Het noodgedwongen stoppen van het lokale beleid inzake beschermingsbewind in de gemeente Groningen |
|
Bart van Kent |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de gemeente Groningen noodgedwongen stopt mensen toe te leiden naar een niet commerciële gemeentelijke bewindvoerder? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja, dit bericht is ons bekend. We begrijpen dat de gemeente Groningen haar werkwijze heeft aangepast in het licht van het oordeel van de rechtbank Noord-Nederland. Mensen die om bewind verzoeken om hun financiële zaken op orde te krijgen, kunnen hiervoor naar de kantonrechter. Bij de instelling van het bewind en de benoeming van de bewindvoerder volgt de kantonrechter de uitdrukkelijke voorkeur van de onder bewind gestelde persoon, tenzij er gegronde redenen zijn om dat niet te doen, bijvoorbeeld omdat de persoon naar wie de voorkeur uitgaat door de kantonrechter ongeschikt wordt bevonden.1 De gemeente kan iemand daarom niet dwingen om voor een bepaalde bewindvoerder, in casu een gemeentelijke bewindvoerder, te kiezen.
Bent u ermee bekend dat de manier waarop de gemeente Groningen het beleid inzake bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering sinds 2018 uitvoerde resulteerde in een lagere instroom, een hogere uitstroom en kortere onder bewindstelling? Deelt u in dat licht de opvatting dat het te betreuren is dat de gemeente Groningen nu dit beleid moet loslaten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, deze resultaten zijn bekend. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 respecteren we het oordeel van de rechter in de casus Groningen. We merken tevens op dat er ook andere voorbeelden zijn van gemeenten die de samenwerking met bewindvoerders en de rechtspraak op een manier hebben vormgegeven die past binnen de kaders van de wet, waarmee ook mooie resultaten zijn behaald. Zo experimenteerde de gemeente Tilburg en de Rechtbank Zeeland – West-Brabant met een specifieke aanpak voor schuldenbewind.2 Veel gemeenten hebben bovendien inmiddels een convenant gesloten met bewindvoerders waarin afspraken zijn opgenomen over de onderlinge samenwerking en doorverwijzing van bewind naar de gemeentelijke schuldhulpverlening voor het oplossen van de schulden.3
Deelt u mijn opvatting dat het in het belang is van de onder bewind gestelde dat het bewind nooit langer dan strikt noodzakelijk duurt? Bent u van mening dat de werkwijze van de gemeente Groningen precies dat bewerkstelligde? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wij zijn het met u eens dat het bewind niet langer dan noodzakelijk zou moeten duren. Daarom is voor schuldenbewinden per 1 januari 2021 in de wet opgenomen dat dit bewind alleen voor bepaalde tijd (5 jaar) kan worden ingesteld, zodat het niet langer dan noodzakelijk duurt. De kantonrechter ziet hier op toe. Dit geldt voor alle schuldenbewinden vanaf 1 januari 2021 en is dus niet per definitie het gevolg van het beleid van de gemeente Groningen. Het is nog te vroeg om de effecten van het instellen van bewind voor bepaalde tijd te beoordelen. Om de doorstroom van schuldenbewind naar gemeentelijke schuldhulpverlening te bevorderen, sluiten steeds meer gemeenten convenanten met bewindvoerders.4 Hierin worden afspraken gemaakt over de samenwerking bij problematische schulden, zodat er tijdig wordt doorverwezen naar de gemeente voor een oplossing van de schuldensituatie.
Bent u het ermee eens dat de werkwijze van de gemeente Groningen – waardoor inwoners zich in de regel voor hulp bij de gemeente melden – als groot voordeel had dat zij daardoor andere – lichtere – vormen van financiële ondersteuning zoals budgetbeheer konden aanbieden waardoor de ondersteuning altijd op de persoon kon worden afgestemd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Mensen die kampen met financiële problemen moeten met een zo licht mogelijke vorm van ondersteuning worden geholpen. Het is daarom belangrijk dat mensen met geldzorgen vroeg in beeld komen bij de gemeente, zodat gezocht kan worden naar de meest passende vorm van ondersteuning. Daarom is sinds 1 januari 2021 de uitvoering van vroegsignalering door gemeenten als onderdeel van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening wettelijk verduidelijkt.
Ook is per 1 januari 2021 het adviesrecht voor gemeenten bij schuldenbewind ingevoerd. Dat houdt in dat gemeenten na de instelling van een schuldenbewind de kantonrechter kunnen adviseren of de belangen van de inwoner ook kunnen worden behartigd door een meer passende en minder verstrekkende voorziening dan de voortzetting van het schuldenbewind. De rechter beslist daarop of het bewind wordt voorgezet dan wel beëindigd.5
Verder draagt ook een betere samenwerking tussen gemeenten en bewindvoerders door middel van convenanten eraan bij dat een schuldenbewind niet langer duurt dan nodig en de inwoner zo snel als mogelijk wordt doorgeleid naar de voor hem of haar meest passende en minst verstrekkende voorziening.
Deelt u de opvatting dat het adviesrecht dat gemeenten nu hebben na instelling van schuldenbewind moet worden vervroegd omdat advies uitbrengen na een periode van drie maanden in de praktijk niet functioneert omdat het bewindvoeringstraject al loopt? Kunt u uw antwoord toelichten?
De optie om het adviesrecht vanuit de gemeente mogelijk te maken voordat het bewind is uitgesproken door de kantonrechter is in het kader van de wetswijziging over het adviesrecht voor gemeenten bij schuldenbewind onderzocht. Destijds werd geconcludeerd dat dit niet wenselijk was.6 Om de toegang tot bewindvoering zo laagdrempelig mogelijk te houden, is er uiteindelijk voor gekozen het moment van advies niet naar voren te halen in het proces. Het adviesrecht voor gemeenten bij schuldenbewind wordt in 2025 geëvalueerd. In de evaluatie zal het moment van het advies expliciet als onderzoeksvraag worden meegenomen.
Bent u bereid om te onderzoeken of het gemeenten ook mogelijk kan worden gemaakt om voorafgaand aan de uitspraak over de onderbewindstelling te adviseren over de meest passende ondersteuning en ziet u ook andere manieren om de regierol van gemeenten te versterken?
Deze optie is bij de totstandkoming van de wetswijziging al onderzocht, zie daarvoor ook het antwoord op vraag 5. Bij de evaluatie van het adviesrecht zal het moment van het advies expliciet als onderzoeksvraag worden meegenomen. Gemeenten kunnen daarnaast hun regierol versterken door samenwerkingsafspraken met bewindvoerders vast te leggen in convenanten. De NVVK heeft hiertoe een modelconvenant opgesteld die gemeenten aan de lokale context kunnen aanpassen.
Bent u zich ervan bewust dat gemeenten een steeds groter deel van hun budget voor bijzondere bijstand besteden aan bewindvoering? Wat vindt u daarvan?
Uit onderzoek van het CBS blijkt dat gemeenten in 2022 meer geld kwijt waren aan beschermingsbewind dan in 2021. Het aandeel van de uitgaven voor bewindvoering ten opzichte van andere uitgaven binnen de bijzondere bijstand neemt de laatste twee jaar wel af.7, 8 Waar bewindvoering nodig is en een passend middel is om financieel kwetsbare mensen de nodige bescherming te bieden, moet dit kunnen worden ingezet, ook als mensen de kosten niet zelf kunnen dragen. Wel zien we dat hierdoor het beslag op de bijzondere bijstand groot is.
In het onderzoek naar de financiering- en beloningssystematiek van bewind, en de kabinetsreactie daarop, is het vraagstuk rond de manier van financieren van het bewind expliciet aan de orde gekomen.9 We blijven met de betrokken organisaties in gesprek om naar mogelijkheden te zoeken ter verbetering van het stelsel, zoals het verder bevorderen van de samenwerking met gemeenten en het heroverwegen van de rol van het schuldenbewind. Rond de zomer wordt uw Kamer over de voortgang geïnformeerd.
Hoe duidt u het dat de gemeente Groningen met haar manier van werken de kosten juist wist te beperken, terwijl bij andere gemeenten de kosten juist stegen?
Bij de gemeente Groningen was inderdaad een grote daling te zien in de uitgaven voor bijzondere bijstand voor bewindvoering.10 Het algemene beeld met betrekking tot schuldenbewinden is dat het aantal bewinden sinds 2014 sterk is toegenomen, maar sinds 2020 stabiliseert.11 Over de kosten voor beschermingsbewind via de bijzondere bijstand per gemeente hebben we geen informatie beschikbaar. Dat de kosten bij andere gemeenten toenamen kunnen we daarmee niet duiden.
Deelt u de opvatting dat het gemeenten mogelijk moet worden gemaakt desgewenst bewindvoering publiek te organiseren? Zo ja, wat bent u van plan te doen om het de gemeente Groningen weer mogelijk te maken haar manier van werken voort te zetten?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 respecteren wij het oordeel van de Rechtbank in deze zaak. Het is overigens nog steeds toegestaan voor gemeenten om zelf bewindvoering aan te bieden aan hun inwoners, daar doet de rechter geen uitspraak over. In het toegezegde onderzoek naar aanleiding van de motie van de leden Van Kent en Kat12 zal er aandacht zijn voor de voor- en nadelen van het publiek organiseren van bewind. Op basis van dit onderzoek kan vervolgens worden bepaald hoe bewindvoering in de toekomst het best georganiseerd kan worden. De resultaten van het onderzoek worden in het tweede kwartaal van 2025 verwacht.
De rellen en racistische leuzen gericht naar kermisexploitanten in Emmeloord. |
|
Marjolein Faber (PVV), Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de rellen, vernielingen en scheldpartijen die zich in de nacht van 3 mei en daaropvolgende nachten hebben afgespeeld op de kermis in Emmeloord, gericht tegen de kermisexploitanten?1 Zo ja, heeft u contact gehad met de burgemeester? Zo nee, gaat u de dit nog doen?
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving over de gebeurtenissen op de kermis in Emmeloord. Ik heb geen contact hierover gehad met de burgemeester. Wel is op ambtelijk niveau contact geweest met de gemeente.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is dat hardwerkende ondernemers hierdoor geraakt worden en eerder moeten stoppen met hun activiteiten, wat resulteert in omzetdaling? Kan de gemeente nog iets voor hen betekenen? Als meer gemeenten met deze onrust te maken krijgen, wat kunt u dan overkoepelend doen om gemeenten bij te staan?
In algemene zin veroordeel ik misdragingen van anderen die negatieve gevolgen hebben voor burgers en bedrijven. Gemeenten zijn voldoende toegerust om het soort ongeregeldheden zoals omschreven in het door u aangehaalde bericht met adequate middelen tegemoet te treden. Ter voorkoming van onrust is er daarnaast een landelijke vindplaats en leeromgeving voor gemeenten en biedt de Rijksoverheid op maat ondersteuning voor gemeenten.
Bent u het ermee eens dat de kermisexploitanten ook mentaal enorm geraakt worden door de racistische leuzen die geroepen worden zoals «kanker Jood», «kanker kermis» en «kanker zigeuner»? Wat gaat u doen om dit gevoel van onveiligheid weg te halen bij deze burgers?
Het gebruik van discriminerende en antisemitische uitlatingen is volstrekt ontoelaatbaar, alleen al vanwege de enorme impact die zij hebben. Burgers, en meer specifiek ondernemers, moeten zich, ook in hun veiligheidsgevoel, hiertegen beschermd weten. Uit de berichtgeving maak ik op dat de burgemeester maatregelen heeft genomen. Zoals gemeld in de brief van de burgemeester aan de gemeenteraad worden de gebeurtenissen op de kermis uitgebreid geëvalueerd. Daaruit zal ook moeten blijken wat precies heeft plaatsgevonden en wie welke rol daarin heeft gespeeld.
Bent u het ermee eens dat deze racistische en discriminerende leuzen krachtig moeten worden bestreden en dat de veiligheid van deze burgers te allen tijde geborgd moet worden? Wat gaat u hieraan doen?
Ik ben het met uw stelling eens. Het hele stelsel van wet- en regelgeving, gemeentelijke instellingen, meldinstanties, politie en het justitiële systeem is hierop ingericht.
Wat kunt u voor deze groep ondernemers betekenen, zodat hun wijze van ondernemen niet verder onder druk komt te staan door dit soort rellen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat het aanpassen van openingstijden niet de oplossing is en alleen maar de ondernemers en de welwillende bezoekers dupeert? Wie draait op voor de winstderving en wordt deze verhaald op de raddraaiers? In hoeverre krijgen de kermisexploitanten restitutie van de pachtsom (vergunning) in relatie tot de verkorte openingstijden?
Ik ben het met u eens dat het aanpassen van openingstijden geen oplossing is voor het onderliggende probleem van misdragingen van anderen. Maar het is aan de burgemeester om te bepalen wat gegeven de omstandigheden van het moment de beste optie is.
Met betrekking tot uw vraag wie er opdraait voor de winstderving, merk ik op dat ondernemers bij geleden schade de veroorzakers civielrechtelijk aansprakelijk kunnen stellen. Of en voor welke schade een aansprakelijkstelling succesvol kan zijn, hangt af van de omstandigheden van het geval. Een beslissing daarover is uiteindelijk voorbehouden aan de rechter.
De getroffen ondernemers kunnen ook een verzoek tot (gedeeltelijke) restitutie van de pachtsom doen bij de instantie met wie de pachtovereenkomst is aangegaan. Mij is niet bekend of zij dit gedaan hebben en daarmee ook niet in hoeverre zij voor enige restitutie in aanmerking komen.
Bent u het ermee eens dat de kosten niet neergelegd mogen worden bij deze ondernemers, maar bij de gemeenten die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid en niet als makkelijke oplossing mogen komen met het annuleren van een kermis of het aanpassen van de openingstijden? Bent u het ermee eens dat het tuig dat dit veroorzaakt aangepakt moet worden en niet de kermisexploitanten op deze manier verder gedupeerd mogen worden?
In algemene zin ben ik van oordeel dat schade in eerste instantie en bij voorkeur verhaald moet worden op veroorzakers ervan en dat ondernemers noch de gemeente in financiële zin belast moeten worden met de nadelige gevolgen veroorzaakt door derden. Ik treed niet in de concrete casus, aangezien de bevoegdheid om gevolg te geven aan openbare orde vraagstukken bij de betreffende gemeente ligt.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de branchevertegenwoordigers om tot een goede aanpak te komen van deze rellende, slopende en discriminerende daders?
Hoewel de Minister van Economische Zaken en Klimaat altijd open staat voor gesprekken met branchevertegenwoordigers, lijkt in deze kwestie een gesprek met de desbetreffende gemeente het meest aangewezen. Immers, op lokaal niveau worden de maatregelen ter preventie van dit soort excessen genomen. Het nemen van dergelijke maatregelen is namelijk altijd afhankelijk van de situatie op lokaal niveau.
Klopt het dat er ook buiten de rellen, vernielingen en scheldpartijen ook sprake is geweest van bedreiging?
In de brief van de burgemeester aan de gemeenteraad naar aanleiding van deze incidenten heeft de burgemeester de gemeenteraad laten weten dat er zes aangiftes zijn gedaan van mishandeling en twee aangiftes van vernieling. Ook is er aangifte van bedreiging gedaan. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen hoe zij hier opvolging aan geven. In de brief aan de gemeenteraad staat ook beschreven dat er op 4 mei gesprekken hebben plaatsgevonden door de politie en boa’s met 10 jongeren die aanwezig waren tijdens de incidenten. Het is aan de lokale driehoek om deze afwegingen te maken en niet aan mij om daar als Minister van Justitie en Veiligheid in op te treden.
Is de identiteit van de raddraaiers bekend bij de burgemeester? Zo ja, wat is dan het strafrechtelijk vervolgtraject?
Zie antwoord vraag 9.
Indien de identiteit niet bekend is bij de burgemeester, is deze dan bereid die te gaan herleiden? Zo ja, wat is dan het strafrechtelijk vervolgtraject? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat dit onacceptabele wangedrag niet afgedaan kan worden met een «foei-gesprek»?
Zie antwoord vraag 9.
Of Oekraïne lid kan worden van de NAVO |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Is het correct dat in antwoord op vraag 14 en op vraag 15 van schriftelijke vragen van de leden Baudet en Van Houwelingen d.d. 4 maart 2024 de regering op 24 april jl. het volgende antwoord heeft gegeven: «Tijdens de NAVO-top in Vilnius herbevestigden bondgenoten dat Oekraïne lid zal worden van de NAVO op het moment dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan en wanneer alle bondgenoten daarmee instemmen»?1
Ja.
Ziet de regering zelf een verband tussen bovengenoemde twee simpele ja-neevragen die zijn gesteld en het antwoord dat is gegeven?
Ja.
Waarom geeft de regering op deze twee simpele, concrete en uiterst relevante ja-neevragen – zo zei de secretaris-generaal van de NAVO op 29 april 2024 nog dat Oekraïne «onvermijdelijk» lid wordt van de NAVO2 – een ontwijkend en procedureel antwoord dat op geen enkele manier redelijkerwijs kan worden gezien als een antwoord op de gestelde vragen?
Het kabinet hecht aan zorgvuldige en volledige beantwoording.
Waarom kan de regering niet simpelweg met «ja» of met «nee» antwoorden op deze twee ja-neevragen?
Om het vraagstuk van de juiste context te voorzien, is het antwoord op de vragen gediend bij inhoudelijke toelichting.
Nogmaals, kan Oekraïne in uw ogen lid worden van de NAVO zolang nog sprake is van een oorlog tussen Oekraïne en Rusland? Ja of nee?
Tijdens de NAVO-top in Vilnius herbevestigden bondgenoten dat Oekraïne lid zal worden van de NAVO op het moment dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan en wanneer alle bondgenoten daarmee instemmen.
Nogmaals, indien Oekraïne lid zou (kunnen) worden van de NAVO terwijl het nog in oorlog is met Rusland, betekent dit – volgens artikel 5, van het Noord-Atlantisch Verdrag – dat de NAVO en dus ook Nederland automatisch in oorlog met Rusland geraken? Ja of nee?
Dat hoeft niet automatisch het geval te zijn. Artikel 5 stelt dat een aanval op één NAVO-bondgenoot zal worden beschouwd als een aanval op allen. Het is vervolgens aan NAVO-bondgenoten om aan de hand van de dan geldende context met elkaar te besluiten welke gevolgen zij daaraan wensen te verbinden.
Is het juridisch verdragsrechtelijk gezien correct dat Oekraïne, zodra het lid wordt van de NAVO én nog in oorlog met Rusland verkeert, een beroep kan doen op artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag? Ja of nee?
Ja. Als Oekraïne zonder voorbehoud toetreedt tot de NAVO, zullen alle artikelen van het Noord-Atlantisch Verdrag op Oekraïne van toepassing zijn.
Kan het kabinet deze vragen afzonderlijk (dat betekent dus dat vragen apart worden beantwoord en niet worden samengevoegd) en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk en afzonderlijk beantwoord.
De reeks (Islamitische) aanvallen op Koptische Christenen in Egypte |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Coptic Christians are attacked in two villages in Egypt»1 en «Migrantenkerken worden grotendeels in de steek gelaten»2? Hoe beoordeelt u de stelling in laatstgenoemd artikel (Joop-BNNVARA), namelijk dat er vanuit het Westen zeer weinig aandacht is voor het dagelijks leed dat christenen wordt aangedaan in het Midden-Oosten?
