Bent u op de hoogte van de agressieve verstoring van een lezing door een pro-Israëlische activist aan de Radboud Universiteit, onder aanvoering van docent Harry Pettit?1
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat docenten, zoals Harry Pettit, een opruiende en antisemitische rol spelen binnen het onderwijs?2 3 4 5 6 Vindt u dit acceptabel, en welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Klopt het, zoals vermeld in het Telegraaf-artikel«Student Ido (26) stond op school oog in oog met iemand in Hamas-outfit: Universiteit weigert op te treden tegen haat»7, dat antisemitische activisten, zoals Scholars for Palestine, direct of indirect invloed uitoefenen op het curriculum van Nederlandse universiteiten? Zo ja, welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat antisemitische denkbeelden worden opgenomen in het academisch onderwijs?
Klopt het dat docenten die gelieerd zijn aan Scholars for Palestine meewerken aan het huidige seminarArchitecture and Colonialism aan de TU Delft en zich hebben schuldig gemaakt aan openlijk antisemitische uitlatingen, zoals vermeld in een artikel van De Telegraaf? Bent u hiervan op de hoogte, en zo ja, welke stappen worden ondernomen om dit aan te pakken?
Klopt het, zoals vermeld in het artikel, dat tijdens demonstraties op universiteiten wordt geroepen om de Intifada naar hier te verplaatsen of dat Palestina van de «river to the sea» moet worden «bevrijd» – uitspraken die neer zouden komen op een oproep tot de uitroeiing van Joden? Klopt het daarnaast dat demonstranten in sommige gevallen verschijnen in Hamas-outfits? Bent u hiervan op de hoogte, en zo ja, heeft u de universiteitsbesturen opgeroepen om hier hard tegen op te treden?
Kunt u aangeven of de antisemitische studentengroepen Free Palestine Maastricht8 9 en Amsterdam.encampment10 op enige wijze zijn of worden gefaciliteerd door een universiteit? Zo ja, op welke manier? Bent u in dat geval bereid het universiteitsbestuur te verzoeken deze facilitering per direct te beëindigen?
Klopt het dat er volgens het artikel «Harde klap voor gastlessen»11 bij de gunning voor lessen over antisemitismebestrijding op scholen geen enkele expertise op het gebied van antisemitismebestrijding werd geëist? Kunt u ons de gunning en de beoordelingsdocumenten toesturen? Steunt u de gemaakte beoordeling? Zo ja, op basis waarvan? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat Stichting Fawaka, waarvan de medewerkers eerst door een externe organisatie moeten worden bijgeschoold op aanvullende kennis over antisemitisme, toch als beste uit de gunning is gekomen?
In uw beantwoording van de schriftelijke vragen12 van het lid Uppelschoten (PVV) stelt in uw beantwoording: «Er is geen reden om te twijfelen aan de kunde die Fawaka in huis heeft om deze opdracht tot een goed einde te brengen en ik heb het volste vertrouwen in de professionaliteit van alle betrokkenen.»; kunt u toelichten waarop dit vertrouwen is gebaseerd?
Klopt het dat Sabine Scharwachter namens Fawaka trainingen verzorgt voor docenten in het voortgezet onderwijs?13 Zo ja, hoe rijmt u uw vertrouwen in Fawaka met haar uitspraken14 die oproepen tot geweld tegen Joden?15 Deelt u de mening dat iemand met dergelijke uitspraken niet thuishoort bij een stichting die lessen over antisemitisme verzorgt?
Het artikel ‘New shipyard for TenneT's German offshore platforms is being built in Spain’ |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), Beljaarts |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel op de website van Tennet «New shipyard for TenneT's German offshore platforms is being built in Spain»?
Klopt het dat de Duitse tak van Tennet onderdeel is van Tennet B.V. (besloten venootschap), althans dat Tennet B.V. de grootste aandeelhouder is van TenneT Duitsland en Tennet B.V. dus (de grootste) zeggenschap heeft over TenneT Duitsland? en daardoor (grotendeels) Nederlands staatseigendom is?
Klopt het dat de komende jaren vanuit TenneT B.V. veel geld gereserveerd is voor de versterking en verduurzaming van het Duitse net?
Hoeveel Nederlands belastinggeld wordt hierdoor geïnvesteerd in het bouwen van een nieuwe werf?
Waarom wordt de scheepswerf voor de offshore platformen van Tennet in Spanje gebouwd en niet in Nederland?
In hoeverre heeft TenneT de mogelijkheden om deze bouw in eigen land uit te voeren onderzocht?
Welke rol heeft de Sectoragenda Maritieme Maakindustrie gespeeld bij deze keuze?
Als de Sectoragenda geen rol gespeeld heeft: waarom niet?
Heeft de beschikbaarheid van subsidies of andere fiscale maatregelen in Spanje een rol kunnen spelen bij de beslissing van TenneT om te investeren in een Spaanse scheepswerf in plaats van een Nederlandse?
Bent u bereid om te onderzoeken of en in hoeverre dit het geval is en of en in hoeverre daarbij sprake is van een ongelijk speelveld tussen de Spaanse en de Nederlandse markt?
Bent u het eens dat dit een enorme investering had kunnen zijn in de Nederlandse maritieme maakindustrie en dat het spijtig is voor de sector dat deze investering niet in Nederland is gevallen?
Kunt u uitleggen hoe deze keuze van een Nederlands staatsbedrijf, waarbij Nederlands belastinggeld besteed wordt, voldoet aan de vijf actielijnen en onderliggende oplossingen die opgenomen zijn in de Sectoragenda Maritieme Maakindustrie?
Heeft het kabinet de actielijn om het strategisch belang nadrukkelijker te verankeren in het aanbestedingsbeleid van de overheid en haar staatsdeelnemingen, inmiddels uitgevoerd? Zo nee, waarom niet en waar wacht dat op?
Zo ja, waarom houdt een Nederlands staatsbedrijf zich daar niet aan, welke maatregelen kan het kabinet nemen om de bouw in Spanje terug te draaien en welke maatregelen treft het kabinet om dat in de toekomst te voorkomen?
Bent u het eens dat staatsbedrijven het goede voorbeeld moeten geven? Deelt u de opvatting dat investeringen zoals deze dus in eerste instantie bij Nederlandse werven belegd zouden moeten worden?
Kunt u uitleggen hoe u ervoor zorgt dat staatsbedrijven de Sectoragenda Maritieme Maakindustrie volgen, en hoe u hierover communiceert richting de andere ministeries?
Hebben desbetreffende ministeries het belang van de sectoragenda goed op het netvlies? Hoe is dat verankerd?
Zijn er de komende tijd meer staatsbedrijven die maritieme aanbestedingen moeten maken? Indien dit wel het geval is, wat doet u eraan om de sectoragenda mee te laten wegen in de besluiten die genomen worden?
Het bericht 'Zonnestroom is in 2027 geen cent meer waard, dus paneelbezitters zijn de dupe' |
|
Silvio Erkens (VVD), Pieter Grinwis (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Zonnestroom is in 2027 geen cent meer waard, dus paneelbezitters zijn de dupe»?1
Deelt u de mening dat consumenten een eerlijke terugleververgoeding verdienen?
Hoe beoordeelt u de voorwaarden van Greenchoice voor 2027 waar zowel de terugleverkosten als terugleververgoeding dalen, waarbij er slechts 0,25 cent per Kilowattuur (kWh) verschil tussen zit? Hoe kijkt u naar het feit dat consumenten nauwelijks nog iets overhouden aan het terugleveren van zonnestroom hierdoor?
Kunt u aangeven hoe dit verschil rijmt met de eerdere schattingen van een netto waarde van 5 cent per kWh in 2027?
In hoeverre acht u de voorwaarden van Greenchoice als «redelijke vergoeding»?
Hoe rijmt u de voorgestelde lage terugleververgoeding met het aangenomen amendement Grinwis c.s. (Kamerstuk 36 611, nr. 17) waarin wordt gevraagd om tot 1 januari 2030 de redelijke vergoeding vast te stellen op niet minder dan 50% van voor de levering overeengekomen prijs?
Bent u van mening dat er op dit moment voldoende controle is op energieleveranciers? Bent u van mening dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) voldoende kan optreden conform het aangenomen amendement Erkens c.s. (Kamerstuk 36 611, nr. 16) wanneer toch kosten voor saldering in rekening worden gebracht?
Hoe beoordeelt u de lage terugleververgoeding van Greenchoice in het licht van de wettelijke verplichting middels het amendement Erkens (Kamerstuk 35 594, nr. 22) dat de Minister vanaf 2027 tweejaarlijks een redelijke vergoeding vaststelt op advies van de ACM? Acht u 5,4 cent per kWh passend bij de belangen van afnemers volgens artikel 95a, eerste lid, van de Energiewet?
In hoeverre acht u de transparantie van andere partijen, naast Greenchoice, over de voorwaarden per 2027 van belang? Hoe ziet u dit in het licht van de verplichting om objectief aantoonbare kosten verbonden aan het hebben van zonnepanelen op een vergelijkbare wijze transparant te maken zodat huishoudens kunnen kiezen voor het beste aanbod (Kamerstuk 36 611, nr. 16)?
In hoeverre voldoen de door Greenchoice gestelde terugleverkosten aan de beperkingen die de Energiewet hieraan stelt? Kan Greenchoice onderbouwen dat de kosten direct gerelateerd zijn aan het terugleveren van zelfopgewekte hernieuwbare elektriciteit door actieve afnemers?
Hoe bent u van plan te waarborgen dat consumenten worden beschermd tegen lage terugleververgoedingen?
Welke stappen worden er genomen om het verschil tussen de verwachte netto waarde van 5 cent per kWh in 2027 en de werkelijke vergoeding aan consumenten aan te pakken?
Wat voor maatregelen wilt u treffen om ervoor te zorgen dat de norm van 50% wordt gehaald bij de terugleververgoeding na 2027?
Welke maatregelen overweegt u om de controle op energieleveranciers te versterken en ervoor te zorgen dat de ACM voldoende kan optreden tegen onterecht in rekening gebrachte salderingskosten?
Bent u van plan om de ACM op te roepen om de financiële overwegingen van Greenchoice te onderzoeken? Zo ja, wanneer kunnen we de uitkomsten van dit onderzoek verwachten? Zo nee, waarom niet?
Welke stappen gaat u nemen om de transparantie van energieleveranciers te verbeteren, zodat huishoudens met zonnepanelen duidelijk kunnen zien welke objectief aantoonbare kosten er verbonden zijn aan hun energiecontracten?
