Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 september 2020
Op 30 juni jl. is het voorstel van rijkswet van de leden Sjoerdsma, Asscher, Van Otterloo, Van Wijngaarden en Van Ojik houdende regels inzake het creëren van tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap aanvaard.1 Het kabinet draagt dit voorstel van rijkswet voor bekrachtiging voor. Daarna zal het kabinet zorg dragen voor een zo spoedig mogelijke plaatsing in het Staatsblad, het Afkondigingsblad van Aruba, het Publicatieblad van Curaçao en het Afkondigingsblad van Sint Maarten.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van deze rijkswet treedt de rijkswet in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dat besluit wordt genomen indien het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie treedt of is getreden en geen akkoord is bereikt waarin de rechten van Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk voldoende zijn gewaarborgd. Zoals ook tijdens de plenaire behandeling in de Eerste Kamer ter sprake kwam zie ik op dit moment geen aanleiding een inwerkingtredingsbesluit te nemen, omdat er een terugtrekkingsakkoord tot stand is gekomen.2 Met dit terugtrekkingsakkoord zijn de burgerrechten van Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk voldoende gewaarborgd. Dit laat onverlet dat het kabinet de situatie rond de uittreding van het Verenigd Koninkrijk nauwgezet blijft volgen.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A. Broekers-Knol