Het helpen van ons MKB bij de omschakeling naar onderhoudsprojecten |
|
Harmen Krul (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Kabinet stopt met aanleg wegen en spoor: stikstof zet streep door plannen»?1
Ja.
Zou u op een rij willen zetten voor welke infrastructuurplannen geldt dat er geen uitvoering aan aanleg zal worden gegeven?
Zoals beschreven in de Kamerbrief Vooruitblik MIRT 2023 voorziet IenW twee bewegingen.2 Ten eerste, specifiek voor het hoofdwegennet en het hoofdvaarwegennet willen we in deze kabinetsperiode een beweging maken van aanleg naar instandhouding. Concreet is de inzet om voor deze netwerken de komende jaren financiële middelen en personele capaciteit van aanleg naar instandhouding te schuiven. Ten tweede, ook binnen de brede aanlegportefeuille van het Mobiliteitsfonds willen we een beweging maken en middelen tussen MIRT-projecten verschuiven. Redenen voor deze keuzes zijn een aantal ontwikkelingen, zoals stikstof, inflatie, arbeidsmarktkrapte en tekorten aan bouwmaterialen. Deze ontwikkelingen leiden tot kostenstijgingen en vertragingen, en daarmee onzekerheden, bij zowel de uitvoering van het huidige MIRT-portfolio als het in stand houden van de netwerken.
Het is voor beide bewegingen nog niet bekend welke projecten dit betreft. De komende maanden brengt IenW de te maken afwegingen op projectniveau nader in beeld. Zoals tijdens het debat Strategische keuzes Bereikbaarheid op 30 maart jl. toegezegd aan de Kamer gaan we met iedere provincie in gesprek. In aanloop naar het commissiedebat MIRT van 5 juli 2023 zal de Kamer over de voortgang van dit proces worden geïnformeerd.
Zou u daarbij per infrastructuurproject willen reflecteren op de impact die dit heeft?
Gezien het momenteel niet bekend is om welke projecten het gaat, is het op dit moment ook niet mogelijk te reflecteren op de impact per project.
Wat betekent dit besluit voor de uitwerking van het programma Toekomstbeeld OV 2040 en de bestuurlijke afspraken uit het MIRT?
Zoals bekend werkt de Staatssecretaris samen met alle betrokken partijen aan een herijking van het Toekomstbeeld OV 2040. Daarbij duiden we de invloed van grote ontwikkelingen zoals inflatie, arbeidsmarktkrapte en post-COVID effecten op het OV. Op de uitkomsten van de herijking kan nog niet vooruitgelopen worden. Tijdens de landelijke OV en spoortafel in september bespreekt de Staatssecretaris de eerste bevindingen vanuit de herijking met alle betrokken partijen. Over de resultaten zal de Staatssecretaris de Kamer daarna op de hoogte brengen.
Voor het MIRT geldt dat de opgaven, waar de projecten die voorlopig tot stilstand komen een oplossing voor vormen, in het MIRT zullen blijven staan. De manier waarop ze blijven staan, en daarmee de betekenis voor de bestuurlijke afspraken, is onderdeel van de uitwerking de komende maanden.
Zou u willen reflecteren op de gevolgen die dit besluit heeft voor bedrijven in de infrastructuursector, in het bijzonder voor het midden- en kleinbedrijf?
We vinden het belangrijk te zorgen voor een voldoende gevulde en stabiele ordeportefeuille voor de markt. Dit is mede reden om instandhouding van de netwerken thans de hoogste prioriteit te geven. Brancheorganisaties in de bouw hebben aangegeven de beweging van aanleg naar instandhouding te begrijpen. IenW is in gesprek met de vertegenwoordigers van brancheorganisaties in de bouw over instandhouding en specifiek de beweging van aanleg naar instandhouding.
De ervaring leert dat het midden- en kleinbedrijf bij de grotere aanlegprojecten over het algemeen als onderaannemer werkt. Het vertragen van grotere aanlegprojecten betekent mogelijk minder werk in onderaanneming. Maar zeker is dit effect niet. Het verschuiven van middelen levert immers ook meer werk op aan de instandhouding van de netwerken. Hier zitten ook kleine projecten bij. Daarnaast werken veel midden- en kleinbedrijven voor meerdere opdrachtgevers (bijvoorbeeld provincies, gemeenten, waterschappen) en in meerdere takken van de bouw (bijvoorbeeld ook woningbouw en energie). Daarmee spreiden ze het risico en regelen ze de continuïteit in de werkstroom. Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) heeft in een rapport van november 20223 een aantal goede aanbevelingen meegegeven. Rijkswaterstaat verkent samen met de brancheorganisaties wat we naar aanleiding daarvan kunnen doen.
Zou u ook middels een bredere analyse inzicht willen geven in de bredere maatschappelijke impact die dit besluit heeft voor bijvoorbeeld verkeersveiligheid en drukte in het openbaar vervoer en op de weg?
De middelen uit het coalitieakkoord voor de verbetering van de verkeersveiligheid van Rijks-N-wegen (€ 200 miljoen) laten we ongemoeid. Dat hiernaast een groot aantal projecten vertraagt zal gevolgen hebben voor de bereikbaarheid. De toekomstige bereikbaarheidsopgaven worden hierdoor vergroot. Er wordt immers ook nog een autonome groei van de mobiliteit verwacht. Omdat nog niet bekend is om welke projecten het gaat, is het op dit moment niet mogelijk om de impact nader in beeld te brengen. In algemene zin geldt dat de impact in ieder geval afhankelijk is van 1) de snelheid waarmee er in de toekomst voldoende stikstofruimte, personele capaciteit en budget is om de opgaven weer voortvarend op te kunnen pakken en 2) de mate waarin, in de tussentijd andersoortige extra maatregelen kunnen worden uitgevoerd om de bereikbaarheid op peil te houden. IenW bekijkt hoe de impact in een later stadium nader in beeld kan worden gebracht. In aanloop naar het commissiedebat MIRT van 5 juli 2023 zullen we de Kamer hier nader over informeren.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat bedrijven in de infrastructuursector, in het bijzonder het midden- en kleinbedrijf, de overgang kunnen maken naar het onderhoud van infrastructuur? Hoe gaat u deze bedrijven hierbij helpen?
IenW en Rijkswaterstaat zijn open en transparant over het werkpakket voor de sector. Op verschillende wijzen en niveaus is er structureel overleg tussen de partners. De opgave voor de instandhouding van de infrastructuur in Nederland is de afgelopen jaren geagendeerd. De onderhoudsopgave is daarmee onderwerp van gesprek tussen alle bouwbedrijven en Rijkswaterstaat. Via het programma Transitie Vitale Infra Sector zijn de infrastructuurbedrijven meegenomen in de ontwikkelingen en maatregelen.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat bedrijven in de infrastructuursector, in het bijzonder het midden- en kleinbedrijf, in voldoende mate blijven functioneren zodat zodra de uitvoering van nieuwe infrastructuurplannen wel weer doorgang kan vinden zij hier hun bijdrage aan kunnen leveren?
Belangrijk zijn in de eerste plaats de maatregelen die zorgdragen voor een continue stroom aan werken voor de instandhouding van de infrastructuur. Voorbeelden van deze maatregelen zijn de invoering van nieuwe onderhoudscontracten en het contracteren van portfolio’s van bruggen en/of sluizen. Daarnaast zijn er maatregelen voor het stimuleren van vernieuwing en verduurzaming in de infrasector. Een voorbeeld daarvan is de maatregel Schoon en Emissieloos Bouwen die alle bouwbedrijven helpt om het machinepark duurzaam te vernieuwen voor de toekomst.
De grote zorgen van 29 burgemeesters over de concentratie van acute zorg |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Begrijpt u de zorgen van 29 burgemeesters over het mogelijk verdwijnen van de spoedeisende hulpposten uit hun gemeenten?1
Ja, ik heb er begrip voor dat wijzigingen in het zorgaanbod, zoals bij het voorgenomen besluit over Gelre Ziekenhuizen in Zutphen, kunnen leiden tot emoties en zorgen. Een zorgvoorziening zoals een spoedeisende hulppost (SEH) nabij geeft een gevoel van veiligheid, dus ik snap dat burgemeesters de SEH in hun gemeente willen behouden. Ik wil benadrukken dat het geen doel op zich is van het acute zorgbeleid om SEH’s te sluiten en ik heb ook geen aanleiding om te denken dat SEH’s op grote schaal zullen sluiten. We hebben immers alle capaciteit in de acute zorg hard nodig. Het zorgaanbod is echter geen statisch gegeven en bewegingen zullen aan de orde blijven om ervoor te zorgen dat de zorg voor alle Nederlanders kwalitatief hoogwaardig, toegankelijk en betaalbaar blijft.
Kunt u reflecteren op hoe leefbaarheid in de regio en toegankelijkheid tot (acute) zorg zich tot elkaar verhouden?
Kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van acute zorg zijn alle drie van belang en al deze aspecten moeten voldoende geborgd zijn. Bij keuzes rondom de inrichting van de zorg (wat samenhangt met de mate van nabijheid van een zorglocatie) is altijd een afweging van deze aspecten aan de orde. En daarbij moet er ook rekening worden gehouden met de schaarste aan zorgpersoneel. Nabijheid van een ziekenhuis of huisartsenpost kan een positief effect hebben op de leefbaarheid van een regio, bijvoorbeeld omdat het voor werkgelegenheid zorgt en het inwoners een gevoel van veiligheid geeft.
Wanneer verwacht u met een nieuwe kwaliteitsnorm te komen ter vervanging van de 45-minutennorm?
Ik stuur uw Kamer binnenkort meer informatie over het proces om te komen tot een alternatief voor de 45-minutennorm, inclusief het tijdspad. In dit proces zal ik het perspectief van inwoners en van gemeenten zorgvuldig betrekken. In het derde kwartaal van 2023 komt Zorginstituut Nederland op mijn verzoek met een rapportage over tijdkritische aandoeningen. Deze rapportage kan de basis vormen voor nieuwe kwaliteitsnormen. Het traject zal echter breder zijn dan alleen normen voor tijdkritische aandoeningen, maar ook ingaan op nabijheid van acute zorg en leefbaarheid in de regio.
Is er een minimum aan spoedeisende hulp (SEH)-posten dat u in ieder geval wil open houden?
Nee, er is geen minimumaantal SEH’s dat ik open wil houden. Het is ook niet het doel om tot een bepaald minimaal niveau te komen. We hebben alle capaciteit in de acute zorg hard nodig. Via het Integraal Zorgakkoord zet ik in op verdere samenwerking in de acute zorgketen en mede daardoor, goede toegankelijkheid en kwaliteit van de SEH’s.
Bent u het eens dat er een noodplan moet komen om acute zorgvoorzieningen open te houden, gelet op het feit dat we deze voorzieningen zien verdwijnen en burgemeesters door heel Nederland hierover de noodklok luiden?
Een noodplan lijkt mij niet het juiste instrument. Er wordt op allerlei verschillende manieren gewerkt aan het waarborgen van de toegankelijkheid en kwaliteit van de acute zorg, zoals beschreven in het Integraal Zorgakkoord (IZA)2 en de beleidsagenda toekomstbestendige acute zorg3.
Vindt u het ook onwenselijk dat er gemeenten zijn die via de krant moeten vernemen dat er een verandering in het acute zorgaanbod in hun gemeenten plaatsvindt?
Zorgaanbieders dienen de besluitvormingsprocedure te volgen die beschreven staat in het Uitvoeringsbesluit van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling Wkkgz als zij overwegen het aanbieden van acute zorg op een bepaalde locatie geheel of gedeeltelijk te beëindigen of op te schorten.4 Hierin staat duidelijk beschreven dat colleges van burgemeesters en wethouders (hierna: colleges van B&W) in de omgeving voorafgaand aan de besluitvorming betrokken moeten worden. Dit zal in beginsel plaats moeten vinden via een door de zorgaanbieder te organiseren bijeenkomst, waarin gemeenten – als zij dat wensen – in gesprek kunnen gaan met de zorgaanbieder, om bijvoorbeeld nadere toelichting te vragen op de (onderbouwing van de) plannen, vragen te stellen over alternatieven en het toekomstige aanbod van acute zorg, suggesties te doen en risico’s te schetsen. Deze bijeenkomst dient plaats te vinden op een moment dat de betrokken gemeente nog invloed kan hebben op de besluitvorming van de zorgaanbieder. De zorgaanbieder deelt de colleges van B&W schriftelijk of elektronisch mee wat met de door hen naar voren gebrachte visies, wensen en zorgen zal worden gedaan. Indien een zorgaanbieder een definitief besluit neemt, maar het college van burgemeesters en wethouders niet heeft betrokken, dan is dat niet conform regelgeving en onwenselijk.
Wanneer de (gedeeltelijke) opschorting ten hoogste twee weken zal duren, of wanneer de gedeeltelijke beëindiging of opschorting een afname van minder dan 25% van de behandelcapaciteit voor de acute zorg inhoudt, geldt een andere procedure. In die gevallen hoeft er geen bijeenkomst te worden georganiseerd, maar worden de colleges van B&W wel schriftelijk of elektronisch geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld desgewenst te reageren richting de zorgaanbieder.
Hoe zou de betrokkenheid van gemeenten bij veranderingen in het zorgaanbod (zoals staat beschreven in de AMvB Acute Zorg) er naar uw mening moeten uitzien?
Zie het antwoord op vraag 6.
Worden gemeenten nu voldoende betrokken in besluitvorming omtrent veranderingen in het zorgaanbod? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet? En wat kunt u doen om die betrokkenheid te verbeteren?
De IGJ heeft geen signalen ontvangen dat gemeenten niet conform de geldende procedure worden betrokken bij beëindiging of opschorting van acuut zorgaanbod. In procedures waar nog geen definitief besluit is genomen, ga ik ervan uit dat zorgaanbieders alle stappen zorgvuldig volgen.
Dat neemt niet weg dat gemeenten aangeven dat zij zich onvoldoende betrokken voelen. Dat blijkt onder andere uit de berichten van de 29 burgemeesters uit de gemeenten met een regionaal ziekenhuis en van de burgemeester van Zutphen. Het is daarbij overigens voorstelbaar dat er situaties zijn waarbij het lokaal bestuur zich niet voldoende betrokken voelt, maar dat de zorgaanbieder zich wel degelijk heeft ingespannen om het lokaal bestuur goed te betrekken. De uiteindelijke uitkomst van de procedure kan, ondanks inspanningen van zorgaanbieders om gemeenten te betrekken, anders zijn dan de gemeente wenst.
Ik ben blij dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft aangegeven deel te willen nemen aan de IZA-thematafel samenwerking in de acute zorg. Op deze manier kunnen we er gezamenlijk op letten dat het perspectief van lokale bestuurders wordt meegenomen bij het uitvoeren van de acties uit het IZA.
Deelt u de mening dat betrokkenheid van gemeenten in besluitvorming over het zorgaanbod belangrijk is, omdat het zorgaanbod direct impact heeft op de leefbaarheid van een gemeente?
Ja. Daarom is het goed dat de verplichting om colleges van B&W en inwoners te betrekken sinds 1 januari 2022 is opgenomen in de procedure voor het beëindigen of opschorten van acuut zorgaanbod.
Ziet u het belang van inspraak van gemeenten in het acute zorgaanbod ook in relatie tot de afstand tussen gemeenten, hun inwoners en de nationale overheid?
Ja, dat belang zie ik. Daarom dienen zorgaanbieders de geldende procedure te volgen bij opschorting of beëindiging van acuut zorgaanbod. Op het moment dat ik uw Kamer informeer over het proces om te komen tot een alternatief voor de 45-minutennorm, zal ik toelichten hoe het perspectief van inwoners en gemeenten daarbij wordt betrokken.
De uitspraken van dhr. Samsom over verplichte uitkoop van boeren |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het advies van Diederik Samsom, kabinetschef van Eurocommissaris Timmersmans en ex-PvdA leider, om boeren verplicht uit te kopen?1
Ik was op de hoogte van het bezoek van ambtenaren van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Europese Commissie. Tijdens dat bezoek is van gedachten gewisseld over de plannen van het kabinet met betrekking tot de integrale aanpak landelijk gebied, bodem en water en de transitie van de landbouw.
Kunt u het verslag van het overleg tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de heer Samsom naar de Kamer sturen?
De Kamer wordt actief geïnformeerd over de voortgang van de transitie en de beleidskeuzes die ik maak. Ik betreur het feit dat derden de beschikking hebben gekregen over vertrouwelijke informatie. Er is een intern verslag opgesteld van het bezoek. De gesprekken met de Europese Commissie en de verslagen die daarvan worden gemaakt, zijn onderdeel van het ambtelijk beleidsvormingsproces en geen eindpunt van de gedachtenvorming op de verschillende thema’s. Voor dergelijke ambtelijke concepten geldt staand kabinetsbeleid dat deze niet worden verstrekt (Kamerstuk 34 682, nr. 11).
Wat was de aanleiding om met de heer Samsom in gesprek te gaan?
Omdat veel, zo niet alle, dossiers op het gebied van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een Europese component hebben, vinden er ambtelijk en bestuurlijk met enige regelmaat gesprekken plaats met de Europese Commissie. In deze gesprekken worden Europees en nationaal beleid op verschillende dossiers besproken en toegelicht. Dergelijke overleggen zijn bedoeld om duidelijkheid te krijgen over staand Europese beleid en dragen bij aan beter wederzijds begrip.
Op welk gezag sprak de heer Samsom?
De heer Samsom sprak vanuit zijn functie als Kabinetschef van Eurocommissaris Timmermans.
Deelt u de mening dat de Europese Commissie niet bevoegd is om voor te schrijven hoe Nederland gaat voldoen aan de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden?
Lidstaten hebben een beoordelingsruimte bij de keuze van de maatregelen om te voldoen aan de instandhoudingsdoelstellingen, als deze maar effectief zijn en doelbereik verzekeren, en als intussen maar door passende preventieve maatregelen is verzekerd dat in geen enkel Natura 2000-gebied op geen enkele locatie verslechtering van de kwaliteit van habitats plaatsvindt en significante verstoring van soorten wordt voorkomen. Bij nieuwe projecten met mogelijk significant negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied geldt bovendien dat die alleen mogen worden toegestaan als op basis van een passende beoordeling zonder redelijke wetenschappelijke twijfel kan worden uitgesloten dat aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied plaatsvindt. In deze context is er ruimte voor gedachtewisselingen en niet-bindende adviezen, maar dat doet niet af aan de bevoegdheid van de Europese Commissie om een inbreukprocedure te beginnen tegen Nederland vanwege het niet nakomen van de verplichtingen van bijvoorbeeld als het «verslechteringsverbod» niet zou worden nagekomen.
