Wat is uw reactie op het bericht dat een medewerker van vaccinproducent Bilthoven Biologicals besmet is met het poliovirus en dat dit aan het licht kwam door een driewekelijkse rioolcheck bij het Utrecht Science Park?1
Het is zeer onwenselijk dat bij het werken met het poliovirus medewerkers besmet raken. Zowel de Omgevingsdienst als de IGJ hebben Bilthoven Biologicals verzocht onderzoek uit te voeren naar het incident. Mijn voorgangers hebben de Kamer geïnformeerd over eerdere incidenten met het poliovirus. De incidenten tonen de noodzaak aan strengere eisen te stellen aan de faciliteiten, die met het virus werken. Ik heb hiertoe een wetsvoorstel voorbereid, waarin een vergunningplicht voor poliofaciliteiten wordt voorgesteld. Met de vergunningplicht wordt beoogd om faciliteiten vooraf te kunnen toetsen op naleving van de strengere en meer specifieke eisen en zo nodig de vergunning in te kunnen trekken. Daarnaast krijgt de IGJ in dit wetsvoorstel wettelijk vastgelegde handhavings- en toezichtsbevoegdheden ten aanzien van «containment».
Is hier sprake van een Lab Leak? Zo nee, wat is de definitie van een Lab Leak?
Er is hier inderdaad sprake van een virus dat afkomstig is uit het laboratorium waar er mee gewerkt wordt en buiten het laboratorium is aangetroffen.
Wat is de status quo van de Lab Leak Theory als het gaat om de coronauitbraak in Wuhan, China, in december 2019?
Er zijn mij geen vorderingen bekend over onderzoek naar de theorie dat het coronavirus uit het laboratorium in Wuhan afkomstig zou zijn.
Wel is in juli van dit jaar in Science2 een onderzoek gepubliceerd, waarin wordt aangegeven dat het grootste deel van de eerste besmette mensen rond de markt in Wuhan zijn gevonden en dat op deze markt de eerste humane besmettingen statistisch verbonden kunnen worden aan een deel van de markt, waar verkopers van levende dieren staan en waar virus positieve monsters uit de omgeving zijn gevonden.
Hoe staat het met het onderzoek dat de Amerikaanse president Biden in mei 2021 aankondigde naar de Lab Leak Theory inzake de coronapandemie?
Ik heb geen nadere informatie over onderzoek van de Amerikaanse inlichtingendienst naar de theorie dat het coronavirus uit het laboratorium in Wuhan afkomstig zou zijn.
Worden er bij het Wuhan Laboratorium, dat in verband gebracht wordt met de Lab Leak Theory als het gaat om de coronauitbraak, ook periodieke rioolchecks gedaan?
Het is mij niet bekend of er bij het Wuhan laboratorium periodieke rioolchecks gedaan worden.
De regeling voor het prijsplafond |
|
Pieter Omtzigt (Omtzigt) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
|
Herinnert u zich dat u op 30 november 2022 beloofde om op 9 december de subsidieregeling bekostiging plafond energietarieven kleinverbruikers aan de Kamer toe te sturen, dus ruim voor plenaire behandeling, later in december?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat wij op woensdag 14 december 2022 een debat hebben over de suppletoire begroting, waaruit deze regeling betaald wordt en dat wij er op 15 december 2022 over stemmen?
Ja.
Kunt u deze regeling per ommegaande aan de Kamer doen toekomen, zodat hij bestudeerd kan worden voor het debat? Kunt u ook de uitgebreide toelichting die bij de feitelijke vragen over de suppletoire begroting beloofd is sturen?
Ja. De regeling is op maandag 12 december 2022 met de Kamer gedeeld, en deze is voorzien van een uitgebreide toelichting.
Wanneer hebben de energiemaatschappijen de conceptregeling ontvangen?
Er is sinds september doorlopend en intensief contact geweest met de betrokken partijen vanuit de sector en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) als beoogde uitvoerder over de totstandkoming van het prijsplafond. Primair ging dat over de inhoudelijke vragen die te maken hebben met de praktische uitvoering. Aan de vertaling naar de concept-regeling zelf is doorlopend gewerkt tot en met maandag 12 december. De beschikbare achterliggende stukken over de besluitvorming en de contacten met de energiemaatschappijen zijn vrijdag 9 december jl. naar de Kamer gestuurd met de Kamerbrief over de prijsplafondregeling voor 2023.
Wanneer heeft de Europese Commissie de conceptregeling ontvangen?
Er zijn doorlopende contacten geweest met de Commissie parallel aan het proces van uitwerking van de regeling. Deze gesprekken zijn vooral gebaseerd op de relevante wettelijke kaders waarop de Commissie toetst. Op 30 november jl. is het prijsplafond formeel bij de Commissie genotificeerd conform het format dat daarvoor bestaat. De definitieve versie van de regeling zoals deze op 12 december 2022 met uw Kamer gedeeld is, is op 12 december ook formeel aan de Commissie voorgelegd in het kader van de notificatieprocedure.
Op 4 oktober 2022 schreef u dat het prijsplafond met de gekozen parameters meer dan 20 miljard euro zou kosten en in de laatste brief van 9 december stond 11,2 miljard euro. Kunt u aangeven wat de schatting is van de kosten van het prijsplafond in 2023 en op basis van welke aannames die berekening gemaakt is?
Kortheidshalve verwijs ik naar de uitgebreide schriftelijke beantwoording van de vragen die de Kamer gesteld heeft over de 10e suppletoire begroting, die ook nader ingaan op de totstandkoming van de relevante ramingen. In de praktijk zullen de kosten in belangrijke mate afhangen van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023.
Kunt u ook de schriftelijke vragen van het lid Omtzigt over de voorbereiding van het prijsplafond voor consumenten (ingezonden 24 november 2022), waarvan ik meerdere keren gevraagd heb ze tijdig te beantwoorden, per ommegaande beantwoorden?
Ja.
kunt u een rekenvoorbeeld geven van de maximale vergoeding die een energiebedrijf verkrijgt onder het prijsplafond voor een klant?
Het energiebedrijf krijgt een vergoeding voor alle inkoopkosten die het moet maken boven de plafondprijzen. Hoe hoog de vergoeding uiteindelijk uitvalt, hangt dus af van de inkoopkosten die het energiebedrijf hiervoor moet maken en is niet op voorhand te zeggen. Wel wordt door de bruto margetoets voorkomen dat energiebedrijven een hogere marge mogen behalen dan in de voorafgaande jaren (2018–2021). Kortheidshalve verwijs ik naar de toelichting op de systematiek van de margetoets in de toelichting bij de conceptregeling, die op maandag 12 december jl. aan uw Kamer verzonden is.
Kunt u deze vragen voor dinsdagavond 13 december beantwoorden?
Nee, dat was gelet op de termijn waarop de vragen ontvangen zijn, niet mogelijk. Uw Kamer ontvangt de antwoorden wel vóór het debat dat voorzien is voor woensdagavond 14 december 2022.
De serie 'Kraken doe je zo' van NPO 3 |
|
Peter de Groot (VVD), Pim van Strien (VVD) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de serie «Kraken doe je zo» van NPO 3?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het kraakverbod sinds 2010 inwerking is getreden en bent u ermee bekend dat kraken op grond van artikel 138a Wetboek van Strafrecht een misdrijf is?
Ja, daar ben ik mee bekend. Sinds 1 juli 2022 is bovendien een op initiatief van de fracties van VVD en CDA wetswijziging in werking getreden waardoor de procedure rond de ontruiming van kraakpanden wordt versneld.
Deelt u de mening dat kraken diefstal is?
Die mening deel ik in zoverre dat zowel in het geval van kraken als diefstal wederrechtelijkheid een element van de delictsomschrijving is. Diefstal en kraken verschillen in zoverre van elkaar dat een kraker zich, anders dan een dief, fysiek niet van het object kan distantiëren dat hij wederrechtelijk – als ware hij rechthebbende – betrokken heeft.
Vindt u dat een serie waarin met onthutsend en ongebreideld enthousiasme wordt uitgelegd hoe een misdrijf gepleegd moet worden in overeenstemming is met de publieke waarden zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 2 Mediawet?
Het is niet aan het kabinet om een oordeel te geven over de inhoud van afzonderlijke programma’s of uitlatingen die daarin worden gedaan. Het kabinet onderschrijft het belang dat het media-aanbod van publieke omroepen voldoet aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen, zoals voorgeschreven in artikel 2.1, lid 2 onder e van de Mediawet. Het Commissariaat voor de Media is als toezichthouder belast met het toezicht op de naleving van de Mediawet. Als aangifte is gedaan bij de politie en het Openbaar Ministerie zou tot strafrechtelijke vervolging overgaan, dan bepaalt de rechter als onafhankelijke instantie of de grenzen van het recht zijn overschreden.
Deelt u de mening dat het abnormaal en abject is dat met belastinggeld betaalde en verspreidde video’s aanmoedigen tot het plegen van misdrijven?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe is deze serie tot stand gekomen en wie heeft goedkeuring gegeven voor het maken en verspreiden van deze serie?
Volgens BNNVARA is de serie tot stand gekomen op de gebruikelijke manier volgens het intekenproces: de omroepvereniging, in dit geval BNNVARA, heeft – tegen de achtergrond van de huidige woningcrisis – het idee om een programma te maken over kraken gepitcht bij de NPO. Deze serie is bedoeld voor een jonge doelgroep omdat vooral zij nu te maken hebben met woningnood. Om die reden is door BNNVARA gekozen voor plaatsing via het platform Youtube en heeft de serie deze titel gekregen. De NPO heeft de serie vervolgens toegekend. Het programma is intern gemaakt en aangeleverd bij de NPO. De NPO heeft het vervolgens geplaatst op Youtube.
Bent u bereid de NPO te verzoeken deze serie per ommegaande van de eigen kanalen van de NPO en breder van het internet af te halen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4 en 5.
Bent u bereid het Commissariaat voor de Media te laten onderzoeken of de Mediawet met deze serie overtreden wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer op de korte termijn informeren wat de uitkomst van dit onderzoek is?
Het is van belang dat elke organisatie binnen het mediabestel vanuit zijn eigen rol en taak functioneert. Het Commissariaat houdt als onafhankelijk toezichthouder toezicht op programma’s. Als het Commissariaat concludeert dat de omroep zich niet houdt aan de Mediawet, dan is het Commissariaat bevoegd om onderzoek te doen.
Bent u er mee bekend dat sinds 2022, op initiatief van de VVD en het CDA, krakers makkelijker uit panden kunnen worden gezet?
Ja, daar ben ik mee bekend. Overigens is voor de ontruiming een rechterlijke toets vereist (artikel 551a Sv). Sinds 2022 vindt die rechterlijke toets op vordering van de officier van justitie voorafgaand aan de ontruiming plaats. De rechter-commissaris dient binnen drie dagen na de vordering van de officier van justitie te beslissen. Doel van deze wetswijziging was versnelling van de procedure, niet zozeer om krakers makkelijker uit panden te kunnen zetten.
Staat het kabinet achter de wetgeving waarmee gekraakte huizen binnen drie dagen kunnen worden ontruimd?
Het kabinet staat volledig achter geldende wetgeving.
Is het aantal krakers de afgelopen jaren toegenomen of afgenomen? Kan de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening dit cijfermatig onderbouwen?
Er vindt momenteel onderzoek plaats naar onder andere deze vraag. De Minister van Justitie en Veiligheid zal u daar komend voorjaar nader over informeren.
Heeft de Minister voldoende juridische instrumenten en capaciteit om het aantal krakers terug te dringen?
Het strafrechtelijk instrumentarium, dat met opeenvolgende wetswijzigingen is aangescherpt, biedt voldoende aanknopingspunten om op te treden. Daarnaast kunnen gemeenten gebruik van de Leegstandwet en kunnen eigenaren van vastgoed leegstandbeheerders inschakelen teneinde te voorkomen dat een pand wordt gekraakt.
Zo ja, wat gaat de Minister doen om het kraakverbod beter te handhaven en het aantal krakers terug te dringen?
Zie het antwoord op vraag 12.
Bent u bereid de NPO aan te moedigen om met hetzelfde enthousiasme waarmee deze kraakserie is gemaakt, ook een vervolgserie te laten maken waarin krakers een gekraakt pand weer uitgezet worden?
Het kabinet heeft geen rol in de programmering van de NPO. Het is aan de omroepen om conform de Mediawet artikel 2.88 vorm en inhoud van de programma’s van de publieke omroep te bepalen. De NPO coördineert het aanbod.
Op welke wijze gaat u het feit dat kraken een misdrijf is onder een breder publiek bekend maken?
Ik zie geen aanleiding daartoe een initiatief te ondernemen. Het is algemeen bekend dat kraken in Nederland niet is toegestaan.
Wilt u deze vragen op een zeer korte termijn beantwoorden, zodat de serie per ommegaande van de eigen kanalen van de NPO en breder van het internet afgehaald kan worden?
Op 23 december 2022 heb ik uw Kamer schriftelijk om uitstel verzocht aangezien de antwoorden interdepartementaal moesten worden afgestemd. Zie voor het overige het antwoord op vraag 4 en 5.
Het bericht 'BKR wil hypotheken registreren en gegevens delen met belwinkels en postorderbedrijven' |
|
Faissal Boulakjar (D66), Steven van Weyenberg (D66), Hülya Kat (D66) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «BKR wil hypotheken registreren en gegevens delen met belwinkels en postorderbedrijven»?1
Ja.
Is het voornemen van het BKR met u besproken? Zo ja, wat was uw reactie? Zo nee, wanneer bent u op de hoogte gesteld van dit idee van het BKR?
BKR pleit al langere tijd voor positieve registratie van hypotheken en heeft dit eerder ook kenbaar gemaakt aan het Ministerie van Financiën. Het voornemen om te consulteren over verplichte registratie van bepaalde hypotheken, is niet met de ministeries besproken. Wel heeft BKR in april jl. aan het Ministerie van Financiën een consultatiedocument gestuurd. Het ministerie heeft zich onthouden van reactie, omdat het ministerie een wetsvoorstel in voorbereiding heeft. Het wetsvoorstel beoogt meer waarborgen voor gegevensverwerking bij kredietregistratie en regelt welke overeenkomsten moeten worden geregistreerd. In het wetsvoorstel wordt kredietregistratie een wettelijke taak, met overeenkomstige bevoegdheden voor de Minister van Financiën. Ik zie op dit moment nog geen reden om hypotheken voor de eigen woning altijd te registeren. Dit element zal nadrukkelijk aan de orde komen in de consultatie van het wetsvoorstel, die ik voornemens ben begin 2023 te starten.
Welke gegevens is het BKR precies van plan te gaan registreren?
Bij BKR worden op dit moment hypotheken voor de eigen woning pas geregistreerd wanneer sprake is van een betalingsachterstand van drie maanden of langer. Dit wordt een negatieve registratie genoemd. Wanneer een kredietovereenkomst bij het aangaan direct wordt geregistreerd, zoals het geval is bij consumptief krediet (bijvoorbeeld persoonlijke leningen) dan heet dit een positieve registratie.
BKR heeft geconsulteerd over verplichte positieve registratie van woninghypotheken voor specifieke doelgroepen. Het gaat om startersleningen en maatwerkleningen die worden gefinancierd door het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting en energiebespaarhypotheken die worden gefinancierd door het Nationaal Warmtefonds. BKR heeft te kennen gegeven dat verschillende organisaties BKR hebben verzocht over te gaan tot registratie, in het licht van de zorgplicht voor de consument. Verder heeft BKR geconsulteerd over de mogelijkheid voor kredietverstrekkers om reguliere hypotheken positief te registeren. Hypotheekverstrekkers zouden dan de keuze hebben om hun eigen, nieuw verstrekte hypotheken positief te registreren. BKR heeft in de consultatie voorgesteld dezelfde gegevens over hypotheken op te nemen als bij andere overeenkomsten die thans bij BKR worden geregistreerd. Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 5.
Op basis van welk mandaat kan het BKR besluiten om deze gegevens te registreren en te delen? Welke publieke controle of wettelijke grondslag geldt daarvoor?
BKR is nu nog een private stichting. Het bestuur van de stichting is verantwoordelijke voor de besluitvorming. Op grond van de Wet op het financieel toezicht moeten kredietaanbieders aangesloten zijn bij een stelsel van kredietregistratie en het stelsel raadplegen wanneer zij krediet van meer dan 250 euro verstrekken. Het stelsel van kredietregistratie is niet wettelijk geregeld. In de praktijk is er één stelsel van kredietregistratie, namelijk BKR. Er is dan ook geen specifieke wetgeving over hetgeen in het kredietenregister van BKR moet worden opgenomen. In het wetsvoorstel dat ik voornemens ben begin 2023 te consulteren, zullen dergelijke bepalingen wel worden opgenomen. Kredietregistratie wordt hiermee een wettelijke taak, met bijbehorende bevoegdheden voor de Minister en dus ook publieke controle.
Op de gegevensverwerking bij kredietregistratie is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing. De grondslag voor gegevensverwerking bij kredietregistratie binnen de privacywetgeving is het bestaan van een gerechtvaardigd belang (artikel 6, eerste lid, onder f, AVG).
Welke privacygevoelige gegevens worden nu door het BKR-verzameld en welke gegevens mogen met derden worden gedeeld?
Welke persoonsgegevens door BKR worden verwerkt en met wie deze gegevens mogen worden gedeeld is neergelegd in het Algemeen Reglement van BKR.
