Het opnieuw in de fout gaan van visverwerker Foppen |
|
Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het feit dat visverwerker Foppen jarenlang het verboden middel natriumnitriet in visworsten verwerkte?1
Ik heb kennis genomen van het genoemde bericht.
Waarom is Foppen in 2010 gewaarschuwd voor het gebruik van deze stof, en is pas in 2014 opnieuw hierop gecontroleerd?
In 2010 heeft de NVWA tijdens een audit bij Foppen het conserveermiddel natriumnitriet (E250) aangetroffen. Het daadwerkelijk gebruik van dit middel voor de productie van visproducten werd niet geconstateerd. Het op voorraad hebben van nitriethoudend zout is op zich geen overtreding. Daarom is Foppen in 2010 gewezen op de betreffende regelgeving en op het feit dat dit middel in de visverwerking een niet toegelaten additief is.
In november 2014 heeft de NVWA tijdens een audit vastgesteld dat Foppen natriumnitriet op voorraad had en daadwerkelijk gebruikte bij de productie van zalmworst. Dit is een overtreding. In de Kamerbrief over de situatie bij Foppen, die u separaat ontvangt, licht ik toe dat uit de risicobeoordeling bleek dat er geen sprake was van een risico voor de volksgezondheid. Het terughalen van de zalmworst uit de winkelschappen was niet aan de orde. Foppen heeft de partijen die het bedrijf op voorraad had vernietigd.
Mede omdat het bedrijf eerder in 2010 erop was gewezen dat het middel voor toepassing in visproducten niet was toegestaan heeft het bedrijf direct de maximale boete van € 1.050,– gekregen.
Is het jarenlang gebruik van natriumnitriet, ondanks een waarschuwing, reden het beleid van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op dit gebied te herzien? Zo ja, welke veranderingen zullen plaatsvinden, en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het interventiebeleid van de NVWA houdt in dat na een geconstateerde overtreding vervolginspecties plaatsvinden om zeker te stellen dat de geconstateerde tekortkomingen zijn verholpen. Het is niet uit te sluiten dat een bedrijf opnieuw in dezelfde fout vervalt. Ook in dat geval neemt de NVWA maatregelen conform het geldende interventiebeleid.
Ik heb eerder aangegeven dat ten algemene het interventiebeleid van de NVWA scherper moet. De NVWA werkt hieraan. De Staatssecretaris van Economische Zaken en ik stellen een toezichtkader op. Dit moet richting geven voor het aan te scherpen interventiebeleid. Daarnaast is recent het wetsvoorstel dat het boeteplafond optrekt naar een veel hoger niveau door het parlement goedgekeurd.
Kunt u reageren op de reactie van Foppen op het nieuws «Foppen heeft op dit gebied de wetgeving verkeerd geïnterpreteerd, omdat Foppen ervan uitging dat het gebruik van natriumnitriet verboden was in visproducten en het in dit geval halffabricaat betrof» en daarbij in ogenschouw nemen dat de NVWA hiervoor in 2010 al waarschuwde?
De additievenwetgeving verbiedt geen additieven, maar staat deze voor specifieke producten toe. Ze maakt daarbij geen onderscheid tussen de toegelaten stoffen voor halffabricaten of eindproducten. Natriumnitriet is in combinatie met visproducten niet toegelaten. Iedere andere interpretatie van deze wetgeving is niet correct. De NVWA heeft Foppen al in 2010 gewezen op het feit dat de toepassing van deze stof in visproducten niet is toegestaan. Het bedrijf beschikte dus al sinds 2010 over de kennis dat het gebruik van het middel natriumnitriet voor visverwerking niet was toegelaten.
Ligt de fout voor het gebrek aan kennis bij Foppen over het gevaar van natriumnitriet bij deze toepassing bij de NVWA of bij Foppen? Welke stappen zullen worden genomen om dit en soortgelijke kennishiaten in de toekomst, ongeacht de oorzaak, bij Foppen en andere bedrijven te voorkomen?
De producent heeft de wettelijke verantwoordelijkheid om over voldoende kennis over zijn producten en productieprocessen te beschikken. De NVWA neemt deze verantwoordelijkheid niet over.
NVWA heeft regelmatig overleg met het bedrijfsleven over de toepassing van de regelgeving. Hiermee helpt de NVWA de bedrijven met het up-to-date houden van de kennis over de relevante regelgeving. De regelgeving over de toepassing van natriumnitriet is duidelijk en niet nieuw.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg NVWA voorzien op 30 juni a.s.?
Ja.
Het bericht ‘Integratiesubsidies weggesluisd’ |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat integratiesubsidies zijn weggesluisd naar een rekening die werd gebruikt voor privéuitgaven?1
Aangezien deze specifieke zaak onderwerp is van onderzoek door het Openbaar Ministerie onthoud ik mij van commentaar over de beschuldigingen van fraude die geuit zijn in dit bericht. Dit in afwachting van de vervolgstappen van het Openbaar Ministerie en eventuele rechtelijke uitspraken.
Wanneer was u op de hoogte van het fraudeonderzoek naar privégebruik van subsidies door medewerkers van Forum? Was dit al voor 7 april 2015? Welke maatregelen heeft u toen genomen?2 3
De toenmalige voorzitter van de Raad van Bestuur van FORUM heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in juli 2014 geïnformeerd over de aangifte van mogelijke fraude met subsidiemiddelen die door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beschikbaar waren gesteld aan FORUM. Op basis van de aangifte is door de directie Opsporing van de Inspectie SZW, onder gezag van het Openbaar Ministerie, besloten om over te gaan tot een strafrechtelijk onderzoek.
De voorzitter van de Raad van Bestuur van FORUM heeft in de week van 23 juni 2014 de voorzitter van de Raad van Toezicht van FORUM ingelicht voordat hij op 3 juli 2014 aangifte heeft gedaan.
In het overleg op 21 juli 2015 tussen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Raad van Toezicht is het fraudeonderzoek op ambtelijk niveau aan de orde geweest. Er is toen gesproken over de wijze van verantwoording van de subsidie aan FORUM over 2014 in relatie tot dit fraudeonderzoek.
Wanneer was de Raad van Toezicht van Forum op de hoogte van het fraudeonderzoek? Heeft u hier over gesproken met de Raad van Toezicht? Zo ja, op welke wijze?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben signalen van fraude of onregelmatigheden bij de besteding van subsidies door (medewerkers van) Forum een rol gespeeld bij het besluit om Forum te ontmantelen? Zo ja welke? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze signalen hebben geen rol gespeeld. Het besluit om FORUM te ontmantelen is, zoals eerder gemeld in mijn brief van 6 juni 2014 (TK 2013–2014, 32 824, nr. 63, pag. 2), ingegeven doordat het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Raad van Toezicht van FORUM gezamenlijk tot de conclusie waren gekomen dat FORUM zich binnen de gestelde kaders niet zal kunnen ontwikkelen tot een kwalitatief hoogwaardige, flexibele kennismakelaar zoals beoogd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Verwacht u dat de komende tijd nog meer feiten over de financiën van Forum naar buiten komen? Zo ja, welke? Zo nee, waarop baseert u dit vermoeden?
Er zijn tot dusverre geen signalen die duiden op mogelijk andere fraudezaken bij FORUM.
Zijn er in het (recente) verleden meldingen van (voormalig) medewerkers van Forum bij uw ministerie binnengekomen over onregelmatigheden in de uitgaven van Forum? Zo ja welke? Wat is hiermee gedaan?
Ja. In april van dit jaar heb ik u reeds geïnformeerd (TK 2014–2015, 34 000 XV, nr. 59) over het onderzoek van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid naar de opdrachtverlening van FORUM aan stichting Co-Ex naar aanleiding van de melding van een klokkenluider. Naar aanleiding daarvan heb ik u gemeld dat zich geen onregelmatigheden hebben voorgedaan.
Bent u bereid om een breed onderzoek in te stellen naar rechtmatigheid van de inkomsten en uitgaven van Forum?
Aan de subsidietoekenning aan FORUM is de eis verbonden dat de uitgaven in overeenstemming met de verantwoordingsvoorwaarden geschieden. FORUM moet zich daarover verantwoorden aan het ministerie. Over de inrichting van de subsidierelatie en de kwaliteit van de verantwoording van FORUM heb ik in 2014 een intern onderzoek laten verrichten door de Auditdienst Rijk. Dit heeft de nodige verbeterpunten opgeleverd. Zo is van het belang dat bij toekomstige overkomst van beleidsterreinen en hun financiële relaties vanuit andere departementen naar het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de subsidierelatie wordt aangepast aan het subsidieregime van dit ministerie. Daarnaast moeten er duidelijke afspraken gemaakt worden over kwantitatieve en kwalitatieve factoren die worden gebruikt bij subsidievaststelling (output waar mogelijk, inspanningverplichtingen waar output minder goed kan). In dat licht is het niet opportuun om nog een ander onderzoek in te stellen.
Het bericht ‘UWV leidt werklozen op tot helderzienden’ |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
|
|
|
|
|
|
Kent u het bericht «UWV leidt werklozen op tot helderzienden»1 en de uitzending «Het UWV en de opleiding tot helderziende»?2
Waarom stelt het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) 1.000 euro per persoon beschikbaar voor een opleiding tot «spiritueel belconsulent», die nota bene wordt gegeven in een luxe kasteel in de Ardennen3, terwijl er de laatste jaren juist enorm is bezuinigd op de ondersteuning door het UWV bij omscholing?
Waaruit bestaat de baangarantie bij de cursus tot «spiritueel belconsulent»? Klopt het dat mensen die een «baan krijgen», lid kunnen worden van een bellijn waar zij als «spiritueel belconsulent» alleen 0,29 euro per gebelde minuut krijgen?
Hoeveel mensen hebben op kosten van het UWV een cursus gevolgd bij de stichting Paradidakt? Hoeveel van deze mensen hebben daadwerkelijk een baan gevonden waarmee zij structureel uit de uitkering zijn geraakt?
Waarom heeft het UWV in eerste instantie aanvragen voor subsidiëring van de opleiding tot spiritueel belconsulent afgewezen, maar is het uiteindelijk toch overstag gegaan?
Bent u er mee bekend dat de opleiding wordt georganiseerd door de eigenaar van de Helderziendelijn waar de cursisten na afloop van de cursus aan de slag kunnen? Is het gebruikelijk dat het UWV opleidingen subsidieert die georganiseerd worden door de toekomstig werkgever, waarbij de toekomstig werkgever nut en noodzaak van de cursus beoordeelt?
Wordt een baan als «spiritueel belconsulent» als passend werk gezien? Kunnen mensen met een WW-uitkering worden verplicht om (eventueel na een gesubsidieerde cursus) helderziende te worden en een baan als «spiritueel belconsulent» te aanvaarden?
De misstanden bij de Europese Octrooi Organisatie |
|
John Kerstens (PvdA), Grace Tanamal (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Staat voor de rechter om misstanden octrooibureau»?1 Is het waar dat de Nederlandse staat aangeklaagd is door vakbond Suepo?
Ik ken dit bericht, maar mij zijn geen juridische acties van de vakbond jegens de Staat bekend.
Klopt het dat langdurige arbeidsongeschiktheid voortaan alleen door een door de President van de Europese Octrooi Organisatie (EOO) benoemde arts kan worden vastgesteld?
Nee. Arbeidsongeschiktheid is primair een aangelegenheid van de werknemer en diens behandelend arts. In het geval van «extended sick leave» (tot een maximum van 125 en soms 250 werkdagen) moet de door de arts vastgestelde ongeschiktheid worden bevestigd via een check van een onafhankelijke arts die door het Europees Octrooibureau (het uitvoerend orgaan van de Europese Octrooiorganisatie) wordt benoemd. In het geval de opinies uiteenlopen, is voorzien in een arbitrageprocedure. Deze nieuwe aanpak geldt ook als de bedoelde «extended sick leave» overgaat in (nog) langduriger arbeidsongeschiktheid en zelfs invaliditeit. Dan bestaat daarenboven de mogelijkheid dat een second en zelfs third opinion wordt gevraagd, door hetzij het bureau hetzij de werknemer. Bij de medische beoordelingen wordt ook meegewogen of de werknemer al dan niet gedeeltelijk arbeidsgeschikt zou zijn en of deze nog vergelijkbaar of eventueel ander werk zou kunnen verrichten, in het belang van zowel de werknemer als van het Europees Octrooibureau.
Herinnert u zich eerdere vragen over de arbeidsomstandigheden bij de EOO?2
Hebt u de kwestie aan de orde gesteld in de Beheersraad van het Europees Octrooi Verdrag? Zo ja, wat zijn de uitkomsten? Zo nee, wanneer stelt u de kwestie aan de orde?
Nederland is voorstander van modernisering van het arbeidsvoorwaardenbeleid, waaronder het beloningsbeleid, het pensioenstelsel en een meer op re-integratie gerichte regeling voor ziekte en arbeidsongeschiktheid. Daarbij hecht Nederland eraan dat hervormingen zorgvuldig ten uitvoer worden gelegd. Met het oog daarop heeft Nederland in de Beheersraad van de Europese Octrooiorganisatie aangegeven dat de praktische implementatie van de nieuwe regeling met zorg moet gebeuren, dat de Beheersraad via rapportages goed zicht moet blijven hebben op de implementatie van het nieuwe regime en dat een periodieke evaluatie belangrijk is. De President van het Europees Octrooibureau heeft dat toegezegd, waarna het voorstel is aangenomen door de Beheersraad.
Bent u de dialoog aangegaan met de EOO? Zo ja, wat zijn de uitkomsten? Zo nee, wanneer gaat u de dialoog aan?
Nederland heeft, met enige andere landen, zorgen geuit over het sociale klimaat binnen het Europees Octrooibureau en de wederzijdse verharding in de verhouding tussen het topmanagement en het personeel en zijn vertegenwoordigers. Mede naar aanleiding van deze signalen is er een «social dialogue» tussen management en personeelsvertegenwoordigers gestart. De voorzitter van de Beheersraad neemt hieraan als waarnemer deel. Naast de geschillen die zijn gerezen over de uitwerking van de hervormingsagenda, vormt ook de positie van de vakbonden onderwerp van bespreking. Nederland hecht sterk aan een succesvolle uitkomst van deze dialoog.