Ja, daar heb ik kennis van genomen. Nederland zet zich wereldwijd in voor de bescherming en bevordering van mensenrechten. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Nederland is begaan met en heeft aandacht voor het lot van christenen wereldwijd, ook in het Midden-Oosten.
Deelt u de mening dat de ontwikkelingen in Al Minya duidelijk een voorbeeld van christenvervolging zijn, gezien het feit dat dit geweld tegen christenen gericht is en oplaait na een bouwvergunning die voor een kerk verleend is?
Ik deel de zorgen over de recente incidenten tegen de koptische christelijke gemeenschap in Al Minya. Het is zeer te betreuren dat intimidatie en discriminatie jegens deze minderheid voorkomt in Egypte, met name in de armere en meer rurale gebieden. Elke Egyptische burger zou vrij moeten zijn om elke religie of geloofsovertuiging van zijn keuze te beoefenen zonder angst voor bedreigingen of fysiek geweld. Tegelijkertijd heeft de Egyptische overheid sinds het aantreden van president El-Sisi positieve stappen gezet om interreligieuze co-existentie te bevorderen. Het aantal gerapporteerde aanvallen door extremisten en antichristelijke groeperingen is de afgelopen 10 jaar afgenomen. Daarnaast zijn er ook andere verbeteringen merkbaar. Zo is scholen opgedragen geen examens te houden tijdens de koptische kerstperiode. President El-Sisi heeft tevens de grootste kerk van het Midden-Oosten ingewijd in de nieuwe administratieve hoofdstad van het land. Ook bezoekt hij jaarlijks het koptisch kerstfeest en spreekt hij regelmatig in het openbaar over eenheid tussen moslims en christenen.
Deelt u de zorgen over christenvervolging in Egypte?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u informatie of de betrokken moslimextremisten deel uitmaken van een groep of terreurgroep? Zo ja, welke is dit? Of handelden zij zonder verband?
Ik beschik niet over eigenstandige informatie over de vermeende daders, en kan daar dan ook geen oordeel over geven.
Deelt u de mening dat genoemd geweld en agressie ook intimidatie en zorgen oplevert voor de koptische gemeenschap in heel Egypte en daarbuiten, waaronder in Nederland?
Het is goed voor te stellen dat het betreffende voorval in Egypte zorgen creëert voor de gehele koptische gemeenschap. Ik beschik niet over eigenstandige informatie die erop zou wijzen dat de incidenten in Egypte aanzetten tot verdere intimidatie van de koptische gemeenschap in de rest van Egypte of daarbuiten, waaronder in Nederland.
Heeft u of heeft de Nederlandse ambassade in Egypte iets ondernomen na deze aanvallen? Zo niet, wat kan er alsnog gedaan worden?
De Nederlandse ambassade heeft via de media kennis genomen van deze aanvallen en via haar contacten navraag gedaan over de situatie bij Ngo’s en de Egyptische autoriteiten. Over het algemeen is het lastig om gedetailleerde informatie over sektarisch geweld in Egypte te verkrijgen en deze te verifiëren. De Nederlandse ambassade blijft de situatie monitoren.
Wat is de reactie van de Egyptische regering geweest op dit geweld? Vindt u dat er door de Egyptische overheid genoeg gedaan wordt voor de bescherming van deze minderheid?
Diverse bronnen geven aan dat de Egyptische veiligheidstroepen naar aanleiding van de incidenten ter plaatse zijn gekomen, verschillende verdachten hebben gearresteerd, en de situatie weer onder controle hebben gekregen. Op «X» schreef Bisschop Makarios van de koptische kerk in Minya dat de Egyptische staat de slachtoffers zal compenseren en de daders verantwoordelijk zal houden.
Nederland verwelkomt de reactie van de Egyptische autoriteiten om het geweld een halt toe te roepen. Dergelijke gebeurtenissen zijn zorgwekkend en het is van belang dat de Egyptische overheid deze vormen van geweld voorkomt.
Hoe vormt geloofsvrijheid en christenvervolging een deel van de diplomatieke inzet van het kabinet in gesprek met de Egyptische counterparts?
Zoals genoemd is vrijheid van religie en levensovertuiging een van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Dit onderwerp wordt door het kabinet op verschillende niveaus en in gesprekken met de Egyptische autoriteiten besproken, waaronder door de Speciaal Gezant Religie en Levensovertuiging. In deze dialoog is ruimte om de zorgen over de mensenrechtensituatie in Egypte, waaronder de situatie van christelijke minderheden in Egypte, over te brengen.
Recent zijn er meer contacten geweest tussen ons kabinet en verschillende regeringen in het Midden-Oosten om de crisis rond Israël en Gaza te bespreken, neemt het kabinet daarbij nog andere onderwerpen mee in het diplomatieke gesprek, zoals bijvoorbeeld de vervolging van christenen of andere religieuze minderheden? Zo ja, wat levert dit op?
Vrijheid van religie en levensovertuiging wordt regelmatig besproken tijdens diplomatieke ontmoetingen met diverse landen, waaronder landen in het Midden-Oosten. Voor wat betreft het conflict tussen Israël en Hamas heb ik specifiek aandacht gevraagd voor het belang van religieuze tolerantie en interreligieuze dialoog tijdens mijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden op 6 maart jl.
Heeft de Nederlandse gezant voor religie en levensbeschouwing Egypte bezocht of al contact gehad met de Egyptische overheid? Welke inzet pleegt deze gezant met het oog op Egypte en het bevorderen van geloofsvrijheid?
Naar aanleiding van aanvallen op koptische christenen en de recente Koranverscheuringen in Nederland heeft de Speciaal Gezant Religie en Levensovertuiging onlangs uitgebreid gesproken met de Egyptische ambassadeur in Nederland. Hierbij heeft zij het belang van bescherming van christelijke minderheden in Egypte benadrukt. Volgens de Egyptische autoriteiten vinden deze misstanden voornamelijk plaats in afgelegen delen van het land, waar de bescherming van minderheden niet altijd effectief gewaarborgd kan worden. De Speciaal Gezant Religie en Levensovertuiging blijft in gesprek met relevante partners over de situatie voor religieuze minderheden wereldwijd, waaronder in Egypte.
Welke inzet pleegt de Europese Unie (EU)-gezant met het oog op Egypte en het bevorderen van geloofsvrijheid aldaar? Acht u deze inzet voldoende? Welke aanvullende inzet kan op EU-niveau worden bepleit?
De EU-gezant heeft de afgelopen periode in Brussel gesprekken gevoerd met de Egyptische ambassadeur aldaar over de situatie voor religieuze minderheden in Egypte. De EU Speciaal Gezant voor Mensenrechten spreekt op regelmatige basis met de Egyptische overheid. Meest recent bracht hij in 2022 een bezoek aan Egypte waar onder meer het belang van geloofsvrijheid en de rechten van religieuze minderheden aan de orde kwam. Nederland blijft de EU-inzet, inclusief die van de gezant, op dit gebied volgen en steunen.
Wat kan er in Egypte aan straffeloosheid gedaan worden, en is het kabinet bereid voor vervolging van daders van christenvervolging te pleiten in Egypte?
Binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid is, naast de vrijheid van religie en levensovertuiging, het bevorderen van de internationale rechtsorde en de strijd tegen straffeloosheid een prioriteit. Het kabinet zet zich in Egypte in voor een eerlijk rechtsproces en onder meer rechtszaken van politieke gevangenen worden nauwgezet gevolgd door de Nederlandse ambassade in Cairo.
Hoe beoordeelt het kabinet de vooruitgang van het voornemen van de regering Sisi om sektarisch extremisme tegen te gaan en gelijk burgerschap te bevorderen?
De Egyptische autoriteiten hebben in de afgelopen jaren op succesvolle wijze stappen gezet om sektarisch extremisme te bestrijden en gelijkheid van burgerschap te bevorderen. President El-Sisi heeft zich sinds zijn aantreden hard opgesteld tegen gewapende extremistische groeperingen, waaronder groeperingen die het gemunt hebben op christelijke gemeenschappen. Zoals reeds beschreven is het aantal geweldsincidenten jegens koptische christenen daardoor sterk afgenomen en heeft er sinds 2018 geen grootschalige terreuraanslag tegen christenen plaatsgevonden. Desalniettemin is er sprake van discriminatie jegens niet-moslims, waaronder christenen. Hoewel de Egyptische Grondwet onder artikel 46 stelt dat vrijheid van geloof absoluut is, kunnen niet-moslims problemen ondervinden bij het vinden van werk, huisvesting, de bouw van gebedshuizen, en gezondheidszorg. Ook is er soms sprake van fysiek geweld. Dit is zorgwekkend en heeft de aandacht van het kabinet. We gaan hierover op regelmatige basis op verschillende niveaus, in zowel Den Haag als in Egypte, met de Egyptische autoriteiten in gesprek.
Welke mogelijkheden ziet u om de Kamer actiever te rapporteren over de vervolging van religieuze minderheden in het Midden-Oosten en de inzet van Nederland en de EU daarbij?
In de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage (per 2024 Mensenrechten, Democratie en Internationale Rechtsorderapportage, zie Kamerstuk 2024D18067) wordt gerapporteerd over de Nederlandse inzet op de prioritaire mensenrechten thema’s. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een mensenrechtenprioriteit en zal ook komend jaar worden behandeld in deze rapportage. Waar relevant wordt in deze rapportage ingezoomd op specifieke landen of werelddelen, waaronder het Midden-Oosten.
Heenzenden jeugdige criminelen na mishandelen conducteur. |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de publicaties in de media waaruit blijkt dat een 13- en een 14-jarige een conducteur hebben mishandeld in Purmerend en dat beiden na hun aanhouding weer op vrije voeten zijn gesteld?1
Daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven of deze jongeren eerder met de politie in aanraking zijn geweest? Zo ja, voor welke feiten en heeft dit geleid tot een vervolging door het Openbaar Ministerie?
Ik kan, lopende het onderzoek, geen uitspraken doen over een strafzaak. Dit heeft te maken met het opsporingsbelang. Over de justitiële documentatie van de verdachten kan ik eveneens geen uitspraken doen.
Kunt u aangeven of deze jongeren (eerder) zijn veroordeeld en zo ja wat was de straf die zij opgelegd hebben gekregen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke instanties zijn betrokken bij de «begeleiding» van deze zeer jeugdigen en waaruit bestaat die begeleiding?
Als een van deze jeugdigen eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit zou er sprake kunnen zijn (geweest) van begeleiding door de jeugdreclassering. De informatie hierover is opgenomen in het justitiële documentatieregister.
In verband met de privacy van de betrokken jongeren kan ik de informatie uit dit dossier niet met uw Kamer delen. Ik kan dus verder geen antwoord geven op deze vraag.
Indien blijkt dat beide jeugdigen eerder misdrijven hebben gepleegd, welke maatregelen worden dan opgelegd tegen de ouders of worden die ouders (tijdelijk) uit de ouderlijke macht ontheven? Indien geen maatregelen tegen de ouders zijn of worden ondernomen, om welke reden dan niet?
Het nemen van maatregelen tegen ouders kan alleen als er sprake is van een strafrechtelijke verdenking tegen ouders dan wel als er sprake is van een bedreiging in de ontwikkeling van een jongere. Als er naast het plegen van strafbare feiten door jeugdigen ook sprake is van verdenking tegen ouders op grond van profijt van het delinquente gedrag van de jeugdige, kan de ouder strafrechtelijk vervolgd worden.
Ontheffing uit de ouderlijke macht, het beëindigen van het ouderlijk gezag, is een uiterste maatregel die alleen in het kader van jeugdbescherming kan worden ingezet.
Alleen als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet instaat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn, kan het gezag van ouders, op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of het OM, door de kinderrechter worden beëindigd.
Ouders worden altijd betrokken als hun minderjarige kind met justitie in aanraking komt.
Zo geldt allereerst sinds 2011 standaard een verschijningsplicht voor ouders bij een strafzaak tegen hun minderjarige kind. Dat geeft de officier van justitie en de rechters de mogelijkheid ouders over hun kind te bevragen en hen bij het strafproces en de sanctionering te betrekken.
Daarnaast kan de rechter als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling van een minderjarige een vorm van jeugdhulp opleggen die gericht is op het functioneren van het gezinssysteem, waarbij de ouders actief betrokken worden.
Voorbeelden daarvan zijn MST (Multi Systeem Therapie) en MDFT (Multi Dimensionele Familie Therapie). De jeugdreclassering heeft de regie op de uitvoering hiervan, in het kader van Toezicht en Begeleiding.
Als sprake is van een structureel niet-meewerkende ouder en het kind ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd wordt, dan kan de Raad voor de Kinderbescherming worden verzocht om een beschermingsonderzoek in te stellen. Op grond daarvan kan de Raad voor de Kinderbescherming een verzoek doen voor een ondertoezichtstelling (OTS) bij de rechter. Als de rechter een OTS uitspreekt wordt een gezinsvoogd aangesteld die ouders aanwijzingen kan geven.
Het verzoek door China voor een internationaal door de Verenigde Naties geleid onderzoek naar de aanslag op de Nord Stream pijpleidingen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Ondersteunt het Nederlandse kabinet het verzoek gedaan op vrijdag 26 april 2024 door China voor een internationaal door de Verenigde Naties geleid onderzoek naar de aanslag op de Nord Stream pijpleidingen?1
Nee. Er wordt door de Duitse autoriteiten reeds onderzoek gedaan naar de explosies bij de Nord Stream pijpleiding.
Zo nee, waarom niet? Zeker nu zowel Denemarken als Zweden hun onderzoeken, zonder duidelijke conclusies te hebben getrokken en zonder bewijs te hebben geleverd wie verantwoordelijk is voor deze aanslag, hebben gestaakt?
Er wordt door de Duitse autoriteiten onderzoek gedaan naar de toedracht van de explosies bij de Nordstream pijpleidingen. De Deense en Zweedse autoriteiten hebben relevant bewijsmateriaal overgedragen aan het Duitse onderzoek. Daarmee vindt er betrouwbaar en deskundig onderzoek plaats.
Is het aanvaardbaar voor het Nederlandse kabinet dat onduidelijk blijft wie verantwoordelijk is voor het opblazen van deze (deels Nederlandse) pijpleidingen? Of moet de onderste steen boven komen?
Er wordt door de Duitse autoriteiten onderzoek gedaan naar de toedracht van de explosies bij de Nordstream pijpleidingen. Het is niet aan het kabinet om te speculeren over de uitkomsten van dit onderzoek.
Onvoldoende toezicht door reclassering op personen die als opgelegde maatregel een enkelband dragen. |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de publicatie in de Telegraaf van 4 mei 2024 waaruit blijkt dat onder andere de reclassering geen tot onvoldoende toezicht houdt bij jeugdige criminelen die als maatregel een enkelband moeten dragen?
Ja.
Kunt u aangeven wat het nut van genoemde maatregel is als er geen toezicht wordt gehouden en blijkens dezelfde publicatie jeugdige criminelen met enkelband zich gewoon schuldig blijven maken aan het plegen van misdrijven?
In het jeugdstrafrecht is de enkelband (elektronische monitoring) een voorwaarde die door de rechter kan worden opgelegd bij een schorsing van de voorlopige hechtenis. Dit gebeurt altijd in combinatie met de voorwaarde van jeugdreclasseringbegeleiding (toezicht en begeleiding). Elektronische monitoring is een middel dat ingezet kan worden voor monitoring van een opgelegd locatiegebod of -verbod. Het is geen middel dat recidive kan voorkomen, omdat er na de melding van overtreding pas een reactie kan volgen. Daarnaast kan iemand ook buiten het gebied waar het verbod voor geldt een strafbaar feit plegen.
Wat betreft het toezicht bij elektronische monitoring zijn de volgende afspraken gemaakt. De meldingen over de enkelband worden 24/7 uitgelezen door Reclassering Nederland (RN), die belast is met de technische monitoring.1 Tijdens kantoortijden wordt een melding van overtreding door RN doorgegeven aan de werker van jeugdreclassering, die deze vervolgens oppakt.
Buiten kantoortijden en in het weekend gaat de melding van de RN naar de 24-uursbereikbarheidsdienst van de gecertificeerde instelling. Als het een melding is die betrekking heeft op sabotage, een uitgeschakelde batterij of overtreding van een locatieverbod bij een aanwijsbaar slachtoffer wordt de benodigde actie ondernomen, op grond van afspraken in het dossier. De overige meldingen worden de volgende werkdag opgepakt door de jeugdreclasseerder.
Na een melding bepaalt de jeugdreclassering in overleg met de Raad voor de Kinderbescherming en het Openbaar Ministerie of de jongere terug gemeld moet worden bij de rechter zodat deze een beslissing kan nemen om de jongere weer vast te zetten.
Wat gaat u aan deze ernstige vorm van ondermijning c.q. straferosie doen?
Er is hier geen sprake van ondermijning of straferosie. Zoals aangegeven bij antwoord 2 is er altijd sprake van toezicht als het gaat om jeugdige met een enkelband, waarbij na overtreding van de opgelegde voorwaarde een reactie volgt vanuit de jeugdreclassering en een afweging wordt gemaakt over een terugmelding of een andere passende actie. Het is vervolgens aan de rechter of de terugmelding leidt tot aanpassing van de bijzondere voorwaarden of dat de jongere (terug)geplaatst wordt in een justitiële jeugdinrichting.
Kunt u garanderen dat op personen/verdachten, die door de rechter de maatregel een enkelband te dragen opgelegd hebben gekregen, voldoende toezicht wordt gehouden zodat zij zeker in die periode geen strafbare feiten kunnen plegen?
Zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vragen 2 en 3 is er geen sprake van onvoldoende toezicht bij jongeren met een enkelband, maar is het geen middel dat recidive kan voorkomen.
Hoe kunt u het gevraagde onder 4. garanderen?
Zie antwoord op vraag 4.
Welke maatregelen worden genomen tegen de reclassering die kennelijk niet opgewassen is tegen haar taak?
Voor zover de jeugdreclassering moeite heeft haar taak goed uit te voeren, ligt dit niet aan de inzet van de jeugdreclassering, maar is dit vooral het gevolg van te weinig tijd en onvoldoende capaciteit. Dat lees ik ook in de publicatie van de Telegraaf en dat vind ik zorgelijk.
Het is bekend dat bij de jeugdreclassering, net als in de hele jeugdzorgsector, sprake van een hoge werkdruk en personele tekorten, waardoor toezicht en begeleiding helaas niet altijd met de benodigde tijd uitgevoerd kan worden.
Binnen ons decentrale stelsel is de organisatie en financiering van de jeugdreclassering bij de gemeenten belegd. Op grond van de Jeugdwet zijn zij verantwoordelijk voor de inkoop van jeugdreclassering. Ik heb dan ook geen directe sturingsmogelijkheden.
Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen wil ik graag mee zorgdragen voor een goede uitvoering van de jeugdreclassering. Daarom worden vanuit het programma Preventie met Gezag 27 gemeenten gefinancierd die de intensieve jeugdreclasseringsaanpak, genaamd Straatkracht, inzetten waarbinnen de jeugdreclassering meer tijd heeft. Deze aanpak is speciaal voor de zwaardere doelgroep. Daarnaast zullen dit jaar gesprekken met VNG en VWS plaatsvinden over de herijking van de kostprijs voor jeugdreclassering. Uiteindelijk moet de financiering wel geborgd worden binnen de budgetten van de gemeenten.