In artikel 9 van het Algemeen Reglement van BKR is opgenomen welke persoonsgegevens BKR verwerkt. Het betreft de geboortenaam, geboortedatum, initialen, geslacht en adresgegevens (inclusief postcode) van natuurlijke personen, de overeenkomst die met de kredietgever is aangegaan, de achterstanden, herstelmeldingen en bijzonderheden die zich voordoen gedurende de looptijd van die overeenkomst(en) en de beëindiging van die overeenkomst.
In de artikelen 5 en 6 van het Algemeen Reglement van BKR is neergelegd aan wie BKR gegevens verstrekt. Gegevensverstrekking geschiedt met name aan de aangesloten kredietverstrekkers die ook gegevens bij BKR registreren. Uit artikel 3 van het Algemeen Reglement volgt dat BKR persoonsgegevens verwerkt voor het verstrekken van informatie aan aangesloten instellingen zodat deze partijen een zorgvuldige afweging kunnen maken of aan de consument een krediet kan worden verstrekt, voor het beheer van hun (krediet)portefeuille en in het kader van de juistheid en volledigheid van de geregistreerde kredietportefeuille (datakwaliteit). Daarnaast levert BKR voor haar zakelijke klanten een bijdrage aan het beperken van de financiële risico’s bij kredietverlening en aan het voorkomen en bestrijden van misbruik en fraude.
Welke inspraak heeft de Staat bij de stichting BKR en in hoeverre kan het BKR eigenstandig besluiten om hypotheken toe te voegen aan hun registraties?
Op grond van de Wet op het financieel toezicht dienen aanbieders van krediet aangesloten te zijn bij een stelsel van kredietregistratie. Er zijn op dit moment geen voorschriften over een stelsel van kredietregistratie. In de praktijk is er één stelsel van kredietregistratie, namelijk BKR. BKR is op initiatief van een aantal kredietverstrekkers in 1965 opgericht. BKR is een van de overheid onafhankelijke organisatie en het ministerie heeft geen inspraak op de besluitvorming van BKR. Ik vind het belangrijk dat het stelsel van kredietregistratie met meer (publieke) waarborgen wordt omkleed. Op grond van het wetsvoorstel dat ik in voorbereiding heb wordt kredietregistratie daarom een wettelijke taak waaraan door de Minister voorschriften kunnen worden verbonden, en kan via wet- en regelgeving worden vastgelegd welke overeenkomsten worden geregistreerd en op wat voor wijze.
Kunnen mensen die weigeren om inzage te geven in hun hypotheekgegevens nog steeds bijvoorbeeld een telefoon op afbetaling kopen? Zo nee, wat vindt u daarvan?
De gegevensverwerking bij kredietregistratie is nu gebaseerd op gerechtvaardigd belang. Er is daarbij geen toestemming van de consument vereist om de gegevens aan te leveren aan BKR door een hypotheek- of kredietverstrekker. Het is dan ook niet mogelijk om te weigeren dat gegevens worden geregistreerd. Wel kunnen mensen bezwaar maken tegen een registratie of een klacht indienen bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening. Daarbij wordt een afweging gemaakt tussen het belang van een zorgvuldige en volledige kredietregistratie – wat dient ter voorkoming van overkreditering – en het belang van de kredietnemer om zijn gegevens uit het BKR te laten aanpassen.
Er zijn geen automatische gevolgen verbonden aan registratie bij BKR. Het uitgangspunt is dat kredietaanbieders bij iedere aanvraag zelf beslissen of zij krediet willen verstrekken op basis van de situatie van de aanvrager. De kredietaanbieder moet informatie inwinnen over de financiële positie van een consument om overkreditering tegen te gaan. De kredietaanbieder moet beoordelen hoe hij met de informatie uit BKR omgaat en of hij het verantwoord vindt om krediet te verstrekken. Het voornemen van BKR brengt hier geen verandering in. Ik kan daarom niet generiek beoordelen of het missen van informatie over een hypotheek ertoe leidt dat kredietaanbieders niet tot kredietverlening overgaan; dat besluit is aan de kredietaanbieder.
Welke indicaties zijn er dat hypotheekschulden aanleiding vormen problematische schulden en/of een indicator zijn voor mogelijke betalingsproblemen en hoe verhoudt dit zich tot de argumentatie op basis waarvan het BKR gegevens verzamelt?
Er zijn geen indicaties dat hypothecaire kredieten de aanleiding vormen voor problematische schulden of een indicator zijn voor potentiële betalingsproblemen. Bij het aangaan van een hypotheek worden huishoudens mede door de wettelijke inkomensnormen goed beschermd tegen overkreditering en potentiële betalingsproblemen. Mede hierdoor is het aandeel niet-presterende hypotheken met ca. 1 procent in Nederland relatief laag. In Nederland hebben ruim 3 miljoen huishoudens een koopwoning gefinancierd met een hypothecair krediet. Eind april 2022 hadden ca. 35 duizend huishoudens een betalingsachterstand van minimaal drie maanden op de hypotheek.2 Ook blijkt uit cijfers van NVVK, de grootste branchevereniging voor schuldhulp en financiële dienstverlening, dat aanbieders van hypothecair krediet niet bij de top vijf schuldeisers behoren van mensen met problematische schulden.3 Ik zie op dit moment nog geen reden om over te gaan tot positieve registratie van hypotheken in BKR. Zoals ook opgenomen in de beantwoording van vraag 2, zal dit element nadrukkelijk aan de orde komen in de consultatie van het wetsvoorstel, die ik voornemens ben begin 2023 te starten.
Hoeveel mensen zouden er een BKR-registratie krijgen als het BKR ook hypotheekschulden gaat registreren en is hoe beoordeelt u de doelmatigheid en proportionaliteit hiervan in het licht van het uitgangspunt dat men zo terughoudend mogelijk omgaat met het verzamelen en bewaren van persoonsgegevens?
Het voornemen van BKR is om kredietverstrekkers de mogelijkheid te geven om nieuwe hypotheken positief te registreren. Op voorhand kan niet gezegd worden hoeveel mensen een BKR-registratie zouden krijgen omdat niet duidelijk is hoeveel kredietverstrekkers daadwerkelijk over zouden gaan tot registratie. In 2021 zijn ca. 500 duizend hypotheken verstrekt. In totaal hebben ruim 3 miljoen huishouden een hypotheek. Op basis van het consultatiedocument van BKR kan ik niet opmaken of BKR de doelmatigheid en proportionaliteit van het voornemen heeft beoordeeld. Zelf zie ik in ieder geval op dit moment nog geen reden om over te gaan tot positieve registratie van hypotheken.
In hoeverre bent u van mening dat de hoogte van de hypotheekschuldan sich niet zoveel zegt over de liquiditeit van huishoudens als hier niet ook de inkomens- en vermogenspositie in wordt meegenomen? In hoeverre is een betalingsachterstand op de hypotheekrente die reeds wordt geregistreerd door het BKR, niet een veel betere en meer doelmatige voorspeller van eventuele betalingsproblemen en/of een indicator van de kredietwaardigheid van huishoudens?
Bij het verstrekken van een hypothecair- of consumptief krediet moet een kredietverstrekker in het belang van de consument informatie inwinnen over diens financiële positie en beoordeelt hij, ter voorkoming van overkreditering, of het verstrekken van het krediet verantwoord is. Ik deel uw mening dat de hoogte van de hypotheekschuld op zich niets zegt over de kredietwaardigheid van een huishouden. Een betalingsachterstand op de hypotheek kan wel een goede voorspeller zijn van eventuele betalingsproblemen. Het is belangrijk dat bij kredietverstrekking de corresponderende maandelijkse hypotheeklasten goed worden meegenomen bij de inkomsten- en lastentoets. Dit gebeurt in de praktijk al.
Hoe verhoudt het besluit van het BKR zich tot de voorzichtigheid die wordt betracht bij het aansluiten van betalingsachterstanden op de hypotheekschuld bij gemeentelijke vroegsignalering van schulden?
Voor de vroegsignalering is het doorgeven van betalingsachterstanden van belang. Het positief registreren van hypotheekschulden waar geen betalingsachterstanden spelen staat hier los van.
Sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) op 1 januari 2021 zijn woningcorporaties, energie- en drinkwaterbedrijven en zorgverzekeraars verplicht om beginnende betalingsachterstanden door te geven aan de gemeente. Gemeenten krijgen mensen met schulden tijdig in beeld en kunnen hen schuldhulpverlening aanbieden. De Wgs biedt experimenteerruimte (artikel 10) zodat onderzocht kan worden of met behulp van andere signalen over betalingsachterstanden mensen met financiële problemen in beeld komen die nog eerder niet bekend waren bij vroegsignalering en schuldhulpverlening. In dit kader is een experiment gestart met het doorgeven van hypotheekachterstanden met als doel het bereiken van huiseigenaren met financiële problemen. Voor het vroegsignaal vanuit de hypotheekverstrekkers worden beginnende betalingsachterstanden gebruikt die hypotheekverstrekkers doorgeven aan de gemeenten. Pas wanneer is gebleken dat het delen van dit signaal effectief is om een nieuwe groep mensen met beginnende betalingsachterstanden in beeld te brengen is dit aanleiding om hiervoor een wettelijke basis te creëren.
Bestaat er een risico dat registratie van hypotheekschulden bij het BKR vooral de mogelijkheden van starters om te lenen zal raken?
Nee, die zorgen heb ik niet. Starters hebben immers nog geen hypotheek dus zal het voornemen van BKR om hypotheken positief te registreren hen niet raken.
Zoals ik in andere antwoorden schrijf, zie ik op dit moment geen reden om hypotheken voor de eigen woning altijd te registeren.
Wat is de toegevoegde waarde van een eventuele registratie bij het BKR ten opzichte van de huidige registratie bij het Kadaster?
BKR heeft in het consultatiedocument vier argumenten genoemd waarom beschikbaarheid van de informatie bij het Kadaster niet voldoende is. Volgens BKR moeten kredietverstrekkers twee registers raadplegen, raadplegen kredietverstrekkers in de huidige praktijk het Kadaster niet (met uitzondering van hypotheekverstrekkers om te controleren of er al een hypothecaire inschrijving is op het onderpand), is de informatie bij het Kadaster gerelateerd aan het object (de woning) en niet het subject (de kredietnemer) en staat de hypothecaire inschrijving vermeld, maar kan dat dit bedrag hoger liggen dan de hoofdsom. Zoals hierboven beschreven zal de registratie van hypotheken aan de orde komen in de consultatie van het wetsvoorstel, die ik voornemens ben begin 2023 te starten.
Bent u bereid om met het BKR in gesprek te treden om dit besluit op te schorten totdat meer inzicht is gegeven in de doelmatigheid en proportionaliteit hiervan?
Ja. Ik ben met BKR in gesprek over hun consultatie, mede in het licht van mijn voornemen om met een wetsvoorstel te komen.
Kunt u deze vragen uiterlijk vijf werkdagen voor het commissiedebat over de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering van 21 december 2022 beantwoorden, dus voor 14 december 2022?
Mijn streven is om de beantwoording op zo kort mogelijke termijn aan uw Kamer te sturen.
Het voornemen van Vanuatu om het Internationaal Gerechtshof te vragen om een Advisory Opinion over de verantwoordelijkheden van staten op het gebied van klimaatverandering |
|
Jan de Graaf (CDA), Don Ceder (CU) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Wat is uw reactie op de op 29 november j.l. door Vanuatu gedeelde conceptresolutie die het Internationaal Gerechtshof vraagt om een Advisory Opinion over de verantwoordelijkheden van staten op het gebied van klimaatverandering?1
Gelet op het ambitieuze nationale en internationale klimaatbeleid van Nederland is het kabinet voornemens om, net als het VK, Japan, en vrijwel alle EU landen, de resolutie te steunen als deze in stemming wordt gebracht in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Nederland heeft tevens, net als 104 andere landen, de resolutie geco-sponsord.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de landen die het meest getroffen zijn door klimaatverandering aandacht vragen voor hun vaak kwetsbare positie op het internationale toneel en deze door middel van internationaal recht proberen te verstevigen?
Het kabinet neemt met belangstelling kennis van de gebruikmaking van het internationaal recht middels een adviesaanvraag bij het Internationaal Gerechtshof door landen die bijzonder kwetsbaar zijn voor klimaatverandering.
Bent u bereid om, nu de conceptresolutie bekend is, steun uit te spreken voor dit initiatief? Zo ja, hoe bent u van plan invulling te geven aan deze steun? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw inschatting van het huidige krachtenveld binnen de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties als het gaat om het Vanuatuaanse initiatief?
De resolutie is door Vanuatu ingediend en wordt op dit moment gesteund door meer dan 100 landen, waaronder Nederland. Een meerderheid van de lidstaten heeft in de Algemene Vergadering aangegeven voor de resolutie te stemmen, mocht er een stemming plaatsvinden. Er bestaat echter een mogelijkheid dat de resolutie met consensus wordt aangenomen.
Bent u bereid om de Nederlandse diplomatieke capaciteit, inclusief uw eigen bilaterale contacten, actief in te zetten om steun te vergaren voor de conceptresolutie?
De resolutie wordt door een brede groep landen gepresenteerd en een meerderheid van de lidstaten in de Algemene Vergadering heeft aangegeven de resolutie te kunnen steunen. Er is dus brede steun en nu geen noodzaak om additionele capaciteit voor de Nederlandse klimaatdiplomatie actief in te zetten op dit onderwerp.
Gezien het feit dat Duitsland deel uitmaakt van de kerngroep die de conceptresolutie heeft opgesteld, staat u in contact met uw Duitse collega’s over de conceptresolutie en eventuele mogelijkheden voor Nederland om een bijdrage te leveren aan het vergaren van steun? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk en in ieder geval voor het in stemming brengen van de resolutie beantwoorden?
Ja, met dien verstande dat het op dit moment nog onduidelijk is of er een stemming zal plaatsvinden. Er bestaat een mogelijkheid dat de resolutie met consensus wordt aangenomen.
Het bericht 'Schiphol gaf al ruim 16 miljoen euro uit in jacht op stikstofrechten' |
|
Suzanne Kröger (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Kent u het bericht «Schiphol gaf al ruim 16 miljoen euro uit in jacht op stikstofrechten»?1
Ik ben bekend met dat bericht.
Klopt het dat Schiphol inderdaad voor reeds 16 miljoen euro boerderijen of stikstofrechten van boerderijen heeft opgekocht?
Schiphol heeft mij bericht dat zij agrarische bedrijven (gedeeltelijk) heeft aangekocht. Op basis van indicatieve berekeningen gaat Schiphol ervan uit dat er als gevolg van deze transacties bij de door haar aangevraagde activiteiten voor de luchthaven Schiphol geen toename is van stikstofdepositie. Op het moment dat de door Schiphol uitgevraagde validatie op deze berekeningen is afgerond kan definitief worden vastgesteld of de volledige opgave is gemitigeerd of
dat er nog aanvullende externe maatregelen nodig zijn. Uiteraard zal ik dat als bevoegd gezag, nadat de passende beoordeling op dit punt is aangevuld, ook toetsen.
Klopt het dat Schiphol voornemens is om nog meer boerderijen of stikstofrechten van boerderijen op te kopen?
Nee zie antwoord op vraag 2.
In hoeverre zijn uw ministeries betrokken bij deze transacties? Was u hiervan op de hoogte? Is hier overleg over gevoerd, toestemming verleend of instemming gesuggereerd?
Het is belangrijk dat Schiphol voldoet aan de wet- en regelgeving en in het bezit komt van een natuurvergunning. Het handelen van Schiphol is in lijn met het uitgangspunt dat initiatiefnemers in het kader van een aanvraag om een natuurvergunning zelf verantwoordelijk zijn om stikstofuitstoot te mitigeren, bijvoorbeeld door extern te salderen. Dit uitgangspunt heeft het kabinet ook richting initiatiefnemers, waaronder Schiphol, uitgedragen. Zie bijvoorbeeld de Kamerbrief van 4 oktober 2019, Kamerstuk 32 670, nr. 167). De regels die voor extern salderen gelden, zijn vastgelegd in beleidsregels (Stcrt 2020, 52486) en zijn voor alle initiatiefnemers gelijk, en gelden dus ook voor Schiphol.
Van enige betrokkenheid van de ministeries bij de transacties is geen sprake.
Hoe beziet u het opkopen van boerderijen door de Schiphol Group in het licht van de aangenomen Kamermoties hierover?2
Er komt nog een afzonderlijke reactie op de moties. Zonder hierop vooruit te willen lopen, merk ik wel op dat richting Schiphol steeds is gecommuniceerd dat de luchthaven zo snel mogelijk over de vereiste natuurvergunning dient te beschikken en daarvoor, zo nodig, de nodige maatregelen dient te treffen. Schiphol heeft geen uitzonderingspositie en is steeds gewezen op haar eigen verantwoordelijkheid voor een natuurvergunning.
Niettemin herkent het kabinet de wens van de moties om meer regie te hebben over de inzet van stikstofruimte. Daarom is in de Kamerbrief van 25 november jl. aangegeven dat de insteek van het kabinet is om steviger regie te voeren op het uitgeven van stikstofruimte aan prioritaire projecten van nationaal belang, waaronder PAS-meldingen. Zo zet het kabinet in op het registreren van alle vrijkomende en vrijvallende ruimte en het aanscherpen van de interbestuurlijke afspraken over extern salderen. Ook worden de mogelijkheden uitgewerkt om in het kader van gebiedsprocessen met voorrang te sturen op gebruik van emissieruimte en om een voorkeursrecht te vestigen op grond met een agrarische functie.
