaar)
128.750
1,6 FTE
0,3 FTE
0,2 FTE (12.500)
128.750
1,4 FTE
0,3 FTE
0,2 FTE (12.500)
Deze tabel hebben zij als volgt toegelicht.
De kolom «Jaarlijks bedrag sponsorinkomsten» (2e kolom) ziet op de sponsorbijdrage die jaarlijks totaal beschikbaar is ter verdeling over de 4 deelnemende universiteiten. Met deze sponsorgelden wordt bijgedragen aan de onderwijskosten. Dat kan via een bijdrage «in cash» of «in kind».
De kolom «Detachering om niet conform sponsorcontract» (3e kolom) geeft aan welke formatie door de organisatie die als sponsors optreden om niet ter beschikking wordt gesteld aan de 4 deelnemende universiteiten. De waarde van de detachering «om niet» kan worden gesteld op circa € 12.500 per 0,2 FTE.
De kolom «Detachering tegen korting conform contract/addendum» (4e kolom) betreft fte-inzet vanuit de sponsoren, waarvan de financiële waarde als onderdeel van de sponsorbijdrage wordt beschouwd (dit mag door de sponsor als korting in mindering worden gebracht op bijdrage «in cash»).
De kolommen 2 tot en met 4 tezamen geven de financiële waarde weer van de huidige sponsorovereenkomst, waarbij de opgevoerde fte’s in kolommen 3 en 4 ook een financiële waarde hebben als bijdrage «in kind».
De kolom «Extra Detachering buiten sponsor- en distributiecontract door een van de partijen» (5e kolom) heeft betrekking op fte-inzet vanuit de sponsoren, waarvoor een factuur naar de universiteiten wordt gestuurd. Dit is dus geen sponsorbijdrage en ook geen bijdrage «om niet». Dit is een detachering waarvoor een vergoeding wordt betaald door de universiteiten.
Is het door de Zuidas en de Belastingdienst gesponsorde btw-onderwijs aan deze universiteiten geaccrediteerd en wat zijn de uitkomsten van de laatste onderwijsvisitaties van dit gesponsorde onderwijs?
De specialisatie indirecte belastingen is opgenomen in bekostigde geaccrediteerde masteropleidingen, deze zijn geregistreerd in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO) en de betreffende accreditatiebesluiten in de database NVAO. De laatste accreditatiebesluiten van de master Fiscaal recht en Fiscale economie waren positief. Bij de master Fiscaal recht (isat 66827) gaat het om het accreditatiebesluit van NVAO van 31-1-2019 gegeven aan Tilburg University, de Universiteit Maastricht, Universiteit Leiden en de Vrije Universiteit Amsterdam. Bij de master Fiscale Economie (isat 66402) heeft het betrekking op het accreditatiebesluit van 31-05-2018.
Zou u de Kamer willen informeren over de uitkomsten van het overleg met deze vier universiteiten, dat u aan Follow The Money heeft laten weten te zullen gaan voeren?
Ja, via deze weg informeer ik uw Kamer over de uitkomsten van het overleg. De betreffende universiteiten hebben in het overleg aangegeven hun verantwoordelijkheid voor de academische onafhankelijkheid van hun onderwijs uiterst serieus te nemen. Zij betreuren de schijn van commerciële belangen bij de uitvoering van het onderwijs en zullen waar mogelijk en relevant zo snel mogelijk aanvullende afspraken maken voor een transparantere samenwerking.
Een voorbeeld hiervan is een verscherping van de (verouderde) afbakening van de eerste en derde geldstroom in de contracten met betrekking tot de samenwerkingsactiviteiten. Deze is nog niet in lijn met de huidige vereisten. Ook is onvoldoende zichtbaar gemaakt in de gekozen uitvoeringsconstructie dat er geen sprake is van gratis onderwijs aan werknemers. De universiteiten zullen scherper in de afspraken regelen dat het hier om contractonderwijs gaat dat op de geëigende wijze via de administratie van de bekostigde master worden verwerkt. Deze procedure zal via een betere werkwijze worden ingericht en in de overeenkomsten worden vastgelegd.
Zou u in het bijzonder bij de vier universiteiten willen informeren naar de kwaliteitsaspecten van het gesponsorde btw-onderwijs in de zin van artikel 5.12 WHW?
