Ontvangen 8 april 2024
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
In de beweegreden wordt voor «van de Eerste en Tweede Kamer» ingevoegd «van de gemeenteraad, het lidmaatschap van provinciale staten, het lidmaatschap».
II
In artikel II, onderdeel A, onder 1, worden in het voorgestelde tweede lid, onder verlettering van de onderdelen a en b tot de onderdelen c en d, voor onderdeel c (nieuw) twee onderdelen ingevoegd, luidende:
a. lid van de raad van een gemeente;
b. lid van provinciale staten;
III
Na artikel VI worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Aan artikel 13, eerste lid, van de Gemeentewet wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel o door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:
p. rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Aan artikel 13, eerste lid, van de Provinciewet wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel k door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:
l. rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
IV
In artikel VII wordt voor «lid zijn van een kamer der Staten-Generaal» ingevoegd «lid zijn van de raad van een gemeente, lid zijn van provinciale staten,» en wordt «de kamer waarin zij zijn gekozen onderscheidenlijk van het Europees parlement» vervangen door «het vertegenwoordigend orgaan waarin zij zijn gekozen».
Het wetsvoorstel regelt een verbod op het gelijktijdig bekleden van het ambt van rechter en het lidmaatschap van de Eerste Kamer, de Tweede Kamer of het Europees parlement. In verband met het voorkomen van belangenverstrengeling, politieke onpartijdigheid binnen de rechtspraak en scheiding van de machten is de indiener van mening dat dit ook zo geregeld moet worden voor de functies Provinciale Statenlid en Gemeenteraadslid. Hiermee borgt de indiener ook een consistente lijn in de wetgeving.
Helder