In hoeverre verwacht u dat andere energieleveranciers bij veranderingen in wet- en regelgeving de tarieven aanpassen ten nadele van consumenten? Welke maatregelen treft u mocht dit van toepassing zijn?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht ’Combinatie box 3 en Wet betaalbare huur belangrijkste reden om uit te ponden' |
|
Eline Vedder (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Mona Keijzer (BBB), Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
![]() |
Passen de resultaten van de peiling van Vastgoedinsider.nl onder 368 respondenten bij uw beeld van de belangrijkste redenen voor uitponding van verhuurd vastgoed met een zwaartepunt bij Box 3, de combinatie Box 3 en de Wet Betaalbare Huur?1
Deelt u de mening dat, ondanks dat dit geen formele steekproef betreft, deze peiling onder vastgoedbeleggers wel een signaal geeft over de belangrijkste redenen waarom vastgoedbeleggers overgaan tot uitponding?
Bent u het met ons eens dat de redenen voor de verkoopgolf zo snel mogelijk ook door de ministeries van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening én Financiën moeten worden onderzocht, zowel door gesprekken met de sector, als ook door actualisering van het onderzoek naar de effecten van stapeling van fiscale en niet-fiscale maatregelen, zodat we zo snel mogelijk gerichte maatregelen kunnen nemen?
Indien ja, op welke termijn kan de Kamer uitkomsten van een dergelijk stapelingsonderzoek verwachten?
Hoe kijkt u naar aanpassingen in de voorgenomen tegenbewijsregeling onder het overbruggingsstelsel op korte termijn, waar ook een meerderheid van de Kamer om heeft gevraagd, om verdere uitponding te voorkomen?
Indien u niet bereid bent hier stappen op te zetten, wat is hiervan de reden?
Bent u bekend met de uitzending van EenVandaag van 6 maart 2025 over de derde hoofdtaak van defensie en de bezuiniging op rampenbestrijding?
Kunt u reflecteren op de conclusies in het rapport «De derde hoofdtaak van de Krijgsmacht» van 4 maart 2025, waarin wordt aangegeven dat de voorbereiding tekortschiet, de gestelde doelen onrealistisch zijn en dat de doelen niet zijn afgestemd met de civiele diensten?
Kunt u reflecteren op de aanbevelingen van het rapport, die pleiten voor betere afstemming tussen de ministeries van Defensie en Justitie en Veiligheid?
Welke mogelijkheden ziet u vanuit de overheid om burgers zoveel mogelijk te steunen bij het voorbereiden op mogelijke rampen, zodat de burger niet het gevoel heeft er alleen voor te staan?
Kunt u aangeven of u vindt dat weerbaarheid van de samenleving vergroot moet worden, ook ten aanzien van rampenbestrijding? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u voor de overheid om het beleid ten aanzien van rampenbestrijding te verbeteren, indachtig de conclusies van het rapport?
Kunt u aangeven welke maatregelen genomen gaan worden om de burgers weerbaarder te maken met de huidige dreigingen van conflicten en grootschalige calamiteiten?
Kunt u, in opvolging van onder andere de toezegging om daarnaar te kijken tijdens de begrotingsbehandeling J&V in november 2024, en de aangenomen motie Van der Wal c.s. (Kamerstuk 36 600 X nr. 45) tijdens de begrotingsbehandeling defensie in december 2024, aangeven wanneer en in welke vorm u van plan bent om uitvoering te geven aan het verzoek vanuit de Kamer om informatie naar Zweeds model aan alle inwoners van Nederland te verschaffen?
Kunt u toelichten hoe de huidige focus op defensie hoofdtaak 1 in verhouding staat met een mogelijke inzet voor defensie hoofdtaak 3 (rampenbestrijding)?
Kunt u toelichten wat daardoor de gevolgen zijn voor de inzet van de krijgsmacht bij rampenbestrijding en hoe de samenwerking met de civiele diensten op dit moment geregeld is? Zijn er in de samenwerking met de veiligheidsregio’s verschillen?
Kunt u aangeven waarom een aantal gegarandeerde capaciteiten onder druk staan, zoals op de schoonmaakdienst bij een chemisch ongeluk en de maritieme explosieve opruimingsdienst? Kunt u daarbij toelichten welke acute risico’s dit geeft en wat hiertegen gedaan wordt?
Kunt u aangeven of en hoe het honoreren van alle verzoeken tot incidentele bijstand en steunverlening van civiele autoriteiten op termijn vol te houden is met het oog op de capaciteitstekorten?
Kunt u aangeven of er tijdens de aankomende NAVO-top in juni additionele verzoeken mogelijk zijn ten aanzien van de inzet voor eventuele rampenbestrijding?
Kunt u deze vragen binnen een termijn van vier weken beantwoorden?
Het bericht 'Gemeenten willen kwetsbare jongeren leefgeld geven, maar botsen met de wet' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Nobel |
|
![]() |
Bent u bekend met het NOS-artikel «Gemeenten willen kwetsbare jongeren leefgeld geven, maar botsen met de wet»?1
Erkent u dat er op dit moment een enorm maatschappelijk probleem is van 350.000 jongeren die serieuze problemen ondervinden op weg naar volwassenheid?
Ziet u dat deze interventie van het Bouwdepot een oplossing kan zijn voor een deel van deze doelgroep kijkend naar de resultaten van pilots?
Kunt u uitleggen waarom u een initiatief vanuit het maatschappelijk middenveld ontmoedigt die bewezen effectief is en waar gemeenten, hulpverleners en jongeren enthousiast over zijn? Waarom kiest u er niet voor om er juist alles aan te doen om deze interventie op te schalen, ook gelet op de eenvoud en uitvoerbaarheid van de interventie?
Past dit initiatief niet juist bij het streven van het kabinet, om meer maatwerk en vertrouwen toe te passen binnen de sociale zekerheid? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het debat over de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zei u over dit initiatief dat u het een heel sympathiek idee vindt. Waarom roept u de gemeenten op het matje in plaats van hen te helpen deze interventie mogelijk te maken?
In het bericht zegt u dat er aanpassingen nodig zijn voor het project van stichting Bouwdepot en dat u dit landelijk wil regelen.2 Bent u bereid om de wet aan te passen zodat het zonder ontmoedigingsbeleid kan worden voortgezet?
Kunt u aangeven hoe de interventie van het Bouwdepot wel in de herziene P-wet (Participatiewet) kan worden ingepast? Wat is hiervoor nodig?
Bent u bereid om het voortouw te nemen om deze wettelijke ruimte te creëren voor zulke maatschappelijke interventies vanuit het maatschappelijk middenveld?
Kunt u de bovenstaande vragen een voor een beantwoorden voor de plenaire behandeling van Participatiewet in balans.3
De antwoorden op eerder gestelde vragen over het bericht ‘Woningsplitsing levert nog weinig extra huizen op’ |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (BBB) |
|
![]() |
Wat is de onderliggende databron waar cijfers over onder andere woningsplitsen vandaan komen?1 2
Wat is de rol van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) bij het verkrijgen van data, aangezien ook de status van verblijfsobjecten, verleende vergunningen, etc. daarin worden bijgehouden?
Is er een probleem met het hanteren van de definities waardoor u aangeeft dat het verschil niet altijd gemaakt kan worden tussen optoppen en splitsen?
Wat is de oplossing voor het geconstateerde probleem rond definities en hoe snel kan dit worden opgelost?
Wanneer zijn de volledige cijfers over 2024 wel beschikbaar?
Hoe komt het dat er op 7 maart 2025 alleen cijfers beschikbaar zijn over de eerste twee kwartalen van 2024?
Wat moet er, indachtig de aangenomen motie van het lid Welzijn over sturingsinformatie per kwartaal, gebeuren om aan sturingsinformatie op kwartaalbasis te komen voor nieuwbouw, transformatie, splitsen en optoppen?
Wat is de startbouw en de verwachtte oplevering van de projecten waarvan u aangeeft dat u er doorbraken heeft geforceerd (Kronenburg, 438 woningen, Gnephoekpolder 5.500 woningen, Bleizo 5.000 woningen, Lisserbroek/Nieuw Vennep tenminste 6.500 woningen)?
Wanneer is de scan naar splitspotentie in gemeenten afgerond?
Hoe gaat het programma Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving (STOER) invloed hebben op het realiseren van meer woningen door splitsen?
Hoe gaat u erop toezien dat gemeenten de verschillende handvaten die u aanreikt zoals de splitsgids en de mogelijkheid om in sommige gevallen vergunningsvrij te splitsen, ook actief gebruiken om woningen te realiseren middels splitsen?
Kunt u deze vragen binnen drie weken één voor één beantwoorden?
Geweld tegen klimaatdemonstranten |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Judith Uitermark (NSC), van Weel , Struycken |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht en de beelden van het feit dat een Statenlid een vreedzame demonstrant van Extinction Rebellion bij het Provinciehuis van Noord-Holland heeft aangereden?1 2
Bent u ermee bekend dat het Statenlid heeft bekend dat hij zonder te remmen doorgereden is, dat hij daarmee dus bewust risico’s heeft genomen en dat hij daarbij een demonstrant met zijn auto raakte, maar dat hij geen excuses daarvoor wil aanbieden?
Wat vindt u van het optreden en reactie van het betreffende Statenlid, in het kader van veiligheid en rechten van demonstranten?
Bent u bereid om bij dezen de actie van het Statenlid onomwonden te veroordelen, ook om de kans te verlagen dat meer mensen zulk geweld in de toekomst gaan gebruiken? Zo nee, bent u zich ervan bewust dat u dan geweld tegen demonstraten legitimeert?
Welke acties gaat u naar aanleiding van dit ernstige feit ondernemen om demonstraten in de toekomst te beschermen?
Bent u zich bewust van het feit dat online en in programma’s zoals Vandaag Inside steeds meer oproepen worden gedaan om vreedzame demonstraten van onder andere Extinction Rebellion met geweld te bejegenen?3 Wat vindt u daarvan?
Ziet u ook dat oproepen om demonstranten met geweld te bejegenen (zoals bij Vandaag Inside toen iemand aan tafel opriep om met tanks over XR-demonstranten te rijden) gevaarlijk zijn, het demonstratierecht bedreigen en tot meer geweld tegen demonstranten kunnen leiden? Zo, ja wat gaat u hieraan doen?
Kunt u alle bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
De structurele gedragscrisis in het Nederlandse onderwijs |
|
Uppelschoten |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse klas scoort wereldwijd slecht op discipline. «Beleid is dringend nodig»»?1
Onderschrijft u de conclusie dat Nederland op het gebied van klassikale discipline een van de slechtst presterende landen van Europa is en dat dit naar alle waarschijnlijkheid direct bijdraagt aan dalende onderwijsopbrengsten? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om het gezag van de leraar te herstellen en orde in de klas te garanderen?
