Opmerkingen van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, “We are fighting a war against Russia” en “We can fight this war only together” |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de volgende opmerking van de Duitse Minister van Buitenlandse Zaken, mevrouw Baerbock, op 24 januari 2023: «We are fighting a war against Russia» en «We can fight this war only together»?1
Ja
Kunnen we hieruit concluderen dat Duitsland in staat van oorlog verkeert met Rusland? Zo nee, hoe moeten we de opmerking «We are fighting a war against Russia» van de Duitse Minister van Buitenlandse Zaken dan wel interpreteren volgens het kabinet?
Nee. Duitsland heeft toegelicht dat de NAVO en Duitsland geen partij zijn bij het gewapend conflict.
Naar wie refereert, volgens het kabinet, de Duitse Minister met haar «we» in «We can fight this war only together»? De Europese Unie wellicht? De NAVO misschien?
Het kabinet speculeert niet over uitspraken van een buitenlandse Minister.
Mocht Nederland onderdeel zijn van deze «we», betekent dit dat, volgens de Duitse Minister van Buitenlandse Zaken, naast Duitsland, ook Nederland «een oorlog vecht tegen Rusland»? Is het kabinet het hier dan mee eens?
Het kabinet speculeert niet over uitspraken van een buitenlandse Minister.
Vecht Nederland, volgens het kabinet, op dit moment een oorlog tegen Rusland, ja of nee?
Nee, Nederland is geen partij bij het gewapend conflict tussen Rusland en Oekraïne. Oekraïne heeft op basis van het VN Handvest het recht zich te verdedigen tegen de Russische agressie. Op verzoek van Oekraïne steunt het kabinet Oekraïne daarbij.
Op welke wijze zal het kabinet er, mocht het conflict tussen Rusland en Oekraïne verder escaleren, concreet voor zorg dragen dat te allen tijde artikel 96, lid 1 van de Grondwet wordt gerespecteerd en er dus geen beroep hoeft te worden gedaan op lid 2 van dit artikel (waarbij Nederland, zonder expliciete toestemming van de Staten-Generaal, wellicht een de facto oorlog met Rusland kan worden ingerommeld)?
Het kabinet leeft de Grondwet na.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat het bijna niet meer rendabel is om als binnenvaartschipper te varen |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Bijna niet meer rendabel om als binnenvaartschipper te varen»?1
Ja.
Klopt het dat de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) voorstelt om de hoogte van slaapvertrekken van bestaande binnenvaartschepen te verhogen?
De technische eisen aan binnenvaartschepen waarnaar in het fragment van NPO Radio 12 wordt verwezen betreffen geen nieuwe eisen of voorstellen van de CCR. Het zijn eisen in de Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (ES-TRIN) waarvan de overgangstermijn vanaf 1 januari 2035 afloopt. Vroeger golden nieuwe ingrijpende technische eisen alleen voor nieuw te bouwen schepen. In 2003 is echter, met instemming van de internationale brancheorganisaties, besloten om op termijn alle bestaande schepen aan te passen aan de stand van de techniek. Voor elke technische eis is toen, wederom met instemming van de internationale brancheorganisaties, een datum bepaald, waarop bestaande schepen aan deze eis moeten voldoen. De CCR heeft dat gedaan voor de vaart op de Rijn en de Europese Commissie voor de vaart buiten de Rijn. Deze data werden bepaald aan de hand van een onderzoek van het Duitse Versuchanstalt für Binnenschiffbau e.V., Duisburg uit 2001. De overgangstermijnen die uiteindelijk op basis van dit onderzoek zijn vastgesteld, zijn opgenomen in de ES-TRIN. Een van de technische eisen ziet inderdaad op de stahoogte in verblijven, waaronder de slaapvertrekken. Afhankelijk van het type binnenschipcertificaat (wel of geen vaart op de Rijn), loopt de overgangstermijn voor deze eis af in 2035 of 2049.
Klopt het dat op een binnenvaartschip het huisrecht geldt onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?
Het klopt dat het huisrecht ook geldt voor binnenvaartschepen.
In hoeverre is het voorstel om de hoogte van slaapvertrekken van bestaande binnenvaartschepen verplicht te verhogen een inbreuk op het huisrecht onder het EVRM?
Inmenging in de uitoefening van het huisrecht is volgens het EVRM mogelijk «voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving, noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen». Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zal daaraan toetsen.
In dit geval is er sprake van een wettelijke norm. De eisen aan de verblijven, zoals die in ES-TRIN zijn afgesproken, zijn opgenomen in bijlage 1.1a van de Binnenvaartregeling en zien o.a. ook op de bescherming van de gezondheid. Voor de totstandkoming van deze eisen wordt verwezen naar het antwoord op de vragen 2 en 6. Bovendien is ook voorzien in een hardheidsclausule waarop scheepseigenaren een beroep kunnen doen wanneer de toepassing van een technisch voorschrift in ES-TRIN technisch moeilijk uitvoerbaar is of onevenredig hoge kosten vergt (zie voor nadere uitleg het antwoord op de vragen 7 en 10).
Op grond van het bovenstaande lijkt er geen sprake te zijn van een inbreuk op het huisrecht, maar de enige die daar een definitieve uitspraak over kan doen is het EHRM.
Als er inderdaad een inbreuk op het huisrecht is, waarom zouden dan voor binnenvaartschepen andere regels gelden dan voor huizen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Welke andere voorstellen doet de CCR voor bestaande binnenvaartschepen?
De overgangstermijnen voor de technische eisen zijn opgenomen in hoofdstuk 32 en 33 van de ES-TRIN (zie het antwoord op vraag 2). Het gaat hier onder andere om een aantal eisen aan verblijven, de breedte van de gangboorden, de plaats van het aanvaringsschot en het voorschip met ankernissen.
Hoe kijkt u aan tegen de andere voorstellen van de CCR?
De Nederlandse delegatie heeft zich de afgelopen jaren internationaal hard gemaakt voor versoepeling van de meest knellende technische eisen (zoals stuurhuisglas, autokranen, geluid, vluchtwegen door keukens etc.).
Als de toepassing van een technisch voorschrift – na afloop van de overgangsbepalingen – in de praktijk moeilijk uitvoerbaar is of onevenredig hoge kosten met zich brengt, kan in individuele gevallen op grond van een internationale ontheffing van de EU of de CCR een afwijking van dit voorschrift worden toegestaan. Via het aanvragen van een hardheidsclausule kan de sector aantonen waar men tegenaan loopt. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat adviseert scheepseigenaren om van de hardheidsclausule gebruik te maken als zij niet aan de regels kunnen voldoen en zal alle medewerking verlenen aan aanvragen hiervoor. Als er meerdere aanvragen komen voor afwijking van dezelfde regels, zou dit op internationaal niveau argumenten kunnen creëren voor een meer algemene oplossing en/of herziening van deze regel.
In hoeverre klopt het dat het hierdoor niet meer rendabel is voor een groot deel van de kleine binnenvaartschepen om te varen? Wat is hiervan de impact op de «modal shift» van het goederenvervoer naar binnenvaartschepen? Wat is hiervan de impact op de Integrale Mobiliteitsanalyse?
In theorie beschikt elk schip dat nu in de vaart is over een geldig binnenschipcertificaat dat is vernieuwd na afloop van de overgangsbepalingen van 2010 en 2015. Deze schepen voldoen dus aan alle eisen en mogen varen. In elk geval tot de volgende serie overgangsbepalingen afloopt, maar dat is pas vanaf 1 januari 2035. Dit geldt zowel voor grote als kleine schepen. Een certificaat is in beginsel geldig voor een periode van 7 jaar. Scheepseigenaren die hun binnenschipcertificaat kort vóór 1 januari 2035 verlengen (dus kort voordat de betreffende overgangsbepalingen aflopen), kunnen vervolgens weer tot eind 2041 blijven varen. Het lijkt niet logisch dat er op dit moment al consequenties worden verbonden aan zaken die pas over zo’n lange tijd spelen.
Ook al zou dat zo zijn, dan nog zijn overgangsbepalingen sowieso niet de enige reden dat het aantal (vooral kleine) schepen terugloopt. De uitstroom van kleinere schepen is al langer aan de gang en hiervoor zijn meerdere oorzaken aan te wijzen, zoals vergrijzing, veroudering van schepen, ontbreken van bedrijfsopvolging, schaalvergroting, opwaardering van vaarwegen en veranderende wensen in de markt.
De Nederlandse delegatie heeft zich de afgelopen jaren internationaal hard gemaakt voor versoepeling van de meest knellende technische eisen. In 2011 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat opdracht gegeven aan het onderzoeksbureau KplusV om de gevolgen van de afloop van de overgangsbepalingen in kaart te brengen. Op basis van dit onderzoek en een aantal vervolgonderzoeken zijn destijds alternatieven aangenomen voor de reeks overgangsbepalingen die in 2010 en 2015 afliepen, welke voor de sector beter werkbaar zijn. Daarmee is de sector honderden miljoenen aan verplichte investeringen bespaard.
Het eerdergenoemde onderzoek uit 2011 identificeert echter ook een aantal knelpunten bij bepalingen waarvan de overgangstermijn vanaf 2035 afloopt. Op dit moment wordt onderzoek gedaan naar de effecten van het aflopen deze overgangsbepalingen op de afname van het aantal (kleine) schepen. Dat onderzoek zal onder andere in kaart brengen of de afname van het aantal kleine schepen een negatief effect heeft op het verplaatsen van goederenstromen van de weg naar het water en wat de impact daarvan is op de bedrijvigheid die nu actief gebruik maakt van deze schepen. Nog in het voorjaar van 2023 wordt de Kamer geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek. Op basis daarvan kunnen vervolgens ook inschattingen worden gemaakt of er sprake is van significante effecten op de mobiliteitsontwikkeling en bereikbaarheidsopgaven zoals genoemd in de Integrale Mobiliteitsanalyse.
Klopt het dat u in gesprek bent met de binnenvaartsector over de voorstellen van de CCR? Wat is hiervan de stand van zaken?
Hierover vindt periodiek overleg met de binnenvaartsector plaats. Dit gebeurt voorafgaande aan de vergaderingen van de internationale technische werkgroepen van de CCR en de EU (CESNI), welke vier keer per jaar plaatsvinden.
Klopt het dat u vrijstellingen kan vragen voor de voorstellen van de CCR? Welke vrijstellingen wil de binnenvaartsector graag krijgen? Welke vrijstellingen wilt u vragen?
In 2019 is Uw Kamer geïnformeerd over de mogelijkheden om binnenvaartschepen die binnen de landsgrenzen varen te vrijwaren van de Europese technische eisen.3 Daarin is o.a. gewezen op de mogelijkheid van de hardheidsclausule, waarmee in individuele gevallen door de scheepseigenaar om een uitzondering van de voorschriften in ES-TRIN kan worden verzocht. De aanvraag van een hardheidsclausule wordt, afhankelijk van het type binnenschipcertificaat, door de Nederlandse delegatie ingediend bij de technische werkgroep van de EU (CESNI) of de CCR, maar het gaat om dezelfde procedure.4 Ten tijde van bovengenoemde Kamerbrief was er nog nooit een beroep op de hardheidsclausule gedaan, maar in de afgelopen jaren zijn er 2 aanvragen succesvol doorlopen. Ook aan de vervolgacties die in het slot van de Kamerbrief uit 2019 worden genoemd is gevolg gegeven. Er zijn op nationaal niveau stappen gezet in het kader van het verduidelijken van de procedure voor de hardheidsclausule. Daarnaast is de positie van het kleine schip in relatie tot de technische eisen op politiek niveau aangekaart bij de Ministers van de andere CCR-lidstaten en tijdens de plenaire vergadering van de Transportraad in december 2019.
Hoe kijken andere Europese landen aan tegen de voorstellen van de CCR? Welke vrijstellingen willen andere Europese landen vragen? Welke vrijstellingen hebben andere Europese landen gekregen?
Het is niet aan het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat om het standpunt van andere landen publiek te maken. Er zijn, buiten de hiervoor genoemde 2 aanbevelingen op basis van de hardheidsclausule, geen andere aanvragen ingediend.
Herinnert u zich uw voorstel om toiletten van bestaande pleziervaartschepen verplicht te verzegelen?
Ja.
Wat is hiervan de stand van zaken?
De nota naar aanleiding van het verslag van het schriftelijk overleg is op 16 februari 2023 aan u toegezonden.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De doorlooptijden van medicijnen |
|
Liane den Haan (Fractie Den Haan) |
|
Kuipers |
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wachttijd dure medicijn loopt op tot bijna 600 dagen»?1
Ja.
Kunt u verklaren waarom het nu bijna een half jaar langer duurt om tot een prijsakkoord te komen voor dure medicijnen dan in de periode 2015-2021?
Het gemiddelde van bijna twintig maanden wachttijd is berekend door de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelenberekend (VIG) op basis van de twaalf medicijnen waarover ik vorig jaar een prijsakkoord bereikte. De langere wachttijd wordt vooral veroorzaakt door een groep van zes middelen voor multipel myeloom (ziekte van Kahler). Door de snelle opeenvolging van nieuwe behandelingen vond het Zorginstituut de gebruikelijke individuele beoordeling per medicijn niet zinvol. Daarom is het Zorginstituut een pilot gestart met een indicatiebrede beoordeling. In afwachting hiervan heeft het Zorginstituut geadviseerd deze middelen na scherpe prijsonderhandeling tijdelijk toe te laten tot de basisverzekering. Door de atypische gang van zaken rondom deze middelen heeft het proces langer geduurd dan gebruikelijk. Zonder deze middelen ligt de gemiddelde sluisduur net als in eerdere jaren rond de 14 maanden.
Kunt u aangeven hoe de gesprekken met het Zorginstituut Nederland en fabrikanten verlopen naar aanleiding van de aangenomen motie van het lid Den Haan c.s. over het in kaart brengen van de mogelijkheden voor inkorting van de doorlooptijden van sluisgeneesmiddelen?2
Partijen hebben eerder aangegeven dat doorlooptijden kunnen worden verkort als processen van markttoelating en pakketopname meer gelijktijdig worden uitgevoerd. Daarom zijn het CBG en het Zorginstituut in 2019 gestart met de pilot «parallelle procedure». Sinds februari 2022 is deze parallelle procedure een structurele taak van het CBG en het Zorginstituut. Firma’s maken hier beperkt gebruik van. Daarom heb ik de VIG en HollandBio gevraagd waarom er zo weinig nieuwe aanmeldingen zijn voor deze procedure. Firma’s hebben laten weten dat ze hier in principe positief tegenover staan. De procedure vraagt echter extra tijd en aanpassing van interne processen, zoals tijdige indiening van het farmaco-economisch dossier. Helaas hebben firma’s me laten weten dat dit vooralsnog onvoldoende interessant of haalbaar is voor hen.
Welke maatregelen gaat u nemen om de doorlooptijden van sluisgeneesmiddelen te verbeteren conform de aangenomen motie van het lid Den Haan?
Ik wil allereerst opmerken dat het bestaan van doorlooptijden bij nieuwe, dure geneesmiddelen wordt veroorzaakt door de hoge prijs van deze geneesmiddelen. Bij lagere prijzen is sprake van een open instroom voor intramurale geneesmiddelen (zonder hoge prijzen, ook geen doorlooptijden). De hoge prijs noopt immers tot het beoordelen van de effectiviteit en de kosteneffectiviteit voordat het geneesmiddel onderdeel uitmaakt van het basispakket. Bovendien is er bij dure geneesmiddelen steeds vaker de vraag welke meerwaarde ze bieden aan patiënten. Daarom is het voor zowel de patiënt als de premiebetaler van belang om na markttoelating eerst te beoordelen of een geneesmiddel toegevoegde waarde heeft ten opzichte van bestaande behandelingen voor patiënten en hoe de baten zich verhouden tot de kosten van het middel. Ik ben met de VIG en Holland Bio in gesprek over het optimaliseren van de sluis.
Welke mogelijkheden ziet u voor het ophelderen van de routes en het versnellen van het compleet maken van een dossier voor extramurale geneesmiddelen, conform de aangenomen motie van het lid Den Haan?
Ik ben hierover in gesprek met het Zorginstituut en verwacht uw Kamer voor het komende geneesmiddelendebat te informeren over de voortgang.
Kunt u nader specificeren waarom u ervoor heeft gekozen om de drempel voor de sluis te verlagen naar 20 miljoen en niet naar 10 miljoen, zoals in het coalitieakkoord is afgesproken? Wat zijn de verwachte besparingen bij een grens van 20 miljoen en een grens van 10 miljoen?
Zoals ik uw Kamer in mijn brief van januari jl.3 reeds heb geïnformeerd werd er in het coalitieakkoord van uitgegaan dat de aanpassing van de sluiscriteria naar € 10 miljoen zou leiden tot circa 2 extra onderhandelingen per jaar en een structurele besparing van € 55 miljoen op de intramurale geneesmiddelen, naast eenzelfde bedrag op de extramurale geneesmiddelen. Omdat naar nu is gebleken ook bij een aanpassing naar een grens van € 20 miljoen minimaal 2 extra onderhandelingen gevoerd zullen worden, heb ik gekozen voor een minder scherpe bijstelling. De beoogde besparing komt daarmee onveranderd overeen met het coalitieakkoord.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn van de verlaging van de drempel voor de sluis voor patiënten die de medicijnen nodig hebben?
Ik houd firma’s, gezien hun keuzes met betrekking tot de prijsstelling van hun geneesmiddelen, primair verantwoordelijk voor de wijze waarop zij toegang krijgen tot de Nederlandse markt. Als zij kiezen voor een prijsstelling die voldoet aan de criteria voor sluisplaatsing van dure geneesmiddelen, dan leidt dat tot vertraging in de beschikbaarstelling aan patiënten. Na plaatsing in de sluis, wordt het Zorginstituut gevraagd het geneesmiddel te beoordelen op pakketwaardigheid. Als de beoordeling door het Zorginstituut daar aanleiding toe geeft, ga ik in onderhandeling met de firma. In zekere zin geldt dus dat voor alle middelen waarover is onderhandeld, de latere beschikbaarheid in Nederland het gevolg is van de hoge prijsstelling.
Het is voor mij niet mogelijk om vast te stellen bij welke geneesmiddelen de latere beschikbaarstelling tot gezondheidsschade heeft geleid. Op de eerste plaats vraag ik firma’s om hun geneesmiddel tijdens de sluisprocedure gratis beschikbaar te stellen voor patiënten die niet kunnen wachten.
In een onderzoek is gekeken naar de beschikbaarheid van alle oncologische behandelingen die tussen 2015 en 2020 in de sluis zijn geplaatst. De resultaten van het onderzoek laten zien dat alle middelen waarvoor geen alternatieve behandeloptie beschikbaar was en waarvoor door de beroepsgroep een positief behandeladvies was afgegeven tijdens de sluisperiode beschikbaar werden gesteld voor patiënten4. Ik maak daaruit op dat firma’s hun verantwoordelijkheid nemen en hun geneesmiddelen tijdens de sluis gratis beschikbaar stellen voor patiënten die geen alternatieve behandelopties hebben.
Is onderzocht wat de kosten zijn van het gevolg dat mensen langer moeten wachten op hun medicijnen? Zo nee, bent u bereid dat alsnog te doen? Zo niet, waarom niet?
Nee, voor zover ik weet is niet onderzocht wat de kosten hiervan zijn. Ik acht een dergelijk onderzoek nagenoeg niet uitvoerbaar, b.v. omdat de impact per medicijn verschilt.
Vaak hebben patiënten gedurende deze periode toegang tot andere middelen voor hun aandoening. Ook kan het sluisgeneesmiddel beschikbaar worden gesteld door de firma5. Ik wil ook nogmaals het belang van de sluis benadrukken. De sluis zorgt voor een beheerste instroom van dure geneesmiddelen en voor betere afspraken over gepast gebruik al vroeg in het proces. Dat kan juist helpen onnodige kosten te voorkomen. De uitgaven aan geneesmiddelen, en nieuwe dure intramurale geneesmiddelen in het bijzonder, leggen een steeds groter beslag op het zorgbudget. Dat kan leiden tot verdringing van reguliere zorg. Dit betekent dat er keuzes moeten worden gemaakt op basis van de pakketcriteria. Keuzes die ervoor zorgen dat de zorg betaalbaar blijft en toegevoegde waarde heeft voor de patiënt. Ik wijs hierbij ook op de verantwoordelijkheid die firma’s hebben bij de onderhandelingen over de prijs. Er zijn twee partijen nodig om tot een prijsafspraak te komen, namelijk het Ministerie van VWS en een firma. Als firma’s die verantwoordelijkheid niet of heel laat, pakken, zorgt dat er ook voor dat een geneesmiddel pas laat beschikbaar komt voor de patiënt.
Alles overwegende zie ik geen aanleiding het voorgestelde onderzoek uit te voeren.
Kunt u een overzicht geven van het aantal patiënten dat in Nederland geneesmiddelen ontvangt die door farmaceuten gratis ter beschikking worden gesteld in afwachting van de uitkomsten van de vergoedingsprocedure? Herkent u zich in het beeld dat farmaceuten daar minder vaak toe bereid zouden zijn? Hoe houdbaar acht u deze situatie waarin patiënten afhankelijk zijn van de goodwill van farmaceuten? Hoe ziet u in dit kader uw systeemverantwoordelijkheid om geneesmiddelen beschikbaar te maken voor patiënten?
Ik heb geen overzicht van het aantal patiënten dat geneesmiddelen ontvangt die door firma’s gratis ter beschikking worden gesteld in afwachting van de uitkomsten van de vergoedingsprocedure. Een overzicht van «compassionate use» programma’s is wel beschikbaar. Dit is te vinden op de website van het CBG6. Sommige firma’s hebben mij inderdaad laten weten dat zij minder bereid zijn om hun middelen gratis ter beschikking te stellen. Ik wil hier nogmaals wijzen op de verantwoordelijkheid die firma’s hebben bij de onderhandelingen over de prijs en de daaraan verbonden doorlooptijd. Ik doe dan ook een beroep op firma’s deze verantwoordelijkheid te nemen. En om hun middelen gratis beschikbaar te blijven stellen tijdens de sluisperiode. Een firma kan deze kosten- net als andere kosten die zijn gemaakt bij de ontwikkeling en productie van het geneesmiddel – meewegen in haar bereidheid om in de onderhandeling tot een resultaat te komen. Ik zal daar in de onderhandeling rekening mee houden. Het is mijn verantwoordelijkheid om te zorgen voor een beheerste instroom van dure geneesmiddelen. Ik zoek daarbij naar een goede balans tussen betaalbaarheid en beschikbaarheid. Daarbij moeten keuzes worden gemaakt op basis van de pakketcriteria. Keuzes die ervoor zorgen dat de zorg betaalbaar blijft en toegevoegde waarde heeft voor de patiënt, voor nu en in de toekomst.
Kunt u aangeven wat de reden is dat het aan de Kamer toegezegde dashboard, met daarin meer transparantie over de doorlooptijden, wederom is vertraagd?
Ik ben, samen met een uitvoeringsorganisatie, aan het verkennen wat de beste vormgeving, inhoud en uitvoering van het dasboard is. Dit proces kost meer tijd dan gedacht. Voor het commissiedebat geneesmiddelenbeleid verwacht ik u, als overbrugging, een actualisatie toe te sturen van het overzicht met informatie over doorlooptijden zoals u dat vorig jaar ook hebt ontvangen7. Daarnaast publiceert het Zorginstituut de doorlooptijden van de beoordeling van sluisgeneesmiddelen op haar website8.
Is onderzocht op welke manier de toegang voor patiënten tot geneesmiddelen tijdens de vergoedingsprocedure is geregeld in landen als Frankrijk, Duitsland en Zwitserland? Zo ja, welke inzichten acht u bruikbaar voor de situatie van patiënten in Nederland? Zo nee, waarom niet?
In internationaal verband wissel ik regelmatig kennis en informatie uit over geneesmiddelenbeleid. Ik heb daarmee een goed zicht op de vergoedingssystemen van landen als bijvoorbeeld Duitsland en Frankrijk. Daar waar dat in de Nederlandse context goed toepasbaar is, zal ik waardevolle oplossingen om betaalbaarheid en toegang te waarborgen of verbeteren. Op dit moment zie ik geen voorbeelden van beleid die meerwaarde hebben voor de Nederlandse situatie.
Kunt u aangeven wanneer de Kamer de voortgangsbrief financiële arrangementen ontvangt?
Ik verwacht deze brief eind maart naar uw Kamer te sturen.
Het bericht 'Nederlandse verzekeraars spelen voor aanklager en rechter tegelijk' |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse verzekeraars tegelijk voor aanklager en rechter spelen?1
Ja.
Deelt het kabinet mijn zorgen over onterechte registraties van fraude door verzekeraars?
Het kabinet deelt met de vraagsteller dat voorkomen moet worden dat mensen onterecht geregistreerd worden als fraudeur. Het waarborgen van de veiligheid en integriteit van de financiële sector is essentieel. Verzekeraars hebben dan ook de wettelijke verplichting tot het voeren van een beheerste en integere bedrijfsvoering.2 In dat kader moeten verzekeraars beschermende maatregelen nemen om effectief op te treden tegen criminaliteit (waaronder fraude en misbruik). Fraudeurs beperken zich immers zelden tot één instelling. Verzekeraars wisselen daarom samen met in totaal ruim 160 financiële instellingen informatie met elkaar uit over incidenten via het zogenaamde Incidenten Waarschuwingssysteem Financiële Instellingen.
Het is belangrijk om te voorkomen dat verzekeraars betrokkenen te lichtvaardig in een register opnemen. De diensten van financiële instellingen zoals verzekeraars hebben namelijk betrekking op financiële producten die een normale deelname aan het economisch verkeer mogelijk maken. Met de registratie kunnen verzekeraars de toegang van personen tot financiële producten beperken. Het registreren van persoonsgegevens in een dergelijk register en specifiek van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 1 UAVG is daarom omgeven met veel wettelijke waarborgen en is in beginsel het domein van de overheid. Private organisaties mogen alleen persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in Nederland verwerken wanneer de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) hiervoor toestemming verleent.3
De regels en waarborgen met betrekking tot het incidentenwaarschuwingssysteem zijn door vijf brancheverenigingen4 vastgelegd in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI).5 Per 1 april 2021 heeft de AP goedkeuring verleend aan dit protocol.6 Volgens de AP hebben financiële instellingen voldoende aangetoond dat zij een zwaarwegend belang hebben bij het gebruik van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in dit register. Bovendien schept het PIFI voorwaarden voor een behoorlijke en zorgvuldige gegevensverwerking, onder andere ten aanzien van het verwijderen van personen uit het register die hier onterecht in zijn opgenomen.
Wat kunnen mensen die ten onrechte op een lijst terecht zijn gekomen als fraudeur, doen om van die lijst af te komen?
Wanneer een betrokkene het niet eens is met opname in het incidentenwaarschuwingssysteem kan hij in de eerste plaats bezwaar maken bij de verzekeraar die het incident registreert. De verzekeraar beoordeelt zo snel als mogelijk en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het bezwaar of het bezwaar gerechtvaardigd is. Indien hij het bezwaar gerechtvaardigd vindt, beëindigt hij direct de registratie. Wanneer dit niet het geval is, kan de betrokkene zich wenden tot het bestuur van de verzekeraar. Wanneer deze stap niet leidt tot een oplossing kan de betrokkene zicht wenden tot het Klachtinstituut Financiële Dienstverlening (Kifid), dan wel de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) indien het geschil betrekking heeft op de zorgverzekering of ziektekostenverzekering, de AP of de bevoegde rechter.
Welke stappen zet het kabinet om te voorkomen dat er naast de problematiek vanunbankables ook problematiek van uninsurables gaat ontstaan als mensen ten onrechte nooit een verzekering kunnen krijgen net als mensen die ten onrechte nergens een (zakelijke) bankrekening kunnen krijgen?
Ik volg nauwgezet de ontwikkelingen rondom potentiële onverzekerbaarheid, om waar nodig op te treden. Dit doe ik onder meer in nauw contact met de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank. Vooralsnog zie ik echter geen aanleiding om op dit onderwerp nieuwe regulering te introduceren of op andere wijze actief op te treden. Ik ben niet bekend met situaties waarin personen onterecht geheel onverzekerbaar zijn.
Hoe kijkt het kabinet naar een verplichting voor verzekeraars om in alle gevallen van (een vermoeden van) fraude aangifte te doen bij de politie?
Zoals ik ook in het antwoord op vraag 5 van de leden Mutluer en Nijboer (2023Z011688) heb toegelicht, zal een verzekeraar volgens het PIFI in principe aangifte doen als volgens de verzekeraar in voldoende mate vaststaat dat een persoon betrokken is bij een gedraging die een bedreiging vormt, vormde of kan vormen voor de (financiële) belangen van klanten en/of medewerkers van de verzekeraar, voor de verzekeraar zelf, of voor de integriteit van de financiële sector. In sommige situaties gebeurt dat, in overleg met het OM, niet (meteen). In zaken waar sprake lijkt van het in georganiseerd verband op grote schaal misbruik maken van het stelsel van financiële dienstverlening, bepaalt de verzekeraar conform het PIFI in overleg met het OM op welk moment de verzekeraar het beste aangifte kan doen en bij welke opsporingsinstantie dat het meest effectief is. Bij klachtmisdrijven zoals het schenden van geheimen kan alleen het slachtoffer aangifte doen, niet de verzekeraar. Verder is in het PIFI bepaald dat verzekeraars het proportionaliteitsbeginsel in acht moeten houden bij de keuze om over te gaan tot aangifte van een strafbaar feit. De verzekeraar maakt deze afweging en legt deze vast.
