Het innen van een eigen bijdrage van werkende Oekraïense ontheemden die opgevangen worden door gemeentes |
|
Boomsma , Pieter Omtzigt (NSC) |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met de wet, waarbij gemeentes per 1 juli 2024 een eigen bijdrage dienen te innen van werkende Oekraïense ontheemden die opgevangen worden door gemeentes?
Ja, ik ben bekend met de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne en de gewijzigde Regeling opvang ontheemden Oekraïne (hierna: RooO).
Heeft u de vragen die de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft gesteld over de uitvoerbaarheid van de regeling beantwoord? Zo ja, hoe? Zo nee, wanneer worden die gegeven?
De vragen van de VNG en zorgen die zij uiten zijn bij ons bekend. Hierover is mijn ministerie voortdurend in gesprek met de VNG en verschillende gemeenten.
Klopt het dat alle gemeentes verplicht zijn om per 1 januari 2025 bij alle ontheemden de eigen bijdrage te innen?
Ja. Per 1 juli 2024 is de gewijzigde RooO van kracht. Zoals ik u in de verzamelbrief 14 juni 2024 heb geïnformeerd1, geldt voor de eigen bijdrage dat, juist met het oog op de uitvoerbaarheid bij gemeenten, ruimte wordt geboden aan gemeenten om naar invoering toe te werken. Na zes maanden vanaf inwerkingtreding dienen alle gemeenten de regeling in zijn volledigheid uit te voeren. Daarmee zijn gemeentes verplicht om de eigen bijdrage te innen bij ontheemden in de gemeentelijke opvang die inkomsten uit werk of eigen inkomsten hebben, met uitzondering van gevallen waar onevenredig nadeel ontstaat (conform motie Podt c.s.1).
Vanaf welk moment hebben de gemeentes effectief inzicht in Suwinet (inclusief de polis administratie), zodat zij kunnen zien hoeveel geld Oekraïense ontheemden uit werknemerschap (maar niet als ZZP’er of in het buitenland) verdienen?
In de RooO is een inlichtingenplicht voor ontheemden opgenomen zodat zij verplicht worden de gemeente te informeren over hun inkomsten en gezinssamenstelling. Op grond van deze informatie kan de gemeente overgaan tot het innen van de eigen bijdrage.
Uit afstemming met de VNG is gebleken dat het wenselijk is om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van de eigen bijdrage door hen toegang te verlenen tot een aantal gegevens uit de polisadministratie. In de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne (TWOO) is daarom een grond opgenomen waarmee gemeenten gegevens als bedoeld in artikel 33, 2e lid, a tot en met c van de wet SUWI mogen inzien.
Uit de uitvoeringstoets van het UWV en in afstemming met de VNG is evenwel geconcludeerd dat met de grond in de Tijdelijke Wet niet alle gegevens beschikbaar komen voor gemeenten die gewenst zijn om het netto inkomen volledig te kunnen verifiëren. Daarom wordt op dit moment gekeken op welke wijze ook gegevens onder artikel 33, tweede lid, onderdeel d van de wet Suwi gedeeld kunnen worden met gemeenten.
Kunt u een standaard NIBUD-begroting geven van de inkomsten van een alleenstaande Oekraïense ontheemde die voltijds werkt in Nederland tegen het minimumloon inclusief zorgtoeslag/zorgverzekering?
Het Nibud gaat voor een alleenstaand persoon vanaf 21 jaar bij een werkweek van 36 uur op tegen het minimumloon uit van een bruto maandloon van € 2.069,40 en netto € 1.953,76. Hier komt nog vakantiegeld van bruto € 165,55, netto € 111 bij. Daarmee komt het totaal op netto € 2.065 per maand2. Deze bedragen gelden ook voor ontheemden die voltijd werken tegen het minimumloon.
Ontheemden uit Oekraïne (inclusief werkende ontheemden) vallen onder de Regeling Medische zorg Ontheemden (RMO). Zij betalen geen zorgpremie, maar ontvangen ook geen zorgtoeslag3.
Kunt u een lijst geven van gemeentes die op dit moment nog leefgeld betalen aan een Oekraïense ontheemde die voltijds werkt, naast het feit dat hij/zij geen eigen bijdrage betaalt?
Op basis van signalen die mijn ministerie bereiken werd het leefgeld in veel gevallen al stopgezet wanneer ontheemden werk of eigen inkomsten hadden. Per 1 juli jl. is met het wijzigen van de RooO de kan-bepaling een verplichting geworden en dienen gemeente het leefgeld in te trekken.
Op welke wijze heeft u overleg met de Nederlandse gemeenten over het innen van de eigen bijdrage van Oekraïense ontheemden? Welk tijdspad heeft u nu voor ogen voor Suwinet, het niet meer betalen van leefgeld aan mensen die voldoende eigen inkomen hebben, en het innen van de huidige beperkte eigen bijdrage?
Ik heb direct contact met verschillende gemeenten en indirect via de VNG. Zo hebben wij voor de invoering van de eigen bijdrage gesprekken gevoerd met gemeenten, waaronder de G4, en hebben wij ook diverse Webinars verzorgd, gefaciliteerd door de VNG. Voor het tijdspad verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 4.
Op welk moment zullen alle gemeentes de wettelijke eigen bijdrage ook daadwerkelijk gaan innen?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Kunt u aangeven wat de bijdrage op dit moment is voor Oekraïense ontheemden die particulier worden opgevangen?
De eigen bijdrage zoals ingevoerd betreft een bijdrage voor ontheemden die verblijven in gemeentelijke opvanglocaties. Ontheemden die in de particuliere opvang verblijven of in hun eigen woonruimte voorzien, zijn aan gemeenten geen bijdrage voor gas, water, licht en catering verschuldigd. Wel wordt hun leefgeld gestopt als zij inkomen hebben.
Welke eigen bijdrage vindt u passend voor opvang en voor opvang inclusief catering?
De eigen bijdrage is gebaseerd op het «Kostprijsonderzoek opvang ontheemden Oekraïne» van einde 2023. Op basis van dit onderzoek zijn de geraamde kosten voor gas, water en elektriciteit € 105,– per maand per volwassen ontheemde met inkomsten. De bijdrage aan catering indien aanwezig is gelijkgesteld aan het vastgestelde bedrag voor eetgeld, namelijk maximaal € 242,48 per volwassen ontheemde met inkomsten.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘After Polynesia and New Caledonia, Baku will help Bonaire in it’s fight against colonialism’ |
|
Isa Kahraman (NSC) |
|
Zsolt Szabó (VVD), Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de genoemde artikelen over het vermeende misbruik van de Niet-Gebonden Beweging door Azerbeidzjan, zoals beschreven in «After Polynesia and New Caledonia, Baku will help Bonaire in its fight against colonialism» en «Manipulation of Anti-Colonial Narratives in French Overseas Territories and Corsica»?1, 2
Ik ben bekend met genoemde artikelen.
Bent u bekend met de organisaties die deze conferentie hebben georganiseerd, namelijk de Baku Initiative Group en de Bonaire Human Rights and Change Movement? Zo ja, kunt u aangeven wat de doelstellingen van deze organisaties zijn, met welke andere entiteiten ze verbonden zijn, en specifiek of ze banden hebben met de Azerbeidzjaanse en/of Bonairiaanse overheden?
Ja, ik ben bekend met beide organisaties. De Baku Initative Group (BIG) werd opgericht op 6 juli 2023 en omschrijft zichzelf als een organisatie gericht op het tot stand brengen van dialoog en samenwerking over vraagstukken omtrent gekoloniseerde volken, zelfbeschikking en mensenrechten. BIG opereert naar eigen zeggen onafhankelijk van de Azerbeidzjaanse overheid.
De organisaties Bonaire Human Rights Organization en de Bonaire Movement for Change zijn al enige jaren actief op het eiland. Voor zover mij bekend hebben deze organisaties geen banden met de Bonairiaanse overheid. De doelstelling van deze organisaties is heropname van Bonaire op de VN-lijst van niet-zelfbesturende gebieden.
Heeft u signalen ontvangen vanuit Bonaire dat er ontevredenheid heerst over de huidige positie binnen het Koninkrijk, en dat er mogelijk sprake is van een wens om deze positie te herzien of te verlaten?
Recentelijk heeft er een werkconferentie plaatsgevonden over de herziening van de Wet op openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (WolBES) en de Wet financiën Bonaire, Sint Eustatius en Saba (FinBES). Tijdens deze conferentie heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nogmaals het recht op zelfbeschikking van de eilanden erkend en aangegeven dat dit niet ter discussie staat.3
Het kabinet heeft vanuit de Bonairiaanse overheid geen verzoek ontvangen om de huidige positie van Bonaire binnen het land Nederland of het Koninkrijk te herzien.
Is het waar dat de Franse inlichtingendiensten al geruime tijd beschikken over informatie betreffende destabiliserende activiteiten van Azerbeidzjan, uitgevoerd via de Baku Initiative Group, zoals in het geval van Nieuw-Caledonië?
Ik ben niet op de hoogte van de informatie waar de Franse inlichtingendiensten over beschikken.
Deelt u de zorg dat organisaties zoals de Baku Initiative Group, doormiddel van desinformatie, destabiliserend kunnen werken op Bonaire? Zo ja, welke maatregelen overweegt u te nemen om dergelijke destabilisatie tegen te gaan?
Het kabinet erkent dat de verspreiding van desinformatie kan leiden tot onrust en onzekerheid bij mensen en een verstorend effect kan hebben op onze samenleving, dus ook op Bonaire. Om die reden neemt het kabinet in de Rijksbrede Strategie effectieve aanpak van desinformatie maatregelen om de samenleving weerbaar te maken tegen desinformatie.4 Deze maatregelen zijn ook van toepassing op Bonaire. In dit geval acht het kabinet additionele maatregelen niet nodig.
Zijn de activiteiten van Azerbeidzjan zoals hierboven beschreven onderwerp van discussie in internationale fora zoals de Verenigde Naties (VN), de Europese Unie (EU) en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO)?
Indien uw vraag betrekking heeft op de activiteiten van de Baku Initiative Group, kan ik bevestigen dat deze activiteiten niet zijn besproken in de door u genoemde fora.
Kunnen deze acties van Azerbeidzjan leiden tot gevolgen binnen internationale samenwerkingsverbanden zoals de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) of de NAVO? En acht u het wenselijk dat Azerbeidzjan blijft deelnemen aan bijeenkomsten van bijvoorbeeld de NAVO Parlementaire Assemblee?
De Baku Initiative Group is geen gouvernementele organisatie. De acties van de Baku Initiative Group hebben geen gevolgen voor de samenwerking tussen Azerbeidzjan en de OVSE dan wel de NAVO. Deelname aan de NAVO Parlementaire Assemblee is aan de nationale parlementen van de NAVO-bondgenoten, waaronder ook uw Kamer, en hier heeft het kabinet geen invloed op.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
De vragen worden zijn snel mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Doodsbedreigingen en anonieme berichten: hoe Chinese studenten in Nederland worden geïntimideerd’ |
|
Claire Martens-America (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Eppo Bruins (CU), Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Doodsbedreigingen en anonieme berichten: hoe Chinese studenten in Nederland worden geïntimideerd»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat het ontoelaatbaar is dat studenten lastig worden gevallen dan wel worden geïntimideerd door hun thuisland of land van herkomst? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben het er mee eens dat het ontoelaatbaar is dat studenten worden lastiggevallen dan wel worden geïntimideerd. Studeren moet in vrijheid en in een veilige omgeving kunnen plaatsvinden.
Zijn de berichten dat studenten worden lastiggevallen en worden geïntimideerd bij u bekend en zo ja, wanneer kreeg u de eerste signalen? Kunt u dit toelichten?
Een aantal berichten is mij bekend. Zo ontving mijn ambtsvoorganger in 2020 het rapport «China’s invloed op onderwijs in Nederland: een verkenning» van Clingendael. In het rapport staat dat statelijke actoren negatieve middelen gebruiken om politieke beïnvloeding binnen het hoger onderwijs te bewerkstelligen, zoals het opleggen van druk of vormen van bedreiging. Een recenter bericht dat ik heb ontvangen is het rapport «On my campus, I am afraid» van Amnesty International dat eerder dit jaar is gepubliceerd.
Wat doet u voor die studenten die worden lastiggevallen en worden geïntimideerd?
Het kabinet vindt elke vorm van ongewenste buitenlandse inmenging volstrekt onwenselijk. Iedereen in Nederland moet vrij en ongehinderd diens leven kunnen leiden, zonder ongewenste bemoeienis door autoriteiten van andere landen. Het kabinet voert een brede aanpak om dit fenomeen tegen te gaan, zoals beschreven in de Kamerbrief van 6 april 2023 over de geïntensiveerde aanpak ongewenste buitenlandse inmenging.2 Voorafgaand aan het commissiedebat buitenlandse inmenging en beïnvloeding van 24 oktober aanstaande wordt u door de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Buitenlandse Zaken over de voortgang van deze aanpak geïnformeerd.
Ik onderzoek momenteel hoe ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) gericht op kennisinstellingen en buitenlandse studenten kan worden opgepakt binnen deze bredere aanpak. Over de uitkomsten hiervan ga ik in gesprek met de kennisinstellingen.
Universiteiten en hogescholen zijn daarnaast primair verantwoordelijk voor het borgen van een veilige leer- en werkomgeving. Ik ondersteun hen daarbij middels mijn aanpak op de veiligheidsthema’s sociale veiligheid, kennisveiligheid en cyberveiligheid. Met de integrale aanpak sociale veiligheid3 werk ik bijvoorbeeld aan het versterken van de sociale veiligheid op hogescholen en universiteiten. Dat doe ik via vijf actielijnen, waaronder het wettelijk verankeren van een zorgplicht sociale veiligheid en het versterken van toezicht op dit onderwerp. Over de voortgang op het gebied van kennisveiligheid, gericht op het voorkomen van ongewenste overdracht van kennis en technologie en het tegengaan van heimelijke beïnvloeding, heb ik uw Kamer op 11 maart dit jaar geïnformeerd.4 Een nieuwe voortgangsbrief volgt spoedig. Op het gebied van cyberveiligheid werken instellingen in het mbo, hbo en wo aan de vergroting van de digitale veiligheid van de onderwijs- en onderzoekssector.5
Kunnen de studenten die lastiggevallen en geïntimideerd worden zich melden bij de onderwijsinstelling voor advies? Kunt u het antwoord toelichten?
Onderwijsinstellingen hebben verschillende functionarissen bij wie studenten terecht kunnen als zij ergens tegenaanlopen, zoals een vertrouwenspersoon. Deze vertrouwenspersoon kan contact zoeken met de kennisveiligheidscoördinator van een instelling en contact opnemen met het loket kennisveiligheid voor advies.
Bent u met onderwijsinstellingen in gesprek hoe zij zich het beste kunnen weren tegen mogelijke infiltratiepogingen?
Ik voer een constante dialoog met kennisinstellingen als onderdeel van de aanpak kennisveiligheid. Het tegengaan van heimelijke beïnvloeding door statelijke actoren maakt daar ook onderdeel van uit. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 ga ik met kennisinstellingen in gesprek over wat er nodig is om ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) gericht op kennisinstellingen en buitenlandse studenten aan te pakken.
Wat kunt u voor studenten doen die zich op dit moment niet veilig voelen in Nederland of op de universiteit? Kunt u het antwoord toelichten?
Studenten die zich op dit moment niet veilig voelen roep ik op zich te melden bij hun vertrouwenspersoon. Afhankelijk van de situatie kan een vertrouwenspersoon de student ondersteunen met bijvoorbeeld advies of een doorverwijzing. Zie ook mijn eerdere antwoord op vraag 4.
Zijn computersystemen en software (voor bijvoorbeeld het inleveren van opdrachten) veilig genoeg, zodat er geen persoonsgegevens van studenten kunnen worden ontfutseld en hoe helpt u onderwijsinstellingen hierbij?
Onderwijsinstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de beveiliging van hun computersystemen en software en voor het voldoen aan de AVG. Mijn ambtsvoorganger heeft in 2021 afspraken gemaakt met de onderwijskoepels over o.a. het vergroten van bewustzijn, borgen van risicomanagement en het uit laten voeren van externe audits, om de cyberweerbaarheid in samenwerking met SURF te verhogen. Hiertoe zijn ook middelen beschikbaar gesteld, deels uit de Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS). Twee keer per jaar vindt een bestuurlijk overleg over deze afspraken plaats. Ik verwacht uw Kamer voor het einde van het jaar te informeren over de stand van zaken van deze bestuurlijke afspraken.
Heeft u, of andere collega-bewindspersonen, contact gehad met de Chinese ambassade aangaande dit onderwerp en deze problematiek? Zo ja, kunt u het antwoord toelichten? Zo niet, verwacht u in de toekomst contact hierover?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de problematiek uit het bericht recent in een gesprek met de Chinese ambassade besproken. In dit gesprek is gewezen op het belang van het beschermen van de academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting van studenten (en ook Chinese studenten) in Nederland. Deze belangen breng ik binnenkort ook over aan mijn Chinese evenknie in een reactie op een felicitatiebrief naar aanleiding van mijn aantreden.
Herinnert u zich de recent aangenomen motie van het lid Martens-America c.s. over overleggen met kennisinstellingen, zodat er geen nieuwe PhD-studenten met een CSC-beurs worden toegelaten tot gevoelige onderzoeksgebieden en kunt u ons meenemen in de voortgang hiervan?2
Ja, ik herinner mij die motie. Uw Kamer zal voor het commissiedebat kennisveiligheid van 6 november aanstaande een voortgangsbrief ontvangen over kennisveiligheid, waarin u ook over de voortgang van deze motie geïnformeerd wordt.
In het artikel is te lezen dat een vorm van zelfcensuur wordt toegepast uit angst voor represailles. Hoe wordt gecontroleerd of en op welke schaal dit aan de orde is en bent u van mening dat we dit moeten voorkomen? Kunt u het antwoord toelichten?
Academische vrijheid is essentieel voor een hoogwaardige wetenschapsbeoefening en het maatschappelijk vertrouwen in de wetenschap. Ik ben van mening dat zelfcensuur moet worden voorkomen. In 2023 heeft mijn ambtsvoorganger onderzoek laten doen naar academische zelfcensuur in hoger onderwijs en wetenschap.7 Het onderzoeksrapport heeft mijn ambtsvoorganger op 21 december 2023 met uw Kamer gedeeld en van een reactie voorzien.8
In dit onderzoek is vastgesteld dat een ruime meerderheid van onderzoekers, docenten en studenten zich niet beperkt voelt om zich vrij te uiten en geen zelfcensuur toepast. Echter, in elk van deze drie groepen bestaan aanzienlijke minderheden die zich wél beperkt voelen om zich vrij te uiten en zelfcensuur toepassen. Dat er onderzoekers, studenten en docenten zijn die zich beperkt voelen in het uiten van zichzelf of die zichzelf zelfs censureren vind ik zorgelijk.
In het rapport is een aantal aanbevelingen richting de hogescholen en universiteiten gedaan, waaronder de aanbeveling om systematisch te monitoren hoe zelfcensuur zich ontwikkelt in het hoger onderwijs en de wetenschap. Ik verwacht van de instellingen dat zij dit grote belang blijven zien en zich hiervoor blijven inzetten. Ik ben met UNL en VH in gesprek over hoe zij de monitoring op academische zelfcensuur kunnen inrichten.
Naast monitoring door instellingen zelf, heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer toegezegd over vier jaar nogmaals onderzoek te doen naar de wijze waarop onderzoekers, docenten en studenten hun academische vrijheid ervaren.
Wat kunt u, naast uitvoering geven aan de motie-Martens-America cs., nog meer doen om invloed van de Chinese overheid op onze academische vrijheid te beschermen? Kunt u het antwoord toelichten?3
Academische vrijheid is een kernwaarde van de wetenschap, cruciaal voor hoogwaardige wetenschapsbeoefening. Ik hecht belang aan het waarborgen hiervan. Het borgen van academische vrijheid vereist dat er voldaan wordt aan een aantal randvoorwaarden.10 Deze randvoorwaarden worden ook meegenomen in samenwerkingsovereenkomsten (MoU’s) die ik sluit met landen, waaronder ook China. Wetenschappers moet veilig zijn en vrij van bedreigingen hun werk kunnen doen, ook vrij van bedreigingen van statelijke actoren. Een van de maatregelen is de inrichting van het platform Wetenschapsveilig, zodat wetenschappers die bedreigd worden daar melding van kunnen doen.
Om te voorkomen dat statelijke actoren invloed kunnen uitoefenen op de wetenschap, worden kennisinstellingen gevraagd om bij twijfels over bepaalde samenwerkingen een risicoanalyse te maken. In deze risicoanalyse is het belangrijk dat het beperken van academische waarden, waaronder academische vrijheid, meegewogen wordt. Daarnaast kunnen kennisinstellingen bij twijfel contact opnemen met het Loket Kennisveiligheid. Het Loket Kennisveiligheid adviseert onder meer over de risico’s van het beperken van de academische vrijheid vanuit statelijke actoren.
De beantwoording van eerdere vragen over de conceptenrichtlijn |
|
Sandra Palmen (NSC), Jesse Six Dijkstra (NSC) |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel ««Rutte-doctrine» is springlevend: alle ministeries negeren rechterlijke uitspraken over transparantie» van Follow the Money?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de vorige Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de beantwoording op onze schriftelijke vragen over dit artikel volhield dat concepten niet zonder beoordeling geweigerd mogen worden? Kunt u, met toelichting, aangeven of deze beantwoording op juiste gronden heeft plaatsgevonden?2
In de Kamerbrief van 12 februari 20243 is aangegeven wat het uitgangspunt is van de destijds geldende rijksbrede Woo-instructie (2022) over de omgang met concepten: «Een conceptversie van een stuk leent zich naar zijn aard in eerst instantie niet goed voor openbaarmaking. Dit laat onverlet dat in een voorkomend geval relevante feitelijke informatie in een concept die niet ook is opgenomen in het definitieve stuk, voor openbaarmaking in aanmerking komt wanneer er anders een onjuist of onvolledig beeld zou ontstaan van het besluitvormingsproces. Dit vergt een beoordeling van de onderliggende relevante concepten. Integrale weigering van concepten zonder deze toets is niet toegestaan (...).De destijds geldende Woo-instructie (2022) kende echter een «strakkere» tekst die er in de praktijk op neerkwam dat concepten integraal werden geweigerd. Zo stond – onder meer – te lezen dat «Concepten van stukken in beginsel niet openbaar worden gemaakt» en «In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als door het niet verstrekken een onjuist of onvolledig beeld ontstaat over het besluitvormingsproces, kunnen concepten wel openbaar worden gemaakt».
Zoals ook eerder aangegeven in de Kamerbrief van 12 februari 2024 oogde de Woo-instructie strakker dan bedoeld, waardoor in de praktijk concepten vaker werden geweigerd dan zou moeten. Omdat dit niet het doel was van de instructie en omdat we streven naar transparantie, is de instructie in juli 2024 aangepast4.
Deze aanpassing komt er in de kern op neer concepten vanaf DG-niveau en hoger, en bij voorkeur de bewindspersoon hebben bereikt, altijd op passageniveau moeten worden beoordeeld op de vraag of het relevante feitelijke informatie bevat inzake het besluitvormingsproces dat niet ook al (in een andere vorm) terugkomt in het definitieve stuk. Is hiervan sprake dan verdient het aanbeveling om het concept in zijn geheel openbaar te maken wanneer de te verstrekken relevante feitelijke informatie (nagenoeg) gelijkluidend is met de definitieve tekst die al (deels) openbaar is, dan wel wordt. Openbaarmaking van dergelijke concepten, lees: vanaf DG-niveau en hoger, is belangrijk wanneer daardoor inzicht wordt geboden in het voorliggende besluitvormingsproces.
