Vastgesteld 14 maart 2025
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van rijkswet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van rijkswet genoegzaam voorbereid.
Inhoudsopgave |
blz. |
||
1. |
Algemeen |
1 |
|
1.1 |
Ondermijnende criminaliteit |
2 |
|
1.2 |
Intensivering van de strafrechtelijke samenwerking met Marokko |
2 |
|
1.3 |
Mensenrechtelijke aspecten |
3 |
|
1.4 |
Wetgevingsaspecten |
4 |
|
2. |
Een ieder verbindende bepalingen |
4 |
|
3. |
Artikelsgewijze toelichting |
4 |
|
4. |
Overig |
5 |
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorstel van rijkswet tot goedkeuring van het op 18 december 2023 te Rabat tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake uitlevering (Trb. 2024, 1) (hierna: het wetsvoorstel). Deze leden benadrukken het belang van internationale samenwerking bij het bestrijden van de georganiseerde misdaad en danken de betrokken Ministers en ambtenaren die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het Verdrag. Zij stellen nog enige vragen.
De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en de bijbehorende stukken. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden zien het belang en de voordelen van een verdrag dat de uitleveringsprocedure tussen de verdragsstaten regelt in het kader van de bestrijding van de georganiseerde misdaad. Zij maken graag gebruik van de mogelijkheid om vragen te stellen aan de regering over dit wetsvoorstel.
De leden van de SP-fractie hebben het wetsvoorstel gelezen. Deze leden hebben hier nog enkele vragen over.
De leden van de VVD-fractie steunen de regering in haar onderhandelingen met andere staten om verdere strafrechtelijke samenwerking mogelijk te maken bij het bestrijden van de georganiseerde misdaad. Met welke staten is Nederland momenteel in onderhandeling over vergelijkbare verdragen en met welke staten is Nederland voornemens binnen afzienbare tijd onderhandelingen te openen? Kan de regering ook aangeven op welke punten het onderhavige verdrag met Marokko afwijkt van het onlangs geratificeerde verdrag met de Verenigde Arabische Emiraten?
De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel uitleveringsverzoeken door Marokko in de afgelopen tien jaren zijn gedaan aan Nederland en hoe vaak deze verzoeken zijn ingewilligd. Hoe vaak is door Nederland aan Marokko in de afgelopen tien jaren een uitleveringsverzoek gedaan en hoe vaak zijn deze verzoeken ingewilligd? En hoe vaak is sinds de totstandkoming van het rechtshulpverdrag met Marokko (Trb. 2010, 185) een verzoek voor rechtshulp op basis van het verdrag door Marokko gedaan en hoe vaak door Nederland? En hoeveel van deze verzoeken zijn ingewilligd?
Deze leden zijn ook benieuwd of de regering nader kan aangeven welke concrete resultaten worden verwacht met het verdrag: met hoeveel zal het aantal uitleveringen per jaar naar verwachting toenemen en met hoeveel extra verzoeken houdt de regering rekening?
De leden van de VVD-fractie vragen of er ook met Marokko goede contacten zijn om beslag te leggen op crimineel vermogen en vastgoed. Als dat mogelijk is, vragen deze leden naar een inschatting hoe vaak het is gebeurd dat in Marokko beslag is gelegd op crimineel vermogen dankzij de inzet van de Nederlandse opsporingsdiensten. Ook vragen zij welke knelpunten daar in de uitvoering nog bestaan en hoe de regering wil bevorderen dat in Marokko op crimineel vermogen en vastgoed eerder beslag kan worden gelegd.
De leden van de VVD-fractie menen dat wanneer overbrenging en tenuitvoerlegging van een straf die in Marokko is opgelegd, in Nederland plaatsvindt conform het uitleveringsverdrag, de veroordeling wordt opgenomen in de justitiële documentatie. Wanneer een Nederlander in Marokko echter is veroordeeld en aldaar zijn straf ondergaat, wordt dat nergens geregistreerd in Nederland. Deelt de regering met deze leden de noodzaak om strafrechtelijke gegevens over Nederlanders die worden veroordeeld in Marokko, uit te wisselen met Marokko? En, zo nee, waarom niet?
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan verduidelijken hoe vaak naar verwachting bij de overname van de tenuitvoerlegging van straffen de noodzaak zal bestaan om in Marokko opgelegde vrijheidsstraffen aan te passen aan het in Nederland geldende strafmaximum. Graag ontvangen deze leden een reactie van de regering.