Personen en private organisaties zoals een verzekeraar hebben nooit een verplichting om aangifte te doen van een strafbaar feit zoals fraude. Het kabinet heeft er begrip voor dat verzekeraars niet in alle situaties overgaan tot aangifte, maar een afweging maken op basis van proportionaliteit. Een aangifte kan namelijk voor de betrokkene verstrekkende gevolgen, bijvoorbeeld ten aanzien van het vinden of behouden van werk. Een situatie waarbij aangifte doen volgens het PIFI disproportioneel kan zijn is bijvoorbeeld wanneer een jongere die door middel van het beschikbaar stellen van zijn of haar bankrekening betrokken is bij fraudeleuze praktijken of wanneer een first offender zich niet bewust was van de gevolgen van zijn handelen.
Ook registratie in het incidentenwaarschuwingssysteem kan nadelige gevolgen hebben voor de betrokkene, maar die zijn vaak minder verstrekkend dan wanneer de verzekeraar tevens aangifte doet van een strafbaar feit. Dat verzekeraars zorgvuldig afwegen of aangifte naast registratie proportioneel is, betekent niet dat zij in het algemeen lichtvaardig omgaan met registratie. Ook wanneer een verzekeraar over gaat tot registratie en geen aangifte volgt, blijft het uitgangspunt dat de verzekeraar moet kunnen aantonen dat in voldoende mate vaststaat dat de gedraging de kwalificatie strafbaar feit kan dragen en dat voldoende bewijs van betrokkenheid tegen de betrokkene beschikbaar is. In die zin kan de betrokkene baat hebben wanneer een verzekeraar niet overgaat tot het doen van aangifte. De AP heeft het proportionaliteitsbeginsel ook nadrukkelijk meegewogen in het uiteindelijke positieve oordeel ten aanzien van het PIFI.
Wat denkt het kabinet van een verplichting om fraudeurs in beginsel maximaal vijf jaar op een lijst te mogen zetten, in lijn met politieregisters, met uitzondering van stelselmatige fraudeurs?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 toelicht, gelden in Nederland reeds diverse wettelijke waarborgen ten aanzien van het beschermen van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. In dat kader mogen private organisaties alleen persoonsgegevens verwerken wanneer de AP hiervoor toestemming verleent. De bewaartermijn in het incidentenwaarschuwingssysteem is in beginsel acht jaar, tenzij zich een nieuwe aanleiding voordoet om de betrokkene te registreren. De bewaartermijn van acht jaar sluit aan bij de termijn die wettelijk is vastgelegd voor de mededelingsplicht inzake het strafrechtelijk verleden van een potentiële verzekeringnemer.7 Volgens de AP is dit een lange bewaartermijn, maar wordt de termijn wel genuanceerd door een proportionaliteitstoets bij opname in het register en een proportionaliteitstoets voor de vaststelling van de bewaartermijn in de specifieke situatie. De AP oordeelt derhalve dat dit protocol proportioneel is tot het te bereiken doel. Het kabinet hecht aan dit oordeel van de AP en heeft geen aanleiding om hier anders over te denken.
Is het kabinet ook van mening dat fraudeurs pas op een lijst moeten kunnen komen nadat de rechter of een andere onafhankelijke instantie naar het bewijs heeft gekeken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat dit gebeurt?
Ik begrijp uw zorgen; het is echt zaak om te voorkomen dat betrokkenen te lichtvaardig in een register terecht komen wat mogelijk voor hen kan leiden tot vergaande gevolgen. Daarom is een goed afwegingskader met de juiste waarborgen erg belangrijk. Daar is bij de registratie in het incidentenwaarschuwingssysteem op basis van het PIFI sprake van. In 2021 heeft de AP geconcludeerd dat behoorlijke en zorgvuldige gegevensverwerking binnen de wettelijke eisen aannemelijk is. Ik deel dus niet met u dat fraudeurs pas op een lijst moeten kunnen komen nadat de rechter of een andere onafhankelijke instantie naar het bewijs heeft gekeken.
Welke openheid moeten verzekeraars op dit moment geven over hun fraudelijsten? Is meer openheid over deze registers wenselijk volgens het kabinet, zodat burgers beter in staat zijn om hun inzage- en rectificatierechten te gebruiken en zaken recht te zetten?
Betrokkenen van wie persoonsgegevens in het incidentenwaarschuwingssysteem worden opgenomen hebben volgens het PIFI recht op een mededeling van opname in het register. Een mededeling blijft alleen in uitzonderingssituaties achterwege. Dit is onder meer het geval voor zover dat noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten, de bescherming van de betrokkene of de rechten en vrijheden van anderen. De afweging om de mededeling achterwege te laten moet de verzekeraar vastleggen. Wanneer een betrokkene niet is geïnformeerd over opname in het register, wordt hij door de verzekeraar op de hoogte gesteld van opname zodra een toets heeft geresulteerd in een «hit». Dit gebeurt in situaties waarin een persoon bij een andere verzekeraar een verzekeringsaanvraag indient, en de andere verzekeraar in het incidentenwaarschuwingssysteem ziet dat de aanvrager is geregistreerd. De AP vindt het voldoende aannemelijk dat het PIFI voldoet aan de beginselen van rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie. De werking van het PIFI volgt uit de vergunning van de AP en is daarmee als voldoende transparant.
Op grond waarvan kunnen instellingen zoals banken en verzekeraars klanten weigeren?
Banken en verzekeraars zijn niet verplicht om klanten te accepteren en hebben in beginsel de vrijheid om een klant te weigeren. Dat kunnen zij bijvoorbeeld doen vanwege een afweging dat bepaalde kenmerken van die klant een te hoog risico vormen. De vraag of al dan niet sprake is van een te hoog risico hangt af van de bedrijfsstrategie van de bank of verzekeraar. Enige uitzondering in de verzekeringsbranche betreft de acceptatieplicht van zorgverzekeraars ten aanzien van de basiszorgverzekering.
Hoe wordt voorkomen dat klanten worden geweigerd op discriminatoire gronden, zoals beroep of leeftijd?
Het discriminatieverbod is vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet. Dit discriminatieverbod is verder uitgewerkt in de Algemene wet gelijke behandeling. Daarin is opgenomen dat het verboden is om onderscheid te maken op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras en geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat. Het verbod geldt voor belangrijke horizontale rechtsverhoudingen, zoals bij het aanbieden van goederen en diensten waaronder ook verzekeren valt. Een soortgelijk verbod van onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte is opgenomen in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Op grond van deze wetgeving is direct onderscheid op grond van de genoemde persoonskenmerken in principe verboden. Voor indirect onderscheid, te weten onderscheid op basis van een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze dat personen op grond van één van de genoemde persoonskenmerken in vergelijking met andere personen bijzonder treft, geldt dat dit niet verboden is als voor het onderscheid een objectieve rechtvaardigingsgrond kan worden aangevoerd. Daarvoor is vereist dat het onderscheid een legitiem doel dient, de middelen voor het bereiken van dat doel passend en ook noodzakelijk (proportioneel) zijn en het doel niet op andere wijze kan worden bereikt (subsidiariteit). Het College voor de Rechten van de Mens of de civiele rechter kan beoordelen of de weigering van een klant een relatie heeft met een beschermd persoonskenmerk en zo ja, of daarbij sprake is van een gerechtvaardigd dan wel een ongerechtvaardigd onderscheid.
Beroep en leeftijd zijn geen wettelijke discriminatiegronden wat betreft het weigeren van klanten. In de Algemene wet gelijke behandeling zijn zij niet opgenomen als kenmerken waarop een verboden onderscheid gemaakt kan worden. Discriminatie op leeftijd is wel verboden ten aanzien van aspecten gerelateerd aan werk, op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid. Die wet heeft echter geen betrekking op het al dan niet weigeren van klanten door verzekeraars.
Is het kabinet van mening dat iemand die geen historie van schadegevallen heeft, altijd netjes premie heeft afgedragen en een geldig rijbewijs heeft ontvangen van het CBR, in principe een autoverzekering zou moeten kunnen krijgen?
Hoewel het onwenselijk kan zijn als iemand in het geheel geen autoverzekering kan afsluiten, hebben verzekeraars, zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 10, in beginsel de vrijheid om klanten te weigeren. Verzekeraars zijn immers niet verplicht om klanten te accepteren. Ik heb geen aanwijzingen dat er mensen zijn in de situatie die u schetst die geen autoverzekering zouden kunnen afsluiten. Ik wijs tevens op de mogelijkheid om een autoverzekering af te sluiten bij de Vereende. Deze verzekeraar richt zich in het bijzonder op personen die om uiteenlopende redenen lastig een verzekering kunnen afsluiten bij andere verzekeraars. Aanvragen voor een autoverzekering zullen door de Vereende onder vrijwel alle omstandigheden worden geaccepteerd.
Wat is het oordeel van het kabinet over een situatie waarin iemand die reeds is verzekerd voor een auto, een andere (elektrische, tweedehands) auto koopt, maar vervolgens opeens wordt geweigerd omdat deze persoon volgens de verzekeraar een te hoge leeftijd heeft terwijl de verzekering gewoon had kunnen doorlopen als diegene de vorige auto had aangehouden?
Hetgeen ik hierover heb geantwoord op vraag 9 en 10 ten aanzien van het weigeren van klanten is op dezelfde wijze van toepassing op beslissingen van verzekeraars om een bepaalde verzekering al dan niet te verlengen.
Acht het kabinet het wenselijk dat iemand die geen historie van schadegevallen heeft, altijd netjes premie heeft afgedragen en een geldig rijbewijs heeft ontvangen van het CBR, geweigerd kan worden voor een autoverzekering, enkel en alleen op grond van leeftijd? Zo nee, wat doet het kabinet om deze weigeringen tegen te gaan?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag 9 en 10. Sommige verzekeraars hanteren een leeftijdsgrens voor het afsluiten van een autoverzekering en bij sommige verzekeraars moeten ouderen een hogere premie betalen. Maar mijn beeld is dat ouderen bij diverse verzekeraars een autoverzekering af kunnen sluiten.
Hoe kijkt het kabinet naar het weigeren van een potentiële klant enkel op grond van leeftijd of beroep in relatie tot de Wet gelijke behandeling en artikel 1 van de Grondwet?
Zie antwoord vraag 13.
Waar kan iemand die enkel en alleen op grond van leeftijd of beroep wordt geweigerd, of dat vermoeden heeft, terecht om op een laagdrempelige manier een klacht in te dienen, dus anders dan bij een rechter?
Als iemand het niet eens is met een afwijzing op grond van leeftijd of beroep kan hij allereerst een klacht indienen via de interne klachtenprocedure van de verzekeraar. Ook is het mogelijk een klacht voor te leggen aan het Kifid of de SKGZ. Omdat leeftijd en beroep niet zijn opgenomen in de Algemene wet gelijke behandeling en de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid alleen ziet op aspecten die aan werk zijn gerelateerd, is het College voor de rechten van mens niet bevoegd hierover te oordelen. Uitsluiting op grond van leeftijd of beroep kan wel ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd. De rechter zal gelet op de contracteervrijheid van verzekeraars (zie het antwoord op vraag8 in zo’n geval naar verwachting terughoudender toetsen dan bij onderscheid op de persoonskenmerken die wel bijzondere bescherming genieten op grond van de Algemene wet gelijke behandeling en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.
De bewering dat “Oekraïne de facto een lid van de NAVO is” |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de bewering van uw Oekraïense collega dat «Oekraïne de facto een lid van de NAVO is»?1
Ja.
Bent u het met deze bewering eens? Zo nee, waarom niet?
Oekraïne is geen lid van de NAVO en kan pas lid worden van de NAVO wanneer een lidmaatschapsvraag is goedgekeurd door alle NAVO-bondgenoten.
Mochten er bijvoorbeeld via de Rotterdamse of Vlissingse haven tanks of ander oorlogsmaterieel naar Oekraïne worden getransporteerd, is Rusland volgens u dan gerechtigd onder het internationaal (of oorlogs)recht dit oorlogsmateriaal op Nederlands grondgebied aan te vallen?2
Nederland is geen partij bij het gewapende conflict dat Rusland is gestart tegen Oekraïne. Het internationaal recht biedt geen enkele rechtvaardiging voor een Russische aanval op Nederlands grondgebied. Ook niet als militair materieel bestemd voor Oekraïne op Nederlands grondgebied aanwezig is.
Het bericht ‘Zware aardbeving treft Turkije en Syrië, honderden doden en gewonden’ |
|
Alexander Hammelburg (D66) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u zicht op het aantal slachtoffers en op de materiële schade in Turkije en Syrië?1
Ja. De Kamer werd geïnformeerd over de humanitaire gevolgen van de aardbevingen en de (internationale) hulpinspanningen via Kamerbrief met kenmerk 2023Z01962/2023D04678.
Bent u bereid snel humanitaire hulp te bieden aan de getroffen gebieden in zowel Turkije als Syrië?
Zie antwoord vraag 1.
Wilt u de Kamer op zo kort mogelijke termijn informeren over de geboden humanitaire hulp?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat het sterftecijfer voor kanker in Nederland hoger ligt dan het EU-gemiddelde. |
|
Vicky Maeijer (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht 'EU: sterftecijfer kanker in Nederland hoger dan EU-gemiddeld»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat er in Nederland meer mensen aan kanker overlijden dan gemiddeld in de Europese Unie (EU)?
Nederland kent een hogere kankerincidentie dan het Europees gemiddelde. Een direct gevolg hiervan is dat de kankersterfte per inwonertal ook hoger ligt dan het Europees gemiddelde. Ondanks de hoge kankerincidentie in Nederland, is de kankersterfte in de periode tussen 2011–2019 met 11% gedaald. Hiermee behoort Nederland tot de EU-landen met de sterkst gedaalde kankersterfte, zowel bij mannen als bij vrouwen.
Hoewel de sterfte aan kanker in de periode 2011–2019 aanzienlijk afnam, nam de totale door kanker veroorzaakte ziektelast toe. In het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)2 wordt aangegeven dat meer dan een derde van alle sterfgevallen in Nederland is toe te schrijven aan een ongezonde leefstijl. Sinds 2018 wordt met een Nationaal Preventieakkoord getracht de vele uitdagingen aan te pakken die voortvloeien uit risicofactoren voor kanker, zoals alcoholgebruik, roken, overgewicht en obesitas, die allemaal nog steeds veel voorkomen.
Hoewel de inzet op en de uitgaven voor kankerzorg hoog zijn, kan de kwaliteit van de oncologische zorg in Nederland beter. Nederland zit bijvoorbeeld ten aanzien van overleving van verschillende soorten van kanker niet in de Europese top drie. Er is in Nederland veel verschil in de behandeling van kanker en er is te weinig samenwerking. Met name bij hoogcomplexe laagvolumezorg, zoals bepaalde oncologische behandelingen, geldt dat netwerkzorg en concentratie van de zorgverlening bij een beperkt aantal gespecialiseerde zorgaanbieders kunnen leiden tot een betere kwaliteit van zorg. Om patiënten goede oncologische zorg te bieden met de beste kwaliteit, zal samenwerking en netwerkvorming centraal moeten staan. Toegang tot de beste zorg ongeacht waar je als patiënt binnenkomt, dat moet de belofte zijn. Voor de organisatie van de oncologische zorg zal in de komende jaren de netwerkvorming verder verbeterd moeten worden. Daarnaast zullen richtlijnen en volumenormen moeten worden aangepast. In dit verband staat in het Integraal Zorgakkoord een aantal concrete doelstellingen en maatregelen.
Hoe verklaart u dat het aantal nieuwe kankerpatiënten in Nederland het op een na hoogste is van 27 landen?
Nederland kent een relatief hoge incidentie van kankersoorten, waarvoor roken een belangrijke risicofactor is. Zo ligt de incidentie van longkanker bij vrouwen in Nederland 59% hoger dan het EU gemiddelde. Een belangrijke verklaring hiervoor is de vroege emancipatiegolf uit de jaren ’70 van de vorige eeuw, waarin steeds meer vrouwen zijn gaan roken.3 In de jaren ’90 van de vorige eeuw behoorde het percentage rokende vrouwen in Nederland tot de top van Europa.4 De gevolgen hiervan zien we nu terug in de hoge incidentie van de met roken-geassocieerde kankersoorten. Het OESO-rapport meldt dat het percentage rokers onder volwassenen in Nederland inmiddels lager ligt dan het Europees gemiddelde.
Een tweede oorzaak voor de relatief hoge incidentie is de vroegtijdige opsporing van kanker. Nederland heeft bevolkingsonderzoeken voor borst-, baarmoederhals en darmkanker. Borstkanker en darmkanker staan in de top vijf van meest voorkomende kankersoorten in Nederland. Het OESO-rapport stelt dat de gemiddelde screeningsparticipatie voor zowel borst- als darmkanker in Nederland hoger is dan het Europees gemiddelde. Meer screening leidt tot meer en vroegere detectie van kanker.
Hoe verklaart u dat de door kanker veroorzaakte ziektelast de afgelopen twee decennia (2000–2019) in Nederland met 14 procent is toegenomen – een van de grootste relatieve veranderingen van alle EU-landen?
Ziektelast wordt mede bepaald door de kankerincidentie en de kanker-gerelateerde sterfte. Een verklaring voor de toegenomen ziektelast in de periode 2000–2019 is dat de kankerincidentie in deze periode sneller is gestegen dan het kanker-gerelateerde sterftecijfer is gedaald. Dit resulteert in een netto toegenomen kanker-gerelateerde ziektelast.
Waarom heeft Nederland als een van de weinige landen in Europa nog steeds geen Nationaal Kankerplan?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 al aangaf, is de inzet op en de uitgaven voor kankerzorg hoog, maar kan de kwaliteit van de oncologische zorg in Nederland beter. Het Integraal Kankercentrum Nederland stelde daarnaast in het trendrapport van 3 oktober jl. dat het jaarlijkse aantal nieuwe kankerdiagnoses de komende tien jaar flink toeneemt. Het is daarom belangrijk dat we in Nederland met alle betrokken partijen inzetten om onze aanpak op kanker te verbeteren.
KWF Kankerbestrijding, het Integraal Kankercentrum Nederland en de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties hebben eind 2022 het initiatief genomen voor het Nederlands Kanker Collectief (NKC). Om de impact van kanker op onze samenleving te verminderen, wil het collectief in brede gezamenlijkheid met betrokken koepelorganisaties werken aan ambitieuze en aansprekende doelen en een concrete aanpak. Zoals ik uw Kamer op 16 december 2022 meldde (Kamerstuk 36 200, XVI, nr. 191), vind ik het erg goed dat deze partijen dit initiatief hebben genomen en heb ik dan ook mijn deelname aan het collectief toegezegd.
Op 17 november 2022 was ik aanwezig bij de kick-off van het NKC. Het was positief om daar te zien dat een groot aantal organisaties aanwezig was om te spreken over wat de gezamenlijke doelen zijn en hoe de samenwerking er uit kan zien. Ik heb op deze bijeenkomst toegezegd om een centraal aanspreekpunt binnen het Ministerie van VWS in te richten, om tegemoet te komen aan de behoefte hieraan vanuit het veld. Dit aanspreekpunt kan het collectief ook in verbinding brengen met de andere departementen van de rijksoverheid. Verder wil ik bijdragen door een goede aansluiting te zoeken bij bijvoorbeeld de vele onderzoeken die vanuit het Ministerie van VWS gefinancierd worden en met het vervolg op het Signalement passende zorg voor mensen met kanker van Zorginstituut Nederland. Daarnaast zijn er in het Integraal Zorgakkoord afspraken gemaakt om de kwaliteit en de samenwerking binnen de oncologische zorg te verbeteren.
Dit kalenderjaar wordt er door het NKC verder gewerkt aan een agenda met doelen, prioritering en een daaruit volgende aanpak. Ik ben aangesloten en ben met de partijen in gesprek welke rol ik precies inneem in het vervolg.
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie-Jansen/Agema om een Nationaal Programma Kankerbestrijding in te voeren?2
Met de Kamerbrief van 8 juli 2022 (Kamerstuk 32 793, nr. 630) en 16 december 2022 (Kamerstuk 36 200-XVI, nr. 191) informeerde ik uw Kamer over de voortgang van de uitvoering van deze motie.
Zoals ik ook in het antwoord op de vorige vraag aangaf, ben ik betrokken bij het Nederlands Kanker Collectief. Ik heb tijdens de kick-off van het collectief toegezegd om een centraal aanspreekpunt binnen het Ministerie van VWS in te richten, om tegemoet te komen aan de behoefte hieraan vanuit het veld. Verder wil ik bijdragen door een goede aansluiting te zoeken bij bijvoorbeeld de vele onderzoeken die vanuit het Ministerie van VWS gefinancierd worden en met het vervolg op het Signalement passende zorg voor mensen met kanker van Zorginstituut Nederland. Daarnaast zijn er in het Integraal Zorgakkoord afspraken gemaakt om de kwaliteit en de samenwerking binnen de oncologische zorg te verbeteren.
Dit kalenderjaar wordt door het NKC verder gewerkt aan een agenda met doelen, prioritering en een daaruit volgende aanpak. Ik ben hier nauw bij aangesloten. Uw Kamer wordt naar verwachting medio 2023 geïnformeerd over de voortgang hiervan.
Welke maatregelen kunt u treffen om de toegang en uitbreiding van screeningsprogramma’s te verbeteren? Wanneer start de screening op longkanker?
Nederland heeft momenteel landelijke bevolkingsonderzoeken naar baarmoederhals-, borst- en darmkanker. De Nederlandse aanpak onderscheidt zich van andere landen doordat deelnemers actief en laagdrempelig worden benaderd door de overheid. Hierdoor wordt in Nederland iedereen die in de doelgroep valt, uitgenodigd voor de bevolkingsonderzoeken. De inzet hierbij is goedgeïnformeerde deelname en het wegnemen van eventuele drempels voor deelname. Daarom wordt door het RIVM-Centrum voor Bevolkingsonderzoek continu ingezet op laagdrempelige en toegankelijke informatievoorziening.
Met aanvullende investeringen vanuit de coalitieakkoordmiddelen rond volksziektes wordt ingezet op het bereiken van mensen met lage gezondheidsvaardigheden. Ik informeerde uw Kamer hierover reeds op 14 oktober 2022 (Kamerstuk 32 793, nr. 642). Verder wordt er gewerkt aan de ontwikkelagenda voor de bevolkingsonderzoeken naar kanker, zodat er sneller ingespeeld kan worden op relevante innovaties en meer richting kan worden gegeven aan de doorontwikkeling van de screeningsprogramma’s. Hierover informeerde ik uw Kamer op 16 december jl. (Kamerstuk 32 793, nr. 649).
Verder vraagt u naar screening op longkanker. Om te beoordelen of het wenselijk is dat de overheid een bevolkingsonderzoek invoert, wordt gekeken naar de criteria voor verantwoorde screening van Wilson & Jungner en de aanvullende criteria van de World Health Organization (WHO)6. Ik heb de Gezondheidsraad gevraagd om mij te adviseren over een screening op longkanker, indachtig de relevante criteria voor verantwoorde screening. Mocht een bevolkingsonderzoek nu niet aangewezen zijn, dan verzoek ik de Raad om aan te geven of hiervoor wel perspectief is in de toekomst. De Gezondheidsraad is inmiddels gestart met het adviestraject en ik wacht de uitkomst daarvan af.
Bent u bereid nieuwe innovatieve medicijnen tegen kanker sneller en breder toegankelijk te maken voor patiënten, om zo de kankerzorg in Nederland te verbeteren?
Een groeiend aantal patiënten is voor hun zorg aangewezen op nieuwe dure innovatieve geneesmiddelen. Dat zijn niet alleen kankerpatiënten, maar bijvoorbeeld ook patiënten met neurologische aandoeningen of stofwisselingsziekten. Voor al deze patiënten is het van belang dat zij niet alleen nu kunnen rekenen op passende zorg, maar ook in de toekomst. Zolang leveranciers van deze nieuwe geneesmiddelen hoge prijzen vragen, ben ik genoodzaakt om keuzes te maken die er enerzijds voor zorgen dat nieuwe geneesmiddelen betaalbaar blijven en anderzijds dat deze zo snel als mogelijk en breed toegankelijk worden. De sluis maakt het mogelijk om deze keuzes te maken en zorgt bovendien voor een beheerste instroom van de duurste intramurale innovatieve geneesmiddelen. Met de sluis bewerkstellig ik een duurzame beschikbaarheid van geneesmiddelen.
Bent u bereid om kankermedicijnen buiten de sluisprocedure te houden, om zo de wachttijden te verkorten en de kans op overleven te vergroten?
Ik vind dat nieuwe effectieve geneesmiddelen – voor alle patiënten – zo snel als mogelijk beschikbaar moeten komen. Tegelijkertijd brengen deze nieuwe geneesmiddelen vaak hoge kosten met zich mee en is op voorhand vaak niet duidelijk hoe effectief deze geneesmiddelen zijn. Daarom is het in het belang van Nederlandse patiënten om de effectiviteit goed te bezien en wil ik – waar nodig – over de prijs van deze middelen onderhandelen, zodat we niet meer betalen dan nodig. De sluis is daarvoor een geschikt instrument.
Een deel van de wachttijd, waar in de vraag naar wordt verwezen, zit in de prijsonderhandelingen die ik met de fabrikant voer. Hoe lang dat duurt, ligt niet alleen aan mij. Ik ben daarin immers ook afhankelijk van de bereidheid en snelheid van de fabrikant waarmee ik de prijsonderhandeling voer. Verder hangt de wachttijd af van de tijd die het Zorginstituut Nederland nodig heeft voor de beoordeling. Binnen de sluis streef ik ernaar om geneesmiddelen zo snel als mogelijk beschikbaar te krijgen. Gedurende de sluisprocedure wordt de fabrikant gevraagd hun geneesmiddel gratis beschikbaar te stellen voor patiënten die niet kunnen wachten. Uit recent onderzoek leid ik af dat fabrikanten hierin hun verantwoordelijkheid nemen.7 Tot slot wil ik ten algemene opmerken dat de sluisprocedure niet zou bestaan als geneesmiddelen een acceptabele prijs zouden hebben.
Waarom heeft u recent de sluisperiode aangescherpt waardoor patiënten nog vaker en nog langer op hun levensreddende medicijnen moeten wachten, aangezien medicijnen in Nederland slechts 10 procent van de totale kosten aan kankerzorg in beslag nemen en dit lager is dan het EU-gemiddelde?
De uitgaven aan alle nieuwe dure intramurale geneesmiddelen stijgen zeer hard. In 2021 bedroegen de uitgaven ongeveer € 2,6 miljard en de verwachting is dat deze uitgaven jaarlijks met 5 tot 7 procent zullen toenemen. Daarmee leggen ze een steeds groter beslag op het zorgbudget. Om te voorkomen dat deze stijgende uitgaven tot grotere verdringing van de zorg leiden, heb ik ervoor gekozen om bij meer geneesmiddelen over de prijs te gaan onderhandelen. Daartoe heb ik recent de criteria voor toepassing van de sluis aangescherpt. In mijn brief hierover heb ik ook aangegeven te beseffen dat dit voor onzekerheid over de beschikbaarheid van een nieuw duur geneesmiddel bij patiënten kan leiden (Kamerstuk 29 689, nr. 1174). Om deze gevolgen zoveel als mogelijk te beperken, heb ik maatregelen getroffen om de doorlooptijd van de sluisprocedure zo kort als mogelijk te houden.
Deze aangescherpte sluiscriteria dragen bij aan het versterken van de toekomstbestendigheid van het stelsel van intramurale geneesmiddelen. Het is voor de Nederlandse patiënten namelijk van belang dat zij nu en in de toekomst kunnen rekenen op effectieve geneesmiddelen tegen een betaalbare prijs.
Het bericht ‘Pro-Russische DDoS-aanvallers hebben het gemunt op Nederlandse ziekenhuizen’ |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Kuipers , Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Pro-Russische DDoS-aanvallers hebben het gemunt op Nederlandse ziekenhuizen»?1
Ja.
Kunt u toelichten in hoeverre deze aanvallen gevolgen hebben voor de zorg in Nederland? Deelt u onze zorg dat deze cyberaanvallen potentieel ontwrichtende maatschappelijke gevolgen kunnen hebben?
Tijdens de DDoS-aanvallen waar het artikel naar verwijst is de zorgcontinuïteit niet in het geding geweest. Tegelijkertijd kunnen diensten die een rol spelen bij de zorg voor patiënten wel verstoord worden door een DDoS-aanval. Het risico hierop wordt mede bepaald door de preventieve maatregelen van de zorgorganisatie, de inrichting van het netwerk en de eigenschappen van de DDoS-aanval. Daarom is het ontzettend belangrijk dat ziekenhuizen digitaal weerbaar zijn en (preventieve) maatregelen nemen om de impact van dergelijke aanvallen te beperken.
Dat cyberaanvallen in ernstigere gevallen potentieel ontwrichtende maatschappelijke gevolgen kunnen hebben is echter zeker het geval, zoals ook al vaker is aangegeven in het jaarlijks gepubliceerde Cybersecuritybeeld Nederland.2 Omdat digitale systemen het «zenuwstelsel» van onze maatschappij vormen, maakt het Kabinet zich hard voor de versterking van onze digitale weerbaarheid via de verschillende ambities die omschreven staan in de Nederlandse cybersecurity strategie.3
Welke acties worden ondernomen om adequaat op deze cyberaanvallen te reageren en de gevolgen voor de zorg in Nederland zoveel mogelijk te beperken? Hoe worden de betreffende ziekenhuizen ondersteund?
Ziekenhuizen nemen maatregelen om de gevolgen van een cyberaanval te beperken, en waar nodig zo spoedig mogelijk te mitigeren. Zo hebben ziekenhuizen afspraken met hun ICT-leveranciers over veiligheidseisen aan ICT-producten, en over beheers- en mitigerende maatregelen. Diverse Nederlandse ziekenhuizen maken bijvoorbeeld gebruik van een DDoS-«wasstraat» die ze helpt om DDoS-aanvallen af te kunnen weren.
