Het NZa-rapport 'Tussen Wal en Voordeur' |
|
Elke Slagt-Tichelman (GroenLinks-PvdA) |
|
Vicky Maeijer (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat het rapport «Tussen Wal en Voordeur» de impressie wekt dat het kabinet de keuzes overlaat aan zorgkantoren zonder zelf toekomstbestendige keuzes te maken die mensen duidelijkheid geven?1
Iedereen met een indicatie voor de Wet langdurige zorg (Wlz) heeft op grond van de Wlz recht op een plek in het verpleeghuis. Veel mensen willen de zorg en ondersteuning echter het liefst thuis in hun eigen omgeving krijgen, maar dit betekent wel dat de zorg op een verantwoorde en veilige manier geleverd moet worden en er een volwaardig alternatief voor een intramurale opname moet zijn. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende geschikte woningen zijn voor ouderen.
Om de stijgende vraag naar verpleeghuiszorg het hoofd te kunnen bieden, heeft het vorige kabinet in 2022 het programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO)2 gelanceerd. Daarbij ligt de focus op zorg buiten het verpleeghuis.
Dit kabinet kiest echter voor een breder perspectief. Voor alle ouderen moet er geschikte huisvesting aanwezig zijn. Met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordering (VRO) zetten wij ons dan ook in voor het programma «wonen en zorg voor ouderen». In dit programma zijn afspraken gemaakt om tot en met 2030 290.000 extra woningen voor ouderen te realiseren. Daarnaast vinden wij het belangrijk dat er ook voldoende woonvormen voor kwetsbare ouderen zijn waarbij de zorg 24 uur per dag fysiek aanwezig is. Daarom heeft dit kabinet € 600 miljoen beschikbaar gemaakt voor betere ouderenzorg voor bijvoorbeeld extra zorg/verpleegplekken. Beschikbaarheid van voldoende verpleeghuisplekken is voor ons essentieel en daarom wordt onderzoek gedaan naar de mogelijke terugkeer van de verzorgingshuizen. Naar verwachting kan het onderzoek binnenkort starten en zal in september 2025 worden afgerond. Ook de terugkeer van verzorgingshuizen kan een bijdrage leveren aan de invulling van de woon-zorgvraag van ouderen.
Hoe reflecteert u op het advies van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) uit juli 2023 om de Wet landurige zorg (Wlz) aan te passen zodat de beperkte verblijfsplaatsen en het schaarse zorgpersoneel ingezet worden voor de groep mensen die dit het hardst nodig hebben? Bent u voornemens om dit advies ook op te volgen? Zo ja, welke concrete maatregelen zult u nemen om dit te bewerkstelligen en kunt u hierbij ook een helder tijdsplan geven, gelet op de urgentie? Zo nee, waarom niet?
De NZa pleit in haar advies «Scheiden van wonen en zorg in de verpleging en verzorging» voor het aanpassen van de Wlz om de WOZO-beweging te ondersteunen.
Het gaat er dan volgens de NZa vooral om dat het samenstel van aanspraken, leveringsvormen en toegangscriteria tot de Wlz onvoldoende ondersteunend is aan de verschillende WOZO-beleidsdoelen voor scheiden van wonen en zorg. Met de NZa ben ik van mening dat verpleeghuisplekken beschikbaar moeten blijven voor zeer kwetsbare ouderen en dat we het schaarse zorgpersoneel zorgvuldig moeten inzetten.
Het toegankelijk houden van de ondersteuning en zorg voor onze ouderen én het afwenden van het dreigende arbeidsmarkttekort zijn de twee grootste uitdagingen waar we met elkaar voor staan. Er zijn immers steeds meer ouderen en het aantal ouderen met een zorgvraag stijgt. Maar het aantal zorgverleners groeit niet mee. We zijn daarom met partijen, waaronder de NZa, in gesprek over een Hoofdlijnenakkoord ouderenzorg (HLO). In het akkoord willen wij concrete afspraken maken om deze doelstellingen te bereiken. De afspraken zien onder andere op het organiseren van de zorg thuis, mantelzorgondersteuning en het beschikbaar houden van een plek in het verpleeghuis voor onze zeer kwetsbare ouderen. De NZa is actief betrokken bij het formuleren van de afspraken waarbij zij hun eerder uitgebrachte advies benutten.
Wij voelen net als iedereen de urgentie om de zorg voor onze ouderen ook in de toekomst te kunnen garanderen en streven naar het zo snel mogelijk sluiten van het HLO. Op de concrete afspraken en het tijdpad kan niet worden vooruitgelopen.
Kunt u op ieder van de aanbevelingen uit het rapport «Tussen Wal en Voordeur» afzonderlijk reageren en aangeven of u voornemens bent deze over te nemen? Kunt u voor elk van de aanbevelingen welke u voornemens bent aan te nemen, aangeven welke concrete maatregelen u zult nemen om de aanbeveling in de praktijk te brengen?
De NZa trekt in haar rapport «Tussen wal en voordeur» drie hoofdconclusies waar zorgkantoren (meer) op in moeten zetten:
Wij onderschrijven de conclusies van de NZa. Dat zorgkantoren een duidelijke visie moeten ontwikkelen op hoe de zorg te organiseren voor Wlz-cliënten die thuis wonen en ten aanzien van deze groep meer eigenaarschap moeten creëren is echter niet een opgave voor de zorgkantoren alleen. De NZa geeft als voorbeeld dat ten behoeve van passende zorg thuis de ondersteuning van mantelzorgers ook een belangrijk punt is. Mantelzorgondersteuning maakt echter geen onderdeel uit van de Wlz-aanspraak en is daarmee ook geen taak van het zorgkantoor. Wij beogen in het HLO ook het versterken van de mantelzorgondersteuning mee te nemen.
Ook (zorggeschikte) woningen en de woonomgeving zijn belangrijke randvoorwaarden voor kwaliteit van leven als je ouder wordt. In het regeerprogramma zijn de ideeën van het kabinet op de bouwopgaven nader uitgewerkt. Het kabinet houdt vast aan de gemaakte afspraken van de realisatie van 290.000 woningen die geschikt zijn voor ouderen. Geclusterde zelfstandige woonvormen voor ouderen vallen hier ook onder. Voor ouderen voor wie een plek in het verpleeghuis nog niet aan de orde is, maar de zorgafhankelijkheid wel al gevorderd is, onderzoekt de regering de mogelijkheden voor de terugkeer van verzorgingshuizen (een gezamenlijk huis met toezicht in de nacht).
Naar aanleiding van het verschijnen van het NZa-rapport hebben wij de uitkomsten en aanbevelingen met Zorgverzekeraars Nederland en de NZa besproken. De NZa heeft daarbij aangegeven dat zij starten met vervolgonderzoeken naar nieuwe clientgroepen en de zorgkantoren te vragen om te toetsen of de aanbevelingen van dit onderzoek voldoende zijn opgevolgd. Dat is ook een moment voor de NZa en de zorgkantoren om samen terug te kijken op de laatste onderzoeken en vooruit te kijken naar de nieuwe onderzoeken.
VWS, ZN en de NZa hebben op basis van de aanbevelingen afspraken gemaakt dat zorgkantoren duidelijk aangeven wat zij nu direct kunnen oppakken en welke aanbevelingen meer tijd vragen om goed gevolg te geven. De NZa ziet daarbij dat sprake is van een overgangsperiode, maar verwacht wel dat de zorgkantoren een regierol pakken in het besef dat niet alles makkelijk uit te voeren is. Voorts ziet de NZa graag dat gemotiveerd wordt wat zorgkantoren niet meteen kunnen oppakken. Daarbij hanteert de NZa de aanpak dat de NZa het «wat» beschrijft, maar dat de zorgkantoren verantwoordelijk zijn voor het «hoe». Wij onderschrijven deze aanpak van de Wlz-uitvoerders/zorgkantoren en de NZa, waarbij er ook ruimte is voor dialoog om nader te bepalen hoe invulling kan worden gegeven aan deze verwachting.
De verbeterpunten waarmee zorgkantoren gelijk gezamenlijk aan de slag gaan betreffen in de eerste plaats de wachtlijsten:
Zorgkantoren acteren actief op de aanbevelingen van de NZa en wij blijven in nauw overleg met de zorgkantoren en de NZa over het plan van aanpak van de zorgkantoren om de aanbevelingen van dit belangrijke rapport uitwerking te geven.
Bent u het met de NZa eens dat de overheid duidelijkheid moet geven met betrekking tot welke zorg, aan welke doelgroep en in welke setting wel/niet geleverd zou moeten worden? Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk zou zijn om deze verantwoordelijkheid te beleggen bij de zorgkantoren?
Ouderen met een zorgvraag willen zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving blijven wonen, in de buurt die ze kennen en met mensen die hen dierbaar zijn. Als het niet noodzakelijk is, willen ze liever niet in het verpleeghuis opgenomen worden. Dit kan alleen als ondersteuning en zorg buiten het verpleeghuis voor hen goed georganiseerd zijn. Op dit moment hebben de meeste zorgkantoren in navolging van het WOZO-programma hun beleid aangepast om in te zetten op «thuis tenzij». Voor kwetsbare ouderen is het van belang dat in de thuissituatie goede ondersteuning en zorg beschikbaar is.
De NZa geeft in het rapport aan dat op basis van de huidige wet- en regelgeving cliënten de mogelijkheid hebben om te kiezen voor intramurale zorg. De NZa heeft in juli 2023 de Minister van VWS geadviseerd3 om de Wlz aan te passen om ervoor te zorgen dat de beperkte verblijfplaatsen en het schaarse zorgpersoneel ingezet wordt voor de groep cliënten die dit het hardst nodig heeft. De oproep van de NZa had betrekking op de inperking van keuzemogelijkheden in de Wlz. Hiermee zou de overheid duidelijkheid moeten geven welke zorg, aan welke doelgroep en in welke setting wel, of juist niet geleverd zou moeten worden, aldus de NZa.
Met partijen zijn wij in gesprek over het HLO, waarbij wij afspraken willen maken om de Wlz-zorg en -ondersteuning ook in de toekomst toegankelijk te houden, waarbij wij inderdaad ook naar het wettelijk kader kijken.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de tweede termijn van het commissiedebat Langdurige zorg?
Ja.
De mogelijke herbenoeming van de VN Speciaal Gezant mevrouw Albanese |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Minister Veldkamp (Buitenlandse Zaken) weigert omstreden VN-rapporteur Albanese te ontvangen»?1
Ja.
Bent u, gezien recente veroordelingen van haar publieke uitingen, alsmede formele weigeringen om mevrouw Albanese te ontvangen, bezorgd over de gevolgen die de omstreden uitlatingen van mevrouw Albanese hebben voor de status en het gezag van de Verenigde Naties (VN)?
Speciaal Rapporteurs zijn aangesteld door de VN-Mensenrechtenraad (MRR) om als onafhankelijke deskundigen onderzoek te doen naar een bepaald thematisch mensenrechtenonderwerp of landensituatie en daarover aan de Raad en de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) te rapporteren. Ze werken op persoonlijke titel, zijn onbezoldigd en zijn niet in dienst van de Verenigde Naties (VN). Ze spreken derhalve formeel niet namens de VN. Vanwege deze opzet zijn de gevolgen voor de status en het gezag van de VN in formele zin beperkt. Evenwel is de koppeling van Speciaal Rapporteurs met het VN-systeem ontegenzeggelijk en dienen zij zich daarom ook te houden aan de VN-gedragscode voor Speciaal Rapporteurs. In het geval van mevrouw Albanese staan diverse van haar uitlatingen op sociale media haaks op die gedragscode, wat het kabinet afkeurt en bij haar bezoek aan Nederland is overgebracht.
Vindt u dat dergelijke uitlatingen passen bij de standaarden die gelden voor het uitoefenen van een functie in een uiterst gevoelige en complexe omgeving?
In algemene zin hecht het kabinet sterk aan zowel de onafhankelijkheid van Speciaal Rapporteurs als aan het belang dat deze hun werk kunnen doen zonder druk of tussenkomst van VN-lidstaten. Speciaal Rapporteurs hebben echter ook een groot publiek bereik en daarmee een belangrijke verantwoordelijkheid om bij hun publieke uitingen vanuit hun functie geen persoonlijke politieke meningen te verkondigen. Diverse uitingen van Speciaal Rapporteur Albanese op sociale media staan haaks op de gedragscode. Nederland keurt deze uitingen af en heeft Speciaal Rapporteur Albanese hier meermaals op aangesproken, meest recentelijk in februari 2025. Indien nodig zal Nederland zijn zorgen over de impact van bepaalde uitlatingen van Speciaal Rapporteur Albanese opnieuw onder haar aandacht brengen.
Bent u van oordeel dat het optreden van de huidige rapporteur mevrouw Albanese in overeenstemming is met de eisen van de Code of Conduct for Special Procedures Mandate-Holders van de VN, onder andere ten aanzien van objectiviteit en onafhankelijkheid?
Alle Speciaal Rapporteurs zijn gebonden aan een VN-gedragscode (code of conduct) die onafhankelijkheid, onpartijdigheid en de hoogste integriteit voorschrijft. Dat geldt dus ook voor Speciaal Rapporteur Albanese. Klachten over het functioneren van een Speciaal Rapporteur, of vermoedelijke schending van de gedragscode, kunnen worden ingediend bij de voorzitter van het zgn. coördinatie comité van VN-mandaathouders. Deze klachten worden vertrouwelijk behandeld door dit comité. Het coördinatie comité rapporteert jaarlijks in algemene zin aan de VN-Mensenrechtenraad over het functioneren van Speciaal Rapporteurs. Indien het coördinatie comité besluit dat er sprake is van een overduidelijke, structurele schending van de gedragscode, kan dit worden doorverwezen naar de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad. Het is dan aan de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad hoe dit wordt voorgelegd aan de leden van de VN-Mensenrechtenraad.
Hoe verloopt de formele procedure om te komen tot de (her)benoeming van speciaal rapporteurs van de Mensenrechtenraad?
Na de instelling van het betreffende mandaat, in een door de VN-Mensenrechtenraad aangenomen resolutie, wordt er een vacature online gezet. Het staat individuen vrij hierop te reageren. Uit elk van de vijf regionale groepen van de VN wordt een ambassadeur van een land, dat op dat moment lid is van de VN-Mensenrechtenraad, op persoonlijke titel afgevaardigd in een «consultative group». Deze groep voert selectiegesprekken en brengt vervolgens een publiek advies uit aan de voorzitter van de Raad met een top drie van kandidaten (in volgorde van voorkeur). De voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad draagt vervolgens één kandidaat voor aan de 47 leden van de VN-Mensenrechtenraad. Bij geen bezwaar gaat de VN-Mensenrechtenraad akkoord, door middel van consensus, met de benoeming voor een termijn van drie jaar. Het komt zelden voor dat de VN-Mensenrechtenraad bezwaar maakt tegen het besluit van de voorzitter. De benoemingstermijn kan met drie jaar verlengd worden tot een maximum van zes jaar. Deze verlenging geschiedt via een stilzwijgende instemming van de Raad mits er geen gegrond bezwaar is. Uitzonderingen op een verlenging zijn: 1) duidelijke schending van de VN-gedragscode, 2) ontslagneming door de Speciaal Rapporteur zelf, of 3) beëindiging van het betreffende mandaat, via een aangenomen resolutie. De formele procedure van de (her)benoeming van de Speciaal Rapporteurs is vastgelegd in resolutie A/HRC/PRST/OS/14/2.2
Welke inbreng heeft Nederland in het verleden gehad als het gaat om de benoeming van de speciaal rapporteur voor de Palestijnse gebieden?
Tijdens de benoeming van mevrouw Albanese in de functie van «VN Speciaal Rapporteur voor de mensenrechtensituatie in de Palestijnse Gebieden bezet sinds 1967» was Nederland lid van de VN-Mensenrechtenraad en heeft net als alle andere leden ingestemd met de voorgestelde benoeming (middels consensus). Nederland was geen lid van de «consultative group» en dus ook niet betrokken bij de selectieprocedure.
Klopt het dat het mandaat van mevrouw Albanese in mei 2022 is gestart voor de duur van drie jaren?
Ja.
Is de Mensenrechtenraad voornemens het mandaat van mevrouw Albanese te verlengen?
