Het bericht ‘‘Ontluisterend en illegaal’: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht ««Ontluisterend en illegaal»: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen»?1
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare de cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 6 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat mede met de ingevoerde maatregelen wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de individuele fiscale positie van belastingplichtige. In algemene zin geldt dat het enkele feit dat een onderneming activiteiten verricht in een land met een laag belastingtarief, intellectuele eigendomsrechten centraliseert of gebruikmaakt van kostendelingsarrangementen niet automatisch betekent dat er sprake is van belastingontwijking of onzakelijke verrekenprijzen. De beoordeling daarvan vindt plaats aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden, wet, beleid en regelgeving.
Heeft Shell de afgelopen 10 jaar winstbelasting betaald in Nederland? Zo ja, hoeveel en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Shell publiceert jaarlijks informatie over haar belastingpositie en belastingbijdragen in haar Annual Reports en Tax Transparency/Tax Contribution Reports.2 Op basis van artikel 67 AWR kan de Belastingdienst geen uitspraken doen over de betrouwbaarheid, volledigheid of fiscale juistheid van de in de door Shell gepubliceerde Tax Contribution Reports opgenomen informatie.
Was de Belastingdienst ervan op de hoogte dat Shell gebruik maakte van constructies waarbij er via grondstoftransacties winsten zijn verschoven naar de Bahama’s of via royalty’s naar Zwitserland?
In zijn algemeenheid geldt dat lichamen die tot dezelfde groep behoren verplicht zijn hun onderlinge transacties vorm te geven met inachtneming van het at arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt dat de voorwaarden en prijzen van transacties tussen gelieerde entiteiten niet afwijken van de voorwaarden en prijzen die tussen ongelieerde entiteiten zouden zijn overeengekomen in vergelijkbare omstandigheden. Het zou daarom in beginsel niet moeten uitmaken voor de te realiseren winst of een bepaalde transactie plaatsvindt tussen gelieerde entiteiten die deel uitmaken van een multinationaal concern of tussen entiteiten die niet aan elkaar gelieerd zijn. Door conform het arm’s-lengthbeginsel zakelijke prijzen te betalen aan de juiste entiteiten binnen het concern, krijgen de entiteiten die op basis van hun functies, activa en risico’s verantwoordelijk zijn voor de gecreëerde waarde van het product of dienst ook hun daarbij passende arm’s-lengthbeloning. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten.
In voorkomende gevallen kan toepassing van het arm’s-lengthbeginsel bijvoorbeeld betekenen dat een in Nederland gevestigd lichaam voor fiscale doeleinden wordt verondersteld rente te betalen indien onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden dit ook zouden doen. Dat kan leiden tot een neerwaartse aanpassing van de fiscale winst. Een dergelijke neerwaartse aanpassing van de fiscale winst kon tot 1 januari 2022 – vooral bij grensoverschrijdende transacties – leiden tot mismatches. Ingevolge de in de vennootschapsbelasting opgenomen maatregelen die volgen uit de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel welke met ingang van 1 januari 2022 in werking is getreden, merk ik het volgende op. De maatregelen in de vennootschapsbelasting die volgen uit deze wet bewerkstelligen dat bij de belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel wordt beperkt voor zover bij het andere lichaam dat bij de transactie betrokken is geen of een te lage corresponderende opwaartse aanpassing in de belastinggrondslag wordt betrokken. Deze maatregelen raken structuren met zogenoemde informele kapitaalstortingen en verkapte winstuitdelingen, en zijn ook van toepassing op bestaande onderlinge rechtsverhoudingen tussen een vennootschapsbelastingplichtige en een gelieerd lichaam. Met deze maatregelen worden mismatches door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel bestreden.
Is er sprake van illegale praktijken bij de methodes die Shell gebruikt om zo min mogelijk winstbelasting te betalen?
In het artikel worden bepaalde structuren en verrekenprijzen als «illegaal» en «onzakelijk» gekwalificeerd. Of daarvan in dit geval sprake is, kan slechts worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden.
Ook ten aanzien van royalty's, cost sharing arrangements en interne dienstverlening geldt dat de beoordeling afhankelijk is van uitgeoefende functies, gebruikte activa, gelopen risico's. In algemene zin geldt dat vennootschappen binnen een concern verplicht zijn hun onderlinge transacties vast te stellen op basis van het arm’s-lengthbeginsel. Zie voor verdere toelichting ook het antwoord op vraag 3.
Hoe reageert u op de uitspraak «Als Shell ten onrechte geen belasting betaalt in Nederland en de fiscus is daarvan op de hoogte, dan kan dat verboden staatssteun zijn»?
Om onder de definitie van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te vallen, moet er sprake zijn van een selectief voordeel voor een specifiek bedrijf dat afwijkt van de reguliere belastingwetgeving. Indien de reguliere belastingwetgeving (het zogenaamde referentiestelsel) is toegepast, kan geen sprake zijn van verboden staatssteun. Onder de normale belastingwetgeving valt in dat geval de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarvan ook het zakelijkheidsbeginsel een belangrijk onderdeel is.
Vindt u het acceptabel wanneer bedrijven die miljardenwinsten maken via belastingontwijking hun uiterste best doen om te voorkomen dat ook maar één cent daarvan ten goede komt aan de Nederlandse samenleving? Zo ja, waarom?
Ik acht het van belang dat alle belastingplichtigen, inclusief grote multinationale ondernemingen, belasting betalen overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving. Tegelijkertijd moet onderscheid gemaakt worden tussen illegale belastingontduiking, ongewenste belastingontwijking en situaties waarin de fiscale uitkomst voortvloeit uit de toepassing van geldende wet- en regelgeving. Nederland heeft de afgelopen jaren, zoals hiervoor is uiteengezet, veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen en dit kabinet zal zich blijven inzetten om belastingontwijking te bestrijden. Daarvoor verwijs ik graag naar de monitoringsbrief over de effecten van en de aanpak van belastingontwijking.3 De monitoringsbrief beschrijft ook de lopende inspanningen op dit dossier, mede in de internationale context.
Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.4 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»).
Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal is daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Deelt u de analyse dat belastingontwijking via constructies waarbij winsten worden verplaatst naar landen met een lagere winstbelasting door verschillende dochterbedrijven rekeningen aan elkaar te laten sturen (transfer pricing) een groot probleem is? Zo ja, wat bent u van plan te doen om ervoor te zorgen dat er minder winstbelasting wordt ontweken via transfer pricing? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel dat multinationals die miljardenwinsten maken dit soort schimmige methodes gebruiken om te voorkomen dat zij moeten bijdragen aan de Nederlandse samenleving?
Bij transfer pricing (verrekenprijzen) gaat het om de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Verrekenprijzen vervullen een belangrijke functie binnen het internationale belastingsysteem. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt te voorkomen dat het mogelijk is om via verrekenprijzen met winsten te schuiven en zo winstbelasting te ontwijken. Daarom bestaan er nationaal en internationaal regels die beogen te waarborgen dat winsten worden toegerekend overeenkomstig een juiste toepassing van het arm's-lengthbeginsel. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten. Daarnaast ondersteunt Nederland de internationale afspraken die binnen de OESO en andere internationale gremia worden ontwikkeld om winstverschuiving verder tegen te gaan.
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is wanneer een oliebedrijf als Shell door belastingontwijking geen winstbelasting betaalt in Nederland, terwijl hun klanten zich wel blauw betalen aan de pomp? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders van Shell meer belasting gaan betalen en mensen aan de pomp minder? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de brandstofprijs aan de pomp kan niet rechtstreeks worden vergeleken met de vennootschapsbelastingpositie van een onderneming. Voor het jaar 2027 heeft het kabinet opnieuw middelen gereserveerd voor een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen. Verder kan ik vanwege artikel 67 AWR geen uitspraken doen over specifieke bedrijven. Belastingheffing bij ondernemingen en accijnzen en btw op brandstoffen kennen een verschillende grondslag en doelstelling.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat belastingontwijking harder wordt aangepakt, waardoor bedrijven zoals Shell eindelijk wél winstbelasting gaan betalen in Nederland?
Zoals in de beantwoording van vraag 1 is uiteengezet zijn er in de afgelopen periode verschillende maatregelen genomen om belastingontwijking te bestrijden. Nederland is daar effectief in geweest, zoals blijkt uit de monitoringsbrief waar ik in de beantwoording eerder naar verwezen heb. Mede vanwege deze aanpak krijgt Nederland ook geen landenspecifieke aanbeveling meer van de Europese Commissie om belastingontwijking aan te pakken. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. In de volgende monitoringsbrief zal ik hier ook weer aandacht aan besteden.
Wat is de positie van Nederland ten opzichte van het initiatief van een groep Afrikaanse landen om te komen tot een mondiaal belastingverdrag?
Nederland steunt de doelstellingen achter het ontwikkelen van een VN-raamwerkverdrag over internationale belastingsamenwerking, namelijk het versterken van de inclusiviteit en effectiviteit van internationale belastingsamenwerking.5 Hiertoe zet Nederland zich in de onderhandelingen in voor een breed gedragen resultaat. De opzet van een raamwerkverdrag moet basisafspraken en een samenwerkingsstructuur bevatten. De huidige concepttekst van het VN-raamwerkverdrag bevat echter concrete afspraken waaronder afspraken die heffingsrechten verdelen over inkomen van burgers en bedrijven. De huidige opzet van het VN-raamwerverdrag is daarmee gericht op onderwerpen waaraan veel VN-lidstaten zich in een multilateraal raamwerkverdrag niet kunnen binden. Nederland staat daarom nog niet achter deze huidige opzet. De focus in de onderhandelingen op bindende afspraken over de verdeling van heffingsrechten kan resulteren in een raamwerkverdrag dat een groot aantal VN-lidstaten niet kan ondertekenen, waarmee de inspanningen de komende jaren tevergeefs zouden zijn. Om deze bezwaren weg te nemen, heeft Nederland samen met de andere EU-lidstaten een aantal voorstellen gedaan. De essentie van die voorstellen is dat de focus in het raamwerkverdrag gericht moet zijn op afspraken die breed worden gedragen. Alleen op die manier kan een groot deel van het VN-lidmaatschap een effectief raamwerkverdrag overeenkomen en tot een succes voor de praktijk maken. Deze voorstellen zijn vooralsnog niet overgenomen. In het vervolgproces ziet Nederland nog altijd ruimte voor een goede uitkomst en zal Nederland zich blijven inzetten om tot een breed gedragen raamwerkverdrag te komen. Dit project is overigens niet primair gericht op de bestrijding van belastingontwijking, al wordt er wel gewezen op het belang van bestrijding van onwettige geldstromen.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De datakluis bij de belastingdienst |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom besloot u in juli 2025 de Kamer niet te informeren over het bestaan van de datakluis?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van Markuszower en Moinat (beiden Groep Markuszower)1 had de Tweede Kamer eerder geïnformeerd moeten worden en dat spijt ons. Beide Staatssecretarissen van Financiën zijn via de nota «Datakluis Belastingdienst», met datum 31 juli 2025 schriftelijk geïnformeerd over de datakluis. Voorafgaand aan deze nota is de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen eind juli 2025 telefonisch geïnformeerd over de situatie, zoals uit het BDO-rapport blijkt. Deze nota is door Staatssecretaris Herstel en Toeslagen op 17 augustus 2025 gelezen, door de toenmalige Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane op 8 augustus 2025. In die nota was nog niet bevestigd dat in de datakluis informatie zit die ontsloten had moeten worden aan de PEFD. Het opnieuw in beeld komen van de datakluis riep veel vragen op en bracht uitzoekwerk met zich mee. Uit het BDO-onderzoek komt ook naar voren dat uit de nota van 31 juli 2025 nog onvoldoende duidelijkheid bestond over de inhoud en reikwijdte van de aangetroffen informatie. Zo moest er eerst een steekproef worden uitgevoerd naar de inhoud van de datakluis. Deze steekproeven waren ten tijde van de nota’s van 31 juli en 16 oktober nog niet afgerond. Eind 2025 werd op basis van de uitkomst van de steekproeven bevestigd dat er informatie in de datakluis zit, die geleverd had moeten worden aan de PEFD. Op 26 maart 2026 ontvingen beide Staatssecretarissen een nota ter voorbereiding op een overleg met de Belastingdienst op 27 maart 2026 over de datakluis. Met de nota van 7 april 2026 en de bijbehorende juridische analyse van 6 februari 2026 (afgedaan door de Staatssecretaris Herstel Toeslagen op 8 april en door de Staatssecretaris van Financiën op 12 april) werd bevestigd dat het informatie betreft die verstrekt had moeten worden. De Kamer is vervolgens met de brief «Update datakluis» van 15 april 2026 in kennis gesteld dat de datakluis niet is betrokken in belangrijke leveringen van informatie. Dit proces en daarmee het informeren van uw Kamer heeft duidelijk te lang geduurd. Dit had anders gemoeten en dat spijt ons.
Met de beantwoording van de Kamervragen van Vragen van de leden Markuszower (Groep Markuszower), Struijs (50PLUS), Keijzer en Vermeer (BBB)2 hebben wij uw Kamer geïnformeerd welke bewindspersonen, ook eerder, over de datakluis zijn geïnformeerd. In 2019 is de Kamer door de toenmalige Staatssecretaris van Financiën over het inrichten van de datakluis geïnformeerd.3
Op welk moment werden uw voorgangers geïnformeerd over het bestaan van de datakluis en waarom besloten zij deze informatie niet te delen met de Kamer?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer en door wie werd het besluit genomen om de afgeschermde omgeving in te richten?
Wij gaan in deze beantwoording ervan uit, door de terminologie in uw vraagstelling, dat u met de bovenstaande vraag, en onderstaande vragen, naar de veiliggestelde en opgeslagen set met mailboxen en samenwerkingsomgevingen (hierna omgeving) vraagt en niet de datakluis met circa 25 miljoen bestanden.4 Van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen zijn dus originele bestanden beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijds zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
In het BDO-rapport, welke op 10 juli met uw Kamer is gedeeld, is deze besluitvorming als volgt weergegeven: Op 19 mei 2020 heeft het advocatenkantoor Allen & Overy een memorandum opgeleverd, waarin werd beschreven dat vermoedens bestonden van strafbare feiten, waaronder knevelarij en beroepsmatige discriminatie. Op dezelfde datum is namens de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, aangifte gedaan tegen de Belastingdienst. Hierbij wordt afgesproken dat relevante informatie beschikbaar moet worden gesteld indien hierom wordt verzocht. In dit kader wordt, in afstemming met juridische adviseurs, besloten om onder meer mailboxen en digitale omgevingen van betrokken organisatieonderdelen veilig te stellen. Het betreft onder andere onderdelen van de Belastingdienst en andere specifieke teams die in de aangifte zijn genoemd. Hierbij wordt benadrukt dat het veiligstellen van deze informatie uitsluitend was gericht op het kunnen voldoen aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie en niet bedoeld was voor intern gebruik. Daarnaast volgt uit interviews dat de afgeschermde omgeving is ontstaan in een context waarin binnen de Belastingdienst het risico werd ervaren dat informatie onbedoeld zou worden vernietigd. In de nasleep van de toeslagenaffaire bestond het besef dat in het verleden mogelijk te veel informatie was verwijderd. Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om vernietiging van beschikbare informatie tijdelijk te stoppen en gegevens veilig te stellen.
Door wie werd de afgeschermde omgeving beheerd?
Deze omgeving viel onder het beheer van de Belastingdienstdirectie Informatievoorziening (IV). Binnen deze directie had een beperkt aantal personen toegang. De omgeving is echter sinds de veiligstelling niet meer geraadpleegd. Er is geen overzicht van het aantal afdelingen waar de omgeving bekend is geweest.
De vraag rond de veiligstelling van deze omgeving kent geen precedent. Er is daarom nog geen vastgesteld protocol, proces of procedure. Dit zal worden meegenomen in het externe onafhankelijke onderzoek naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen (zie hiervoor ook de beantwoording op de vragen 13, 14 en 15).
Hoeveel afdelingen binnen de Belastingdienst wisten over het bestaan van deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Welke afdelingen en wie binnen deze afdelingen hadden er toegang tot deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Met welk protocol werd er gewerkt rond deze omgeving? Kunt u dit protocol met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u, of uw voorganger, dat protocol zelf ook ooit gezien?
Zie antwoord vraag 4.
Welke documenten zijn er opgenomen in de afgeschermde omgeving? Kunt u een inventarisatielijst met de Kamer delen?
Op dit moment is er geen inventarisatielijst beschikbaar van deze omgeving. Wanneer er meer over de inhoud van deze omgeving duidelijk is, delen wij dit uiteraard met uw kamer.
Is bij WOO-verzoeken ook een zoekopdracht uitgevoerd in deze omgeving?
Nee. Deze omgeving zal worden meegenomen in de uitvoering en uitwerking van het plan van aanpak, waarbij de externe commissie betrokken zal zijn. Deze omgeving is een kopie geweest van bestanden. Er zijn dus originele bestanden van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijd zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
Is voor het samenstellen van de persoonlijke dossiers van ouders ook deze omgeving onderzocht?
We begrijpen dat de berichtgeving bij gedupeerde ouders vragen en mogelijk ook zorgen oproept. Het doel blijft, net als bij de datakluis om zo spoedig mogelijk te weten welke relevante documenten zich in deze veiliggestelde omgeving bevinden. Graag willen we net als in de brief van 15 april 2026 benadrukken dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming. Gedupeerde ouders hebben uiteraard recht op alle relevante informatie. Bij de hersteloperatie krijgen gedupeerde ouders daarom tegenwoordig een ouderdossier. In dit dossier wordt zo goed mogelijk voorzien in de behoeften van ouders en gemachtigden. Het ouderdossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. De inhoud van dit dossier is met de werkgroep toeslagenadvocaten besproken en wordt sinds april 2024 door UHT verstrekt in de verschillende fases van het herstelproces. Op dit moment is nog niet precies bekend welke informatie zich in de veiliggestelde omgeving bevindt. Echter, in tegenstelling tot de datakluis is dit een kopie geweest van bestanden, in plaats van bestanden zelf. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6).
Is voor de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag en de parlementaire enquêtecommissie fraude en dienstverlening gezocht in deze omgeving?
Deze omgeving is niet doorzocht ten tijde van de PEFD. Zoals ook in het antwoord op vraag 11 aangegeven is deze omgeving een kopie geweest van bestanden. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6 van het plan van aanpak).
Kunt u een opsomming geven van alle datakluizen en afgeschermde omgevingen die u bekend zijn bij het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst, de dienst Toeslagen, UHT, de Douane en andere instellingen onder het Ministerie van Financiën? Kunt u voor elk van deze kluizen of afgeschermde omgevingen aangeven wat de inhoud is en of er bij WOO-verzoeken, parlementaire enquêtes en Kamervragen ook gezocht wordt in deze omgevingen?
Wij vinden het belangrijk om inzicht te krijgen in mogelijke andere afgeschermde bewaaromgevingen bij alle dienstonderdelen van het Ministerie van Financiën en het ministerie zelf. Op dit moment kunnen we niet uitsluiten dat er geen andere soortgelijke bewaaromgevingen bestaan.
In het rapport van BDO zijn aanbevelingen opgenomen voor vervolgonderzoek. Wij nemen deze aanbevelingen onverkort over, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl. Dit betekent dat we een onafhankelijk extern onderzoek zullen laten uitvoeren naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen. Dit onderzoek kan zich volgens BDO richten op: het verkrijgen van inzicht in afgeschermde omgevingen, inclusief definities, verschijningsvormen en de mate van centrale registratie en beheersing; de inrichting en werking van governance en besluitvorming rondom deze omgevingen; de wijze waarop gegevens binnen afgeschermde omgevingen worden beheerd én de mate waarin afgeschermde omgevingen voldoen aan relevante wet- en regelgeving.