Bent u bereid om een zero-tolerance beleid in te voeren voor leerlingen die structureel overlast veroorzaken, zodat de leeromgeving niet langer wordt gesaboteerd? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de rechten van gemotiveerde leerlingen niet langer ondergeschikt worden gemaakt aan de verstorende invloed van leerlingen die niet willen?
Deelt u de mening dat het gebrek aan klassikale orde niet alleen de leerbaarheid van leerlingen aantast, maar ook de aantrekkelijkheid van het leraarschap ernstig schaadt, met als gevolg een versterking van het lerarentekort? Welke concrete beleidsmaatregelen gaat u nemen om docenten te beschermen tegen structurele ordeproblemen en hen te ondersteunen in het handhaven van discipline?
Deelt u de opvatting dat de wanorde en chaos in de klas niet alleen het leerklimaat ondermijnen, maar ook de sociale veiligheid binnen scholen ernstig aantasten? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om scholen te ondersteunen bij het herstellen van een veilige en ordelijke leeromgeving?
De ontwikkelingen van hypotheken in 2024 |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (BBB) |
|
![]() |
Kunt u inzichtelijk maken wat de gemiddelde koopprijs van woningen in de bestaande bouw in 2024 was en hoe deze prijs gedurende de kwartalen ontwikkelde?
Kunt u inzichtelijk maken wat de gemiddelde koopprijs van woningen in de nieuwbouw in 2024 was en hoe deze prijs gedurende de kwartalen ontwikkelde?
Kunt u voor zowel de bestaande bouw als nieuwbouw inzichtelijk maken hoeveel woningen er gekocht werden met een koopprijs tot en met € 200.000, tussen de € 200.000 en € 250.000, tussen de € 250.000 en € 300.000, tussen de € 300.000 en € 350.000, tussen de € 350.000 en € 400.000, tussen de € 400.000 en € 450.000 en vanaf € 450.000 in 2024 en hoe deze gegevens zich per kwartaal van 2024 ontwikkelden?
In hoeveel gevallen van het totaal aantal afgesloten hypotheken ging het om het oversluiten van een hypotheek en wat was de gemiddelde hoogte?
Welk deel van de afgesloten hypotheken in de bestaande voorraad is bestemd voor verduurzaming van de woning?
Welk deel van de afgesloten hypotheken in de bestaande voorraad is bestemd voor funderingsherstel van de woning?
In welke mate is er een effect zichtbaar op de hoogte van de hypotheken door opgaven als verduurzamen en funderingsherstel?
In welke mate zaten de opgaven verduurzamen en funderingsherstel in de jaren voor 2024 in de hypotheken?
Kunt u aan de hand van de verleende gegevens een reflectie geven op de ontwikkelingen?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Een nieuw uitgesproken fatwa. |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Schoof , van Weel , Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de zeer recente nieuwe fatwa tegen mij, uitgegeven door de al eerder in Nederland door de rechtbank Den Haag veroordeelde Pakistaanse emir Hafiz Saad Hussain Rizvi, waarin hij ook moslims die in Nederland wonen opdraagt «de vervloekte Wilders» te doden? Wat is uw oordeel daarover?
Ja. Het kabinet keurt fatwa’s en bedreigingen nadrukkelijk af. Bedreigingen, in het bijzonder gericht tegen volksvertegenwoordigers, hebben absoluut geen plaats in onze samenleving. Democratisch gekozen politici moeten vrij en veilig hun werk kunnen doen.
Heeft u ook kennisgenomen van de vele reacties daarop zoals het publiekelijk verbranden van mijn foto door islamitische extremisten in Pakistan, vele filmpjes van moslims die zeggen en oproepen mij te vermoorden alsmede talrijke andere doodsbedreigingen in woord en beeld? Wat is uw oordeel daarover?
Zie antwoord vraag 1.
Welke actie heeft of zal het kabinet en het OM hierover politiek en juridisch ondernemen jegens de autoriteiten van Pakistan en de dader?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op 28 februari jl. zijn ernstige afkeuring uitgesproken van de tweet van de heer Rizvi, waarin hij opriep tot het doden van de heer Wilders. De opvatting van het kabinet over de betreffende tweet is overgebracht aan de Pakistaanse autoriteiten.
De Minister van Justitie en Veiligheid treedt niet in individuele zaken. In algemene zin kan worden aangegeven dat wanneer personen die verdacht worden van strafbare feiten of daarvoor veroordeeld zijn zich in het buitenland bevinden, de Nederlandse autoriteiten afhankelijk van de medewerking van andere staten zijn. Wij verwijzen in dat verband ook naar de brief aan uw Kamer van 2 september jl., waarin het kader van internationale strafrechtelijke samenwerking wordt beschreven.1
Bent u het eens dat de maat onderhand wel een keer vol is en dat het onaanvaardbaar is dat de Pakistaanse autoriteiten niet meewerken aan de tenuitvoerlegging van het eerdere vonnis en evenmin optreden tegen de persoon die een Nederlandse parlementariër met de dood blijft bedreigen en middels een fatwa moslims – ook uit Nederland – oproept mij te vermoorden? Zo ja, welke actie gaat u nu ondernemen, zo nee, waarom niet?
Wij zijn ons ervan bewust dat het lid Wilders al jarenlang wordt geconfronteerd met ernstige bedreigingen. Zoals ook aangegeven bij antwoord op vragen 1 en 2, keurt het kabinet fatwa’s en bedreigingen nadrukkelijk af. Bedreigingen tegen politieke ambtsdragers door of vanuit andere landen die niet meewerken aan opsporing, vervolging of berechting hiervan, worden niet geaccepteerd en hierop wordt geacteerd. Dit uitgangspunt staat buiten kijf.
Zoals gemeld in de beantwoording van eerdere Kamervragen van het lid Wilders, spant het kabinet zich maximaal in om de Pakistaanse autoriteiten te laten meewerken aan de verzoeken met betrekking tot de in Nederland veroordeelde personen.2 Nederland brengt de verzoeken op alle geëigende niveaus nadrukkelijk onder de aandacht van de Pakistaanse autoriteiten.
Kunt u deze vragen voor dinsdag 18 maart beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het artikel ‘VN-rapport: vrouwenrechten onder grote druk, discriminatie diep verankerd’ |
|
Heite |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Bent u bekend met het NOS artikel «VN-rapport: vrouwenrechten onder grote druk, discriminatie diep verankerd» van donderdag 6 maart 2025?
Ja.
Kunt u reflecteren op de conclusies in het VN-rapport ten opzichte van de huidige staat van vrouwenemancipatie in Nederland?
Het VN-rapport bevestigt voor mij opnieuw dat gelijkheid tussen mannen en vrouwen over de breedte van de samenleving geen gegeven is. Het vergroten van deze gelijkheid vraagt de inzet van velen. Dit kabinet blijft zich daarom inzetten om de positie en rechten van vrouwen in onze samenleving te verbeteren.
Gezien de toenemende druk op rechtsstatelijke normen en een opkomende antirechtenbeweging roept het rapport ook op tot het behouden en versterken van instituties die bezig zijn met het coördineren, bevorderen en opstellen van beleid en regelgeving voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Die handschoen pak ik graag op als coördinerend bewindspersoon voor Emancipatie.
Bent u van mening dat het VN-rapport wijst op de noodzaak om (extra) maatregelen te nemen om vrouwenemancipatie in Nederland te ondersteunen en kunt u daarbij toelichten om welke extra maatregelen het gaat?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is een doorlopende inzet vereist om toe te werken naar meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen. In mijn Kamerbrief van 18 november jl. heb ik uiteengezet wat de uitgangspunten van dit kabinet zijn voor het emancipatiebeleid. Het kabinet zet daarbij in op twee prioriteiten: «Iedereen moet veilig kunnen zijn» en «Iedereen moet volwaardig kunnen meedoen». Voor de zomer stuur ik uw Kamer de Emancipatienota waarin ik de genoemde prioriteiten uitwerk.
Kunt u aangeven wanneer u de toegezegde nieuwe Emancipatienota met de Kamer zult delen?
Ik stuur de Emancipatienota voor het zomerreces naar uw Kamer toe.
Kunt u toelichten waarom Nederland in 2024 voor het derde jaar op een rij op de 28ste plaats stond van de Global Gender Index en dat geconcludeerd kan worden dat Nederland het daarmee slechter doet dan een aanzienlijk deel van de omringende westerse landen, zoals de Scandinavische landen, Duitsland, België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Spanje, Portugal en Zwitserland?
De Global Gap Index kijkt naar de voortgang op vier vlakken: economische participatie en kansen, toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en levensverwachting, en politieke invloed. Nederland scoorde 77,5% en kwam daarmee op de 28ste plek.
Deze uitkomsten zijn te verklaren door de specifieke onderwerpen waarop in deze index wordt gelet. Zo scoort Nederland slechter op politieke participatie van vrouwen dan bijvoorbeeld Duitsland en Bangladesh. Dit komt onder meer omdat gekeken wordt naar het aantal jaren waarin Nederland een vrouw als staatshoofd heeft gehad.
Voor het in kaart brengen van gendergelijkheid bestaan verschillende indexen. Het is daarom van belang om van elke index te doorgronden wat de cijfers betekenen en wat we daarvan kunnen leren voor ons beleid. In andere indexen die een breder scala aan inhoudelijke thema’s beslaan, zoals de Europese Gender Equality Index en de VN Gender Inequality en Development Index, behoort Nederland steevast bij de top.
Kunt u reflecteren op het uiteenlopende verschil tussen de scores voor Nederland van de Gender Equality Index en de Global Gender Gap Index?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 kunnen verschillen in scores verklaard worden door te kijken naar de gekozen indicatoren en databronnen. Zo worden landen in de Gender Equality Index ook vergeleken op het thema tijdsbesteding. Nederland scoort in deze Index 78,8 op een schaal van 1 tot 100 en komt daarmee na Zweden en Denemarken op de derde plaats.
Kunt u aangeven welke urgente emancipatiekwesties op dit moment uw aandacht hebben en kunt u daarbij aangeven hoe u in verbinding staat met de samenleving over deze kwesties?