Alle ziekenhuizen in Nederland die lid van zijn van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) of de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) zijn daarnaast aangesloten bij Z-CERT. Z-CERT voorziet de ziekenhuizen van advies en dreigingsinformatie, en kan tevens netwerken monitoren op kwetsbaarheden of verdachte activiteiten. In het geval van een incident kan Z-CERT een ziekenhuis ondersteunen bij het mitigeren van de gevolgen van een cyberaanval. Daarbij heeft Z-CERT onder andere contact met Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC).
Klopt het dat het alleen om DDoS-aanvallen gaat, of is ook sprake van (dreiging van) andersoortige cyberaanvallen?
Dat klopt. Er is geen indicatie van een andersoortige cyberaanval.
Wat zijn de meest effectieve maatregelen om DDoS-aanvallen te pareren?
Een combinatie van organisatorische- en technische maatregelen kan effectief een DDoS-aanval pareren. Het NCSC heeft deze maatregelen beschreven in een factsheet, die beschikbaar is op de website.4
Kunt u garanderen dat (overheids)organisaties als Z-CERT die dreigingsinformatie over Russische cyberaanvallen ontvangen dit snel en volledig kunnen delen met betreffende bedrijven en sectoren?
In het huidige cybersecuritystelsel is op grond van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) de primaire taak van het NCSC het verlenen van bijstand aan vitale aanbieders en Rijksoverheidsorganisaties (doelgroeporganisaties) bij digitale dreigingen en incidenten. Dit om het uitvallen van de beschikbaarheid of het verlies van integriteit van netwerk- en informatiesystemen bij de doelgroeporganisaties te voorkomen of te beperken.
Het uitvallen van die netwerk- en informatiesystemen bij deze organisaties kan immers maatschappelijke gevolgen hebben. Denk bijvoorbeeld aan de gevolgen als de dienstverlening van een drinkwaterbedrijf uitvalt. Het NCSC deelt daarom zo snel en volledig mogelijk de dreigings- en incidentinformatie direct met de doelgroeporganisaties.
Voor het informeren en adviseren van andere organisaties dan de doelgroeporganisaties over digitale dreigingen en incidenten zijn er schakelorganisaties. Deze maken deel uit van het Landelijk Dekkend Stelsel. In dat stelsel verstrekt het NCSC vanuit zijn wettelijke operationele en coördinerende rol dreigings- en incidentinformatie aan schakelorganisaties om zo ook organisaties buiten de doelgroep van het NCSC te bereiken.
Het is de verantwoordelijkheid van de schakelorganisaties (zoals Z-CERT) om deze informatie zo snel mogelijk met de eigen achterban te delen. De schakelorganisaties zijn het meest bekend met de systemen van hun achterban, bijbehorende belangen, risico’s en informatiebehoeften.
Kunt u dit ook garanderen voor informatie afkomstig uit andere landen dan Nederland, of informatie uit Nederland die betrekking heeft op organisaties in andere landen?
Het NCSC staat als nationaal Computer Security Incident Response Team (CSIRT) in contact met het Europese CSIRT netwerk. Binnen dit netwerk wordt informatie over dreigingen en kwetsbaarheden ook zo snel en volledig mogelijk gedeeld
Zijn er op dit moment wettelijke beperkingen die het delen van dreigingsinformatie bemoeilijken en zo ja, welke zijn dat specifiek?
De Wbni regelt dat het NCSC dreigings- en incidentinformatie kan verstrekken aan – in eerste instantie – haar doelgroeporganisaties, namelijk vitale aanbieders en rijksoverheidsorganisaties. Het NCSC doet dat om de meest ernstige maatschappelijke ontwrichting te voorkomen of te beperken. Bovendien kan het NCSC deze informatie aan organisaties verstrekken via schakelorganisaties. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Onlangs (december 2022) is de Wbni gewijzigd om belangrijke wettelijke beperkingen voor het delen van informatie weg te nemen.5 Door deze wijziging kan het NCSC dreigings- en incidentinformatie ook rechtstreeks verstrekken aan organisaties die niet onder de doelgroep van het NCSC vallen of waarvoor geen schakelorganisaties zijn. Denk bijvoorbeeld aan politieke partijen en veiligheidsregio’s. Deze wetswijziging regelt ook dat meer dreigings- en incidentinformatie kan worden gedeeld met zogeheten OKTT’s (schakelorganisaties die objectief kenbaar tot taak hebben om andere organisaties of het publiek te informeren over digitale dreigingen en incidenten).
Daarnaast is de nieuwe Europese richtlijn voor Netwerk- en Informatiebeveiliging (NIB2-richtlijn) in werking getreden. Op dit moment loopt een wetgevingstraject om de richtlijn in Nederlandse wetgeving te implementeren. De Minister van Justitie en Veiligheid zal u hierover nader informeren middels een brief aan uw Kamer in het voorjaar.
Hoe werkt u in Europa samen om op deze cyberaanvallen, die ook andere landen raken, te reageren? Zijn er zaken die we kunnen leren van andere landen op dit punt?
Als Nationaal Computer Emergency Response Team (CERT) staat het NCSC in nauw contact met het speciaal voor de zorg opgerichte Computer Emergency Response Team (Z-CERT) en andere nationale samenwerkingspartners. Het NCSC is ook in contact met internationale (cyber) partners en werkt intensief samen met een uitgebreid (inter)nationaal netwerk van computercrisisteams, zoals het Europese CSIRT netwerk, het International Watch and Warning Network (IWWN) en de European Government Cert-Group (EGC). Het NCSC kan, in samenwerking met deze internationale partners, de situatie monitoren en contact onderhouden over de te nemen vervolgacties tijdens incidenten zoals technisch onderzoek ten aanzien van de DDoS-aanvallen.
Ook op diplomatiek niveau is zowel in EU- als NAVO verband gedeeld dat Nederlandse ziekenhuizen zijn getroffen door DDoS-aanvallen. Hiermee dragen we bij aan een gedeeld situationeel bewustzijn bij onze partners.
Heeft u informatie dat er ook sprake is van een verhoogde cyberdreiging vanuit Russische hackgroepen in andere vitale en/of niet-vitale sectoren? Zo ja, welke sectoren zijn dat en hoe worden betreffende sectoren geholpen om zich hiertegen te wapenen?
De kans op gerichte cyberaanvallen op Nederlandse belangen wordt vooralsnog laag ingeschat. Dit dreigingsbeeld lijkt stabiel maar kan abrupt veranderen. Nederlandse organisaties kunnen door ketenafhankelijkheden, bijvoorbeeld via een toeleverancier of dochterbedrijf, geraakt worden als gevolg van cyberaanvallen in relatie tot de oorlog in Oekraïne. Diverse cybersecurity(basis)maatregelen, ten behoeve van het creëren vanhandelingsperspectief om aanvallen te herkennen en voorkomen, zijn aan organisaties ter beschikking gesteld. Zie hiervoor de factsheet van het NCSC zoals benoemd in vraag 5, en ook de AIVD en MIVD publicatie over cyberaanvallen door statelijke actoren.6
Wordt gemonitord welke organisaties en sectoren in andere landen die wapens aan Oekraïne leveren aangevallen worden, zodat deze organisaties en sectoren in Nederland zich op soortgelijke aanvallen kunnen voorbereiden?
Ja. Het NCSC monitort soortgelijke aanvallen.
Het besluit van politie Oost-Nederland om voortaan geen energie te steken in het aanpakken van dierenmishandeling |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het besluit van Politie Oost-Nederland om voortaan weinig tot geen energie te steken in het aanpakken van «kleine» criminaliteit, waaronder dierenmishandeling?1
Het mishandelen van onschuldige dieren is onacceptabel. In deze vraag en in de volgende vragen wordt expliciet gesproken of uitgegaan van een besluit of een oproep om voortaan in Oost-Nederland weinig tot geen energie meer te steken in de aanpak van kleine criminaliteit, waaronder dierenmishandeling. Om te beginnen wil ik benadrukken dat daarvan geen sprake is.
Ik ben bekend met de berichtgeving hierover. In het antwoord op de volgende vragen ga ik in op de aard en inhoud van het document waarover het daarin gaat.
Klopt het dat dit besluit is genomen door het Openbaar Ministerie samen met Politie Oost-Nederland? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Het document uit Oost Nederland waarover het AD heeft bericht is een intern operationeel werkinstrument. Het vloeit voort uit en is onderdeel van het volledige kader waarbinnen keuzes in de opsporing worden gemaakt. Daarom geef ik daar eerst een schets van. Capaciteit is altijd schaars. Het maken van keuzes in de opsporing is niet eenvoudig. Het is ook niet nieuw, maar behoort standaard tot het werk van Openbaar Ministerie (OM) en politie en vindt plaats onder gezag van het OM.
De aanwijzing voor de opsporing van het OM, die voor veelvoorkomende criminaliteit concreter is uitgewerkt in het landelijk screenings- en selectiviteitskader, vormt het landelijk afwegingskader. Deze beide documenten zijn openbaar2. Dit kader op hoofdlijnen biedt ruimte voor verdere regionale of lokale invulling in samenspraak met het openbaar bestuur in de gezagsdriehoek. Van een dergelijke regionale invulling is in Oost-Nederland nu sprake. Het document (een intern operationeel werkinstrument) zal derhalve besproken worden in de gezagsdriehoeken, maar ook in het Regionaal en in het Districtelijk Veiligheidsoverleg, waarin burgemeesters, districts- en eenheidsleiding, parketleiding en gebiedsofficier periodiek bijeenkomen. Het is te beschouwen als een levend instrument dat, al naar gelang de omstandigheden of ervaringsfeiten daartoe aanleiding geven, telkens wordt geactualiseerd. Dit uiteraard steeds in overleg met de politie Oost-Nederland en de lokale driehoeken.
Deelt u de verontwaardiging van burgemeesters in Oost-Nederland over dit besluit?2 Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee, die deel ik niet. Zoals ook bij vraag 2 gezegd behoort het maken van keuzes in de opsporing per definitie en standaard tot het werk van OM en politie. Deze keuzes worden o.a. in de gezagsdriehoeken met de burgemeesters besproken.
Is het juist dat er nog een definitieve versie van het besluit komt, waarbij burgemeesters wel worden betrokken?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2 wordt het document besproken in de gezagsdriehoeken, maar ook in het Regionaal en in het Districtelijk Veiligheidsoverleg, waarin burgemeesters, districts- en eenheidsleiding, parketleiding en gebiedsofficier periodiek bijeenkomen. Voor een deel is dat al gebeurd. Ik heb van het OM vernomen dat deze besprekingen constructief verlopen. Zoals ik ook in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven is het document te beschouwen als een levend instrument dat, indien de omstandigheden of ervaringsfeiten daartoe aanleiding geven, telkens kan worden geactualiseerd en uiteraard ook steeds in overleg met de politie Oost-Nederland en de lokale driehoeken.
Wat vindt u ervan dat de politie dusdanige ondercapaciteit heeft dat agenten worden opgeroepen geen tijd meer te steken in de aanpak van dierenmishandeling?
Capaciteit is altijd schaars. Het maken van keuzes in de opsporing is dan ook niet nieuw, maar behoort standaard tot het werk van OM en politie. Dit heb ik toegelicht bij vraag 1.
Ik heb uw Kamer sinds eind 2020 herhaaldelijk geïnformeerd over de onderbezetting bij de politie, over de zorg die ik daarover heb en over de maatregelen die we nemen om die waar mogelijk te verlichten. Ik heb daarbij aangegeven dat die situatie voor de gezagen, dus OM en burgemeesters, betekent dat er op dagelijkse basis helaas in nog meer scherpte en schaarste dan voorheen keuzes gemaakt moeten worden over de inzet van politie4. In basisteams waar de werkdruk erg hoog is kan dit in de praktijk helaas betekenen dat agenten moeilijke keuzes moeten maken die voor slachtoffers teleurstellend kunnen zijn.
Het werkinstrument dat in de eenheid Oost-Nederland is opgesteld roept, zoals hiervoor ook gezegd, niet op om te stoppen met de opsporing van dierenmishandeling of van andere delicten. Het is bedoeld om de basisteams in de eenheid Oost-Nederland extra houvast te geven bij het maken van de dagelijkse afwegingen en keuzes in de opsporing van veelvoorkomende criminaliteit5 om zaken wel of niet via het strafrecht op te pakken, specifiek in de situatie waarin men tegen de grenzen van de capaciteit aanloopt. In aanvulling op wat ik er bij vraag 1 en 2 over heb gezegd, ga ik hieronder nog wat nader op dit werkinstrument in.
Als voorbeelden van delicten waar in een dergelijke situatie, dus wanneer men tegen de grenzen van capaciteit aanloopt, de keuze gemaakt kan (niet: móet) worden om de zaak niet op te pakken wordt dierenmishandeling genoemd, maar onder andere ook tanken zonder te betalen, mondelinge bedreigingen, kleine diefstallen en inbraken in auto’s, schuren en garages. Bij die afwegingen speelt de aanwezigheid van concrete aanknopingspunten voor opsporing een rol, en in samenhang daarmee de kans op bewijsbaarheid. Belangrijke factoren die daarnaast worden meegewogen zijn de impact van het strafbare feit op slachtoffers en maatschappij, de persoon van de verdachte en de context waarin het strafbare feit heeft plaatsgevonden. Ook wordt bezien of een niet-strafrechtelijk interventie effectiever kan zijn. Deze factoren maken ook allemaal onderdeel uit van het landelijke selectiviteitskader.
Aanvullend is het goed om te benoemen dat de informatie uit meerdere niet-opgepakte zaken een patroon zichtbaar kan maken op basis waarvan politie, met toestemming van het OM, opsporingsmiddelen kan inzetten die de kans op het opsporen van de dader vergroten.
In het interview in de Gelderlander geeft de hoofdofficier van het arrondissementsparket Oost-Nederland juist een zaak van dierenmishandeling als voorbeeld van zaken die wél middels opsporing zullen blijven worden opgepakt. Het betreft de afschuwelijke zaak van hond Level die in 2021 met gebonden poten dood in het kanaal in Zwolle is gevonden. OM en politie hebben veel energie gestoken in het vinden van de dader, die recent tot een halfjaar gevangenisstraf is veroordeeld.
Deelt u de mening dat dierenmishandeling niet in algemene zin als «kleine criminaliteit» kan worden beschouwd, aangezien er grote variatie bestaat in de aard van de mishandeling, de ernst en de frequentie ervan en de intenties van de dader(s)? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat dierenmishandeling niet in algemene zin als «kleine criminaliteit» aangeduid kan worden. De pijn en het leed dat dieren wordt aangedaan kan ernstig zijn en de impact ervan, ook op de omgeving, kan groot zijn. In het operationele werkinstrument en in het selectiviteitskader zijn niet voor niets de mate van impact en de context factoren die een belangrijke rol spelen bij de beslissing om een zaak wel of niet strafrechtelijk op te pakken. Zie in dit verband ook het voorbeeld van hond Level dat ik heb genoemd in het antwoord op vraag 5. Ook is goed om te benoemen dat de informatie uit meerdere niet-opgepakte zaken een patroon zichtbaar kan maken op basis waarvan politie, met toestemming van het OM, opsporingsmiddelen kan inzetten die de kans op het opsporen van de dader vergroten.
Het belang dat aan dit onderwerp wordt gehecht blijkt ook uit het feit dat wij de strafrechtelijke aanpak van dierenmishandeling versterken door middel van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing waarmee een zelfstandig houdverbod wordt geïntroduceerd. Dit wetsvoorstel wordt binnenkort in de Tweede Kamer plenair behandeld.
Bent u bekend met de relatie tussen dierenmishandeling en huiselijk geweld en de onderzoeken waaruit blijkt dat daders van dierenmishandeling vaak ook geweld tegen mensen (gaan) vertonen?3, 4, 5
Ja.
Deelt u de visie dat het tegengaan van dierenmishandeling en het tijdig signaleren van daders niet alleen in het belang is van dieren, maar ook een belangrijk onderdeel is van het tegengaan van geweld tegen mensen? Zo nee, waarom niet?
Meerdere onderzoeken tonen aan dat huiselijk geweld en dierenmishandeling samen kunnen gaan. Het is mede daarom belangrijk dat men altijd aangifte doet of melding maakt in het geval van dierenmishandeling.
Is u bekend of politieagenten van andere eenheden ook te horen hebben gekregen dat ze minder of geen energie hoeven te steken in de aanpak van dierenmishandeling? Zo ja, bij welke eenheden is dat het geval?
Bij het OM zijn centraal geen signalen bekend dat voor andere regionale eenheden een nadere invulling van het selectiviteitskader is gemaakt zoals het operationele werkinstrument in de politie-eenheid Oost-Nederland. Het is echter mogelijk dat men daarvoor ook in andere eenheden op enig moment aanleiding zal zien. Zoals toegelicht bij vraag 2 laat het landelijk afwegingskader ruimte voor een dergelijke nadere regionale of lokale invulling. Dat vloeit voort uit de gezagsrol van het OM en maakt het deel uit van het standaardwerk van OM en politie in de regionale eenheden. Binnen het thema dieren is de toepassing van het selectiviteitskader regelmatig onderwerp van gesprek tussen vertegenwoordigers vanuit diverse regionale eenheden.
Bent u bereid om de politie meer capaciteit te geven voor het opsporen, vervolgen en bestraffen van dierenmishandeling? Zo ja, op welke manier gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Het aanpakken van dierenmishandeling is onderdeel van de brede taak van basisteams. Daarbij heeft elk basisteam een of meer themahouders Dieren, met specifieke kennis over het onderwerp, die intensief samenwerken met de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) om dierenmishandeling te bestrijden.
Onderdeel van de intensivering van 200 mln. op veiligheid, die volgt uit de eind 2021 vorig jaar aangenomen motie-Hermans, is een uitbreiding van de operationele politiecapaciteit met 700 fte agenten voor de basisteams. Na overleg in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP) heb ik de verdeling van deze 700 fte over de eenheden vastgesteld. Met de regioburgemeesters en de voorzitter van het College van Procureurs-Generaal is besproken dat er, naast wijkagenten, «digitale wijkagenten» en andere agenten voor in de wijk, ook behoefte is aan agenten die in de basisteams gaan werken aan de opsporing van veel voorkomende criminaliteit. Dat kan ook de aanpak van dierenmishandeling betreffen. De verdeling binnen de eenheden is uiteindelijk aan de gezagen, dus aan de hoofdofficier van justitie en de burgemeesters. Het eerste deel van de extra agenten zal in 2026 als volledig opgeleide agent van de politieacademie komen9.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden, nog vóór de plenaire behandeling van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing?
Ja.
Het bericht ‘Vervuilende Kooksfabriek 2 van Tata Steel blijkt verkeerd gebouwd: rookt en lekt vanaf eerste dag 'aan alle kanten'’ |
|
Christine Teunissen (PvdD), Eva van Esch (PvdD), Bouchallikh , Suzanne Kröger (GL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Vervuilende Kooksfabriek 2 van Tata Steel blijkt verkeerd gebouwd: rookt en lekt vanaf eerste dag «aan alle kanten»»?1
Ja.
Klopt het dat de Kooksfabriek 2 van Tata Steel in 1972 voor een periode van 30 jaar is gebouwd en dat er al bij de ingebruikname constructiefouten bleken? Hoe kan het dat deze fabriek na 50 jaar nog altijd in bedrijf is?
Voor het beantwoorden van deze vraag heb ik contact opgenomen met de provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG).
De mogelijke constructiefouten waarover wordt gesproken in de uitzending van EénVandaag worden door de OD NZKG onderzocht. De OD NZKG heeft EénVandaag en de melders verzocht om nadere informatie; de in de uitzending aangereikte informatie is onvoldoende om vast te kunnen stellen of er daadwerkelijk sprake is van constructiefouten. Daarnaast heeft de OD NZKG mij laten weten archiefonderzoek te doen in de archieven van de gemeente Velsen en in het Noord-Hollands archief naar de bouwvergunningverlening vanaf 1972 en daarna.
De eerste resultaten van het onderzoek verwacht de OD NZKG voor april 2023.
De leeftijd van een fabriek is in zijn algemeenheid geen reden voor het in- of uit bedrijf nemen van een fabriek. Zolang een fabriek aan wet- en regelgeving voldoet – en daarmee aan de vergunning(en) – kan Tata Steel er voor kiezen een fabriek in bedrijf te laten. Indien eventuele gebreken in de constructie nu worden geconstateerd, kan dit aanleiding zijn voor het bevoegd gezag om in te grijpen.
Hoe kunt u achter het huidige toekomstplan van Tata Steel staan, terwijl deze giftige stoffen lekkende installatie dan vooralsnog tot 2030 in bedrijf blijft?
Zoals mijn voorganger aan uw Kamer heeft gemeld (Kamerstuk 28 089, nr. 227), werkt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, samen met de betrokken medeoverheden aan het zo snel mogelijk terugdringen van de milieu en gezondheidsrisico’s in de IJmond. Ook Kooksfabriek 2 valt onder deze aanpak.
Voor de korte termijn werkt het bevoegd gezag aan het aanscherpen van de vergunningen en het intensiveren van toezicht en handhaving. De vergunningen van Tata Steel moeten – ongeacht de toekomstplannen – voldoen aan de wettelijke eisen en aan de Best Beschikbare Technieken (BBT). Als dat niet het geval is treedt de OD NZKG handhavend op.
Een voorbeeld daarvan is de 3e Last Onder Dwangsom (LOD) en het onderzoek dat de OD NZKG doet naar de mogelijkheden om de vergunning van de Kooksfabrieken in te trekken2. Verder werken alle betrokken partijen aan een zo snel mogelijke transitie naar een groene, schone en klimaatneutrale staalindustrie, waardoor de meest vervuilende onderdelen van Tata Steel gesloten kunnen worden.
Hoe verhoudt het openhouden van de Kooksfabriek 2 zich tot de doelstelling om onacceptabele gezondheidsrisico voor omwonenden uit te bannen?
De suggestie in deze vraag over het actief openhouden van de Kooksfabriek 2 onderschrijf ik niet. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt samen met de betrokken mede-overheden aan het zo snel mogelijk terugdringen van de milieu en gezondheidsrisico’s in de IJmond. Ook Kooksfabriek 2 valt onder deze aanpak.
Klopt het dat de milieudienst van de provincie Noord-Holland al jarenlang bekend is met het feit dat de constructie van Kooksfabriek 2 niet deugde? Wat is er met deze informatie gebeurd? Was dit wel of niet aanleiding om te handhaven? Welke maatregelen zijn toen getroffen? Waarom wel of waarom niet?
Voor het beantwoorden van deze vraag heb ik contact opgenomen met de provincie Noord-Holland en de OD NZKG. Naar de vermeende constructiefouten wordt nader onderzoek gedaan. De eerste resultaten van het onderzoek verwacht de OD NZKG voor april 2023. Zie ook antwoord onder vraag 2.
Wist u dat er al in 2012 over eventuele sluiting van de Kooksfabriek 2 is gesproken? Welke rol heeft de milieudienst en het bevoegd gezag gespeeld bij dit besluit? Waarom is destijds besloten de fabriek open te houden?
De provincie Noord-Holland heeft mij laten weten dat hierover gesproken is met Tata Steel. Echter voor zover mijn informatie strekt, zijn over een eventuele sluiting van kooksfabriek 2 niet eerder concrete of besluitvormende afspraken gemaakt.
Het juridisch instrumentarium ontbreekt om de kooksfabriek 2 per direct te kunnen sluiten.
Kunt u als eindverantwoordelijke voor het Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving-stelsel (VTH) voor Tata Steel een overzicht geven van alle aan de leefomgeving gerelateerde vergunningen (milieu, water- en natuurvergunningen) die betrekking hebben op de Kooksfabriek 2 van Tata Steel? Kunt u aangeven of deze vergunningen voldoen aan de Beste Beschikbare Technieken-verplichting (BBT), zoals vastgelegd in de Richtlijn Industriële Emissies (RIE-richtlijn)? Zo nee, waarom zijn deze vergunningen onvoldoende geactualiseerd?
Voor het gevraagde overzicht van de vergunningen heb ik contact opgenomen met de OD NZKG, de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord en Rijkswaterstaat.
De OD NZKG geeft aan dat de vergunning van Tata Steel op twee procedures na, voldoet aan BBT. Tata Steel bestaat uit een groot aantal IPPC-installaties (Integrated Prevention and Pollution Control) hierdoor is sprake van de actualisering van een groot aantal (95) BBT-conclusies. Vrijwel alle BBT conclusies van de BREF IJzer en Staal en de BREF Large Volume Inorganic Chemicals – Ammonia, Acids and Fertilisers (BREF LVIC) zijn in de omgevingsvergunning van Tata Steel geïmplementeerd. Er zijn nu nog twee procedures in behandeling: monitoring (BBT-conclusie 13–15 betreffende Meet- en controleprogramma (monitoring)) en BBT-conclusie 44 (emissiebeperking vulsystemen). Voor de laatste twee procedures is een ontwerpbeschikking gepubliceerd en deze zullen dit jaar nog worden omgezet naar een definitief besluit.
Het complete overzicht van de vergunningen behorende bij de Kooksfabrieken treft u in de bijlage.
Kunt u als eindverantwoordelijke voor het VTH-stelsel uitleggen hoe het kan dat Kooksfabriek 2 zeer veel incidenten heeft waarbij schadelijke polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) vrijkomen, een derde last onder dwangsom opgelegd heeft gekregen, maar toch doorgaat met het uitstoten van deze schadelijke stoffen? Hoe is dit te rijmen met de BBT-verplichting in de RIE-richtlijn?
Voor het beantwoorden van deze vraag heb ik contact opgenomen met de provincie Noord-Holland en de OD NZKG. De OD NZKG geeft aan dat bij de Kooksfabrieken ongare kooks momenteel niet worden vermeden. Dat betekent dat de vergunning niet wordt nageleefd. In de vergunning zijn ongare kooks niet toegestaan. De fabriek is dus wel conform BBT vergund, maar de vergunning wordt niet goed nageleefd. Daarmee voldoet de vergunning dus wel aan de BBT verplichting. Echter, Tata Steel neemt onvoldoende maatregelen om ongare kooks te vermijden. Vandaar dat er een handhavingstraject loopt wegens het niet voldoen aan de vergunning. De derde last onder dwangsom (LOD) bedraagt € 100.000,- per overtreding tot een maximum van € 1,5 miljoen. Tata Steel heeft tegen de eerste 2 LOD’s geen bezwaar gemaakt. Door Tata Steel is bezwaar aangetekend tegen de derde LOD. Inmiddels hebben er drie verbeuringen plaatsgevonden van deze LOD. Ondertussen onderzoekt de OD NZKG de mogelijkheden om de vergunning van de kooksfabrieken in te trekken (zie ook antwoord op vraag 3).
Is er voldoende wettelijke ruimte om Tata Steel boetes op te leggen met een hoogte die aan een bedrijf als Tata Steel voldoende financiële prikkel geeft om de uitstoot van schadelijke stoffen direct te beperken? Zo ja, waarom wordt die ruimte niet benut? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Een last onder dwangsom is een zogenaamde herstelsanctie. Dat houdt in dat de sanctie is gericht op het beëindigen van een bepaalde overtreding en de rechtmatige situatie te herstellen. Een dwangsom is dus geen boete. De afweging over de hoogte van de dwangsom ligt bij het bevoegd gezag. De hoogte van de derde Last Onder Dwangsom (LOD) bedraagt € 100.000,- per overtreding tot een maximum van € 1,5 miljoen. Daarnaast onderzoekt de OD NZKG de mogelijkheden om de vergunning van de Kooksfabrieken in te trekken (zie ook antwoord op vraag 3).
Bent u bekend met de uitspraken een bestuursrechtadvocaat in de uitzending van de Hofbar op 31 januari jl. dat het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft om de vergunning voor de Kooksfabriek 2 in te trekken als sprake is van ontoelaatbare gevolgen voor het milieu? Zo ja, hoe beoordeelt u deze uitspraken? Deelt u de opvatting dat er inderdaad sprake is van ontoelaatbare gevolgen voor het milieu als het gaat om de Kooksfabriek 2?
Ja, daarmee ben ik bekend. Ik heb begrepen dat de gedeputeerde van de provincie Noord-Holland contact heeft gehad met de betreffende bestuursrechtadvocaat. Dit gesprek heeft niet geleid tot een ander traject dan nu is ingezet. De OD NZKG zal ook nog contact opnemen met de betreffende bestuursrechtadvocaat.
Uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht volgt dat het bevoegd gezag de bevoegdheid heeft om vergunningvoorschriften te stellen en aan te passen en ook om de vergunning in te trekken als daar een wettelijk omschreven grondslag voor is. Sluiting van de gehele fabriek of onderdelen daarvan is dan het gevolg van dat intrekkingsbesluit. In de praktijk gaat het om de vraag of in het concrete geval daadwerkelijk sprake is van feiten en omstandigheden die ertoe leiden dat het proportioneel is om van die wettelijk toegekende bevoegdheid gebruik te maken. Dat wordt nu door het bevoegd gezag, in het kader van de derde dwangsom, onderzocht en vereist zorgvuldigheid.
Wat is uw oordeel over het feit dat het bevoegd gezag zegt «scherp aan de wind te varen»? Waarom maakt het bevoegd gezag dan geen gebruik van deze juridische mogelijkheid om de vergunning van Kooksfabriek 2 in te trekken?
Die uitspraak is aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland, en het is niet aan mij daarover te oordelen. Wel ben ik van mening dat door het bevoegd gezag zoals eerder aangegeven hard wordt gewerkt aan het aanscherpen van de vergunning. Met betrekking tot de mogelijkheid van intrekking van de vergunning verwijs ik u naar mijn antwoorden op vraag 8 en 9.