De herbenoeming is momenteel voorzien in de laatste week van de 58e zitting van de VN-Mensenrechtenraad (31 maart tot en met 4 april 2025). Zoals in antwoord 5 uiteengezet, kan een herbenoeming plaatsvinden indien er geen sprake is van 1) een duidelijke schending van de VN-gedragscode, 2) ontslag van de Speciaal Rapporteur zelf of 3) beëindiging van het betreffende mandaat. Mevrouw Albanese kan in de Raad momenteel rekenen op brede politieke steun. Het kabinet steunt haar eventuele herbenoeming niet.
Hoe beoordeelt u een eventuele herbenoeming van mevrouw Albanese? Bent u voornemens zich in te spannen om een eventuele herbenoeming van mevrouw Albanese te voorkomen?
Zoals geschetst in het antwoord op vraag 3 hebben Speciaal Rapporteurs een groot publiek bereik en daarmee een belangrijke verantwoordelijkheid om bij hun publieke uitingen en in hun functie als Speciaal Rapporteur geen persoonlijke politieke meningen te verkondigen. Diverse uitingen van Speciaal Rapporteur Albanese op sociale media staan haaks op de gedragscode. Het kabinet keurt deze uitingen af. Afkeuring over opvattingen of rapportages van Speciaal Rapporteurs bespreekt Nederland in eerste instantie met de Rapporteur zelf en/of in de VN-Mensenrechtenraad. Het kabinet steunt eventuele herbenoeming van mevrouw Albanese niet.
Is u bekend hoe andere landen zich verhouden tot een eventuele herbenoeming van mevrouw Albanese? Pleegt u overleg met landen over deze kwestie?
Mevrouw Albanese kan rekenen op aanzienlijke internationale steun voor haar werk. Op dit moment is alleen van Israël bekend dat het zorgen heeft over de herbenoeming van Speciaal Rapporteur Albanese. Deze zorgen zijn gedeeld met Nederland tijdens een gesprek met de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur tijdens het High Level Segment van de VN-Mensenrechtenraad, eind februari 2025. Israël is momenteel geen lid van de VN-Mensenrechtenraad. Daarnaast zijn er verschillende landen, onder andere Duitsland, Frankrijk en de Verenigde Staten, die de afgelopen jaren net als Nederland zorgen hebben geuit over bepaalde uitlatingen van Speciaal Rapporteur Albanese. Deze landen hebben zich tot nu toe echter niet uitgesproken over de herbenoeming van Speciaal Rapporteur Albanese.
Welke inspanningen gaat u leveren om te bevorderen dat de opvolger van mevrouw Albanese handelt in lijn met de gedragscode van de VN?
Alle Speciaal Rapporteurs zijn gebonden aan een VN-gedragscode die onafhankelijkheid, onpartijdigheid en de hoogste integriteit voorschrijft. Waar nodig zal Nederland zorgen over het handelen overbrengen aan de betreffende Speciaal Rapporteur.
Kunt u deze vragen apart en vooraf aan de relevante vergadering van de VN mensenrechtenraad beantwoorden?
Ja.
Bescherming tegen digitale aanvallen op internationale instellingen in Nederland |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Russische spionnen en de «hack van Amsterdam»»?1
Deelt u de mening dat de in het bericht genoemde casus een indicatie is dat Nederland geen goed antwoord heeft op digitale aanvallen vanuit statelijke actoren waarbij Europese of internationale instellingen in Nederland doelwit zijn? Zo ja, hoe komt dat en wat is er nodig om dit te verbeteren? Zo, nee waar blijkt uit deze casus dan dat er wel sprake was van een goed antwoord?
Deelt u de mening dat, als Nederland geen bemoeienis heeft of mag hebben met het beschermen van internationale instellingen tegen digitale aanvallen, daarmee het risico op dergelijke aanvallen en schade kan toenemen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wat is de rol van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) in het geval een statelijke actor een digitale aanval op een Nederlandse organisatie dan wel een internationale organisatie in Nederland uitvoert? Is daar verschil tussen en zo ja, waarom?
In welke mate verschilt bovengenoemde rol van de AIVD in vergelijkbare situaties van inlichtingen- en veiligheidsdiensten in andere lidstaten van de Europese Unie (EU)?
Welke Nederlandse of Europese instantie kan wel actie ondernemen in het geval er een internationale organisatie met vestiging in een lidstaat van de EU te maken krijgt met een digitale aanval? Zo er een dergelijke instantie is, welke afspraken zijn hiermee dan precies gemaakt? Kunt u hierbij ook het specifieke juridische kader schetsen?
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat er in Europees verband kennelijk onvoldoende samenwerking is en dat een door de Nederlandse politie in 2021 gegeven waarschuwing aan andere lidstaten geen opvolging kreeg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat het kabinet doen om te zorgen dat hier in de toekomst wel op geacteerd wordt?
Deelt u de mening dat er sprake is van een lacune in de hulp aan deze internationale organisaties in het geval van een digitale aanval van een statelijke actor? Zo ja, waarom, hoe komt dat en hoe moet deze lacune opgevuld gaan worden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat uit de in het bericht genoemde casus blijkt dat de internationale samenwerking in het geval van digitale dreigingen niet optimaal werkt en verbetering behoeft? Zo ja, welke verbeteringen zijn er nodig en hoe en op welke termijn worden die bewerkstelligd? Zo nee, waarom niet en hoe kan het dan dat het weken duurt eer zelfs maar duidelijk is waar een verzoek tot onderzoek naar een dergelijke dreiging moet worden ingebracht?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Bent u bekend met het artikel waarin wordt aangegeven dat Samen Recht Vinden (SRV) niet financieel zal worden geholpen door de overheid?1
Ja
Vindt u Samen Recht Vinden ook van grote toegevoegde waarde vanwege het feit dat dit een van de weinige plekken is voor Sociaal Juridische hulp in Zeeland?
In de provincie Zeeland zijn relatief weinig voorzieningen voor sociaaljuridische hulp. Het Juridisch Loket is er wel aanwezig in drie gemeenten, te weten in Middelburg, Goes en in Terneuzen. Daarnaast is het Juridisch Loket op werkdagen voor alle burgers in Nederland gratis telefonisch bereikbaar voor informatie en advies. In vijf Zeeuwse gemeenten zijn sociaal raadslieden werkzaam. Verder zijn er in de provincie initiatieven als buurtwerk en buurtbemiddeling. De dienstverlening door Samen Recht Vinden heeft, vanwege de bijzondere aanpak voor vroegtijdige geschiloplossing, zeker een toegevoegde waarde in Zeeland. Samen Recht Vinden zoekt naar een aanvaardbare oplossing voor beide partijen waardoor iedereen weer verder kan met zijn of haar leven. Door de aanpak voelen mensen zich (weer) gehoord en gesteund en er worden procedures en juridische gevechten daar waar mogelijk voorkomen.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat de laagdrempelige toegang tot juridische ondersteuning in Zeeland op deze manier minder wordt?
Er is de afgelopen jaren na afloop van de pilotfase van het programma Stelselvernieuwing rechtsbijstand (zie vraag2 door Samen Recht Vinden en door de regio (gemeenten en provincie) veel gedaan om mogelijkheden voor borging en continuering van de dienstverlening te verkennen. Niet alleen het Ministerie van JenV was betrokken maar ook BZK heeft bijgedragen met de Rijk -Regiodeal. Conclusie is dat het moeilijk blijkt om de aanpak lokaal structureel te borgen of in te bedden. Tegelijkertijd constateer ik dat er in Zeeland een beperkt aanbod is voor eerstelijns rechtshulp en dat ieder goed werkend initiatief dat verdwijnt er een teveel is.
Momenteel ben ik in afwachting van een subsidieaanvraag van Samen Recht Vinden naar aanleiding waarvan ik welwillend zal bezien of ik in 2025 nog éénmaal een overbruggingsbijdrage toe zal kennen, zodat de bemiddeling voor burgers overeind blijft en tijd gewonnen wordt om te zoeken naar een structurele inbedding en financiering van de aanpak. Hier ligt ook een verantwoordelijkheid voor de betrokken gemeenten.
Op welke manier is het stoppen van deze subsidie in lijn met het doel van een meerderheid van de Kamer en ook dit Kabinet om laagdrempelige juridische ondersteuning te verbeteren en de conclusie over Samen Recht Vinden dat het veelbelovend was in de probleemoplossing?
Er is in de periode 2020–2022 door het programma Stelselvernieuwing Rechtsbijstand met 34 pilots geïnvesteerd in het ontwikkelen van nieuwe werkwijzen voor (onder meer) het versterken van de eerstelijns rechtshulp.
Het is nooit de bedoeling geweest en dat is ook steeds helder gecommuniceerd naar alle betrokkenen, om in de pilots ontwikkelde initiatieven vervolgens structureel te ondersteunen.
Na afloop van de pilotfase konden pilots zelf zorgen voor eventuele implementatie en borging in de eigen regio of gemeente. Samen Recht Vinden had hiervoor extra tijd nodig en heeft daarom éénmalig nog een extra bijdrage ontvangen. Het was van het begin af aan duidelijk dat deze bijdrage incidenteel zou zijn en geen vervolg zou krijgen.
Om de laagdrempelige rechtshulp te verbeteren zet ik vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand in op een goede toegang tot en versterking van de dienstverlening door het Juridisch Loket. Ook zet ik in op het verbeteren van de samenwerking tussen het juridisch en sociaal domein. De inzichten en lessen uit de pilots -en dus ook die van samen Recht Vinden- zijn hierbij bijzonder behulpzaam, vooral waar het gaat om het stimuleren van samenwerking en versterken van netwerken op lokaal en regionaal niveau en het zorgen dat burgers eerder geholpen worden bij juridische vragen en problemen.3 Ik zie echter geen mogelijkheden om vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand om initiatieven zoals Samen Recht structureel te financieren.
Op welke manier is dit in lijn met de aangenomen motie van de SP en NSC over een landelijk dekkend netwerk voor laagdrempelige juridische ondersteuning?2
Het is belangrijk dat burgers laagdrempelige toegang hebben tot het recht. Het Juridisch Loket is de landelijke organisatie voor eerstelijns rechtshulp. Zij heeft ruim 50 vestigingen en servicepunten verspreid door het land. In Zeeland zit er een vestiging van het Juridisch Loket in Middelburg en in Goes en Terneuzen zijn servicepunten aanwezig. Het Juridisch Loket is telefonisch op alle werkdagen voor burgers gratis bereikbaar voor informatie en advies, er is een uitgebreide website en desgewenst kan er ook een persoonlijke afspraak worden gemaakt. Er wordt door het Juridisch Loket samengewerkt in de regio om een meer sluitend netwerk voor sociaaljuridische hulp te vormen. In Zeeland wordt doorverwezen naar partners zoals Sociaal Raadslieden, welzijnsorganisaties, Samen Recht Vinden, buurtwerk en buurtbemiddeling. De nieuwe regioregisseur van het Juridisch Loket heeft daarin een belangrijke spilfunctie.
De kwartiermaker die naar aanleiding van de motie Van Nispen/Palmen aangesteld wordt zal deze beweging lokaal en regionaal gaan versnellen en versterken.5 Er wordt gestart in de regio’s waar het aanbod beperkt is en er een onvoldoende dekkend netwerk voor laagdrempelige sociaaljuridische ondersteuning lijkt, zoals in Zeeland het geval is.
Bent u het ermee eens dat Samen Recht Vinden bij uitstek een organisatie is die zou passen in de laagdrempelige juridische ondersteuning omdat zij in buurthuizen en bibliotheken al in 700 zaken heeft geholpen?
Ja.
Ziet u dat Samen Recht Vinden al alles heeft gedaan om andere manieren van financiering te bewerkstelligen zoals via 5 gemeenten en de provincie, en dat de gevraagde bijdrage van het Rijk gering is gezien de grote impact?
Samen Recht Vinden heeft zich goed ingespannen om alle gemeenten en de provincie Zeeland te betrekken bij de aanpak en de borging ervan. Ook zijn de Ministeries van BZK en JenV regelmatig benaderd met vraag of het Rijk mogelijkheden ziet voor samenwerking en vervolgfinanciering. Het is jammer genoeg niet gelukt om alle Zeeuwse gemeenten te committeren voor volledige vervolgfinanciering. Wel dragen de provincie en zes gemeenten financieel bij vanaf 2025. Hiermee wordt (ongeveer) een derde van de totale uitvoeringskosten gedekt. De eenmalige bijdrage voor een periode van drie jaar die nu van het Rijk wordt gevraagd, bedraagt (ongeveer) twee derde van het totaal benodigde bedrag en is daarmee naar verhouding best omvangrijk.
Bent u bereid om met spoed te bezien of extra middelen toch mogelijk zijn, om te voorkomen dat dit mooie initiatief verdwijnt terwijl we er hard aan werken dat er juist meer plekken komen waar mensen geholpen kunnen worden?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, wordt momenteel bezien om Samen Recht Vinden in 2025 nog eenmaal tegemoet te komen met een overbruggingsbijdrage, om daarmee gericht te kunnen onderzoeken wat een realistische en haalbare vorm zou zijn om de aanpak te behouden voor Zeeland.
Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid kan ik evengoed niet inzetten op het (meerjarig) financieel ondersteunen van lokale initiatieven vanuit het budget voor de gesubsidieerde rechtsbijstand, omdat het daarvoor geen ruimte biedt. Ik stimuleer vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid wel het versterken van het landelijk netwerk aan sociaaljuridische hulp in samenwerking met het Juridisch Loket, de gemeenten en andere betrokken partners. De kwartiermaker die ik aanstel om deze beweging te versterken zal naar verwachting voor komende zomer starten met zijn/haar opdracht.
Bent u hiernaast bereid om deze ondersteuning voor drie jaar te bieden zodat Samen Recht Vinden een financiering heeft om de gerealiseerde stelselvernieuwing te implementeren binnen de bestaande wereld van Rechtsbijstand?
Nee. Zoals in het antwoord op vraag 4 al aangegeven zie ik het niet als mijn verantwoordelijkheid om lokale initiatieven meerjarig te ondersteunen in de exploitatie.
Bent u ervan op de hoogte dat Samen Recht Vinden voor 27 februari meer duidelijkheid moet hebben omdat dit anders al zal betekenen dat er personeel weg moet?
Ja. Er is telefonisch contact geweest met de directeur van Samen Recht Vinden om dit te bespreken zodat het personeel en daarmee de dienstverlening behouden blijft.
Wil u om deze reden deze vragen zo snel mogelijk, maar uiterlijk voor 27 februari beantwoorden?
Dat is niet gelukt vanwege de nodige afstemming van de antwoorden en het gesprek met Samen Recht Vinden.
De sloop van sociale huurwoningen in oa Meezenbroek en Versiliënbosch in Heerlen, de Pompenburgflat in Rotterdam en Prinsejagt in Woensel |
|
Sandra Beckerman |
|
Mona Keijzer (BBB) |
|
Kent u het bericht «Na stikstof dreigt ook CO2-uitstoot een probleem te worden: «Stop de sloop»? waarin onder andere voormalig Rijksbouwmeester Floris Alkemade voor een stop op sloop pleit?1
Deelt u de conclusie over sloop van van Alkemade dat: «We niet dwangmatig moeten door blijven gaan op een pad waarvan je van mijlenver ziet dat het doodloopt.»?
Wat vindt u van de voorgenomen sloop van 90 woningen in de wijk Meezenbroek? Erkent u dat bewoners zich niet betrokken voelen bij de plannen voor sloop en er veel onzekerheid en ongerustheid is?
Waarom wordt er zonder gedegen proces samen met bewoners gekozen voor de ingrijpende sloopoptie?
Erkent u dat jarenlang achterstallig onderhoud te vaak wordt gebruikt om woningen daarna te kunnen slopen?
Wat vindt u van de voorgenomen sloop in de wijk Versiliënbosch in eveneens Heerlen?
Erkent u dat het zowel bij Meezenbroek als Versiliënbosch gaat om voormalige mijnwerkerswijken en deze wijken behoren tot ons historisch erfgoed?
Herkent u zich in het pleidooi van het Cuypersgenootschap, een stichting die zich inzet voor het behoud van bouwkundig erfgoed uit de negentiende en twintigste eeuw, om Meezenbroek niet te slopen maar juist een monumentale status te geven?2
Kent u het pleidooi van de Bond Heemschut tegen de sloop van karakteristieke volkswijken?3
Deelt u de zorgen van de erfgoedorganisatie dat de identiteit van buurten verdwijnt als gekozen wordt voor sloop?