Een belangrijk uitgangspunt voor dit kabinet is dat het emancipatiebeleid zich richt op het toegroeien naar een samenleving waar personen of groepen vrij en zelfstandig kunnen leven en waarbij eenieder ruimte heeft om eigen keuzes te maken. De urgente emancipatiekwesties die ik zie worden gereflecteerd in de Kabinetsbrede prioriteiten zoals beschreven in het antwoord op vraag 3. Mijn doel is om op deze vlakken vooruitgang te realiseren. Ik zie het belang van deze prioriteiten elke dag terug in mijn werk, bijvoorbeeld op werkbezoeken aan onderwijsinstellingen of maatschappelijke organisaties. Ook zag ik dit terug in de vele gesprekken met ambtsgenoten en andere betrokkenen tijdens de Commission on the Status of Women bij de Verenigde Naties (VN) eerder dit jaar, waar ik in de plenaire vergadering namens het Koninkrijk een speech uitsprak over deze urgente emancipatiekwesties.
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om de financiële onafhankelijkheid van vrouwen te vergroten, gezien het feit dat nog steeds een groot deel economisch afhankelijk is van een partner of overheidssteun?
Vrouwen die (meer) willen en kunnen werken, moeten alle ruimte en steun krijgen om dat te doen. Dit draagt bij aan de financiële onafhankelijkheid van vrouwen. De brede inzet van het kabinet om de financiële onafhankelijkheid van vrouwen te stimuleren zal voor de zomer in de Emancipatienota met uw Kamer worden gedeeld. Twee voorbeelden kan ik alvast geven:
Welke stappen zet het kabinet om de economische zelfstandigheid van vrouwen met een migratieachtergrond te bevorderen?
Vanuit de projecten gericht op zelfbeschikking zet het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in op de financiële zelfredzaamheid van vrouwen met een migratieachtergrond in een financiële afhankelijkheidsrelatie. In samenwerking met vrouwenorganisaties werken zij aan meer bewustwording van vrouwen van hun financiële situatie en mogelijkheden en aan het zetten van een eerste stap naar (vrijwilligers)werk.
Met de werkagenda van het programma Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (VIA) van het Ministerie van SZW geven we invulling aan de pijler «Nieuwkomers aan het Werk» uit de Actie-agenda Integratie van de Staatssecretaris van Participatie & Integratie (P&I). De Werkagenda VIA wordt in mei naar de Tweede Kamer gestuurd. In de Werkagenda VIA staan maatregelen beschreven om de begeleiding naar werk voor vrouwelijke statushouders te verbeteren en gemeenten te ondersteunen bij de inrichting van hun werkprocessen zodat zij vrouwelijke statushouders beter naar werk begeleiden.
Verder bevordert de subsidieronde «Economische Zelfstandigheid» binnen het programma Vakkundig aan het Werk de economische zelfstandigheid van vrouwen door het stimuleren van de ontwikkeling van wetenschappelijk onderbouwde tools en werkwijzen voor gemeenten, zodat zij de vrouwen optimaal kunnen ondersteunen richting betaald werk en economische zelfstandigheid. Vanuit deze subsidieronde wordt nog een jaar subsidie gegeven voor de verdere implementatie en verspreiding van de resultaten van het project «Arbeidstoeleiding van vrouwelijke statushouders met weinig opleiding in de gemeente Den Bosch».
Welke recente inzichten heeft u over de loonkloof tussen mannen en vrouwen in Nederland en welke sectoren kennen de grootste ongelijkheid?
Uit de Monitor loonverschillen mannen en vrouwen 2022 van het CBS blijkt dat vrouwen gemiddeld per uur nog steeds minder verdienen dan mannen. In 2022 lag het gemiddelde uurloon bij de overheid voor vrouwen 5,1% lager en in het bedrijfsleven 16,4% lager dan mannen. Het CBS brengt ook het statistisch gecorrigeerde loonverschil in kaart. Gekeken is in welke mate geslacht nog een rol speelt in de beloning wanneer rekening wordt gehouden met factoren die invloed hebben op de hoogte van lonen. Dit statistisch gecorrigeerde loonverschil was in 2022 bij de overheid 1,8% en in het bedrijfsleven 6,9%.
Het loonverschil neemt over de jaren heen slechts langzaam af. In het bedrijfsleven was het ongecorrigeerde loonverschil tussen mannen en vrouwen in 2022 het grootst binnen de bedrijfstakken financiële dienstverlening (24%) en handel (22,5%).
In hoeverre heeft het wettelijke streefcijfer voor vrouwen in topfuncties effect gehad en bent u bereid om strengere quota in te voeren als de voortgang uitblijft?
Het Centraal Planbureau (CPB) heeft in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de effectiviteit van het ingroeiquotum voor de beursgenoteerde bedrijven op de korte termijn onderzocht. Zij constateren dat het quotum effect heeft en heeft geleid tot een meer evenwichtige man-vrouwverdeling in de raden van commissarissen van beursgenoteerde bedrijven. Vennootschappen die niet beursgenoteerd zijn, blijven hierin achter. Een tweede meting door het CPB naar de effecten van de invoering van het quotum zal begin 2026 naar de Kamer worden gezonden.
Verder blijkt uit de SER Scorecard 2025 dat het aantal vrouwen in topfuncties gestaag toeneemt. Eind 2023 is het aantal vrouwelijke bestuurders gestegen van 14,7% in 2022 naar 15,3%. In de raden van commissarissen is het beeld wat anders en is er sprake van een lichte afname van 26,2% naar 25,7%. Deze cijfers vereisen een voorzichtige interpretatie, omdat het aantal bedrijven dat aan de SER over 2023 heeft gerapporteerd flink is toegenomen. De nieuwkomers hebben gemiddeld minder vrouwen aan de top dan de bedrijven die al langer rapporteren aan de SER.
De komende jaren zal ik de positie van vrouwen in topposities nauwkeurig blijven monitoren. En in 2027 zal de Topvrouwenwet tussentijds worden geëvalueerd. Op basis daarvan wil ik bezien of eventuele aanvullende maatregelen nodig en wenselijk zijn.
Welke rol ziet het kabinet voor zichzelf om werkgevers en vakbonden te stimuleren gelijke salarissen actief na te streven?
Het kabinet werkt aan het wetsvoorstel ter implementatie van de EU Richtlijn loontransparantie. Het wetsvoorstel introduceert verschillende transparantieverplichtingen en maatregelen gericht op de versterking van de rechtsbescherming van werknemers om zo gelijk loon voor mannen en vrouwen te bevorderen. Het conceptwetsvoorstel wordt binnenkort opengesteld voor internetconsultatie. Het streven is het wetsvoorstel in de tweede helft van 2025 aan te bieden aan uw Kamer.
Kunt u aangeven welke maatregelen u gaat nemen ten aanzien van femicide, naar aanleiding van de conclusie dat Nederland in 2024 binnen Europa het land met de hoogste femicidecijfers was?
Het kabinet bouwt voor op het plan van aanpak «Stop Femicide!» zoals opgesteld door het vorige kabinet.1 Voor de aanvullende maatregelen die dit kabinet neemt verwijs ik naar de Kamerbrief die uw Kamer op korte termijn ontvangt.
Klopt het dat het gebruik van vrouwelijke genitale verminking wereldwijd toeneemt en ziet u daarvoor ook aanwijzingen in Nederland?
Het kabinet vindt vrouwelijke genitale verminking een verwerpelijke en onaanvaardbare praktijk waartegen meisjes en vrouwen beschermd moeten worden. De aanpak van vrouwelijke genitale verminking, als vorm van schadelijke praktijken, is voor dit kabinet dan ook een belangrijk thema. Het kabinet vindt het van belang om scherp zicht te hebben op het aantal slachtoffers van vrouwelijke genitale verminking.
UNICEF haalt de data uit de nationale demografische enquêtes van landen (DHS-data). Het klopt dat het absolute aantal gevallen van vrouwelijke genitale verminking afgelopen 8 jaar is toegenomen van ca. 200 naar 230 miljoen. Hoewel het absolute aantal toeneemt, neemt het percentage vrouwelijke genitale verminking in veel landen af. Dat het absolute aantal toch toeneemt komt door de hoge bevolkingsgroei in de landen waar vrouwelijke genitale verminking prevalent is. Daarnaast wordt de toename voor een deel veroorzaakt doordat vrouwelijke genitale verminking in steeds meer landen wordt meegenomen in bevolkingsonderzoeken waardoor het zicht op het aantal gevallen verbetert en de prevalentie van vrouwelijke genitale verminking beter in beeld komt.
Het is lastig uitspraken te doen over de impact van deze stijging op Nederland. Het meest recente prevalentieonderzoek is in 2019 gepubliceerd. Dat onderzoek wees uit dat naar schatting ongeveer 41.000 vrouwen slachtoffer waren van genitale verminking waarvan ongeveer 15.000 de meest ingrijpende vorm. Op dit moment voert Pharos, met subsidie van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), een nieuw prevalentieonderzoek uit. Het onderzoek is gericht op de omvang en risico’s van de verschillende vormen van schadelijke praktijken, waaronder vrouwelijke genitale verminking, en het brengt in beeld wat de bestaande sociale normen zijn die ten grondslag liggen aan deze problematiek. Naar verwachting worden de resultaten van dit onderzoek eind 2025 gepubliceerd en gepresenteerd in een afsluitend symposium door Pharos. De resultaten zullen met uw Kamer worden gedeeld.
Hoe wordt samengewerkt met gemeenschappen waarin vrouwelijke genitale verminking voorkomt om bewustwording en gedragsverandering te stimuleren?
Het Ministerie van OCW financiert de Alliantie verandering van binnenuit waarin verschillende zelforganisaties van gemeenschappen waar vrouwelijke genitale verminking voorkomt, werken aan preventie van schadelijke praktijken zoals vrouwelijke genitale verminking. Hierbij wordt ingezet op het bevorderen van normverandering «van binnenuit» gesloten gemeenschappen, via getrainde «voortrekkers» die hun wortels hebben in zulke gemeenschappen. Dit doen zij onder andere via dialoogsessies, conferenties en lotgenotengroepen, die worden geleid door gespreksleiders die zelf onderdeel zijn van zulke gemeenschappen.
Het Ministerie van VWS verleent subsidie aan Federatie Somalische Associaties Nederland (FSAN), en via Movisie aan Inspraakorgaan Turken in Nederland (IOT), Turkse Arbeidersvereniging Nederland (HTIB), Kezban, Landelijke Werkgroep Mudawwanah (LWM), Vluchtelingen-Organisatie Nederland (VON) en Voice of all Women (VOAW) bedoeld voor voorlichting aan de gemeenschappen die zij vertegenwoordigen. Deze organisaties geven op verschillende innovatieve manieren vorm aan de voorlichting over bijvoorbeeld het herkennen van signalen van vrouwelijke genitale verminking en inzicht in passende hulpverlening. Hiervoor wordt onder andere gewerkt met sleutelpersonen uit gemeenschappen waar vrouwelijke genitale verminking voorkomt. Het effect hiervan wordt gemonitord.