Op welke manier doet uw ministerie op dit moment onderzoek om achter het bestaan van andere afgeschermde omgevingen te komen?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u de Kamer garanderen dat er geen andere onbekende afgeschermde omgevingen bestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u deze vragen voor 1 september 2026 beantwoorden in verband met het plenaire debat over de datakluis?
Hierbij beantwoorden wij uw vragen voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis op 10 september.
Het kabinet dat het onnodig moeilijk wil maken om arme mensen in Nederland aan de bijstand te helpen |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money «Kabinet wil het onnodig moeilijk maken om arme mensen aan bijstand te helpen1»?
Ja, het artikel is bekend en samen met de reactie van het Ministerie van SZW gepubliceerd. In de reactie heb ik aangegeven dat proactieve dienstverlening een goede manier is om mensen te bereiken die ondersteuning nodig hebben bij werk, inkomen, opleiding en meedoen in de samenleving. Ik heb bewust gekozen het wetsvoorstel eenvoudig te houden voor een snelle, eerste stap. Later kunnen we de mogelijkheden voor proactieve dienstverlening uitbreiden.
Wat vindt u ervan dat ongeveer 200.000 huishoudens in Nederland niet weten dat zij recht hebben op een algemene bijstandsuitkering?
Uit data-analyse van de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA)2 blijkt dat in december 2021 naar schatting 160.000 huishoudens potentieel recht hadden op een (aanvullende) algemene bijstandsuitkering omdat het eigen inkomen in die maand december onder het sociaal minimum lag. Ruim een derde van al deze potentiële niet-gebruikers (d.w.z. 58.000 huishoudens) had volgens de NLA ook in de voorgaande 12 maanden recht op een (aanvullende) algemene bijstandsuitkering maar deed daar geen beroep op.
Voor de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)3 en de Toeslagenwet (TW)4 zijn de schattingen over het niet-gebruik vergelijkbaar. Daarom zet het kabinet in op het tegengaan van het niet-gebruik met het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW.
Deelt u de mening dat mensen moeten krijgen waar zij recht op hebben, ook in het geval zij daar zelf niet van op de hoogte zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat uitkeringen en voorzieningen toegankelijk zijn voor de mensen die het nodig hebben. Het voorkomt dat hun inkomen onder het sociaal minimum belandt. En het helpt hen naar werk, opleiding en meedoen in de samenleving.
«Als er door de Nederlandse overheid – lees: de Belastingdienst – iets te halen valt, dan kunnen gegevens moeiteloos worden gedeeld. Maar als de overheid iets moet brengen zoals een uitkering waar iemand recht op heeft, dan is informatie delen opeens erg ingewikkeld». Herkent u deze ervaring en begrijpt u dat dit door mensen zo wordt ervaren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat meer gegevensuitwisseling tussen uitvoeringsorganisaties kan bijdragen aan een verbetering van de dienstverlening. Tegelijkertijd is het belangrijk dat uitvoeringsorganisaties zorgvuldig omgaan met gegevens van burgers. Hier is dus wel een goede wettelijke basis voor nodig. De fiscale geheimhoudingsplicht staat in beginsel in de weg aan wat de Belastingdienst deelt voor niet-fiscale doeleinden. Gegevens die de Belastingdienst heeft voor de uitvoering van haar taken mogen niet zomaar gedeeld worden. Om de belastingwetgeving te kunnen uitvoeren beschikt de inspecteur – de Belastingdienst – over bevoegdheden om informatie (onder dwang) in te winnen. Dit brengt mee dat de inspecteur ertoe is gehouden om zorgvuldig met die fiscale gegevens om te gaan. Die asymmetrie dient juist ter bescherming van burgers en bedrijven, en complementeert het systeem van heffing en inning. Bij de beoordeling of de fiscale geheimhouding doorbroken kan worden moet worden nagegaan of de gegevensdeling noodzakelijk is om het voorgestelde doel te bereiken, of de verstrekking van gegevens over de fiscale positie van betrokkenen in verhouding staat tot het doel (proportionaliteit) en of er alternatieven zijn (subsidiariteit). Als hieraan is voldaan moet een deugdelijke wettelijke grondslag worden geregeld.
Kiest u er bewust voor mensen die hier recht op hebben, niet aan een bijstandsuitkering te helpen? Zo ja, waarom? Zo nee, leg uit waarom niet.
Integendeel, het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW zet in op het bereiken van mensen die recht hebben op ondersteuning, maar daarvan nog geen gebruikmaken.
In welke mate heeft uw antwoord op de vorige vraag te maken met het mensbeeld dat elk individu zelf verantwoordelijk is om op de hoogte te zijn van alle regelingen waar iemand potentieel recht op heeft?
Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW is gebaseerd op onderzoek naar de oorzaken van het buiten beeld blijven van mensen die ondersteuning nodig hebben.5 Die oorzaken worden verdeeld in drie categorieën: oorzaken op het niveau van de regelgeving, oorzaken op het niveau van de uitvoering en oorzaken op het niveau van de burger. Proactieve dienstverlening richt zich op het wegnemen van oorzaken van niet-gebruik op het niveau van de uitvoering en op het niveau van de burger. Het richt zich op het persoonlijk informeren van mensen en het eenvoudiger kunnen aanvragen van uitkeringen en voorzieningen.
Bent u het met de SP eens dat juist de proactieve benadering maakt dat de kloof tussen overheid en burger wat verder gedicht kan worden? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
Bijvoorbeeld het onderzoek «Burgerperspectief proactieve dienstverlening» laat zien dat respondenten positief staan tegenover het terugdringen van niet-gebruik van inkomensondersteunende regelingen door de overheid. Wanneer de overheid de burger de hand reikt en tegemoetkomt, bevordert dit een gevoel van vertrouwen. Deze inzichten zijn verwerkt in het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW.6
Deelt u de mening dat óók de Belastingdienst de relevantie informatie moet delen met de gemeenten om de wet Proactieve Dienstverlening goed te laten functioneren? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet in op betere uitwisseling van gegevens om de dienstverlening te verbeteren. Voor fiscale gegevens is het daarnaast van belang dat deze niet zomaar gebruikt en gedeeld mogen worden vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht, zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 4. De Belastingdienst staat positief tegenover de verlening van medewerking aan proactieve dienstverlening, mits goed geregeld en indien verder is voldaan aan hetgeen wat verder onder vraag 4 is vermeld.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten wel de benodigde informatie krijgen zodat zij mensen die recht hebben op verschillende vormen van bijstand en inkomensondersteuning wel proactief kunnen benaderen?
Het wetsvoorstel en het ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW geven gemeenten nieuwe mogelijkheden om inwoners te bereiken die mogelijk recht hebben op uitkeringen en voorzieningen, zoals algemene bijstand. Mede afhankelijk van het verloop van de Kamerbehandeling kunnen die mogelijkheden worden uitgebreid.7 Zo kan aan dit wetsvoorstel een deugdelijke juridische grondslag worden toegevoegd voor gegevens van de Belastingdienst met een aanvulling op het ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW.
De Nederlandse overheid bespaart op dit moment naar schatting 1 miljard euro vanwege het niet uitkeren van de algemene bijstandsuitkering. Waar gebruikt het kabinet dit geld voor? Kunt u dit specifiek uiteenzetten?
De regel is dat realistisch wordt geraamd. Het gebruik van uitkeringen en voorzieningen wordt zo realistisch mogelijk ingeschat. De raming houdt rekening met het werkelijke gebruik in voorgaande jaren, de conjunctuur en met maatregelen, zoals proactieve dienstverlening, die kunnen leiden tot meer gebruik. Niet-gebruikte middelen zijn er daarom niet.
Welk belang weegt volgens u zwaarder, dat van fiscale geheimhouding of bestaanszekerheid? Leg uit waarom u dit vindt.
Fiscale geheimhouding en bestaanszekerheid sluiten elkaar niet uit. Bij de beoordeling of de fiscale geheimhouding doorbroken kan worden moet worden nagegaan of gegevensdeling noodzakelijk is om het voorgestelde doel te bereiken, zoals ook in het antwoord op vraag 4 aangegeven, en daarnaast of de verstrekking van gegevens over de fiscale positie van betrokkenen in verhouding staat tot het doel (proportionaliteit) en of er alternatieven zijn (subsidiariteit). Als hieraan is voldaan moet een deugdelijke wettelijke grondslag worden geregeld. Meer in het algemeen: zowel eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bestaanszekerheid zijn grondrechten en worden niet tegen elkaar afgewogen.
Door het niet mogelijk maken van het delen van informatie door de Belastingdienst aan de gemeenten, wordt zeer sterk de indruk gewekt dat u liever niet heeft dat mensen de bijstandsuitkering aanvragen. Erkent u dit? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is uw argumentatie om Nederlanders ervan te overtuigen dat hier geen sprake van is?
Voor nu is gekozen voor eenvoud, zodat mensen snel geholpen kunnen worden. Uitbreiding in de toekomst is mogelijk. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Afgelopen week diende ik tevens schriftelijke vragen in naar aanleiding van de verborgen datakluis met 64 miljoen dossiers. Ook in dit dossier houdt de Belastingdienst structureel relevante informatie achter. Wat maakt dat de Belastingdienst zoveel transparantie eist van haar burgers en dit zelf niet doet als dit onwelgevallig uit lijkt te komen?
Voor gedetailleerde informatie over de datakluis verwijst de Staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane naar de Kamerbrief van 15 april 2026 over het onderwerp8 en naar de antwoorden op de genoemde schriftelijke vragen.9 Dit staat los van de fiscale geheimhouding en van de fiscale informatieverplichtingen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het massaal niet doorbetalen van huishoudelijke hulpen bij ziekte |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat negen op de tien huishoudens hun huishoudelijke hulp niet doorbetalen bij ziekte terwijl dat wel wettelijk verplicht is?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat een grote groep huishoudelijke hulpen inkomsten misloopt doordat werkgevers hun wettelijke verplichtingen niet nakomen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het betreft hier huishoudelijk werk gefinancierd door en voor particulieren onder de Regeling dienstverlening aan huis («de regeling»). De regeling is juist bedoeld ter stimulering van de markt voor persoonlijke dienstverlening en het tegengaan van zwart werken. Het is de bedoeling dat deze werknemers krijgen waar zij recht op hebben.
Welke acties heeft het kabinet de afgelopen tien jaar ondernomen om huishoudens en huishoudhulpen te informeren over hun rechten en plichten?
De regeling is al in 2007 ingevoerd. Destijds is aan de introductie van de regeling veel aandacht besteed door middel van een grote voorlichtingscampagne van het Ministerie van SZW en de Belastingdienst. De afgelopen tien jaar heeft het kabinet geen specifieke campagnes gevoerd om huishoudens te informeren over rechten en plichten in het kader van de regeling. Op 9 december 2024 is wel een publiekscampagne van de Future of Work Hub (Universiteit Utrecht/Instituut Gak) gelanceerd. De campagne «Help de hulp» richtte zich op mensen die een huishoudelijke hulp particulier in dienst hebben en hen te wijzen op de rechten en plichten onder de regeling, waaronder het doorbetalen van het loon tijdens ziekte. Daarnaast is op de website van de Rijksoverheid een aparte pagina ingericht over de regeling.2 Hier wordt informatie gegeven over de rechten en plichten, en worden documenten beschikbaar gesteld, zoals een format voor de arbeidsovereenkomst.
Vindt u deze voorlichting voldoende? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. Met de informatie op de website van de Rijksoverheid en de informatie afkomstig uit de publiekscampagne van de Future of Work Hub (Universiteit Utrecht/Instituut Gak) uit 2024, meent het kabinet dat de voorlichting over de regeling voldoende is.
Op welke wijze wordt momenteel gecontroleerd of particuliere werkgevers zich houden aan de verplichting om loon door te betalen bij ziekte?
De overheid heeft geen specifieke rol als het gaat om het controleren of particuliere werkgevers zich houden aan de verplichting het loon door te betalen bij ziekte. De verplichting het loon door te betalen bij ziekte volgt uit artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, en betreft een civielrechtelijke verplichting. Voor huishoudelijke hulpen met een arbeidsovereenkomst onder de regeling bedraagt de lengte van de periode van loondoorbetaling bij ziekte maximaal zes weken.
Mocht een werknemer (dus ook een huishoudelijke hulp die werknemer is in dienst van een particulier) het loon bij ziekte niet doorbetaald krijgen, dan is het van belang dat hij hierover in gesprek gaat met zijn werkgever. De werknemer heeft daarbij de mogelijkheid informatie en advies over zijn rechten in te winnen bij bijvoorbeeld het Juridisch Loket, de vakbond of rechtsbijstandsverzekeraar. Komt men er niet uit, dan heeft de werknemer uiteindelijk de mogelijkheid een procedure bij de civiele rechter te starten. Wanneer sprake is van een werkgever/werknemer-relatie in de zin van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag én er is mogelijk sprake van onderbetaling, dan kan de werknemer eveneens een melding doen bij de NLA
Hoeveel meldingen, klachten, onderzoeken en handhavingsacties zijn er de afgelopen vijf jaar geweest met betrekking tot het niet naleven van de Regeling dienstverlening aan huis?
Er is geen totaaloverzicht van dergelijke informatie van de verschillende rechtshulpverleners, zoals Het Juridisch Loket, de vakbonden en de rechtsbijstandsverzekeraars. De NLA houdt in haar registraties niet specifiek bij of dergelijke informatie betrekking heeft op situaties met werknemers zoals bedoeld in de regeling.
Welke mogelijkheden hebben huishoudelijke hulpen om hun recht op loondoorbetaling af te dwingen?
Huishoudelijke hulpen kunnen voor advies en ondersteuning terecht bij verschillende rechtshulpverleners, zoals Het Juridisch Loket, de vakbond of rechtsbijstandsverzekeraar. Net als andere werknemers hebben huishoudelijke hulpen de mogelijkheid een civielrechtelijke procedure te starten indien de particuliere werkgever zijn wettelijke plichten niet nakomt (zie ook het antwoord op vraag 5).
Samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn afgelopen jaren meerdere stappen gezet om de toegang tot het recht te verbeteren.3 Er wordt gewerkt aan het verbeteren van informatievoorziening, advies en ondersteuning aan rechtszoekenden en laagdrempelige geschilbeslechting via de regelrechter. Deze mogelijkheid staat ook open voor huishoudelijke hulpen die onder de regeling vallen.
Sinds 1 maart 2025 staat onder andere voor een loonvordering een experiment open bij de zogenaamde regelrechter. Dit is experiment met een eenvoudigere, snellere en effectievere rechtsprocedure bij de kantonrechter. Dit is een uitvloeisel van het advies van de Commissie Roemer om een «arbeidscommissie» op te richten. Het experiment is laagdrempelig, omdat mensen de zaak met een eenvoudig formulier kunnen starten in plaats van met een dagvaarding. Ook wordt in alle gevallen een zitting gepland om het geschil te bespreken. Daarnaast wordt tijdens de procedure op verschillende momenten contact gezocht met de partijen om hen te infomeren over de procedure en te benadrukken dat het belangrijk is om op de zitting te verschijnen.
Vindt u deze mogelijkheden toegankelijk genoeg voor mensen met een laag inkomen?
Ja. Het Juridisch Loket geeft gratis juridisch advies aan mensen met een laag inkomen. Het Juridisch Loket is op meerdere manieren te bereiken. Het is ook mogelijk om zonder afspraak langs te gaan in één van de vestigingen en direct advies te krijgen. Voor vertegenwoordiging of verdere hulpverlening kunnen zij de rechtzoekende ook doorverwijzen naar bijvoorbeeld een advocaat, mediator of gemeente. Via de Raad voor Rechtsbijstand kunnen mensen met een laag inkomen ook eventueel een toevoeging krijgen voor een advocaat of mediator. Tegelijkertijd wordt het experiment voor de «regelrechter» de komende tijd geëvalueerd. Daarbij wordt ook meegenomen of dit inderdaad leidt tot meer zaken en welke mensen dit betreft. Op basis van deze evaluatie kan ook worden beoordeeld wat werkt en wat mogelijk verder nog nodig is.
Deelt u de mening dat huishoudelijke hulpen door de huidige regeling in een kwetsbare positie verkeren, omdat zij afhankelijk zijn van particuliere werkgevers die vaak niet op de hoogte zijn van hun verplichtingen of deze niet nakomen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Nee, het is niet zo dat huishoudelijke hulpen door de regeling in een kwetsbare positie verkeren. De regeling is juist bedoeld om de positie van huishoudelijke hulpen te verbeteren door hen wettelijke rechten te geven en zwart werk tegen te gaan. Onder meer door informatie over de regeling en een arbeidsovereenkomst beschikbaar te stellen via de website van de Rijksoverheid, wordt getracht een eventuele informatieachterstand bij particuliere werkgevers te voorkomen. Als werkgevers de verplichtingen niet nakomen, kunnen huishoudelijke hulpen voor advies en ondersteuning terecht bij verschillende rechtshulpverleners om zo alsnog hun rechten af te dwingen.
Welke stappen neemt u om ervoor te zorgen dat huishoudhulpen krijgen waar zij recht op hebben?
Zoals in het antwoord bij vraag 7 aangegeven werkt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan het verbeteren van de toegang tot het recht. Er wordt gewerkt aan het verbeteren van informatievoorziening, advies en ondersteuning aan rechtszoekenden en laagdrempelige geschilbeslechting via de regelrechter. Dit is gericht op alle kwetsbare werknemers, waaronder huishoudelijke hulpen.
Bent u het ermee eens dat de regeling dienstverlening aan huis opnieuw tegen het licht moet worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
In het lopende wetstraject4 rondom aanpassing van de regeling in het pgb is de regeling recent opnieuw tegen het licht gehouden. Daarbij is de afweging gemaakt dat de regeling in stand kan blijven voor de private markt5. Er is geen aanleiding daar nu een andere afweging in te maken.
Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 april 20236. In deze uitspraak oordeelde de rechter dat pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst niet uitgesloten mogen worden van de verplichte werknemersverzekeringen. Het uitsluiten van deze zorgverleners levert namelijk ongeoorloofde indirecte discriminatie van vrouwen op. De argumenten voor de regeling, namelijk het stimuleren van de markt voor persoonlijke dienstverlening en het tegengaan van zwart werk, gaan in geval van publiek gefinancierde dienstverlening, in casu pgb, niet op.
Het bericht 'Dit maakt je helemaal kapot': gedupeerde onderneemster hield 1,5 miljoen euro schuld over' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Dit maakt je helemaal kapot»: gedupeerde onderneemster hield 1,5 miljoen euro schuld over»?1
Hoe reageert u op het feit dat ondernemers nog altijd geen compensatie hebben gekregen voor de ondernemingsschade die zij hebben geleden door het toeslagenschandaal?
Wat zegt het over de houding van de overheid naar haar eigen burgers, dat de Landsadvocaat in rechtszaken de ondernemingsschade toegebracht in het toeslagenschandaal bestempelt als een «ondernemingsrisico» en een «ongelukkig incident»?
Waarom is in de discussie over het toeslagenschandaal de schade voor duizenden ondernemers zo lang onderbelicht gebleven?
Hoeveel ondernemers hebben ondernemingsschade geleden als gevolg van het toeslagenschandaal en hoeveel van hen zijn door het toeslagenschandaal failliet gegaan?