De specialisatie indirecte belastingen maakt bij alle betrokken universiteiten onderdeel uit van de masteropleidingen fiscaal recht of fiscale economie. De kwaliteitszorg ten aanzien van deze masteropleidingen vindt bij de universiteiten op dezelfde wijze plaats als ten aanzien van hun andere masteropleidingen. De betreffende opleidingen zijn aan de reguliere accreditatiecyclus onderworpen en de bevindingen en adviezen die hieruit voortvloeien worden opgevolgd. De instellingen hebben mij laten weten dat de academische onafhankelijkheid van de opleidingen is geborgd via het interne systeem van kwaliteitszorg, waarbij de opleidingsdirecteur verantwoordelijk is voor inhoud en kwaliteit van de opleiding, de opleidingscommissie inspraak heeft en de examencommissie de kwaliteit van de toetsing en het eindniveau borgt. De sponsoren functioneren in die zin als een werkveldcommissie die de opleidingsdirecteur informeel kunnen adviseren. Het genoemde is conform kwaliteitseisen en opleidingsdirecteur en vicedecaan onderwijs geven aan altijd regie en eindverantwoordelijkheid te houden.
Bent u bereid, als de feiten daartoe aanleiding geven, om een onderzoek in te stellen naar de invloed van de Zuidas en de Belastingdienst op het instroombeleid van studenten, de inhoud van het curriculum, de monitoring van studenten ten behoeve van wervingsdoeleinden, de aanstelling van docenten en de kwaliteit van de opleidingen fiscaal recht, in het bijzonder het gesponsorde btw-onderwijs, door een commissie van deskundigen?
De opleidingen Fiscaal Recht bereiden zich momenteel voor op de visitatie in het kader van de externe accreditatie, visitaties vinden plaats in 2023 en 2024 door onafhankelijke panels van externe deskundigen. De master Fiscale Economie is recent door een panel positief geëvalueerd, de accreditatieaanvraag bij de NVAO zal binnenkort plaatsvinden. Alle aspecten die u noemt (instroombeleid, inhoud curriculum, begeleiding en monitoring van studenten, beleid ten aanzien van inzet staf, kortom de kwaliteit van de opleidingen) worden tijdens de visitatie door deze panels beoordeeld. Deze aspecten zijn conform art WHW 5.12 onderdeel van de beoordeling volgens het NVAO accreditatiekader. Extra onderzoek naast deze beoordeling in het kader van de externe accreditatie acht ik daarom op dit moment niet nodig.
Wat vindt u ervan dat parttime btw-hoogleraren, die zijn verbonden aan de Zuidas, volgens de notulen van een vergadering van het Accent Indirecte Belastingen de discussie over dubbele petten in de wetenschap niet serieus nemen en zelfs afdoen als ingegeven door «politieke motieven»?
Voor zowel onderwijs als onderzoek is een goede aansluiting op behoeften van het werkveld en de samenleving wenselijk. Zo kunnen de nevenfuncties van hoogleraren eraan bijdragen dat zij hun kennis zoveel mogelijk kunnen toepassen in de maatschappij en daarnaast praktijkkennis kunnen meenemen in hun onderwijs en onderzoek. Het is van belang om transparant te zijn over hoogleraren met nevenfuncties in de wetenschap en het moet helder zijn welke belangen zij hebben naast hun werk. Momenteel vindt er een haalbaarheidsstudie plaats omtrent het inrichten van een landelijk register met daarin de nevenfuncties van hoogleraren. De universiteiten hebben aangegeven de discussie over dubbele petten serieus te nemen en ik zal het belang hiervan en van transparantie hierover, ook blijven benadrukken. De besturen van universiteiten hebben daarbij een grote rol in het waarborgen van de academische vrijheid en ook in het breed delen van academische waarden binnen de instellingen.
Klopt het dat drie aan het gesponsorde btw-onderwijs verbonden btw-hoogleraren allemaal hun hoofdbaan hebben bij accounts- en belastingadvieskantoor PricewaterhouseCoopers (hierna: PwC), en zo ja, drukt daarmee PwC niet een te zware stempel op het btw-onderwijs en -onderzoek in Nederland?
De instellingen hebben mij laten weten dat van de 20 personen die onderwijs verzorgen in het kader van de specialisatie indirecte belastingen drie hoogleraren werkzaam zijn bij PricewaterhouseCoopers. Het gaat hierbij om (parttime) leerstoelen aan Tilburg University (hierna: TiU), Universiteit Maastricht (UM) en de Vrije Universiteit Amsterdam (VU), samen opgeteld voor 1 FTE. Van deze drie medewerkers vertrekt de hoogleraar TiU binnen 1 jaar bij PwC en bezit de VU-hoogleraar een tijdelijke (wissel)leerstoel.