Op welke wijze worden maatschappelijke organisaties betrokken bij de voorbereiding van de aangekondigde Kamerbrief en het emancipatiebeleid in het algemeen en kunt u toelichten of u structureel overleg overweegt te intensiveren met maatschappelijke organisaties en andere betrokkenen?
Het bereiken van onze emancipatiedoelen is niet denkbaar zonder de inzet van maatschappelijke organisaties die in de samenleving staan, expertise hebben over uiteenlopende emancipatiethema’s en in verbinding staan met verschillende doelgroepen. Om die reden worden maatschappelijke organisaties dan ook in de voorbereiding van mijn Emancipatienota geconsulteerd. U kunt er van mij op aan dat mijn ambtenaren en ik in goed contact staan met maatschappelijke organisaties en andere stakeholders waar het op emancipatievraagstukken aankomt.
Kunt u deze vragen één voor één binnen een termijn van drie weken beantwoorden?
Ja, de vragen worden binnen de door uw Kamer vastgestelde termijn van drie weken beantwoord.
Het artikel 'Gemeente checkt of huurders niet te veel betalen; ‘Het is bij de beesten af’' |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (BBB) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het NOS-artikel?1
Wat vindt u van situaties waarin huurders naast de huur die ze betalen daarboven op een bedrag onder de radar af moeten staan aan de verhuurder?
Kunt u aangeven in welke mate deze situaties, waarbij huurders onder de radar een extra bedrag betalen aan de verhuurders, zich ontwikkelen c.q. zijn verergerd?
Deelt u de zorgen over wat er in de praktijk met huurders gebeurt, ondanks de beschermende werking die uit moet gaan van wetten als de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur en kunt u uw antwoord onderbouwen?
Kunt u aangeven welke concrete resultaten er geboekt zijn met het ingaan van de Wet goed verhuurderschap op 1 juli 2023?
Bent u bereid om de Wet goed verhuurderschap na twee jaar te evalueren in plaats van na vijf jaar, zoals in de evaluatiebepaling van de wet staat en kunt u uw antwoord onderbouwen?
Kunt u aangeven waarom u wel of niet tevreden bent met de geboekte resultaten van de Wet goed verhuurderschap?
Kunt u aangeven in hoeverre alle gemeenten in Nederland voorzien zijn van een meldpunt waar huurders bij terecht kunnen?
Kunt u aangeven hoeveel huurders zich gemeld hebben bij gemeenten en in hoeveel gevallen er actief opgetreden is tegen verhuurders die te hoge huren van hun huurders verlangden?
Welke bestuursrechtelijke instrumenten staan gemeenten precies ter beschikking om op te kunnen treden tegen verhuurders die te hoge (woeker)huren vragen c.q. huren die niet in overeenstemming zijn met het puntensysteem van het woningwaarderingsstelsel?
Hoe ziet u de relatie tussen enerzijds de gemeente waarvan het college geacht wordt in voorkomend geval op te treden op grond van de Wet betaalbare huur en anderzijds de bestaande huurcommissies die daarin eveneens een taak hebben?
Wat vindt u van het gegeven dat huurders, zolang de gewenste bouwopgaven van 100.000 woningen per jaar niet gerealiseerd worden, afhankelijk zijn van handhaving?
Hebben de gemeenten de capaciteit om te (blijven) handhaven en huurders die nu ten onrechte uitgeknepen worden te beschermen tegenover verhuurders met kwade bedoelingen?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Een Amerikaanse ‘kill switch’ in de F-35 straaljagers |
|
Jimme Nordkamp (PvdA) |
|
Ruben Brekelmans (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht van Bild1 en het bericht van Financial Times2 over zorgen over een Amerikaanse «kill switch» in de F-35 straaljagers?
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van Joachim Schranzhofer, hoofd communicatie van het bedrijf Hensoldt, (dat een technische samenwerkingspartner is van de F-35-fabrikant Lockheed Martin) dat de zogenaamde «kill switch» in de F-35 «meer dan alleen een gerucht» is? Deelt u de zorgen over een dergelijke «kill switch»?
Defensie is niet op de hoogte van het bestaan van een «kill switch» in de F-35. Wij delen dan ook niet de zorgen hierover.
Kunt u uitsluiten dat er sprake is van een dergelijke «kill switch» in de F-35 of andere Amerikaanse wapensystemen? Kunt u dit antwoord onderbouwen?
Door het F-35 Joint Program Office (JPO) is uitdrukkelijk bevestigd dat er geen sprake is van een «kill switch» in de F-35. De F-35 wordt ontwikkeld, ingezet en onderhouden als een gemeenschappelijk platform dat rust op een sterk partnerschap met de VS en andere landen over de gehele wereld. De F-35 is daarmee een gemeenschappelijke inspanning die de expertise en bijdragen van alle deelnemende landen integreert. Het F-35 programma is gebaseerd op afspraken met alle F-35 landen op basis waarvan alle F-35 gebruikers de noodzakelijke capaciteiten hebben om de F-35 effectief in te zetten en te onderhouden.
Welke Amerikaanse wapensystemen zijn er momenteel in gebruik bij Defensie?
Naast de F-35’s zijn onder meer de volgende Amerikaanse wapensystemen in gebruik bij Defensie: Chinooks, Apaches, Reaper, Patriot en Stinger.
Heeft Defensie toegang tot de broncodes van alle in gebruik genomen Amerikaanse wapensystemen?
Nee.
Kunt u garanderen dat Nederland volledige operationele soevereiniteit heeft over onze wapensystemen van Amerikaanse origine of behoudt Amerika controle over de inzet van Amerikaans geproduceerd wapentuig? Kunt u aangeven op basis waarvan u deze garantie wel of niet kan geven?
Ja. Nederland heeft operationele soevereiniteit over van oorsprong Amerikaanse wapensystemen. Van controle van de VS over de inzet van deze wapensystemen is geen sprake. Alleen wanneer de VS besluit de aanvoer van reserveonderdelen te blokkeren, heeft dat implicaties voor de inzet en het voortzettingsvermogen van door Nederland gebruikte wapensystemen die van oorsprong Amerikaans zijn.
Zijn u voorbeelden bekend van hoe de VS in het verleden door hun geleverde wapensystemen hebben beperkt, bijvoorbeeld door softwaresloten, geofencing of afhankelijkheid van de Amerikaanse toeleveringsketen?
Nee.
Welke consequenties zou het voor Nederland, of andere Europese bondgenoten, hebben als de VS van oorsprong Amerikaanse wapensystemen zouden beperken of uitschakelen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Zijn er voldoende voorraden van onderdelen om in het geval van een hiaat in ondersteuning de afhankelijkheid van de Amerikaanse toeleveringsketen tijdelijk te ondervangen? Zo ja, met wat voor periode wordt rekening gehouden bij het aanleggen van dergelijke voorraden?
De huidige voorraden van de krijgsmachtsdelen zijn ingericht om de gereedstelling te ondersteunen. Deze ondersteuning is gebaseerd op jarenlange ervaring met de leveranciers. Dit geldt dus ook voor de hoogte van de voorraden. Per wapensysteem zijn contracten afgesloten om deze ondersteuning aan de gereedstelling mogelijk te maken.
Deelt u de mening dat Defensie in principe toegang zou moeten hebben tot de broncode van al ons materieel om afhankelijkheden in software-ondersteuning te verminderen en dat er anders geen sprake kan zijn van operationele soevereiniteit?
Nee. Om toegang tot de broncode te krijgen zou Defensie hiervoor een licentie moeten verkrijgen. Hier zijn hoge kosten aan verbonden omdat de betrokken bedrijven hun investering in de ontwikkeling van deze software gecompenseerd willen zien. In dat geval moet Defensie bij de aanschaf en instandhouding van wapensystemen rekening houden met aanzienlijke kostenstijgingen. Verder legt de Amerikaanse wet- en regelgeving beperkingen op aan de verspreiding van en toegang tot Amerikaanse technologie. Tenslotte heeft Defensie in veel gevallen niet de technische kennis om dergelijke software zelf te onderhouden.
Bij ieder investeringsproject wordt vooraf nagedacht over de instandhouding en onderhoud gedurende de levensduur. Daarbij kunnen afhankelijkheden optreden van andere landen en/of bedrijven. Op basis van een risicoanalyse wordt per project bekeken welke afhankelijkheden aanvaardbaar zijn en welke risico-mitigerende maatregelen getroffen moeten worden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het commissiedebat Informele Raad Buitenlandse Zaken Defensie, te houden op 25 maart 2025, beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat er reeds 22.458 mensen de petitie tegen het staatsbezoek aan Kenia op 18 maart hebben ondertekend?1
Hoe reageert u op de zorg van veel (veelal jonge) Kenianen dat het staatsbezoek van het koningspaar en de Ministers zal worden gezien als steunbetuiging aan president Ruto, die onderworpen is aan hevige kritiek vanwege mensenrechtenschendingen in Kenia?
Deelt u deze zorgen over de ernstige schendingen van mensenrechten in Kenia sinds de grootschalige protesten in de zomer 2024 en het hardhandige optreden daartegen door het regime van Ruto, waarbij meer dan 40 jonge Kenianen om het leven kwamen?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat het staatsbezoek extra legitimiteit geeft aan een regering die zich recent schuldig heeft gemaakt aan dergelijke repressie?
Hoe ziet u de betrokkenheid van president Ruto bij het verkiezingsgeweld in Kenia in 2007–2008, waarbij meer dan 1000 Kenianen om het leven kwamen, en waarvoor Ruto is aangeklaagd door het ICC voor misdaden tegen de mensheid?
Bent u bereid om zich in Kenia krachtig uit te spreken tegen het regime van president Ruto, en ook een signaal af te geven richting de Keniaanse jongeren dat de internationale gemeenschap toekijkt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven of en hoe mensenrechten centraal staan in de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en Kenia, en hoe dit tot uiting zal komen tijdens het staatsbezoek?
Bent u bereid om in overleg met andere EU-lidstaten en internationale partners gezamenlijk op te treden tegen mensenrechtenschendingen in Kenia en hierover publiekelijk stelling te nemen?
Kunt u deze vragen, elk afzonderlijk, zo snel mogelijk beantwoorden, maar in ieder geval voor het tweeminutendebat over de Raad Buitenlandse Zaken op donderdag 13 maart aanstaande?