Wat vindt u van de voorgenomen sloop van 42 woningen in de buurt Prinsejagt in Woensel (gemeente Eindhoven)? Erkent u dat het zeer ingrijpend is dat bewoners via een brief wordt meegedeeld dat hun woningen gesloopt gaan worden?
Erkent u dat het ministerie al in zomer 2023 is geïnformeerd over de sloop in Prinsejagt en in oktober 2023 deze locatie is uitgekozen voor de pilot parallel plannen terwijl bewoners pas in voorjaar 2024 geïnformeerd zijn?4
Vindt u het wenselijk dat bewoners zo laat worden geïnformeerd over zo’n ingrijpend besluit en dit een «sloopoverval» noemen? Hoe verhoudt het achterhouden van informatie voor direct betrokken bewoners zich met de doelstellingen van parallel plannen? Gaat dit vaker voorkomen?
Wat vindt u van de uitspraak van de projectleider gebiedsontwikkeling: «Participatie over de locatie van de te slopen woningen is bewust niet gevoerd, omdat de gemeente en Woonbedrijf het erover eens zijn dat deze locatie het meest voor de hand ligt voor het toevoegen van appartementen»? Is het bewust bewoners niet laten participeren wenselijk binnen het programma parallel plannen?
Erkent u dat deze sloopplannen voor veel stress en verdriet zorgen bij bewoners en een deel straks niet terug kan keren naar hun geliefde plek omdat er geen gezinswoningen worden gebouwd?
Wat vindt u van de voorgenomen sloop van de Pompenburgflat in Rotterdam? Erkent u dat het pijnlijk is dat dit icoon van de volkshuisvesting gesloopt dreigt te worden?
Deelt u de mening dat dit gebouw een monumentale status zou moeten krijgen, mede als eerbetoon voor de deze maand overleden architect Carel Weeber?
Weet u dat ook bij de voorgenomen sloop van dit icoon bewoners slecht betrokken zijn en in de krant moesten lezen over de voorgenomen sloop? Hoe oordeelt u hierover?
Erkent u dat de Pompenburgflat erg duurzaam is en sloop onnodig omdat door optoppen van de flat er meer sociale huurwoningen kunnen worden toegevoegd dan dat er bij nieuwbouw gerealiseerd worden?
Ziet u eveneens een patroon waarbij huurders te laat en te weinig worden betrokken bij dit soort ingrijpende besluiten?
Wilt u zorgen dat huurders meer te zeggen krijgen bij sloop? Nu is het bijvoorbeeld zo dat wel 70% van de huurders moet instemmen bij renovatie, waarom is dat niet zo bij sloop?
Deelt u de mening dat blij sloop van woningen soms ook gemeenschappen worden gesloopt? Erkent u dat terugkeer niet altijd mogelijk is vanwege hogere huren?
Vorig jaar heeft de Ombudsman ook aandacht gevraagd voor de impact die sloop heeft op bewoners en hun gemeenschappen, welke lessen trekt u uit dit rapport?5
Recent bleek uit cijfers van het CBS dat er vorig jaar 11.800 woningen zijn gesloopt, erkent u dat er nog te vaak onnodig woningen gesloopt worden in Nederland?
In uw afspraken gemaakt op de Woontop lezen we dat er tot 2035 nog 93.009 sociale huurwoningen gesloopt worden, hoe is gekomen tot dit aantal?
Dit aantal komt zeer specifiek over, kunt u de achterliggende berekeningen met de Tweede Kamer delen? Welke corporatie wil hoeveel woningen slopen en waar bevinden die woningen zich?
Welke afwegingen en argumenten zijn gebruikt om tot deze optelsom te komen?
Hoe staat u tegenover het pleidooi van onder andere architecten dat sloop ook gezien de klimaatdoelen die behaald moeten worden in veel gevallen onwenselijk is?
Erkent u dat Nederland 24 megaton bouwafval per jaar produceert, omgerekend 760 kilo per seconde? Deelt u de mening dat het om de uitstoot van de bouwsector omlaag te krijgen verstandig is om niet te slopen en de gebouwen die er al zijn te blijven gebruiken?6
Voormalig Rijksbouwmeester Alkemade stelt dat de CO2-uitstoot nog onvoldoende wordt meegewogen in de afweging aangaande sloop, herkent u dat?
Hoe weegt u zijn uitspraak: »Binnen de klassieke manier van het doorrekenen van een bouwproject is sloop goedkoper» maar dat hier duurkoop is?7
Kent u het bericht «Architecten worden de nieuwe activisten: weg met de sloopkogel en bouwen met wat er is»?8
Bent u eveneens onder de indruk van de plannen en pleidooien van architecten om extra woonruimte creëren in bestaande gebouwen?
Hoe staat u tegenover de voorgestelde paradigma shift naar: «in principe blijft elk pand behouden, tenzij het echt niet anders kan»?9
Erkent u dat creatiever denken en het betrekken van oa architecten cruciaal zijn om uit de wooncrisis te komen? Zo ja, welke stappen wilt u zetten om dit te bereiken?
Hoe staat u tegenover het initiatief «recht op renovatie» van HouseEurope!?10
Renovatie van wijken met erfgoedwaarde zoals Meezenbroek |
|
Ines Kostić (PvdD), Habtamu de Hoop (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
Mona Keijzer (BBB) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennis genomen van het bericht Ophef rond plannen voor sloop in Heerlense wijk Meezenbroek en Boze Heerlenaren in verzet tegen sloopkogel door historische volksbuurt?1 2
Wat vindt u van de voorgenomen sloop in Meezenbroek? En hoe beoordeelt u het feit dat bewoners zich onvoldoende gehoord voelen in dit proces?
Wat vindt u ervan dat bewoners van huizen die gesloopt moeten worden jarenlang niet in hun eigen buurt kunnen wonen en mogelijk tegen een veel hogere huur gedwongen worden elders te huren?
Bent u het met ons eens dat bewoners die al jarenlang in een corporatiewoning wonen altijd zouden moeten kunnen terugkeren na renovatie of sloop?
Op welke manier worden de belangen en de mogelijkheden tot inspraak van bezorgde bewoners die bang zijn niet terug te kunnen keren naar hun eigen woning, zoals in de wijk Meezenbroek, op dit moment in wet- en regelgeving geborgd?
Op welke manier kan het instemmingsrecht van bewoners dat geldt bij renovatie verbreed worden in het geval van sloop?
Wat gaat u doen om bewoners te helpen die mogelijk permanent moeten verhuizen omdat ze de huur van hun nieuwe woning niet meer kunnen betalen?
Heeft u in beeld hoeveel historische volkswijken met sociale huurwoningen in Nederland gesloopt dreigen te worden omdat renovatie financieel niet uit kan? Zo ja, kunt u een lijst geven van volkswijken die mogelijk gesloopt gaan worden?
Wat zijn de gevolgen voor de sociale cohesie in een wijk zoals Meezenbroek wanneer bewoners niet kunnen terugkeren?
Bent u het met ons eens dat wijken van historische waarde, zoals Meezenbroek, moeten worden beschermd? Zo ja, hoe gaat u dat faciliteren? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat een woning bij sloop en nieuwbouw op dezelfde plek voor een veel hogere prijs verhuurd mag worden, terwijl die mogelijkheid bij renovatie beperkt is? Zo ja, wat is het effect hiervan op de keuzes die corporaties maken als het gaat om sloop/nieuwbouw of renovatie?
Als reden voor het (deels) slopen van de wijk geeft de corporatie aan dat renoveren te duur is. Aedes geeft aan dat corporaties op de lange termijn steeds minder geld over houden voor onder andere renovatie en verduurzaming.3 Zouden er minder historische sociale huurwoningen gesloopt hoeven worden als corporaties meer financiële ruimte zouden hebben?
Klopt het dat voor de sloop van woningen een natuurvergunning aangevraagd moet worden en dat het in het licht van de stikstofuitspraak van 18 december jl. beter kan zijn om te kiezen voor renovatie in plaats van sloop en nieuwbouw? Wat betekent dit voor de sloopplannen van wijken zoals Meezenbroek?
Door de waarde van vermeden CO2 uitstoot mee te nemen komt sloop juist duurder uit dan renovatie.4 Op welke manier zorgt de Minister dat corporaties alle maatschappelijke kosten en baten meewegen bij het verduurzamen van historische wijken?
Bent u bereid om in uw gesprekken met corporaties te verkennen hoe de sloop van oude volksbuurten met historische waarde zo veel mogelijk voorkomen kan worden? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de voortgang van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
De Kaderrichtlijn Water |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het rapport van de Europese Commissie over de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water van 4 februari 2025 waarin wordt gesteld dat Nederland met het huidige beleid de doelen zoals vastgelegd in de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) niet zal halen in 20271? Wat is hierop uw reactie?
Vanuit de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat was op 7 februari jl. ook een verzoek gekomen3 om een reactie van het kabinet over het rapport van de Europese Commissie. De Kamer ontvangt nog voor het aankomende Commissiedebat Water een brief waarin ingegaan wordt op de evaluatie van de Europese Commissie van de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen.
Over de gevolgen van het stoppen met het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) voor de waterkwaliteit zijn eerder Kamervragen gesteld door de leden Rooderkerk, Podt en Bamenga. Verwezen wordt naar de antwoorden hierop, die de Kamer op 15 oktober 2024 ontvangen heeft van de Minister van LVVN.4
Met betrekking tot het deel van de vraag dat ziet op de voornemens voor Natura 2000-gebieden kan gemeld worden dat hier nog geen nader inzicht in is. In de Kamerbrief over de aanpak van de problematiek rondom stikstof en PAS van 14 februari 2025 staat daarom aangegeven dat bij de uitwerking van de diverse sporen aandacht zal zijn voor de wisselwerking met de opgaven voor klimaat, water (KRW) en luchtkwaliteit, ook om afwenteling te voorkomen.5
Bent u bekend met het bijbehorende werkdocument «Third River Basin Management Plans Second Flood Hazard and Risk Maps and Second Flood Risk Management Plans Member State: Netherlands»2? Deelt u de constatering dat het afschaffen van de gebiedsplannen door het huidige kabinet en het voornemen om Natura2000-gebieden te beperken negatieve gevolgen kan hebben voor de waterkwaliteit in Nederland?
Zie antwoord vraag 1.
Staat u nog steeds achter uw eerdere uitspraak: «De (inter)nationale doelen voor het herstellen van de natuur, het verbeteren van de biodiversiteit, het verbeteren van de waterkwaliteit en beschikbaarheid, en het mitigeren van broeikasgassen en anticiperen op verdere klimaatverandering staan.»3?
Ja, deze doelen zijn opgenomen in het regeerprogramma en zijn daarmee kabinetsbeleid. Vanuit meerdere departementen wordt op dit moment gewerkt aan de invulling van deze verplichtingen.
Klopt het dat de KRW uitgelegd moet worden als een resultaatsverplichting, waarbij op 22 december 2027 het Nederlandse water aan de doelen moet voldoen?
Ja, dat klopt, met dien verstande dat er in bepaalde gevallen een geldig beroep gedaan kan worden op uitzonderingsmogelijkheden die de KRW biedt, indien doelen in 2027 niet zijn bereikt. Zie voor nadere toelichting de Kamerbrieven van 27 juni en 20 december 2024.7, 8
Bent u bekend met het Koepelrapport Tussenevaluatie KRW4, waaruit blijkt dat het Impulsprogramma KRW tot zover niet toereikend is gebleken?
Ja, dit rapport is op 20 december jl. met een begeleidende Kamerbrief door het kabinet aan de Kamer gestuurd.
Hoe kijkt u naar het besluit om de bufferstroken rond Natura2000-gebieden waar mest op mag worden uitgereden te verkleinen van 250 naar 100 meter? Wat doet dat besluit met het doelbereik voor de KRW?
Door het lid Bamenga zijn hierover ook vragen gesteld in het commissiedebat Water van 24 september 2024. Die vragen zijn schriftelijk beantwoord in de Kamerbrief van 10 oktober 2024. Daarin is aangegeven dat de instelling van de zones niet als had doel om de waterkwaliteit te verbeteren. In de onderbouwing van de breedte van de zone was daarom destijds niet specifiek gekeken naar het effect op de waterkwaliteit. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de op 10 oktober verzonden Kamerbrief10.
Onderschrijft u dat onder andere het toepassen van minder mest «door aanpassing van de stikstofgebruiksnormen» onvermijdelijk is om aan de doelen te kunnen voldoen, zoals gesteld in het Koepelrapport Tussenevaluatie KRW? Zo ja, wanneer zal u concrete stappen nemen hiertoe? Zo nee, welke zwaarwegende belangen hebt u om dat niet te doen?
Uit de studie van de WUR (bijlage bij de brief over de evaluatie van de Meststoffenwet11) blijkt dat de – op grond van de derogatiebeschikking gedwongen – 20% korting op de stikstofgebruiksnorm in nutriënt-verontreinigde gebieden een belangrijke bijdrage levert aan de voorspelde verbetering van de waterkwaliteit. Het vaststellen van gebruiksnormen is niet aan de Minister van IenW, maar aan de Minister van LVVN.
Bent u bekend met het rapport «Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland; toestand (2020–2023) en trend (1992–2023) Resultaten van de monitoring van de effecten van de EU Nitraatrichtlijn actieprogramma’s» van het RIVM5, waarin wordt gesteld dat droge periodes, die vaker zullen voorkomen door klimaatverandering, leiden tot verhoogde nitraatconcentraties?
Ja, dat rapport is op 28 november jl. door het kabinet aan de Kamer gestuurd.13
Erkent u de volgende constatering uit het Koepelrapport Tussenevaluatie KRW: «sluiten normeringen en toelating van stoffen niet aan op de KRW-normering, zijn vergunningen verouderd, incompleet of ontbrekend en is er onvoldoende capaciteit en kennis voor adequate toezicht en handhaving van de regelgeving.»? Kunt u toelichten waarom dit het geval is en welke belangen daarbij prevaleren?
Het klopt dat de toelating van stoffen tot de markt niet altijd aansluit op de KRW-normering. Een oorzaak hiervan is dat die toelating vanuit een ander, al dan niet Europees geharmoniseerd beleidskader of wetgeving plaatsvindt en met soms andere beschermdoelen en bijbehorende normen. Een voorbeeld hiervan, dat ook in het koepelrapport wordt benoemd, is de toelating van gewasbeschermingsmiddelen.
Met betrekking tot verouderde vergunningen is aan de Kamer in september 2024 gemeld dat het kabinet bekijkt hoe voldaan kan worden aan de wens van de Europese Commissie om het periodiek actualiseren van beheersmaatregelen voor lozings- en onttrekkingsactiviteiten beter te regelen in de Nederlandse wetgeving14. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Wat betreft vergunningverlening, toezicht en handhaving kampen de verschillende bevoegde gezagen met tekorten in personele capaciteit en expertise. Mede hierdoor zijn er achterstanden ontstaan bij het actueel houden van vergunningen. Dit speelt overigens niet alleen op het gebied van waterkwaliteit, maar breder in het milieudomein. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Kamerbrief over de versterking van het VTH-stelsel, die door de Staatssecretaris van IenW op 5 november jl. aan de Kamer is verzonden.15
Gaat u alle bovengenoemde tekortkomingen in de normeringen en naleving verhelpen? Zo nee, kunt u aangeven welke normeringen, vergunningen en handhaving u ongewijzigd laat en waarom?
Voor wat betreft de toelating en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt verwezen naar de Kamerbrief hierover, die verstuurd is mede naar aanleiding van de motie van het lid Grinwis.16
Voor wat betreft het actualiseren van vergunningen zijn voor de KRW met name de vergunningen voor lozingen (directe en indirecte) en onttrekkingen van belang. Voor de lozingsvergunningen die onder de directe verantwoordelijkheid van de Minister van IenW vallen is Rijkswaterstaat bezig met deze te bezien en waar nodig herzien, waarbij prioriteit wordt gegeven aan de lozingsvergunningen die van belang zijn voor de KRW. Ook de andere bevoegde gezagen werken aan het actualiseren van vergunningen. In de Kamerbrief van 12 november 2024 is de Kamer geïnformeerd over de aanpak om het VTH-stelsel voor de afvalwaterketen te versterken, waarbij zowel naar directe als indirecte lozingen wordt gekeken.17
Kunt u een overzicht delen van spijtvrije maatregelen om de doelen van de KRW dichterbij te brengen? Zo nee, kunt u toezeggen om een dergelijk overzicht op te stellen, waarbij te denken valt aan bijvoorbeeld het uitsluiten van het gebruik van zink in woningbouw?