Deelt u de mening dat het gedrag van de EOO, waaronder het niet naleven van een gerechtelijke uitspraak, een negatieve uitstraling heeft op Nederland als het gaat om de bescherming van werknemersrechten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Nederland hecht grote waarde aan het beschermen van werknemersrechten, en zet zich binnen zijn mogelijkheden daarvoor in, ook in het kader van de Beheersraad (zie ook vragen 4 en 5). Nederland heeft echter onder internationaal recht niet de bevoegdheid handhavend op te treden jegens de EOO. De bescherming van werknemersrechten is dan ook in de eerste plaats aan de EOO, waarbij het Administratief Tribunaal van de Internationale Arbeidsorganisatie in Genève fungeert als beroepsinstantie.
Kan de staat andere middelen inzetten om de misstanden bij de EOO te doorbreken, nu de EOO een gerechtelijke uitspraak niet naleeft en de gespannen verhoudingen binnen de organisatie blijkbaar nog altijd bestaan, gelet op het feit dat u in antwoord op eerdere vragen verwijst naar de diplomatieke immuniteit in deze kwestie?2
Ja, en deze worden ook gebruikt (zie het antwoord op vragen 4 en 5).
Discriminatie door de Inspectie SZW |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraak van de Raad van State, waarin een besluit van de Inspectie SZW is vernietigd, omdat het gebruikte bewijs onrechtmatig is verkregen, vanwege ongeoorloofd onderscheid op basis van uiterlijke kenmerken, als bedoeld in artikel 1 van de Grondwet?
Ja.
Wat vindt u ervan dat de Inspectie SZW mensen om een identiteitsdocument vraagt, alleen omdat «de inspecteur op grond van hun donkere haar en een getinte huidskleur het vermoeden had dat zij vreemdelingen waren»?
Ik betreur dat deze uitlating is gedaan. Elke discriminatoire handeling is onacceptabel en dient met kracht te worden bestreden. Dit geldt ook voor mijn eigen medewerkers.
Deelt u de mening dat het buitengewoon onwenselijk is dat een overheidsorganisatie, die wet- en regelgeving moet handhaven, zelf artikel 1 van de Grondwet overtreedt?
Ja. Elke discriminatoire handeling is onacceptabel en dient met kracht te worden bestreden. Dit geldt voor iedereen in de samenleving, ook voor overheidsorganisaties.
Bent u het er mee eens dat het ernstig is dat een werkgever die mensen illegaal tewerkgesteld heeft, de dans ontspringt doordat het bewijs onrechtmatig is verkregen vanwege discriminatie door de inspecteur?
Ja. Alhoewel de Raad van State heeft geoordeeld dat het bewijs onrechtmatig is, is bij de controle in september 2011 door de Inspectie SZW destijds vastgesteld dat er drie vreemdelingen aan het werk waren zonder te beschikken over de vereiste tewerkstellingsvergunning: de werkgever heeft drie vreemdelingen illegaal laten werken. De werkgever heeft ook verklaard en erkend dat hij drie vreemdelingen heeft laten werken zonder tewerkstellingsvergunning.
Zou de inspecteur deze uitlating niet hebben gedaan, dan zou de boete aan de werkgever overeind zijn gebleven en zou de werkgever gestraft zijn voor het illegaal tewerkstellen van deze vreemdelingen. Dat de werkgever de dans ontspringt, maakt de situatie des te schrijnender.
Heeft u meer voorbeelden van zaken waarin de Inspectie SZW door de rechter is teruggefloten of waarbij intern actie is ondernomen, omdat bij de inspectie discriminatie heeft plaatsgevonden?
Nee.
Begrijpt u dat de verklaring van de inspecteur «omdat de betreffende vreemdelingen donker haar en een getinte huidskleur hadden hebben we hen om identificatie gevraagd, omdat daaruit het vermoeden voortvloeide dat zij vreemdelingen waren» de indruk wekt dat dit een standaard werkwijze is bij de Inspectie SZW? Kunt u deze indruk wegnemen?
Inherent aan het toezicht op de naleving van de Wet Arbeid Vreemdelingen is dat de Inspectie SZW bij een werkplekcontrole van alle werkzame personen de identiteit vaststelt. In dit geval is dit niet gebeurd. De opmerking van de inspecteur geeft niet de werkwijze weer van de Inspectie SZW.
Hoe past het controleren op basis van uiterlijke kenmerken bij het beleid van de Inspectie SZW om «zich met behulp van risicoanalyses te richten op maatschappelijke misstanden en notoire overtreders»? Leidt het hebben van donker haar en een getinte huidskleur in de risicoanalyses van de Inspectie SZW tot een hoger risico?
Het selecteren op donker haar en getinte huidskleur is geen indicator die voorkomt in de risicoanalyse van de Inspectie SZW.
Op welke manier wordt in de opleiding van inspecteurs aandacht besteed aan het voorkomen van discriminatie? Bestaat er een instructie bij de Inspectie SZW hoe inspecties moeten worden uitgevoerd binnen wet- en regelgeving? Kunt u deze instructie aan de Kamer sturen?
Zoals in antwoord op vraag 6 is gesteld is het inherent aan de werkwijze van de inspectie SZW dat bij de uitvoering van het toezicht op de naleving van de Wet Arbeid Vreemdelingen bij een werkplekcontrole de identiteit van alle werkzame personen vastgesteld wordt. Deze werkwijze is bekend bij iedereen en wordt actief uitgedragen. Er is geen interne instructie waarin expliciet staat benoemd dat van alle werkzame personen de identiteit vastgesteld wordt.
Welke acties onderneemt u om te zorgen dat discriminatie door de Inspectie SZW onmiddellijk stopt en in de toekomst niet meer kan voorkomen?
Deze zaak geeft aanleiding om de volgende maatregelen te treffen. In alle inspectieteams zal aandacht besteed worden aan deze uitspraak om te voorkomen dat dit nog een keer gebeurt. Ook in het opleidingsprogramma van nieuwe inspecteurs zal uitgebreider en explicieter dan nu al het geval is stilgestaan worden bij het feit dat van inspecteurs verwacht wordt dat zij het onderzoek op niet-discriminatoire wijze uitvoeren.
De bestendigde werkwijze dat in het kader van het toezicht Wet Arbeid Vreemdelingen iedere werknemer op de werkplek wordt gecontroleerd, zal daarnaast expliciet op schrift worden vastgelegd in een interne instructie.
Wat is de stand van zaken van de oprichting van een inspectieteam Arbeidsmarktdiscriminatie bij de Inspectie SZW, waarvoor via een amendement van de leden Van Weyenberg en Karabulut geld is vrijgemaakt?1
Het team is per 1 mei 2015 gestart met haar werkzaamheden en richt zich op discriminatie op de werkvloer. Het team bestaat uit een teamleider en vijf inspecteurs. De inspecties richten zich op grotere bedrijven in sectoren die volgens de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) van TNO en de gegevens van het College van de Rechten van de Mens risicovol zijn.
Het is nog te vroeg om iets over de resultaten van deze inspecties te kunnen zeggen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het Algemeen overleg Handhaving voorzien op 1 juli a.s.?
Tot mijn spijt is het helaas niet gelukt om de vragen te beantwoorden voor het AO Handhaving op 1 juli.
De chip in de kentekenplaat |
|
Johan Houwers (Houwers) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat er een proef wordt gedaan met een chip in kentekens? Wat is de doelstelling van deze proef?1
Het klopt dat er een proef wordt gedaan met chips in kentekens. Deze proef vindt niet plaats op de openbare weg, maar bij het Opleidings- en Trainingscentrum van het Ministerie van Defensie in Oirschot. De drie ontwikkelaars van de nieuwe RFID-chip in kentekenplaten voeren gedurende ruim een jaar een praktijktest uit. Het doel van de praktijktest is om te zien of de nieuwe chip onder alle omstandigheden goed is uit te lezen. De drie ontwikkelaars van de RFID-chip in kentekenplaten hebben aangegeven dat aanvullend op de praktijktest een privacy impact assessment zal worden gedaan. Ook wordt de RFID-kentekenplaat aan een veiligheidsanalyse onderworpen. De periode van de proef loopt van 1 juni 2015 tot 30 juni 2016.
Zijn er ook andere bedrijven betrokken bij deze ontwikkeling? Komt er bij invoering een aanbesteding?
De proef is een zelfstandig en volledig privaat initiatief van de drie ontwikkelaars van de RFID-chip in kentekenplaten. De proef geschiedt niet in opdracht van de overheid. Van invoering van de RFID-chip in kentekenplaten is nog geen sprake. Pas als zou worden besloten om de RFID-chip in te voeren, wordt bekeken of dit dient te worden aanbesteed.
Is het waar dat de invoering is bedoeld om kentekenfraude, autodiefstal en benzinediefstal bij tankstations tegen te gaan?
De ontwikkelaars van de RFID-chip in kentekenplaten geven aan dat met het gebruik van de chip kentekenfraude, autodiefstal en benzinediefstal bij tankstations kan worden tegengegaan. Op het moment dat de resultaten van de praktijktest bekend zijn, zal het kabinet bezien of de RFID-chip in kentekenplaten hier inderdaad een geschikt instrument voor is. Bij de afweging om de RFID-chip in kentekenplaten al dan niet in te voeren, zal echter naar meer aspecten worden gekeken dan enkel de technische werking, zoals naar privacy en kosten.
Waarom moet er iets tegen kentekenfraude worden gedaan, terwijl uw ambtsvoorganger in maart 2015 nog verklaarde dat er in heel 2014 geen enkele aangifte van kentekenfraude is geweest?
De brief over valse kentekenplaten die ik op 10 april 2015 naar uw Kamer heb gestuurd2, is opgesteld naar aanleiding van een mondelinge vraag van het lid Oskam over het gebruik van valse kentekenplaten. In de brief heb ik aangegeven dat er al veel maatregelen worden genomen om het gebruik van valse kentekenplaten te voorkomen en dat het aantal meldingen van diefstallen van blanco kentekenplaten de laatste jaren is afgenomen (vijf in 2013 en nul in 2014). Recent heeft de RDW bericht dat in 2015 vier meldingen zijn ontvangen. Omdat tijdens het vragenuur ook de mogelijkheid van het gebruik van een RFID-chip in kentekenplaten aan de orde is gekomen, ga ik daar in de brief ook op in. In de brief wordt aangegeven dat de drie ontwikkelaars van de nieuwe RFID-chip in kentekenplaten gedurende ruim een jaar een praktijktest uitvoeren. Op het moment dat de resultaten van de praktijktest bekend zijn, zal het kabinet een standpunt innemen over de wenselijkheid van het al dan niet doorvoeren van een RFID-chip in kentekenplaten. Dit standpunt is niet veranderd.
Waarop baseert u het getal van 40.0000 valse kentekenplaten in Nederland?
Dit aantal komt uit het bestuurlijk signaal Gebruik van valse kentekenplaten. Het is moeilijk om een precies beeld te krijgen van het misbruik dat van valse kentekenplaten wordt gemaakt. Daarom is niet met zekerheid te zeggen of er inderdaad 40.000 voertuigen rond rijden met valse kentekenplaten.
Waarom wordt met de chip autodiefstal voorkomen? Waarom voorkomt het gebruik van een auto als vluchtauto? Dat is toch vrijwel altijd kortstondig gebruik (in Nederland)?
Pas als de resultaten van de praktijktest bekend zijn en de werking van de RFID-chip duidelijk is, kan worden bekeken of het al dan niet wenselijk is om de RFID-chip in te voeren. Op dat moment zal ook worden bekeken waarvoor de RFID-chip precies kan worden gebruikt. Zo is het nog onduidelijk of autodiefstal door middel van een RFID-chip in kentekenplaten voorkomen kan worden.
Is ter voorkoming van brandstofdiefstal een pre-paid systeem, zoals al veel tankstations dat hebben, niet afdoende? Is het niet zo dat hierbij er ook nog voor kan worden gekozen dat er eerst een aanbetaling plaatsvindt en na afloop van de tankbeurt de klant geld terug kan halen, zoals in het buitenland wel gebeurt om de klant toch bijprodukten te kunnen verkopen? Daarbij betaalt ook de ondernemer de kosten en gaat het regeringsidee van eigen verantwoordelijkheid toch maximaal op? Waarom moeten zo velen meebetalen aan een oplosbaar en klein probleem?
Er worden al veel maatregelen genomen om het tanken zonder te betalen te voorkomen, zoals de invoering van vooraf betalen. Het is correct dat vooraf betalen, al dan niet met een voorschot, het probleem van tanken zonder te betalen verkleint. Zoals in de voorgaande antwoorden toegelicht is nog niet bepaald of en zo ja met welke doelen de RFID-chip zal worden ingevoerd. De ontwikkelaars geven aan dat deze techniek meer mogelijkheden biedt dan alleen de aanpak van tanken zonder te betalen.
Welke garantie is er dat er niet ook ander gebruik van de chip zal worden gemaakt, zoals bij snelheidsovertredingen et cetera? Is er ook een mogelijkheid van track and trace in de chip?
Voor dit antwoord verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Is de chip ook bruikbaar bij het inrijden van een milieuzone? Is het bijvoorbeeld kenbaar of een auto daar zou mogen rijden gezien de gegevens bij de Dienst Wegverkeer (RDW)?
Zie antwoord vraag 8.
Is het zeker dat dit geen opstap is naar een vorm van kilometerheffing of dergelijke?
Ja.
Wie bewaakt de privacy en wie heeft toegang tot het systeem? Alleen de overheid of ook pomphouders?
Pas op het moment dat de resultaten van de proef bekend zijn, zal worden bekeken welke technische mogelijkheden er precies zijn waarvoor de chip kan worden gebruikt, of het systeem voldoende waarborgen ter bescherming van de privacy kent, welke kosten eraan verbonden zijn en wie er toegang tot het systeem zou moeten krijgen.
Moeten bij invoering ook alle bestaande kentekenplaten worden omgewisseld? Wat kost deze operatie? Zijn er ook financiële voordelen aan de invoering verbonden? Zo ja, waar vallen die?
Van invoering van de RFID-chip in kentekenplaten is nog geen sprake. Pas als zou worden besloten om de RFID-chip in te voeren, wordt bekeken hoe de invoering zal geschieden. Het is wel de verwachting dat, als de RFID-chip wordt ingevoerd, alle kentekenplaten (op den duur) vervangen zullen moeten worden. Dit brengt kosten met zich. In het bestuurlijk signaal Gebruik van valse kentekenplaten staat dat het om € 8,– per auto zal gaan. Daarnaast moet apparatuur worden aangeschaft om de kentekenplaten uit te lezen. Het is onbekend wat de kosten hiervan bedragen en de financiële voordelen zijn eveneens nog niet bekend. De financiële voordelen zijn mede afhankelijk van de feiten waarvoor de RFID-chip zal worden ingezet (indien tot invoering van de RFID-chip in kentekenplaten wordt besloten). Op het moment dat de resultaten van de praktijktest bekend zijn, zal het kabinet een standpunt innemen over de wenselijkheid van het al dan niet doorvoeren van een RFID-chip in kentekenplaten. Daarbij zal ook de afweging worden gemaakt of de baten van de RFID-chip opwegen tegen de kosten.