Op welke concrete punten zou Nederland een flexibele opstelling van de Europese Commissie juridisch gezien nodig hebben?
De heer Samsom heeft geschetst welke verschillende Europese regels rond onteigening en uitkoop van belang zijn en heeft gewezen op mogelijkheden voor hogere vergoedingen bij verplichte opkoop. In het gesprek in november is de integrale aanpak van het kabinet, inclusief de aanpak piekbelasting, geschetst. Daarbij is aangeven dat enige flexibiliteit in relatie tot staatssteunkaders gewenst is. De EC kijkt nu naar de regeling voor vrijwillige opkoop (Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties: LBV en LBV-plus) die momenteel het notificatieproces doorloopt.
Welke onderbouwing gaf de heer Samsom voor zijn pleidooi om te kiezen voor verplichte opkoop van boerenbedrijven?
De heer Samsom heeft geen pleidooi gehouden maar geschetst welke verschillende Europese regels rond onteigening en uitkoop van belang zijn en heeft gewezen op mogelijkheden voor hogere vergoedingen bij verplichte opkoop.
Is de veronderstelling juist dat verplichte opkoop per geïnvesteerde euro minder natuurwinst oplevert dan vrijwillige opkoop, verplaatsing, innovatie, extensivering en verbeterd natuurbeheer? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze veronderstelling is niet juist. Welke maatregelen waar nodig zijn, wordt concreet uitgewerkt op basis van de gebiedsprogramma’s van de provincies. Het kabinet neemt geen voorschot op de gebiedsprocessen door algemene uitspraken te doen, zoals hier wordt gevraagd. Rijk en provincies werken gezamenlijk uit wat de optimale mix van maatregelen is om de opgaven in een gebied te realiseren.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de Europese goedkeuring voor de voorgelegde opkoopregelingen?
De LBV en LBV-plus zijn eind vorige maand in concept voorgelegd aan de Europese Commissie in verband met de Staatsteuntoets. De gewone behandeltermijn van de Commissie bedraagt minimaal twee maanden.
In hoeverre is door de heer Samsom het bieden van ruimte voor de nationale stikstofaanpak gekoppeld aan het geven van steun aan de door de Europese Commissie voorgestelde Verordening natuurherstel?
Tijdens het gesprek is van gedachten gewisseld over de plannen van het kabinet met betrekking tot de integrale aanpak landelijk gebied, bodem en water en de transitie van de landbouw. Hierbij zijn geen verbanden gelegd met voorbehouden voor steun voor de Natuurherstelverordening.
Is er een verband tussen de druk vanuit de Europese Commissie en de terughoudendheid als het gaat om innovatieve oplossingen in de stikstofaanpak?
Terughoudendheid als het gaat om innovatieve oplossingen herken ik niet. Het kabinet acht de ontwikkeling en toepassing van innovatieve emissiereducerende technieken en managementmaatregelen van essentieel belang voor de opgave van de veehouderij om vergaand en integraal te verduurzamen. Het kabinet zet daarom in op ontwikkeling en toepassing van innovatieve technieken en managementmaatregelen. Voorwaarde voor het toepassen van emissiereducerende technieken is dat de effecten van de emissiereducerende technieken vaststaan, dat de toepassing niet leidt tot verdere achteruitgang van Natura 2000-gebieden en dat het daarmee juridisch houdbaar is. Dit is in het belang van de ondernemer zelf, om maximale zekerheid te kunnen geven over hun vergunning en om te voorkomen dat een boer een investering in een stalsysteem voor niets doet. Het kabinet heeft besloten dat natuurvergunningen voor alle nieuwe emissiearme stalsystemen alleen onder strikte voorwaarden kunnen worden verleend. Dit besluit is genomen naar aanleiding van verscheidene onderzoeken en de uitspraken van de Raad van State over de werking van emissiearme stalsystemen. Om de huidige problemen rondom het toepassen van met name staltechnieken op te lossen, is het van belang dat er zekerheid is over de prestaties van emissiereducerende technieken. Het kabinet zet daarvoor zet daarvoor de nodige stappen. Samen met experts en stakeholders wordt gewerkt aan verbetering van de systematiek van regulering. Daarnaast wordt gewerkt aan een voortoets of passende beoordeling, zodat agrarische ondernemers weten welke investeringen passen binnen het nieuwe systeem van toestemmingverlening.
Natuurherstel na drugsdumpingen |
|
Leonie Vestering (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Kent u het bericht «Boswachter, experts en bestuurders: aanpak drugsafval kan beter»1 en «Vergoeding opruimkosten drugsafval verhoogd»2?
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Kunt u aangeven welke kosten voor het opruimen van drugsafval ten lasten komen aan welke partij op basis van welke juridische verplichting en het daarbij horende wetsartikel?
Wat betreft de kosten is het uitgangspunt dat de vervuiler betaalt. Indien mogelijk worden de opruim- en saneringskosten van de bodemverontreiniging door drugsafval op de daders verhaald. Dit wordt ook wel kostenverhaal genoemd. Kostenverhaal van door de overheid gemaakte kosten van opruiming en/of sanering kan plaatsvinden door middel van het bestuursrechtelijk verhalen van de kosten van bestuursdwang of privaatrechtelijk op grond van artikel 75 Wet bodembescherming (Wbb). Dit kostenverhaal richt zich primair tot de veroorzaker.
Omdat bij drugsdumpingen de kosten niet altijd verhaald kunnen worden op de dader is er een Subsidieregeling opruiming drugsafval beschikbaar om gedupeerden te compenseren. In principe wordt zo een onschuldige eigenaar die slachtoffer is van een misdrijf niet geconfronteerd met een hoge rekening van de overheid voor kosten waarvan de eigenaar geen veroorzaker is.
In het geval van drugsafvaldumpingen zijn, afhankelijk van de specifieke omstandigheden, verschillende wetten van toepassing. Het is daarmee ook afhankelijk van de specifieke situatie wie er verantwoordelijk is voor het opruimen van het afval of voor het saneren van bodem, water of grondwater. Het is aan het bevoegd gezag en uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen, op basis van de specifieke feiten en omstandigheden, of en in hoeverre de eigenaar verantwoordelijk is.
In artikel 13 van de Wbb is de zorgplicht voor bodem en grondwater neergelegd. Deze verplichting houdt in dat de bodemhandelingen die in artikel 6 t/m 11 van de Wbb worden beschreven niet tot verontreiniging leiden. Als er toch verontreiniging optreedt, zoals bij dumpingen van drugsafval vaak het geval is, moet de veroorzaker maatregelen nemen om de verontreiniging zoveel mogelijk ongedaan te maken. Artikel 13 Wbb richt zich niet alleen op de directe veroorzaker van de vervuiling, maar ook op degene die bevoegd en feitelijk in staat is om een overtreding van de zorgplicht te voorkomen of te beperken.
Bij drugsafvallozingen in watersystemen is artikel 6.8. van de Waterwet van toepassing. Ook hier geldt de verplichting voor ieder die handelingen verricht of nalaat die tot verontreiniging van oppervlaktewater, bodem of oever kunnen leiden om deze verontreiniging en de directe gevolgen daarvan te beperken of ongedaan te maken.
Daarnaast roepen gemeenten in de praktijk soms de zorgplicht uit de Woningwet (artikel 1a) in om de rekening van opruimkosten aan de eigenaar te sturen. Die zorgplicht richt zich tot de eigenaar van een bouwwerk, erf of terrein om zorg te dragen dat diens eigendom geen gevaar voor gezondheid of veiligheid oplevert.
Welke kosten worden er vergoed vanuit de subsidieregeling voor het opruimen van drugsafval?
Op grond van de Subsidieregeling opruiming drugsafval kan subsidie worden verleend voor de kosten die gemaakt zijn voor het opruimen van drugsafval. Hieronder valt de afvoer en verwijdering van gedumpt drugsafval; de afvoer en verwijdering van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; of de sanering van de door gedumpt drugsafval verontreinigde bodem. Onder het saneren vallen ook de werkzaamheden zoals het inrichten van het saneringsterrein en na afloop oplevering van het terrein in de oorspronkelijke staat.
Waarom geldt er een maximumbedrag dat vanuit de subsidieregeling wordt vergoed en worden de kosten van drugsdumpingen in de natuur niet compleet gedragen door de overheid indien de kosten niet op de schuldige kan worden behaald, gezien de eindverantwoordelijkheid van de overheid voor de staat van de natuur?
Het maximumbedrag dat kan worden verleend voor de opruimkosten van drugsafval is 200.000 euro. Deze grens is bepaald op basis van de aanvragen die in de eerste twee jaar van de regeling zijn gedaan. Hierbij is ook gekeken naar de periode hiervoor toen provincies hun eigen subsidiestelsel hadden voor drugsdumpingen.
Als er grootschalige bodemsaneringen nodig zijn zorgt de Staatssecretaris van IenW, samen met decentrale overheden, voor maatwerk rond de financiering daarvan.
Klopt het dat grondeigenaren en terreinbeherende organisaties op grond van de Wet natuurbescherming3 verplicht zijn tot het herplanten van bomen, ook als er bomen moeten worden gekapt om de met drugsafval vervuilde grond te kunnen saneren zoals bijvoorbeeld bij de drugsput in natuurgebied de Brabantse Wal het geval is? Zo nee, hoe zit dit dan?
Er geldt in het kader van de Wet natuurbescherming buiten de bebouwde kom een herplantplicht. De eigenaar van grond waarop bomen zijn geveld, is verplicht binnen drie jaar te herplanten. Er is geen uitzondering van de herplantplicht opgenomen in de Wet natuurbescherming voor bomen die gekapt moeten worden om met drugsafval vervuilde bodem te saneren.
BNN/VARA, 25 januari 2023, Vergoeding opruimkosten drugsafval verhoogd (https://www.bnnvara.nl/vroegevogels/artikelen/vergoeding-opruimkosten-drugsafval-verhoogd).
Wat zijn de gemiddelde kosten van natuurherstel na drugsdumpingen? Hoeveel procent van de totale kosten van het opruimen van drugsafval gaat er naar natuurherstel?
In het antwoord op vraag 3 worden de subsidiabele activiteiten die gelden onder de Subsidieregeling voor de opruimkosten van drugsafval beschreven. Sinds de regeling in 2021 van start is gegaan is tot 1 mei 2023 in 43 procent van de gevallen subsidie verleend voor een bodemsanering. Kosten die zijn gemaakt voor het herstel van de bodem, zoals uiteengezet in antwoord 2, zijn hierbij vergoed of deels vergoed. De gemiddelde en procentuele kosten van het natuurstel als onderdeel van kosten van bodemsaneringen worden niet separaat bijgehouden.
Kunt u bevestigen dat de kosten voor natuurherstel na het opruimen van drugsafval niet worden vergoed vanuit de subsidieregeling? Zo ja, waarom worden de kosten voor natuurherstel niet vergoed? Zo nee, hoe zit dit dan?
Als het natuurherstel onderdeel is van de oplevering van het terrein in de oorspronkelijke staat, dan valt het onder de subsidiabele kosten zoals aangegeven in vraag 3. Als het natuurherstel geen direct verband houdt met het herstel van de bodemkwaliteit dan valt dit niet onder de Subsidieregeling.
Bent u het ermee eens dat het wrang is dat grondeigenaren de kosten van (verplicht) natuurherstel na drugsdumpingen volledig uit eigen zak moeten betalen, aangezien deze grondeigenaren over het algemeen niets te maken hebben met de drugsdump maar hier wel voor opdraaien? Zo nee, waarom niet?
Er is maar één verantwoordelijke voor een drugsdump en dat is de dader. Hoewel het Rijk geen formele verantwoordelijkheid heeft wil het kabinet niet dat onschuldigen de dupe worden van deze praktijken. Het kabinet vindt het, net als uw Kamer, onwenselijk als er door een discussie over kosten een impasse ontstaat en onschuldige burgers hieronder lijden (Kamerstuk 24 077, nr. 503). Ook kan verdere schade aan de bodem en vervuiling van het grondwater worden beperkt als gedupeerden eerder zicht hebben op compensatie en er tijdig met bodemsanering kan worden begonnen. Helaas kunnen niet alle effecten van deze criminele handelingen worden weggenomen.
Zijn er voorbeelden bekend van drugsdumpingen waarna de natuur niet is hersteld, bijvoorbeeld omdat hier geen budget meer voor was? Zo ja, wat betekent dit juridisch gezien mede vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn en het verslechteringsverbod?
Er zijn mij geen voorbeelden bekend waar geen herstel heeft plaatsgevonden vanwege budgetproblemen of dat sprake is van het verzaken van natuurherstel.
Zijn er grondeigenaren die andere juridisch verplichte activiteiten hebben verzaakt, met name inzake de Vogel- en Habitatrichtlijn, vanwege de hoge kosten voor het opruimen van drugsdumpingen en het herstel daarna? Zo nee, is het wel onderzocht? Zo ja, wat heeft u gedaan om deze grondeigenaren te ondersteunen?
Er zijn mij geen signalen bekend dat andere juridisch verplichte activiteiten zijn verzaakt. De effecten van drugsdumpingen op de doelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) worden niet apart bijgehouden.
Grondeigenaren worden door middel van een subsidieregeling ondersteund in de kosten van het opruimen van drugsafval.
Kunt u aangeven wat de gevolgen van drugsdumpingen zijn op de staat van de natuur en dan met name de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en habitats?
De negatieve gevolgen van afvaldumping voor natuur(beheer), bodem en grondwater worden op lokaal niveau in kaart gebracht. Bij lekkende vaten chemicaliën (drugsafval) en drugslozingen is er veelal sprake van verontreiniging van bodem en oppervlaktewater. Er worden zo nodig maatregelen getroffen om de negatieve gevolgen te beperken, zoals sanering van de bodem. Er is op nationaal niveau geen overzicht van de negatieve gevolgen voor de natuur in het algemeen en Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en habitats in het bijzonder.
Deelt u de mening dat het wenselijk is, onder andere vanwege de slechte staat van de natuur in Nederland, dat na sanering van de met drugs vervuilde grond de natuur zo snel mogelijk wordt hersteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u er voor zorgen dat natuurherstel zo snel als mogelijk gebeurd en hoe draagt u zorg voor monitoring en evaluatie van deze herstelde natuur?
Ik deel uw mening dat het wenselijk is dat de natuur na sanering zo snel mogelijk wordt hersteld. Met de decentralisatie zijn provincies verantwoordelijk voor het natuurbeleid en de uitvoering ervan en zij dragen zorg voor het natuurherstel en de eventuele monitoring en evaluatie hiervan.
Bent u bereid om de kosten voor natuurherstel na drugsdumpingen wel te gaan vergoeden, bijvoorbeeld door dit mee te nemen bij het vervangen van de huidige subsidieregeling door een nieuwe Rijksregeling in 2025? Zo nee, waarom niet en hoe ziet u dit?
Momenteel vinden gesprekken plaats over de inrichting van de nieuwe regeling.
Ik kan nog niet vooruitlopen op de uitkomst van deze gesprekken. Er zijn echter geen plannen om in de nieuwe Rijksregeling natuurherstel uit te sluiten.
Het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de vergoeding van een door een apotheker bereid ADHD-geneesmiddel |
|
Maarten Hijink |
|
Kuipers |
|
Bent u bekend met het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de vergoeding van een door een apotheker bereid ADHD-geneesmiddel?1
Ja.
Zijn de argumenten die het Gerechtshof in dit arrest gebruikt voor de vergoeding van magistraal bereide dexmethyfenidaat aan individuele patiënten niet ook van toepassing op de vraag wanneer taperingstrips aan individuele patiënten vergoed zouden moeten worden?
Nee. De argumenten van het Gerechtshof gaan over de vergoeding van de apotheekbereiding zelf en zijn niet zomaar van toepassing op een bepaalde verpakkingsvorm van apotheekbereidingen zoals taperingstrips.
Herinnert u zich de antwoorden van de voormalig Minister voor Medische Zorg op eerdere schriftelijke vragen over dit onderwerp, waarin hij stelt dat «Apotheekbereidingen, zoals verwerkt in een taperingstrip, […] alleen voor vergoeding in aanmerking [komen] als er geen (nagenoeg) gelijkwaardig geregistreerd geneesmiddel voorhanden is en de behandeling aan te merken is als rationele farmacotherapie»?2
Ja.
Deelt u de mening dat deze uitspraak van de voormalig Minister op losse schroeven komt te staan door het arrest, aangezien het Gerechtshof in punt 20 stelt dat «aan het criterium van de stand van de wetenschap en praktijk is voldaan indien de behandeling qua effectiviteit in ieder geval gelijk is aan de behandeling met methylfenidaat» en dat «daarvoor dus niet nodig [is] dat de behandeling met dexmethylfenidaat een meerwaarde heeft ten opzichte van de behandeling met methylfenidaat»?
Nee, die mening deel ik niet. In punt 4.20 van het arrest van het hof gaat het om de vraag of dexmethylfenidaat voldoet aan het criterium «stand van de wetenschap en praktijk» zoals opgenomen in artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering (Bzv). De uitspraak van de toenmalige Minister voor Medische Zorg over apotheekbereidingen betrof het criterium dat is opgenomen in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel d, Bzv, namelijk of een geneesmiddel gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig is aan enig niet aangewezen, geregistreerd geneesmiddel; in dat geval is de apotheekbereiding immers uitgesloten van farmaceutische zorg.
Betekent het feit dat het gerechtshof in punt 4.24 van het arrest stelt dat «het oordeel van de behandelend arts het uitgangspunt is bij het antwoord op de vraag of in een concreet geval de verzekerde redelijkerwijs op een bepaalde vorm van zorg is aangewezen' volgens u dat het oordeel van de behandelend arts ook het uitgangspunt zou moeten zijn bij de vraag of taperingstrips voor een individuele patiënt zouden moeten worden vergoed?