De aankondiging van dit nieuwe beleid laat onverlet dat het op dit moment in het kader van de Wet natuurbescherming is toegestaan om mitigerende maatregelen te nemen door extern te salderen. Private ondernemingen zijn vrij om met elkaar transacties aan te gaan.
Hoe en wanneer gaat u uitvoering geven aan deze Kamermoties?
Zie antwoord op vraag 5.
Is de aankoop definitief? En zo nee, bent u voornemens hierop te handelen?
Er zijn private transacties gesloten. Ik kan daar niet in treden. Het staat Schiphol, net als andere initiatiefnemers, vrij om private transacties aan te gaan. De regels voor extern salderen zijn voor alle ondernemingen gelijk.
Hoe gaat u voorkomen dat Schiphol zoals aangekondigd nog meer boerderijen opkoopt, voordat er een nationale stikstofbank is, of er afspraken zijn over de verdeling van stikstofruimte?
Zie de antwoorden op vraag 5 en 7.
Klopt het dat overheden die boerderijen op willen kopen in het kader van natuurherstel achter het net vissen, omdat Schiphol niet is gebonden aan de regels voor staatssteun en dus meer mag bieden?
Op dit moment is het in het kader van de Wet natuurbescherming toegestaan om mitigerende maatregelen te nemen door extern te salderen. Er is nu geen stikstofbank waaruit een initiatiefnemer kan putten. Private ondernemingen zijn vrij om met elkaar transacties aan te gaan.
Echter, zoals u weet willen we meer regie krijgen over de aankoop en inzet van stikstofrechten. Aan dat nieuwe beleid wordt nu gewerkt, waarbij ook de wettelijke mogelijkheden om een voorkeursrecht te vestigen worden verkend. Daarnaast zet het kabinet in op het realiseren van een stikstofbank waarin de vrijvallende stikstof wordt geregistreerd.
Zo ja, vindt u het wenselijk dat een staatsbedrijf op deze manier concurreert met het algemeen belang of het overheidsbelang?
Zie antwoord op vraag 9; van oneerlijke concurrentie met overheden is geen sprake. Daarnaast staat de Minister van Financiën als aandeelhouder op afstand. Het is aan het bestuur van Schiphol om zorg te dragen voor operationele aangelegenheden. Het voldoen aan wet- en regelgeving en het aanvragen van een natuurvergunning zijn dergelijke operationele aangelegenheden.
Welke andere bedrijven kopen boerderijen op om zo aan stikstofruimte te komen? Zit hier ook industrie bij? Of alleen andere landbouwbedrijven? Is hier een overzicht van?
Extern salderen is nu een gangbare wijze om een natuurvergunning te verkrijgen.
Uit de Tussenbalans extern salderen met veehouderijen, die op 25 november jl. met uw Kamer is gedeeld, is gebleken dat het grootste deel van deze transacties (meer dan 70%) binnen de agrarische sector heeft plaatsgevonden.
Het bericht 'Drie maanden niet naar het werk door ontbreken rolstoelbrug: ‘De aangeboden oplossing is prijzig’' |
|
Jan de Graaf (CDA) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Drie maanden niet naar het werk door ontbreken rolstoelbrug: «De aangeboden oplossing is prijzig»»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht
Klopt het dat op perron 5 van station Ede-Wageningen geen rolstoelbrug aanwezig is?
Op station Ede-Wageningen is er inderdaad sprake geweest van het ontbreken van een rolstoelbrug op perron 5. Bij de plaatsing van een rolstoelbrug dient een veiligheidsprocedure gevolgd te worden. Recent heeft er een verbouwing plaatsgevonden op dit station. Vanwege de verbouwing diende de veiligheidsinformatie van station Ede-Wageningen geactualiseerd te worden. Dit heeft tijd in beslag genomen waardoor de plaatsing van de rolstoelbrug langer dan normaal heeft geduurd.
Klopt het dat het nog tot de opening van het nieuwe station in 2024 gaat duren voor er wel een rolstoelbrug op dit perron geplaatst zal worden?
Sinds 15 december 2022 is er weer een reisassistentiemiddel beschikbaar op perron 5 waardoor er weer reisassistentie van en naar dit perron aangeboden kan worden.
Hoe beoordeelt u de ontstane situatie?
Ik vind het vervelend dat klanten die reizen met reisassistentie een aantal maanden geen gebruik konden maken van reisassistentie van en naar perron 5 in Ede-Wageningen. Tegelijkertijd heb ik ook begrip voor de zorgvuldige procedures van ProRail voor de (transfer)veiligheid. In de periode dat er geen reisassistentie kon worden geboden op perron 5 van station Ede-Wageningen bood NS Klantenservice de reizigers die hiermee te maken kregen een alternatief aan. Afhankelijk van de wensen en mogelijkheden van de reiziger ging het om omreizen via een ander perron op Ede-Wageningen, vertrekken vanaf een station in de buurt of de inzet van een (rolstoel)taxi van of naar het dichtstbijzijnde logische opstapstation.
Hoe verhoudt het ontbreken van deze rolstoelbrug zich tot de inzet en ambitie die voortvloeien uit het recent gesloten Bestuursakkoord Toegankelijk Openbaar Vervoer (OV) 2022–2023?
Ik vind het belangrijk dat mensen met een beperking kunnen reizen met het OV. Met het Bestuursakkoord Toegankelijkheid Openbaar Vervoer zet ik, samen met de sector, stappen om het OV de komende jaren toegankelijker te maken. Natuurlijk moet elke voorziening ook veilig zijn. Soms staan deze zaken met elkaar op gespannen voet en moeten er alternatieven worden aangeboden om de reis veilig te kunnen maken. Ik zie in de sector een gezamenlijke motivatie om het reizen met het OV toegankelijker te maken. NS en ProRail vervullen in dezen een actieve rol.
Hoe beoordeelt u de constatering dat er meermaals contact met de NS is geweest over het ontbreken van de rolstoelbrug, maar dat dit niet tot concrete actie heeft geleid? Vindt u dat dergelijke klachten beter opgevolgd zouden moeten worden? Hoe kan dit concreet vorm gegeven worden?
Ik vind het belangrijk dat NS en elke andere partij adequaat reageren op vragen van klanten en samen met hen op zoek gaat naar oplossingen. Daarover heb ik met NS ook afspraken gemaakt. NS heeft de situatie inmiddels opgelost waardoor perron 5 weer rolstoeltoegankelijk is.
Wat is de reden dat de rolstoelbrug niet tussen perrons verplaatst kan of mag worden?
Het verplaatsen van een brug naar een ander perron kent mogelijke veiligheidsrisico’s, waarbij gedacht kan worden aan de beschikbare ruimte in de liften en de risico’s voor medewerkers en passanten die samenhangen met het verplaatsen van de brug over grotere afstanden door een mogelijk druk station.
Hoe beoordeelt u de door NS geboden «oplossing» om een «taxi naar station Arnhem of station Veenendaal-De Klomp te rijden en vandaar naar Den Haag te sporen», wat resulteert in 6,5 tot 7 uur reistijd? Deelt u de mening dat dit geen daadwerkelijke oplossing voor het ontstane probleem is?
Zoals ik bij vraag 4 opmerkte, bood NS Klantenservice in overleg met de klant een aantal alternatieve reisopties aan. Deze opties kunnen uiteraard tot extra reistijd leiden en ongemak voor de klant veroorzaken. In de praktijk wordt door de betrokkenen ingezet op het zo kort mogelijk houden van de periodes waarin de genoemde maatregelen getroffen moeten worden. Overigens herkent NS de gestelde extra reistijd tot 6,5 tot 7 uur niet.
Deelt u de mening dat deze situatie op station Ede-Wageningen onwenselijk is en wilt u zich inspannen om deze situatie zo spoedig mogelijk te beëindigen? Hoe gaat u dat doen? Op welke termijn is dit te realiseren?
Per 11 december 2022 biedt NS op 220 stations op het Hoofdrailnet reisassistentie aan. Dat is 89% van alle stations waar NS halteert. Op al deze stations zijn reisassistentiemiddelen beschikbaar met uitzondering van de stations Bovenkarspel-Grootebroek en Hoogkarspel. Voor deze stations heeft ProRail vastgesteld dat het perron op deze stations te smal is om deze reisassistentiemiddelen veilig te kunnen plaatsen. In overleg met NS, het Ministerie van IenW, de consumentenorganisaties in het Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer (Locov) en belangenorganisaties die mensen met een beperking vertegenwoordigen is voor die stations daarom besloten om alleen reisassistentie aan te bieden aan reizigers die geen brug nodig hebben bij het in en uit de trein stappen. Denk hierbij aan reizigers met een visuele beperking die reisassistentie aanvragen in het kader van routegeleiding door het station of mensen met een rollator of stok. In december 2023 krijgen de laatste stations op het Hoofdrailnet waar NS halteert en waar de perronsituatie dit toelaat en waar ProRail de perrons en de route tussen de perrons drempelvrij bereikbaar heeft gemaakt met liften of hellingbanen, NS-Reisassistentie.
Zijn er andere stations in Nederland waar rolstoelbruggen op bepaalde perrons ontbreken? Zo ja, welke overwegingen liggen daaraan ten grondslag? Wilt u zich inspannen om deze (eventuele) onwenselijk situaties zo spoedig mogelijk te beëindigen?
Geheime gevangenissen langs de EU-buitengrenzen |
|
Sylvana Simons (BIJ1), Kati Piri (PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Kent u het bericht dat vluchtelingen heimelijk worden gevangengezet voordat ze gewelddadig de EU-buitengrenzen worden overgezet? Zo ja, klopt dit bericht?1
Ja, het kabinet is bekend met het bericht. Vooropgesteld, de berichtgeving is zorgwekkend. Voor het kabinet is het vanzelfsprekend van belang dat het grenstoezicht, de asielprocedure en opvang voldoen aan de standaarden volgend uit het EU-acquis, waaronder fundamentele rechten. Daarbij hoort ook dat het principe van non-refoulement moet worden gerespecteerd en dat moet worden voorzien in de basisbehoeften van mensen. Dat geldt voor EU-lidstaten en uiteraard ook voor Frontex. Het kabinet spreekt zich hier in EU-verband over uit en pleit voor onafhankelijke monitoringsmechanismen aan de grens.
Het kabinet beschikt op dit moment niet over eigenstandige informatie om uitspraken te doen over de bevindingen die in de berichten worden gedeeld. Het kabinet is van mening dat berichtgeving over misstanden aan de buitengrenzen onderzocht moeten worden door de betrokken lidstaten. Wanneer de lidstaten over een onafhankelijk monitoringsmechanisme beschikken, zou deze het onderzoek moeten uitvoeren. De bescherming van de Europese buitengrenzen is van groot belang, maar hierbij dienen Europese en internationale wetgeving te allen tijde gewaarborgd te worden. Voor de handhaving van deze regels kijkt het kabinet nadrukkelijk naar de Europese Commissie. De Commissie heeft als hoedster van de verdragen een belangrijke rol erop toe te zien dat lidstaten zich aan de regels houden, en beschikt op basis van het EU Werkingsverdrag ook over middelen die het kan inzetten in geval een lidstaat dat niet doet. Het kabinet moedigt de Commissie aan hierin haar rol te pakken. Voor het Europees financieren van grensinfrastructuur gelden strikte voorwaarden, onder andere dat de desbetreffende maatregelen moeten voldoen aan de internationale verplichtingen en Europese wet- en regelgeving. Ook hier ziet de Commissie op toe.
Is het waar dat dit soort clandestiene gevangenissen worden betaald met EU-geld, dat vluchtelingen worden gevangengezet in kooien, dat er geen toiletten zijn of stromend water is en dat mensen worden geduwd en geslagen? Is het waar dat mensen terug over de grens worden gezet? Zo ja, bent u het eens met de stelling dat dit te kwalificeren valt als marteling?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de precieze rol van Frontex hierin?
Frontex personeel ondersteunt op basis van de EGKW-verordening de Bulgaarse politie enkel bij de uitvoering van grenssurveillance activiteiten; dit kan ook het aanhouden van personen inhouden. Frontex personeel is dus niet betrokken bij het verdere proces zoals de mogelijke asielaanvraag, opvang, detentie of terugkeer van de persoon. Dit valt buiten het mandaat van het EU-agentschap.
Frontex heeft bevestigd dat er naar aanleiding van de open source informatie een Serious Incident Report onderzoek is gestart, naar aanleiding van de vermeende grondrechtenschendingen bij het desbetreffende politiebureau in Bulgarije waarnaar in het artikel wordt verwezen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door de Frontex grondrechtenfunctionaris (FRO), wiens bevoegdheden, na eerdere kritische rapporten, zijn verruimd. Er kan niet vooruitgelopen worden op de resultaten van dit onderzoek door de FRO.
Kunt u aangeven of Nederland hierbij direct of indirect betrokkenheid heeft? Zo ja, in welke vorm? Zo nee, wat doet Nederland precies om dit soort mensonterende misstanden te voorkomen? Welke consequenties verbindt u precies aan deze misstanden?
Het Nederlands Nationaal Contactpunt Frontex (NFPOC), dat verantwoordelijk is voor alle uitzendingen van het Nederlandse personeel, heeft aangegeven dat er vanuit het uitgezonden Nederlandse personeel geen enkel signaal binnengekomen is over mogelijke misstanden als omschreven in het artikel.
Frontex en alle lidstaten, dus ook Nederland, zijn verplicht om misstanden te allen tijde te voorkomen. In de recente rapporten over het functioneren van Frontex worden duidelijke conclusies getrokken over nodige verbetering in rapportage- en monitoringsmechanismen, de governance en cultuur. Dat is ook in lijn met de Nederlandse inbreng binnen de Frontex Management Board. De benoeming van een nieuwe Uitvoerend Directeur is dan ook een goed moment om in gezamenlijkheid de uitdagingen ter hand te nemen.
Frontex personeel heeft de verplichting om alle vermeende grondrechtenschendingen te melden in de daarvoor bestemde monitoringsmechanismes. Deze meldingen worden zorgvuldig opgepakt door de FRO. Het gehele permanente korps krijgt uitgebreide training in het eerbiedigen van grondrechten en over de waarborging hiervan in alle activiteiten. Naast alle voorbereiding door het Agentschap, onder leiding van de FRO, onderhoudt de NFPOC contact met uitgezonden personeel en verzorgt na terugkomst een debriefing. Dit gezamenlijk maakt, dat er veel vertrouwen is in het functioneren van het Nederlandse personeel in de Frontex operaties.
Wat neemt u zich voor om deze misstanden in EU-verband aan de kaak te stellen? Bent u bijvoorbeeld bereid om in de meest krachtige bewoordingen de Nederlandse weerzin tegen dit soort misstanden in EU-verband tot uitdrukking te brengen en aan te dringen op daadkrachtige maatregelen om herhaling te voorkomen?
Voor Nederland is het van groot belang dat de grensbewaking aan de Europese buitengrenzen altijd plaatsvindt in lijn met de internationale verplichtingen en fundamentele rechten. Het kabinet spreekt zich dus reeds uit over berichtgeving over misstanden en zal dat blijven doen, in dit geval betrekt het daarbij de uitvoering van de motie van der Graaf/Ceder2. Het hecht daarbij aan de rol van de Commissie als hoedster van de verdragen, en benoemt berichtgeving over misstanden daarom in gesprekken met de Commissie. Het kabinet kaart vermeende misstanden ook in breder Europees verband aan, bijvoorbeeld tijdens een JBZ-Raad, evenals in bilaterale contacten met lidstaten. Ook heeft het kabinet kortgeleden in de JBZ-Raad van oktober jl. gepleit voor het opzetten van onafhankelijke monitoringsmechanismen aan de grens.
Bent u bereid om deze vragen per omgaande te beantwoorden?
Beantwoording van de Kamervragen kwam uw Kamer binnen de gestelde termijnen toe.
De schrikbarende stijging van het aantal daklozen, met name onder jongeren |
|
Hans Smolders (FVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Kent u het artikel: «Leger des Heils: aantal daklozen, vooral jongeren, stijgt schrikbarend?»1
Ja.
Wist u dat het afgelopen jaar het aantal daklozen met een kwart is toegenomen en onder jongeren van 18 tot 22 jaar zelfs met de helft?
Ik ben bekend met de recente cijfers van het Leger des Heils over de toename van het aantal dakloze mensen dat zij binnen hun verschillende voorzieningen zien. Het signaal van het Leger des Heils baart mij zorgen en laat de urgentie zien van het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis.
De landelijke cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD) van het aantal dakloze mensen dat gemeenten in beeld hadden in 2022, zijn nog niet beschikbaar. We weten daarom nog niet of de cijfers van het Leger des Heils overeenkomen met het landelijke beeld.
Bent u op de hoogte van het werkelijke aantal, dat nog veel hoger ligt, en heeft u zicht op deze daklozen die «onder de radar» leven? Zo niet, wilt u deze exacte getallen onderzoeken?
De monitoring van het aantal dakloze mensen is zeer complex. Op dit moment wordt dit aantal op twee verschillende manieren op landelijk niveau gemonitord: de schatting van het CBS en de monitor dakloosheid via de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein in samenwerking met de VNG en het CBS, met data over het aantal dakloze mensen dat gemeenten in beeld hebben. We weten dat in de huidige vorm van monitoring een deel van de dakloze mensen onder de radar blijft.