Waarom is ervoor gekozen om ondernemers niet te compenseren voor de vaak dramatische financiële gevolgen voor hun onderneming van het toeslagenschandaal?
Hoe reageert u op de suggestie dat er sprake was van samenwerking in de Belastingdienst tussen de afdelingen mkb en particulieren?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst in de fraudeselectie bij ondernemers gebruik maakte van de zorg- en huurtoeslag?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst gebruik maakte van de nationaliteit van gedupeerden?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst bij minstens één kinderopvangbedrijf klanten heeft geselecteerd op hun afkomst?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Staat de link tussen de fraudelijsten en faillissementen wel gaat erkennen?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat alle ongelakte en verdwenen stukken met betrekking tot de gedupeerde ondernemers zo snel mogelijk boven water komen?
Wanneer verwacht u dat alle gedupeerde mkb’ers volledig zijn gecompenseerd voor de financiële schade die zij onterecht hebben geleden door het toeslagenschandaal?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht ‘Het is geen mythe dat de cao-lonen achterblijven’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Het is geen mythe dat de cao-lonen achterblijven»?1
Wat vindt u van het bericht dat de cao-lonen al jaren achterblijven bij de arbeidsproductiviteit en koopkracht voor werkenden dus ook al langer achterblijft?
Wat vindt u van het feit dat de arbeidsinkomensquote al jaren onder een volgens de polder passende loonkostenontwikkeling ligt? Hoe verklaart u deze ontwikkeling?
Waar is volgens u de niet-uitbetaalde loonruimte terecht gekomen? Heeft u gegevens waaruit blijkt in welke mate dit in de vorm van winst is uitgekeerd aan aandeelhouders of is geherinvesteerd?
Deelt u de mening van de SP dat een langdurige achterblijvende loonontwikkeling de koopkracht van werknemers onder druk kan zetten? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u voor de economische groei en de bestaanszekerheid van huishoudens?
In welke sectoren blijft de loonontwikkeling het sterkst achter bij de beschikbare loonruimte?
Welke mogelijkheden ziet u om in te grijpen om er zo voor te zorgen dat werknemers structureel meer profiteren van de groei van de arbeidsproductiviteit?
Welke rol ziet u daarbij voor het verhogen van het minimumloon en het versterken van de positie van werknemers in de collectieve onderhandelingen?
Welke maatregelen neemt het kabinet om te bevorderen dat werkgevers de beschikbare loonruimte daadwerkelijk benutten voor betere arbeidsvoorwaarden, in plaats van dat de economische opbrengsten voornamelijk bij aandeelhouders terechtkomen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het recente bezoek van de premier aan stichting Ieder Kind een Sint |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u uw bezoek aan stichting «Ieder Kind een Sint» in Vriezeveen van woensdag 30 september 2026?1
Welke lessen rond de ondersteuning van kinderen die opgroeien in armoede trekt u naar aanleiding van dit bezoek?
Vindt u het acceptabel dat het aantal kinderen dat opgroeit in armoede door uw beleid komend jaar waarschijnlijk vrijwel gelijk blijft? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wat is voor u een acceptabel aantal kinderen dat in Nederland mag opgroeien in armoede? Indien uw antwoord in de lijn ligt dat geen enkel kind in armoede mag opgroeien, waarom is uw beleid hier dan niet op gericht?
Waarom heeft u geen duidelijk doel geformuleerd rond het terugdringen van het aantal kinderen dat opgroeit in armoede, zoals het kabinet Rutte 4 dat bijvoorbeeld wel had?
Deelt u de mening dat met de huidige aanpak van het kabinet blijkt dat nog steeds vrijwel hetzelfde aantal kinderen in armoede leeft en dat het daarom noodzakelijk is dat het kabinet extra maatregelen neemt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke aanvullende stappen neemt het kabinet om het aantal kinderen dat opgroeit in armoede de komende vijf jaar drastisch te laten dalen?
Hoe rijmt u uw bezoek aan deze stichting met het feit dat uit de begroting blijkt dat het aantal kinderen in armoede door uw beleid ook komend jaar vrijwel gelijk zal blijven?
Welke stappen neemt u om initiatieven zoals «Ieder Kind een Sint» en andere initiatieven die kinderen in armoede financieel te ondersteunen?
Deelt u de zorgen van de stijgende brandstofprijs, boodschappenprijzen en andere kosten voor levensonderhoud ervoor zullen zorgen dat het aantal kinderen dat moet opgroeien in armoede komend jaar zal stijgen in plaats van dalen?
Welke stappen neemt u om ervoor te zorgen dat de stijgende brandstofprijs, boodschappenprijzen en andere kosten voor levensonderhoud er niet voor zorgen dat nog meer kinderen in armoede zullen opgroeien de komende jaren?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht ‘Discriminatie en racisme binnen afdeling handhaving bij UWV' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Racisme en discriminatie bij afdeling handhaving UWV, nieuwe hoogste baas biedt excuses aan»?1
Hoeveel mensen met een migratieachtergrond hebben vanwege hun migratieachtergrond te maken gekregen met een strenger controleregime bij het UWV dan mensen zonder migratieachtergrond?
Bent u bereid de beslissingen binnen de afgelopen vijf jaar opnieuw te controleren om zo vast te kunnen stellen of mensen met een migratieachtergrond in bepaalde regio’s inderdaad te maken hebben gekregen met een strenger controleregime vanwege hun achtergrond en waar nodig beslissingen opnieuw tegen het licht te houden? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat u pas na vragen van het Algemeen Dagblad (AD) over het onderzoek hoorde terwijl deze informatie al in januari bij uw ministerie bekend was? Zo ja, waarom zit hier zoveel tijd tussen?
Hoe ziet de tijdlijn tussen de start van het onderzoek en bekendmaking bij u eruit? Welke stappen werden wanneer gezet, en wie werd wanneer geïnformeerd?
Waarom is het advies om op basis van de uitkomsten van het eerdere interne onderzoek een nader specifiek onderzoek te doen naar mogelijk racisme en discriminatie bij het uitdelen van boetes eerder niet opgevolgd, waardoor de uitkomsten van dit onderzoek al bijna een jaar op de plank liggen?
Welke stappen heeft u genomen toen u bekend werd met de uitkomsten van het interne onderzoek bij het UWV?
Klopt het dat er een extern onderzoek loopt naar het UWV? Klopt het dat er in dit onderzoek vooral gekeken wordt naar verschillen per kantoor van het UWV?
Welke andere aspecten binnen het UWV worden in dit externe onderzoek meegenomen?
Welke afdelingen binnen het UWV vallen onder dit externe onderzoek?
Worden de verschillen in het controleregime bij verschillende regio’s en eventuele racistische of discriminerende aspecten bij de controle ook meegenomen binnen dit onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Worden discriminerende en racistische uitingen bij de werving, selectie en het behoud van personeel ook meegenomen in dit onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Kunt u de onderzoeksopzet met de Kamer delen?
Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van dit onderzoek verwachten?
Wat vindt u van het verhaal van Minke van den Berg bij EenVandaag? Wat vindt u ervan dat zij intern werd aangepakt toen ze de vermeende discriminatie aankaartte bij haar manager?
Welke maatregelen worden er binnen het UWV genomen om te voorkomen dat niet de melder, maar de dader in het vervolg wordt aangepakt?
Kunt u reflecteren op de in de media geschetste voorbeelden en daarbij in elk geval meenemen of u racisme en discriminatie binnen het UWV ziet als een probleem van individuen of als een cultureel en organisatie breed probleem binnen de werkorganisatie van het UWV?
Welke andere stappen neemt u om ervoor te zorgen dat racisme en discriminatie in de organisatie en bij handhaving direct worden aangepakt zolang het onderzoek loopt?
Welke stappen neemt het UWV tegen de in het artikel genoemde medewerkers die personeel bewust afwijzen gebaseerd op afkomst?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De gezondheidszorg voor arbeidsmigranten |
|
Jimmy Dijk (SP), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problematiek rond de toegang tot gezondheidszorg van arbeidsmigranten, zoals onder andere geschetst door de artsenwerkgroep Arbeidsmigranten Veilig en Gezond?1
Hoeveel arbeidsmigranten zijn er op dit moment onverzekerd aan het werk in Nederland? Als u dit niet weet, welke stappen gaat u nemen om hier wel achter te komen?
Klopt het dat veel arbeidsmigranten een zorgverzekering krijgen aangeboden door het uitzendbureau waar ze in dienst zijn, maar dat deze regelmatig stopt zodra ze uit dienst treden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Klopt het dat dit voor veel problemen zorgt omdat arbeidsmigranten onverzekerd zijn zodra zij ziek uit dienst treden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Klopt het dat arbeidsmigranten die niet ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen (BRP) zich meestal niet kunnen inschrijven bij een huisarts en daardoor zijn overgeleverd aan de spoedeisende hulp? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Waarom is er geen opvolging gegeven aan het advies van de commissie Roemer om arbeidsmigranten die uit dienst treden de toegang tot zorg te laten behouden? Wat gaat u doen om dit advies alsnog uit te voeren?
Wat doet u, en vraagt u van uitzendbureaus, om arbeidsmigranten zo goed mogelijk te informeren over hun rechten en plichten rond de toegang tot gezondheidszorg?
Welke stappen neemt u om het informeren van arbeidsmigranten rond hun toegang tot gezondheidszorg te verbeteren? Wat vraagt u daarbij van uitzendbureaus?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat arbeidsmigranten de weg naar goede gezondheidszorg in Nederland zo weinig weten te vinden en onderweg zoveel hobbels tegenkomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De datakluis bij de belastingdienst |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom besloot u in juli 2025 de Kamer niet te informeren over het bestaan van de datakluis?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van Markuszower en Moinat (beiden Groep Markuszower)1 had de Tweede Kamer eerder geïnformeerd moeten worden en dat spijt ons. Beide Staatssecretarissen van Financiën zijn via de nota «Datakluis Belastingdienst», met datum 31 juli 2025 schriftelijk geïnformeerd over de datakluis. Voorafgaand aan deze nota is de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen eind juli 2025 telefonisch geïnformeerd over de situatie, zoals uit het BDO-rapport blijkt. Deze nota is door Staatssecretaris Herstel en Toeslagen op 17 augustus 2025 gelezen, door de toenmalige Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane op 8 augustus 2025. In die nota was nog niet bevestigd dat in de datakluis informatie zit die ontsloten had moeten worden aan de PEFD. Het opnieuw in beeld komen van de datakluis riep veel vragen op en bracht uitzoekwerk met zich mee. Uit het BDO-onderzoek komt ook naar voren dat uit de nota van 31 juli 2025 nog onvoldoende duidelijkheid bestond over de inhoud en reikwijdte van de aangetroffen informatie. Zo moest er eerst een steekproef worden uitgevoerd naar de inhoud van de datakluis. Deze steekproeven waren ten tijde van de nota’s van 31 juli en 16 oktober nog niet afgerond. Eind 2025 werd op basis van de uitkomst van de steekproeven bevestigd dat er informatie in de datakluis zit, die geleverd had moeten worden aan de PEFD. Op 26 maart 2026 ontvingen beide Staatssecretarissen een nota ter voorbereiding op een overleg met de Belastingdienst op 27 maart 2026 over de datakluis. Met de nota van 7 april 2026 en de bijbehorende juridische analyse van 6 februari 2026 (afgedaan door de Staatssecretaris Herstel Toeslagen op 8 april en door de Staatssecretaris van Financiën op 12 april) werd bevestigd dat het informatie betreft die verstrekt had moeten worden. De Kamer is vervolgens met de brief «Update datakluis» van 15 april 2026 in kennis gesteld dat de datakluis niet is betrokken in belangrijke leveringen van informatie. Dit proces en daarmee het informeren van uw Kamer heeft duidelijk te lang geduurd. Dit had anders gemoeten en dat spijt ons.
Met de beantwoording van de Kamervragen van Vragen van de leden Markuszower (Groep Markuszower), Struijs (50PLUS), Keijzer en Vermeer (BBB)2 hebben wij uw Kamer geïnformeerd welke bewindspersonen, ook eerder, over de datakluis zijn geïnformeerd. In 2019 is de Kamer door de toenmalige Staatssecretaris van Financiën over het inrichten van de datakluis geïnformeerd.3
Op welk moment werden uw voorgangers geïnformeerd over het bestaan van de datakluis en waarom besloten zij deze informatie niet te delen met de Kamer?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer en door wie werd het besluit genomen om de afgeschermde omgeving in te richten?
Wij gaan in deze beantwoording ervan uit, door de terminologie in uw vraagstelling, dat u met de bovenstaande vraag, en onderstaande vragen, naar de veiliggestelde en opgeslagen set met mailboxen en samenwerkingsomgevingen (hierna omgeving) vraagt en niet de datakluis met circa 25 miljoen bestanden.4 Van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen zijn dus originele bestanden beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijds zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
In het BDO-rapport, welke op 10 juli met uw Kamer is gedeeld, is deze besluitvorming als volgt weergegeven: Op 19 mei 2020 heeft het advocatenkantoor Allen & Overy een memorandum opgeleverd, waarin werd beschreven dat vermoedens bestonden van strafbare feiten, waaronder knevelarij en beroepsmatige discriminatie. Op dezelfde datum is namens de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, aangifte gedaan tegen de Belastingdienst. Hierbij wordt afgesproken dat relevante informatie beschikbaar moet worden gesteld indien hierom wordt verzocht. In dit kader wordt, in afstemming met juridische adviseurs, besloten om onder meer mailboxen en digitale omgevingen van betrokken organisatieonderdelen veilig te stellen. Het betreft onder andere onderdelen van de Belastingdienst en andere specifieke teams die in de aangifte zijn genoemd. Hierbij wordt benadrukt dat het veiligstellen van deze informatie uitsluitend was gericht op het kunnen voldoen aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie en niet bedoeld was voor intern gebruik. Daarnaast volgt uit interviews dat de afgeschermde omgeving is ontstaan in een context waarin binnen de Belastingdienst het risico werd ervaren dat informatie onbedoeld zou worden vernietigd. In de nasleep van de toeslagenaffaire bestond het besef dat in het verleden mogelijk te veel informatie was verwijderd. Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om vernietiging van beschikbare informatie tijdelijk te stoppen en gegevens veilig te stellen.
Door wie werd de afgeschermde omgeving beheerd?
Deze omgeving viel onder het beheer van de Belastingdienstdirectie Informatievoorziening (IV). Binnen deze directie had een beperkt aantal personen toegang. De omgeving is echter sinds de veiligstelling niet meer geraadpleegd. Er is geen overzicht van het aantal afdelingen waar de omgeving bekend is geweest.
De vraag rond de veiligstelling van deze omgeving kent geen precedent. Er is daarom nog geen vastgesteld protocol, proces of procedure. Dit zal worden meegenomen in het externe onafhankelijke onderzoek naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen (zie hiervoor ook de beantwoording op de vragen 13, 14 en 15).
Hoeveel afdelingen binnen de Belastingdienst wisten over het bestaan van deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Welke afdelingen en wie binnen deze afdelingen hadden er toegang tot deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Met welk protocol werd er gewerkt rond deze omgeving? Kunt u dit protocol met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u, of uw voorganger, dat protocol zelf ook ooit gezien?
Zie antwoord vraag 4.
Welke documenten zijn er opgenomen in de afgeschermde omgeving? Kunt u een inventarisatielijst met de Kamer delen?
Op dit moment is er geen inventarisatielijst beschikbaar van deze omgeving. Wanneer er meer over de inhoud van deze omgeving duidelijk is, delen wij dit uiteraard met uw kamer.
Is bij WOO-verzoeken ook een zoekopdracht uitgevoerd in deze omgeving?
Nee. Deze omgeving zal worden meegenomen in de uitvoering en uitwerking van het plan van aanpak, waarbij de externe commissie betrokken zal zijn. Deze omgeving is een kopie geweest van bestanden. Er zijn dus originele bestanden van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijd zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
Is voor het samenstellen van de persoonlijke dossiers van ouders ook deze omgeving onderzocht?
We begrijpen dat de berichtgeving bij gedupeerde ouders vragen en mogelijk ook zorgen oproept. Het doel blijft, net als bij de datakluis om zo spoedig mogelijk te weten welke relevante documenten zich in deze veiliggestelde omgeving bevinden. Graag willen we net als in de brief van 15 april 2026 benadrukken dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming. Gedupeerde ouders hebben uiteraard recht op alle relevante informatie. Bij de hersteloperatie krijgen gedupeerde ouders daarom tegenwoordig een ouderdossier. In dit dossier wordt zo goed mogelijk voorzien in de behoeften van ouders en gemachtigden. Het ouderdossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. De inhoud van dit dossier is met de werkgroep toeslagenadvocaten besproken en wordt sinds april 2024 door UHT verstrekt in de verschillende fases van het herstelproces. Op dit moment is nog niet precies bekend welke informatie zich in de veiliggestelde omgeving bevindt. Echter, in tegenstelling tot de datakluis is dit een kopie geweest van bestanden, in plaats van bestanden zelf. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6).
Is voor de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag en de parlementaire enquêtecommissie fraude en dienstverlening gezocht in deze omgeving?
Deze omgeving is niet doorzocht ten tijde van de PEFD. Zoals ook in het antwoord op vraag 11 aangegeven is deze omgeving een kopie geweest van bestanden. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6 van het plan van aanpak).
Kunt u een opsomming geven van alle datakluizen en afgeschermde omgevingen die u bekend zijn bij het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst, de dienst Toeslagen, UHT, de Douane en andere instellingen onder het Ministerie van Financiën? Kunt u voor elk van deze kluizen of afgeschermde omgevingen aangeven wat de inhoud is en of er bij WOO-verzoeken, parlementaire enquêtes en Kamervragen ook gezocht wordt in deze omgevingen?
Wij vinden het belangrijk om inzicht te krijgen in mogelijke andere afgeschermde bewaaromgevingen bij alle dienstonderdelen van het Ministerie van Financiën en het ministerie zelf. Op dit moment kunnen we niet uitsluiten dat er geen andere soortgelijke bewaaromgevingen bestaan.
In het rapport van BDO zijn aanbevelingen opgenomen voor vervolgonderzoek. Wij nemen deze aanbevelingen onverkort over, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl. Dit betekent dat we een onafhankelijk extern onderzoek zullen laten uitvoeren naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen. Dit onderzoek kan zich volgens BDO richten op: het verkrijgen van inzicht in afgeschermde omgevingen, inclusief definities, verschijningsvormen en de mate van centrale registratie en beheersing; de inrichting en werking van governance en besluitvorming rondom deze omgevingen; de wijze waarop gegevens binnen afgeschermde omgevingen worden beheerd én de mate waarin afgeschermde omgevingen voldoen aan relevante wet- en regelgeving.
Op welke manier doet uw ministerie op dit moment onderzoek om achter het bestaan van andere afgeschermde omgevingen te komen?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u de Kamer garanderen dat er geen andere onbekende afgeschermde omgevingen bestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u deze vragen voor 1 september 2026 beantwoorden in verband met het plenaire debat over de datakluis?
Hierbij beantwoorden wij uw vragen voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis op 10 september.
Het kabinet dat het onnodig moeilijk wil maken om arme mensen in Nederland aan de bijstand te helpen |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money «Kabinet wil het onnodig moeilijk maken om arme mensen aan bijstand te helpen1»?
Ja, het artikel is bekend en samen met de reactie van het Ministerie van SZW gepubliceerd. In de reactie heb ik aangegeven dat proactieve dienstverlening een goede manier is om mensen te bereiken die ondersteuning nodig hebben bij werk, inkomen, opleiding en meedoen in de samenleving. Ik heb bewust gekozen het wetsvoorstel eenvoudig te houden voor een snelle, eerste stap. Later kunnen we de mogelijkheden voor proactieve dienstverlening uitbreiden.
