Mantelzorgwoningen |
|
Hans van Leeuwen , Renske Leijten |
|
Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU) |
|
Bent u ermee bekend dat gemeenten, waaronder Schiermonnikoog, ondanks uw antwoorden op eerdere vragen1 moeite hebben met de uitleg van de regels rond plaatsing van mantelzorgwoningen en het toestaan van tijdelijke bewoning van bijgebouwen voor mantelzorg?
Ja, het is mij bekend dat de toepassing van de regelgeving voor het toestaan van mantelzorgwoningen in de praktijk vragen oproept.
Kunt u nog vóór de zomer van 2010 in een brief helder uiteenzetten:
Alvorens in te gaan op de gestelde vragen, merk ik eerst op dat het tot mijn spijt niet mogelijk is gebleken de vragen voor aanvang van de zomer van 2010 te beantwoorden. In antwoord op de vragen kan ik aangeven er groot belang aan te hechten dat gemeenten mantelzorg zoveel mogelijk faciliteren. Erkend moet echter worden dat er redenen kunnen zijn waarom bebouwing ten behoeve van mantelzorg niet in elke vorm aanvaardbaar kan worden geacht. Gemeenten beschikken, in het bijzonder binnen de bebouwde kom, over een grote mate van beleidsvrijheid om al dan niet in afwijking van een bestemmingsplan bouwwerken ten behoeve van mantelzorg bij woningen toe te staan. Dat de mogelijkheden die het ruimtelijk instrumentarium biedt bij zijn toepassing vragen oproept is mij bekend. Met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), die per 1 oktober in werking treedt, zullen deze vragen nog niet allemaal opgelost zijn. Mede ter uitvoering van de motie Pieper c.s. (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 123 XI, nr. 34) en de motie Linhard c.s. (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 123 XI, nr. 38), wordt momenteel een voorstel voorbereid waarmee wordt nagestreefd om binnen het systeem van de Wro en Wabo vereenvoudigingen door te voeren in de vergunningprocedure om afwijkingen van het bestemmingsplan toe te staan. Daarbij wordt ook de mogelijkheid betrokken om tijdelijke afwijkingen van bestemmingsplannen toe te staan. Deze mogelijkheid is nu nog beperkt tot een maximumduur van vijf jaar. Bezien wordt hoe deze regeling flexibeler kan worden gemaakt. Ook wordt bezien hoe langs eenvoudige weg kan worden toegestaan dat (al dan niet tijdelijk) woningen kunnen worden toegestaan in leegstaande gebouwen. Bovenstaande materie is complex, mede vanwege de samenhang met onder meer het Bouwbesluit 2003, de Wet geluidhinder en het Besluit milieu effectrapportage. Anders dan aanvankelijk aangenomen is inmiddels duidelijk geworden dat hierbij wijzigingen op wetsniveau onvermijdelijk zijn. Zodra een samenhangende oplossing ter uitvoering van genoemde moties concretere vorm heeft gekregen, zult u hierover bij separate brief nader worden geïnformeerd. Naar mijn verwachting kan hier richting het einde van het jaar meer duidelijkheid over worden gegeven.
Burgemeester en wethouders zijn thans bevoegd via een eenvoudige procedure (met toepassing van de zogenoemde planologische «kruimellijst») medewerking te verlenen aan uitbreiding van bestaande woningen. Dergelijke uitbreidingen kunnen ook ten dienste staan van mantelzorg van bewoners van de woning. Het bijplaatsen van een aparte mantelzorgwoning bij een bestaande woning overschrijdt thans echter de toepassingsmogelijkheden van deze «kruimelprocedure». Er geldt namelijk een beperking dat het aantal woningen niet mag toenemen. In een dergelijke situatie kan thans medewerking worden verleend voor een afwijking van het bestemmingsplan door middel van een projectbesluit. Onder de Wabo wordt dit een omgevingsvergunning die met de uitgebreide procedure wordt voorbereid.