Kunnen mensen om principiële redenen ook weigeren de chip te gebruiken?
Nee, indien wordt besloten tot invoering van de RFID-chip zullen (op den duur) alle kentekenplaten moeten worden vervangen.
Wanneer is de invoering gepland?
Zoals eerder aangegeven, duurt de proef tot 30 juni 2016. Op het moment dat de resultaten van de praktijktest bekend zijn, zal het kabinet een standpunt innemen over de wenselijkheid van het al dan niet doorvoeren van een RFID-chip in kentekenplaten. Daarbij zullen ook aspecten als kosten en privacy worden meegenomen. Uw Kamer wordt op dat moment vanzelfsprekend in de gelegenheid gesteld om uitgebreid met het kabinet van gedachten te wisselen over dit onderwerp.
Wanneer komt u met een voorstel naar de Tweede Kamer om hierover van gedachten te wisselen, omdat er veel privacy vragen aan deze invoering kleven en het denkbaar is dat er ook andere (minder vergaande) oplossingen zijn voor de geconstateerde problemen?
Zie antwoord vraag 14.
Het bericht ‘UWV schoolt werklozen om tot helderzienden’ |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «UWV schoolt werklozen om tot helderzienden»?1
Klopt het dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) subsidies heeft verstrekt voor paranormale activiteiten, zoals het lezen van tarotkaarten en het kijken in een glazen bol?
Is een baangarantie voor het UWV het enige criterium of zijn er beroepen waarvoor ondanks baangarantie geen subsidies ten behoeve van scholing worden verstrekt? Zo ja, op basis van welke criteria worden deze bepaald?
Bent u bereid voortaan af te zien van het verstrekken van deze subsidies?
De uitspraak van de burgemeester van Hilversum, die "de noodzakelijke emancipatieslag voor moslims" waarnaar wordt verwezen, vergelijkt met " emancipatiebeweging van de Rooms-Katholieke arbeidersbeweging rond de oorlog |
|
Enneüs Heerma (CDA), Peter Oskam (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de burgemeester van Hilversum, die de noodzakelijke emancipatieslag voor moslims, waarnaar dhr. Abou Hafs verwijst, vergelijkt met de emancipatiebeweging van de Rooms-Katholieke arbeidersbeweging rond de oorlog?
Ik heb kennis genomen van deze uitspraak.
Kunt u aangeven of het verstandig is om iemand die zich opruiend heeft uitgelaten, een anti-westerse boodschap heeft verkondigd en aanwezig is geweest bij demonstraties met ISIS-vlaggen als moslimleider te bestempelen, zoals de burgemeester deed in zijn tweet van 11 juni 21.09 uur en juist zijn emancipatieslag te vergelijken met de Rooms-Katholieke emancipatie?
De Nederlandse overheid heeft vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel. Het staat de burgemeester van Hilversum vrij om – binnen de grenzen van de wet – zijn mening te uiten. Daarnaast zijn bestuurders verantwoording schuldig aan een vertegenwoordigend lichaam. De gemeenteraad van Hilversum heeft schriftelijke vragen gesteld en de burgemeester heeft aan de raad zijn standpunt toegelicht en verduidelijkt.
Kunt u aangeven in hoeverre de vergelijking van betreffende burgemeester opgaat dat Rooms-Katholieken ten tijde van die emancipatie rond de oorlog of rond de oprichting van de volkskrant (1919) naar andere landen zouden zijn vertrokken als zelfmoordterrorist?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven hoe groot het probleem is van radicalisering in de gemeente Hilversum in aantal mensen die vanuit Hilversum naar Syrië/Irak zijn uitgereisd en naar potentiële uitreizigers?
In antwoord op vragen van uw Kamer van 3 februari (leden Oskam, Omtzigt en Knops) heb ik aangegeven dat het bekend maken van het aantal uitreizigers op gemeentelijk niveau niet aan de Minister van Veiligheid en Justitie is. De relevante diensten monitoren op landelijk niveau de ontwikkeling van het aantal uitreizigers. Periodiek worden deze landelijke totaalcijfers als richtgetal door de AIVD openbaar gemaakt. Indien daar aanleiding toe is, zullen de landelijke diensten zoals de AIVD gemeenten informeren.
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) verstrekt aanvullend via diverse kanalen informatie over onder andere mogelijk handelingsperspectief in het geval van eventuele uitreis(pogingen). Daarnaast investeert de NCTV actief de ondersteuning van gemeenten die te maken hebben uitreisproblematiek, onder andere door advies over interventiemogelijkheden, opzetten van samenwerkingsverbanden en informatieknooppunten en versterken van kennis en kunde over aanpak en fenomeen.
Wordt de burgemeester van Hilversum hierover geïnformeerd door diensten zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD)?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u het verstandig wanneer burgemeesters bij hun optreden ook de rechtstaat benadrukken inclusief het handelen binnen de kaders daarvan in plaats van de onbeperkte vrijheid van meningsuiting?
Ja, het staat eenieder vrij zijn mening te uiten zolang binnen de wettelijke kaders aanvaardbaar en toelaatbaar.
Het bericht "De PGB-affaire 3: Uitweg uit de crisis" |
|
Mona Keijzer (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «De PGB-affaire 3: uitweg uit de cisis»?1
Ja.
Zijn gedane betalingen geautomatiseerd te linken aan declaraties?
Zoals ik u op 27 mei jl. heb gemeld in antwoord op Kamervragen (Kamerstuk 25 657, nr. 174) is er geen geautomatiseerd productiesysteem dat op basis van oorspronkelijke ontvangstdatum en uiteindelijke betaaldatum vaststelt wat de doorlooptijd van een declaratie is. Zoals gemeld in dezelfde antwoorden, willen zowel ik als de SVB op termijn het huidige systeem van steekproeven voor het bepalen van de doorlooptijd van declaraties vervangen door een volledig overzicht, waarbij declaraties die binnenkomen door het gehele productieproces gevolgd kunnen worden. De prioriteit ligt op dit moment echter bij wijzigingen die noodzakelijk zijn ten behoeve van het herstelplan, het verbeteren van de batchverwerking en het verbeteren van MijnPgb. In de tussentijd wordt door de SVB gewerkt aan een meer gedetailleerd productieoverzicht. Dit heeft nog niet de maximale volg- en zoek functie, maar biedt handvatten voor productiesturing.
Zijn declaraties geautomatiseerd te linken aan zorgovereenkomsten en geautomatiseerd te linken aan zorgverleners?
Declaraties die via MijnPgb worden ingediend, worden automatisch verwerkt en gelinkt aan de desbetreffende zorgovereenkomst en zorgverlener. Declaraties die via bijvoorbeeld de post binnenkomen moeten eerst worden gedigitaliseerd voordat zij worden verwerk. De koppeling met de zorgovereenkomst en zorgverlener wordt daarna handmatig aangelegd.
Deelt u de analyse dat een realistische oplossing begint bij een erkenning dat de Treks-applicatie waarmee de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de persoonsgebonden budgetten (PGB’s) afhandelt een total loss is, in die zin dat repareren technisch en financieel wel kan, maar opnieuw bouwen verstandiger zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik u heb gemeld in mijn antwoord op uw Kamervragen op 19 mei jl. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 2280), heeft het huidige systeem wel degelijk een basis voor verdere doorontwikkeling, zoals M&I/Partners in haar onderzoek hiernaar onderstreept wanneer zij concludeert dat «volledige nieuwbouw niet aan de orde is». Door de SVB is gebruik gemaakt van een bestaand ICT-systeem, dat de taken in voldoende mate ondersteunt, maar dat wel verder ontwikkeld dient te worden om aan alle eisen van het stelsel te voldoen.
Wordt er momenteel gewerkt aan documentatie van het Trekkingsrecht-computerprogramma?
Zoals ik u ook heb gemeld in mijn antwoord op uw Kamervragen op 19 mei jl. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 2280) is hiermee gestart. Ik onderschrijf bovendien de noodzaak voor een gedegen architectuur voor verdere doorontwikkeling de komende jaren. De SVB werkt aan het specificeren van een hernieuwde architectuur, die zal worden besproken in de stuurgroep trekkingsrechten pgb. Dit heeft mijn expliciete aandacht.
Wordt er momenteel aan een binnengekomen declaratie een uniek nummer gehangen dat gedurende de volledige workflow aan de declaratie verbonden blijft?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt er gewerkt aan aanpassingen van het Trekssysteem, die erin voorzien dat niet bij elk wissewasje de gegevensverwerking stil komt te liggen?
Zoals gemeld in mijn brief van 28 april jl. (Kamerstuk 25 657, nr. 162) is uit de uitgevoerde ICT-audit gebleken dat het systeem technisch in staat is om het werkproces te ondersteunen. Tegelijkertijd is in deze brief ook gemeld dat er wordt gewerkt aan versteviging van de ICT-systemen van de SVB. De prioriteit ligt daarbij op dit moment bij wijzigingen die noodzakelijk zijn ten behoeve van het herstelplan, het verbeteren van de batchverwerking en het verbeteren van MijnPgb.
Deelt u het standpunt van de auteur dat informatie uit het Trekssysteem ten behoeve van de eigen medewerkers in beginsel ook zichtbaar moet zijn voor de betrokken pgb-houders en zorgverleners, en dat dit voor nu dient te geschieden via MijnPGB? Zo ja, binnen welke termijn is dit gerealiseerd?
Ik ben van mening dat alle bij de SVB beschikbare informatie die de budgethouder nodig heeft om eigen regie te voeren over zijn zorg zichtbaar zou moeten zijn voor de budgethouder. Met die informatie kan de budgethouder ook de zorgverlener adequaat informeren. Het verbeteren van MijnPgb acht ik van groot belang. In mijn brief van 28 april jl. (Kamerstuk 25 657, nr. 162) heb ik u geïnformeerd over het aanpassen van vijf belangrijke functionaliteiten voor budgethouders in MijnPgb en het actualiseren van de portal MijnPgb. Deze wensen zijn in een gezamenlijke sessie met budgethouders, Per Saldo, SVB en VWS geïnventariseerd. Ook toekomstige verbeteringen van MijnPgb worden in overleg met PerSaldo doorgevoerd. Hierbij wordt gekozen voor een gefaseerde doorvoering van verbeteringen, omdat de herstelwerkzaamheden en het op orde brengen van het reguliere proces de hoogste prioriteit heeft
Welke reden resteert er nu nog om het computerprogramma Treks niet open source te maken; m.a.w. de broncode te openbaren, aangezien het eigendom bij de SVB ligt, de Minister de SVB aanwijzingen kan geven en privacygevoelige informatie gefilterd kan worden?
Zoals ik u ook heb gemeld in mijn antwoord op uw Kamervragen op 19 mei jl (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 2280) ligt het eigendom van de broncodes bij de Sociale Verzekeringsbank en daarmee ook het intellectuele eigendom van de in eigen beheer ontwikkelde software. Door het openbaar maken van de broncode wordt het risico vergroot dat onbevoegden mogelijkheden vinden in het systeem privacygevoelige informatie op te zoeken en te manipuleren. Algehele openbaarmaking is daarmee niet aan de orde. Ik heb de Kamer het voorstel gedaan om een briefing te organiseren door de Sociale Verzekeringsbank waarbij kan worden aangegeven hoe het zit met zaken rondom de broncodes en ICT. Ik herhaal bij deze die toezegging.
Bent u bereid een PGB Data Autoriteit te beleggen bij het Ministerie van VWS met de taken en verantwoordelijkheden, zoals opgesomd in dit artikel? Zo nee, waarom niet?
Het oprichten van een PGB Data Autoriteit zou betekenen dat een extra ketenpartner wordt toegevoegd aan de keten. Daar ben ik geen voorstander van. Over de tijdige gegevensuitwisseling tussen de ketenpartners zijn binnen de keten afspraken gemaakt. In het kader van het verbeterplan wordt gekeken naar mogelijke verbeteringen in het stelsel. In het verbeterplan zal – mede op verzoek van de Kamer – de nadruk liggen op mogelijke vereenvoudiging in het stelsel. Dat heb ik de Kamer toegezegd in het debat van 4 juni jl. Zoals ik u heb toegezegd in mijn brief van 24 februari (Kamerstuk 25 657, nr. 134) zal daarbij ook worden gekeken naar de gegevensstroom.
Indien u niet bereid bent een tijdelijke Data Autoriteit te beleggen bij VWS, op welke wijze en door wie wordt dan gegarandeerd dat ketenpartners tijdig de gegevens op elkaar afstemmen?
Zie antwoord vraag 10.
Op welke wijze wordt voorkomen dat de SVB te zijner tijd zelf mag oordelen over de kwaliteit van zijn werk, wetende dat door hem gemelde uitvoeringsfouten zullen leiden tot hoge incassokosten en tot claims van benadeelde partijen?
De SVB rapporteert via de planning- en controlcyclus op transparante wijze over productie en rechtmatigheid aan haar opdrachtgevers. Deze informatie is openbaar. Specifiek voert de Audit Dienst SVB jaarlijks controles uit op de rechtmatigheid van alle wetten en regelingen die de SVB uitvoert, waaronder sinds 2015 ook het pgb. Dit is de reguliere praktijk. De Audit Dienst SVB rapporteert daar ook over naar de opdrachtgevers, veelal door middel van een controleverklaring bij verantwoording daarover. De Audit Dienst SVB is een onafhankelijke overheidsaccountant en bij de uitvoering van de werkzaamheden is de Audit Dienst SVB gehouden aan de geldende beroepsregels van accountants, IT-auditors en operational auditors. De Audit Dienst SVB wordt een aantal keren per jaar door verschillende organisaties gereviewed, bijvoorbeeld door de Inspectie SZW, de Audit Dienst Rijk (ADR) en externe accountants. Ook wordt de Audit Dienst SVB door de beroepsgroepen vaktechnisch getoetst of zij zich houdt aan de geldende beroepsregels.