Wat vindt u ervan dat ongeveer 200.000 huishoudens in Nederland niet weten dat zij recht hebben op een algemene bijstandsuitkering?
Uit data-analyse van de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA)2 blijkt dat in december 2021 naar schatting 160.000 huishoudens potentieel recht hadden op een (aanvullende) algemene bijstandsuitkering omdat het eigen inkomen in die maand december onder het sociaal minimum lag. Ruim een derde van al deze potentiële niet-gebruikers (d.w.z. 58.000 huishoudens) had volgens de NLA ook in de voorgaande 12 maanden recht op een (aanvullende) algemene bijstandsuitkering maar deed daar geen beroep op.
Voor de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)3 en de Toeslagenwet (TW)4 zijn de schattingen over het niet-gebruik vergelijkbaar. Daarom zet het kabinet in op het tegengaan van het niet-gebruik met het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW.
Deelt u de mening dat mensen moeten krijgen waar zij recht op hebben, ook in het geval zij daar zelf niet van op de hoogte zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat uitkeringen en voorzieningen toegankelijk zijn voor de mensen die het nodig hebben. Het voorkomt dat hun inkomen onder het sociaal minimum belandt. En het helpt hen naar werk, opleiding en meedoen in de samenleving.
«Als er door de Nederlandse overheid – lees: de Belastingdienst – iets te halen valt, dan kunnen gegevens moeiteloos worden gedeeld. Maar als de overheid iets moet brengen zoals een uitkering waar iemand recht op heeft, dan is informatie delen opeens erg ingewikkeld». Herkent u deze ervaring en begrijpt u dat dit door mensen zo wordt ervaren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat meer gegevensuitwisseling tussen uitvoeringsorganisaties kan bijdragen aan een verbetering van de dienstverlening. Tegelijkertijd is het belangrijk dat uitvoeringsorganisaties zorgvuldig omgaan met gegevens van burgers. Hier is dus wel een goede wettelijke basis voor nodig. De fiscale geheimhoudingsplicht staat in beginsel in de weg aan wat de Belastingdienst deelt voor niet-fiscale doeleinden. Gegevens die de Belastingdienst heeft voor de uitvoering van haar taken mogen niet zomaar gedeeld worden. Om de belastingwetgeving te kunnen uitvoeren beschikt de inspecteur – de Belastingdienst – over bevoegdheden om informatie (onder dwang) in te winnen. Dit brengt mee dat de inspecteur ertoe is gehouden om zorgvuldig met die fiscale gegevens om te gaan. Die asymmetrie dient juist ter bescherming van burgers en bedrijven, en complementeert het systeem van heffing en inning. Bij de beoordeling of de fiscale geheimhouding doorbroken kan worden moet worden nagegaan of de gegevensdeling noodzakelijk is om het voorgestelde doel te bereiken, of de verstrekking van gegevens over de fiscale positie van betrokkenen in verhouding staat tot het doel (proportionaliteit) en of er alternatieven zijn (subsidiariteit). Als hieraan is voldaan moet een deugdelijke wettelijke grondslag worden geregeld.
Kiest u er bewust voor mensen die hier recht op hebben, niet aan een bijstandsuitkering te helpen? Zo ja, waarom? Zo nee, leg uit waarom niet.
Integendeel, het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW zet in op het bereiken van mensen die recht hebben op ondersteuning, maar daarvan nog geen gebruikmaken.
In welke mate heeft uw antwoord op de vorige vraag te maken met het mensbeeld dat elk individu zelf verantwoordelijk is om op de hoogte te zijn van alle regelingen waar iemand potentieel recht op heeft?
Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW is gebaseerd op onderzoek naar de oorzaken van het buiten beeld blijven van mensen die ondersteuning nodig hebben.5 Die oorzaken worden verdeeld in drie categorieën: oorzaken op het niveau van de regelgeving, oorzaken op het niveau van de uitvoering en oorzaken op het niveau van de burger. Proactieve dienstverlening richt zich op het wegnemen van oorzaken van niet-gebruik op het niveau van de uitvoering en op het niveau van de burger. Het richt zich op het persoonlijk informeren van mensen en het eenvoudiger kunnen aanvragen van uitkeringen en voorzieningen.
Bent u het met de SP eens dat juist de proactieve benadering maakt dat de kloof tussen overheid en burger wat verder gedicht kan worden? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
Bijvoorbeeld het onderzoek «Burgerperspectief proactieve dienstverlening» laat zien dat respondenten positief staan tegenover het terugdringen van niet-gebruik van inkomensondersteunende regelingen door de overheid. Wanneer de overheid de burger de hand reikt en tegemoetkomt, bevordert dit een gevoel van vertrouwen. Deze inzichten zijn verwerkt in het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW.6
Deelt u de mening dat óók de Belastingdienst de relevantie informatie moet delen met de gemeenten om de wet Proactieve Dienstverlening goed te laten functioneren? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet in op betere uitwisseling van gegevens om de dienstverlening te verbeteren. Voor fiscale gegevens is het daarnaast van belang dat deze niet zomaar gebruikt en gedeeld mogen worden vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht, zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 4. De Belastingdienst staat positief tegenover de verlening van medewerking aan proactieve dienstverlening, mits goed geregeld en indien verder is voldaan aan hetgeen wat verder onder vraag 4 is vermeld.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten wel de benodigde informatie krijgen zodat zij mensen die recht hebben op verschillende vormen van bijstand en inkomensondersteuning wel proactief kunnen benaderen?
Het wetsvoorstel en het ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW geven gemeenten nieuwe mogelijkheden om inwoners te bereiken die mogelijk recht hebben op uitkeringen en voorzieningen, zoals algemene bijstand. Mede afhankelijk van het verloop van de Kamerbehandeling kunnen die mogelijkheden worden uitgebreid.7 Zo kan aan dit wetsvoorstel een deugdelijke juridische grondslag worden toegevoegd voor gegevens van de Belastingdienst met een aanvulling op het ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW.
De Nederlandse overheid bespaart op dit moment naar schatting 1 miljard euro vanwege het niet uitkeren van de algemene bijstandsuitkering. Waar gebruikt het kabinet dit geld voor? Kunt u dit specifiek uiteenzetten?
De regel is dat realistisch wordt geraamd. Het gebruik van uitkeringen en voorzieningen wordt zo realistisch mogelijk ingeschat. De raming houdt rekening met het werkelijke gebruik in voorgaande jaren, de conjunctuur en met maatregelen, zoals proactieve dienstverlening, die kunnen leiden tot meer gebruik. Niet-gebruikte middelen zijn er daarom niet.
Welk belang weegt volgens u zwaarder, dat van fiscale geheimhouding of bestaanszekerheid? Leg uit waarom u dit vindt.
Fiscale geheimhouding en bestaanszekerheid sluiten elkaar niet uit. Bij de beoordeling of de fiscale geheimhouding doorbroken kan worden moet worden nagegaan of gegevensdeling noodzakelijk is om het voorgestelde doel te bereiken, zoals ook in het antwoord op vraag 4 aangegeven, en daarnaast of de verstrekking van gegevens over de fiscale positie van betrokkenen in verhouding staat tot het doel (proportionaliteit) en of er alternatieven zijn (subsidiariteit). Als hieraan is voldaan moet een deugdelijke wettelijke grondslag worden geregeld. Meer in het algemeen: zowel eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bestaanszekerheid zijn grondrechten en worden niet tegen elkaar afgewogen.
Door het niet mogelijk maken van het delen van informatie door de Belastingdienst aan de gemeenten, wordt zeer sterk de indruk gewekt dat u liever niet heeft dat mensen de bijstandsuitkering aanvragen. Erkent u dit? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is uw argumentatie om Nederlanders ervan te overtuigen dat hier geen sprake van is?
Voor nu is gekozen voor eenvoud, zodat mensen snel geholpen kunnen worden. Uitbreiding in de toekomst is mogelijk. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Afgelopen week diende ik tevens schriftelijke vragen in naar aanleiding van de verborgen datakluis met 64 miljoen dossiers. Ook in dit dossier houdt de Belastingdienst structureel relevante informatie achter. Wat maakt dat de Belastingdienst zoveel transparantie eist van haar burgers en dit zelf niet doet als dit onwelgevallig uit lijkt te komen?
Voor gedetailleerde informatie over de datakluis verwijst de Staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane naar de Kamerbrief van 15 april 2026 over het onderwerp8 en naar de antwoorden op de genoemde schriftelijke vragen.9 Dit staat los van de fiscale geheimhouding en van de fiscale informatieverplichtingen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het artikel Schatting RIVM: honderden sterfgevallen meer dan verwacht tijdens hitte vorige week |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de schatting van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat tijdens de hittegolf van eind juni 2026 ongeveer 480 mensen meer zijn overleden dan verwacht?1
Hoe beoordeelt u het feit dat er in één week honderden mensen, voornamelijk mensen van 80 jaar en ouder, zijn overleden als gevolg van extreme hitte? Deelt u de mening dat dit geen natuurverschijnsel is waar we ons bij neer moeten leggen, maar een falen van de bescherming van kwetsbare mensen?
Kunt u aangeven waarom de oversterfte juist in het oosten en zuiden van het land het hoogst was? In hoeverre speelt hierbij mee dat de zorg en het welzijnswerk in deze regio's onder druk staan door bezuinigingen en personeelstekorten?
Hoeveel van de overleden ouderen woonden zelfstandig thuis, en hoeveel in een verpleeghuis of andere zorginstelling? Bent u bereid dit door het RIVM te laten uitzoeken?
Erkent u dat het jarenlange beleid om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, in combinatie met het sluiten van verzorgingshuizen, ertoe heeft geleid dat veel kwetsbare ouderen tijdens een hittegolf alleen thuis zitten zonder toezicht, koeling of hulp bij het drinken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel verpleeghuizen en zorginstellingen in Nederland beschikken op dit moment niet over airconditioning of andere adequate koeling in de verblijfsruimten van bewoners? Bent u bereid hier een landelijke inventarisatie naar te doen?
Welke rol speelt de kwaliteit van woningen bij hittesterfte? Erkent u dat mensen met een laag inkomen vaker in slecht geïsoleerde woningen wonen die in de zomer veel te heet worden en dat hitte daarmee ook een kwestie van ongelijkheid is?
Bent u bereid om verhuurders te verplichten maatregelen tegen hitte te nemen?
Erkent u dat hittegolven door klimaatverandering vaker en heviger zullen voorkomen en dat structurele maatregelen dus noodzakelijk zijn?
Bent u bekend met onderzoeken waaruit blijkt dat wijken met lagere inkomens gemiddeld aanzienlijk warmer zijn dan rijkere wijken, doordat er minder groen, meer steen en asfalt en dichtere bebouwing is? Hoe beoordeelt u het feit dat juist de mensen met de minste middelen in de heetste wijken wonen?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat je portemonnee bepaalt hoe heet je wijk wordt en daarmee hoe groot je gezondheidsrisico is tijdens een hittegolf? Zo nee, waarom niet?
Is bekend of de oversterfte tijdens de afgelopen hittegolf hoger was in wijken met een lagere sociaaleconomische status? Bent u bereid het RIVM opdracht te geven de oversterfte uit te splitsen naar wijk en inkomensniveau, zodat duidelijk wordt waar de klappen vallen?
Welke gerichte rijkssteun is er op dit moment beschikbaar om de armste en heetste wijken af te koelen, bijvoorbeeld door vergroening, het planten van bomen, het vervangen van steen door groen en het aanleggen van schaduw en waterpartijen? Kunt u een overzicht geven van de beschikbare middelen en waar deze terechtkomen?
Erkent u dat gemeenten met veel kwetsbare wijken vaak juist de gemeenten zijn met de minste financiële ruimte, en dat zonder extra rijksmiddelen de vergroening van deze wijken niet van de grond komt? Bent u bereid een gericht fonds in te stellen voor het hittebestendig maken van de heetste, armste wijken, waarbij de wijken met de grootste hitteproblemen als eerste aan de beurt komen?
Hoeveel procent van de woningen in de armste wijken heeft toegang tot een koele buitenruimte, zoals een park of schaduwrijk plein, binnen loopafstand? Bent u bereid een norm in te voeren voor de maximale afstand tot koele, groene openbare ruimte, zoals ook wordt bepleit voor groennormen in de stad?
Bent u bereid om samen met gemeenten tijdens hittegolven gekoelde publieke ruimtes open te stellen in de heetste wijken zodat bewoners zonder airconditioning ergens terechtkunnen? Ziet u hierbij ook een rol voor de heropening van buurthuizen die de afgelopen jaren zijn wegbezuinigd?
Het bericht ‘‘Ontluisterend en illegaal’: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht ««Ontluisterend en illegaal»: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen»?1
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare de cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 6 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat mede met de ingevoerde maatregelen wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de individuele fiscale positie van belastingplichtige. In algemene zin geldt dat het enkele feit dat een onderneming activiteiten verricht in een land met een laag belastingtarief, intellectuele eigendomsrechten centraliseert of gebruikmaakt van kostendelingsarrangementen niet automatisch betekent dat er sprake is van belastingontwijking of onzakelijke verrekenprijzen. De beoordeling daarvan vindt plaats aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden, wet, beleid en regelgeving.
Heeft Shell de afgelopen 10 jaar winstbelasting betaald in Nederland? Zo ja, hoeveel en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Shell publiceert jaarlijks informatie over haar belastingpositie en belastingbijdragen in haar Annual Reports en Tax Transparency/Tax Contribution Reports.2 Op basis van artikel 67 AWR kan de Belastingdienst geen uitspraken doen over de betrouwbaarheid, volledigheid of fiscale juistheid van de in de door Shell gepubliceerde Tax Contribution Reports opgenomen informatie.
Was de Belastingdienst ervan op de hoogte dat Shell gebruik maakte van constructies waarbij er via grondstoftransacties winsten zijn verschoven naar de Bahama’s of via royalty’s naar Zwitserland?
In zijn algemeenheid geldt dat lichamen die tot dezelfde groep behoren verplicht zijn hun onderlinge transacties vorm te geven met inachtneming van het at arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt dat de voorwaarden en prijzen van transacties tussen gelieerde entiteiten niet afwijken van de voorwaarden en prijzen die tussen ongelieerde entiteiten zouden zijn overeengekomen in vergelijkbare omstandigheden. Het zou daarom in beginsel niet moeten uitmaken voor de te realiseren winst of een bepaalde transactie plaatsvindt tussen gelieerde entiteiten die deel uitmaken van een multinationaal concern of tussen entiteiten die niet aan elkaar gelieerd zijn. Door conform het arm’s-lengthbeginsel zakelijke prijzen te betalen aan de juiste entiteiten binnen het concern, krijgen de entiteiten die op basis van hun functies, activa en risico’s verantwoordelijk zijn voor de gecreëerde waarde van het product of dienst ook hun daarbij passende arm’s-lengthbeloning. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten.
In voorkomende gevallen kan toepassing van het arm’s-lengthbeginsel bijvoorbeeld betekenen dat een in Nederland gevestigd lichaam voor fiscale doeleinden wordt verondersteld rente te betalen indien onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden dit ook zouden doen. Dat kan leiden tot een neerwaartse aanpassing van de fiscale winst. Een dergelijke neerwaartse aanpassing van de fiscale winst kon tot 1 januari 2022 – vooral bij grensoverschrijdende transacties – leiden tot mismatches. Ingevolge de in de vennootschapsbelasting opgenomen maatregelen die volgen uit de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel welke met ingang van 1 januari 2022 in werking is getreden, merk ik het volgende op. De maatregelen in de vennootschapsbelasting die volgen uit deze wet bewerkstelligen dat bij de belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel wordt beperkt voor zover bij het andere lichaam dat bij de transactie betrokken is geen of een te lage corresponderende opwaartse aanpassing in de belastinggrondslag wordt betrokken. Deze maatregelen raken structuren met zogenoemde informele kapitaalstortingen en verkapte winstuitdelingen, en zijn ook van toepassing op bestaande onderlinge rechtsverhoudingen tussen een vennootschapsbelastingplichtige en een gelieerd lichaam. Met deze maatregelen worden mismatches door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel bestreden.
Is er sprake van illegale praktijken bij de methodes die Shell gebruikt om zo min mogelijk winstbelasting te betalen?
In het artikel worden bepaalde structuren en verrekenprijzen als «illegaal» en «onzakelijk» gekwalificeerd. Of daarvan in dit geval sprake is, kan slechts worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden.
Ook ten aanzien van royalty's, cost sharing arrangements en interne dienstverlening geldt dat de beoordeling afhankelijk is van uitgeoefende functies, gebruikte activa, gelopen risico's. In algemene zin geldt dat vennootschappen binnen een concern verplicht zijn hun onderlinge transacties vast te stellen op basis van het arm’s-lengthbeginsel. Zie voor verdere toelichting ook het antwoord op vraag 3.
Hoe reageert u op de uitspraak «Als Shell ten onrechte geen belasting betaalt in Nederland en de fiscus is daarvan op de hoogte, dan kan dat verboden staatssteun zijn»?
Om onder de definitie van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te vallen, moet er sprake zijn van een selectief voordeel voor een specifiek bedrijf dat afwijkt van de reguliere belastingwetgeving. Indien de reguliere belastingwetgeving (het zogenaamde referentiestelsel) is toegepast, kan geen sprake zijn van verboden staatssteun. Onder de normale belastingwetgeving valt in dat geval de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarvan ook het zakelijkheidsbeginsel een belangrijk onderdeel is.
Vindt u het acceptabel wanneer bedrijven die miljardenwinsten maken via belastingontwijking hun uiterste best doen om te voorkomen dat ook maar één cent daarvan ten goede komt aan de Nederlandse samenleving? Zo ja, waarom?
Ik acht het van belang dat alle belastingplichtigen, inclusief grote multinationale ondernemingen, belasting betalen overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving. Tegelijkertijd moet onderscheid gemaakt worden tussen illegale belastingontduiking, ongewenste belastingontwijking en situaties waarin de fiscale uitkomst voortvloeit uit de toepassing van geldende wet- en regelgeving. Nederland heeft de afgelopen jaren, zoals hiervoor is uiteengezet, veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen en dit kabinet zal zich blijven inzetten om belastingontwijking te bestrijden. Daarvoor verwijs ik graag naar de monitoringsbrief over de effecten van en de aanpak van belastingontwijking.3 De monitoringsbrief beschrijft ook de lopende inspanningen op dit dossier, mede in de internationale context.
Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.4 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»).
Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal is daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Deelt u de analyse dat belastingontwijking via constructies waarbij winsten worden verplaatst naar landen met een lagere winstbelasting door verschillende dochterbedrijven rekeningen aan elkaar te laten sturen (transfer pricing) een groot probleem is? Zo ja, wat bent u van plan te doen om ervoor te zorgen dat er minder winstbelasting wordt ontweken via transfer pricing? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel dat multinationals die miljardenwinsten maken dit soort schimmige methodes gebruiken om te voorkomen dat zij moeten bijdragen aan de Nederlandse samenleving?
Bij transfer pricing (verrekenprijzen) gaat het om de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Verrekenprijzen vervullen een belangrijke functie binnen het internationale belastingsysteem. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt te voorkomen dat het mogelijk is om via verrekenprijzen met winsten te schuiven en zo winstbelasting te ontwijken. Daarom bestaan er nationaal en internationaal regels die beogen te waarborgen dat winsten worden toegerekend overeenkomstig een juiste toepassing van het arm's-lengthbeginsel. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten. Daarnaast ondersteunt Nederland de internationale afspraken die binnen de OESO en andere internationale gremia worden ontwikkeld om winstverschuiving verder tegen te gaan.