Indien toestemming is verleend om voor slechts een bepaalde tijdsduur (maximaal vijf jaar) een bouwwerk aanwezig te hebben, geldt het vereiste dat na verloop van die tijd het bouwwerk moet verdwijnen. Voor een tijdelijk toegestaan gebruik geldt dat het gebruik na verloop van de toegestane termijn moet worden beëindigd. Bij het negeren van dit vereiste kan het bevoegd gezag handhavend optreden. Voor gevallen waarin de wens bestaat om vrijgekomen bebouwing voor andere doeleinden (bijvoorbeeld bewoning) te gebruiken, zal het afhankelijk zijn van de geldende regelgeving (waaronder het bestemmingsplan) of en welke procedure hiertoe moet worden gevolgd. Veelal zal opnieuw omgevingsvergunning nodig zijn. Het bevoegd gezag zal zich daarbij een oordeel dienen te vormen over de planologische aanvaardbaarheid van het gewenste nieuwe gebruiksdoel, dat geheel op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld. Het feit dat eerder toestemming is verleend voor een mantelzorgwoning, vormt in dat verband geen precedent.
Wat is, gelet op de bovengenoemde argumentatie, uw oordeel over het opleggen van een dwangsom door de gemeente Schiermonnikoog aan familieleden die tijdelijk een bijgebouw bewonen vanwege het verlenen van mantelzorg?
Ik kan niet treden in een lokale afweging om op een bepaald perceel al dan niet een mantelzorgsituatie toe te staan. Het is een zaak voor het gemeentebestuur om samen met initiatiefnemers te bezien in hoeverre er binnen de wettelijke mogelijkheden ruimte bestaat om mantelzorgsituaties toe te staan. Daarbij bestaat altijd de mogelijkheid om de juistheid van besluiten door de rechter te laten toetsen.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om de subsidie aan Cubiss, de provinciale service organisatie, stop te zetten |
|
Hans van Leeuwen |
|
Marja van Bijsterveldt (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de provincie Brabant voornemens is de subsidie aan Cubiss, de provinciale service organisatie, per 2015 stop te zetten?
Ja.
Deelt u de mening dat indien de subsidie wordt gestopt, het stelsel van openbare bibliotheken als geheel in gevaar komt omdat het Nederlandse openbare bibliotheekwerk gefinancierd wordt door de drie overheidslagen, gemeenten, provincies en Rijk? Zo nee, waarom niet?
In het Nederlandse bibliotheekstelsel werken de verschillende bestuurlijke niveaus (lokaal, provinciaal, landelijk) in een netwerk met elkaar samen. Deze structuur heeft zijn basis in de bibliotheekbepalingen van de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Ook het Bibliotheekcharter 2010–2012 volgt dit principe. Indien lacunes ontstaan in – een deel van – het netwerk, dan heeft dit consequenties voor het stelsel als geheel.
Hoe verhoudt zich het eventuele stopzetten van provinciale subsidie tot de door u gedane uitlating; «de provinciale laag is natuurlijk geen op zichzelf staande laag, maar hoort complementair te zijn aan wat er lokaal gebeurt»?1
Zie het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze gaat er naar uw mening in de toekomst uitvoering gegeven worden aan de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid, waarin is vastgelegd dat provincies de verantwoordelijkheid dragen voor de netwerktaken in het bibliotheekstelsel?
De huidige bibliotheekbepalingen in de Wet op het specifiek cultuurbeleid (de artikelen 11a en 11b) dateren van begin jaren ’90. Sindsdien is de maatschappelijke en technologische context van het bibliotheekwerk ingrijpend gewijzigd. De drie overheden betrokken bij het bibliotheekbeleid hebben tegen deze achtergronden op 17 december 2009 een Bibliotheekcharter ondertekend. Het Bibliotheekcharter geeft een actuele invulling van de taken genoemd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Belangrijke onderwerpen daarbij zijn: de opbouw, verantwoordelijkheidsverdeling en implementatie van de digitale bibliotheek, het collectiebeleid (de Collectie NL) en certificering van bibliotheekorganisaties. Het charter heeft de periode 2010-2012 als looptijd. De drie overheden hebben afgesproken de uitvoering van de afspraken in het charter te monitoren en de resultaten halverwege het jaar 2011 te evalueren. Langs deze weg geven Rijk, provincies en gemeenten uitvoering aan de taken genoemd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Deelt u de mening dat indien de provincie Noord-Brabant besluit de subsidie aan Cubiss stop te zetten, de provincie zich onttrekt aan haar wettelijke verplichting? Zo nee, waarom niet?