Een onderzoek naar misstanden bij NPO |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat de Raad van Toezicht van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) door tussenkomst van de ondernemingsraad de afgelopen twee jaar aanhoudend klachten over intimidatie en onveilig en onvoorspelbaar gedrag, verbaal geweld en het negeren van medewerkers heeft ontvangen?1 Zo ja, klopt dit bericht?
Heeft naar uw oordeel de Raad van Toezicht bijtijds en adequaat gehandeld op deze signalen?
Vindt u het handelen van de Raad van Toezicht passend bij de urgentie die zou moeten worden gevoeld bij de constatering van de onderzoekscommissie Gedrag en Cultuur Omroepen (de onderzoekscommissie-Van Rijn) dat NPO-ers ontevredener over hun directie waren dan de andere ondervraagden?
Had de Raad van Toezicht niet eerder kunnen en moeten besluiten tot een onderzoek naar de mogelijke misstanden? Zo nee, waarom niet?
Wanneer ontving uw departement voor het eerst signalen van een onveilig werkklimaat bij NPO?
Wat waren de uitkomsten van uw gesprek(ken) met de Raad van Toezicht van de NPO?
Wat is uw indruk van de wijze waarop de Raad van Toezicht gevolg heeft gegeven aan uw indringende gesprek?
Welke lessen moeten de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht van de NPO uit de recente gebeurtenissen trekken en welke concrete stappen zouden naar uw oordeel gezet moeten worden om snel te komen tot een veilig werkklimaat bij NPO?
In hoeverre gaat u bij de hervorming van de publieke omroep het realiseren van stabiliteit en structurele goede werkverhoudingen betrekken?
Helpt het daarbij dat de aangekondigde taakstellingen ten koste gaan van de programmering? Zo nee, waarom niet?
Komt er nog een onafhankelijk onderzoek naar deze gang van zaken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om deze vragen voorafgaande aan het Notaoverleg Media d.d. 14 april 2025 te beantwoorden?
De problemen met de Scania Gryphus |
|
Jimme Nordkamp (PvdA) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het bericht «Eerst kopen, dan kijken: Defensie komt in de knel met nieuwe vrachtwagens» van Follow the Money?1
Ja.
Welke doctrine lag ten grondslag aan de keuze om de Scania Gryphus aan te schaffen?
Defensie heeft binnen het programma «Defensiebrede Vervanging Operationele Wielvoertuigen (DVOW)» met het deelproject «Voertuigen 50kN, 100kN, 150kN» ruim 3.000 Scania Gryphus vrachtwagens besteld voor operationele inzet in het kader van de eerste en tweede hoofdtaak. Op 18 augustus 2008 heeft uw Kamer de behoeftestelling voor dit project ontvangen (Kamerstuk 26 396, nr. 72).
Defensie heeft uw Kamer vervolgens op 9 juni 2017 over haar keuze voor de Scania Gryphus geïnformeerd (Kamerstuk 27 830, nr. 201). Defensie heeft met de Scania Gryphus gekozen voor een robuuste vrachtwagen, die zowel in het expeditionair optreden als in gebieden zonder dreiging kan worden ingezet. De Gryphus-voertuigen zijn aangeschaft als transportmiddel om het materieel en de uitrusting van operationele eenheden zelfstandig te vervoeren. Een deel van de voertuigen is bedoeld voor vervoer van personeel of goederen tijdens militaire inzet. Een ander deel van de voertuigen is bedoeld om in combinatie met de container tijdens militaire inzet als werkplaats of kantoor te fungeren, voor bijvoorbeeld commandovoering.
Hoe groot is de impact van minder lucht in de banden op het laadvermogen?
In 2021 is een hoogte-overschrijding geconstateerd bij de Scania Gryphus High Operational (HO) inclusief de ISO-standaard 8-voets container. Op 7 september 2021 heeft Defensie uw Kamer over deze overschrijding geïnformeerd (Kamerstuk 26 396, nr. 116). De leverancier heeft de hoogte-overschrijding eind 2022 verholpen door de bandenspanning te verlagen van een maximale naar een gemiddelde banenspanning. Dit is mogelijk omdat het voertuig in de praktijk minder zwaar wordt beladen en zonder pantsercabine rijdt.
Het verlagen van de bandenspanning heeft geen impact op het laadvermogen van deze voertuigen. Voor zwaardere belading wordt de bandenspanning verhoogd. Doordat bij een hoger gewicht de vering van het voertuig inzakt, is geen sprake van een hoogte-overschrijding. Met deze aanpassingen voldoen alle varianten van de Scania Gryphus aan de geldende Nederlandse en Europese wet- en regelgeving voor de toegestane lengte, breedte, hoogte en het maximum gewicht.
Waarom zijn de mariniers in Noorwegen verkeerd geïnformeerd over de ontheffing door hun korpsleiding?
Het klopt dat in Noorwegen additionele eisen zijn gesteld aan het gebruik van winterbanden. Defensie vraagt een ontheffing aan voor de landen waar met defensievoertuigen niet kan worden voldaan aan de geldende civiele eisen voor winterbanden. In Noorwegen maakt Defensie gebruik van een vrijstelling voor militaire voertuigen, waardoor de Scania Gryphus met de huidige banden mag worden gebruikt op de openbare weg en het militair oefenterrein. Deze informatie is bekend bij de gebruikers.
Vindt u het ook onverteerbaar dat er geen geschikte winterbanden zijn voor de Scania Gryphus terwijl de behoefte aan inzet in winterse omstandigheden alleen maar toeneemt gezien de hernieuwde focus op hoofdtaak 1 en de spanning aan de NAVO-oostflank?
De Scania Gryphus is voorzien van zogenaamde Professional Off-Road (POR) banden, waarmee de inzet in winterse omstandigheden mogelijk is. Voor extreme winterse omstandigheden zijn spijkerbanden en sneeuwkettingen beschikbaar. Daarnaast is sinds kort een band met hogere grip beschikbaar, die in extreme winterse omstandigheden ook kan worden gespijkerd. Deze band wordt op korte termijn verworven.
Waarom moesten er eerst ongelukken gebeuren en een integriteitsmelding gemaakt worden voordat de veiligheidszorgen, die mariniers al langer uitten, serieus werden genomen? Waarom duurde het zo lang voordat deze veiligheidsrisico’s met andere krijgsmachtsonderdelen werden gedeeld? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dergelijke meldingen in de toekomst sneller opgepakt worden en gedeeld worden met alle onderdelen?
Defensie neemt elke melding serieus. In 2022 ontving Defensie een melding van het vermoeden van een misstand bij het verwerven van operationele wielvoertuigen binnen het DVOW-programma. Naar aanleiding van deze melding heeft de secretaris-generaal een onderzoek laten instellen dat begin 2024 is afgerond. Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat van een misstand geen sprake was. Het onderzoeken van een melding van (het vermoeden van) een misstand moet op zorgvuldige wijze plaatsvinden, vanwege de ernst van dergelijke meldingen en de bescherming van de belangen van de melder. Dit kost vanzelfsprekend tijd.
Voor systemen zoals de Scania Gryphus geldt dat binnen de materieelorganisatie potentiële risico’s en beperkingen doorlopend worden besproken en wanneer relevant gecommuniceerd aan gebruikers. Eind 2022 is aan gebruikers gecommuniceerd dat de huidige banden veilig zijn om mee te verplaatsen over de openbare weg onder winterse omstandigheden. Ook is beproefd dat een alternatief geen significante verbeteringen liet zien. In 2023 volgden een aantal incidentmeldingen in relatie tot het gebruik van de Gryphus in winterse omstandigheden, waaronder één waar sprake was van beperkte materiële schade. Defensie heeft deze meldingen serieus bekeken, maar dit leidde niet tot een ander beeld.
Meldingen van gevaarlijke situaties helpen Defensie om het werk van onze mensen veiliger te maken. Defensie werkt daarom voortdurend aan een positieve meldcultuur waarin het melden van onveilige situaties zo makkelijk mogelijk wordt gemaakt, en meldingen adequaat worden opgepakt. Zo werkt Defensie aan een sterke just culture, het verhogen van de meldingsbereidheid en een verdere verbetering van het stelsel van vertrouwenspersonen (Kamerstuk 36 410 X, nr. 82).
Wat vindt u ervan dat krijgsmachtonderdelen gedwongen worden om om de beperkingen van de Scania Gryphus heen te werken? Het «nieuwe werkpaard van de krijgsmacht' zou toch een solide ruggengraat moeten vormen in plaats van beperking op te leggen?
De Scania Gryphus is toegerust voor zijn taken en gebruiksprofiel en voldoet aan alle gestelde operationele en veiligheidseisen en de geldende wet- en regelgeving. Er wordt dus niet om beperkingen heen gewerkt. Het is voor Defensie namelijk te allen tijde van belang dat het materieel voldoet aan de gestelde eisen, de geldende wet- en regelgeving en dat het materieel veilig is voor de gebruikers en anderen.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van aangehaalde interne bronnen die stellen dat de doctrinewijziging van het Korps Mariniers (deels) is ingegeven door de aanschaf van vrachtwagens die lastig op hun schepen passen? Dit is toch de verkeerde volgorde? Deelt u de mening dat materieel aangeschaft dient te worden op basis van een doctrine en niet een doctrine moet worden bedacht op basis van nieuw materieel?
Doctrines worden doorlopend aangepast. Hier kunnen verschillende redenen voor zijn, waaronder een veranderende veiligheidssituatie en de opkomst van moderne technologieën. De doctrinewijziging van het Korps Mariniers is ingegeven door de geopolitieke ontwikkelingen en gebaseerd op de toekomstvisie van het CZSK en het toekomstig operationeel optreden van het Korps Mariniers. Deze wijziging is dus niet het gevolg van de aanschaf van een bepaalde type vrachtwagens.
Wat is volgens u het nut van een logistiek voertuig dat niet geschikt is voor Europese infrastructuur zoals tunnels? Wat voor problemen brengt dit met zich mee voor eventuele mobilisatie richting de NAVO-oostflank?
Na aanpassing van de bandenspanning zijn alle varianten van de Scania Gryphus geschikt voor de Europese infrastructuur. Het kan in uitzonderlijk geval voorkomen dat de dimensies van de infrastructuur afwijken, bijvoorbeeld bij smalle bruggen of tunnels die niet hoog genoeg zijn. Defensie houdt bij de planning van verplaatsingen standaard rekening met eventuele afwijkende infrastructuur op de route. Tevens zet Defensie zich binnen het PESCO-project «Militaire Mobiliteit» in om obstakels in de verkeersinfrastructuur te verwijderen, met als doel om militaire bewegingen binnen Europa te versnellen. Daarnaast is het vergroten van de militaire mobiliteit ook één van de actielijnen in het Witboek Toekomst Europese Defensie van 19 maart 2025.