Nee. De stelling van het hof in punt 2.24 betreft het vereiste dat de verzekerde slechts recht op zorg uit het basispakket heeft voor zover hij daarop naar inhoud en omvang redelijkerwijs is aangewezen. Dit vereiste van – kortweg – een medische indicatie is neergelegd in artikel 2.1, derde lid, Bzv. Het oordeel van de behandelend arts bepaalt echter niet wat de inhoud en omvang van het basispakket is. Daarvoor gelden onder meer ook de criteria die in de bovenstaande antwoorden aan de orde waren, zoals de «stand van de wetenschap en praktijk» en rationele farmacotherapie. Wat betreft de «stand van de wetenschap en praktijk» wordt opgemerkt dat een taperingstrip te vergelijken is met een baxterrol. Het is een verpakkingsvorm die het gebruik van medicatie voor de patiënt eenvoudiger maakt. Volgens bijna alle veldpartijen is er op dit moment onvoldoende wetenschappelijk bewijs over de meest effectieve manier van het afbouwen van medicatie en dus ook geen bewijs dat een taperingstrip het afbouwproces van een patiënt beter laat verlopen dan bij het niet gebruiken van een taperingstrip.
Wat zeggen de volgende uitspraken van het Gerechtshof, te weten: «dat niet op dat groepsniveau, maar op het niveau van de individuele verzekerde bepaald dient te worden of sprake is van uitwisselbaarheid» en dat de door de zorgverzekeraars bepleite systematiek waarin «aan een verzekerde (de vergoeding van) een vorm van zorg [wordt] onthouden alleen in verband met de hoogte van de daaraan verbonden kosten, wat in strijd is met het stelsel van de Zvw» volgens u over het gebruik van het argument van kosteneffectiviteit op groepsniveau in andere contexten? Betekent dit dat het argument van kosteneffectiviteit op groepsniveau ook niet langer kan worden gebruikt om het niet vergoeden van taperingstrips of andere typen zorg aan individuele patiënten te legitimeren?
Kosteneffectiviteit is één van de pakketcriteria die gehanteerd worden bij adviezen van het Zorginstituut Nederland over beslissingen van rijkswege met betrekking tot de samenstelling van het basispakket van de zorgverzekering. De andere pakketcriteria zijn noodzakelijkheid, effectiviteit en uitvoerbaarheid. Alleen de effectiviteit is wettelijk vastgelegd, te weten door het vereiste dat voldaan moet worden aan de «stand van de wetenschap en praktijk» (artikel 2.1, tweede lid, Bzv). Net als de effectiviteit wordt de kosteneffectiviteit altijd op groepsniveau beoordeeld.
Zoals in het antwoord op de vorige vraag opgemerkt, zijn taperingstrips niet bewezen effectief. Dat wil zeggen dat zij niet voldoen aan de «stand van de wetenschap en praktijk».
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het pakketcriterium kosteneffectiviteit onderscheiden dient te worden van het vereiste van de «meest economische keuze voor de zorgverzekeraar onderscheidenlijk de patiënt» zoals dat geldt bij de beoordeling van rationele farmacotherapie.
Bent u bereid om met de zorgverzekeraars die taperingstrips aan individuele patiënten momenteel (grotendeels) niet vergoeden op basis van generieke overwegingen op groepsniveau in gesprek te gaan over wat deze uitspraak betekent voor de vergoeding van taperingstrips?
Ik ga ervanuit dat zorgverzekeraars kennis hebben genomen van het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de consequenties daarvan bezien voor de uitvoering die zij aan hun zorgverzekeringen geven. Het is hun verantwoordelijkheid om eventuele verzoeken van individuele verzekerden om vergoeding van taperingstrips te beoordelen.
Is het arrest van het Hof aanleiding voor u om in gesprek te gaan met het Zorginstituut Nederland en de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) over het feit dat zij tot nog toe altijd generieke negatieve adviezen hebben gegeven over vergoeding van taperingstrips, op basis van overwegingen op groepsniveau, waarbij zij aan het oordeel van de behandelaar over de individuele patiënt geen waarde hechten?
Tot nu toe heeft Zorginstituut Nederland geen advies gegeven over de vergoeding van taperingstrips. Het Zorginstituut ziet daar ook geen aanleiding toe omdat veldpartijen in 2018 een multidisciplinair document hebben opgesteld dat handvatten geeft over de afbouw van twee veelgebruikte groepen antidepressiva (SSRI’s en SNRI’s). Zoals ik in mijn recente Kamerbrief3 over dit onderwerp heb aangegeven, spreekt het Zorginstituut op dit moment met betrokken partijen over de evaluatie van dit document en zal het Zorginstituut daar binnenkort een veldbijeenkomst over organiseren.
De SKGZ brengt geen generieke adviezen uit over de vergoeding van taperingstrips, maar oordeelt per definitie in een individuele casus tussen een verzekeraar en een verzekerde.
Het Zorginstituut en de SKGZ voeren hun taken onafhankelijk uit. Het is niet gepast dat ik met hen in gesprek ga om inhoudelijke aanwijzingen te geven hoe zij hun taken moeten uitvoeren.
Bent u bereid om deze vragen ieder afzonderlijk te beantwoorden?
Ja, dat heb ik gedaan.
Het toestaan dat raadsleden voor een gemeenschappelijke regeling werken |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «PvdA’er moet gemeenteraad na negen jaar plots verlaten: «Raken veel ervaring kwijt. Een groot verlies»»1 en de «Circulaire wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur»?2
Ja.
Hoe verhoudt het vertrek van het genoemde raadslid zich tot het door u gestelde dat de wetswijziging niet tot doel heeft de toegang tot democratische rechten te beperken en «dat iemand die raadslid is in Amsterdam, wel degelijk kan werken voor de vervoerregio Amsterdam, zij het dat hij als ambtenaar niet in een verantwoordingsrelatie ten opzichte van (een lid van) het gemeentebestuur van Amsterdam mag staan»?3
Het doel van de betreffende wettelijke bepaling – artikel 13 Gemeentewet – is het borgen van de zuivere verhoudingen tussen onder meer het bestuur en de volksvertegenwoordiging. Zonder wettelijke voorziening zou het voor kunnen komen dat iemand zowel raadslid is als op een bepaalde manier werkzaamheden verricht voor het college van dezelfde gemeente als ambtenaar, bijvoorbeeld vanuit een samenwerkingsverband. Op dat moment kunnen voor het raadslid de verhoudingen tussen het bestuur en de volksvertegenwoordiging door elkaar lopen en dat is onwenselijk in een gedualiseerd stelsel waarin beide organen onafhankelijk van elkaar functioneren. Een raadslid moet zijn werk onafhankelijk kunnen doen en het college kunnen aanspreken op diens functioneren. Dat is niet goed mogelijk wanneer dit raadslid in zijn of haar werk als ambtenaar opdrachten uitvoert van het college of leden van het college. Tegelijkertijd is met deze wetswijziging uitdrukkelijk niet beoogd het voor raadsleden onmogelijk te maken werkzaamheden te verrichten bij een samenwerkingsverband, zoals de vervoerregio Amsterdam. Dit blijft mogelijk, zolang het raadslid dit maar niet specifiek doet ten behoeve van bestuurders van de gemeente waar hij of zij tevens raadslid is.
Hoe kan binnen een gemeenschappelijke regeling waarvoor een raadslid werkt gescheiden worden wat wel en niet werk ten behoeve van een specifieke gemeente is?
De Gemeentewet regelt sinds 1 januari jl. dat een raadslid die tevens ambtenaar is bij een gemeenschappelijke regeling, als ambtenaar niet werkzaam mag zijn ten behoeve van de gemeente waar hij of zij raadslid is. Dat betekent echter niet dat een raadslid nooit werkzaam kan zijn bij een gemeenschappelijke regeling waar de gemeente waar hij of zij raadslid is bij is aangesloten. Waar het om gaat is dat de werkzaamheden die het raadslid als ambtenaar verricht niet ten behoeve van de eigen gemeente zijn. Of daarvan sprake is in een concreet geval, hangt af van de precieze functie en het takenpakket van de ambtenaar. Het doel van de regeling is dat het betreffende raadslid het werk onafhankelijk kan doen van het gemeentebestuur van de gemeente waarin hij raadslid is.4 Hij moet met andere woorden niet ondergeschikt zijn aan (een lid van) het gemeentebestuur. Er is een grote variëteit aan gemeenschappelijke regelingen. Het aantal samenwerkende gemeenten, het takenpakket en de organisatie kunnen daarom sterk van elkaar verschillen. Een algeheel verbod voor raadsleden om werkzaam te zijn voor een gemeenschappelijke regeling waarin de gemeente participeert, zou daarom te ver voeren. Taken die gericht zijn op de gemeenschappelijke regeling als geheel en niet zijn uit te splitsen in werkzaamheden voor afzonderlijke deelnemende gemeenten, zijn onder het huidige wettelijk kader in de Gemeentewet niet problematisch, mits het raadslid daarbij niet onder directe aansturing van een bestuurder uit diens eigen gemeente staat. Dat geldt ook voor taken die specifiek gericht zijn op een van de andere gemeenten dan de gemeente waar de ambtenaar raadslid is. Als binnen een gemeenschappelijke regeling echter werkzaamheden zijn aan te wijzen die gericht zijn op afzonderlijke gemeenten, dan dient een ambtenaar die specifieke werkzaamheden niet te verrichten voor de gemeente waar hij of zij raadslid is.
Deelt u de conclusie van de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden en de Vereniging van Griffiers «dat alleen wanneer er sprake is van een directe hiërarchische relatie in de werkfunctie van het raadslid en het gemeentebestuur er een probleem kan ontstaan»?4 Zo ja, wat voegt de nieuwe wet dan toe ten opzichte van de oude situatie? Zo nee, waarom niet en hoe legt u de wet dan wel uit?
Die conclusie deel ik niet volledig. Sinds 1 januari jl. staat expliciet in de Gemeentewet dat het verboden is als ambtenaar rechtstreeks werkzaamheden te verrichten ten behoeve van het gemeentebestuur waar iemand ook raadslid is, zoals bij een samenwerkingsverband het geval kan zijn. Vóór de wetswijziging bepaalde de wet al dat een raadslid niet in dienst van het gemeentebestuur of op een andere manier daaraan ondergeschikt mocht zijn. Met deze wijziging is in de wet verduidelijkt wanneer een raadslid wel en niet werkzaam kan zijn bij een samenwerkingsverband en wordt aangesloten bij de in veel gevallen reeds bestaande praktijk. Het criterium dat een raadslid als ambtenaar van een gemeenschappelijke regeling niet werkzaam mag zijn ten behoeve van de gemeente waar hij raadslid is, betreft een verduidelijkend criterium dat volgt uit de norm dat een raadslid niet werkzaam kan zijn onder de directe verantwoordelijkheid van een lid van het gemeentebestuur van de gemeente waar hij raadslid is. Ik ga in overleg met de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden en de Vereniging van Griffiers, om een eenduidige interpretatie en toepassing van het gewijzigde artikel 13 Gemeentewet te waarborgen.
Zijn u meer signalen bekend van raadsleden die vanwege de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur niet langer voor een gemeenschappelijke regeling mochten werken? Zo ja, welke signalen betreft dat?
Mijn ministerie heeft enkele vragen gekregen vanuit gemeenten over hoe de gewijzigde regeling voor onverenigbare betrekkingen in de Gemeentewet precies moet worden uitgelegd. Mij zijn echter niet meer concrete gevallen bekend van raadsleden die hun functie bij een gemeenschappelijke regeling hebben moeten neerleggen. Ik kan mij wel voorstellen dat de wetswijziging op dit punt ertoe heeft geleid dat een aantal raadsleden zijn werkzaamheden voor een gemeenschappelijke regeling heeft moeten aanpassen.
Bent u bekend met de overweging dat een gemeente wel deze beperking oplegt aan gemeenteraadsleden maar niet aan commissieleden? Zo ja, waarom maken gemeenten dit verschil en wat is uw opvatting daarover?
Artikel 13 Gemeentewet ziet op de onverenigbare betrekkingen en beoogt de zuiverheid tussen de verschillende overheidslagen en -organen te waarborgen, waaronder die tussen het college en de raad. Commissieleden (niet zijnde raadsleden) vallen daar niet onder, omdat zij geen lid zijn van de raad en omdat zij werkzaamheden verrichten ter voorbereiding op de uiteindelijke besluitvorming door de raad zelf. Daarmee doet het loyaliteitsconflict dat een raadslid ervaart wanneer deze de eigen werkgever moet controleren zich minder snel voor. De raad bepaalt als instellend orgaan op welke manier hij een raadscommissie inricht en of hij sommige bepalingen uit de Gemeentewet al dan niet van overeenkomstige toepassing verklaart voor commissieleden. Het staat de raad dus vrij om te bepalen of de onverenigbare betrekkingen ook van toepassing zijn op commissieleden. Hierdoor kunnen er tussen gemeenten verschillen bestaan.
Bent u bereid om te onderzoeken hoeveel raadsleden vanwege de genoemde wet niet langer lid van de gemeenteraad konden blijven en daarbij tevens in kaart brengen hoe de verhouding van dat raadslid als medewerker van een gemeenschappelijke regeling tot het gemeentebestuur was?
Op dit moment heb ik geen concrete plannen voor een dergelijk onderzoek. Wel blijf ik uiteraard alert op signalen vanuit de praktijk over de gevolgen die de wetswijziging met betrekking tot onverenigbare betrekkingen heeft in concrete gevallen. Hiertoe heeft mijn ministerie onder meer regelmatig contact met de VNG over dit onderwerp. Op basis van de signalen die ik tot nog toe heb ontvangen, zie ik nog geen aanleiding voor een uitgebreid onderzoek.
Kunt u aan de hand van duidelijke criteria en met behulp van concrete voorbeelden richtlijnen opstellen over wanneer een raadslid wel en wanneer niet voor een gemeenschappelijke regeling mag werken? Kunt u dit ook doen voor de leden van provinciale staten en de besturen van waterschappen?
Gelet op het antwoord op vraag 5 zijn mij op dit moment niet meer signalen bekend van lokale overheden waarbij de toepassing van deze wijziging een probleem is. Daarom houd ik de komende tijd in de gaten of de casuïstiek zich vaker zal voordoen. Dit doe ik in nauw overleg met de VNG. Daarnaast zal ik, zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, in overleg gaan met de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden en de Vereniging van Griffiers om er zorg voor te dragen dat artikel 13 van de Gemeentewet eenduidig wordt geïnterpreteerd.
Hoe kan worden voorkomen dat door de genoemde wet gemeenteraadsleden te veel beperkt worden om er een betrekking op na te houden of dat het politieke ambt te veel aan aantrekkelijkheid verliest omdat zij onnodig worden belemmerd terwijl zij een verenigbare functie bij een gemeenschappelijke regeling hebben?
De bepalingen over onverenigbare betrekkingen beogen de zuiverheid tussen de verschillende overheidslagen en -organen te waarborgen, waaronder die tussen het college en de raad. Hierbij is van belang dat een raadslid niet ondergeschikt is aan (een lid van) het gemeentebestuur. Deze omschrijving leidde in de praktijk tot onduidelijkheid. Met de wijziging van artikel 13 van de Gemeentewet is daarom beoogd meer helderheid te verschaffen over wat wel en niet mogelijk is. Daarbij is juist gekozen om geen onnodige belemmeringen te veroorzaken voor het raadslidmaatschap door geen absoluut verbod in te voeren.
Het raadslidmaatschap is een deeltijdfunctie en ik hecht er zeer aan dat het mogelijk en aantrekkelijk blijft om naast een baan actief te worden als volksvertegenwoordiger op lokaal niveau. Om die reden is ook nadrukkelijk niet gekozen voor een absoluut verbod voor raadsleden om werkzaam te zijn bij een gemeenschappelijke regeling waar de gemeente waar hij of zij raadslid is onder valt. De huidige regeling biedt meer ruimte voor maatwerk. Indien een ambtenaar bij een gemeenschappelijke regeling tevens raadslid is, is het raadzaam dat de betreffende ambtenaar hierover afspraken maakt met zijn of haar werkgever. In veel gevallen zal het niet noodzakelijk zijn om de werkzaamheden voor de gemeenschappelijke regeling volledig te beëindigen, maar kan ook aan de wettelijke regeling worden voldaan door het takenpakket te wijzigen of werkzaamheden op enige afstand van het dagelijks bestuur te organiseren.
De uitspraak dat (ook) de politie bij sociale mediabedrijven de status heeft van ‘trusted flagger’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met haar antwoord op het verzoek van de Kamer de meldingen die de politie in haar hoedanigheid van «trusted flagger» heeft verstuurd sinds 2020 naar sociale mediabedrijven naar de Kamer te sturen) waarin ze schrijft: «de politie [registreert] de gevraagde informatie niet op zodanige wijze dat de informatie uit de politiesystemen gehaald kan worden»?1
Ja, ik ben bekend met de antwoorden die ik zelf heb gegeven op de eerder door Kamerlid Van Houwelingen gestelde vragen.
Hoe verhoudt uw antwoord zich tot de Archiefwet en de Wet Open Overheid? Is de politie in het kader van deze wetten niet verplicht de gevraagde informatie zodanig te registreren dat de informatie door de Kamer kan worden opgevraagd?
Er zijn op dit moment geen wettelijke bepalingen, ook niet in de Archiefwet en de Wet Open Overheid, die een verplichting bevatten voor de politie om deze meldingen dusdanig te registreren dat de politie in staat is om hiervan een juist en volledig overzicht te genereren op grond van de informatie in de politiesystemen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze informatie door de Kamer bij de politie opgevraagd kan worden?
Op dit moment zie ik geen reden om politie te verplichten ervoor te zorgen dat de gevraagde gegevens eenvoudig uit haar systemen kunnen worden gehaald. Zie verder mijn antwoord onder vraag 4.
Bent u, aangezien de politie hier blijkbaar zélf niet toe in staat is, bereid sociale mediabedrijven te benaderen en hen te vragen deze door de Kamer gevraagde informatie te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
Ik ben altijd bereid om in gesprek te gaan met social mediabedrijven over het beleid dat ze voeren rondom inhoudsmoderatie. Op dit moment zijn ze echter niet wettelijk verplicht om de door hen ontvangen meldingen te registreren en daarover te rapporteren. Vanaf februari 2024 verplicht de digitaledienstenverordening aanbieders van tussenhandeldiensten wel om minimaal een keer paar jaar te rapporteren over eventuele inhoudsmoderatie die zij hebben uitgevoerd en dienen zij die openbaar te maken. Vanaf dat moment kan de Kamer deze rapporten op de sites van die diensten inzien.
