Het bericht ‘Police Can’t Guarantee Pride Safety Outdoors – Ministry’ |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Police Can’t Guarantee Pride Safety Outdoors – Ministry»?1
Ja.
Klopt het dat deelnemers aan LHBTI-evenementen in Georgië in het verleden meerdere malen slachtoffer zijn geworden van geweld gericht op LHBTI's?
Ja. Met name op 17 mei 2013 vielen er gewonden tijdens een manifestatie voor gelijke rechten voor LHBTI’s in Georgië. Toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken Frans Timmermans heeft daarover een verklaring afgelegd waarin hij stelde dat het onacceptabel is dat lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgender personen geen gebruik kunnen maken van hun fundamentele rechten als het recht op vrijheid van meningsuiting en vreedzame demonstratie.2
Klopt het volgens de voor u beschikbare informatie dat het Georgische Ministerie van Binnenlandse Zaken en de Georgische politie hebben aangegeven de aanstaande Pride-optocht niet van politiebescherming te kunnen voorzien?
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Georgië heeft op 31 mei jl. verklaard de veiligheid van de deelnemers niet te kunnen garanderen wanneer de Pride-optocht in het centrum van Tbilisi gehouden zou worden, zoals de organisatoren zich hebben voorgenomen. Er zijn ook alternatieven voorgesteld door het ministerie, waaronder in een park buiten het centrum en in een stadion in het centrum. Hoewel het ministerie stelt de veiligheid bij een optocht door het centrum niet te kunnen garanderen vanwege het risico op incidenten, stelde Minister van Binnenlandse Zaken Gakharia op 5 juni jl. dat er wel politiebescherming zal zijn van de Pride-optocht, ongeacht waar deze plaats zal vinden. Er zijn nog gesprekken gaande tussen de organisatoren en de autoriteiten over de route.
Deelt u de mening dat het succesvol en veilig organiseren van de eerste Pride in Georgië een positief signaal kan zijn voor de LHBTI-gemeenschap in Georgië en elders, namelijk dat zij mogen zijn wie ze zijn en mogen houden van wie zij houden?
Ja.
Deelt u de mening dat het absoluut onwenselijk is als Pride-optochten, net als andere vreedzame optochten, op een gewelddadige manier verstoord worden?
Ja.
Deelt u de mening dat het tevens onwenselijk is als dergelijke optochten binnen georganiseerd moeten worden, omdat de veiligheid buiten niet gegarandeerd wordt?
Ja.
Bent u bereid voorafgaand aan de geplande Pride op 22 juni 2019 uw zorgen over het niet organiseren van politie-beveiliging voor deze Pride over te brengen aan de Georgische ambassadeur in Den Haag? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassadeur in Tbilisi heeft mijn zorgen rondom de beveiliging van de geplande Pride-optocht inmiddels op politiek niveau overgebracht in een gesprek met de Georgische Minister van Buitenlandse Zaken Zalkaliani op 17 juni jl. Daarnaast staat de ambassade in nauw contact met alle relevante autoriteiten (inclusief geestelijke leiders) over de organisatie van deze Pride-optocht.
Zijn diplomaten van uw ambassade in Tbilisi bereid om mee te lopen met de Pride op 22 juni, zoals in sommige landen gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Kunt u deze vragen uiterlijk op 21 juni 2019 beantwoorden?
Ja.
Medische crowdfundingsacties |
|
Henk van Gerven |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat verklaart volgens u de snellere stijging van medische crowdfundingacties in Nederlands ten opzichte van andere Europese landen?1
Ik heb geen informatie voorhanden over de ontwikkelingen rond medische crowdfundingsacties in Nederland ten opzichte van andere Europese landen en mogelijke verklaringen daarvoor.
Deelt u de mening dat gezien de toenemende hoeveelheid particulier geefgeld die in de medische crowdfundingmarkt omgaat, het wenselijk is dat er meer en beter toezicht wordt gehouden? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zoals de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (EZK) op 5 februari jongstleden heeft toegelicht in haar antwoorden op de Kamervragen van het lid Alkaya,2 moeten platforms zich aan consumentenbeschermingsregels houden als zij te maken hebben met consumenten. Op de crowdfundingmarkt wordt toezicht gehouden door de Autoriteit Consument en Markt (ACM), dan wel de Autoriteit Financiële Markten (AFM), afhankelijk van de verschijningsvorm van de crowdfunding. Crowdfunding door middel van doneren valt, voor zover het consumenten betreft, onder het toezicht van de ACM. De Staatssecretaris van EZK en ik zien op dit moment geen aanleiding voor aanscherpingen van het toezicht op crowdfunding, omdat wij het bestaande regelgevend kader op dit moment toereikend achten.