Uiteraard zal ik in de gesprekken die ik voer met VWS en VNG onverminderd de aandacht vragen voor een kwalitatief goede uitvoering van jeugdreclassering.
Het rapport Optimising Dutch Air and Space Power Policy Recommendations" van het Royal United Services Institute (RUSI) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt het kabinet de aanbevelingen in het rapport «Optimising Dutch Air and Space Power Policy Recommendations» van het Royal United Services Institute (RUSI) met betrekking tot het optimaliseren van de Nederlandse slagkracht in het lucht- en ruimtedomein?
Het RUSI rapport biedt een aantal adviezen om de Nederlandse slagkracht in het lucht- en ruimtedomein te optimaliseren. Een belangrijk aspect hierbij is het investeren in voldoende voortzettingsvermogen. Het kabinet onderschrijft dit, aangezien de voorraden en de ondersteuning nog onvoldoende op orde zijn. Ook onderschrijft het kabinet de observatie dat een robuuste SEAD/DEAD capaciteit noodzakelijk is om A2/AD uit te kunnen schakelen. Het beschikken over een dergelijke capaciteit draagt bij aan een geloofwaardige afschrikking en vergroot het vermogen om de eigen vrijheid van handelen zeker te stellen in een hoge dreigingsomgeving. Omdat de F-35 voor deze taak zeer geschikt is heeft het kabinet met de Defensienota 2022 de SEAD/DEAD capaciteit versterkt.
Meer algemeen maakt het RUSI rapport wat betreft het kabinet duidelijk dat een verdere groei naar ten minste 2% noodzakelijk is om toegerust te zijn op een mogelijk conflict. De verslechterde mondiale veiligheidssituatie maakt het noodzaak dat we doorgaan met het versterken van de krijgsmacht. Daarbij hebben 30 jaar bezuinigingen diepe sporen getrokken binnen de gehele Nederlandse defensie en dus ook in de luchtmacht. Financiële invulling hiervan is aan een volgend kabinet.
Welke stappen heeft het kabinet ondernomen of plant het te ondernemen naar aanleiding van de aanbevelingen in het rapport betreffende de operationele gereedheid van de F-35 squadrons?
Het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK) heeft na het behalen van de Initial Operational Capable (IOC) status met de F-35 in december 2021 en de inval van Rusland in Oekraïne in februari 2022 de focus gezet op het verbeteren van de inzetgereedheid van de F-35 squadrons. Gezien de afgelopen jaren van bezuinigingen, operationele inzet en daarmee beperkte capaciteit, betreft dit geen gemakkelijke opgave. CLSK nadert het einde van de transitie van de F-16 naar de F-35, voorzien in de tweede helft van dit jaar. Een deel van het personeel wordt nog omgeschoold van de F-16 naar de F-35 waarvan de effecten in de loop van komende jaren worden verwacht. Verder heeft CLSK structureel nauw overleg met het F-35 programma en de Amerikaanse overheid om de beschikbaarheid van materiaal, ondersteunende apparatuur en wapens te vergroten en sneller beschikbaar te krijgen. Ook wordt onderzocht hoe met industriële partners de doorlooptijden van onderhoud kunnen worden verkleind. De Kamer is hierover geïnformeerd met twee Kamerbrieven, Vierentwintigste voortgangsrapportage project Verwerving F-35 en Behoeftestelling vervanging F-16 (Kamerstuk 26 488, nr 476 en Kamerstuk 26 488, nr 473).
Het huidige conflict in Oekraïne onderstreept het belang van voldoende voortzettingsvermogen om het gevecht te kunnen blijven voeren. Hier zijn o.a. grote (munitie)voorraden voor noodzakelijk. Aangaande personele capaciteit onderneemt Defensie stappen om de werving, instroom, opleidingscapaciteit en behoud van F-35 personeel te vergroten. Het rapport onderschrijft o.a. de professionaliteit en kwaliteit van de vliegers binnen Defensie. Zij leveren een belangrijke bijdrage in de fase van transitie en inzet.
Is het kabinet het eens met de stelling in het rapport dat de huidige geluidsnormen een beperkende factor vormen voor het maximale gebruik van luchtmachtbases? Zo ja, welke acties worden overwogen?
Rond de militaire en ook civiele vliegvelden gelden in normale omstandigheden wettelijke geluidscontouren. Deze geluidscontouren worden vastgelegd in het luchthavenbesluit dat van kracht is voor het betreffende vliegveld, zodat het toegestane geluid dat de vliegtuigen mogen maken bij het landen en starten kan worden gereguleerd. Binnen de wettelijke mogelijkheden wordt op de meeste plekken maximaal gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte. Door de verslechterde veiligheidssituatie moet rekening worden gehouden met intensivering van vliegactiviteiten met jachtvliegtuigen in Nederland om gereedheid, inzetbaarheid en paraatheid te vergroten om Nederland veilig te houden. De ontstane grotere behoefte aan ruimte voor het oefenen en trainen met jachtvliegtuigen is opgenomen in het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie. Hierover neemt het kabinet naar verwachting eind 2024 of begin 2025 een besluit.
Kan het kabinet een tijdslijn schetsen voor eventuele aanpassingen in wet- en regelgeving omtrent geluidsnormen voor militair luchtverkeer?
In de jaarlijkse rapportage Stand van Defensie wordt Uw Kamer geïnformeerd over de lopende aanpassingen en de voortgang van de luchthavenbesluiten van Defensie. Na het kabinetsbesluit over het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie wordt inzichtelijk gemaakt of en zo ja, welke aanpassingen in de luchthavenbesluiten nodig zijn.
Kan het kabinet uiteenzetten welke specifieke maatregelen worden overwogen om de SEAD/DEAD-capaciteiten van de Nederlandse Luchtmacht te verbeteren? Bent u het eens met het gestelde in het rapport dat Nederland hier een onderscheidende capaciteit kan leveren?
Nederland beschikt reeds over F-35A jachtvliegtuigen, die door hun stealth-capaciteiten en geavanceerde sensoren zeer geschikt zijn voor het uitvoeren van SEAD/DEAD missies. Het uitvoeren van SEAD/DEAD missies levert een cruciale bijdrage aan het creëren van luchtoverwicht. Hierdoor wordt meer bewegingsvrijheid gecreëerd voor eigen eenheden in het land-, maritieme, en luchtdomein. Daarbij is het verkrijgen van meer SEAD/DEAD capaciteit ook een van de prioriteiten van Allied Air Command (AIRCOM).
In Europa is gezien de dreiging aan de oostflank een groot tekort aan SEAD/DEAD capaciteit, een zogenaamde capability shortfall area binnen zowel de NAVO als EU. Voor deze capaciteit is Nederland sterk afhankelijk van de Verenigde Staten. Met de Defensienota 2022 (bijlage bij Kamerstuk 36 124, nr. 1) heeft het Kabinet reeds een aantal specifieke maatregelen genomen om de SEAD/DEAD capaciteit van de Luchtmacht te verbeteren. Het Kabinet breidt het aantal F-35 jachtvliegtuigen verder uit (het vervolledigen van het derde squadron) en verbetert de bewapening voor de F-35 door te investeren in zogenoemde Anti-Access/Area-Denial (A2/AD)-bewapening (Kamerstuk 27 830, nr. 402) die specifiek bedoeld is voor het aangrijpen van vijandelijke grondgebonden luchtverdediging. Hiermee wordt invulling gegeven aan NAVO capaciteitsdoelstellingen. Daarnaast investeert Defensie in Deep Precision Strike (DPS) capaciteit in Air en Maritiem (Kamerstuk 27 830, nr. 391). DPS is één van de Capability Gaps van de NAVO. Hiermee wordt eveneens een bijdrage geleverd aan de SEAD/DEAD missie. De Nederlandse investeringen zijn derhalve onderscheidend en dragen bij aan een veiliger Europa en krachtigere NAVO en EU.
Deelt u de aanname in het rapport dat Nederland een van de weinige Europese landen is die een SEAD/DEAD-capaciteit kan ontwikkelen op korte termijn, mogelijk samen met Noorwegen?
Het rapport onderschrijft de aanwezigheid van kwalitatief hoogwaardig personeel en materieel, met echter beperkt aanwezig voortzettingsvermogen. Dit gebrek aan voortzettingsvermogen is exemplarisch voor de gehele krijgsmacht. Nederland is één van de eerste landen met operationele F-35 capaciteit. De SEAD/DEAD capaciteit is één van de zes missietypen van de F-35 waarop het aankoop besluit is gebaseerd. Defensie heeft in de transitie van de F-16 naar de F-35 deze missie voor ogen gehad bij alle investeringen in de jachtvliegtuigcapaciteit. Met de Defensienota 2022 zijn verdere stappen gezet in de uitbreiding van jachtvliegtuigcapaciteit. Defensie bespreekt met F-35 partners als Noorwegen en de VS hoe samen de effectiviteit kan worden vergroot om de schaarse SEAD/DEAD capaciteit te versterken.
Zou een dergelijke onderscheidende capaciteit de positie van Nederland versterken op het gebied van militaire besluitvorming samen met Europese partnerlanden?
Ja, een onderscheidende capaciteit versterkt de positie van een land op het politiek-militair strategisch niveau. Belangrijk om te vermelden is dat bij zowel bij de NAVO als bij de EU besluiten over defensie-aangelegenheden per consensus gaan. Dat betekent dus dat, ongeacht capaciteiten, alle bondgenoten (NAVO) resp. lidstaten (EU) dezelfde status hebben in besluitvorming. Dat gezegd hebbend, zal verdere uitbreiding van een dergelijke capaciteit van waarde zijn indien Nederland besluit hierin te investeren. Dat zal bijdragen aan het terugdringen van het tekort binnen de NAVO en EU en bovendien bijdragen aan het vergroten van het handelingsvermogen van de Europese bondgenoten.
Zijn er plannen om de trainingsprogramma's voor F-35-piloten te herzien in reactie op de aanbevelingen uit het rapport?
Het F-35 trainingsprogramma wordt tweejaarlijks herzien aan de hand van de nieuwste taakopdracht en het dreigingsbeeld. Sinds de invasie van Oekraïne is het training- en oefenprogramma verder gericht op het verbeteren en uitbreiden van de SEAD/DEAD-capaciteit. Ook wordt verder geïnvesteerd in een intensievere samenwerking met andere partners in NAVO.
Welke financiële implicaties verwacht het kabinet als de aanbevelingen in dit rapport opgevolgd zouden worden?
Om alle aanbevelingen in dit rapport uit te voeren wordt ingeschat dat aanvullend een bedrag tussen de 600 en 1200 miljoen euro structureel benodigd zou zijn. Daarbij is reeds rekening gehouden met het meer focus aanbrengen binnen het takenpakket van de Luchtmacht. Een eventueel besluit tot aanvullende investeringen, is aan een nieuw Kabinet.
De toegenomen onveiligheid op de treindienst Zwolle-Emmen |
|
Caspar Veldkamp (NSC), Eddy van Hijum (CDA), Olger van Dijk (NSC) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Explosieve stijging aantal incidenten in trein Zwolle-Emmen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat het aantal incidenten met zwartrijden en het aantal gevallen van mishandeling en bedreiging van treinpersoneel in het eerste kwartaal van dit jaar fors is gestegen ten opzichte van de, toen al zorgwekkende, situatie in 2023?
Ik herken slechts gedeeltelijk het beeld dat het aantal incidenten op de Vechtdallijn is toegenomen. In het nieuwsartikel wordt het eerste kwartaal van 2024 vergeleken met het eerste kwartaal van 2023. De stijging van het aantal geregistreerde incidenten ten opzichte van het eerste kwartaal van 2023 komt door de inzet van het service- en veiligheidsteam op de Vechtdallijn. Zij zijn sinds het tweede kwartaal van 2023 volledig operationeel. Dit team reist in koppels mee met alle treinen die rijden tussen Zwolle en Emmen, waardoor bijna alle reizigers op deze route gecontroleerd worden. Hierdoor worden zwartrijders veel vaker geregistreerd dan vóór april 2023.
De stijging is met name te zien in de zogenaamde B-incidenten, waarbij het gaat om reizigers die geen vervoersbewijs bij zich hebben en waarvoor de politie ter plaatse moet komen. Wanneer iemand niet over een vervoersbewijs beschikt en ook geen geldig identiteitsbewijs bij zich heeft, moet de politie ter plaatse komen om een identiteitscontrole uit te voeren.
Kunt u aangeven welke maatregelen u in de afgelopen jaren samen met de provincie als concessieverlener met het vervoersbedrijf Arriva heeft getroffen om de overlast en agressie tegen te gaan? Welke menskracht en financiële middelen heeft u ter beschikking gesteld om deze aanpak te ondersteunen?
Vanwege de structurele sociale veiligheidsproblemen zijn in de afgelopen jaren, samen met Arriva en de provincies Drenthe en Overijssel, verschillende maatregelen genomen om incidenten te voorkomen en het veiligheidsgevoel van reizigers en personeel te waarborgen. In 2021 is geëxperimenteerd met het werken in koppels van stewards, waarbij de minimumeis van één persoon per trein tijdelijk werd losgelaten. Met ingang van 2022 is teruggekeerd naar één steward per trein, en is extra personeel ingezet om perroncontroles uit te voeren op stations in Zwolle en Emmen.
Deze maatregelen hebben het veiligheidsgevoel van personeel en reizigers vergroot, maar hebben vooralsnog niet geleid tot een vermindering van incidenten. Om het veiligheidsgevoel verder te verbeteren heeft Arriva ervoor gekozen om weer over te gaan op de inzet van twee stewards per trein, waardoor in principe elke reiziger op de Vechtdallijn wordt gecontroleerd. De inzet van deze medewerkers wordt gezamenlijk gefinancierd door de concessieverleners provincies Drenthe en Overijssel en het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Daarnaast werken het Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, COA en openbaar vervoerders aan diverse aanvullende maatregelen die op landelijk niveau de sociale veiligheid in het openbaar vervoer moeten verbeteren. Deze omvatten het verbeteren van de informatievoorziening aan asielzoekers over het gebruik van het openbaar vervoer, de invoering van een nieuw betaalmiddel bij het COA en de verbetering van de gegevensdeling tussen het openbaar vervoer en de migratieketen.
Deelt u de conclusie van de Vakbond voor Rijdend Personeel, waaronder Machinisten, Conducteurs, Medewerkerkers Tickets & Service en Veiligheid & Service (VVMC) dat de aanpak niet het gewenste resultaat oplevert, mede omdat er geen controles meer plaatsvinden op de stations?
Ik deel het beeld dat door de VVMC wordt geschetst niet. Hoewel de maatregelen in 2021 en 2022 niet hebben geleid tot een vermindering van het aantal incidenten, hebben ze wel het veiligheidsgevoel van het personeel en de reiziger vergroot. Arriva zet twee stewards per trein in. Hierdoor wordt in principe elke reiziger op de Vechtdallijn gecontroleerd, wat een positief effect heeft op het veiligheidsgevoel van reizigers en medewerkers.
Deelt u de conclusie van de provincie Overijssel dat de «vliegende brigades» die het treinpersoneel ondersteunen wel succesvol zijn? Is voor deze aanpak voldoende capaciteit beschikbaar in verhouding tot de ernst van het probleem?
Zowel de vervoerder, de provincies als het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn tevreden met de huidige aanpak en de beschikbare capaciteit. De inzet van de «vliegende brigades» heeft bijgedragen aan een verhoogd veiligheidsgevoel bij zowel personeel als reizigers. Op dit moment zie ik geen reden om de huidige aanpak te intensiveren, maar ik blijf de ontwikkelingen samen met de provincies Drenthe en Overijssel volgen.
Bent u bereid met Arriva in gesprek te gaan over cameratoezicht in treinen op de Vechtdallijn Zwolle-Emmen vanwege de grote overlast, naast de bodycams voor het treinpersoneel?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zal het gebruik van camera’s nogmaals met Arriva bespreken. Arriva geeft in de tussentijd aan dat elke trein op de Vechtdallijn reeds beschikt over camera’s. Daarnaast dragen alle medewerkers van Service & Veiligheid en stewards met boa-bevoegdheid een bodycam.
Hoeveel aanhoudingen zijn er in het afgelopen jaar (2023) en in het eerste kwartaal van 2024 verricht, welke sancties zijn er vervolgens opgelegd, en voor welke overtredingen en/of misdrijven?
Vervoerders registreren hun incidenten volgens de ABC-methodiek. De aangiftewaardige incidenten vallen in categorie A en vallen onder het strafrecht. B-incidenten zijn overtredingen van de Wet Personenvervoer 2000 en C-incidenten zijn overtredingen van het Besluit personenvervoer en de huisregels van vervoerders.
Arriva meldt dat er in het eerste kwartaal van 2024 twaalf A-incidenten zijn geregistreerd, vergeleken met gemiddeld elf per kwartaal in 2023. Het aantal B-incidenten betrof in het eerste kwartaal van 2024 330, tegenover gemiddeld 198 incidenten per kwartaal in 2023. Het aantal C-incidenten was zes in het eerste kwartaal van 2024 en is daarmee lager dan het gemiddelde van tien per kwartaal in 2023.
De meeste B-incidenten zijn B3-incidenten, waarbij reizigers zonder geldig vervoersbewijs reizen. Het aantal B3-incidenten is gestegen van veertig in het eerste kwartaal van 2023 naar 303 in het eerste kwartaal van 2024. Arriva verklaart deze stijging mede door het vervangen van de perroncontroles op de Vechtdallijn door controles in elke trein op deze lijn, waardoor elke reiziger op deze lijn momenteel gecontroleerd wordt.
Bent u bereidt de mogelijkheden van een algemeen OV-verbod voor notoire zwartrijders te onderzoeken, dat geldt voor alle OV-bedrijven in Nederland?
Voor het opleggen van OV-verboden geldt de eis dat het verbod in enige vorm wordt beperkt in tijd, omvang of plaats. Hiertoe is een leidraad opgesteld door het Openbaar Ministerie (OM) in samenspraak met vervoerders en de politie waarin delicten met bijbehorende strafmaten staan beschreven. In deze leidraad voor het opleggen van reis- en verblijfsverboden heeft het OM de mogelijkheid voor een landelijk reisverbod uitgesloten vanwege de proportionaliteit, de impact op iemands mobiliteit en daaropvolgend diens deelname aan de maatschappij.2 Vervoerders onderzoeken op dit moment de mogelijkheden om sneller en/of in meer soorten situaties een tijdelijk reisverbod op te leggen binnen de ruimte die de leidraad biedt.
Klopt de suggestie dat de toename van het aantal incidenten met name wordt veroorzaakt door zogeheten «veiligelanders» uit het AZC in Ter Apel?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over de nationaliteiten van de personen die de incidenten veroorzaken. Bij het registreren van incidenten wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van nationaliteit. Het is voor vervoerders namelijk niet toegestaan om dit onderscheid te maken.