Deze aangepaste lijn betekent nadrukkelijk niet dat álle andere voorliggende concepten aan dezelfde toets op passageniveau worden onderworpen. Het is in dit kader belangrijk te realiseren dat er ambtelijk in de regel zeer veel concepten worden gedeeld alvorens een stuk definitief wordt gesteld. In deze beleidsontwikkelingsfase moet er ruimte zijn om concepten en gedachten met elkaar te wisselen. Dat kan in de vorm van beleidsalternatieven zijn, maar kan ook veel vluchtiger zijn: je denkt ergens over na en deelt die gedachte met een (beleids)collega om vervolgens op iets heel anders uit te komen. In die (beleidsontwikkel)fase moet nog niet alles openbaar worden gemaakt. Dit mede vanwege het belang van de vrije gedachtevorming.
In het kader van dit vraagstuk wil ik uw Kamer ook het volgende meegeven. Als gevolg van digitalisering is de hoeveelheid informatie exponentieel toegenomen. Dit geldt ook voor concepten van documenten. Voordat een document (Kamerstuk, brief, nota, etc.) definitief wordt vastgesteld, worden veel conceptversies van dergelijke documenten binnen de organisaties gedeeld. Het is daarbij geen uitzondering dat het gaat om tientallen tot honderden verschillende conceptversies van één document, die zich ook nog eens op verschillende plekken en in verschillende systemen binnen de organisatie bevinden. Aan de omgang van concepten zit dus ook een belangrijk uitvoerbaarheidscomponent.
Op dit moment worden de termijnen van de Woo in veel gevallen al (drastisch) overschreden. Een belangrijke oorzaak hiervan is dat onder de Woo alle soorten en aantallen documenten opgevraagd kunnen worden, waaronder dus ook concepten. Wanneer alle concepten geïnventariseerd, verzameld en op passageniveau beoordeeld zouden moeten worden, zou dit grote gevolgen hebben voor de beheersbaarheid van Woo-verzoeken. De ruime openbaarheidswetgeving in Nederland is een groot goed, maar brengt tegelijkertijd een grote uitvoeringslast met zich mee. Zoals ook aangekondigd in het regeerprogramma5 start het kabinet daarom op korte termijn een onderzoek naar de uitvoeringslast, kosten en de (benodigde) capaciteit voor de Woo.
Bent u bekend met de nieuwe, niet actief openbaar gemaakte nota vanuit uw ministerie waaruit blijkt dat de Kamer verkeerd is geïnformeerd en dat het ministerie wel degelijk een Rijksbrede conceptenrichtlijn hanteerde waarbij elk conceptdocument bij voorbaat niet openbaar gemaakt hoefde te worden?3
Ik ben bekend met de gememoreerde nota. Hieruit volgt echter niet dat de Kamer verkeerd is geïnformeerd over dat er een Rijksbrede conceptenrichtlijn zou zijn met als uitgangspunt dat elk conceptdocument bij voorbaat niet openbaar gemaakt hoefde te worden. Wel blijkt hieruit dat er door de (te) strakke formulering in de rijksbrede Woo-instructie in de praktijk concepten integraal werden geweigerd. Als ook aangegeven in het antwoord bij vraag 2 was dit niet het doel van de instructie en is het inmiddels aangepast. Zie ook het antwoord bij vraag 2.
Zijn er nog additionele richtlijnen of aanverwante documentatie omtrent (niet-)openbaarmaking van documenten die niet reeds met de Kamer gedeeld zijn? Zo ja, zou u die op korte termijn alsnog willen verstrekken?
Bij de afhandeling van verzoeken is het wettelijke kader van de Woo leidend. De recentelijk aangepaste rijksbrede Woo-instructie (versie 2024) biedt een intern en praktisch kader van afhandelingen van Woo-verzoeken die bij de Rijksoverheid worden ingediend. Er zijn mij hierop geen additionele richtlijnen of aanverwante documentatie bekend die niet reeds met uw Kamer is gedeeld. Ter verduidelijking wijs ik er nog op dat de openbaar gemaakte nota waaraan in de vraagstelling wordt gerefereerd geen additionele richtlijn betreft op het geschetste Woo-toetsingskader maar een analyse van een voorliggende uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 juni 2022 inzake het niet openbaar maken van conceptversies van de kabinetsreactie van 15 januari 2021 op het rapport «Ongekend onrecht».
Kunt u bevestigen dat de vorige Staatssecretaris meer openheid had moeten geven in haar antwoorden? Kunt u dit nader toelichten?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 is door de te strakke formulering in de oude rijksbrede Woo-instructie de praktijk geweest dat concepten vaker werden geweigerd dan zou moeten. Op het ontstaan van deze ongewenste praktijk had in voorgaande Kamerbrief van 12 februari 2024 voor het volledige beeld kunnen worden gewezen.
Deelt u de visie dat de overheid transparantie hoort te betrachten en het grondrecht op openbaarheid van bestuur hoort te waarborgen? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorg dragen dat hieraan consequent opvolging wordt gegeven?
Ja, ik deel deze visie. Transparantie en openbaarmaking van overheidsinformatie zijn essentieel voor het goed functioneren van onze democratische rechtsstaat en een betrouwbaar openbaar bestuur. Het is dan ook van belang dat overheidsorganisaties transparant zijn over haar overwegingen en aanspreekbaar zijn op genomen besluiten.
Vanuit mijn stelselverantwoordelijk zet ik de komende kabinetsperiode in op een betere uitvoering én betere uitvoerbaarheid van de Woo. Daarvoor wordt onder andere ingezet op meer actieve openbaarmaking en snellere afhandeling van Woo-verzoeken. Het kabinet neemt verschillende maatregelen, zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op de Woo-invoeringstoets7 en werkt met het Meerjarenprogramma Openbaarheid en Informatiehuishouding 2024–2025 aan ondersteunende maatregelen. Op die manier werken we stap voor stap toe naar een opener overheid.
Vrouwensporten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Karremans |
|
![]() |
Bent u van mening dat een (biologische) man een Y-chromosoom heeft en een (biologische) vrouw niet? Zo nee, wat is dan volgens u het (biologisch gezien) kenmerkende onderscheid tussen een man en een vrouw?
Ja, er zijn verschillen tussen mannen en vrouwen. Een biologische man heeft een Y-chromosoom, terwijl een biologische vrouw dat niet heeft. Dit is het kenmerkende onderscheid. Desalniettemin zijn er ook intersekse personen en transgenders.
Zijn er volgens u biologische verschillen tussen mannen en vrouwen (bijvoorbeeld in spierkracht, lengte, uithoudingsvermogen et cetera) die van invloed zijn op de sportprestaties van mannen en vrouwen? Zo nee, waarom niet?
Ja, er zijn biologische verschillentussen mannen en vrouwen die de sportprestaties beïnvloeden. Het gaat dan bijvoorbeeld om lichaamsbouw, metabolisme, spiermassa en hormonen.
Is het, wat u betreft, gezien deze biologische verschillen, wenselijk dat er aparte sportcompetities bestaan in veel sporten (bijvoorbeeld voetbal en wielrennen) voor mannen en vrouwen? Zo nee, waarom niet?
Het is wenselijk om aparte sportcompetities te behouden. In de meeste takken van sport bestaan dus ook aparte man-vrouw wedstrijdcategorieën, omdat prestaties mede afhankelijk zijn van spierkracht, lengte en uithoudingsvermogen.
Ik vind het wel belangrijk dat álle sporters een inclusieve, veilige en integere omgeving aangeboden krijgen om te kunnen sporten om het beste uit zichzelf te kunnen halen. Sport moet voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht sekse of gender, dus ook transgenders en intersekse personen. Het IOC, de internationale federaties en nationale federaties (in Nederland NOC*NSF) streven naar eerlijke vrouwensport waar zo maximaal mogelijk inclusie nagestreefd wordt.
In Nederland heeft NOC*NSF in 2023 een «Handreiking Gender- en seksediverse personen» gepubliceerd.1 Deze handreiking geeft uitgebreide adviezen voor sportbonden, clubs en sporters ten behoeve van een inclusieve sportomgeving. Voor de breedtesport zijn al verschillende modellen voor competitievormen beschreven. De adviezen voor de breedtesport uit deze handreiking worden goed gewaardeerd en gebruikt.
Lopen (biologische) vrouwen, gezien deze biologische verschillen, het risico te verdwijnen uit de (top)sport zodra er niet langer een aparte competitie is voor alleen vrouwen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord 3 zijn er aparte mannen- en vrouwencompetities. Welke vereisten daaraan gesteld worden, is aan de individuele sportbonden.
Vindt u het wenselijk dat (biologische) mannen (gedefinieerd als mensen met een Y-chromosoom) op basis van zelfidentificatie als «vrouw» deel kunnen nemen aan de vrouwensport?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 1 en 3.
Lopen vrouwelijke vechtsporters een (extra) risico op ernstig fysiek letsel als (biologische) mannen (gedefinieerd als mensen met een Y-chromosoom) kunnen participeren in een vechtsport voor vrouwen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de internationale sportfederaties om een zorgvuldige afweging te maken wie er kan uitkomen in de desbetreffende sport.
Bent u bereid er, in het belang van vrouwen, op toe te zien dat (biologische) mannen uit de vrouwensporten worden geweerd? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de nationale bonden en de internationale sportfederaties om hier per sport afspraken over te maken.
Bent u bekend met het nieuws dat tolken boos zijn en aan de bel trekken over de lage tarieven en kwaliteitsverslechtering, die resultaat zijn van het nieuwe systeem ingevoerd door de overheid?1
Ja, daar ben ik van op de hoogte.
Kunt u reflecteren op de onvrede die er heerst onder veel rechtbanktolken in Nederland en waar deze onvrede vandaan komt?
Ik erken dat er zorgen en onvrede onder gerechtstolken bestaan. Mijn ministerie voert hierover gesprekken met beroepsvertegenwoordigers.
De aanbesteding voor tolkdienstverlening ten behoeve van het OM en de Rechtspraak is vorig jaar afgerond. Met ingang van 1 februari 2024 zijn beide contracten volledig geïmplementeerd. Het OM en de Rechtspraak bestellen sindsdien hun tolkdienstverlening bij de twee gecontracteerde tolkbureaus. Deze tolkbureaus zetten vervolgens de tolkopdrachten uit bij zelfstandig ondernemende tolken. De zakelijke relatie tussen het OM, de Rechtspraak en de zelfstandig ondernemende tolken is in het nieuwe stelsel sinds 1 februari 2024 veranderd door de tussenkomst van tolkbureaus. Voorheen werkten de tolken rechtstreeks, zonder tussenkomst van een tolkbureau, voor het OM en de Rechtspraak en deze verandering kan nog niet rekenen op de steun van alle gerechtstolken.
Het ministerie voert gesprekken met verschillende beroepsvertegenwoordigers zoals ZZP-Nederland, FNV-Zelfstandigen, NGTV en de (zogeheten) Orde van Registertolk en -vertalers. Naar mijn indruk gaat het veelal om persoonlijke incidenteel voorkomende ervaringen van de tolken. Uit deze gesprekken blijkt het volgende:
Het is derhalve belangrijk om de effecten van de stelselwijziging te beoordelen aan de hand van feiten, zoals die zichtbaar worden uit de gegevens uit de monitoring van de tolkdienstverlening. Onder meer wordt gekeken naar de prestaties van de leverzekerheid en de levernauwkeurigheid van de tolkdienstverlening. Leverzekerheid geeft aan in welke mate tolkopdrachten worden geleverd, en levernauwkeurigheid beschrijft in hoeverre het gevraagde niveau wordt geleverd.
Bent u gealarmeerd door de duidelijke noodoproep die wordt gedaan door advocaten en de Orde van Registertolken- en vertalers?
Ja, ik ben op de hoogte van de heersende onvrede en mijn ministerie heeft hierover contact met beroepsvertegenwoordigers die de belangen behartigen van de zelfstandig ondernemende tolken en vertalers. Het is belangrijk dat we het stelsel evalueren op basis van de feitelijke cijfers uit de monitoring van de tolkdienstverlening. In de Kamerbrief over de monitoring van tolkdienstverlening, die ik vandaag aan uw Kamer zend, wordt ingegaan op de feitelijke cijfers uit de monitoring van de tolkdienstverlening.
Kunt u ingaan op casussen omtrent kwaliteitsverslechtering die worden aangedragen, zoals het verwarren van misbruik en mishandeling en verwarring door een gebrek aan juridische kennis?
Individuele casussen geven niet altijd een representatief beeld van de werking van het systeem. Het is belangrijk dat we het stelsel evalueren op basis van de feitelijke cijfers uit de monitoring van de tolkdienstverlening. In de Kamerbrief over de monitoring van tolkdienstverlening, die ik vandaag aan uw Kamer zend, wordt ingegaan op de feitelijke cijfers uit de monitoring van de tolkdienstverlening.
Kunt u ingaan op het aangedragen voorbeeld waarin een rechtszaak is uitgesteld, omdat de tolk geen tijd meer had voor de zaak, omdat deze uitliep in de tijd?
Het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak zijn onafhankelijk en organiseren zelf de inzet van gerechtstolken. Uitstel van een rechtszaak, door welke omstandigheden dan ook, is een ongewenste situatie. Helaas is het niet te vermijden dat sommige rechtszaken meer tijd vragen dan verwacht. Tegelijkertijd is van belang dat het OM en de Rechtspraak goed plannen en de benodigde tijd juist inschatten. Het is onwenselijk dat een zaak moet worden uitgesteld doordat een voorgaande zaak uitloopt. Anderzijds is het wenselijk dat tolken niet onnodig een hele dag reserveren terwijl ze ook werk voor andere opdrachtgevers kunnen doen. Het is nodig dat alle betrokken partijen zich hiervan bewust zijn. Uitstel of aanhouding van rechtszaken moet te allen tijde zo veel mogelijk worden voorkomen.
Kunt u ingaan op de uitspraken die worden gedaan over tolken die niet komen opdagen voor diensten, wat resulteert in grote gevolgen voor de representatie en de kwaliteit van een rechtszaak?
Het is bekend dat tolkopdrachten die voor het OM of de Rechtspraak uitgevoerd worden, in sommige gevallen relatief kort van duur zijn. Hierdoor kan het werken voor deze organisaties minder aantrekkelijk zijn. Daarom is het belangrijk dat het OM en de Rechtspraak hun opdrachten goed plannen en in overleg met tolkbureaus bekijken of opdrachten te combineren zijn. Een aantal geclusterde opdrachten kan een aantrekkelijkere opdracht zijn voor een tolk. Dit kan ook worden meegenomen in de onderhandelingen tussen individuele tolken en de tolkbureaus, wat mogelijk kan leiden tot hogere vergoedingen. Het is echter onwerkbaar voor zowel het Openbaar Ministerie, de Rechtspraak als ook de tolkbureaus wanneer tolken niet op de afgesproken locatie en tijd komen opdagen, terwijl zij eerder hebben aangegeven een tolkdienst te willen verrichten. Dit wordt vaak aangeduid als een «no-show».
Registertolken hebben de Gedragscode Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) voor inschrijving in het Register beëdigde tolken en vertalers (Register) ondertekend. In deze gedragscode wordt voorgeschreven dat de tolk zijn afspraak tijdig nakomt. In de uitvoering zal ik tolkbureaus en de door hen ingeschakelde tolken aansporen om no-shows zoveel mogelijk te voorkomen.
Erkent u dat dit geen incidenten zijn, maar exemplarisch is voor de huidige stand van zaken, gelet op de vele signalen die er zijn en het eerder overhandigde Zwartboek van de tolken?
Het niet opkomen dagen op de afgesproken locatie en tijd is geen nieuw fenomeen binnen het huidige stelsel. Ook in de oude werkwijze veroorzaakten no-shows al knelpunten in de bedrijfsprocessen van de overheid. Het blijft belangrijk om aandacht te besteden aan het voorkomen van no-shows. Voor een meer uitvoerige bespreking van het zwartboek verwijs ik naar de Kamerbrief over de monitoring van tolkdienstverlening, die ik vandaag aan uw Kamer zend.
Bent u het ermee eens dat de systeemverandering per 1 februari 2024, waarin commerciële bemiddelaars de verantwoordelijkheid krijgen voor de opkomst in de rechtbank, niet goed werkt?
De feitelijke gegevens uit de monitoring over de werking van het nieuwe systeem maken positieve ontwikkelingen zichtbaar. In de Kamerbrief over de monitoring van tolkdienstverlening, die ik vandaag aan uw Kamer zend, wordt nader ingegaan op deze gegevens. Het is belangrijk dat we het stelsel beoordelen aan de hand van de feitelijke cijfers uit de monitoring en niet aan de hand van aannames. De insteek om met tolkbureaus te gaan werken is uitgedacht vanuit het programma Tolken in de Toekomst, waarover mijn ambtsvoorganger uw Kamer in eerdere Kamerbrieven2 heeft geïnformeerd. Deze werkwijze is vanaf 2020 gefaseerd ingevoerd, maar pas sinds 1 februari 2024 toepasselijk bij tolken die voor het OM en de Rechtspraak werken.
Bent u het ermee eens dat de beoogde professionalisering tot nu toe dan ook averechts uitpakt als gevolg van deze uitbesteding van taken?
De prestaties van de geleverde tolkdienstverlening wordt door het ministerie bijgehouden. Zo weten we voor elke overeenkomst en voor elke organisatie de mate waarin tolkbestellingen geleverd zijn (leverzekerheid) en in welke mate het gevraagde taalniveau is geleverd (levernauwkeurigheid). De resultaten van de gerealiseerde prestaties geven een goed beeld over de werking van de systematiek. De precieze cijfers hiervan deel ik in de Kamerbrief die ik vandaag aan uw Kamer zend. Bij uitdagingen blijven we gericht of systeemoverstijgend in gesprek met de betrokken overheidsorganisaties en tolkbureaus.
Wat vindt u van het nieuws dat in België tolken worden geworven om het werk over te nemen van Nederlandse tolken die ook gewoon beschikbaar zijn hiervoor?
Ik heb geen recente aanwijzingen dat hiervan sprake kan zijn. Tolkbureaus zoeken naar manieren om hun bedrijfsprocessen optimaal te ontzorgen. Ze richten zich op het waarborgen van voldoende tolkcapaciteit en het werven van nieuwe tolken. Daarnaast stimuleren ze tolken, waar nodig, om zich te ontwikkelen tot registertolken en zich in het register te laten inschrijven.
De continuïteit van de organisatieprocessen binnen de Rijksoverheid heeft de hoogste prioriteit. De beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerde tolken is daarom van belang voor overheidsprocessen die van deze tolken afhankelijk zijn. De overheid heeft tolkbureaus gecontracteerd om onder andere ervoor te zorgen dat het aanbod aan tolken overeenkomt met de actuele vraag van de overheid. De tolkbureaus dragen, afhankelijk van de beschikbaarheid en bereidheid van registertolken, bij aan de continuering van overheidsprocessen.
Vanwege de onvrede onder sommige tolken die niet via tolkbureaus willen werken, de vergrijzing van het Register en de toenemende druk op de balans tussen aanbod en vraag in bepaalde talen, nemen tolkbureaus maatregelen om aan de vraag van de overheid te blijven voldoen.
Gaat u zich ervoor inzetten om ervoor te zorgen dat er actief geen tolken in België meer worden geworven door de commerciële bemiddelingsbureaus? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen recente aanwijzingen dat hiervan sprake kan zijn. Bovendien zou door tolkbureaus te verbieden creatief invulling te geven aan de behoefte van de overheid, de leverzekerheid negatief kunnen worden beïnvloed, wat een ongewenst effect heeft op de continuïteit van overheidsprocessen. Daarnaast kan het in bepaalde opdrachten in het grensgebied juist effectief zijn om een tolk uit België in te zetten in plaats van een tolk uit de andere kant van het land.
Kunt u toezeggen dat u in gesprek zal gaan met de Orde van Registertolken- en vertalers over zowel de vergoedingen als de gevolgen van de systeemverandering van inmiddels een halfjaar geleden en met voorstellen zal komen om de kwaliteit te waarborgen en de vergoedingen te verbeteren?
Het ministerie spreekt een aantal keer per jaar met diverse vertegenwoordigers van de beroepsgroep, waaronder de beroepsvertegenwoordiger met de naam Orde van Registertolken en -vertalers. Voor medio februari 2025 is een verkennend gesprek gepland met vertegenwoordigers van de beroepsgroep en het ministerie. Daarnaast wordt in een driehoeksoverleg gesproken met opdrachtgevers/Rijksoverheid, tolkbureaus en beroepsvertegenwoordigers. Dit gebeurt aan de hand van de monitoring van de tolkdienstverlening, zodat gerichte doorontwikkeling van onderdelen van het stelsel mogelijk blijft.
Het is aan de zelfstandig ondernemende tolk om met de tolkbureaus een redelijke vergoeding overeen te komen. Bij de stelselherziening hebben we ingezet op een stelsel met gespecialiseerde tolkbureaus, waarbij door onderhandelingen een goede en marktconforme prijs overeen wordt gekomen. Dit komt mede tot stand door vraag en aanbod, dat is per taal anders. Het tarief moet wel tenminste gelijk zijn aan het minimumuurtarief. Het minimum uurtarief (zoals vereist en neergelegd in het Btis) wordt jaarlijks op 1 januari geïndexeerd. Op 1 januari 2024 is het minimumtarief verhoogd van 55,00 euro naar 59,53 euro en per 1 januari 2025 naar 62,66 euro per uur.
De herkansingsperiode voor leerlingen op het Voortgezet Speciaal Onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat de herkansingsperiode voor leerlingen op het Voortgezet Speciaal Onderwijs soms nog tot begin september loopt, terwijl de uiterste aanmeld- of wijzigingstermijn voor een vervolgopleiding 31 augustus is?
Ja.
Bent u bekend met de signalen die onder meer worden gedeeld door het Leerlingenbelang-VSO (LBVSO) over jongeren die zich niet kunnen inschrijven voor hun vervolgopleiding omdat ze nog niet in de gelegenheid zijn gesteld hun herexamen te maken?
Ja.
Welke afspraken zijn gemaakt om ervoor te zorgen dat leerlingen die hun herkansing begin september hebben (en dan hun diploma halen) zich net als andere leerlingen kunnen inschrijven voor de opleiding van hun voorkeur?
Herkansingen vinden zo veel mogelijk plaats vóór 1 september, zodat v(s)o-leerlingen tijdig hun diploma kunnen ontvangen en aan hun vervolgopleiding kunnen beginnen. Voor vso-leerlingen die eindexamen doen via het staatsexamen zijn de herkansingen doorgaans begin september, op hun eigen vso-school. Als zij hierdoor in de problemen komen met de doorstroom naar het vervolgonderwijs, is het mogelijk om een verplaatsingsverzoek in te dienen, zie daarvoor het antwoord op vraag 5.
Vanwege de planning van de staatsexamens en de daarvoor benodigde examenbetrokkenen is het tot nog toe onhaalbaar om álle herkansingen (en uitgestelde examens) eind augustus te hebben afgerond. Ik vind dat ook heel onwenselijk. Voor 2025 en verder geef ik de examenketen de opdracht om het mogelijk te maken voor de specifieke groep leerlingen die willen doorstromen naar het hbo en wo hun herkansingen af te leggen vóór 1 september en om daarvoor voldoende examenbetrokkenen te werven, zie verder mijn antwoord op vraag 9.