De aan PwC verbonden hoogleraren aan de VU, TiU en de UM werken samen met andere hoogleraren en medewerkers in breed samengestelde teams van BTW-docenten.
Hoeveel hoogleraren belastingrecht zijn in totaal nog verbonden aan PwC na het vertrek van «vastgoedlobbyhoogleraar» Hein Vermeulen aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) vorig jaar?4
In aanvulling op antwoord 10, zijn er naast de drie hoogleraren Indirecte Belastingen verbonden aan PwC, vijf hoogleraren op het gebied van fiscaal recht verbonden aan PwC aan de vier universiteiten werkzaam. Per 1 juli 2023 zijn dat er vier.
Wat vindt u ervan dat een van de sponsoren, belastingadvieskantoor Loyens & Loeff, onlangs een nieuwe reclamecampagne is gestart om studenten te werven en daarbij de «aan Loyens & Loeff verbonden hoogleraren» inzet als reclamemiddel en tentamenvoorbereiding?5
Ik ben niet bekend met de genoemde reclamecampagne. In algemene zin vind ik dat het organiseren van masterclasses of gastcolleges voor gemotiveerde studenten een mooie manier kan zijn om verbinding te maken tussen het onderwijs en de praktijk. Ik vind dat het daarbij wel glashelder moet zijn voor deelnemers of dit onderdeel is van het curriculum of dat het gaat om een extra curriculaire activiteit. Het is de verantwoordelijkheid van zowel de hogeronderwijsinstelling als het betreffende bedrijf om hierover helder te communiceren richting (aspirant) studenten en de verantwoordelijkheid van de betrokken hogeronderwijsinstelling om bij onduidelijkheden hieromtrent in gesprek te gaan met het betreffende bedrijf waarmee wordt samengewerkt.
Wat is in het algemeen uw visie op vermenging van commerciële belangen met het hoger onderwijs? Hoe borgt u dat deze commerciële belangen geen rol gaan spelen in de kwaliteit en de inhoud van het hoger onderwijs?
Samenwerking tussen docenten, onderzoekers, het bedrijfsleven, de overheid en andere organisaties is een belangrijk element in ons onderwijsstelsel. Het zorgt ervoor dat wetenschappelijk onderwijs en onderzoek goed aansluiten bij maatschappelijke uitdagingen en dat innovatie wordt gestimuleerd. Tegelijkertijd moet er geborgd worden dat er geen vermenging van commerciële belangen plaatsvindt met de inhoud van het hoger onderwijs en onderzoek.
Dit wordt gedaan door kaders binnen de kennisinstellingen waaronder de Verklaring van wetenschappelijke onafhankelijkheid, de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI)7 en de Spelregels voor privaat-publieke samenwerking bij programmering en uitvoering van fundamenteel en toegepast onderzoek.
De colleges van bestuur van universiteiten dragen de verantwoordelijkheid dat onderzoek en onderwijs binnen de academische vrijheid, vastgelegd in de Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschap, op onafhankelijke wijze kan plaatsvinden. Raden van toezicht zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving ervan.
Bij samenwerking is het belangrijk dat universiteiten informatie over externe financiering van leerstoelen actueel, volledig en publiek toegankelijk hebben. Daarmee kan voorkomen worden dat het vertrouwen in de wetenschap wordt geschaad. Colleges van bestuur van universiteiten zijn verantwoordelijk voor deze transparantie. De inspectie kan universiteiten hierbij helpen als het gaat om een duidelijke afbakening van definities en begrippen die eventueel nodig zijn bij het creëren en ontsluiten van uniforme informatie.
Transparantie is ook van belang met het oog op kennisveiligheid. De kennisinstelling moet zicht hebben op de motieven, afspraken en condities die ten grondslag liggen aan die samenwerking om kennisveiligheidsrisico’s goed in te kunnen schatten en waar nodig te mitigeren. Instellingen worden geacht in het kader van due diligence zorgvuldig te onderzoeken waar financiering vandaan komt en kennisveiligheid mee te wegen bij de beslissing om een samenwerking aan te gaan of voort te zetten.
Wat is uw visie op vermenging van commerciële belangen met andere soorten onderwijs, waaronder het beroepsonderwijs? Hoe borgt u dat deze commerciële belangen geen rol gaan spelen in de kwaliteit en de inhoud van de andere soorten onderwijs?