Welke mogelijkheden ziet u om strenger op te treden tegen asielzoekers die veroordeeld zijn voor overlast, bedreiging of geweld? In welke mate en bij welke veroordelingen worden veroordeelden overgeplaatst naar een handhavings- en toezichtslocatie? Welke mogelijkheden ziet u binnen het geldend recht om maatregelen zoals overplaatsing en een aangescherpte meldplicht te intensiveren?
Het COA zet in op verschillende pilots om overlast te voorkomen. Daarnaast kan het COA verschillende maatregelen opleggen aan overlastgevers, waaronder het overplaatsen naar een andere locatie voor een time-out. Asielzoekers die (ernstige) overlast, bedreiging of geweld veroorzaken, kunnen worden geplaatst op de handhavings- en toezichtslocatie in Hoogeveen. Voorts heb ik uw Kamer bij brief van 17 mei 2024 over de stand van zaken van de procesbeschikbaarheidslocatie (PBL) geïnformeerd.3
De kwestie Tent of Nations en effectieve bescherming van Palestijnen |
|
Don Ceder (CU) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat de Tweede Kamer in het verleden eerder aandacht heeft gevraagd voor deze zaak?1 Wat is de stand van zaken van de procedure?
Ja. In 2006 heeft het Israëlische Hooggerechtshof de uitspraak gedaan dat de familie Nassar herregistratie van eigendom van het land waarop Tent of Nations is gelegen kon aanvragen. De familie Nassar heeft het proces tot herregistratie doorlopen en volgens de familie en hun advocaat voldoen zij aan alle vereisten voor herregistratie. Tot de dag van vandaag heeft dit nog niet tot erkenning geleid van het eigendom door de Israëlische autoriteiten.
Kunt u aangeven wat het gemiddelde tijdsverloop is van een registratiezaak in Area C van begin van aanvraag tot definitief oordeel? Kunt u aangeven in hoeverre de zaak van de Tent of Nations hiervan afwijkt?
Hoewel Nederland niet beschikt over exacte gegevens over het gemiddelde tijdsverloop, toont de praktijk dat landregistratieprocessen langdurig zijn en kan het jaren duren voordat deze voltooid zijn. Als er bezwaren zijn tegen een dergelijk verzoek, kan het eveneens jaren duren voordat de registratiecommissie een definitieve beslissing neemt. Tegen een dergelijk besluit kan beroep worden aangetekend bij de beroepscommissie, en ook dat kan een lang lopend proces zijn. Er zijn gevallen bekend waarbij het landregistratieproces vijftien jaar in beslag nam. De familie Nassar is sinds de jaren negentig verwikkeld in juridische procedures.
Bent u bereid bij de Israëlische autoriteiten om opheldering te vragen waarom de beoordeling van de stukken zo lang duurt?
De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah vraagt, al dan niet samen met gelijkgezinde landen, regelmatig aandacht voor de situatie bij Tent of Nations. Dit heeft vooralsnog niet voor opheldering gezorgd over de langdurigheid van dit proces.
In hoeverre is het juridisch mogelijk om tijdens een procedure die nog onder de rechter ligt, onomkeerbare veranderingen te maken, zoals de aanleg van wegen en andere infrastructuur in, langs en om het gebied? Welk juridisch kader/officiële afspraken bestaan hiervoor conform de afspraken gemaakt voor Area C? Welke ontwikkeling ziet u rondom het gebied van Tent of Nations?
Rondom het gebied van Tent of Nations is een weg aangelegd. De Israëlische autoriteiten (COGAT) meldden naar aanleiding van recente Nederlandse vragen te hebben geconstateerd dat er werkzaamheden op het gebied van Tent of Nations hebben plaatsgevonden en dat deze werkzaamheden niet in opdracht van het leger of de Israëlische autoriteiten plaatsvinden. In dit geval zouden het kolonisten zijn die daar illegaal een weg aanleggen. COGAT meldt dat het aanleggen van de weg niet is toegestaan en dat zij hierop zullen handhaven. Nederland zal hierop blijven aandringen.
Kunt u vanuit zowel de ambassade in Tel Aviv, als de Nederlandse vertegenwoordiging in de Palestijnse Gebieden navraag doen over de situatie van de militair gesloten wegen rond de Tent of Nations, die de toegang tot het eigen gebied bemoeilijkt? Indien er onvoldoende aanleiding is om het gebied een «gesloten militair gebied» te benoemen, kunt u aandringen op heropening?
De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah heeft navraag gedaan over de beperkte toegang tot het gebied en aangedrongen op heropening van alle toegangswegen. Dit heeft geen bevestiging opgeleverd dat het gebied rondom Tent of Nations officieel tot militair gebied is verklaard en heeft evenmin voor heropening gezorgd. Nederland zal blijven aandringen op heropening.
Hoe is de beveiliging van Palestijnse burgers in Area C juridisch en praktisch gewaarborgd?
Volgens het bezettingsrecht is de Israëlische militaire commandant verantwoordelijk voor de veiligheid van de Palestijnse burgerbevolking.
Welke specifieke instantie is belast met de handhaving van de openbare orde en veiligheid van Palestijnen in Area C en het opnemen en opvolgen van aangiften gedaan door Palestijnen? Klopt het dat de familie van de Tent of Nations een aantal dreigende incidenten heeft meegemaakt, maar bij een hulpvraag bij de Israëlische autoriteiten geen steun van de autoriteiten kreeg? Hoe beoordeelt u dit?
Zowel het Israëlische leger als de Israëlische politie zijn verantwoordelijk voor handhaving van de openbare orde en veiligheid in Area C. Zij hebben de autoriteit en de plicht om degenen die betrokken zijn bij een overtreding aan te houden. Er zijn veelvuldig voorbeelden van het nalaten van deze verplichting. De familie Nassar zegt diverse malen fysiek bedreigd te zijn en geen steun te hebben ontvangen bij een verzoek om hulp bij de Israëlische autoriteiten. Dit is een kwalijke zaak.
Waar kunnen en moeten Palestijnen zich dan melden op het moment dat er sprake is van een strafrechtelijke inbreuk? Zijn de politiebureaus of andere locaties waar men in Area C aangifte kan doen, op plekken waar Palestijnen altijd vrij en effectief toegang toe hebben?
Palestijnen kunnen klachten indienen op Israëlische politiebureaus of via de Palestijnse politie. Beide opties zijn in de praktijk niet eenvoudig. De meeste Israëlische politiebureaus bevinden zich in nederzettingen, die Palestijnen alleen mogen betreden na goedkeuring en onder begeleiding. De wegen naar de politiebureaus bevatten veelal checkpoints en de Palestijnen worden geconfronteerd met Israëlische soldaten en kolonisten.
Palestijnen kunnen in principe ook een klacht indienen via de Palestijnse politie. Daarbij is er gerede kans dat dat de klacht niet bij de Israëlische politie terechtkomt. In de gevallen waarbij het lukt om een klacht in te dienen, wordt 93,7% van alle onderzoeksdossiers afgesloten zonder aanklacht, zo blijkt uit gegevens van de Israëlische NGO Yesh Din.
Kunt u het punt van effectieve bescherming en toegang tot hulp en het doen van aangifte door Palestijnen in Area C adresseren bij uw Israëlische collega’s en de Nederlandse vertegenwoordiging in Israël en de Palestijnse gebieden en waarborgen dat Palestijnen die zich in Area C bevinden en te maken krijgen met een strafrechtelijke inbreuk, effectieve bescherming (van de Israëlische autoriteiten of op een andere wijze) kunnen krijgen?
Nederland zet zich actief in voor de problemen van Tent of Nations. Recentelijk heeft de Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah contact gehad met COGAT en werden ook zaken als bescherming van Palestijnen, toegang tot hulp en het doen van aangifte geadresseerd.
Nederland richt zich tegelijkertijd op het onderliggende probleem en neemt in bilateraal en in EU-verband altijd duidelijk stelling tegen landonteigening en het nederzettingenbeleid in de bezette Palestijnse Gebieden. Dit zal Nederland blijven doen. Daarnaast zet Nederland zich eveneens in EU-verband in voor het tegengaan van het toenemende kolonistengeweld, onder andere door het aannemen van sancties tegen gewelddadige kolonisten. Hier gaat een belangrijke signaalwerking vanuit dat nederzettingen een obstakel vormen voor een toekomstige tweestatenoplossing, dat kolonistengeweld voor Nederland onacceptabel is en dat dit dient te worden beëindigd.
Kersenteelt |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte dat de volgende voorwaarde in de tijdelijke vrijstelling ter bescherming van de onbedekte teelt van kers tegen suzuki-fruitvlieg de volgende bepaling is opgenomen: «Dat er gedurende de twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de toepassing gewenst is geen middelen op basis van cyantraniliprole zijn toegepast op het betreffende perceel...»?
Ja, deze voorwaarde vloeit voort uit het advies van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), waarin de vraag wordt beantwoord of er sprake is van aanvaardbare risico’s bij de toepassing van het middel Exirel. Dit advies is opgenomen in het besluit tot vrijstelling1.
Bent u zich ervan bewust dat dit inhoudt dat het overgrote deel van de percelen met kersenbomen door de bovenstaande bepaling dit jaar alsnog niet behandeld mag worden met het middel Exirel?
Er zijn geef cijfers over hoeveel kersentelers er gebruik kunnen maken van de vrijstelling van het middel Exirel.
De Nederlandse Fruittelers Organisatie (NFO) is overigens al langer op de hoogte van het feit dat deze voorwaarde in het besluit tot vrijstelling van het middel Exirel zou worden opgenomen. Dit heeft de NFO er blijkbaar niet van weerhouden een aanvraag in te dienen voor een vrijstelling van het middel Exirel.
Ziet u in dat dit geen passende uitvoering is van de aangenomen motie van het lid Van der Plas c.s. over voor 3 mei 2024 vrijstellingen verlenen voor de middelen Tracer en Exirel in de kersenteelt?1
Ik laat mij bij het verlenen van een vrijstelling adviseren door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het Ctgb. Het Ctgb voert een risicobeoordeling uit om de vraag te beantwoorden of er sprake is van aanvaardbare risico’s voor mens, dier en milieu. Er is echter geen sprake van een aanvaardbaar risico als het gaat om risico’s voor het grondwater, in het oppervlaktewater levende organismen, bijen en overige niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen/insecten. Om deze risico’s weg te nemen, dienen risicobeperkende maatregelen te worden voorgeschreven bij het verlenen van de vrijstelling. Dat is gebeurd. Het Ctgb, de NVWA en ik gaan er daarbij uiteraard van uit dat de kersentelers deze voorwaarden strikt naleven, zodat het risico aanvaardbaar blijft.
Wat is de reden dat u kiest voor een totaal andere uitvoering van de motie dan waartoe door de Tweede Kamer opgeroepen is?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u gecommuniceerd dat u de motie totaal anders zou uitvoeren dan waartoe door de Kamer is opgeroepen? Zo ja, uit welke communicatie blijkt dit?
Recent heb ik uw Kamer schriftelijk geïnformeerd over de wijze waarop ik de motie uitvoer. Daarnaast heb ik uiteraard ook de NFO hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. In de brief heb ik o.a. een verduidelijking van de voorwaarden opgenomen die ik aan deze vrijstelling verbind. Verder verwijs ik uw Kamer naar het antwoord op vraag 2.
In uw reactie op de motie geeft u aan het tweede deel van de motie niet te gaan uitvoeren, ten einde de gangbare procedures te kunnen volgen; kunt u aangeven hoe ver die procedures op dit moment gevorderd zijn voor de aanvragen voor het gebruik van Tracer voor pruim en druif en Exirel voor druif, blauwe bes en pruim?
De NVWA zit in de afrondende fase van het opstellen van haar advies. Ik verwacht dat in de loop van volgende week te ontvangen. Daarna treed ik in overleg met mijn collega van IenW om een besluit over de aanvragen te nemen.
Kunt u toezeggen dat die procedures uiterlijk volgende week afgerond worden, zodat voor die teelten zo snel mogelijk duidelijkheid bestaat?
Er is een zorgvuldige afweging van alle belangen nodig. Dat vergt tijd. Mijn streven is vanzelfsprekend om de procedures zo spoedig mogelijk af te ronden.
Kunt u per ommegaande, maar uiterlijk 3 mei 2024 in de ochtend het antwoord op de bovenstaande vragen naar de Kamer sturen?
De vragen hebben ons 3 mei 2024 bereikt. Voor de beantwoording van Kamervragen bestaat een termijn van drie weken. Desondanks heb ik uw vragen z.s.m. beantwoord.
Het artikel 'Defensie stuurt special forces voor hun gezondheid op cursus sjamanistisch ademhalen' |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Defensie stuurt special forces voor hun gezondheid op cursus sjamanistisch ademhalen»?1
Ja.
Welke behoefte vulde het programma BaseQamp in voor medewerkers en veteranen van het Ministerie van Defensie?
De insteek van de pilot BaseQamp was om de deelnemers handvatten te bieden op het gebied van persoonlijke effectiviteit, leiderschap en duurzame inzetbaarheid, middels diverse methoden zoals ademhalingstechnieken, cold exposure, meditatie et cetera. Het betrof een aanbodgerichte pilot waarvoor actief-dienende militairen zich vrijwillig konden aanmelden.
Kunt u de doelstellingen formuleren om BaseQamp te faciliteren en van subsidie te voorzien met de bijbehorende (beleids)documenten, waaronder de subsidieaanvraag en afhandeling?
BaseQamp werd door Defensie gedefinieerd als een sociaal-innovatief project op het gebied van persoonlijke effectiviteit, leiderschap en duurzame inzetbaarheid en is als dusdanig gefaciliteerd. Het Transitieteam was destijds het platform binnen Defensie waar deze initiatieven konden ontstaan.
Voor de pilot is een subsidie aangevraagd en verkregen bij de stichting Arbeidsmarkt en Scholingsfonds Defensie (ASD). Deze stichting heeft tot doel het verstrekken van subsidies voor projecten die bijdragen aan duurzaam en gezond werken. De subsidie is uiteindelijk niet gebruikt omdat de pilot toen al was gepauzeerd en later is stopgezet.
Welke overwegingen liggen er achter het besluit om BaseQamp tot nader order te pauzeren?
De Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG) heeft in de loop van 2023 uit verschillende hoeken signalen ontvangen met zorgen over BaseQamp. Deze signalen betroffen onder meer het gebrek aan begeleiding en nazorg van de militair, de inbedding van de pilot binnen Defensie en de ontbrekende relatie met de militaire gezondheidszorg. De IMG is op basis daarvan in juli 2023 een inventariserend onderzoek gestart. De tussenrapportage van dit inventariserend onderzoek is op 26 oktober 2023 voorgelegd aan de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten (pCDS). De pCDS heeft naar aanleiding daarvan op diezelfde dag besloten de pilot BaseQamp te pauzeren totdat nadere onderzoeken zouden zijn afgerond.
De IMG heeft vervolgens nader onderzoek gedaan met als centrale vraag «Is de zorg voor gezondheid van defensiepersoneel voldoende geborgd binnen BaseQamp?». Het onderzoeksrapport is op 14 mei 2024 aangeboden aan de pCDS.
Ook de Inspectie Veiligheid Defensie (IVD) heeft onderzoek verricht naar BaseQamp. De centrale vraag luidde «Welke lessen kunnen op basis van de casus BaseQamp voor Defensie als werkgever worden geïdentificeerd om de veiligheid van soortgelijke processen van sociale innovatie te versterken?». Die rapportage is eveneens op 14 mei 2024 aangeboden aan de pCDS.
De pCDS heeft op 5 juni 2024 besloten de pilot BaseQamp definitief te stoppen. Hiervoor had hij de volgende argumenten: de pilot zou eigenlijk al eind 2023 stoppen; de adviezen van zowel de IMG als IVD waren niet snel te implementeren in de pilot; de naam «BaseQamp» is aangetast door de berichtgeving.
Zijn er vergelijkbare programma’s zoals BaseQamp op dit moment in gebruik, gepauzeerd of in opstart? Zo ja, wilt u die benoemen met een korte beschrijving?
Er zijn bij Defensie geen met BaseQamp vergelijkbare pilots bekend die zijn opgestart, gepauzeerd, of beëindigd.
Op welke wijze is BaseQamp door Defensie gefinancierd en kunt u daarbij ingaan op de rol die het «transitieteam» daarin heeft gespeeld?
Het Transitieteam Defensie heeft de pilot BaseQamp gefinancierd.
Hoe past BaseQamp in de grotere HR-transitie van Defensie?
De HR-transitie (thans: programma HR-vernieuwing) omvat de groei naar een nieuw personeelsmodel voor in-, door- en uitstroom, opleiding en ontwikkeling van militair en burgerpersoneel van Defensie en een nieuw beloningsmodel dat hierbij past. Formeel maakt BaseQamp geen deel uit van het programma HR-vernieuwing. Echter, het aanbieden van meerdere mogelijkheden voor persoonlijke ontwikkeling past wel binnen het gedachtegoed van de HR-vernieuwing.
In het artikel komt naar voren dat BaseQamp wel degelijk een behoefte invult voor actief dienende militairen en veteranen naast de staande therapieën, behandelingen en initiatieven; onderschrijft u die behoefte en hoe denkt u daar als werkgever een rol in te kunnen spelen?
BaseQamp is geen therapie of behandeling maar een project op het gebied van persoonlijke effectiviteit, leiderschap en duurzame inzetbaarheid. Als dusdanig is het geen alternatieve vorm van zorg.
Defensie onderkent de behoefte aan alternatieve vormen van zorg, naast de reguliere curatieve. Defensie stelt zich daarbij op het standpunt dat te allen tijde aan alle veiligheids- en kwaliteitseisen moet worden voldaan. Defensie biedt geen alternatieve vormen van zorg aan.
De militaire ziektekostenverzekeraar SZVK vergoedt wel alternatieve zorg aan zijn deelnemers. Alternatieve zorg wordt door de SZVK gedefinieerd als «behandelingen en (telefonische) consulten die vallen onder de volgende stromingen: acupunctuur en andere oosterse geneeswijzen, homeopathie, antroposofische alternatieve geneeswijzen, natuurgeneeswijzen, alternatieve bewegingstherapieën en psychosociale zorg». Voor alternatieve zorg is geen verwijskaart nodig van de Militair Geneeskundige Dienst (MGD); wel dient de alternatieve zorg te worden verleend door een door de SZVK aangewezen zorgaanbieder.
In hoeverre heeft de lange wachtlijst voor veteranenzorg en psychische zorg voor trauma’s te maken met de populariteit en de behoefte van militairen en postactieven om aan psychisch herstel en weerbaarheid te werken?
De wachttijden in de militaire geestelijke gezondheidszorg (MGGZ) komen inmiddels meer dan voorheen overeen met de (lange) civiele wachttijden voor de geestelijke gezondheidszorg. Er is echter geen waarneming dat deze lange(-re) wachttijden aanleiding zijn voor het zoeken naar alternatieve vormen van zorg.
Waarom geeft Defensie geregeld ruimte en podium aan coaches en trainers uit het alternatieve circuit, wat goed zichtbaar is op de activiteitenkalender op de intranetpagina van Defensie?
Defensie vindt dat voor militair optreden een gezonde geest in een gezond lichaam essentieel is. Op beide aspecten (fysieke en mentale gezondheid) wordt door Defensie ingezet. Dit kan binnen het kader van de militaire gezondheidszorg, maar ook via gezondheidshulpinitiatieven en welzijnsactiviteiten.