Verbetering van de monitoring is daarom een belangrijk onderdeel van het Nationaal Actieplan Dakloosheid. We werken toe naar het hanteren van de ETHOS Light definitie (European Typology of homelessness and Housing Exclusion). De ETHOS Light definitie omvat niet alleen mensen die van een noodopvang of maatschappelijke opvang gebruik maken, maar ook mensen die langer dan noodzakelijk in een instelling verblijven, op onconventionele woonplekken verblijven, mensen die noodzakelijkerwijs bij hun netwerk verblijven of mensen die geconfronteerd worden met dreigende huisuitzetting. De categorisering in deze definitie laat goed zien dat dakloosheid geen statisch gegeven is, maar een fluïde proces van meerdere vormen van het ontbreken van (in)stabiele huisvesting. In het voorjaar van 2023 starten twee pilottellingen volgens de ETHOS Light definitie in de regio’s Den Bosch en Oss. Ik wil op basis van de resultaten van deze pilot concrete vervolgstappen zetten. In de tussentijd laat ik alvast onderzoek uitvoeren naar de mogelijkheden tot het uitbreiden en verbeteren van de bestaande monitoring. Dat is de monitoring die het CBS in samenwerking met VNG uitvoert.
Bent u net als de voorzitter van het Leger des Heils ook enorm geschrokken van deze getallen en ziet u deze in het zicht van de vele crisissen de komende jaren nog verder stijgen?
In ben inderdaad geschrokken van de signalen van het Leger des Heils. Ongeacht de meest recente cijfers, ben ik van mening dat in Nederland een te groot aantal mensen dakloos is.
Structurele oplossingen die de transformatie naar preventie van dakloosheid en Wonen Eerst bewerkstellingen zijn noodzakelijk. De krapte op de woningmarkt en de maatschappelijke effecten van de energiecrisis en gevolgen daarvan op vele huishoudens maakt de noodzaak tot het versnellen van deze transformatie urgenter dan ooit. Ook in deze lastige tijd met hoge inflatie en toenemende bestaansonzekerheid is het onze ambitie om dakloosheid in Nederland fors en structureel terug te dringen. Naast het Actieplan worden ook maatregelen genomen als een koopkrachtpakket en de Nationale Woon-en Bouwagenda moet voor meer betaalbare huisvesting zorgen. Toch bestaat het risico dat meer mensen dan voorzien dakloos raken. We zetten alles op alles om dit te voorkomen, maar deze omstandigheden kunnen effect hebben op het realiseren van de doelstelling van het Actieplan Dakloosheid.
Vindt u het niet ook getuigen van weinig urgentie dat u met het Nationaal Actieplan Dakloosheid wil beginnen in 2024 en oplossen in het jaar 2030? Hangt dit doeljaar samen met de doelstellingen voor 2030 van de Verenigde Naties?
Het Nationaal Actieplan Dakloosheid is juist tot stand gekomen vanuit een breed gedeeld gevoel van urgentie. Het is op 5 december 2022 gelanceerd en daarmee ook direct gestart.
Het doeljaar 2030 hangt samen met de doelstelling uit de Verklaring van Lissabon2 die door Nederland is ondertekend.
Kent u het conceptwetsvoorstel van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over het Wetsvoorstel gemeentelijke taken mogelijk maken asielopvangvoorzieningen waarin onder andere deze maatregelen staan: «het aantal benodigde opvangplekken wordt per gemeente verdeeld op basis van het aantal inwoners. Gemeenten worden nog niet gedwongen om iets te doen, maar krijgen drie maanden de tijd om vrijwillig met een plan te komen. Voor elke plek die een gemeente aanbiedt boven op het aantal dat van ze gevraagd wordt, krijgt ze een beloning van 2.500 euro» en «Provincies moeten met een plan komen voor de overige plekken die nodig zijn. Ze krijgen een beloning van 1.500 euro per plek, als ze meer dan 75 procent van de gevraagde opvangplekken regelen. Als er dan nog plekken nodig zijn, gaat de Staatssecretaris gemeenten dwingen om voor opvang te zorgen»?2, 3
Ja ik ken dit wetsvoorstel.
Is het geen beter idee om de urgente maatregelen zoals aangegeven in vraag 6 nu direct in te zetten voor onze daklozen voordat deze nog verder afglijden en helemaal buiten de maatschappij komen te staan?
De maatregelen in het genoemde wetsvoorstel zijn geen maatregelen die bijdragen aan het verminderen van het aantal dakloze mensen in Nederland. We willen niet toe naar meer opvangplekken voor dakloze mensen, maar juist naar meer woonplekken conform de uitgangspunten van Wonen Eerst. De maatregelen die hier aan bijdragen staan uitvoerig beschreven in het Nationaal Actieplan Dakloosheid, zoals het aangekondigde Wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting.
Heeft u inzicht in de aantallen daklozen onder arbeidsmigranten en alle specifieke problemen die zich voordoen met deze groep?4
Het precieze aantal dakloze EU-burgers is niet bekend. Het Rode Kruis schatte dat in 2021 in Nederland zo’n 2.500 tot 3.000 EU-burgers dakloos waren (Rode Kruis, Valente, Dokters van de Wereld, 2021). Stichting Barka geeft aan dat zij in 2021 in heel Nederland binnen al hun projecten ongeveer 3.100 kwetsbare EU-burgers hebben ontmoet, waarvan 70% dakloos was (2.170). Wel zijn er signalen dat deze groep in omvang toeneemt: steeds meer Midden- en Oost-Europese werknemers kloppen aan bij de maatschappelijke opvang.
De problemen waar deze specifieke doelgroep mee kampt staan beschreven in het onderzoek van IVO6.
Denkt u ook niet dat het dweilen is met de kraan open met betrekking tot het woningtekort zolang de grenzen open worden gezet voor massale toestroom van asielzoekers?
Nee, deze mening deel ik niet.
Een opiniestuk waarin wordt gepleit de zorgverzekeraars uit het zorgstelsel te halen. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers , Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het opnieartikel «Haal de verzekeraars uit het zorgstelsel»?1
Ja.
Wat kosten de zorgverzekeraars? Kunt u dit uitdrukken in een tabel met daarin de zorgverzekeraars, de kosten per zorgverzekeraar en de kosten van alle zorgverzekeraars opgeteld?
De kosten die zorgverzekeraars maken (en geen directe zorgkosten zijn) noemen wij bedrijfskosten. Deze bedrijfskosten waren gemiddeld genomen 81 euro per premiebetaler per jaar in 2021 (het meest recente jaar waarvoor cijfers beschikbaar zijn). Dit is 2,6% van de totale zorgkosten. In Tabel 1 is een overzicht te zien van de cijfers voor 2021.
ASR
47
4,6%
89
1
13
CZ
231
2,4%
77
1
17
DSW (inclusief Stad Holland)
50
3,0%
84
1
1
Eno
29
8,5%
167
3
7
Menzis
132
2,2%
77
2
13
ONVZ
38
3,7%
107
3
21
VGZ
288
2,6%
85
2
18
Zorg & Zekerheid
41
3,2%
103
3
11
Zilveren Kruis
287
2,3%
73
2
9
Bron: transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering, zoals door individuele zorgverzekeraars gepresenteerd op de website.
De bedrijfskosten per premiebetaler laten een dalende trend zien. In 2015 lagen de gemiddelde bedrijfskosten nog op 96 euro per premiebetaler per jaar. In 2021 was dit 81 euro.
De bedrijfskosten liggen ook lager dan ten tijde van het ziekenfonds in termen van percentage van de totale zorgkosten (3,9% in 2004 en 2,6% 2021). Dit is te zien in grafiek 1.
Grafiek 1 Gemiddelde bedrijfskosten als percentage van de zorgkosten in 2003 – 2021.
Hoe zou het zorgstelsel werken indien de zorgverzekeraars eruit worden gehaald?
Er zijn verschillende varianten denkbaar om het stelsel anders in te richten dan een privaatrechtelijk verzekeringsstelsel met private zorgverzekeraars. Veel van deze varianten zijn omschreven in Zorgkeuzes in Kaart 20202. Volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) werkt het ene zorgstelsel niet systematisch beter dan het andere stelsel. Het functioneren van het stelsel wordt met name bepaald door de invulling van dat stelstel. Ook zonder huidige zorgverzekeraars moeten de taken die zij in het huidige systeem uitvoeren worden vervuld. Ook bijvoorbeeld een instantie als een Nationaal Administratiekantoor Zorg, zoals de auteurs van het opiniestuk in NRC voorstellen, zal kosten maken voor klantenservice, voorlichting, schadeafhandeling, polis administratie en inkoop.
Fossiele investeringen met Europees geld |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
![]() |
Klopt het dat de onderhandelingen tussen het Europees parlement en de Raad over het voorstel voor de wijziging van Verordening (EU) 2021/241 wat betreft REPowerEU-hoofdstukken in herstel- en veerkrachtplannen zich momenteel in de beslissende fase bevindt?
Op 14 december 2022 hebben de Raad en het Europees Parlement een voorlopig akkoord bereikt op het REPowerEU voorstel. U wordt hier nader over geïnformeerd in het verslag van de Eurogroep Ecofin van 16 en 17 januari. De tekst moet ten tijden van het schrijven van deze antwoorden nog formeel worden goedgekeurd door de Raad en het Europese Parlement.
Houdt u vast aan uw positie dat de uitzonderingen op de Do No Significant Harm-criteria gebonden moeten zijn aan een toets van de Europese Commissie zodat het totale volume aan fossiel niet omhoog gaat, een lock-in wordt voorkomen en dat hernieuwbare alternatieven niet beschikbaar zijn?
Nederland is in de onderhandelingen blijven pleiten voor een goede onderbouwing door lidstaten als binnen het REPowerEU-hoofdstuk van de Do-No-Significant-Harm-uitzondering (hierna: DNSH) gebruik gemaakt wordt. Op die manier zullen lidstaten een rechtvaardiging voor het gebruik van de uitzondering moeten indienen en kan het alleen aangewend worden om leveringszekerheid te borgen. Een goede afbakening van de uitzondering op DNSH is daarbij cruciaal. In het uiteindelijke akkoord is de uitzondering voor het DNSH-criterium verder ingeperkt, in lijn met de Nederlandse positie.
Bent u er voorstander van om olie uit te sluiten van REPowerEU-financiering, omdat dit niet in lijn is met de Europese klimaatdoelstellingen en dit geen vervanging is van Russisch gas?
Ja. In het voorlopig akkoord is olie uitgesloten van REPower met uitzondering van de lidstaten die in het zesde en negende sanctiepakket zijn uitgezonderd.
Hoe ziet het krachtenveld in de Raad eruit wat betreft het uitsluiten van olie? Klopt het dat slechts één of twee lidstaten op dit punt pleiten voor een inclusie van olie?
In Brussel waren inderdaad slechts enkele lidstaten die aangaven investeringen in olie (-infrastructuur) graag onder REpower te willen brengen. Deze lidstaten komen overeen met de lidstaten die in het zesde en negende sanctiepakket zijn uitgezonderd.
Bent u bereid om in de Raad proactief en expliciet te pleiten om olie uit te sluiten van REPowerEU-financiering? Zo niet, waarom niet?
Dit heeft Nederland gedaan.
Bent u bereid om de Europese Commissie voorafgaand aan de goedkeuring van de REPowerEU-hoofdstukken uit het herstelfonds een beoordeling te laten maken van de EU-behoeften ten aanzien van leveringszekerheid om scherp te krijgen hoe de REPowerEU-doelstellingen zo efficiënt mogelijk behaald kunnen worden?
In mei heeft de Europese Commissie een inventarisatie gedaan van de benodigde investeringen om de afhankelijkheid van Russische fossiele energie af te bouwen. Investeringen en hervormingen in de REPower-EU hoofdstukken dienen bij te dragen aan het afbouwen van de afhankelijkheid van Russische fossiele energie en in het verlengde daarvan aan de leveringszekerheid van gas van de EU. Dat kan bereikt worden door een aantal doelen die in REPower EU opgesteld zijn, zoals het diversificeren van aanbod, verbeteren van de energie infrastructuur, verminderen van de energievraag, het verhogen van energie efficiëntie van gebouwen, en het verduurzamen van de industrie. De Europese Commissie toetst bij het beoordelen van de REPowerEU-hoofdstukken die door lidstaten ingediend worden in hoeverre de voorgenomen hervormingen en investeringen effectief bijdragen aan deze doelen van REPowerEU. Het kabinet acht het van belang dat de REPower EU plannen effectief bijdragen aan de voorgestelde doelen, en deze toets van de Europese Commissie borgt dit.
Het bericht 'Adviescommissie stapt op omdat minister ongeschikte notarissen benoemt' |
|
Ulysse Ellian (VVD), Michiel van Nispen , Raymond Knops (CDA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Adviescommissie stapt op omdat Minister ongeschikte notarissen benoemt»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de voltallige Adviescommissie toegang notariaat (CTN) uit protest is opgestapt omdat u tegen het advies van de commissie in meermaals ongeschikt geachte kandidaat-notarissen heeft benoemd?
Ja, alle leden van de CTN hebben ontslag aangevraagd. Als reden hiervoor hebben de leden van de CTN aangegeven dat ik in enkele gevallen anders heb besloten dan de CTN adviseerde. Er is een verschil van inzicht ontstaan tussen de CTN en het ministerie over de wijze waarop adviezen van de CTN in de individuele besluitvorming betrokken zijn.
Zo ja, wat is de achterliggende reden dat u tegen het advies van de CTN in kandidaat-notarissen heeft benoemd en dat de Kamer hierover niet is geïnformeerd?
Allereerst hecht ik er waarde aan te benadrukken dat het advies inwinnen van de CTN één van de elementen is waaraan voldaan moet zijn alvorens ik een besluit neem. Het proces van benoemingen is een met waarborgen omkleed proces en vergt een zorgvuldige besluitvorming. Het gaat voorts om individuele besluiten die ik als Minister voor Rechtsbescherming neem en die voor belanghebbenden vatbaar zijn voor bezwaar en beroep.
In hoeveel gevallen is deze situatie aan de orde geweest, waarbij de CTN negatief adviseerde over een benoeming van een kandidaat-notaris wegens persoonlijke ongeschiktheid of vrees voor de integriteit van de notaris, maar de kandidaat wel is benoemd?
In 2022 zijn er door de CTN in totaal 78 adviezen gegeven, waarvan vier negatieve adviezen. In 2022 ben ik in drie gevallen afgeweken van een negatief advies van de CTN. Het eerste negatieve advies waarvan ik ben afgeweken dateerde uit 2017 en daarover zijn diverse procedures gevoerd. Het tweede advies dateerde uit 2021 en het derde betreft één van de vier negatieve adviezen van de CTN uit 2022.
In alle drie de gevallen ben ik – na het inlassen van een zienswijzefase met het oog op de vereiste zorgvuldigheid en wettelijke verplichting en in een geval een bezwaarfase – tot de conclusie gekomen dat benoeming verantwoord zou zijn, mede door voorzieningen die betrokkenen hadden getroffen. De onderbouwing van de adviezen was een geschilpunt waarover met de commissie is gesproken, maar ook over zaken als bejegening van kandidaten door de commissie. Het afwijken van de adviezen is naar de commissie uitgebreid gemotiveerd.
Overigens heeft de bezwaarcommissie in eerdere procedures de bezwaren van (toegevoegd) notarissen gegrond geacht vanwege motiveringsgebreken, waardoor betrokkene alsnog werden benoemd. Mede in het licht hiervan onderneem ik, in samenspraak met de CTN en de KNB, actie om aan de term «persoonlijke geschiktheid» (artikel 8 Wna) een nadere invulling te geven, in samenspraak met de commissie en de KNB.
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaren een kandidaat-notaris geweigerd op basis van een advies van de CTN en hoe vaak is na een weigering bezwaar en vervolgens beroep bij de bestuursrechter aangetekend?
In de afgelopen vijf jaar zijn zes kandidaat-notarissen geweigerd, onder andere op basis van een negatief advies van de CTN. In vier gevallen is er bezwaar aangetekend tegen deze weigering. Van deze vier gevallen zijn er drie kandidaat-notarissen na de bezwaarprocedure alsnog benoemd.
In de afgelopen vijf jaar is één keer beroep aangetekend bij de bestuursrechter. Dit beroep zag op de vergoeding van de proceskosten, nadat het bezwaar van betrokkene inhoudelijk gegrond was verklaard.
Bij hoeveel kandidaat-notarissen is vertraging ontstaan in de benoeming als gevolg van het opstappen van de CTN? Kunt u garanderen dat bij alle kandidaat-notarissen de wettelijke termijn van vijf maanden niet wordt overschreden?
In ten minste 18 gevallen is vertraging opgetreden door het opstappen van de CTN. Er wordt gepoogd om deze vertraging zo klein mogelijk te houden, maar ik kan niet garanderen dat de vijf maanden termijn niet wordt overschreden.
Samen met de KNB – die ik hiervoor zeer erkentelijk ben – heb ik ervoor gezorgd dat er per 1 december 2022 een nieuwe tijdelijke commissie is benoemd.
Inmiddels heeft er een startbijeenkomst plaatsgevonden tussen het ministerie en de tijdelijke commissie, waarbij in kaart is gebracht welke openstaande procedures er zijn en hoe deze in verdere behandeling genomen kunnen worden.