In het mbo zijn onderwijs en bedrijfsleven in de stichting Samenwerking beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB) gezamenlijk verantwoordelijk voor het vaststellen van kwalificatiedossiers. Hierin staat wat een student aan het eind van de opleiding moet kennen en kunnen om het beroep uit te kunnen oefenen. Op deze manier draagt samenwerking tussen het bedrijfsleven en het onderwijs bij aan een goede aansluiting van het onderwijs op de uitdagingen van de arbeidsmarkt.
Het is in het belang van de kwaliteit van het (beroeps)onderwijs dat er geen vermenging van commerciële belangen plaatsvindt met de inhoud van het onderwijs. In het door mij als Minister van OCW vastgestelde Toetsingskader staan de eisen waar een kwalificatiedossier aan moet voldoen. Deze eisen richten zich op o.a. doelmatigheid en herkenbaarheid. Dit wordt onafhankelijk getoetst door de Toetsingskamer. Op deze manier wordt geborgd dat de inhoud van mbo-opleidingen zich richt op de brede vraag van de arbeidsmarkt, maar dat er geen sprake is van vermenging van commerciële belangen met de inhoud van het onderwijs.
Welke rol speelt de Inspectie van het Onderwijs bij deze borging tegen commerciële invloed op het onderwijs? Welke andere instanties zijn hierbij betrokken en op welke manier?
De waarborgen van integriteit zijn binnen het Nederlandse systeem allereerst belegd bij het desbetreffende bestuur. Het bestuur moet zorgen voor transparantie op allerlei manieren (zowel financieel als qua benoemingen). De Raad van Toezicht ziet daarop toe. Ik voer periodiek gesprekken met Colleges van Bestuur en Raden van Toezicht, waarin dit ook ter sprake komt. Daarnaast bestaan op sectorniveau afspraken over wetenschappelijke integriteit en de omgang met mogelijke belangenverstrengeling. De KNAW heeft onder andere een code voor wetenschappelijke integriteit en een gedragscode belangenverstrengeling. Als er klachten bestaan over wetenschappelijke integriteit, dan kunnen die ingediend worden bij het LOWI (landelijk orgaan wetenschappelijke integriteit). Het LOWI geeft vervolgens een niet-bindend advies aan het (bij haar aangesloten) bestuur, waarna dat bestuur een definitief oordeel geeft over de vraag of een wetenschapper de wetenschappelijke integriteit heeft geschonden of niet.
Er bestaat geen wettelijke bepaling op basis waarvan de Inspectie van het Onderwijs onderzoek kan doen of kan handhaven als het gaat over externe financiering van wetenschappelijk onderzoek. Wel kan zij bestuurders aanspreken op haar eigen integrale verantwoordelijkheid voor integer bestuur en integer handelen binnen hun organisatie.
Het artikel 'Provincie Limburg zet nieuwe stap in grootschalig onderzoek naar kernenergie' |
|
Silvio Erkens (VVD), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Provincie Limburg zet nieuwe stap in grootschalig onderzoek naar kernenergie»? Hoe apprecieert u de ontwikkelingen op het gebied van small modudar reactors (SMR’s) in Limburg?1
Ja. Zoals het artikel vermeldt, is er in Limburg op initiatief van de Provincie Staten een alliantie opgericht: een samenwerkingsverband tussen publieke en private partijen, dat zich bezig houdt met een breed scala aan onderzoeksvragen om te kijken of en hoe de komst van een SMR mogelijk gemaakt zou kunnen worden.
Ik volg de ontwikkelingen rondom SMR’s met serieuze interesse en mede daarom heb ik me op ambtelijk niveau bij de startbijeenkomst laten vertegenwoordigen. Alliantievorming is een verstandige stap om snel antwoorden op de onderzoeksvragen te kunnen geven. Ik blijf de activiteiten van de alliantie dan ook graag volgen.
Zijn er andere provincies die overwegen om SMR’s in te zetten voor de energievoorziening van bedrijven? Welke voordelen biedt het inzetten van SMR’s voor de verduurzaming van de industrie ten opzichte van andere technieken?
Zoals in het antwoord op vraag 1 beschreven, kijkt de provincie Limburg naar de rol van SMR’s in de energievoorziening. Het is bekend dat verschillende andere provincies de ontwikkelingen rondom SMR’s volgen vanuit de invalshoek van kennisontwikkeling.
Afhankelijk van de lopende collegevorming na de Provinciale Statenverkiezingen 2023 zou dit beeld nog kunnen veranderen.
Voor het antwoord op het tweede deel van de vraag, verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening van de VVD en het CDA dat SMR’s kansen bieden voor de verduurzaming van bedrijven die niet aan de kust liggen en ook niet (tijdig) op nieuwe energie-infrastructuur kunnen worden aangesloten (waterstof, elektriciteit)?