Voor de beantwoording van deze vraag wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds alle reeds afgesproken maatregelen voor de KRW en anderzijds de mogelijke nieuwe maatregelen naar aanleiding van de Tussenevaluatie KRW.
Een overzicht van alle reeds afgesproken maatregelen is opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen 2022–2027, die op 18 maart 2022 met de Kamer zijn gedeeld18. Met de eerdergenoemde Tussenevaluatie is in beeld gebracht tot welk KRW-doelbereik deze maatregelen naar verwachting zullen leiden, en is ingegaan op mogelijke acties en maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren. In navolging daarvan wordt binnen het kabinet en met de medeoverheden toegewerkt naar besluitvorming hierover, onder meer via het Bestuurlijk Overleg KRW. In de Kamerbrief van 20 december 2024 is toegezegd de Kamer vóór de zomer 2025 te informeren over de aanvullende maatregelen en vervolgstappen die genomen zullen worden naar aanleiding van de Tussenevaluatie19. Onderdeel hiervan is de ketenaanpak voor 42 KRW-probleemstoffen vanuit het impulsprogramma, waar zink ook onderdeel vanuit maakt.
Heeft u in kaart wat de juridische risico's zijn wanneer Nederland de bindende afspraken van de KRW niet zal halen?
Ja, in het algemeen zijn die risico’s bekend. De Kamer is al meermaals geïnformeerd over deze risico’s, die in algemene zin bestaan uit inbreukprocedures door de Europese Commissie en nationale rechtszaken.20, 21
Heeft u in kaart in hoeverre de toenemende vervuiling van grondwater, in combinatie met (en versterkt door) de effecten van klimaatverandering, nieuwe drinkwateraansluitingen en het verstrekken van vergunningen voor bedrijven, nieuwbouwwoningen, en boeren in gevaar zal brengen?
Dit is moeilijk te voorspellen, gezien het grote aantal en de diversiteit aan milieudoelen, de verschillen in doelbereik per locatie en het feit dat niet elke activiteit invloed heeft op elk milieudoel en de onzekerheid rond de impact van klimaatverandering op het geheel. Zie ook de verwijzingen in het antwoord op de vorige vraag. Wel is duidelijk dat het grondwatersysteem onder druk staat. In het algemeen geldt dat het risico op het niet meer kunnen verstrekken van de vergunningen eerder optreedt in gebieden waar de afstand tot het doel nog groot is.
Bent u zich ervan bewust dat de mogelijkheden tot uitzondering van de regels door de EU zeer beperkt zijn, en dat wanneer de doelen niet gehaald zullen worden in 2027 dit zal leiden tot problemen met de verstrekking van vergunningen?
Hoewel de ruimte voor legitieme uitzonderingsmogelijkheden die de KRW biedt beperkter wordt, bestaat in 2027 nog steeds de mogelijkheid om gebruik te maken van uitzonderingsmogelijkheden, onder strikte randvoorwaarden. Binnen het KRW-impulsprogramma worden diverse handreikingen opgesteld om de waterbeheerders te helpen bij een correct gebruik van deze uitzonderingsmogelijkheden.
Activiteiten mogen niet in strijd komen met de doelstellingen van de KRW. Dat geldt niet pas in 2027, maar nu al. De gevolgen hiervan voor individuele activiteiten kunnen inderdaad groot zijn. Zie verder het antwoord op vraag 12 en 15.
Bent u voorbereid op het scenario waarbij woningbouw, infrastructuurprojecten, landbouw, de ontwikkeling van onze defensiecapaciteit en bedrijfsactiviteiten in bepaalde gebieden tot stilstand zullen komen doordat vergunningen niet kunnen worden verleend?
Er wordt niet verwacht dat activiteiten op grote schaal tot stilstand zullen komen. Tegelijk kunnen de gevolgen voor individuele activiteiten wel groot zijn. Zie ook het antwoord op vraag 12.
Om een dergelijk scenario zoveel mogelijk te voorkomen, wordt met het KRW-impulsprogramma gewerkt aan verbetering van de waterkwaliteit, en worden bevoegde gezagen en ook bedrijven geholpen om zo goed mogelijk om te gaan met de vergunningverlening. Zo wordt gewerkt aan heldere en toepasbare toetsingskaders, self-assessments voor bedrijven, kennisdeling en capaciteitsuitbreiding. Hiermee komen concrete risico’s zo vroeg mogelijk in beeld, zodat naar oplossingen gezocht kan worden per activiteit. Daarnaast wordt in het Europese circuit ingezet op enkele aanvullende uitzonderingsmogelijkheden in gevallen waarin de toestemmingverlening in het gedrang komt. Dit speelt met name voor activiteiten die slechts tijdelijk tot verslechtering leiden, en bij activiteiten die enkel bestaande verontreiniging verplaatsen. Hierover is tussen de lidstaten overeenstemming bereikt en momenteel vinden de onderhandelingen plaats met het Europees Parlement en de Europese Commissie.
Welke zwaarwegende belangen gelden er volgens u die extra actie om de KRW-doelen te halen uit te stellen en die een dergelijk scenario rechtvaardigen, gezien het feit dat een dergelijk scenario kan voorkomen worden door nu alle nodige maatregelen te nemen om de KRW-doelen wel te halen, waaronder de maatregelen uit het rapport van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) van mei 20236?
De aanbevelingen uit het genoemde rapport van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur worden opgepakt. Met het KRW-impulsprogramma wordt een grote inspanning geleverd om in 2027 zoveel mogelijk aan de KRW te kunnen voldoen. Daarbij spelen uiteraard op alle overheidsniveaus politiek-bestuurlijke afwegingen met alle andere ruimtelijke, economische en milieubelangen, en keuzes over de inzet van schaarse capaciteit en financiële middelen.
Erkent u dat Nederland mede door «te optimistische inschatting van de effectiviteit van maatregelen» de bindende afspraken met betrekking tot goede ecologische toestand niet zal halen en dat «De huidige situatie vraagt om een «alles op alles» inspanning»?
De Tussenevaluatie KRW laat inderdaad zien dat de huidige maatregelen nog niet voldoende zijn om overal de goede ecologische toestand te realiseren. Dit heeft meerdere oorzaken, waaronder een teveel aan nutriënten en chemische stoffen in ons water, resterende knelpunten op het gebied van inrichting en beheer, effecten van klimaatverandering en de opkomst van invasieve soorten. Een deel van de extra maatregelen is voorzien in de huidige stroomgebiedbeheerplannen of is onderdeel van lopende trajecten, zoals de voorbereiding op het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn. Daarnaast is er inzet nodig op diverse fronten, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 20 december en het onderliggende koepelrapport. Zie ook het antwoord op vraag 16 en 18.
Voor wat betreft de specifieke vraag of dit mede komt door een «te optimistische inschatting van de effectiviteit van maatregelen», is het goed om te verhelderen dat dit «specifiek» betrekking heeft op hoe de ecologische doelen in samenhang met de inrichtingsmaatregelen bepaald zijn: bij het bepalen van de ecologische doelen voor onze veelal sterk veranderde en kunstmatige wateren wordt namelijk uitgegaan van het verwachte effect van de te nemen maatregelen om het systeem natuurlijker in te richten (zoals aanleg van natuurvriendelijke oevers, nevengeulen, hermeandering van beken en vispassages).
Bekend is dat het enige tijd kan duren voordat het effect van deze maatregelen in de metingen zichtbaar wordt. Echter, het gaat hierbij om een inschatting vooraf en de daadwerkelijke effecten op de ecologie kunnen na realisatie anders uitvallen. Dit kan reden zijn om doelen hierop bij te stellen (via zogeheten «technische doelaanpassing»). Zie voor nadere toelichting de Kamerbrief die in het antwoord op vraag 5 is aangehaald.
Vindt u dat het kabinet alles op alles zet om de doelen van de KRW te halen? Zo ja, betekent dit dat u geen extra maatregelen gaat nemen? Zo nee, welke extra maatregelen gaat u nemen?
Het in 2023 gestarte impulsprogramma is erop gericht om zoveel mogelijk aan de KRW te kunnen voldoen in 2027. Hiervoor is in de eerste plaats nodig dat de verschillende overheden de eerder afgesproken KRW-maatregelen23 uitvoeren. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten zetten zich daar stevig voor in. Tegelijkertijd zijn er nog uitdagingen om alle maatregelen tijdig te realiseren.
In vervolg op de Tussenevaluatie KRW wordt bezien welke aanvullende maatregelen daar nog bovenop genomen kunnen worden, rekening houdend met de politiek-bestuurlijke afwegingen die bij vraag 16 genoemd zijn. Vóór de zomer van 2025 wordt de Kamer hierover geïnformeerd.
Gezien het feit dat dergelijke inspanning tot zover is uitgebleven, waarmee u het eerder genoemde scenario dichterbij brengt: kunt u toelichten welke zwaarwegende belangen rechtvaardigen dat eerder genoemde risico's worden genomen?
Zie het antwoord op vraag 16.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Water op 26 maart aanstaande?
Ja.
Het bericht 'Nieuw boek Joran van der Sloot op plek 30 in bestseller 60' |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
van Weel |
|
|
Bent u bekend met het nieuws dat het nieuwe boek «De eigen waarheid van Joran van der Sloot: Dagboek van een vrouwenmoordenaar» van Joran van der Sloot op plek 30 in de bestseller 60 staat?1
Heeft u zicht op de openstaande schadevergoedingen die Joran van der Sloot nog moet betalen aan slachtoffers en nabestaanden? Zo ja, wat is de hoogte van dit bedrag en betreft het hier ook Nederlandse slachtoffers en nabestaanden?
Deelt u de mening dat iedere euro die Joran van der Sloot verdient direct naar schadevergoedingen voor slachtoffers en nabestaanden moet gaan? Zo ja, hoe gaat u hierop toezien?
Vindt u dat de Nederlandse staat nog een rol moet hebben bij het betalen van openstaande schadevergoedingen van Nederlandse gedetineerden, ondanks dat zij hun delicten en gevangenisstraffen in het buitenland hebben gepleegd en uit moeten zitten?
Bent u bereid om met uw internationale collega’s, bijvoorbeeld Peru waar van der Sloot nu gevangen zit, in gesprek te gaan om ervoor te zorgen dat nabestaanden en slachtoffers conform de toegewezen schadevergoeding zo snel mogelijk hun rechtmatige geld ontvangen?
De berichtgeving waaruit blijkt dat PostNL vanaf februari de post al vanaf 09.00 uur wil ophalen in plaats van na 17.00 uur |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Beljaarts |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichtgeving waaruit blijkt dat PostNL vanaf februari de post al vanaf 09.00 uur wil ophalen in plaats van na 17.00 uur?1, 2
Ja.
Klopt het dat het hierbij zal gaan om ongeveer 75% van alle brievenbussen in Nederland?
Dat klopt. PostNL geeft aan vanaf februari 2025 75% van de brievenbussen overdag te gaan legen.
Welke gevolgen heeft dit voor mensen die niet bij de resterende 25% van de brievenbussen in de buurt wonen?
PostNL geeft aan dat er altijd een brievenbus in de buurt is waar consumenten brieven voor bezorging de volgende dag kunnen posten. De brievenbussen die na 17:00 worden geleegd staan op plekken waar mensen regelmatig komen, zoals winkelgebieden. Het postbedrijf benadrukt dat 98% van de Nederlanders op niet meer dan 5 kilometer afstand van zo’n winkelgebied woont. Op de brievenbus en in de locatiewijzer op de website van PostNL kunnen consumenten zien of een desbetreffende brievenbus na 09:00 of na 17:00 wordt geleegd.
Kunt u gedetailleerd toelichten hoe de stap van PostNL verenigbaar is met de eis uit het Postbesluit dat PostNL er voor moet zorgen dat de brieven die binnen de Universele Postdienst (UPD) verzonden worden, ten minste in 95% van de gevallen binnen 24 uur bezorgd moeten worden? Is dat ook haalbaar als de brievenbussen massaal eerder geleegd worden zoals PostNL beoogt? Zo nee, bent u voornemens te handhaven op de afgesproken bezorgnorm van 95% binnen 24 uur of bent u bereid om de Autoriteit Consument & Markt (ACM) te vragen om daarop te handhaven? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het wettelijk kader. In dat wettelijk kader zijn geen regels over de precieze lichtingstijden van brievenbussen vastgelegd. Daarom heeft PostNL de wettelijke ruimte om tijdstippen van lichting zelf te bepalen en is dit geen norm waar de Autoriteit Consument en Markt (ACM) toezicht op houdt. Als zou blijken dat PostNL door het nemen van deze maatregel niet meer voldoet aan de overige eisen die voortvloeien uit de regelgeving voor de UPD, dan kan de ACM beslissen om hierop te handhaven. De ACM bepaalt daarbij als onafhankelijke toezichthouder haar eigen prioriterings- en handhavingsbeleid.
Is de stap die PostNL zette niet een feitelijke teruggang van 24-uurs- naar 48-uursbezorging van post binnen de UPD? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe apprecieert u de stap van PostNL in het licht van de expliciete wens van de Kamer om niet af te schalen op de 24-uursbezorging en de bijbehorende norm van 95% voor UPD-poststukken?
Deze maatregel past in het beeld dat de financiële houdbaarheid van het huidige postnetwerk onder toenemende druk staat. Zolang de dienstverlening van PostNL voldoet aan het wettelijk kader staat het PostNL vrij om haar dienstverlening aan te passen. Ik vind het hoe dan ook belangrijk dat PostNL transparant is over de lichtingstijden van brievenbussen zodat consumenten weten waar ze aan toe zijn.
Om aan de zorgen van de Kamer tegemoet te komen heb ik inderdaad toegezegd om geen onomkeerbare stappen te zetten terwijl het onderzoek naar de postmarkt van de ACM nog gaande is. Zoals ik eerder heb aangegeven, zal ik dit in het voorjaar verwachte onderzoek en de daaruit volgende bouwstenen meenemen richting mijn toekomstvisie op de postmarkt. Dit betekent dat het vervolgproces is dat ik na de oplevering van het ACM-onderzoek aan uw Kamer een appreciatie wil sturen van het ACM-onderzoek samen met de nota van wijziging, aan de hand waarvan uw Kamer vervolgens de afweging kan maken om het proces van behandeling van de Postwet te starten.
Klopt het zoals de verantwoordelijk directeur van PostNL zei in genoemde publicaties, dat voor deze stap geen aanpassing van relevante wet- en regelgeving nodig is? Hoe verhoudt zich dat tot de genoemde eisen uit het Postbesluit en overige eisen?3, 4
De huidige Postwet en lagere regelgeving bevatten geen bepalingen over de exacte lichtingstijden waarop brievenbussen moeten worden geleegd. Daarom heeft PostNL de wettelijke ruimte om tijdstippen van lichting zelf te bepalen en is dit geen norm waar de Autoriteit Consument en Markt (ACM) toezicht op houdt. Als zou blijken dat PostNL door het nemen van deze maatregel niet meer voldoet aan de overige eisen die voortvloeien uit de regelgeving voor de UPD, dan kan de ACM beslissen om hierop te handhaven. Op basis van het Postbesluit stelt PostNL zelf de voorwaarden vast waaraan verzenders van poststukken moeten voldoen.
Heeft PostNL haar voornemen om 75% van de brievenbussen eerder op de dag te legen voorafgaand met het Ministerie van Economische Zaken besproken? Zo ja, heeft het Ministerie van Economische Zaken daarvoor voorafgaand toestemming gegeven? Kunt u toelichten hoe dat verlopen is en waarom er, als er wel toestemming is gegeven, de Kamer daarover niet geïnformeerd is nu zij zich juist keerde tegen het voornemen om de postbezorging te verruimen naar 48 uur?
Nee, PostNL heeft bij het Ministerie van Economische Zaken geen toestemming gevraagd voor de aangekondigde maatregel. Zolang een interne maatregel binnen het bestaand wettelijk kader past hoeft dit ook niet en staat het PostNL vrij om haar dienstverlening zelfstandig aan te passen.