Kunt u deze vragen binnen drie weken en afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De verkiezingen in Limburg |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat er bij de verkiezingen voor het Waterschap Limburg dertigduizend (!) stemmen bij verkeerde partijen terecht zijn gekomen?1
Ik ben ermee bekend dat de eerste voorlopige (niet-officiële) uitslagen van de verkiezing voor het algemeen bestuur van waterschap Limburg afwijken van de officiële verkiezingsuitslag. Ik heb contact laten zoeken met Waterschap Limburg, en kan u op basis daarvan als volgt berichten over de oorzaak van deze verschillen.
Na elke verkiezing maken gemeenten in de avond/nacht na de stemming dan wel daags na de stemming voorlopige uitslagen bekend, en geven die door aan een of meer media (waaronder het ANP). Deze voorlopige uitslagen zijn gebaseerd op eerste voorlopige, niet-officiële tellingen van de stembureaus op de avond van de stemming. Het gaat om tellingen op lijstniveau, die de stembureaus hebben verricht nadat zij de stembiljetten hebben uitgevouwen en op de juiste stapel hebben gelegd. De stembureaus geven deze voorlopige uitslagen door aan de gemeente (en gaan vervolgens verder met de officiële tellingen, waarvan zij de resultaten noteren in hun proces-verbaal); de gemeente op haar beurt maakt de voorlopige uitslagen bekend en geeft die door aan de media. In feite is het doorgeven van deze voorlopige uitslagen niets meer dan een service aan de media en het publiek, die benieuwd zijn naar de eerste resultaten van de verkiezingen.
Waterschap Limburg heeft op vrijdag 17 maart 2023 een voorlopige uitslag bekendgemaakt die was gebaseerd op de hierboven bedoelde voorlopige uitslagen die de Limburgse gemeenten op woensdag 15 en donderdag 16 maart hebben doorgegeven. Deze zijn door functionarissen van het waterschap verwerkt in een zelfgemaakte spreadsheet, waarin echter helaas een fout bleek te zitten. Ook is geconstateerd dat in de voorlopige uitslagen van enkele gemeenten niet alle stembureaus waren meegenomen, en dat de door één gemeente doorgegeven voorlopige uitslag fouten bevatte. Dat werd pas ontdekt toen het centraal stembureau voor de waterschapsverkiezing op maandag 20 maart de officiële uitkomsten van de gemeenten binnenkreeg. Dit verklaart de grote verschillen tussen de voorlopige uitslag en de definitieve uitslag, die het centraal stembureau uiteindelijk op vrijdag 24 maart heeft vastgesteld.
Bent u bekend met signalen dat er naast grote wanordelijkheden bij het tellen van de stemmen voor het Waterschap Limburg ook signalen zijn voor fouten bij het tellen van de stemmen voor de provinciale staten Limburg?
Ik heb contact laten zoeken met het centraal stembureau voor de provinciale statenverkiezing in Limburg. Daaruit is mij gebleken dat er, los van het feit dat het tellen van de stemmen in veel stembureaus op de avond/nacht na de stemming erg lang duurde, en los van enkele terugverwijzingen door het centraal stembureau vanwege kleine (tel)fouten (op grond van artikel P 1e, tweede lid, van de Kieswet), geen sprake is van grote fouten of problemen bij het tellen van de stemmen voor de provinciale statenverkiezing in Limburg. Er zijn door belangstellenden ook geen bezwaren ingediend tijdens de zitting van het centraal stembureau tot vaststelling van de uitslag van deze verkiezing.
Deelt u de mening dat dit het vertrouwen in de politiek ernstig schaadt? Zo ja, heeft u de bereidheid om de provinciale staten Limburg, maar zeker het Waterschap Limburg te verzoeken om bij Limburgse gemeenten aan te dringen op het hertellen van stemmen? Graag een gedetailleerd antwoord.
Ik deel de mening dat het erg vervelend is dat de voorlopige uitslagen van de waterschapsverkiezing in Limburg zo sterk afweken van de officiële uitslag. Alleen het centraal stembureau of het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing is gehouden kunnen besluiten tot een hertelling. Het past mij als Minister van BZK niet om daarop aan te dringen, nog los van de vraag of daar – gegeven mijn antwoorden op de vragen 1 en 2 – aanleiding voor zou zijn.
Bent u bekend met het item van De Avondshow met Arjen Lubach waarin pure catfishing door het CDA wordt blootgelegd?2
Ik ben bekend met het item van De Avondshow met Arjen Lubach waarnaar de vragensteller verwijst. Het item stelt aan de orde dat er aan de verkiezingen van het algemeen bestuur van Waterschap Limburg negen partijen hebben meegedaan waarvan de lijstnaam begint met «Waterbelang», gevolgd door de regio waar de kandidaten vandaan komen. De kandidaten zouden tevens actief zijn voor en/of lid zijn van het CDA.
De Kieswet staat niet aan deze werkwijze in de weg. Ik heb momenteel geen voornemens voor beperkende regelgeving op dit punt. Die zou in de praktijk al snel neerkomen op een verbod voor kandidaten van een bepaalde politieke groepering om tevens lid te zijn van of actief voor een andere politieke groepering. In het algemeen ben ik er wel voorstander van dat politieke partijen zo open mogelijk zijn over eventuele samenwerkingsverbanden met andere politieke partijen.
Wat vindt u van het feit het CDA negen (!) «lokale partijen» heeft opgericht, allen beginnend met waterbelang, met als doel de kiezer te misleiden om zo toch de stemmen naar het CDA te laten gaan? Graag in uw antwoord of u voornemens bent deze pure misleiding aan banden te leggen.
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat Waterbelang heeft meegedaan met 128 kandidaten en dat dit aantal boven het door de Kiesraad vastgestelde maximum ligt?
Het klopt dat de partijen waarvan de lijstnaam begint met «Waterbelang» in totaal 128 personen hebben gekandideerd voor de waterschapsverkiezing in Limburg. Ingevolge artikel H 6, tweede lid, van de Kieswet, mogen op eenzelfde lijst de namen van ten hoogste vijftig kandidaten worden geplaatst. Er is niet gehandeld in strijd met deze bepaling. Het gaat immers om negen verschillende lijsten. Er is geen sprake van een door de Kiesraad vastgesteld maximum, noch van een bevoegdheid van de Kiesraad om dergelijke maxima voor te schrijven.
Het bericht ‘Meer geld naar gokreclames in aanloop naar verbod’ |
|
Michiel van Nispen , Songül Mutluer (PvdA), Mirjam Bikker (CU) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht: «Meer geld naar gokreclames in aanloop naar verbod»?1
Ja.
Wat vindt u van dit bericht?
Het bericht schetst een beeld van de ontwikkelingen op het gebied van reclames voor online kansspelen sinds het opengaan van de markt in 2021. Daarbij wordt gekeken naar de uitgaven voor deze reclames. De uitgaves van aanbieders van kansspelen aan marketing maken echter niet inzichtelijk wie met die reclames wordt bereikt. Ik vind het belangrijker om te kijken naar aantallen reclames voor risicovolle kansspelen, omdat een grote hoeveelheid ongerichte reclames het risico meebrengt dat kwetsbare groepen hieraan worden blootgesteld. Daarom werk ik ook aan het verbod op ongerichte reclame voor online kansspelen. Dit verbod treedt uiterlijk op 1 juli 2023 in werking.
Wat zegt het u dat ondanks beloftes van en afspraken met de gokbranche de uitgaven aan gokreclames de afgelopen maanden toch zijn toegenomen? Wat laat dit zien over het vermogen van de gokbranche om tot uniforme zelfregulering over te gaan?
Zoals uit het artikel blijkt, heeft zelfregulering van de brancheorganisaties een belangrijk, maar uiteindelijk beperkt effect op het beperken van reclame. Dit komt doordat niet alle aanbieders voor kansspelen op afstand gebonden zijn aan de zelfregulerende maatregelen. Dit is bijvoorbeeld de reden waarom er nog buitenreclames te zien zijn. Ik juich de inspanningen van de brancheorganisaties tot zelfregulerende maatregelen toe. Om alle partijen te binden aan de noodzakelijke beperkingen van reclames voor online kansspelen zijn echter verdergaande aanscherpingen nodig in het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen.
Deelt u de grote zorgen dat het langer tonen van reclames en het stoppen van meer geld in gokreclames, leidt tot meer blootstelling van jongeren en andere kwetsbare groepen aan gokken? Welk effect denk u dat dit heeft?
De zorgen over het tonen van ongerichte reclames deel ik. Met name jongeren, maar ook andere kwetsbare groepenzijn gevoelig voor werving en reclame. Daarom wordt uiterlijk op 1 juli 2023 ook een verbod op ongerichte reclame voor online kansspelen van kracht.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de kanalisatiedoelstelling van de Wet Kansspelen op afstand?
Het beschermen van kwetsbare groepen is een belangrijk uitgangspunt in het kansspelbeleid. Daarom worden nu maatregelen genomen om deze groepen beter te beschermen. Tegelijkertijd blijft enige mate van reclame nodig om spelers te kunnen leiden naar het legale aanbod, waarbij waarborgen zijn getroffen voor consumentenbescherming, verslavingspreventie en het voorkomen van criminaliteit. Ervaringen in andere landen, zoals Italië, hebben laten zien dat een totaalverbod op reclame leidt tot een toename van spelers bij illegale partijen. Het is wat betreft reclame dus nodig om een balans in te vinden in bescherming van kwetsbare groepen en het belang van kanalisatie richting legaal aanbod. Daarom monitor ik de ontwikkelingen op het gebied van kansspelen op afstand nauwgezet.
Toont dit bericht niet onomstotelijk aan dat we het niet van zelfregulering hebben te verwachten wanneer we de stortvloed aan gokreclames willen beteugelen en dat de goksector de lachende derde is op dit moment?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven zijn aanscherpingen nodig om alle partijen te binden aan de beperkingen op het gebied van reclames. Deze aanscherpingen komen er uiterlijk per 1 juli 2023, met het verbod op ongerichte reclames voor online kansspelen.
Hoe kan het dat onlangs eerdere beloftes van een verbod op 1 januari 2023 (gedaan op 8 juli 2022) of februari/maart 2023 (gedaan op 6 oktober 2022) er nog steeds geen verbod op gokreclames ligt waar de Kamer nu al zo lang in meerderheid op aandringt?
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State eind december 2022 moest een aantal punten nader worden uitgewerkt. De Afdeling adviseert onder andere in de toelichting in te gaan op de te verwachten effectiviteit en handhaafbaarheid van het verbod op ongerichte reclame. Zo was ten aanzien van internet-reclame onvoldoende duidelijk wat van de aanbieder van online kansspelen met name bij reclame op internet mag of moet worden verwacht, in hoeverre het onderscheid gericht/ongericht te maken is en hoe in dat verband het verbod zou moeten worden gehandhaafd. In verband daarmee was aanpassing wenselijk van de toelichting en het ontwerpbesluit. Dat vergt zorgvuldigheid, waarbij proportionaliteit en uitvoerbaarheid randvoorwaardelijk zijn. Het verbod op ongerichte reclame voor online kansspelen wordt binnenkort vastgesteld en treedt uiterlijk per 1 juli 2023 in werking.
Is de datum van 1 juli 2023 nu wél een definitieve datum?
Ja.
Wat zegt het u dat ook staatsdeelnemingen Toto en Holland Casino samen nog voor 50 miljoen adverteerden en daarmee in de top 5 van adverteerders staan? Wat is er terechtgekomen van de uitvoering van de motie-Grinwis/Alkaya (Kamerstuknummer 28 165, nr. 366) die de regering juist opriep zich hard te maken voor een terughoudender en minder wervende inzet van gokreclames door de staatsdeelnemingen Nederlandse Loterij en Holland Casino?
De Staatssecretaris van Financiën heeft als aandeelhouder van deze twee staatsdeelnemingen verschillende keren zijn zorgen geuit over de hoeveelheid reclame en opgeroepen tot matiging, ook rondom het WK voetbal voor mannen. Van de staatsdeelnemingen mag immers een voorbeeldrol worden verwacht. Tegelijkertijd is het maken van reclame voor deze deelnemingen wel toegestaan zolang deze reclames passen binnen de kaders van wet- en regelgeving. Reclame zorgt er immers voor dat personen die willen deelnemen aan kansspelen kennis kunnen nemen van het legale aanbod en draagt daarmee bij aan kanalisatie.
Wat gaat u nu al doen, nu het verbod steeds langer op zich laat wachten, om de hausse aan gokreclames verder in te dammen?
In het afgelopen jaar heb ik de sector meermaals opgeroepen zich te matigen, in het bijzonder tijdens het WK voetbal voor mannen. De twee brancheorganisaties voor online kansspelen VNLOK en NOGA hebben deze oproep ter harte genomen en hun leden laten bijvoorbeeld geen buitenreclame meer zien. Helaas zijn er ook partijen die geen lid zijn van een brancheorganisatie en die zijn doorgegaan met het vertonen van dergelijke ongerichte reclame. Zoals gezegd zie ik algemeen verbindende regels als enige passende oplossing hiervoor. Hier richt ik mij nu dus op.
Kunt u deze vragen op korte termijn maar in ieder geval uiterlijk voor dinsdag 28 maart 2023 12:00 uur beantwoorden?
Nee, ik heb deze vragen niet binnen de door u gevraagde termijn van twee werkdagen, maar wel op de zo kort mogelijkste termijn beantwoord.
De vele berichten van ongeregeldheden, excessief geweld en het nederzettingenbeleid van de nieuwe Israëlische regering in de bezette Westelijke Jordaanoever |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Herinnert u zich uw antwoorden op de gestelde vragen over de vele berichten van ongeregeldheden, excessief geweld en het nederzettingenbeleid van de nieuwe Israëlische regering in de bezette Westelijke Jordaanoever?1
Ja.
Zou u, gelet op onze Grondwet, onze toewijding en commitment aan de internationale rechtsorde en de Nederlandse mensenrechten strategie willen proberen deze vragen opnieuw te beantwoorden, zeker nu zelfs de Verenigde Staten het niet bij woorden laten en een eerste maatregel nemen door de Israëlische ambassadeur te ontbieden?
Voor de verantwoording verwijs ik naar de reeds gegeven beantwoording van deze Kamervragen. Sinds deze beantwoording is het kabinet de ontwikkelingen in Israël en de Palestijnse Gebieden, inclusief de recente gebeurtenissen bij de Al-Aqsa moskee tijdens de religieuze feestdagen, nauwlettend blijven volgen en heeft beide partijen tot kalmte en de-escalatie gemaand. Nederland heeft Israël bovendien opgeroepen geen actieve opvolging te geven aan de voorgenomen kabinetsplannen die een vreedzame en duurzame oplossing nog verder op afstand plaatsen. Dat heb ik ook persoonlijk gedaan, meest recentelijk richting mijn Israëlische counterpart op 17 april jl. Nederland heeft tevens in EU-verband voorgesteld om deze boodschap gezamenlijk aan Israël over te brengen, bijvoorbeeld ten aanzien van de aanpassing van de 2005 Gaza Disengagement Law en de invoering van de doodstaf voor terrorisme.
Kunt u deze vragen met spoed en afzonderlijk beantwoorden?
Er is getracht zo snel mogelijk en afzonderlijk antwoord te geven.
Sanctie-ontwijking door Iran |
|
Jasper van Dijk |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
Wat is uw oordeel over de uitzending van Zembla «Sluiproute Iran» van 16 maart jl.?1
Alhoewel het kabinet zich niet in het geschetste beeld herkent, wil het zich onthouden van een inhoudelijk oordeel over televisie-uitzendingen.
Zijn de activiteiten van dit Iraanse handelskantoor bij u bekend c.q. worden deze activiteiten in de gaten gehouden in het kader van sanctiehandhaving?
Over individuele gevallen kan het kabinet geen uitspraken doen. In zijn algemeenheid geldt dat het primair aan marktpartijen zelf is om naleving van sancties te waarborgen. Daarop wordt door de overheid toezicht gehouden en vindt handhaving plaats. Bedrijven moeten zelf onderzoek doen om te voorkomen dat zij meewerken aan sanctieomzeiling en mogelijk in overtreding kunnen zijn van de Wet op economische delicten (Wed). De verantwoordelijkheid van de overheid voor sanctietoezicht en -handhaving is belegd bij verschillende instanties.
Waarom heeft u deze misstand niet onderzocht en aan de Kamer gemeld?
Over individuele gevallen kan het kabinet geen uitspraken doen, noch aan de Kamer rapporteren. In de uitzending van Zembla wordt het beeld geschetst dat het Iraanse Revolutionaire Garde Korps (IRGC) geld zou verdienen met oliehandel via Nederland. In algemene zin geldt dat de IRGC sinds 26 juli 2010 door de EU gesanctioneerd is vanwege betrokkenheid bij het Iraanse nucleaire programma en het programma voor ballistische raketten. Het is daarmee in beginsel niet toegestaan om direct of indirect tegoeden of economische middelen ter beschikking te stellen aan de IRGC. Het zou uitermate onwenselijk zijn als via Nederland dergelijke sancties worden ontweken. Als er aanwijzingen zijn dat sancties niet worden nageleefd, wordt er onderzoek gedaan, en waar nodig wordt er handhavend opgetreden. Indien sprake is van een overtreding van de Wet op economische delicten, kunnen individuen ook strafrechtelijk worden vervolgd.
Klopt de bewering in deze uitzending dat vermoedelijke sanctie-ontwijking door een bedrijf in olie- en gasapparatuur in Zierikzee is gemeld aan het ministerie? Klopt de bewering dat met die melding niets is gedaan? Zo ja, waarom niet?
Over individuele gevallen kan het kabinet geen uitspraken doen. In algemene zin geldt dat er onderzoek wordt gedaan bij eventuele aanwijzingen dat sancties niet worden nageleefd. Waar nodig en voor zover mogelijk wordt er handhavend opgetreden. Indien sprake is van een overtreding van de Wet op economische delicten, kunnen en worden individuen ook strafrechtelijk vervolgd.
Klopt de bewering van de documentaire, dat Nederlandse sancties tegen Iran vaker niet worden gehandhaafd en dat handel met Iraanse bedrijven op de sanctielijst niet altijd bestraft wordt?
Het kabinet deelt de constatering niet dat sancties in Nederland niet goed zouden worden gehandhaafd. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 3. Als er aanwijzingen zijn dat sancties niet worden nageleefd, wordt er onderzoek gedaan, en waar nodig en voor zover mogelijk wordt er handhavend opgetreden. Indien sprake is van een overtreding van de Wet op economische delicten, kunnen en worden individuen ook strafrechtelijk vervolgd. Daarnaast kan het OM besluiten om lichtere overtredingen buitengerechtelijk af te doen, door middel van een transactie. Dergelijke transacties worden echter niet openbaar gemaakt.