Het begrip SMR’s omvat een heel divers scala aan reactorconcepten in verschillende stadia van ontwikkeling. Voor SMR’s zijn er meerdere toepassingen denkbaar waarin ze een rol zouden kunnen spelen; naast de productie van elektriciteit bijvoorbeeld ook als bron van hogetemperatuurwarmte voor de energie-intensieve industrie of voor de productie van waterstof.
Voor veel energieclusters geldt dat de beschikbaarheid van voldoende CO2-vrije elektriciteit een randvoorwaarde is voor elektrificatie. Dit zijn soms baseload processen met grote vermogens (zoals elektrisch kraken), waar een wisselend elektriciteitsaanbod uit wind en zon tot uitdagingen leidt.
Als de beoogde voordelen van SMR’s zich inderdaad in de praktijk voordoen, dan zou het een interessante complementaire energiebron kunnen zijn in de energiemix. Dit zou kunnen in de vorm van bijdragen aan het elektriciteitsnet op locaties ver van de kust, maar bijvoorbeeld ook als duurzame bron van energie direct toegepast in de industrie of voor de productie van waterstof.
Wat is de kabinetsinzet op het gebied van SMR’s? Deelt u de mening dat SMR’s kunnen bijdragen aan voldoende betrouwbare, betaalbare en schone stroom voor de industrie? Bent u het ermee eens dat inzetten op SMR’s voor de energietransitie van de industrie helpt om het elektriciteitsnet te ontlasten?
Voor het antwoord op de eerste deelvraag, verwijs ik naar het antwoord op vraag 5. Voor het antwoord op de tweede en derde deelvraag, verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Welke voorbereidingen en randvoorwaarden zijn er nodig om de inzet van SMR’s in de toekomst te ondersteunen? Kunt u aangeven welke acties er al lopen? Kunt u daarnaast schetsen wanneer de volgende stappen moeten worden ondernomen?
De inzet van dit kabinet is allereerst gericht op het realiseren van de opgaven uit het coalitieakkoord: de bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale Borssele, de nemen van voorbereidende stappen voor twee nieuw te bouwen centrales, en het versterken van de nucleaire kennisinfrastructuur.
Tegelijk volg ik de nationale en internationale ontwikkelingen rondom SMR’s op de voet, zoals ik uw Kamer ook eerder informeerde (Aanhangsel van de Handelingen, 2022–2023, nr. 145). Daarom heeft de Nuclear Research & consultancy Group (NRG), in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, dit jaar een SMR-marktanalyse uitgevoerd. Deze marktanalyse biedt een overzicht van de verschillende toepassingsmogelijkheden en de verschillende stadia van ontwikkeling van een aantal SMR-ontwerpen. De marktanalyse wordt samen met deze antwoorden aan de Kamer ter informatie aangeboden.
In het internationale veld zijn er verschillende voorbereidende activiteiten die al geïnitieerd zijn. In Europees en IAEA-verband zijn bijvoorbeeld initiatieven gestart om tussen toezichthouders de samenwerking op SMR-gebied te versterken. Dit is belangrijk om voorbereid te zijn op de technische beoordelingen bij een vergunningaanvraag. Ook de Nederlandse toezichthouder, de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, is hierin actief.
Als het gaat om de toeleveringsketen die nodig zal zijn om de bouw van SMR’s te realiseren, lijkt er internationaal een gedeeld beeld te zijn dat een succesvolle aanpak bestaat uit de volgende pijlers:
Deze koppeling zorgt dat de industrie in een vroeg stadium kennis opdoet van de door ontwerpers voorziene codes en standaarden voor onderdelen die in aanmerking komen voor industriële productie.
Het in een vroeg stadium betrekken van de toezichthouder zorgt dat deze kan verifiëren dat industriële producten voldoen aan de nucleaire veiligheidseisen. Voor innovatieve producten zal kwaliteitscontrole ontwikkeld moeten worden, dus ook dat aspect moet in dit stadium worden opgepakt.
In het kader van de Voorjaarsbesluitvorming over aanvullende klimaat-maatregelen heb ik recent een programma gepresenteerd om de overgangsfase van ontwerp naar realisatie te versnellen. Het programma zal een omvang hebben van 65 miljoen euro en een looptijd tot 2030. Het bestaat uit een parallelle inzet op beide bovenstaande punten en is van toepassing op SMR’s gebaseerd op conventionele nucleaire concepten die kort staan voor de transitie naar realisatie. Dit sluit goed aan bij de opgave om kennis, kunde en arbeidskrachten in het brede nucleaire domein op peil te houden en te verbeteren. Dit programma biedt daarmee kansen voor de Nederlandse maakindustrie en heeft tegelijkertijd een positief effect op de voorbereiding van de realisatie van de twee nieuw te bouwen conventionele centrales.