Welke gevolgen heeft de stap van PostNL voor de andere postbedrijven in de markt die van het netwerk van PostNL afhankelijk zijn? Kunt u toelichten hoe die consequenties door PostNL en/of het Ministerie van Economische Zaken meegewogen zijn bij de stap die PostNL besloot te zetten en welke eventuele reparatiestappen u van PostNL eist om te voorkomen dat andere postbedrijven gedupeerd raken?
Zoals hierboven toegelicht is dit niet met EZ afgestemd. Postbedrijven die onder het toegangsregime gebruikmaken van het netwerk van PostNL leveren hun poststukken direct aan bij PostNL en niet via brievenbussen. Hiervoor gelden afspraken tussen PostNL en andere postvervoerders. Deze zakelijke markt is niet gereguleerd. Het is aan PostNL en de postvervoerders onderling om eventuele wijzigingen te bespreken.
Het mogelijk maken van meer aansluitingen op het laagspanningsnet door het toepassen van een flexibele backstop. |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het paper van het TU Delft PowerWeb Institute over het introduceren van een flexibele backstop waarmee meer aansluitingen op het laagspanningsnet mogelijk kunnen worden gemaakt (Kamerstuk 2024D43816)?
Bent u bekend met het paper van het TU Delft PowerWeb Institute over het introduceren van een flexibele backstop waarmee meer aansluitingen op het laagspanningsnet mogelijk kunnen worden gemaakt (Kamerstuk 2024D43816)
Klopt het dat een flexibele backstop, een klein apparaatje dat bij extreme stress op het netwerk snel en automatisch de hoeveelheid elektriciteit vermindert die bijvoorbeeld een laadpaal of warmtepomp van het net onttrekt, het mogelijk maakt om de huidige capaciteit van het elektriciteitsnet efficiënter te gebruiken zonder dat daarmee de veiligheid en betrouwbaarheid van het net in gevaar worden gebracht? Zo nee, waarom niet?
De kern van een «flexibele backstop» is dat een slim net-intensief apparaat in staat is om bij overbelasting van het net een noodsignaal te ontvangen en daarop te reageren op zo’n manier dat de overbelasting wordt voorkomen. Het klopt dat dit met een «klein apparaatje» kan, het is echter ook mogelijk dat het wordt geïntegreerd in net-intensieve apparaten als laadpalen, warmtepompen, thuisbatterijen en omvormers van zonnepanelen. Ook kunnen energiemanagementsystemen (HEMS) hierbij een rol spelen. Dit is ook voorzien bij maatregelen in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN). Over de voortgang van deze maatregelen is de Kamer op 24 maart jl. geïnformeerd.1
Bij overbelasting van het net is de kans reëel dat de stroom uitvalt in het gebied. Een «flexibele backstop» is een veiligheidsmechanisme waarmee vlak voordat zo’n overbelasting zich voordoet, of in real time,de productie of het verbruik van slimme net-intensieve apparaten automatisch beperkt wordt. Productie of verbruik wordt dan alleen beperkt voor laadpalen, warmtepompen, thuisbatterijen en zonnepanelen en alleen voor zover als nodig is om de overbelasting van het net te voorkomen. Daardoor blijft het licht aan en worden huishoudens met bijvoorbeeld medische apparatuur, die afhankelijk zijn van elektriciteit, beschermd. De huishoudens met laadpaal, warmtepomp, zonnepanelen of thuisbatterij kunnen hier wel hinder van ondervinden. Netbeheerders werken bij uitwerking van een dergelijke maatregel aan oplossingen om deze hinder zoveel mogelijk te beperken.
In een onderzoek van TNO naar de rol van slimme apparaten bij netcongestie in het laagspanningsnet heeft TNO een aanbeveling gedaan om zo’n «flexibele backstop» te implementeren om daarmee de kans op en impact van een stroomstoring te beperken.2 In dat onderzoek noemde TNO dit een «technisch vangnet». In de Kamerbrief stand van zaken netcongestie heeft het kabinet ook de term «technisch vangnet» aangehouden.3 In de voortgangsrapportage van het LAN4 heeft het kabinet dit veiligheidsmechanisme «netbescherming» genoemd. Al deze termen beschrijven hetzelfde mechanisme en komen op hetzelfde neer. Het kabinet houdt in het vervolg van de beantwoording de term «netbescherming» aan.
Deelt u de constatering dat met de introductie van een flexibele backstop er meer nieuwe aansluitingen mogelijk worden gemaakt, er meer fijnmazige controle van de beschikbare capaciteit mogelijk wordt en dat de maatregel sneller kan worden uitgevoerd met minder verstoring dan bij uitbreiding van het elektriciteitsnet? Zo nee, waarom niet?
De netbescherming geeft meer zekerheid dat het licht aanblijft in situaties waarin andere maatregelen onvoldoende hebben opgeleverd om overbelasting te voorkomen. De netbescherming maakt de impact van overbelasting van het net dus veel kleiner. In plaats van stroomuitval in de wijk wordt dan bijvoorbeeld slechts de laadsnelheid van laadpalen tijdelijk beperkt. Dit zorgt voor een fijnmazigere beheersing van de beschikbare netcapaciteit.
Omdat de gevolgen van overbelasting veel kleiner zijn, is het aannemelijk dat er meer risico genomen kan worden en daardoor ook meer aansluitingen mogelijk gemaakt kunnen worden.5 De netbescherming is echter geen wondermiddel. Als te veel aansluitingen worden toegestaan, zal de netbescherming vaker ingrijpen, wat meer hinder voor gebruikers van net-intensieve apparaten kan veroorzaken. De netbescherming is dus vooral een uiterst redmiddel om de betrouwbaarheid van het net te waarborgen. Het kabinet ziet de netbescherming daarom vooral als mogelijk waardevolle aanvulling op netverzwaring en slim netgebruik.
Klopt het tevens dat de impact van het introduceren van een flexibele backstop voor huishoudens beperkt is, omdat de maatregel met name gericht is op elektrische apparaten, zoals laadpalen en warmtepompen, die veel stroom gebruiken, maar waarbij de hinder voor gebruikers minimaal is als de stroomtoevoer tijdelijk verlaagd wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie de beantwoording van vragen 2 en 3. De impact is inderdaad beperkt tot slimme net-intensieve apparaten zoals laadpalen, warmtepompen, thuisbatterijen en omvormers van zonnepanelen. Hierdoor blijft het overige elektriciteitsgebruik ongemoeid. Voor huishoudens met zulke slimme net-intensieve apparaten zal de hinder waarschijnlijk minimaal zijn als de netbescherming soms kort productie of verbruik beperkt. In uitzonderlijke gevallen kan de hinder groter zijn als productie of verbruik vaker en langer beperkt wordt om stroomuitval te voorkomen. Een netbeheerder zal het betreffende net dan met prioriteit moeten verzwaren. De hinder door de netbescherming is in alle gevallen kleiner dan bij een stroomstoring die door de netbescherming juist voorkomen wordt.
Deelt u de mening dat de flexibele backstop gezien het bovenstaande een «no-regret»-optie is die kan worden geïntegreerd in langetermijnplannen voor netwerkuitbreiding en -management? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet kansen voor netbescherming bij het tegengaan van netcongestie. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 is de toegevoegde waarde van de netbescherming dat de betrouwbaarheid van het net gewaarborgd wordt, ook als het net vaker tot zijn grenzen belast wordt. Het kabinet verkent daarom samen met de netbeheerders de mogelijkheden en kansen en betrekt daarbij, naast de technische uitwerking, de kosten van implementatie en vraagstukken op het gebied van privacy en cybersecurity.
Klopt het dat in Duitsland al een vergelijkbaar systeem is ingevoerd voor elektrische laadpalen? Kunt u beschrijven hoe het systeem daar in elkaar steekt en wat de voor- en nadelen van het Duitse systeem zijn?
Ja. Voor een beschrijving van het Duitse systeem verwijs ik naar onderzoek van TNO over de rol van slimme apparaten.6
De voor- en nadelen in Duitsland zijn op hoofdlijnen zoals in de beantwoording op voorgaande vragen weergegeven. Wel zijn er technische verschillen, omdat in Duitsland noodsignalen naar de slimme meter gestuurd kunnen worden. In Nederland is het sturen van zulke signalen naar slimme meters niet zondermeer mogelijk.
Hoe wordt de aanbeveling van het TU Delft PowerWeb Institute om een routekaart voor de implementatie van een flexibele backstop te ontwikkelen opgepakt? Bent u daarmee bezig?
Op dit moment verkent het kabinet samen met netbeheerders hoe de netbescherming technisch kan werken en aan welke randvoorwaarden voldaan moet zijn om de netbescherming te laten werken. Net-intensieve apparaten moeten bijvoorbeeld in staat zijn om te reageren op een noodsignaal. Ook kan bijvoorbeeld een register van net-intensieve apparaten nodig zijn, zodat duidelijk is waar een noodsignaal naartoe gestuurd kan worden. Naast de technische werking verkent het kabinet ook de juridische mogelijkheden. Het kabinet zal de Kamer einde jaar informeren over de uitkomsten van deze verkenning.
Bent u bijvoorbeeld al in gesprek met netbeheerders om afspraken te maken over hoe en hoe vaak de flexibele backstop mag worden ingezet, in welke mate het vermogen daarbij wordt verlaagd en hoe deze maatregel kan worden geïmplementeerd op een wijze waarbij de eindverbruiker zo weinig mogelijk nadeel ervaart?
Op dit moment concentreren gesprekken zich op de technische werking van de netbescherming en de randvoorwaarden om netbescherming mogelijk te maken. Als op basis van die verkenning besloten wordt tot invoering van een netbescherming, dan zal bij de uitwerking hiervan vanzelfsprekend worden bezien welke mogelijkheden er zijn om eindverbruikers hier zo min mogelijk hinder van te laten ondervinden.
Hoe kijkt u, ten slotte, aan tegen de suggestie om de integratie van een flexibele backstop als vereiste te stellen voor nieuwe elektrische grootverbruikers zoals laadpalen en warmtepompen die op het elektriciteitsnetwerk worden aangesloten?
Voor de werking van de netbescherming is het essentieel dat er slimme net-intensieve apparaten zijn die in staat zijn om op basis van een noodsignaal dat het net overbelast wordt, snel productie of verbruik te beperken. Het kabinet betrekt daarom de eventuele implementatie van netbescherming bij de eisen aan slimme net-intensieve apparaten.
Zwarte lijsten bij wooncorporaties |
|
Sandra Beckerman , Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Mona Keijzer (BBB) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Dakloos door zwarte lijsten van woningcorporaties, «dit is onmenselijk»»?1
Erkent u dat, nu voor het tweede jaar op rij het aantal dakloze mensen is gestegen, er veel meer moet gebeuren om recht te doen aan de Nederlandse handtekening onder de Verklaring van Lissabon die als doel heeft «een einde aan dakloosheid in 2030»?
Erkent u dat één van de doelen van de Verklaring van Lissabon is dat «huisuitzettingen moeten voorkomen worden en niemand mag uit huis gezet worden zonder dat er alternatief onderdak wordt geboden»?
Erkent u voorts dat doordat corporaties zwarte lijsten mogen bijhouden van huurders mensen alsnog dakloos raken?
Hoeveel mensen staan er in Nederland op een zwarte lijst van woningcorporaties, en hoeveel corporaties in hoeveel regio’s houden een zwarte lijst bij?
Hebben al deze corporaties een vergunning van de Autoriteit Persoonsgegevens om dit te mogen doen?
Hoeveel mensen met kinderen staan op een zwarte lijst?
Hoeveel mensen met een beperking of een ernstige medische beperkingen staan op een zwarte lijst?
Hebben huurders die onterecht op een zwarte lijst zijn geplaatst genoeg (juridische) mogelijkheden zich hiertegen te verweren?
Hoe wordt voorkomen dat huurders dakloos worden gemaakt door een zwarte lijst?
Herkent u dat hoewel zwarte lijsten weliswaar regionaal werken, huurders in de praktijk ook elders moeilijk aan onderdak kunnen komen vanwege het ontbreken van een positieve verhuurverklaring?
Herkent u dat mensen weliswaar vaak voor enkele jaren op een zwarte lijst staan, maar ook daarna moeilijk aan woonruimte komen vanwege het ontbreken van een positieve verhuurverklaring?
Zal er, wanneer u zwarte lijsten van huurders wil laten bestaan, en gelet op het doel een einde te maken aan dakloosheid in 2030, toch voor alternatieve woonruimte voor deze groep worden gezorgd? Hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo niet, hoe strookt dit met het doel uit het Nationaal Actieplan Dakloosheid?
Het NIVEL rapport over oversterfte |
|
Pieter Omtzigt (NSC) |
|
Karremans , Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Oversterfte tijdens de COVID-19 pandemie Onderzoek onder mensen met en mensen zonder COVID-19-vaccinatie Oktober 2024»?1
Ja.
Kunt u een tabel maken met de volgende waarden (gebaseerd op tabellen 4.2 4.3, 4,4 en 4.5):
Een tabel met deze inhoud is niet te construeren uit de aangegeven tabellen in het rapport. De tabellen 4.2 t/m 4.5 hebben namelijk betrekking op de verdeling van sterfgevallen over verschillende doodsoorzaken. Dat is iets anders dan de kans op sterfte aan een bepaalde aandoening. Een dergelijke analyse zou een andere aanpak vergen en valt buiten de scope van het (reeds opgeleverde) Nivel-rapport.
Beantwoording van de vragen vergt daarmee nieuw statistisch onderzoek, waarvoor een opdracht met bijbehorende middelen aan Nivel- of andere onderzoekers verstrekt zou moeten worden. Dat acht ik niet opportuun gezien de beperkte meerwaarde van zo’n onderzoek, de vele (inmiddels afgeronde of nog lopende) onderzoeksprojecten met betrekking tot de gevolgen van de coronapandemie en de huidige financiële ruimte. Ik besteed deze financiële middelen liever aan andere uitdagingen waar we nu voor staan in de zorg. Voor de volledigheid wijs ik er wel (nogmaals) op dat veel van de data in het kader van oversterfteonderzoek beschikbaar is voor onderzoekers, die hier eigenstandig statistische analyses op kunnen uitvoeren.
Kunt u de vorige vraag herhalen en dan twaalf maanden toepassen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u de vorige twee vragen herhalen voor de andere doodsoorzaken in de tabellen 4.2, 4.3, 4.4 en 4.5?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er leeftijd-subgroepen waarvoor u bovenstaande data zou kunnen herhalen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is volgens u de reden dat ongevaccineerden een veel hogere kans hebben om te sterven aan kanker in de drie maanden na vaccinatie dan gevaccineerden?
Er zijn inderdaad verschillen waar te nemen tussen mensen die zich lieten vaccineren en die zich niet lieten vaccineren, onder andere in het gebruik van terminale zorg en medische voorgeschiedenis. Deze verschillen staan – voor zover het Nivel beschikte over de betreffende data – beschreven in tabel 3.1. In de statistische analyses heeft het Nivel rekening gehouden met deze verschillen. In die analyses hebben ze echter niet voor alle mogelijke verschillen kunnen corrigeren. Wel heeft het Nivel kunnen laten zien dat het gesuggereerde, zogenaamde «healthy vaccinee»-effect zich heeft voorgedaan en dat ze daarvoor terecht hebben gecorrigeerd. Dit laatste wordt duidelijk als men tabel 3.3a en 3.3b (gecorrigeerd voor gebruik terminale zorg) vergelijkt met de tabel in bijlage A4 (niet gecorrigeerd voor gebruik terminale zorg). Dan blijkt namelijk: ongecorrigeerd (tabel A4) is de oversterfte in de ongevaccineerde/ongeregistreerde groep aanzienlijk groter dan gecorrigeerd (tabel 3.3a en 3.3b).
Wilt u ingaan op de stelling dat de verschillen tussen ongevaccineerden en gevaccineerden wellicht te maken hebben met het feit dat mensen met ernstig onderliggende lijden er vaak (gedwongen) voor kozen om geen vaccinatie te doen, omdat ze daarvoor te zwak waren?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verklaart u de enorme verschillen in tabel 3.8, waaruit blijkt dat de sterfte onder cohorten die niet-gevaccineerd waren 300% tot 600% hoger waren dan de cohorten die gevacinneerd waren, terwijl de oversterfte door corona op het hoogtepunt van de pandemie nooit zo hoog geweest is?
