Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 december 2024
Bij koninklijke boodschap van 5 maart 2021 is een voorstel van wet, houdende Wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (grondslag voor maatregelen inzake het (particulier) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen) (Kamerstukken II 2020/21, 35 756, nr. 2) ingediend bij de Staten-Generaal.
Met dit voorstel van wet werd beoogd de wettelijke grondslag voor beperkingen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw te versterken. Het voorstel van wet is ingrijpend gewijzigd door twee aangenomen amendementen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen de landbouw.
In uw brief van 19 november 2024 werd gemeld dat het wetsvoorstel, met beoogde wijzigingen voorgesteld door de regering, op de stemmingslijst zal worden geplaatst. Daarbij wordt door de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat een klemmend beroep op de Kamer gedaan om deze wijzigingen op principiële gronden te verwerpen.
Dit klemmend verzoek van de vaste commissie leidt, in vergelijking tot het gestelde in de brief van 18 april 2024 (Kamerstuk 35 756, nr. 24) en in combinatie met de brief van 24 januari 2024 (Kamerstuk 35 756, nr. 23), tot een nieuwe situatie.
Gelet hierop achten de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en ik een verdere behandeling van het genoemde voorstel van wet niet langer wenselijk.
Daartoe gemachtigd door de Koning trek ik het voorstel van wet hierbij in.
Begin 2025 zal de Kamer worden geïnformeerd over het vervolg, waarbij ook ingegaan wordt op het verzoek van het lid Kostic uit de regeling van werkzaamheden van 17 december jl. (2024Z21385).
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, C.A. Jansen