Gaat u, gezien uw stelselverantwoordelijkheid, het bevoegd gezag ertoe bewegen om de vergunning van de Kooksfabriek 2 in te trekken?
Nee, het bevoegd gezag de Provincie Noord-Holland is hiervoor verantwoordelijk. De omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied onderzoekt de juridische mogelijkheden om de vergunning in te trekken, als ook de derde last onder dwangsom in het kader van het voorschrift om de rauwe kooks tegen te gaan, niet afdoende gewerkt heeft.
Hoe ver is de provincie met het aangekondigde juridische onderzoek naar de mogelijkheden om de Kooksfabriek 2 te sluiten? En in hoeverre bent u in contact met de provincie over de voortgang van dit onderzoek?
De eerste resultaten van het onderzoek naar de mogelijkheden om de Kooksfabriek 2 te sluiten, worden verwacht vóór de zomer 2023. Ik heb hierover contact met de provincie Noord-Holland.
Is het huidige VTH-stelsel, zoals dat toegepast wordt op Tata Steel, in de praktijk in staat om een gezonde leefomgeving voor omwonenden te waarborgen? Zo ja, waarom wordt er in de praktijk onvoldoende gehandhaafd? Zo nee, wat gaat u aan het VTH-stelsel doen om dit wel mogelijk te maken?
Voor het antwoord op deze vraag wil ik u verwijzen naar mijn brief van 16 januari 2023 waarin is aangegeven dat de landelijke aanpak voor Tata Steel is gecontinueerd. Het gaat hierbij om het aanscherpen van vergunningen, intensiveren van toezicht, monitoring van de resultaten Roadmap+ en aanscherpen van Europese en nationale wet- en regelgeving (Kamerstuk 28 089, nr. 246). Daarnaast is het interbestuurlijke programma versterking VTH-stelsel ingericht. Doel van dit programma is om langs de lijnen van de adviezen van de commissie Van Aartsen te komen tot essentiële verbeteringen in het VTH-stelsel en de uitvoering daarvan.
Heeft u als bevoegd gezag kennis van de hoeveelheid (schadelijke) stoffen die Tata Steel in het oppervlaktewater loost? Kunt u deze gegevens delen? Wilt u aangeven of deze voldoen aan de wettelijke normen? Handhaaft u daarop?
Ja. Tata Steel rapporteert haar emissies via het elektronische milieujaarverslag (eMJV). Deze gegevens kunnen worden geraadpleegd via Bedrijfsrapporten | Emissieregistratie3. Het onderliggende meet- en registratiesysteem wordt door Rijkswaterstaat geverifieerd en de opgegeven vrachten worden gevalideerd. Hiervoor gebruikt Rijkswaterstaat haar eigen waarnemingen die in het kader van toezicht worden verzameld. Met dit stelsel ziet Rijkswaterstaat erop toe dat Tata Steel de lozingseisen uit de watervergunning, die op basis van de vigerende regelgeving worden bepaald, respecteert.
Een zeer beperkt deel van het terrein kan tot afstroming leiden naar het watersysteem van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, bijvoorbeeld bij extreme regenval. Vanuit waterkwaliteitsmetingen, die het hoogheemraadschap in dit gebied doet, zijn geen verhoogde waardes waargenomen die terug te leiden zijn naar Tata Steel.
Hoeveel waterschapsbelasting en rioolheffing betaalt Tata Steel jaarlijks?
Voor het beantwoorden van deze vraag heb ik contact opgenomen met het Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft laten weten dat deze gegevens niet verstrekt kunnen worden. Dit valt namelijk onder de fiscale geheimhoudingsplicht
Kunt u een overzicht geven van alle fossiele subsidies die Tata Steel jaarlijks geniet?
Op grond van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet in gaan op de fiscale positie van een individuele belastingplichtige.
Tata Steel gebruikt elektriciteit, kolen en aardgas in haar productieproces. De elektriciteit en het aardgas die worden gebruikt voor metallurgische procedés zijn vrijgesteld van het betalen van energiebelasting. Deze vrijstelling vervalt, tezamen met de vrijstelling op elektriciteit voor mineralogische procedés, per 2025.
Voor zover Tata Steel van de vrijstelling voor metallurgische procedés en de inputvrijstelling kolenbelasting voor duaal verbruik gebruik maakt, is er sprake van fossiele subsidie. De budgettaire omvang van vrijstelling voor metallurgische procedés en metallurgische procedés tezamen bedroeg in 2022 € 122 miljoen en de budgettaire omvang van de inputvrijstelling kolenbelasting voor duaal verbruik bedroeg in 2022 € 26 miljoen (Kamerstuk 36 200, nr. 2).
Daarnaast heeft Tata Steel orig jaar heeft Tata Steel 14,1 miljoen euro ontvangen vanuit de IKC-ETS (subsidie indirecte kostencompensatie). Er zijn wel voorwaarden verbonden aan deze subsidie. Het komt erop neer dat Tata Steel vanaf 2023 een CO2-reductieplan moet inleveren waarin Tata Steel aantoont dat over de looptijd van de regeling 15% CO2 reductie is behaald. Als daar niet aan wordt voldaan, dan kan de subsidie teruggevorderd worden.
Tata heeft ook Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) subsidie gekregen ter hoogte van € 926.609,- voor het project «Pilot DRP & REF Technologie4».
Wanneer verwacht u de «Letter of Intent» tussen overheid en Tata Steel te kunnen delen met de Kamer? Hoe verlopen de onderhandelingen daartoe? Waarom is het de Minister niet gelukt om de maatwerkafspraken met specifiek Tata Steel Nederland voor einde van het jaar 2022 (zoals eerder de planning was voor de maatwerkafspraken) naar de kamer te sturen?
De Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft het voorziene tijdspad om te komen tot een maatwerkafspraak met Tata Steel beschreven in de Kamerbrief over de maatwerkafspraken in de zomer van 2022 (Kamerstuk 29 826, nr. 148). Daarin wordt expliciet aangegeven dat er geen harde garanties gegeven kunnen worden over het tijdspad voor de maatwerkafspraken met Tata Steel. Dit geldt ook voor de Joint Letter of Intent met het bedrijf.
Het bedrijf is namelijk eerst aan zet om de weg naar groen staal en de specifieke ondersteuningsvraag aan het Rijk helder nader uit te werken.
Eind vorig jaar (2022) heeft Tata Steel informatie over haar lange termijn verduurzamingsplannen – zijnde een Direct Reduced Iron productieproces op waterstof – met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat gedeeld. De informatie moet echter nog nader aangevuld worden door het bedrijf, zoals met de concrete financieringsplannen en de effecten van de nieuwe installaties op de leefomgeving. Alhoewel ik niet in detail kan treden over de aangeleverde bedrijfsvertrouwelijke informatie, is deze informatie en opvolgende analyses essentieel voor het Ministerie van Economische Zaken om de plannen te beoordelen. Er zal vastgesteld moeten worden of de plannen ook daadwerkelijk steun behoeven en leiden tot de beloofde verbeteringen van het klimaat- en het milieu. Vervolgens kan er een oordeel gevormd worden over de vraag of en hoe de plannen van Tata Steel gefaciliteerd kunnen worden door het Rijk. De overheden spannen zich dan ook in navolging van het Expression of Principles (bijlage bij Kamerstuk 32 813, nr. 1082) in om waar mogelijk klaar te staan om de verduurzamingsopgave van het bedrijf zo snel mogelijk te realiseren.
Verwacht u dat het sluiten van de Kooksfabriek 2 wordt opgenomen in de maatwerkafspraken met Tata Steel NL? Zo ja, welke termijn vindt de Minister dan redelijk om in de maatwerkafspraken op te nemen.
In de hernieuwde Expression of Principles (bijlage bij Kamerstuk 32 813, nr. 1082) is opgenomen dat Tata Steel onderzoek gaat doen naar het verder verbeteren van de milieu en gezondheidssituatie vóórafgaand aan de transitie in 2030, bijvoorbeeld door het al eerder sluiten van bedrijfsactiviteiten, zoals de Kooksfabriek 2, en/of het uitvoeren van extra maatregelen boven op de Roadmap+. Daarnaast is vastgelegd om in een planning de tijdstippen en voorwaarden voor de uitfasering van bestaande installaties op te nemen in de definitieve maatwerkovereenkomst.
Daarmee is sluiting van de Kooksfabriek 2 onderdeel van de besprekingen omtrent het komen tot een maatwerkafspraak met het bedrijf. In deze fase van het traject om te komen tot maatwerkafspraken kan ik nog niet ingaan op concrete afspraken, waaronder een sluitingsdatum van de Kooksfabriek 2.
Gezien de maatwerkafspraken juridisch bindend zijn, kunt u toelichten wat de consequenties zullen zijn voor Tata Steel indien zij de afspraken niet nakomen?
In het coalitieakkoord («omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst») is opgenomen dat de afspraken bindend en afdwingbaar moeten zijn. De uiteindelijke afspraken zullen daar dus aan moeten voldoen. Op dit moment is het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat nog volop in gesprek met Tata Steel over de uitwerking van hun verduurzamingsplannen en de randvoorwaarden die voor de realisatie nodig worden geacht.
Er kan daarom op dit moment nog niets worden gezegd over de aard en inhoud van de afspraken en voorwaarden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Miljoenen chips Nederlandse fabrikanten belanden in Rusland ondanks sancties’ |
|
Alexander Hammelburg (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Wanneer was het kabinet op de hoogte van de aanwezigheid van de miljoenen Nederlandse chips in Russische pantserhouwitsers, een kruisraketten en gevechtshelikopters?1
De Nederlandse overheid is voor het eerst in maart 2022 op de hoogte gebracht dat elektronische componenten van Nederlandse producenten werden teruggevonden in Russisch militair materieel. Initiële informatie wees op toepassingen in UAVs en diverse soorten verbindingsapparatuur. Later werd duidelijk dat steeds meer westerse componenten werden teruggevonden in een enorm breed scala aan Russisch militair materieel.
Waarom heeft u, nadat u door de nieuwsredacties werd ingelicht, er wel voor gekozen om deze redacties een schriftelijke reactie te sturen, maar heeft u niet de Kamer geïnformeerd?
Het ministerie heeft de betreffende nieuwsredacties een schriftelijke reactie gestuurd op een specifiek verzoek om verduidelijking. Hoewel de onthullingen in het bericht er niet minder zorgelijk om zijn, is het al geruime tijd openbaar bekend dat westerse elektronische componenten via tussenhandelaren hun weg vinden naar de Russische militaire industrie.
Het wijdverspreide gebruik van westerse waaronder ook Nederlandse elektronische componenten in Russisch militair materieel is vanaf eind maart 2022 door diverse media, zowel nationaal als internationaal, gerapporteerd. In augustus 2022 werd de omleiding van elektronische componenten via tussenhandelaren inzichtelijk gemaakt door onderzoek van onder andere een Britse NGO, het Royal United Services Institute. Aan de hand van een Nederlands voorstel zijn de goederen in kwestie opgenomen in de Ruslandsancties. In november 2022 heeft de Minister voor BHOS mede namens de Minister van BZ deze problematiek geadresseerd in een brief, in antwoord op vragen van de heer Klink (VVD)2.
Welke acties heeft u ondernomen sinds begin december bekend werd dat Iraanse drones met Nederlandse chips op het slagveld in Oekraïne zijn gevonden?
Nederland is een van de initiatiefnemers van de sanctie-listing van personen en entiteiten uit Iran in verband met de levering van UAVs aan Rusland voor gebruik in Oekraïne. Het aanpakken van sanctieontwijking heeft voor Nederland hoge prioriteit, zoals mede blijkt uit ons recente non-paper hierover. Daarnaast wordt gekeken wat er diplomatiek mogelijk is om druk te zetten op tussenhandelaren in derde landen. Nederland heeft in EU verband steun uitgesproken voor het aanmerken van UAV motoren als gesanctioneerde goederen en bespreekt de problematiek in bilaterale gesprekken.
Kunt u uiteenzetten hoe bedrijven met een bewezen geschiedenis van het faciliteren van de Russische krijgsmacht – zoals vermeld in het onderzoek – miljoenen Nederlandse chips in handen hebben kunnen krijgen? Bent u bereid om bedrijven waarvan dit type activiteit in landen als Rusland of Iran bekend is op een zwarte lijst te plaatsen?
Het gebruik van westerse dus ook Nederlandse componenten in Russische wapensystemen is hoogst onwenselijk. De componenten waar het hier om gaat zijn echter veelal universeel toepasbaar en worden in bulk (ordegrootte 100 miljard per jaar) over de gehele wereld verscheept. Ook in ieder Nederlands huishouden zijn veel van deze componenten terug te vinden.
Ondanks consultaties met betrokken bedrijven is niet duidelijk te zeggen hoe de handelsstromen van teruggevonden componenten zijn gelopen. De logistieke ketens zijn vaak lang en complex: Nederlandse exporteurs hebben inzicht in de klanten van hun distributeurs, maar daarna houdt hun inzicht vaak op.
Russische bedrijven die op enige wijze bijdragen aan de Russische militaire industrie worden opgenomen in bijlage IV van sanctieverordening 833/2014, waarvoor additionele handelsrestricties gelden. Nederland levert een zeer actieve bijdrage aan het doen van voorstellen hiervoor.
In het 9e sanctiepakket van sanctieverordening 269/2014 zijn diverse Iraanse entiteiten, die betrokken waren bij wapenleveranties aan Rusland, gesanctioneerd.
Bent u bereid om duidelijk te maken aan de landen die dergelijke tussenhandelaren huisvesten, dat het met Nederlandse producten bijdragen aan agressie ook diplomatieke gevolgen kan hebben?
Ja, daar is het kabinet toe bereid en dit gebeurt ook actief.
Vallen dergelijke tussenhandelaren onder bestaande sanctiewetgeving? Zo nee, bent u bereid wetgeving aan te passen?
Sanctieverordening (EU) 269/2014 geeft een aantal juridische gronden om personen en entiteiten te sanctioneren, waaronder het «materieel of financieel bijdragen aan acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen».
Deze sanctioneringsgronden zijn niet landgebonden. Met de recente opname van diverse Iraanse personen en entiteiten die hebben bijgedragen aan het leveren van UAVs aan Rusland, heeft de EU reeds personen en entiteiten in derde landen, die bijdragen aan de Russische invasie, gesanctioneerd.
Het is onacceptabel dat tussenhandelaren Nederlandse goederen zonder toestemming doorleveren aan Russische wapenfabrikanten. Nederland heeft middels een non-paper ingezet op een veel structurelere aanpak van sanctieomzeiling, waaronder ook door de inzet van het sanctie-instrument.
Welke stappen gaat het kabinet nog meer ondernemen om Nederlandse bedrijven te ondersteunen bij het nastreven van het gezamenlijke doel om niet met Nederlandse producten bij te dragen aan de Russische agressie? Bent u bereid om, in overleg met bedrijven, de mogelijkheid te verkennen om in contracten op te laten nemen dat doorverkoop van producten op de sanctielijsten niet is toegestaan?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is doorlopend in nauw contact met betrokken bedrijven en deelt waar mogelijk informatie om hen te ondersteunen in het vormen van hun beleid. De bedrijven stellen reeds uitgebreide contractuele voorwaarden aan hun distributeurs v.w.b. de doorverkoop van hun producten. Indien nodig kan het ministerie met deze bedrijven samen bezien of dergelijke voorwaarden nog verder aangescherpt kunnen worden.
Hoe kan het dat er sinds het instellen van de sancties helemaal geen daling in de doorverkoop van chips zichtbaar is? Wordt de doorverkoop van chips gemonitord? Waren er eerdere signalen van de inlichtingendiensten? Zo ja, welke actie is daarop ondernomen?
Het is duidelijk dat Rusland, ondanks het instellen van de sancties, via tussenhandelaren toch aan elektronische componenten kan komen. Rusland heeft reeds decennia ervaring in de heimelijke aanschaf van westerse technologie.
Het is echter niet zo dat de sancties geen impact hebben gehad. Van een aantal tussenhandelaren is een afname te zien in verscheepte componenten na het instellen van sancties. De Russische behoefte is groot, en sancties verstoren belangrijke aanvoerlijnen.
De doorverkoop van elektronische componenten wordt door diverse actoren gemonitord. Zo heeft Nederland onder meer onderzoek van het Britse Royal United Services Institute gebruikt om draagvlak te winnen voor het sanctioneren van veel elektronische componenten. De inlichtingendiensten hebben zich reeds meermaals in het openbaar3, 4 uitgesproken over de dreiging van de Russische verwervingspogingen van Nederlandse technologie. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zet zich samen met de Diensten in om bedrijven voor te lichten over risicos van doorverkoop, onder andere tijdens het exportcontroleseminar.
In hoeverre voorziet huidige wetgeving – naast het dual-use beleid – in het voorkomen dat Nederlandse chips in Russische handen terechtkomen?
De teruggevonden door Nederlandse bedrijven geproduceerde halfgeleiders vielen tot voor kort niet onder exportcontrole. Mede naar aanleiding van een voorstel van Nederland zijn deze goederen inmiddels toegevoegd aan de Ruslandsancties (Verordening (EU) 833/2014 van de Raad) middels het achtste pakket dat op 5 oktober 2022 werd aangenomen. Het is daarmee verboden om deze goederen aan Rusland te leveren, inclusief via tussenhandelaren in derde landen. Dit betekent echter niet dat de handel in deze goederen naar derde landen verboden is. Gezien de volumes waar we hier over spreken (vele miljarden per jaar) is een 100% controle hierop niet mogelijk.
Welke individuele maatregelen kan de Nederlandse overheid nemen om de doorverkoop van chips te verminderen, reguleren of handhaven, wanneer de Europese Unie niet tot gepaste maatregelen komt en blijft achterlopen op de VS met het handhaven op de doorverkoop van chips?
Het kabinet zet er op in dat de Europese Unie tot gepaste maatregelen komt om de illegale doorverkoop van westerse halfgeleiderproducten aan te pakken. Nederland neemt hierin een voortrekkersrol. Nederland zet daarnaast in op meer onderzoek naar sanctieomzeiling, werkt nauw samen met betrokken producenten om informatie te delen en kaart de problematiek via diplomatieke kanalen aan.
Wat zijn de voor- en nadelen van deze maatregelen?
Intensivering op het delen van informatie over omleidingsrisicos en betrokken tussenhandelaren helpt betrokken producenten om duidelijke richtlijnen uit te zetten richting hun distributeurs in het buitenland.
Het nadeel hiervan is dat het probleem niet zo zeer bij Nederlandse exporteurs ligt, en zelfs niet bij hun buitenlandse distributeurs, maar bij verkopers die een aantal stappen verder in de keten liggen. Op die plekken heeft het beleid van de oorspronkelijke exporteur nauwelijks meer invloed, mede omdat het schenden van dergelijke richtlijnen geen juridische consequenties heeft.
Daarom heeft vooralsnog de eerste voorkeur van het kabinet dat de EU juridische consequenties oplegt aan betrokken entiteiten in derde landen.
Welke stappen neemt de Nederlandse overheid in het faciliteren van onderzoek naar de handelsroute die deze chips afleggen?
Het kabinet geeft een hoge prioriteit aan het stoppen van sanctieomzeiling, in het bijzonder als het aankomt op kritieke componenten. Om onderzoek naar handelsroutes te faciliteren werkt het kabinet onder andere samen met onderzoeksinstituten. Het kabinet heeft de ambitie om deze samenwerking in de nabije toekomst te intensiveren.
Verder zet het kabinet in op een Europees contactpunt sanctieomzeiling cf. motie Brekelmans voor een EU OFAC. Inmiddels is er een EU sanctiegezant aangesteld die outreach naar derde landen kan doen. Ook dit contactpunt kan een rol spelen bij het in kaart brengen van omzeilingroutes wanneer EU lidstaten-informatie met elkaar delen.
Erkent u dat uit de Habitatrichtlijn en de uitspraken van de Raad van State (RvS) daarover, volgt dat wanneer een beschermd natuurgebied overbelast is met stikstof er passende maatregelen moeten worden genomen om deze verslechtering te stoppen of te voorkomen (artikel 2.2 van de Wet natuurbescherming)? Kunt u bevestigen dat het innemen van een natuurvergunning in veel gevallen een goede en passende maatregel is?
Ik erken dat als verslechtering van een Natura 2000-gebied dreigt, uit de Habitatrichtlijn en uit de Wet natuurbescherming volgt dat passende maatregelen moeten worden genomen om die dreigende verslechtering te keren. Intrekken van een natuurvergunning komt in beeld als er geen andere passende maatregelen worden getroffen die binnen afzienbare termijn het gewenste effect hebben. Ik doe er alles aan om te voorkomen dat verslechtering dreigt. Als dat niet is te voorkomen, doe ik er alles aan om te borgen dat andere passende maatregelen worden getroffen zodat het intrekken van vergunningen niet nodig is.
Erkent u dat wanneer er passende maatregelen noodzakelijk zijn voor de natuur, dergelijke maatregelen niet gebruikt mogen worden om nieuwe uitstoot te vergunnen? Kunt u bevestigen dat deze prioritering (de natuur eerst) volgt uit de uitspraak van de RvS over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in 2019?1
Uit de PAS-uitspraak van de Raad van State volgt dat een maatregel die naar z’n aard als instandhoudings- of passende maatregel kan worden ingezet, alleen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als, gelet op de staat van instandhouding en de instandhoudingsdoelstelling, de maatregel niet nodig is om het behoud van natuurwaarden te borgen, en in geval een verbeter- of hersteldoelstelling geldt, er andere maatregelen beschikbaar zijn om dat doel te halen Wanneer de overheid initiatiefnemer is van een plan of project moet extern salderen als mitigerende maatregel aan die voorwaarde voldoen. Over de vraag of het additionaliteitsvereiste van toepassing is bij extern salderen tussen private partijen loopt hoger beroep bij de Raad van State.
Van hoeveel van de twaalf veehouderijen die de Schiphol Group heeft opgekocht kunt u aantonen dat deze «stikstofruimte» niet noodzakelijk is voor het herstel van overbelaste natuurgebieden? Kunt u hiervoor de onderbouwing delen?
Extern salderen is een reeds lang in de jurisprudentie geaccepteerde vorm van mitigatie. Ik heb net als de provincies beleid vastgesteld waarin o.a. is bepaald dat alleen gesaldeerd mag worden met daadwerkelijk gerealiseerde capaciteit en dat 30% moet worden afgeroomd om feitelijke depositiestijging te beperken. Over de vraag of het additionaliteitsvereiste van toepassing is bij extern salderen tussen private partijen loopt hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast werk ik samen met de bevoegde gezagen aan het robuuster maken van extern salderen, door interbestuurlijke afspraken te maken over het aanscherpen van de beleidsregels. Het kabinet zet in op een generieke verhoging van het afroompercentage naar 40%. Daarnaast wordt onderzocht of het mogelijk is om voor projecten die op termijn tot stikstofreductie leiden, zoals de MIEK-projecten, een afroompercentage van 20% te hanteren. Tot slot werk ik aan het voorkomen van extern salderen met slapende vergunningen. Met deze stappen wordt de ingebruikname van latente ruimte via extern salderen verder voorkomen.
Van hoeveel van de zeven door Rijkswaterstaat opgekochte veehouderijen ten behoeve van de verbreding van de A27 bij Amelisweerd kunt u aantonen dat deze «stikstofruimte» niet noodzakelijk is voor het herstel van overbelaste natuurgebieden? Kunt u hiervoor de onderbouwing delen?
In het Tracébesluit voor A27/A12 Ring Utrecht is voor alle bedrijven bekeken of aan het additionaliteitsvereiste is voldaan. Voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst met de eigenaren van de bedrijven is gecheckt of dat bedrijf niet al in beeld was bij de provincie voor een andere regeling of ander doel zoals natuurverbetering. Het gaat bovendien om bedrijven in gebieden waar zich meer potentiële saldogevers bevinden. Er is in de toelichting op het Tracébesluit beschreven op welke andere wijze een structurele daling van de stikstofdepositie op Natura 2000, met het oog op het realiseren van de geldende instandhoudingsdoelstellingen en het voorkomen van verslechtering van de kwaliteit van habitats, zal worden bereikt.2
Van hoeveel van de door Rijkswaterstaat opgekochte veehouderijen ten behoeve van de verlenging van de ViA15 kunt u aantonen dat deze «stikstofruimte» niet noodzakelijk is voor het herstel van overbelaste natuurgebieden? Kunt u hiervoor de onderbouwing delen?
Voor het Tracébesluit ViA15 is op vergelijkbare werkwijze getoetst aan het additionaliteitsvereiste als beschreven in het antwoord op vraag 4.
Deelt u het inzicht dat alleen de «stikstofruimte» van deze veehouderijen gebruikt kan worden als mitigerende maatregel voor de uitstoot van Schiphol, Lelystad Airport, de verbreding van de A27 en de verlenging van de ViA15? Deelt u het inzicht dat de «stikstofruimte» van de overige veehouderijen naar de natuur moet gaan? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2, 3 en 4.
Klopt het dat de provincies waarin de veehouderijen zich bevinden (Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant) dit kunnen bewerkstelligen door bij het intrekken van de betreffende natuurvergunning expliciet te vermelden dat het gaat om een passende maatregel voor de natuur? Kunt u bevestigen dat hiermee wordt voorkomen dat de «stikstofruimte» naar Schiphol, de A27 of de ViA15 gaat? Zo nee, waarom niet?
De provincie kan niet zomaar de saldogever verplichten de stikstofruimte ten goede te laten komen aan de natuur wanneer een saldogever verzoekt zijn natuurvergunning in te trekken ten behoeve van een ander project. Bovendien geldt voor de projecten A27/A12 Ring Utrecht en VIA15 dat de stikstofruimte reeds is ingezet als mitigerende maatregel door vaststelling van de Tracébesluiten. Overigens hoeft de provincie niet altijd het bevoegd gezag te zijn voor het intrekken van de natuurtoestemming omdat die ook kan volgen uit een referentiesituatie op grond van een andere toestemming dan een natuurvergunning. Het intrekken van een natuurvergunning omdat dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid van de Habitatrichtlijn is een bevoegdheid op grond van artikel 5.4, tweede lid Wnb. Een verzoek om intrekking op verzoek van vergunninghouder heeft echter een andere wettelijke grondslag en vloeit voort uit de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dus dat provincies niet zomaar bij een verzoek om intrekking door een vergunninghouder in afwijking van dat verzoek kunnen besluiten dat de stikstofruimte niet ten behoeve van een ander project mag worden ingezet omdat daarmee dan de grondslag van de aanvraag wordt verlaten.
Kunt u bevestigen dat provincies gebonden zijn aan hogere wet- en regelgeving, zoals de Habitatrichtlijn en de Wet natuurbescherming (Wnb) en niet aan private overeenkomsten tussen partijen?
Uiteraard zijn provincies gebonden aan het toetsingskader dat volgt uit wet- en regelgeving en de jurisprudentie daarover. Vanuit hun rol als bevoegd gezag zijn provincies betrokken bij saldeertransacties in het kader van een verzoek om intrekking van vergunninghouder of bij een aanvraag om een natuurvergunning. In dat kader moet worden vastgesteld dat extern salderen tussen partijen in de jurisprudentie is geaccepteerd als mitigerende maatregel. De initiatiefnemer verzekert door middel van een overeenkomst in dat geval dat wanneer zijn nieuwe activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken op een N2000-gebied aanvangen, activiteiten op een andere locatie die stikstofdepositie veroorzaken op datzelfde gebied (gedeeltelijk) zijn beëindigd. Daarmee kan de initiatiefnemer met zekerheid aantonen dat zijn project niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het N2000-gebied. Er is dus kortom geen strijd met hogere regelgeving indien het bevoegde gezag een vergunning verleent waarbij extern salderen als mitigerende maatregel is ingezet.
Gaat u de handel in «stikstofvergunningen» (extern salderen) verbieden, omdat er nog steeds geen robuust pakket aan bronmaatregelen is waarmee de natuurdoelen met zekerheid gehaald zullen worden, waardoor alle opgekochte «stikstofruimte» met prioriteit naar de natuur moet gaan?
Nee, ik ben niet voornemens om extern salderen te verbieden. Extern salderen is een van de weinige manieren waarop nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn. Op dit moment werk ik samen met de betrokken departementen en provincies de stappen uit om de regie op extern salderen te versterken. Om te voorkomen dat we elkaar als overheden verrassen, hebben Rijk en provincies interbestuurlijk afgesproken om elkaar vooraf te informeren over een voorgenomen aankoop ten behoeve van extern salderen. In de Kamerbrief van 25 november 20223 heeft het kabinet aangekondigd op korte termijn samen met de provincies en betrokken departementen te komen tot verduidelijkte en aanvullende spelregels.
Daarbij betrekken we ook het verbeteren van de monitoring en informatie-uitwisseling, zodat we goed zicht blijven houden op extern salderen. Ook werken werkt het kabinet aan de prioritering van uitgifte van stikstofruimte en de mogelijkheden om in gebiedsprocessen met voorrang te sturen op de gebruiksmogelijkheden van emissieruimte.
Daarnaast werk ik samen met de bevoegde gezagen aan het robuuster maken van extern salderen, door interbestuurlijke afspraken te maken over het aanscherpen van de beleidsregels. Het kabinet zet in op een generieke verhoging van het afroompercentage naar 40%. Daarnaast wordt onderzocht of het mogelijk is om voor projecten die op termijn tot stikstofreductie leiden, zoals de MIEK-projecten, een afroompercentage van 20% te hanteren. Tot slot werk ik aan het voorkomen van extern salderen met slapende vergunningen. Met deze stappen wordt de ingebruikname van latente ruimte via extern salderen verder voorkomen.