De totale oversterfte is inderdaad nooit zo hoog geweest als in deze specifieke groepen wordt gemeten. Dat is met elkaar te rijmen doordat de totale groep van ongevaccineerden relatief klein was en daardoor slechts een relatief klein effect kan hebben gehad op de totale sterfte. In deze tabel worden specifieke, relatief kleine groepen mensen die in een specifiek stukje van de coronaperiode wel of juist niet werden gevaccineerd (cq niet geregistreerd), vergeleken met een vergelijkbare groep mensen vóór de coronaperiode. Daarom is het niet zinvol om de resultaten in tabel 3.8 te vergelijken met de totale oversterfte in de totale populatie in de totale pandemische periode.
Kunt u deze vragen een voor een en voor het commissiedebat over oversterfte (op 20 februari a.s.) beantwoorden?
Zoals ik in het commissiedebat over oversterfte van 20 februari jl. heb aangegeven, zijn deze vragen erg technisch van aard en is er meer dan één week nodig geweest om te komen tot een zorgvuldige beantwoording.
Wat is uw reactie op het bericht «Groningen schrikt wakker van aardbeving (2.2) bij Usquert: «Het bed schudde»»?1
Aardbevingen hebben grote impact op het welzijn en de veiligheid van Groningers. Dat horen we van de mensen zelf. Ook blijkt dit uit de verschillende onderzoeken daarover, bijvoorbeeld van het Kennisplatform Leefbaar en Kansrijk Groningen en het Groningers Perspectief. Daarom heeft het vorige kabinet het Groningenveld gesloten. Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) heeft aangegeven dat er nog gedurende decennia na sluiting van het veld aardbevingen kunnen plaatsvinden. Daar heeft het kabinet oog voor.
Begrijpt u dat deze aardbeving extra beangstigend is voor de bewoners van de duizenden woningen die nog niet veilig zijn verklaard en dan wel versterkt moeten worden dan wel gesloopt?
Ja.
Snapt u dat het ook voor bewoners van woningen die op norm zijn verklaard extra beangstigend kan zijn, gezien de berichtgeving over tientallen twijfelachtige rapporten van de NCG betreffende de versteviging van woningen?2, 3
Ja. Als er Groningers zijn met twijfel over hun rapporten, dan kunnen ze contact opnemen met de NCG en in gesprek gaan. Ze kunnen zich melden bij hun bewonersbegeleider of het bewonerscontactcentrum. Zie ook antwoord 10 op eerdere Kamervragen4. Om twijfel over de veiligheid weg te nemen heb ik ook een onafhankelijk onderzoek aangekondigd. De Kamer wordt op korte termijn geïnformeerd.
Erkent u dat het pijnlijke besluit om het gasveld Warffum open te houden in het licht van deze aardbeving, waarbij mensen in Warffum wakkerschrokken en rechtop in bed zaten nog pijnlijker is voor de Groningers?
Het Kabinet begrijpt de zorgen van mensen over de gaswinning uit het gasveld Warffum. Zeker gezien het feit dat het gasveld vlak bij het Groningenveld ligt en het dorp Warffum te maken heeft met de effecten van het Groningengasveld, zoals de recente beving bij Usquert. Deze beving heeft plaatsgevonden door de voormalige gaswinning uit het Groningengasveld. Het gasveld Warffum en het Groningengasveld zijn niet met elkaar verbonden.
Het Kabinet heeft de aanvraag van de NAM om langer gas te mogen winnen uit het gasveld Warffum zeer zorgvuldig bekeken en heeft advies gevraagd aan onder meer TNO, SodM en de Mijnraad. Deze adviseurs geven aan dat de winning veilig kan plaatsvinden. Ook is de Minister van Klimaat en Groene Groei persoonlijk in gesprek gegaan met omwonenden om te luisteren naar de zorgen en tot een zorgvuldige afweging te komen. Op basis van alle informatie heeft het Kabinet begin december een positief ontwerpbesluit genomen.
Waarom heeft u uw oordeel om de vergunning voor het Warffum-veld gestoeld op een verouderd SodM advies? En waarom heeft u geen nieuwe advies gevraagd? Hoe verhoudt dat zich tot uw uitspraak «Ik heb dit besluit niet licht genomen»?4
In haar advies uit 2022 geeft SodM aan dat de winning technisch veilig kan plaatsvinden. Dit is nog steeds het standpunt van SodM. Volgens SodM zijn de risico’s vergelijkbaar met andere kleine gasvelden in Nederland6. Wel heeft SodM aangegeven dat het advies uit 2022 voor de uitkomsten van de parlementaire enquête Groningen (PEGA) is uitgebracht en dat het goed zou zijn als SodM destijds ook was ingegaan op het burgerperspectief (zie ook het antwoord op vragen van Kamerlid de Groot waarin op basis van input van SodM is opgenomen: «Gelet op de uitkomst van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen zou het goed zijn geweest als SodM destijds in het advies uitdrukkelijker was ingegaan op het burgerperspectief.» 7). Zoals bij vraag 4 aangegeven begrijpt het kabinet de zorgen over de gaswinning bij Warffum en is om deze reden de Minister van Klimaat en Groene Groei persoonlijk in gesprek gegaan met omwonenden.
Kunt u aangeven of er contact is geweest tussen u en het SodM over de vergunningverlening inzake het Warffum-veld? Zo ja op welke momenten en zijn er signalen geweest dat het SodM mogelijk anders zou adviseren met de kennis van nu inzake de verlenging van de gaswinning bij Warffum?
De Minister van Klimaat en Groene Groei heeft op verschillende momenten contact gehad met de inspecteur-generaal Mijnbouw. Daarbij is ook gesproken over het voortzetten van de winning uit het gasveld Warffum. De vraag wat een nieuw advies van SodM zou inhouden, is een speculatieve vraag want dat is niet aan de orde.
Hoe kijkt u aan tegen het recente besluit om de gaswinning bij Warffum te verlengen in het licht van het herziende SodM advies, waarin «maatschappelijke onrust» wordt meegewogen?5
SodM heeft geen herziend advies uitgebracht met betrekking tot de aanvraag van de NAM om de gaswinning uit het gasveld Warffum voor een aantal jaar voort te zetten. Wel heeft SodM op 20 december 2024 een verzoek van de NAM om tijdelijk af te zien van handhaven, afgewezen. De NAM had dit verzoek gedaan omdat het huidige winningsplan voor gaswinning uit het gasveld Warffum tot en met 31 december 2024 liep en er na het ontwerpbesluit nog een definitief besluit genomen moet worden. Zonder geldig winningsplan mag NAM geen gas winnen. SodM heeft deze aanvraag afgewezen omdat, aldus SodM, de bewoners van Warffum zich niet gehoord voelden over het eventueel gedogen en er grote onrust ontstond naar aanleiding van berichten hierover. Gedogen zonder deze onrust serieus te nemen zou leiden tot verder afnemen van het vertrouwen van de omgeving in de rijksoverheid. De bevoegdheid om deze beslissing te nemen ligt bij SodM9. Het Kabinet heeft hier geen rol in.
Gaat u beiden in gesprek met bewoners in Warffum, Usquert en de directe omgeving over de impact van de aardbeving en ook in het licht van de het nieuwe SodM rapport en de voorgenomen voortzetting van de vergunning voor gaswinning in Warffum?
Zoals hierboven aangegeven heeft SodM geen nieuw rapport uitgebracht. Het kabinet staat in contact met bewoners, zowel de Minister van Klimaat en Groene Groei vanuit haar verantwoordelijkheid voor de gaswinning uit kleine velden, als de Staatssecretaris Herstel Groningen vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de schadeafhandeling en versterking in het aardbevingsgebied.
Bent u bekend met het bericht «Belastingdienst weegt persoonlijk ondernemerschap zelden mee in oordeel over schijnzelfstandigheid. «Onjuiste toepassing»»?1
Ja.
Constaterende dat de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest een niet-uitputtende lijst heeft gegeven met criteria die, wanneer holistisch gewogen, duidelijkheid biedt of er sprake is van een arbeidsovereenkomst, bent u het er, conform de opvatting van de Hoge Raad, mee eens dat ál deze criteria holistisch gewogen moeten worden om tot de conclusie te komen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst? Zo nee waarom niet?
Ja.
Kunt u expliciet bevestigen dat ook het criterium van extern ondernemerschap, zoals ook verzocht in de aangenomen motie Podt c.s.2 wordt meegenomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe reflecteert dit op de huidige praktijk van de Belastingdienst?
De motie Podt c.s. verzoekt de regering om de persoonlijke kenmerken van de werkende als ondernemer mee te laten wegen bij de beoordeling van arbeidsrelaties met het oog op het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Wij kunnen expliciet bevestigen dat het criterium van extern ondernemerschap meegenomen wordt in het wetsvoorstel Vbar.
Op 21 februari jl. heeft de Hoge Raad3 antwoord gegeven op prejudiciële vragen ter zake van de rol van extern ondernemerschap bij het kwalificeren van een arbeidsrelatie4. De Hoge Raad heeft beslist dat bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst geen rangorde geldt tussen de mee te wegen omstandigheden, waaronder eventueel ondernemerschap van de werkende. Daarbij wordt aangegeven dat wetgeving in voorbereiding is op dit punt. De uitspraak wordt momenteel bestudeerd door SZW. Op basis daarvan zal besluitvorming plaatsvinden over de vorm en het vervolg van het wetsvoorstel Vbar.
De Belastingdienst handhaaft op basis van huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie (zie ook hierna in het antwoord op vraag 4) en loopt niet vooruit op het wetsvoorstel Vbar.
Constaterende dat volgens de Hoge Raad alle Deliveroo-criteria volwaardig zijn en dat de Belastingdienst het Deliveroo-criterium van extern ondernemerschap in de praktijk als ondergeschikt behandelt en het pas meeweegt als de overige criteria geen uitsluitsel geven, hoe beoordeelt u deze werkwijze? Was u ermee bekend dat de Belastingdienst dit doet? Zo niet, wat is uw reactie hierop?
Zoals in het afwegingskader5 en de Toelichting beoordeling arbeidsrelaties, die op de website van de Belastingdienst zijn gepubliceerd6, uitgelegd zijn bij de beoordeling van een arbeidsrelatie alle feiten en omstandigheden van belang (holistische toets). Alle gezichtspunten die volgens de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest bij de holistische toets onder meer van belang kunnen zijn, zijn daarin opgenomen. Eén van de gezichtspunten ziet op de mate waarop de ondernemer zich als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. De Belastingdienst beoordeelt arbeidsrelaties aan de hand van dit afwegingskader en weegt alle gezichtspunten inclusief het extern ondernemerschap mee.
Dit blijkt ook uit de Handleiding bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken die de medewerkers van de Belastingdienst ondersteuning biedt bij de uitvoering van bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken bij opdrachtgevers waar het beoordelen van de kwalificatie van arbeidsrelaties speelt. In die handleiding wordt verwezen naar de Vragenlijst beoordeling arbeidsrelaties die door de Belastingdienst als hulpmiddel wordt gebruikt om de feiten en omstandigheden die een rol spelen bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie in beeld te brengen. Die vragenlijst is ingedeeld naar de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest. De mate waarin de opdrachtnemer zich als ondernemer gedraagt of kan gedragen komt in deze vragenlijst expliciet naar voren. De handleiding en de vragenlijst zijn gepubliceerd.7
De Belastingdienst houdt zich dus aan de uitspraak van de Hoge Raad en weegt alle gezichtspunten, waaronder extern ondernemerschap mee.
Hiermee waardeert de Belastingdienst in de handhavingsstrategie het advies van advocaat-generaal De Bock in de zaak-Uber boven rechterlijke uitspraken, vindt u een advies van een advocaat-generaal gezaghebbender dan een uitspraak van de Hoge Raad? Zo ja, waarom? Zo nee, wat vindt u ervan dat de Belastingdienst hier wel naar handelt?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is toegelicht houdt de Belastingdienst zich aan de uitspraak van de Hoge Raad.
Welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat de Belastingdienst haar werkwijze zo snel mogelijk in overeenstemming brengt met bestaande wetgeving en jurisprudentie? Bent u bereid deze werkwijze aan te passen?
De Belastingdienst handelt in overeenstemming met huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie. Wij betreuren het dat in de berichtgeving hierover onduidelijkheid is ontstaan en willen benadrukken dat de Belastingdienst zich houdt aan huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie (zoals het Deliveroo-arrest) en daarbij niet vooruitloopt op het wetsvoorstel Vbar en/of toekomstige jurisprudentie.
Bent u bereid om ook de communicatie op hetjuistecontract.nl in lijn te brengen met het volwaardig meewegen van het gezichtspunt extern ondernemerschap? Zo nee waarom niet?
Het gezichtspunt extern ondernemerschap is volwaardig onderdeel van de communicatie op hetjuistecontract.nl. Zo wordt bij «kenmerken ZZP» het volgende genoemd: «De werkende gedraagt zich naar buiten toe als ondernemer. Bijvoorbeeld doordat hij/zij actief een website beheert en ook andere klussen uitvoert. Terwijl bij «kenmerken loondienst» genoemd staat: «De werkende presenteert zich naar buiten toe niet als ondernemer. Bijvoorbeeld omdat de werkende zich weinig of niet aanbiedt voor andere opdrachtgevers». Ook wordt in stelling 9 uitgevraagd: De werkende heeft steeds verschillende opdrachten en opdrachtgevers,hetgeen (mede) kan wijze op «extern ondernemerschap» van de werkende.
Hoe verhoudt de casus «kinderopvang» zoals beschreven op hetjuistecontract.nl zich met de recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam3 waarbij het punt van extern ondernemerschap is meegewogen? Bent u bereid deze casussen aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Bij de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst dient rekening te worden gehouden met alle feiten en omstandigheden in onderling verband bezien. De casus «kinderopvang» op hetjuistecontract.nl en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarnaar wordt verwezen laten zich moeilijk vergelijken.
De (fictieve) casusposities op hetjuistecontract.nl zijn namelijk bedoeld om op een laagdrempelige manier inzicht te krijgen in de relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van arbeidsrelaties. Om de casusposities op hetjuistecontract.nl niet te lang en daarmee ingewikkeld te maken, komen niet alle gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest in alle casusposities terug. Het versimpelde feitencomplex leent zich daar ook niet voor. Dat geldt in de casus «kinderopvang» bijvoorbeeld voor het gezichtspunt «extern ondernemerschap» en «de verplichting het werk persoonlijk uit te voeren». Het gezichtspunt «extern ondernemerschap» komt bijvoorbeeld wel terug in de casusposities «onderwijs», «bouw» en «schilder», terwijl daar weer andere gezichtspunten niet in terugkomen.
Er wordt momenteel gewerkt aan het toevoegen van nieuwe casusposities waarin op basis van de gegeven feiten en omstandigheden wel een oordeel gegeven kan worden over alle gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest. Deze zullen naast de bestaande casusposities worden opgenomen op hetjuistecontract.nl zodat er zowel laagdrempelige inzichten op kunnen worden gedaan, als meer gedetailleerde inzichten uit de uitgebreidere casusposities.
Hoe verhoudt de handhavingspraktijk van de Belastingdienst zich volgens u tot de Toelichting beoordeling arbeidsrelatie, waar persoonlijk (extern) ondernemerschap genoemd wordt als volwaardig criterium?
Zoals in de antwoorden hiervoor toegelicht worden alle gezichtspunten inclusief het extern ondernemerschap meegewogen.
Vindt u het redelijk dat zelfstandigen, die al continu moeten aantonen dat zij gewoon hun werk mogen doen, nu ook met nog niet behandelde wetten en nog niet gedane uitspraken van de Hoge Raad rekening moeten houden in het vormgeven van hun overeenkomsten en werkzaamheden? Hoe rijmt dit met de rechtszekerheid die zelfstandigen mogen verwachten?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven handelt de Belastingdienst in overeenstemming met huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie. De Belastingdienst loopt niet vooruit op het wetsvoorstel Vbar en toekomstige jurisprudentie. Het is niet de bedoeling om zelfstandigen te benadelen. Zij leveren een belangrijke bijdrage aan onze economie. Wij benadrukken nogmaals dat als iemand een echte ondernemer is en zelfstandig werkt, hij/zij dat gewoon kan blijven doen. Als de opdracht voldoet aan de voorwaarden om buiten loondienst te werken, kunnen opdrachtgever en opdrachtnemer gerust de samenwerking aangaan.