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is wanneer een oliebedrijf als Shell door belastingontwijking geen winstbelasting betaalt in Nederland, terwijl hun klanten zich wel blauw betalen aan de pomp? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders van Shell meer belasting gaan betalen en mensen aan de pomp minder? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de brandstofprijs aan de pomp kan niet rechtstreeks worden vergeleken met de vennootschapsbelastingpositie van een onderneming. Voor het jaar 2027 heeft het kabinet opnieuw middelen gereserveerd voor een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen. Verder kan ik vanwege artikel 67 AWR geen uitspraken doen over specifieke bedrijven. Belastingheffing bij ondernemingen en accijnzen en btw op brandstoffen kennen een verschillende grondslag en doelstelling.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat belastingontwijking harder wordt aangepakt, waardoor bedrijven zoals Shell eindelijk wél winstbelasting gaan betalen in Nederland?
Zoals in de beantwoording van vraag 1 is uiteengezet zijn er in de afgelopen periode verschillende maatregelen genomen om belastingontwijking te bestrijden. Nederland is daar effectief in geweest, zoals blijkt uit de monitoringsbrief waar ik in de beantwoording eerder naar verwezen heb. Mede vanwege deze aanpak krijgt Nederland ook geen landenspecifieke aanbeveling meer van de Europese Commissie om belastingontwijking aan te pakken. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. In de volgende monitoringsbrief zal ik hier ook weer aandacht aan besteden.
Wat is de positie van Nederland ten opzichte van het initiatief van een groep Afrikaanse landen om te komen tot een mondiaal belastingverdrag?
Nederland steunt de doelstellingen achter het ontwikkelen van een VN-raamwerkverdrag over internationale belastingsamenwerking, namelijk het versterken van de inclusiviteit en effectiviteit van internationale belastingsamenwerking.5 Hiertoe zet Nederland zich in de onderhandelingen in voor een breed gedragen resultaat. De opzet van een raamwerkverdrag moet basisafspraken en een samenwerkingsstructuur bevatten. De huidige concepttekst van het VN-raamwerkverdrag bevat echter concrete afspraken waaronder afspraken die heffingsrechten verdelen over inkomen van burgers en bedrijven. De huidige opzet van het VN-raamwerverdrag is daarmee gericht op onderwerpen waaraan veel VN-lidstaten zich in een multilateraal raamwerkverdrag niet kunnen binden. Nederland staat daarom nog niet achter deze huidige opzet. De focus in de onderhandelingen op bindende afspraken over de verdeling van heffingsrechten kan resulteren in een raamwerkverdrag dat een groot aantal VN-lidstaten niet kan ondertekenen, waarmee de inspanningen de komende jaren tevergeefs zouden zijn. Om deze bezwaren weg te nemen, heeft Nederland samen met de andere EU-lidstaten een aantal voorstellen gedaan. De essentie van die voorstellen is dat de focus in het raamwerkverdrag gericht moet zijn op afspraken die breed worden gedragen. Alleen op die manier kan een groot deel van het VN-lidmaatschap een effectief raamwerkverdrag overeenkomen en tot een succes voor de praktijk maken. Deze voorstellen zijn vooralsnog niet overgenomen. In het vervolgproces ziet Nederland nog altijd ruimte voor een goede uitkomst en zal Nederland zich blijven inzetten om tot een breed gedragen raamwerkverdrag te komen. Dit project is overigens niet primair gericht op de bestrijding van belastingontwijking, al wordt er wel gewezen op het belang van bestrijding van onwettige geldstromen.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Uitkomsten van het rapport van accountantsbureau BDO |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 20 juli 2026: «Rapport weerspreekt «toevallige vondst» datakluis, ministerie ontkent kwade trouw1»?
Ja.
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 21 juli 2026: «Woede over verzwegen datakluis: «Wat is een parlementaire enquête nog waard2»?
Ja.
Het accountantskantoor BDO concludeert in zijn rapport dat de Belastingdienst onterecht de datakluis met miljoenen documenten over haar eigen fraudeaanpak buiten het zicht heeft gehouden van het parlement en toezichthouders. Wat vindt u hiervan?
Het BDO-rapport laat zien dat op basis van de uitgangspunten die zijn vastgesteld voor de levering van informatie aan de PEFD in 2022, de datakluis in de zoekslag betrokken had moeten zijn. Aangezien op dit moment nog niet duidelijk is wat de inhoud van de documenten in de datakluis is, is nu nog onduidelijk of deze documenten vervolgens relevant zijn om daadwerkelijk aan te leveren aan de PEFD. Het heeft onze prioriteit om op kortst mogelijk termijn op zorgvuldige wijze inzicht te geven in de exacte inhoud van de datakluis.
In het artikel van 20 juli is vermeld dat u er «op dit moment» niet van uitgaat dat er opzettelijk informatie is achtergehouden. Waarop baseert u dit uitgangspunt?
De inrichting van de datakluis is, zoals het BDO-rapport ook beschrijft, voortgekomen uit achterstand op het gebied van archiefbeheer en de AVG die tot deze als tijdelijk bedoelde oplossing hebben geleid. In het rapport komen geen aanwijzingen naar voren dat bij de levering aan de PEFD, of in andere onderzoeken, de datakluis bewust buiten beschouwing is gebleven met de bedoeling informatie achter te houden.
Uit het onderzoek van BDO blijkt dat de ambtelijke top deze afgeschermde kluis in liet 2019 maken voor alle documenten die niet aan de nieuwe privacywet (AVG) voldeden, om zo een hoge boete van de Autoriteit Persoonsgegevens te ontlopen. Wat vindt u van deze keuze van uw voorgangers? Heeft u er tijdens uw periode als bewindspersoon ook voor gekozen om een afgeschermde kluis op te zetten? Zo ja, wanneer?
Onze voorgangers hebben gehandeld met de inzichten en mogelijkheden die destijds beschikbaar waren. In onze periode zijn wij niet voor een dergelijke keuze komen te staan.
Bent u het ermee eens dat dit wel zeer sterk de indruk wekt dat de ambtelijke top deze documenten – waar tevens onbewerkte brondata in zaten van discriminerende fraudelijsten – bewust heeft willen verbergen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wij delen deze indruk niet. Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. De datakluis is indertijd als tijdelijke maatregel ingericht, met de bedoeling om de documenten in de kluis volgens geldende regels voor archiefbeheer te ordenen en te archiveren. Er is op dit moment geen zicht op de inhoud van de bestanden die in de datakluis zitten en veilig zijn gesteld van vernietiging.
Wel laat het BDO-rapport wat ons betreft zien dat de Belastingdienst te maken had met verouderde systemen, veel achterstallig werk, processen die niet goed werkten en onvoldoende op orde waren en dat er onvoldoende sensitief werd gewerkt.
Klopt het dat ambtenaren hebben gewaarschuwd? Klopt het dat deze waarschuwingen in de wind zijn geslagen? Kunt u alle onderliggende stukken die betrekking hebben op dit besluit naar de Kamer sturen?
Het klopt dat een medewerker van de Belastingdienst in juni 2022 in het kader van de PEFD tweemaal heeft gevraagd hoe wordt omgegaan met de datakluis. De laatste mail is opgenomen in de bijlage bij de kamerbrief van 10 juli 2026. Voor een volledig beeld treft u ook de eerste e-mail als bijlage bij deze beantwoording.
Uit het rapport van BDO blijkt dat er signalen zijn geweest over het bestaan van de datakluis. Dit zijn dezelfde signalen als waarvan ik in het voorgaande antwoord aangaf, dat het BDO-rapport noch de tijdlijn aanwijzingen bevat dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. BDO beveelt aan om onderzoek te doen naar signalen in het proces van informatievoorziening. In onze brief van 10 juli 2026 hebben wij genoemd dat wij deze aanbeveling onverkort overnemen. Wij willen deze signalen onafhankelijk onderzoeken, door het onderzoek en het opdrachtgeverschap daarvan, onafhankelijk te organiseren. Daarmee gaan we ervan uit dat we dit overzicht van signalen op een later moment aan uw Kamer kunnen verstrekken.
Ook blijkt dat er informatie van ouders in de kluis is gestopt omdat deze niet mocht worden gebruikt volgens de AVG. Wat vindt u hiervan?
Er zijn in dit stadium geen conclusies te trekken, omdat de inhoud van de datakluis nog wordt onderzocht. De datakluis werd gevuld met data afkomstig van netwerkschijven. Deze netwerkschijven betroffen een gedeelde werkomgeving waarop meerdere medewerkers bestanden kunnen opslaan en openen. Deze schijf bevat verschillende type documenten, zoals Word- en PDFdocumenten en PowerPointpresentaties. Deze schijf kan documenten bevatten die ongestructureerd zijn opgeslagen of waarvan de status niet te achterhalen is. De datakluis is niet gevuld vanuit de primair proces systemen. In primair proces systemen zijn fiscale- en toeslaggegevens van burgers en bedrijven opgeslagen. Er kan echter niet uitgesloten worden dat data uit een primair proces systeem is opgeslagen op een netwerkschijf en zodoende ook of als kopie alsnog in de datakluis terecht is gekomen.
Hoe kijkt u terug op uw eerdere verklaringen in mei, toen u verklaarde dat de datakluis «bij toeval» was ontdekt tijdens een opschoningsactie van de harde schijf? De documenten waren volgens u door een «technische fout in de zoeksoftware» ook onvindbaar geworden. Staat u nog steeds achter deze woorden, ondanks het feit dat het BDO-rapport dit tegenspreekt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken niet dat in mei 2026 door mij is gezegd dat de datakluis «bij toeval» is ontdekt. Ik verwijs hiervoor naar de handelingen van het twee minutendebat van 16 april 2026 met uw Kamer.
In 2017 waarschuwde Sandra Palmen als toenmalige Belastingdienst-jurist dat de fiscus intern onrechtmatig handelde bij ouders met kinderopvangtoeslag. Hoe kijkt u naar uw eigen handelen in uw huidige rol als Staatssecretaris ten aanzien van dit onrechtmatig handelen?
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Bent u het ermee eens dat het achterhouden van informatie over de fraudeaanpak raakt aan het vertrouwen van mensen in de overheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het vertrouwen van mensen in de overheid is gebaat bij een overheid die open en transparant handelt. Het achterhouden van informatie kan afbreuk doen aan dat vertrouwen. Het uitgangspunt blijft dat de regering tijdig, volledig en juist informeert en transparant communiceert over de afwegingen die daarbij worden gemaakt.
Dat er mogelijk relevante informatie in de datakluis in de afgelopen jaren niet is doorzocht bij leveringen van informatie aan onder andere de PEFD en daarmee uw Kamer, betreuren wij zeer. Met onze brief van 10 juli 2026 geven wij aan hoe relevante bestanden uit de datakluis zo snel, transparant en zorgvuldig mogelijk alsnog aan uw Kamer en aan burgers en bedrijven kunnen worden geleverd.
Het onderzoek geeft aan dat het Ministerie van Financiën al zes jaar aangaf dat de originele e-mails, spreadsheets en fraudelijsten (RAM, FSV en PIT) niet meer bestaan. Maar in de datakluis blijken nu zelfs de onbewerkte, historische brondata te zitten van de discriminerende selectiecriteria die de Belastingdienst gebruikte. Deze data werden zonder wettelijke basis, dus illegaal, gedeeld met andere overheidsinstanties en particuliere organisaties, zoals banken. Deelt u deze analyse? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het BDO-rapport is er een overzicht van de mappenstructuur van de datakluis. Er is echter nog geen volledige inventarislijst van de inhoud van de datakluis, omdat de datakluis nog niet volledig is geïndexeerd. Deze indexatie wordt op dit moment nog uitgevoerd. Na indexatie zal een inventarislijst worden opgesteld. Ook is nog onbekend of data uit de datakluis zijn gedeeld met andere partijen.
Of de door u genoemde informatie daadwerkelijk in de datakluis zit, zal moeten blijken uit de 3-sporen aanpak zoals we die in de Kamerbrief van 10 juli 2026 op hoofdlijnen hebben geschetst.
Weet u welke straf er staat op het achterhouden van informatie voor een parlementair ondervragingscommissie en een parlementaire enquête?
In artikel 192a van het Wetboek van Strafrecht is het opzettelijk niet voldoen aan een vordering tot inzage of het nemen van afschrift van documenten door een parlementaire enquêtecommissie strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Wat vindt u ervan dat er op het Toeslagendossier een patroon is van informatie achterhouden voor de Kamer? Welke stappen gaat u zetten om dit patroon te doorbreken?
De informatiehuishouding van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen was niet op orde en is dat momenteel ook nog niet volledig. Er zijn inmiddels diverse maatregelen genomen om hier verbeteringen in te realiseren. Denk hierbij aan bewustwording binnen deze diensten over de juiste manier van omgaan met informatie, betere ICT ondersteuning voor document- en archiefbeheer en regelmatige beoordelingen van ontwikkelingen rondom informatiehuishouding en zo nodig aanpassing van processen. Met het programma Informatie op Orde worden de Wet open overheid en de Archiefwet verder geïmplementeerd bij de Belastingdienst. Het streven is om de informatiehuis-houding bij de Belastingdienst per 2026 naar een hoger volwassenheidsniveau te brengen.
Wat zijn volgens u de regels rondom het vertrekken van informatie aan de Kamer? Bent u het ermee eens dat het achterhouden van deze informatie het de Kamer onmogelijk maakt haar controlerende taak uit te voeren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In artikel 68 van de Grondwet is de inlichtingenplicht opgenomen. Naast een passieve inlichtingenplicht wordt ook een actieve inlichtingenplicht onderscheiden. Wij zijn ons terdege bewust van deze inlichtingenplicht en daarom is het te allen tijde ons streven om daaraan te voldoen. Juist ook omdat de inlichtingenplicht voortvloeit uit de verantwoordingsplicht voor Ministers en Staatssecretarissen die in het parlementaire stelsel ligt besloten. Als blijkt dat inlichtingen ten onrechte (toch) niet aan uw Kamer zijn verstrekt, dan zal dat alsnog gebeuren. Het tijdig, juist en volledig informeren van uw Kamer staat voor ons voorop.
Hoe reflecteert u op uw eigen handelen in dit dossier het afgelopen jaar?
Het afgelopen jaar is ingezet op het zorgvuldig voortzetten van de hersteloperatie kinderopvangtoeslagaffaire, de informatievoorziening aan ouders en aan uw Kamer verder te verbeteren en knelpunten waar mogelijk weg te nemen.
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Welke gevoelens roept het bij u op dat ouders tot in de miniemste details informatie verstrekken, terwijl de Belastingdienst zelf een kluis met 64 miljoen documenten verborgen heeft gehouden? En welke gevoelens roept dit volgens u op bij deze ouders?
Het is begrijpelijk dat de berichtgeving over de datakluis ouders raakt en mijn aandacht gaat altijd uit naar de getroffen ouders. Daarom wordt er blijvend ingezet op een zorgvuldige en volledige afhandeling van informatieverzoeken en het verbeteren van de informatiehuishouding. Het uitgangspunt is en blijft dat ouders recht hebben op een zo volledig mogelijke inzage in de informatie die op hun situatie betrekking heeft, binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders. Daarbij willen wij benadrukken dat herstel- en compensatiekaders worden gevormd door gebeurtenissen en gevoelens uit iemands levens. Dit staat niet in documenten. De hersteloperatie gaat uit van het verhaal van ouders. Het in de vraagstelling gesuggereerde beeld dat ouders «tot in de minieme details» informatie moeten verstrekken wordt niet herkend.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Oliebedrijven en raffinaderijen die extra winsten (overwinsten) maken tijdens de Iran-oorlog |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het AD, gepubliceerd op 20 juli 2026: «Marktwaakhond zet prijsopbouw van benzine en diesel online, zoveel verdienen raffinaderijen per liter»?1
Volgens de Autoriteit Consument en Markt (ACM) hebben de hogere brandstofprijzen geleid tot overwinsten bij olieproducenten. Vindt u deze overwinsten acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De ACM geeft aan dat de winstmarge van oliebedrijven en raffinaderijen hoger ligt dan vóór de oorlog in Iran. Hoe verklaart u dit?
Bent u het ermee eens dat de automobilist en consumenten via hogere transportkosten de prijs betalen voor de hoge winsten van oliebedrijven en raffinaderijen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de automobilist lagere prijzen aan de pomp zou kunnen betalen, mits daar politiek toe wordt besloten? Zo ja, hoe zou dit volgens u het beste kunnen? Zo nee, waarom niet?
Wat maakt dat u deze overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen niet méér belast dan nu het geval is? Wat maakt dat u nog niet over bent gegaan tot het invoeren van een overwinstbelasting zoals u eerder aangaf te overwegen wanneer onderzoek zou uitwijzen dat er sprake zou zijn van overwinsten?
Deelt u de mening dat de belasting op de overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen omhoog moet om voor financiële verlichting te zorgen aan de pomp? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het belangrijker dat oliebedrijven gigantische winsten maken of dat de automobilist een acceptabele prijs aan de pomp betaalt?
Op 13 juli 2026 kostte een liter benzine aan een Nederlandse pomp gemiddeld 2,27 euro. Daarvan ging 0,40 euro naar btw en 0,85 euro naar accijns. Vindt u het rechtvaardig dat een automobilist in Nederland veel meer btw en accijns aan de pomp betaalt dan in andere Europese landen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de komende weken een overwinstbelasting voor oliebedrijven en raffinaderijen in te voeren? Zo ja, per wanneer? Zo niet, waarom niet?
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Het artikel uit de Volkskrant: ‘Minima in Amsterdam krijgen 85 euro extra steun, een paar kilometer verderop is het 1050 euro’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Volkskrant: «Minima in Amsterdam krijgen 85 euro extra steun, een paar kilometer verderop is het 1.050 euro»?1
Ja.
Deelt u de mening dat in Nederland de bestaanszekerheid van mensen niet postcode-afhankelijk mag zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja waarom wel?
Ja. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord vindt het kabinet het van belang dat mensen kunnen rondkomen ongeacht hun postcode. In de voortgangsbrief over de hervormingsagenda inkomensondersteuning die op 9 juli jl. aan uw Kamer is aangeboden, is toegelicht dat het kabinet streeft naar een toereikend en toegankelijk stelsel voor het sociaal minimum dat naadloos aansluit op alle andere regelingen in de sociale zekerheid.
De individuele Inkomenstoeslag kan tussen gemeenten honderden euro’s per maand per persoon schelen. Is dit volgens u acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en wat zou volgens u wel een acceptabel verschil zijn?
Het is een bewuste keuze geweest om gemeenten binnen de kaders van de wet ruimte te geven voor een eigen invulling van hun minimabeleid. Het is daarmee onvermijdelijk dat verschillen optreden tussen gemeenten. Deze verschillen zitten zowel in de verschillende regelingen die gemeenten aanbieden als in de voorwaarden die aan deze regelingen verbonden zijn. Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten in de uitkomst van de ondersteuning zijn hierbij niet wenselijk. In het coalitieakkoord is daarom de ambitie opgenomen om in overleg met gemeenten te werken aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. Dit maakt voor mensen het aanbod en de aanvraag van regelingen overzichtelijker.