Daarnaast zijn voorbereidingen nodig, waarvoor het initiatief bij de provincies ligt. Een belangrijke voorwaarde voor de introductie van SMR’s is namelijk de beschikbaarheid van locaties waar deze gerealiseerd kunnen worden én waar maatschappelijk draagvlak bestaat.
Hoe geeft u uitvoering aan de motie Bontenbal cs d.d. 20 december 2022 waarin de regering wordt verzocht een inventarisatie te doen bij de vijf industrieclusters en de grote bedrijven daarin over hun visie op de rol van de SMR’s en hun plannen daarmee?
Ik geef uitvoering aan deze motie middels een stapsgewijze aanpak. Als eerste stap zal ik de eerder genoemde SMR-marktanalyse van NRG aan de industrieclusters aanbieden. Daarmee krijgen zij inzicht in de toepassingen, eigenschappen en mogelijkheden van de verschillende types SMR’s.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in zijn reflectie op Cluster Energiestrategieën 2022 (CES 2.0) aangegeven dat het nodig is de scope van de CES’en te verbreden, zodat ook de centrale elektriciteitsproductie erin wordt meegenomen. Uit deze tweede stap zal dus in CES 3.0 afgeleid kunnen worden wat de industriële vraag naar basislast vermogen zal zijn.
Deze stapsgewijze aanpak geeft dus uiteindelijk een indicatie van de rol die SMR’s kunnen vervullen in de verduurzaming van de industrie.
Bent u bekend met het rapport «The NEA Small Modular Reactor Dashboard» van de Nuclear Energy Agency van de OECD waarin de voortgang in de ontwikkeling van de meest kansrijke SMR-ontwerpen wordt beschreven? Bent u bereid met een aantal van de meest kansrijke ontwerpen het gesprek aan te gaan?
Ja, ik heb hierover ook contact met de OECD-NEA2.
In Nederland zijn diverse vertegenwoordigers en ontwikkelaars actief van verschillende SMR-ontwerpen die ook in het OECD-NEA Dashboard worden beschreven. Al sinds het aantreden van dit kabinet ben ik meermaals per jaar met hen in gesprek.
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 5, zal ik daarnaast ontwerpers en ontwikkelaars van marktrijpe SMR’s koppelen aan de Nederlandse maakindustrie om de transitie van ontwerp naar realisatie te versnellen.
Het bericht 'NS waarschuwt honderdduizenden klanten vanwege datalek' |
|
Fahid Minhas (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «NS waarschuwt honderdduizenden klanten over mogelijk lekken van persoonsgegevens»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Wat is uw reactie op het feit dat de privégegevens van honderdduizenden klanten op deze manier op straat zijn komen te liggen?
Ik betreur dat persoonsgegevens van NS-klanten mogelijk onderdeel zijn van een hack bij een betrokken partij bij reizigerstevredenheidsonderzoeken. De privacy van reizigers die hun medewerking verlenen aan deze onderzoeken, moet beschermd zijn.
Is inmiddels bekend op welke wijze de gegevens op straat zijn beland? Komt dit door een hack bij de softwareleverancier of door onzorgvuldige beveiliging van de persoonsgegevens?
Marktonderzoeker Blauw is door NS ingeschakeld voor het uitvoeren van verschillende reizigerstevredenheidsonderzoeken. Subverwerker Nebu uit Wormerveer levert het softwareplatform waarop Blauw haar onderzoeken uitvoert. Nebu is, volgens Blauw, gehackt en tijdens die hack is alle data van klanten en onderzoeken gedownload (geëxfiltreerd). Het is echter nog niet zeker welke data precies zijn gelekt en of ook NS-data onderdeel waren van het datalek.
Het datalek is volgens de berichtgeving niet ontstaan bij NS zelf, maar bij een softwareleverancier van het ingehuurde marktonderzoeksbureau dat klanttevredenheidsonderzoek doet in opdracht van NS. Kunt u aangeven welke afspraken NS maakt met externe partijen, teneinde de veiligheid van klantdata te maximeren?
Om de veiligheid van klantdata te beschermen, sluit NS met externe partijen een verwerkersovereenkomst. Daarin worden ook afspraken gemaakt over het inschakelen van een subverwerker.