Kunt u deze vragen apart van elkaar beantwoorden voor het commissiedebat Zzp op 12 maart 2025?
Ja.
Het artikel “Weer meer wethouders gestopt in 2024, roep om uitbreiding van colleges” |
|
Wijen-Nass |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Weer meer wethouders gestopt in 2024, roep om uitbreiding van colleges»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel van deze terugtredingen plaatsvonden in kleine en middelgrote gemeenten?
Op basis van de gegevens, die mij in het kader van de tweejaarlijkse trendrapportage «Staat van het Bestuur» ter beschikking staan, zijn in 2024 in totaal 24 wethouders voortijdig teruggetreden in 20 kleine gemeenten (tot 20.000 inwoners). In middelgrote gemeenten (20.000 tot 100.000 inwoners) gaat het om een aantal van 83 wethouders in 58 verschillende gemeenten.
Voor de volledigheid merk ik daarbij op dat volgens mijn informatie in 2024 in totaal 157 wethouders tussentijds zijn vertrokken. Dat aantal verschilt van het aantal van 225 wethouders dat genoemd is in het onderzoek in opdracht van het blad Binnenlands Bestuur. Dit verschil wordt in belangrijke mate verklaard doordat bij het onderzoek in opdracht van Binnenlands Bestuur ook tijdelijk teruggetreden wethouders en teruggetreden interim-wethouders zijn meegerekend.
Welke maatregelen worden overwogen om de werkdruk voor wethouders, met name in kleine gemeenten, te verlagen?
In het commissiedebat over bestuurlijke inrichting en democratie van 12 februari jl. heb ik toegezegd Uw Kamer voor het zomerreces nader te zullen informeren omtrent de aantrekkelijkheid van het ambt van volksvertegenwoordigers en bestuurders. Bij die gelegenheid zal ik nader ingaan op eventuele maatregelen om de werkdruk van wethouders te verlagen.
In het artikel wordt gepleit voor uitbreiding van het aantal wethouders in colleges om de werkdruk te verminderen. Hoe staat u tegenover dit voorstel?
Recent heb ik in antwoord op de vragen van het lid Inge van Dijk (CDA) over de noodklok van de Wethoudersvereniging over onuitvoerbaar beleid (ingezonden 21 november 2024) herbevestigd dat zal worden bezien of de wettelijke bepaling omtrent het maximumaantal wethouders en gedeputeerden aanpassing behoeft.2 Zoals ik bij die gelegenheid heb aangegeven ga ik daarbij eveneens in op het fenomeen van deeltijd-wethouders. In het commissiedebat over bestuurlijke inrichting en democratie van 12 februari jl. heb ik toegezegd deze vraagstukken te betrekken bij de brief die ik heb aangekondigd over de aantrekkelijkheid van het ambt van volksvertegenwoordigers en bestuurders waarvan ik voornemens ben deze voor het zomerreces aan Uw Kamer toe te zenden.
Welke stappen kunnen worden genomen om een dergelijke uitbreiding te faciliteren?
Een eventuele ophoging van het wettelijk maximum aantal wethouders per gemeente, dan wel het afschaffen van het wettelijk maximum (en daarmee gemeenteraden de vrijheid laten om zelf het aantal wethouders te bepalen) vergt wijziging van artikel 36 van de Gemeentewet. Deze bepaling normeert immers momenteel het maximum aantal wethouders per gemeente.
Zijn er financiële ondersteuningsmaatregelen in overweging om kleine en middelgrote gemeenten te helpen bij het uitbreiden van hun colleges?
Nee. Aangezien het maximum aantal wethouders wettelijk is bepaald en uitbreiding van de colleges van burgemeester en wethouders niet zonder wetswijziging mogelijk is, zijn dergelijke maatregelen nu niet opportuun.
Welke ondersteuning en begeleiding worden momenteel geboden aan wethouders om hen te helpen omgaan met de hoge werkdruk en de complexiteit van hun functie?
Voor wethouders bestaan momenteel verschillende vormen van ondersteuning. Ten eerste biedt de Wethoudersvereniging ondersteuning en begeleiding door onder anderen belangenbehartiging, onderzoeken en ontwikkeling.3 Voorbeelden van dat laatste zijn de basistraining wethoudersambt, verdiepende leergangen en intervisiegroepen. Daarnaast biedt de vereniging ondersteuning en advies op maat en vervult daarmee een vertrouwensfunctie voor wethouders. Ook voor het omgaan met hoge werkdruk en de complexiteit van hun functie kunnen wethouders bij de vereniging terecht. Vanuit mijn ministerie bieden we hiervoor financiële ondersteuning.
Ten tweede verzorgen landelijke politieke partijen voor wethouders van deze partijen trainingen, advies en ondersteuning op maat. Voor wethouders van lokale partijen wordt training en ondersteuning vanuit het Kennispunt lokale politieke partijen aangeboden.
Ten slotte bieden grotere gemeenten ook eigen ondersteuning en training aan hun wethouders.
Zijn er specifieke programma's of initiatieven gericht op wethouders in kleine gemeenten en regionale gebieden?
Ja. Wethouders van kleine en middelgrote gemeenten maken gebruik van het aanbod van de Wethoudersvereniging. De Wethoudersvereniging heeft leden door het hele land en ook in de regio’s. Ook heeft de vereniging regio-ambassadeurs en organiseert de vereniging met hen regelmatig regionale bijeenkomsten.
Vanuit mijn ministerie bestaan verschillende initiatieven waarmee specifiek kleine gemeenten worden ondersteund en waarbij vaak wethouders betrokken zijn. Sinds enkele jaren zijn zogeheten Town Deals gesloten met een aantal kleinere gemeenten.4 Hierbij werken ministeries, provincies, kennisinstellingen en adviesbureaus op locatie bij gemeenten aan nieuwe oplossingen voor specifieke vraagstukken. Verder maakt het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur sinds 2022 een ronde langs alle gemeenteraden en colleges om de collectieve bewustwording van en over agressie, intimidatie en bedreiging te bevorderen.5 Kleine en middelgrote gemeenten vragen vaker om deze vorm van ondersteuning en worden begeleid bij de follow-up. Tenslotte noem ik de financiële ondersteuning die alle provincies recent hebben ontvangen om de slagkracht van kleinere gemeenten tegen oneigenlijke druk te vergroten, bijvoorbeeld ten behoeve van juridische ondersteuning en Bibob-zaken.
Hoeveel van de wethouders die zijn gestopt hadden naast hun wethouderschap nog een andere baan? Ofwel: hoeveel wethouders hadden én de taak van wethouder én daarnaast nog een parttime baan?
Het onderzoek van De Collegetafel in opdracht van het blad Binnenlands Bestuur bevat geen informatie daarover. Mijn ministerie beschikt evenmin over dergelijke specifieke gegevens. Overigens wijs ik erop dat, afgezien van de mogelijkheid naast het wethouderschap een parttime baan te vervullen, ook diverse wethouders qualitate qua bestuurlijke nevenfuncties vervullen die tijd en aandacht vragen.
Het nieuws dat veteranen te vaak en te lang moeten wachten op een beslissing over schadevergoeding. |
|
Joeri Pool (PVV) |
|
Ruben Brekelmans (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Getraumatiseerde veteranen moeten te vaak te lang wachten op beslissing over schadevergoeding»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het nieuws dat uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat in 60% van de gevallen het streven om letselschadezaken binnen twee jaar af te handelen niet wordt gehaald?
Om de veteraan niet te veel te belasten, streeft Defensie er naar een aanspraak op de schaderegeling binnen twee jaar af te doen. Helaas laten de onderzoeken van de Algemene Rekenkamer en de Veteranenombudsman zien dat we die termijn in 60 procent van de gevallen niet halen. Dat is te veel. Voor veteranen is dat belastend, mede omdat zo’n procedure niet op zichzelf staat. Vaak ging er al een lang traject van behandelingen en keuringen aan vooraf.
Deelt u de mening dat deze situatie volstrekt onwenselijk is en dat onze veteranen echt beter verdienen? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven welke aanvullende maatregelen u gaat nemen om ervoor te zorgen dat deze zaken binnen een fatsoenlijke tijd worden afgehandeld? Zo nee, waarom niet?
Defensie neemt de rapporten en de conclusies zeer serieus en doet het volgende om de aanbevelingen zo goed mogelijk op te volgen:
Bent u bereid de Kamer hier zo spoedig mogelijk over te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, de Veteranenombudsman heeft mij gevraagd om binnen drie maanden te reageren op zijn rapport. Ik zal u mijn reactie op het rapport toezenden, waarin ik nader in ga op de stappen die nodig zijn. Op 11 februari 2025 heeft de Algemene Rekenkamer gelijktijdig met de publicatie van haar rapport ook mijn reactie op dat rapport gepubliceerd. Een kopie daarvan treft u hierbij aan. Ik zal de Kamer eind 2025 informeren over de voortgang van de verschillende maatregelen conform de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer en de Veteranenombudsman.
Het bericht dat een van de belangrijkste opleidings- en toetsingsinstituten voor Tolken is overgenomen door een Tolkenbemiddelaar |
|
Michiel van Nispen |
|
Struycken |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat tolkenbemiddelaar Global Talk een belangrijk opleidings- en toetsingsinstituut heeft overgenomen?1
Klopt het dat in feite met deze overname de toetsing van tolken nu in handen komt van Global Talk zelf, en daarmee een slager die zijn eigen vlees keurt?
Deelt u de mening dat dit een zorgwekkende ontwikkeling is omdat Global Talk ook al de marktleider is en hiermee de marktpositie nog sterker wordt?
Op welke manier vindt er toetsing plaats op de kwaliteit van de opleidingen tot tolk op het moment dat Global Talk zelf deze opleidingscentra in handen heeft?
Klopt het dat er nog steeds geen onafhankelijk klachtenorgaan is waar ook tolken en afnemers terecht kunnen?
Hoe ziet u deze overname in het licht van het nieuws dat vorig jaar de opleider voor gerechtstolken en -vertalers SIGV failliet is gegaan, na eerder te zijn overgenomen door vertaalbureau WCS?
Hoe ziet u deze ontwikkeling met de kennis dat ook recent bekend is geworden dat een andere opleiding, ITV, Hogeschool voor Tolken en Vertalen, haar zelfstandigheid is kwijtgeraakt?
Deelt u de mening dat door de opleidingen, en met name de toetsing, bij de bemiddelaars onder te brengen, de overheid een grotere afhankelijkheidssituatie creëert ten aanzien van de bemiddelaars?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de toetsing van de kwaliteit op de tolken op onafhankelijke basis plaats zal vinden en de kwaliteit geborgd zal blijven?
Klopt de constatering in het Financieel Dagblad dat het tarief van de tolk en bemiddelaar in één zit?
Wat is uw reactie op de opmerking van Astrid van Rossum van Global Talk dat de overheid dit zou moeten losknippen zodat de tolk wordt betaald voor het werk en de bemiddelaar voor de toegevoegde waarde van ontzorgen? Kunt u dit antwoord toelichten?
Het bericht ‘OM vervolgt niemand na aangifte om mishandeling NS-conducteur’ |
|
Hidde Heutink (PVV), Emiel van Dijk (PVV) |
|
van Weel , Chris Jansen (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «OM vervolgt niemand na aangifte om mishandeling NS-conducteur»?1
Bent u het ermee eens dat het niet aan slachtoffers van geweld uit te leggen valt dat er na zo’n zwaar incident niet tot vervolging wordt overgegaan?
Wordt aan geweldplegers in het OV, ongeacht of zij strafrechtelijk vervolgd kunnen worden of niet, hoe dan ook een reisverbod opgelegd? Zo ja, hoe gaat dit in zijn werk? Zo nee, waarom niet?
Hoe denkt u overlast en agressie in het openbaar vervoer te kunnen stoppen nu blijkt dat daders gewoon hun gang kunnen gaan en niet eens vervolgd worden?
Kunt u aangeven wat er sinds dit incident interdepartementaal gedaan is om het geweld in het OV terug te dringen?
Welke maatregelen teneinde reizigers en personeel beter te beschermen heeft NS genomen sinds deze mishandeling in april 2024?
Kunt u aangeven of, indien het bewijs voor mishandeling niet rond te krijgen is, het OM niet kan vervolgen voor minder zware delictsomschrijvingen, zoals openbare geweldpleging, verstoring van de openbare orde etc.?
Bent u van plan om extra veiligheidsmaatregelen te nemen teneinde te voorkomen dat toekomstige mishandelingen in de trein geseponeerd worden vanwege een gebrek aan bewijs? Zo ja, welke maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat nu, wegens het gebrek bewijsmateriaal, het OM tandeloos blijkt, de tijd van afwachten en onderzoeken voorbij is en dat NS en de ministeries per direct met aanvullende maatregelen moeten komen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat er geen camerabeelden zijn van het incident, terwijl er al voldoende mogelijkheden zijn, zoals het op vrijwillige basis uitrusten van het personeel met een bodycam?
Draagt iedere werknemer van NS, die dat vrijwillig wil, al een bodycam? Zo nee, waarom moet dat zo lang duren en wanneer is deze uitrol volledig?
De onbetrouwbaarheid van de inschatting van saneringskosten voor de grond van Tata Steel |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Barry Madlener (PVV), Sophie Hermans (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Tata Steel heeft tot 2 miljard nodig voor vergroening, blijkt uit geheime cijfers»1?
Ja.
Herkent u het getal van maximaal 12 miljard euro aan saneringskosten voor de grond van Tata Steel die te zien was op de slide die tijdens de presentatie van het rapport van Hans Wijers en Frans Blom op scherm te zien was?
Ja.
Bent u zich bewust van het feit dat in media en onder politici nu veelal het beeld heerst dat het saneren van de grond inderdaad 12 miljard euro zou kosten?
Ja.
Kunt u meer detail geven over de aannames waarop de inschatting is gebaseerd dat dit 12 miljard euro zou kosten?
Het bedrag van maximaal 12 miljard euro is ingeschat door de heren Wijers en Blom als onderdeel van hun onderzoek naar de mogelijke handelingsperspectieven van de staat met betrekking tot de verduurzaming van Tata Steel Nederland (TSN). Wijers en Blom hebben een inschatting gemaakt van de (maximale) saneringskosten van de bodem en het grondwater na beëindiging van de activiteiten door TSN. Deze inschatting gaat uit van het saneren van de grond naar een niveau geschikt voor woningbouw. Verdere details over de aannames zijn aan Wijers en Blom en kan ik u niet verstrekken.
In algemene zin valt op te merken dat de werkelijke kosten van de saneringsopgave afhankelijk zijn van de uiteindelijke functiekeuze en inrichting van het terrein. Wanneer de grond voor industriële doeleinden wordt gebruikt, zijn de saneringskosten aanzienlijk lager. Duidelijk is dat een sanering door de lange historische aanwezigheid van Tata Steel en haar voorgangers, de aard van de staalindustrie en het zeer grote oppervlak van het terrein van Tata Steel een complexe, langdurige en kostbare aangelegenheid zal zijn.
Bent u bereid de onderliggende analyses hiervoor openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Nee. Wijers en Blom hebben, ondersteund door BCG, onafhankelijk onderzoek gedaan. Het openbare rapport «Hoe Tata Steel Nederland te verduurzamen» is op 28 maart 2024 gedeeld met de Kamer.2 Op 16 mei 2024 heeft een deels openbare en deels vertrouwelijke technische briefing plaatsgevonden over het rapport met de heren Wijers en Blom. Daarnaast heeft op verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat het vertrouwelijke rapport van Wijers/Blom ter inzage gelegen bij de griffie. Daarmee is alle informatie die bij de overheid bekend is met uw kamer gedeeld.
Hoe verhouden de saneringskosten zich ten opzichte van andere saneringsprojecten van ernstig vervuilde terreinen zoals Chemie-Pack in Moerdijk (7 hectare voor circa 5,5 miljoen euro per hectare)2, EMK in Krimpen aan den IJssel (6 hectare voor circa 7 tot 10 miljoen euro per hectare) (Kamerstuk 28 089, nr. 188), Thermphos in Vlissingen (50 hectare voor circa 2,5 miljoen euro per hectare)3 en Olasfa in Olst (3,5 hectare voor circa 3 miljoen euro per hectare)4?