Kunt u de evaluatieresultaten toelichten met betrekking tot programma’s, trainingen en workshops uit het alternatieve circuit die Defensie faciliteert?
Gezondheidshulpinitiatieven en welzijnsactiviteiten vanuit het programma Duurzaam Gezond Inzetbaar (DGI) worden geëvalueerd. Zie verder het antwoord op vraag 13.
Kunt u aangeven op welke wijze Duurzaam Gezond Inzetbaar (DGI) betrokken is bij BaseQamp?
Duurzaam Gezond Inzetbaar (DGI) is niet inhoudelijk betrokken bij de pilot BaseQamp, maar is wel betrokken geweest bij de evaluatie ervan.
Welke resultaten boekt het team Duurzaam Gezond Inzetbaar, dat de militair en burger helpt om op een duurzame en gezonde manier inzetbaar te blijven, en op welke wijze evalueert u dit programma?
DGI biedt bewezen effectieve informatie en interventies aan. De interventies van DGI worden wetenschappelijk geëvalueerd en de resultaten ervan worden gerapporteerd, waar mogelijk in wetenschappelijke peer-reviewed journals.
De workshops die DGI aanbiedt, worden continu geëvalueerd en verbeterd op basis van ervaringen van deelnemers en voortschrijdend inzicht van trainers en het kernteam DGI.
De resultaten worden onder meer bijgehouden in jaaroverzichten die DGI sinds 2021 publiceert.
Vindt u het bezwaarlijk dat BaseQamp en vergelijkbare programma’s gebruikmaken van ervaringsdeskundigen, veelal zonder accreditaties en wetenschappelijke onderbouwing?
Nee. Het gebruik van ervaringsdeskundigen wordt door Defensie zeer gewaardeerd. Het spreekt echter voor zich dat altijd aan wettelijke eisen betreffende veiligheid en kwaliteit moet worden voldaan.
Welke rol moeten ervaringsdeskundigen in de militaire wereld volgens u binnen Defensie vervullen om te voldoen aan een prettige en effectieve werksfeer?
Op deze vraag kan ik geen eenduidig antwoord geven. Defensie neemt de ervaringen van haar personeel zeer serieus; de ervaringen worden om die reden meegenomen op velerlei terreinen binnen de organisatie.
Bent u niet bang dat vernieuwing en innovatie vanaf de werkvloer een knauw heeft gekregen aangezien BaseQamp nu op non-actief staat, gezien het feit dat BaseQamp staat voor vernieuwing en innovatie vanaf de werkvloer en een daadwerkelijke behoefte invult, gezien de populariteit en de rol die het vervulde in de HR-transitie?
Nee.
Welke ervaringen met soortgelijke initiatieven als BaseQamp ziet u bij andere krijgsmachten binnen bijvoorbeeld de NAVO?
Defensie beschikt momenteel niet over een inventarisatie op soortgelijke initiatieven bij andere krijgsmachten.
Waarom heeft u gekozen voor de financiering van BaseQamp binnen de HR-transitie en het transitieteam en niet via de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg?
BaseQamp is gefinancierd door het Transitieteam. Voor de pilot is een subsidie aangevraagd en verkregen bij de stichting Arbeidsmarkt en Scholingsfonds Defensie (ASD), maar deze is uiteindelijk niet meer gebruikt omdat de pilot BaseQamp toen al was gepauzeerd (en inmiddels is gestopt). BaseQamp is niet gefinancierd vanuit de HR-Transitie of vanuit de Militair Geestelijke Gezondheidszorg (MGGZ), omdat BaseQamp geen behandeling of therapie is.
Kunt u uitleggen op welke wijze BaseQamp en aanverwante initiatieven passen in de zorgplicht voor veteranen, voortkomend uit de Nederlandse Veteranenwet?
BaseQamp is geen behandelmethode en past niet binnen de vormen van zorg die Defensie inzet in het kader van zorgplicht voor veteranen. Per aanverwant initiatief wordt hier apart een besluit over genomen.
Doet de Inspectie Militaire Gezondheidszorg onderzoek naar BaseQamp of de inzet van ervaringsdeskundigen bij revalidatie, psychische- of traumagerelateerde zorg of initiatieven voor actief dienende militairen, postactieven en veteranen? Zo ja, wat zijn de signalen die ze onderzoeken?
Voor het antwoord op de vraag of de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG) onderzoek heeft gedaan naar de pilot BaseQamp, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
De IMG doet geen onderzoek naar zorg voor post-actieve militairen (inclusief post-actieve veteranen) omdat die buiten de militaire gezondheidszorg valt.
In het toezichtdomein gezondheidsbescherming houdt de IMG naast toezicht op de militaire gezondheidszorg ook toezicht op gezondheidshulpinitiatieven die niet zijn ingebed binnen de Defensie Gezondheidszorg Organisatie (DGO). De IMG hecht er grote waarde aan dat deelnemende defensiemedewerkers erop kunnen vertrouwen dat de initiatieven voldoen aan de kwaliteitscriteria die Defensie stelt en dat Defensie voldoet aan haar werkgeversverantwoordelijkheid: het borgen van een gezonde omgeving voor haar medewerkers.
Kan de Kamer voor het notaoverleg Veteranen inzage krijgen in deze uitkomsten?
Zie vraag 4.
Kunt u de vragen een voor een beantwoorden en de week voor het notaoverleg Veteranen op 24 juni 2024 naar de Kamer sturen?
Ja.
Het bericht dat Unilever nog steeds tientallen miljoenen verdient aan Rusland |
|
Sarah Dobbe |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Bent u bekend met het artikel «Ondanks belofte verdient Unilever nog tientallen miljoenen aan Rusland»?1
Ja.
Kunt u beoordelen of deze activiteiten, als de berichtgeving klopt, in strijd zijn met geldende sanctiemaatregelen?
De vraag of een individueel bedrijf al dan niet in strijd met de geldende sanctiemaatregelen handelt is uiteindelijk aan de rechter. Het is bovendien niet mogelijk om op basis van mediaberichtgeving te beoordelen of een bedrijf in overtreding is van sanctieregels. Daarvoor is meer en specifieke informatie nodig. Los daarvan kan het kabinet in het openbaar ook niet ingaan op individuele gevallen. In zijn algemeenheid geldt dat indien er signalen zijn van overtreding van sancties, dat hier onderzoek naar wordt gedaan en waar nodig handhavend wordt opgetreden.
Kunt u reageren op de bewering in het artikel dat «een fors deel van het geld ook door Nederland naar Londen [wordt] gesluisd»? Zo nee, waarom niet?
In het algemeen geldt dat betalingen vanuit Rusland naar Nederland nog steeds mogelijk zijn, zolang deze niet in strijd zijn met de sancties. Of dat in dit geval zo is, is niet aan het kabinet om te beoordelen, zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 2.
Hoe worden volksvertegenwoordigers volgens u geacht het sanctiebeleid te controleren, gezien u schreef in antwoord op eerdere vragen dat «Het kabinet doet echter geen uitspraken over individuele gevallen»?2 Kunt u hier uitgebreid op reageren?
Het is staande praktijk dat er geen uitspraken worden gedaan over individuele zaken. Bij signalen van overtredingen kunnen betrokken handhavende autoriteiten zorgvuldig onderzoek doen naar de feiten en omstandigheden. In het geval van overtredingen is het aan het Openbaar Ministerie om te besluiten over de vervolging van een verdachte en daarbij een strafeis te formuleren. Daarna is het aan de rechter om te oordelen over de schuldigverklaring en bij een schuldigverklaring over de op te leggen sanctie. In die onafhankelijke oordeelsvorming en verantwoordelijkheden van de officier van justitie en rechter is er geen rol voor het kabinet weggelegd.
In zijn algemeenheid wordt met de Kamer geen informatie gedeeld over individuele handhavingszaken. Wel kunnen trends in handhavingsbeleid worden aangegeven. Binnenkort wordt uw Kamer geïnformeerd over het totaal aantal lopende strafrechtelijke onderzoeken op sanctiegebied.
Als dit een schending van de sancties is, welke consequenties heeft dit dan voor Unilever? Indien dit geen schending van de sanctiemaatregelen is, kunt u dit toelichten?
Het is aan de rechter om te bepalen of er hier sprake is van schending van sanctiemaatregelen. Het overtreden van sanctieregels is een economisch delict. Daarop staat een geldboete van maximaal 1.030.000 euro en/of maximaal 6 jaar gevangenisstraf. Daarnaast kan vermogen dat door schending van de sanctiemaatregelen is verkregen worden afgepakt.
Bent u, aangezien dit het tweede bericht in korte tijd is over mogelijke schendingen van sanctiemaatregelen, bereid een onderzoek uit te voeren naar de naleving van het Nederlandse sanctiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Mits bedrijven voldoen aan de actuele sanctieregelgeving, kunnen zij in beginsel zaken doen in Rusland. In die context acht het kabinet een dergelijk onderzoek niet opportuun. Overigens is eerder door de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving vastgesteld dat er veel goed gaat bij de naleving van sancties in Nederland. De gedane aanbevelingen zijn inmiddels geïmplementeerd. Een deel daarvan wordt meegenomen in de Wet internationale sanctiemaatregelen die 7 juni jl. in consultatie is gegaan. Relevante toezichthouders zoals het AFM, DNB, FIU en de Douane geven jaarlijks in hun jaarverslag een weergave van de sanctienaleving in Nederland. Ook hieruit rijst niet het beeld dat de naleving niet op orde zou zijn. Op verzoek van uw Kamer ontvangt u binnenkort een bredere brief van de Minister van Buitenlandse Zaken over het sanctiebeleid.
Bent u bereid de kamer bij te praten over de naleving van het Nederlandse sanctiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Momenteel wordt er op verzoek vanuit uw Kamer een commissiedebat ingepland met de Minister van Buitenlandse Zaken waarin gesproken kan worden over sancties en de naleving daarvan.
Het bericht ‘Kabinet versoepelde exclusief voor Schiphol de bestaande stikstofregels’ |
|
Pieter Grinwis (CU), Laura Bromet (GL), Eline Vedder (CDA) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Kabinet versoepelde exclusief voor Schiphol de bestaande stikstofregels»1?
Ja.
Klopt het dat u de stikstofregels voor Schiphol heeft afgezwakt, ondanks een negatief advies van uw eigen hoogste stikstofambtenaar?
Nee, dat is niet het geval. Ik wil benadrukken geen enkele uitzondering te hebben gemaakt bij afgifte van de definitieve natuurvergunning voor Schiphol. Bij Schiphol is dezelfde beleidslijn toegepast als bij extern salderen tussen andere private partijen, namelijk: de additionaliteitstoets is niet van toepassing als sprake is van extern salderen tussen private partijen. Inmiddels is dat standpunt door jurisprudentie gewijzigd.
De directeur binnen het voormalige DG Stikstof heeft medeparaaf verleend op de nota waarin voornoemde gedragslijn is opgenomen. Van het negeren van adviezen van mijn (hoogste) ambtenaren is geen sprake. NRC heeft die conclusie getrokken op basis van een mail van een van mijn ambtenaren. Die mail betreft echter geen weergave van de standpunten van de hoogste ambtenaren van verschillende directies binnen mijn departement, doch betreft slechts de reflectie van een (enkele) ambtenaar.
Klopt het tevens dat andere bedrijven, zoals bijvoorbeeld Programma Aanpak Stikstof (PAS-)melders, geen aanspraak kunnen maken op een zelfde soort uitzondering of speciale behandeling?
Ik heb bij het verlenen van een natuurvergunning aan de luchthaven Schiphol niet anders gehandeld dan bij het verlenen van andere natuurvergunningen, waar extern salderen tussen private partijen onderdeel uitmaakte van de aanvraag om vergunning. Tot voor kort ging ik ervan uit dat dat bij extern salderen tussen private partijen niet hoefde te worden getoetst aan additionaliteit, omdat van private partijen niet mag worden verwacht dat ze verantwoordelijk zijn voor de bredere staat van de natuur. De verplichting om instandhoudings- of passende maatregelen te treffen rust immers op provincies en het Rijk. Bij extern salderen waarbij een overheidspartij was betrokken werd wel aan de additionaliteit getoetst. Door de uitspraak van de Raad van State van 28 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:831) heb ik mijn standpunt moeten herzien.
Voor PAS-melders is het lastig om extern te salderen. Het Rijk kan in dit proces tussen particulieren geen rol spelen. De inzet van het Rijk in het legalisatieprogramma is om met bronmaatregelen stikstofruimte te organiseren en die, waar mogelijk uit te geven. Een aantal provincies heeft aangegeven geen vergunningen meer te verlenen op basis van extern salderen. Dit heeft er mee te maken dat volgens die provincies de natuurkwaliteit onvoldoende is voor het verlenen van vergunningen en de vergunningen waarmee gesaldeerd wordt, zonder meer zouden moeten worden ingezet voor natuurherstel. Recent heb ik de Kamer geïnformeerd over de verbreding en versnelling van de aanpak voor de legalisatie van PAS-meldingen (Kamerstuk 35 334, nr. 295).
Is het juist dat het bevoegd gezag additionaliteit per geval en per gebied moet beoordelen en dat, in uw woorden, voldoen aan de additionaliteitsvereiste pas aan de orde is als vaststaat dat de natuurdoelen uit het Nationaal Programma Landelijk Gebied worden gehaald2?
Zoals ik ook in het debat van 17 april jl. aangegeven heb draagt het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) bij aan het natuurherstel in de Natura 2000-gebieden. Als vaststaat dat de doelen uit het NPLG worden gehaald, kan additionaliteit in ieder geval worden aangetoond. Immers, als de doelen uit het NPLG worden behaald, is er sprake van gezonde natuur.
Ik heb niet willen stellen dat alleen dan aan het additionaliteitsvereiste wordt voldaan. Uit de jurisprudentie volgt dat aan het additionaliteitsvereiste wordt voldaan als de mitigerende maatregel niet nodig is voor het borgen van behoud van de natuur en er andere maatregelen mogelijk zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken.
In hoeverre zijn de natuurdoelen uit het Nationaal Programma Landelijk Gebied al gehaald?
Op 15 december 2023 heb ik het ontwerpNPLG naar uw kamer gestuurd (Kamerstuk 34 682, nr. 183). In dit ontwerpNPLG zijn doelen opgenomen voor natuur, waarbij de einddatum veelal 2030 is. Het gaat daarbij niet alleen om stikstofdoelen, maar juist ook om doelen gericht op het in gunstige staat brengen van de natuur (conform de Vogel- en Habitatrichtlijn). Deze doelen zijn op dit moment dus nog niet gerealiseerd, maar daarvoor is nog tijd.
Geldt de bovengenoemde uitspraak die u tijdens het debat van 17 april jl. deed alleen voor de PAS-melders waar toen over gesproken werd of geldt deze in alle gevallen?
Door de recente uitspraak van de Raad van State is duidelijk geworden dat additionaliteit moet worden getoetst bij elke extern saldeertransactie. Dit geldt voor alle initiatiefnemers (zowel overheidspartijen als private partijen) die een overeenkomst ten behoeve van extern salderen sluiten.
Is het met in achtneming van het bovenstaande dan juist om te stellen dat ook bij het verlenen van de natuurvergunning aan Schiphol eerst had moeten worden aangetoond dat de boerderijen waarvan de stikstofruimte is opgekocht niet nodig zijn om natuur te herstellen of in stand te houden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Het uitgangspunt dat bij extern salderen tussen private partijen niet getoetst hoefde te worden aan het additionaliteitsvereiste heb ik niet alleen bij vergunningverlening voor Schiphol toegepast, maar op alle aanvragen waar ik bevoegd gezag voor ben. Een soortgelijke lijn van de provincie Limburg heeft echter geen stand gehouden bij de hoogste bestuursrechter (zie uitspraak van 28 februari jl. ECLI:NL:RVS:2024:831). Dit betekent dat thans wel aan additionaliteit dient te worden getoetst. Het voorgaande laat onverlet dat het nog steeds mogelijk is om extern te salderen mits aan het additionaliteitsvereiste wordt voldaan.
Wat was de inschatting van uw ministerie over de juridische risico’s die kleefden aan het verlenen van een natuurvergunning aan Schiphol?
Het is onmogelijk het risico terug te brengen tot nul. De jurisprudentie is voortdurend in ontwikkeling. Er heeft een zorgvuldige afweging plaatsgevonden bij vergunningverlening aan de luchthaven. Daarnaast dien ik binnen een redelijke termijn te besluiten op aanvragen.
Tegen de vergunning van Schiphol is beroep aangetekend. Het is thans aan de rechter om een oordeel te vormen over de vergunning.
Klopt het dat binnen uw ministerie bekend was dat er grote juridische risico’s kleefden aan het verlenen van de natuurvergunning aan Schiphol en dat de kans groot was dat deze aanpak geen stand zou houden bij de rechter, maar dat er dan in ieder geval tijd zou zijn gewonnen?
Met verwijzing naar het antwoord op vraag 8, er is een zorgvuldig proces doorlopen om tot besluitvorming te komen. Daarbij is een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, is er de mogelijkheid geweest om daarop zienswijzen in te dienen en is Schiphol herhaaldelijk verzocht om aanvulling van de vergunningaanvraag bij het beschikbaar komen van nieuwe inzichten. Een en ander blijkt uit de verleende vergunning en de daarbij behorende stukken.
Kunt u tevens uitleggen waarom u de Tweede Kamer niet expliciet over deze strategie heeft geïnformeerd?
Er is geen sprake geweest van een strategie om tijd te winnen. Het proces voor de afgifte van een vergunning is een zorgvuldig proces waarin ik in mijn rol van bevoegd gezag een uitvoeringsbesluit neem. Ik heb uw Kamer geïnformeerd over het vergunningsproces voor Schiphol in onder meer de kamerbrief van 23 februari 20223, 21 juni 20234 en 26 september 20235.
In hoeverre hadden ook de provinciale bevoegde gezagen van dezelfde strategie, als die u hebt gekozen bij het verlenen van een natuurvergunning voor Schiphol, gebruik kunnen maken bij bijvoorbeeld het legaliseren van PAS-melders? Waren de provincies op de hoogte van deze optie en het feit dat u deze aanpak toepaste bij Schiphol of zijn ook zij daarover niet geïnformeerd?
Een aantal provincies heeft gekozen om bij extern salderen tussen private partijen te toetsen aan additionaliteit. De provincie Limburg heeft dat niet gedaan. De uitspraak van RvS van 28 februari 2024 ziet op een vergunning van de provincie Limburg. Het standpunt van het Ministerie van LNV, de provincie Limburg en andere provincies was bekend bij andere bevoegde gezagen. Dit standpunt is ook gemeld aan de Tweede Kamer6.
Het stond alle provincies vrij om extern salderen tussen private partijen te beoordelen binnen de kaders van de jurisprudentie.
Waarom heeft u de aangenomen Kamermotie uit december 20223, die u expliciet verzocht een halt toe te roepen aan de stikstofjacht op boeren voor snelwegen en luchtvaart en de stikstofruimte in te zetten voor legalisatie PAS-melders en natuurherstel, niet uitgevoerd?