Was u op de hoogte van de wijze van werken op het gebied van ICT zoals deze bij de SVB lijkt te zijn als geschetst in het artikel op geenstijl.nl d.d. 15 juni 2015?
De geschetste werkwijze was mij niet bekend. De Raad van Bestuur van de SVB geeft aan te staan voor een veilige en stimulerende werkomgeving voor haar medewerkers, waarin ruimte is voor kritisch geluid. De SVB beschikt over een meldingsprocedure integriteit, zoals past bij een publieke organisatie. Medewerkers van de SVB kunnen zich rechtstreeks wenden tot hun leidinggevende, tot Human Resources of tot de Commissie Integer Handelen. In de door u genoemde berichtgeving ziet de Raad een aantal signalen waarbij, conform de «SVB gedragscode en regels voor integriteit», beoordeling aan de orde is. De Commissie Integer Handelen heeft de meldingen via de Raad van Bestuur ontvangen en zal beoordelen of vervolgonderzoek noodzakelijk is.
In de brief van de Staatssecretaris van SZW van 2 september 2014 over SVB Tien is aan uw Kamer aangegeven dat binnen de SVB in het lopende cultuurtraject ook aandacht wordt besteed aan besluitvorming en kritisch vermogen. Met dit traject zet de SVB onder andere in op een cultuur waarin ruimte is voor kritische interne geluiden. Voorts houdt de SVB na de zomer haar tweejaarlijkse medewerkerstevredenheidonderzoek.
Dit onderzoek biedt medewerkers de ruimte om (anoniem) hun mening te geven over het reilen en zeilen van de SVB. De Raad van Bestuur van de SVB kan op basis van de resultaten desgewenst bijsturen.
Heeft u nog vertrouwen in de SVB en de cultuur binnen die organisatie, zoals die lijkt op te stijgen uit het artikel op geenstijl.nl d.d. 15 juni 2015? Zo nee, wat gaat u daar aan doen?
Zie antwoord vraag 13.
Wilt u deze vragen uiterlijk de dag voor een nog voor het aanstaande zomerreces te plannen Algemeen overleg PGB/SVB beantwoorden?
Ja.
Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en de opleiding tot helderziende |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
|
|
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Reporter Radio over het betalen door het UWV van een «opleiding» tot helderziende?1
Hoeveel mensen zijn de afgelopen jaren met financiële steun van het UWV door Paradidakt «opgeleid»?2 Hoeveel geld was hiermee gemoeid?
Heeft het UWV de afgelopen jaren ook soortgelijke opleidingen door andere bedrijven gesteund? Zo ja, welke opleidingen? Voor hoeveel mensen? Hoeveel geld was daar mee gemoeid?3
Op basis van welke regelingen is het geld beschikbaar gesteld?
Bij gebruik van scholingsvouchers van het UWV moet de aanvrager aangeven dat het volgen van een opleiding opgeven de kans op werk wordt vergroot? Hoe is dat gebeurd bij deze «opleidingen»?
Hoeveel mensen hebben werk gevonden in de sector waarvoor de «opleiding» is bedoeld?
Werken de mensen die door Paradidakt zijn «opgeleid» ook voor dat bedrijf? Op welke arbeidsvoorwaarden? Is het waar dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst? Zo, ja wat is dan wel de overeenkomst?
Bent u bereid om financiële steun van het UWV aan «spirituele opleidingen» te beëindigen? Zo nee waarom niet?
Gasexplosies in Noord-Siberië |
|
Jan Vos (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over gasexplosies in Noord-Siberië die grote kraters veroorzaken en leiden tot grote methaanemissies?1
Ja.
Klopt het dat deze explosies tot kettingreacties zouden kunnen leiden en een versnelling van het broeikaseffect in werking kunnen zetten?
Het vijfde assessment rapport van het IPCC (WGI, 2013) maakt geen melding van literatuur in relatie tot het ontstaan van kraters in het permafrost in Noord-Siberie. Volgens het IPCC zal in een warmer wordende wereld de afbraak van organisch materiaal uit het permafrost een langdurige bron van extra broeikasgassen zijn. In een recente publicatie in Nature (Schuur et al., Climate change and the permafrost feedback, Nature, 2015) wordt een kwantitatieve schatting gemaakt van de in de 21e eeuw vrijkomende hoeveelheid broeikasgassen (kooldioxide en methaan) uit het permafrost als gevolg van stijgende temperaturen: deze zal een tiende tot een kwart bedragen van de hoeveelheid broeikasgassen, die middels het verbranden van fossiele brandstoffen wordt geëmitteerd. Deze en toekomstige publicaties op het gebied van permafrostemissies zullen in het volgende (zesde) IPCC rapport worden beoordeeld.
Kunt u dit verschijnsel aan de orde stellen tijdens de klimaatconferentie in Parijs?
Het vijfde assessment rapport van het IPCC vormt het fundament onder de klimaatonderhandelingen in Parijs in december 2015. In geval het zesde assessment rapport op het gebied van de permafrostmeekoppeling tot nieuwe inzichten komt, zal dit na publicatie in de UNFCCC klimaatconferenties worden meegewogen.
Bemiddelingsbureaus in de zorg |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de woekertarieven die sommige bemiddelingsbureaus in de zorg hanteren, waardoor de kosten voor het inhuren van een zelfstandige zonder personeel (zzp’er) hoog zijn en/of de opbrengst voor de uitvoerende zzp’er laag is?1 2
In zijn algemeenheid vind ik dat geld voor de zorg ook zoveel mogelijk ten goede moet komen aan de zorg zelf. Daarbij merk ik op dat het aan zzp’ers, opdrachtgevers (de zorginkopers) en bemiddelingsbureaus is om afspraken maken over een tarief voor de diensten die een bemiddelingsbureau levert. De zzp’er en/of opdrachtgever beoordelen of zij dat tarief in verhouding vinden staan tot de diensten die een bemiddelingsbureau daarvoor biedt. Het onderzoek, waar in de berichtgeving aan wordt gerefereerd, heeft betrekking op zzp’ers in verschillende sectoren van de economie en niet specifiek op de zorgsector (15% van de respondenten is werkzaam binnen de zorgsector). De uitkomsten van het onderzoek hoeven dan ook niet representatief te zijn voor de zorgsector.
Ik ben daarom voornemens om onderzoek te laten uitvoeren naar de fees die bemiddelingsbureaus voor zzp’ers in de zorg hanteren en de diensten die de bemiddelingsbureaus leveren. Over de uitkomsten van het onderzoek zal ik uw Kamer informeren in het kader van de stand van zaken wijkverpleging.
Vindt u het wenselijk dat er tientallen procenten van het bruto uurtarief van de bemiddelde zelfstandige in rekening worden gebracht? Staan deze kosten in verhouding tot de «service» die bemiddelingsbureaus bieden aan de zelfstandigen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Is er een verschil in gedeclareerd uurtarief van zelfstandigen waar er geen bemiddeling plaatsvindt en waar een bemiddelingsbureau betrokken is? Bent u bereid dit in kaart te brengen?
Het is mij onbekend of er verschil zit tussen het gedeclareerd uurtarief van zelfstandigen waar wel en waar geen bemiddelingsbureau bij betrokken is.
Ik zal deze vraag meenemen in het onderzoek naar de tarieven van bemiddelingsbureaus voor zzp’ers in de zorg.
Kunnen bemiddelingsbureaus declareren namens budgethouders? Gebeurt dat op (grote) schaal?
Declaraties kunnen alleen door een budgethouder of diens aangestelde vertegenwoordiger/mentor/curator/bewindvoerder worden ingediend bij de Sociale Verzekeringsbank. Een medewerker van een bemiddelingsbureau zou zich kunnen laten machtigen door een budgethouder om als vertegenwoordiger op te treden. Op welke schaal dit gebeurt, is bij mij niet bekend.
Zijn er verschillen in de hoogte van tarieven die bemiddelingsbureaus hanteren als het gaat om de inzet van zelfstandigen zonder personeel die werken voor mensen die zorg in natura ontvangen en mensen die zorg vanuit het persoonsgebonden budget krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is mij onbekend of er verschillen zijn in de hoogte van tarieven die bemiddelingsbureaus hanteren bij zorg in natura en zorg vanuit een persoonsgebonden budget. Ik zal deze vraag betrekken bij het onderzoek naar tarieven van bemiddelingsbureaus, zoals aangekondigd in het antwoord op de vragen 1 en 2.
Hoe oordeelt u over het concurrentiebeding dat zorgbemiddelingsbureaus aan contracten toevoegen? Bent u bereid een onderzoek te doen of dit wel rechtsgeldig is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is bemiddelingsbureaus en zzp’ers toegestaan om – binnen de wettelijke grenzen – een concurrentiebeding op te nemen in een contract. Ook is het toegestaan om een bepaling op te nemen dat overtreding van het concurrentiebeding leidt tot een boete. Het is aan zzp’ers zelf om te bepalen onder welke voorwaarden zij een contract aangaan met een bemiddelingsbureau. Keuzevrijheid voor cliënten is voor mij echter van groot belang. Indien de samenwerking tussen de cliënt en het bemiddelingsbureau wordt beëindigd, is het voor de cliënt belangrijk een mogelijkheid te hebben om zijn zorgrelatie met de zzp’ers voort te zetten.
Vindt u het wenselijk dat bemiddelingsbureaus boetes aan zzp’ers kunnen opleggen die niet meer werken via een bemiddelaar maar wel zorg verlenen aan «cliënten» van de bemiddelaar? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe oordeelt u over bemiddelingsbureaus die ervoor kiezen om zorgcontracten voor tienduizenden euro’s te verkopen aan zelfstandigen die niet meer via het bemiddelingsbureau maar direct voor iemand willen gaan werken? Hoe verhoudt dit zich met de keuzevrijheid van cliënten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat er (vele) bemiddelingsbureaus dik geld verdienen zonder dat ze daadwerkelijk één uur zorg verlenen? Vindt u het wenselijk dat geld bestemd voor zorg op deze manier naar andere zaken gaat dan zorg, te weten de winstmarges van bemiddelingsbureaus? Kunt u uw antwoord toelichten?
In zijn algemeenheid vind ik dat geld voor de zorg ook zoveel mogelijk ten goede moet komen aan de zorg zelf. Bovenmatige overheadkosten dienen te worden teruggedrongen. Bemiddelingsbureaus krijgen betaald voor de diensten die zij leveren. Of de tarieven in verhouding staan tot de geleverde diensten, kan ik moeilijk beoordelen. Dat is de verantwoordelijkheid van degene die met het bemiddelingsbureau een afspraak en/of contract aan gaat. Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 1 en 2 ben ik voornemens om een onderzoek laten uitvoeren naar de fees die bemiddelingsbureaus voor zzp’ers in de zorg in rekening brengen en de diensten die ze daarvoor leveren.
Bent u van mening dat de constructie van bemiddelingsbureaus teruggedrongen moet worden? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hiervoor? Zo nee, waarom niet?
Bemiddelingsbureaus die geen toegevoegde waarde hebben moeten inderdaad teruggedrongen worden. Bemiddelingsbureaus kunnen toegevoegde waarde hebben als het gaat om het bij elkaar brengen van vraag en aanbod of bijvoorbeeld op het gebied van administratie. Het is aan zorginkopers (opdrachtgevers) en zzp’ers om te beoordelen of zij van bemiddelingsbureaus gebruik wensen te maken.
Kinderarbeid |
|
Roelof van Laar (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Kinderarbeid in Thaise garnalenindustrie» en «Gevaarlijke kinderarbeid in goudmijnen Ghana»?1 2
Ja.
Klopt het bericht dat er in de Thaise garnalenindustrie vooral migrantenkinderen werken, om zo schulden van hun ouders die ze zijn aangegaan bij tussenpersonen om op een illegale manier te kunnen werken, terug te kunnen betalen?
Het is mij bekend dat in de garnalenindustrie in Thailand slechte arbeidsomstandigheden en misstanden voorkomen. Vooral arbeidsmigranten zijn kwetsbaar voor exploitatie in deze sector en worden getroffen door afpersing met dreiging voor deportatie, langere werktijden en zeer lage lonen. Ook is bekend dat er kinderen in deze industrie werkzaam zijn, waarvan de meerderheid migrantkind is. De tussenpersonen die u noemt zijn een versterkende factor van dit probleem, doordat zij druk uitoefenen op migrantfamilies om schulden snel terug te betalen.
Omdat de meeste garnalenpellers jongeren tussen de 15 en 17 jaar oud zijn, is voor hen onschadelijk licht werk (zoals garnalen pellen) volgens ILO-verdrag Minimum Leeftijd (138) niet verboden. De root causes van deze kinderarbeid en eventuele uitbuiting liggen echter met name in de zeer lage lonen voor migrantfamilies in Thailand.
Deelt u de mening dat kinderarbeid bij migrantenkinderen blijft bestaan zolang de ouders geen leefbaar loon ontvangen? Kunt u aangeven wat de voortgang is van het Actieplan Leefbaar Loon dat eind 2013 werd aangenomen in Berlijn? Heeft u uw voornemen binnen de Europese Unie en andere internationale fora zoals ILO, OESO, VN en de Wereldhandelsorganisatie het belang van leefbaar loon en de verbetering van arbeidsomstandigheden op de agenda te zetten, waargemaakt? Zo ja, wat hebben die inspanningen tot nog toe opgeleverd? Zo nee, wanneer bent u van plan dat te doen?
Een belangrijke bijdrage aan de bestrijding van kinderarbeid is het bevorderen van leefbare lonen voor de ouders van werkende kinderen. Na de Europese Conferentie voor leefbare lonen in 2013 worden vervolgactiviteiten ontplooid in lijn met de in Berlijn aangenomen Roadmap. De conferentie in Berlijn ging niet uitsluitend, maar wel voornamelijk over de textielsector. Ik tref voorbereidingen voor een regionale vervolgconferentie in Pakistan in 2016. Daar zullen sociale partners en overheden van textiel productielanden samengebracht worden met internationale modemerken. Er zal worden samengewerkt met de ILO.
Een groep van 15 grote internationale modemerken werkt aan een overeenkomst van de internationale vakbond IndustriAll over uitgangspunten voor het realiseren van leefbare lonen. Dit najaar zal in Cambodja voor het eerst een tripartiete loononderhandeling in de textielsector op nationaal niveau plaats vinden, waarbij de internationale modemerken zullen worden betrokken om hun steun te betuigen aan dit nationale proces. Een nieuwe stap in de geglobaliseerde arbeidsverhoudingen. Nederland heeft bij de ILO conferentie over lonen in de textiel- en lederwarenindustrie in 2014 bijgedragen aan de acceptatie van de rol van internationale merken bij het realiseren van leefbare lonen in toeleveringsketens.