Dit heeft NS ook met marktonderzoeksbureau Blauw gedaan. Deze verwerkersovereenkomst is afgesloten conform artikel 28 lid 3 AVG. In deze verwerkersovereenkomst zijn afspraken gemaakt over de verwerking van persoonsgegevens door Blauw en de beveiliging van persoonsgegevens. Ook zijn in deze verwerkersovereenkomst afspraken gemaakt over de inschakeling van een subverwerker door Blauw.
Wat is de wettelijke grondslag op basis waarvan persoonsgegevens zijn verwerkt door NS, het marktonderzoeksbureau en diens softwareleverancier?
In het Privacystatement op de website van NS2 is beschreven welke grondslag van toepassing is (zie onder «Marktonderzoek en wetenschappelijk onderzoek»). NS hanteert voor het NS panel onderzoek en het reizigersonderzoek de grondslag «toestemming» en voor het contactbelevingsonderzoek en overige klantonderzoeken de grondslag «gerechtvaardigd belang».
Is er op enig moment een DPIA (data protection impact assessment) uitgevoerd voordat de gegevensverwerking tot stand werd gebracht? Zo nee, waarom niet?
NS heeft mij laten weten dat er een DPIA is uitgevoerd door NS. Deze verwerking is opgenomen in het register van verwerkingen van NS.
Wist de NS op elk moment wie er van de softwareleverancier inzage had in de persoonsgegevens die werden verwerkt? Zo nee, wat vindt u daarvan?
NS was ervan op de hoogte dat Blauw subverwerker Nebu heeft ingeschakeld. NS heeft Blauw in de verwerkersovereenkomst specifieke schriftelijke toestemming gegeven om Nebu in te schakelen. Hieraan zijn evenwel specifieke condities verbonden. Bij NS is niet bekend welke medewerkers van Nebu inzage hebben (gehad) in persoonsgegevens.
Vindt u dat er voldoende regels zijn omtrent de veiligheid van klantdata van publieke instellingen en bedrijven die met externe partijen werken en hun klantdata met deze partijen delen? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet?
De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verplicht ertoe dat wanneer persoonsgegevens worden verwerkt, de verwerkingsverantwoordelijke maatregelen neemt om te zorgen dat de verzamelde gegevens niet langer bewaard worden dan nodig is en dat organisatorische en technische maatregelen getroffen worden, zodat gegevens goed beveiligd en vertrouwelijk blijven. De verwerkingsverantwoordelijke moet kunnen aantonen dat aan deze zorgvuldigheidsnormen is voldaan. Wanneer voor de verwerking een externe partij wordt ingeschakeld, dan moeten diens taken in een overeenkomst worden vastgelegd. De genoemde zorgvuldigheidsnormen zijn ook dan onverkort van toepassing. Het ontbreekt dan ook niet aan regels omtrent de veiligheid van klantdata van publieke instellingen en bedrijven die met externe partijen werken en hun klantdata met deze partijen delen.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat kritieke data van klanten in de toekomst zonder strenge regels door externe partijen wordt gebruikt?
Elke organisatie die persoonsgegevens verwerkt is er in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor om dit volgens de regels te doen en er scherp op toe te zien dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft daarnaast een voorlichtende taak. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid zorgt dat de AP beschikt over voldoende financiering voor de uitvoering van alle taken die samenhangen met de AVG, zo ook deze. In het Coalitieakkoord is daarom extra budget voor de AP opgenomen.
Het bestrijden van beroepsvandalen van Extinction Rebellion |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat de beroepsvandalen Extinction Rebellion wederom de wet hebben overtreden en activiteiten hebben ontplooid die de maatschappij ontwrichten en de economie schade berokkenen?
Ik ben bekend met de demonstratie van Extinction Rebellion die heeft plaatsgevonden op 11 maart jl. waarbij door de actievoerders de A12 is geblokkeerd.
Wat vindt u van het feit dat de al onderbezette politie haar handen vol heeft aan deze beroepsvandalen, gezien het feit dat vandaag tientallen demonstranten van Extinction Rebellion zijn aangehouden en bij eerdere ernstige wanordelijkheden in Den Haag al honderden?1, 2
De politie heeft een belangrijke rol bij het waarborgen van de veiligheid van demonstranten en omstanders en het in goede banen leiden van demonstraties onder het gezag van de burgemeester. Het demonstratierecht is een groot goed, echter het recht op betoging is geen vrijbrief voor het plegen van strafbare feiten. De politie-inzet rondom demonstraties kost veel capaciteit, zeker wanneer deze mogelijk gepaard gaan met verstoringen van de openbare orde en strafbare feiten. Politiecapaciteit kan maar één keer worden ingezet en noopt daarom onvermijdelijk tot het maken van keuzes. De keuze waar de inzet op dat moment het hardst nodig is, is aan het lokaal gezag.