In de kamerbrief van 30 juni 2023 (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 126) is gereageerd op de hierboven genoemde motie, alsmede op verschillende moties met eenzelfde soort boodschap. Daar heb ik toegelicht dat ik het verzoek begrijp, maar als bevoegd gezag een vergunning moet verlenen als de aanvrager aan de voorwaarden voldoet. Ook heb ik aangegeven dat de prioritering in het stikstofregistratiesysteem zou worden aangepast zodat PAS-melders meer prioriteit krijgen. Die aanpassing is inmiddels gerealiseerd. Zoals eerder aangegeven beschouw ik de moties als afgedaan.
Waarom geldt bij zoiets schaars als stikstofruimte nog altijd het recht van de sterkste, ondanks uw eigen ambities in dezen en veel breed gesteunde oproepen tot regulering en evenredigheid in de Kamer4?
Ik deel uw zorgen en daarom heb ik naar aanleiding van de eerdere discussie in uw Kamer over extern salderen aangegeven bezig te zijn met het aanscherpen van beleidsregels zodat de overheid meer regie op extern salderen kan krijgen. Deze aanscherping bestaat uit het voorkomen dat salderen onbedoeld zorgt voor een toename van de depositie. Om te voorkomen dat overheden elkaar verrassen, hebben Rijk en provincies interbestuurlijke afspraken gemaakt over voorgenomen transacties ten behoeve van extern salderen.
Herinnert u zich het debat van 17 april jl. over de stikstofaanpak en de volgende uitspraak die u tijdens dat debat deed: «Deze aanpak gaat over vertrouwen.»?
Ja.
Begrijpt u dat deze gang van zaken waarin een groot bedrijf zoals Schiphol wel een natuurvergunning krijgt dankzij extern salderen en ondanks de grote juridische risico’s die daaraan kleven, terwijl er tegelijkertijd nog maar zeven(!) PAS-melders zijn gelegaliseerd omdat de additionaliteitsvereiste bij hen wel wordt toegepast, volledig funest is voor het vertrouwen in de stikstofaanpak?
Ik begrijp uw frustratie over het uitblijven voor oplossingen voor PAS-melders. Die frustratie deel ik. Tegelijkertijd is de inzet van het Rijk geweest om via bronmaatregelen van de Structurele Aanpak Stikstof te komen tot legaliseren van PAS-melders. Tot nu toe heeft dit niet voldoende PAS-melders geholpen. Daarom verken ik samen met provincies ook andere mogelijkheden. Zoals ik diverse malen aan uw Kamer heb aangegeven, gaat mij de situatie waarin veel PAS-melders zich bevinden aan het hart.
Als het gaat om de toetsing aan additionaliteit heb ik de aanvraag om vergunning voor Schiphol niet anders beoordeeld dan andere aanvragen waarvoor ik bevoegd gezag ben. Omdat het bij PAS-melders niet gaat om extern salderen tussen private partijen, maar om extern salderen met door de overheid getroffen bronmaatregelen, was altijd al duidelijk dat getoetst moet worden aan additionaliteit.
Wat is uw boodschap voor alle PAS-melders, interim-mers en andere boerenbedrijven die nu al jaren leven in onzekerheid over wat de stikstofaanpak voor hen gaat betekenen over hoe de overheid omgaat met hun zorgen en belangen versus hoe diezelfde overheid omgaat met de belangen van de grote industrie en Schiphol?
In mijn brief van 12 april jl. heb ik aangegeven dat ik vind dat er onvoldoende snelheid is op het legaliseren van PAS-meldingen. Daarom heb ik een verbreding van het programma aangekondigd. De verbrede aanpak moet ertoe leiden dat meer PAS-melders sneller aan een oplossing geholpen kunnen worden. De nieuwe lijnen die ik heb uitgezet en die de komende tijd verder worden uitgewerkt zijn: maatwerk, vrijwillige beëindiging en schadevergoeding. Ik blijf zoeken naar juridisch houdbare alternatieven waarmee meer PAS-melders sneller geholpen kunnen worden.
Kunt u aangeven of met de recente opkoop van stikstofrechten van veehouders in Zuid-Holland door de Schiphol Group ten behoeve van de natuurvergunning voor Rotterdam The Hague Airport dezelfde strategie wordt gevolgd als voor het verlenen van de natuurvergunning voor Schiphol? In hoeverre gelden daar dan ook dezelfde juridische risico’s? Is de verwachting dat deze aanpak standhoudt bij de rechter?
Zoals in mijn brief van 30 juni 20239 is aangegeven, stond de Wet natuurbescherming toe om mitigerende maatregelen te nemen door extern te salderen. Dit geldt ook onder de inmiddels in werking getreden Omgevingswet. Ook de thans geldende beleidsregels staan dit toe. Private ondernemingen zijn vrij om met elkaar transacties aan te gaan. Bovendien is het belangrijk dat de luchthavens voldoen aan de wet- en regelgeving. Het handelen van de Koninklijke Schiphol Groep is in lijn met het uitgangspunt dat initiatiefnemers in het kader van een aanvraag voor een natuurvergunning zelf verantwoordelijk zijn om mogelijke effecten van stikstofdepositie te mitigeren, bijvoorbeeld door extern te salderen. In dat geval zal er getoetst worden op additionaliteit, conform de uitspraak van de RvS van 28 februari 2024. Ik kan verder niet vooruitlopen op besluitvorming op de aanvraag van Rotterdam The Hague Airport.
Indien er bij Rotterdam The Hague Airport wordt aangekoerst op het al dan niet terecht verlenen van een natuurvergunning die daarna eventueel door een rechter wordt getoetst, hoeveel tijd zal er dan naar verwachting zijn verstreken voordat er een andere basis voor het verlenen van een vergunning moet worden gezocht?
Het is altijd zo dat als ik in mijn hoedanigheid van bevoegd gezag besluiten neem, deze getoetst kunnen worden bij de rechter. Dat besluitvorming en ook de rechtsgang tijdrovend is, gelet op de complexiteit van de voorliggende aanvragen, is nu eenmaal een gegeven, al is het maar omdat dit afhankelijk is van meerdere factoren.
Het bericht ''Niet bewust getraineerd'; Kabinet versoepelde exclusief voor Schiphol de bestaande stikstofregels’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Kabinet versoepelde exclusief voor Schiphol de bestaande stikstofregels»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat bij het opkopen van bedrijven voor stikstofruimte, eerst gekeken moet worden of de aanwezige stikstofruimte nodig is voor het herstellen van kwetsbare natuur?2
Ja, ik was altijd al van mening dat dit moet gebeuren bij extern saldeertransacties waar een overheidspartij bij betrokken is en dat is ook gebeurd. De RvS heeft in haar uitspraak van februari jl. geoordeeld dat bij extern salderen tussen private partijen eveneens getoetst moet worden op additionaliteit. Sindsdien volg ik deze lijn.
Klopt het dat van de negen opgekochte boerenbedrijven alle stikstofruimte naar de vergunning van Schiphol is gegaan en dat hierbij geen rekening is gehouden met kwetsbare natuurgebieden in de buurt van de luchthaven? Zo ja, waarom is deze werkwijze toegepast en bent u zich ervan bewust dat dit tegen de Programma Aanpak Stikstof (PAS-)uitspraak ingaat?
Niet alle aangekochte stikstofruimte is benut voor activiteiten van Schiphol. Er is wel degelijk afgeroomd overeenkomstig het daarover door mijn ambtsvoorganger vastgesteld beleid.3 Dat betekent dat alleen gesaldeerd mag worden met depositie van de vergunde, feitelijke gerealiseerde capaciteit en maximaal 70% van deze depositie benut kan worden voor de luchthaven en minimaal 30% is afgeroomd. Dit gaat niet in tegen de PAS-uitspraak. De PAS-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 29 mei 2019 maakt duidelijk dat een maatregel die naar z’n aard ook geschikt is om te worden ingezet als instandhoudingsmaatregel om in een Natura 2000-gebied de instandhoudingsdoelen te realiseren in de zin van artikel 6, lid 1, van de Habitatrichtlijn of als passende maatregel om verslechtering in het gebied te voorkomen in de zin van artikel 6, lid 2, Habitatrichtlijn, alleen mag worden ingezet als mitigerende maatregel bij toestemmingverlening voor projecten met mogelijk significante gevolgen in de zin van artikel 6, lid 3, Habitatrichtlijn als dat aanvullend is aan hetgeen nodig is voor de natuur (additionaliteitstoets).
Uit de uitspraak Logistiek Park Moerdijk uit 2020 is vervolgens gebleken dat de overheid alleen extern kan salderen na een additionaliteitstoets. Dat was wat mij betreft destijds geen reden om aan te nemen dat extern salderen tussen private partijen ook moest worden getoetst aan additionaliteit. Ik was daarvan overtuigd omdat alleen de overheid maatregelen kan nemen in de zin van artikel 6, lid 1 en 2, Habitatrichtlijn, en niet een willekeurige private partij.
Bent u het ermee eens dat het zeer onwenselijk is om een onhoudbare vergunning te verstrekken om tijd te rekken? Zo ja, waarom is dit dan toch gebeurd?
Ja dat zou inderdaad onwenselijk zijn. Dit is, anders dan u suggereert echter niet het geval geweest.
Bent u het ermee eens dat Schiphol niet anders behandeld dient te worden dan boeren (of andere bedrijven) bij het verkrijgen van een natuurvergunning? Zo ja, waarom is voor Schiphol dan een andere werkwijze toegepast en waarom krijgt dit bedrijf een uitzonderingspositie?
Ik heb bij het verlenen van een natuurvergunning aan de luchthaven Schiphol niet anders gehandeld dan bij het verlenen van andere natuurvergunningen, waar extern salderen tussen private partijen onderdeel uitmaakte van de aanvraag om vergunning.
Kunt u uiteenzetten waarom u denkt dat de vergunning zoals deze is verstrekt wel houdbaar is?
Gelet op de lopende beroepsprocedure kan ik hierover geen inhoudelijke uitspraken doen.
Is het mogelijk nu al de natuurvergunning van Schiphol te herzien en daarmee niet de uitspraak van de rechter af te wachten in de aangespannen procedures? Zo ja, bent u daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?
Het is mogelijk om een aanvullende motivering te leveren in beroep.
De wet voorziet voorts in de mogelijkheid om een herstelbesluit te nemen (op grond van 6:19 Algemene wet bestuursrecht). Het beroep is in dat geval dan ook tegen een dergelijk herstelbesluit gericht. Gelet op de lopende beroepsprocedure kan ik hierover verder geen inhoudelijke uitspraken doen.
Indien deze manier van vergunningen verstrekken wel houdbaar zou zijn, waarom wordt deze dan niet toegepast voor bijvoorbeeld PAS-melders?
Door de recente uitspraak van de Raad van State is duidelijk geworden dat additionaliteit moet worden getoetst bij elke extern saldeertransactie. Dit geldt voor alle initiatiefnemers (zowel overheidspartijen als private partijen) die een overeenkomst ten behoeve van extern salderen sluiten.
De inzet van het Rijk is om via bronmaatregelen van de Structurele Aanpak Stikstof te komen tot legaliseren van PAS-melders. Tot nu toe heeft dit niet voldoende PAS-melders geholpen. Daarom verken ik samen met provincies ook andere mogelijkheden.
In mijn brief van 12 april jl. heb ik aangegeven dat ik vind dat er onvoldoende snelheid is op het legaliseren van PAS-meldingen. Daarom heb ik een verbreding van het programma aangekondigd. De verbrede aanpak moet ertoe leiden dat meer PAS-melders sneller aan een oplossing geholpen kunnen worden. De nieuwe lijnen die ik heb uitgezet en die de komende tijd verder worden uitgewerkt zijn: maatwerk, vrijwillige beëindiging en schadevergoeding. Ik blijf zoeken naar juridisch houdbare alternatieven waarmee meer PAS-melders sneller geholpen kunnen worden.
Kunt u toezeggen dat deze handelwijze niet toegepast zal worden op het verkrijgen van een vergunning voor Rotterdam Airport en Eindhoven Airport?3
Bij het verlenen van nieuwe vergunningen waarbij sprake is van extern salderen toets ik in alle gevallen aan additionaliteit conform de recente uitspraak van de hoogste bestuursrechter.
Uitbetaling GLB-gelden ecoregelingen |
|
Cor Pierik (BBB) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u ermee bekend dat bij veel boeren de Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB-)gelden/ecoregelingen nog steeds niet (volledig) zijn uitbetaald?
Ja, ik ben bekend met deze informatie. Ik vind dit vervelend en weet dat sommige boeren echt op de volledige betaling wachten om hun bedrijfsvoering financieel op orde te houden.
Wat is de reden dat dit zo lang heeft moeten wachten?
Door de hoeveelheid ambitieuze aanmeldingen voor de ecopremie ben ik op zoek gegaan naar mogelijkheden om boeren volledig voor maatschappelijke diensten te belonen. Hierover heb ik uw Kamer in november 20231 geïnformeerd. Na goedkeuring van de Europese Commissie (16 februari) en de Eerste Kamer (19 maart) om nationale middelen voor de ecoregeling in te zetten zijn de definitieve tarieven vastgesteld. Pas na het vaststellen van de definitieve tarieven op 19 maart jl. kon RVO starten met uitbetalen van de verhoogde tarieven. Dit heeft geleid tot vertraging van de betalingen.
Daar komt bij dat het GLB-NSP relatief kort voor de implementatie in 2023 definitief is goedgekeurd en complexer is dan voorgaande jaren. Dit heeft helaas geleid tot een langere doorlooptijd bij RVO en daarmee tot latere definitieve betalingen. Hierom heeft RVO in december het grootste gedeelte van de aanvragers een voorlopige betaling van de basispremie gedaan.
Klopt het dat de verwachting was dat slechts twee derde van de landbouwers het geld zou ontvangen in april?
Vanaf begin april is RVO begonnen met het versturen van de definitieve beschikkingen (zie vraag 2). Het streven is voorts geweest om alle landbouwers zo snel mogelijk te betalen.
Heeft twee derde van de landbouwers het geld op dit moment dan ook daadwerkelijk ontvangen, of is die doelstelling niet gehaald?
De doelstelling is om alle aanvragers voor 30 juni 2024 een betaling te geven. Op 17 mei 2024 was er circa twee derde van de GLB aanvragen definitief beschikt.
Als minder dan twee derde van de landbouwers het geld voor de ecoregeling op dit moment ontvangen heeft, wat is daarvan dan de oorzaak?
Zie het antwoord bij vraag 2.
Klopt het dat de boeren die nog geen GLB-gelden/ecoregelingen vergoedingen hebben ontvangen, niet op de hoogte zijn van wanneer zij dat geld kunnen verwachten?
RVO informeert boeren niet individueel over de voortgang van de betalingen 2023. Via de website kunnen ze de meest recente informatie vinden over de voortgang van de uitbetalingen.2 Hierin staat ook aangegeven dat uiterlijk op 30 juni 2024 alle aanvragers de gelden hebben ontvangen.
Klopt het dat de verwachting is dat pas eind mei 90% van de betalingen gedaan zullen zijn? Wat is de reden dat dat zo lang moet duren?
Dat klopt, zie voor de toelichting het antwoord bij vraag 2.
Wanneer verwacht u dat 100% van de betalingen gedaan zullen zijn?
Ik verwacht uiterlijk op 30 juni 2024 de betalingen uitgekeerd te hebben exclusief enkele lopende onderzoeken naar eventueel misbruik.
Is er een compensatie mogelijk voor de boeren die in financiële problemen komen omdat hun betaling zo lang op zich laat wachten?
Ik vind het vervelend als boeren in de financiële problemen zijn gekomen door de ontstane situatie. Ik voorzie niet in compensatie want de wettelijke termijn van de betalingen is 30 juni3 volgend op het jaar dat de aanvraag is ingediend.
Zijn die boeren, die nu nog op hun geld wachten, op de hoogte gesteld van het feit dat zij nog langer moeten wachten en hebben zij ook een reden gekregen voor de vertraging en hebben zij een indicatie gekregen van de datum waarop zij hun geld kunnen verwachten?
Zie het antwoord bij vraag 6. De boeren zijn via de website van RVO op de hoogte gebracht van de voortgang van de betalingen. Uiterlijk op 30 juni 2024 zijn de betalingen afgerond.
Het bericht ‘Kabinet versoepelde exclusief voor Schiphol de bestaande stikstofregels’. |
|
Olger van Dijk (NSC), Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Kabinet versoepelde exclusief voor Schiphol de bestaande stikstofregels»?1
Ja.
In het commissiedebat Stikstof NPLG en Natuur van woensdag 17 april jl. kwam het extern salderen van Schiphol aan bod en stelde u dat de vergunning voor Schiphol is verleend op basis van een technische beoordeling, wat behelsde deze beoordeling?
Een technische beoordeling is geen politiek-bestuurlijke keuze, maar een toetsing aan de Vogel- en Habitatrichtlijn zoals vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (thans in de Omgevingswet). Mijn rol als bevoegd gezag voor de afgifte van natuurvergunningen dient te worden onderscheiden van de beleidsverantwoordelijkheid die ik heb voor de stikstofproblematiek en voor natuurherstel en natuurbehoud.
In welke mate wordt de kritische depositiewaarde (KDW) in de natuurgebieden waar Schiphol stikstof op deponeert overschreden in mol/hectare/jaar in 2023 voordat de natuurvergunning van Schiphol van kracht werd? Hoeveel stikstof deponeert Schiphol op deze gebieden en hoe zou de verleende natuurvergunning van Schiphol deze overschrijding vergroten? Kunt u het antwoord op voorgaande vragen uitsplitsen per natuurgebied?
Vooropgesteld: Schiphol heeft voor het grootste deel bestaande rechten, die reeds golden in de referentiesituatie, dat is het moment dat de Natura 2000-gebieden werden aangewezen. Daarnaast is er bij extern salderen geen toename van stikstofdepositie, maar een afname, omdat 30% van de uitgewisselde stikstofruimte niet mag worden ingezet door degene die de ruimte aankoopt (afromen). Uit navolgende tabel blijkt dat er zeer beperkt verschil is tussen de referentiesituatie en de voorgenomen activiteit. Dat verschil is vervolgens middels interne en externe maatregelen gemitigeerd. Bijvoorbeeld: depositie van Schiphol op een habitattype met een zeer lage KDW bedraagt zonder salderen circa 9 mol/ha/jaar (H7140B met een KDW van 500 mol/ha/jaar – Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske).
