Ingediend | 7 maart 2024 |
---|---|
Beantwoord | 18 juli 2024 (na 133 dagen) |
Indiener | Kati Piri (PvdA) |
Beantwoord door | Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Steven van Weyenberg (D66) |
Onderwerpen | internationaal internationale samenwerking |
Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2024Z03707.html |
Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20232024-2184.html |
Ja.
Nee. Het ministerie heeft geen contact gehad met Christenen voor Israël en is niet geïnformeerd over de in het artikel genoemde bestemming van deze financiële donaties.
Ja.
Nederland en de EU beschouwen Israëlische nederzettingen in bezet gebied als strijdig met internationaal recht en een obstakel voor het bereiken van een twee-statenoplossing. Nederland acht het dan ook onwenselijk dat individuen of organisaties hieraan bijdragen.
Ja, in het ANBI-register op de website van de belastingdienst staat de stichting vermeld met de naam stichting Christenen voor Israël. Aan de ANBI-status zijn enkele fiscale voordelen verbonden. Omdat de belastingdienst is gehouden aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan geen nadere informatie worden verstrekt over individuele instellingen.
Om als ANBI te kunnen worden aangemerkt moet een instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beogen. Het begrip «algemeen nut» is in de wet neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dit is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving maar kan soms ongemakkelijk voelen als sprake is van gedrag van ANBI’s dat conflicteert met gangbare maatschappelijke waarden en opvattingen. Dit is echter inherent aan het neutrale karakter van de ANBI-regelgeving. Het kabinet vindt het belangrijk dat burgers die zich voor maatschappelijke doelen willen inzetten, voldoende keuze hebben en ook kunnen bepalen welke activiteiten van ANBI’s zij wenselijk vinden. Tegelijkertijd vindt het kabinet het belangrijk om zich uit te spreken over wat het kabinet als wenselijk maatschappelijk gedrag ziet en dit uit te dragen. Daarom wordt langs verschillende lijnen gewerkt aan het bestrijden van ongewenst gedrag door maatschappelijke organisaties, zoals ANBI’s. De grens van de vrijheid van ANBI’s om hun doelen na te streven ligt bij overtreding van de wet of daar waar een instelling door de rechter verboden wordt. De wet biedt de mogelijkheid om in gevallen waar overduidelijk (strafrechtelijke) grenzen zijn overschreden de ANBI-status af te wijzen of in te trekken. Dit gebeurt op basis van de integriteitstoets. Als de Belastingdienst reden heeft om te twijfelen aan de integriteit van een instelling of een persoon die daarbij betrokken is, kan de Belastingdienst vragen om een VOG. Als de VOG niet wordt aangeleverd, krijgt de instelling de ANBI-status niet of wordt deze ingetrokken. Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of handelingen die simpelweg niet aansluiten bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het «algemeen nut» zijn geen redenen om een instelling de ANBI-status te ontnemen.
Concreet betekent dit dat een donatie, die vervolgens wordt aangewend voor de financiering van goederen ter bescherming van levens, zoals (onderdelen voor) scherf- en kogelwerende vesten en beschermende helmen, in de context van de ANBI-regelgeving als algemeen nuttig kan worden beschouwd. Het moet daarbij gaan om goederen die uitsluitend dienen ter bescherming van levens en de goederen mogen dus niet worden gebruikt voor het plegen van geweld. De levering en/of financiering van goederen die (kunnen) worden gebruikt voor het plegen van geweld (zoals wapens en munitie) valt echter niet onder een van de huidige algemeen nut categorieën. Als de Belastingdienst constateert dat een ANBI niet meer voldoet aan de voorwaarden, kan dat aanleiding zijn voor het intrekken van de ANBI-status.
In geval van levering van militaire goederen als scherf- en kogelwerende vesten en helmen door middel van uitvoer vanuit Nederland geldt dat deze uitvoer vergunningplichtig is en conform de gebruikelijke procedure zorgvuldig wordt getoetst aan de Europese criteria voor wapenexportcontrole. Hiervan is in dit geval geen sprake.
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 6, betreft de ANBI-regelgeving nationaal fiscaal beleid. Het ontmoedigingsbeleid met onder andere het handelsinstrumentarium, is van toepassing op Nederlandse bedrijven waar het gaat om internationale activiteiten die zij ontplooien in of ten behoeve van Israëlische nederzettingen in bezet Palestijns Gebied. Het kabinet acht dergelijke activiteiten onwenselijk.
Nee, dergelijke aanwijzingen zijn het kabinet niet bekend. Nederland acht het onwenselijk dat individuen of organisaties bijdragen aan nederzettingen, maar het is Nederlandse private partijen niet verboden om (ondersteunende) relaties aan te gaan met partijen uit Israëlische nederzettingen.
Motie Dassen (Kamerstuk 36 410 V, nr. 75) verzoekt de regering sancties op te leggen aan Israëlische kolonisten die zich schuldig maken aan misdaden op de Westelijke Jordaanoever. Het kabinet heeft hieraan uitvoering gegeven door zich in de EU in te zetten voor sancties tegen personen en organisaties betrokken bij mensenrechtenschendingen tegen Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever. Op 19 april jl. heeft de EU een sanctiepakket aangenomen tegen vier personen en twee entiteiten. In het kader van de motie Piri (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2870) blijft het kabinet zich inzetten voor aanvullende maatregelen. In zijn algemeenheid geldt dat wanneer een persoon of entiteit op de sanctielijst is geplaatst er onder het Europese mensenrechtensanctieregime een tegoedenbevriezing, een verbod om de EU in te reizen en een verbod aan eenieder in de EU om tegoeden of economische middelen ter beschikking te stellen aan actoren op de lijst geldt. Dit laatste verbod omvat ook alle vormen van financiële steun of levering van goederen zoals beschermingsmiddelen.
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord, helaas is het niet gelukt om de vragen eerder te beantwoorden.