De Wet op het specifiek cultuurbeleid gaat uit van een verdeling van verantwoordelijkheden tussen de drie overheden. Gezien de decentrale structuur van het bibliotheekbeleid hebben de overheden een aanzienlijke mate van vrijheid in de wijze waarop zij aan deze verantwoordelijkheid invulling geven. Het geheel beëindigen van de provinciale taken acht ik echter strijdig met de strekking van de eerder genoemde artikelen van de wet en strijdig met inhoud van recente afspraken tussen de overheden, zoals neergelegd in het Bibliotheekcharter.
Deelt u de mening dat het eventuele wegvallen van voorzieningen de ontwikkeling van de digitale bibliotheek blokkeert?
Zie het antwoord op vraag 7.
Is het waar dat bij het wegvallen van voorzieningen, zoals de digitale bibliotheek en het schoolmediatheekwerk, het voor de provincie Noord-Brabant betekent dat Brabantse bibliotheken de aansluiting op het landelijk netwerk, de voorzieningen daarin en de landelijke innovatiegelden gaan missen? Zo nee, waarom niet?
Voor de opbouw van de landelijke digitale bibliotheek is het noodzakelijk dat alle betrokken partijen hun aandeel leveren. De taakverdeling tussen de partijen is beschreven in het Bibliotheekcharter. Voor het provinciale niveau betreft dit het verlenen van ICT-diensten en het ondersteunen van de implementatie van de digitale bibliotheek bij lokale bibliotheekorganisaties. Indien de provinciale ICT-diensten in Noord-Brabant zouden wegvallen, bemoeilijkt dit in sterke mate de opbouw van de landelijke digitale bibliotheek en de aansluiting van de Brabantse bibliotheken daarop. Ik heb in het kader van het innovatieprogramma 2010 een bedrag van € 2 mln. gereserveerd voor de lokale en provinciale implementatie van de digitale bibliotheek. Een eventueel besluit van de provincie Noord-Brabant tot beëindiging van de subsidiëring van Cubiss kan aanleiding zijn mijn voorgenomen bijdrage voor de provinciale implementatie in Noord-Brabant te heroverwegen. In dit verband is het volgende relevant. Op 11 juni 2010 hebben provinciale staten van Noord-Brabant besloten over het pakket aan bezuinigingsvoorstellen, waar ook het voorstel ten aanzien van Cubiss deel van uitmaakt. Bij die gelegenheid is een amendement aangenomen met als strekking dat de subsidiekorting op Cubiss voorlopig in ieder geval 15% – en dus geen 100% – bedraagt. Tevens zal het college van gedeputeerde staten op basis van dit amendement een plan opstellen over de wijze waarop de maatschappelijke effecten van de netwerktaken van Cubiss gegarandeerd kunnen blijven.
Op welke wijze gaat u bevorderen dat provincies en gemeenten de Wet op Specifiek Cultuurbeleid ook in de toekomst blijven uitvoeren? Wat zijn de sancties wanneer gemeenten en/of provincies zich niet houden aan de Wet op Specifiek Cultuurbeleid?
De Wet op het specifiek cultuurbeleid kent geen sancties voor de situatie waarin in afwijking van of in strijd met de bepalingen met deze wet wordt gehandeld. Wel hebben de drie overheden zeer recent nog in het Bibliotheekcharter een aantal afspraken gemaakt over gezamenlijke doelen in het bibliotheekbeleid en de rolverdeling daarbij. De evaluatiebepaling in het charter geeft de mogelijkheid partijen aan te spreken op het niet nakomen van deze afspraken. Ik vertrouw er op dat de overheden deze afspraken zullen uitvoeren. Daarnaast voer ik periodiek bestuurlijk overleg met de andere overheden over het cultuurdomein. Indien daar aanleiding toe is, kan dit onderwerp voor een bestuurlijk overleg worden geagendeerd.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk te komen met een bibliotheekwet, waarin de zorgplicht van de overheid voor het openbare bibliotheekwerk wettelijk wordt verankerd? Zo nee, waarom niet?
In het Bibliotheekcharter is afgesproken dat gedurende de looptijd van het charter een aanpassing van de Wet op het specifiek cultuurbeleid zal worden voorbereid. Daarin worden onder meer de functies van het bibliotheeknetwerk en het leenverkeer opnieuw gedefinieerd. Planning is dat deze aanpassingen in werking treden na afloop van het charter, dat wil zeggen per 1 januari 2013. De inhoud van het wetsvoorstel is uiteraard onderwerp van overleg met het parlement.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om de subsidie aan Cubiss, de provinciale service organisatie, stop te zetten |
|
Hans van Leeuwen |
|
Marja van Bijsterveldt (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de provincie Brabant voornemens is de subsidie aan Cubiss, de provinciale service organisatie, per 2015 stop te zetten?