Voor het inschrijven in het hbo en wo geldt voor álle aspirant-studenten hetzelfde: dit kan zodra zij aan de toelatingsvoorwaarden voldoen1. Als een aspirant-student vóór 1 september nog niet voldoet aan alle voorwaarden, bijvoorbeeld doordat hij nog een herkansing moet maken, mag hij dus (nog) niet worden ingeschreven. Dit mag zodra hij zijn diploma heeft behaald en daarmee aan de toelatingsvoorwaarden voldoet.
De wet stelt verder geen voorwaarden aan de datum van inschrijving; in principe mogen hogescholen en universiteiten studenten dus gedurende het hele jaar inschrijven (mits zij aan de toelatingseisen voldoen). Aspirant-studenten die dit jaar mogelijk in de problemen zijn gekomen door te late herkansingen kunnen altijd contact opnemen met de instelling om te vragen naar mogelijkheden rondom late inschrijvingen. Uit het contact met de koepelorganisaties Vereniging Hogescholen (VH) en Universiteiten van Nederland (UNL) blijkt dat instellingen veelal pragmatisch handelen. Daar waar het niet mogelijk is om de aspirant-student na 1 september in te schrijven, heeft dat vaak te maken met organisatorische redenen (zie daarvoor ook het antwoord op vraag 6). Ik spreek de verwachting uit dat, daar waar mogelijk, universiteiten en hogescholen begripvol zullen omgaan met aanmeldingen van aspirant-studenten uit het vso die vanwege de herkansingen na 1 september niet tijdig hun diploma behalen.
Hoe zijn deze afspraken gecommuniceerd naar leerlingen, onderwijsinstellingen en ouders?
Vso-scholen worden elk jaar op de vso-voorlichtingsdagen van het staatsexamen (september/oktober) voorgelicht over de examinering en alles wat daarbij komt kijken. Op basis van de signalen die ik dit jaar heb ontvangen, moet ik helaas constateren dat de informatie over (de planning van) de herkansingen en de mogelijke gevolgen voor de doorstroom naar het vervolgonderwijs misschien onvoldoende bekend is geweest. Ik zal de communicatie op dit punt dan ook verbeteren, samen met de examenketen. Het gaat hierbij om betere voorlichting aan de vso-scholen, maar zeker ook aan de vso-leerlingen zelf en hun ouders/verzorgers (zie verder het antwoord op vraag 9).
Welke begeleiding of ondersteuning krijgen leerlingen hierbij?
Vso-leerlingen (en hun ouders/verzorgers) die vragen hebben over de planning van de herkansingen kunnen zich richten tot hun vso-school. Voor leerlingen die door de planning van herkansingen mogelijk in de problemen komen bij de start van hun vervolgopleiding kan de vso-school nagaan of het mogelijk is om de herkansing(en) af te leggen op de centrale afnamelocatie (dit jaar waren deze op 29, 30 of 31 augustus). Dit beoordeelt de vso-school in overleg met de locatievoorzitter van het staatsexamen. Dergelijke verzoeken kunnen al worden ingediend vanaf het moment dat bekend is dat de leerling een vak moet herkansen. Daarnaast is het ook mogelijk om pas later, wanneer het herkansingsrooster bekend is (dit jaar rond 20 augustus), een verzoek tot verplaatsing naar de centrale afnamelocatie in te dienen. Aan veel van deze verzoeken kon gehoor worden gegeven.
Voor de leerlingen die vanwege omstandigheden niet in staat zijn om de herkansing te doen op een centrale locatie en waarvoor een afname op de eigen school passender is, is het vooralsnog in beperkte mate mogelijk geweest om de herkansingen te verplaatsen naar een moment vóór 1 september. Dat dit niet altijd mogelijk was, heeft te maken met het moment waarop de verzoeken werden ingediend en de beperkte mogelijkheden om hiervoor examenbetrokkenen te regelen.
Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 3 en 4 geef ik de examenketen de opdracht om het mogelijk te maken voor de specifieke groep leerlingen die willen doorstromen naar het hbo en wo hun herkansingen af te leggen vóór 1 september en om daarvoor voldoende examenbetrokkenen te werven; en ben ik daarnaast voornemens om de communicatie over (de planning van) de herkansingen te verbeteren. Zie voor meer toelichting hierop het antwoord op vraag 9.
Bent u het ermee eens dat in het kader van kansengelijkheid, maar ook in het verlengde van (internationale) afspraken, zoals bijvoorbeeld het VN-verdrag Handicap, deze leerlingen net zoveel recht hebben als anderen op het beginnen met een vervolgopleiding en dus niet geweigerd mogen worden?
Ik ben het ermee eens dat deze aspirant-studenten net zo veel recht hebben als andere aspirant-studenten om te mogen beginnen aan een vervolgopleiding. Net als alle andere aspirant-studenten moeten zij daarvoor voldoen aan de toelatingsvoorwaarden van het hbo en wo2. Voldoen zij daar (nog) niet aan, dan kunnen zij (nog) niet worden ingeschreven. Wél mogen de onderwijsinstellingen deze aspirant-studenten op een later moment in het studiejaar inschrijven en laten beginnen aan hun opleiding, zodra zij voldoen aan de voorwaarden. Of dat ook kán is aan de instellingen zelf: zij stellen zelf de precieze regels vast voor de procedure van inschrijving3, waaronder of inschrijving ná 1 september mogelijk is.
Dat hogescholen en universiteiten doorgaans een uiterlijke inschrijfdatum hanteren heeft onder meer te maken met de vele praktische zaken die ermee samenhangen, zoals het organiseren van de introductie, het indelen van werkgroepen, het koppelen van een student aan studiebegeleiding. Daarnaast is de inhoud van het onderwijsprogramma ook relevant; studenten die later instromen beginnen immers met een (kleine) achterstand. Het is aan instellingen zelf om te bepalen hoe ze hiermee omgaan. Dit is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de aspirant-student en de vervolgopleiding. Aspirant-studenten die vragen hebben over de mogelijkheden voor een late inschrijvingen, kunnen altijd contact opnemen met hun toekomstige onderwijsinstelling, zoals ook aangegeven in het antwoord vraag 3. Daarbij spreek ik de verwachting uit dat universiteiten en hogescholen hier begripvol mee zullen omgaan.
Naast het bovenstaande zie ik mogelijkheden om voor de specifieke groep vso-leerlingen over wie het hier gaat (havo/vwo, staatsexamen, directe doorstroom naar hbo- of wo-opleiding) de herkansingen vóór 1 september te laten plaatsvinden. Zie voor meer toelichting het antwoord op vraag 9.
Zo ja, gaat u met leerlingen en het LBVSO regelen dat alle leerlingen die begin september slagen voor hun herexamens, zich kunnen inschrijven en dus ook kunnen starten met een vervolgopleiding?
In de zomermaanden hebben verschillende vso-scholen verzoeken ingediend om herkansingen te verplaatsen naar de centrale afnamelocatie, zodat leerlingen niet in de knel zouden komen met hun inschrijving in het vervolgonderwijs. Voor veel van die leerlingen bleek een verplaatsing mogelijk (met het oog op zowel de specifieke situatie van de leerling als de capaciteit van het staatsexamen). Helaas bleek dit niet voor iedereen een (geschikte) oplossing, en zijn er dus enkele leerlingen die hun herkansing begin september hebben moeten maken. Zij kunnen altijd contact opnemen met hun toekomstige onderwijsinstelling om te vragen naar de mogelijkheden rondom latere inschrijving (zie ook het antwoord op vraag 3).
Zoals aangekondigd in het antwoord op vraag 3 worden er voor 2025 en verder afspraken gemaakt met de examenketen over de mogelijkheden om de herkansingen van deze specifieke groep leerlingen vóór 1 september te laten plaatsvinden, zodat problemen bij de doorstroom naar het vervolgonderwijs zo veel mogelijk kunnen worden voorkomen.
Bent u het er ook mee eens dat deze planning nadelig is voor leerlingen omdat ze op deze manier introductieweken en andere kennismakingsactiviteiten missen terwijl de overstap naar een vervolgopleiding een grote stap is? Zo ja, wat wordt er gedaan om te zorgen dat deze jongeren zo snel mogelijk aansluiting vinden bij de opleiding en studiegenoten?
Ja, het is onwenselijk als aspirant-studenten introductieweken en andere kennismakingsactiviteiten missen. Vandaar ook dat in het vervolg wordt nagestreefd dat herkansingen voor leerlingen die het vo-diploma nodig hebben voor hun doorstroom naar het hoger onderwijs, worden ingepland vóór 1 september. Daarmee vergroten we hun mogelijkheden om deel te nemen aan deze activiteiten.
Welke afspraken gaat u maken om dit gedoe in de toekomst te voorkomen?
Zoals aangegeven in enkele van de voorgaande antwoorden geef ik de examenketen de opdracht om de herkansingen van deze specifieke groep leerlingen (havo/vwo, die direct willen doorstromen naar een hbo- of wo-opleiding) in te plannen vóór 1 september in de situaties waarin dat noodzakelijk is voor een probleemloze doorstroom naar het vervolgonderwijs. Voor de vso-leerlingen voor wie het afleggen van een herkansing op een centrale locatie géén mogelijkheid is, zal indien nodig aan de vso-scholen worden gevraagd om de school vóór 1 september beschikbaar te stellen zodat deze leerlingen op de eigen school de herkansing kunnen doen. Om dit mogelijk te maken, zullen extra examinatoren beschikbaar moeten zijn. Ik geef de examenketen dan ook de opdracht om ervoor te zorgen dat deze geworven worden.
Tot slot zet ik met de examenketen in op betere communicatie naar zowel examenbetrokkenen, vso-scholen als vso-leerlingen en hun ouders/verzorgers over de planning van herkansingen en de mogelijkheden om een herkansing te verplaatsen op het moment dat deze leidt tot problemen met de doorstroom naar het vervolgonderwijs. Hierdoor probeer ik ook te voorkomen dat leerlingen onnodige stress ervaren zodra de herkansing zorgt voor problemen bij de doorstroom naar hbo- of wo-opleidingen.
Bent u bereid om deze vragen met de hoogste spoed te beantwoorden om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen voor deze leerlingen en hun belangenbehartigers?
Ja.
Het bericht ‘Zorg Curaçao op instorten: 'Rekening is onvermijdelijk voor Nederland' |
|
Faith Bruyning (NSC), Daniëlle Jansen (NSC) |
|
Zsolt Szabó (VVD), Karremans |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het bericht «Zorg Curaçao op instorten: «Rekening is onvermijdelijk voor Nederland»»?1
Ja.
Hoe hoog bedraagt het financiële tekort van het Curaçao Medical Center?
Uit informatie van het College Financieel Toezicht (Cft) blijkt dat het CMC eind 2022 een negatief eigen vermogen had van ANG 149 miljoen (circa EUR 74,5 miljoen), zoals de jaarrekening 2022 toont. Daarnaast bedraagt de uitstaande vordering van het land op het CMC minimaal ANG 433 miljoen (circa EUR 216,5).2
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van de financiële problemen bij het Curaçao Medical Center?
Er zijn verschillende oorzaken aan te wijzen voor de precaire financiële situatie van het CMC. De voornaamste reden is het hoger uitvallen van de kosten van de bouw van het ziekenhuis. Dit heeft geresulteerd in een hogere schuld en dus hoge jaarlijkse terugkerende kosten. Een ander belangrijke oorzaak is het uitblijven van een structurele oplossing voor de zorg aan onverzekerden en ongedocumenteerden.
Welke maatregelen heeft de regering van Curaçao genomen om de financiële situatie van het Curaçao Medical Center te verbeteren? Wat is het concrete plan om een zorginfarct op Curaçao te voorkomen? Welke lange termijnoplossingen worden overwogen om het Curaçao Medical Center weer financieel gezond te maken?
Op 10 september heeft de Minister van Financiën van Curaçao aangekondigd om tussen 2025 en 2028 een aanvullende financiering van ANG 253 miljoen (circa EUR 126,5 miljoen) toe te kennen aan het CMC om de zorgkwaliteit te waarborgen en de financiële gezondheid van het ziekenhuis te verbeteren. Curaçao geeft aan dat door de bijdragen het CMC geen rente en aflossing meer zal hoeven te betalen en dat er jaarlijks ANG 10 miljoen (circa EUR 5 miljoen) beschikbaar komt voor de zorgkosten van onverzekerden.3
Om de financiële situatie van het CMC op de lange termijn te verbeteren werkt Curaçao langs de lijnen van het Hoofdlijnenakkoord van oktober 2022 tussen de regering van Curaçao, de Stichting HNO Holding, CMC-Exploitatie en CMC-Vastgoed. Dit akkoord bestaat uit 14 thema’s en richt zich onder andere op het vinden van een structurele oplossing voor de kosten van het ziekenhuisgebouw en de bekostiging van zorg voor onverzekerden en ongedocumenteerden.
Ik beschik niet over informatie om uw vraag rondom het voorkomen van een zorginfarct te beantwoorden.
Welke maatregelen heeft de Nederlandse overheid genomen? Welke rol heeft de Nederlandse overheid in deze crisis, en welke vormen van incidentele en structurele financiële steun worden overwogen? Voor hoelang?
Gezondheidszorg is een landsaangelegenheid en valt dus onder de verantwoordelijkheid van het land Curaçao. Op dit moment hebben we geen verzoek om bijstand ontvangen. Er is ook geen signaal ontvangen dat een dergelijk verzoek te verwachten is. De financiering van de zorg is al langer een punt van aandacht, zoals ook meerdere malen door het Cft kenbaar is gemaakt. Mede daarom zijn er afspraken gemaakt in het landspakket om incidentele financiële steun te verlenen bij projecten die bijdragen aan de afgesproken hervormingen in het zorgstelsel. Daar heeft Curaçao nog geen gebruik van wensen te maken.
Hoeveel leningen vanuit de Nederlandse overheid aan de gezondheidszorg op Curaçao staan inmiddels uit?
Nederland heeft in 2014 als 2015 een lening verstrekt aan het land Curaçao, bedoeld voor de bouw van het ziekenhuisgebouw. In juni 2014 ging dit om 250 mln. Antilliaanse gulden (ca 125 mln. euro). Dit geld werd – zonder aflossingsverplichting – verstrekt tegen een rente van 2,45% en heeft een looptijd van 30 jaar. In januari 2015 ging het om 267 mln. Antilliaanse gulden (ca 133,5 mln. euro). Dit was een lening mét aflossingsverplichting, waarvan 187 mln. ANG (ca 93,5 mln. euro) bedoeld was voor het ziekenhuis en 80 mln. ANG (ca 40 mln. euro) voor overige kapitaalinvesteringen tegen een rente van 1,6% en een looptijd van 30 jaar.
Hoelang kan het Curaçao Medical Center nog operationeel blijven zonder financiële steun van buitenaf?
Ik beschik niet over de informatie om uw vraag op dit punt te kunnen beantwoorden.
Wat zijn de gevolgen voor de lokale bevolking als het Curaçao Medical Center niet meer in staat is om medische zorg te verlenen?
In algemene zin zal, en dit geldt voor elke soortgelijke situatie waarbij een ziekenhuis geen zorg meer kan leveren, de zorg door andere ziekenhuizen in de regio moeten worden overgenomen en ingekocht totdat het probleem verholpen is. Dit is niet ongebruikelijk in het geval van bijvoorbeeld defecte apparatuur of personele tekorten. Naast de twee kleinere ziekenhuizen op Curaçao, die daar in beperkte mate plek voor beschikbaar hebben, betekent dit dat er medische uitzendingen plaats zullen moeten vinden naar Bonaire, Aruba of Colombia.
Hoe verhoudt de situatie van het Curaçao Medical Center zich tot de gezondheidszorg op andere Caribische eilanden?
Deze informatie is bij mij niet bekend. Wel is duidelijk dat de zorg die door CMC wordt geleverd van voldoende kwaliteit is. Dit geldt ook voor de zorg op Bonaire, Aruba en bijvoorbeeld in Colombia. Daarnaast heb ik met name zicht op de uitzending van inwoners van Bonaire naar Curaçao voor behandelingen die niet in het ziekenhuis van Bonaire kunnen worden uitgevoerd. Daarover worden tot op heden nog geen problemen gerapporteerd.
Welke impact heeft de financiële situatie van het Curaçao Medical Center op andere gezondheidsdiensten op Curaçao?
Daar kan ik geen antwoord op geven aangezien ik niet beschik over alle informatie rondom de zorgverlening in Curaçao.
Wat is uw inschatting wat de val van de regering van Curaçao betekent voor het ziekenhuis?
Nadat drie Ministers hun ontslag hebben ingediend, is de regering Pisas-II verdergegaan in een nieuwe coalitie. De Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur bekleed zijn positie nog steeds en heeft aangegeven dat hij de liquiditeitsproblemen zal oplossen. Dit blijkt ook uit de aankondiging dat er tussen 2025 en 2028 een aanvullende financiering van ANG 253 miljoen (circa EUR 126,5 miljoen) zal worden toegekend aan het CMC (zie ook vraag 4).
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Bulgaria’s new anti-LGBTQ+ law is official. Opponents beg EU to take action' |
|
Bente Becker (VVD), Thom van Campen (VVD) |
|
Caspar Veldkamp (NSC), Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Bulgaria’s new anti-LGBTQ+ law is official. Opponents beg EU to take action»?1
Ja.
Bent u het eens dat deze Bulgaarse wet in strijd is met de beginselen van de Europese Unie inzake non-discriminatie en gelijkheid?
Op 7 augustus jl. heeft het Bulgaars parlement een amendement op de onderwijswet aangenomen. Dit omvat een verbod op «propaganda» van «niet-traditionele seksuele gerichtheid» en «alternatieve genderidentiteiten» in en om scholen. Het kabinet acht de aanname van dit amendement een zorgelijke ontwikkeling die een negatieve impact heeft op kinderen en lhbtiq+-personen. Het is nu primair aan de Europese Commissie, als hoedster van de Verdragen, om te beoordelen of de wetswijziging in strijd is met het Unierecht. Nederland dringt er bij de Commissie op aan dit spoedig te doen. De Commissie heeft Bulgarije reeds om opheldering verzocht.
Wat is het Nederlandse standpunt over de zorgelijke toename van dergelijke anti-LHBTIQA+ wetten binnen Europa?
Nederland staat voor de bescherming en de bevordering van de Europese fundamentele rechten en Europese waarden. Het kabinet maakt zich zorgen over de toename van gerichte anti-lhbtiq+ wetten en wetswijzigingen die in de afgelopen jaren in EU-lidstaten zijn voorgesteld en geïntroduceerd.
Welke stappen onderneemt Nederland binnen de Europese Unie (EU) om dergelijke wetten, die als discriminerend beschouwd kunnen worden, aan te kaarten? Welke tools heeft Nederland tot haar beschikking om dit aan te kaarten? Mist u tools om Nederland een stem te geven om dit soort wetten aan te kaarten?
Nederland zal, in samenwerking met gelijkgezinde lidstaten, zorgen over de wetswijziging bilateraal en in EU-verband aankaarten. Het is nu primair aan de Europese Commissie, als hoedster van de Verdragen, om te beoordelen of de wetswijziging in strijd is met het Unierecht. Nederland dringt er bij de Commissie op aan dit spoedig te doen. Mocht EU-wetgeving overtreden worden, dan is het aan de Commissie om passende maatregelen te treffen met alle middelen die zij tot haar beschikking heeft, zoals het starten van een inbreukprocedure.
Welke stappen worden er door Nederland ondernomen in Europa om de LHBTIQA+ gemeenschap in Europa te beschermen tegen dergelijke discriminerende wetgeving?
Nederland ondersteunt de lhbtiq+ gemeenschap in de EU op verschillende manieren. Zo spreekt Nederland regelmatig steun uit voor gelijke rechten van lhbtiq+ personen, bijvoorbeeld via deelname aan Pride-evenementen of via publieke verklaringen. Ook steunt Nederland de Europese Commissie bij het toezien op de naleving van EU-wetgeving, bijvoorbeeld ten aanzien van discriminatie. Daarnaast brengt Nederland bilateraal zorgen over als daar aanleiding toe is. Nederland steunt ook lhbtiq+ organisaties in Nederland en in andere lidstaten, waaronder financieel, en zal dit blijven doen.
Heeft u al op enig moment contact gehad met Bulgarije, via de Bulgaarse ambassade hier in Nederland of via de Nederlandse ambassade in Bulgarije, over deze wet? Zo ja, wat was de uitkomst hiervan? Zo niet, bent u van plan dit te doen?
Nederland heeft via de ambassade en de mensenrechtenambassadeur na aanname van de wetswijziging publiekelijk zorgen uitgesproken over de wetswijziging, daarbij steun aan de lhbtiq+ gemeenschap in Bulgarije uitgesproken en herbevestigd dat Nederland voor gelijke rechten voor iedereen staat. Ook in de Raad van Europa zijn deze zorgen uitgesproken. Nederland zal op korte termijn de zorgen over de wetswijziging zowel bilateraal als in EU-verband nader aankaarten. Het is nu primair aan de Europese Commissie, als hoedster van de Verdragen, om te beoordelen of de wetswijziging in strijd is met het Unierecht. Nederland dringt er bij de Commissie op aan dit spoedig te doen.
Overweegt u beiden om samen met andere EU-lidstaten met een gezamenlijke verklaring tegen deze wet te komen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om dit onderwerp aan te kaarten tijdens de volgende bijeenkomst in Europa? Zo ja, hoe wilt u dit gaan doen? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke manier kan de Staatssecretaris van emancipatie bijdragen aan het versterken van de rol van maatschappelijke organisaties die strijden tegen LHBTIQA+ discriminatie in Bulgarije?
De Ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Buitenlandse zaken werken nauw samen op de inzet voor gendergelijkheid en gelijke rechten van lhbtiq+ personen in de Europese Unie. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap subsidieert daarnaast de Europese koepelorganisaties TGEU, ILGA Europe en IGLYO.2 Zij ondersteunen lhbtiq+ organisaties in onder andere Bulgarije.
Lopen er op dit moment Nederlandse projecten in Bulgarije omtrent de LHBTIQA+ gemeenschap?
Ja.
Het bericht dat zorg-zzp’ers de belastingdienst vrezen |
|
Jimmy Dijk |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in Trouw dat zorg-zzp’ers de Belastingdienst vrezen en daardoor de zorg verlaten?1 Wat vindt u van het gegeven dat de zorg-zzp’er door deze ontwikkeling de zorg zou verlaten?
Ja, ik ken het bericht.
Het aantal zzp’ers in de zorg stijgt al enkele jaren. Er lijkt een vicieuze cirkel te zijn ontstaan; de toename van het aantal zzp’ers vergroot de bestaande onvrede onder werknemers in loondienst en daarmee de trekkende kracht naar het zzp-schap. Zorgorganisaties pleiten al langer voor het doorbreken van deze vicieuze cirkel. Handhaving door de Belastingdienst zal de schijnzelfstandigheid in de zorg verminderen, en daarmee een positieve invloed hebben op continuïteit en kwaliteit van zorg. Ik heb daarbij geen aanleiding te veronderstellen dat zorg-zzp’ers door handhaving van de Belastingdienst op grote schaal de zorg zullen verlaten. Bij eerdere enquêtes2 geeft een (beperkt) deel van de respondenten aan niet bereid te zijn terug in loondienst te gaan en de zorg te verlaten als ze geen zzp'er kunnen blijven. Het is daarbij de vraag in hoeverre ze daadwerkelijk deze keuze zullen maken. Immers, het stoppen met je baan en het verlaten van de zorg is een rigoureuze stap.