Omdat de Individuele Inkomenstoeslag onderdeel uitmaakt van het hele palet aan maatregelen die gemeenten in samenhang kunnen inzetten in hun minimabeleid is het niet wenselijk om uitspraken te doen over acceptabele verschillen tussen gemeenten op basis van één regeling, zonder het bredere minimabeleid te kennen waarin de verschillen tot stand zijn gekomen. Zo wordt in het artikel gesproken over de gemeente Amsterdam die een lage Individuele Inkomenstoeslag toekent, maar bijvoorbeeld een uitgebreide Stadspas kent en de gemeente Diemen die een hoge Individuele Inkomenstoeslag verstrekt, maar geen Stadspas heeft.
Bent u het eens met de voorzitter van de Commissie Sociaal Minimum dat minima gelijk behandeld moeten worden, ongeacht hun woonplaats? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals is aangegeven in het coalitieakkoord vindt het kabinet het van belang dat er een basisniveau komt van aanvullende gemeentelijke regelingen. Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten zijn hierbij niet wenselijk. Bij het vormgeven van het basisniveau wil het kabinet wel nadrukkelijk oog houden voor gemeentelijke beleidsvrijheid en de mogelijkheden voor maatwerk op lokaal niveau.
Waarom heeft u sinds het advies van deze Commissie drie jaar geleden, nog geen concrete stappen gezet hierop?
Het kabinet heeft in de afgelopen periode stappen gezet om het gemeentelijk armoedebeleid te verbeteren en te vereenvoudigen, in lijn met de aanbevelingen van de commissie Sociaal Minimum. In de eerste voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden, die de Minister van SZW op 10 maart jl. aan uw Kamer heeft aangeboden, is beschreven welke stappen in de afgelopen periode zijn gezet om te komen tot beter en eenvoudiger armoedebeleid. Zo heeft Divosa op verzoek van de VNG een verkenning gedaan om te komen tot toegankelijker en effectiever gemeentelijk armoedebeleid, heeft SZW in een ambtelijke exercitie verkend welke regelingen beter landelijk kunnen worden uitgevoerd of worden geharmoniseerd en hebben Nibud en KWIZ een analyse gemaakt van de effectiviteit van het gemeentelijk armoedebeleid. Deze verkenningen worden betrokken bij de uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord om te komen tot vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. Met de VNG wordt gesproken over verbetering en vereenvoudiging van het armoedebeleid, inclusief de lokale basisdienstverlening. De intentie is om hierover bestuurlijke afspraken te maken.
Bent u het met de SP en de onderzoekers van het Instituut voor Publieke Economie eens dat deze inkomenstoeslag landelijk en uniform verstrekt zou moeten worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook in het antwoord op vraag 3 is aangegeven maakt de Individuele Inkomenstoeslag onderdeel uit van het hele palet aan maatregelen die gemeenten in samenhang kunnen inzetten in hun minimabeleid. Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten in de uitkomst van de ondersteuning zijn hierbij niet wenselijk. Een landelijke en uniforme verstrekking van de individuele inkomenstoeslag past echter op dit moment niet bij de ruimte die gemeenten hebben bij de invulling van hun minimabeleid.
De Individuele Inkomenstoeslag vormt bij uitstek het instrument om op individueel niveau iets te betekenen voor mensen die langdurig niet kunnen werken. Dit zijn vaak mensen zonder of met een beperkt arbeidsvermogen. Zij zijn niet in staat om een inkomen te verdienen waarmee zij onafhankelijk worden van de bijstand en hebben daarmee geen perspectief op een betere situatie.2 Ik ben aan het onderzoeken hoe ik deze groep mensen binnen de kaders van de Participatiewet tegemoet kan komen in de inkomensondersteuning. Ik verken of en op welke wijze de Individuele Inkomenstoeslag daarbij een passende rol kan spelen.
Deelt u ook de mening dat de duur voordat de inkomenstoeslag toegekend wordt, die tevens enorm kan verschillen per gemeente, overal gelijk zou moet zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 6.
Hoe kan het volgens u dat de verschillen tussen gemeenten dermate groot kunnen zijn terwijl de duur en laagte van het inkomensniveau van mensen hetzelfde zijn? Heeft dit volgens u te maken met de onvoldoende middelen en geld die sommige gemeenten hebben om meer of eerder inkomenstoeslag toe te kennen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de eerdere antwoorden ook is aangegeven maakt de Individuele Inkomenstoeslag onderdeel uit van het hele palet aan maatregelen die gemeenten in samenhang kunnen inzetten in hun minimabeleid. Gemeenten worden niet apart gefinancierd voor de Individuele Inkomenstoeslag. Ze worden via het gemeentefonds gefinancierd voor een breed takenpakket en ze kunnen daarbinnen keuzes maken over hoe ze de beschikbare middelen willen inzetten. Ook kan een gemeente ervoor kiezen om eigen middelen in te zetten voor het beleid dat ze voert.
Bent u het met de SP en de onderzoekers eens dat deze grote verschillen tussen gemeenten het vertrouwen in de overheid schaadt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten zijn niet wenselijk. Ook is het niet wenselijk dat het ondersteunende stelsel erg ingewikkeld is waardoor mensen niet weten waar ze aan toe zijn. In het coalitieakkoord is daarom de ambitie opgenomen om in overleg met gemeenten te werken aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen.
Deelt u de mening dat inwoners van gemeenten die recht hebben op de individuele inkomenstoeslag, automatisch benaderd moeten worden door de betreffende gemeente dat zij hier recht op hebben? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bij de wetsbehandeling van het wetsvoorstel Participatiewet in Balans is een amendement van de leden Lahlah en Van Kent aangenomen dat ambtshalve toekenning van de Individuele Inkomenstoeslag mogelijk maakt. Dit onderdeel treedt op 1 januari 2027 in werking. Dit betekent dat gemeenten, als alle benodigde gegevens aanwezig zijn, de toeslag kunnen verstrekken zonder dat er een aanvraag nodig is. Dit helpt om het niet-gebruik van de Individuele Inkomenstoeslag terug te dringen.
Welke concrete maatregelen gaat u binnen de komende drie maanden nemen om de verschillen tussen gemeenten te verkleinen en het recht op inkomensondersteuning voor mensen met een laag inkomen te verbeteren?
In de Kamerbrief over de voortgang van de hervormingsagenda inkomensondersteuning van 9 juli jl. is aangegeven welke stappen het kabinet wil zetten om te komen tot vereenvoudiging van het stelsel van inkomensondersteuning. Hierbij is onder meer het wetsvoorstel proactieve dienstverlening van belang dat bijdraagt aan het tegengaan van niet-gebruik van uitkeringen en andere sociale voorzieningen. Het kabinet kijkt uit naar de plenaire behandeling van het wetsvoorstel.
Daarnaast gaat het kabinet, mede op basis van de eerdergenoemde verkenningen, in gesprek met VNG en Divosa om invulling te geven aan het voornemen uit het coalitieakkoord om te komen tot een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. Inzet is om te komen tot bestuurlijke afspraken over het vereenvoudigen en verbeteren van het gemeentelijk armoedebeleid. In de volgende voortgangsrapportage over het Nationaal Programma Armoede en Schulden (eind 2026) zal het kabinet nader ingaan op de stand van zaken.
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
De NVWA is geïnformeerd dat in Nederland speelgoed te koop zou zijn dat in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is teruggeroepen omdat het asbest bevatte. Op dat moment was nog niet bekend of de in Nederland verkochte productbatches asbest bevatten, en zo ja, in welke concentratie.
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Op dit moment is er onvoldoende aanleiding om dit speelgoed door NVWA van de markt te laten halen. Meer informatie hierover staat bij het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Ja, dat klopt. NVWA kan alleen afdwingen dat producten uit de handel worden gehaald als aan bepaalde voorwaarden van bemonstering en onderzoek is voldaan. Dit betekent dat de NVWA altijd van eigen onderzoek uitgaat bij handhavende acties.
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Het kabinet deelt dat producten die mogelijk niet aan de wettelijke veiligheidseisen voldoen snel moeten worden beoordeeld waarna, indien nodig, maatregelen worden getroffen. Tegelijkertijd moet een toezichthouder kunnen vaststellen dat daadwerkelijk sprake is van een overtreding voordat handhavend kan worden opgetreden.
De NVWA beschikt op dit moment niet over onderzoeksrapporten van zichzelf of van andere toezichthouders op grond waarvan zij kan optreden. De in het krantenartikel beschreven onderzoeksresultaten zijn afkomstig van onderzoek door derden en vormen een indicatieve aanwijzing, maar zijn op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen of een product niet aan de wettelijke eisen voldoet.
Voor het bepalen van de hoeveelheid asbest in speelzand, volgt de NVWA de aanbevelingen van TNO. Uit het onderzoek van TNO blijkt dat, om handhavend op te kunnen treden naast een indicatieve bepaling volgens NEN 5896 ook vervolgonderzoek volgens VDI 3866 (Blatt2 nodig is om de exacte hoeveelheid asbest vast te stellen. Die exacte hoeveelheid is van belang om te beoordelen of deze producten wel of niet voldoen aan de wettelijke eisen. Zonder deze kennis is handhaven niet mogelijk.
Bovendien blijkt uit de gezondheidskundige risicobeoordeling van het RIVM en het advies van Buro dat het gezondheidsrisico van speelzand dat voldoet aan de wettelijke eisen verwaarloosbaar is. Alleen bij jarenlang intensief spelen met speelzand dat niet aan de wettelijke limiet voor asbest voldoet, is er mogelijk een gezondheidsrisico. Daarbij is uitgegaan van het meest ongunstige scenario van jarenlange, dagelijkse blootstelling.
In het in het AD beschreven artikel betreft het speelgoed waarbij het speelzand is ingesloten. Alleen wanneer het product beschadigd raakt en het zand (gedeeltelijk) vrijkomt, is er eenmalig contact met het zand. De blootstelling is daarmee zo beperkt dat er geen reden is tot zorg. Op basis van de huidige inzichten bestaat daarom geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van een direct gezondheidsrisico.
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Ja. De NVWA houdt steekproefsgewijs en risicogericht toezicht en treedt op als bedrijven zich niet aan de regels houden en er een vermoeden is van risico.
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Ja. 100% veiligheid is niet te garanderen. De verantwoordelijkheden binnen het stelsel zijn duidelijk belegd. Producenten, importeurs en distributeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Toezichthouders, waaronder de NVWA, houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen (zie antwoord op vraag3. Deze combinatie van productverantwoordelijkheid en toezicht vormen de basis van het Europese productveiligheidsstelsel. Bovendien worden in de nieuwe Europese speelgoedverordening, die deels al van kracht is, de verantwoordelijkheden en taken voor de marktdeelnemers nog duidelijker beschreven. Ook binnen Europa wordt deze verantwoordelijkheidsverdeling ondersteund.
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
NVWA verricht steekproefsgewijs en risicogericht productonderzoek, ook naar asbest in speelzand. Waar nodig wordt er handhavend opgetreden.
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Nederland heeft actief deelgenomen aan de discussies op Europees niveau binnen de Working Group on chemicals in toys4 van de Expert Group on Toy Safety5. Tijdens vergaderingen in februari en mei 2026 zijn de onderzoeken, resultaten en gezondheidskundige risicobeoordelingen, die zijn uitgevoerd door verschillende Europese lidstaten, bediscussieerd. Hierbij werd onder andere en met grote belangstelling uitgebreid stilgestaan bij het onderzoek van TNO6 naar geschikte analysemethodes voor het bepalen van asbest in speelzand en de gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door RIVM7. Het nauwkeurig bepalen van (kleine hoeveelheden) asbest is van groot belang voor het uitvoeren van een goede risicobeoordeling. Dit alles heeft geleid tot de publicatie van de «Market surveillance notes on asbestos in toy sands»8 op de website van de Europese Commissie. Hierin is onder andere vastgelegd welke analysemethoden bij voorkeur worden gebruikt voor het bepalen van asbest in speelzand, zodat de resultaten tussen lidstaten beter vergelijkbaar zijn.
Daarnaast lopen op dit moment in verschillende landen nog onderzoeken naar de mate waarin tijdens het spelen met speelzand asbestvezels kunnen vrijkomen (zie bijvoorbeeld Asbest in Spielsand: Weitere Daten für Risikobewertung erforderlich – BfR9 en RAG_Risk Assessment_Asbestos_play sand_update June 202610). Deze gegevens worden gebruikt om met name de gezondheidskundige risicobeoordeling verder te verfijnen.
Het kabinet heeft het RIVM gevraagd te adviseren over een passende aanscherping van de grenswaarde. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek, zal worden bezien welke vervolgstappen Nederland in Europees verband zal voorstellen.
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Het kabinet onderschrijft dat het voorkomen dat verontreinigde producten op de markt komen de voorkeur heeft boven het achteraf moeten ingrijpen. In feite wordt het probleem nu al bij de bron aangepakt: de fabrikant (als deze binnen de EU is gevestigd) of importeur (wanneer de fabrikant buiten de EU is gevestigd) mag alleen veilige producten op de EU-makt brengen. Dit geldt van grondstof tot eindproduct en alles wat daar tussen zit. De fabrikant of importeur zijn er verantwoordelijk voor dat producten voldoen aan de geldende wettelijke eisen voordat deze op de markt worden gebracht en moeten dit desgevraagd kunnen aantonen, met bijvoorbeeld certificaten. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen en kan, wanneer marktdeelnemers niet aan de wettelijke eisen voldoen, handhavend optreden. Tegelijkertijd kunnen door internationale handelsstromen niet alle producten vooraf worden gecontroleerd. Daarom bestaat het productveiligheidsstelsel uit een combinatie van bronverantwoordelijkheid, Europese regelgeving, risicogericht markttoezicht en – indien nodig – maatregelen zoals waarschuwingen en terugroepacties. Deze instrumenten vullen elkaar aan om risico's voor consumenten zoveel mogelijk te beperken.
Ook het toezicht aan de buitengrenzen van de Europese Unie draagt hieraan bij. De Douane voert hiervoor risicogerichte controles uit op goederen uit derde landen en werkt hierbij nauw samen met de andere marktoezichthouders.
Daarnaast wordt met de nieuwe speelgoedverordening, die al deels van kracht is, vanaf 2030 een digitaal productpaspoort voor speelgoed geïntroduceerd. Hierin moet bijvoorbeeld ook een conformiteitsverklaring worden toegevoegd. Dit maakt het voor toezichthouders in de toekomst mogelijk om op grote schaal (automatisch) te controleren of producten voldoen aan de Europese regelgeving en ondersteund daarmee effectiever toezicht.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
De verantwoordelijkheid hiervoor is via wetgeving neergelegd bij producenten, importeurs en distributeurs. Zij moeten ervoor zorgen dat producten die zij op de markt brengen voldoen aan de veiligheidseisen. De NVWA houdt risicogericht toezicht op de veiligheid van speelgoed en bepaalt als onafhankelijke toezichthouder waar de grootste risico's liggen en hoe de beschikbare toezichtcapaciteit wordt ingezet. Naar aanleiding van de bevindingen over asbest in speelzand is asbest opgenomen in het reguliere toezicht. Dit betekent dat binnen het monsternameprogramma periodiek steekproeven worden uitgevoerd om speelzand op de aanwezigheid van asbest te controleren. Wanneer daar aanleiding toe bestaat, kan de NVWA handhavend optreden.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op grond van de REACH-verordening op het verbod op handelingen met asbest en asbesthoudende producten. Wanneer signalen of incidenten daartoe aanleiding geven, werken de betrokken toezichthouders samen en worden passende maatregelen genomen. Daarnaast wordt voortdurend bezien of de beschikbare toezichtinstrumenten en de informatiepositie voldoende aansluiten bij nieuwe risico’s, waaronder risico’s die ontstaan door internationale handelsstromen. De Douane ondersteunt het toezicht door risicogerichte controles uit te voeren op goederen die vanuit derde landen worden ingevoerd.
Daarnaast wordt, zoals in vraag 10 aangegeven, de nieuwe Europese Speelgoedverordening gefaseerd ingevoerd. Deze introduceert onder meer een digitaal productpaspoort voor speelgoed, waardoor het voor toezichthouders eenvoudiger wordt om de conformiteit van producten te controleren en niet-conforme producten sneller te signaleren.
Het bericht ‘Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend»?1
Ja.
Welke signalen heeft u de afgelopen jaren gekregen waaruit blijkt dat het platformwerk op Schiphol een risico voor de gezondheid van werknemers oplevert? Wat heeft u gedaan met deze signalen?
In 2021 bracht Zembla de uitzending «Ziek van Schiphol» uit. Hierin werd aandacht gevraagd voor werknemers die werken met gevaarlijke stoffen op Schiphol, met name dieselmotoruitstoot (DME), kerosinemotoruitstoot (KME, ook vaak aangeduid als vliegtuigmotoruitstoot) en ultrafijnstof. Eind 2021 heeft de FNV een handhavingsverzoek ingediend bij de Nederlandse Arbeidsinspectie. Het verzoek was om bij Schiphol onderzoek te doen naar en te handhaven op de blootstelling aan uitlaatgassen en de arbozorgverplichtingen. De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van het verzoek van de FNV een handhavingstraject ingezet. Over het toezicht van de Arbeidsinspectie op Schiphol is uw Kamer eerder geïnformeerd, onder andere in de brief van 28 januari 2025.2
Mijn ministerie is verantwoordelijkheid voor het arbeidsomstandighedenstelsel. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid heb ik verschillende stappen gezet:
Schiphol en de werkgevers op Schiphol zijn op grond van de Arbeidsomstandighedenwet primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven. Schiphol heeft een plan van aanpak opgesteld voor het gezond en veilig werken met DME en KME. Schiphol geeft hier samen met de andere werkgevers op het terrein uitvoering aan. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Ook het Ministerie van IenW zet zich in voor het stimuleren van het duurzaam taxiën, voor zover dit technisch mogelijk is. In het Akkoord Duurzame Luchtvaart (2018) hebben de overheid en luchtvaartsector zich gecommitteerd aan de ambitie om duurzaam taxiën in 2030 de standaardprocedure te laten zijn voor het gehele luchthaventerrein. Deze ambitie staat ook in de Luchtvaartnota 2020–2050. De luchtvaartsector heeft in dit kader al verschillende stappen gezet. Zo wordt sinds mei de eerste elektrische taxibot op Schiphol ingezet. Later dit jaar volgen nog drie additionele elektrische taxibots, waardoor de inzet kan worden uitgebreid naar meer vliegtuigtypes. De implementatie is echter complex. Technische, operationele en infrastructurele beperkingen maken dat nog niet bij alle vliegtuigtypen, niet voor alle startbanen en niet op alle opstelposities taxitowvoertuigen ingezet kunnen worden. De sector werkt hard aan deze uitdagingen om waar mogelijk verdere opschaling te realiseren.
Deelt u de conclusie van de Gezondheidsraad dat werknemers beter beschermd moeten worden tegen beroepsmatige blootstelling aan kerosinemotoremissie?
De Gezondheidsraad concludeert dat er voldoende bewijs is om te veronderstellen dat het mengsel KME kankerverwekkend is (classificatie categorie 1B). Werkgevers zijn op basis van de Arbowetgeving verplicht om blootstelling aan kankerverwekkende stoffen te minimaliseren, voor zover dat technisch mogelijk is. RIVM heeft in 20245 al aangetoond dat er verschillende kankerverwekkende stoffen in KME zitten. Voor deze stoffen gold de minimalisatieverplichting al. Het Gezondheidsraadadvies verduidelijkt dat de genoemde minimalisatieverplichting ook voor het mengsel KME geldt. In mijn brief van 2 juli 20266 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het Gezondheidsraadadvies over KME.