De Corruption Perceptions Index 2022 van Transparency International |
|
Pieter Omtzigt (Omtzigt), Laurens Dassen (Volt) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met deCorruption Perceptions Index 2022, gepubliceerd op 31 januari 2023?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van de index, aangaande de uitkomst van Nederland op plaats acht, mede in het licht van dat Nederland niet eerder zo laag scoorde op de index?
De Corruption Perceptions Index meet hoe corrupt de publieke sector van elk land volgens deskundigen en zakenmensen wordt geacht. De score van een land is het waargenomen niveau van corruptie in de overheidssector op een schaal van 0–100, waarbij 0 staat voor «corrupt» en 100 voor «zeer schoon». Nederland scoort van oudsher, net als ook in 2022, hoog op de index. Zoals Transparency International zelf ook aangeeft wordt Nederland met een achtste positie nog steeds gezien als een van de landen met een weinig corrupte publieke sector. Uit het rapport volgt dat er sprake zou zijn van stagnatie van het integriteitsbeleid in Nederland. Ik herken me niet in het geschetste beeld. Ik zie de daling in het totaal aantal punten wel als een signaal dat serieus genomen moet worden. Dat doet het kabinet ook; er zijn al verschillende integriteitsmaatregelen genomen en er zijn er nog een aantal in voorbereiding. Graag verwijs ik ook naar de antwoorden op vraag 7 en 8.
Wat is uw appreciatie aangaande de toelichting van Transparency International van de Nederlandse positie op de index, te weten vanwege achterblijvende regelgeving op het gebied van politieke integriteit, gebrekkige controle op financiering van politieke partijen en weinig toezicht van lobbyisten?
Allereerst is het van belang om altijd scherp te blijven op mogelijke verbeteringen van regelgeving en toepassing en handhaving daarvan. Ook de toelichting op de Corruption Perceptions Index van Transparency International, waarin Transparency International een aantal maatregelen voor politieke integriteit bepleit, is hiervoor van belang. Vanuit het kabinet is er de laatste maanden het nodige in gang gezet op dit terrein. Dit jaar volgt verdere implementatie van een aantal maatregelen die hieronder worden genoemd. De index van Transparency International richt zich op meerdere vormen van integriteitsbeleid, onder andere op het regeringsbeleid en het integriteitsbeleid van het parlement.
Tijdens het debat over de initiatiefnota van de leden Dassen en Omtzigt over wettelijke maatregelen om de integriteit bij bewindspersonen en de ambtelijke top te bevorderen (Kamerstuk 36 101, nr. 2) op 19 september jl. heb ik u geïnformeerd over lopende zaken rondom integriteit en de voortgang op de aanbevelingen van de Group of States against Corruption (GRECO), waaronder de aankondiging van wetgeving met betrekking tot gewezen bewindspersonen en de gedragscode Integriteit Bewindspersonen die eind december 2022 naar de Kamer is gestuurd. Zie ook de beantwoording op vraag 7.
Daarnaast is in december jl. het onderzoek van prof. dr. C.H.J.M. Braun inzake de mogelijke invoering van een lobbyregister («Afwegingskader Legitieme Belangenvertegenwoordiging») gepubliceerd. In het voorjaar komt het kabinet met een appreciatie op dit onderzoek.
Op het gebied van de financiering van politieke partijen zijn meerdere veranderingen doorgevoerd met de inwerkingtreding van de Evaluatiewet Wet financiering politieke partijen (Wfpp) per 1 januari 2023. Zo wordt de transparantie rondom giften vergroot en de invloed van grote giften beperkt, onder andere door de invoering van een giftenmaximum van € 100.000,-, een meldingsplicht van giften boven de € 10.000 binnen 3 dagen en, in verkiezingstijd, het aanleveren van een aanvullend verslag van giften uiterlijk één maand na afloop van de stemming. Eveneens moet voor een gift vanaf € 1.000,- door een rechtspersoon de belanghebbenden achter deze rechtspersoon vermeld worden. Ook op lokaal niveau wordt de transparantie vergroot door de verplichting een giftenregelement te publiceren op de eigen website. Verder worden er met de Wet op Politieke Partijen, waarvan het wetsvoorstel momenteel in consultatie is, verdergaande transparantie verplichtingen voorgesteld en wordt ook een onafhankelijke toezichthouder opgericht. Op decentraal niveau wordt voorgesteld om het giftenmaximum, de meldingsplicht van substantiële giften, aanvullende transparantie na verkiezingen, en het bekend maken van de belanghebbende achter een rechtspersoon in te voeren. Daar staat tegenover dat ook een subsidieregeling is opgenomen voor decentrale partijen voor drie jaar.
Ten opzichte van 2022, waar het rapport betrekking op heeft, zijn veel wijzigingen doorgevoerd en ingezet om transparantie en daarmee ook publieke controle op de financiering van politieke partijen te vergroten.
Wat is deeigen kabinetsverklaring aangaande het behalen van de achtste positie op de index en daarmee de laagste score van Nederland sinds Transparency deze index opstelt? Waar ziet u zelf de meeste achteruitgang in Nederland? Waar ziet u zelf de meeste achteruitgang in Europa?
Nederland heeft een achtste plaats op de index behaald en staat daarmee in de top tien van de minst corrupte landen. Wel is het totale puntenaantal van Nederland – net als dat van acht andere landen in de top tien – met twee punten gedaald. De reden die Transparency International hiervoor aandraagt, is dat – met name – de Nederlandse regelgeving op het gebied van politieke integriteit zou achterblijven. Het kabinet vindt dat dit onvoldoende recht doet aan de inspanningen die hier het afgelopen jaar op zijn gepleegd. Voor een appreciatie van deze bevinding verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 3.
Voor wat betreft het anti-corruptie- en integriteitsbeleid in de EU biedt het rechtstaatrapport 2022 van de Europese Commissie de meest recente en een waardevolle basis voor debatten tussen en in EU-lidstaten over de rechtstaat, inclusief corruptiebestrijding. Op 9 september 2022 is hierover een appreciatie naar Uw Kamer verzonden (Kamerstuk, 21 501-02, nr. 2534). Dit onderwerp komt regelmatig aan bod bij de Raad voor Justitie en Binnenlandse Zaken, met als doel dat lidstaten best practices en uitdagingen bespreken. Ondanks de reeds getroffen anti-corruptiemaatregelen binnen veel EU-lidstaten, blijven op dit terrein uitdagingen – zoals capaciteitstekorten of tekort aan middelen voor effectieve implementatie van het anti-corruptieraamwerk – bestaan, zoals reeds toegelicht in de appreciatie van 9 september 2022.
Kunt u in uw kabinetsappreciatie van het onderzoeksrapport van de Universiteit Leiden omtrent het lobbyregister meenemen wat de oorspronkelijke onderzoeksvraag voor het onderzoeksrapport van het kabinet aan de onderzoekers was? Waarom is voor deze onderzoeksvraag gekozen? Wat is de argumentatie voor het kiezen van een onderzoeksvraag resulterende in een wetenschappelijke overzichtsstudie?
Ja, in de kabinetsappreciatie van het onderzoek zal hierop worden ingegaan.
Bent u het eens met de stelling dat Nederland niet veel tijd meer zou moeten nemen, na het al twee jaar lang missen van een deadline van een Europese instantie als de GRECO, omdat dit de geloofwaardigheid en daarmee effectiviteit van de instituties daarmee verslechterd?
De evaluaties van internationale gremia zoals de GRECO geven aanbevelingen om het Nederlandse systeem waar nodig en mogelijk verder te verbeteren. Het kabinet neemt de internationale aanbevelingen ter verbetering van de publieke integriteit serieus, en zet zich in voor de implementatie van deze aanbevelingen. Dit vraagt om inhoudelijke en zorgvuldige afwegingen en implementatie, hetgeen tijd kost.
Bent u van oordeel dat de door het kabinet voorgenomen beleidsmaatregelen voldoende zullen zijn om de negatieve bevindingen van Transparency International weg te nemen? Zo ja, waarom verwacht u dat dit voldoende zal zijn? Zo nee, welke aanvullende maatregelen moet en gaat u nemen?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. De afgelopen periode is veel in gang gezet rondom wet- en regelgeving op het gebied van integriteit. Ook dit jaar zijn er voornemens, zoals indiening van het wetsvoorstel met regels gewezen bewindspersonen, het aanstellen van een vertrouwenspersoon integriteit voor bewindspersonen en een training en bespreking van de gedragscode integriteit bewindspersonen in de ministerraad. Daarnaast komt het kabinet met een reactie op het onderzoeksrapport van professor Braun naar de mogelijke invoering van een lobbyregister en met de nota integriteit openbaar bestuur.
Overigens spreekt Transparency International niet alleen het kabinet maar ook nadrukkelijk andere partijen, zoals het parlement en buitenlandse regeringen, aan op stagnatie van integriteitsmaatregelen. Of dit voldoende is naar het oordeel van Transparency International, is dus niet alleen afhankelijk van de maatregelen die genomen worden vanuit het kabinet. Effectief integriteitsbeleid vraagt om voortdurende aandacht en reflectie van alle partijen.
Het kabinet wil corruptie zoveel mogelijk voorkomen en waar corruptie, ondanks alle preventieve maatregelen, toch nog heeft plaatsgevonden, zo effectief mogelijk bestrijden met een goed functionerend repressief anti-corruptiebeleid. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft uw Kamer eind 20222 in dit kader geïnformeerd dat zij op basis van gesprekken met relevante ketenpartners en het maatschappelijk middenveld verkent hoe de huidige integrale, repressieve aanpak van corruptie met additionele maatregelen kan worden versterkt. In het kader van deze verkenning zal bijzondere aandacht uitgaan naar corruptie in relatie tot georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Ook staat het onderwerp corruptie op de agenda van de Ministeriële Commissie Aanpak Ondermijning.
Wat is uw appreciatie aangaande de constatering van Transparency International dat er een wereldwijde stagnatie plaatsvindt in de groei van integriteit in de publieke sector in de afgelopen tien jaar?
Het is betreurenswaardig dat Transparency International constateert dat er wereldwijd stagnatie plaatsvindt in de groei van integriteit in de publieke sector. Een sterke publieke integriteit draagt bij aan het vertrouwen van burgers in de overheid en daarmee aan het welzijn van een land en dient alleen daarom al te worden bewaakt. Om andere landen te steunen met het verbeteren van hun corruptie-aanpak draagt Nederland onder andere via de jaarlijkse rechtsstaatrapporten van de Europese Commissie bij aan het uitwisselen van best practices. Ook nemen het Ministerie van BZK en JenV actief deel aan diverse internationale anti-corruptie en integriteitsnetwerken, zoals GRECO van de Raad van Europa en de Working Group on Bribery van de OESO. Deze netwerken zetten een internationale standaard voor integriteit- en anti-corruptiebeleid en zien toe op de naleving van deze standaard in de nationale context. In dit kader leert Nederland ook van de ervaringen in andere landen.
Ik vind het uitermate belangrijk dat er op internationaal niveau belangstelling voor het onderwerp integriteit is en blijft. Dit draagt bij aan de ontwikkeling en de verbetering van het integriteitsbeleid in de publieke sector.
Wat gaat Nederland in 2023 doen om, naast het verbeteren van haar eigen integriteitscijfers, bij te dragen aan het verbeteren van de integriteitscijfers van mede EU-lidstaten en van de EU zelf?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8. Nederland moedigt de EU aan om de transparantie en publieke integriteit te versterken van zowel de EU-instituten als die van de lidstaten, waar optreden op EU-niveau is gerechtvaardigd.
Het kabinet is van mening dat de EU nog meer kan optreden om in de hele EU tot effectieve anti-corruptiebestrijding te komen, inclusief wanneer het aankomt op de begroting van de Unie. Sinds 1 januari 2021 is de verordening betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting (MFK-rechtstaatverordening) van kracht, waarmee een koppeling wordt gelegd tussen de ontvangst van middelen uit de EU-begroting en de eerbieding van de beginselen van de rechtstaat. Ook vindt Nederland het van belang dat instanties als het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) over voldoende middelen beschikken om hun taken goed uit te voeren. Nederland blijft daarnaast lidstaten oproepen om zich aan te sluiten bij het EOM, voor diegenen die dit nog niet hebben gedaan.
Wat is uw lezing van de constatering van Transparency dat juist rijke westerse landen met een goede reputatie ideaal zijn om private winsten uit corruptie, oorlog of misdaad wit te wassen? Hoe verhoudt deze constatering van Transparency zich tot het huidige Nederlandse witwasklimaat?
Het kabinet vindt het van groot belang dat witwassen op een effectieve wijze wordt tegengaan. Zo wil het kabinet ervoor zorgen dat er in Nederland een ongunstig witwasklimaat is. Een effectieve aanpak van witwassen houdt onder andere in dat de meeste inzet en aandacht uitgaat naar het aanpakken van de grootste witwasrisico’s. In Nederland zijn fraude en aan drugs gerelateerde strafbare feiten naar schatting verantwoordelijk voor meer dan 90% van alle misdaadgelden. Het kabinet wil voorkomen dat dergelijke misdaadgelden worden witgewassen. De afgelopen periode is in meerdere onderzoeken geconstateerd dat de aanpak van witwassen in Nederland een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en de basis goed op orde is. Zo beoordeelt de Financial Action Taskforce (FATF) de Nederlandse aanpak van witwassen als robuust. Het kabinet ziet echter op een aantal terreinen mogelijkheden voor verdere verbeteringen. De prioriteiten hiervoor staan beschreven in de beleidsagenda voor de aanpak van witwassen, die op 25 september 2022 met uw Kamer is gedeeld.
Tot slot; op welke plaats wil het kabinet volgend jaar staan op de index?
Het kabinet blijft inzetten op effectieve versterking van integriteits- en anti-corruptiebeleid in Nederland, om zo de rechtsstaat en het vertrouwen daarin te waarborgen. Het kabinet vertrouwt erop dat die inzet zich ook volgend jaar zal vertalen in een hoge plaats op de index.
Kunt u deze vragen één voor één binnen drie weken beantwoorden en aan de Kamer doen toekomen?
Door benodigde interdepartementale afstemming heeft de beantwoording meer tijd in beslag genomen.
Het bericht 'Meerderheid boeren wil sloten dempen' |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het bericht «Meerderheid boeren wil sloten dempen»?1
Ja.
Op welke wijze houdt de overheid overzicht van de bestaande sloten?
De overheid houdt zicht op bestaande sloten en waterlopen via de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). De verantwoordelijkheid voor het bijhouden van deze informatie ligt bij de bronhouders van de BGT. De bronhouders die verantwoordelijk zijn voor een overzicht van sloten in de BGT zijn voornamelijk de waterschappen, gemeenten, provincies en voor een klein percentage het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zijn in overleg met de BGT-bronhouders om te kijken hoe met een gezamenlijke aanpak de actuele situatie van sloten in de BGT kan worden verbeterd. Dit in verband met het ook goed kunnen intekenen van de bufferstroken door RVO.
Is het dempen van sloten vergunningplichtig?
Wie een sloot wil dempen, heeft toestemming nodig van het waterschap. Elk waterschap heeft hiervoor regels. Over het algemeen geldt de voorwaarde dat de hoeveelheid oppervlaktewater behouden moet blijven. De waterschappen benadrukken dat een sloot niet zomaar gedempt mag worden.2 Sloten zijn onderdeel van een watersysteem en ze hebben daarin vaak meerdere functies. Denk aan de aanvoer, opslag en afvoer van water. Ook dragen ze bij aan de waterkwaliteit en ecologie.
In geval van droge sloten hebben de meeste waterschappen hier geen regelgeving voor. Ik ben hierover in gesprek met de waterschappen om hier aandacht voor te vragen.
Het is dan ook van belang dat landbouwers altijd eerst in overleg treden met het desbetreffende waterschap om toestemming te vragen voor het dempen van een sloot, omdat een demping wel een verandering in de waterhuishouding tot gevolg heeft. De individuele waterschappen verstrekken veel informatie omtrent de betreffende regelgeving op hun websites.
Bijna twee op de drie van de stemmers in de poll zegt sloten te willen dempen, erkent u dat het dempen van sloten negatieve gevolgen kan hebben voor de biodiversiteit?
Ja. Sloten vervullen een belangrijke functie voor de biodiversiteit, omdat zij een grote bijdrage kunnen leveren aan de natte dooradering van het landschap. In dat kader is het dempen van sloten niet wenselijk en in veel gevallen ook niet mogelijk. Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 3. Via ecologisch slootbeheer en randenbeheer kan de biodiversiteit nog verder gestimuleerd worden, zeker in die gebieden waar de waterkwaliteit onder druk staat en de biodiversiteit in de knel komt.
Erkent u dat sloten bijdragen aan een robuuster landbouwsysteem, bijvoorbeeld door weerbaarder te zijn tegen klimaateffecten, zoals zware regenval?
Ja. Sloten vervullen inderdaad een belangrijke rol in het weerbaarder maken tegen weersextremen. In geval van piekbuien kunnen zowel de bodem van percelen als de sloten tussen percelen als wateropvang fungeren. Sloten en greppels dragen in dat geval bij aan het goed beheer van landbouwpercelen, omdat deze voorkomen dat grote plassen op het land blijven staan.
Met het oog op de droogte in recente jaren is onderzocht dat het dempen van enkele sloten in de hoge zandgronden bij zou kunnen dragen aan de bestrijding van droogte. Dit heeft een positief effect op het aanwezige grondwater in de regio wat weer positieve gevolgen kan hebben voor zowel de landbouw als de aanwezige natuur rondom percelen.
De bijdrage van sloten aan het landbouwsysteem zal dus verschillen per gebied.
Klopt het dat middels deze handelingen de natuur- en stikstofdoelen in het geding worden gebracht?
Zoals aangegeven in vraag 3 mag een sloot niet zomaar gedempt worden en moet dit altijd gebeuren in overleg met de waterschappen.
De natuurdoelen zijn gebaat bij randenbeheer en ecologisch slootbeheer.
In het voorkomende geval een sloot toch gedempt wordt, zal dit geen eenduidige betekenis hebben voor de stikstofdepositie. Enerzijds zal door het dempen van een sloot de mestplaatsingsruimte toenemen en als gevolg daarvan ook de stikstofdepositie. Anderzijds kan een dergelijke actie tot gevolg hebben dat de oppervlakte van het perceel en daarmee de breedte van de bufferstrook (4% staffel) toeneemt wat een afname van de mestplaatsingsruimte en stikstofdepositie veroorzaakt. Ook in het geval van het graven van een vervangend oppervlaktewater kan de mestplaatsingsruimte en de stikstofdepositie door deze actie afnemen.
Welke maatregelen zal u nemen om ervoor te zorgen dat de doelen behaald worden en dat de aanwezigheid van deze essentiële waterwegen zal worden geborgd?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 3. De aanwezigheid van sloten en andersoortige waterlopen is geborgd in de regelgeving van de verschillende waterschappen. Zij houden toezicht op de aanwezigheid van watergangen. In het geval iemand iets wil veranderen aan deze watergangen (bijvoorbeeld het dempen van sloten) is er toestemming nodig.
In het huidige Nationaal Strategisch Plan heb ik extra middelen beschikbaar gesteld voor uitbreiding van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) van € 120 miljoen per jaar. Dit kan, afhankelijk van de pakketten die de provincie aanbiedt, besteed worden aan pakketten voor ecologisch slootbeheer. Daarnaast past ecologisch slootbeheer als maatregel bij verschillende doelen in het Nationaal Plan Landelijk Gebied (NPLG), zoals de doelen ten aanzien van waterkwaliteit en natuur. Provincies kunnen ecologisch slootbeheer opnemen in de gebiedsprogramma’s.
Bent u bereid om met waterschappen en provincies een moratorium op het dempen van sloten af te spreken?
De waterschappen zijn zelfstandige bestuursorganen die verantwoordelijkheid dragen voor het slootbeheer. Zoals aangegeven in vraag 3 moet er toestemming gevraagd worden aan een waterschap voor het dempen van een sloot. Ik ben wel hierover in contact met de waterschappen om extra aandacht te vragen. Op 7 februari jl. is hierover vanuit de Unie van Waterschappen een persbericht verschenen,3 waarin nogmaals is benadrukt dat sloten niet zomaar gedempt mogen worden en dat hiervoor altijd overleg nodig is met het desbetreffende waterschap. Dit waterschap kan dan beslissen of een verzoek tot demping gehonoreerd wordt.
Kunt u deze vragen uiterlijk volgende week beantwoord hebben om te voorkomen dat er stappen worden gezet die potentieel teruggedraaid moeten worden?
Helaas is dit niet gelukt, maar gezien het antwoord op vraag 3 en vraag 8 zijn er geen stappen die teruggedraaid hoeven te worden.
Het kamerterkort voor studenten naar aanleiding van recente uitzendingen van Pointer en Spraakmakers |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitzending van Pointer van zondagavond 22 januari 2023 over het kamertekort voor studenten en bent u bekend met de uitzending van Spraakmakers van maandagochtend 23 januari over studentenhuisvesting?
Ja
Bent u bekend met de monitor Mentale Gezondheid en Middelengebruik Studenten Hoger Onderwijs van Trimbos waaruit blijkt dat 80% van de studenten eenzaamheid ervaart en 29% van die studenten zelfs sterke eenzaamheid ervaart?
Ja. Op kamers gaan is belangrijk voor sociale ontwikkeling van studenten. In opdracht van BZK is afgelopen jaar voor het eerst de invloed van het soort huisvesting op het welzijn van de student in de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting (LMS) onderzocht. Opvallend is dat wonen op kamers, waar studenten voorzieningen als de keuken en woonkamer delen, goed is voor het welzijn van Nederlandse studenten. Het is dan wel belangrijk dat studenten een goede band hebben met hun huisgenoten.
Bent u het met ons eens dat, gezien deze eenzaamheidsklachten, het goed is als studenten de keuze hebben om op kamers te wonen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat er voor zelfstandige eenheden (studio’s) huurtoeslag aangevraagd kan worden en voor onzelfstandige eenheden (kamers) niet?
Dat klopt.
Klopt het dat er hierdoor mogelijk onnodig veel zelfstandige eenheden worden aangeboden? Klopt het dat het aanbieden van onzelfstandige eenheden hierdoor minder aantrekkelijk is?
Er worden niet onnodig zelfstandige eenheden aangeboden, immers is er een groot tekort aan huisvesting, ook studentenhuisvesting. Er worden nog steeds veel onzelfstandige woning aangeboden. We hebben wel signalen ontvangen dat het rendement bij nieuwbouw van onzelfstandige eenheden laag is omdat er een lagere prijs gevraagd kan worden dan bij een zelfstandige woning met huurtoeslag. Ik bezie daarom het woningwaarderingsstelsel voor onzelfstandige eenheden (WWSO), zoals ik verder toelicht bij antwoord op vraag 8.
Klopt het dat er op dit moment vrijwel geen kamers gebouwd worden, bestaande kamers getransformeerd worden naar studio’s en er zelfs een krimp in de voorraad onzelfstandige eenheden wordt verwacht?
Het doel van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting dat wij afgelopen september getekend hebben is het uitbreiden van 60.000 betaalbare studentenwoningen. Dit doen we door nieuwe woningen te bouwen en door het beter benutten van de bestaande voorraad. Ook flexwoningen en transformatie, als onderdeel van nieuwbouw, kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de oplossing van het tekort aan studentenhuisvesting. Bovendien kijken we hoe we grip krijgen op internationale studenten. Ik zie bij alle partijen (huisvesters, onderwijs, studenten en gemeenten) die het plan hebben getekend een enorme drive om de doelstellingen te realiseren. Van de partijen krijgen we wel signalen dat het meer rendabel is om studio’s te bouwen dan onzelfstandige wooneenheden en dat er mogelijk sprake is van krimp van onzelfstandige eenheden. Daar ben ik met partijen over in gesprek. Bij nieuwbouw worden lokaal en regionaal afspraken gemaakt welke woningen, zelfstandig en onzelfstandig, er gebouwd worden.
Wat gaat u op de korte termijn doen om de krimp van de voorraad onzelfstandige eenheden te stoppen?
Zie ook antwoord 6 en 8. Aanvullend daarop is een studentenhuisvestingregisseur aan de slag die de bouw van studentenwoningen, zelfstandig en onzelfstandig, op de lokale en regionale tafels aanjaagt. Dit was ook één van de actiepunten uit het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting.
Gaat de modernisering van het woningwaarderingsstelsel (WWS) voor onzelfstandige woonruimten (WWSO) bijdragen aan de stimulering van de bouw van nieuwe onzelfstandige eenheden? Zo nee, hoe gaat de Minister er dan voor zorgen dat het aantal kamers weer zal toenemen zoals afgesproken is in het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting?
Op 4 november 20221 heb ik uw Kamer het rapport Verkenning mogelijke effecten aanpassen WWSO aangeboden. Uit het onderzoek blijkt dat de business case voor nieuwbouw van onzelfstandige woonruimte met de modernisering van het WWSO zou verbeteren, maar dat het nog niet volledig rendabel is. In deze brief heb ik aangegeven dat ik concludeer dat de modernisering van het WWSO een stap is in de goede richting ten behoeve van het stimuleren van onzelfstandige woonruimte, maar dat het op zichzelf nog niet voldoende is. Daarom werk ik met de partners van het Landelijk actieplan studentenhuisvesting aan andere maatregelen die het aanbod van onzelfstandige woonruimte kunnen vergroten. Ik streef ernaar uw Kamer rond de zomer van 2023 een nieuw voorstel voor het WWSO aan te kunnen bieden.
Ziet u in dat gezien de woningnood kamers met een gemiddeld kleiner ruimtebeslag ook kunnen helpen daarvoor een oplossing te bieden, wonen in studio’s vergt immers veelal meer ruimte?
Dat klopt, dit is een reden waarom ook gemeenten onzelfstandige woningen willen bouwen. En zoals ook aangegeven in antwoord 6 kijken we voor de oplossingen ook naar bijvoorbeeld flexwoningen en transformatie, als onderdeel van nieuwbouw.
De berichtgeving in diverse media betreffende het potentieel sluiten van hertenkampen |
|
Erik Haverkort (VVD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Herkent u de zorgen die leven in de samenleving over het mogelijk sluiten van hertenkampen in Nederland?
Ik ben mij zeer bewust van de zorgen die er leven over het sluiten van hertenkampen in Nederland en ik begrijp dat veel mensen plezier beleven aan het bezoeken van een hertenkamp. Ik kan mij voorstellen dat het feit dat het damhert en edelhert niet op de huis- en hobbydierenlijst staan op onbegrip stuit in de samenleving. Daarom wil ik benadrukken dat het toekomstige verbod op het houden van damherten en edelherten niet op zichzelf staat, maar voortvloeit uit de huis-en hobbydierenlijst die ik verplicht ben op te stellen op basis van de Wet dieren. Deze lijst is opgesteld op basis van objectieve criteria, door een college van daartoe aangewezen deskundigen. Daarom vind ik het ook belangrijk te benoemen dat deze lijst – als nieuwe wetenschappelijke inzichten daartoe aanleiding geven – aangepast kan worden.
Kunt u aangeven hoeveel hertenkampen er precies zijn, welke tot nationaal erfgoed behoren en welke Rijksmonument zijn? Kunt u eveneens aangeven hoeveel damherten er in deze hertenkampen staan? Kunt u aangeven welke dieren er naast damherten nog meer voorkomen in hertenkampen?
Er bestaat geen aanwijsbare categorie «nationaal erfgoed». Wel kan ik aangeven welke hertenkampen op basis van de Erfgoedwet de status van Rijksmonument kennen. Dit zijn er 25. De meeste van deze rijksbeschermde hertenkampen zijn onderdeel van een historische buitenplaats. Enkele zijn onderdeel van een stadspark. De bescherming op grond van de Erfgoedwet betreft de aanleg en de opstallen, zoals hekken, hertenhuisjes en andere elementen.
De van rijkswege beschermde hertenkampen zijn niet de enige hertenkampen van cultuurhistorische waarde. Er zijn ook hertenkampen die zijn beschermd door gemeenten, via gemeentelijke verordeningen of via het bestemmingsplan. In een overzicht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed staan 252 hertenkampen, waarvan de meeste zich bevinden in woonwijken en op buitenplaatsen.
De meeste hertenkampen die nog als zodanig in gebruik zijn (rijksbeschermd of niet), zijn bevolkt met damherten, maar er zijn ook hertenkampen met edelherten bekend. Ik beschik niet over de aantallen damherten die in de rijksbeschermde hertenkampen staan. Ik beschik ook niet over gegevens over welke dieren naast damherten en edelherten voorkomen in hertenkampen.
Kunt u aangeven welke consequenties de invoering van de huis- en hobbydierenlijst gaat hebben voor de hertenkampen in Nederland? Kunt u daarbij ook concreet ingaan op hertenkampen die behoren tot nationaal erfgoed of de monumentale status hebben?
De invoering van de huis- en hobbydierenlijst heeft als gevolg dat vanaf 1 januari 2024 het damhert en het Midden-Europees edelhert niet meer gehouden mogen worden. Voor de herten die op dat moment al worden gehouden geldt een overgangsrecht. Deze herten mogen worden gehouden totdat zij overlijden. Dit geldt ook voor de jongen waarvan de herten op dat moment drachtig zijn. Op de langere termijn betekent dit dat er geen herten meer worden gehouden in hertenkampen.
Op basis van de Erfgoedwet of op grond van andere regelingen (bijvoorbeeld gemeentelijke verordeningen of bestemmingsplannen) is alleen het aangelegde terrein en/of de bijbehorende historische opstallen beschermd. Het verdwijnen van de herten uit de hertenkampen, zal geen aanleiding zijn om de van rijkswege beschermde hertenkampen van de rijksmonumentenlijst te halen. De herten in de hertenkampen dragen weliswaar bij aan de beleveniswaarde van dit erfgoed, maar vormen geen onderdeel van de rijksbescherming. Er staan op de rijksmonumentenlijst immers ook schaapskooien waar geen schapen meer verblijven, of koetshuizen zonder koetsen of paarden. Het is niet bekend welke keuze gemeenten zullen maken.