Vindt u dat de kwaliteit van de zorg wordt aangetast door de controle van de Belastingdienst? Zo ja, kunt u aangeven hoe de kwaliteit wordt aangetast? Zo nee, hoe gaat u het tekort aan personeel opvullen?
Nee, er is al enkele jaren sprake van een toename van het aantal zzp’ers in de zorg, ook daar waar dit eigenlijk niet passend is gezien de bestaande wet- en regelgeving over zelfstandigheid. Er zijn signalen dat de toename van het aantal zzp’ers gevolgen heeft voor kwaliteit, continuïteit en betaalbaarheid van de zorg. De toename van het aantal zzp’ers vergroot zo de bestaande onvrede onder werknemers in loondienst en daarmee de trekkende kracht naar het zzp-schap. Zorgwerkgevers pleiten al langer voor het doorbreken van deze vicieuze cirkel. De Belastingdienst controleert, zoals bijvoorbeeld in het Integraal Zorgakkoord verwoord, ook nadrukkelijk op verzoek van de zorgsector zelf op schijnzelfstandigheid. Het verbeteren van de balans tussen medewerkers in loondienst en flexwerkers zal naar verwachting leiden tot een hogere (ervaren) kwaliteit van zorg. Als specifiek voorbeeld geldt dat voor een deel van de zorg dat patiënten/cliënten de kwaliteit van zorg als beter ervaren bij «vaste gezichten».
Over de vraag wat mijn beleid is ten aanzien van personeelstekorten, verwijs ik graag naar het regeerprogramma. Ik wil de personeelstekorten aanpakken via drie lijnen. Bij lijn 1 is het streven de administratietijd in 2030 te halveren, onder andere door in te zetten op AI, digitaal werken en standaardisatie. We ondersteunen de uitvoering van de werkagenda van de Regiegroep Aanpak Regeldruk. Ook zal het kabinet wetgeving doorlichten en verbetervoorstellen doen ten aanzien van het beëindigen van het systeem van herindicaties voor mensen die in een verpleeghuis wonen. De indicatiestelling blijft gebruikt worden voor de urgentie op de wachtlijst. Lijn 2 «de juiste inzet van medewerkers» is erop gericht om de beschikbare medewerkers, in samenwerking met mantelzorgers en vrijwilligers, zo efficiënt mogelijk in te zetten. Het gaat hierbij onder andere om arbitrage tussen zorgwetten en over verschillende vormen van innovatieve zorg. Lijn 3 ziet op het «vergroten vakmanschap en werkplezier». Voor het einde van het jaar werken we een leidraad vakmanschap en werkplezier uit. Doel is dat mensen graag blijven werken in zorg en welzijn. Het gaat hierbij o.a. om het belang van adequaat opleiden, autonomie en vertrouwen in de medewerker, de balans tussen vast / flexibel personeel en het tegengaan van agressie.
Bent u op de hoogte van het feit dat de Belastingdienst strenger gaat controleren of de zzp’er wel werkelijk ondernemer is? Gelooft u dat dit sneller zal leiden tot een aanstelling in vaste dienst? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Ik ben op de hoogte van de ontwikkelingen rond het opheffen van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025. Het kabinet wil door het herstellen van de balans op de arbeidsmarkt het werken met en als zelfstandige(n) toekomstbestendiger maken. Lijn 3 van dit beleid van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën / Fiscaliteit en Belastingdienst ziet op verbetering van de handhaving op schijnzelfstandigheid. Dit impliceert dat het handhavingsmoratorium op de wet DBA, zoals al aan u gemeld, per 1 januari 2025 komt te vervallen. Op 6 september jl. is hierover aanvullend door beide genoemde bewindspersonen gecommuniceerd dat bedrijven en organisaties die mensen als zzp’er inhuren voor werk dat zij niet zelfstandig uitvoeren, dan weer een boete en naheffingen kunnen krijgen. Daarbij geldt een overgangsperiode van 1 jaar waarin werkgevers en werkenden nog geen vergrijpboete krijgen als zij kunnen bewijzen dat zij stappen zetten tegen schijnzelfstandigheid.3
Het aantal zzp’ers in de zorg stijgt al enkele jaren. Handhaving door de Belastingdienst draagt bij aan het bewustzijn bij werkgevers en werkenden wanneer een relatie als zzp’er mogelijk is en wanneer een aanstelling in vaste dienst passend is. Gezien het aantal schijnzelfstandigen in de zorg zal handhaving in ieder geval bijdragen aan het doorbreken van de stijgende trend in zzp-schap en daarmee het doorbreken van de vicieuze cirkel. De verwachting is dat dit eerder zal leiden tot de wederzijdse wens tot aanstellingen in dienstverband.
Als Minister van VWS lever ik hieraan onder meer een bijdrage via een bewustwordingscampagne waarmee in Q4 van 2024 wordt gestart. Deze campagne heeft tot doel het bewustzijn te verhogen over de verschillende (financiële) risico’s en verplichtingen in relatie tot het werken met en als zelfstandige(n), zodat een bewuste keuze kan worden gemaakt om al dan niet als zzp’er te gaan werken.
Kent u de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waaruit blijkt dat het aantal medewerkers met een vast dienstverband is gegroeid? Bent u ook op de hoogte van het feit dat die groei niet ten koste ging van het aantal zelfstandigen? Wat vindt u van deze cijfers? Vindt u een flexibele schil wenselijk bij de zorgwerkgever? Hoe groot moet die zijn?
Uit cijfers van het CBS volgt dat het totaal aantal werkenden in de zorg is gestegen van 1.476.000 in het 4e kwartaal 2022 naar 1.560.000 in het 4e kwartaal van 2023. Het aantal zzp’ers in de sector zorg en welzijn steeg van 123.000 naar 140.000, resp. 8,3% en 9,0% van het aantal werkenden. Het aantal zzp’ers is daarmee verder gestegen. In het regeerprogramma staat beschreven dat ik zal inzetten op de verhouding tussen flexibel en vast personeel om de vicieuze cirkel van steeds meer zzp’ers te doorbreken.
Iedere zorgwerkgever heeft behoefte aan een (interne of externe) flexibele schil voor het opvangen van piek, ziek en uniek. Een dergelijke schil kan op verschillende manieren vorm krijgen, bijvoorbeeld ook als zorgwerkgevers een gezamenlijke flexibele schil in loondienst ontwikkelen. In het regeerprogramma staat beschreven dat ik de mogelijkheden hiertoe verder ga uitwerken. Een flexibele schil kan daarnaast ook vorm krijgen via bijvoorbeeld uitzendkrachten of zzp’ers. Er is geen «redelijk percentage» van een interne, dan wel externe flexibele schil te noemen. Dit is van diverse factoren afhankelijk, waaronder bijvoorbeeld de aard van werken in een betreffende deelbranche van de sector zorg en welzijn.
Deelt u de mening dat er een norm in de zorg moet komen waarin gepleit wordt voor een maximumpercentage flexwerkers voor zorgwerkgevers? Kunt u dit uitwerken?
Nee, er is geen «redelijk percentage» van een externe flexibele schil te noemen. Dit is van diverse factoren afhankelijk. Primair is van belang dat zorgwerkgevers inzetten op een goede balans tussen medewerkers in (vaste) loondienst en flexwerkers met aandacht voor een aantrekkelijke vorm van loondienst en de juiste inzet van flexwerkers. Het mogelijke en gewenste percentage flexwerkers zal dan per situatie verschillen, waarbij bijvoorbeeld het type te leveren zorg en de bijbehorende aard van werken in een betreffende deelbranche van de sector zorg en welzijn van invloed zijn.
Er werken zo’n 180.000 zelfstandigen in de zorg, driekwart daarvan is zzp’er. Klopt het dat indien de Belastingdienst bepaalt dat er sprake is van een verkapt dienstverband zowel de zzp’er als de opdrachtgever een boete kan krijgen? Kunt u overzien wat hier de gevolgen van zijn?
Het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid komt per 1 januari 2025 te vervallen. Dit betekent dat bedrijven en organisaties die mensen als zzp’er inhuren voor werk dat zij niet zelfstandig uitvoeren, dan weer een boete en naheffingen kunnen krijgen. Op 6 september jl. is hierover door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën / Fiscaliteit aanvullend gecommuniceerd dat daarbij een overgangsperiode van 1 jaar geldt waarin werkgevers en werkenden nog geen vergrijpboete krijgen als zij kunnen bewijzen dat zij stappen zetten tegen schijnzelfstandigheid. Om de arbeidsmarkt voor te bereiden op de opheffing van het handhavingsmoratorium blijft de Belastingdienst in aanloop naar 1 januari 2025 opdrachtgevers en zzp’ers voorzien van informatie en praktische hulp. Zo zoekt de Belastingdienst actief de samenwerking op met veldpartijen om zoveel mogelijk onrust weg te nemen. Dit wordt de komende maanden via informatiesessies, webinars en bedrijfsgesprekken voortgezet. Ook blijft de Belastingdienst in gesprek gaan met onder andere koepels, brancheorganisaties en fiscaal dienstverleners.
Is u bekend dat werkgevers al langer het aandeel flexibele krachten willen terugdringen omdat uitzendkrachten duurder zijn dan vast personeel en omdat de kwaliteit van de zorg beter wordt met vaste gezichten? Gaat u werkgevers in de zorg daarbij helpen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, hoe onderbouwt u dit dan?
Ja, dat is mij bekend. Het verbeteren van de balans tussen medewerkers in loondienst en flexwerkers zal naar verwachting leiden tot een hogere (ervaren) kwaliteit van zorg. Als specifiek voorbeeld geldt dat voor een deel van de zorg dat patiënten / cliënten de kwaliteit van zorg als beter ervaren bij «vaste gezichten».
Mijn voorganger en ik zijn al reeds gedurende langere tijd in gesprek met diverse brancheorganisaties over de vraag hoe in gezamenlijkheid de schijnzelfstandigheid in de zorg beperkt kan worden. Recent ben ik een traject gestart met de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV), Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT), Federatie Medisch Specialisten (FMS) en Vereniging van Artsen Automobilisten (VvAA); doel hiervan is meer duidelijkheid te geven in welke situaties het werken met en als zelfstandige(n) in de zorg mogelijk zou kunnen zijn.
Wist u dat vaste zorgmedewerkers vooral overstappen naar ondernemerschap of flexwerker omdat ze weinig zeggenschap hebben over hun rooster zoals blijkt uit CBS cijfers? Hoe gaat u regelen dat vaste medewerkers meer invloed krijgen op hun eigen werktijden?
Uit het uitstroomonderzoek van Regioplus4 volgt dat het ontbreken van invloed op een rooster reden kan zijn een overstap te maken naar het ZZP-schap. 46% van de respondenten van het zzp-panel5 geeft als (een van de) reden(en) om zzp’er te worden als antwoord: «Ik wilde zelf bepalen hoeveel en wanneer ik werk».
Het bestrijden van het arbeidsmarkttekort in de zorg is een belangrijke prioriteit. In het regeerprogramma staat dat ik hierop inzet langs drie lijnen. Het vergroten van vakmanschap en werkplezier is daarvan een onderdeel. In de leidraad hierover kan ik ingaan op de invloed van medewerkers op roosters. Ik ga mede hierom regionaal werkgeverschap verder stimuleren. Regionaal werkgeverschap biedt de mogelijkheid aan werknemers om bij meerdere organisaties en op meerdere plekken in de regio te kunnen werken. Op deze wijze kunnen de betrokken werkgevers beter tegemoet komen aan de bestaande onvrede bij hun werknemers en zo de trekkende kracht naar het zzp-schap verminderen. Verder biedt het de mogelijkheid om met de roostering beter in te spelen op de wensen en behoeften van medewerkers in loondienst.
Hoe komt het dat zorgwerkgevers in de zorg er niet alles aan doen om vast personeel te behouden? Wat gaat u doen om de zorgcao’s als het gaat om vaste medewerkers de eerste keuze te geven bij het verdelen van diensten ten uitvoer te brengen?
Veel zorgwerkgevers doen hun uiterste best om vast personeel te behouden. Om die reden zijn zij zelf ook actief om de schijnzelfstandigheid te verminderen. Handhaving door de Belastingdienst helpt daarbij. In de leidraad vakmanschap en werkplezier zal ik ingaan op de balans tussen vast personeel en zzp’ers, als ook de invloed van roostering hierop.
In verschillende cao’s is inmiddels geregeld dat vaste medewerkers een dergelijke eerste keuze dienen te hebben. Overigens heb ik geen betrokkenheid bij de totstandkoming van cao’s. Dit is geheel aan sociale partners.
Het bericht 'Basisscholen bestookt met ‘linkse’ lespakketten: Het is echt dagelijkse spam’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Basisscholen bestookt met «linkse» lespakketten: Het is echt dagelijkse spam»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat scholen tientallen lespakketten per week aangeboden krijgen? Wat vindt u ervan dat deze lespakketten ook ongevraagd worden opgestuurd?
Ik deel de mening dat wetenschappelijk onderbouwde lespakketten ondersteunend kunnen zijn aan het voldoen aan de kerndoelen.
Ik maak me in algemene zin zorgen over de grote hoeveelheid lespakketten die op basis van goede bedoelingen actief aan het onderwijs wordt aangeboden. Het is belangrijk dat scholen zich in de eerste plaats kunnen richten op lezen, schrijven en rekenen en die zaken die belangrijk zijn voor kinderen om zichzelf te kunnen ontwikkelen. Dit kabinet wil de overladenheid tegengaan, daarom moeten bedrijven en maatschappelijke organisaties terughoudend zijn bij het aanbod van ongevraagde lesmaterialen aan scholen.
Overigens is het goed om te vermelden dat de Week van de Lentekriebels geen lespakket in zichzelf is. Het is een themaweek en initiatief van expertisecentrum seksualiteit Rutgers en de regionale Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD). Deze week is bedoeld om op een positieve manier aandacht te vragen voor relationele en seksuele vorming (RSV). Als onderdeel van de Week van de Lentekriebels kunnen scholen gebruik maken van lespakketten Kriebels in je Buik, Wonderlijk Gemaakt of Veiligwijs. Deze lespakketten sluiten aan bij Europese standaarden voor effectief en leeftijdsadequaat onderwijs over relaties en seksualiteit.
Deelt u de mening dat wetenschappelijk onderbouwde lespakketten zoals «de Week van de Lentekriebels» ondersteunend kunnen zijn aan het voldoen aan de kerndoelen voor het onderwijs? Deelt u tevens de mening dat er veel lespakketten zijn die weinig relevantie hebben voor het curriculum?
Zie antwoord vraag 2.
Moeten lespakketten aan bepaalde voorwaarden voldoen voordat deze door basisscholen mogen worden gebruikt? Zo nee, hoe kunnen basisscholen lespakketten toetsen voordat zij besluiten deze te gaan gebruiken?
Scholen zijn verplicht om aandacht te besteden aan alle kerndoelen, maar mogen zelf bepalen hoe en met welk lesmateriaal zij dat doen. Dit past bij de autonomie die scholen onder artikel 23 van de Grondwet hebben. Scholen blijven echter verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs en de afstemming op de ontwikkeling van hun leerlingen. Leraren en schoolleiders kunnen vanuit hun expertise uitstekend beoordelen of een methode geschikt is voor hun leerlingen.
Om scholen en docenten te ondersteunen bij de effectieve inzet van leermiddelen in de klas werk ik aan heldere kerndoelen en een kwaliteitskader voor leermiddelen dat kennisgedreven gebruik van leermiddelen versterkt.
Als basisscholen hier vrij in zijn, hoe worden de kinderen op basisscholen beschermd tegen eenzijdige informatie of commerciële belangen?
Leerlingen hebben recht op kwalitatief goed onderwijs waarin meerdere perspectieven aan bod komen, zodat zij beschermd worden tegen eenzijdige informatie of commerciële belangen. Scholen zijn vrij in de keuze van leermiddelen maar hebben zich daarbij uiteraard wel te verhouden tot de geldende wet- en regelgeving. De burgerschapsopdracht verplicht scholen om zich binnen hun onderwijsaanbod onder meer herkenbaar te richten op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Daar dienen zij ook bij de keuze van leermiddelen zich rekenschap van te geven. Leermiddelen die aanzetten tot haat of discriminatie zijn daarmee niet in lijn, daar trek ik dan ook een grens.
Daarom moeten leraren toegang hebben tot een breed aanbod aan (wetenschappelijk onderbouwd) lesmateriaal, zodat zij hun leerlingen verschillende perspectieven en invalshoeken kunnen leren. Leerkrachten hebben de expertise en vakkennis om zorgvuldig af te wegen welke lesmaterialen zij moeten gebruiken om een compleet en genuanceerd beeld te geven in hun lessen. In het geval van lesmateriaal waar commercieel belang bij zit kan de Reclame Code Commissie waar nodig uitspraken doen, en heeft in voorkomende gevallen uitspraken gedaan, over misleidende en onjuiste informatie in lesmateriaal.
Op welke manier ondersteunt u leraren en scholen bij het verantwoord gebruikmaken van lespakketten? Deelt u de mening dat lespakketten bewezen effectief zouden moeten zijn?
Zie antwoord op vraag 4.
Bent u het ermee eens dat leraren zelf het lesprogramma zouden moeten invullen en dat lespakketten maximaal een ondersteunende rol daarin zouden moeten spelen?
Ja, de leraar is het meest bepalend in de kwaliteit van het onderwijs. Ik vind het belangrijk dat leraren lesmaterialen naar eigen inzicht kunnen gebruiken en inzetten. Waar zij dat willen kunnen ze ook zelf lesmateriaal ontwikkelen zodat zij dit kunnen gebruiken ten behoeve van kwalitatief goede lesprogramma’s. Bij de keuzes die leraren en schoolleiders maken in de invulling van hun onderwijs is het van belang dat ze deze weloverwogen maken en daarbij de best beschikbare (wetenschappelijke) kennis betrekken.
Leidt de overvloed aan willekeurige lespakketten niet enorm af van de belangrijke onderwerpen die kinderen op de basisschool moeten leren zoals taal, rekenen en burgerschap?
Bedrijven en maatschappelijke organisaties moeten zich bewust zijn van de overladenheid in het funderend onderwijs en terughoudend zijn bij het aanbod van lesmaterialen.
Het is belangrijk dat scholen zich in de eerste plaats richten op lezen, schrijven en rekenen en die zaken die belangrijk zijn voor kinderen om zichzelf te kunnen ontwikkelen. Dat betekent niet dat andere onderwerpen niet belangrijk zijn, maar wel dat we moeten oppassen dat de school niet de eerst aangewezene is om alle maatschappelijk problemen op te lossen. Ook de ouder, zorgmedewerker of de omgeving spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van kinderen. Dat wordt vaak vergeten.
Bent u bereid te inventariseren hoe vaak verschillende lespakketten gebruikt worden en hoeveel tijd scholen hieraan besteden?
Vanuit de stelselverantwoordelijkheid van de overheid laat ik onafhankelijk onderzoek uitvoeren naar de ontwikkeling in prijs en kosten van leermiddelen. Ik zal uw Kamer dit najaar hierover informeren.
Gezien de grondwettelijke onderwijsvrijheid ten aanzien van leermiddelen past het niet bij mijn verantwoordelijkheid om een inventarisatie te doen naar het gebruik van lespakketten. De verantwoordelijkheid van het departement richt zich op de kerndoelen en examenprogramma’s. De invulling van deze kerndoelen en examenprogramma’s ligt bij de school en de leraar.
Herkent u het beeld dat lespakketten vaak gratis worden aangeboden in combinatie met andere deals, zoals gratis fruit op school? Is het wel wenselijk dat scholen min of meer onder druk worden gezet met deals, zoals gratis fruit, waaraan vervolgens een verplicht pakket gekoppeld zit waarbij zij geen invloed hebben op de inhoud? Zo nee, wat gaat u hiertegen doen?
Scholen moeten in gevallen van lesmateriaal waar enige vorm van sponsoring bij betrokken is instemming vragen van de medezeggenschapsraad, zoals het sponsorconvenant stelt.
De EU-Schoolregeling voor schoolfruit- en groente, stimuleert kinderen samen in de klas fruit en groente te eten. Deelnemende scholen ontvangen 20 weken lang iedere week 3 porties groente en fruit voor alle leerlingen. Als scholen zich voor deze regeling aanmelden ontvangen scholen ook lesmateriaal.
Scholen kunnen zich vrijwillig aanmelden voor de EU-Schoolregeling. Vooraf weten zij dat er lesmateriaal verbonden is aan de regeling en zij kunnen op basis daarvan besluiten of ze al dan niet mee willen doen aan de regeling.
Het is geenszins de bedoeling dat scholen onder druk gezet worden om lesmateriaal af te nemen. Bij mijn weten is dat bij de EU-Schoolregeling ook niet het geval.
Op welke manier worden onterechte claims van lespakketten tegengegaan, bijvoorbeeld van aanbieders die ten onrechte claimen dat een school voldoet aan de burgerschapsopdracht bij gebruik van hun pakket? Hoe zorgt u ervoor dat scholen niet meer dit soort pakketten ontvangen?
Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de burgerschapsopdracht. Het is in de eerste plaats hun taak scherp te zijn op de eisen van de burgerschapsopdracht wanneer ze lesmateriaal kiezen. Daarbij moeten schoolbesturen zich ervan bewust zijn dat de burgerschapsopdracht gaat over de inhoud van de lessen, maar ook over de cultuur binnen de school, die moet aansluiten bij de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat betekent automatisch dat een school nooit volledig aan de burgerschapsopdracht kan voldoen door slechts één specifiek lespakket te gebruiken.
Verder is het niet aan de aanbieders van lesmateriaal om te bepalen wanneer een school aan de burgerschapsopdracht voldoet; dit is de taak van de Onderwijsinspectie. Ook dit is belangrijk voor zowel scholen als voor aanbieders van lesmateriaal om te weten. In dat kader roep ik aanbieders van lesmateriaal op om niet onterecht de claim te maken dat hun materiaal voldoende is om aan de burgerschapsopdracht te voldoen. Laat ik nog eens benadrukken: het gebruik van één lespakket is nooit voldoende om aan de burgerschapsopdracht te voldoen.
De plaatsing van criminele kopstukken zoals Piet Costa. |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Struycken |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Piet Costa kon niet geloven dat kroongetuige in cel naast hem kwam: «Kans van 0,0000001%»»?1
Ja.
Waarom is een crimineel kopstuk van het kaliber als Piet Costa in eerste instantie in een licht beveiligd regime in de Penitentiaire Inrichting Lelystad geplaatst? Welke afwegingen hebben geleid tot deze onbegrijpelijke beslissing?
Ik ga niet in op situaties van individuele gedetineerden. De vragen raken aan het plaatsingsproces van gedetineerden en aan de informatiepositie van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Daar kan ik wel op ingaan.
Ten aanzien van het plaatsingsproces: de selectiefunctionarissen van DJI beslissen namens mij waar een gedetineerde wordt geplaatst. Bij de eerste plaatsing wordt conform de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (Rspog) een risicoprofiel vastgesteld waarbij naar meerdere aspecten wordt gekeken, zoals de kenmerken en achtergronden van het delict en overige beschikbare informatie van het Openbaar Ministerie en de politie. DJI bepaalt welke inrichting en regime het meest veilig en passend is. In beginsel worden gedetineerden geplaatst in een penitentiaire inrichting gelegen in of toegewezen aan het arrondissement van vervolging. Na veroordeling in eerste aanleg is dit in een inrichting in het arrondissement van vestiging, tenzij er redenen zijn om daarvan af te wijken, zoals vanwege het risicoprofiel. Het uitgangspunt is dat een gedetineerde wordt geplaatst op een normaal beveiligde afdeling. Wanneer individuele veiligheidsmaatregelen niet afdoende worden geacht om gestelde risico’s te beperken, kan plaatsing op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) aan de orde zijn.