Er bestaat intensief contact tussen de verschillende partijen zodat deze benoemingen zorgvuldig en voortvarend kunnen worden opgepakt. Zo heeft de tijdelijke commissie de frequentie van de bijeenkomsten verhoogd om zo snel mogelijk de achterstanden weg te werken en de vertraging te beperken. De verwachting is dat de effecten van de opgelopen vertraging voor betrokkenen zeer beperkt zullen zijn.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat benoemingsprocedures nog verdere vertraging oplopen?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de bevindingen van de tijdelijke commissie over de manier waarop de advisering over kandidaat-notarissen is georganiseerd tijdig delen met de Kamer?
Ja, ik kan uw Kamer informeren aan de hand van de werkzaamheden van de tijdelijke commissie en de nadere invulling van de term «persoonlijke geschiktheid» zoals bedoeld in artikel 8 Wna. Gelet op de tijdelijkheid van de commissie, zal dat in 2023 sowieso zijn beslag krijgen.
Het bericht 'Adviescommissie stapt op omdat minister ongeschikte notarissen benoemt' |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Adviescommissie stapt op omdat Minister ongeschikte notarissen benoemt»?1
Ja.
Kunt u uitleggen hoe het proces van benoeming van kandidaat-notarissen verloopt en wat uw rol en die van de adviescommissie daarbij is?
Artikel 8 van de Wet op het notarisambt regelt het proces van benoeming van notarissen. In de praktijk komt het er op neer dat een kandidaat- of toegevoegd notaris bij de Commissie van deskundigen notariaat een ondernemingsplan indient. Deze commissie toetst het plan op een aantal punten en voorziet elk punt van een risico-indicatie. Van belang is of de onderneming binnen drie jaar winstgevend zal kunnen zijn.
Vervolgens dient de betrokkene bij de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) een verzoek tot benoeming in met opgave van de gemeente waarin betrokkene voornemens is zich als notaris te vestigen. Met dit verzoek moeten de benodigde bewijsmaterialen worden meegestuurd, waaronder het ondernemingsplan. De KNB stuurt het verzoek vervolgens naar mij door met een afschrift aan het Bureau Financieel Toezicht (BFT) en de Commissie Toegang Notariaat (CTN).
Het BFT toetst of er feiten of omstandigheden bekend zijn die benoeming in de weg kunnen staan vanuit de rol als integraal toezichthouder op het notariaat. De KNB toetst of er feiten of omstandigheden bekend zijn die benoeming in de weg kunnen staan vanuit de rol als beroepsorganisatie. Nadat de KNB en het BFT hebben laten weten of er sprake is van zodanige bezwaren, volgt een onderhoud met de CTN; deze controleert de documenten en registers en toetst in een onderhoud de persoonlijke geschiktheid van de kandidaat. Aan deze toetsing ligt een assessment ten grondslag. De toets ziet vooral op integriteit (poortwachtersfunctie) en persoonlijke geschiktheid als ondernemer om het ambt van notaris te kunnen uitoefenen. De CTN motiveert het advies.
Bij verzoeken tot aanwijzing als toegevoegd notaris (artikel 30b-d Wna) is geen ondernemingsplan nodig, maar verloopt de procedure verder overeenkomstig artikel 8 Wna.
Was u eerder op de hoogte van een verschil van mening met de adviescommissie? Zo ja, bent u daarover met de commissie in gesprek gegaan? En wat was de uitkomst daarvan? Zo nee, werd u overvallen door het opstappen van de commissie?
Ja, ik ben op de hoogte gesteld van het verschil van inzicht zoals is ontstaan met de commissie. De commissie berichtte het ministerie op 3 oktober 2022 haar taken te zullen neergeleggen. Het ministerie is hierover in overleg getreden met de commissie om te bezien of bezwaren van de commissie konden worden weggenomen. Na dit overleg heeft de commissie op 4 november 2022 besloten bij haar standpunt te blijven en op te stappen. Ik heb de commissie daartoe ontslag verleend. Inmiddels is na intensief overleg per 1 december 2022 een nieuwe tijdelijke commissie benoemd om zodoende gezamenlijk zorg te dragen voor continuïteit in het benoemingsproces en samen de schouders eronder te zetten om het stelsel robuuster te maken.
In hoeveel gevallen gedurende het afgelopen jaar heeft u ondanks negatieve adviezen van de commissie toch een kandidaat-notaris benoemd? Op welke gronden?
In 2022 zijn er door het CTN in totaal 78 adviezen gegeven, waarvan 4 negatieve adviezen. In 2022 ben ik in drie gevallen afgeweken van een negatief advies van de CTN. Het eerste negatieve advies waarvan ik ben afgeweken dateerde uit 2017 en daarover zijn diverse procedures gevoerd. Het tweede advies dateerde uit 2021 en het derde betreft één van de vier negatieve adviezen van het CTN uit 2022.
In alle drie de gevallen ben ik – na het inlassen van een zienswijzefase met het oog op de vereiste zorgvuldigheid en wettelijke verplichting en in een geval een bezwaarfase – tot de conclusie gekomen dat benoeming verantwoord zou zijn, mede door voorzieningen die betrokkenen hadden getroffen. De onderbouwing van de adviezen was een geschilpunt waarover met de commissie is gesproken, maar ook over zaken als bejegening van de kandidaten door de commissie. Het afwijken van de adviezen is naar de commissie uitgebreid gemotiveerd.
Een afkeer om te procederen speelde hierbij geen enkele rol; wel streef ik ernaar om, door het bereiken van een oplossing, waar mogelijk onnodige en voor partijen belastende procedures te voorkomen.
Overigens heeft de bezwaarcommissie in eerdere procedures de bezwaren van (toegevoegd) notarissen gegrond geacht vanwege motiveringsgebreken, waardoor betrokkene alsnog werden benoemd. Mede in het licht hiervan onderneem ik, in samenspraak met de CTN en de KNB, actie om aan de term «persoonlijke geschiktheid» (artikel 8 Wna) een nadere invulling te geven, in samenspraak met de commissie en de KNB.
Klopt het in het bericht gestelde dat u van negatieve adviezen van de commissie bent afgeweken vanwege het feit «dat afgewezen notarissen in bezwaar en beroep kunnen en dat het ministerie niet zit te wachten op dergelijke procedures bij de bestuursrechter»? Zo ja, deelt u de mening dat bij het benoemen van een kandidaat-notaris enkel gekeken dient te worden naar diens kwaliteit en integriteit?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u uitsluiten dat er kandidaat-notarissen zijn benoemd waarbij de commissie negatief adviseerde vanwege vraagtekens bij de integriteit van de notaris?
Ik ga niet in op individuele zaken. In zijn algemeenheid geldt dat integriteitsschendingen door (kandidaat-)notarissen nooit zijn uit te sluiten. Er wordt echter getracht dit zoveel mogelijk te voorkomen, hiervoor dient mede de uitgebreide selectieprocedure alvorens een kandidaat-notaris wordt benoemd. Wanneer er door mij wordt afgeweken van het advies van de CTN gebeurt dit enkel indien ik voldoende overtuigd ben geraakt dat de kanttekeningen van de CTN door de verzoeker in voldoende mate zijn ondervangen of weggenomen.
Indien er een integriteitsschending plaatsvindt, dient dit zo snel als mogelijk te worden gesignaleerd en daartegen worden opgetreden. Het BFT houdt dienaangaande op grond van de Wna toezicht op onder andere de kwaliteit en integriteit van notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen. Het notariële tuchtrecht vervult voorts een belangrijke rol om bij klachten over schending van de Wna en/of overige beroeps- en gedragsregels door de notaris tuchtmaatregelen op te leggen, met als zwaarste middel het ontzetten uit het notarisambt.
Buy Now, Pay Later betaaldiensten |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Jongeren vaak in financiële problemen door online shoppen op afbetaling»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat via Buy Now, Pay Later (BNPL) betaaldiensten zoals Klarna juist jongeren onder de 18 jaar krediet aangaan?
Eind vorig jaar heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) een verkennend onderzoek uitgevoerd naar achteraf betalen via zogenaamde BNPL-betaaldiensten.2 Hieruit blijkt dat achteraf betalen niet gebonden is aan één leeftijdsgroep. Alleen onder de groep van 65 jaar en ouder is de methode minder populair. Jongeren onder de 18 jaar mogen geen gebruikmaken maken van BNPL-betaaldiensten, alle aanbieders in Nederland hanteren een leeftijdsgrens van 18 jaar. Uit het rapport van de AFM blijkt dat alle aanbieders controles hebben ingericht om de identiteit van de consument vast te stellen, maar dat deze controles in de praktijk tekortschieten wanneer jongeren onder de 18 jaar hun leeftijd bijvoorbeeld niet eerlijk opgeven. Dit vind ik onacceptabel. Aanbieders van BNPL-betaaldiensten moeten controleren of jongeren onder de 18 jaar gebruikmaken van hun diensten, en het kabinet wil op korte termijn met de aanbieders van BNPL-betaaldiensten om tafel om deze oproep kracht bij te zetten. In het antwoord op vraag 6 licht ik toe welke maatregelen het kabinet neemt om jongeren te beschermen tegen de risico’s van BNPL.
Bent u ermee bekend dat het risico op betaalachterstanden groot is door oplopende aanmaningskosten en uiteindelijke overdracht aan incassobureaus?
Uit het onderzoek van de AFM volgt dat de kosten voor te laat betalen gemiddeld rond de € 15 bedragen. Tot 20 procent van de consumenten tot 65 jaar krijgt te maken met kosten voor te late betaling. Jongeren van 18 tot 24 jaar krijgen relatief het vaakst te maken met aanmaningskosten en senioren het minste. Ik vind dit een zorgelijk hoog percentage, zeker als het gaat om de groep jongeren die hierdoor te makkelijk schulden kunnen opbouwen. Ook dit punt neem ik mee in het gesprek dat wij willen voeren met de aanbieders van BNPL-betaaldiensten.
De uitgestelde betaling leidt voor de meeste mensen niet tot een problematische betalingsachterstand die doorstroomt naar een incassobureau. Het percentage consumenten dat wordt overgedragen aan een incassobureau loopt bij één aanbieder op tot 6 procent voor jongeren tussen de 18 en 24. Bij de andere aanbieders is dat percentage een stuk lager.
De vaak in verhouding hoge aanmaningskosten ten opzichte van de kosten van de aankoop kunnen inderdaad bijdragen aan het risico op problematische betalingsachterstanden.
Daarnaast zijn er nog meer elementen aan BNPL die hiertoe kunnen bijdragen, waaronder het feit dat aanbieders van BNPL-betaaldiensten voorafgaand aan het verstrekken van de uitgestelde betaling onvoldoende informatie inwinnen over de financiële situatie van de consument ter voorkoming van overkreditering. Bovendien zijn de meeste aanbieders van BNPL-betaaldiensten niet aangesloten bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) waardoor zij niet kunnen controleren of een consument schulden en/of betalingsachterstanden heeft. Hierdoor kunnen consumenten met schuldproblemen door een nieuwe uitgestelde betaling verder in de problemen komen. Dit zijn risico’s voor het ontstaan en snel groter worden van schuldenproblematiek en staat lijnrecht tegenover wat het kabinet nastreeft met de aanpak geldzorgen, armoede en schulden.
Bent u het eens dat het verwarrend kan zijn voor jongeren dat geadverteerd wordt met termen als «gratis» en «0% rente», terwijl er vervolgens hoge aanmaningskosten worden gerekend?
Ja, dat deel ik met u. Uit het onderzoek van de AFM blijkt dat de algemene voorwaarden en eventuele aanmaningskosten vaak moeilijk vindbaar zijn en moeilijk leesbaar door juridisch taalgebruik. Ook wordt de hoogte van de aanmaningskosten vaak niet of niet duidelijk vertoond in het aankoopproces. Daarentegen promoten retailers het afrekenen via een BNPL-betaaldienst als gratis of tegen 0 procent rente. Dit kan voor de consument erg verwarrend zijn en wil het kabinet daarom aanpakken met regulering.
Deelt u de zorg dat jongeren in de schulden raken via BNPL?
Ja, deze zorg deel ik zeker. BNPL voorziet in een behoefte van consumenten en veel mensen maken op verantwoorde wijze gebruik van deze diensten. Maar we constateren ook dat sommige consumenten, met name jongeren en mensen in een kwetsbare situatie, te maken krijgen met hoge aanmaningskosten en problematische betalingsachterstanden. Door middel van BNPL-betaaldiensten kunnen consumenten erg gemakkelijk een product kopen en direct van deze aankoop genieten, zonder een negatieve associatie met de betaling van de aankoop. Hierdoor kan de norm om alleen een aankoop te doen bij voldoende geld op de bank- of spaarrekening veranderen, zeker wanneer jongeren BNPL gebruiken. Ik deel dus uw zorg, en ik vind het onwenselijk als hierdoor het kopen op afbetaling normaliseert en schuldgewenning optreedt.
Welke maatregelen neemt u om jongeren te beschermen tegen de risico’s van BNPL?
In de antwoorden op de vragen hierboven komen diverse risico’s met betrekking tot BNPL-betaaldiensten aan bod. Deze hangen samen met het feit dat een uitgestelde betaling uitgezonderd is van de regels voor verantwoorde kredietverlening, mits deze tegen onbetekenende kosten wordt aangeboden en binnen drie maanden wordt afgelost. Daarom zet het kabinet zich bij de herziening van de Europese richtlijn consumentenkrediet in om BNPL-betaaldiensten onder de reikwijdte van de richtlijn te brengen.
Het doel hiervan is het scheppen van de juiste randvoorwaarden zodat consumenten op verantwoorde wijze van deze diensten gebruik kunnen maken.
Eind vorig jaar hebben de Europese Raad, de Europese Commissie en het Europees Parlement een voorlopig politiek akkoord bereikt over de herziening van de richtlijn.3 Onderdeel van het akkoord is dat BNPL onder reikwijdte van de richtlijn komt te vallen waardoor consumenten die gebruikmaken van BNPL beter worden beschermd. In de praktijk betekent dit dat aanbieders van BNPL-betaaldiensten, net als aanbieders van consumptieve leningen, straks o.a. een kredietwaardigheidstoets moeten uitvoeren en moeten voldoen aan regels ten aanzien van informatieverstrekking en reclame-uitingen. Ook wordt de maximale kredietvergoeding van toepassing op BNPL.
Het kabinet vindt het belangrijk dat alle meerderjarigen, ongeacht de leeftijd, die een consumptief krediet afsluiten dit op verantwoorde wijze kunnen doen. Daarom zijn de regels om consumenten te beschermen bij het afsluiten van consumptief krediet van toepassing op iedereen. Dat geldt straks dus ook voor BNPL-betaaldiensten. De Wet op het financieel toezicht maakt geen onderscheid op leeftijd. Tegelijk weten we dat jongeren relatief meer kwetsbaar zijn voor de risico’s bij BNPL. Binnen de aanpak Geldzorgen, armoede en schulden maakt het kabinet zich hard voor financiële educatie om zo jongeren beter toe te rusten om met verleidingen om te gaan en gezond financieel gedrag te bevorderen. Wijzer in geldzaken organiseert al meer dan tien jaar de Week van het geld die draait om het maken van geldkeuzes. En vooruitlopend op de strengere regelgeving gaat het kabinet met de aanbieders van BNPL-betaaldiensten in gesprek over hun rol in het beter beschermen van kwetsbare consumenten waaronder jongere consumenten tegen de risico’s van BNPL-betaaldiensten. Ik verwacht van hen concrete verbetervoorstellen.
Op welke manier zorgt u dat bedrijven als Klarna klanten duidelijk vooraf informeren over de aanmaningskosten?
Wanneer de nieuwe consumentenkredietregels van kracht worden moeten aanbieders van BNPL-betaaldiensten voldoen aan diverse eisen ten aanzien van informatieverstrekking, die strenger zijn dan het thans geldend consumentenkredietrecht. Informatie op de website en in reclame-uitingen moet correct, duidelijk en niet-misleidend zijn. Ook mag de informatie geen valse verwachtingen wekken ten aanzien van de kosten van BNPL-betaaldiensten. Tot slot moet de hoogte van eventuele aanmaningskosten worden opgenomen in het precontractuele informatiedocument.
Op welke manier zorgt u dat de mogelijkheid voor consumenten in het algemeen en jongeren in het bijzonder om te kopen via BNPL wordt stopgezet bij betaalachterstanden, in plaats van dat dit pas gebeurt op het moment dat zij aan een incassobureau worden overgedragen?
Met het onder de reikwijdte brengen van BNPL-betaaldiensten van de richtlijn consumentenkrediet, moeten aanbieders straks ter voorkoming van overkreditering de kredietwaardigheid van de consument beoordelen. In dat kader moeten aanbieders (thans vanaf een kredietbedrag van 250 euro) een BKR-toets uitvoeren.
Hierdoor kunnen consumenten met betalingsachterstanden voorafgaand aan het verstrekken van de uitgestelde betaling worden geïdentificeerd en kan voorkomen worden dat zij (meer) nieuwe kredieten aangaan.
Bent u het met ons eens dat het onwenselijk is dat BNPL betaaldiensten vrijstelling krijgen onder de kredietwetgeving, waardoor zij niet vallen onder het toezicht van het Bureau Kredietregistratie? Zo ja, bent u bereid om voor goed toezicht te zorgen?