Deelt u de mening dat deze opruiende club anarchisten zo snel als mogelijk aan banden gelegd dient te worden? Zo ja hoe gaat u dat concreet doen? Kunt u hier een gedetailleerd antwoord op geven?
Zoals ook aangegeven in recente beantwoording van Kamervragen3 is het uitgangspunt van het demonstratierecht dat demonstraties zoveel mogelijk gefaciliteerd dienen te worden en dat maatregelen worden getroffen om de veiligheid te garanderen. Op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) heeft de burgemeester wel de bevoegdheid om een demonstratie aan voorschriften te binden of te beperken of in het uiterste geval zelfs te verbieden. Dit mag alleen als dit noodzakelijk is in het kader van drie doelcriteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De inhoud van de demonstratie mag daarbij geen reden zijn om beperkingen op te leggen. De burgemeester moet elke demonstratie beoordelen, mede op basis van de plaatselijke omstandigheden. De burgemeester legt over zijn handelen verantwoording af aan de gemeenteraad. Een demonstratie is geen vrijbrief voor het plegen van strafbare feiten.
Heeft u de bereidheid om om de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast vanaf heden op Extinction Rebellion van toepassing te laten zijn?3 Zo ja, kunt u gedetailleerd antwoorden of u aan leden van Extinction Rebellion en aan vandalen die aan hun wetsovertredende acties meedoen gebiedsverboden gaat opleggen? Kunt u in uw antwoord ook aangeven of u andere mogelijkheden uit deze weg gaat toepassen, zoals een groepsverbod of een meldplicht?
De Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (Wet MBVEO of ook wel de Overlastwet genoemd) bevat instrumenten voor de burgemeester, officier van justitie en strafrechter. Overigens is de toepassing van de bevoegdheden uit de Wet MBVEO niet gebonden aan voetbal gerelateerde situaties, maar worden deze reeds breder ingezet bij ernstige overlast- en openbare-orde-incidenten. De betreffende bevoegdheden zijn echter niet toepasbaar wanneer sprake is van demonstraties. De Wet openbare manifestaties vormt het kader voor het in goede banen leiden van demonstraties.
Hoe gaat u zich ervoor inzetten dat iedere eurocent aan schade door wetsovertredende acties op Extinction Rebellion en de daders wordt verhaald? Kunt u hier een gedetailleerd antwoord op geven?
Zowel bij beschadiging aan privéeigendommen als bij schade die overheden lijden, bijvoorbeeld beschadiging aan straatmeubilair of politiebusjes, kan de schade op verschillende manieren worden verhaald op de daders. In de eerste plaats kan de dader civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor de aangebrachte schade. Ook kan, als de dader strafrechtelijk wordt vervolgd, de dader worden veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag aan wie zich als benadeelde partij met zijn schade heeft gevoegd in het strafproces. Tenslotte kunnen verzekeraars de schade die zij vergoed hebben verhalen op de dader via subrogatie. In hoeverre verzekeraars van deze mogelijkheid gebruik maken is een keuze die aan de verzekeraars is.
Ontvangt Extinction Rebellion subsidie? Zo ja hoeveel en heeft u de bereidheid om deze subsidie stop te zetten?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft geen subsidie verstrekt aan Extinction Rebellion. Daarnaast blijkt uit het openbare overzicht van het Ministerie van Financiën, dat inzichtelijk maakt welke partijen middelen hebben ontvangen uit de Rijksbegroting5, dat Extinction Rebellion op de meest recente peildatum (ultimo 2022) geen middelen had ontvangen van de rijksoverheid. Uit het openbare jaarverslag van Stichting Vrienden van Extinction Rebellion blijkt niet dat zij in 2022 subsidie hebben ontvangen van een overheidsinstantie.
Heeft u de bereidheid om Extinction Rebellion, zolang ze wet overtreden, niet meer als gesprekspartner te zien?
Het faciliteren en in goede banen leiden van een demonstratie is een taak van de burgemeester als het lokale gezag. Onderdeel van het goed kunnen uitvoeren van die taak is overleg met de organisator van een demonstratie. Om deze reden voer ik als Minister geen gesprekken met organisatoren van demonstraties ter voorbereiding van een demonstratie. Indien er gesprekken plaatsvinden, is dat op lokaal niveau.