Is er bij het tot stand komen van de huis- en hobbydierenlijst overleg geweest met vertegenwoordigers van hertenkampen, zoals de Nederlandse Vereniging van Hertenhouders?
In 2015 is de eerste lijst vastgesteld. Bij de totstandkoming van de lijst in 2015 was er meer ruimte voor het meewegen van onder andere kennis en kunde van de houder. In 2017 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) geoordeeld over de wijze waarop diersoorten werden beoordeeld voor plaatsing op de lijst. Het CBb oordeelde destijds dat de besluitvorming niet voldeed aan het Europeesrechtelijke vereiste van wetenschappelijke objectiviteit en dat niet was voldaan aan de beginselen van deskundigheid en transparantie. Deze beginselen zijn bij de totstandkoming van de nieuwe lijst nadrukkelijk als uitgangspunt genomen.
Dat had tot gevolg dat er geen ruimte was om tijdens de totstandkoming van de huis- en hobbydierenlijst de lijst inhoudelijk af te stemmen met vertegenwoordigers van hertenkampen, het ging immers om een objectieve wetenschappelijke beoordeling en niet om een beleidsmatige afweging. Wel is mijn ministerie in goed contact met onder andere de Nederlandse Vereniging van Hertenhouders sinds het openbaar worden van de voorgenomen lijst.
Kunt u nogmaals uitleggen hoe het uitfaseren van damherten in hertenkampen er vanaf 1 januari 2024 in de praktijk uit gaat zien? Eén van de genoemde zorgen bij beheerders van hertenkampen is dat, om nakomelingen te voorkomen, castratie van hertenbokken verplicht zal worden, zijn deze zorgen terecht? Zo nee, op welke manier wilt u voorkomen dat nieuwe hertenkalfjes geboren worden na 1 januari 2024? Kunt u bevestigen, gezien het feit dat de huis- en hobbydierenlijst wordt gepresenteerd als een dynamische lijst waarbij de afwegingen op basis van wetenschap worden gemaakt, dat wanneer derden met overtuigende wetenschappelijke argumenten komen het mogelijk moet zijn om de lijst zoals opgesteld door het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst aan te passen, zodat bijvoorbeeld het damhert alsnog kan worden toegevoegd aan de lijst?
Vanaf het moment dat de lijst in werking is getreden, is het verboden om zoogdiersoorten die niet op de lijst staan te houden. Dit geldt dus voor de damherten en edelherten in hertenkampen. Er zal echter overgangsrecht worden vastgesteld. Hertenkampen mogen de herten die ze op het moment van inwerkingtreding van de lijst al hebben, houden totdat de dieren overlijden. Dit geldt ook voor de jongen waarvan de herten drachtig zijn op het moment dat de lijst in werking treedt. De dieren die op deze manier uitgezonderd zijn van de huis- en hobbydierenlijst, mogen nog verhandeld worden. Nieuwe dieren uit het buitenland mogen na inwerkingtreding van de lijst niet in Nederland worden gehouden.
Hertenkampen bepalen zelf op welke manier zij ervoor zorgen dat dieren niet meer drachtig worden vanaf het moment dat de lijst in werking treedt.
Zodra de huis- en hobbydierenlijst is vastgesteld, is het in de eerste zes weken mogelijk om tegen het vaststellingsbesluit bezwaar te maken. Na deze zes weken wordt het mogelijk om een verzoek tot wijziging van de lijst in te dienen. Het kan zijn dat het bezwaar of het verzoek tot wijziging aanleiding geeft tot een herbeoordeling. Het is mogelijk dat op basis van deze herbeoordeling dieren worden toegevoegd aan de lijst of worden verwijderd van de lijst.
Het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst heeft voor haar wetenschappelijke beoordeling gekeken naar het welzijn voor het dier en naar de veiligheid voor de mens, zijn er naast deze twee punten nog andere overwegingen denkbaar die kunnen leiden tot voortschrijdend wetenschappelijk inzicht? Zo ja, welke overwegingen zijn dat?
Het aanwijzen van dieren voor de huis- en hobbydierenlijst moet gebeuren op
basis van objectieve en niet-discriminatoire criteria. Dit volgt uit rechtspraak van
het Hof van Justitie van de EU van 2008.1 De Tweede Kamer heeft in 2020 het
toetsingskader ontvangen dat is gebruikt voor het samenstellen van de nieuwe
lijst (Kamerstuk 28 286, nr. 1085). Dit toetsingskader is ontwikkeld door de
Wetenschappelijke adviescommissie positieflijst, bestaande uit onafhankelijke
wetenschappers, en gaat uit van risicofactoren voor dierenwelzijn en gevaar voor
de mens.
Ik volg het advies van het adviescollege op en zie op dit moment geen andere overwegingen die kunnen leiden tot voortschrijdend wetenschappelijk inzicht.
Geldt uw beleidslijn zoals weergegeven in de Kamerbrief van 19 januari 2023 in reactie op de motie van de leden Van der Plas en Van Campen (Kamerstuk 28 286, nr. 1282) over een objectieve wetenschappelijke toets van de dromedaris door het Adviescollege als algemene beleidslijn en kan deze beleidslijn ook voor andere diersoorten, zoals het damhert worden gevolgd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze kunnen derden nieuwe wetenschappelijke argumenten aandragen voor een eventuele objectieve toets van de huis- en hobbydierenlijst?1
In de genoemde Kamerbrief licht ik toe hoe ik de motie van de leden Van der Plas en Van Campen uitvoer, dit is geen nieuwe of algemene beleidslijn. Op het moment dat de lijst is verankerd in wet- en regelgeving, is het in de eerste zes weken mogelijk om tegen het vaststellingsbesluit bezwaar te maken. Na deze zes weken wordt het mogelijk om een verzoek tot wijziging van de lijst in te dienen, via www.rvo.nl/huisdierenlijst. Het kan zijn dat het bezwaar of het verzoek tot wijziging aanleiding geeft tot een herbeoordeling. Het is mogelijk dat op basis van deze herbeoordeling dieren worden toegevoegd aan de lijst of worden verwijderd van de lijst.
Kunt u een overzicht geven van de wetenschappelijke literatuur die is gebruikt door het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst voor de beoordeling van het damhert?
De beoordeling van het damhert kun u vinden in het document «Beoordelingen van de zoogdiersoorten», op www.rvo.nl/huisdierenlijst. Op pagina 471 en 472 van dit document vindt u de literatuurlijst die bij de beoordeling van het damhert hoort.
Kunt u er zorg voor dragen dat bovenstaande vragen nog voor het tweeminutendebat Dierenwelzijn buiten de veehouderij beantwoord worden?
Ja
De wettelijke belemmeringen voor het koppelen van bovenleidingen aan laadpunten voor elektrisch vervoer |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de mogelijkheden om bovenleidingen van trams, treinen en trolleybussen te koppelen aan laadpunten voor elektrisch vervoer en zo het elektriciteitsnet te ontlasten?1
Ja.
Hoe waardeert u deze mogelijkheden?
De inzet van bovenleidingen van openbaarvervoersbedrijven voor transport naar derden is complex omdat de desbetreffende leidingen geen duidelijke kwalificatie kennen binnen het Europees-wettelijke kader. Aan al het transport van elektriciteit zijn op Europees niveau echter eisen gesteld. Ook eventueel transport van elektriciteit over bovenleidingen aan derden moet passen binnen deze eisen. De afgelopen jaren heeft mijn departement gesprekken gevoerd over dit onderwerp met vertegenwoordigers uit de openbaarvervoerssector. Daarbij is door mijn departement geadviseerd om te onderzoeken of deze leidingstelsels gekwalificeerd zouden kunnen worden als zogenaamde «gesloten distributiesystemen» (GDS). De desbetreffende bedrijven zouden daarvoor een ontheffing moeten aanvragen bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM). De Energiewetgeving biedt hier juist ruimte voor. Binnen deze kaders kunnen allerlei technische mogelijkheden worden uitgewerkt, waaronder levering en transport van elektriciteit aan derden. Ook kan daarmee het elektriciteitsnet in beperkte mate worden ontlast. Daarbij merk ik op dat inzet van bovenleidingen voor transport van elektriciteit naar derden niet vanzelfsprekend leidt tot verminderde netcongestie en dat dit afhankelijk is van de lokale context.
Deelt u de analyse dat de technische mogelijkheden er zijn, maar dat de energiewetgeving in de weg staat?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn eventuele nadelen en bezwaren ten aanzien van het aanwijzen van vervoerders als energieleveranciers?
Het lijkt me goed om onderscheid te maken tussen het enkel beschkibaar stellen van bovenleidingen en het daadwerkelijk leveren (verkopen) aan eindafnemers.
Het inzetten van de beschikbare transportcapaciteit van het stelsel van bovenleiding kan zeker een bijdrage leveren aan het effciënter gebruik maken van het elektriciteitssysteem. Het is hierbij wel van belang om helder te hebben of er door hogere belasting van het electriciteitsnet buiten de gebruikelijke piek van het OV geen nieuwe knelpunten ontstaan en wat de lange termijn impact is op de levensduur van het elektriciteitsnet en stelsel van bovenleidingen.
Een geheel ander onderwerp is het leveren (verkopen) van energie. Bedrijven die energie willen leveren aan kleinverbruikers, hebben een leveranciersvergunning nodig. Het staat partijen, en dus ook een OV(infra)bedrijf, vrij om deze commerciële afweging te maken en hiervoor een aanvraag voor in te dienen bij de ACM.
Partijen aangesloten op een GDS dienen, net als partijen aangesloten op het net van een regionale netbeheerder, een eigen leverancier te contracteren.
Bent u voornemens in overleg met vervoerders, netbeheerders en andere betrokken partijen te bezien of en hoe genoemde mogelijkheden benut kunnen worden?
Ja. Deze gesprekken lopen. Het Ministerie van EZK heeft geadviseerd om te onderzoeken of deze leidingstelsels gekwalificeerd zouden kunnen worden als zogenaamde «gesloten distributiesystemen». Als de betrokken partijen behoefte hebben aan nader overleg, dan sta ik daar natuurlijk voor open.
Bent u voornemens vervoerders de mogelijkheid te geven om energie te verkopen aan derden en de Elektriciteitswet en/of andere wetgeving hierop aan te passen?
Zoals hierboven aangegeven is het niet nodig hier wetgeving voor aan te passen.
Het bericht 'Zelfbenoemde salafistenpolitie zaait angst in moskeeën: moslims met ‘verkeerd geloof’ aan schandpaal genageld; AIVD en NCTV waarschuwen: salafistische aanjagers worden steeds grover en mondiger' |
|
Bente Becker (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Zelfbenoemde salafistenpolitie zaait angst in moskeeën: moslims met «verkeerd geloof» aan schandpaal genageld; AIVD en NCTV waarschuwen: salafistische aanjagers worden steeds grover en mondiger»?1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Deelt u de mening dat het fenomeen «salafistenpolitie» de integratie van de moslimgemeenschap tegenwerkt en bovendien een parallelle samenleving lijkt te bevorderen? Bent u het voorts met de stelling eens dat dit fenomeen om die redenen stevig aangepakt moet worden?
Het kabinet staat er pal voor dat eenieder in Nederland in vrijheid, binnen de kaders van de rechtstaat, met elkaar kan samenleven. De vrijheid van religie is verankerd in onze Grondwet. Dat betekent dat iedereen in vrijheid zijn of haar religie of levensovertuiging moet kunnen belijden zoals hij of zij dat wil. Het is in strijd met de beginselen van de Nederlandse democratische rechtsstaat wanneer mensen anderen bedreigen en dwingen tot een specifieke beleving en uiting van hun religie. Uitingen en gedragingen als het zaaien van angst en bedreiging worden niet getolereerd. De overheid (lokaal en landelijk) heeft hier de taak om dergelijk gedrag te signaleren en mensen in een kwetsbare positie te ondersteunen. Indien er sprake is van strafbare feiten is het aan het Openbaar Ministerie om hiertegen op te treden.
De door de Telegraaf gehanteerde term «salafistenpolitie» herken ik niet. Wel ben ik bekend met het fenomeen dat een aantal individuen, zogenaamde salafistische aanjagers, antidemocratische, intolerante en onverdraagzame uitingen doen over moslims en niet-moslims. De NCTV heeft de problematische gedragingen binnen het salafisme de afgelopen jaren vaker geduid, waaronder in meerdere Dreigingsbeelden Terrorisme Nederland. Deze antidemocratische, intolerante en onverdraagzame uitingen en gedragingen acht ik zeer onwenselijk.
Voor de volledigheid wil ik aantekenen dat «salafistenpolitie» bij een strikte definitie zou kunnen duiden op een organisatie met bevoegdheden die belast is met onder andere handhavende taken, dit is niet aan de orde.
Klopt het dat de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) al langer waarschuwt voor salafistische predikers van tweede en derde generatie? Wat kan de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten bijdragen aan de aanpak? Wanneer ontvangt de Kamer de nota naar aanleiding van het verslag? Wat kan de NCTV nu niet, in afwachting van de nota van wijziging bij het wetsvoorstel grondslag gegevensverwerking NCTV? Wanneer wordt deze nota van wijziging ingediend?
Er is al langer zorg over de rol van salafistische aanjagers. De NCTV heeft problematische gedragingen binnen het salafisme in de vorm van antidemocratische, intolerante en onverdraagzame elementen de afgelopen jaren vaker geduid, waaronder in meerdere Dreigingsbeelden Terrorisme Nederland. Zoals beschreven in het laatste Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 572 gaat de zorg uit naar een kleine groep individuen, salafistische aanjagers binnen de beweging, die zowel online als offline aansporen tot antidemocratische, intolerante of onverdraagzame uitingen en/of gedragingen. Deze problematische gedragingen zouden, naast grote druk op individuen, op termijn kunnen leiden tot polarisatie in de samenleving en ondermijning van de democratische rechtsorde: de verhoudingen in de samenleving tussen burgers en overheid en tussen burgers onderling.
Daarnaast staat in Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 57 dat de nieuwe generatie salafistische predikers in Nederland een meer pragmatische opstelling laat zien. Het is voorlopig onduidelijk welke gevolgen deze koerswijziging heeft voor de dreiging van ondermijning van de democratische rechtsorde door problematisch gedrag vanuit het salafistisch gedachtegoed.
Ten behoeve van de Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering, alsmede op verzoek van lokale overheden, verstrekte de NCTV duidingen over individuele personen, ook over salafistische aanjagers. Hierbij werd ook geput uit gegevens die het monitoren van internet hadden opgeleverd. Met deze activiteit is de NCTV gestopt per april 2021 en deze mogelijkheid komt ook niet meer terug in de nota van wijziging van het wetsvoorstel grondslag gegevensverwerking NCTV.
Voor wat betreft de nota van wijziging wetsvoorstel grondslaggegevensverwerking NCTV, wordt deze zo snel mogelijk aan de Raad van State voorgelegd voor advies. Daarna wordt de nota van wijziging aan de Tweede Kamer aangeboden. Zonder het raadplegen van openbare bronnen, zoals sociale media, kan de NCTV nieuwe ontwikkelingen met relevantie voor de nationale veiligheid niet in een vroeg stadium signaleren en, op basis van die kennis, zijn coördinerende taken met betrekking tot terrorismebestrijding en nationale veiligheid uitvoeren. Dit kan ook effect hebben op bijvoorbeeld de ontwikkeling van beleid en de ondersteuning aan gemeenten door de NCTV. Deze taken en verantwoordelijkheden kunnen nu niet ten volle worden waargemaakt.
Het Wetsvoorstel gegevensverwerking casusoverleggen radicalisering en terroristische activiteiten speelt een rol, wanneer er signalen zijn dat er sprake is van mogelijke radicalisering, gewelddadig extremisme of terrorisme. Deze signalen kunnen via bijvoorbeeld gemeenten of politie worden ingebracht in het multidisciplinaire casusoverleg radicalisering. Dit kan ook als vanuit de salafistische ideologie een uiting doet of gedrag vertoont waar een (gewelddadig) extremistische of terroristische dreiging vanuit gaat.
Is er, vanuit de NCTV, vanuit de politie of vanuit gemeenten continu zicht op dit soort radicale salafisten, waarvan in het Telegraafartikel 4 indiviuen bij naam worden genoemd, en zijn er voldoende mogelijkheden om informatie over radicale uit te wisselen? Hoe groot is de groep radicale salafisten in Nederland?
Zoals in meerdere Dreigingsbeelden Terrorisme Nederland is opgenomen gaan de zorgen over een beperkt aantal individuen die problematisch gedrag vanuit een salafistische ideologie aanjagen. Exacte aantallen zijn niet vast te stellen, maar hun invloed op de islamitische gemeenschap is disproportioneel groot, onder meer door hun dominante aanwezigheid op het internet. De NCTV doet geen onderzoek naar personen die problematisch gedrag vertonen, omdat dit niet de taak is van de NCTV en daar ook geen wettelijke grondslag voor bestaat. Zie voor de bevoegdheden van de NCTV ook het antwoord op vraag 3. Wel vervaardigt de NCTV fenomeenanalyses over fenomenen en hun bredere context in het kader van de nationale veiligheid en het vergroten van de weerbaarheid. In deze fenomeenanalyses worden geen persoonsgegevens verwerkt.
Vanuit de politie is er niet continu zicht op radicale salafisten zoals bedoeld in het krantenartikel, dat is ook niet de taak van de politie. De politie kan onderzoek doen naar personen wanneer zij verdacht worden van het plegen van een strafbaar feit, zoals bijvoorbeeld het zaaien van haat of het aanzetten tot discriminatie en geweld. Het uitwisselen van informatie kan alleen door organisaties indien zij een grondslag hebben voor het ontvangen en verwerken van persoonsgegevens, zoals de politie informatie kan delen op basis van de Wet politiegegevens. Binnen dit kader werken veiligheidspartners als de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst en politie goed met elkaar samen. Indien hier een grondslag en aanleiding voor is, kan er tevens informatie worden gedeeld met gemeenten.
In hoeverre zijn er op dit moment voldoende mogelijkheden voor Nederlandse diensten om signalen over salafistische aanjagers tijdig te delen in Europees verband, bijvoorbeeld via Eurojust en Europol? Acht u het wenselijk dat betrokkenheid van Eurojust en Europol wordt geïntensiveerd bij de aanpak van salafistische aanjagers?
Voor de uitleg over de mogelijkheid om informatie uit te wisselen met Europol, verwijs ik u graag naar het antwoord op uw Kamervragen over het bericht over schietpartij gayclub Oslo van 5 september 2022.3 Samengevat bieden de systemen en platformen bij Europol in beginsel voldoende mogelijkheden tot het snel uitwisselen van informatie over (mogelijk) terrorisme. Alleen als er sprake is van (mogelijk) terrorisme, het uit ideologische motieven plegen van op mensenlevens gericht geweld, dan wel het aanrichten van maatschappij-ontwrichtende zaakschade, met als doel maatschappelijke ondermijning en destabilisatie te bewerkstelligen, de bevolking ernstige vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden, kan er informatie uitgewisseld worden. Indien er signalen over en/of gedragingen van individuele radicale salafistische aanjagers zijn, moet zorgvuldig worden gewogen of deze als terroristisch kunnen worden beschouwd.
Op 28 juni 2022 is de aangepaste Europolverordening in werking getreden. Europols bevoegdheid om grote en complexe datasets te verwerken is daarbij verduidelijkt; dit kan bijdragen aan de effectiviteitonderzoeken die worden uitgevoerd naar terrorisme. Daarnaast is Europols bevoegdheid om data uit te wisselen met private partijen enigszins uitgebreid, bijvoorbeeld om de verspreiding van online content die verband houdt met terrorisme te voorkomen. Er wordt eveneens onderhandeld over aanpassing van de Prüm-verordening en een nieuwe richtlijn over informatie-uitwisseling om informatie-uitwisseling tussen rechtshandhavingsautoriteiten in het kader van het voorkomen, opsporen en onderzoeken van strafbare feiten te versnellen en te verbeteren. Met deze inzet wordt ervoor gezorgd dat ook internationaal alle instrumenten aanwezig zijn om – daar waar nodig – informatie met elkaar uit te kunnen wisselen.
In deze samenwerkingsverbanden is de politie gebonden aan de kaders die de Wet politiegegevens (Wpg) stelt aan informatie-uitwisseling. De Wpg verplicht weliswaar tot het ter beschikking stellen van politiegegevens met andere EU/EER landen, maar staat niet toe dat zachte signalen over personen die zich mogelijk bezig zouden kunnen houden met het beramen of plegen van terroristische misdrijven worden verstrekt aan het buitenland (art. 5:3, lid 8 jo art. 5:1, lid 4 Bpg). Deze personen zijn (nog) geen verdachte. Ook de informatie-uitwisseling met Europol kent deze beperking. De praktijk laat echter zien dat de mogelijkheid om in individuele gevallen met collega-diensten over deze personen te overleggen wenselijk kan zijn. Bijvoorbeeld met buurlanden omdat die personen grensoverschrijdend actief zijn in Nederland en in die buurlanden. Binnen Schengen worden zij namelijk op geen enkele manier gehinderd door grenzen.
Nu de Tweede Kamer heeft ingestemd met de uitvoeringswet Terroristische Online Inhoud en de Autoriteit Online Terroristische en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) operationeel is; welke concrete rol heeft de ATKM in de aanpak van deze online salafistische aanjagers en hoe is deze rol wettelijk verankerd, aangezien u in antwoorden op de vragen van de leden Becker en Rajkowski deze rol benoemt in de aanpak van dit soort online terreur?2
De Autoriteit Online Terroristische en Kinderpornografisch Materiaal zal na aanvaarding van de Uitvoeringswet Terroristische Online inhoud – verordening door Eerste – en Tweede Kamer de taken van bevoegde autoriteit uit deze verordening gaan uitvoeren. De autoriteit zal rond de zomer operationeel zijn. Deze verordening kent een strikte doelbinding gericht op het tegengaan van verspreiding van terroristische online-inhoud. Met oprichting van de Autoriteit Online Terroristische en Kinderpornografisch Materiaal wordt het mogelijk om op te treden tegen terroristische online content in de zin van de verordening. Deze autoriteit bezit geen opsporingsbevoegdheden. Dit betekent concreet dat zij op kunnen treden tegen salafistische aanjagers als hun online uitingen een terroristisch karakter hebben. Het is aan het Openbaar Ministerie om te besluiten welke uitingen hieronder vallen en of personen strafrechtelijk onderzocht en eventueel strafrechtelijk vervolgd moeten worden.
Ter bevordering van de coördinatie van de te nemen maatregelen overlegt de Autoriteit Online Terroristische en Kinderpornografisch Materiaal over de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden met de politie, het Openbaar Ministerie, de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (op grond van artikel 8 van de Uitvoeringswet Terroristische Online inhoud-verordening). De Autoriteit Online Terroristische en Kinderpornografisch Materiaal kan een verwijderingsbevel uitvaardigen ten aanzien van terroristische online-inhoud en aanbieders van hostingdiensten middels een blootstellingsbesluit verplichten specifieke maatregelen te treffen.
Wanneer kwalificeren salafistische uitingen als terroristisch? Vallen andere extremistische dan wel antidemocratische salafistische uitingen niet onder de reikwijdte van de ATKM? Zo nee, wat zijn de mogelijkheden om dit soort uitingen aan te pakken?
Zoals reeds aangegeven vind ik antidemocratische, intolerante en onverdraagzame uitingen absoluut onwenselijk. Een uiting kan als terroristisch worden gekwalificeerd wanneer deze vanuit van een ideologisch motief oproept tot het plegen van op mensenlevens gericht geweld, dan wel het aanrichten van maatschappij-ontwrichtende zaakschade, met als doel maatschappelijke ontwrichting en destabilisatie te bewerkstelligen, de bevolking ernstige vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden.
Alleen uitingen die dermate ernstig zijn dat deze onder de definitie van terroristische content geschaard kunnen worden, vallen onder de bevoegdheid van de Autoriteit Online Terroristische en Kinderpornografisch Materiaal. Wat wordt gedefinieerd als terroristische inhoud staat omschreven in de Terroristische Online Inhoud-verordening, waarvoor wordt verwezen naar Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6). Het gaat daarbij kort gezegd om materiaal dat direct of indirect aanzet tot het plegen van terroristische misdrijven (bijvoorbeeld verheerlijking), anderen aanspoort om terroristische misdrijven te plegen of daaraan een bijdrage te leveren, anderen aanspoort deel te nemen aan de activiteiten van een terroristische groepering, instructies biedt voor het maken of gebruiken van explosieven of andere wapens, met als doel een terroristisch misdrijf te plegen of daaraan een bijdrage te leveren of een dreiging vormt om een terroristisch misdrijf te plegen.
Extremistische en/of antidemocratische, intolerante danwel onverdraagzame salafistische uitingen die niet als terroristisch te kwalificeren zijn, kunnen niet door deze autoriteit worden opgepakt. Wel deelt het kabinet de zorg over de online verspreiding van extremistische en/of antidemocratische, intolerante danwel onverdraagzame uitingen, salafistisch of anderszins, en het schadelijke effect dat dergelijke uitingen op termijn kunnen hebben op onze democratische rechtsorde. Ik heb onder andere in de brief van 23 februari jl. naar aanleiding van het verzoek van de vaste commissie Justitie en Veiligheid, toegezegd een strategie voor de aanpak van online radicalisering aan uw Kamer te sturen, waarin ook wordt ingegaan op het online handelingsperspectief ten aanzien van dit soort content.5
Wel is de Wet Transparantie Maatschappelijke Organisaties in voorbereiding. Dit wetsvoorstel wil tegengaan dat ontvangen donaties bij maatschappelijke organisaties zorgen voor onwenselijke buitenlandse beïnvloeding. De burgemeester, het openbaar ministerie (OM) en andere aangewezen overheidsinstanties krijgen de bevoegdheid om bij een maatschappelijke organisatie gericht navraag te kunnen doen naar buitenlandse giften en als het hoge giften zijn te vragen naar de persoon van de donateur. Het tweede deel van het wetsvoorstel betreft stichtingen en is bedoeld om misbruik van financieel-economische aard, zoals witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Stichtingen zijn nu al verplicht om een balans en staat van baten en lasten op te stellen. Het wetsvoorstel verplicht stichtingen om deze financiële stukken voortaan te deponeren bij het handelsregister. De informatiepositie van diensten met controle-, toezichts- en opsporingstaken wordt zo vergroot.
Hoe staat het met het vaststellen van een juridische definitie van problematisch gedrag zodat ook geacteerd kan worden op ondermijnende uitingen die niet terroristisch/strafbaar zijn, maar wel anti-integratief, anti-rechtstatelijk dan wel anti-democratisch?
De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs heeft de Landsadvocaat om advies gevraagd inzake ingrijpen tegen antidemocratische, intolerante en onverdraagzame scholing bij informele lesinstituten.6 In dit advies is op verzoek van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid meegenomen in hoeverre de Landsadvocaat het mogelijk acht om te komen tot een juridische definitie van problematisch gedrag.7
In zijn advies geeft de Landsadvocaat aan dat er geen overkoepelende juridische definitie te geven valt van het begrip «problematisch gedrag» op basis waarvan kan worden ingegrepen.8 Onder problematisch gedrag vallen gedragingen van personen of groepen die voornamelijk binnen de grenzen van de wet vallen, maar tot aantasting en ondermijning van de democratische rechtsorde kunnen leiden.9 Dit betreft een spectrum aan gedragingen waarbij de ernst gradaties kent, derhalve ligt een conventionele juridische definitie niet voor de hand. Gezien de urgentie van het probleem eindigt de zoektocht daar niet. De Landsadvocaat acht het wel voorstelbaar om een norm te formuleren op deelaspecten van problematisch gedrag, die toepassing van een (nieuw) instrument kan rechtvaardigen. Zo werkt de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs op dit moment aan een nieuwe wettelijke norm voor informele lesinstituten. In die norm zal binnen de grenzen van het grondwettelijk kader worden beschreven welk aspect van problematisch gedrag op informele scholen kan leiden tot het treffen van een maatregel.10
Welke bestuursrechtelijke dan wel strafrechtelijke mogelijkheden ziet u om radicale en ondermijnende salafisten aan te pakken?
Bij wetsovertreding is de rol van de overheid: handhaven, straffen en recidive voorkomen. Indien er sprake is van strafbare feiten is het aan het Openbaar Ministerie om hiertegen op te treden. Het ligt anders bij gedragingen, die veelal binnen de grenzen van de wet vallen; zoals het ondermijnen van de democratische rechtsorde: het aantasten van verhoudingen tussen de burger en de overheid en tussen burgers onderling en daarmee de sociale stabiliteit. Al deze elementen bepalen welk type overheidshandelen passend, effectief en proportioneel is. De overheid heeft de taak om gedragingen die tot aantasting en ondermijning van de democratische rechtsorde leiden, te signaleren en tegen te gaan. Deze aanpak zal echter vaak niet-justitieel van aard zijn overeenkomstig de zogenoemde driesporenaanpak.11 Een gemeente kan deze aanpak inzetten om tot juiste combinatie van interventies te komen in de specifieke lokale context.
Aanvullend en meer specifiek zal in het tweede kwartaal van dit jaar uw Kamer het wetsvoorstel dat bij maatschappelijke organisaties financiële transparantie kan afdwingen als sprake is van ondermijning van de democratische rechtsorde, ontvangen. Daarnaast bent u in november 2022 door de Minister van OCW geïnformeerd over het traject inzet op kwaliteitsverbetering en toezicht op informele scholing.12
Kunt u aangeven of de Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering bekend is met het fenomeen van de zelfbenoemde salafistenpolitie? Zo nee, waarom zijn zij daar niet mee bekend? Zo ja, waaruit bestaat hun aanpak en welke concrete actie hebben zij tot nu toe ondernomen in welke gemeenten?