De leden van de NSC-fractie lezen over de «bijzondere betrekkingen» tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Marokko, waar de regering over schrijft. Deze leden lezen dat de onderlinge betrekkingen een sterke verbetering behoeven en dat het sluiten van een bilateraal uitleveringsverdrag daartoe een bijdrage kan leveren. Er is een Actieplan Marokko opgesteld, dat moet zorgen voor een algehele verbetering van de betrekkingen met Marokko, niet alleen op strafrechtelijk gebied, maar veel breder. Zij wijzen op de casus die zich bij de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (hierna: de NCTV) en de politie heeft voorgedaan. In 2023 kwam naar buiten dat twee mensen waren gearresteerd (van de NCTV en de politie) voor het bezitten en naar buiten brengen van staatsgeheime informatie en het doorspelen daarvan naar de Marokkaanse inlichtingendienst. Een van de twee heeft hier met name een grote rol in gespeeld. Kan de regering reflecteren op de vraag wat voor gevolgen deze spionage heeft voor de relatie met Marokko en de verschillende vormen van samenwerking met het land die de regering juist wil verbeteren?
De leden van de CDA-fractie zien het belang en de voordelen van een verdrag dat de uitleveringsprocedure tussen de verdragsstaten regelt in het kader van de bestrijding van de georganiseerde misdaad. Deze leden vragen aan de regering of het feit dat Marokko eigen staatsburgers niet uitlevert, wordt gezien als een belemmering bij het gezamenlijk bestrijden van de georganiseerde misdaad.
De leden van de CDA-fractie lezen dat een bilateraal uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Marokko niet eerder tot stand is gekomen, onder andere door diplomatieke verwikkelingen. Kan de regering daar nader op ingaan?
De leden van de CDA-fractie vragen of er veel gevallen zijn, of zijn te verwachten, van een uitleververzoek van Nederlandse staatsburgers die ook de Marokkaanse nationaliteit hebben. Daarnaast vragen deze leden of de regering zicht heeft op in hoeveel gevallen uitlevering van een Nederlands staatsburger met tevens de Marokkaanse nationaliteit niet mogelijk is geweest.
De leden van de NSC-fractie lezen dat de regering van oordeel is dat Marokko een aanvaardbaar niveau van mensenrechtenbescherming biedt. Deze leden lezen echter ook dat uit verschillende mensenrechtelijke rapportages blijkt dat de uitvoeringspraktijk nog wel het nodige te wensen overlaat. De regering geeft op bladzijde 6 van de memorie van toelichting aan dat er daarom voor is gekozen bepalingen op te nemen die ervoor zorgen dat «in voorliggende concrete gevallen [kan worden getoetst] aan de fundamentele rechtsbeginselen die in het EVRM1, het IVBPR2 en andere relevante mensenrechtelijke verdragen zijn neergelegd.» Kan de regering aangeven hoe zij ervoor gaat zorgen dat mensenrechten ook in de uitvoeringspraktijk gerespecteerd gaan worden en hoe dat gecontroleerd gaat worden?
De leden van de CDA-fractie lezen dat bij de vraag of uitlevering facultatief of verplicht is, het er vanaf hangt of de uitspraak is gedaan in de verdragsstaten of in een derde staat. In de Uitleveringswet is vastgelegd dat het beginsel van ne bis in idem behoort tot de verplichte weigeringsgronden. Hiervoor is het dus niet relevant of een persoon is vrijgesproken of veroordeeld in Nederland, Marokko, of een andere staat. Deze leden constateren dat dit niet strookt met het wetsvoorstel, nu uitspraken van rechters in derde staten onder de facultatieve weigeringsgrond vallen. Zo constateert de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk (hierna: de Afdeling) ook terecht dat beleidsvrijheid wordt toegekend aan situaties waarin op grond van het ne bis in idem-beginsel uitlevering verplicht geweigerd dient te worden. Deze leden lezen dat de regering stelt dat dit in de praktijk niet tot problemen hoeft te leiden, nu facultatieve normen nader ingevuld kunnen worden door nationaal recht. Desalniettemin vragen zij of de regering nader in kan gaan op de strijdigheid tussen het ne bis in idem-beginsel en onderhavige wetgeving. Waarom heeft de regering toch ervoor gekozen om een facultatieve weigeringsgrond te honoreren, terwijl dit in strijd is met nationale wet- en regelgeving? Is de regering dan van mening dat een belangrijk nationaal rechtsbeginsel wel degelijk ter discussie kan staan als het gaat om uitleveringsverdragen?