Ja.
Deelt u de mening dat indien de subsidie wordt gestopt, het stelsel van openbare bibliotheken als geheel in gevaar komt omdat het Nederlandse openbare bibliotheekwerk gefinancierd wordt door de drie overheidslagen, gemeenten, provincies en Rijk? Zo nee, waarom niet?
In het Nederlandse bibliotheekstelsel werken de verschillende bestuurlijke niveaus (lokaal, provinciaal, landelijk) in een netwerk met elkaar samen. Deze structuur heeft zijn basis in de bibliotheekbepalingen van de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Ook het Bibliotheekcharter 2010–2012 volgt dit principe. Indien lacunes ontstaan in – een deel van – het netwerk, dan heeft dit consequenties voor het stelsel als geheel.
Hoe verhoudt zich het eventuele stopzetten van provinciale subsidie tot de door u gedane uitlating; «de provinciale laag is natuurlijk geen op zichzelf staande laag, maar hoort complementair te zijn aan wat er lokaal gebeurt»?1
Zie het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze gaat er naar uw mening in de toekomst uitvoering gegeven worden aan de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid, waarin is vastgelegd dat provincies de verantwoordelijkheid dragen voor de netwerktaken in het bibliotheekstelsel?
De huidige bibliotheekbepalingen in de Wet op het specifiek cultuurbeleid (de artikelen 11a en 11b) dateren van begin jaren ’90. Sindsdien is de maatschappelijke en technologische context van het bibliotheekwerk ingrijpend gewijzigd. De drie overheden betrokken bij het bibliotheekbeleid hebben tegen deze achtergronden op 17 december 2009 een Bibliotheekcharter ondertekend. Het Bibliotheekcharter geeft een actuele invulling van de taken genoemd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Belangrijke onderwerpen daarbij zijn: de opbouw, verantwoordelijkheidsverdeling en implementatie van de digitale bibliotheek, het collectiebeleid (de Collectie NL) en certificering van bibliotheekorganisaties. Het charter heeft de periode 2010-2012 als looptijd. De drie overheden hebben afgesproken de uitvoering van de afspraken in het charter te monitoren en de resultaten halverwege het jaar 2011 te evalueren. Langs deze weg geven Rijk, provincies en gemeenten uitvoering aan de taken genoemd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Deelt u de mening dat indien de provincie Noord-Brabant besluit de subsidie aan Cubiss stop te zetten, de provincie zich onttrekt aan haar wettelijke verplichting? Zo nee, waarom niet?
De Wet op het specifiek cultuurbeleid gaat uit van een verdeling van verantwoordelijkheden tussen de drie overheden. Gezien de decentrale structuur van het bibliotheekbeleid hebben de overheden een aanzienlijke mate van vrijheid in de wijze waarop zij aan deze verantwoordelijkheid invulling geven. Het geheel beëindigen van de provinciale taken acht ik echter strijdig met de strekking van de eerder genoemde artikelen van de wet en strijdig met inhoud van recente afspraken tussen de overheden, zoals neergelegd in het Bibliotheekcharter.
Deelt u de mening dat het eventuele wegvallen van voorzieningen de ontwikkeling van de digitale bibliotheek blokkeert?
Zie het antwoord op vraag 7.
Is het waar dat bij het wegvallen van voorzieningen, zoals de digitale bibliotheek en het schoolmediatheekwerk, het voor de provincie Noord-Brabant betekent dat Brabantse bibliotheken de aansluiting op het landelijk netwerk, de voorzieningen daarin en de landelijke innovatiegelden gaan missen? Zo nee, waarom niet?