In de Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering werken de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Justitie en Veiligheid (waaronder de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (waaronder de Algemene- Inlichtingen- en Veiligheidsdienst), Buitenlandse Zaken, Onderwijs Cultuur en Wetenschap samen met politie en gemeenten aan kennisdeling en handelingsperspectief over fenomenen waarbinnen sprake is van problematisch gedrag. Het gaat hierbij om fenomenen waarbij mogelijk sprake is van ondermijning van de democratische rechtsorde. Van de genoemde partijen hebben alleen de politie, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten en het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap een juridische grondslag om (beperkt) persoonsgegevens te mogen verwerken in het kader van hun specifieke taken.13 SZW heeft deze juridische grondslag dus niet. Als gevolg daarvan geeft SZW aan dat sinds april 2021 in Taskforce-verband geen persoons- of organisatie duidingen meer gedaan. Gemeenten kunnen nog wel door de Taskforce geadviseerd worden over mogelijke oorzaken en handelingsperspectief ten aanzien van problematisch gedrag met aandacht voor de lokale context zonder daarbij persoonsgegevens te verwerken. Op dit moment geeft SZW aan dat geen van de gemeenten die samenwerken met de Taskforce vragen gesteld over de in het krantenartikel aangehaalde vorm van problematisch gedrag.
Kan het voorbeeld dat in het Telegraafartikel wordt genoemd, waarbij blijkt dat er adresgegevens en andere informatie uit de persoonlijke levenssfeer van gematigde imams worden gedeeld in WhatsApp- en of andere online groepen, worden gekwalificeerd als strafbare doxing, daar dit het delen van persoonsgegevens met intimiderende doeleinden betreft? Klopt het dat het Openbaar Ministerie zonder aangifte een onderzoek naar strafbare doxing kan starten?
Het delen van persoonsgegevens over gematigde imams vind ik zeer kwalijk. Het is echter niet aan mij om een uitspraak te doen of de genoemde voorbeelden strafbaar zijn. Het wetsvoorstel Strafbaarstelling gebruik persoonsgegevens voor intimiderende doeleinden, dat op dit moment aanhangig is bij de Eerste Kamer stelt het zich verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander of een derde met het oogmerk om die ander vrees aan te (laten) jagen, ernstige overlast aan te (laten) doen of hem in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen, strafbaar. Als persoonsgegevens, waaronder adressen, van anderen worden gedeeld met dat oogmerk, zal sprake zijn van strafbare doxing. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel kan het Openbaar Ministerie daar een onderzoek naar laten starten en vervolging instellen als dat aangewezen is. Een aangifte van een slachtoffer is daarvoor niet vereist.
Waar kan een imam terecht indien hij bedreigd wordt? Is er vanuit uw departement zicht op de groep bedreigde imams? Hoe worden zij bijgestaan?
Wanneer een burger bedreigd wordt, raadt de politie aan om hiervan aangifte te doen. Wanneer iemand ervoor kiest om liever alleen een melding te doen of een misdaad anoniem te melden, zijn hier natuurlijk ook de gebruikelijke manieren voor bij de politie.
Er is vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid als het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geen begeleiding voor deze specifieke groep. Op gemeentelijk niveau is er natuurlijk wel contact met religieuze leiders binnen de gemeenten.
Het bericht 'Nederlands beste boerengrond – in Flevoland – maakt plaats voor woningen en natuur: ‘Maar bos kweken werkt hier niet’' |
|
Jaco Geurts (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Nederlands beste boerengrond – in Flevoland – maakt plaats voor woningen en natuur: «Maar bos kweken werkt hier niet»»?1
Ja.
Klopt het dat momenteel de meest vruchtbare en productieve landbouwgronden ingeruild worden voor andere functies, zoals woningbouw en natuur? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak en wat vindt u hiervan?
Vanuit verschillende ruimtevragers zoals de woningbouw of infrastructuur ontstaat er druk op de beschikbare ruimte in Nederland. Het kabinet heeft in november in de Kamerbrief Toekomst Landbouw2 aangegeven dat de agrarische sector niet het sluitstuk mag worden in de discussie over ruimte.
In de meest recente CBS-publicatie «Natuurlijk kapitaal en brede welvaart in Nederland» wordt in beeld gebracht hoe ons landgebruik zich ontwikkelt en is veranderd3. Hieruit blijkt het totale agrarisch areaal tussen 2013 en 2020 is afgenomen met circa 24.400 ha, oftewel zo’n 1,3 procent.
Om de kwaliteit van landbouwgronden nadrukkelijk een plek te geven bij functiewijzigingen wordt in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) momenteel de structurerende keuze «beschermen bruikbare landbouwgrond» uitgewerkt en wordt er een afwegingskader voor functiewijzigingen op landbouwgrond ontwikkeld.
Kunt u reflecteren op de alinea «Maar bos kweken werkt hier niet»? Klopt het dat bij de aanwijzing van gronden voor een bepaalde functie niet wordt gekeken naar de grondsoort?
Het nationale beleid -zoals omschreven in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de uitvoering daarvan in de NOVEX (Nationale Omgevingsvisie Extra) en het NPLG- gaat uit van het principe van «de juiste functie op de juiste plek», waarbij bodem- en watersystemen sturend zijn en de kenmerken en identiteit van het gebied centraal staan bij het maken van ruimtelijke afwegingen. Deze uitgangspunten zullen op lokaal en regionaal niveau moeten doorwerken in beleid en de besluitvorming over plannen en vergunningen. Ook moeten bestemmingswijzigingen worden gemotiveerd met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet gemotiveerd kunnen worden dat de nieuwe bestemming uitvoerbaar is op de betreffende locatie. Mocht de grondsoort een belemmering vormen voor de nieuwe functie die aan een locatie is toebedeeld, dan dient dit meegenomen te worden bij de uitvoerbaarheidstoets.
Om de kwaliteit van landbouwgronden nadrukkelijk een plek te geven bij functiewijzigingen wordt in het NPLG momenteel de structurerende keuze «beschermen bruikbare landbouwgrond» uitgewerkt en wordt er een afwegingskader voor functiewijzigingen op landbouwgrond ontwikkeld. Ook in het gesprek over het landbouwakkoord komt het afwegingskader hoe om te gaan met landbouwgrond aan de orde. En kunnen hierover afspraken gemaakt worden. In de ontwikkeling van het afwegingskader wordt bezien hoe grondsoort en -kwaliteit expliciet een plek kan krijgen bij de afweging om al dan niet tot functiewijziging op landbouwgrond over te gaan. Zo wordt er bij functiewijziging geborgd dat er niet enkel wordt geredeneerd vanuit de inpasbaarheid van de nieuwe functie, maar wordt de meerwaarde van de grond voor de landbouw expliciet bij deze afweging betrokken. Dit afwegingskader dient daarmee als extra waarborg dat bruikbare landbouwgronden zo veel mogelijk worden ontzien van functiewijzigingen.
Op welke manier verhoudt het artikel zich tot de uitvoering van de motie van het lid Boswijk c.s. (Kamerstuk 33 037 nr. 402) waarin wordt opgeroepen te onderzoeken hoe hoogwaardige landbouwgrond beschermd kan worden?
Om expliciet invulling te geven aan de bescherming van hoogwaardige landbouwgrond wordt momenteel de structurerende keuze «beschermen bruikbare landbouwgrond» uitgewerkt in het NPLG. Als onderdeel hiervan, worden er verschillende uitgangspunten en een afwegingskader ontwikkeld die erop toezien dat bruikbare landbouwgronden zo veel mogelijk worden ontzien van functiewijzigingen als deze elders beter inpasbaar zijn. Zo wordt er voorkomen dat de landbouw het sluitstuk is van de discussie over ruimte. Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan de motie van het lid Boswijk c.s. Zie de beantwoording van vraag 3 voor een nadere toelichting over dit afwegingskader.
Bent u bekend met de uitspraak van voormalig Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Schouten waarin ze zegt dat er minder gewasbeschermingsmiddelen en mest gebruikt hoeven te worden op gezonde gronden? Wat vindt u er dan van dat momenteel juist deze gronden worden herbestemd?
Daar zijn wij bekend mee en dit is ook in lijn met de uitgangspunten van «de juiste functie op de juiste plek» en het principe water en bodem sturend. Juist omdat we zorgvuldig moeten omgaan met bruikbare landbouwgronden, is in het NPLG de structurerende keuze opgenomen om beschermen van bruikbare landbouwgrond nadrukkelijk aandacht te geven in de gebiedsprogramma’s en werken we op dit moment aan uitgangspunten en een afwegingskader om bij eventuele functiewijziging deze afweging zorgvuldig te maken. Zie vraag 3 voor een nadere toelichting op het afwegingskader.
Hoeveel natuurareaal zal er de komende jaren naar verwachting bij komen en hoeveel landbouwgrond wordt hiervoor ingeleverd?
Zoals wij hebben verwoord in onze brief van 10 februari jl. over de voortgang integrale aanpak landelijk gebied4 heeft het kabinet om op langere termijn te komen tot een gunstige Staat van Instandhouding als doel in het NPLG opgenomen om in 2030 30 procent te overbruggen van het verschil tussen de huidige staat van instandhouding en de gunstige staat van instandhouding. Deze 30 procent staat niet gelijk aan 30 procent extra natuurareaal, maar aan de overbrugging van 30 procent van het gat naar het realiseren van een gunstige staat van instandhouding voor alle beschermde habitattypen en soorten.
Deze opgave is naar verwachting grotendeels te realiseren met bestaande afspraken over de realisatie van het resterende Natuurnetwerk Nederland (NNN), waarvan op dit moment nog 35.000 ha gerealiseerd moet worden (inclusief een deel van de aanleg van nieuw bos). Daarnaast vindt invulling van de opgave plaats in de vorm van agrarische natuur via de aanleg van groenblauwe dooradering en de resterende opgave nieuw bos buiten de NNN.
In de verdere uitwerking van de NPLG-gebiedsplannen van de provincies zal duidelijk worden welke mix van agrarische natuur en uitbreiding van NNN bijdraagt aan de realisatie van deze opgave en hoeveel extra inzet er daarnaast nodig is.
Op welke manier wordt bij het kiezen van gronden voor de aanleg van natuur, woningbouw, zonneakkers, bedrijvigheid, et cetera rekening gehouden met de kwaliteit van de grond waarvan het ten koste gaat?
Op dit moment worden landbouwgronden op verschillende manieren door rijksbeleid beschermd. Zo heeft de NOVI een voorkeursvolgorde voor zonne-energie geïntroduceerd om beslag op landbouw en natuur te voorkomen of te beperken. Deze voorkeursvolgorde houdt in dat zonnepanelen bij voorkeur eerst op daken worden gelegd, vervolgens komen onbenutte terreinen in bebouwd gebied in aanmerking en pas in laatste instantie landbouw en natuur. Daarnaast wordt in de NOVI ook aandacht besteed aan het voorkomen van «verrommeling» en «verloodsing» van het landelijk gebied. De Ladder voor duurzame verstedelijking, die is vastgelegd in het huidige Besluit Ruimtelijke Ordening, heeft tot doel om te bevorderen dat eerst de mogelijkheden van binnenstedelijk bouwen worden benut voordat sprake zal zijn van bouw in het landelijk gebied.
Om de kwaliteit van landbouwgronden nadrukkelijk een plek te geven bij functiewijzigingen wordt een afwegingskader ontwikkeld, zie vraag 3 voor een nadere toelichting.
Wat wordt er gedaan om hoogwaardige landbouwgrond nu en in de toekomst te beschermen en op welke manier wordt bepaald welke gronden als hoogwaardig worden beschouwd?
Om de kwaliteit van landbouwgronden nadrukkelijk een plek te geven bij functiewijzigingen wordt in het NPLG en in samenspraak met de landbouwtafel in het kader van het landbouwakkoord een afwegingskader ontwikkeld; voor een nadere toelichting verwijzen wij naar vraag 3.
Provincies staan aan de lat om in hun gebiedsprogramma’s invulling te geven aan de manier waarop de Europese water-, klimaat- en natuurdoelen kunnen worden behaald en welk perspectief voor de landbouw hierbij per gebied inpasbaar is. De fysieke omstandigheden (bodemkwaliteit e.d.) en de gebiedsspecifieke water-, natuur- en klimaatopgave zullen een rol spelen bij het bepalen van het ontwikkelpad voor de landbouw en welke landbouwgronden het meest geschikt zijn. In het afwegingskader voor functiewijzigingen op landbouwgrond wordt bezien hoe onderlinge verschillen die bepalend zijn voor het toekomstperspectief van de landbouw, meegenomen kunnen worden bij de afweging om al dan niet tot functiewijziging over te gaan. Op die manier wordt ervoor gezorgd dat functiewijziging op landbouwgrond zorgvuldig gebeurt en op de meest geschikte locatie plaatsvindt.
Welk bevoegd gezag heeft volgens u de verantwoordelijkheid voor het beschermen van hoogwaardige landbouwgronden?
Iedere overheidslaag heeft zijn eigen rol te vervullen bij het beschermen van hoogwaardige landbouwgronden. Het Rijk heeft een brede regiefunctie om ervoor te zorgen dat alle ruimtelijke opgaven een plek krijgen en om te voorkomen dat landbouw het sluitstuk is in de discussie rondom ruimte. Dit kabinet heeft daarom een verantwoordelijk Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aangesteld die deze regiefunctie vervult. Provincies werken momenteel aan ruimtelijke voorstellen vanuit de Startpakketten NOVEX. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal op basis daarvan bestuurlijke afspraken maken met provincies om tot een concrete en integrale ruimtelijke uitwerking te komen van alle nationale beleidsopgaven met een ruimtelijke component. Zoals aangegeven in de ruimtelijke ordeningsbrief5, is het bieden van perspectief voor landbouw en natuur één van de perspectieven die wordt betrokken bij het maken van deze bestuurlijke afspraken. Het beschermen van bruikbare landbouwgronden is bovendien als structurerende keuze opgenomen in het NPLG en het Rijk werkt hier momenteel uitgangspunten en een afwegingskader voor uit. Het afwegingskader wordt ook besproken aan de landbouwtafel en kan onderdeel worden van het landbouwakkoord. Het Rijk stelt aldus de nationale kaders op waar provincies invulling aan dienen te geven in de Startpakketten NOVEX en de NPLG-gebiedsprogramma’s. Het Rijk bepaalt daarmee met name het «wat» (= beschermen landbouwgrond) en de provincies treden op als gebiedsregisseurs en staan met hun medeoverheden en gebiedspartners aan de lat om invulling te geven aan het «hoe».
De bevoegdheid voor het (her)bestemmen van gronden ligt bij de provincies en gemeenten en is ingegeven vanuit het «decentraal wat kan» principe. Daarbij zijn de gemeenten primair verantwoordelijk voor woningbouw en bedrijventerreinen en bouw van nieuwe plekken voor bedrijven en hebben zij het bestemmingsplan als het belangrijkste instrument om te sturen op de ruimtelijke ordening op gemeentelijk niveau. Provincies en gemeenten spelen hierdoor een grote rol bij de manier waarop de nationale, ruimtelijke kaders – waaronder het beschermen van bruikbare landbouwgrond – worden meegenomen bij de afweging om al dan niet tot herbestemmen over te gaan. Het afwegingskader dat momenteel door het Rijk wordt uitgewerkt zal handvatten bieden om provincies en gemeenten te ondersteunen bij de wijze waarop het beschermen van landbouwgrond bij deze afweging meegenomen kan worden. Zie de beantwoording van vraag 3 voor een nadere toelichting op het afwegingskader.
Het demonstratierecht |
|
Christine Teunissen (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Klopt het dat er bij de demonstratie van de klimaatactivisten van Extinction Rebellion in Den Haag op 28 januari jongstleden 768 mensen gearresteerd zijn?
Ja.
Is het eerder voorgekomen in Nederland dat er meer dan 700 arrestaties zijn verricht bij één demonstratie?
Het is niet mogelijk om dit uit de systemen van de politie of het Openbaar Ministerie te halen, omdat er geen specifiek registratie plaatsvindt van het aantal aanhoudingen per aparte demonstratie. Op de dag zelf kan de politie handmatig bijhouden hoeveel mensen er zijn aangehouden. Daarna volgt echter geen aparte registratie onder de noemer van de demonstratie.
Vindt u het wenselijk dat er meer dan 700 arrestaties worden verricht bij één demonstratie? Staat het arresteren van meer dan 700 mensen bij één demonstratie wat u betreft op gespannen voet met het demonstratierecht?
Ten eerste wil ik benadrukken dat het aantal arrestaties geen doel op zich is van het lokale gezag en de politie. Het recht om te demonstreren is een belangrijk grondrecht. De wijze waarop de politie tijdens demonstraties optreedt wordt bepaald binnen de lokale driehoek. Op voorhand was duidelijk gecommuniceerd dat de blokkade van de A12 niet zou worden toegestaan door de burgemeester. De burgemeester heeft dan ook besloten de blokkade te beëindigen, waarna de activisten zijn aangehouden en weggeleid door de politie. Dit is zoveel mogelijk gebeurd op een de-escalerende wijze. Zie verder het antwoord op vraag 9.
Hoe lang heeft de demonstratie op de snelweg geduurd voor de politie ingreep?
De politie heeft na een half uur gevorderd dat men de A12 diende te verlaten op last van de burgemeester. Vervolgens heeft het nog even geduurd (15–30 minuten) voordat de politie de eerste aanhoudingen heeft verricht.
Hoe lang heeft de steundemonstratie op de stoep boven de tunnelbak geduurd?
De gemeenteraad van Den Haag is over het verloop rondom de steundemonstratie op 7 maart jl. middels een brief geïnformeerd.2 Hieruit blijkt dat er zich boven de A12 een grote groep demonstranten verzamelden en dat verschillende materialen vanaf de fly-over naar beneden werden gegooid. Aanvankelijk is de groep door de politie gevorderd de locatie te verlaten en zich te verplaatsen naar de A12. Toen duidelijk werd dat alleen de actievoerders op de A12 zich dienden te verwijderen is het vorderen boven de A12 direct gestopt. De groep is ook niet van deze locatie verwijderd en er is niemand aangehouden.
Dit onderstreept nogmaals het belang van het doen van een kennisgeving van een demonstratie. Die procedure is er juist voor bedoeld dit soort onduidelijkheden te voorkomen.
Klopt het dat de politie de steundemonstratie na een half uur probeerde te beëindigen?1 Zo nee, hoe zit het dan?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom probeerde de politie de steundemonstratie boven de snelweg aanvankelijk na een half uur te beëindigen? Erkent u dat dit een ernstige inperking van het demonstratierecht zou hebben opgeleverd?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat de steundemonstratie uiteindelijk niet is beëindigd, omdat de politie besloot de rijstroken naast de stoep af te zetten om de veiligheid te waarborgen?
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat wanneer het faciliteren van een demonstratie mogelijk is en er maatregelen kunnen worden getroffen voor de veiligheid, de demonstratie niet zou mogen worden beëindigd?
Het uitgangspunt van het demonstratierecht is inderdaad dat demonstraties zoveel mogelijk gefaciliteerd dienen te worden en dat maatregelen worden getroffen om de veiligheid te garanderen. Op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) heeft de burgemeester wel de bevoegdheid om een demonstratie aan voorschriften te binden of te beperken of in het uiterste geval zelfs te verbieden. Dit mag alleen als dit noodzakelijk is in het kader van drie doelcriteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De inhoud van de demonstratie mag daarbij geen reden zijn om beperkingen op te leggen. De burgemeester moet elke demonstratie op zijn eigen merites beoordelen, mede op basis van de plaatselijke omstandigheden. De burgemeester legt over zijn handelen verantwoording af aan de gemeenteraad. De gemeente Den Haag heeft aangegeven dat door Extinction Rebellion geen kennisgeving was gedaan, er geen aanspreekbare organisator van de actie was en er geen afspraken gemaakt konden worden over de manier waarop de burgemeester de demonstratie wel zou kunnen faciliteren. Om die reden was het volgens de burgemeester niet mogelijk de veiligheid van zowel actievoerders als omstanders te garanderen en is de blokkade beëindigd.
Erkent u dat ook de demonstratie op de snelweg gefaciliteerd had kunnen worden – door bijvoorbeeld rijstroken af te zetten en matrixborden te gebruiken voor het wegverkeer – aangezien de locatie en het tijdstip van de demonstratie ver van tevoren duidelijk waren? Erkent u dat dit waarschijnlijk minder politiecapaciteit zou hebben gekost, aangezien u zich daar zorgen over maakt?2
Zie het antwoord op vraag 9. Het faciliteren en in goede banen leiden van demonstratie is een taak van de burgemeester, waarbij de politie optreedt onder het gezag van de burgemeester, in het kader van het handhaven van de openbare orde. Ik treed niet in een beoordeling daarvan.
Het is uiteraard belangrijk en noodzakelijk dat de politie voor het in goede banen leiden van demonstraties capaciteit heeft en blijft vrijmaken. Echter kan ik niet ontkennen dat de veelvoud en heftigheid van demonstraties van de afgelopen jaren wel drukt op de capaciteit van de politie(zie ook het antwoord op vraag 20).
Kunt u uitgebreid toelichten waarom de lokale driehoek de demonstratie niet heeft gefaciliteerd, maar gekozen heeft voor het strafrechtelijke instrumentarium?
De gemeente Den Haag heeft aangegeven dat door Extinction Rebellion geen kennisgeving was gedaan, er geen aanspreekbare organisator van de actie was en er geen afspraken gemaakt konden worden over de manier waarop de burgemeester de demonstratie wel zou kunnen faciliteren. Om die reden was het volgens de burgemeester niet mogelijk de veiligheid van zowel actievoerders als omstanders te garanderen. Bovendien heeft Extinction Rebellion al vier keer eerder actie gevoerd op de Utrechtsebaan/A12, met gevaar voor verkeersdeelnemers en actievoerders zelf. Derhalve is op voorhand duidelijk gecommuniceerd dat de blokkade van de A12 niet zou worden toegestaan door de burgemeester. Het blokkeren van de A12 ten behoeve van een demonstratie levert in dat geval een overtreding op van artikel 11 van de Wom. De burgemeester heeft dan ook besloten de demonstratie waarbij de Utrechtsebaan werd geblokkeerd te beëindigen.
Klopt het dat er tegen sommige demonstranten hardhandig is opgetreden door de politie?
Laat ik allereerst benadrukken dat het uitgangspunt voor het optreden van de politie altijd de-escalatie is. Geweldgebruik is een ultimum remedium (laatste redmiddel) en het is een stap die politieambtenaren niet lichtzinnig nemen. Voor geweldgebruik gelden dan ook strikte regels en voorwaarden. Het is voor de politie soms onvermijdelijk om bij het uitvoeren van haar taak geweld te gebruiken. Dit doet de politie alleen als het absoluut noodzakelijk is. Hiertoe heeft de politie op grond van artikel 7 van de Politiewet 2012 de bevoegdheid. Hierbij moeten de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid in acht worden genomen. Politieambtenaren worden getraind om deze afweging in verschillende situaties te maken. Dat betekent dat de politie niet zomaar zonder aanleiding of redelijk doel geweld mag en zal gebruiken tegen burgers. In algemene zin merk ik daarbij op dat bij die beoordeling naar de gehele context van een incident wordt gekeken, die niet in alle gevallen blijkt uit bepaalde beelden van een incident. Ik wijs er hierbij op dat het niet aan mij maar aan andere autoriteiten is – in voorkomende gevallen de rechter – om te oordelen over het geweld dat hierbij door de politie is gebruikt. Over geweldgebruik moet verantwoording worden afgelegd. Iedere geweldsaanwending worden gemeld teneinde te worden getoetst door de hulpofficier van justitie.
Op 7 maart jl. is de gemeenteraad in Den Haag middels een brief geïnformeerd over het verloop van de demonstratie.4 Hieruit blijkt onder andere dat tot op heden geen aangifte is gedaan of klachten zijn ingediend in verband met het toepassen van geweld door de politie. Voor eventuele klachten tegen het optreden van de politie staat altijd een klachtenprocedure open.
Volgt er een onderzoek naar geweldsaanwending door de politie bij de demonstratie op 28 januari jongstleden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de uitkomsten delen?
Zie antwoord vraag 12.
Klopt het dat er journalisten zijn opgepakt bij de demonstratie, ondanks het tonen van een perskaart? Op basis van welke verdenking zijn deze journalisten opgepakt? Worden deze journalisten inmiddels nog steeds verdacht van strafbare feiten?
De burgemeester heeft hierover in de commissievergadering d.d. 1 februari 2023 toegelicht dat één journalist niet over een geldige perskaart bleek te beschikken. Een andere journalist had zich niet als zodanig kenbaar gemaakt. Toen duidelijk werd dat tussen de aangehouden verdachten mogelijk een journalist zat, is de politie actief op zoek gegaan naar deze persoon. Toen deze zich alsnog als journalist kenbaar maakte, kon betrokkene direct vertrekken. Dat geldt ook voor de journalist die niet over een geldige perskaart beschikte.
Vindt u het wenselijk dat journalisten worden opgepakt bij een demonstratie?
De journalistieke vrijheid is een groot goed, hier zetten wij ons vanuit het kabinet met volle toewijding voor in.
De politie hanteert interne aanwijzingen om de vrijheden en rechten van journalisten te borgen. In gevallen dat de openbare orde verstoord wordt of dreigt te worden verstoord kan de politie overgaan tot aanhouding van de aanwezigen op een bepaalde plaats. Bij grootschalige verstoringen van de openbare orde, of dreigingen hiertoe, kan het zijn dat de journalistieke status van een aanwezige pas later kan worden uitgezocht dan op het moment van aanhouding, waarbij er naderhand een beoordeling plaatsvindt van de aanhouding.
Daarnaast kunnen journalisten worden aangehouden, wanneer jegens hen een verdenking ontstaat van het plegen van strafbare feiten. Het is dan aan de rechter om in een concreet geval te oordelen of het plegen van strafbare feiten gerechtvaardigd was in de context van de persvrijheid.
Deelt u de mening dat het oppakken van journalisten bij demonstraties een bedreiging vormt voor de persvrijheid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 15.
Kunt u zich herinneren dat er bij vorige demonstraties van Extinction Rebellion in Den Haag ook journalisten zijn opgepakt? Zijn er sindsdien plannen gemaakt in samenwerking met de lokale driehoek om dit in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat kan ik mij herinneren. Het gegeven dat bij twee voorgaande demonstraties van Extinction Rebellion journalisten zijn aangehouden, is besproken in de driehoek. Bij de eerste keer betrof het een journalist die zich niet hield aan de aanwijzingen die de politie gaf om voldoende afstand te bewaren tot de politie, die op dat moment demonstranten bevrijdde uit lock-ons. De journalist is na aankomst op het politiebureau in vrijheid gesteld. In een ander geval ging het om twee journalisten, die zich bevonden in een busje met Extinction Rebellion demonstranten, dat op weg was om de A12 te blokkeren. Deze journalisten zijn volgens de rechter rechtmatig aangehouden.
De Haagse driehoek onderschrijft het belang van persvrijheid en heeft onderstreept dat journalisten bij demonstraties ongehinderd hun werk moeten kunnen doen. Zij dienen zich echter te houden aan de door de politie gegeven aanwijzingen, die er toe strekken om het werk van de politie veilig te houden. Wanneer jegens journalisten een verdenking ontstaat van het plegen van strafbare feiten, kunnen zij worden aangehouden. Het is dan aan de rechter om de oordelen of het plegen van strafbare feiten gerechtvaardigd was in de context van de persvrijheid.
Klopt het dat er voorafgaand aan de demonstratie zes mensen gearresteerd zijn op verdenking van opruiing vanwege het oproepen tot een snelwegblokkade? Klopt het dat er in totaal acht mensen worden verdacht van opruiing vanwege het oproepen tot een snelwegblokkade?
Er zijn in totaal acht personen voorafgaand aan de demonstratie aangehouden wegens de verdenking van opruiing.
Is het eerder voorgekomen in Nederland dat demonstranten voorafgaand aan een demonstratie zijn gearresteerd op verdenking van opruiing vanwege het oproepen tot een snelwegblokkade?
Ja, er zijn eerder demonstranten voorafgaand aan een demonstratie aangehouden voor het oproepen tot het plegen van strafbare feiten tijdens een demonstratie. Dit is onder meer gebeurd bij de coronademonstraties en de boerenprotesten.
Klopt het dat het Openbaar Ministerie deze mensen voor de rechter brengt? Zou het niet beter zijn als rechters zich bezig kunnen houden met echte «boeven», zeker gezien de capaciteitstekorten in de rechtspraak, in overeenstemming met uw wens dat de capaciteit van de politie wordt ingezet voor het «vangen van boeven»?3
Ja, het Openbaar Ministerie brengt een aantal zaken voor de rechter. Het Openbaar Ministerie heeft tevens aangegeven de aanloop naar de blokkade te evalueren. Het Openbaar Ministerie zal daarbij het oordeel van de rechter betrekken.
Het faciliteren en in goede banen leiden van een demonstratie is een taak van de burgemeester, waarbij de politie optreedt onder het gezag van de burgemeester, in het kader van het handhaven van de openbare orde. Het is belangrijk en ook noodzakelijk dat de politie hier capaciteit voor heeft en blijft vrijmaken. Echter kan ik niet ontkennen dat de veelvoud en heftigheid van demonstraties van de afgelopen jaren wel drukt op de capaciteit van de politie.
Staat het vooraf arresteren van demonstranten wat u betreft op gespannen voet met het demonstratierecht? Zo nee, waarom niet?