Op de leefbaar loon conferentie in Berlijn presenteerde IDH het voorbeeld van de theeproductie in Malawi. De lonen op de theeplantages in Malawi zijn extreem laag, ook in vergelijking met andere thee producerende landen. Onlangs hebben alle stakeholders, waaronder ook de overheid van Malawi, zich uitgesproken om samen te werken naar het bereiken van een leefbaar loon en leefbaar inkomen in de theesector in Malawi in 2020.
Tevens ondersteun ik sinds dit jaar de koepelorganisatie van keurmerken ISEAL bij de ontwikkeling van benchmarks voor leefbaar loon in ontwikkelingslanden, dus de hoogte van een leefbaar loon per land. Hierbij zijn zes keurmerken betrokken, waaronder Utz, Fair Trade en FSC. Deze keurmerken zullen de benchmarks gebruiken bij de certificering van het productieproces in ontwikkelingslanden (betaalt koffieboer X een leefbaar loon aan zijn arbeiders?) en de organisaties die de producten verkopen aan consumenten (bijvoorbeeld de supermarkten) bij dit proces betrekken. ISEAL zal samenwerken met de ook door Nederland gesteunde Loonwijzer.
De bovengenoemde Roadmap noemt de mededingingsregels van de EU als mogelijk knelpunt voor samenwerking van bedrijven voor het realiseren van leefbaar loon in hun toeleveringsketens. Nederland heeft in dit kader een gesprek tussen de FairWearFoundation en de Europese Commissie over de aanpak van leefbaar loon gefaciliteerd. De uitkomst van dit gesprek met de Commissie is dat kledingbedrijven de aanpak van FairWear kunnen toepassen zonder in strijd te komen met de EU-mededingingsregels.
Last but not least, mede dankzij de inspanning van Nederland zijn Decent Work en de Social Protection Floor opgenomen in de VN duurzame ontwikkelingsdoelen.
Klopt de bewering dat door gebrekkige transparantie in de keten het op dit moment niet duidelijk is hoeveel gebruik gemaakt wordt van kinderarbeid in de Thaise fabrieken en dat Europese inkopers dus niet weten onder wat voor omstandigheden de garnalen gepeld en gesorteerd zijn?
Aangezien ketentransparantie verschilt per productieketen, zal ook het inzicht van de Europese inkopers in de omstandigheden waaronder de garnalen worden verwerkt verschillen, dit kan betekenen dat het voor inkopers mogelijk niet duidelijk is hoeveel gebruik wordt gemaakt van kinderarbeid in de Thaise fabrieken.
Binnen het IMVO-convenantentraject heeft de voedingsmiddelensector, inclusief de supermarktbranche, het initiatief genomen om de mogelijkheden te onderzoeken om een overkoepelend IMVO-convenant op te stellen waarin belangrijke sociale en milieuthema’s worden uitgewerkt, conform SER-advies. Dit zal worden gedaan in samenwerking met IDH en in dialoog met andere stakeholders. De afspraken die worden vastgelegd in een mogelijk convenant zullen ook betrekking hebben op de visimporteurs als toeleveranciers van de Nederlandse supermarkten.
Zijn er nu al mogelijkheden deze garnalen van de Europese markt te weren? Zo niet, bent u bereid in Europees verband ervoor te pleiten dat deze mogelijkheden worden onderzocht?
Die mogelijkheden zijn zeer beperkt. Het kabinet ging daar al uitgebreid op in in de kabinetsreactie op de initiatiefnota van Kamerlid Van Laar d.d. 20 januari 2015 (Kamerstuk 33 963 nr. 5). Over de mogelijkheden voor EU-inzet tegen kinderarbeid ontving u op 1 juli 2015 een separate brief (Kamerstuk 33 963, nr. 7).
Klopt de bewering dat Europese bedrijven goud inkopen in Ghana, terwijl ze niet precies op de hoogte zijn waar deze edelmetalen vandaan komen en wat het risico is dat er kinderrechtenschendingen hebben plaatsgevonden bij de winning ervan?
Uit het rapport «Precious Metals, Cheap Labor: Child Labor and Corporate Responsibility in Ghana’s Artisanal Gold Mines» van Human Rights Watch blijkt dat de leveringsketen van goud uit Ghanese mijnen lang en onduidelijk is. Ghanese handelaren met vergunning kopen ook goud van mijnen zonder vergunning, waar kinderarbeid voorkomt. Dit resulteert er in dat Europese bedrijven die goud uit Ghana kopen van bijvoorbeeld Zwitserse raffinaderijen geen volledige zekerheid hebben over waar het goud vandaan komt en of er kinderarbeid aan de goudwinning te pas is gekomen. De in het rapport geïnterviewde Zwitserse raffinaderijen lijken hun due diligence goed op orde te hebben en zijn alert op leemtes in hun keten, maar dat is geen 100% garantie dat zij goud verwerken waar geen kinderarbeid aan verbonden is.
Op wat voor manier is de strijd tegen kinderarbeid onderwerp van gesprek in de dialoog die Nederland met Ghana voert in het kader van de transitie die dit partnerland doormaakt van ontwikkelingsrelatie naar een relatie gebaseerd op handel en bilaterale economische betrekkingen? Heeft dit onderwerp al prioriteit in de dialoog? Zo niet, bent u bereid dit onderwerp hoog op de agenda te zetten en zo mogelijk voorwaarden te stellen aan de Ghanese overheid?
Kinderarbeid werd en wordt regelmatig aan de orde gesteld in zowel de dialoog tussen Nederland en Ghana als de dialoog tussen de EU en Ghana.
De Ghanese overheid, vooral de Minister for Gender, Children and Social Protection, is zeer actief op dit thema. De Ghanese overheid maakt met name sinds 2012 gericht beleid en stelde instituties in. Dit heeft effect zowel op nationaal als districtsniveau, waardoor kinderarbeid en andere vormen van geweld tegen kinderen beter gemonitored en bestreden kunnen worden. Alhoewel er nog onvoldoende betrouwbare statistieken beschikbaar zijn, rapporteert de Ghanese overheid wel over voortgang in aantallen kinderen die gered zijn en terug naar school gaan, aantallen gemeenschappen die worden gesensibiliseerd en ambtenaren die worden getraind.
Het voorkomen van kinderarbeid is integraal onderdeel van de beoordeling van door Nederland gefinancierde projecten (zoals het Programma Publiek Private Samenwerking en het Private Sector Investeringsprogramma) en bilaterale programma’s, onder andere in de cacaosector. Nederlandse bedrijven worden gestimuleerd in Ghana maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Daarnaast zijn verschillende organisaties met steun van de Nederlandse overheid actief in de strijd tegen kinderarbeid in Ghana, zoals het «Gold» programma van Solidaridad, maar ook de programma’s van het IOM, die zich richten op kinderarbeid in o.a. de visserij. Ook UNICEF is in Ghana actief op het thema kind huwelijken en andere vormen van geweld tegen kinderen, waaraan Nederland 6 MLN EUR bijdraagt, samen met Canada voor de periode 2014–2016. Het betreft 28 districten in de Volta regio, en in de Noordelijke en Westelijke regio van Ghana. Nederland is ook actief in de strijd tegen kinderhandel en werkt hierin nauw samen met de Ghanese overheid en andere EU lidstaten.
Tot slot heeft Nederland zich de afgelopen maanden ingezet om de IMVO-risico's in de goudketen, waaronder kinderarbeid, aan te pakken. Als eerste is een studie georganiseerd naar deze risico's en naar wat Nederland zou kunnen doen. Deze zijn besproken tijdens een Nationale Ronde Tafel over goud op 9 juni 2015. Meer dan honderd deelnemers, van juweliers tot de financiële sector en van ngo’s en vakbonden tot organisaties uit de elektronicasector, namen deel. Meerdere bedrijven, zoals Gassan Diamonds en Schöne Edelmetaal, deden toezeggingen over hoe ze er voor gaan zorgen dat hun producten gegarandeerd kinderarbeid vrij zullen worden. Besloten is om tot een sectorconvenant te komen en het streven is om deze afspraken eind 2015 vast te leggen, waarbij zeker ook aandacht geschonken zal worden aan kinderarbeid.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse bedrijven in hun hele inkoop- en productieketen kinderrechten respecteren? Kunt u aangeven op wat voor manier de plicht van bedrijven kinderarbeid uit te bannen opgenomen gaat worden in de MVO-convenanten met risicosectoren?3 Zijn de «Children’s Rights and Business Principles» hiervoor leidend?
Voor het IMVO-convenantentraject wordt het SER-advies gevolgd. Volgens dit advies moet een convenant voldoen aan de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles (UNGPs) on Business and Human Rights. De UNGPs stellen dat bedrijven zich moeten houden aan de fundamentele ILO-conventies, waaronder ILO-conventie 182 ten aanzien van de ergste vormen van kinderarbeid. De UNGPs geven ook aan dat wanneer de activiteiten van bedrijven impact hebben op individuen die behoren tot specifieke groepen of minderheden, bedrijven de plicht hebben om de mensenrechten van deze groepen te respecteren. In dit verband worden de instrumenten van de Verenigde Naties genoemd en vormen de Children’s Rights and Business Principles (CRBP) een onderdeel van deze instrumenten.
In het SER-advies is één van de kernelementen voor effectieve IMVO-convenanten een betekenisvolle stakeholderdialoog. De maatschappelijke organisaties gericht op de strijd tegen kinderarbeid hebben de mogelijkheid om deel te nemen aan deze multi-stakeholderdialoog en om als partij te participeren in een convenant. Zo is UNICEF betrokken bij het convenantenproces in de kleding- en textielsector. Aangezien de CRBPs zijn ontwikkeld door UNICEF, zal UNICEF de afspraken zeker toetsen aan deze principes. Ook levert de coalitie Stop Kinderarbeid input over de manier waarop maatregelen tegen kinderarbeid in de sectorconvenanten vorm kunnen krijgen en neemt de coalitie deel aan een overleg tussen het ministerie en stakeholders over hoe de sectoroverstijgende thema’s binnen het IMVO-convenantentraject moeten worden meegenomen. Een ander kernelement is dat het convenant gebaseerd moet zijn op een identificatie van risico’s in het due diligence-proces. Als kinderarbeid geïdentificeerd wordt als een hoog risico in een bepaalde sector dan zal in multi-stakeholder verband besproken moeten worden hoe dit plaats krijgt in een IMVO-convenant.
Op wat voor manier wordt de strijd tegen kinderarbeid gewaarborgd binnen de SDG- agenda? Bent u bereid het uitbannen van kinderarbeid tot prioriteit te maken van uw inzet?4
Zoals besproken in het AO RBZ-OS van 11 december 2014, is het opnemen van uitbanning van kinderarbeid één van mijn prioriteiten in de SDGs. In de lopende onderhandelingen pleit het kabinet ervoor dat het resultaat van de VN Open Working Group (OWG) wordt behouden. Kinderarbeid is daarin opgenomen in doel 8, het doel over groei en werkgelegenheid. Het betreffende subdoel is 8.7: «Take immediate and effective measures to secure the prohibition and elimination of the worst forms of child labour, eradicate forced labour and, by 2025, end child labour in all its forms, including the recruitment and use of child soldiers». In de lopende onderhandelingen die leiden naar de SDG top in september zal het kabinet pleiten voor behoud van deze OWG doelen.
De Bilderbergconferentie |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat tijdens de Bilderbergconferentie in het Oostenrijkse Telfs-Buchen van 11 tot en met 14 juni jl., waar u bij aanwezig was, onder meer is gesproken over Griekenland, cybersecurity, Rusland, Iran en de VS?1 Welke onderwerpen kwamen verder aan bod?
De organisatie van de Bilderbergconferentie heeft in een persbericht
(zie www.bilderbergmeetings.org) hoofdonderwerpen van de bijeenkomst van 2015 gepubliceerd. De lijst bevat ook de onderwerpen uit uw vraag. Voor de bijeenkomst geldt de Chatham House rule, die een zinvolle gedachtewisseling verzekert.
Kunt u aangeven wat uw eigen inbreng was tijdens deze conferentie op de genoemde thema’s en andere onderwerpen die mogelijk aan bod zijn geweest?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de totale kosten voor de reis, het verblijf, en eventuele begeleiding en voorbereidingen en andere activiteiten die ontplooid zijn in verband met uw bezoek aan de conferentie?
De kosten voor reis- en of verblijf van de Minister-President komen voor rijksrekening, en bedroegen Euro 1.590,–.
De EU maritieme missie, EU NAVFOR MED |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de EU of afzonderlijke EU-landen een VN-Veiligheidsraadsresolutie onder hoofdstuk 7 proberen te realiseren voor de op de vluchtelingenproblematiek vanuit Libië gerichte EU-missie, EU NAVFOR MED? Indien nee, om wat voor type VN-resolutie gaat het hier dan?
De Europese Unie en de Europese landen die deel uitmaken van de Veiligheidsraad werken in New York aan het verkrijgen van een VN-mandaat voor de Europese missie voor de ontwrichting van de netwerken van mensensmokkelaars in en rond de Middellandse Zee. Op dit moment ligt de bespreking daarvan in New York stil, in afwachting van de uitkomst van voortgaande gesprekken tussen de EU Hoge Vertegenwoordiger, mw. Mogherini, en de Libische regering in Toebroek over medewerking aan de EU missie. Vanwege het vertrouwelijke karakter van de besprekingen in New York kan een conceptversie niet worden gedeeld.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot deze VN-resolutie? Is er reeds een conceptversie in omloop? Indien ja, kan deze, al dan niet vertrouwelijk, naar de Kamer worden gestuurd?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u toelichten op welke wijze de vluchtelingenproblematiek vanuit Libië gezien kan worden als een bedreiging of schending van de vrede dan wel als een daad van agressie, zoals hoofdstuk 7 van het VN-Handvest stelt?1 Kunt u uw antwoord toelichten?
Een oordeel of er sprake is van een bedreiging van de vrede in de zin van artikel 39 van het VN Handvest is aan de VN Veiligheidsraad. Een dergelijk oordeel is nodig wil de VN Veiligheidsraad een bindende resolutie onder hoofdstuk 7 van het Handvest aan kunnen nemen die gebruik van geweld toestaat.