Ja, dat ben ik met u eens. Zie ook mijn antwoord op vraag 6, het kabinet is voorstander om BNPL-betaaldiensten onder de reikwijdte van de regels omtrent verantwoorde kredietverstrekking te brengen. Daarmee zal de AFM op basis van deze regels toezicht kunnen houden op aanbieders van BNPL-betaaldiensten. Eind vorig jaar is een voorlopig politiek akkoord bereikt om BNPL te reguleren. De Minister van Financiën zal de Tweede Kamer bij het bereiken van een akkoord informeren over de vervolgstappen omrent het reguleren van BNPL. Naar verwachting wordt in de eerste helft van dit jaar een akkoord bereikt.
Deelt u de mening van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat meer wetgeving nodig is om mensen te beschermen tegen de risico’s van uitgesteld betalen? Zo ja, bent u bereid om adequate wetgeving voor te bereiden?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u ermee bekend dat de Europese Richtlijn Consumentenkrediet mogelijk gewijzigd wordt om de uitzonderingsgrond voor BNPL te wijzigen? Welke maatregelen neemt u vooruitlopend hierop?
Ja, ik ben hier mee bekend. Graag verwijs ik naar het antwoord op vraag 6. De onderhandeling over deze richtlijn bevindt zich in een afrondende fase; in een voorlopig politiek akkoord is opgenomen dat BNPL-betaaldiensten onder de reikwijdte van de richtlijn komen te vallen. Het kabinet is niet voornemens om vooruitlopend op de nieuwe Europese regels maatregelen te nemen: BNPL-betaaldiensten zijn makkelijk grensoverschrijdend aan te bieden. Het is dus echt zaak om binnen de EU tot gezamenlijke regels te komen. Verder dienen de Europese regels straks geïmplementeerd te worden in de Wet op het financieel toezicht en het Burgerlijk Wetboek. Wel wil het kabinet – vooruitlopend op de strengere regelgeving – op korte termijn met aanbieders van BNPL-betaaldiensten om tafel over de stappen die zij op dit moment al kunnen nemen om betere bescherming te bieden tegen de risico’s van BNPL-betaaldiensten.
Het bericht 'Medewerker diversiteit hoger onderwijs geïntimideerd en bedreigd' |
|
Jeanet van der Laan (D66), Salima Belhaj (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het NOS-artikel1 en het artikel op de website van het Erasmus Magazine?2
Ja
Bent u het ermee eens dat het van het grootste belang is dat medewerkers diversiteit en inclusie hun werk veilig kunnen doen?
Ja, daar sluit ik mij bij aan. Onderwijsinstellingen moeten voor iedereen veilig, toegankelijk en inclusief zijn.
Hoe duidt u de ervaring van een medewerker dat «de antiwoke-groep persoonlijke gegevens [deelt] op sociale media en scheldwoorden [gebruikt] voor mensen van kleur, voor mensen met een beperking, voor vrouw-zijn of voor homoseksualiteit»3 en het feit dat drie medewerkers zelfs persoonlijk zijn bedreigd? Deelt u de zorgen over dit «antiwoke»-sentiment?
Bedreiging, geweld, intimidatie en andere vormen van geweld tegen medewerkers van onderwijsinstellingen zijn – zowel online als in de fysieke wereld – uiteraard volstrekt onacceptabel. Dit soort aanvallen hebben grote impact op de slachtoffers, en ondermijnen het gevoel van veiligheid bij alle onderwijsmedewerkers en studenten. Het is dan ook verwerpelijk en uiterst zorgelijk dat kwaadwillenden persoonsgegevens delen van diversiteitsmedewerkers via social media om hen te intimideren en proberen hun werk te ondermijnen door hen vrees aan te (laten) jagen. Daarnaast is het delen van persoonsgegevens via social media een grote inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer. Het kabinet beschouwt deze gedragingen – ook aangeduid als doxing – als zeer onwenselijk en strafwaardig. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft in juli 2022 een wetsvoorstel aangeboden aan de Tweede Kamer om het zich verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens voor intimiderende doeleinden, strafbaar te stellen (Kamerstuk 36 171, nr. 2).
Mensen van kleur, mensen met een bepaalde etnische afkomst, mensen met een beperking, vrouwen, lhbtiq+-personen en mensen die tot een minderheidsreligie behoren, zijn extra kwetsbaar voor online discriminatie, racisme en hate speech, zoals het ontvangen van haatberichten. We zien dat niet alleen bij beroepen in het onderwijs, maar ook bij andere beroepsgroepen zoals volksvertegenwoordigers en journalisten. Ik vind het zeer verontrustend dat juist diversiteitsmedewerkers hiermee te maken hebben. Het kabinet keurt online discriminerende en racistische uitingen nadrukkelijk af en wil deze uitingen nu en in de toekomst krachtig tegengaan. Het kabinet zal in 2023 een aanpak ontwikkelen voor een intensivering van het kabinetsbeleid voor het tegengaan van online discriminatie, racisme en hate speech. Uw Kamer wordt op korte termijn hierover geïnformeerd.
Het is belangrijk dat slachtoffers melding doen van bedreiging, online haatberichten, doxing en andere vormen van geweld en intimidatie bij hun werkgever en bij het Meldpunt Internet Discriminatie (MiND) en ook aangifte bij de Politie doen. Het meldpunt WetenschapVeilig ondersteunt en adviseert ook niet-wetenschappelijke medewerkers van universiteiten en hun leidinggevenden.
Welke beleidsinstrumenten zet u op dit moment in om de positie van diversity officers in het vervolgonderwijs te versterken?
De (sociale) veiligheid van medewerkers is een taak van het College van Bestuur. Die moet de veiligheid dragen voor álle medewerkers. In het bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap4 is ook afgesproken dat onderwijsinstellingen blijven werken aan het bevorderen van diversiteit en inclusie en aan het tegengaan van discriminatie en racisme. Het vergroten van de inclusiviteit is een belangrijke opdracht aan de instellingen. Daarbij is commitment in alle lagen van de organisatie en inclusief leiderschap van belang
Welke mogelijkheden ziet u om de positie van diversity officers in het vervolgonderwijs verder te versterken?
Een open inhoudelijke discussie is een heel belangrijk aspect hierin. De universiteit en de hogeschool zijn de juiste plekken om debatten te faciliteren en te voeren op een respectvolle manier.
Ruimte voor verschillende inzichten en de ontwikkeling daarvan vind ik belangrijk. Universiteiten en hogescholen bieden ruimte en faciliteiten voor discussie over een veelheid aan gevoelige onderwerpen en politieke meningen. Debat over zaken waarover de meningen verschillen scherpt ons vermogen om te groeien, om te leren, om te ontwikkelen, en wordt gevoed door wederzijdse kritiek en open discussies.
Ik lees dit ook terug in de reactie van de verschillende diversity officers5. Het organiseren van debat en het bespreekbaar maken van gevoelige onderwerpen is bij uitstek een manier om polarisatie tegen te gaan. Ik ben heel erg blij met het werk wat diversity officers doen in het hoger onderwijs.
Daarnaast is het belangrijk dat er goede procedures zijn ingericht voor een sociaal veilig klimaat. In het voorjaar ontvangt uw Kamer de integrale aanpak sociale veiligheid hoger onderwijs en wetenschap.
Bent u bereid in overleg met het Landelijk Overleg van Diversity Officers en het Kennispunt Gelijke kansen, diversiteit en inclusie te onderzoeken hoe de positie van diversity officers in het vervolgonderwijs verder kan worden verbeterd?
OCW gaat graag in gesprek met de diversity officers. Ook om te luisteren naar hun ervaringen en behoeften.
Het bericht ‘BelastingTelefoon blijkt onbereikbaar: burgers konden er 900.000 keer niet hun vragen kwijt’. |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «BelastingTelefoon blijkt onbereikbaar: burgers konden er 900.000 keer niet hun vragen kwijt»1?
Ja.
Deelt u de zorgen over de aanhoudende drukte bij de BelastingTelefoon en hoe lang mensen en ondernemers moeten wachten voordat zij geholpen worden?
Ja, de aanhoudende drukte, de wachttijd bij de BelastingTelefoon en de oplossingen hiervoor hebben mijn nadrukkelijke aandacht.
Hebt u cijfers over de bereikbaarheid van de BelastingTelefoon in november van dit jaar?
Door een technische storing was de Belastingtelefoon twee dagen niet bereikbaar in november. Het bereikbaarheidspercentage tot en met november was 71,7%. Hierbij kan niet worden aangegeven hoeveel contactverzoeken van dezelfde ondernemer/burger binnen zijn gekomen.
Is een positieve trend zichtbaar in de bereikbaarheid van de BelastingTelefoon vanaf september, zoals door u toegezegd aan de Nationale ombudsman? Zo nee, wat is hiervan de oorzaak?
Drie maanden is erg kort om te spreken van een trend. De afgelopen drie maanden was de bereikbaarheid als volgt:
t/m september
t/m oktober
t/m november
Bereikbaarheid
73,4%
72,6%
71,7%
In november 2022 was sprake van een technische storing bij de BelastingTelefoon. Hierdoor konden bijna 140.000 klanten op 14 en 15 november geheel geen contact krijgen met de BelastingTelefoon. De omvang van de uitval was dusdanig groot dat het de bereikbaarheid cumulatief tot en met november met ongeveer 1%-punt deed afnemen. Uw Kamer is over deze storing geïnformeerd.
Wat bent u van plan te gaan doen om dit probleem op korte termijn op te lossen? Klopt het dat er nog ten minste tweehonderd extra medewerkers nodig zijn om alle binnenkomende telefoontjes te beantwoorden? Op welke termijn verwacht u dat deze medewerkers gevonden zijn en aan de slag kunnen?
In samenwerking met onze uitzendpartners zetten wij ons maximaal in om de benodigde medewerkers te werven voor de BelastingTelefoon. Hiervoor lopen allerlei initiatieven. Zo benaderen we samen met onze uitzendpartners nieuwe doelgroepen op de arbeidsmarkt. Ook profileren we ons scherper in de segmenten van de arbeidsmarkt waar de voor ons passende medewerkers zich bevinden. Daarnaast lopen er initiatieven om medewerkers meer te binden en te boeien door ontwikkelmogelijkheden en loopbaanperspectief te bieden.
Het is hier echter niet alleen een kwantitatieve uitdaging. Wij bedienen burgers en bedrijven bijvoorbeeld met informatie op de website en een slimme contacthulp waarmee men direct naar relevante informatie online wordt geleid. Ook vindt er betere afstemming plaats over geplande brieven en activiteiten, met passende informatievoorziening, om zo de te verwachte vragen zo veel mogelijk te spreiden en de burgers en bedrijven zo goed mogelijk van dienst te kunnen zijn. Tegelijkertijd zitten er ook beperkingen aan om piekdrukte te spreiden, omdat de Belastingdienst werkt met wettelijke termijnen.
Met al deze initiatieven verwacht de Belastingdienst in de loop van 2023 weer te groeien in de richting van de streefwaarde voor het bereikbaarheidspercentage. Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat op dit moment nog steeds sprake is van een krappe arbeidsmarkt.
Bent u bereid om in overleg met het UWV en gemeenten gericht op zoek te gaan naar werklozen met een financiele achtergrond, zoals voormalige bankmedewerkers, om op deze manier het personeelstekort versneld te verhelpen? Zo nee, waarom niet?
Ja, daar ben ik toe bereid. Ik kijk in breed perspectief naar mogelijkheden om nieuwe doelgroepen te bereiken om daarmee de juiste medewerkers te kunnen werven. Dit past ook in het streven om een meer diverse en inclusieve organisatie te ontwikkelen.
Welk noodplan ligt klaar of wordt aan gewerkt? Is het bijvoorbeeld mogelijk om medewerkers bij de Belastingdienst op andere afdelingen flexibeler in te zetten in tijden van grote drukte?
De tijden van drukte probeert de Belastingdienst zo goed mogelijk in te schatten zodat daarmee betere planningen kunnen worden gemaakt. Zoals ook aangegeven bij vraag 5 vindt er een meer intensieve samenwerking plaats over geplande brieven en activiteiten. Zo weten we beter wanneer we grote drukte kunnen verwachten en kunnen we de drukte waar mogelijk spreiden.
Om burgers en bedrijven zo goed mogelijk te bedienen wordt er verder gewerkt met verschillende vormen van informatievoorziening, zoals de slimme contacthulp op de website, de publieksbalie en het kunnen doen een terugbelverzoek. We hebben in de afgelopen 6 maanden meer dan 750.000 mensen gebeld die een terugbelverzoek indienden. Deze mogelijkheid wordt actief geboden en veel gebruikt door mensen met een betalingsachterstand.
De bereikbaarheid van de Belastingdienst is overigens meer dan alleen de BelastingTelefoon. Als burgers en ondernemers contact met een medewerker willen hebben, kan dat ook via onze social media-kanalen of middels een persoonlijk gesprek bij de balies of steunpunten. Digitaal vaardige burgers en ondernemers vinden hun weg online en hoeven niet in de wacht te staan. Zo kunnen ze via «Overzicht Betalen en Ontvangen» hun persoonlijke situatie inzien en waar nodig actie ondernemen.
Daarnaast wordt onderzocht of medewerkers van andere afdelingen van de Belastingdienst kunnen worden ingezet bij de BelastingTelefoon. Wel vraagt het werk bij de BelastingTelefoon de nodige kennis, vaardigheden en opleiding.
Kunt u toezeggen dat het probleem in ieder geval vóór het voorjaar is opgelost wanneer burgers hun IB-aangifte zullen indienen en daarover eventueel vragen hebben?
Ik kan toezeggen dat de Belastingdienst zich maximaal inspant om burgers en ondernemers van de juiste informatie te voorzien voor het correct indienen van hun aangifte IB. Contact met de Belastingtelefoon is één van de vele manieren van ondersteuning die hierbij wordt geboden. Andere manieren van ondersteuning zijn bijvoorbeeld publieke campagnes, de website en de vooringevulde aangifte.
Kunt u toezeggen dat coulant zal worden omgegaan met burgers of ondernemers die kunnen aantonen dat zij als gevolg van de slechte bereikbaarheid van de Belastingdienst fiscale consequenties hebben ervaren, bijvoorbeeld vanwege het te laat reageren op verzoeken of verkeerd invullen van aangiftes?
Burgers en bedrijven die aantoonbaar fiscale consequenties hebben ervaren door de slechte bereikbaarheid van de Belastingdienst, en daardoor niet tijdig aan hun verplichtingen kunnen voldoen, kunnen rekenen op een coulante houding.
Kunt u de vragen afzonderlijke beantwoorden voor het kerstreces van de Kamer?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Lelylijn-discussie trekt zich na Europese erkenning vacuüm, bevindt zich in een stukje niemandsland tussen voorvechters en tegenstanders – zonder te weten waar het heengaat»1?
Ja, hier heb ik kennis van kunnen nemen.
Middels welke inspanningen gaat u ervoor zorgen dat de Lelylijn opgenomen gaat worden binnen het kernnetwerk, gezien het feit dat serieuze financiële steun vanuit Europa alleen zal plaatsvinden als de Lelylijn daarin wordt opgenomen?
Ik ben blij dat in het akkoord van de Transportraad van 5 december jl. de Lelylijn nu is opgenomen in het uitgebreide netwerk van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T). Gedurende de onderhandelingen die in 2023 nog volgen tussen Raad en Europees Parlement over het TEN-T voorstel zal ik mij inspannen om de Lelylijn op te laten nemen in het uitgebreid kernnetwerk. Nader overleg met onder meer Duitsland is daarvoor een vereiste. Begin 2023 vindt een eerste overleg tussen Duitsland en Nederland over deze kwestie plaats op ambtelijk niveau. Dit overleg dient als voorbereiding voor het gesprek dat ik met mijn Duitse ambtgenoot zal hebben over de Lelylijn.
Wat zijn de gevolgen voor de financiële haalbaarheid van de Lelylijn wanneer deze niet wordt opgenomen in het kernnetwerk?
In het MIRT-onderzoek wordt toegewerkt naar uitgewerkte varianten voor de Lelylijn met bijbehorende, onderbouwde kostenraming en zal daarnaast bekeken worden welke bronnen wel of niet en in welke mate beschikbaar zijn voor het bekostigen van de Lelylijn. Al deze informatie is op dit moment nog niet beschikbaar. Daarmee is op dit moment niet duidelijk wat het wel of niet opnemen in het uitgebreide kernnetwerk betekent voor de financiële haalbaarheid. In het vervolgtraject zal de beschikbaarheid van middelen betrokken worden bij het maken van concrete afspraken met de regio.
Heeft u sinds het nieuws over de opname van de Lelylijn in het TEN-T-netwerk reeds contact gehad met uw Duitse evenknie Michael Theurer?
Op dit moment wordt tussen Nederland en Duitsland op ambtelijk niveau een gesprek met mijn Duitse collega voorbereid over de opname van de Lelylijn in het uitgebreid kernnetwerk. Uiteraard ga ik met dhr. Theurer in gesprek als uit de ambtelijke contacten blijkt dat dit wenselijk is, zoals ik in een eerdere fase al heb gedaan.
Hoe denkt u de huidige Duitse Staatssecretaris Michael Theurer te kunnen overtuigen van de meerwaarde van de Lelylijn als schakel in een nieuwe snelle verbinding tussen Nederland en Duitsland, daar vorig jaar de voormalige Staatssecretaris Enak Ferlemann aangaf dat een snelle treinverbinding tussen Groningen en Bremen «niet interessant» is vanwege een gebrek aan potentiële reizigers?