Op het moment dat bij DJI bekend is dat bepaalde gedetineerden geen onderling contact mogen hebben of dat een combinatie van gedetineerden een versterkt risico geeft op het verstoren van de orde en veiligheid in de inrichting, worden zij, afhankelijk van de specifieke situatie, niet bij elkaar in dezelfde inrichting, op dezelfde afdeling, of in hetzelfde compartiment geplaatst.
Bij plaatsing in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) dient er op basis van de in art. 6 Rspog beschreven plaatsingsgronden sprake te zijn van een extreem risico of een onaanvaardbaar maatschappelijk risico. Of daarvan sprake is wordt zorgvuldig gewogen conform de procedure uit art. 26 Rspog.
Ten aanzien van de informatiepositie: als onderdeel van de versterking van de aanpak van georganiseerde criminaliteit tijdens detentie en berechting zijn de afgelopen jaren grote stappen gezet als het gaat om de informatiepositie. Dit betreft zowel de informatiepositie van DJI als de gezamenlijke informatiepositie van DJI, het Openbaar Ministerie en de politie.
Er is nu bijvoorbeeld in alle gevangenissen een lokaal Bureau Inlichtingen en Veiligheid. Binnen die bureaus worden informatie en signalen over risicogedetineerden verzameld, om doorlopend te bepalen of en welke (veiligheids)maatregelen getroffen moeten worden, waaronder een overplaatsing naar een ander regime. Sinds 2021 is ook het Landelijk Bureau Inlichtingen Veiligheid operationeel, om ook inrichting-overstijgend de informatiepositie optimaal te kunnen benutten en zicht te houden op criminele netwerken.
Daarnaast wordt momenteel gewerkt aan het volledig operationeel maken van de Detentie Intelligence Unit, waarbinnen informatie van DJI, het Openbaar Ministerie en de politie gezamenlijk wordt geanalyseerd. Ook deze analyses kunnen worden gebruikt bij (over)plaatsingsbeslissingen en het treffen van gepaste maatregelen in de verschillende fasen van detentie.
Waarom waren op Piet Costa, het brein achter de weerzinwekkende martelcontainers, in eerste instantie geen verhoogde toezichtmaatregelen van toepassing?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom is Piet Costa vervolgens overgeplaatst naar de Afdeling Intensief Toezicht in Leeuwarden, waar verschillende grote andere criminele kopstukken en/of gevaarlijke criminelen gedetineerd zitten?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom zit crimineel kopstuk Piet Costa niet in de Extra Beveiligde Inrichting, gelet op de ernst van de dreigementen en uitingen die uit zijn communicatie met de buitenwereld blijken, alsmede het feit dat hij de leider is van een criminele organisatie?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak is inmiddels de D-grond uit artikel 6 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden toegepast op een gedetineerde?
Zowel in 2023 als in 2024 (tot op heden) is de D-grond uit artikel 6 van de Rspog tussen de vijf en tien keer toegepast. Daarbij geldt dat deze aantallen zien op zowel nieuwe EBI-plaatsingen als op verlengingen van EBI-plaatsingen. Bovendien is het relevant te vermelden dat een plaatsing in de EBI op meerdere gronden tegelijk plaats kan vinden. Ik ga niet in op het precieze getal, omdat dit meer gedetailleerde informatie prijsgeeft over hoeveel en mogelijk welke gedetineerden in de EBI verblijven. Om veiligheidsredenen doe ik dat niet.
Vindt u dat indien een crimineel veroordeeld wordt tot bijvoorbeeld 15 jaar cel voor het dagelijks leiden van een criminele organisatie die duizenden kilo’s cocaïne smokkelde, hij een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormt in termen van algemeen gevaar voor de openbare orde en veiligheid van personen vanwege de aard van de verdenking, de aard van het misdrijf en de omstandigheden waaronder dat misdrijf is gepleegd? Zo ja/nee, waarom?
Plaatsing in de EBI op de zogenoemde D-grond is, net als op de andere gronden, een uitkomst van een individuele afweging en beoordeling. Plaatsingsbesluiten worden genomen in afstemming met en op basis van informatie van DJI, het Openbaar Ministerie en de politie. Over individuele gevallen doe ik geen uitspraken.
Bent u ervan overtuigd dat ten aanzien van de plaatsing van criminele kopstukken, de risico’s die van deze criminelen uitgaan, voldoende worden erkend en herkend en zodoende een prominent onderdeel zijn van de plaatsingsbeslissing? Zo ja/nee, waarom?
Ja, daar wordt doorlopend aan gewerkt. In de afgelopen jaren is er een verdergaande professionalisering op dit gebied ingezet. Tussen 2021 en nu heeft dat geleid tot de uitbreiding van de Bureaus Inlichtingen en Veiligheid naar alle gevangenissen, tot de inrichting van het Landelijk Bureau Inlichtingen en Veiligheid en tot de Detentie Intelligence Unit, die momenteel volledig operationeel wordt gemaakt. Zie ook mijn antwoord op de vragen 2 t/m 5. Hierdoor is er sprake van een sterk verbeterde informatiepositie, waar bij plaatsingsbesluiten volop gebruik van wordt gemaakt.
Speelt het gebrek aan plekken en/of personeel een rol bij de beslissing om een crimineel kopstuk toch maar in een lichter regime te plaatsen? Zo ja/nee, waarom?
Nee. De veilige detentie van hoogrisicogedetineerden is topprioriteit. Alle gedetineerden die gezien hun risicoprofiel in de EBI of op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) dienen te worden geplaatst, worden daar ook daadwerkelijk geplaatst. We verwachten dat in de toekomst het aantal gedetineerden waarvoor plaatsing in de EBI of op een AIT geëigend is zal toenemen. Daarom wordt het aantal EBI- en AIT-plekken flink uitgebreid. De EBI in Vught wordt met 12 plekken uitgebreid, conform de motie Ellian/Wilders. Die uitbreiding wordt naar verwachting eind 2026 opgeleverd. Daarnaast werken we aan een tweede EBI in Vlissingen met 24 EBI-plaatsen. De oplevering van het Justitieel Complex Vlissingen staat gepland voor 2030. De AIT-capaciteit wordt stapsgewijs uitgebreid, van 49 plaatsen nu naar circa 126 plaatsen in 2030.2 Zo kunnen we ook in de toekomst de juiste beveiliging en het benodigde toezicht realiseren ten aanzien van de steeds groter wordende groep hoogrisicogedetineerden.
Hoe vaak gebeurt het dat bij een crimineel kopstuk zoals Piet Costa de selectie-adviescommissie Extra Beveiligde Inrichting om advies wordt gevraagd?
In 2024 zijn (tot op heden) veertien dossiers behandeld in de selectie-adviescommissie EBI. Ook hier gaat het om advisering over zowel plaatsingen als verlengingen. Ik kan hier het precieze aantal noemen, omdat het aantal adviezen niet prijsgeeft wat de uitkomst is geweest van die adviezen en van de uiteindelijke plaatsingsbesluiten.
Wat gaat u eraan doen om ervoor te zorgen dat criminele kopstukken en/of gevaarlijke criminelen zoals uitvoerders van liquidaties voldoende van elkaar gespreid kunnen worden?
Het is van groot belang dat gedetineerden van wie op basis van informatie van DJI, het Openbaar Ministerie en de politie is besloten dat ze geen contact met elkaar mogen hebben, fysiek uit elkaar worden geplaatst. Het beoordelen welke gedetineerden wel of geen contact met elkaar mogen hebben wordt steeds getoetst aan veiligheidsrisico’s voor de maatschappij en voor de orde en veiligheid van de inrichting. Daar is het (over)plaatsingsbeleid dan ook op ingericht. Met de uitbreiding van capaciteitsplaatsen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 9 kan ook in de toekomst voldoende spreiding en compartimentering worden georganiseerd.
Kunt u garanderen dat kroongetuigen altijd op een veilige en heimelijke detentielocatie worden ondergebracht?
Ook voor kroongetuigen geldt dat veilige detentie van het grootste belang is. Over de detentiesituatie van kroongetuigen is dan ook altijd intensief contact tussen DJI, het Openbaar Ministerie en de politie. Op welke locatie de detentie wordt uitgevoerd is afhankelijk van alle relevante omstandigheden. Ook dit betreft daarmee een individuele beoordeling.
Gaswinning nabij de Wadden. |
|
Glimina Chakor (GL), Suzanne Kröger (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Rummenie |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel in Der Spiegel «Jetzt muss endlich Schluss sein»1 over de kritiek op de gasboring door ONE-Dyas bij gasveld N05-A dat gedeeltelijk in Nederland en in Duitsland ligt en de aanhoudende protesten op Borkum, in Berlijn en op zee?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u bekend met het nieuws uit Duitsland dat ONE-Dyas daar voorlopig geen vergunning krijgt voor de aanleg van de stroomkabel, wat een belangrijke voorwaarde was om naar gas te boren op 25 kilometer van Schiermonnikoog bij gasveld N05-A?
Het Nedersaksische Staatsbedrijf voor Waterbeheer, Kust- en Natuurbescherming (NLWKN) heeft op 21 oktober 2022 ONE-Dyas een (waterrechtelijke) vergunning voor de aanleg van de geplande zeekabel verleend. Onderdeel van deze vergunning was de betaling van een compensatiebedrag voor de aantasting van natuur en landschap dat zou worden veroorzaakt met de aanleg van de kabel. In de volgende jaren kwam er informatie naar voren over de mogelijke aanwezigheid van stenige riffen in het tracégebied. Hierop heeft de NLWKN op 19 juli jl. een nieuw besluit uitgevaardigd, waarbij het eerder vastgestelde te betalen compensatiebedrag werd verhoogd. Dit besluit bevatte een ontheffing voor de doorkruising van het tracégebied en bevatte een onmiddellijke uitvoerbaarheid van alle vergunningen.
De Duitse rechter heeft, nadat er bezwaar was gemaakt, vervolgens geconstateerd dat de NLWKN bij de verlening van de vergunning eerst een onderzoek naar compensatiemaatregelen had moeten vragen, en niet al direct een compensatie door een vervangend geldbedrag had moeten opnemen in de vergunning. De vergunning voldoet hierdoor niet aan de wettelijke vereisten voor de beoordeling van de vermijdbaarheid van de aantasting en mogelijke compensatie- of herstelmaatregelen, en de afweging van natuurbeschermingsbelangen tegen andere belangen die voor de aantasting pleiten. De Duitse voorzieningenrechter heeft op 7 augustus jl. besloten dat ONE-Dyas nog niet mag beginnen met de aanleg van de stroomkabel tussen het N05-A platform en het Duitse offshore windmolenpark Riffgat, maar eerst herstelmaatregelen in kaart moet brengen. Dit heeft ONE-Dyas gedaan.
Op 27 augustus jl. heeft ONE-Dyas een aanvraag voor de aanpassing van de installatievergunning van de kabel ingediend bij het NLWKN. In deze aanvraag is een voorstel voor natuurcompensatie in natura gevoegd en is tevens de installatieperiode verruimd. De aangepaste vergunning wordt zeer binnenkort verwacht.
Wat zijn de gevolgen voor de gasproductie bij gasveld N05-A nu deze vergunning is geschorst, aangezien de stroomkabel ervoor zou zorgen dat het gas wordt geproduceerd met windenergie in plaats van fossiele energie en dat binnen de vergunning geen ruimte is voor emissies door de verbranding van fossiele energie?
ONE-Dyas is in overleg met het NLWKN om de vervolgstappen te bespreken. Het doel is nog steeds om deze winter het eerste aardgas te kunnen produceren. Indien het NLWKN niet tijdig de gewijzigde vergunning verleent, zal de productie van aardgas pas op zijn vroegst in het najaar van 2025 plaatsvinden. Om aan de binnenlandse vraag naar aardgas te kunnen voldoen zal dan gas moeten worden geïmporteerd, bijvoorbeeld via LNG.
Welke alternatieven voor de stroomkabel zijn er om alsnog zonder fossiele energie gas te produceren door ONE-Dyas bij gasveld N05-A?
Er zijn geen alternatieven om het platform van stroom te voorzien, die ook binnen redelijke termijn en binnen de vergunning uitvoerbaar zijn. De elektrificatie van platform N05-A met behulp van windenergie betekent een forse verlaging van uitstoot van methaan, stikstof en CO2 en draagt daarmee bij aan een zo schoon mogelijke energievoorziening in de transitie naar een volledig duurzaam energiesysteem. Het platform N05-A wordt Nederlands eerste offshore-gasbehandelingsplatform in de Noordzee dat volledig draait op windenergie. Door de aansluiting met het Duitse windpark Riffgat is er nagenoeg geen uitstoot van emissies tijdens de productie van het aardgas vanaf dat platform.
Binnen welke tijd moet ONE-Dyas met een alternatief plan komen om dit jaar van start te kunnen gaan met de gaswinning?
Om nog deze winter te kunnen starten, zal ONE-Dyas uiterlijk eind september de aangepaste en geldige vergunning moeten verkrijgen in Duitsland. Er is geen alternatief plan dat dit jaar tot productie leidt.
Bent u bekend met de recente studie «Oil and gas platforms degrade benthic invertebrate diversity and food web structure» in Science of the Total Environment2 waaruit blijkt dat de biodiversiteit rond olie- en gasplatformen met 28% afneemt?
De studie «Oil and gas platforms degrade benthic invertebrate diversity and food web structure» is mij bekend. Het betreft een studie die is uitgevoerd in de omgeving van 9 installaties in de Exclusieve Economische Zone (EEZ) van het Verenigd Koninkrijk. Uit het onderzoek blijkt een relatie tussen verhoogde concentraties van met name koolwaterstoffen (olie) die aangetroffen zijn tot een afstand van 500 m vanaf de installaties en de aldaar aangetroffen biomassa en biodiversiteit. De resultaten van dit onderzoek zijn niet één op één te vertalen naar de situatie in Nederland. Voor zeven van de negen onderzochte locaties geldt bijvoorbeeld dat de productie gestart is voor het verbod op het lozen van oliehouden boorgruis met meer dan 1% olie (OSPAR Decision 2000/3 van 16 januari 2001). De zeven installaties zijn tussen 1975 en 1996 opgestart en veel van de putten zijn geboord voor dat de installaties in gebruik werden genomen, dus ruim voor het verbod op het lozen van oliehoudend boorgruis. In Nederland is het lozen van oliehoudend boorgruis, zelfs indien deze minder dan 1% olie bevat, al sinds 1993 verboden.
Bij het boren van de putten vanaf de Mijnbouwinstallatie N05-A van ONE-Dyas zal zowel gebruik worden gemaakt van boorspoeling op oliebasis als op waterbasis. Al het daarbij vrijkomende boorgruis en alle gebruikte boorspoeling zal worden opgevangen en naar de wal worden getransporteerd.
Er zijn mij geen recente vergelijkbare onderzoeken rond installaties op het Nederlandse deel van de EEZ bekend. Een recent onderzoek naar de benthische biodiversiteit op poten van mijnbouwinstallaties in Nederlandse EEZ3 toont aan dat deze vergelijkbaar is met natuurlijke riffen in de Noordzee.
Van belang is of er sprake is van significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelen. Gezien er geen sprake is van het lozen van boorgruis en boorspoeling, is er geen sprake van een significant negatief effect van het boren op de zeebodem op instandhoudingsdoelen.
Bent u bekend met dreiging dat de United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization-werelderfgoedcommissie(UNESCO) de werelderfgoedstatus zal intrekken als gasboringen in, of met impact op, de Waddenzee plaats zullen vinden?
Ik ben bekend met de state of conservation rapportages van 2023 en 2024. UNESCO uit hierin haar zorgen over mijnbouwactiviteiten in en rond de Waddenzee en geeft aan dat (mijnbouw)activiteiten in, of met impact op de Outstanding Universal Value (OUV) niet verenigbaar is met de status van werelderfgoed. UNESCO dreigt op dit moment niet met het intrekken van de status. De genoemde rapportages (state of conservations) zijn wel de eerste (proces) stap indien er sprake zou zijn van een bedreiging van de OUV van het Werelderfgoed. Het N05-A project bevindt zich circa 20 km te noorden van Schiermonnikoog, en ligt daarmee in de Noordzee. Voorafgaand aan de verlening van de vergunning is onderzocht wat de mogelijke effecten op natuur in het Waddenzeegebied zijn. Er is vastgesteld dat de geplande activiteiten geen significante effecten hebben, ook niet via externe werking. Om deze reden is er een vergunning verstrekt.
Kunt u uitsluiten dat het project, inclusief alternatieven voor de stroomkabel, impact zal hebben op de Waddenzee?
Ja. In de verklaring van geen bedenkingen is het project beoordeeld, uitgaande van een stroomkabel. Door de Minister voor Natuur en Stikstof (thans Staatssecretaris LVVN) is geoordeeld dat er geen significante effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn, waaronder de Waddenzee. Het project ligt circa 20 km ten noorden van Schiermonnikoog en dus niet in de Waddenzee of in een ander beschermd natuurgebied. Indien er een alternatief zou komen voor de stroomkabel, dan zal opnieuw moeten worden vastgesteld of, en welke, effecten op de beschermde natuur optreden, voordat een vergunning kan worden afgegeven.
Bent u bekend met het feit dat de Duitse Minister van Economische Zaken het gasproject niet nodig acht?3
Het is mij bekend dat de Duitse Minister Habeck in een interview met het Duitse blad Der Spiegel heeft aangegeven dat hij het project niet noodzakelijk acht voor de Duitse energievoorziening.
Heeft u contact gehad met uw Duitse collega’s over de recente ontwikkelingen van het project bij gasveld N05-A? Zo ja, zijn daarbij ook de zorgen van natuur- en milieuorganisaties over de impact van het project voor nabijgelegen natuurgebieden en het klimaat besproken?
Mijn voorganger heeft op 1 juli jl. een brief verstuurd aan de verschillende betrokken bewindspersonen aan Duitse zijde waarin is benadrukt dat Nederland een groot belang hecht aan de goede samenwerking tussen beide landen op het gebied van energiebeleid. Daarnaast wordt in deze brief benadrukt wat het belang is van de gaswinning op de Noordzee in het kader van de leveringszekerheid en verminderde afhankelijkheid met een zo laag mogelijke emissie. Ook over de recente ontwikkelingen rondom het project is met die inzet contact met betrokken Duitse ministeries. Indien nodig zal ik ook persoonlijk het belang van dit project voor zowel Nederland als voor Duitsland benadrukken bij mijn Duitse collega.
Kunt u het boren niet beter tijdelijk pauzeren tot alle vergunningen zijn geregeld, aangezien de vergunning van de stroomkabel voorlopig is ingetrokken, het hoger beroep tegen de vergunning in Nederland, het hoger beroep tegen de vergunning in Duitsland nog moet plaatsvinden en het verdrag voor de winning van het gas nog moet worden getekend met uw Duitse collega’s?
ONE-Dyas heeft besloten om in afwachting van de verschillende procedures die er nog lopen wel alvast door te gaan met de verschillende voorbereidende werkzaamheden, zoals de installatie van het productieplatform en het tijdelijke boorplatform om zodoende, bij een voor ONE-Dyas positieve uitkomst van de bovenstaande procedures, nog voor het einde van het jaar het eerste gas te kunnen produceren. Zij voorzien dat zij anders een vertraging oplopen tot de zomer van 2025.
Het artikel 'Britse overheid wil vrouwenhaat aanpakken als 'ideologisch extremisme'' |
|
Hanneke van der Werf (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Heeft u kennis genomen van het voornemen van de Britse regering om vrouwenhaat aan te pakken als ideologisch extremisme?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering van de Britse regering dat vrouwenhaat een extreme ideologie is en kan leiden tot geweld tegen vrouwen en jonge meisjes?
Het is volstrekt onacceptabel dat vrouwen in Nederland te maken krijgen met vrouwenhaat, seksueel geweld en femicide. Het is de taak van de overheid om dit te bestrijden en te zorgen dat vrouwen op een veilige en gelijkwaardige manier kunnen deelnemen aan de samenleving.
Vrouwenhaat wordt door het kabinet niet gezien als extremistische ideologie, maar komt wel terug als onderdeel in het narratief bij verschillende extremistische en terroristische ideologieën.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) definiëren extremisme als «het uit ideologische motieven bereid zijn om niet-gewelddadige en/of gewelddadige activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen.» Een ideologisch motief is wanneer er wordt gehandeld vanuit een bepaald wereldbeeld om een al dan niet specifiek einddoel te bereiken. Dit einddoel kan ook beperkt zijn tot: anders dan nu. Persoonlijke grieven, criminele motieven of geldelijk gewin worden niet gezien als ideologisch motief.
De AIVD en NCTV rapporteren over het incel-gedachtengoed, dat staat voor involuntary celibacy. Dit doet de AIVD in zijn jaarverslag3 en de NCTV in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN). De (veelal) mannen die zich daartoe rekenen, houden «het systeem» verantwoordelijk voor hun gebrek aan seksuele en romantische relaties. In de praktijk leidt dit tot een beweging waarbinnen vrouwen als minderwaardig worden neergezet, gehaat worden en gedehumaniseerd, wat in sommige gevallen kan leiden tot dodelijk geweld tegen vrouwen.
Het kabinet neemt deze ontwikkelingen en het signaal van het Verenigd Koninkrijk serieus, daarom zal de NCTV met het Verenigd Koninkrijk in gesprek gaan.
Ziet u vrouwenhaat als een vorm van ideologisch extremisme en een risico voor de veiligheid? Zo niet, aan welke onderdelen van de volgende definitie voldoet vrouwenhaat niet: «Het uit ideologische motieven bereid zijn om niet-gewelddadige en/of gewelddadige activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen.»
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat er in het Verenigd Koninkrijk, Canada en de Verenigde staten in de afgelopen jaren verschillende schietpartijen hebben plaatsgevonden waarin vrouwenhaat expliciet als motief werd genoemd, zoals het nieuwsbericht ook vermeldt?
Ja.
Erkent u dat er een verband is tussen vrouwenhaat, extreemrechts gedachtegoed en geweld tegen vrouwen en jonge meisjes?
In de Themarapportage Polarisatie, extremisme en terrorisme van de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid, die door het Analistennetwerk Nationale Veiligheid is opgesteld in 20224, werd gesteld dat binnen het bredere rechts-extremisme een aantal discoursen kunnen worden geïdentificeerd die (vooral online) worden geuit en worden onderschreven door aanhangers. Hier is vrouwenhaat (misogynie) één van.
Daarnaast heeft de AIVD in zijn jaarverslag van 2023 aangegeven dat rechtsterroristische groepen over het algemeen antisemitisch en racistisch zijn en er veel vrouwenhaat en haat tegen lhbtiq+ personen is. Daarnaast noemt de AIVD dat rechts-terroristen soms putten uit het incel-gedachtegoed.
Ook beschrijft de NCTV in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van juni 20245 dat vrouwenhaat kan voorkomen binnen het rechts-terroristisch online milieu. Vrouwenhaat staat hierin niet altijd centraal, maar kan daar wel onderdeel van uitmaken. Andersom is het zo dat vrouwenhaat niet exclusief is voorbehouden aan deze stroming; ook binnen andere vormen van extremisme en terrorisme kan vrouwenhaat een rol spelen.
Erkent u dat aan vrouwenhaat de opvatting ten grondslag ligt dat vrouwen minderwaardig zijn en dat vanuit dit gedachtegoed geweld tegen vrouwen wordt gelegitimeerd?