Zijn er meer gevallen bekend van bedrijven in Nederland die meewerken aan het omzeilen van sancties tegen Iran?
Over individuele gevallen kan het kabinet geen uitspraken doen. In algemene zin geldt dat overtredingen van sanctiemaatregelen helaas voorkomen. Zoals ook uit het antwoord op vraag 5 blijkt, wordt daar op gehandhaafd en in sommige gevallen kan dit ook aanleiding zijn voor strafrechtelijke vervolging. De afgelopen jaren zijn er diverse strafrechtelijke onderzoeken ingesteld naar overtredingen van de sanctiemaatregelen.
Deelt u de mening dat er bij de harde woorden van Nederland over de wandaden van de Revolutionaire Garde ook daden gevoegd moeten worden? En dat we de Revolutionaire Garde dus moeten raken waar het pijn doet: door de olie-industrie waar zij financieel op leunen met sancties af te knijpen?
Ja. Dat is waarom Nederland een van de initiatiefnemers is geweest voor het grote aantal sancties ten aanzien van kopstukken van de IRGC die onder het EU-mensenrechtensanctieregime zijn aangenomen sinds het begin van de protesten in Iran. Daarnaast geldt dat de IRGC al sinds 26 juli 2010 door de EU is gesanctioneerd vanwege haar verantwoordelijkheid voor het Iraanse nucleaire programma en het programma voor ballistische raketten. Specifieke onderdelen van de IRGC zijn bovendien eigenstandig onder verschillende EU-sanctieregimes gesanctioneerd. De IRGC Qods Force, de buitenlandtak van de IRGC, is bijvoorbeeld op basis van het EU Syrië-sanctieregime gesanctioneerd en de IRGC luchtmacht is onder de Ruslandsancties gesanctioneerd in relatie tot de militaire steun aan Rusland ten behoeve van de oorlog in Oekraïne. In navolging van deze sancties is het in beginsel niet toegestaan om direct of indirect tegoeden of economische middelen ter beschikking te stellen aan de IRGC.
Bent u bereid om een serieus onderzoek in te stellen naar omzeilingsroutes van sancties in Nederland en de handhaving van het verbod op omzeiling? Bent u tevens bereid om over de voortgang van dit onderzoek te rapporteren aan de Kamer?
Het tegengaan van sanctie-omzeiling is volledig ingebed in de Nederlandse handhavingsaanpak. Verschillende uitvoeringsinstanties houden zich bezig met toezicht en handhaving op omzeiling van sanctiemaatregelen. Zo is de Douane extra alert op specifieke wijzigingen in de handelsstromen, en controleert zij op het risico van het gebruik van uitwijklanden. Recent heeft Nederland in de EU voorstellen gedaan om sanctie-ontwijking op verschillende niveaus nog actiever tegen te gaan. Deze voorstellen zijn met Uw Kamer gedeeld (bijlage bij Kamerstuk 36 045, nr. 151). Indien er informatie beschikbaar is dat er toch sancties worden overtreden, dan kan deze informatie worden gemeld en zal hier voor zover mogelijk altijd onderzoek naar worden gedaan. Over de uitkomsten van individuele zaken kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Het bericht dat de politie meekeek in chatgroepen van Extinction Rebellion |
|
Hind Dekker-Abdulaziz (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat de politie meekeek in chatgroepen van Extinction Rebellion?1
Ja.
Kunt u toelichten of de beschreven methodiek, het infiltreren in chatgroepen, vaker wordt gebruikt bij demonstraties? Zo nee, kunt u toelichten in hoeverre een demonstratie van andere belangengroepen waar strafbare feiten worden gepleegd, verschilt van de demonstratie van Extinction Rebellion?
Het meekijken in chatgroepen wordt toegepast in diverse online groepen, afhankelijk van de te verwachten ernstige verstoring van de openbare orde en/ of het plegen van misdrijven. Het behoort tot de taak van de politie om dit te kunnen signaleren en vervolgens te kunnen optreden. Uiteraard dient dit te geschieden binnen de wettelijke kaders en met inachtneming van proportionaliteit en subsidiariteit.
Kunt u reageren op het commentaar van Amnesty International?
Amnesty International heeft aangegeven dat de politie de vreedzaamheid van de demonstratie niet als uitgangspunt neemt en demonstranten ziet als een potentieel risico. Voorop staat dat het demonstratierecht in ons land een groot goed is en bescherming geniet. De politie heeft een belangrijke rol bij het handhaven van de openbare orde bij demonstraties met het oog op een ieders veiligheid. De politie treedt daarbij op onder het gezag van de burgermeester. Deze neemt de mogelijke inzet van de politie bij het handhaven van de openbare orde en veiligheid mee in de afweging bij het faciliteren van demonstraties. Om een juiste inschatting te maken welke maatregelen moeten worden genomen en hoeveel politie aanwezig moet zijn teneinde de veiligheid van demonstranten en anderen te kunnen waarborgen is informatie nodig. Bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde treedt de politie op onder het gezag van de officier van justitie. In beide kaders dienen wettelijke bevoegdheden op proportionele wijze en met in achtneming van de uitgangspunten van het grondwettelijk demonstratierecht te worden toegepast. De beoordeling daarvan in een concreet geval is aan de politie en het gezag.
In hoeverre acht u deze maatregel doelmatig en proportioneel?
Deze afweging wordt niet door mij gemaakt, maar door de politie onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Bij wie dit gezag berust en hoe dit wordt ingevuld verschilt per politietaak. Het gezag voor de handhaving van de openbare orde berust bij de burgemeester. Voor de rechtshandhaving is dit de officier van justitie. Binnen het wettelijk kader behorend bij de taak dienen wettelijke bevoegdheden (indien aanwezig) op proportionele wijze en met in achtneming van de uitgangspunten van het grondwettelijk demonstratierecht te worden toegepast. De beoordeling in het concrete geval is aan de politie en het gezag. De politie maakt hierbij gebruik van interne werkinstructies. Dit betreffen geen openbare documenten.
Kunt u toelichten hoe de beslisboom om deze maatregel in te zetten verloopt? Wordt de Minister daar vooraf van op de hoogte gebracht?
Zie antwoord vraag 4.
Leerlingen van het speciaal onderwijs die noodgedwongen thuiszitten |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat ieder kind het recht heeft om naar school te gaan en dat het daarom des te kwalijker is dat Nederland vele duizenden «thuiszitters» telt?
Deze mening deel ik. Geen kind zou zonder onderwijs of ontwikkeling thuis moeten zitten. Toch komt dit nog te vaak voor. Vorig jaar heb ik een daarom aangescherpte aanpak verzuim gestart.1 De maatregelen werk ik momenteel uit. In de brief die ik u recent heb gestuurd heb ik u nader geïnformeerd over de stand van zaken hierover.2
Hoe beoordeelt u in dit licht het bericht van de Ambelt-scholen in Zwolle, die een wachtlijst hebben, waardoor ruim vijftig kinderen niet naar speciaal onderwijs kunnen en soms noodgedwongen thuiszitten?1
Het mag niet zo zijn dat een leerling wanneer hij op een wachtlijst staat thuis komt te zitten. De school waar de leerling ingeschreven staat heeft wanneer er geen plek is in het speciaal onderwijs een verantwoordelijkheid om de (daarna) best passende oplossing te vinden, bijvoorbeeld met extra ondersteuning in het regulier onderwijs, zodat de leerling zich zo goed mogelijk kan blijven ontwikkelen. Dit kan ook een tijdelijke oplossing zijn, vooruitlopend op een structurele oplossing.
Ik herken overigens het signaal dat de Ambelt-scholen afgeven over de stijgende aanmeldingen. Er kloppen meer regio’s bij mij aan met vergelijkbare signalen.
Daarom vind ik het belangrijk om zicht te krijgen op de omvang van en redenen achter de wachtlijsten in alle regio’s in het land. Die redenen zijn namelijk niet altijd duidelijk en in ieder geval complex.
Op dit moment vraag ik alle (v)so-scholen naar hun eventuele wachtlijst en de redenen daarvoor. Ik roep alle (v)so-scholen dan ook op om mee te werken, zodat hier een beter beeld van komt. Ik verwacht de cijfers over de wachtlijsten in mei te hebben. Naar aanleiding van de resultaten van de uitkomsten van de monitor ga ik daarna op korte termijn met de betrokkenen het gesprek aan over de acties die nodig zijn. Ik informeer uw Kamer daarover voor de zomer.
Deelt u de mening dat dagbesteding ergens anders voor de betrokken leerlingen geen volwaardig alternatief kan vormen voor onderwijs? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan? Zo neen, waarom niet?
Voor leerlingen die een toelaatbaarheidsverklaring voor het (v)so hebben gekregen moet het uitgangspunt onderwijs zijn. In die gevallen is dagbesteding inderdaad geen volwaardig alternatief. Deze leerlingen moeten niet worden uitgeschreven op hun huidige school zolang er geen passende oplossing is gevonden, en de huidige school moet tot die oplossing is er alles aan doen om de leerling onderwijs te bieden en zich te laten ontwikkelen. Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Hoe verklaart u dat de Ambelt-scholen altijd veel aanmeldingen krijgen van andere scholen van leerlingen die kampen met gedragsproblemen? Is er daar buitenproportioneel minder sprake van inclusief onderwijs dan elders?
Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het onderwijs in deze regio minder inclusief is dan elders. Ik hoor breder in het regulier onderwijs dat het gegeven uitdagingen zoals het lerarentekort, grote klassen en nasleep van corona erg lastig kan zijn om leerlingen met zwaardere ondersteuningsbehoeften binnen de school te houden.
De Ambelt-scholen hebben, net zoals veel scholen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, een belangrijke regionale functie. In het speciaal onderwijs is daarmee het regionaal het aanbod beperkter dan voor het regulier onderwijs. Een andere verklaring is dat deze regio (net als andere regio’s) intensief bezig is met het toeleiden van kinderen en jongeren met een vrijstelling 5 onder a naar het onderwijs. Het gaat soms om jongeren die al jaren thuis zitten, en bij terugstroom in het onderwijs gespecialiseerde ondersteuning in het (v)so nodig hebben. Het terugleiden an sich is positief, maar zet wel druk op het (v)so.
Zouden de krappe arbeidsmarkt en het gebrek aan lesruimte, die worden aangevoerd als verklaring voor de gesignaleerde problematiek, door het betrokken samenwerkingsverband kunnen worden opgelost, als deze met meer geld over de brug zou komen voor de Ambelt-scholen? Zo neen, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting ligt bij de gemeente en niet bij het samenwerkingsverband. Hierbij is er dan ook geen formele rol voor het samenwerkingsverband passend onderwijs. Ook extra geld is hierbij niet per se de oplossing. Immers, schoolgebouwen moeten aan bepaalde eisen voldoen, en daarmee is het aantal gebouwen dat hiervoor geschikt is dus beperkt. Bij een stijgend leerlingaantal, kan het dus voorkomen dat de grenzen van de onderwijshuisvesting worden bereikt. Zeker als dat, zoals in dit geval, tijdens het schooljaar gebeurt. Ik zal op korte termijn bij de betrokken gemeente wel aandacht vragen voor de situatie.
De krappe arbeidsmarkt en de tekorten binnen het onderwijs kunnen het uitbreiden van het onderwijsaanbod bemoeilijken. Mijn collega Minister Dijkgraaf en ik doen er alles aan om samen met alle partijen in het onderwijs de tekorten aan te pakken. Zo investeren wij in de salarissen, in de ontwikkeling van onderwijspersoneel, maar bijvoorbeeld ook in zij-instroom. De subsidie voor scholen die een zij-instromer aanstellen is dit jaar verhoogd van € 20.000 naar € 25.000. In het (v)so wordt hier nog relatief minder gebruik van gemaakt, daar liggen nog kansen. Er zijn wel voorbeelden waar hier wel invulling van worden gemaakt. Zo hebben (v)so-scholen in Rotterdam en Den Haag afspraken gemaakt met de pabo’s voor een zij-instroomtraject voor het (v)so. Ik zal er op inzetten dat meer (v)so-scholen hier gebruik van gaan maken.
Daarnaast versterken we de regionale aanpak omdat scholen de tekorten niet alleen kunnen oplossen. Voor meer maatwerk en door het bundelen van krachten in plaats van te concurreren kunnen tekorten worden aangepakt.4 Ook voor dit onderwerp ligt het niet voor de hand om het samenwerkingsverband passend onderwijs een rol te geven, aangezien dit niet tot hun verantwoordelijkheid en expertise behoort.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat van 5 april a.s. over passend onderwijs?
Ja
De verblijfplaats van ‘Bolle Jos’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Wie is voortvluchtige Bolle Jos. Cokekoning van Antwerpse Haven.»1 en «Politie komt met recordbeloning voor gouden tip die naar Bolle Jos leidt.»2
Ja.
Waarom wordt een recordbeloning uitgeloofd in de zoektocht naar Jos L., terwijl duidelijk is dat hij in Turkije verblijft?
Op grond van art. 1 sub a, 3, ix van de Circulaire Bijzondere Opsporingsgelden is het mogelijk om tipgeld toe te kennen voor inlichtingen die hebben geleid tot de aanhouding van gezochte en/of gesignaleerde personen. Hiervoor geldt een door het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie (OM) bepaald richtlijnbedrag (tipgeld) waarvan kan worden afgeweken indien de noodzakelijkheid van de aanhouding in combinatie met de ernst van het gepleegde misdrijf of te plegen feiten daartoe aanleiding geven. De verdenkingen die tegen Jos L. zijn gerezen, zowel waar het gaat om reeds gepleegde feiten, als waar het gaat om de actuele dreiging, zijn dermate ernstig dat dit een substantiële verhoging van het tipgeld rechtvaardigde. Indien de verblijfplaats van een gezochte en/of gesignaleerde persoon bekend is, wordt er uiteraard geen tipgeld uitgeloofd.
Klopt het dat Jos L. ten minste één keer is aangehouden in Turkije, maar de Turkse autoriteiten hem vrij hebben gelaten?
Uw vraag ziet op een individuele zaak. Over lopende strafrechtelijke procedures kan ik geen uitspraken doen. Daarnaast kan ik niet inhoudelijk ingaan op vragen die zien op mogelijke (strafrechtelijke) acties die wel of niet zijn uitgevoerd in een ander land.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat voortvluchtige Nederlandse verdachten daadwerkelijk door Turkije, waar Nederland een uitleveringsverdrag mee heeft, worden aangehouden, vastgehouden en uitgeleverd?
Het voorkomen van straffeloosheid acht ik van groot belang en hiervoor blijf ik mij ook inzetten. Uitlevering is in dit kader een belangrijk instrument. Zeker wanneer het gaat om de aanpak van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, is internationale samenwerking van groot belang. Het is bovendien een gedeeld belang van landen wereldwijd om middels de inzet van internationale samenwerking straffeloosheid te voorkomen.
Uitlevering kan enkel plaatsvinden op grond van een verdrag tussen twee of meer staten. Tussen Nederland en Turkije is het Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV) van kracht. Op grond van dit verdrag zijn verdragsstaten in beginsel verplicht, overeenkomstig de regels en voorwaarden in het verdrag, tot uitlevering over te gaan ten behoeve van vervolging van een strafbaar feit of ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel. Uiteraard kan aan deze verplichting alleen worden voldaan als vast is komen te staan dat de voortvluchtige persoon zich daadwerkelijk in het aangezochte land bevindt en indien de uitlevering conform alle gestelde regels en voorwaarden kan plaatsvinden.
In het algemeen kan ik opmerken dat mijn ministerie als centrale autoriteit in nauw contact staat met centrale autoriteiten in andere landen, om zaken onder de aandacht te brengen en om er voor te zorgen dat de juiste informatie bij de juiste autoriteit beschikbaar is. Bij uitleveringsprocedures is tijdige informatiedeling en het delen van de juiste documenten met de buitenlandse autoriteiten essentieel. In de praktijk werken de Nederlandse politie, het OM, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en mijn ministerie nauw samen om dit te bewerkstelligen. Het is aan de autoriteiten van het aangezochte land om de nationale (gerechtelijke) procedures te volgen, waarbij het uitleveringsverzoek wordt getoetst en wordt uitgevoerd als aan alle regels en voorwaarden is voldaan.
Daarnaast kan ik het volgende aangeven over de aanloop naar een eventuele uitlevering. Indien er sprake is van een voorvluchtige Nederlandse verdachte, heeft het Openbaar Ministerie de mogelijkheid om deze persoon op de Nationale Opsporingslijst te zetten. Daarnaast is het mogelijk om een internationaal opsporingsbevel uit te vaardigen. Indien er aanwijzingen zijn dat een voorvluchtige Nederlandse verdachte zich in het buitenland bevindt en Nederland met dit land een uitleveringsverdrag heeft, dan kan Nederland overgaan tot het uitvaardigen van een uitleveringsverzoek aan het desbetreffende land. In het uitleveringsverzoek zal Nederland het betreffende land verzoeken om over te gaan tot aanhouding van de persoon om vervolgens een uitleveringsprocedure te starten ten behoeve van uitlevering van deze persoon aan Nederland. Mijn ministerie als centrale autoriteit zal in dit proces nauw contact onderhouden met de centrale autoriteit van het aangezochte land. Hierbij zal regelmatig worden gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot eventueel gestarte (strafrechtelijke) procedures, tot het moment waarop de feitelijke uitlevering heeft plaatsgevonden.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat Nederlandse voortvluchtige verdachten, zeker die op de Nationale Opsporingslijst staan, ongeacht het land waarin zij verblijven ook daadwerkelijk worden uitgeleverd?
Zie antwoord vraag 4.
De stijging van het aantal afwijzingen van visumaanvragen van Surinamers |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kunt u het bericht dat onze partij ter ore is gekomen bevestigen dat, sinds de beoordeling van visumaanvragen voor kort verblijf in Nederland vanuit Suriname niet meer plaatsvindt op de ambassade in Paramaribo maar in Den Haag, het aantal afwijzingen in ongeveer vier jaar tijd is verdriedubbeld van 6% naar 18% van alle aanvragen?
Het klopt dat het weigeringspercentage van visumaanvragen van Surinamers in de afgelopen jaren is toegenomen.