In het MIRT-onderzoek naar de Lelylijn zal conform het coalitieakkoord gekeken worden naar wat de Lelylijn kan betekenen voor de verbindingen met Noord-Duitsland en verder. Op basis daarvan kan ik met de Duitse collega’s het gesprek aangaan of we met elkaar de genoemde meerwaarde zien. Ik zal daarbij waar mogelijk de Duitse collega’s betrekken bij het genoemde onderzoek.
Wilt u de Kamer in een brief inlichten over de uitkomsten en de voortgang van gesprekken met de Duitse Staatssecretaris?
Ja, ik houd de Kamer vanzelfsprekend goed op de hoogte.
Wat zijn de gevolgen voor de Lelylijn, nu 160 km/uur voor de Lelylijn niet overal haalbaar zal zijn vanwege de zachte ondergrond op sommige plaatsen in Fryslân en Groningen, terwijl TEN-T hoge eisen stelt aan de nieuwe spoorlijnen op het gebied van snelheid?
Op dit moment is het onderzoek naar het mogelijke tracé van de Lelylijn nog in een vroege fase en is het daarom nog niet duidelijk welke technische specificaties mogelijk zijn. Wanneer in het vervolg van het onderzoek duidelijk blijkt dat voor een gewenste loop van de Lelylijn extra maatregelen nodig zijn, zal ik uw Kamer daarover informeren. Overigens geldt in het TEN-T voorstel de eis van 160 km/uur niet voor het uitgebreide netwerk.
Wat zijn de gevolgen voor de Lelylijn, nu deze deel gaat uitmaken van het TEN-T-netwerk, voor de formatie van de projectgroep? En welke stappen rond de planvorming om tot het definitieve tracé van de Lelylijn te komen zijn de komende tijd te verwachten?
De opname van de Lelylijn in het TEN-T netwerk heeft niet direct gevolgen voor de formatie van het projectteam. De Lelylijn volgt de normale MIRT-systematiek. Dat betekent dat nu de eerste stappen gezet worden voor een MIRT-onderzoek, hierbij zal ook brede participatie in de regio plaatsvinden.
Wilt u de Kamer in een brief inlichten over de aangepaste planvorming om tot het definitieve tracé van de Lelylijn te komen?
Er is op dit moment geen sprake van een aangepaste planvorming.
Verwacht u, nu de Lelylijn deel gaat uitmaken van het TEN-T-netwerk, nog steeds een financiële bijdrage van de noordelijke provincies?
Ja, er zijn naast de middelen vanuit de EU en de 3 miljard die door het Rijk is gereserveerd naar mijn verwachting nog steeds middelen vanuit de Regio nodig om de financiering van de Lelylijn rond te krijgen. Ik ben hierover met de Regio in gesprek.
Wat verwacht u met de gesprekken die u volgende week gaat voeren met de noordelijke bestuurders te bereiken?
Ik heb tijdens het Bestuurlijk Overleg Deltaplan goede gesprekken gevoerd met de noordelijke bestuurders. Dit was een bijeenkomst met positieve energie waarbij we gezamenlijk hebben uitgesproken nu samen met elkaar door te willen pakken om de Lelylijn tot een succes te maken.
Kunt u elke vraag afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Ja, daarmee heb ik bij deze voorzien.
Operation Admiral en de handhaving op btw-carrouselfraude |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek («Operation Admiral») van het European Public Prosecutor’s Office (EPPO) naar btw-fraude in de Europese Unie?1
Ja.
Is het bekend wat – naar schatting – de totale omvang is van btw-carrouselfraude in de Europese Unie en in Nederland? Zo nee, bent u bereid om de Belastingdienst te vragen hiernaar een onderzoek uit te voeren?
Er is geen (recente) schatting van de totale omvang van btw-carrouselfraude in de EU. Wel voert de Europese Commissie ieder jaar onderzoek uit naar het btw-compliance-gat (hierna: btw-gat) het btw-gat is het verschil tussen verwachte en daadwerkelijk geïnde btw van de EU-landen. Dit verschil heeft meerdere oorzaken. Op basis van een oude inschatting door de Europese Commissie werd een kwart van het btw-gat toegerekend aan btw-fraude (waaronder btw-carrouselfraude) en driekwart aan andere oorzaken zoals belastingoptimalisatie, administratieve fouten of faillissementen. De meest recente btw-gatrapportage is op 8 december 2022 gepubliceerd2. Uw Kamer ontvangt binnenkort dit rapport met een begeleidende brief. In dit rapport wordt voor de EU én per lidstaat het btw-gat in de periode 2016–2020 weergegeven. Het rapport geeft aan dat het btw-gat voor de totale EU in 2020 93 miljard euro aan gemiste btw-belastingen bedraagt, zijnde 9,1% van het totaal aan te verwachten btw-inkomsten. Dit is een aanzienlijk bedrag, maar de dalende trend van de laatste jaren wordt doorgezet. Nederland heeft een relatief klein verschil tussen verwachte en geïnde btw-inkomsten van 2,8% (1,7 miljard euro). Zoals uitgelegd is slechts een gedeelte hiervan toe te rekenen aan btw-carrouselfraude. Ik zie daarom geen reden nader onderzoek te doen.
Hoeveel handhavingscapaciteit is beschikbaar om deze vormen van fraude tegen te gaan en hoe heeft deze capaciteit zich in de afgelopen jaren ontwikkeld?
Bij de FIOD zet het Coördinatie Punt Btw-fraude (CPB) zich in om samen met de Belastingdienst btw-carrouselfraude aan te pakken. Het CPB beschikt over specialistische kennis, expertise en tooling. Er wordt binnen de FIOD en de Belastingdienst veel gedaan aan kennisdeling.
Het CPB stuurt rechtstreeks signalen door naar de kantoren van de Belastingdienst. De Belastingdienst geeft prioriteit aan de aanpak van btw-carrouselfraude en heeft hiervoor ca. 70 fte (exclusief FIOD) beschikbaar (in 2009 was dat ca. 50 fte).
Hoe heeft het btw-gat in Nederland zich in de afgelopen jaren ontwikkeld en hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot andere lidstaten, zowel relatief ten opzichte van eerdere jaren als in totale omvang? Welk deel van het btw-gat is een gevolg van btw-carrouselfraude en welke andere fraudemethoden liggen hieraan ten grondslag?
In zowel de EU, als in Nederland is het btw-gat de afgelopen jaren gedaald. Nederland doet het in dit opzicht goed. Met een geschat btw-gat van ca. 2,8% de afgelopen jaren bevindt Nederland zich tussen de lidstaten met de laagste btw-gatcijfers van de EU. Daarbij moet worden opgemerkt dat 2020 door invloed van de COVID-pandemie een afwijkend jaar is ten opzichte van de voorgaande jaren. De afgelopen jaren is voor Nederland een stabilisering op een relatief laag btw-gat te zien (zie tabel)3. Vanwege het verhullende karakter van fraude is het mij niet bekend welk deel hiervan exact het gevolg is van btw-carrouselfraude. In onderstaande tabel is het overzicht van de afgelopen jaren te zien.
Btw-verwacht
50,5
53,0
56,7
62,4
60,7
Btw-inkomsten
47,8
49,8
52,7
58,1
59,0
Btw-gat (mrd)
2,6
3,2
4,0
4,3
1,7
% totaal btw-gat
5,3
6,0
7,1
6,9
2,8
Voor de positionering van Nederland wat het btw-gat betreft ten opzichte van de andere lidstaten en het gemiddelde van de EU geeft onderstaand figuur uit voorgenoemd rapport een goed overzicht over 2019 en 2020.
VAT compliance gap by Member State (as % of VTTL, 2019 vs. 2020)
Heeft u kennisgenomen van de stappen die Italië en Spanje hebben genomen om met behulp van digitale rapportageverplichtingen hun btw-gat fors terug te dringen? Kunt u schetsen hoe deze rapportageverplichtingen in zijn werk gaan en op welke wijze deze in Nederland een bijdrage zouden kunnen leveren aan het terugdringen van btw-carrouselfraude?
Ja, ik heb daarvan kennisgenomen. Hierbij is het goed om te vermelden dat het btw-gat van Italië en dat van Spanje groter is dan het Nederlandse. De Europese Commissie heeft op 8 december 2022 een voorstel t.a.v. «VAT in the digital age» gepubliceerd. Het Ministerie van Financiën beziet momenteel de huidige aanpak van btw-fraude in relatie tot dit voorstel. Uw Kamer ontvangt in februari het BNC-fiche over dit voorstel.
Deelt u de inschatting dat deze werkwijze 1,5 miljard euro zou kunnen opleveren aan toegenomen btw-inkomsten?2 Zo nee, waarom niet en welke inschatting maakt u zelf?
Deze inschatting deel ik niet. Met de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie van de Belastingdienst wordt gestreefd naar compliance en niet naar hogere opbrengsten. Zoals aangegeven in de tabel bij antwoord 4 was het totale geschatte btw-gat voor Nederland met 1,7 miljard euro relatief laag waardoor een wijziging van het systeem voor Nederland minder oplevert dan voor lidstaten met een groter btw-gat. De implementatie van een nieuw systeem brengt voor bedrijven en de belastingdienst (tijdelijk) extra lasten met zich mee.
Deelt u in algemene zin de opvatting dat dergelijke nieuwe informatiestromen in eerste instantie om investeringen vragen, maar zich op de langere termijn terugbetalen? Zo ja, bent u bereid om te bekijken of een dergelijke aanpak ook in Nederland mogelijk is?
Nederland zet zich al reeds jaren in voor een goede informatie-uitwisseling tussen lidstaten. De informatiedeling via Eurofisc is daarbij van groot belang gebleken, evenals de daarvoor beschikbare analysemodellen. Bij aanvullende binnenlandse rapportagesystemen zal door ondernemers alsmede de Belastingdienst in eerste instantie moeten worden geïnvesteerd in onder meer IT-systemen en analysetools. Gelet op het relatieve lage btw-gat in Nederland en de aanpak van de btw-carrouselfraude wordt een dergelijke investering in binnenlandse rapportagesystemen niet overwogen. Overigens wordt in het voorstel «VAT in the digital age» een kader geschapen voor vrijwillige binnenlandse rapportagesystemen zodat er een bepaalde mate van uniformiteit in de EU heerst.
Wat is de inschatting van de te verwachten toename van belastinginkomsten als gevolg van anderszins verbeterde handhaving op deze fraudes? Hoe verhoudt dit zich tot de kosten van het intensiveren van de handhaving?
Ik wil ervoor waken om de aanpak van belastingfraude te zien als een business case, dit past niet in de uitvoerings- en handhavingsstrategie van de Belastingdienst. De Belastingdienst en de FIOD zetten zich vanuit het toezicht en de opsporing in voor een effectieve aanpak van btw-carrouselfraude, waarbij de inzet is gericht op het behandelen van mogelijke fraudesignalen en het voorkomen van fraude. Door bijvoorbeeld voorlichtings- en waarschuwingsbrieven wordt getracht te voorkomen dat bonafide ondernemers in een carrouselketen terecht komen.
Kunt u een overzicht geven van succesvolle initiatieven in andere lidstaten om de handhaving op btw-fraude te intensiveren en kunt u daarbij aangeven in hoeverre deze initiatieven ook in Nederland succesvol zouden kunnen zijn?
De aanpak van btw-carrouselfraude vormt onderdeel van het EMPACT (het Europees multidisciplinair platform tegen criminaliteitsdreiging) programma van Europol om in gezamenlijkheid als landen de belangrijkste vormen van fraude aan te pakken. In dit programma wordt door de EU-lidstaten samengewerkt in de aanpak van btw-carrouselfraude. Ook binnen Eurofisc worden best practices uitgewisseld tussen de lidstaten. Hiertoe is een best practice guide ontwikkeld die momenteel wordt geüpdatet. Nederland levert een bijdrage aan deze update. Goede voorbeelden zijn de reeds genoemde waarschuwingsbrieven en het snel intrekken van btw-nummers van bedrijven in de fraudeketen.
Welke andere stappen of maatregelen bent u anderszins voornemens te nemen om btw-carrouselfraude terug te dringen? Bent u bereid om de bestaande fraudebestrijding gericht op btw-carrouselfraude te intensiveren? Zo nee, waarom niet?
Zowel in de EU als in Nederland is het btw-gat de afgelopen jaren teruggebracht, en Nederland mist in vergelijking met andere EU-landen relatief weinig btw-inkomsten. Zoals uit de hiervoor genoemde cijfers naar voren komt, is de aanpak van de Belastingdienst en de FIOD succesvol. Wel blijft het nodig om de huidige aanpak voort te zetten. Het op peil houden van de beschikbare menskracht voor deze onderzoeken heeft mijn onverdeelde aandacht. Hierbij wordt ook rekening gehouden met rechtsstatelijkheid en de gegevensbescherming. Op dit moment ligt er een wetsvoorstel in de Tweede Kamer (wet implementatie Richtlijn betalingsdienstaanbieders) dat specifiek gericht is op de bestrijding van btw-fraude bij e-commerce (online aankopen door particulieren).5 Op basis van dit voorstel worden mogelijke fraudepatronen op basis van betaalgegevens sneller en eenvoudiger gedetecteerd.
Het bericht 'Dit zijn de gevolgen van de verhuizing van het St. Antonius ziekenhuis volgens een zorgeconoom' |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Kent u het bericht «Dit zijn de gevolgen van de verhuizing van het St. Antonius ziekenhuis volgens een zorgeconoom»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke gemeenten zijn geconsulteerd?
Het St. Antonius Ziekenhuis heeft mij laten weten dat het in maart en juni van 2021 en in juli 2022 gezamenlijke sessies heeft georganiseerd met de volgende gemeenten: Nieuwegein, Utrecht, Houten, Ronde Venen, Stichtse Vecht, Vijfherenlanden, Woerden en IJsselstein. Vervolgens zijn in het najaar van 2022 voor een persoonlijk gesprek bezoeken gebracht door het ziekenhuis in de volgende gemeenten: Nieuwegein, Utrecht, Houten, Woerden, IJsselstein, Montfoort, Lopik, Vijfherenlanden en Culemborg.
Kunt u met de Kamer de documenten delen die ter consultatie zijn voorgelegd aan de betrokken gemeentebestuurders, conform de wettelijke bepalingen?
De wetgeving schrijft niet voor welke documenten met gemeentebestuurders moeten worden gedeeld indien een bijeenkomst met gemeentebestuurders wordt georganiseerd over een eventuele sluiting van het aanbod van acute zorg op een bepaalde locatie (Uitvoeringsregeling Wkkgz, artikel 8i, eerste lid). Het ziekenhuis dient de gemeentebestuurders te informeren over de plannen en over de uitkomsten van de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM. Ik heb de informatie/stukken die met de gemeentes gedeeld zijn niet tot mijn beschikking.
Deelt u de mening dat een besluit tot samenvoeging niet door de directie van het St. Antoniusziekenhuis genomen kan worden zonder dat het effect op de ambulance-capaciteit en het effect op de beschikbaarheid en bereikbaarheid van zorg bij de andere ziekenhuizen wordt bezien?
Het ziekenhuis moet voor deze wijziging de procedure uit het Uitvoeringsbesluit Wkkgz (de AMvB acute zorg) volgen. Hiervoor moet onder andere een bereikbaarheidsanalyse bij het RIVM worden aangevraagd en moeten gemeenten en inwoners worden betrokken.2 Onderdeel van de bereikbaarheidsanalyse is het effect voor patiënten op de rijtijden per ambulance naar de dichtstbij zijnde locatie waar na de eventuele sluiting de betreffende acute zorg wordt geboden en het gevolg van een eventuele sluiting voor het gevoelig worden voor de 45-minutennorm van andere zorgaanbieders. (Uitvoeringsbesluit Wkkgz, artikel 8a.4, eerste lid, onderdeel g). In het continuïteitsplan moet het ziekenhuis aangeven welke afspraken er door het ziekenhuis, andere zorgaanbieders en zorgverzekeraars zijn gemaakt met het oog op de continuïteit in de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de acute zorg (Uitvoeringsregeling Wkkgz, artikel 8m, onderdeel f). Overigens gaat het om een situatie die pas over twaalf jaar concreet wordt. De komende jaren heeft het ziekenhuis de tijd om invulling te geven aan de zorg in de regio Nieuwegein.
Kunt u aangeven wat het effect van een samenvoeging is op ambulance-capaciteit en de effecten met betrekking tot beschikbaarheid en bereikbaarheid van zorg de andere ziekenhuizen?
Zoals ik ook in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven, geeft het RIVM in de bereikbaarheidsanalyse aan wat de effecten zijn op de rijtijden voor patiënten per ambulance naar de dichtstbijzijnde locatie waar de betreffende acute zorg wordt aangeboden. Tevens geeft het RIVM aan of door de sluiting van het aanbod van acute zorg op de betreffende locatie andere zorgaanbieders gevoelig worden voor de bereikbaarheidsnormen. De voorgenomen sluiting moet in het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ) besproken worden. In dat overleg worden afspraken gemaakt over de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de acute zorg in de regio. Het effect op de ambulance-capaciteit en het effect op de beschikbaarheid en bereikbaarheid van zorg bij de andere ziekenhuizen wordt door het ziekenhuis meegenomen in de verdere uitwerking van de plannen, samen met betrokken partijen.
Deelt u de mening dat die ziekenhuizen worden samengevoegd tot één locatie de eerste jaren veel energie richten op de interne organisatie c.q. de vervlechting?