Dat kan. Daarnaast kan geweld tegen vrouwen ook zonder het gedachtegoed dat vrouwen minderwaardig zijn voorkomen, bijvoorbeeld uit jaloezie of persoonlijke grieven.
Zijn er cijfers bekend over (door vrouwenhaat gemotiveerd) geweld in Nederland tegen vrouwen en meisjes, vergelijkbaar met de cijfers die in het nieuwsbericht worden gedeeld over de stijging van geweld tegen vrouwen en meisjes met 37%?
Er zijn geen cijfers hoe vaak geweldsvormen vanuit een vrouwenhaat motief worden gepleegd in Nederland.
Klopt het dat er in recente jaarverslagen en dreigingsbeelden van de AIVD nauwelijks apart melding wordt gedaan van vrouwenhaat als vorm van ideologisch extremisme en risico voor de veiligheid?
Zoals genoemd in de beantwoording van vraag 5, wordt vrouwenhaat in relatie tot verschillende (voornamelijk rechts-)extremistische ideologische stromingen genoemd in jaarverslagen van de AIVD. Vrouwenhaat staat echter niet altijd centraal binnen deze stromingen, maar kan daar wel onderdeel van uitmaken.
In hoeverre zijn vrouwenhaat en groepen die dit verspreiden in beeld bij veiligheidsinstanties en op welke wijze wordt dit gemonitord?
De politie kan onderzoek doen naar personen wanneer zij verdacht worden van het plegen van een strafbaar feit, zoals bijvoorbeeld het zaaien van haat of het aanzetten tot discriminatie en geweld.
Als er signalen zijn van radicalisering richting extremisme of terrorisme, al dan niet in combinatie met vrouwenhaat kunnen personen worden opgenomen in de lokale persoonsgerichte aanpak. De persoonsgerichte aanpak betreft maatregelen en/of interventies genomen onder regie van gemeenten die door het bestuur, de strafrechtelijke instanties of door maatschappelijke instellingen kunnen worden getroffen.
De AIVD heeft op basis van de Wet Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) als taak onderzoek te doen naar organisaties en personen die een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. De AIVD doet onderzoek naar verschillende vormen van extremisme, zoals links- en rechts-extremisme. Zoals eerder genoemd in de beantwoording van vraag 5, ziet de AIVD dat rechts-terroristische groepen over het algemeen antisemitisch en racistisch zijn en er veel vrouwenhaat en haat tegen lhbtiq+ personen is.
Bent u bereid om het structurele en georganiseerde karakter van vrouwenhaat in Nederland in kaart te brengen, en op basis hiervan een risicoanalyse uit te voeren voor de nationale veiligheid en de veiligheid van vrouwen en jonge meisjes, voor zover dit nog niet bekend is?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2+3 gaat het kabinet in gesprek met Britse instanties over hun aanpak van vrouwenhaat. Het kabinet zal de lessen die hieruit worden getrokken meenemen in zijn beleid.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 9 kan de AIVD, op basis van de Wiv 2017, geen uitspraken in het openbaar doen op welke wijze onderzoek wordt gedaan naar dreigingen voor de nationale veiligheid. In het openbaar Jaarverslag van de AIVD wordt, conform Wiv 2017, een overzicht gegeven van de aandachtsgebieden waarop de AIVD zich dat jaar heeft gericht. In het Jaarverslag van 2023 is onder meer beschreven dat rechts-extremistische groepen over het algemeen antisemitisch en racistisch zijn en er veel vrouwenhaat en haat is tegen lhbtiq+ personen.
Het bericht 'Britse overheid wil vrouwenhaat aanpakken als ‘ideologisch extremisme’' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Judith Uitermark (NSC), Coenradie |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Britse overheid wil vrouwenhaat aanpakken als ideologisch extremisme»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat vrouwenhaat ook in Nederland een serieus probleem is, zie bijvoorbeeld de cijfers over seksueel geweld tegen vrouwen en de schrikbarende femicide-cijfers, en net als in het Verenigd Koninkrijk, ook een serieuze aanpak door de overheid verdient?
Ja. Het is volstrekt onacceptabel dat vrouwen in Nederland te maken krijgen met vrouwenhaat, seksueel geweld en femicide. Het is de taak van de overheid om dit te bestrijden en te zorgen dat vrouwen op een veilige en gelijkwaardige manier kunnen deelnemen aan de samenleving.
Wat is de definitie van vrouwenhaat die het kabinet momenteel hanteert en welke aanpak hoort daar momenteel bij?
De term vrouwenhaat wordt gebruikt voor een breed spectrum aan opvattingen en gedragingen. Vrouwenhaat heeft dus geen eenduidige definitie. Het kan gaan over alle vormen van discriminatie, intimidatie en geweld tegen vrouwen. Al deze vormen zijn schadelijk. Zogenaamd «onschuldige» uitingen kunnen een voedingsbodem vormen voor ernstige vormen van vrouwenhaat, zoals (online) bedreigingen, seksueel, fysiek en psychisch geweld en femicide.
De aanpak verschilt per vorm van vrouwenhaat; naast een strafrechtelijke aanpak is bijvoorbeeld ook het bevorderen van bewustzijn belangrijk. Het kabinet zet zich hier actief voor in via het plan van aanpak Stop Femicide!, het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) en het Programma Weerbaar Bestuur. Ook werkt het kabinet aan de online aanpak van extremisme en terrorisme en een aanpak van online discriminatie, racisme en hate speech (zie antwoord op vraag 5 en 6).
Welke cijfers en gegevens heeft u over de aard en omvang van vrouwenhaat in Nederland en de oorzaken daarvan en kunt u aangeven in hoeverre de zogenaamde incel-beweging ook in Nederland aanhangers heeft? Bent u bereid naar beide vragen onderzoek naar te doen?
Er zijn geen cijfers hoe vaak geweldsvormen vanuit een vrouwenhaat motief worden gepleegd in Nederland. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) rapporteren over het incel-gedachtengoed, dat staat voor involuntary celibacy. Dit doet de AIVD in zijn jaarverslag2 en de NCTV in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN)3. De (meestal) mannen die zich tot het incel-gedachtegoed rekenen, houden «het systeem» verantwoordelijk voor hun gebrek aan seksuele en romantische relaties. In de praktijk leidt dit tot een beweging waarbinnen vrouwen als minderwaardig worden neergezet, gehaat worden en gedehumaniseerd, wat in sommige gevallen kan leiden tot dodelijk geweld tegen vrouwen.
Wat is u bekend over de mate waarin online uitingen van invloedrijke figuren zoals zoals Andrew Tate, weerslag vinden in denkbeelden en gedrag van (jonge) mannen in Nederland en is er zicht op dit soort invloedrijke figuren in en vanuit Nederland? Wordt er op dit moment onderzoek naar gedaan? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
Het kabinet is zich ervan bewust dat er (jonge) mannen zijn die beïnvloed worden door influencers in de manosphere. De manosphere is een verzamelnaam voor online mannengemeenschappen die zich sterk verzetten tegen het idee dat vrouwen gelijk zijn aan mannen. Ook zijn deze mannen vaak tegen progressieve onderwerpen als lhbtiq+ emancipatie.4 Manosphere influencers kunnen via sociale media- of gamingplatformen een ingang zijn voor (jonge) mannen om zich online verder te verdiepen in bepaald gedachtegoed of gemeenschappen. De gemeenschappen die gevormd worden door de achterban van dergelijke influencers werken vervolgens als krachtige echokamers. Het kabinet vindt het belangrijk dat we begrijpen waarom deze (jonge) mannen zich zo aangetrokken voelen tot dit soort figuren. Zo blijkt uit het onderzoek gedaan door het Verwey-Jonker Instituut en Textagain, in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), dat veel jonge mannen niet zozeer in eerste instantie uit een afkeer voor vrouwen of vrouwenhaat zich aangetrokken voelen tot manosphere influencers, maar dat dit voortkomt uit het verlangen om onzekerheid weg te nemen over hoe de wereld om hen heen werkt5. Dit onderzoek bevat waardevolle handelingsperspectieven ten aanzien van de internetsector. Deze aanbevelingen worden gebruikt bij de online aanpak van extremisme en terrorisme (de Versterkte Aanpak Online). U wordt binnenkort nader geïnformeerd door de Minister van Justitie en Veiligheid over de uitwerking van de Versterkte Aanpak Online.6
De Staatssecretaris van OCW start een onderzoek naar de onderliggende oorzaken van dalende acceptatie van lhbtiq+ personen onder jongeren, zoals aangekondigd in de beantwoording van de Kamervragen van lid Becker over dalende acceptatie van homoseksualiteit onder jongeren7. De resultaten van dit onderzoek worden voor de zomer van 2025 verwacht.
Wat wordt momenteel gedaan om online uitingen die vrouwenhaat bevatten te kunnen tegengaan en wat is er strafrechtelijk mogelijk tegen de afzenders en wat is mogelijk richting de online platforms waar boodschappen op terecht komen?
Het kabinet werkt nu aan een interdepartementaal plan van aanpak van online discriminatie, racisme en hate speech. Het plan ziet op een meer gecoördineerde aanpak, slachtoffers beter ondersteunen, bewustwording vergroten, online discriminatie beter registreren, meer toezicht op en samenwerking met internetpartijen en vaker (en meer zichtbare) consequenties voor daders. Het plan van aanpak kan met uw Kamer worden gedeeld zodra de begrotingsbehandeling van BZK, het aanstaande coördinerende departement van het plan van aanpak, is geweest. Daarnaast loopt er vanuit het emancipatiebeleid een subsidie voor Alliantie Act4Respect Unlimited, dat zich richt op de preventie van seksueel geweld, (ex)partnergeweld en cybergeweld. Dit doet zij door middel van een campagne ontwikkeld met en voor jongeren, deskundigheidsbevordering, en effectieve interventies. Om slachtoffers te helpen met handelingsperspectieven faciliteert de overheid Meld.Online Discriminatie (MOD) en HelpWanted.
Wanneer online uitingen die vrouwenhaat bevatten strafbaar of onrechtmatig zijn, dan is dit illegale inhoud in de zin van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act – DSA). Onder bepaalde omstandigheden kunnen uitingen van vrouwenhaat strafbaar zijn indien aan de voorwaarden wordt voldaan van de relevante strafbepalingen. In dit verband kan worden gedacht aan het aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden dat strafbaar is gesteld in artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) waarin geslacht expliciet als discriminatiegrond is opgenomen. Als een uiting van vrouwenhaat, gericht tegen een persoon en die een seksuele lading heeft, in het openbaar, bijvoorbeeld op openbare websites of sociale media, wordt gedaan, kan ook, afhankelijk van de context, aan seksuele intimidatie in het openbaar worden gedacht (artikel 429ter Sr). Als overtreding is strafbaar gesteld een ander in het openbaar indringend seksueel te benaderen door middel van opmerkingen, gebaren, geluiden of aanrakingen op een wijze die vreesaanjagend, vernederend, kwetsend of onterend is te achten.
Het toezicht op de DSA is primair belegd bij de Europese Commissie wat betreft zeer grote onlineplatformen en zeer grote online zoekmachines. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is de digitale dienstencoördinator in Nederland, en verantwoordelijk voor alle kwesties die verband houden met het toezicht op en de handhaving van online platformen met een hoofdvestiging of wettelijke vertegenwoordiger in Nederland. De ACM kan wel klachten ontvangen over elke aanbieder van een online platform zolang de gebruiker van die dienst in Nederland is gevestigd.
Niet-strafbare haatdragende uitingen kunnen daarnaast in strijd zijn met de algemene voorwaarden van een online platform. Platformen zijn namelijk op grond van de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16 van het Handvest van de EU) en de contractsvrijheid in beginsel vrij om hun eigen algemene voorwaarden vast te stellen. Deze algemene voorwaarden kunnen voor platformen eveneens een basis zijn om content te verwijderen.
Verder bestaat er nog de strafrechtelijke mogelijkheid waarbij in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de officier van justitie met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst kan bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken als dit noodzakelijk is ter beëindiging van een strafbaar feit. Dit is geregeld in artikel 125p Sv. Deze bevoegdheid kan niet worden toegepast bij overtredingen of bij misdrijven die niet zijn omschreven in artikel 67 Sv.
Op strafrechtelijk gebied kan het Openbaar Ministerie (OM) een afzender van online vrouwenhaat vervolgen als het gaat om een bewijsbaar strafbaar feit zoals bedreiging, belaging, belediging of het aanzetten tot haat, geweld of discriminatie. Het OM handelt doorgaans in dit soort zaken op grond van binnengekomen aangiftes. Daarnaast ligt er een wetsvoorstel van Minister van BZK om «geslacht» als discriminatiegrond op te nemen in de artikelen groepsbelediging (137c) en het verspreiden van groepsbeledigende of haatzaaiende uitlatingen (137e) in het Wetboek van Strafrecht.8
Op welke wijze onderzoekt en monitort het kabinet momenteel verschillende vormen van ideologisch extremisme in de samenleving en acht u het mogelijk om vrouwenhaat hier ook als apart onderdeel in op te nemen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet besteedt op verschillende manieren aandacht aan het onderzoek naar ideologisch extremisme. Zo brengt de NCTV periodiek het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) uit. Het DTN is een globale analyse van radicalisering, extremisme en nationale en internationale terroristische dreiging tegen Nederland, en tegen Nederlandse belangen in het buitenland. Het beeld is een trendrapportage waarin de voornaamste dreigingsontwikkelingen op hoofdlijnen worden geschetst. Het DTN van juni 20249 is opgedeeld in vier hoofdstukken: jihadisme en radicale islam, rechts-terrorisme en -extremisme, anti-institutioneel extremisme en links-extremisme. In het hoofdstuk over rechts-terrorisme en -extremisme wordt beschreven dat vrouwenhaat in sommige gevallen voorkomt binnen het rechts-terroristisch online milieu. Dit komt ook voor bij de denkbeelden van involuntary celibates (incels).
De NCTV en AIVD definiëren extremisme als «het uit ideologische motieven bereid zijn om niet-gewelddadige en/of gewelddadige activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen.» Een ideologisch motief is wanneer er wordt gehandeld vanuit een bepaald wereldbeeld om een al dan niet specifiek einddoel te bereiken. Dit einddoel kan ook beperkt zijn tot: anders dan nu. Persoonlijke grieven, criminele motieven of geldelijk gewin worden niet gezien als ideologisch motief. Vrouwenhaat wordt door het kabinet daarom niet gezien als een extremistische ideologie, maar komt wel terug als onderdeel in het narratief bij verschillende extremistische en terroristische ideologieën.
Omdat het kabinet de ontwikkelingen en het signaal van het Verenigd Koninkrijk serieus neemt, zal de NCTV met het Verenigd Koninkrijk in gesprek gaan.
Als er signalen zijn van radicalisering richting extremisme of terrorisme, al dan niet in combinatie met vrouwenhaat, kunnen personen worden opgenomen in de lokale persoonsgerichte aanpak. De persoonsgerichte aanpak betreft maatregelen en/of interventies genomen onder regie van gemeenten die door het bestuur, de strafrechtelijke instanties of door maatschappelijke instellingen kunnen worden getroffen.
Daarnaast wordt in de Themarapportage Polarisatie, extremisme en terrorisme uit 2022, gesteld dat binnen het bredere rechts-extremisme een aantal discoursen kunnen worden geïdentificeerd die (vooral online) worden geuit en worden onderschreven door aanhangers. Hier is vrouwenhaat (misogynie) één van. Deze rapportage is onderdeel van de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid en is door het Analistennetwerk Nationale Veiligheid opgesteld.
Ook heeft de AIVD op basis van de Wet Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) als taak onderzoek te doen naar organisaties en personen die een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. De AIVD doet onderzoek naar verschillende vormen van extremisme, zoals links- en rechts-extremisme. De AIVD kan echter, op basis van de Wiv 2017, geen uitspraken in het openbaar doen op welke wijze onderzoek wordt gedaan. In het Openbaar Jaarverslag van de AIVD wordt, conform Wiv 2017, overzicht gegeven van de aandachtsgebieden waarop de AIVD zich dat jaar heeft gericht. In het Jaarverslag van 2023 is onder meer beschreven dat rechts-extremistische groepen over het algemeen antisemitisch en racistisch zijn en er veel vrouwenhaat en haat is tegen homo’s en transpersonen.
Bent u bereid om met de Britse overheid in gesprek te treden om te leren van hun aanpak tegen vrouwenhaat en in Nederland ook met een scherpere aanpak te kunnen komen?
Zoals eerder in de beantwoording aangegeven neemt het kabinet vrouwenhaat en de ontwikkelingen in het Verenigd Koninkrijk serieus. De NCTV zal dan ook met het Verenigd Koninkrijk in gesprek gaan.
Op welke manier is de aanpak van vrouwenhaat in Nederland onderdeel van de Emancipatienota?
Veiligheid en gelijkwaardigheid van vrouwen zijn cruciale pijlers van mijn emancipatiebeleid. Vrouwenhaat is een bedreiging voor de veiligheid en een belemmering voor het op een gelijke en volwaardige manier participeren in de samenleving. Het bestrijden van vrouwenhaat is dan ook een belangrijke ambitie van dit kabinet en zal een belangrijke plek krijgen in de Emancipatienota die het kabinet voor de zomer met uw Kamer deelt.
Heeft het tegengaan van vrouwenhaat ook een plek in de curriculumherziening en eindtermen rond burgerschap op Nederlandse scholen en zo niet, hoe kunnen onderwijsinstellingen een grotere rol spelen om vrouwenhaat tegen te gaan?
De burgerschapsopdracht waarborgt dat scholen zich in hun onderwijs herkenbaar richten op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Recent zijn er door Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) conceptkerndoelen aangeleverd voor burgerschap, daarbij is aandacht voor hoe de Grondwet de diversiteit van mensen beschermt en discriminatie afwijst. Ook gaat het om reflectie op het eigen gedrag in situaties die discriminerend of stereotyperend kunnen zijn. De conceptkerndoelen burgerschap worden nu beproefd en zullen daarna worden omgezet in een algemene maatregel van bestuur. Daarbij is het van belang te vermelden dat de Staatssecretaris van OCW met de actualisatie van het curriculum focus wil aanbrengen, gezien het curriculum momenteel overbeladen is. Hierdoor zullen niet alle maatschappelijke thema’s expliciet landen in het curriculum.
Het bericht 'Holland Casino maakt forse verliezen en dreigt met agressieve gokcampagnes' |
|
Mirjam Bikker (CU), Pieter Grinwis (CU) |
|
Folkert Idsinga (VVD), Struycken |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht in de Volkskrant van 22 augustus 2024, waarin wordt gemeld dat Holland Casino forse verliezen maakt en overweegt om agressievere gokcampagnes in te zetten om deze verliezen te compenseren?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat Holland Casino, als staatsdeelneming, overweegt om agressievere gokcampagnes in te zetten? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de maatschappelijke verantwoordelijkheid die van een staatsdeelneming mag worden verwacht, zeker in een sector die zoveel schade kan toebrengen aan de volksgezondheid?
Nee, Holland Casino heeft richting het Ministerie van Financiën bevestigd dat het geen plannen heeft om zijn marketinguitgaven significant te vergroten. Het vindt agressieve reclamecampagnes onacceptabel, onverantwoord en niet passend binnen zijn beleid rondom kansspelen.
Deelt u de opvatting van de directeur van Holland Casino, die erkent dat deze maatregel «onverantwoord» is, maar met de huidige financiële situatie geen ander alternatief ziet dan klanten sneller te laten verliezen, het prijzengeld stevig te verlagen of meer reclame te maken?
Ik deel de opvatting van de CEO van Holland Casino dat agressieve marketingcampagnes om meer klanten te werven onacceptabel en onverantwoord zijn. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2 is Holland Casino ook niet van plan om zijn marketinguitgaven significant te vergroten. Maatregelen om agressieve marketingcampagnes van Holland Casino te voorkomen zijn dus niet nodig.
Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat Holland Casino niet overgaat tot het inzetten van agressievere gokcampagnes die het risico op gokverslaving kunnen vergroten?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van mening dat de huidige wettelijke kaders en toezicht op gokreclames voldoende zijn om te voorkomen dat staatsdeelnemingen zoals Holland Casino hun verantwoordelijkheid uit het oog verliezen in hun commerciële activiteiten? Zo ja, waarom? Zo nee, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Holland Casino heeft richting het Ministerie van Financiën bevestigd dat het geen plannen heeft om zijn marketinguitgaven significant te vergroten. Het kansspelbeleid, dat valt onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris Rechtsbescherming, is er op gericht risicovol en problematisch speelgedrag en gokverslaving zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij is het aanzetten tot onmatig speelgedrag niet alleen zeer onwenselijk, maar ook verboden op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen (Bwrvk). Op grond van artikel 2, derde en vijfde lid, Bwrvk, is het vergunninghouders ook niet toegestaan om hun wervings- en reclameactiviteiten te richten op maatschappelijk kwetsbare groepen van personen, zoals minderjarigen, jongvolwassenen en personen die kenmerken van risicovol speelgedrag vertonen. Met betrekking tot risicovolle kansspelen, is het sinds 30 juni 2022 daarnaast verboden om rolmodellen in te zetten in reclames.2 Verder is het met Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka) sinds 1 juli 2023 verboden om ongericht reclame te maken voor online kansspelen.3 Holland Casino is voor zijn reclameactiviteiten gehouden aan deze wet- en regelgeving. Als staatsdeelneming verwachten de Staatssecretaris Rechtsbescherming en ik van Holland Casino een voorbeeldrol in dezen. De Kansspelautoriteit houdt toezicht op de reclameactiviteiten van alle kansspelaanbieders en handhaaft waar nodig. Op basis van de evaluatie van de Wet kansspelen op afstand zal worden bezien of, en zo ja waar, de wettelijke kaders voor reclame aanscherping behoeven. Volgens planning wordt de evaluatie aankomende oktober opgeleverd en in de week van 28 oktober aan uw Kamer toegezonden.
Wat is uw reactie op de mogelijke maatschappelijke gevolgen van een toename in gokreclames, in het bijzonder gericht op kwetsbare groepen, en hoe denkt u deze te kunnen mitigeren? Hoe voorkomt u een nieuwe vloedgolf aan reclames van gokbedrijven of laat u dat gebeuren?
Zie antwoord vraag 5.
Nu Holland Casino een staatsdeelneming is en met deze uitspraken al snel de indruk ontstaat dat de overheid meer mensen aan het gokken wil krijgen, kunt u nader toelichten welk doel de regering heeft met deze staatsdeelneming? Indien Holland Casino als missie heeft om een betrouwbaar en veilig alternatief te bieden voor illegaal gokken, hoe waarborgt de overheid dat deze missie niet in gevaar komt door het nastreven van winstmaximalisatie?
Holland Casino draagt bij aan de doelstellingen van het Nederlands kansspelbeleid, zijnde het reguleren en beheersen van kansspelen met bijzondere aandacht voor het tegengaan van kansspelverslaving, het beschermen van de consument en het tegengaan van illegaliteit en criminaliteit. Holland Casino biedt een betrouwbaar en veilig alternatief voor illegale kansspelen. Ik verwacht dat Holland Casino zich met zijn activiteiten houdt aan de wet- en regelgeving en een voorbeeldrol vervult voor de kansspelsector. Dit is randvoorwaardelijk voor de activiteiten van Holland Casino. Als aandeelhouder verwacht ik niet dat Holland Casino streeft naar winstmaximalisatie. Wel verwacht ik dat de onderneming het rendement maakt dat voldoende is om zichzelf op de lange termijn te financieren zonder structurele overheidsbijdrage. Hierdoor wordt de levensvatbaarheid van de onderneming en langetermijnwaardecreatie gewaarborgd. Vanuit deze overtuiging vul ik mijn aandeelhouderschap van Holland Casino in.