De VN Veiligheidsraad heeft eerder resoluties aangenomen onder hoofdstuk 7 van het VN Handvest naar aanleiding van conflicten waarbij grote stromen ontheemden en asielzoekers op gang kwamen, en die de stabiliteit en veiligheid van een land of een regio dreigden te ondermijnen of te verergeren. Dit betrof onder andere de situatie in Irak en in Haïti.
De mensensmokkel en -handel via het territorium van Libië en de Middellandse Zee leidt tot schrijnende situaties langs de migratieroutes naar en in Libië en op zee. Mensensmokkel is een lucratieve inkomensbron voor criminele netwerken. De situatie brengt veiligheidsrisico’s met zich mee voor Libië en de bredere regio en vormt daarmee naar het oordeel van de lidstaten van de Europese Unie een bedreiging van de internationale veiligheid die moet worden aangepakt.
Is het eerder voorgekomen dat de VN-Veiligheidsraad een resolutie onder hoofdstuk 7 aannam naar aanleiding van een bedreiging of schending van de vrede dan wel als een daad van agressie voortkomende uit migratieproblematiek?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de houding van de Libische autoriteiten met betrekking tot op de vluchtelingenproblematiek vanuit Libië gerichte EU-missie, met name waar het optreden van de EU in Libië of de territoriale wateren van het land betreft?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 en 2 is de Hoge Vertegenwoordiger van de EU in gesprek met de Libische autoriteiten in Toebroek over medewerking aan de EU-missie. De Libische regering heeft eerder aangegeven een EU missie in de Libische territoriale zee vooralsnog niet wenselijk te achten. Ook de vertegenwoordigers van het General National Congress (GNC) in Tripoli hebben aangegeven bezorgd te zijn over een eventuele missie.
Is het waar dat de erkende regering van Libië de facto geen zeggenschap heeft over grote delen van het land waar militairen van de EU-missie mogelijk op zullen treden? Welke (mogelijke) gevolgen kan dit voor de missie hebben?
De Libische regering in Beida/Toebroek heeft op dit moment in het westelijk deel van Libië geen feitelijke zeggenschap. Voor het beperken van de veiligheidsrisico’s bij een eventueel EU-optreden voor of op de kust zal ook samenwerking met de lokale autoriteiten van belang zijn. De mogelijkheden worden daarnaast beïnvloed door de actuele veiligheidssituatie.
De betrokkenheid van het bedrijf NXP Semiconductors (NXP) bij conflicten met vakbonden in Thailand en de Filipijnen |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u reageren op het artikel «NXP intimideert vakbonden in Thailand en Filipijnen»?1
Ja.
De Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) constateert dat NXP vakbondsleden intimideert, cao-onderhandelaars heeft ontslagen en personeel heeft gedwongen op nationale feestdagen te werken en overuren te maken; kunt u aangeven hoe u deze praktijken beoordeelt?
De conclusies uit het onderzoek «Unable to connect» van SOMO, aangehaald in het artikel in NRC Handelsblad («NXP in conflict met lokale vakbonden in Thailand en Filipijnen», 2 juni 2015) zijn verontrustend en vragen om nader onderzoek. De Nederlandse ambassades in Bangkok en Manilla zullen naar aanleiding van het rapport contact opnemen met de lokale vakbonden. NXP dient de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen in de gehele keten na te leven. Het respecteren van vakbondsvrijheid en fatsoenlijke werkuren zijn daarbij essentieel. Tegelijkertijd weten we dat de gebruikelijke praktijk ten aanzien van arbeidsomstandigheden in productielanden als Thailand en de Filipijnen vaak te kort schiet. NXP en andere multinationale ondernemingen dragen echter de verantwoordelijkheid streng toe te zien op de omstandigheden in hun keten.
De Thaise en Filipijnse wetgeving schrijven een 48-urige werkweek voor, conform de ILO-normen; beide laten echter veel overwerk toe en in Thailand is volgens SOMO bij NXP inmiddels sprake van een 12-urige werkdag; kunt u aangeven of u er waarde aan hecht dat een Nederlands bedrijf zich in andere landen aan de ILO-normen houdt, ook als deze strenger zijn dan de daar geldende wetgeving?
Ik hecht hier veel waarde aan. De IMVO-convenanten baseren zich onder andere op de UN Guiding Principles on Business and Human Rights, waar de fundamentele ILO-conventies onderdeel van uitmaken. Bij gebrek aan regelgeving of naleving daarvan in productielanden, stellen de internationale richtlijnen de norm voor multinationals, die geacht worden die norm te realiseren voor hun werknemers. Vakbonden mogen NXP hieraan houden en kunnen werknemers informeren over de internationale normen ten aanzien van arbeidstijden en vakbondsvrijheid.
NXP heeft aangegeven dat het in gesprek wil gaan met de Thaise vakbond2; over de Filipijnse vakbond, wiens cao-onderhandelaars door NXP werden ontslagen, heeft NXP geen toezeggingen gedaan; bent u bereid NXP aan te spreken op de omgang met de rechten van werknemers en de omgang met vakbonden?
Ik spreek alle bedrijven aan op naleving van de OESO-richtlijnen, dus ook NXP. Het is goed dat NXP in gesprek gaat met de Thaise vakbond. De Nederlandse ambassade in Bangkok is al langer in contact met NXP Thailand en heeft ook naar aanleiding van het SOMO-rapport met NXP gesproken. NXP heeft ondertussen SOMO uitgenodigd voor een bedrijfsbezoek en gesprek naar aanleiding van het rapport. De ambassade zal dit volgen. In de Filipijnen is voor zover bekend nog geen contact geweest tussen NXP en SOMO met betrekking tot een concrete vervolgstap. De Nederlandse ambassade zal contact opnemen met de Filipijnse afdeling van NXP.
De ambassades in Manilla en Bangkok zullen waar wenselijk de lokale vakbonden betrekken bij de mogelijke stappen die NXP naar aanleiding van de bevindingen in het SOMO-rapport neemt. Indien deze onvoldoende zijn, zal in overleg met de verschillende partijen worden nagedacht over effectieve vervolgactie(s).
Is NXP betrokken bij het opstellen van het convenant voor de sector Metaal & Elektronica? Bent u, als dit niet het geval is, bereid het bedrijf alsnog bij de onderhandelingen over dit convenant te betrekken?
Ja, NXP is betrokken via de FME, de ondernemersorganisatie voor de technologische industrie. Het proces om te komen tot IMVO-convenanten loopt via vertegenwoordigende organisaties als brancheverenigingen. De reden hiervoor is dat wordt gestreefd naar het maken van afspraken met zo breed mogelijk draagvlak. Via de schaal die breed gedragen IMVO-convenanten biedt kunnen bedrijven hun invloed (leverage) vergroten om risico’s op negatieve effecten van hun daadwerkelijke of mogelijke handelen aan te pakken. FME heeft aangegeven in de tweede helft van 2015 initiatieven op dit vlak te gaan ontplooien.
Sponsoring van een school voor 3 ton door een commercieel bedrijf |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat een vmbo-school zich voor drie ton laat sponsoren door een commercieel bedrijf? Wat betekent dit voor de onafhankelijkheid van het onderwijs?1
De Hugo de Grootschool in Rotterdam (school voor mavo, havo en vwo) heeft een gift van € 300.000 ontvangen van het softwarebedrijf AFAS. Er is een verschil tussen sponsoring en donatie (gift/schenking). Bij sponsoring geeft een sponsor geld, goederen of diensten aan een school in ruil voor een tegenprestatie. Bij donaties (giften/schenkingen) levert het bevoegd gezag géén tegenprestatie.
Ik ben niet tegen sponsoring of donaties. Ik denk dat het goed is dat meer privaat geld naar het onderwijs stroomt, en daarvoor zijn in de onderwijswetgeving (artikel 12 WPO, artikel 21 WEC en artikel 24 WVO) voorwaarden verankerd waar scholen ten aanzien van sponsoring aan moeten voldoen. Het Convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring» 2015–2018 geeft aanvullend daarop een uitwerking van die wettelijke voorwaarden. Het bevat afspraken en geeft heldere richtlijnen en stelt ouders, leerlingen, personeel en medezeggenschapsraden in de gelegenheid een sterkere positie in te nemen ten aanzien van het sponsorbeleid. Voorbeelden van afspraken en richtlijnen: sponsoring in het onderwijs moet verenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taak en doelstelling van de school en mag de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van het onderwijs, de scholen en de daarbij betrokkenen niet in gevaar brengen. Sponsoring of donaties zijn niet bedoeld voor het primaire onderwijsproces. De bekostiging van het onderwijs is zodanig dat scholen aan de wettelijke eisen met betrekking tot het onderwijs kunnen voldoen. Sponsoring of donaties bieden de scholen de mogelijkheid voor aanvullende activiteiten, zoals een schoolfeest of sportdag.
Wanneer bedrijven sponsoring of een donatie (gift/schenking) aanbieden aan scholen, gaan scholen een relatie aan met deze bedrijven. Ik vind het van belang dat scholen zorgvuldig met die relatie omgaan en zich niet afhankelijk maken van bedrijven.
Hoe beoordeelt u de situatie van de betreffende vmbo-school dat die door bezuinigingen van het kabinet zes ton in het rood staat en daardoor in de handen van een commerciële sponsor is gedreven? Bent u van mening dat scholen voldoende worden gefinancierd om kwaliteit van onderwijs, kleine klassen en voldoende begeleiding en ondersteuning in de klas te bieden? Kunt u dit onderbouwen en toelichten?
Ik deel uw analyse dat de school door bezuinigingen van het kabinet in de problemen is gekomen, en daardoor in de handen van een commerciële sponsor is gedreven, niet. Dit kabinet investeert fors in onderwijs. Scholen krijgen voldoende middelen om kwalitatief goed onderwijs aan te bieden. Zo constateerde de Algemene Rekenkamer onlangs nog dat het financiële beeld niet ongunstig is.2 Veruit de meeste scholen komen uit met hun geld. Dit beeld wordt ook bevestigd door de jaarlijkse financiële rapportage over het funderend onderwijs die de Inspectie van het Onderwijs maakt en die aan uw Kamer wordt gezonden. Het is aan het schoolbestuur om binnen de lumpsumfinanciering zodanige keuzes te maken dat inkomsten en uitgaven in balans blijven.
Hoe gaat u voorkomen dat er in Nederland Amerikaanse toestanden ontstaan, waarbij er enerzijds rijke scholen ontstaan door het ontvangen van vele giften en sponsorgelden en anderzijds arme scholen ontstaan die dat niet ontvangen? Acht u dit een wenselijke tweedeling in het Nederlandse onderwijssysteem? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om deze ongelijkheid terug te dringen?
Naast de reguliere bekostiging, die zodanig is dat scholen aan de wettelijk eisen met betrekking tot het onderwijs kunnen voldoen, hebben de scholen de mogelijkheid om het onderwijs te verrijken door het werven van sponsorgelden en donaties. Er zijn mij geen signalen bekend dat sponsoring en/of donaties ongelijkheid in het onderwijs teweegbrengt.
Wat is de reden dat de overheid zich steeds verder terugtrekt uit het onderwijs? Hoe beoordeelt u het forse risico dat hierdoor ontstaat, namelijk dat de onafhankelijkheid van het onderwijs in het geding is? Op welke wijze garandeert u dat leerlingen in Nederland daadwerkelijk worden opgeleid tot onafhankelijke, kritische mensen?
De overheid trekt zich niet terug uit het onderwijs. Zoals ik in mijn antwoorden op de vragen 2 en 3 heb aangegeven, ontvangen scholen voldoende middelen om aan de wettelijke verplichtingen met betrekking tot het onderwijs te voldoen. Indien scholen overgaan tot het aantrekken van private middelen, dienen zij ervoor te zorgen dat de onafhankelijkheid van het onderwijs niet in het geding komt. Het onderwijsproces (wettelijk opgedragen activiteiten) mag niet afhankelijk worden van sponsorbedragen en donaties. Zoals in het convenant genoemd, mag de continuïteit van het onderwijs niet in gevaar komen doordat op enig moment (sponsor)middelen wegvallen.
Gaat u meer investeren in het onderwijs en ervoor zorgen dat er daadwerkelijk geld in de klas terecht komt, bij leerkrachten, en geld voor ondersteuning en begeleiding van leerlingen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe het aannemen van een dergelijk groot geldbedrag zich verhoudt tot het convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring?»2
Bij navraag meldde de rector van de Hugo de Grootschool, de heer Eric van ’t Zelfde, dat het bedrag een gift is van het softwarebedrijf AFAS. Er is geen sprake van sponsoring en er staat dus géén tegenprestatie tegenover. Wel is belangrijk dat de inzet van de middelen transparant, en in overleg met docenten en ouders van de school, gebeurt.
Kunt u de Kamer een overzicht doen toekomen van de sponsoring van scholen in het primair en voortgezet onderwijs in 2013 en 2014? Bent u bereid om in dit overzicht per school aan te geven welke sponsoren er zijn geweest en voor welk geldbedrag er is gesponsord en voor welke doeleinden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet in het bezit van een overzicht van de sponsoring van scholen in het primair en voortgezet onderwijs in 2013 en 2014. Bij de hernieuwing van het Convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring» is aan de deelnemende partijen van het convenant gevraagd naar de mate van sponsoring. Het beeld dat deze partijen hebben is dat sponsoring van bedrijven aan scholen slechts in beperkte mate voorkomt. Ook zijn er geen signalen bekend die wijzen op een stijgende of dalende trend. Op basis van deze informatie vind ik het niet noodzakelijk om hier onderzoek naar te laten doen.
Is de achterliggende agenda van de regering om de toename van sponsoring van scholen en de verdere amerikanisering van het onderwijs aan te moedigen, nadat onder andere de zorg, het spoor en woningbouwcorporaties geprivatiseerd zijn? Waar ligt wat u betreft de grens met het privatiseren van het onderwijs?
Privatisering van het onderwijs is niet aan de orde. De overheid is verantwoordelijk voor de reguliere bekostiging van de scholen, waarmee scholen in staat worden gesteld te voldoen aan de wettelijke verplichtingen. De overheidsbekostiging is voldoende om vorm en uitvoering te geven aan goed onderwijs op de scholen.