De Gezondheidsraad beoordeelt uitsluitend de eigenschappen van stoffen en mengsels. De beoordeling van de blootstelling op de werkplek en de getroffen beheersmaatregelen valt onder de verantwoordelijkheid van werkgevers. Schiphol en de werkgevers op het terrein zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven en het minimaliseren van de blootstelling aan DME en KME binnen de kaders van de Arbowetgeving. Schiphol heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld en werkt samen met de andere werkgevers aan de uitvoering hiervan. De Arbeidsinspectie houdt hier toezicht op.
Gaat u op korte termijn extra beschermende maatregelen nemen om medewerkers preventief te beschermen tegen kerosinemotoremmissie zolang het onderzoek van het RIVM loopt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Het treffen van beschermende maatregelen is de verantwoordelijkheid van Schiphol en de werkgevers op het terrein. Zij zijn op basis van de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving verplicht om de beroepsmatige blootstelling aan DME en KME zo snel mogelijk te minimaliseren, voor zover dit technisch mogelijk is. De luchtvaartsector heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld. De maatregelen die daarin worden genoemd zijn bijvoorbeeld het elektrificeren van het grondmaterieel en vliegtuigvoorzieningen, het minimaliseren van het gebruik van de hulpmotor (APU) en het stimuleren van duurzamer taxiën. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Bereidt u naar aanleiding van het rapport van de Gezondheidsraad en zolang het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) loopt andere maatregelen voor? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Ja. Op basis van het Gezondheidsraadadvies neem ik het mengsel KME op in de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen en processen. Deze lijst is een hulpmiddel voor werkgevers en werknemers. De lijst bevat alle stoffen en processen die als kankerverwekkend geclassificeerd zijn. En alle stoffen en processen die geclassificeerd zijn als «schadelijk voor de voortplanting» (reprotoxisch) en «beschadigend voor het erfelijk materiaal» (mutageen).
Daarnaast zet ik mij in voor een Europese classificatie voor het mengsel KME. Mijn doel is om een gelijk speelveld voor werkgevers en een eenduidig beschermingsniveau voor werknemers in de hele EU te realiseren.
Tot slot blijf ik in mijn gesprekken met Schiphol het belang van een gezonde en veilige werkomgeving benadrukken.
Gaat u de Nederlandse Arbeidsinspectie zo lang het onderzoek van het RIVM loopt vragen om vaker te controleren bij het platformwerk op Schiphol? Zo nee, waarom niet?
In lijn met de aanwijzingen van de Minister-President over rijksinspecties is de Arbeidsinspectie onafhankelijk en gaat zij zelf over haar werkwijze. De Arbeidsinspectie heeft al meerdere toezichtprojecten lopen op Schiphol, ook ten aanzien van het werk op de platforms.
Bent u bereid te onderzoeken of (voormalige) Schipholmedewerkers die mogelijke gezondheidsschade hebben opgelopen in aanmerking kunnen komen voor compensatie, eventueel via de werkgever? Zo nee, waarom niet?
Het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:658, lid 2) regelt dat de werkgever een zorgplicht heeft voor zijn werknemers. Het schadeverhaal bij beroepsziekten loopt via het civiele aansprakelijkheidsrecht. Daarmee is het een zaak tussen werknemers en werkgevers. De werknemer die ziek is geworden door het werk kan de werkgever hiervoor aansprakelijk stellen en zo in aanmerking komen voor een schadevergoeding.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Werknemers vallen volgens de vakbond bijna flauw op de werkvloer’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Werknemers vallen volgens de FNV bijna flauw op de werkvloer. Welke rechten hebben ze?»?1
Ja, ik ben op de hoogte van de inhoud van dit artikel.
Bent u het met de FNV eens dat het een slechte zaak is dat er in het Arbobesluit alleen staat dat de temperatuur op de werkplek «niet nadelig» mag zijn voor de gezondheid van de werknemer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Ja. Ik ben het hierover eens met de FNV.
De Arbeidsinspectie heeft in 2023 een verkenning uitgevoerd naar hittestress. In deze verkenning wijst de Arbeidsinspectie erop dat artikel 6.1 van het Arbobesluit alleen de factor temperatuur benoemt en niet ingaat op factoren als luchtvochtigheid, luchtverplaatsing en straling. Dit kan ertoe leiden dat bij werkgevers andere relevante (bron)maatregelen niet of minder snel in beeld komen. In de reactie hierop in de Verzamelbrief van 18 juni 20242 wordt dit bevestigd. Het gaat hier om onderliggende factoren die beïnvloeden wat het effect is van de temperatuur op de werkplek op de gezondheid. Een werkgever moet deze factoren wel in beschouwing nemen. De regelgeving zal daarom op dit punt worden verduidelijkt, door in artikel 6.1 op te nemen dat werkgevers bij het nemen van (bron)maatregelen ook rekening moeten houden met factoren als de luchttemperatuur, de luchtvochtigheid, de stralingstemperatuur en de luchtsnelheid. Hieraan wordt momenteel gewerkt.
Welke misstanden heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie de afgelopen vijf jaar geconstateerd rond werken in de hitte?
De Arbeidsinspectie voerde in 2023 een verkenning uit naar hittestress. Deze verkenning was op basis van 28 inspecties in risicosectoren. Het onderzoek geeft als indicatief beeld dat werkgevers en werknemers zich grotendeels bewust zijn van de negatieve gevolgen van werken onder hoge buitentemperaturen en van de blootstelling aan Uv-straling. Ongeveer twee derde van de werkgevers geeft aan beleid of afspraken te hebben, meestal in de vorm van een hitteplan of een hitteprotocol, met maatregelen als drinkpauzes en tropenroosters. Wel ontbreekt het soms aan kennis om het risico op hittestress goed vast te stellen of is er sprake van een verouderde of onvolledige Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E).
Arbo in Bedrijf 2024–20253 kijkt breder naar alle bedrijven, dus niet alleen naar risicosectoren. Daarin wordt geconstateerd dat het risico «werken in warme omstandigheden» buiten bij 10 procent van de bedrijven aanwezig is en binnen bij 13%. Bij 16% van de bedrijven waar het risico aanwezig is, is dit niet adequaat beheerst. Als het risico aanwezig is, hebben werkgevers in 95% van de gevallen wel één of meer maatregelen getroffen, waarvan 49% aan de bron, 53% technisch, 72% organisatorisch en 67% persoonlijk.
Hoeveel bedrijven komt de Nederlandse Arbeidsinspectie tegen waar helemaal geen hitteplan is geformuleerd?
Op grond van de Arbowet moeten werkgevers zorgen voor een veilige en gezonde werkplek. Daarbij mag de temperatuur op de werkplek niet nadelig zijn voor de gezondheid van de werknemer. Het is niet voorgeschreven dat werkgevers een hitteplan moeten hebben. Als hitte of kou een risico is in het bedrijf, moeten werkgevers dit opnemen in de RI&E en in het plan van aanpak aangeven welke maatregelen ze gaan nemen. Daarbij kunnen ze gebruik maken van de tips en adviezen op het Arboportaal. Andere nuttige bronnen van tips en informatie zijn bijvoorbeeld de website van Volandis, het kennis- en adviescentrum voor de bouw en infrasector; het SER-dossier werken bij hitte, de FNV Werkklimaat app en de CNV weerverlet app. Verder kunnen sectoren de aanpak van hittestress opnemen in hun Arbocatalogi of afspraken opnemen in een cao. Uit de verkenning van de Arbeidsinspectie in 2023 in een beperkt aantal bedrijven in risicosectoren, komt dat ongeveer twee-derde van de werkgevers aangeeft beleid of afspraken te hebben, meestal in de vorm van een hitteplan of hitteprotocol.
Hoe handhaaft de Nederlandse Arbeidsinspectie op werken in de hitte?
De Arbeidsinspectie krijg regelmatig meldingen over werkzaamheden in de hitte. In 2025 waren dat ca. 150 meldingen. Eind juni 2026 heeft de Arbeidsinspectie al meer meldingen ontvangen dan in heel 2025.
Bij een melding over werken bij hitte, stelt de Arbeidsinspectie extra vragen om te kunnen beoordelen of er een kans op hittestress is door een te hoge temperatuur in combinatie met de aard van de werkzaamheden. Met behulp van een objectief weeginstrument gaat de Inspectie na of er een verhoogde kans is op gezondheidsschade. Daarbij kijkt de Inspectie naar drie factoren: of er gezondheidsklachten zijn; of het gaat om risicovolle werkzaamheden en of er risicogroepen werkzaam zijn. Bij een kans op hittestress met een verhoogde kans op gezondheidsschade neemt een inspecteur de melding in behandeling. In het onderzoek wordt beoordeeld of de getroffen maatregelen doeltreffend zijn en of de risico-inventarisatie voldoende aandacht besteedt aan dit onderwerp en aan risicogroepen.
Vindt u de huidige wetgeving op dit moment toereikend genoeg om te voorkomen dat mensen in extreme warmte moeten werken? Zo ja, waarom? Zo nee, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Als de temperatuur in een bedrijf een risico vormt voor de gezondheid van de werknemers, moeten werkgevers dit risico opnemen in de RI&E. In het plan van aanpak geven ze dan aan welke maatregelen ze gaan nemen. Als met andere (bron)maatregelen het risico niet voldoende kan worden weggenomen, kan de werkgever het werk volledig stilleggen. Dit kan al worden bereikt op basis van de huidige wetgeving. Deze is daarvoor dus al toereikend. De ervaring bij de hittegolf van eind juni 2026 laat zien dat diverse werkgevers hiervoor hebben gekozen, als dat in hun bedrijf een optie was. Bedrijven gingen dicht, winkels sloten eerder of helemaal, bezorgtijden werden aangepast en er werd gewerkt volgens tropenroosters. Wel zal, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, de regelgeving worden verduidelijkt. Het doel hiervan is dat werkgevers bij het bepalen van maatregelen ook rekening houden met onderliggende factoren die van invloed zijn op het effect op de gezondheid van de temperatuur op de werkplek, zoals de impact van een hoge luchtvochtigheid.
Bent u het ermee eens dat de huidige wetgeving moet worden aangepast om duidelijkere normen en maatregelen rond werken in de hitte te verankeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2, zal de regelgeving worden verduidelijkt zodat duidelijker is welke factoren in beschouwing moeten worden genomen bij het bepalen van maatregelen. Daarnaast zal ik het tweede lid van artikel 6.1 van het Arbobesluit intrekken. Dit lid is strijdig met de arbeidshygiënische strategie uit artikel 3 van de Arbowet. Het lid noemt als eerst te nemen maatregelen het bieden van persoonlijke beschermingsmiddelen aan werknemers. Pas daarna worden andere maatregelen, hoger in de arbeidshygiënische strategie, genoemd. Ook dit is een verduidelijking; werkgevers kunnen niet gelijktijdig aan beide regels voldoen.
Hoe staat u tegenover het idee van de FNV om een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet waarbij de kerntemperatuur van het lichaam niet boven de 38 graden mag komen?
Ik ben daar geen voorstander van. Werkgevers moeten op grond van de Arbowet rekening houden met de specifieke omstandigheden. Dat bereik je niet met zo’n norm. Verder heeft de Gezondheidsraad in 2011 een Briefadvies over hittestress uitgebracht.4 Daarin geeft de Raad aan dat een gezondheidskundige grenswaarde in de vorm van een lichaamskerntemperatuur op individueel niveau niet mogelijk is. Daarvoor fluctueert de lichaamskerntemperatuur binnen een persoon en tussen personen te veel. Bovendien is inwendige vaststelling van de lichaamskerntemperatuur in het rectum, de slokdarm en het maagdarmstelsel te prefereren boven metingen onder de tong, in de oksel of in het oor. Maar inwendige metingen zijn lastig, gevoelig voor de inname van koude of warme dranken en gaan gepaard met ongemak voor de werknemer. Inwendig vaststellen is overigens ook in strijd met artikel 11 van de Grondwet, het recht op de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.
Bent u van plan een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op dit terrein niet voor normen of grenswaarden. Er zijn geen normen die voor iedere persoon en voor elke situatie gelden. De invloed van temperatuur op het lichaam verschilt onder meer door luchtvochtigheid, zonnekracht, wind, kleding, de zwaarte van het werk, de gezondheid. Dit is niet te vertalen in een algemene norm, die in alle gevallen geldt. Er zijn diverse landen die wel zo’n systeem hanteren. Daarbij gaat het veelal om systemen die over een enkele situatie gaan zoals buiten werken, of er zijn complexe systemen met meerdere normen. Als sprake is van een hoge hitte moeten werkgevers en werknemers er samen voor zorgen dat er gezond en veilig kan worden gewerkt.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Deze vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Het massaal niet doorbetalen van huishoudelijke hulpen bij ziekte |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat negen op de tien huishoudens hun huishoudelijke hulp niet doorbetalen bij ziekte terwijl dat wel wettelijk verplicht is?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat een grote groep huishoudelijke hulpen inkomsten misloopt doordat werkgevers hun wettelijke verplichtingen niet nakomen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het betreft hier huishoudelijk werk gefinancierd door en voor particulieren onder de Regeling dienstverlening aan huis («de regeling»). De regeling is juist bedoeld ter stimulering van de markt voor persoonlijke dienstverlening en het tegengaan van zwart werken. Het is de bedoeling dat deze werknemers krijgen waar zij recht op hebben.
Welke acties heeft het kabinet de afgelopen tien jaar ondernomen om huishoudens en huishoudhulpen te informeren over hun rechten en plichten?
De regeling is al in 2007 ingevoerd. Destijds is aan de introductie van de regeling veel aandacht besteed door middel van een grote voorlichtingscampagne van het Ministerie van SZW en de Belastingdienst. De afgelopen tien jaar heeft het kabinet geen specifieke campagnes gevoerd om huishoudens te informeren over rechten en plichten in het kader van de regeling. Op 9 december 2024 is wel een publiekscampagne van de Future of Work Hub (Universiteit Utrecht/Instituut Gak) gelanceerd. De campagne «Help de hulp» richtte zich op mensen die een huishoudelijke hulp particulier in dienst hebben en hen te wijzen op de rechten en plichten onder de regeling, waaronder het doorbetalen van het loon tijdens ziekte. Daarnaast is op de website van de Rijksoverheid een aparte pagina ingericht over de regeling.2 Hier wordt informatie gegeven over de rechten en plichten, en worden documenten beschikbaar gesteld, zoals een format voor de arbeidsovereenkomst.
Vindt u deze voorlichting voldoende? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. Met de informatie op de website van de Rijksoverheid en de informatie afkomstig uit de publiekscampagne van de Future of Work Hub (Universiteit Utrecht/Instituut Gak) uit 2024, meent het kabinet dat de voorlichting over de regeling voldoende is.
Op welke wijze wordt momenteel gecontroleerd of particuliere werkgevers zich houden aan de verplichting om loon door te betalen bij ziekte?
De overheid heeft geen specifieke rol als het gaat om het controleren of particuliere werkgevers zich houden aan de verplichting het loon door te betalen bij ziekte. De verplichting het loon door te betalen bij ziekte volgt uit artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, en betreft een civielrechtelijke verplichting. Voor huishoudelijke hulpen met een arbeidsovereenkomst onder de regeling bedraagt de lengte van de periode van loondoorbetaling bij ziekte maximaal zes weken.
Mocht een werknemer (dus ook een huishoudelijke hulp die werknemer is in dienst van een particulier) het loon bij ziekte niet doorbetaald krijgen, dan is het van belang dat hij hierover in gesprek gaat met zijn werkgever. De werknemer heeft daarbij de mogelijkheid informatie en advies over zijn rechten in te winnen bij bijvoorbeeld het Juridisch Loket, de vakbond of rechtsbijstandsverzekeraar. Komt men er niet uit, dan heeft de werknemer uiteindelijk de mogelijkheid een procedure bij de civiele rechter te starten. Wanneer sprake is van een werkgever/werknemer-relatie in de zin van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag én er is mogelijk sprake van onderbetaling, dan kan de werknemer eveneens een melding doen bij de NLA
Hoeveel meldingen, klachten, onderzoeken en handhavingsacties zijn er de afgelopen vijf jaar geweest met betrekking tot het niet naleven van de Regeling dienstverlening aan huis?
Er is geen totaaloverzicht van dergelijke informatie van de verschillende rechtshulpverleners, zoals Het Juridisch Loket, de vakbonden en de rechtsbijstandsverzekeraars. De NLA houdt in haar registraties niet specifiek bij of dergelijke informatie betrekking heeft op situaties met werknemers zoals bedoeld in de regeling.
Welke mogelijkheden hebben huishoudelijke hulpen om hun recht op loondoorbetaling af te dwingen?
Huishoudelijke hulpen kunnen voor advies en ondersteuning terecht bij verschillende rechtshulpverleners, zoals Het Juridisch Loket, de vakbond of rechtsbijstandsverzekeraar. Net als andere werknemers hebben huishoudelijke hulpen de mogelijkheid een civielrechtelijke procedure te starten indien de particuliere werkgever zijn wettelijke plichten niet nakomt (zie ook het antwoord op vraag 5).
Samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn afgelopen jaren meerdere stappen gezet om de toegang tot het recht te verbeteren.3 Er wordt gewerkt aan het verbeteren van informatievoorziening, advies en ondersteuning aan rechtszoekenden en laagdrempelige geschilbeslechting via de regelrechter. Deze mogelijkheid staat ook open voor huishoudelijke hulpen die onder de regeling vallen.
Sinds 1 maart 2025 staat onder andere voor een loonvordering een experiment open bij de zogenaamde regelrechter. Dit is experiment met een eenvoudigere, snellere en effectievere rechtsprocedure bij de kantonrechter. Dit is een uitvloeisel van het advies van de Commissie Roemer om een «arbeidscommissie» op te richten. Het experiment is laagdrempelig, omdat mensen de zaak met een eenvoudig formulier kunnen starten in plaats van met een dagvaarding. Ook wordt in alle gevallen een zitting gepland om het geschil te bespreken. Daarnaast wordt tijdens de procedure op verschillende momenten contact gezocht met de partijen om hen te infomeren over de procedure en te benadrukken dat het belangrijk is om op de zitting te verschijnen.
Vindt u deze mogelijkheden toegankelijk genoeg voor mensen met een laag inkomen?
Ja. Het Juridisch Loket geeft gratis juridisch advies aan mensen met een laag inkomen. Het Juridisch Loket is op meerdere manieren te bereiken. Het is ook mogelijk om zonder afspraak langs te gaan in één van de vestigingen en direct advies te krijgen. Voor vertegenwoordiging of verdere hulpverlening kunnen zij de rechtzoekende ook doorverwijzen naar bijvoorbeeld een advocaat, mediator of gemeente. Via de Raad voor Rechtsbijstand kunnen mensen met een laag inkomen ook eventueel een toevoeging krijgen voor een advocaat of mediator. Tegelijkertijd wordt het experiment voor de «regelrechter» de komende tijd geëvalueerd. Daarbij wordt ook meegenomen of dit inderdaad leidt tot meer zaken en welke mensen dit betreft. Op basis van deze evaluatie kan ook worden beoordeeld wat werkt en wat mogelijk verder nog nodig is.
Deelt u de mening dat huishoudelijke hulpen door de huidige regeling in een kwetsbare positie verkeren, omdat zij afhankelijk zijn van particuliere werkgevers die vaak niet op de hoogte zijn van hun verplichtingen of deze niet nakomen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Nee, het is niet zo dat huishoudelijke hulpen door de regeling in een kwetsbare positie verkeren. De regeling is juist bedoeld om de positie van huishoudelijke hulpen te verbeteren door hen wettelijke rechten te geven en zwart werk tegen te gaan. Onder meer door informatie over de regeling en een arbeidsovereenkomst beschikbaar te stellen via de website van de Rijksoverheid, wordt getracht een eventuele informatieachterstand bij particuliere werkgevers te voorkomen. Als werkgevers de verplichtingen niet nakomen, kunnen huishoudelijke hulpen voor advies en ondersteuning terecht bij verschillende rechtshulpverleners om zo alsnog hun rechten af te dwingen.