Op welke wijze worden de verliezen van Holland Casino momenteel gecompenseerd en in hoeverre acht u het verantwoord dat een staatsdeelneming mogelijkerwijs commerciële doelen boven maatschappelijke verantwoordelijkheid stelt?
Holland Casino heeft een verlies van 3 miljoen euro gepresenteerd over de eerste helft van 2024. Holland Casino vangt dit verlies op met zijn reserves. Zoals hierboven ook genoemd, verwacht ik dat een staatsdeelneming een bepaald rendement maakt om zichzelf op de lange termijn te financieren, maar hierbij is zijn bijdrage aan maatschappelijke doelstellingen randvoorwaardelijk.
Wordt in lijn met de opmerking van professor Olfers in bovengenoemd bericht en gelet op de dalende omzet sluiting of beperktere openingstijden van verschillende verlieslijdende vestigingen voorbereid? Zo ja, op welke wijze en per wanneer? Zo nee, bent u bereid deze suggestie met klem over te brengen aan de staatsdeelneming?
Holland Casino heeft in zijn communicatie rond de publicatie van de halfjaarcijfers een aantal suggesties genoemd om kosten te besparen om de voorgenomen verhoging van de kansspelbelasting op te vangen. Het sluiten van vestigingen is één van de opties die Holland Casino overweegt.4 Het is aan het bestuur van Holland Casino, en niet de aandeelhouder, om deze en andere opties verder te onderzoeken. Ik vind het als aandeelhouder wel van belang dat Holland Casino alle mogelijkheden onderzoekt om kosten te besparen. De maatschappelijke rol van Holland Casino blijft hierin randvoorwaardelijk. Dit betekent dat het ook rekening houdt met de spreiding van een legaal kansspelaanbod over Nederland. Holland Casino heeft richting het Ministerie van Financiën bevestigd dat het bij kostenbesparingen altijd oog houdt voor het op hoog niveau laten functioneren van zijn zorgtaak en maatschappelijke opdracht.
Bent u in dit licht bekend met het ongenoegen van de gemeente Rotterdam met de 24/7 geopende Holland Casino-vestiging aldaar en welke stappen zijn er gezet sinds het laatste tweeminutendebat Kansspelen en de aangehouden motie-Bikker (Kamerstuk 24 557, nr. 228)?
Met dit ongenoegen zijn de Staatssecretaris Rechtsbescherming en ik bekend. Op 12 september jl. heeft de gemeente Rotterdam openbaar gemaakt dat vanaf 1 januari 2025 Holland Casino voornemens is te stoppen met het 24 uurs aanbod. In de komende voortgangsbrief over kansspelen op afstand zal de Staatssecretaris Rechtsbescherming uw Kamer nader informeren over de uitkomsten van de evaluatie van Holland Casino aangaande diens openingstijdenbeleid. Deze brief ontvangt uw Kamer uiterlijk op 10 oktober 2024.
Bent u bereid om, gezien de geuite dreiging van agressieve gokcampagnes, met Holland Casino in gesprek te gaan om zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid te benadrukken en te waarborgen dat het zijn beleid aanpast indien nodig? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Financiën is in een voortdurende dialoog met Holland Casino over de invulling van zijn maatschappelijke rol. Ook heeft het ministerie specifiek contact opgenomen met Holland Casino naar aanleiding van diens communicatie rondom de publicatie van zijn halfjaarcijfers. In deze gesprekken heeft het ministerie de maatschappelijke verantwoordelijkheid van Holland Casino wederom onderstreept. Holland Casino erkent dit ook en heeft bevestigd geen plannen te hebben om zijn marketinguitgaven aanzienlijk te vergroten en dat het bij kostenbesparingen altijd oog houdt voor het op hoog niveau laten functioneren van zijn zorgtaak en maatschappelijke opdracht.
Hoe ziet u de rol van het Ministerie van Financiën, als aandeelhouder van Holland Casino, in het voorkomen van beleid dat potentieel schadelijk is voor de samenleving, zoals het inzetten van agressieve gokcampagnes?
Als aandeelhouder verwacht ik dat Holland Casino zijn maatschappelijke rol zoals in het antwoord op vraag 3 en 4 beschreven staat centraal stelt. Daarnaast verwacht ik dat Holland Casino zich houdt aan wet- en regelgeving en een voorbeeldrol vervult voor de kansspelsector. Dit is randvoorwaardelijk voor de activiteiten van Holland Casino. Hier spreek ik Holland Casino op aan.
De doelstellingen van het kansspelbeleid, het tegengaan van kansspelverslaving, het beschermen van de consument en het tegengaan van fraude en criminaliteit, worden daarnaast geborgd door wet- en regelgeving, zoals de Wet op de kansspelen en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. De Kansspelautoriteit houdt in dit kader toezicht op Holland Casino.
Hoe verhoudt zich dit voornemen tot de motie-Grinwis/Alkaya (Kamerstuk 28 165, nr. 366) over een terughoudender en minder wervende inzet van gokreclames door de staatsdeelnemingen Nederlandse Loterij en Holland Casino? Kunt u beschrijven wat verder gedaan is om deze motie uit te voeren?
Ik wil nogmaals benadrukken dat Holland Casino heeft bevestigd dat het niet voornemens is zijn marketinguitgaven significant te vergroten. Zoals één van mijn voorgangers ook aan uw Kamer heeft gecommuniceerd, zijn er in lijn met de motie Grinwis/Alkaya begin 2022 gesprekken geweest met de staatsdeelnemingen Holland Casino en Nederlandse Loterij over hun reclamebeleid. In deze gesprekken is benadrukt dat van de staatsdeelnemingen een voorbeeldrol wordt verwacht, waarbij, in lijn met de motie, met name de bescherming van kwetsbare groepen zoals minderjarigen en jongvolwassenen vooropstaat. Hiermee beschouwde mijn voorganger de motie als afgedaan.5
Het bericht ‘Zorgen over verkeerde hulp aan eenzame mensen door 'aanbestedingscircus'’. |
|
Sarah Dobbe , Jimmy Dijk |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Zorgen over verkeerde hulp aan eenzame mensen door het aanbestedingscircus»1?
Eenzaamheid is een complex probleem en verschilt van mens tot mens. Dat geldt ook voor de oplossingen. Dat maakt eenzaamheid tegengaan echt maatwerk. Iemand kan geholpen zijn bij activiteiten gericht op ontmoeting als netwerkversterking, terwijl iemand met sterke eenzaamheid meer gebaat is bij persoonlijke hulp. Gemeenten zijn als dichtstbijzijnde overheid heel goed in staat hier invulling aan te geven en zijn derhalve ook primair verantwoordelijk voor de passende inrichting van hulp aan mensen die zich eenzaam voelen.
Gemeenten kunnen bij de financiering van deze hulp kiezen voor zelf uitvoeren (inbesteden), of de hulp te organiseren en financieren via selectieve inkoop (aanbesteden) of open house, of via subsidie. Zie voor een uitgebreide toelichting hierop ook de Kamerbrief van 17 april 2024.2 Indien een gemeente kiest voor inkoop via aanbesteden dan moet zij de (Europese) aanbestedingsregels volgen. Deze keuzemogelijkheden laten gemeenten voldoende ruimte om met behulp van de regionale of gemeentelijke beleidsvisie de juiste keuze te maken om passende zorg(continuïteit) voor mensen die zich eenzaam voelen goed in te richten. Aandachtspunten daarbij zijn: inzet van beleidsadviseurs die bekend zijn met de regionale of lokale situaties, inzet van deskundige inkoopadviseurs die in staat zijn om een reële vertaalslag te maken van beleid naar inkoop, lange termijn-contracten, goede monitoring en contractmanagement. De regio-adviseurs van het Ketenbureau i-Sociaal Domein kunnen gemeenten helpen bij het maken van deze keuzes. Het Ketenbureau i-Sociaal Domein werkt samen met alle partners, zoals gemeenten en zorgaanbieders, aan een sterkere keten in het sociaal domein met minder administratieve lasten, betere informatievoorziening en meer eenvoud in de uitvoering. Ik zet me ervoor in om de ondersteuning via het Ketenbureau i-Sociaal Domein te blijven optimaliseren.
Bent u het eens met de analyse: «Door die aanbestedingstrajecten ontstaat een perverse prikkel: om een opdracht binnen te halen, verzinnen aanbieders dingen die leuk klinken in de oren van de ambtenaren die hun offerte beoordelen. Maar ze helpen voor geen zier tegen eenzaamheid. Zonde van de energie. Zonde van het geld»?
Nee, daar ben ik het niet mee eens; maar ik herken wel het beeld dat wordt geschetst over aanbesteden. Het is primair aan gemeenten het Wmo (inkoop)beleid vorm te geven en te zorgen voor passende ondersteuning aan mensen die zich eenzaam voelen binnen de kaders van de wet. Er is geen algemene wettelijke verplichting in het sociaal domein om aan te besteden. Indien een gemeenten kiest voor inkoop via aanbesteden dient zij de (Europese) aanbestedingsregels te volgen. De aanbestedingsregels bieden gemeenten voldoende vrijheid om een goede selectie van aanbieders te maken door, voorafgaand aan de opdracht, proportionele eisen en/of gunningscriteria te stellen aan potentiële aanbieders. Daarmee kan de gemeente de inschrijving door de potentiële aanbieder vervolgens op een transparante en objectieve beoordelen. Nadat de opdracht definitief is gegund is het vervolgens aan gemeenten om goede monitoring en contractmanagement in te richten, waarbij regelmatig wordt getoetst of aanbieders ook tijdens de opdracht (blijven) voldoen aan de eisen van de opdracht.
Deelt u de zorgen zoals verwoord door de experts dat het aanbestedingscircus kan leiden tot verkeerde hulp of het onnodig verbreken van de relatie tussen zorgverleners en mensen zie zorg nodig hebben?
Ik begrijp de zorgen, maar ondersteun de onderliggende analyse niet. Er is geen algemene wettelijke verplichting in het sociaal domein om aan te besteden. Indien de gemeente kiest voor inkoop via aanbesteden kan zij bijvoorbeeld gemotiveerd kiezen voor lange termijncontracten (te denken valt bijvoorbeeld aan 6 tot 9 jaar) en/of de inspanningsverplichting voor de aanbieders om mee te werken aan de overname van personeel nader contractueel vast te leggen.3 Daarnaast kan een gemeente de uitvoering van de contracten beter borgen door een goede gemeentelijke klachtenregeling, goede monitoring en goed contractmanagement in te richten. Het Ketenbureau i-Sociaal Domein kan gemeenten helpen bij het maken van de juiste keuzes. Ik zet me ervoor in om de ondersteuning via het Ketenbureau i-Sociaal Domein te optimaliseren.
Deelt u de mening dat de vaste relatie tussen zorgverlener en mensen die zorg ontvangen belangrijk is voor goede zorg, en dat het zorgsysteem zo moet worden ingericht dat deze vertrouwde relatie altijd behouden kan blijven zolang de zorg nodig is en de zorgverlener beschikbaar is?
In zijn algemeenheid ben ik van mening dat continuïteit in de relatie tussen een zorgverlener en mensen die zorg ontvangen, zolang de zorg nodig is en de zorgverlener beschikbaar is, een belangrijk uitgangspunt is voor goede zorg en ondersteuning. Daarnaast zijn ook andere elementen van belang voor het verlenen van goede zorg, zoals kwalitatief goede dienstverlening.4 Een vaste relatie tussen een zorgverlener en mensen die zorg nodig hebben, kan in de praktijk om diverse redenen niet altijd worden voortgezet. Dit komt bijvoorbeeld door keuzes in arbeidsmobiliteit van de zorgmedewerkers zelf en de schaarste op de arbeidsmarkt in combinatie met de omvang van de zorgvraag (bijvoorbeeld binnen een gemeente). Hierdoor moeten er door aanbieders en gemeenten soms andere (personele) keuzes worden gemaakt. Gemeenten kunnen de continuïteit in de relatie tussen zorgverlener en mensen die zorg ontvangen in de basis wel beter borgen door bijvoorbeeld het gemotiveerd kiezen voor lange termijncontracten. Tot slot kunnen ook de omstandigheden van de mensen die zorg en ondersteuning ontvangen, wijzigen, waardoor kennis en kunde van een andere medewerker noodzakelijk zijn. Goede zorg blijft mensenwerk.
Deelt u de mening dat volgens de Wet overgang onderneming, maar bijvoorbeeld ook de CAO Welzijn en Maatschappelijke dienstverlening de relatie zorgverlener en mensen die zorg ontvangen in stand zou moeten blijven, ongeacht welke instelling de zorg uitvoert? Hoe vaak gebeurt dit niet? Waarom wordt dit niet nageleefd?
Nee, die mening deel ik niet. Het doel van de Wet overgang onderneming is de positie van werknemers te beschermen als de onderneming waarvoor zij werkzaam zijn, wordt overgedragen aan een andere onderneming. In de Wet overgang onderneming wordt geregeld dat de werknemers die werkzaam zijn in het onderdeel onderneming dat wordt overgedragen, automatisch en met behoud van hun bestaande rechten en plichten mee overgaan. Te denken valt daarbij bijvoorbeeld aan het behoud van alle arbeidsvoorwaarden. Deze wet heeft niet expliciet als doel om de relatie zorgverlener en mensen die zorg ontvangen in stand te houden, ongeacht welke instelling de zorg uitvoert. Dat kan overigens wel een wenselijk bijeffect zijn.
Voor de CAO Sociaal Werk, welzijn en maatschappelijke dienstverlening5 geldt ook dat deze cao niet expliciet als doel heeft de relatie tussen zorgverlener en mensen in de zorg in stand te houden, ongeacht welke instelling de zorg uitvoert. In de CAO Sociaal Werk zijn er wel bepalingen over overname van personeel bij een aanbestedingsprocedure opgenomen.6 Indien er geen sprake is van overgang van onderneming dan geldt de afspraak uit de CAO Sociaal Werk dat de werknemers een recht hebben op een dienstverband indien zij benodigd en geschikt zijn. Dit biedt ook de verkrijgende organisatie nog enige ruimte om werknemers wel of niet over te nemen.
In zijn algemeenheid geldt dat het waar mogelijk borgen van de zorgcontinuïteit wel is geregeld in nadere wet- en regelgeving, zoals bijvoorbeeld in de Wmo 2015. Uit de Wmo 2015 volgt dat gemeenten, zoveel mogelijk, rekening moet houden met de continuïteit van de relatie tussen hulpverlener en cliënt. De gemeente heeft als het gaat over het beschikbaar stellen van maatschappelijke ondersteuning haar eigen verantwoordelijkheid als goed opdrachtgever. Voor aanbieders geldt op basis van de Wmo 2015 voor opdrachten verstrekt op basis van een overheidsopdracht (aanbestedingsprocedure) een inspanningsverplichting.7 Deze inspanningsverplichting houdt in dat de nieuwe aanbieder met de aanbieders die vóór hem in opdracht van de gemeenten een soortgelijke voorziening hebben verleend, in overleg treden over de overname van het betrokken personeel. Van de gemeente wordt verwacht dat zij hierop toezicht houden en ervoor zorgdragen dat afspraken hierover tussen aanbieders en de gemeenten in goede samenwerking worden uitgevoerd. Gemeenten kunnen daaraan via de contracten ook nadere eisen stellen voorafgaand aan de inkoopprocedure.
Ik heb geen informatie over het al dan niet in stand houden van vaste zorgrelaties in de praktijk. Mijn verwachting is dat dit in de praktijk, bijvoorbeeld door krapte op de arbeidsmarkt of het ontbreken van gewenste competenties bij betrokken medewerkers, niet altijd kan worden gewaarborgd.
Wat is de voortgang van de uitvoering motie Dijk2 om aanbesteden van zorg niet meer wettelijk verplicht te stellen?
De motie Dijk waarin de regering wordt verzocht om het aanbesteden van zorg niet langer verplicht te stellen, is beantwoord door mijn ambtsvoorganger in de Kamerbrief van 17 april 2024.9 In dit antwoord is toegelicht dat er geen algemene wettelijke verplichting is in het sociaal domein om aan te besteden. Gemeenten kunnen bij de financiering van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning kiezen voor zelf uitvoeren (inbesteden), of de hulp en maatschappelijke ondersteuning te organiseren en financieren via selectieve inkoop (aanbesteden) of open house, of via subsidie. Als de gemeente kiest voor aanbesteden dan moeten de (Europese) aanbestedingsregels worden gevolgd. Gelet op de diversiteit in financieringskeuzes van jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning is er vooralsnog geen aanleiding geweest om het huidige systeem van aanbesteden te vervangen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat gemeenten stoppen met aanbesteden van zorg?
Er is geen algemene wettelijke verplichting in het sociaal domein om aan te besteden. Er zijn diverse andere financieringskeuzes mogelijk. Voor een toelichting verwijs ik naar de inhoud van de eerdergenoemde Kamerbrief van 17 april 2024. Het Ketenbureau i-Sociaal domein kan gemeenten helpen bij het maken van de financieringskeuzes. Ik zet me ervoor in om de ondersteuning via het Ketenbureau i-Sociaal Domein te optimaliseren.
Het bericht dat Oekraïners nog steeds niet hoeven mee te betalen aan hun opvang. |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Oekraïner hoeft niet te betalen: Eigen bijdrage voor opvang wordt niet geïnd»1?
Ja.
Hoe is het mogelijk dat vrijwel geen enkele gemeente de eigen bijdrage die Oekraïners moeten betalen voor hun opvang, int?
Per 1 juli jl. is de Regeling opvang Ontheemden Oekraïne (hierna; RooO) zo gewijzigd dat gemeenten een eigen bijdrage aan ontheemden met inkomsten uit arbeid of eigen inkomsten vragen als tegemoetkoming voor de kosten van de opvang. Zoals gemeld in de verzamelbrief van 14 juni jl. is uit de uitvoeringstoets van de VNG echter gebleken dat gemeenten tijd nodig hebben om dit goed in te voeren. Daarom is met gemeenten afgesproken dat zij hiervoor tot uiterlijk 1 januari 2025 de tijd krijgen. Verschillende gemeenten zijn al gestart met het innen van de eigen bijdrage of gaan daar op korte termijn mee beginnen.
Deelt u de mening dat het niet meer dan logisch is dat Oekraïners meebetalen aan hun opvang temeer omdat Nederlanders wel voor alles zelf moeten betalen?
Het is van belang om toe te werken naar een hogere zelfredzaamheid door ontheemden uit de Oekraïne. Het invoeren van een eigen bijdrage voor volwassen Oekraïense ontheemden met inkomsten die in de gemeentelijke opvang verblijven is hier onderdeel van.
Gaat u ervoor zorgen dat alle gemeenten voor 1 januari 2025 de eigen bijdrage die Oekraïners moeten betalen voor de opvang gaan innen? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Per 1 juli is de gewijzigde RooO van kracht. Zoals ik u in de verzamelbrief 14 juni 2024 heb geïnformeerd2, geldt voor de eigen bijdrage dat, juist met het oog op de uitvoerbaarheid bij gemeenten, ruimte wordt geboden aan gemeenten om naar invoering toe te werken. Na zes maanden vanaf inwerkingtreding dienen alle gemeenten de regeling in zijn volledigheid uit te voeren.
Het Rijk ondersteunt gemeenten bij de uitvoering deze taak. Gemeenten kunnen met vragen over de eigen bijdrage terecht bij de Nationale Opvang Organisatie (NOO). De NOO accounthouders zijn continu met gemeenten in gesprek en faciliteren onderling contact waar dat wenselijk is. Daarnaast heeft mijn ministerie – in overleg met de VNG – een praktische handreiking voor gemeenteambtenaren en locatiemedewerkers opgesteld om te helpen bij de implementatie. Uitgangspunt is dat gemeenten de kosten voor uitvoering van het heffen van de eigen bijdrage vergoed krijgen. Een eventuele financiële drempel bij gemeenten om de eigen bijdrage te innen wordt hiermee weggenomen.
Wanneer gaat u deze eigen bijdrage voor opvang, zoals afgesproken in het Hoofdlijnenakkoord, verhogen?
Sinds de grootschalige militaire invasie in Oekraïne wordt er jaarlijks door een externe partij onderzoek gedaan naar de samenstelling van de kosten die gemeenten maken voor de opvang van ontheemden uit Oekraïne. Op dit moment loopt het onderzoek naar de verwachte kosten vanaf 1 januari 2025. Na afronding van het onderzoek zal het onderzoeksrapport mede gebruikt worden om de eigen bijdrage die ontheemden betalen te herijken.
Deelt u de opvatting dat gegeven de door de WHO uitgeroepen internationale noodsituatie inzake mpox, gegeven de risico’s verbonden aan internationale epidemieën en gelet op de geleerde lessen tijdens de COVID-epidemie, het verstandig is om, zoals de WHO ook oproept, de uitbraak van gevaarlijke virusziekten in de kiem te smoren – in dit geval dus door vaccins te sturen richting Afrika?
Het kabinet deelt de opvatting van de WHO dat het belangrijk is het mpox virus in de kiem te smoren. Dit is van belang voor de gezondheid in de landen waar een uitbraak is maar ook voor de gezondheid hier. Het virus kent immers geen grenzen. Tegelijkertijd is het van belang ook in Nederland zelf de responscapaciteit op orde te hebben.
In mijn brief van 29 augustus 2024 heb ik aangegeven dat ik er daarom voor kies om de huidige voorraad vaccins voor de nationale paraatheid van ons land op het huidige niveau van ongeveer 100.000 te behouden.1 Het is dan ook goed om te constateren dat voor de vaccinatiecampagne waarvoor 4 miljoen vaccins nodig zijn, en waarvoor een half jaar wordt uitgetrokken, reeds voldoende aan vaccins uit bestaande voorraden beschikbaar wordt gesteld door onder andere Duitsland, Spanje, de VS, Japan en een fabrikant.
Ik stel op dit moment geen vaccins beschikbaar voor donatie aan andere landen, omdat de voorraad in Nederland daarmee onder de nationale veiligheidsbuffer zou zakken. We staan daarin niet alleen. Ook Zweden, Tsjechië, Slovenië, en Estland doneren nu niet vanwege te weinig voorraad of om andere redenen en een aantal ander Europese landen heeft nog geen beslissing genomen. Daarnaast heeft een aanzienlijk deel van deze voorraad een houdbaarheid tot en met september 2025. Ik wil mij ervan vergewissen dat wij die vaccins ook daadwerkelijk kunnen vervangen voordat donatie overwogen kan worden.
Het kabinet wil tegelijkertijd bijdragen aan de internationale respons en bestrijden van mpox in de verschillende brandhaarden. Daarbij geldt dat voor een effectieve vaccinatiecampagne, niet alleen vaccins nodig zijn, maar ook testen, naalden, effectieve distributie, registratie, communicatie en getraind medisch personeel.
Daarom draagt Nederland EUR 3 miljoen bij aan het responsplan van de Wereldgezondheidsorganisatie voor effectieve vaccinatiecampagnes, transport van vaccins, testcapaciteit en het opleiden van medisch personeel.
Waarom kiest Nederland er, ondanks de oproep van internationaal specialisten er toch voor om te wachten met actie tot er zich een «importgeval» voordoet om daarna verdere spreiding te voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom kiest Nederland er niet voor om, net als de VS en de EU, het advies van de WHO op te volgen en zo wellicht juist de import van het virus te voorkomen? Hoe heeft u deze risicoafweging gemaakt? Met welke parameters heeft u rekening gehouden en welke veranderingen moeten er optreden wil het voorlopige besluit heroverwogen worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u uiteenzetten hoeveel vaccins er momenteel in Nederland beschikbaar zijn? Hoeveel zijn er nodig voor een veilige voorraad en hoe lang het duurt voor hierover te beschikken?