Herinnert u zich dat uw ambtsvoorganger in 2013 op de vraag «Welke gegevens over Duitse militaire pensioenen (en uitkeringen wegens fysieke of psychische schade) van Nederlanders die vrijwillig krijgsdienst genomen hebben bij de Duitse bezetter (of van hun nabestaanden), krijgen de Nederlandse belastingautoriteiten bij de uitwisseling van belastinggegevens?» het volgende antwoord gaf: «De Belastingdienst ontvangt via automatische gegevensuitwisseling momenteel geen gegevens over Duitse militaire pensioenen en uitkeringen wegens fysieke of psychische schade die worden betaald aan inwoners van Nederland.»? (Aanhangsel bij de Handelingen 2012/2013 nr. 2042)
Ja.
Klopt het dat mensen zo’n pensioen wel hadden moeten opgeven bij de belastingdienst in Nederland, maar dat het niet ontdekt kon worden indien iemand dat niet deed, omdat Nederland de gegevens niet kreeg en kon krijgen van Duitsland in de eerste zeventig jaar na de tweede wereldoorlog?
Inwoners van Nederland moeten bij het doen van hun aangifte inkomstenbelasting het wereldinkomen opgeven. Zij moeten inkomsten van buitenlandse oorsprong, zoals buitenlandse pensioenen, dus in hun aangifte vermelden. Dat is voor Duitse militaire pensioenen en periodieke uitkeringen wegens fysieke of psychische schade niet anders. Controle of een belastingplichtige alle genoten inkomsten in zijn aangifte heeft opgegeven, kan door de Belastingdienst op verschillende wijzen worden uitgeoefend. Automatische uitwisseling van pensioengegevens uit het buitenland vormt uiteraard een belangrijke mogelijkheid om de juistheid met betrekking tot de in de aangifte te vermelden buitenlandse pensioenen te verifiëren. Informatie over de belangrijkste Duitse pensioenen, de Duitse wettelijke pensioenen (zogenoemde Duitse Rente), wordt met ingang van het belastingjaar 2012 op basis van Verordening (EG) nr. 883/2004 automatisch uitgewisseld aan de Belastingdienst als orgaan dat is belast met de premieheffing. Deze gegevens worden verstrekt door de Deutsche Rentenversicherung. Deze gegevens worden onder andere gebruikt in het kader van de vooringevulde aangifte. Ook heeft de verstrekking van deze gegevens tot navorderingsaanslagen geleid in situaties waarin de gerechtigden deze niet in hun aangiften over voorgaande jaren hadden opgegeven. Zoals uit de beantwoording hierna zal blijken, kunnen in Nederland wonende personen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Duitse krijgsmacht hebben gediend, in aanmerking zijn gekomen voor een Duits wettelijk pensioen.
Klopt het dat het opgeven van zo’n pensioen in zijn algemeenheid leidt tot een hogere belastingafdracht in Nederland (door het progressievoorbehoud) en tot minder rechten op zorgtoeslag, huurtoeslag en ander inkomensafhankelijke regelingen, omdat het wereldinkomen hoger is?
De heffing van belasting over de bedoelde pensioeninkomsten is in het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland van 1959 toegewezen aan Duitsland. Het gevolg van het ontvangen van dergelijke pensioeninkomsten voor de Nederlandse belastingheffing is dat het gemiddelde tarief over de overige regulier belaste inkomsten, zoals Nederlandse AOW, als gevolg van het progressievoorbehoud kan toenemen. Het pensioeninkomen kan verder van invloed zijn op drempels voor aftrekposten en de toekenning van bijvoorbeeld heffingskortingen. Daarnaast leiden dergelijke inkomsten onder omstandigheden tot een hogere premie volksverzekeringen, een hogere inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en tot een lager bedrag aan zorg-, huur- of kinderopvangtoeslag of kindgebonden budget.
Klopt het da uw ambtsvoorganger in 2013 ook aan de Kamer schreef dat Duitsland naar verwachting deze gegevens wel zou uitwisselen vanaf 1 januari 2015 (over 2014), omdat het pensioenen zijn en de uitwisseling van pensioengegevens verplicht is onder Richtlijn 2011/16/EU?
Ja.
Herinnert u zich dat bij de plenaire behandeling van het belastingverdrag Nederland-Duitsland een discussie gevoerd is over artikel 17, lid 4, dat luidt: «Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en derde lid mogen periodieke en niet-periodieke betalingen gedaan door een van de verdragsluitende staten of een staatkundig onderdeel daarvan aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat als schadevergoeding wegens politieke vervolging of wegens een verwonding of schade ten gevolge van oorlog (met inbegrip van restitutiebetalingen) of van militaire of vervangende civiele dienst, een misdrijf, vaccinatie of soortgelijke omstandigheid uitsluitend worden belast in de eerstgenoemde staat « ofwel Duitse militaire pensioenen worden altijd in Duitsland belast?
Ja.
Herinnert u zich dat u tijdens het plenaire debat toezegde in de zomer van 2014 een sessie met Duitsland te hebben over afbakening en dat we daarover de volgende gedachtewisseling in de Kamer hadden: «De heer Omtzigt vraagt of oud-SS'ers nog steeds onder de vrijstelling vallen. Nu maakt hij mij een beetje aan het schrikken, want dat er een vrijstelling voor oud-SS'ers bestond, dat was even nieuw voor mij. Dit gaat over het vierde lid van artikel 17. Daar is nu nog niet zo veel over te zeggen. Het komt in juli in een aanvullende sessie met Duitsland aan de orde. Het is duidelijk wat de inzet is, namelijk dat dit pensioen is. Pensioen moet worden belast en niet worden vrijgesteld. Als iemand onterecht inkomsten heeft genoten die hij heeft verzwegen, wordt daarover een naheffing gepleegd. Dat is de manier waarop het gaat en dat geldt zeker ook hier, omdat er, denk ik, geen reden is om deze groep milder te behandelen dan andere groepen. De heer Omtzigt (CDA): Dat antwoord is helder, maar uw ambtsvoorganger heeft in 2013 op Kamervragen geantwoord dat Duitsland alle belastinggegevens uitwisselde, behalve die gegevens. Het gevolg was dus dat Nederland niet over die gegevens beschikte. Daarom was het ook heel aantrekkelijk om, als je zoiets ontving, het niet op te geven, want je wist dat je daarmee wegkwam. Per 1 januari 2014 is richtlijn 2011/16 ingegaan en vindt er verplichte uitwisseling van pensioengegevens plaats. Wij zouden te zijner tijd, dat kan in juli, augustus of september zijn, graag een terugkoppeling krijgen of deze pensioenen daaronder vallen en of er aanleiding is tot nadere actie. Staatssecretaris Wiebes: In elk geval komt de uitwisseling van pensioengegevens vanaf het belastingjaar 2015 volgens de EU-richtlijnen op gang. Dan zullen wij mogelijkerwijs meer weten dan wij tot nu toe wisten. De heer Omtzigt kent het streven voor hoe deze groep te behandelen. Als wij daar om de een of andere reden van afwijken, dan zullen wij dat aan de Kamer melden. Zouden we het zo kunnen afspreken? Laten we er vooralsnog echter van uitgaan dat dit naar verwachting kan worden afgesproken. Mochten we daarvan afwijken, dan stel ik voor de Kamer daar een brief over te sturen. »?
Ja.
Kunt u heel specifiek aangeven wat de uitkomst van de gesprekken was en wat er gebeurt met (nabestaanden)pensioen van Nederlanders, die tijdens de Tweede Wereld Oorlog in het leger van Duitsland gevochten hebben:
Tijdens de besprekingen in juli 2014 is gesproken over de pensioenen die vanuit Duitsland worden betaald aan Nederlanders die destijds vrijwillig dienst hebben genomen in bijvoorbeeld de SS. Duitsland heeft onderzoek moeten doen en verschillende instanties moeten raadplegen om informatie hierover te achterhalen. Duitsland heeft te kennen gegeven geen volledig overzicht te kunnen geven en dat aan de informatie geen definitieve conclusies kunnen worden verbonden. Alleen in een concreet individueel geval kan Duitsland details geven over het type pensioen dat iemand ontvangt in verband met zijn vrijwillige dienst bij de Duitse krijgsmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Duitsland is dus niet in staat om in het algemeen aan te geven welke pensioenen aan welke personen worden betaald. De door Duitsland verstrekte informatie leidt tot het volgende.
Nederlanders die vrijwillig in de «Wehrmacht» of de «Waffen-SS» hebben gediend, kunnen in aanmerking zijn gekomen voor een Duits wettelijk pensioen, omdat aan hen met terugwerkende kracht alsnog verzekeringstijdvakken kunnen zijn toegekend. Datzelfde geldt voor diegenen die beroepsmatig actief zijn geweest in de «Wehrmacht» en de «Waffen-SS». Overigens is niet na te gaan voor welk type dienstbetrekking een dergelijk Duits wettelijk pensioen is opgebouwd. Duitse wettelijke pensioenen vallen niet onder de toepassing van artikel 17, vierde lid, van het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland. Informatie over Duitse wettelijke pensioenen wordt door de Deutsche Rentenversicherung automatisch aan de Belastingdienst uitgewisseld.
Diegenen die hebben gediend bij de «Waffen-SS» kunnen op grond van het «Gesetz über die Versorgung der Opfer des Krieges» (Bundesversorgungsgesetz) in aanmerking zijn gekomen voor een zogenoemde «Kriegsbeschädigtenrente». Dat is alleen het geval als zij tijdens het functioneren in dienstbetrekking onder bevel van de «Wehrmacht» oorlogswonden hebben opgelopen waarvan zij momenteel nog nadeel ondervinden. Bovendien kan deze uitkering worden geweigerd of stopgezet bij bewezen schending van de rechtsorde of misdaden tegen de menselijkheid. Diegenen die bij de algemene SS hebben gediend of die bij de «Waffen-SS» niet onder bevel stonden van de «Wehrmacht» hebben geen recht op een dergelijke uitkering. De «Kriegsbeschädigtenrenten» zijn op grond van de Duitse belastingwetgeving (§ 3, eerste volzin en zesde lid, Einkommensteuergesetz) van belastingheffing vrijgesteld en zullen om die reden, anders dan bij andere pensioenen, niet automatisch worden uitgewisseld op basis van Richtlijn 2011/16/EU. Wel kan de Belastingdienst in een individueel geval een verzoek om informatie-uitwisseling doen bij de Duitse bevoegde autoriteiten. De «Kriegsbeschädigtenrente» valt naar mijn opvatting wel onder artikel 17, vierde lid, van het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland. Het heffingsrecht over deze uitkeringen komt daarom toe aan de bronstaat Duitsland.
Verder zijn er verschillende categorieën Duitse ambtenaren die als gevolg van het ineenstorten van de Duitse staat hun dienstbetrekking of aanstelling verloren en na de oorlog geen vergelijkbare nieuwe positie verwierven. Zij konden tot 20 september 1994 in aanmerking komen voor vervangende pensioentijdvakken bij de opbouw van het ambtenarenpensioen of het wettelijke pensioen (de zogenoemde «Kriegsnachfolgeregelungen»). Op basis van de zogenoemde «131er-Gesetz» zijn onder andere aan beroepsmatig actieve soldaten en werknemers van het Duitse Rijk onder omstandigheden alsnog ambtenarenpensioenen toegekend. Ambtenaren die te maken hadden met vervolging door het nationaalsocialisme kwamen in aanmerking voor compensatie door toekenning van pensioenrechten. Leden van de NSDAP en onderdelen daarvan, zoals de SS, werden daarvan uitgezonderd, tenzij aannemelijk was dat het lidmaatschap het gevolg was van vervolging of onderdrukking door de Nazi’s of als betrokkene tegen het Nazisme had gevochten ondanks zijn lidmaatschap.
Alle Duitse pensioenen waarvan de gegevens onder Duits recht worden verzameld («Rentenbezugsmitteilungsverfahren») en die belastbare inkomsten zijn volgens sectie 22 en 22a van het Einkommensteuergesetz worden op grond van artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 2011/16 automatisch uitgewisseld. Uitgezonderd hiervan zijn, zoals hiervoor vermeld, de «Kriegsbeschädigtenrente» op grond van het Bundesversorgungsgesetz. Bij de notificatieprocedure onder Duits recht kan niet worden vastgesteld wat de juridische basis ofwel de herkomst is van het Duitse pensioen. Voor de gegevens die niet automatisch worden uitgewisseld kan de Belastingdienst, zoals hiervoor vermeld, in een individueel geval een verzoek om informatie-uitwisseling doen bij de Duitse bevoegde autoriteiten.
Op grond van artikel 8, zesde lid, van Richtlijn 2011/16 worden inlichtingen ten minste eenmaal per jaar verstrekt, binnen zes maanden na het verstrijken van het belastingjaar van de lidstaat in de loop waarvan de inlichtingen beschikbaar komen. Het ontvangen van de inlichtingen uit Duitsland is derhalve afhankelijk van het moment waarop de inlichtingen daar beschikbaar zijn. Volgens informatie uit Duitsland worden de Duitse pensioengegevens over het jaar 2014 nog in 2015 aan Nederland verzonden. Nederland zal de pensioengegevens ook ontvangen als in de toekomst het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland van toepassing is.
Bent u bereid altijd maximaal na te heffen indien Nederland recent ontdekt heeft dat mensen een militair pensioen ontvangen uit Duitsland voor actieve dienst in het Duitse leger tijdens de Tweede Wereldoorlog en dat in het verleden nooit hebben opgeven?
Ja, de Belastingdienst zal met inachtneming van de wettelijke termijnen en op de gebruikelijke wijze alsnog uitkeringen in de heffing betrekken.
Kunt u aangeven welke afspraken er tussen 1945 en 2015 allemaal gemaakt zijn met West Duitsland en Duitsland over de pensioenen en de pensioengegevens van Nederlanders die gediend hadden in Duitse krijgsdienst?
Er zijn tussen 1945 en 2015 herhaaldelijk afspraken gemaakt tussen Nederland en Duitsland over pensioenen, maar niet valt na te gaan in hoeverre hierbij pensioenen en pensioengegevens van Nederlanders die gediend hebben in Duitse krijgsdienst aan de orde waren.
Kunt u aangeven welke acties de Nederlandse autoriteiten tussen 1945 en 2015 ondernomen hebben om de gegevens van de pensioeninkomens van Nederlanders die in Duitse krijgsdienst gevochten hebben, te achterhalen om ervoor te zorgen dat deze mensen de Nederlandse belasting niet konden ontwijken?
De Nederlandse autoriteiten hebben in het verleden verschillende keren met Duitsland gesproken om te komen tot automatische uitwisseling van pensioengegevens in het algemeen. Met de inwerkingtreding van Richtlijn 2011/16 is het belang daarvoor afgenomen.