Voor de opbouw van de landelijke digitale bibliotheek is het noodzakelijk dat alle betrokken partijen hun aandeel leveren. De taakverdeling tussen de partijen is beschreven in het Bibliotheekcharter. Voor het provinciale niveau betreft dit het verlenen van ICT-diensten en het ondersteunen van de implementatie van de digitale bibliotheek bij lokale bibliotheekorganisaties. Indien de provinciale ICT-diensten in Noord-Brabant zouden wegvallen, bemoeilijkt dit in sterke mate de opbouw van de landelijke digitale bibliotheek en de aansluiting van de Brabantse bibliotheken daarop. Ik heb in het kader van het innovatieprogramma 2010 een bedrag van € 2 mln. gereserveerd voor de lokale en provinciale implementatie van de digitale bibliotheek. Een eventueel besluit van de provincie Noord-Brabant tot beëindiging van de subsidiëring van Cubiss kan aanleiding zijn mijn voorgenomen bijdrage voor de provinciale implementatie in Noord-Brabant te heroverwegen. In dit verband is het volgende relevant. Op 11 juni 2010 hebben provinciale staten van Noord-Brabant besloten over het pakket aan bezuinigingsvoorstellen, waar ook het voorstel ten aanzien van Cubiss deel van uitmaakt. Bij die gelegenheid is een amendement aangenomen met als strekking dat de subsidiekorting op Cubiss voorlopig in ieder geval 15% – en dus geen 100% – bedraagt. Tevens zal het college van gedeputeerde staten op basis van dit amendement een plan opstellen over de wijze waarop de maatschappelijke effecten van de netwerktaken van Cubiss gegarandeerd kunnen blijven.
Op welke wijze gaat u bevorderen dat provincies en gemeenten de Wet op Specifiek Cultuurbeleid ook in de toekomst blijven uitvoeren? Wat zijn de sancties wanneer gemeenten en/of provincies zich niet houden aan de Wet op Specifiek Cultuurbeleid?
De Wet op het specifiek cultuurbeleid kent geen sancties voor de situatie waarin in afwijking van of in strijd met de bepalingen met deze wet wordt gehandeld. Wel hebben de drie overheden zeer recent nog in het Bibliotheekcharter een aantal afspraken gemaakt over gezamenlijke doelen in het bibliotheekbeleid en de rolverdeling daarbij. De evaluatiebepaling in het charter geeft de mogelijkheid partijen aan te spreken op het niet nakomen van deze afspraken. Ik vertrouw er op dat de overheden deze afspraken zullen uitvoeren. Daarnaast voer ik periodiek bestuurlijk overleg met de andere overheden over het cultuurdomein. Indien daar aanleiding toe is, kan dit onderwerp voor een bestuurlijk overleg worden geagendeerd.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk te komen met een bibliotheekwet, waarin de zorgplicht van de overheid voor het openbare bibliotheekwerk wettelijk wordt verankerd? Zo nee, waarom niet?
In het Bibliotheekcharter is afgesproken dat gedurende de looptijd van het charter een aanpassing van de Wet op het specifiek cultuurbeleid zal worden voorbereid. Daarin worden onder meer de functies van het bibliotheeknetwerk en het leenverkeer opnieuw gedefinieerd. Planning is dat deze aanpassingen in werking treden na afloop van het charter, dat wil zeggen per 1 januari 2013. De inhoud van het wetsvoorstel is uiteraard onderwerp van overleg met het parlement.
Mantelzorgwoningen |
|
Hans van Leeuwen , Renske Leijten |
|
Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU) |
|
Bent u ermee bekend dat gemeenten, waaronder Schiermonnikoog, ondanks uw antwoorden op eerdere vragen1 moeite hebben met de uitleg van de regels rond plaatsing van mantelzorgwoningen en het toestaan van tijdelijke bewoning van bijgebouwen voor mantelzorg?
Ja, het is mij bekend dat de toepassing van de regelgeving voor het toestaan van mantelzorgwoningen in de praktijk vragen oproept.