2022
2021
2020
2019
2018
2017
17,4%
19,7%
17,8%
9,6%
8,9%
5,5%
Wat is uw reactie en analyse op deze bevinding?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft het wereldwijde visum-beslisproces sinds 2017 stapsgewijs gecentraliseerd. In dat kader is in september 2017 het visumbeslisproces van de ambassade in Suriname overgeheveld naar de Consulaire Service Organisatie (CSO) in Den Haag. Het weigeringspercentage van visumaanvragen is echter onafhankelijk van de locatie waar de beslissing op de aanvraag wordt genomen (bij de ambassade of bij de CSO). Elke visumaanvraag wordt op zijn eigen merites beoordeeld op basis van de EU-Visumcode door daartoe opgeleide beslismedewerkers met kennis van de lokale context in Suriname. Op aanvragen die aan de Europese vereisten voor visumverlening voldoen, zal in de regel positief worden beslist. Als dat niet het geval is, zal de visumaanvraag moeten worden geweigerd.
Welke oorzaken liggen ten grondslag aan deze sterke groei van het aantal afwijzingen?
In de afgelopen jaren is een stijging waarneembaar van het aantal incompleet ingediende visumdossiers. Als gevolg hiervan kan veelal het reisdoel en de terugkeer niet voldoende worden beoordeeld en wordt de visumaanvraag geweigerd. Dit blijkt ook een van de voornaamste redenen voor de weigering van een Schengenvisum.
Het is belangrijk dat visumaanvragers geïnformeerd worden over de documenten die bij een visumaanvraag moeten worden overlegd. Informatie hierover is voor aanvragers te vinden op de websites van de externe dienstverlener in Suriname (VFS Global) en van Nederland Wereldwijd, evenals in de bevestigingsmail van de afspraak voor het indienen van de visumaanvraag.
Wat is uw mening over het feit dat sinds de verwerking van visumaanvragen uit Suriname door het private bedrijf VFS Global wordt gedaan, Surinamers 30 Euro extra moeten betalen aan visumleges – voor velen erg veel geld, dat bij afwijzing ook niet teruggestort wordt? Vindt u het eerlijk dat het besluit om de verwerking van aanvragen uit te besteden leidt tot hogere kosten voor de aanvrager?
Bij het Schengenvisumproces wordt door Nederland, evenals door andere Schengenlanden, wereldwijd samengewerkt met externe dienstverleners. De inzet van een externe dienstverlener (EDV) is inmiddels de norm geworden. De EU-Visumcode biedt daartoe de mogelijkheid. De dienstverlening door externe dienstverleners, tegen betaling van een service fee, wordt door visumaanvragers veelal als positief ervaren. Het ruime aanbod aan EDV-locaties in de wereld bespaart aanvragers tijd en (hogere) reis- en verblijfskosten voor het indienen van een visumaanvraag, omdat men hiervoor niet meer naar een ambassade hoeft te reizen. Daarnaast kan men bij een een externe dienstverlener extra diensten afnemen. Zo is het VFS-kantoor in Suriname tijdens piekperiodes ook op zaterdag geopend, kan er online een afspraak gemaakt worden, zijn er kopieer- en printmogelijkheden en kunnen de beslissingen van de CSO op de aanvragen klantvriendelijk worden geretourneerd per post of koerierdienst.
De service fee is een vergoeding voor de dienstverleningskosten die door de externe dienstverleners worden gemaakt. Het in rekening brengen van een service fee door de externe dienstverlener is in overeenstemming met art.17 van de Visumcode.
De service fee voor de externe dienstverlener maakt geen onderdeel uit van de visumleges. Deze laatste is bepaald bij art. 16 van de Visumcode. De service fee wordt niet terugbetaald, ook niet in geval van een visumweigering.
Hoe gaat u om met spoedaanvragen voor bijvoorbeeld begrafenissen of andere familiale omstandigheden? Kunt u ons cijfers geven over de hoeveelheid spoedaanvragen en het aantal goedgekeurde spoedaanvragen?
Spoedeisende visumaanvragen worden niet als zodanig geregistreerd. Wel wordt – zoals dat ook het geval was gedurende de Covid-pandemie – voor urgente familieredenen (zoals bij overlijden of het bijwonen van begrafenissen) zoveel mogelijk maatwerk geboden, waardoor aanvragers met voorrang een afspraak kunnen maken en er snel wordt beslist op een dergelijke aanvraag. Hierbij speelt de ambassade een actieve rol.
Wat is uw reactie op de mogelijkheid dat het grote percentage afwijzingen van visumaanvragen van Surinamers te maken heeft met het feit dat lokaal ambassadepersoneel aanvragen beter in kan schatten vanwege contextuele kennis dan personeel op afstand in Den Haag? Bent u bereid dit verder te onderzoeken? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Nederlandse ambassades en consulaten leveren een belangrijke bijdrage aan het borgen van actuele kennis over de lokale omstandigheden bij de beslismedewerkers bij de CSO. Dit geldt ook voor de ambassade in Paramaribo. Er is geen aanleiding dit verder te onderzoeken. Zie ook het antwoord op de vragen 2 en 3.
Gaat u onderzoeken in hoeverre institutioneel racisme op het Ministerie van Buitenlandse Zaken de beoordeling van visumaanvragen van Surinamers beïnvloedt, gezien het recente rapport «Racisme bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken: een verkennend onderzoek» (december 2022) impliceert dat racistische opvattingen, vooroordelen en vooringenomenheid ook kunnen bestaan bij personeel dat visumaanvragen behandelt? Zo ja, op welke termijn? Zo niet, kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de CSO wordt, ook gezien de grote mate van diversiteit van de medewerkers, veel aandacht besteed aan een veilige werkomgeving waarin geen ruimte is voor discriminatie. Het Racismerapport, diversiteit en inclusiviteit zijn onderwerpen die nadrukkelijk op de agenda staan. In dit kader worden door de CSO ook unconscious bias-workshops georganiseerd.
Binnen de CSO wordt door verschillende regionale teams beslist. Zij toetsen de aanvragen op basis van objectieve beoordelingscriteria, die vastgelegd zijn in de EU-Visumcode, en op basis van lokale informatie die binnen de regionale teams voorhanden is. Er zijn voldoende waarborgen in het proces die vooringenomenheid of vooroordelen uitsluiten.
Kunt u toelichten in hoeverre er sprake is van een ontwikkeling waarbij ambassades de behandeling en beoordeling van visumaanvragen uitbesteden? Is hier sprake van groei, en kunt u toelichten wat de redenen zijn voor ambassades om de beoordeling van visumaanvragen in Den Haag te laten doen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft het visumbeslisproces sinds 2017 stapsgewijs gecentraliseerd (in overeenstemming met de mogelijkheden die de EU-Visumcode hiertoe biedt). Dit betreft geen uitbesteding naar externe partijen maar overheveling naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag. De beslissingen op visumaanvragen worden niet meer genomen door de posten, maar centraal door de beslismedewerkers bij de CSO in Den Haag in samenwerking met andere ketenpartners. Daarbij wordt ervoor zorg gedragen dat actuele lokale informatie over de context waarin de aanvraag is gedaan voldoende is gewaarborgd voor een gedegen informatiepositie van de beslismedewerkers bij de CSO. Het voordeel van centraal beslissen op visumaanvragen is naast harmonisatie van het visumproces en de CSO als kenniscentrum, een objectievere beoordeling van de visumaanvragen door een gescheiden front- en back-office. Het enige wat is uitbesteed is de inname van de aanvraag (zie antwoord op vraag 4).
Is een vergelijkbare groei in afwijzingen te zien bij visumaanvragen uit andere landen waarbij, net als bij Suriname, de beoordeling van aanvragen plaatsvindt in Den Haag en niet op de ambassade van het desbetreffende land? Kunt u deze toelichten? Kunt u hierbij specifiek ingaan op landen wiens inwoners vaak een nauwe familieband hebben in Nederland, zoals Turkije, Marokko en Indonesië?
De toe- of afname van afwijzingen varieert per land. Uit onderstaande tabel blijkt dat het weigeringspercentage van Indonesië en Turkije een stijging vertoont. Voor Marokko vertoont het weigeringspercentage vanaf 2020 een daling.
Land
2022
2021
2020
2019
2018
2017
Marokko
25,3%
22,5%
37,4%
33,8%
29,6%
22,4%
Indonesië
7,5%
6,3%
3,2%
2,4%
2,9%
1,7%
Turkije
18,5%
19,1%
18,9%
15,8%
11,9%
8,9%
Welke mogelijkheden ziet u om visumaanvragen weer te behandelen in het land waarin de aanvraag is gedaan? Kunt u uw antwoord toelichten, inclusief op welke termijn dit weer mogelijk is?
Het weer behandelen van visumaanvragen door de ambassades is niet aan de orde. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Welke mogelijkheden ziet u om de kosten voor visumaanvragen voor de aanvrager weer terug te brengen door de verwerking hiervan niet uit te besteden aan commerciële bedrijven?
Met het centraliseren van het visumbeslisproces naar de CSO in Den Haag en het wereldwijd uitbesteden van de inname van aanvragen aan externe dienstverleners, is de rol van de posten en daarmee de personele capaciteit van de ambassades in het visumproces beperkter geworden. Het beëindigen van de inzet van externe dienstverleners zou resulteren in een aanzienlijke vermindering van de dienstverlening aan visumplichtige burgers. Zo zou het aantal visumaanvragen dat kan worden ingenomen via de ambassades lager zijn dan wanneer gebruik wordt gemaakt van een externe dienstverlener. Daarnaast zouden aanvragers weer (verder) moeten reizen om de visumaanvraag in te dienen bij de ambassades en daarvoor hogere kosten voor reis en verblijf moeten betalen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Het plotseling afbreken van een kankerbehandeling zonder overleg met de patiënt |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met de Radar-uitzending van maandag 13 maart waaruit blijkt dat de chemotherapiebehandeling ongevraagd werd stopgezet door een zorgaanbieder in Duitsland1?
Ja.
Kunt u zich voorstellen wat het plotseling stopzetten van een kankerbehandeling bij ernstig zieke patiënten teweeg brengt?
Een behandeling die al gestart is, mag niet worden onderbroken door onduidelijkheden over de vergoeding. Daarom is in art. 13 lid 5 van de Zorgverzekeringswet bepaald dat als een overeenkomst tussen een zorgverzekeraar en een aanbieder wordt beëindigd, een verzekerde die op dat moment al zorg ontvangt van deze aanbieder, recht houdt op zorgverlening door die aanbieder voor rekening van deze zorgverzekeraar.
In deze casus was er sprake van een misverstand. Omdat er verschillen zijn tussen het Nederlandse en Duitse zorgsysteem, zijn er tussen de zorgaanbieder en zorgverzekeraar afspraken dat voor een beperkt aantal specifieke behandelingen vooraf toestemming dient te worden aangevraagd. Dit om te toetsen of deze behandelingen voor vergoeding vanuit de Nederlandse Zorgverzekeringswet in aanmerking komen.
Bij de aanvang van de behandeling in 2022 is deze toestemming niet gevraagd, maar pas in januari 2023. Bij de zorgverzekeraar was in januari 2023 niet bekend dat deze patiënt al in behandeling was bij deze zorgaanbieder; daarom is deze aanvraag door de zorgverzekeraar behandeld als een aanvraag voor een nieuwe behandeling in plaats van voor een vervolgbehandeling.
Na de opheldering van dit misverstand is de behandelaanvraag door de zorgverzekeraar alsnog goedgekeurd en wordt deze vergoed. Tevens heeft overleg plaatsgevonden met de Duitse partijen om ervoor te zorgen dat in het vervolg de toestemming tijdig aangevraagd wordt zodat voorkomen wordt dat patiënten hierdoor gedupeerd worden.
Vindt u het normaal dat een kankerbehandeling wordt onderbroken als er onduidelijkheden optreden over de vergoeding tussen een zorgaanbieder en een zorgverzekeraar?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens dat de zorgverzekeraar zich in deze casus niet aan zijn zorgplicht heeft gehouden? Zo ja, heeft u de zorgverzekeraar daar al op aangesproken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom accepteert u dat zorgverzekeraars niet tijdig duidelijkheid verschaffen over hun zorgcontracteringen? Hoe gaat u dit verbeteren en wat worden de consequenties voor verzekeraars die niet tijdig (dus vóór het overstapseizoen) duidelijk maken welke zorgaanbieders wel en niet gecontracteerd zijn?
Zorgverzekeraars moeten hun (aspirant) verzekerden goed informeren voor welke zorgaanbieders de zorg wel en voor welke (nog) niet volledig vergoed wordt. In de Regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten (TH/NR-022) van de NZa is bepaald dat zorgverzekeraars hun verzekerden goed moeten informeren over de vergoedingen van zorg die voor de polis gelden.
Deze informatieverplichting betreft onder meer informatie over gecontracteerd zorgaanbod en de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorgaanbieders. Ook moeten zij hun verzekerden tijdig informeren over eventuele nadelige wijzigingen in de polisvoorwaarden die voor de verzekerden van belang zijn. Tevens is in de Regeling transparantie zorgaanbieders (TH/NR-018) bepaald dat zorgaanbieders de consument moeten informeren over datgene wat voor de consument van belang is om een weloverwogen keuze te maken voor zorg. Daarbij kan worden gedacht aan eventuele eigen betalingen, indien er geen contract is met de zorgverzekeraar.
Zowel de zorgverzekeraar als de zorgaanbieder hebben een rol bij het informeren van de verzekerden en patiënten. Dat gaat helaas nog niet altijd goed. In het Ingegraal Zorgakkoord (IZA) zijn daarom afspraken gemaakt om de informatie aan verzekerden te verbeteren. Daarbij is bijvoorbeeld afgesproken dat de IZA-partijen samen een voorlichtingsprogramma organiseren dat er op gericht is verzekerden voor te lichten over de financiële risico’s als zij kiezen voor niet-gecontracteerde zorg. Als zij kiezen voor gecontracteerde zorg zijn deze risico’s niet aanwezig. In de voorlichting wordt de nadruk gelegd op situaties en locaties waar het financiële risico van niet-gecontracteerde zorg zich voor de verzekerde voor kan doen, zoals bij verwijzers en tijdens het overstapseizoen. Ook zijn in IZA afspraken gemaakt om het contracteerproces te verbeteren, waarmee partijen inmiddels gezamenlijk aan de slag zijn gegaan.
Waarom lukt het zorgverzekeraars en zorgaanbieders niet om hun financiële belangen en conflicten op te lossen zonder dat de patiënt hiervan de dupe wordt en wat kunt u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 5.
Wat voor gevolgen heeft deze casus voor de zorgverzekeraar en het Zorgloket Duitsland?
Zie mijn antwoord op vraag 2, 3 en 4.
Deelt u de mening dat de behandeling van ernstig zieke patiënten voorop moet staan en dat geschillen over betaling opgeschort dienen te worden totdat de behandeling achter de rug is?
Zie antwoord vraag 7.
Wat vindt u van een zorgstelsel waarbij de vergoeding van een kankerbehandeling uit het basispakket blijkbaar niet altijd gegarandeerd is?
Zie antwoord vraag 7.
Wat kunt u doen om deze patiënt en eventuele andere patiënten in dezelfde situatie te helpen, anders dan ze weer terugverwijzen naar de zorgverzekeraar of zorgaanbieder?
In dit geval was er sprake van een misverstand dat door de zorgverzekeraar en zorgaanbieder zelf is opgelost. Normaal gesproken zal een behandeling die al gestart is niet worden onderbroken door onduidelijkheden over de vergoeding. Het is wettelijk vastgelegd dat als een overeenkomst tussen een zorgverzekeraar en een aanbieder wordt beëindigd, een verzekerde die op dat moment al zorg ontvangt van deze aanbieder, recht houdt op zorgverlening door die aanbieder voor rekening van deze zorgverzekeraar (art. 13 lid 5 van de zorgverzekeringswet).
Het bericht ‘College voor rechten van de Mens: “NS discrimineert reiziger met handicap”’ |
|
Jan de Graaf (CDA), Lisa van Ginneken (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Wat is uw appreciatie van de uitspraak van het College van de Rechten van de Mens, dat de NS reigers met een reizigersbehoefte in verband met een fysieke handicap discrimineert?1
Voor ik inga op mijn appreciatie vat ik kort het oordeel van het College samen. De zaak bij het College voor de Rechten van de Mens richtte zich op het bestaan van een vooraanmeldtijd van één uur voor het boeken van NS Reisassistentie en op het hanteren van een overstapnorm door NS. Op grond van artikel 2a van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte rust op NS de algemene verplichting om geleidelijk zorg te dragen voor algemene toegankelijkheid en het College heeft geoordeeld dat NS ten aanzien van de vooraanmeldtijd en overstapnorm daarvoor niet zou hebben zorggedragen. Het College stelt vast dat NS sinds het laatste onderzoek zeven jaar geleden geen nieuw onderzoek meer heeft verricht naar de wensen van haar klanten op dit gebied. Het College overweegt op grond daarvan dat NS onvoldoende weet of de groep klanten die, onder voorwaarden, met een kortere vooraanmeldtijd wil reizen groter is geworden en zo ja, of er nu wel redenen zijn om de vooraanmeldtijd onder voorwaarden te verkorten.
Uit gesprekken met NS hierover is mij echter duidelijk geworden dat NS ook ná de genoemde datum onderzoeken heeft uitgevoerd. NS heeft, in nauw overleg met belangenorganisaties, zowel in 2017 als in 2022 onderzoek gedaan naar NS Reisassistentie. Deze onderzoeken hebben geresulteerd in concrete verbeteringen onder andere op het gebied van reisassistentie (zie voor verdere toelichting mijn antwoorden op de vragen 3, 5, 6, 9 en 10). Voor een overzicht van de verbeteringen die op basis van deze onderzoeken zijn doorgevoerd verwijs ik u naar de Actualisatierapporten Toegankelijkheid Spoor uit 2015 en 20212 die ik aan uw Kamer heb gestuurd. NS voldoet overigens met het hanteren van een vooraanmeldtijd van één uur meer dan ruimschoots aan de Europese norm van (thans) 48 uur die volgt uit de Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer.