Verminderen de problemen van de Scania Gryphus volgens u de gereedheid en inzetbaarheid van de Nederlandse krijgsmachtsonderdelen? Kunt u uw antwoord motiveren?
Nee. De Scania Gryphus voldoet aan de gestelde operationele en technische eisen. Zoals bij meerdere systemen zijn ook bij de Gryphus-voertuigen soms problemen. Eventuele tekortkomingen in het ontwerp van de Scania Gryphus zijn en worden door Defensie samen met de leverancier opgelost. De leverancier is contractueel verplicht tot levering van het in de overeenkomst en bijbehorend programma van eisen overeengekomen product. Defensie ziet daarom geen beperkingen voor de gereedheid en inzetbaarheid van de krijgsmacht door de inzet van de Gryphus-voertuigen.
Is volgens u de keuze voor het ombouwen van een in beginsel civiel product achteraf de juiste gebleken voor militair gebruik? Kunt u uw antwoord motiveren?
De Scania Gryphus is ontwikkeld voor militair gebruik op basis van de door Defensie opgestelde functionele eisen. Daar waar mogelijk is de Gryphus voorzien van onderdelen die ook op civiele Scania voertuigen in gebruik zijn en hun deugdelijkheid hebben bewezen. Er is daarom geen sprake van een omgebouwd civiel product.
Is Scania Gryphus achteraf een miskoop gebleken? Kunt u uw antwoord motiveren?
Nee. De Scania Gryphus voldoet aan alle eisen van Defensie en is hiermee geschikt voor de taakstelling en het gebruiksprofiel waar het voertuig voor is aangeschaft. Defensie beschikt met de Scania Gryphus over een robuuste vrachtwagen die in uiteenlopende omstandigheden en in verschillende terreinen effectief kan worden ingezet.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Beleid staatsdeelnemingen kan beter wat betreft marktverstoring en klimaatrisico’s' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennis genomen van het artikel «Beleid staatsdeelnemingen kan beter wat betreft markt-verstoring en klimaatrisico’s»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat bij staatsdeelnemingen zoals de NS en Holland Casino geen duidelijke boekhoudkundige scheiding bestaat tussen publieke taken en commerciële activiteiten?
NS kent een strikte boekhoudkundige scheiding tussen haar publieke taken en commerciële activiteiten. Dit is, op grond van de PSO-verordening2, verplicht bij de uitvoering van de hoofdrailnetconcessie om zo mogelijke kruissubsidiering tussen de publieke en commerciële taken en daarmee mogelijke marktverstoring te voorkomen. NS rapporteert hierover aan het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Vanwege concurrentiegevoelige informatie wordt deze scheiding in het publieke jaarverslag van NS niet inzichtelijk gemaakt. Wel wordt in het jaarverslag een onderscheid gemaakt tussen de omzet uit treinvervoer-gerelateerde activiteiten en de omzet uit station-gerelateerde activiteiten.
Holland Casino heeft, net als veel andere staatsdeelnemingen, geen dergelijke strikte boekhoudkundige scheiding. Vaak is er geen strikte scheiding tussen commerciële en publieke activiteiten, maar is er sprake van commerciële activiteiten waarbij een publiek belang gediend wordt. Met de keuze voor een deelneming beoogt de staat immers op een doelmatige, zakelijke manier de activiteiten die bijdragen aan de borging van publieke belangen te organiseren. Staatsdeelnemingen krijgen daarbij de ruimte om te ondernemen en in te spelen op de behoeften van de klant en maatschappij. Daarbij ben ik, zoals ook uiteengezet in de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022, kritisch op het ondernemen van brede activiteiten door staatsdeelnemingen, die niet het publieke belang dienen.
Omdat bij staatsdeelnemingen vaak geen scheiding valt aan te brengen tussen publieke en commerciële activiteiten en de financiering daarvan, is het veelal ook niet mogelijk om hier boekhoudkundig een scheiding in aan te brengen en hier verdere stappen op te zetten.
Waarom worden de kosten gerelateerd aan commerciële en publieke activiteiten nu nog niet verplicht apart gerapporteerd?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen bent u voornemens te nemen om een dergelijke scheiding te implementeren bij deze en andere staatsdeelnemingen om transparantie te kunnen waarborgen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat er momenteel voldoende inzicht is in de klimaatrisico's en de daarmee samenhangende kosten binnen de gehele portefeuille van staatsdeelnemingen?
Het bestuur van een deelneming is verantwoordelijk voor het identificeren en beheersen van de risico’s verbonden aan de strategie en de activiteiten van de vennootschap. Ik verwacht van staatsdeelnemingen dat zij in lijn met de Nederlandse Corporate Governance Code 2022 beschikken over een adequaat risicobeheersing- en controlesysteem, waarin klimaatrisico’s ook worden meegenomen.
Ik word als aandeelhouder regulier geïnformeerd door het bestuur van de staatsdeelnemingen over deze verschillende risico’s en de mitigerende maatregelen. Daarnaast beoordeel ik (de beheersing van) klimaatrisico’s bij de beoordeling van de ondernemingsstrategie en investeringen van staatsdeelnemingen.
Welke stappen zou u kunnen ondernemen om beter te anticiperen op hoge kosten van staatsdeelnemingen als gevolg van de ontwikkelingen die samenhangen met het klimaat, zoals de recente lening die verstrekt is aan Tennet voor het uitbreiden van het elektriciteitsnet?2
Er is een verschil tussen enerzijds het adequaat identificeren en beheersen van de (klimaat)risico’s verbonden aan de strategie en de activiteiten van de onderneming en anderzijds de financiering van de (energie)transitie als gevolg van klimaatverandering en de beleidskeuzes die daarmee verband houden.
Met betrekking tot het elektriciteitsnet zijn er in het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Bekostiging Elektriciteitsinfrastructuur4 een aantal aanbevelingen gedaan om het besluitvormingsproces rondom de vereiste investeringen in elektriciteitsinfrastructuur te stroomlijnen. Een van die aanbevelingen ziet op het jaarlijks delen van investeringsprognoses van de netbeheerders, de verwachtte nettarieven en financieringsbehoeftes van netbeheerders. Ook wordt voorgesteld een netwerktoets uit te voeren, voordat besluitvorming plaatsvindt over beleidsvoorstellen die naar verwachting grote impact hebben op het elektriciteitsnet. De verwachting is dat hiermee beter en eerder inzicht wordt verkregen op de kosten van de uitbereiding van elektriciteitsnet. Het kabinet zal een reactie op het IBO dit voorjaar met u delen.
Overweegt u het uitvoeren en publiceren van periodieke klimaatrisicoanalyses, bijvoorbeeld in het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen, om zo beter te kunnen anticiperen op investeringsbehoeften en klimaatdoelen?
In het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen wordt jaarlijks inzicht gegeven in de voortgang van de deelnemingen in het behalen van hun klimaatdoelen. Deze kunnen op portefeuilleniveau met elkaar vergeleken worden. Ik verwijs ook graag naar het antwoord op vraag 6 voor het onderscheid tussen (het behalen van) klimaatdoelen en klimaatrisico’s.
Daarnaast loopt momenteel bij de OESO een onderzoek naar hoe de klimaatrisicoanalyses effectief en doelmatig vorm te geven. Ik volg dit met interesse en aanbevelingen zal ik meenemen in de periodieke beleidsdoorlichting van het deelnemingenbeleid die uiterlijk in 2027 zal plaatsvinden.
Op welke manier kan het Noorse of het Zweedse beleid als voorbeeld dienen om de rapportages ook in Nederland te verbeteren en bij te laten dragen aan het beter beheersen van klimaatrisico’s?
Bij de totstandkoming de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 is gekeken naar de invulling van het aandeelhouderschap van de Noorse overheid, net als dat van de Franse en Duitse overheden. Bij de volgende periodieke beleidsdoorlichting van de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 zal ook weer gekeken worden naar hoe andere landen hun rol als aandeelhouder invullen, om daar de belangrijkste inzichten uit mee te nemen. Daarbij zal ik in ieder geval onderzoeken of het Noorse en Zweedse beleid relevante inzichten bieden.
Hoe beoordeelt u de recente aanscherpingen in de OESO-richtlijnen met betrekking tot het tegengaan van klimaatrisico's door staatsdeelnemingen?
Ik volg de ontwikkelingen en aanbevelingen op het gebied van staatsdeelnemingen vanuit de OESO met veel interesse, zoals eerder aangegeven bij vraag 7 en 8. Deze aanbevelingen zullen bij de periodieke beleidsdoorlichting worden meegenomen.
Welke concrete maatregelen bent u van plan te nemen om deze richtlijnen te integreren in het Nederlandse beleid voor staatsdeelnemingen?
Zie antwoord vraag 9.
Het omzeilen van de wet door webwinkels die medicijnen verkopen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Webwinkels die medicijnen verkopen omzeilen met gemak de Nederlandse wet»1?
Ja, dat ben ik.
Waren deze signalen bij u bekend? Zo ja, op welke schaal komt dit voor?
Ja, ik zie de laatste tijd een toename van het aantal bedrijven dat in samenwerking met apotheken deze diensten aanbiedt. Dit zijn zogenaamde receptenservices: artsen die online recepten schrijven op verzoek van klanten/patiënten. Op dit moment heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) tien bedrijven in beeld die online recepten aanbieden. Het gaat mogelijk om een paar duizend recepten per maand.
Hoe beoordeelt u het feit dat diverse medicijnen waar volgens Nederlandse wetgeving een doktersrecept voor nodig is, eenvoudig en zonder recept via internet besteld kunnen worden?
Het is wenselijk dat patiënten de mogelijkheid hebben om online recept-geneesmiddelen te kunnen bestellen. Bijvoorbeeld bij herhaalrecepten of na een e-consult met de huisarts. Deze online zorg moet aan dezelfde standaarden en richtlijnen voldoen als fysieke zorg, en de patiënt moet hierop kunnen vertrouwen. Dat is iets anders dan receptplichtige geneesmiddelen online zonder recept beschikbaar stellen, wat illegaal is. De consument loopt hierbij de nodige risico’s (denk hierbij aan: oplichting, onveilige of verontreinigde geneesmiddelen, onjuiste doseringen en geen zicht op bijwerkingen, gebruik in combinatie met andere geneesmiddelen, of invloed op je rijvaardigheid). De IGJ treedt handhavend op wanneer zij dergelijke situaties tegenkomt.