De aanhoudingen zijn verricht als gevolg van de verdenking tot een strafbaar feit, namelijk opruiing. De verdachten zijn dezelfde dag weer op vrije voeten gesteld. Wel is aan deze verdachten een gedragsaanwijzing opgelegd waardoor zij zich voor een bepaalde periode niet op of bij de Utrechtsebaan/A12 mochten begeven. Het stond hen vrij om op andere plekken die door de gemeente zijn aangedragen te demonstreren. Vijf van de acht opgelegde gedragsaanwijzingen zijn inmiddels door de rechtbank in stand gehouden.6 Deze verdachten mogen zich voor een bepaalde periode niet op de Utrechtsebaan begeven, zij mogen wel in de naastgelegen straten komen. De gedragsaanwijzing van de andere drie verdachten is niet in stand gehouden. In dezelfde uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het oproepen tot een blokkade van de A12 in beginsel strafbaar is. Daar heeft de rechtbank aan toegevoegd dat het oproepen tot een blokkade alleen een ernstige verstoring van de openbare orde oplevert op het moment dat die oproep tot het blokkeren al eerder is gedaan en die blokkades in het verleden ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Door de rechtbank Den Haag is bovendien onlangs nog geoordeeld dat een blokkade van de A12 gevaarlijk is en strafbaar kan zijn.7 Hierbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk rekening gehouden met het demonstratierecht en de vreedzaamheid van de voorgenomen actie en die afgewogen tegen het gevaar voor de verkeersveiligheid dat er met die blokkade zou worden veroorzaakt.
Deelt u de volgende opvatting van het College voor de Rechten van de Mens: «Het opleggen van beperkingen mag alleen als dat echt noodzakelijk is en moet gebeuren op de minst ingrijpende manier. Inzet van strafrechtelijke instrumenten om de organisatie van een demonstratie te verhinderen is een extreem zwaar middel dat niet makkelijk te rechtvaardigen valt»?4 Vindt u dat de inzet van strafrechtelijke instrumenten in dit geval wordt gerechtvaardigd? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten? Zo nee, waarom niet?
Wij delen de opvatting dat het opleggen van beperkingen alleen mag wanneer dat noodzakelijk is en moet gebeuren op de minst ingrijpende manier.
Kunt u reageren op de analyses van het College voor de Rechten van de Mens en van Amnesty International, die stellen dat het oproepen tot een snelwegblokkade niet zomaar gekwalificeerd kan worden als een strafbaar feit als de intentie een vreedzame demonstratie is?
Of een snelwegblokkade als demonstratie kan worden gezien, is steeds afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. In het algemeen geldt dat bij demonstraties de gemeenschappelijke meningsuiting op de voorgrond moet staan en andere elementen niet moeten gaan overheersen. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn acties met bezettende, blokkerende en dwingende elementen vandaag de dag niet ongebruikelijk, maar is een dergelijke wijze van actievoeren niet een standaard situatie van een vreedzame demonstratie. Fysiek gedrag tijdens een demonstratie dat tot doel heeft de activiteiten van anderen ernstig te verstoren vormt niet de kern van het recht op de vrijheid van demonstreren. Hiermee is echter niet gezegd dat dergelijke acties per definitie niet meer onder de reikwijdte van het demonstratierecht vallen.
Het feit dat een actie onder de bescherming van het demonstratierecht valt wil echter nog niet zeggen dat demonstranten niet gesanctioneerd kunnen worden.
Specifiek met betrekking tot de blokkade van de A12 is door de rechtbank Den Haag geoordeeld dat een dergelijke blokkade van de A12 gevaarlijk is en strafbaar kan zijn.9 Het Gerechtshof Amsterdam heeft eerder geoordeeld dat de oproep tot het blokkeren van wegen een potentieel strafbaar feit is, maar dat de verdachte in deze specifieke zaak niet strafbaar was aangezien naar het oordeel van het Hof niet bewezen kon worden dat de verdachte opzet had op het aansporen tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, of dat hij bewust de aanmerkelijke kans daartoe op de koop heeft toegenomen.10 Door rechtbank Den Haag is onlangs geoordeeld dat het oproepen tot een blokkade van de A12 gekwalificeerd kan worden als een strafbaar feit.11
Erkent u dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat ook aan een tijdelijke wegblokkade de vrijheid van demonstratie moet worden toegekend?
Zie het antwoord op vraag 23. Hier ging het overigens niet om een «tijdelijke» wegblokkade. Demonstranten hebben zich vastgelijmd aan de snelweg. Bovendien heeft Extinction Rebellion vooraf (ook tijdens het gesprek met de burgemeester) laten weten dat het de weg zou blijven blokkeren totdat regeringsbeleid zou worden gewijzigd
Erkent u dat het Gerechtshof van Amsterdam vorig jaar heeft geoordeeld dat het blokkeren van een snelweg onder het demonstratierecht valt als de intentie een vreedzame en geweldloze demonstratie is?
Mij is bekend dat het Gerechtshof Amsterdam vorig jaar in een zaak heeft geoordeeld dat de oproep tot het blokkeren van wegen een potentieel strafbaar feit is. Echter was de verdachte in deze specifieke zaak niet strafbaar aangezien naar het oordeel van het Hof niet bewezen kon worden dat de verdachte opzet had op het aansporen tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, of dat hij bewust de aanmerkelijke kans daartoe op de koop heeft toegenomen.12 De rechtbank Den Haag heeft begin dit jaar, met kennis van dit arrest, een verdachte veroordeeld voor o.a. voorbereidingshandelingen om de A12 te blokkeren.13
Hoe beoordeelt u de handelwijze van het Openbaar Ministerie in dezen? Erkent u dat het vooraf arresteren van demonstranten een zeer ingrijpende maatregel is die uitgebreid moet worden gemotiveerd met het oog op de inperking van het demonstratierecht? Is dat in dit geval gebeurd? Kunt u die analyse delen?
Het recht om te demonstreren is een belangrijk grondrecht. Het uitoefenen van dat recht rechtvaardigt echter niet het plegen van een strafbaar feit. Ik benadruk nogmaals dat bij de aanhouding wegens opruiing geen sprake is geweest van de inperking van het demonstratierecht. De aangehouden personen zijn dezelfde dag allemaal weer in vrijheid gesteld en het stond hen vrij om op door de burgemeester aangewezen locaties te demonstreren.
Erkent u dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de Nationale ombudsman, Amnesty International en drie staatsrechtdeskundigen in opdracht van uw ministerie uitvoerig hebben bepleit dat het Openbaar Ministerie en het lokale bestuur een demonstratie zo goed mogelijk moeten faciliteren, door bijvoorbeeld maatregelen te treffen voor de veiligheid? Vindt u dat dit op 28 januari en de dagen daaraan voorafgaand gebeurd is?
Vooropgesteld, het faciliteren van een demonstratie is geen taak van het Openbaar Ministerie, maar van het lokale bestuur; de burgemeester, en de politie in dit kader handelend onder het gezag van de burgemeester.
Het uitgangspunt van het demonstratierecht is inderdaad dat demonstraties zoveel mogelijk gefaciliteerd dienen te worden en dat maatregelen worden getroffen om de veiligheid te garanderen. De gemeente Den Haag heeft aangegeven dat door Extinction Rebellion geen kennisgeving was gedaan, er geen aanspreekbare organisator van de actie was en er geen afspraken gemaakt konden worden over de manier waarop de burgemeester de demonstratie wel zou kunnen faciliteren. Om die reden was het volgens de burgemeester niet mogelijk de veiligheid van zowel actievoerders als omstanders te garanderen en is de blokkade beëindigd. Het is aan de burgemeester om hierover desgewenst verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad.
Erkent u dat de Nationale ombudsman in 2018 in het rapport «Demonstreren, een schurend grondrecht» erop wees dat «De overheid neigt naar risicomijdend gedrag. Overheden beschouwen het demonstratierecht in de praktijk niet zelden als onderdeel van een belangenafweging: het recht op demonstreren versus het belang van de openbare orde en veiligheid. De essentie van het grondrecht tot demonstreren moet voorop staan. Die essentie is dat de overheid zich tot het uiterste moet inspannen om demonstraties te faciliteren en te beschermen, zodat burgers in vrijheid hun mening – hoe impopulair ook – kunnen laten horen. Elke andere houding van de overheid doet afbreuk aan de kern van het demonstratierecht»? Wat is er sinds het rapport van de Nationale ombudsman concreet gedaan om dit te verbeteren?
Wij zetten ons in om burgemeesters te ondersteunen bij het zoveel mogelijk beschermen van het demonstratierecht, onder meer door hierover het gesprek te blijven aangaan met alle betrokkenen, voor het onderwerp (extra) aandacht te vragen en door het delen van kennis en goede praktijkvoorbeelden. Mede naar aanleiding van het rapport van de Nationale ombudsman uit 2018 heb ik uw Kamer bij brieven van 13 juli 2018 en 21 maart 2019 geïnformeerd over de inspanningen die op dit terrein zijn verricht, onder meer door gesprekken te voeren met gemeenten, het breed onder de aandacht brengen van de handreiking «Demonstreren bijkans heilig» van de gemeente Amsterdam, het meewerken aan (andere) handreikingen en het organiseren en bijwonen van bijeenkomsten over dit onderwerp. Verder verwijs ik naar de brief die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik voor deze zomer hebben toegezegd aan uw Kamer over het demonstratierecht.
Deelt u de opvatting van Amnesty International en het College voor de Rechten van de Mens dat het demonstratierecht ernstig onder druk staat en dat het vooraf oppakken van demonstranten geen gewoonte moet worden? Zo nee, waarom niet?
Ik blijf benadrukken dat de aanhoudingen zijn verricht als gevolg van de verdenking tot een strafbaar feit dat al had plaatsgevonden, namelijk opruiing. De verdachten zijn dezelfde dag weer op vrije voeten gesteld. Aan deze verdachten is een gedragsaanwijzing opgelegd waardoor zij zich niet opof bij de Utrechtsebaan/A12 mochten begeven. Deze gedragsaanwijzing is in 5 van de 8 gevallen inmiddels in stand gehouden door de rechtbank voor zover deze ziet op het verbod om zich op de Utrechtsebaan te begeven. De verdachten konden op de voorgenomen dag – 28 januari jl. – demonstreren op andere plekken die door de gemeente zijn aangedragen.
Verder verwijs ik naar de brief die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik nog voor de zomer aan uw Kamer zullen sturen over het demonstratierecht, waarin ook zal worden ingegaan op het recente rapport van Amnesty International «Demonstratierecht onder druk».
Hoe bent u van plan in de toekomst om te gaan met oproepen tot snelwegblokkades en hoe bent u van plan daarbij het demonstratierecht te garanderen? Deelt u de mening dat de omgang met snelwegblokkades geen lokale aangelegenheid is omdat snelwegblokkades in het hele land kunnen plaatsvinden en een eenduidige aanpak daarbij gewenst is om rechtsgelijkheid te garanderen? Zo nee, waarom niet?
Het opleggen van beperkingen of voorschriften of in het uiterste geval een verbod van een demonstratie is een bevoegdheid van de burgemeester. Daarbij mag de inhoud van een demonstratie geen rol spelen. Het is van belang dat burgemeesters per geval een beoordeling blijven maken omdat iedere situatie anders is. Overigens zijn na afloop van de stikstofprotesten ruim honderd personen aangehouden vanwege overtredingen en misdrijven die verband houden met deze protesten. Het ging hierbij onder meer om snelwegblokkades, brandstichting en afvaldumping. Daarnaast zijn er meer dan 700 bekeuringen uitgeschreven.
Bent u bereid de gang van zaken in de dagen voorafgaand en op de dag van de demonstratie uitgebreid te evalueren en hierover in gesprek te gaan met mensenrechtenorganisaties zoals het College voor de Rechten van de Mens en Amnesty International? Zo nee, waarom niet?
Zoals hiervoor ook vermeld zullen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik nog voor de zomer een brief aan de Kamer sturen waarin wij tevens reageren op het rapport van Amnesty International. Daarover zal ook nog met Amnesty International worden gesproken.
Zoals in het antwoord op vraag 20 opgemerkt heeft het Openbaar Ministerie aangegeven de aanloop naar de blokkade te evalueren en daarbij het oordeel van de rechter te betrekken.
Kunt u aangeven wat het Openbaar Ministerie verstaat onder de term «ontwrichting»? Erkent u dat dit klinkt als een politieke en niet als een strafrechtelijke duiding van de situatie?5
In deze vraag wordt verwezen naar een persbericht van het Openbaar Ministerie. Terminologie die wordt gebruikt in een persbericht hoeft niet één-op-één een strafrechtelijke duiding van het handelen te zijn. Het Openbaar Ministerie gebruikt de strafrechtelijke duiding binnen de kaders van het strafproces. Het gebruik van een bepaalde term wil nog niet zeggen dat hiermee politiek wordt bedreven. Het Openbaar Ministerie zal de beoordeling van strafbare feiten altijd maken op basis van de feitelijke handelingen en de omstandigheden van het geval.
Kent u de uitlatingen van de heer Zwinkels, hoofdofficier van Justitie in Den Haag, op LinkedIn, waarin hij de strategie van de demonstranten bekritiseerd, die voor maatschappelijke verharding en polarisatie zou zorgen waardoor het draagvlak voor oplossingen zou worden ondermijnd?6 Erkent u dat dit politieke uitspraken zijn? Deelt u de mening dat deze uitlatingen over de strategie van een groep demonstranten op gespannen voet staat met de onafhankelijkheid die het Openbaar Ministerie dient te hebben wat het doel van demonstraties?
Zowel de burgemeester als het Openbaar Ministerie hanteren de hun toekomende bevoegdheden zonder naar de inhoud van een demonstratie te kijken. Immers, het recht op demonstratie is een algemeen geldend grondrecht, dat voor een ieder geldt, ongeacht afkomst, geloof, levensovertuiging of politieke voorkeur. Het Openbaar Ministerie heeft zich uitgelaten over de wijze waarop werd gedemonstreerd, zonder dat daarbij een uitspraak is gedaan over het doel van de demonstratie. Demonstreren is een grondrecht. Het is echter de taak van het Openbaar Ministerie om op te treden op het moment dat tijdens de uitoefening van dat grondrecht sprake is van het plegen van strafbare feiten. Het is vervolgens aan de rechter om over de beoordeling van het Openbaar Ministerie een oordeel te geven.
Kent u het interview met politiechef Willem Woelders waarin hij zegt dat veel politiemensen sympathie hebben voor het standpunt van de boeren en dat de provincies zo snel mogelijk met de boeren om tafel moeten gaan zitten?7 Erkent u dat dit politieke uitspraken zijn? Deelt u de mening dat deze uitlating op gespannen voet staat met de onafhankelijkheid die de politie dient te hebben wat betreft het doel van demonstraties?
Ja, ik ben bekend met het interview. In het artikel van de NRC van 30 juni 2022 staat de volgende tekst; «Als je denkt dat de politie dit kan stoppen: Dat is niet zo. Repressie lijkt mij het allerlaatste waar je het over moet hebben. Want wat doen we om deze protesten te voorkomen? Veel politiemensen hebben begrip voor de positie van de boeren, ik ook. Je zult maar jarenlang geïnvesteerd hebben en je voortbestaan staat op het spel. Daarom vind ik dat provincies zo snel mogelijk met boeren moet gaan zitten over de concrete gevolgen en het niet over de zomer moeten tillen. Anders moeten we als politie blijven optreden».
De context waarin de uitspraak deze politiechef werd gedaan was dus dat repressie niet het enige middel wat we hebben binnen de overheid. Daarnaast kunnen wij het als Ministers van JenV en BZK alleen maar aanmoedigen om meer begrip te hebben voor elkaars positie als burgers. De politie is in het kader van hun taakstelling continu is gesprek met de burgers, waarbij burgers ook hun grieven kunnen uiten. Dat betekent echter niet dat de politie niet zal optreden wanneer deze grieven worden geuit op een manier die een ernstige verstoring oplevert van de openbare orde of door het plegen van strafbare feiten.
Erkent u dat dit erop duidt dat hoge functionarissen bij politie en justitie meer sympathie hebben voor de boeren dan voor klimaatactivisten? Zo nee, waarom niet? Kunt u zich wel voorstellen dat mensen door deze uitspraken die indruk krijgen? Vindt u dat wenselijk?
Nee, wij herkennen ons hier, als Minister van Justitie en Veiligheid en Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, niet in. Wij erkennen wel dat er verschillen zijn in handhaving tussen verschillende demonstraties (zie ook de antwoorden op vraag 36 tot en met 42). Echter herkennen wij ons er niet in dat dit zou voortkomen vanuit meer of minder sympathie voor een demonstratie/ groepering zou zijn ten opzichte van een andere demonstratie/groepering vanuit de politie of justitie. Zoals u hebt kunnen lezen in het artikel waar u in vraag 34 naar refereert laat Willem Woelders weten «dat zijn mensen het maximale naar hun mogelijkheden hebben gedaan tijdens de boerenprotesten». Verschillen in handhaving komen voort uit verschillende omstandigheden en worden afgestemd met het bevoegd gezag. De inhoud van de demonstratie is hierbij niet van belang.
Kent u het artikel in de Volkskrant van 29 januari jongstleden, «Veel meer arrestaties bij acties Extinction Rebellion dan bij boerenprotesten»8, waaruit blijkt dat er sinds 2020 bij demonstraties van Extinction Rebellion ruim 2.000 demonstranten zijn opgepakt, tegenover 100 arrestaties bij de boerenprotesten, terwijl er meer boerenprotesten dan klimaatdemonstraties waren? Hoe verklaart u dit verschil? Waarom houdt de overheid deze cijfers zelf niet bij? Op welke manier kan zonder deze cijfers rechtsgelijkheid tussen groepen demonstranten worden gegarandeerd?
Zoals hierboven ook benoemd in het antwoord op vraag 3 is het aantal arrestaties geen doel op zich van het lokale gezag en de politie. De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag. Voorbeeld waarop een afweging gemaakt kan worden is op basis van het mogelijke gevaar voor de demonstranten of omstanders, de impact op openbare orde, maar ook het gevaar voor de agenten. Dit kan betekenen dat bij de ene demonstratie direct aanhoudingen worden verricht en bij de andere demonstratie – tevens met het oog op veiligheid voor de handhavers zelf – aanhoudingen naderhand worden verricht. Er wordt geen verschil gemaakt op basis van de inhoud van de demonstraties.
Voor het Openbaar Ministerie en de politie is er geen noodzaak om het aantal arrestaties per demonstratie apart te muteren. Wel kan worden opgemerkt dat ten aanzien van de aanhoudingen bij de demonstraties van Extinction Rebellion vrijwel alle aanhoudingen – op last van de burgemeester – hebben plaatsgevonden op grond van artikel 11 van de Wom. Er hebben 11 aanhoudingen plaatsgevonden voor het treffen van voorbereidingshandelingen en 8 aanhoudingen voor opruiing. Na afloop van de stikstofprotesten zijn ruim honderd personen aangehouden vanwege overtredingen en misdrijven die verband hielden met die protesten. Het ging hierbij dan onder meer om snelwegblokkades, brandstichting en afvaldumping. Daarnaast zijn er ook meer dan 700 bekeuringen uitgeschreven.
Erkent u dat uit het onderzoek van de Volkskrant blijkt dat er veel meer arrestaties hebben plaatsgevonden bij demonstraties van Extinction Rebellion dan bij de boerenprotesten?
De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag. De wijze waarop de politie tijdens demonstraties optreedt, wordt dus bepaald binnen de lokale driehoek. Hierbij kan een afweging gemaakt op basis van het mogelijke gevaar voor de burgers, de impact op openbare orde, maar ook het gevaar voor de agenten. Het uitgangspunt van de politie is om altijd de-escalerend op te treden. Dit kan betekenen dat bij de ene demonstratie direct aanhoudingen worden verricht en bij de andere demonstratie – tevens met het oog op veiligheid voor de handhavers zelf – aanhoudingen naderhand worden verricht. Er wordt geen verschil gemaakt op basis van de inhoud van de demonstraties. Ik erken dat demonstraties en de mogelijke handhaving daarbij onder verschillende omstandigheden plaatsvinden. Echter verschillende situaties en omstandigheden laten zich ook slecht vergelijken. De burgemeester kan desgewenste verantwoording voor zijn keuze afleggen aan de gemeenteraad.
Extinction Rebellion geeft (onder andere op hun website) zelf aan dat het hun bedoeling is om bij demonstraties zoveel mogelijk aanhoudingen uit te lokken. Hiermee beoogt Extinction Rebellion maximale aandacht te genereren voor hun acties. Vanuit deze bedoeling is het niet verwonderlijk dat in gevallen waarin handhavend werd opgetreden bij demonstraties van Extinction Rebellion er veel aanhoudingen plaatsvonden. In het artikel van de Volkskrant werd daarnaast geen rekening gehouden met aanhoudingen die na afloop van verstorende acties hebben plaatsgevonden. Na afloop van de stikstofprotesten zijn ruim honderd personen aangehouden vanwege overtredingen en misdrijven die verband hielden met die protesten. Het ging hierbij dan onder meer om snelwegblokkades, brandstichting en afvaldumping. Daarnaast zijn er ook meer dan 700 bekeuringen uitgeschreven.
Klopt het dat er bij demonstraties van Extinction Rebellion vaak meer dan 50 mensen worden gearresteerd? Klopt het dat dit bij boerendemonstraties slechts één keer het geval was sinds 2020? Hoe verklaart u dit verschil?
Zie ook hetzelfde antwoord op de vragen 36 en 37. Zoals hierboven ook benoemd in het antwoord op vraag 3 is het aantal arrestaties geen doel op zich van het lokale gezag en de politie. De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag. Voorbeeld waarop een afweging gemaakt kan worden is op basis van het mogelijke gevaar voor de burgers, de impact op openbare orde, maar ook het gevaar voor de agenten. Er wordt geen verschil gemaakt op basis van de inhoud van de demonstraties.
Erkent u dat er bij boerenprotesten veel vaker achteraf arrestaties zijn verricht? Erkent u dat achteraf arresteren het demonstratierecht minder inperkt dan arresteren voorafgaand of tijdens een demonstratie?
De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag. De wijze waarop de politie tijdens demonstraties optreedt, wordt dus bepaald binnen de lokale driehoek. Hierbij kan een afweging gemaakt op basis van het mogelijke gevaar voor de burgers, de impact op openbare orde, maar ook het gevaar voor de agenten. Het klopt dat er tijdens de stikstof protesten een keuze is gemaakt door sommige lokalen gezagen om achteraf te handhaven. Het uitgangspunt is dat waar gevaar dreigt of ernstige strafbare feiten worden gepleegd, dient te worden opgetreden. Waar mogelijk (en veilig en niet-escalerend) vindt dat optreden in het moment plaats. Waar dat niet kan, wordt achteraf opgetreden. Tegen die achtergrond zijn er geen verschillen tussen het optreden tegen blokkadeacties van boeren en blokkadeacties van Extinction Rebellion.
Erkent u dat arrestaties bij boerenprotesten vaak gebeuren vanwege verdenking van strafbare feiten die niets te maken hebben met een vreedzame en geweldloze demonstratie die worden beschermd onder het demonstratierecht, zoals bijvoorbeeld geweldpleging en brandstichting, terwijl het merendeel van de demonstranten van Extinction Rebellion worden gearresteerd vanwege het blokkeren van een snelweg, waarvan het Europees Hof heeft geoordeeld dat dit onder het demonstratierecht kan vallen?
De politie treedt tijdens de handhaving van de openbare orde op onder het gezag van de burgemeester. Waar het gaat om strafrechtelijke handhaving treedt de politie op onder het gezag van de OvJ.
Demonstranten kunnen om verschillende uiteenlopende feiten worden aangehouden. Dit kan uiteenlopen zoals bijvoorbeeld voor het overtreden van de Wet openbare manifestaties, ter zake van vernieling, brandstichting, afvaldumping, het overtreden van een gebiedsgebod, etc. Politie legt per arrestatie vast voor welke overtreding of misdrijf is aangehouden. De inhoud waarvoor iemand demonstreert is hierbij niet van belang.
Het demonstratierecht is geen absoluut recht, demonstranten worden geacht zich aan de wet te houden. Op het moment dat vreedzame demonstranten zich op een snelweg begeven of zelfs daaraan vastplakken, terwijl deze snelweg niet als demonstratielocatie is aangewezen kan dit uitermate gevaarlijke situaties opleveren voor de demonstranten zelf maar ook voor de weggebruikers. Extinction Rebellion heeft in het verleden al meerdere malen vergelijkbare gevaarlijke situaties veroorzaakt door middel van de blokkades van de snelweg. Recent heeft de rechtbank Den Haag nog geoordeeld dat een dergelijke blokkade in een vergelijkbare situatie een strafbaar feit opleverde.
Erkent u dat demonstraties van Extinction Rebellion vaak na korte tijd beëindigd worden, terwijl boeren vaak urenlang de snelweg kunnen bezetten?9 Zo nee, waarom niet en kunt u dat aantonen? Zo ja, hoe verklaart u dit verschil?
Zie ook het antwoord op vraag 37. De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag. De wijze waarop de politie tijdens demonstraties optreedt, wordt dus bepaald binnen de lokale driehoek. Hierbij kan een afweging gemaakt op basis van het mogelijke gevaar voor de demonstraten of omstanders, de impact op openbare orde, maar ook het gevaar voor de agenten. Het uitgangspunt van de politie is om altijd de-escalerend op te treden. Dit kan betekenen dat bij de ene demonstratie direct aanhoudingen worden verricht en bij de andere demonstratie – tevens met het oog op veiligheid voor de handhavers zelf – aanhoudingen naderhand worden verricht. Er wordt geen verschil gemaakt op basis van de inhoud van de demonstraties. Ik erken dat demonstraties en de mogelijke handhaving daarbij onder verschillende omstandigheden plaatsvinden. Echter verschillende situaties en omstandigheden laten zich ook slecht vergelijken. De burgemeester kan desgewenste verantwoording voor zijn keuze afleggen aan de gemeenteraad.
Erkent u dat het wegslepen van een grote hoeveelheid trekkers veel moeilijker is dan het wegslepen van een klimaatdemonstrant die zich niet verzet? Erkent u dat het resultaat daarvan is dat er bij boerenprotesten vaak de-escalerend wordt opgetreden, terwijl er bij klimaatprotesten juist voor een harde aanpak wordt gekozen? Erkent u dat de uitkomst daarvan is dat het recht van de sterkste geldt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dit wenselijk? Kunt u dit toelichten?
Zie ook het antwoord op vraag 37 en het antwoord op vraag 41. De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag.
In alle gevallen – ook in het geval van de klimaatdemonstranten – wordt zoveel mogelijk de-escalerend opgetreden. Het verwijderen van de demonstranten van de snelweg op 28 januari jl. heeft enkele uren geduurd, omdat dit op een georganiseerde wijze gebeurde.
Kunt u uitgebreid reageren op de analyse van mr. dr. Berend Roorda, docent bij de Rijksuniversiteit Groningen gespecialiseerd in het demonstratierecht, dat het erop lijkt dat de aanpak van klimaatactivisten steviger is dan de aanpak van boerenprotesten, mede vanwege de angst bij boerenprotesten dat het escaleert?10 Kunt u ook de beschreven casus van de klimaatactivisten in het Mauritshuis die harder zijn gestraft dan de boeren die voor het huis stonden van Minister van der Wal hierbij betrekken?
Het recht om te demonstreren is een groot goed in Nederland. Dit grondrecht geldt voor iedereen. De uitoefening van het demonstratierecht kan enkel worden beperkt door de burgemeester op basis van de Wet openbare manifestaties, waarbij uitdrukkelijk geldt dat de inhoud van de demonstratie daarbij geen rol mag spelen. Wel is het zo dat demonstraties onder verschillende omstandigheden plaatsvinden. Het lokale gezag maakt afwegingen op basis van deze lokale situatie. De politie treedt op onder dit lokale gezag, waarbij het uitgangspunt inderdaad de-escalatie is. Geweldgebruik is het ultimum remedium en een stap die politieambtenaren niet lichtzinnig nemen. De-escalatie is bij elke demonstratie het uitgangspunt. Ook bij de demonstratie van Extinction Rebellion heeft de politie de-escalerend opgetreden door de activisten op een rustige manier van de snelweg weg te voeren.
Het opleggen van straffen aan klimaatactivisten of boeren is aan de rechter; het is niet aan ons om over de hoogte van deze straffen te oordelen.
Erkent u dat door het verschillend aanpakken van demonstraties van boeren en klimaatactivisten er rechtsongelijkheid is tussen deze groepen demonstranten? Zo nee, waarom niet? Erkent u dat het uw taak is om te waarborgen dat er rechtsgelijkheid is tussen groepen demonstranten? Hoe vervult u die taak en welke concrete acties horen daarbij?
Het staat eenieder vrij binnen de grenzen van de wet uiting te geven aan zijn of haar zorgen. Dat kan op velerlei wijzen, waarvan demonstreren er één is. Dat is een grondrecht, daar sta ik voor en dat moeten we als overheid ook faciliteren.
In dit geval gaat het echter niet (alleen) om een oproep tot een demonstratie, maar om een oproep tot het blokkeren van een snelweg. Zoals in het antwoord op voorgaande vragen heeft de rechtbank Den Haag onlangs nog geoordeeld dat het blokkeren van de snelweg een strafbaar feit kan opleveren; strafbaar gesteld in artikel 162 van het Wetboek van Strafrecht. Ongeacht het doel van dergelijke acties, is het aan de politie en het Openbaar Ministerie op te treden wanneer strafbare feiten worden gepleegd en de veiligheid in het geding is. Op welk moment wordt opgetreden is afhankelijk van de veiligheidssituatie van handhavers, hulpverleners, demonstranten en omstanders. De inhoud van de demonstratie wordt bij die afweging niet meegewogen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Dat is mij gezien het grote aantal vragen en de verschillende sets Kamervragen op dit onderwerp, helaas niet gelukt.