Welke stappen neemt u om ervoor te zorgen dat huishoudhulpen krijgen waar zij recht op hebben?
Zoals in het antwoord bij vraag 7 aangegeven werkt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan het verbeteren van de toegang tot het recht. Er wordt gewerkt aan het verbeteren van informatievoorziening, advies en ondersteuning aan rechtszoekenden en laagdrempelige geschilbeslechting via de regelrechter. Dit is gericht op alle kwetsbare werknemers, waaronder huishoudelijke hulpen.
Bent u het ermee eens dat de regeling dienstverlening aan huis opnieuw tegen het licht moet worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
In het lopende wetstraject4 rondom aanpassing van de regeling in het pgb is de regeling recent opnieuw tegen het licht gehouden. Daarbij is de afweging gemaakt dat de regeling in stand kan blijven voor de private markt5. Er is geen aanleiding daar nu een andere afweging in te maken.
Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 april 20236. In deze uitspraak oordeelde de rechter dat pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst niet uitgesloten mogen worden van de verplichte werknemersverzekeringen. Het uitsluiten van deze zorgverleners levert namelijk ongeoorloofde indirecte discriminatie van vrouwen op. De argumenten voor de regeling, namelijk het stimuleren van de markt voor persoonlijke dienstverlening en het tegengaan van zwart werk, gaan in geval van publiek gefinancierde dienstverlening, in casu pgb, niet op.
Het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen |
|
Jimmy Dijk (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen?1, 2
Bent u het ermee eens dat deze enorme gezondheidsachterstanden onacceptabel zijn?
Wat gaat u doen om de hoge babysterfte en de andere gemeten achterstanden in Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)-wijken tegen te gaan?
Erkent u dat de crisis in de kraamzorg en het daardoor veroorzaakte tekort in de kraamzorg extra risicovol zijn in deze wijken? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is om de acute verloskundeafdeling in Heerlen te sluiten, terwijl baby’s die in Heerlen-Noord geboren worden zo’n 25 procent vaker een te laag geboortegewicht hebben en dus kwetsbaarder zijn?
Het bericht ‘Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: ‘Alleen kwam ik er niet uit’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: «Alleen kwam ik er niet uit»»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de inzichten en de aanbevelingen in het rapport «Pilot ketenverwijzing bij schuldenproblematiek: een brug naar gemeentelijke schuldhulpverlening»?
Op 11 juni 2026 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de aanpak civiele invordering.2 In deze Kamerbrief wordt ook ingegaan op de uitkomsten van de Pilot Ketenverwijzing. Uit de pilot ontstaat het beeld dat doorverwijzing door de gerechtsdeurwaarder een succesvolle manier is om mensen met problematische schulden in contact te brengen met schuldhulpverlening. In circa een kwart van de gevallen waarin een doorverwijzing zinvol wordt geacht, leidt het tot een eerste gesprek bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Daarnaast blijkt dat bijna de helft van de debiteuren die zich in het kader van deze pilot bij de gemeente heeft gemeld, vooraf niet bekend was bij schuldhulpverlening of vroegsignalering. Deze aanpak brengt dus een nieuwe doelgroep in beeld.
Welke conclusies trekt u verder uit de pilot?
Het kabinet vindt het wenselijk dat de gerechtsdeurwaarder de mogelijkheid krijgt om te de-escaleren door debiteuren met mogelijk problematische schulden door te verwijzen naar schuldhulpverlening. Dit is wenselijk indien, gegeven de (ogenschijnlijke) uitzichtloosheid van de situatie, invordering niet meer gaat bijdragen aan een oplossing ten aanzien van de oorspronkelijke schuld en er andere instrumenten nodig lijken te zijn. Ook het hebben van inkomen onder de Participatiewet-norm en/of onvoldoende of geen toeslagen kan een reden zijn om iemand door te verwijzen naar de gemeente.
Op dit moment kunnen gerechtsdeurwaarders debiteuren met mogelijk problematische schulden wel wijzen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening, maar hebben zij niet de bevoegdheid om mensen ook werkelijk door te verwijzen en de gegevens van deze personen te delen met de gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening. Door het creëren van deze bevoegdheid krijgen gerechtsdeurwaarders een aanvullend instrument gericht op de-escalatie en wordt de drempel om hulp te aanvaarden voor mensen verlaagd. Hiertoe zal een wettelijke grondslag voor gegevensdeling worden gecreëerd. Momenteel wordt ter voorbereiding hierop gewerkt aan een Data Protection Impact Assessment (DPIA), wat een verplichte kwaliteitseis is voor regelgeving waaruit verwerkingen van persoonsgegevens voortvloeien.3
Welke gesprekken voert u met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders over het verloop en een voortzetting van de pilot?
De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: de KBvG) is een belangrijke stakeholder binnen de aanpak civiele invordering, waarmee regelmatig overleg wordt gevoerd. Ook rondom de pilot heeft er periodiek overleg plaatsgevonden tussen het kabinet en de KBvG.
In overleg met de KBvG, de NVVK en de VNG zal worden bezien op welke wijze, vooruitlopend op de aangekondigde wetgeving, de pilot waarbij gerechtsdeurwaarders mensen met hulpvraag kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening kan worden voortgezet. Uit de evaluatie van de pilot kwam naar voren dat een goede invulling van deze rol vraagt om de juiste vaardigheden en kennis bij gerechtsdeurwaarders, zoals gespreksvaardigheden en voldoende kennis over schuldhulpverlening. Het kabinet zal daarom de komende periode in samenspraak met de KBvG bezien wat er nodig is om deze vaardigheden en kennis in de beroepsgroep verder te ontwikkelen.
Bent u het eens dat een meer hulpverlenende rol voor deurwaarders zoals in de praktijk is gebracht tijdens deze pilot uitgebouwd zou moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u nemen om de geteste werkmethode met deurwaarders verder uit te bouwen?
Ja, het kabinet wil de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder versterken en zorgen dat de gerechtsdeurwaarder meer ruimte en mogelijkheden krijgt voor de-escalatie. In dit kader wordt ook wel gesproken over de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders. Om de onafhankelijke positie te onderstrepen, zal in de Gerechtsdeurwaarderswet worden geëxpliciteerd dat een gerechtsdeurwaarder op onpartijdige wijze de belangen van beide partijen dient te behartigen. Om goed invulling te kunnen geven aan deze rol, zal een wettelijke grondslag worden gecreëerd voor gegevensdeling met gemeenten en krijgen gerechtsdeurwaarders – als ultimum remedium – de bevoegdheid om een ambtshandeling niet te uit voeren als dit leidt tot een nodeloze kostenoploop van schulden, ook als de opdrachtgever erop staat dat de handeling wel wordt uitgevoerd. Deze voornemens vergen aanpassingen in de wetgeving. Een belangrijke uitwerkingsvraag hierbij is op welke wijze de gerechtsdeurwaarders worden gefinancierd voor deze werkzaamheden en hoe dit past binnen de bestaande financieringsstructuren. Op dit moment wordt door een extern onderzoeksbureau onderzocht hoe de financiering van deze maatregelen kan worden vormgegeven. De komende maanden zal – in nauwe samenwerking met de stakeholders – worden gewerkt aan de nog openstaande uitwerkingsvragen, zodat het kabinet dit jaar kan starten met het voorbereiden van de benodigde wetgeving.
Ik wijs er overigens wel op dat het belangrijk is de rollen zuiver te houden. De gerechtsdeurwaarder is zelf geen hulpverlener, maar de persoon die op onafhankelijke wijze moet waarborgen dat juridische afspraken worden nagekomen en gerechtelijke uitspraken worden uitgevoerd, rekening houdend met de belangen van beide partijen. Wel kan de gerechtsdeurwaarder vanuit die onafhankelijke rol eraan bijdragen dat mensen met (dreigende) problematische schulden eerder in beeld komen bij de schulphulpverlening.
Het is wenselijk dat schuldhulpverlening snel contact legt met debiteuren die worden doorverwezen. Wettelijk geldt nu dat een eerste gesprek moet hebben plaatsgevonden binnen vier weken nadat een inwoner zich heeft gemeld voor schuldhulpverlening. Bij een bedreigende situatie moet dat binnen drie werkdagen gebeuren.4 Omdat de sleutel tot succes is gelegen in de snelheid waarmee contact wordt gelegd, kunnen er mogelijk in een convenant met schuldhulpverlening nadere afspraken worden gemaakt over de termijn waarin deze doorverwijzingen worden opgepakt. Wanneer mensen zich melden bij de gemeente moeten zij kunnen rekenen op uniforme, toegankelijke en betrouwbare schuldhulpverlening. Uit het IBO-schulden kwamen aanbevelingen om de kwaliteit van de schuldhulpverlening verder te verbeteren. Hier wordt samen met het werkveld aan gewerkt.5
Heeft de gemeentelijke vroegsignalering er in 2025 voor gezorgd dat een hoger percentage dan in 2024 is doorgewezen naar schuldhulpverlening? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, wat gaat u eraan doen om dit percentage in 2027 te verhogen?
Het absolute aantal inwoners waarmee contact is gelegd via de vroegsignalering is in 2025 licht toegenomen naar 133.600. Dit betreft circa 20% van het aantal vroegsignalen dat gemeenten ontvangen. Ongeveer een derde van de inwoners waarmee gemeenten via vroegsignalering in contact komen accepteert direct hulp. Dit is overigens niet altijd een minnelijk schuldhulptraject, maar kan ook een minder belastende oplossing zijn zoals een budgetcoach, een betalingsregeling of de inzet van vrijwillige schuldhulp. Uit de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden blijkt dat het aantal inwoners dat direct – binnen 30 dagen – hulp heeft geaccepteerd in 2025 vergelijkbaar is met 2024.6
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoogt dit jaar bestuurlijke afspraken te maken met vertegenwoordigers van gemeenten en vertegenwoordigers van vastelastenpartners om de effectiviteit van vroegsignalering te vergroten. Het gaat onder andere over de afspraak om het aantal inwoners waarmee in het kader van vroegsignalering succesvol contact wordt gelegd de komende jaren te verdubbelen naar circa 40%.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
Jimmy Dijk (SP), André Flach (SGP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Ja.
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
In de evaluatie van de Winkeltijdenwet wordt rekening gehouden met de gemeentelijke vrijheid zoals vastgelegd in de Winkeltijdenwet. Daarbij wordt ook gekeken naar de belangen van werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel. Zoals toegezegd in de antwoorden op de vragen over de Winkeltijdenwet van het lid Kisteman (VVD)2 wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en over het standpunt van het kabinet.
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Conform de Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling4 van begin dit jaar lag de focus van het onderzoek, dat onlangs werd afgerond, op drie onderdelen. Deze onderdelen zijn: marktanalyse en consumentengedrag in het kader van zon- en feestdagen, mogelijkheid van het (gedeeltelijk) loslaten van het openingsverbod op zon- en feestdagen, en een evaluatie van het verbod op eenzijdige wijziging winkeltijden. Het perspectief van werknemers over de zondagsrust en een toelichting over de vereisten onder zondagswet komen terug in de evaluatie. In het onderzoek zijn echter geen opties in kaart gebracht om de zondagsrust verder te beschermen. Om die reden zal dit niet terugkomen in de begeleidende kabinetsreactie.
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Ik begrijp de zorgen van de FNV over de positie van werknemers in winkels en distributiecentra. In de evaluatie wordt daarom onder meer onderzocht hoe werknemers de huidige regels rond winkeltijden ervaren en wat de gevolgen voor hen zouden zijn van een eventuele (gedeeltelijke) afschaffing van het openingsverbod op zon- en feestdagen.
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
De brief van FNV Handel betrof een oproep aan mij als Minister van Economische Zaken en Klimaat om de openingstijden niet op te rekken. Hoewel er geen schriftelijke reactie wordt opgesteld, kan ik u mededelen dat mijn ministerie wel in gesprek gaat met de FNV. Dit gesprek zal plaatsvinden voordat het eindrapport van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en de begeleidende kabinetsreactie aan uw Kamer wordt aangeboden.
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Ik ben mij bewust dat een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag effect kan hebben op de werktijden van werknemers. Het perspectief van werknemers is dan ook meegenomen in de evaluatie. Mijn reflectie hierop komt terug in de begeleidende brief die uw Kamer in september ontvangt.
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Als onderdeel van de evaluatie zijn gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV om het werknemersperspectief ook vanuit de bonden mee te nemen.
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Dat klopt, er is geen grootschalig onderzoek gedaan naar de ervaringen van medewerkers in de sector. Dat wil echter niet zeggen dat het werknemersbelang niet wordt meegewogen. Om die reden zijn er ook gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV. Omdat de evaluatie is afgerond vind ik het niet opportuun om een grootschalig onderzoek uit te voeren naar de ervaringen van medewerkers in de sector.
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
In het evaluatieonderzoek is op meerdere manieren rekening gehouden met de belangen van ondernemers die hechten aan de zondagsrust. Zo is bij de enquête onder winkeliers expliciet gevraagd naar de redenen om niet open te gaan op zon- en feestdagen. Daarnaast zijn er verschillende casestudies uitgevoerd in specifieke gemeenten, waaronder gemeenten met een grote geloofsgemeenschap en waar de zondagsrust een nadrukkelijke rol speelt in het lokale beleid.
Het bericht dat Moerdijk mogelijk mag blijven bestaan |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Boekholt-O’Sullivan , Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de berichtgeving vanuit het bestuur van Moerdijk dat het dorp mogelijk mag blijven bestaan?1
Het kabinet is bekend met de berichtgeving. Het kabinet heeft op 29 mei 2026 met een brief2 de Tweede Kamer geïnformeerd over het verkennen van een scenario met een kleiner ruimtebeslag waarbij het dorp Moerdijk kan blijven bestaan.
Is de lijst van zaken die volgens de gemeente verduidelijkt moet worden volledig, of liggen er nog andere vragen voor?
Het kabinet is in gesprek met gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant over de randvoorwaarden voor een alternatief scenario, met kleinere opgave. De hoofdpunten hierin zijn het borgen van de leefbaarheid van de omgeving en woonkernen en de lange termijn levensvatbaarheid van het haven- en industriecluster.
Klopt het dat er mogelijk minder ruimte nodig is voor energieprojecten en industrie in Moerdijk? Zo ja, waar zit dit verschil in met eerdere plannen? Waarom kon dit niet eerder duidelijk worden?
Het klopt dat er mogelijk minder ruimte nodig is voor energieprojecten en industrie in Moerdijk. Een aantal ontwikkelingen, zoals de nationale energieprojecten die al in procedure zijn, worden met grote zekerheid gerealiseerd in de regio Moerdijk. Hetzelfde geldt voor de verduurzaming van de bestaande industrie. Voor andere ontwikkelingen, zoals additionele circulaire en industriële activiteiten en energie-infrastructuur na 2040 zijn nog andere ruimtelijke keuzes te maken. Die hoeven niet per se in Moerdijk te landen. Het niet realiseren van deze projecten in Moerdijk betekent wel dat de ruimtelijke druk op andere gebieden in Nederland zal toenemen, bijvoorbeeld in de andere energie-intensieve haven- en industrieclusters van nationaal belang. Hiervoor werkt het kabinet, in lijn met het coalitieakkoord, verder aan een nationale ruimtelijk-economische strategie voor de haven- en industrieclusters van nationaal belang. Het niet afwentelen op andere ruimtelijke opgaven is hierbij van essentieel belang en wordt meegewogen in de besluitvorming.
Wanneer komt er duidelijkheid vanuit het Rijk voor de inwoners van Moerdijk? Hoe veel langer heeft het Rijk nodig voor haar onderzoek en besluitvorming? Kunt u hiervoor een tijdspad schetsen?
Dat is onderdeel van gesprek tussen het kabinet, de gemeente Moerdijk en de provincie Noord-Brabant. Het kabinet is van mening dat inwoners en ondernemers uit dorp Moerdijk en bredere omgeving zo spoedig mogelijk duidelijkheid moeten krijgen. Het kabinet vindt tegelijkertijd dat een besluit niet lichtvaardig genomen moet worden en wil daarom tijd nemen om tot goede besluitvorming te komen. Ook is het belangrijk om hierin gezamenlijk op te trekken met de gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant. Het is daarom lastig voor het kabinet om eenzijdig inschattingen over het tijdspad te geven.
Deelt u de mening dat inwoners rust verdienen?
Zie antwoord op vraag 4. Het kabinet begrijpt dat gesprekken over de toekomst van het dorp en het uitstellen van besluitvorming tot onzekerheid leiden bij inwoners en ondernemers uit de regio.
Deelt u de mening dat wanneer er duidelijkheid is dat het dorp kan blijven hiervoor dan ook langjarige garanties moeten worden afgegeven, zodat deze discussie niet wéér op kan laaien binnen een paar jaar? Welke juridische of bestuurlijke middelen bestaan er om zulk een garantie af te geven?
Het kabinet is aan het onderzoeken welke garanties er gegeven kunnen worden aan mensen in de regio, de gemeente en provincie, zodat de discussie niet opnieuw oplaait. In de ruimtelijke ordening kunnen overheden toezeggingen doen die enige zekerheid bieden, maar absolute juridische garanties kunnen niet gegeven worden. Ruimtelijke plannen kunnen namelijk weer gewijzigd worden op een later moment in de tijd.
Hoe gaat u zorgen dat wanneer het dorp mag blijven, de leefbaarheid, voorzieningen en omgevingskwaliteit hier gegarandeerd worden?
Het kabinet is met gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant in gesprek over hoe de gestelde randvoorwaarden door de gemeente zo goed mogelijk ingevuld kunnen worden, waaronder de leefbaarheid, voorzieningen en omgevingskwaliteit van en rondom het dorp Moerdijk, de overige kernen en het buitengebied.
Als het Rijk de voorkeur heeft het dorp op te heffen, hoeveel tijd en financiering zou het kosten om hierover een bindend referendum onder de bewoners te organiseren, waarbij zij de kans krijgen zich voor of tegen uit te spreken en voorwaarden te stellen? Kunt u deze vraag serieus en inhoudelijk beantwoorden, ook als u niet van mening bent dat er een referendum zou moeten komen?
Een juridisch bindend referendum zoals in de vraag geformuleerd is in Nederland staatsrechtelijk niet mogelijk. Dat vergt een grondwetswijziging die o.a. onderdeel is van het initiatiefwetsvoorstel tot aanpassing van de Grondwet voor een bindend correctief referendum.
Daarbij doet een bindend referendum gericht op het gebied alleen geen recht aan de complexiteit en de afwegingen die gemaakt dienen te worden. In Powerport Moerdijk komen nationale, regionale en lokale belangen samen. Het is wel van groot belang dat de belangen, wensen en meningen van het dorp Moerdijk en de omliggende woonkernen meegewogen worden. Daarom wordt ingezet op een zorgvuldig participatietraject met omwonenden. Daarnaast is het lastig in te schatten hoeveel tijd en financiering het kost om een referendum te organiseren voor bewoners, omdat dit sterk afhangt van de hoeveelheid mensen die in aanmerking komen voor het referendum. De verwachting is dat het organiseren van een referendum voor het dorp Moerdijk enkele maanden tot een halfjaar zou duren en enkele tienduizenden euro’s kost. Voor een precieze inschatting zou nader onderzoek gedaan moeten worden.