De verbetering van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer voor mensen met een beperking heeft mijn volle aandacht en ik ben doorlopend in gesprek met de sector over dit onderwerp. Deze gesprekken resulteren in sectorbrede afspraken waarvan de ondertekening van het Bestuursakkoord Toegankelijkheid Openbaar Vervoer 2022–2032 een concreet voorbeeld is. Op deze manier verzeker ik mijzelf ervan dat binnen het openbaar vervoer in het algemeen en bij NS en ProRail in het bijzonder concreet invulling wordt gegeven aan de eerder genoemde verplichting om geleidelijk zorg te dragen voor algemene toegankelijkheid.
Welke stappen onderneemt u naar aanleiding van deze uitspraak?
De verbetering van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer voor alle reizigers en voor mensen met een beperking in het bijzonder heeft doorlopend mijn aandacht. Ik ben hierover continu in gesprek met NS en ben tevreden over de inzet en vorderingen van NS op toegankelijkheid in de afgelopen jaren. Voor wat betreft de vooraanmeldtijd zet NS al een extra stap: op stations waar NS medewerkers aanwezig zijn en de capaciteit het toelaat, is het sinds enkele jaren mogelijk om reisassistentie te boeken met een vooraanmeldtijd binnen het uur.
Welke stappen onderneemt NS naar aanleiding van deze uitspraak?
NS heeft kennis genomen van de uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens en constateert dat het College met deze uitspraak benadrukt hoe belangrijk zij verbetering van de algemene toegankelijkheid vindt. NS deelt deze conclusie. Na overleg met IenW vervolgen NS en de belangenorganisaties die mensen met een beperking vertegenwoordigen hun koers om het reizen met de trein voor mensen met een beperking verder te verbeteren. Deze koers bestaat onder andere uit het werken met maatregelenpakketten die de algemene toegankelijkheid bevorderen: sinds 2015 stelt NS samen met IenW, na overleg met deze belangenorganisaties, elke twee jaar vast welke toegankelijkheidsverbeteringen voor de brede achterban prioriteit hebben. Vervolgens ontwerpt en ontwikkelt NS de vastgestelde toegankelijkheidsverbeteringen samen met belangenorganisaties en ervaringsdeskundigen. Zoals eerder genoemd zijn via deze werkwijze de laatste jaren ook verbeteringen doorgevoerd in het proces van reisassistentie. Denk hierbij aan de uitbreiding van reisassistentie naar bijna alle stations op het hoofdrailnet, de introductie van reisassistentie op het nachtnet, de introductie van reisbewaking en het verkorten van de meldtijd voor rolstoelgebruikers voorafgaand aan hun reis door het creëren van ontmoetingsplaatsen op het perron. In aanvulling op deze inspanning intensiveert NS momenteel haar inzet op het onderwerp toegankelijkheid in het kader van de uitvoering van alle afspraken uit het Bestuursakkoord Toegankelijkheid en de European Accessibility Act die digitale toegankelijkheid regelt.
Beschikt u over cijfers of inzichten van de reiservaring of tevredenheid van reizigers met een toegankelijkheidsbehoefte per station? Zo ja, zijn er verschillen tussen de stations waar reisassistentie verleend wordt door medewerkers van NS of medewerkers van een ander bedrijf, die naar het station toe moeten komen? Zo nee, bent u bereid dat in kaart te brengen?
NS geeft op basis van klachtenmonitoring aan dat er geen sprake is van specifieke trajecten of stations waar de uitvoering van reisassistentie significant achterblijft. Op 19 december 2022 heb ik uw Kamer3 medegedeeld dat NS een pakket verbetermaatregelen in gang heeft gezet samen met de partij die namens NS reisassistentie uitvoert, waaronder het aannemen van 150 extra reisassistenten. Deze verbetermaatregelen hebben er inmiddels toe geleid dat de kwaliteit van reisassistentie op orde is.
Beschikt u over cijfers of inzichten over hoeveel mensen met een toegankelijkheidsbehoefte af zien van het gebruik van de trein, omdat niet in de toegankelijkheidsbehoefte voorzien wordt?
De treinvervoerders noch ik beschikken over deze specifieke gegevens voor toegankelijkheidsbehoeften.
Bent u bereid in kaart te brengen (of NS de opdracht te geven in kaart te brengen) hoe groot de groep reizigers met een toegankelijkheidsbehoefte is en welke wensen deze reizigersgroep heeft?
Via de concessie voor het hoofdrailnet verplicht ik NS om structureel en regelmatig contacten te onderhouden met belangenorganisaties die, als vertegenwoordigers van een brede achterban van mensen met een beperking, inzicht hebben in de toegankelijkheidsbehoeften van de verschillende doelgroepen.
NS geeft tijdens de lopende concessie invulling aan deze verplichting.
Vooruitlopend op de nieuwe concessie voor het hoofdrailnet werkt NS inmiddels niet meer alleen samen met belangenorganisaties die mensen met fysieke beperkingen vertegenwoordigen maar ook met belangen-, netwerk- en kennisorganisaties voor mensen met geestelijke en verstandelijke beperkingen zoals de Stichting ABC, de Alliantie Digitaal Samenleven, de Stichting Lezen en Schrijven, de Alzheimer Stichting en de belangenvereniging voor mensen met een verstandelijke beperking. Aangezien deze partijen zicht hebben op de drempels die nog worden ervaren door mensen met verschillende beperkingen bij het reizen met het openbaar vervoer zijn zij de juiste gesprekspartners voor de OV-sector als het gaat om de toegankelijkheidsbehoeften van deze reizigersgroepen. NS bepaalt samen met IenW, na overleg met deze belangenorganisaties, elke twee jaar welke barrières aangepakt worden waarna zij samen met de belangenorganisaties en ervaringsdeskundigen deze maatregelen realiseert. Daarmee wordt voorzien in een serieuze raadpleging van ervaringsdeskundigen.
Waarom moet reisassistentie een uur van te voren worden aangemeld? Hoe kijkt u naar het Verenigd Koninkrijk, waar dit blijkbaar niet noodzakelijk is?
In mijn brief van 19 december 2022 aan uw Kamer over de stand van zaken ten aanzien van toegankelijkheid in het openbaar vervoer4 gaf ik aan dat ik vind dat reisassistentie betrouwbaar moet zijn omdat uit onderzoek in opdracht van IenW blijkt dat klanten die reizen met reisassistentie hoge eisen stellen aan de betrouwbaarheid en voorspelbaarheid van reisassistentie op de door hen gewenste reis. Dit belang wordt keer op keer bevestigd tijdens de gesprekken die IenW in het land voert met mensen met een beperking.
Uit de ervaringen van Network Rail in het Verenigd Koninkrijk concludeer ik dat zij klanten die zich spontaan aanmelden voor reisassistentie op een station weliswaar zo goed mogelijk proberen te helpen, maar dat zij klanten alleen reisassistentie garanderen aan klanten die zich vooraf aanmelden op de door de klant gewenste trein. Spontaan reizen en zekerheid omtrent de beschikbaarheid van reisassistentie op de geplande reis staan in het Verenigd Koninkrijk met elkaar op gespannen voet. Het realiseren van in-, uit- of overstaphulp is ook in het Verenigd Koninkrijk afhankelijk van de omstandigheden op het station en in de trein. Daarbij gaat het onder andere om de vraag of er opgeleid personeel en technische voorzieningen aanwezig zijn om assistentie te verlenen. Om onzekerheid, stress en teleurstelling bij klanten en treinvervoerders te voorkomen en om vertragingen van treinen te beperken, adviseert Network Rail klanten dringend via allerlei kanalen om vooraf reisassistentie te boeken. Daarbij hanteert Network Rail een vooraanmeldtijd van minimaal twee uur voor aanvang van de reis. Network Rail geeft aan dat zij alleen reisassistentie op een door de klant gewenste trein kan garanderen als de klant vooraf reisassistentie boekt.
Ik constateer dat NS deze zekerheid biedt aan klanten die reizen met reisassistentie gedurende zeven dagen per week op 220 stations in Nederland van de eerste tot de laatste trein met een vooraanmeldtijd van één uur. NS zet op bemenste stations een extra stap door aan klanten de mogelijkheid te bieden om binnen het uur te vertrekken mits er capaciteit beschikbaar is. Waar mogelijk hanteert NS dus al een aanmeldtijd korter dan één uur.
Hoe is dit georganiseerd bij andere decentrale treinvervoerders, zoals Arriva en Keolis?
Conform de gekozen marktordening in Nederland is het aan regionale treinvervoerders om reisassistentie te organiseren op alle treinen die onder hun vlag rijden. Dit geldt ook voor de treinen van regionale vervoerders die halteren op stations waar ook NS-treinen stoppen. Voor de meeste regionale treinvervoerders is deze verplichting nieuw: in het Bestuursakkoord Toegankelijkheid Openbaar Vervoer 2022–2032 is afgesproken dat uiterlijk in 2025 op alle treinstations in Nederland reisassistentie wordt aangeboden. Om dit te realiseren, is overeengekomen dat op treinstations waar bij de inwerkingtreding van het bestuursakkoord nog geen reisassistentie is gerealiseerd het is toegestaan om een vooraanmeldtijd te hanteren van maximaal twee uur voor aanvang van de reis. Door het sluiten van het Bestuursakkoord is het vanaf 2025 voor alle regionale treinvervoerders verplicht om reisassistentie aan te bieden ongeacht de afspraken hierover in de lopende regionale concessies.
Decentrale OV-autoriteiten evalueren het functioneren van reisassistentie na twee jaar en onderzoeken in dit kader onder andere wanneer en hoe een vooraanmeldtijd van maximaal één uur voor aanvang van de reis kan worden gehanteerd.
Hoe verklaart u dat het zeven jaar geleden mogelijk is geweest een vooraanmeldtijd van vijftien minuten te hanteren? Waarom is niet gekozen voor deze tijdspanne als standaard in plaats van één uur?
Navraag bij NS leert dat het College ten onrechte heeft geconcludeerd dat NS zeven jaar geleden een vooraanmeldtijd van vijftien minuten heeft gehanteerd. Het hanteren van een vooraanmeldtijd van 15 minuten op zeven grote stations was één van de verplichtingen van de huidige concessie voor het hoofdrailnet. NS heeft deze verplichting samen met belangenorganisaties die mensen met een beperking vertegenwoordigen onderzocht op haalbaarheid en wenselijkheid. Om deze verplichting betrouwbaar en veilig te kunnen uitvoeren, bleek een aantal voorwaarden noodzakelijk. Uitgebreid klantonderzoek liet zien dat reizigers met een beperking deze service met de bijbehorende voorwaarden niet als een verbetering zagen. Zij gaven aan meer gebaat te zijn bij het verhogen van de betrouwbaarheid van reisassistentie bij verstoringen en calamiteiten en bij verruiming van de boekingsmogelijkheden voor reisassistentie. Naar aanleiding van dit onderzoek en na afstemming met belangenorganisaties die mensen met een beperking vertegenwoordigen is een wijziging doorgevoerd in de concessieverplichtingen op dit punt waarbij de verplichting om op zeven stations de vooraanmeldtijd voor reisassistentie te verkorten naar 15 minuten is omgezet naar de verplichting om een nieuw boekings- en reisbewakingssysteem voor reisassistentie te implementeren. Dit systeem is inmiddels een aantal jaren in gebruik.
Welke mogelijkheden ziet u om de aanvraagtijd voor reisassistentie van één uur te verminderen? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen de mogelijkheden en verantwoordelijkheden die de NS heeft en die het ministerie heeft?
NS werkt samen met de belangenorganisaties die mensen met een beperking vertegenwoordigen structureel aan het verder verbeteren van de algemene toegankelijkheid. Op stations waar NS-medewerkers aanwezig zijn en de capaciteit het toelaat is het reeds sinds enkele jaren mogelijk om reisassistentie te boeken met een vooraanmeldtijd binnen een uur.
Bevat het Bestuursakkoord Toegankelijkheid openbaar vervoer maatregelen die een oplossing kunnen bieden voor deze problematiek? Zo nee, waarom niet?
In het Bestuursakkoord Toegankelijkheid Openbaar Vervoer 2022–2032 worden geen eisen aan de verdere verkorting van de vooraanmeldtijd voor reisassistentie gesteld omdat ik uit de ervaringen in het Verenigd Koninkrijk leer dat verdere verkorting van de vooraanmeldtijd ten koste gaat van de betrouwbaarheid (zie ook mijn antwoord bij vraag 7). Bovendien biedt NS op stations waar NS medewerkers aanwezig zijn en de capaciteit het toelaat sinds enkele jaren reeds de mogelijkheid om reisassistentie te boeken met een vooraanmeldtijd binnen een uur (zie ook mijn antwoord op vraag 10). Ik eis wel middels het Bestuursakkoord Toegankelijkheid dat ook op treinen die door regionale vervoerders gereden worden in 2025 reisassistentie beschikbaar is. Zie daartoe ook mijn antwoord op vraag 8.
Wanneer voldoen alle NS stations aan de in het Bestuursakkoord afgesproken norm voor perronhoogte? Hoe zit dat voor de grootste stations? Hoe spant u zich in om de perronhoogte blijvend te garanderen, en verzakkingen zo spoedig mogelijk te verhelpen?
Het programma P76, dat de perrons op de voorgeschreven 76 cm brengt, ligt nog steeds op planning om in 2030 de afgesproken prestatieafspraak te halen. Het beheer van de toegankelijke instap pakt ProRail op middels raamovereenkomsten wat betreft het perronwerk. Locaties worden periodiek – de frequentie is afhankelijk van lokale omstandigheden – gemeten, waaruit blijkt of herstel nodig is. Indien herstel inderdaad nodig is, gaan de opdrachtnemers aan het werk om de toegankelijke instap zo spoedig mogelijk te herstellen, door ofwel het perron ofwel het spoor te corrigeren.
Bent u bereid met de NS in gesprek te gaan over de mogelijkheden om meer maatwerk te voeren voor reizigers met een toegankelijkheidsbehoefte, specifiek in relatie tot de vooraanmeldtijd van reisassistentie bij een overstap?
Voor ik over ga tot beantwoording van deze vraag constateer ik dat in de vraag twee zaken door elkaar worden gehaald. In de zaak van het College wordt gesproken over de vooraanmeldtijd van reisassistentie en los daarvan over de overstaptijden. Hieronder ga ik op beide zaken in. In de door NS gehanteerde overstaptijden is reeds sprake van differentiatie per beperking, per hulpmiddel en per overstapsituatie. Bij reisassistentie biedt NS sinds een aantal jaren de keuze aan klanten of zij de assistentieverlener op het perron willen ontmoeten of op een vaste ontmoetingsplek elders in het station zodat er ook hulp bij navigatie door het station kan worden geboden. Als een klant ervoor kiest om de assistentieverlener op het perron te ontmoeten, hoeft een klant korter voor aanvang van de reis aanwezig te zijn op het station. Het verder bieden van maatwerk en het verder verkorten van de vooraanmeldtijd voor reisassistentie met behoud van de huidige betrouwbaarheid is niet mogelijk en daarom niet wenselijk. Zie ook mijn antwoord op vraag 7.
Kunt u het externe onderzoek dat NS heeft gedaan naar de gemiddelde overstaptijd naar de Kamer doen toekomen?
Ja, deze is bijgevoegd bij deze beantwoording. Doel van het onderzoek was om vast te stellen of de geldende parameters voor overstaptijden correct en nauwkeurig genoeg zijn ingesteld, zodat deze gelijkwaardig, veilig, voorspelbaar en uitlegbaar zijn aan reizigers en medewerkers. Bovengenoemde onderzoeksvraag is in overleg met de belangenorganisaties die mensen met een beperking vertegenwoordigen opgesteld. Na afronding van het onderzoeksrapport heeft NS de belangenorganisaties Ieder(in), de Roos Prommenschenckel Foundation en de Oogvereniging laten weten dat zij alle aanbevelingen uit het rapport overneemt. Dit heeft onder andere geresulteerd in nieuwe, verbeterde overstaptijden die sinds 19 maart 2019 worden toegepast.
Het bericht ‘Politie keek heimelijk mee in chatgroepen van Extinction Rebellion’ |
|
Christine Teunissen (PvdD), Songül Mutluer (PvdA), Corinne Ellemeet (GL), Laurens Dassen (Volt), Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Politie keek heimelijk mee in chatgroepen van Extinction Rebellion» van Investico van 21 maart 2023?1
Ja.
Klopt het dat een politieagent wekenlang mee keek in twee besloten chatgroepen van actiegroep Extinction Rebellion?
Op deze concrete vraag kan ik niet ingaan omdat de rechter zich nog buigt over de zaak betreffende de verdenking wegens opruiing. Via de media heb ik begrepen dat de advocaat van de verdachten in deze zaak de rechter zal vragen om hierop in te gaan. Het past mij niet als Minister hier uitspraken over te doen. Ik wacht het oordeel van de rechter af.
Zo ja, kunt u uitleggen met welk doel en welke opdracht deze agent dit heeft gedaan?
In algemene zin kan ik aangeven dat politie informatie verzamelt ten behoeve van diverse politietaken, zoals de openbare orde. De politie treedt bij de handhaving van de openbare orde op onder gezag van de burgemeester. Het behoort tot de politietaak om in te schatten of er ernstige verstoringen van de openbare orde te verwachten zijn om vervolgens te bepalen of en hoeveel politie aanwezig moet zijn om de (verkeers-) veiligheid te kunnen waarborgen tijdens een demonstratie. Dit doet de politie voor de veiligheid van alle burgers, dus ook voor de demonstranten zelf. Het past mij niet om in dit concrete geval in te gaan op de opdracht en het doel van de vergaring van gegevens, zie hiervoor mijn antwoord op vraag 2.
Klopt het dat er een informant is ingezet door de politie om informatie in te winnen over Extinction Rebellion?
Zie mijn antwoord op vraag 2 en 3. In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat de politie contact heeft met mensen uit uiteenlopende doelgroepen met het oog op (het voorkomen van) ernstige verstoringen van de openbare orde. Hiervoor kunnen ook zogenoemde informanten worden ingezet.
Welke wettelijke bevoegdheid is gebruikt voor de inzet van online agenten en informanten voor spionage en op basis waarvan achtte u de inzet noodzakelijk en proportioneel?
Zie mijn antwoord op vraag 2 en 3. In algemene zin kan ik zeggen dat politie in veel gevallen gebruik kan maken van het taakstellende artikel 3 Politiewet 2012 om online te kijken of er openbare ordeverstoringen worden voorbereid, mits daarmee niet meer dan een geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt. De politie mag daarbij vragen stellen aan burgers waarvan zij verwachten dat deze over relevante informatie beschikken.