De saneringskosten van verschillende terreinen laten zich niet eenvoudig vergelijken. De kosten zijn enerzijds afhankelijk van het type (welke stoffen) en de mate en omvang van de verontreiniging en de bodemopbouw. Anderzijds hangt de omvang van de benodigde sanering af van de beoogde toekomstige functie van het terrein en de locatie. Vanwege al deze factoren die een rol spelen bij de kosten van sanering, zijn de genoemde saneringsprojecten moeilijk te vergelijken met de geschatte kosten van een eventuele sanering van het TSN-terrein.
Herinnert u zich de opmerking van Staatssecretaris Heijnen in haar brief van 3 april 2024, waar zij over de bodemsanering zegt dat «als het gaat om geheel of gedeeltelijke sluiting – tegelijkertijd op voorhand niet gegarandeerd kan worden dat de kosten daarvan volledig door Tata Steel Nederland zullen worden gedragen» (Kamerstuk 28 089, nr. 275)?
Ja.
Deelt u de mening dat in elk toekomstscenario er een significante saneringsopgave ligt die hoe dan ook moet worden uitgevoerd, onafhankelijk van wie die uiteindelijk uit zal voeren? Zo nee, waarom niet?
Afhankelijk van het toekomstscenario kan er een aanzienlijke saneringsopgave liggen. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 6 is de omvang van de saneringsopgave afhankelijk van de toekomstige functie van de grond.
Bent u zich bewust van het feit dat Tata Steel Ltd (moederbedrijf van Tata Steel Nederland) geen Parent Company Guarantee heeft afgegeven voor de Nederlandse dochtermaatschappij? Zo ja, wat is het gevolg hiervan voor de kans om de kosten voor sanering bij een eventueel faillissement te verhalen op de Indiase moedermaatschappij?
Ja, ik ben me ervan bewust dat Tata Steel Limited (TSL) een dergelijke garantie, ook wel de 403-verklaring genoemd, niet heeft afgegeven. Dit betekent dat TSL op dit moment niet garant staat voor de schulden van TSN en schuldeisers zich in het geval van een eventueel faillissement van TSN niet rechtstreeks kunnen wenden tot TSL. We begrijpen de zorg die voortvloeit uit de Kamervragen dat de staat mogelijk met een significante saneringsopgave achterblijft wanneer een bedrijf failliet gaat.
In de Kamerbrief6 waar u in vraag 7 aan refereert, is al een toelichting opgenomen op de relevante bepalingen uit debodemregelgeving en de Omgevingswet (financiële zekerheidsstelling) die op Tata Steel van toepassing zijn. Het uitgangspunt van de Omgevingswet en de bodemregelgeving is dat de vervuiler betaalt. Dat geldt dus ook voor Tata Steel. In de Omgevingswet in artikel 13.5 is de financiële zekerheidsstelling opgenomen.7 Middels deze wetgeving kunnen in een omgevingsvergunning eisen worden gesteld aan activiteiten met grote nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Bijvoorbeeld een voorschrift dat financiële zekerheid stelt om verplichtingen na te komen of schade te dekken. Als de vergunninghouder deze verplichtingen niet naleeft, kan het bevoegd gezag kosten op die manier alsnog verhalen via de zekerheidsstelling.
Artikel 8.6 van het Omgevingsbesluit wijst gevallen aan waarbij het bevoegd gezag altijd voorschriften voor financiële zekerheid aan de omgevingsvergunning moet verbinden bij IPPC-installaties en voor Seveso-inrichtingen. TSN valt onder deze categorie. Deze verplichte zekerheidsstelling in de Omgevingswet is een nieuw rechtsinstrument. Omgevingsdiensten in heel Nederland zijn op dit moment bezig met het implementeren van deze eis. Daardoor is nu nog geen beleidsevaluatie mogelijk en valt op dit moment niet te zeggen in welke mate het instrument effectief is in het vermijden dat bijvoorbeeld saneringskosten bij een faillissement (deels) voor rekening van de overheid komen.
Zijn de mogelijkheden voor een aansprakelijkheidsprocedure tegen de moedervennootschap van Tata Steel Nederland onderzocht om in te schatten in hoeverre bij een eventueel faillissement de saneringskosten (en/of faillissementstekorten) te verhalen zijn op de Indiase moedermaatschappij? Zo nee, bent u bereid dat alsnog te doen?
De noodzaak om een aansprakelijkheidsprocedure te onderzoeken is er op dit moment niet. In de hoofdregel blijft de aansprakelijkheid van een aandeelhouder beperkt tot (de waarde van) zijn aandeel. Daarbij zijn aandeelhouders in beginsel niet aansprakelijk voor schulden van een besloten vennootschap zoals Tata Steel Nederland b.v.
Het doel van het kabinet is om via een maatwerkafspraak schone en groene staalproductie in de IJmond te realiseren. Hiermee borgen we dat TSN de activiteiten op een schone en duurzame manier voortzet. In deze situatie is er dus ook geen sprake van een noodzaak om de grondsaneringskosten te verhalen op de eigenaar van TSN, Tata Steel Limited.
Is er een scenario denkbaar waarin Tata Steel IJmuiden failliet zou gaan en de Nederlandse overheid op zou draaien voor de saneringskosten van de grond? Zo ja, hoe ziet een dergelijke situatie eruit, wat gebeurt er dan en acht u dat wenselijk?
Het rapport van Wijers en Blom beschrijft een scenario waarin TSN onder economische druk moet sluiten. Bij sluiting in het specifieke geval van een faillissement bestaat er een risico dat TSN in gebreke blijft bij het dekken van de saneringskosten van de grond. Daardoor zouden deze kosten in dat geval mogelijk bij de overheid terecht komen, zie ook het antwoord op vraag 9.
Het kabinet zet in op een maatwerkafspraak met Tata Steel. De kans op een ongecontroleerd faillissement en een mogelijke saneringsopgave voor de overheid is daarmee kleiner.
Deelt u de mening dat Tata wat er ook gebeurt verantwoordelijk is voor de kosten van bodenvervuiling en voor het oplossen daarvan hoe dan ook moet gaan betalen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 9 gaat de Omgevingswet uit van het principe dat de vervuiler betaalt. TSN is dus verantwoordelijk voor de door het bedrijf veroorzaakte bodemvervuiling en zal daar de kosten voor moeten dragen.
Tegelijkertijd is op dit moment ook al duidelijk dat TSN niet voor alle vormen van bodemverontreiniging op het terrein aansprakelijk kan worden gehouden. Niet alle bodemverontreiniging op het terrein is door TSN of haar rechtsvoorgangers veroorzaakt. Zo is in 1943 een grote verontreiniging ontstaan door een geallieerd bombardement en beperkt de Omgevingswet in art 13.3a de aansprakelijkheid van bedrijven voor historische bodemverontreiniging8. Voor deze vormen van bodemverontreiniging kan TSN niet aansprakelijk worden gehouden.
Bent u bereid een saneringsexpert te vragen een inschatting te maken van de saneringskosten die te verwachten zijn, gezien het belang van de saneringskosten in de discussie rondom Tata? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook benoemd in het antwoord op vraag 11 zet het kabinet in op het sluiten van een maatwerkafspraak met TSN voor groene en schone staalproductie. Daarmee is sanering van het volledige terrein niet aan de orde.
Is er onderzoek gedaan naar de effecten van de bodemvervuiling bij Tata op het milieu (waaronder water), natuur en gezondheid van omwonenden en werkenerms? Zo niet, waarom niet en bent u bereid om alsnog zo'n onderzoek te laten doen?
Ja. Het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland, is verantwoordelijk voor het houden van toezicht op bodemvervuiling. Deze taken zijn gemandateerd aan de OD NZKG. De OD NZKG doet onderzoek naar de risico’s van de verspreiding van verontreinigingen naar de omgeving. De OD NZKG neemt maatregelen of voert aanvullend onderzoek uit wanneer zij dit noodzakelijk acht.
Inzicht in de bodemkwaliteit op het terrein van TSN is gebaseerd op bodemonderzoeken die worden ingediend door TSN bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG). De OD NZKG registreert deze bodemonderzoeken in haar bodeminformatiesysteem. Dit systeem is openbaar en voor iedereen toegankelijk via de site van de OD NZKG. Dit betreft een overzicht van de bodeminformatie die bekend is bij de OD NZKG. De OD NZKG vult dit systeem continu aan met nieuwe bodeminformatie die bij haar wordt ingediend.
Er zijn al vele honderden onderzoeken over het terrein bekend. Omdat er al veel onderzoek wordt gedaan naar de mate en effecten van de bodemvervuiling op de omgeving zien wij geen noodzaak om zelf verder onderzoek in te stellen.
In hoeverre zou de voorkeur voor scenario 3 kunnen veranderen naar een ander scenario (eventueel een buiten de vier opties die Wijers en Blom opgaven) als blijkt dat de saneringskosten significant lager zijn dan de 12 miljard euro?
De inzet van het kabinet is gericht op een maatwerkafspraak en het realiseren van groene en schone staalproductie in de IJmond en daarmee ook het behoud van de economische en strategische waarde daarvan.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden en uiterlijk in februari 2025?
Vanwege de benodigde interdepartementale afstemming van de antwoorden op de vragen is het niet gelukt om de vragen in februari 2025 te beantwoorden. De Kamer is hierover geïnformeerd op 20 februari 2025.9
De procedure van de Europese Commissie over het hoofdrailnet |
|
Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Chris Jansen (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsartikel «Europese Commissie dreigt met rechter over eenzijdige aanbesteding NS»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de Europese Commissie dreigt met een rechtsgang over de onderhandse gunning van de hoofdrailnetconcessie aan de NS?
Voorafgaand aan het ontvangen van het met redenen omkleed advies heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: het ministerie) twee reacties gegeven op de ingebrekestelling (juli 2023) en de aanvullende ingebrekestelling (maart 2024) die het ministerie heeft ontvangen van de Europese Commissie (hierna: EC). Het ministerie heeft nu twee maanden de tijd om te reageren op het met redenen omkleed advies. Als de EC ook na deze reactie van mening is dat sprake is van een schending van het Europese recht, kan zij een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) inleiden. Ik betreur de stap die de EC heeft gezet met het met redenen omkleed advies en het mogelijke vervolg daarvan.
Om welke redenen is de Europese Commissie van mening dat de NS het hoofdrailnet niet zomaar gegund had mogen krijgen?
De inbreukprocedure en het met redenen omkleed advies, dat daar een onderdeel van is, betreft een vertrouwelijke procedure. Wel kan worden gemeld dat de EC, zoals de EC zelf in haar externe berichtgeving heeft gecommuniceerd, onder andere vindt dat Nederland een uitvraag had moeten doen om na te gaan of marktpartijen (een deel van) het vervoer op het hoofdrailnet kunnen uitvoeren.2
Deelt u de mening van de Europese Commissie dat «gereguleerde competitie bij de spoorwegen essentieel is om passagiers aantrekkelijke en innoverende diensten te kunnen bieden tegen lagere prijzen»?
De EC geeft in haar berichtgeving aan: «Gereguleerde concurrentie op de spoorwegmarkt is van essentieel belang om reizigers tegen lagere kosten aantrekkelijker en innovatiever diensten te bieden, met behoud van de openbaredienstverleningstaak.» 3 De HRN-concessie is vormgegeven als een openbaredienstverleningstaak. Het ministerie zet daarbij het belang van de reiziger altijd voorop. Om dat belang van de reiziger te waarborgen, liggen aan de hoofdrailnetconcessie 2025–2033 een aantal beleidsdoelen ten grondslag: 1) een zo goed mogelijk vervoersproduct, 2) een zo optimaal en drempelloos mogelijke deur-tot-deurreis en 3) maatschappelijk optimale publieke investeringen in het spoorsysteem. Over de HRN-concessie en de beleidsdoelen die daaraan ten grondslag liggen, is uitgebreid het debat gevoerd met de Tweede Kamer4, en hierover is de Kamer daarnaast geïnformeerd per brief.5
Deelt u de mening dat het nog steeds onverstandig is om de marktanalyse niet uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Het besluit om de concessie voor het gehele hoofdrailnet aan NS onderhands te gunnen heb ik genomen na zorgvuldig en veelvuldig (markt)onderzoek. Daarmee is aangetoond dat de markt niet in staat is een dergelijke integrale en samenhangende prestatie te verrichten en daarmee in een kwalitatief gelijkwaardig vervoersaanbod te voorzien, zoals beoogd met de HRN-concessie. Er bestaat geen verplichting een marktanalyse uit te voeren zoals de EC voorstaat. De conclusie dat het onverstandig is om een marktanalyse niet uit te voeren, deel ik dus niet. Hierover is uitgebreid debat gevoerd met de Tweede Kamer6, en de Kamer is geïnformeerd over de gemaakte keuzes.7
Klopt het dat de brief van de Europese Commissie niet alleen aan Nederland vraagt om te reageren binnen twee maanden, maar ook om maatregelen te treffen die de onrechtmatige situatie herstellen? Zo ja, welke acties moet u dan concreet nemen?
De EC heeft een met redenen omkleed advies aan de Nederlandse autoriteiten uitgebracht. Zij geeft Nederland twee maanden de tijd om hierop te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Het antwoord op het met redenen omkleed advies van de EC wordt op dit moment voorbereid.
Hoe schat u de kans in dat de reactie die u binnen twee maanden moet geven op de brief van de Europese Commissie afdoende zal zijn om te voorkomen dat de Europese Commissie naar het Europese Hof van Justitie stapt?
Het Ministerie van IenW blijft in gesprek met de EC. In deze fase heeft Nederland de mogelijkheid te onderbouwen dat de besluitvorming rondom de onderhandse gunning van de concessie zeer zorgvuldig en binnen de grenzen van het Europese recht is geweest. Het Ministerie van IenW hoopt dat de EC, na het lezen van onze reactie op het met redenen omkleed advies, niet naar het Hof zal stappen.
Hoeveel procent van de procedures die de Europese Commissie aanhangig maakt bij het Europese Hof van Justitie worden door de Europese Commissie gewonnen?
In het overgrote deel van de zaken die de EC aanhangig maakt bij het Hof wordt de EC in het gelijk gesteld door het Hof, uitgaande van de cijfers van de afgelopen jaren. Het gaat om zeer uiteenlopende zaken. Ook eenvoudige zaken over niet-tijdige omzetting van richtlijnen vallen hieronder. Dit zijn algemene cijfers die niets zeggen over de uitkomst in individuele zaken.
In geval de Europese Commissie naar het Europese Hof stapt: hoe groot schat u de kans in dat de Europese Commissie een zaak tegen Nederland wint of verliest?
Ik kan daar nu nog niet op vooruitlopen. De eerstvolgende stap is het opstellen van een reactie voor het met redenen omkleed advies.
In het geval dat de Europese Commissie naar het Europese Hof stapt: wat zijn de financiële consequenties als de Nederlandse Staat de zaak zou verliezen?
Het is nog onbekend of de EC naar het Hof stapt, wat de eventuele uitspraak van het Hof zal zijn en wat de Nederlandse Staat dan precies moet doen. Het Hof stelt namelijk vast of er wel of geen inbreuk van het Europese recht is, maar bepaalt – bij vaststelling van een inbreuk – niet concreet wat de lidstaat moet doen om die inbreuk op te heffen. De lidstaat houdt daar bepaalde ruimte. Het Hof kan overigens pas een boete of dwangsom opleggen als een lidstaat inbreuk blijft maken op het Europese recht, ook na de uitspraak waarin een inbreuk werd vastgesteld. Op dit moment kan ik dan ook niet inschatten wat de mogelijke financiële consequenties kunnen zijn.
Wat hebben de rechtszaken rondom de onderhandse gunning van het hoofdrailnet de Nederlandse belastingbetaler tot nu toe gekost?
Rondom de onderhandse gunning van de concessie op het hoofdrailnet hebben verschillende rechtszaken gespeeld. Het gaat zowel om privaatrechtelijke als bestuursrechtelijke zaken, ook in het kader van de verzoeken tot openbaarmaking op grond van de Wet open overheid. Aan al deze dossiers hebben verschillende ambtenaren van het Ministerie van IenW gewerkt, waarbij soms afstemming nodig was met ambtenaren van andere departementen. Daarnaast heeft de Landsadvocaat bijstand verleend. De concrete kosten van dit alles voor de belastingbetaler laten zich lastig kwantificeren.