Elke organisatieverandering heeft tijd nodig om goed geïmplementeerd te worden. Het St. Antonius Ziekenhuis neemt hier in ieder geval ruim de tijd voor, daar het voornemen tot daadwerkelijke samenvoeging voor het jaar 2035 gepland staat. Ik heb er dan ook vertrouwen in dat dit zorgvuldig plaats zal vinden.
Kunt u aangeven waarom deze fusie een goed plan zou zijn tegen de achtergrond van het onderzoek over Spoedeisende hulp in Denemarken, waaruit bleek dat concentratie niet had geleid tot betere zorg?2
Graag wil ik hier benadrukken dat het hier niet gaat om een fusie. Het St. Antonius ziekenhuis geeft aan dat de keuze om het grootste deel van de ziekenhuisfuncties te concentreren op de locatie Utrecht is ingegeven vanuit het de wens om de zorg betaalbaar en toegankelijk te houden, maar vooral ook van goede kwaliteit. In Denemarken was sprake van een zeer grote landelijke
concentratie van ziekenhuiszorg. Die situatie is niet te vergelijken met de situatie waarin één ziekenhuis functies concentreert en dat doet op basis van een onderbouwd en afgewogen plan met het oog op de kwaliteit van de zorg.
Kunt u aangeven wat het kosteneffect is geweest van de fusie van de ziekenhuizen tot het Elisabeth Twee Steden Ziekenhuis in Tilburg met betrekking tot behandelmixen?
Op 14 augustus 2013 zijn het St. Elisabeth Ziekenhuis (EZ) en TweeSteden Ziekenhuis (TSz) bestuurlijk gefuseerd waarna beide ziekenhuizen vervolgens op 1 januari 2016 juridisch zijn gefuseerd. De fusie was, anders dan de voorgenomen verhuizing van het St. Antonius Ziekenhuis, een fusie tussen twee ziekenhuizen waarbij de oorspronkelijke locaties behouden bleven. Het St. Antonius Ziekenhuis is van plan om twee locaties van dezelfde ziekenhuisorganisatie samen te voegen.
Voor de beantwoording van deze vraag is contact opgenomen met het Elisabeth Twee Steden ziekenhuis (ETZ). Zij geven aan dat er ten tijde van de voorgenomen fusie tussen EZ en TSz zorgen waren vanuit de toenmalige Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa, de voorganger van de Autoriteit Consument en Markt (ACM)) dat de fusie tussen beide ziekenhuizen de zorg duurder zou maken. Het ETZ heeft derhalve als voorwaarde van de NMA gekregen dat in de pre-fusie periode moest worden aangetoond dat de prijzen van de dbc’s (diagnose behandelcombinatie) van het vrije segment niet méér zouden stijgen dan de gemiddelde index over de jaren 2013 tot en met 1 januari 2016 (datum van de fusie). Het ETZ geeft aan dat het dit in deze periode heeft kunnen aantonen (met accountantsverklaring). De prijsstijging was, volgens het ETZ, in die periode ongeveer de helft van de gemiddelde prijsindex, waarmee het per saldo een kostenbesparing heeft opgeleverd hetgeen ook een voorwaarde was van de zorgverzekeraars.
Kunt aangeven hoe de vertakking/organisatiestructuur er gaat uitzien, aangezien artsen gaan straks werken in een groter team?
Het St. Antonius Ziekenhuis heeft mij laten weten dat de organisatiestructuur niet zal veranderen. De teams blijven hetzelfde; zij werken op dit moment ook al in één organisatie.
Deelt u de mening dat grotere teams zullen leiden tot verdunning van contacten met andere teams en dat dit zal leiden tot meer onafhankelijke eilandjes? Zo nee, waarom niet?
Zoals in mijn antwoord op vraag 9 ook aangegeven blijven de teams ongewijzigd. Zij zullen alleen efficiënter samenwerken op één locatie in plaats van verdeeld over twee locaties. Volgens het St. Antonius ziekenhuis bevordert het samenvoegen van de expertises een soepel verloop van zorgprocessen. Bovendien zijn er ook minder verplaatsingen (materiaal, patiënten) nodig wanneer geconcentreerd is op één locatie. Daarbij zijn er ook juist voordelen van de samenvoeging zoals dat er meer patiënten behandeld kunnen worden doordat operaties en behandelingen efficiënter ingepland kunnen worden. Ook is geen dubbele bezetting van personeel meer nodig.
Kunt u aangeven hoeveel en uit welke woonplaatsen de huidige patiënten van het Antoniusziekenhuis in Nieuwegein komen?
Nee, over deze cijfers beschik ik niet. De patiënten van het St. Antonius Ziekenhuizen worden niet gekoppeld aan één locatie, zij ontvangen hun zorg op verschillende/meerdere locaties.
Deelt u de mening dat implementatie van het voorgenomen besluit zal leiden tot uitholling van de zorg zoals dat ook met het Hofpoort ziekenhuis in Woerden is gebeurd?
Nee, die mening deel ik niet. Het is van belang dat de continuïteit en toegankelijkheid van zorg in de regio geborgd blijft. In het ROAZ dienen daarover afspraken te worden gemaakt en de zorgverzekeraar moet daar in zijn contractering rekening mee te houden. Ook bij de keuze om de meer complexe zorg en de huisartsenpost (HAP) te concentreren in Leidsche Rijn stond de kwaliteit van zorg voorop. We hebben in het Integraal Zorgakkoord (IZA) afspraken gemaakt over passende zorg. Passende zorg betekent dat de zorg toegevoegde waarde heeft voor de patiënt en dat we moeten nadenken over de zinnigheid van zorg en dat de zorg door de juiste hulpverlener op de juiste plek verleend moet worden. Daarvoor moeten keuzes gemaakt worden. De geschetste ontwikkelingen vragen om een heroriëntatie op hoe we de zorg in ons land hebben georganiseerd en ingericht.
Deelt u de mening dat implementatie van het voorgenomen besluit zal leiden tot een groot machtsblok en dat dat onwenselijk is in relatie tot de transformatie van de zorg en de afspraken met zorgverzekeraars?
Allereerst wil ik hier nogmaals benadrukken dat het hier niet gaat om een fusie van twee ziekenhuizen waardoor de mogelijkheid zou bestaan dat een machtsblok ontstaat in de onderhandelingen met de zorgverzekeraar. Het betreft alleen het samenvoegen van twee locaties van dezelfde ziekenhuisorganisatie. Er is geen grond om te concluderen dat deze samenvoeging van locaties leidt tot meer marktmacht en negatieve effecten voor de zorg. Ik deel de mening dus niet.
In het algemeen geldt dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de ACM toezien op machtsverhoudingen in de zorgmarkten. Als een zorgaanbieder aanmerkelijke marktmacht heeft, kan de NZa maatregelen treffen. Daarnaast heeft de ACM de mogelijkheid om in te grijpen als blijkt dat er sprake is van machtsmisbruik.
De problemen in de klinieken en het terbeschikkingstelling (tbs)-stelsel |
|
Michiel van Nispen |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
Bent u van mening dat er problemen zijn in de tbs-klinieken op het moment en het tbs-stelsel als geheel? Hoe groot vindt u deze? Wat zijn volgens u de grootste uitdagingen op dit moment?
De grootste uitdaging die ik nu zie voor het tbs-stelsel is de capaciteitsdruk. Die zit zowel in de fysiek beschikbare plekken als in de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd personeel. Het staat voor mij vast dat de capaciteitsdruk risico’s kan opleveren.
Is er volgens u sprake van incidenten of zijn er structurelere problemen, als we bijvoorbeeld kijken naar heftige incidenten in de klinieken en onttrekkingen met ernstige geweldsmisdrijven als gevolg?
Ik wil hierin niet vooruitlopen op de resultaten van de verschillende onderzoeken, maar op dit moment zie ik geen aanwijzingen dat er een directe relatie is tussen de capaciteitsdruk die ik bij mijn antwoord op vraag 1 heb geadresseerd en de incidenten van afgelopen jaar.
Wat is uw reactie op de opmerkingen van tbs-advocaat Jan-Jesse Lieftink die stelt dat het tbs-systeem onder grote druk staat en op termijn onhoudbaar zal worden?1 Kunt u dit toelichten?
Ik deel de zorgen die in de betreffende uitzending zijn geuit. Het klopt dat we, net als andere sectoren, in de forensische zorg te maken hebben met een krappe arbeidsmarkt. Het is moeilijk om personeel te werven en te behouden. Het klopt ook dat er momenteel sprake is van capaciteitsdruk in de tbs. Het aantal tbs-passanten dat in een penitentiaire inrichting wacht op de start van de tbs-behandeling is de afgelopen jaren toegenomen.2 Het voert mij echter te ver om te stellen dat het tbs-systeem onhoudbaar zou zijn. Zo is het aantal incidenten door de jaren heen stabiel en kent de sector goede recidivecijfers: zo’n 80 procent recidiveert niet binnen twee jaar na uitstroom.3
Hoe groot is op dit moment de druk op het personeel in de klinieken?
In het contractmanagement van DJI is aandacht voor de druk op het personeel. Die druk verschilt uiteraard per locatie en per moment. DJI is hierover continu in gesprek met zorgaanbieders en ziet erop toe dat passende maatregelen genomen worden indien nodig.
Hoe ernstig is de druk op de capaciteit op dit moment?
Als iemand een tbs-maatregel opgelegd krijgt, wordt hij eerst in een penitentiaire inrichting geplaatst in afwachting van plaatsing in een Tbs-kliniek. Dit geldt zowel voor personen die ook een gevangenisstraf hebben als voor personen die alleen een tbs-maatregel opgelegd krijgen. De personen die in afwachting van de start van hun tbs-behandeling in een penitentiaire inrichting zijn geplaatst worden tbs-passanten genoemd. Het aantal tbs-passanten is een graadmeter voor de druk op de tbs-capaciteit. Onderstaande tabel laat zien het aantal tbs-passanten de afgelopen jaren is toegenomen.
2017
26
2018
43
2019
39
2020
45
2021
64
2022
107
In hoeverre is men er al in geslaagd de bureaucratie terug te dringen, zoals in het verleden met ambitieuze plannen is aangekondigd?
Uit een door Andersson Elffers Felix uitgevoerde evaluatie bleek dat het beoogde doel van 25 procent vermindering van de administratieve lasten door drie concrete projecten niet was gehaald.4 Wel werd inzichtelijk dat een deel van de administratieve lasten echt noodzakelijk is en ook bijdraagt aan een goede kwaliteit van forensische zorg. Vanzelfsprekend blijf ik mij inzetten voor een verdere vermindering van administratieve lasten. Zo werkt mijn ministerie momenteel aan een softwareapplicatie waarmee een zorgaanbieder op geautomatiseerde wijze alle relevante gegevens over een patiënt kan opvragen op één plek. Voorheen moesten hiervoor meerdere systemen geraadpleegd worden.
In hoeverre is er volgens u een verband tussen de recente geweldsincidenten binnen en buiten de klinieken en de druk op het personeel?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met de uitspraken van tbs-advocaat Lieftink dat er te weinig is gebeurd met de analyse en aanbevelingen zoals die zijn opgenomen in het rapport «Geen kant meer op kunnen» van de inspectie Justitie en Veiligheid van oktober 2020?2
Ik ben het niet eens met deze uitspraken. Sinds het verschijnen van het rapport van de Inspectie is de tbs-capaciteit, met dank aan de inspanningen van DJI en zorgaanbieders, daadwerkelijk uitgebreid. Zo is het de sector gelukt afgelopen jaar 90 extra plaatsen in Forensisch Psychiatrische Centra te realiseren. Ook heeft mijn ambtsvoorganger de generieke maatregel om een verlofmachtiging standaard in te trekken na verdenking van een strafbaar feit doen vervallen.6 Tot slot is de inkoopstrategie aangepast. De aanbesteding conform deze nieuwe inkoopstrategie is momenteel gaande. DJI zal in deze aanbesteding lang lopende contracten gaan afsluiten tot maximaal zes jaar. Door de langere looptijd van contracten zijn voor zorgaanbieders investeringen met minder onzekerheden omgeven. Dit moet ertoe leiden dat forensische zorgaanbieders zich beter kunnen richten op een veranderende vraag naar forensische zorg.
Wat is er de afgelopen jaren bijvoorbeeld precies gebeurd met de aanbeveling van het rapport om de zorg kwalitatief te verbeteren en ook de kwaliteit van de beveiliging te verbeteren? Waar blijkt dat uit?
Op 1 oktober 2022 is het Kwaliteitskader forensische zorg ingevoerd. Hierin is beschreven wat onder kwalitatief goede forensische zorg wordt verstaan en aan welke normen zorgaanbieders dienen te voldoen. De onderwerpen die de Inspectie in haar rapport heeft benoemd zijn opgenomen in het kwaliteitskader. De komende jaren wordt het kwaliteitskader verder geïmplementeerd zodat alle zorgaanbieders er eind 2028 volledig aan voldoen. Waar nodig en relevant kan dat betekenen dat er nadere werkafspraken worden uitgewerkt. Het kwaliteitskader geldt voor alle vormen van forensische zorg. Ik heb middelen beschikbaar gesteld voor de implementatie van het kwaliteitskader, oplopend tot structureel 19,- miljoen vanaf 2025.
Wat betreft de beveiliging heeft DJI afgelopen jaar bij alle FPC’s geïnventariseerd in hoeverre zij voldoen aan het Programma van Eisen. Hierin is vastgelegd aan welke eisen op het gebied van materiële beveiliging de klinieken moeten voldoen. Uit de inventarisatie blijkt dat er drie gebouwelijke ingrepen in gang gezet moeten worden om alle FPC’s aan de eisen te laten voldoen. Deze drie ingrepen zijn nodig bij twee FPC’s. Ik ben momenteel in gesprek met de betreffende locaties om de benodigde aanpassingen te realiseren. Overigens treffen de betrokken FPC’s, vooruitlopend op de ingrepen, compenserende maatregelen.
Wat is er de afgelopen jaren gebeurd met de aanbeveling om bepaalde generieke maatregelen af te schaffen betreffende verlof en te vervangen met meer maatwerk en vertrouwen aan de professionals?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
Wat gebeurt er vanuit de overheid op het gebied van nazorg en compensatie voor medewerkers met traumatische en levensbedreigende ervaringen met soms ook posttraumatische stressstoornis (PTSS) als gevolg, ten gevolge van hun werkzaamheden in een tbs-kliniek?
Het verlenen van nazorg voor medewerkers die bij de uitoefening van hun reguliere werkzaamheden een traumatische ervaring hebben hoort bij goed werkgeverschap. Dit is dan ook opgenomen in het Kwaliteitskader forensische zorg.
Voor zover het de Rijksinstellingen betreft geldt hiervoor het algemeen beleid van DJI. Dit houdt in dat medewerkers die een schokkende of indringende gebeurtenis meemaken die zorg krijgen die zij nodig hebben: kwalitatief hoogstaand en op maat.
Per locatie is er een nazorgteam, met medewerkers die direct ondersteuning kunnen bieden aan collega’s ter plaatse. Bij ernstige incidenten en als blijkt dat het natuurlijk herstel van de medewerker niet goed gaat komen de specialist opvang en de traumapsycholoog in beeld.
Voor de particuliere instellingen geldt dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor het verlenen van nazorg aan hun medewerkers. De wijze waarop zij dat doen kan verschillen, waarbij uiteraard in algemene zin geldt dat zij moeten voldoen aan de regelgeving inzake goed werkgeverschap bij arbeidsongevallen.
Wat is uw reactie op het verhaal van Lenny en Alma, die als medewerkers in Veldzicht schokkende dingen meemaakten, wat tot op de dag van vandaag grote gevolgen voor hen heeft?3 Hoe kan het dat dit tot slepende rechtszaken heeft geleid, waarom is dit nog steeds niet naar tevredenheid opgelost door de oud-werkgever?
Ik spreek mijn medeleven naar Lenny en Alma uit voor wat hen overkomen is tijdens hun werk in een tbs-kliniek. Het is verdrietig te zien dat dit tot de dag van vandaag zo’n invloed op hun leven heeft.
Omdat de rechtszaak waar u aan refereert nog loopt, kan ik hier verder niet op ingaan.
Op welke wijze wordt eraan gewerkt om de werkdruk van het personeel werkzaam bij de tbs-klinieken te verminderen en de veiligheid voor medewerkers te verbeteren?
Ik volg een aantal sporen om de uitvoering van het tbs-systeem veilig en verantwoord te houden. Ik zet ten eerste in op het bevorderen van door- en uitstroom. Dat doe ik met het Implementatieprogramma Bestuurlijke Agenda Forensische Zorg, dat in 2021 bij DJI is gestart. Dit programma bestaat uit projecten die bijdragen aan de doelstellingen van de met de hele sector opgestelde Bestuurlijke Agenda Forensische Zorg.8 Daarnaast werk ik samen met de sector aan het uitbreiden van de tbs-capaciteit en het verbeteren van passende vervolgvoorzieningen. Tot slot zorg ik met het Kwaliteitskader voor voldoende ruimte voor professionals om hun werk goed en verantwoord te kunnen doen. In de voortgangsbrief forensische zorg van deze maand ga ik hier verder op in, inclusief de knelpunten bij deze opgave.9
Welke maatregelen gaat u nemen om de werking van de behandeling in klinieken en de terugkeer naar de samenleving te verbeteren en daarmee de uitvoering van het tbs-systeem veiliger te maken?
Zie antwoord vraag 13.