Het kan noodzakelijk zijn dat de politie niet voor een ieder kenbaar haar werk doet, bijvoorbeeld wanneer zij spreekt met informanten. Op het moment dat het noodzakelijk is de identiteit van een burger af te schermen, krijgt de betreffende persoon de status van informant.
Wordt er meer dan een geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer gemaakt, dan is een bevel van de officier van justitie nodig. Dan moet er sprake zijn van onderzoek naar aanleiding van een verdenking van een misdrijf (artikel 126j SV). Voor de openbare orde is deze bevoegdheid er niet.
Welke afweging hebt u gemaakt voor de inzet van deze middelen? Welke belangen en grondrechten hebt u daar bij gewogen en welke waarde hebt u aan de verschillende belangen en grondrechten gehecht?
Deze afweging wordt niet door mij gemaakt, maar door de politie onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Bij wie dit gezag berust en hoe dit wordt ingevuld verschilt per politietaak. Het gezag voor de handhaving van de openbare orde berust bij de burgemeester. Voor de rechtshandhaving is dit de officier van justitie. Binnen het wettelijk kader behorend bij de taak dienen wettelijke bevoegdheden (indien aanwezig) op proportionele wijze en met in achtneming van de uitgangspunten van het grondwettelijk demonstratierecht te worden toegepast. De beoordeling in het concrete geval is aan de politie en het gezag.
Zijn dergelijke middelen ook ingezet voor andere actiegroepen en/of activisten, bijvoorbeeld agrarische actiegroepen die acties voorbereidden het afgelopen jaar?
Het meekijken in publiek toegankelijke chatgroepen wordt toegepast in diverse online groepen, afhankelijk van de te verwachten ernstige verstoring van de openbare orde en/ of het plegen van misdrijven. Het behoort tot de taak van de politie om dit te kunnen signaleren en vervolgens te kunnen optreden. Uiteraard dient dit te geschieden binnen de wettelijke kaders en met inachtneming van proportionaliteit en subsidiariteit. Over hoe vaak de inzet heeft plaatsgevonden zijn geen cijfers bekend. Voor besloten groepen is deze bevoegdheid er in het kader van de openbare orde niet.
Zo ja, waarom en hoe vaak is dit ingezet? En bent u voornemens om dit opsporingsmiddel in de toekomst te blijven inzetten? Zo nee, waarom wel bij Extinction Rebellion en niet bij andere actiegroepen?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe oordeelt u over de commentaren van advocaten Jebbink en Buruma, het OM en het College voor de Rechten van de Mens in het artikel? Kunt u op de verschillende commentaren afzonderlijk reageren?
Reactie Minister: Het is mij niet helemaal duidelijk op welke combinatie van opsporingsmethoden hier gedoeld wordt, hierdoor is het lastig om in te gaan op het commentaar van Mr. Buruma. In algemene zin kan ik zeggen dat het verzamelen van online- gegevens niet alleen is voorbehouden voor terroristische misdrijven.
Reactie Minister: Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 2.
Reactie Minister: Zoals eerder aangegeven, wacht ik het oordeel van de rechter hierop af.
Reactie Minister: zie hiervoor mijn antwoord op vraag 10
Hoe verhoudt de inzet van dit opsporingsmiddel zich tot het demonstratierecht en hoe beoordeelt u de inzet van het opsporingsmiddel ten aanzien van de kritiek van het College voor de Rechten van de Mens dat het demonstratierecht in Nederland onder druk staat? Kunt een reflectie geven op de geschetste kritiek?2
De politie heeft een belangrijke rol bij het handhaven van de openbare orde en veiligheid. De burgermeester maakt beslissingen over het faciliteren van het demonstratierecht en houdt daarbij rekening met de mate waarin de openbare orde en veiligheid door de politie onder zijn gezag kan worden gewaarborgd. Om een juiste inschatting te maken over te nemen maatregelen en te kunnen beoordelen of en hoeveel politie aanwezig moet zijn, is informatie nodig. Wettelijke kaders en beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit begrenzen de vergaring van deze informatie. Zie verder het antwoord op vraag 7 en 8.
De betreffende uitlatingen van het College voor de Rechten van de Mens hebben betrekking op de inzet van strafrechtelijke bevoegdheden. Ik onderschrijf het pleidooi van het College om dergelijke middelen terughoudend in te zetten op basis van een beoordeling van noodzakelijkheid en proportionaliteit.
Online identiteitsfraude |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Identiteitsfraude: Energiedirect scherpt beleid aan op aandringen van Radar»?1
Ja.
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt hoe vaak het in Nederland voorkomt dat met behulp van het gebruik maken van identiteitsgegevens van een ander online contracten worden afgesloten of goederen worden gekocht? Zo ja, wat zijn die gegevens? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
De gevraagde gegevens over fraude met identiteitsgegevens worden niet centraal verzameld, daarom ontbreken algemene cijfers. Fraudecasussen zijn ook vaak complex en kunnen tegelijk uit meerdere fenomenen bestaan (zoals kopie identiteitskaart misbruikt en/of nepprofiel aangemaakt en vervolgens bestelling op naam gedaan). Bij het vermoeden van identiteitsfraude kunnen burgers contact leggen met de organisatie waar hun gegevens misbruikt zijn of aangifte doen bij de politie of zich melden bij het Centrale Meldpunt voor Identiteitsfraude (CMI). Daarnaast zijn er gegevens uit de tweejaarlijkse Fraudemonitor van het Openbaar Ministerie.
Bij het CMI zijn de volgende gegevens bekend: het CMI heeft in 2022 in totaal 6.151 (6.397 in 2021) meldingen geregistreerd. 1.096 (1.759 in 2021) van deze meldingen betroffen specifiek het fenomeen «bestelling op naam», waarbij gegevens van een burger misbruikt worden voor bestellingen bij diverse organisaties. Specifiek over het afsluiten van energiecontracten op naam zijn 23 meldingen gedaan in 2022 (49 in 2021).
In de tweejaarlijkse Fraudemonitor wordt door het Openbaar Ministerie verslag gedaan van het aantal opsporingszaken (verdachten) voor identiteitsfraude in het algemeen. De Fraudemonitor over de jaren 2021 en 2022 wordt naar verwachting rond de zomer door het Openbaar Ministerie gepubliceerd en zal vervolgens door de Minister van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Het ging in 2019 om 655 verdachten van ID-fraude en om 118 verdachten van ID-fraude via internet. In 2020 ging het om 480 verdachten van ID-fraude en 145 verdachten van ID-fraude via internet2. De Fraudemonitor bevat geen nadere uitsplitsing naar ID fraude in verband met het afsluiten van energiecontracten.
Is er verband tussen het grootschalig hacken of stelen van onlinegegevens van Nederlanders en online identiteitsfraude? Zo ja, waar bestaat dat verband uit en hoe vaak komt het voor dat er met deze gegevens gefraudeerd wordt? Zo nee, kunt u dit verband uitsluiten?
Ja. Bij het inbreken in bepaalde systemen (computervredebreuk) kunnen grote hoeveelheden persoonsgegevens wederrechtelijk worden overgenomen. De aard en hoeveelheid van de gegevens kunnen sterk verschillen. Bepaalde gegevens kunnen worden gebruikt voor het plegen van diverse vormen van fraude, waaronder online identiteitsfraude. Er zijn gevallen bekend waarbij zeer grote hoeveelheden persoonsgegevens zijn overgenomen en vervolgens online zijn aangeboden. Daardoor worden deze gegevens voor veel kwaadwillenden bereikbaar en neemt het risico op misbruik voor fraude fors toe. Er zijn echter geen kwantitatieve gegevens bekend hoe vaak fraude wordt gepleegd met gegevens die na inbraak in systemen zijn verkregen.
Deelt u de mening dat consumenten, die slachtoffer van online identiteitsfraude zijn en dus niet zelf een overeenkomst hebben gesloten, dit niet zelf zouden moeten aantonen, maar dat het aan de ondernemer is bij wie een overeenkomst is gesloten om aan te tonen dat die overeenkomst met de desbetreffende consument is gesloten? Zo ja, hoe is de geldende wet- en regelgeving dienaangaande en behoeft die aanpassing? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Artikel 150 van de Wet van Burgerlijke Rechtsvordering stelt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast daarvan draagt. Dat betekent in dit geval dat een ondernemer die betaling eist voor een overeenkomst, moet kunnen bewijzen dat hij die daadwerkelijk met de desbetreffende consument heeft gesloten.
In het bericht van Radar wordt verwezen naar identiteitsfraude bij een energieleverancier. Wanneer consumenten een geschil hebben met een energieleverancier kunnen zij terecht bij de Geschillencommissie. Alle energieleveranciers die leveren aan consumenten zijn wettelijk verplicht om hierbij aangesloten te zijn.
Deelt u de mening dat ondernemers die onlinegoederen of diensten aanbieden zelf moeten zorgen dat er op een laagdrempelige wijze de identiteit van een klant wordt geverifieerd, bijvoorbeeld door het online betalen van 1 eurocent? Zo ja, waarom en welke (andere) mogelijkheden ziet u voor zich? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op vraag vier is toegelicht dat de ondernemer die de betaling eist voor een overeenkomst de bewijslast draagt. Het is daarom denkbaar dat ondernemers binnen de grenzen die de wet op dit moment biedt, in specifieke situaties ervoor kiezen om een verificatiemethode toe te passen. Hierbij kan gedacht worden aan overeenkomsten waar bijvoorbeeld voor consumenten grotere bedragen zijn gemoeid.
De 1-cent methode waar naar wordt verwezen in deze vraag kan een optie zijn. Het is echter niet wenselijk dat deze methode bij elke aankoop wordt ingezet. Er zijn namelijk gevallen bekend waarbij fraudeurs op online handelsplaatsen ook met die methode fraude plegen. De Fraudehelpdesk wijst op dit risico en hoe hiermee om te gaan.3
Een andere mogelijkheid binnen de wet is het vragen van een handtekening. Dit kan tot gevolg hebben dat sommige overeenkomsten niet per direct gesloten kunnen worden. Hier staat tegenover dat een handtekening via het identiteitsbewijs geverifieerd kan worden in het geval de consument aangeeft de overeenkomst niet zelf gesloten te hebben.
Ten aanzien van de energiesector, waar naar wordt verwezen in het bericht van Radar, ontvangt de Tweede Kamer naar verwachting voor de zomer een brief van de Minister voor Klimaat en Energie over de Energiewet. Daarin wordt o.a. de nieuwe gegevensuitwisselingsentiteit in de energiesector toegelicht.
Het is in het algemeen onwenselijk dat ondernemers meer gegevens dan noodzakelijk ontvangen van burgers. Zoals bij het antwoord op vraag drie is toegelicht, kan deze informatie juist gebruikt worden voor het plegen van fraude, als wordt ingebroken in de systemen van ondernemers.
Deelt u de mening dat als ondernemers zelf meer de identiteit van hun onlineklanten gaan verifiëren dat daarmee misdaad en onnodige belasting van de politie en andere actoren in de strafrechtketen kan worden voorkomen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Voor elke vorm van fraude en oplichting geldt dat de meeste winst te behalen is met het vergroten van het bewustzijn van risico’s en met preventieve maatregelen om slachtofferschap zo veel mogelijk te voorkomen. In het geval van identiteitsfraude bij consumentenaankopen is het ook belangrijk dat ondernemers zich bewust zijn van identiteitsverificatie, mede omdat de bewijslast bij hen ligt (zie antwoord op vraag vier). Ondernemers die zijn opgelicht kunnen dit melden en aangifte doen bij de politie. Informatie is belangrijk voor de opsporing om snel zicht te krijgen op de aard, omvang en handelwijze van oplichting. Het informeren van ondernemers over identiteitsverificatie kan op verschillende manieren; algemene informatieverstrekking en sectorspecifiek wanneer aanvullende eisen worden gesteld aan identiteitsverificatie.
Ten aanzien van algemene informatie ondersteunt het CMI voornamelijk slachtoffers van identiteitsfraude met informatie en concreet advies, maar levert ook een bijdrage aan bewustwording en preventie van identiteitsfraude met presentaties, workshops en andere voorlichtingsactiviteiten. Ondernemers kunnen in het fysieke en in het digitale domein controle en verificatie toepassen om te voorkomen dat ook zij slachtoffer worden van oplichters die zich schuldig maken aan identiteitsfraude. Het CMI kan met organisaties meedenken over of en hoe er kans is op identiteitsfraude met de buitgemaakte gegevens. Daarnaast kan het CMI meedenken over hoe getroffen organisaties de slachtoffers van een hack of datalek kunnen informeren. Zo is het CMI te gast geweest bij meerdere online bijeenkomsten van de contactcentra van grote woningcorporaties. Tijdens deze bijeenkomsten heeft het CMI de medewerkers geïnformeerd en geadviseerd hoe zij konden antwoorden op mogelijke vragen van verontruste burgers/klanten.
Bent u bereid om met ondernemersverenigingen en brancheorganisaties in overleg te treden om laagdrempelige wijzen van identiteitsverificatie te bevorderen? Zo ja, wilt u de Kamer van de uitkomst van dat overleg op de hoogte stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
AED’s in Nederland |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Hoeveel Automatische Externe Defibrillators (AED’s) zijn er in Nederland?
Op dit moment zijn er ongeveer 25.800 actieve AED’s aangemeld bij HartslagNU, waarvan er ruim 20.000 24/7 beschikbaar zijn en ruim 5.000 overdag. HartslagNU is het reanimatie-oproepsysteem wat ervoor zorgt dat er zo snel mogelijk burgerhulpverleners worden ingezet bij een reanimatie. HartslagNU registreert de AED’s en koppelt deze aan AED-beheerders. Bij het registreren van AED’s houdt HartslagNU vooral rekening met de dekking, de bereikbaarheid van de AED’s en de toegankelijkheid van AED’s. Alle door HartslagNU geregistreerde AED’s zijn publiek toegankelijk, worden onderhouden en bevinden zich op locaties waar dat van toegevoegde waarde is voor burgerhulpverlening.
Hoe heeft het aantal AED’s zich afgelopen jaren ontwikkeld?
In 2019 waren er al 17.779 AED’s, in 2020 23.778, in 2021 24.557, en in 2022 25.800. Daarnaast zijn er nu landelijk 220.000 actieve burgerhulpverleners.
Heeft u een specifiek doel voor het aantal AED’s of de bereikbaarheid daarvan in Nederland? Zo nee, bent u bereid een doelstelling te formuleren?
Er is geen doelstelling geformuleerd over het aantal AED’s of de bereikbaarheid daarvan. Ik heb een instellingsubsidie verleend aan HartslagNU. Het uitgangspunt van HartslagNU bij de start in 2018 was om bij een reanimatiemelding binnen 500 meter een AED beschikbaar te hebben in Nederland. De gemiddelde afstand tot een AED bij een alarmering, waarbij drie AED’s worden gealarmeerd in een straal van maximaal twee kilometer en minimaal nul meter, was in 2022 491 meter. In ruim 99% van de gevallen wordt de AED ook daadwerkelijk gevonden.
Bent u het eens met de Hartstichting die aangeeft dat er op veel plekken in Nederland dringend een AED nodig is?1
Op basis van de uitgangspunten van HartslagNU zijn er nog plekken in Nederland waar de dekking nog niet optimaal is. Dagelijks worden circa 10 nieuwe AED’s aangemeld bij HartslagNU. De focus van HartslagNU ligt niet alleen op het plaatsen van AED’s, maar daarnaast ook op het aanmelden van burgerhulp-verleners. Beide moeten op orde zijn om de AED snel ter plaatse te krijgen. Gemeenten kunnen HartslagNU vragen hen te adviseren over waar AED’s te plaatsen.
Kunt u een beeld geven van de regionale spreiding van de AED’s in Nederland? Wat is de kans dat er een AED in de buurt is als je in een kleine gemeente woont, vergeleken met een grote gemeente?
HartslagNU werkt samen met lokale stichtingen en verenigingen. Inmiddels nemen organisaties uit ruim 145 gemeenten deel aan de organisatie van HartslagNU.2 HartslagNU geeft aan dat deze gemeenten een betere dekking hebben van gemeenten die niet deelnemen. Er zijn zowel grote als kleine gemeenten die niet deelnemen.
Vindt u het ook belangrijk dat er ook in dunbevolkte gebieden een AED in de buurt is?
Ja. Aanvullend daarop is het ook belangrijk dat er voldoende opgeleide burgerhulpverleners zijn. Dat er verschillen zijn in de beschikbaarheid van AED’s heeft vooral te maken met de variatie in betrokkenheid en deelname van een gemeente aan HartslagNU en het beschikbaar budget voor dit onderwerp binnen een gemeente.
Welke acties onderneemt u om tot een landelijk dekkend netwerk te komen?
Ik ondersteun de stichting HartslagNU middels een instellingssubsidie, waardoor HartslagNU het beheer en de organisatie van het reanimatie-oproepsysteem en burgerhulpverlening kan uitvoeren. HartslagNU stimuleert gemeenten om zich aan te sluiten en adviseert gemeenten over dit onderwerp.
Hoeveel verschillende soorten en merken AED’s zijn er in Nederland?
Er zijn 28 verschillende merken en 64 verschillende types AED’s opgenomen in de registratie van HartslagNU. Alle AED’s die opgenomen zijn in het systeem van HartslagNU hebben een keurmerk.
Bent u ermee bekend dat de bediening van verschillende soorten/merken AED’s kan verschillen, bijvoorbeeld in de manier waarop ze geopend moeten worden, opgestart en/of de elektrodestickers opgeplakt dienen te worden?
Ja.
Ziet u ook een risico in de verschillen tussen verschillende soorten AED’s, gezien de hulpverlener vaak met één soort heeft geoefend en elke seconde telt?
HartslagNU herkent dit risico niet. Zij hebben hier in de afgelopen jaren geen klachten over ontvangen. Burgerhulpverleners worden daarnaast veelal getraind met de eigen AED.
Bent u bereid om te onderzoeken of meer uniformiteit in het aanbod van AED’s kan bijdragen aan de publieke gezondheid en op welke manier dit bewerkstelligd kan worden?
Juist om een zekere mate van uniformiteit ten aanzien van de belangrijke kwaliteits- en veiligheidsaspecten te borgen, is het verplicht en van belang dat alle AED’s een kwaliteitskeurmerk hebben. Alleen AED’s met een keurmerk worden door HartslagNU opgenomen. Hoe de vormgeving van de AED’s er verder uit ziet, is aan de producenten.