Eilandspolder (~29 km)
AB2000
0,26
0,50
0,23
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (~17 km)
AB2000
8,73
8,94
0,50
Naardermeer (~22 km)
AB2000
5,80
5,24
0,32
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (~16 km)
AB2000
5,80
5,61
– 0,10
Oostelijke Vechtplassen (~20 km)
AB2000
7,12
6,34
0,27
Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (~19 km)
AB2000
7,37
7,87
0,51
Zouweboezem (~42 km)
AB2000
0,01
0,01
0,00
Zwanenwater & Pettemerduinen (~52 km)
AB2000
0,00
0,01
0,01
Botshol (~12 km)
LVB2008
10,00
9,99
0,06
Coepelduynen (~24 km)
LVB2008
3,22
2,99
0,03
Kennemerland-Zuid (~11 km)
LVB2008
13,22
12,89
0,02
Meijendel & Berkheide (~27 km)
LVB2008
0,29
0,32
0,03
Noordhollands Duinreservaat (~23 km)
LVB2008
6,06
5,97
0,31
Polder Westzaan (~15 km)
LVB2008
9,94
9,99
0,07
Schoorlse Duinen (~42 km)
LVB2008
0,06
0,08
0,02
Solleveld & Kapittelduinen (~45 km)
LVB2008
0,01
0,00
0,00
Uiterwaarden Lek (~40 km)
LVB2008
0,02
0,02
0,00
Westduinpark & Wapendal (~41 km)
LVB2008
0,02
0,01
0,00
2000-gebieden van meer dan 0,00 mol/ha/jaar in de referentie en/of VA (inclusief baanonderhoud). Gegeven is de maximale depositie op de (bijna) overbelaste hectare met de grootste depositie in het gebied. De depositieberekeningen zijn uitgevoerd met het voorgeschreven model AERIUS, versie 2022 van 26 januari 2023. De gegeven deposities kunnen voor de VA en referentie op verschillende hexagonen in een gebied optreden. De tabel is samengesteld op basis van het excel-bestand 20230705 Overzicht depositieresultaten incl salderen Vergunningsaanvraag voor Amsterdam Airport Schiphol (rvo.nl), dit document maakt onderdeel uit van de vergunningaanvraag tevens onderliggend aan het definitief besluit.
Met welke ordegrootte verschilt deze totale depositie ten opzichte van een gemiddelde Programma Aanpak Stikstof (PAS-)melder of garnalenvisser in dit gebied?
De locatie van de depositie is sterk afhankelijk van de locatie van de emissie. Bij vergunningverlening wordt de AERIUS-module toegepast om volgens vaste normen de depositie vast te stellen van een individueel bedrijf. Het feit dat Schiphol negen agrarische bedrijven heeft uitgekocht om extern mee te salderen geeft een beeld van de verhouding in grootte. Zoals in de brief van 21 juni 2023 (Kamerstuk 31 936, nr. 1086) aangegeven, is het vliegverkeer op Nederlandse luchthavens verantwoordelijk voor 0,1% van de totale gemiddelde depositie in Nederlandse Natura 2000-gebieden. Vliegverkeer boven de 3000 voet draagt ook bij aan de stikstofdepositie. Naar schatting is de totale bijdrage van vliegverkeer hierdoor 15–20 mol N/ha/jaar. Dat is 1,1% aan de totale stikstofdepositie in Nederland (aldus het RIVM). Mobiliteit in totaal is verantwoordelijk voor 11%, de agrarische sector voor iets minder dan de helft van de depositie. In AERIUS Monitor is voor eenieder per Natura 2000-gebied te zien welk deel van de opbouw van depositie van een bepaald gebied veroorzaakt wordt door «vervoer en overig verkeer» en welk deel daarvan luchtvaart is.
Klopt het dat er geen zorgvuldig onderzoek is verricht naar de overbelasting van de nabijgelegen natuurgebieden en of de beschikbaar gekomen stikstofruimte noodzakelijk is om de depositie op die gebieden te verlagen? Zo ja, waarom niet?
Binnen LNV werd in het kader van vergunningverlening tot voor kort het uitgangspunt gehanteerd dat bij extern salderen tussen private partijen werd aangenomen dat additionaliteit geborgd was. Dit omdat naar het oordeel van LNV van private partijen niet kan worden verwacht dat zij bij de aanvraag van een natuurvergunning maatregelen nemen ten behoeve van natuurherstel en omdat de afroming bij extern salderen ook bijdraagt aan natuurherstel en natuurbehoud. Dit is bij alle vergunningenprocedures waarvoor LNV bevoegd gezag was de bestendige gedragslijn geweest. Dit was mede gebaseerd op het feit dat extern salderen als transactie tussen particulieren naar zijn aard niet kan worden ingezet als instandhoudings- of passende maatregel, omdat alleen de overheid dergelijke maatregelen kan treffen. Bij de (in die zin «willekeurige») transacties tussen particulieren is er geen relatie met een samenhangende aanpak vanuit de overheid voor stikstofreductie; dat kon anders zijn als de saldogever behoort tot een inmiddels door de overheid gedefinieerde groep waarvoor dwingende maatregelen worden ingezet, maar daarvan is nog geen sprake.
Op basis waarvan heeft u geoordeeld dat hier stikstofruimte kon worden gekocht zonder dat het additionaliteitsvereiste gold?
Zie het antwoord op vraag 5.
Provincies zijn vanaf 2022 verschillend omgegaan met extern salderen. De provincie Overijssel is bijvoorbeeld gestopt met vergunningverlening. Ik ben doorgegaan met vergunningverlening vanwege de hiervoor onder 5. genoemde overwegingen. Daarbij speelt het belang om vergunningverlening waarbij negatieve effecten op de natuur kunnen worden uitgesloten in enige mate mogelijk te houden. Hiermee zou, als deze lijn bevestigd zou zijn door de Raad van State, ook voor andere initiatiefnemers zoals PAS-melders en woningbouw meer ruimte bestaan.
Is bij de aankoop van stikstofrechten voor Rotterdam The Hague Airport en voor Eindhoven Airport ook van deze werkwijze gebruik gemaakt? Geldt hier wel het additionaliteitsvereiste en zo ja, hoe is hiermee om gegaan?
Op besluitvorming over deze luchthavens kan ik niet vooruitlopen. Het is wel duidelijk dat vanaf de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 28 februari jl. (ECLI:NL:RVS:2024:831), bij extern salderen tussen private partijen de additionaliteitstoets uitgevoerd moet worden.
Waarom is er voor de vergunningverlening aan Schiphol geen beroep gedaan op het «groot maatschappelijk belang» waarvoor ruimte is in de Vogel- en Habitatrichtlijn?
Aan een adc-toets, waar u op doelt, wordt pas toegekomen als het niet mogelijk is door mitigerende maatregelen (waaronder extern salderen) significante negatieve effecten op instandhoudingsdoelen op voorhand uit te sluiten. In die gevallen is het soms mogelijk om toch projecten te vergunnen, maar dan met de verplichting compensatienatuur aan te leggen. Adc staat voor: geen alternatief, dwingende redenen van groot openbaar belang, compensatie.
Hoe gaan andere Europese lidstaten om met het vergunnen van hun luchthavens en de Europese natuurrichtlijnen?
De Vogel- en habitatrichtlijn geldt in de landen van de Europese Unie. Iedere lidstaat is zelf verantwoordelijk om te toetsen op mogelijke effecten van projecten. In Nederland en bijvoorbeeld Vlaanderen is specifiek stikstof een van de voornaamste punten voor de toetsing aan de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden.
Wat was het ambtelijk advies van het Ministerie van LNV aan u voor de referentiesituatie (jaar, aantal banen en vluchtbewegingen) van Schiphol?
Mij is ambtelijk geadviseerd in te stemmen met het verlenen van de vergunning, waarin is opgenomen dat in de aangepaste passende beoordeling (en daarmee in de vergunning) wordt uitgegaan van twee referentiesituaties:
Voor Natura 2000-gebieden met een referentiedatum van vóór 2003 wordt uitgegaan van het Aanwijzingsbesluit 2000 met in 2002 maximaal 460.000 vliegtuigbewegingen (referentiejaar 2002). Dit is een situatie voor de ingebruikname van de Polderbaan;
Voor Natura 2000-gebieden met een referentiedatum na 2003 wordt uitgegaan van het LVB 2008 en behoort het gebruik van de Polderbaan tot de referentiesituatie (referentiejaar 2008). Daarbij geldt dat het gebruik is beperkt tot 480.000 vliegtuigbewegingen.
Is er afgeweken van deze referentiesituatie in de uiteindelijke vergunning? Indien ja, hoeveel en hoe is dit gerechtvaardigd?
Nee, er is niet afgeweken van de referentiesituatie, zoals hiervoor beschreven.
Voorts verwijs ik naar mijn brief van 26 september jl.2
Naar aanleiding van de Hoofdlijnenbrief Schiphol d.d. 24 juni 2022 is Schiphol verzocht rekening te houden met het kabinetsbesluit om het aantal vliegtuigbewegingen (hierna: vtb) te beperken tot 440.000.
Schiphol heeft maatregelen getroffen waardoor alle effecten bij 500.000 vtb, inclusief de transitie naar 440.000 vtb, zijn gemitigeerd. Overeenkomstig het Hoofdlijnenbesluit Schiphol d.d. 24 juni 2022 heb ik vergunning verleend voor een jaarlijks aantal van 440.000 vliegtuigbewegingen. Daarnaast verleen ik tijdelijk, dat wil zeggen tot het moment waarop het Luchthavenverkeerbesluit (LVB) is gewijzigd, vergunning voor een jaarlijks aantal van 500.000 vtb. Mocht in het LVB een hoger aantal dan 440.000 vtb worden vastgelegd dan is dat hogere aantal toegestaan, uiteraard met een maximum van 500.000 vtb.
Klopt het dat in het ambtelijk advies alleen een natuurvergunning op basis van 440.000 vluchten haalbaar werd geacht en dat Schiphol uiteindelijk een natuurvergunning werd verleend voor 500.000 vluchten? Zo ja, welke bestuurlijke en juridische risico’s waren bij dit besluit in beeld en hoe zijn die gewogen?
Naar aanleiding van de Hoofdlijnenbrief Schiphol d.d. 24 juni 2022 is aan Schiphol op 14 juli 2022 verzocht om rekening te houden met het kabinetsbesluit om het aantal vliegtuigbewegingen te beperken tot 440.000. In de brief die de aanvulling van Schiphol van 29 augustus 2022 begeleidt, geeft Schiphol aan dat een vergunning wordt gevraagd voor maximaal 440.000 vtb op het moment dat dit aantal wettelijk is verankerd en van kracht is (dan wel voor zover aan de orde, het aantal vliegtuigbewegingen dat volgt uit de Balanced Approach of juridische procedures), in combinatie met een toestemming – voor de periode tot van kracht worden van een nieuw maximum – voor de huidige situatie met maximaal 500.000 vliegtuigbewegingen.
Uiteraard is er ruimte voor tegenspraak en ambtelijk overleg, ik hecht daar zeer aan. Mij is ambtelijk geadviseerd om het besluit te nemen, zoals ik dat in september 2023 genomen heb. Zie de antwoorden bij vraag 10 en 11.
In de onderliggende Wet open overheid (Woo-)documenten opgevraagd door MOB wordt gesproken over een «1 mol maatregel», wat wordt hiermee bedoeld?
Deze term wordt niet breed gebruikt. Mogelijk wordt gedoeld op een verkenning van maatregelen die een daling van emissie en depositie tot doel hadden, zoals elektrificeren van het platformverkeer.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden binnen 2 weken?
Ja.
Het bericht ‘Noodkreet gemeenten in Toeslagenaffaire’ |
|
Roelien Kamminga (VVD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Noodkreet gemeenten in Toeslagenaffaire?»1
Ja.
Herkent u de problematiek die in het interview wordt geschetst en hoe beoordeelt u deze?
Zowel ouders en kinderen als gemeenten hebben bij het kabinet aangegeven dat zij problemen ervaren bij de brede ondersteuning. Het kabinet heeft oog voor de signalen van de gemeenten en vindt dat ouders en kinderen heldere verwachtingen mogen hebben over wat er wel en niet mogelijk is binnen de ondersteuning die gemeenten bieden op de vijf leefgebieden. Deze is er immers om hen te helpen hun leven weer op de rit te krijgen.
Binnenkort vindt er een bestuurlijk overleg plaats met de VNG en het Ministerie van SZW om deze problemen te bespreken. In de volgende voortgangsrapportage zult u verder geïnformeerd worden over de uitkomsten van dit overleg.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat niet-gedupeerden een beroep kunnen doen op gemeentelijke ondersteuning die is bedoeld voor gedupeerden van de toeslagenaffaire en zo onnodig druk wordt gelegd op de ondersteuning vanuit de gemeenten?
In de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is opgenomen dat zowel gedupeerde ouders als ouders die in de eerste toets niet als gedupeerd zijn aangemerkt, in principe tot en met de integrale beoordeling brede ondersteuning kunnen ontvangen. De brede ondersteuning wordt na de ontvangst van een negatieve beschikking bij de integrale beoordeling na een periode van 30 dagen afgebouwd, zodat gedupeerde ouders zo goed mogelijk kunnen worden ondersteund. Het is dan ook onwenselijk dat mensen voor wie bij de integrale beoordeling is vastgesteld dat ze niet gedupeerd zijn een beroep kunnen doen op gemeentelijke ondersteuning die specifiek bedoeld is voor gedupeerde ouders. Ouders die niet-gedupeerd blijken, moeten zo snel mogelijk worden doorverwezen naar reguliere hulp binnen de gemeente.
Hoe beoordeelt u de inschatting en de beoordeling van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) dat er ruim 20.000 niet-gedupeerden zijn die zich wel hebben aangemeld als mogelijk gedupeerde en het systeem mede daardoor vastloopt? Wat zijn de laatste cijfers?
Voor alle ouders die zich hebben aangemeld als mogelijk gedupeerde is er tot en met de integrale beoordeling recht op brede ondersteuning vanuit de woongemeente. Voor ouders die niet gedupeerd blijken te zijn na de integrale beoordeling stopt het recht op deze ondersteuning. Ook voor ouders die na de eerste toets niet-gedupeerd zijn en zich afmelden voor de integrale beoordeling stopt het recht op brede ondersteuning. Gemeenten kunnen de brede ondersteuning pas beëindigen als UHT deze gegevens heeft gedeeld. Voor deze niet-gedupeerden is reguliere gemeentelijke ondersteuning beschikbaar. Niet gedupeerden worden, zoals benoemd in antwoord 3, binnen de gemeente warm overgedragen naar deze reguliere ondersteuning.
De verwachting is dat grofweg 45.000 ouders gedupeerd blijken te zijn wanneer alle integrale beoordelingen zijn afgerond. Dat houdt ook in dat wanneer alle integrale beoordelingen zijn afgerond er zo’n 24.000 ouders na de integrale beoordeling niet gedupeerd zijn. Daarnaast hebben gemeenten ook te maken met kinderen en jongeren en ex-toeslagpartners die recht hebben op brede ondersteuning.
Gemeenten hebben terecht hun twijfels geuit over de volledigheid van de gegevens met betrekking tot niet-gedupeerden die zij ontvangen. Er is daarom actie ondernomen om deze problemen aan te pakken door de knelpunten op te lossen rondom het verstrekken van gegevens van personen die een afwijzende beschikking hebben ontvangen en door het optimaliseren van de tweewekelijkse gegevensdeling met gemeenten.
Welke maatregelen worden getroffen om niet-gedupeerden zo snel mogelijk duidelijkheid te geven, zodat de inzet op de daadwerkelijk (zwaarst) gedupeerden kan worden gericht? Wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen mensen die (zeer) waarschijnlijk niet-gedupeerd zijn en mensen die twijfelgevallen zijn?
Of een ouder wel of niet gedupeerd is, wordt definitief vastgesteld bij de integrale beoordeling. UHT is de afgelopen jaren fors opgeschaald zodat meer integrale beoordelingen kunnen worden gedaan en de wachttijd verkort wordt. Om vervolgens de behandeling zo vlot mogelijk te laten verlopen, hebben persoonlijk zaakbehandelaren (PZB’ers) meer ruimte gekregen in de beoordeling en is de informatie voor en afstemming met ouders tijdens de integrale beoordeling verbeterd. Deze versnelling zorgt ervoor dat 57.000 integrale beoordelingen in het eerste kwartaal van 2025 worden afgerond en de resterende aanmeldingen in de loop van 2025.
Ouders die vermoedelijk niet gedupeerd zijn krijgen een versnelde afhandeling van de integrale beoordeling. Daarmee wordt de wachtrij kleiner en hoeven ouders die vermoedelijk wel gedupeerd zijn minder lang te wachten. Evident niet-gedupeerden (aanmelders zonder kinderen) zijn ook benaderd met de vraag om hun aanvraag in te trekken. Tevens is er een urgentieroute waarbij gemeenten, het Instituut voor Publieke Waarden (IPW) en het Ondersteuningsteam Buitenland (OTB) urgente casussen kunnen voordragen voor prioriteit, om zo een snelle aanpak te waarborgen.
Gegevens van niet-gedupeerden worden nu direct na de integrale beoordeling verstrekt aan gemeenten, waardoor onnodige druk op de ondersteuning van gedupeerden wordt vermeden. Deze gegevensuitwisseling is geoptimaliseerd en vindt tweewekelijks plaats. Voor ouders wiens brede ondersteuning afloopt, wordt deze in een periode van 30 dagen aangepast en afgebouwd, met mogelijke doorverwijzing naar reguliere hulp door de gemeente.
Waar ziet u nog mogelijkheden om dit sneller en beter te doen?
De afhandeling van de integrale beoordelingen is steeds meer op stoom gekomen: eind april is voor ruim 61% van de ouders de integrale beoordeling gedaan (inclusief afmeldingen). Planning is dat in het eerste kwartaal van 2025 circa 57.000 integrale beoordelingen zijn afgehandeld, dat betreft bijna 85% van het aantal aangemelde ouders. De rest van de integrale beoordelingen wordt in de loop van 2025 afgehandeld. Met deze prognose is de uitvoering van de integrale beoordeling in elk geval gebaat bij het doorzetten van de ingezette koers. Grote aanpassingen in de uitvoering van de integrale beoordeling hebben het aannemelijke risico in zich dat ze niet bijdragen aan versnelling, maar juist leiden tot vertraging en onzekerheid.
Is het bijvoorbeeld mogelijk om in gevallen waar het evident is dat het geen gedupeerde van de toeslagenaffaire betreft, geen integrale beoordeling te doen of deze versneld af te ronden? Zo nee, waarom niet? Zou het mogelijk zijn om een dergelijk geval achteraan de rij aan te laten sluiten bij gemeentelijke ondersteuning, om de (zwaarst) gedupeerden eerder en beter te ondersteunen?
Elke ouder die zich aanmeldt heeft wettelijk recht op een integrale beoordeling, ook als deze bij de eerste toets voorlopig niet als gedupeerde is aangemerkt. Het komt namelijk voor dat ouders na een negatieve eerste toets in de integrale beoordeling alsnog gedupeerd blijken te zijn. Zoals bij antwoord 5 is toegelicht, krijgen ouders die op basis van een aantal criteria vermoedelijk niet gedupeerd zijn een versnelde afhandeling of wordt aan hen voorgesteld om hun aanvraag in te trekken in het geval van evident niet-gedupeerden, zodat de wachtrij voor mogelijk wel gedupeerde ouders korter wordt. Gemeenten, OTB en IPW hebben de mogelijkheid om ouders aan te dragen voor urgentie bij de integrale beoordeling, als zij dit gezien de situatie van de ouder nodig achten. Op dit moment wordt met de oudercommissie, gemeenten, VNG en het Ministerie van SZW verkend welke mogelijkheden er zijn om de brede ondersteuning aan ouders te verbeteren, zowel op korte als op lange termijn.
Kunnen gemeenten een rol spelen bij het signaleren van niet-gedupeerden die in afwachting van de integrale beoordeling een beroep doen op de voorzieningen die bedoeld zijn voor gedupeerden van de toeslagaffaire? Zo ja, hoe kunt u ze hierbij ondersteunen? Zo nee, waarom niet en wat is ervoor nodig om dit wel mogelijk te maken?