Tekorten aan medicijnen die tot recordhoogte zijn opgelopen |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat uit cijfers van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) blijkt dat de tekorten aan medicijnen in Nederland het afgelopen jaar zijn opgelopen tot recordhoogte?1
Ja.
Waarop baseert u uw reactie dat de gevolgen voor patiënten in Nederland vooralsnog «niet al te groot» zijn?2 Kunt u in uw antwoord het feit meenemen dat in 2014 in 3% van de gevallen geen goed alternatief gevonden kon worden?
Om meer inzicht te krijgen in hoeverre de gevolgen van geneesmiddelentekorten voor patiënten tot schade hebben geleid, heb ik in 2014 Berenschot gevraagd hier onderzoek naar te doen. Op 18 september 2014 heb ik u het onderzoeksrapport met mijn standpunt toe gestuurd (Kamerstuk 29 477, nr. 293). Volgens het onderzoek van Berenschot lijkt het vooralsnog mee te vallen wat betreft de impact van geneesmiddelentekorten voor patiënten. Uit het onderzoek komt naar voren dat in een beperkt aantal gevallen tekorten van geneesmiddelen wel kunnen leiden tot gezondheidsschade.
Daarnaast blijkt uit de cijfers van Farmanco dat mede door de grote inspanningen van farmaceutische zorgverleners in 97% van de gevallen een oplossing wordt gevonden voor de patiënt. In de andere gevallen wordt er geen goed alternatief gevonden. Dat betreur ik en ik realiseer me dat het niet (tijdig) beschikbaar zijn van een geneesmiddel kan leiden tot uitgestelde, onderbroken of suboptimale behandeling van patiënten. Het is echter ook niet zo dat ieder geneesmiddelentekort noodzakelijkerwijs een direct risico vormt voor de patiënt en gezondheidsschade tot gevolg heeft. Dit zal mede afhangen van onder andere de aandoening en de duur van het tekort.
Hoe beoordeelt u de aanhoudende stijging van tekorten aan medicijnen (van 91 middelen in 2004 naar 426 in 2013 en 526 in 2014)? Bent u van mening dat met deze forse stijging uw huidige inzet (instelling werkgroep) afdoende is? Zo nee, op welke wijze wilt u uw beleid om medicijnentekorten tegen te gaan intensiveren?
De aanhoudende stijging van geneesmiddelentekorten baart me zorgen. Ik vind het heel onwenselijk voor patiënten wanneer zij niet hun medicijnen kunnen krijgen. Geneesmiddelentekorten betreffen een internationaal probleem en de toename van geneesmiddelentekorten geldt niet specifiek voor Nederland. De tekorten blijven helaas stijgen. Daaraan gemeten is de inzet van de werkgroep nog niet voldoende.
De oorzaken van geneesmiddeltekorten zijn divers en oplossingen complex. Als een tekort al voorkomen kan worden, is er niet één partij die dit kan realiseren.
Dat maakt het lastig. Met de oprichting van de werkgroep heb ik een impuls willen geven aan partijen om gezamenlijk op te trekken wat betreft de aanpak van geneesmiddelentekorten. Ook heb ik door middel van het instellen van de werkgroep het onderwerp een prominente plek willen geven op de agenda van alle betrokken partijen zodat iedere partij zijn eigen rol kan oppakken en zich maximaal zal inspannen bij de aanpak van tekorten. Ik zie binnen de werkgroep dat partijen elkaar bij geneesmiddeltekorten steeds beter weten te vinden. Dat vind ik een goede ontwikkeling. Wel ben ik van mening dat partijen nog meer hun verantwoordelijkheid kunnen nemen om tekorten op te lossen, daar waar de oplossing binnen het bereik van een Nederlandse partij ligt.
Kunt u aangeven hoe het kan dat in bijna 20% van de tekorten hetzelfde product nog wel verkrijgbaar is in onze buurlanden?
Er kunnen verschillende redenen zijn waarom hetzelfde geneesmiddel met dezelfde werkzame stof, maar mogelijk van een andere producent, wel in het buitenland verkrijgbaar is. Factoren die daarin een rol spelen zijn onder andere de grootte van de markt, de prijs van geneesmiddel en het aantal aanbieders. Nederland is een klein land met een relatief laag medicijn gebruik en lage prijzen. Dat maakt dat de afzetmarkt in Nederland voor fabrikanten gering is. Indien het aantal aanbieders van geneesmiddelen beperkt is, kan bij verhoogde vraag of productieproblemen een acuut probleem ontstaan doordat er geen alternatieve aanbieders op de Nederlandse markt zijn die het geneesmiddel kunnen leveren waardoor uitgeweken moet worden naar het buitenland.
Klopt het dat één van de middelen waar nu een tekort aan is (digoxine drank voor kinderen met hartafwijkingen), wel verkrijgbaar is in onze buurlanden bijv. Duitsland)? Zo ja, deelt u dan de mening dat de oorzaak van het tekort in Nederland ligt en niet mondiaal is?
Ja. In dit specifieke geval ligt de oorzaak van het tekort in Nederland.
Kunt u aangeven waarin de Nederlandse markt verschilt ten opzichte van die in de ons omringende landen waardoor een imperfecte markt ontstaat?
Geneesmiddelentekorten zijn niet specifiek een Nederlands probleem ook omringende landen kampen met geneesmiddelentekorten. Wel is het zo dat Nederland ten opzichte van omringende landen een relatief laag medicijn gebruik heeft en lage geneesmiddelenprijzen (zie ook antwoord3. Afgelopen jaren is door zorgverzekeraars veel nadruk gelegd op het beperken van de uitgaven aan geneesmiddelen. En met succes. De farmaceutische sector draagt bovengemiddeld bij aan deze doelstellingen. Echter, de veranderende marktomstandigheden hebben ook een keerzijde en zijn van invloed op de beschikbaarheid van geneesmiddelen. Lage (verlieslatende) prijzen en distributiemarges kunnen er toe leiden dat voorraden beperkt zijn en fabrikanten zich van de markt terugtrekken.
Welke maatregelen (beleidsaanpassingen) bent u bereid te treffen om verantwoordelijkheid te nemen voor de problemen die op de Nederlandse markt ontstaan?
Als Minister heb ik een systeemverantwoordelijkheid en reken ik het tot mijn taak zorg te dragen voor een goede infrastructuur voor het melden van tekorten en het uitwisseling van informatie tussen alle partijen. Daar mag u mij op aanspreken. Binnen het systeem hebben fabrikanten, groothandels, farmaceutische zorgverleners en zorgverzekeraars ieder een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om geneesmiddelentekorten. Ik breng partijen samen en roep partijen op om zich maximaal inspannen om tekorten daar waar mogelijk te voorkomen. Dit doe ik onder andere in de werkgroep geneesmiddelentekorten.
Dat zorgverzekeraars nadruk hebben gelegd op het beperken van de uitgaven aan geneesmiddelen vind ik een positieve ontwikkeling maar dit mag niet de geneesmiddelenvoorziening in gevaar brengen. Afgezet tegen het grote aantal van duizenden geneesmiddelen, komen geneesmiddelentekorten nog relatief weinig voor maar de stijging van het aantal tekorten baart mij zorgen. Zorgverzekeraars dienen dan ook vanuit hun zorgplicht oog te hebben voor de lange termijn effecten van hun inkoopbeleid. In de gesprekken die ik regelmatig voer hierover met zorgverzekeraars komt dit punt ook vaak aan de orde. Ik zal ook de komende tijd met zorgverzekeraars blijven spreken over de juiste balans tussen scherp inkopen en lange termijn effecten. Overigens zie ik op dit moment dat enkele zorgverzekeraars een nieuwe invulling geven aan het preferentiebeleid zodat er ruimte kan ontstaan voor meerdere aanbieders die geneesmiddelen mogen leveren. De kans op tekorten kan hiermee verkleinen. Dat vind ik een positieve ontwikkeling.
De aanpak van huiselijk geweld in Caribisch Nederland |
|
Joël Voordewind (CU), Gert-Jan Segers (CU) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Betrek gezin bij oplossen huiselijk geweld»?1 Wat vindt u van dit bericht?
Ja, ik heb kennisgenomen van dit artikel. Bij een ketenaanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling gaat het om voorkomen (preventie), signaleren, stoppen en beperken van de schadelijke gevolgen van de mishandeling. Bij een integrale aanpak past dat het gezin en het omringende netwerk wordt betrokken.
Kunt u uiteenzetten wat op dit moment in Caribisch Nederland het beleid is aangaande het tegengaan van huiselijk geweld? Klopt het dat de aanpak in de praktijk zich vooral focust op een justitiële aanpak? Hoe komt dit?
Het rapport van Regioplan, die in opdracht van het Kabinet onderzoek hebben gedaan welke maatregelen in Caribisch Nederland getroffen moeten worden om te voldoen aan het op 11 mei 2011 te Istanboel tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld2 (Verdrag van Istanboel), en die ik uw Kamer in mijn brief van d.d. 19 mei 2014 heb toegestuurd 3 maakt duidelijk dat de aanpak van huiselijk geweld niet los kan worden gezien van de brede aanpak van sociale problematiek op de eilanden. Pas wanneer ook op deze terreinen vooruitgang wordt geboekt, zal een investering in de aanpak van huiselijk geweld daadwerkelijk tot een structurele verbetering van de situatie in Caribisch Nederland kunnen leiden. Het gaat bij de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling in Caribisch Nederland dus om een integrale aanpak, waarin naast justitiële maatregelen, ook aandacht uitgaat naar preventie en hulpverlening. Mede naar aanleiding van het eerder genoemde onderzoek zijn door de eilanden een aantal maatregelen genomen. Zo is er op Saba en Sint Eustatius een maatschappelijk werker aangesteld. En op Bonaire wordt met subsidie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VenJ) een veiligheidshuisconstructie ingericht. Daarnaast worden er in de integrale aanpak projecten uitgevoerd die gericht zijn op armoedebestrijding, een van de oorzaken van huiselijk geweld. Bonaire kent een integrale wijkaanpak, met wijkteams die de wijken ingaan en via de «achter de voordeur» methodiek zicht krijgen op de problematiek in gezinnen. Tevens nemen alle drie de eilanden deel aan de WE CAN YOUNG campagne die zich richt op het vergroten van de relationele en seksuele weerbaarheid van jongeren. Verder zet het Kabinet samen met de eilanden in op het tot stand brengen van een basisaanpak huiselijk geweld op Caribisch Nederland. In juni 2014 is er tijdens de Caribisch Nederland week met de Openbare Lichamen gesproken over de uitkomsten van het eerder genoemde onderzoek en is er besloten tot het instellen van een Taskforce kinderrechten en huiselijk geweld Caribisch Nederland, die onder andere zorg draagt voor het opstellen van een plan van aanpak kinderrechten en huiselijk geweld per eiland. Tijdens de afgelopen Caribisch Nederland week (juni 2015) zijn deze plannen van aanpak besproken met alle drie de eilanden en zijn afspraken gemaakt over de implementatie van de plannen. Op Saba zal een projectleider worden aangesteld voor de aanpak van huiselijk geweld en kinderrechten. Op Bonaire zal men voor de speerpunten uit het actieplan kinderrechten een programma van eisen uitwerken, waarin ook de verbinding wordt gelegd met de aanpak van huiselijk geweld.
Deelt u de mening van Chris Palm, directeur van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) op Bonaire, dat slimme voorzorgsmaatregelen (zoals coaching en de Eigen Kracht methodiek, bespreekbaar maken van huiselijk geweld en meer aandacht voor interacties in het gezin i.p.v. aanpak richten op straffen huiselijk geweldplegers) beter passen bij een structurele aanpak van huiselijk geweld dan complex ingrijpen door het justitieel apparaat? Deelt u de mening dat deze preventieve aanpak rondom huiselijk geweld beter vandaag dan morgen ingezet kan worden?
Uit het hierboven genoemde rapport blijkt dat gebruik moet worden gemaakt van de kleinschalige infrastructuur van de eilanden door de zorgketen en de justitiële keten direct aan elkaar te koppelen. Verder is het noodzakelijk dat de hulpverleningsketen wordt versterkt. Dit betekent dat er onder andere geïnvesteerd moet worden in het professionaliseren van hulpverleners, het geven van voorlichting en het opzetten van preventieactiviteiten. In de plannen van aanpak voor huiselijk geweld is dit ook terug te vinden en de eilanden zijn voornemens om zich in te zetten voor het versterken van de preventie en hulpverlening.
Om een impuls te geven aan het verbeteren van de kinderrechten in Caribisch Nederland is per amendement van uw Kamer op de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een bedrag van € 3 miljoen beschikbaar gesteld voor de jaren 2015 – 2017. Daarnaast zijn er voor de aanpak van huiselijk geweld door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) structureel middelen begroot voor de aanpak van huiselijk geweld.
Hebben de CJG’s voldoende financiële middelen om dit soort laagdrempelige hulp aan te bieden bij huiselijk geweld?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid samen met het CJG Bonaire een pilotproject vorm te geven dat het tweedelige doel heeft om 1. huiselijk geweld bespreekbaar te maken, en 2. bij incidenten van huiselijk geweld eerst de «zachte aanpak» van bijvoorbeeld coaching of Eigen Kracht aan te wenden, alvorens tot complex ingrijpen over te gaan? Wilt u, mocht deze pilot ontwikkeld en succesvol zijn, dit project uitrollen over en aanbieden aan alle CJG’s van het Caribisch gebied?
De Ministeries van VWS, VenJ en BZK steunen het initiatief (BZK door een financiële bijdrage) van het Openbaar Lichaam (OL) van Bonaire om nog dit jaar een Eigen Kracht conferentie te organiseren. Mocht de conferentie een succes blijken te zijn, dan zullen de resultaten gedeeld worden met de andere eilanden conform de aangenomen moties inzake samenwerking en het delen van trainingsmateriaal tijdens het debat met uw Kamer van 3 juni jongstleden over de ratificatie van het Verdrag van Istanboel. Ik wil hierbij wel opmerken dat de drie eilanden qua aard en omvang van de problematiek verschillen, en dat wat op één eiland succesvol blijkt, niet per definitie hetzelfde effect zal hebben op een ander eiland.
Bent u bereid in de uitvoering van de twee aangenomen moties naar aanleiding van het Verdrag van Istanboel over samenwerking en trainingen2 dit project mee te nemen? Wilt u hierover de Kamer informeren vóór het Algemeen overleg Actieplan kinderrechten in het Koninkrijk voorzien op 25 juni 2015?
Zie antwoord vraag 5.