Voorgesteld 3 oktober 2024
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de landbouwvrijstelling oorspronkelijk in 1918 bedoeld was voor het realiseren van een fiscaal gelijke behandeling tussen de eigenaar-agrariër en de eigenaar-verpachter;
constaterende dat in het hoofdlijnenakkoord staat dat het uitgangspunt van het kabinet is dat negatief geëvalueerde fiscale regelingen worden afgeschaft of versoberd;
constaterende dat de regeling als doeltreffend noch doelmatig is geëvalueerd en dat de regeling ook niet gerechtvaardigd kan worden uit de realisatie van eventuele neveneffecten;
constaterende dat afschaffing van de regeling de logische en uitvoerbare beleidsoptie is;
verzoekt de regering om de landbouwvrijstelling af te schaffen,
en gaat over tot de orde van de dag.
Dassen
Van der Lee