Gedupeerdheid wordt vastgesteld in de integrale beoordeling. De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van deze beoordeling ligt bij UHT. Gemeenten kunnen deze beoordelingen niet uitvoeren. Om gemeenten te ondersteunen bij het leveren van de brede ondersteuning en niet-gedupeerden uit het proces te halen wordt ingezet op het zo snel mogelijk afronden van de integrale beoordelingen en het optimaliseren van de gegevenslevering aan gemeenten.
Waar ziet u de grootste knelpunten bij gemeenten in de ondersteuning van gedupeerden? Ziet u mogelijkheden om deze op korte termijn te verhelpen? Zo ja, wat is hiervoor nodig?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de opvatting van dhr. Heijkoop dat het gemeenten aan kaders voor aanvragen en een afbakening in de tijd ontbreekt? Zo nee, waarom niet?
Dit onderwerp is onderdeel van het eerdergenoemde bestuurlijk overleg waarover in de volgende voortgangsrapportage zult worden geïnformeerd. Gemeenten kunnen ook zelfstandig inkadering geven aan het bieden van brede ondersteuning. Door de VNG is ook een handreiking gepubliceerd over hoe gemeenten invulling kunnen geven aan de brede ondersteuning.2 Het ontbreken van strikte kaders en afbakening in de tijd kwam aanvankelijk voort uit de wens van de gemeenten zelf. Om gemeenten de mogelijkheid te geven om maatwerk toe te passen en zo optimaal te kunnen inspelen op de specifieke behoeften van hun inwoners. Het streven was en is om flexibiliteit te bieden in het ondersteuningsproces, wat in veel gevallen waardevol is gebleken.
Wat vindt u van het idee van gemeenten om deze kaders in samenspraak met de gedupeerde ouders te ontwikkelen en welke elementen acht u daarbij van belang?
Het idee van gemeenten om kaders in samenspraak met gedupeerde ouders te ontwikkelen is zeer waardevol. Het is belangrijk ouders hierbij te betrekken om ervoor te zorgen dat de ondersteuningsmaatregelen aansluiten bij hun behoeften. Belangrijke elementen die hierbij van belang zijn, omvatten transparantie, open communicatie en duidelijkheid over wat wel kan en niet kan binnen de brede ondersteuning. Binnen de brede ondersteuning hebben gemeenten ook de vrijheid om op gemeentelijk niveau bepaalde kaders te ontwikkelen.
Hoe kijkt u aan tegen de oprichting van een landelijk expertisecentrum voor trauma en zorg?
De toeslagenaffaire heeft een diepgaande emotionele en mentale impact gehad op de gedupeerden en hun naasten. Mentaal welzijn is essentieel voor een nieuwe start en voor het perspectief op emotioneel herstel. Om gedupeerde ouders met dergelijke problemen te kunnen bijstaan, is specifieke expertise vereist die momenteel niet voorhanden is en bovendien lastig lokaal te organiseren is. Bij het bestuurlijk overleg wordt er dan ook besproken welke mogelijkheden er zijn om recht te doen aan de behoefte van ouders op dit vlak, zonder daarbij de uitvoerbaarheid en doelmatigheid uit het oog te verliezen. In de volgende voortgangsrapportage wordt teruggekomen op de uitkomsten van dit bestuurlijk overleg.
Het bericht ‘Groter brandgevaar bij flexwoningen en verduurzaming, vrees voor dodelijke slachtoffers’ |
|
Sandra Beckerman |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Bent u bekend met het artikel «Groter brandgevaar bij flexwoningen en verduurzaming, vrees voor dodelijke slachtoffers»?1
Ja.
Bent u bekend met het rapport van het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV), waarnaar verwezen wordt in dit artikel?2
Ja.
Wat is uw reactie op de berichtgeving dat flexwoningen een groter brandveiligheidsrisico hebben?
Deze berichtgeving heeft betrekking op het rapport van het NIPV. Dit rapport gaat over branden in de gebouwschil (gevel- en dakconstructies). Het NIPV heeft onderzocht welke lessen er zijn te trekken uit drie geanalyseerde branden en hoe de risico’s en de impact van branden in de gebouwschil kunnen worden beperkt. Eén van de 3 geanalyseerde branden is de brand in unitbouwcomplex Riekerhaven.
Ik ben het NIPV erkentelijk dat dit onderzoek op eigen initiatief is uitgevoerd. Ik zal dan ook de bevindingen van het NIPV bespreken met Brandweer Nederland, Vereniging Nederlandse Gemeenten, NIPV, Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland, Bouwend Nederland en Stroomversnelling.
Het gesprek is gepland begin juli. Daarna zal uw Kamer zo spoedig mogelijk nader worden geïnformeerd.
Dat branden in de gebouwschil aandacht behoeven, was mij al bekend. Volgens het NIPV-rapport geldt dit niet specifiek voor flexwoningen, maar in bredere zin voor alle gebouwen en bouwsystemen waar vergelijkbare constructies kunnen voorkomen. Ik heb uw Kamer eerder geïnformeerd over acties die ik op dit punt in gang heb gezet.3
Het betreft de volgende zaken:
De wegwijzer kan door iedereen in de bouwsector (waaronder opdrachtgevers, ontwerpers, bouwers en toezichthouders) worden gebruikt en bevat aanwijzingen hoe kan worden voldaan aan de bouwregelgeving. Daarnaast biedt de wegwijzer ook handvatten om op basis van risico’s een hoger brandveiligheidsniveau aan te houden om bijvoorbeeld de hoeveelheid schade bij brand te beperken.
In eerdere beantwoording van Kamervragen over flexwoningen3 stelde u dat flexwoningen niet minder veilig zijn dan andere type woningen. Staat u daar nog steeds achter?
Ik sta nog steeds achter mijn antwoorden op eerdere Kamervragen over flexwoningen5. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
In deze beantwoording gaf u ook aan geen zorgen te hebben over brandgevaarlijke containerwoningen, kunt u een overzicht geven hoeveel woningbranden er de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden in flexwoningen?
Er bestaat geen landelijke database van branden. Ik kan daarom geen overzicht geven van het aantal branden in verschillende typen woningen. Ook het NIPV-rapport geeft hier geen informatie over.
Het NIPV beschouwt in haar onderzoek maar één brand in flexwoningen (namelijk Riekerhaven; verplaatste tijdelijke woningen). Ik ben van mening dat we op basis van één brand in flexwoningen niet kunnen veralgemeniseren dat het brandgevaar bij flexwoningen groter is dan bij andere woningen.
Het NIPV geeft in haar rapport wel aan dat uit een internetsearch en een snelle verkenning onder de veiligheidsregio’s meerdere recente en vergelijkbare branden in niet-flexwoningen naar voren zijn gekomen waarbij de gebouwschil betrokken is geweest. Het gaat daarbij om vijf branden sinds 2019.
Wie is er verantwoordelijk voor de schade als er brand ontstaat als resultaat van ontwerpfouten?
De verantwoordelijkheid voor de schade door een brand is niet geregeld in de bouwregelgeving. Het is aan de gebouweigenaar of verzekeraar om na te gaan of een brand mogelijk is veroorzaakt of is versneld door een ontwerpfout. Mogelijk dat een gebouweigenaar of verzekeraar bij een ontwerpfout de verantwoordelijkheid voor de schade privaatrechtelijk kan verhalen bij de ontwerper en/of de bouwer van het gebouw. Er kunnen echter ook andere zaken spelen dan ontwerpfouten, zoals het onveilig gebruik van het bouwwerk of onvoldoende onderhoud. Een algemene uitspraak wie verantwoordelijk is voor de schade door brand is hierdoor niet mogelijk.
Welk gezag moet erop toezien dat flexwoningen veilig worden gebouwd?
De gemeente is bevoegd gezag en ziet toe op naleving van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De gemeente kan bij dit toezicht de brandweer betrekken.
De bouw van een grondgebonden woning valt sinds 1 januari 2024 onder de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). Er moet daarbij een onafhankelijke kwaliteitsborger worden ingeschakeld die controleert en beoordeeld of het gebouw voldoet aan de bouwregelgeving.
Waar kunnen bewoners van flexwoningen terecht als zij twijfels hebben over de veiligheid van hun woning?
Bewoners kunnen brandonveilige situaties melden bij de eigenaar of de beheerder van het gebouw. Als dit niet leidt tot een oplossing, dan kan een bewoner een melding doen bij de gemeente. Voor algemene vragen over brandveiligheid kan iedereen terecht op de website van de brandweer en/of veiligheidsregio.
Vindt u het bouwbesluit voor tijdelijke bouwwerken nog steeds toereikend?
Ja. Het NIPV-rapport doet geen aanbevelingen om de brandveiligheidseisen aan te scherpen, maar geeft wel aanleiding om de brandveiligheid van de gebouwschil te bespreken met de sector. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Een flexwoning hoeft overigens niet perse een tijdelijk bouwwerk te zijn. Ik zie steeds meer projecten waarbij standaard wordt gekozen voor nieuwbouwkwaliteit.
Bent u bereid de vergunningverlening van flexwoningen voorlopig onder het bouwbesluit voor nieuwbouw te laten vallen zodat er meer controle kan plaatsvinden?
Nee. Voor de mate van controle door de gemeente of kwaliteitsborger maakt het niveau van eisen (tijdelijk bouw versus nieuwbouw) ook geen verschil.
Welke stappen gaat u zetten om de veiligheid van bewoners van deze woningen te garanderen?
Zoals gemeld in mijn antwoord op vraag 3 ga ik de bevindingen van het NIPV bespreken met de sector en heb ik al eerder acties in gang gezet.
Voor wat betreft de brandveiligheid van woongebouwen tijdens het gebruik is in mijn opdracht door het NIPV een leidraad ontwikkeld waarmee gebouweigenaren worden ondersteund bij de borging en verbetering van de brandveiligheid van woongebouwen. Deze leidraad is gepubliceerd in 20236. In deze leidraad is ook aandacht voor het informeren van de bewoners over de brandveiligheid en het doen van ontruimingsoefeningen.
Acht u het wenselijk om de inzet op flexwoningen nu tijdelijk te staken totdat er meer onderzoek is gedaan naar de brandveiligheid van deze woningen?
Nee. Er is naar mijn mening geen aanleiding om aan te nemen dat in generieke zin flexwoningen niet brandveilig zijn. Flexwoningen moeten – net als elke woning – voldoen aan de eisen uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving.
Op welke termijn kunt u de bouwregelgeving voor flexwoningen aanpassen?
Ik ga eerst in gesprek met de sector naar aanleiding van het NIPV-rapport om te bezien of en welke verdere acties nodig zijn. Daarbij zal ik mij in bredere zin richten op alle gebouwen en bouwsystemen waar vergelijkbare constructies kunnen voorkomen.
Zijn gemeente en brandweerkorpsen voldoende bekend met de nieuwe risico’s van woningbranden bij flexwoningen?
Mijn beeld is dat zowel gemeenten als de brandweer voldoende op de hoogte zijn van de laatste inzichten. In mijn dialoog met de bouwsector betrek ik ook steeds Brandweer Nederland, Vereniging Nederlandse Gemeenten en de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland.
Kunt u de vragen apart beantwoorden en niet clusteren?
Ik heb elke vraag apart beantwoord.
BTW-teruggave aan internationale reizigers |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Hoeveel geld wordt er door internationale reizigers van buiten de EU gespendeerd in Nederland tijdens hun verblijf?
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek bedroegen de toeristische bestedingen in Nederland in 2022 € 99 miljard. Dit betreft echter bestedingen van alle toeristen voor, tijdens en na de reis en gedurende het verblijf op de plaats van bestemming. Een in het kader van onderhavige vragen relevante uitsplitsing naar het bedrag dat reizigers van buiten de EU hebben gespendeerd bij de aankoop van goederen in Nederland, is niet voorhanden.
In hoeverre maken reizigers van buiten de EU gebruik van de optie tot btw-teruggave (taxfree shopping)?
Reizigers van buiten de EU hebben de mogelijkheid tot btw-teruggave. Het verschilt per reiziger of hier gebruik van wordt gemaakt en wat de financiële omvang van de aankopen is. Het kan bijvoorbeeld gaan om luxegoederen of om goederen die in het land van herkomst niet te koop zijn. In Nederland worden circa 450.000 validaties afgegeven, grofweg tweederde hiervan betreft Nederlandse aankopen.
Bent u van mening dat taxfree shopping door internationale reizigers een positieve invloed kan hebben op economische groei en werkgelegenheid?
Onder voorwaarden is een (in casu) Nederlandse winkelier gerechtigd het btw-tarief van 0% toe te passen op de verkoop van goederen aan natuurlijke personen die hun normale verblijfplaats buiten de Europese Unie hebben (niet-EU-reizigers) en die deze goederen in hun persoonlijke bagage meenemen naar een bestemming buiten de EU. In de praktijk betekent dit dat de winkelier de btw die ter zake van de verkoop in rekening is gebracht, onder voorwaarden aan de niet-EU-reiziger teruggeeft. Aldus krijgt de niet-EU-reiziger de betreffende goederen (achteraf) vrij van btw. Voor de niet-EU-reiziger kan dat een stimulans zijn om tot een bepaalde aankoop over te gaan, hetgeen een stuwend effect kan hebben op de verkopen van winkeliers en daarmee kan bijdragen aan economische groei. Daarbij merk ik op dat een winkelier niet kan worden verplicht om het btw-nultarief toe te passen respectievelijk de teruggave van btw aan de niet-EU-reiziger te faciliteren. Een eventuele positieve economische invloed van een btw-teruggave is dus mede afhankelijk van de deelname door winkeliers.
Bent u van mening dat taxfree shopping kan groeien door digitalisering van bijbehorende processen?
In zijn algemeenheid merk ik op dat (toenemende) digitalisering, mits op een juiste wijze aangewend, kan leiden tot een efficiënter proces. Het proces rond de btw-teruggave verloopt nu reeds gedeeltelijk langs digitale weg. Een verdere digitaliseringsslag zal met name aan de uitvoerkant verder bijdragen aan een vlot verlopende procedure. In dat opzicht is relevant dat de Douane middels een pilot positieve ervaringen heeft opgedaan met het langs digitale weg valideren van de uitvoer uit de EU van in Nederland gekochte goederen. Deze uitvoervalidatie vindt plaats door de (kopie-)aankoopfactuur of een soortgelijk bescheid te voorzien van een zogenoemd visum. Daarmee geeft de Douane aan dat de betreffende goederen de EU daadwerkelijk met de niet-EU-reiziger hebben verlaten. Na ontvangst van deze uitvoervalidatie kan de winkelier, als ook wordt voldaan aan de overige voorwaarden, het btw-nultarief toepassen en de btw aan de niet-EU-reiziger teruggeven. Het visum kan ofwel geautomatiseerd van of vanwege de bevoegde autoriteiten worden afgegeven ofwel door middel van een fysieke stempel door een daartoe bevoegde ambtenaar. Omdat fysieke afstempeling niet optimaal efficiënt is en op bijvoorbeeld luchthavens zorgt voor (lange) wachtrijen, ben ik voornemens om de uitvoervalidatie van goederen die in Nederland zijn gekocht en vanuit Nederland de EU worden uitgevoerd, verplicht langs digitale weg te laten plaatsvinden. Regelgeving daartoe is thans in voorbereiding. Via het reguliere portfolioproces en een Uitvoeringstoets die voorafgaand aan de implementatie van de regelgeving nog zal worden uitgevoerd, zal onder andere in kaart worden gebracht wat de consequenties daarvan zijn op de uitvoering en het IV-portfolio van de Douane. Dit is inclusief de prioritering hiervan ten opzichte van andere ontwikkelingen.
Met de aldus beoogde digitalisering wordt het proces rond de btw-teruggave vereenvoudigd en versneld. Tegelijkertijd merk ik op dat zowel van de winkelier als van de niet-EU-reiziger een zekere inspanning wordt vereist om de teruggave uiteindelijk te kunnen effectueren. In dat opzicht brengt digitalisering daar geen verandering in. Bovendien is, zoals reeds opgemerkt in het antwoord op vraag 3, het gebruik kunnen maken van de btw-teruggave mede afhankelijk van andere factoren en wordt dat niet louter bepaald door de mate van digitalisering van het proces hiervan.
Zo ja, bent u van mening dat er sprake is van een verslechterde concurrentiepositie ten opzichte van andere Europese landen wanneer reizigers in Nederland handmatig hun btw moeten terugvragen, waarbij dit ook leidt tot lange rijen op Schiphol voor aangewezen loketten?
Zoals bovenstaand reeds aangegeven is nationale regelgeving in voorbereiding met het oog op een (verplichte) digitale validatie van de uitvoer van uitsluitend in Nederland gekochte goederen die de niet-EU-reiziger in de persoonlijke bagage vanuit Nederland meeneemt naar een bestemming buiten de EU en waarvoor die reiziger verzoekt om teruggave van btw. Binnen de EU zijn dergelijke systemen nog niet aan elkaar aan te sluiten. Verdere digitalisering zal naar verwachting leiden tot een (aanzienlijke) vermindering van wachttijden op luchthavens en tot een besparing op de capaciteit van de Douane. Opgemerkt wordt dat ook nu al geen sprake is van een volledig handmatig proces. Voorts wordt in het overgrote deel van de gevallen gebruik gemaakt van intermediairs die het proces rond toepassing van het btw-nultarief door de winkelier en teruggave van de btw aan de niet-EU-reiziger begeleiden en afronden.
Voor wat betreft de concurrentiepositie van Nederland ben ik van mening dat een efficiëntere procedure rond de teruggave van btw aan niet-EU reizigers daar een positieve bijdrage aan kan leveren. Tegelijkertijd merk ik op dat de aantrekkingskracht van Nederland als reis- of tussenstopbestemming in aanzienlijke mate mede wordt bepaald door andere factoren dan de faciliteit om btw-vrij te kopen en de positie van Nederland daarin ten opzichte van andere Europese landen. De voorgenomen digitalisering past in het beeld binnen de EU waarin meer lidstaten overgaan tot (enige vorm van) digitalisering of automatisering van het proces rond teruggave van btw aan reizigers.
In hoeverre lopen de Nederlandse economie en de Staat inkomsten mis door gebrek aan digitalisering en een gestroomlijnd proces rond taxfree shopping?
Het proces rond teruggave van btw aan niet-EU-reizigers verloopt momenteel al gedeeltelijk geautomatiseerd. De voorgenomen digitalisering van de uitvoer-validatie van goederen zal bijdragen aan een vlot(ter) verlopende procedure. In hoeverre dat een positieve weerslag zal hebben op de Nederlandse economie is mede afhankelijk van andere factoren. Daarvoor en voor het eventueel mislopen van inkomsten door de Nederlandse economie en de Staat verwijs ik ook naar de antwoorden op de vragen 3 tot en met 5. Daarbij merk ik op dat een eventuele (significante) toename van het aandeel btw-vrij kopen in de winkelverkopen ertoe leidt dat de Staat meer btw zal teruggeven aan niet-EU-reizigers.
In welke mate zou de Staat profiteren van een digitaliseringsslag op het terrein van taxfree shopping?
Zie antwoord vraag 6.