Kunt u nog vóór de zomer van 2010 in een brief helder uiteenzetten:
Alvorens in te gaan op de gestelde vragen, merk ik eerst op dat het tot mijn spijt niet mogelijk is gebleken de vragen voor aanvang van de zomer van 2010 te beantwoorden. In antwoord op de vragen kan ik aangeven er groot belang aan te hechten dat gemeenten mantelzorg zoveel mogelijk faciliteren. Erkend moet echter worden dat er redenen kunnen zijn waarom bebouwing ten behoeve van mantelzorg niet in elke vorm aanvaardbaar kan worden geacht. Gemeenten beschikken, in het bijzonder binnen de bebouwde kom, over een grote mate van beleidsvrijheid om al dan niet in afwijking van een bestemmingsplan bouwwerken ten behoeve van mantelzorg bij woningen toe te staan. Dat de mogelijkheden die het ruimtelijk instrumentarium biedt bij zijn toepassing vragen oproept is mij bekend. Met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), die per 1 oktober in werking treedt, zullen deze vragen nog niet allemaal opgelost zijn. Mede ter uitvoering van de motie Pieper c.s. (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 123 XI, nr. 34) en de motie Linhard c.s. (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 123 XI, nr. 38), wordt momenteel een voorstel voorbereid waarmee wordt nagestreefd om binnen het systeem van de Wro en Wabo vereenvoudigingen door te voeren in de vergunningprocedure om afwijkingen van het bestemmingsplan toe te staan. Daarbij wordt ook de mogelijkheid betrokken om tijdelijke afwijkingen van bestemmingsplannen toe te staan. Deze mogelijkheid is nu nog beperkt tot een maximumduur van vijf jaar. Bezien wordt hoe deze regeling flexibeler kan worden gemaakt. Ook wordt bezien hoe langs eenvoudige weg kan worden toegestaan dat (al dan niet tijdelijk) woningen kunnen worden toegestaan in leegstaande gebouwen. Bovenstaande materie is complex, mede vanwege de samenhang met onder meer het Bouwbesluit 2003, de Wet geluidhinder en het Besluit milieu effectrapportage. Anders dan aanvankelijk aangenomen is inmiddels duidelijk geworden dat hierbij wijzigingen op wetsniveau onvermijdelijk zijn. Zodra een samenhangende oplossing ter uitvoering van genoemde moties concretere vorm heeft gekregen, zult u hierover bij separate brief nader worden geïnformeerd. Naar mijn verwachting kan hier richting het einde van het jaar meer duidelijkheid over worden gegeven.
Burgemeester en wethouders zijn thans bevoegd via een eenvoudige procedure (met toepassing van de zogenoemde planologische «kruimellijst») medewerking te verlenen aan uitbreiding van bestaande woningen. Dergelijke uitbreidingen kunnen ook ten dienste staan van mantelzorg van bewoners van de woning. Het bijplaatsen van een aparte mantelzorgwoning bij een bestaande woning overschrijdt thans echter de toepassingsmogelijkheden van deze «kruimelprocedure». Er geldt namelijk een beperking dat het aantal woningen niet mag toenemen. In een dergelijke situatie kan thans medewerking worden verleend voor een afwijking van het bestemmingsplan door middel van een projectbesluit. Onder de Wabo wordt dit een omgevingsvergunning die met de uitgebreide procedure wordt voorbereid.
Indien toestemming is verleend om voor slechts een bepaalde tijdsduur (maximaal vijf jaar) een bouwwerk aanwezig te hebben, geldt het vereiste dat na verloop van die tijd het bouwwerk moet verdwijnen. Voor een tijdelijk toegestaan gebruik geldt dat het gebruik na verloop van de toegestane termijn moet worden beëindigd. Bij het negeren van dit vereiste kan het bevoegd gezag handhavend optreden. Voor gevallen waarin de wens bestaat om vrijgekomen bebouwing voor andere doeleinden (bijvoorbeeld bewoning) te gebruiken, zal het afhankelijk zijn van de geldende regelgeving (waaronder het bestemmingsplan) of en welke procedure hiertoe moet worden gevolgd. Veelal zal opnieuw omgevingsvergunning nodig zijn. Het bevoegd gezag zal zich daarbij een oordeel dienen te vormen over de planologische aanvaardbaarheid van het gewenste nieuwe gebruiksdoel, dat geheel op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld. Het feit dat eerder toestemming is verleend voor een mantelzorgwoning, vormt in dat verband geen precedent.
Wat is, gelet op de bovengenoemde argumentatie, uw oordeel over het opleggen van een dwangsom door de gemeente Schiermonnikoog aan familieleden die tijdelijk een bijgebouw bewonen vanwege het verlenen van mantelzorg?
Ik kan niet treden in een lokale afweging om op een bepaald perceel al dan niet een mantelzorgsituatie toe te staan. Het is een zaak voor het gemeentebestuur om samen met initiatiefnemers te bezien in hoeverre er binnen de wettelijke mogelijkheden ruimte bestaat om mantelzorgsituaties toe te staan. Daarbij bestaat altijd de mogelijkheid om de juistheid van besluiten door de rechter te laten toetsen.