Deelt u de zorgen over de mogelijk grote gevolgen van verkeerd medicijngebruik, bijvoorbeeld in het geval van PrEP, anticonceptie of schildklierhormonen, doordat buitenlandse artsen die via deze webwinkels medicijnen voorschrijven geen persoonlijk medisch advies geven en de betreffende patiënt niet kennen?
Ja, ik deel deze zorgen. Voorschrijvers moeten hun verantwoordelijkheid op een juiste manier invullen. Ze moeten toegang hebben tot de geactualiseerde medicatiehistorie van de patiënt en hun patiënt indien nodig fysiek hebben onderzocht. Er wordt geen goede zorg geleverd wanneer buitenlandse voorschrijvers zich niet aan deze regels houden. De IGJ doet hier momenteel onderzoek naar. Wanneer blijkt dat de kwaliteit en veiligheid onvoldoende zijn zal de IGJ hiertegen optreden.
Hoe beziet u de tegenstelling dat deze praktijken enerzijds legaal zijn, maar anderzijds in strijd zijn met artikel 62 van de Nederlandse Geneesmiddelenwet?
Praktijken waarbij zorgverleners zich niet aan de wet en de beroepsnormen houden zijn niet legaal. Als buitenlandse artsen online geneesmiddelen aan patiënten in Nederland voorschrijven zijn zij nog steeds gebonden aan het leveren van goede zorg. De Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) bepaalt dat wie aan patiënten in Nederland zorg verleent, goede zorg moet verlenen. Goede zorg is zorg van goede kwaliteit en van goed niveau. Deze zorg wordt geleverd in overeenstemming met professionele normen, richtlijnen en standaarden. Dat betekent dat wanneer een apotheker vermoedt dat de voorschrijver bij het voorschrijven geen goede zorg verleent, die apotheker de voorgeschreven medicatie niet mag verstrekken. Dit is ook opgenomen in de beroepsnormen voor apothekers. Mogelijk kan een aanscherping van de beroepsnormen verduidelijking bieden voor hoe apothekers hiermee in de praktijk moeten en mogen omgaan. Ik roep hierbij de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) dan ook op om dit op te pakken.
Artikel 62 van de Geneesmiddelenwet gaat uitsluitend over niet-receptplichtige geneesmiddelen en is niet relevant voor deze praktijken waarbij het gaat om receptplichtige geneesmiddelen.
Klopt het dat buitenlandse artsen die recepten uitschrijven voor patiënten in Nederland zich niet aan de Nederlandse wet hoeven te houden? Zo ja, deelt u de mening dat dit onwenselijke effecten heeft? Door welke lacune in de Nederlandse Geneesmiddelenwet zijn deze praktijken juridisch mogelijk?
Nee, dat klopt niet. De Wkkgz is van toepassing op zorgverlening aan alle patiënten in Nederland, ook als die zorg wordt verleend vanuit het buitenland door een buitenlandse arts. Daarnaast moeten zorgverleners die vanuit het buitenland zorg verlenen zich houden aan de normen die in hun eigen land gelden. Eisen zoals dat een voorschrijver beschikt over de geactualiseerde medicatiehistorie van de patiënt en de patiënt fysiek onderzoekt als dat nodig is, zijn universele basiseisen bij het voorschrijven. De kans is klein dat voorschrijvers in het buitenland zich niet aan die eisen hoeven te houden volgens de daar geldende wetgeving.
Klopt het dat in 2010 een Delftse apotheker werd geroyeerd omdat hij jaarlijks tienduizenden pillen verstrekte voor de webshop Dokteronline.com, en dat de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) toen al aandrong op aanpassing van de Geneesmiddelenwet zodat hiertegen kon worden opgetreden? Deelt u de mening dat het teleurstellend is dat er in de tussentijd niets is veranderd waardoor deze wanpraktijken nog steeds doorgang vinden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zoals benoemd in mijn antwoord op vraag 1 vind ik het wenselijk dat de mogelijkheid bestaat om online receptplichtige geneesmiddelen te verkrijgen, mits de voorschrijvers en apotheken goede zorg leveren. Zoals benoemd in mijn antwoord op vraag 5 is het in strijd met de wet wanneer geen goede zorg wordt geleverd. Juridisch bestaan er voldoende mogelijkheden om hier tegen op te treden. Naast de royering heeft IGJ destijds bestuursrechtelijk opgetreden door het opleggen van een boete voor overtreding van meerdere artikelen in de Geneesmiddelenwet.
Wat vindt u ervan dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in een reactie op het NRC-artikel op de verantwoordelijkheid van de consument wijst, die «voor medisch advies naar de eigen (huis-)arts of apotheker» zou moeten gaan? Bij wie ligt die verantwoordelijkheid wat u betreft? Deelt u de mening dat het lastig is voor consumenten om deze verantwoordelijkheid te nemen wanneer webwinkels op eenvoudige en toegankelijke wijze medicijnen verstrekken?
De kwaliteit en veiligheid van ons zorgstelsel waaronder de geneesmiddelen is van hoog niveau. Als mensen buiten dit systeem om op zoek gaan naar bijvoorbeeld geneesmiddelen, lopen zij als consument de nodige risico’s. Het is goed om hierop te wijzen. Mede daarom onderstreept de IGJ het belang dat als mensen medisch advies willen hebben zij daarvoor naar hun reguliere arts en voor geneesmiddelen naar hun reguliere apotheker moeten gaan.
Samen met hostingpartijen heeft de IGJ zo’n 20 websites laten sluiten waarop receptgeneesmiddelen zonder recept werden aangeboden. In 2023 waren dit er tien. Daarnaast zijn honderden advertenties voor receptgeneesmiddelen zonder recept verwijderd in afstemming met verschillende internetplatforms. Ook heeft de IGJ een aantal besloten groepen laten sluiten waarin geneesmiddelen werden verhandeld.
Hoe kijkt u naar apotheken zoals Apotheek Life B.V., die niet fungeren als reguliere apotheek met loket maar als magazijn van waaruit medicijnen per post naar patiënten worden gestuurd? Hoeveel van deze apotheken zijn er in Nederland? Deelt u de zorgen over de werkwijze van dergelijke apotheken, die hun patiënten nauwelijks informeren over het gebruik, de bijwerkingen of het bewaren van medicatie? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan?
Zoals benoemd in mijn antwoord op vraag 1 vind ik het wenselijk dat de mogelijkheid bestaat om online receptplichtige geneesmiddelen te verkrijgen, mits de voorschrijvers en apotheken goede zorg leveren. In principe kan een online apotheek hier goed aan voldoen. Voor zover de IGJ tot nu toe heeft beoordeeld, verstrekken online apotheken bijsluiters, gebruiksadviezen en bewaaradviezen. Ook wordt de medicatie volgens de wettelijke eisen geëtiketteerd. De IGJ heeft op dit moment zes online apotheken in Nederland in beeld. Daarnaast kunnen apotheken in het buitenland geneesmiddelen naar Nederlandse patiënten sturen. Wanneer er geen goede zorg wordt geleverd treedt de IGJ op. De IGJ houdt online apotheken nauwlettend in de gaten.
Hoe kan het controlesysteem bij apotheken, waarbij de verstrekkend apotheek de recepten van de voorschrijvend arts controleert, wat u betreft versterkt worden?
Het controlesysteem waarbij de verstrekkend apotheker de recepten van de voorschrijvend arts controleert werkt goed. In het NCR-artikel wordt een casus aangehaald waarbij de apotheker samenwerkt met de voorschrijver en zij zich bewust niet aan hun verantwoordelijkheden houden.
Klopt het dat de IGJ in 2024 ongeveer twee keer zoveel meldingen heeft gekregen over websites die reclame maken voor receptplichtige medicijnen dan in het jaar daarvoor? Hoe verklaart u deze stijging? Heeft de IGJ voldoende capaciteit om hierop te handhaven?
Er is een duidelijke toename te zien in het aantal meldingen over websites waar receptplichtige geneesmiddelen met of zonder recept worden aangeboden. In 2023 ontving de IGJ ruim 100 meldingen; over 2024 is dat ongeveer het dubbele. Mede gezien de publieke belangstelling om buiten het reguliere systeem aan bijvoorbeeld afslankmiddelen te komen, zie ik een toename van dit soort websites. Door de toename van zulke websites ontvangt de IGJ vaker meldingen. Daarnaast geeft de IGJ vaker publieke voorlichting over de risico’s van het kopen van geneesmiddelen zonder recept op zulke websites, waardoor mensen ook vaker meldingen doen. De IGJ heeft voldoende capaciteit voor risicogestuurd toezicht.
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
De stijging van jongeren en mannen in de bijstand |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Nobel |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Steeds meer jongeren in de bijstand, ook stijging onder mannen»?1
Wat is uw reactie op de resultaten van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waaruit blijkt dat er een toename is van jongeren onder de 27 in de bijstand?
Wat is uw reactie op de verwachting die in het artikel geschetst wordt dat deze toename kan zijn ontstaan door een mismatch op de arbeidsmarkt?
Kunt u een kwantitatief beeld schetsen van deze mismatch en dus op welke specifieke sectoren van de arbeidsmarkt arbeidsoverschotten en arbeidstekorten van welke grootte bestaan? Zo nee, bent u bereid deze cijfers in kaart te brengen zodat gericht beleid kan worden gevoerd om alle jongeren aan het werk te kunnen helpen?
Welke acties onderneemt u om actiever te sturen op het beter aansluiten van onderwijs op gebieden waar arbeidstekorten bestaan?
In hoeverre is het beleid om het aantal jongeren in de bijstand te verminderen afhankelijk van gemeenten en hoe denkt u te gaan zorgen dat de grote bezuiniging op het gemeentefonds in 2026 (het Ravijnjaar) niet ten koste gaat van de inspanning om jongeren aan een baan te helpen?
Hoe kijkt u aan tegen het advies van commissie Borstlap uit 2020, waarin aandacht is voor de continue ontwikkeling van de beroepsbevolking door bijvoorbeeld een persoonlijk leerbudget, onder andere om de krapte op de arbeidsmarkt te verminderen?
Op welke wijze wilt u verder invulling geven aan deze adviezen om het aantal mensen in de bijstand te verlagen?
Bent u het ermee eens dat het invoeren van leerrechten zoals onderzocht door SEO een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de mismatch en daarmee meer jongeren aan een baan kan helpen?