Zoals ik in mijn brief van 29 augustus jl. heb aangeven, beschikt ons land over 99.700 zogenaamde derde generatie vaccins tegen het pokkenvirus en mpox virus. Deze voorraad is in 2019 door mijn ambtsvoorganger op advies van het RIVM aangekocht om snel ringvaccinaties te kunnen uitvoeren en/of zorgpersoneel te kunnen vaccineren bij een mogelijke (moedwillige) uitbraak van het pokkenvirus en voor uitbraken van het mpox virus in ons land.
De bestaande voorraad van 99.700 vaccins wordt beschouwd als een veilige voorraad voor onze nationale paraatheid.
Is er geen mogelijkheid om een voorraad in Nederland op peil te houden/aan te vullen en gelijktijdig een marge aanwezig van vaccins die naar Afrika gestuurd kunnen worden?
Nee. Het in Europa geregistreerde vaccin is uitverkocht. Omdat ons land in 2019 een van de eerste landen was die dit relatief nieuwe vaccin heeft aangekocht, nadert een flink deel van de huidige voorraad in september 2025 het einde van zijn levensduur en moet vervangen worden. Ik heb besloten nieuwe vaccins te bestellen ter vervanging van het deel van de huidige voorraad waarvan de houdbaarheidsdatum zal verlopen. Naar verwachting zullen deze vaccins in het voorjaar van 2025 aan Nederland geleverd worden.
Wanneer ik een leverdatum heb, kan ik een beslissing tot donatie nemen.
Is er overleg in EU-verband zodat, mocht er zich in een of meerdere lidstaten een uitbraak voordoen, er vaccins beschikbaar zullen worden gesteld door andere lidstaten?
Lidstaten kunnen elkaar onderling bijstaan via bilaterale samenwerking. In 2022 heeft ons land vaccins geleverd aan diverse lidstaten. Daarnaast kunnen lidstaten elkaar bijstaan via het Union Civil Protection Mechanism (UCPM), waarbinnen deelnemende lidstaten een beroep kunnen doen op onderlinge solidariteit en vaccins of andere medische producten kunnen delen. Ook kan via dit mechanisme
een beroep gedaan worden op Europese noodvoorraden onder rescEU. Sinds de uitbraak in 2022 hebben diverse EU-landen een nationale voorraad opgebouwd. Ons land zou bij de uitzonderlijke situatie dat er onvoldoende vaccins voorhanden zijn, derhalve een beroep kunnen doen op andere lidstaten
De mpox situatie wordt op EU-niveau nauwgezet gevolgd door het EU-gezondheidsbeveiligingscomité (HSC) waarin alle lidstaten vertegenwoordigd zijn onder voorzitterschap van de Europese Commissie en waar ook het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) en de Health Emergency Preparedness and Response Authority (HERA) aan deelnemen. Op basis van de zich ontwikkelende situatie kunnen er – net als in 2022 – maatregelen genomen worden, zoals (nood-) aankopen door de Europese Commissie.
Kunt u aangeven hoe andere EU-lidstaten zich in deze opstellen?
In onderstaande tabel vindt u een overzicht van de meest recente tussenstand (d.d. 5 september 2024) van vaccindonaties door EU-lidstaten. Zweden, Tsjechië, Slovenië en Estland hebben aangegeven geen vaccins te doneren omdat zij onvoldoende voorraad hebben. Een deel van de EU landen heeft nog geen beslissing genomen over donatie of dat nog niet openbaar gemaakt.
Landen/
Organisaties
(tussenstand 04/09)
Type vaccin1
Aantal uit
bestaande
voorraad
Aantal uit
nieuwe aankoop
Ontvanger
Europese Commissie
Imvanex2
Africa CDC
Frankrijk
Imvanex
100.000
Africa CDC
Duitsland
Imvanex
100.000
GAVI
Spanje
Imvanex
100.000
Africa CDC
Portugal
Imvanex
P.M.
Kroatië
Imvanex
P.M.
Oostenrijk
Imvanex
P.M.
België
Imvanex
P.M.
Luxemburg
Imvanex
P.M.
Malta
Imvanex
P.M.
Polen
Imvanex
P.M.
Japan
LC164
3.500.000
DRC
Verenigde Staten
Jynneos
60.000
DRC / Nigeria
Fabrikant
ACAM20005
50.000
Het gaat hier om het aantal vaccins conform de markttoelating van de fabrikant. Het Imvanex vaccin kan intramusculair ingezet worden, waarbij twee «flesjes» vaccin vereist zijn voor volledige vaccinatie. Het vaccin zou ook intradermaal ingezet kunnen worden waarbij er met 1 flesje vaccin 5 injecties kunnen worden gezet. Met 2 flesjes vaccins kunnen zo 5 personen volledig worden gevaccineerd.
Derde generatie pokkenvaccin, geschikt voor vaccinatie tegen het pokkenvirus en mpox.
Waarvan 40.000 gedoneerd door de fabrikant.
LC16 is een vaccin bedoeld voor vaccinatie van kinderen.
Tweede generatie pokkenvaccin.
Hoe verhoudt uw reactie op de oproep van de WHO zich tegenover het staande beleid dat de WHO versterkt moet worden en een spilfunctie heeft in het beheersen en terugdringen van pandemieën, zoals verwoord in de Internationale Gezondheidsstrategie van uw beider ministeries?
Het kabinet onderschrijft de centrale rol van de WHO op het terrein van mondiale gezondheid en het belang van een gecoördineerde aanpak bij preventie en beheersing van uitbraken van infectieziektes. Om die reden doneert de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp nu 3 miljoen euro aan de WHO voor de vaccinatiecampagne tegen mpox.
De evaluatie van de ATAD-richtlijn per 31 juli 2024 |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (BBB) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat de Europese Commissie op 31 juli 2024 een evaluatie heeft aangekondigd van de Anti Tax Avoidance Directive (ATAD)?1
Ja.
Wat is uw visie op het instrument ATAD dat toeziet op het voorkomen van het wegsluizen van winsten naar het buitenland, daar waar woningcorporaties uitsluitend toegelaten zijn in Nederland en dus ook geen winsten naar het buitenland kunnen wegsluizen?
De eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking2 (ATAD1) is een goed instrument om te voorkomen dat ondernemingen winsten verschuiven naar het buitenland (naar een land met een lager belastingtarief) en voor het voorkomen van belastinggrondslaguitholling binnen internationaal opererende concerns. Daarnaast zorgt ATAD1 via de generieke renteaftrekbeperking, de zogenoemde earningsstrippingmaatregel, voor een meer gelijke fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen. Een ongelijke behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen doet zich voor doordat de aftrekbaarheid van rente de kosten van financiering met vreemd vermogen verlaagt en de vergoeding voor eigen vermogen fiscaal niet aftrekbaar is. Hierdoor bestaat er voor bedrijven een stimulans om ondernemingsactiviteiten met vreemd vermogen te financieren. Dit heeft negatieve gevolgen voor de schokbestendigheid van de Nederlandse economie. Een meer gelijke fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen moet stabielere bedrijven en gezondere economische verhoudingen opleveren.
De earningsstrippingmaatregel is gericht op alle vennootschapsbelastingplichtigen, waaronder woningcorporaties, en maakt geen onderscheid tussen binnenlandse of internationaal opererende ondernemingen. ATAD1 biedt EU-lidstaten een aantal mogelijkheden om een uitzondering te maken ten aanzien van de toepassing van de renteaftrekbeperking, mits deze in overeenstemming zijn met de staatssteunregels. De richtlijn voorziet niet in het uitzonderen van enkel woningcorporaties. Wel hebben eerdere kabinetten tegemoetkomingen voor woningcorporaties geboden om de effecten van ATAD te mitigeren.
Kunt u concreet en puntsgewijs aangeven op welke punten de Nederlandse invulling van de ATAD-richtlijn verschilt van de Europese beschrijving van de richtlijn?
ATAD1 bevat verschillende maatregelen om belastinggrondslaguitholling tegen te gaan, waaronder de earningsstrippingmaatregel. Wij gaan ervanuit dat er in de vraagstelling specifiek wordt gerefereerd aan earningsstrippingmaatregel, omdat deze woningcorporaties het duidelijkst raakt. De earningsstrippingmaatregel is geïmplementeerd in artikel 15b Wet op de vennootschapsbelasting 1969.3
Nederland heeft bij de implementatie van de earningsstrippingmaatregel bewust gekozen voor een robuuste vormgeving, hetgeen inhoudt dat de vormgeving op onderdelen aanzienlijk verdergaat dan de in ATAD1 opgenomen minimumstandaard. De zogenoemde groepsuitzondering is bijvoorbeeld niet opgenomen in de earningsstrippingmaatregel, terwijl ATAD1 die wel toestaat. Ook van de in ATAD1 opgenomen uitzondering voor op zichzelf staande entiteiten is geen gebruik gemaakt. De renteaftrekbeperking is verder strenger ingevuld dan de minimumnorm uit ATAD1 door de verlaging van de drempel tot welk bedrag de per saldo verschuldigde niet geraakt wordt door de earningsstrippingmaatregel. Nederland hanteert namelijk een drempel van € 1 miljoen, terwijl ATAD1 voorschrijft dat die drempel maximaal € 3 miljoen mag bedragen. Ten aanzien van de drempel is in de Voorjaarsnota 20234 bekend gemaakt dat het voorgaande kabinet heeft besloten om de drempel van 1 miljoen euro voor vastgoedlichamen met (aan derden) verhuurd vastgoed buiten toepassing te laten met ingang van 1 januari 2025. Dit is uitgewerkt in het wetsvoorstel Belastingplan 2025. Daarnaast wordt in ATAD1 voorgeschreven dat rentelasten (boven de drempel) aftrekbaar zijn tot maximaal 30% van de gecorrigeerde winst. De richtlijn staat toe aan de lidstaten om een lager aftrekpercentage te kiezen en Nederland heeft bij de introductie in 2019 gekozen voor een aftrekpercentage van 30%, maar dat is in 2022 verlaagd naar 20% naar aanleiding van de motie Hermans c.s.5 Dit kabinet heeft er in het Hoofdlijnenakkoord voor gekozen om het aftrekpercentage weer te verruimen naar 25% vanaf 2025. Dit is uitgewerkt in het wetsvoorstel Belastingplan 2025. Ten slotte is er in het kader van de earningsstrippingmaatregel geen eerbiedigende werking voor bestaande leningen opgenomen.
Als gevolg van de keuze voor deze robuuste vormgeving wordt niet alleen opgetreden tegen grondslaguitholling, maar wordt vooral een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen bij alle belastingplichtigen in de vennootschapsbelasting nagestreefd. Doordat de renteaftrekbeperking van toepassing is op alle rente die per saldo is verschuldigd en de aftrekbaarheid hiervan direct afhankelijk wordt gesteld van de belastbare grondslag in Nederland worden de mogelijkheden tot belastingontwijking door renteaftrek beperkt.
Wat is de reden dat er sprake is van een verschil op de genoemde punten?
ATAD1 biedt de expliciete mogelijkheid om keuzes te maken, waarmee de EU-lidstaten uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt geboden om tevens (verdergaande) maatregelen te nemen die aansluiten bij het betreffende nationale vennootschapsbelastingstelsel en de daarbij geconstateerde wijze van belastingontwijking. Nederland heeft bij de implementatie van de earningsstrippingmaatregel uit ATAD1, naast het tegengaan van belastingontwijking, ook een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen willen bereiken. Om die reden is er gekozen voor een robuuste implementatie van de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting en is de maatregel strenger vormgegeven dan ATAD1 als minimumstandaard voorschrijft.
Kunt u aangeven of, en zo ja waarom de Nederlandse invulling per punt strenger of minder streng is?
In de antwoorden op de vraag 3 en vraag 4 is uiteengezet of en waarom het kabinet op de verschillende punten heeft gekozen voor een strengere invulling dan de minimumvereisten van ATAD1. Om een gelijker speelveld binnen de EU te bewerkstelligen heeft dit kabinet in het Hoofdlijnenakkoord ervoor gekozen om de earningsstrippingmaatregel te verruimen door het aftrekpercentage te verhogen van 20% naar 25%. Dit is uitgewerkt in het wetsvoorstel Belastingplan 2025.
Waarom vindt u dat de ATAD op woningcorporaties van toepassing zou moeten zijn?
De vennootschapsbelasting, waarvan de earningsstrippingmaatregel onderdeel uitmaakt, maakt in beginsel geen onderscheid tussen belastingplichtigen. De Nederlandse wijze van implementatie van de earningsstrippingmaatregel heeft, zoals in de antwoorden op de voorgaande vragen is aangegeven, naast het tegengaan van belastingontwijking eveneens als doel een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen te bereiken. De earningsstrippingmaatregel is vormgegeven als een generieke aftrekbeperking en dus gericht op alle vennootschapsbelastingplichtigen, waaronder dus ook de woningcorporaties.
Woningcorporaties worden net als andere kapitaalintensieve belastingplichtigen – relatief zwaar geraakt door de earningsstrippingmaatregel. Een uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel is niet mogelijk, omdat ATAD1 niet in een specifieke uitzonderingsmogelijkheid hiervoor voorziet. Dit betekent dat het specifiek uitzonderen van woningcorporaties voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel niet mogelijk is, omdat Nederland in dat geval niet voldoet aan de implementatieverplichting ten aanzien van de minimumstandaard uit de richtlijn.
ATAD1 kent een aantal mogelijkheden om een uitzondering te maken ten aanzien van de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. Zo kent de richtlijn onder meer een uitzondering voor leningen aan langlopende openbare-infrastructuurprojecten, een vrijstelling voor opzichzelfstaande entiteiten en een uitzondering voor lichamen die deel uitmaken van een groep. Het introduceren van een dergelijke uitzondering dient in overeenstemming te zijn met de staatssteunregels.
Om gebruik te kunnen maken van de uitzondering in ATAD1 voor langlopende openbare-infrastructuurprojecten moet aan vier voorwaarden voldaan worden; het moet gaan om 1) een project, dat 2) infrastructuur betreft, een 3) openbaar karakter heeft en 4) voor de lange termijn wordt gerealiseerd. Bij openbare-infrastructuurprojecten moet in het bijzonder gedacht worden aan wegen, bruggen en tunnels. Volgens het kabinet biedt de richtlijn geen ruimte om woningcorporaties onder de uitzondering van openbare infrastructuurprojecten te brengen.6
Een vrijstelling voor opzichzelfstaande entiteiten of een generieke (groeps)uitzondering doet verder in brede zin afbreuk aan het doel om te komen tot een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen, aangezien alle belastingplichtigen en niet alleen de woningcorporaties zullen profiteren van deze maatregel. Daarnaast zal een dergelijke uitzondering een aanzienlijk budgettair effect hebben op de rijksbegroting.
Wat is sinds de invoering het effect in geld van de ATAD op de bouw van woningen door woningcorporaties?
Uit aangiftecijfers van woningcorporaties komt naar voren dat de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting in de periode 2019 t/m 2022 bij woningcorporaties heeft gezorgd voor een beperking in de aftrek van de rente van € 1,3 miljard in 2019, € 1,2 miljard en 2020, € 1,8 miljard in 2021. Voor 2022 is het bedrag nog onzeker, maar op basis van voorlopige aangiftegegevens is het de verwachting dat dit bedrag in 2022 € 1,3 miljard zal zijn. Per saldo leidt dit tot een heffing van respectievelijk € 313 miljoen, € 297 miljoen, € 446 miljoen en € 322 miljoen voor de verschillende jaren in vergelijking met de situatie dat deze renteaftrekbeperking niet van toepassing zou zijn.
Bij de invoering van de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting in 2019 was reeds bekend dat de renteaftrekbeperking onder meer bij woningcorporaties zou leiden tot een hogere vennootschapsbelastingdruk.7 Er zijn door het kabinet destijds verschillende maatregelen getroffen om verhuurders, waaronder woningcorporaties, tegemoet te komen ten aanzien van het nadelige effect van de earningsstrippingmaatregel. Daarbij is destijds voor circa € 100 miljoen per jaar aan lastenverlichting gegeven via de verhuurderheffing. Inmiddels is de verhuurdersheffing in het geheel afgeschaft (derving van € 1,4 miljard) in het kader van het realiseren van de Nationale Prestatieafspraken (NPA).
Voorts is in het Hoofdlijnenakkoord aangekondigd dat het maximale renteaftrekpercentage in de vennootschapsbelasting wordt verhoogd van 20% naar 25% van de gecorrigeerde winst. Dit is uitgewerkt in het wetsvoorstel Belastingplan 2025 en leidt tot een lagere renteaftrekbeperking. Daarmee is een fiscale lastenverlichting voor belastingplichtigen en dus verhuurders, waaronder woningcorporaties, gemoeid die investeren via vennootschappen die met vreemd vermogen zijn gefinancierd.
In hoeverre deze hogere vennootschapsbelastingdruk effect heeft gehad op de bouw van woningen valt niet te zeggen. Woningcorporaties investeren ook in betaalbaarheid, leefbaarheid, onderhoud, woningverbetering en verduurzaming van bestaand bezit. Het is aan woningcorporaties zelf om te bepalen hoe zij gegeven hun inkomstenbronnen en mogelijkheden tot het aantrekken van nieuwe leningen hun investeringen prioriteren en financieren. Uit de geactualiseerde doorrekening van de Nationale Prestatieafspraken (NPA) van juni 2023 blijkt in elk geval dat woningcorporaties op korte tot middellange termijn over een goede financiële uitgangspositie beschikken om volop te investeren in hun volkshuisvestelijk opgaven, waaronder de bouw van woningen.
Hoeveel woningen zijn er sinds de invoering van de ATAD minder gebouwd door woningcorporaties?
Het is niet te zeggen of de invoering van ATAD1 tot nu toe geleid heeft tot de bouw van minder woningen voor woningcorporaties. Uit de geactualiseerde doorrekening van de NPA van juni 20238 blijkt dat woningcorporaties op korte tot middellange termijn over een goede financiële uitgangspositie beschikken om volop te investeren in hun volkshuisvestelijk opgaven. Dat betekent dat op korte tot middellange termijn de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting niet van invloed is geweest op de volkshuisvestelijke opgaven van woningcorporaties.
Hierbij wordt opgemerkt dat er op korte tot middellange termijn voldoende middelen zijn om de opgaven te realiseren. Uit de doorrekening blijkt ook dat de financiële grenzen voor woningcorporaties bij volledige realisatie van de opgaven op langere termijn in zicht komen, met name in enkele regio’s. Daarnaast gaat de uitvoering van de NPA uit van een investeringsprogramma dat niet past bij een duurzaam prestatiemodel. Dat wil zeggen dat de aanpak zoals die nu wordt ingezet niet haalbaar is voor de lange termijn, omdat daarmee de financiële continuïteit van corporaties in gevaar komt. De financiële herijking die in de NPA is afgesproken die dit jaar wordt uitgevoerd zal daarom ook worden benut om het duurzame prestatiemodel beter in beeld te brengen.
Wat vindt u van deze constatering?
Wanneer woningcorporaties tegen hun financiële grenzen aanlopen wordt verwacht dat zij elkaar ondersteunen bij de opgaven in hun regio. Om deze onderlinge solidariteit verder te verkennen is de regio Haaglanden door mij aangewezen als pilotregio in het kader van onderlinge solidariteit en investeringscapaciteit. De komende maanden zal mijn ministerie, samen met gemeenten, corporaties en belangenorganisaties onderzoeken hoe de opgaven in de regio Haaglanden toch gerealiseerd kunnen worden, ondanks financiële zorgen op langere termijn.
Voor de meer lange termijn financiële knelpunten voor woningcorporaties werk ik daarnaast met de corporatiesector aan een duurzaam prestatiemodel. Dit model moet ervoor zorgen dat woningcorporaties voldoende financiële middelen hebben om niet alleen de doelstellingen uit de NPA te behalen, maar ook daarna hun volkshuisvestelijke taken te kunnen blijven uitvoeren zonder in financiële problemen te komen. Beleidsopties die hierop inspelen, worden momenteel in beeld gebracht en zijn nodig om de continuïteit en de noodzakelijke investeringsruimte voor woningcorporaties te waarborgen. In de herijking van de NPA, die dit najaar wordt uitgevoerd, zal opnieuw naar de opgaven van de corporaties gekeken worden en naar de mogelijkheden om die in balans te brengen met de financiële middelen, ook voor de lange termijn.
Heeft de ATAD wel of niet bijgedragen aan de huidige wooncrisis omdat er sinds de invoering minder sociale en betaalbare huurhuizen konden worden gebouwd door woningcorporaties?
Zoals in de antwoorden bij vraag 7 en vraag 8 is aangegeven valt niet te zeggen of woningcorporaties minder betaalbare woningen hebben gebouwd als gevolg van de invoering van de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting in 2019. Woningcorporaties beschikken momenteel door de afschaffing van de verhuurderheffing over een goede financiële uitgangspositie om volop te investeren in hun volkshuisvestelijk taken, waaronder de bouw van betaalbare huurwoningen. Daarnaast is in het Hoofdlijnenakkoord aangekondigd dat de maximale renteaftrek in de vennootschapsbelasting wordt verhoogd van 20% naar 25% van de gecorrigeerde winst, wat een fiscale lastenverlichting voor verhuurders die investeren via vennootschappen die met vreemd vermogen zijn gefinancierd tot gevolg heeft. Dit is uitgewerkt in het wetsvoorstel Belastingplan 2025.
Gaat u samen met de Staatssecretaris aandringen op een herziening van de ATAD-wetgeving?
Voor het bepalen van onze specifieke inzet wachten wij eerst de uitkomsten van de evaluatie van ATAD1 af die momenteel wordt uitgevoerd. Op dit moment is nog onbekend hoe het vervolgproces er precies uit zal zien na de openbare consultatie over ATAD1. De verwachting is dat een uitgebreid verslag zal worden opgesteld over de maatregelen uit ATAD1.9 Volgens de meest recente planning van de Europese Commissie wordt dit verslag in het derde kwartaal van 2025 gepubliceerd.10 Zodra dit beschikbaar is, wordt dit met uw Kamer gedeeld.
Welke herziening of herzieningen heeft u daarbij in gedachten?
Zoals in de antwoorden bij vraag 6 is aangegeven, voorziet ATAD1 niet in een specifieke uitzondering voor woningcorporaties. Daarnaast is het de vraag of het introduceren van een generieke vrijstelling in ATAD1 doeltreffend en doelmatig is ten aanzien van woningcorporaties. In dat licht zou meer beleidsvrijheid voor individuele EU-lidstaten om gerichter bepaalde sectoren te kunnen uitzonderen onder ATAD1 in beginsel worden verwelkomd. Hierbij dienen de staatssteunregels in acht te worden genomen in de zin van artikel 107, eerste lid, Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Het verlenen van staatssteun is in beginsel verboden en alleen onder bepaalde voorwaarden toegestaan, bijvoorbeeld om ervoor te zorgen dat een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) kan worden uitgevoerd of als er een vrijstellingsmogelijkheid van toepassing is. Door alleen een uitzondering voor woningcorporaties te creëren ontstaat er mogelijk een ongelijk speelveld tussen woningcorporaties en marktpartijen. Verder zal ook dekking gevonden moeten worden voor de budgettaire effecten om een eventuele nieuwe uitzondering voor woningcorporaties in ATAD1 in de nationale wet te kunnen implementeren en moet een dergelijke uitzondering uitvoerbaar zijn.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Beantwoording van de vragen binnen drie weken is helaas niet gelukt.