De leden van de SP-fractie lezen dat de Afdeling aangeeft dat dit verdrag niet goed aansluit bij het beginsel van ne bis in idem van het Wetboek van Strafrecht. Hierin zijn de weigeringsgronden voor de uitlevering strenger. De regering erkent de verschillen in de tekst, maar geeft aan geen verschillen in de praktijk te zien, wat de doorslag lijkt te geven om de tekst hierover wel verschillend te houden. Op deze leden komt dat over als een omslachtige weg, omdat het veel gepaster en netter zou zijn als dit ook tekstueel aan zou sluiten op hoe dit verdrag moet worden geïnterpreteerd. Is de regering dit met hen eens? Is de regering bereid om te heroverwegen om een betere aansluiting te zoeken bij het Wetboek van Strafrecht?
De leden van de NSC-fractie merken op dat wat de Afdeling betreft artikel 3, eerste lid, van het verdrag als een ieder verbindende bepaling moet worden beschouwd. Dit betreft de absolute weigeringsgronden voor een verzoek tot uitlevering. De Afdeling vraagt of individuen hier niet ook rechten aan zouden moeten kunnen ontlenen. De regering heeft hierop in het nader rapport gereageerd dat dit artikelonderdeel duidelijk bestemd is om alleen de staat te binden in haar betrekking tot de andere staat. De Afdeling heeft het echter over primair de staat, maar daarnaast ook individuen. Kan de regering nader toelichten waarom zij van oordeel is dat de aard van de bepaling zodanig is dat deze alleen de staat bindt?
De leden van de VVD-fractie hebben een vraag over artikel 2 van het verdrag. Deze leden lezen dat in gevallen waarin het uitleveringsverzoek strekt tot tenuitvoerlegging van een vonnis, onder andere het strafrestant op het moment van het indienen van het uitleveringsverzoek nog ten minste zes maanden bedraagt. Dat is een langere termijn dan de minimumtermijn van vier maanden die is neergelegd in artikel 5, eerste lid, onder b, van de Uitleveringswet, respectievelijk artikel 2, eerste lid, onder b, van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Deze leden vragen waarom hiervoor gekozen is en of de langere termijn dan de minimumtermijn van vier maanden er in de praktijk toe kan leiden dat een gedetineerde Nederlander in Marokko méér tijd in een Nederlandse cel kan doorbrengen dan wanneer de minimumtermijn was gehanteerd. Deze leden vragen of het huidige capaciteitstekort bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) destijds al een rol speelde bij de onderhandelingen voor het Verdrag en wanneer dat niet of slechts in beperkte mate het geval is geweest, de regering bereid is om met Marokko – en met andere landen – het capaciteitstekort van DJI onder de aandacht te brengen. Deze leden stellen dat het van belang is dat uitleveringsverdragen worden nageleefd, maar dat het minstens net zo belangrijk is dat in Nederland opgelegde straffen ten uitvoer worden gebracht en dat het bezwaarlijk zou zijn wanneer in het buitenland opgelegde vonnissen wel in Nederland ten uitvoer zouden kunnen worden gelegd, terwijl in Nederland gestrafte gedetineerden eerder worden heengezonden. Graag ontvangen zij een reactie hierop.
In dit verband vragen deze leden hoeveel plekken het zou opleveren voor DJI als uitleveringsverzoeken van gedetineerde Nederlanders in het buitenland voor bijvoorbeeld een periode van een of twee maanden zouden worden opgeschort.
De leden van de NSC-fractie vragen wat naar de verwachting van de regering de gevolgen zijn voor het «uitleveringslandschap» als dit verdrag is goedgekeurd. Is de verwachting dat dit enorm zal veranderen? Wat verwacht de regering met betrekking tot de uitlevering van verdachten op verzoek van Nederland? Deze leden hebben ook gelezen dat het verdrag een bepaling bevat waarmee beide staten zich het recht voorbehouden de uitlevering van hun eigen onderdanen te weigeren in overeenstemming met hun interne wetgeving. Kan de regering, in de beantwoording van de gestelde vragen, ook het aspect meenemen dat Marokkaans recht de uitlevering van eigen onderdanen niet toestaat?
De leden van de NSC-fractie vragen de regering of zij verwacht dat dit verdrag en de daarmee gepaard gaande versterkte samenwerking ook gevolgen hebben vanuit het perspectief van asiel en migratie. Verwacht de regering bijvoorbeeld dat het invloed gaat hebben op het uitzetten van overlast veroorzakende en uitgeprocedeerde asielzoekers en de snelheid hiervan?
De leden van de CDA-fractie vragen of door andere organisaties adviezen over het wetsvoorstel zijn uitgebracht en, zo ja, in hoeverre deze adviezen zijn opgevolgd. Ook vragen deze leden of de regering nader kan ingaan op de consequenties voor de regeldruk.
De voorzitter van de commissie, Pool
Adjunct-griffier van de commissie, Paauwe