Wat gaat u doen om meer transparantie over de voorwaarden van medische crowdfundingacties (bijvoorbeeld over de hoge commissiekosten die niet in verhouding staan tot de daadwerkelijke kosten van een transactie) af te dwingen?
Crowdfundingplatforms moeten zich aan de consumentenbeschermingsregels houden als zij te maken hebben met consumenten. Transparantie over de voorwaarden, zoals commissiekosten, valt daar ook nu al onder. Dit betekent onder meer dat wanneer een crowdfundingplatform een crowdfundingsactie wil opzetten voor een consument, het platform vóór het aangaan van de overeenkomst de consument duidelijk en begrijpelijk moet informeren over de kosten en de manier waarop deze worden berekend. Daarnaast moet het platform potentiële donateurs duidelijk en begrijpelijk informeren over waar zij voor doneren en welke kosten eventueel aan de donatie verbonden zijn. De ACM houdt toezicht op de naleving van de consumentenbeschermingsregels. De Staatssecretaris van EZK en ik achten het bestaande regelgevend kader op dit moment toereikend.
In hoeverre gaat het bij medische crowdfundingacties om dure behandelingen waarvan de feitenvrije slagingskans is berekend door klinieken met een commercieel oogmerk?
De behandelingen waarvoor crowdfundingsacties worden opgezet, kunnen zeer divers zijn. Ik heb geen precieze cijfers voorhanden over in hoeverre het bij medische crowdfundingsacties gaat om dure behandelingen waarvan de slagingskans is berekend door klinieken met een commercieel oogmerk.
Voor mij is vooral van belang dat patiënten, voordat ze een actie starten voor een behandeling die in Nederland niet wordt vergoed, zeer goed bekend zijn met de effectiviteit van de behandeling die ze willen ondergaan en de risico’s van die behandeling. Ik raad patiënten aan daarover het gesprek te voeren met hun arts.
Wat vindt u van het voorstel om campagnes eerst een inhoudelijke toetsing te laten ondergaan voor ze online mogen, om te voorkomen dat een voedingsbodem voor kwakzalvers wordt gecreëerd?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Wat is uw reactie op de «ethiek van het genoeg», waar medisch ethicus Marian Verkerk het over heeft, in relatie tot de medische crowdfundingmarkt die van leed een verdienmodel heeft gemaakt?
Medisch ethicus Marian Verkerk verwoordt in het artikel de moeilijke keuze waar ernstig zieke mensen die crowdfunding en behandeling in het buitenland als laatste redmiddel zien voor staan. Enerzijds brengt ze de «ethiek van het genoeg» onder woorden en daarmee de vraag van de aanvaarding van het levenseinde of hun (progressieve) ziekte, anderzijds geeft ze aan dat dit aanvaarden heel moeilijk kan zijn en het ook te begrijpen is dat mensen zich verzetten tegen het levenseinde of hun ziekte en uitwegen, hoe klein of veelal onmogelijk ook, proberen te vinden. Ik deel dit gevoelen met haar. Hoe, wanneer en of iemand zijn levenseinde of ziekte in zekere mate kan aanvaarden of dat iemand ervoor kiest met crowdfunding behandelingen in het buitenland te ondergaan, zal van de individuele mens afhangen. Mensen maken daarin hun eigen afweging. Ik vind het belangrijk dat mensen in die veelal moeilijke fase van het leven goed begeleid worden door zorgverleners. Daar kan het voorbereiden van mensen op een nadere dood bij horen. Maar ook over de belasting en veelal niet werkzaamheid van bepaalde behandelingen in het buitenland, en over de kwaliteit van leven in de laatste levensfase, zodat mensen een bij hen passende keuze kunnen maken.
Het bericht ‘St. Antonius stopt met bevallingen in Nieuwegein, moeders moeten uitwijken naar Utrecht’ |
|
Henk van Gerven |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Kent u het bericht dat het St. Antonius stopt met bevallingen in Nieuwegein en dat moeders nu moeten uitwijken naar Utrecht?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja ik ken het bericht.
Het St. Antoniusziekenhuis locatie Nieuwegein heeft in mei 2018 zijn afdeling acute verloskunde tijdelijk gesloten, onder meer vanwege personeelstekorten.
De afdeling acute verloskunde van het St. Antoniusziekenhuis was niet «gevoelig» voor de zogenaamde 45 minuten-norm. Dat betekent dat er door sluiting van deze afdeling niet meer mensen zijn die niet binnen deze norm op een afdeling voor acute verloskunde kunnen komen in vergelijking met de situatie wanneer deze afdeling open is. Het is dan aan de zorgaanbieders en zorgverzekeraars in de regio om gezamenlijk te beslissen over het aanbod van acute verloskunde op deze locatie.
Het aanbod van acute verloskunde is in mei 2018 geconcentreerd op de locatie Utrecht, waar vanwege de concentratie meer bevallingen plaats kunnen vinden dan daarvoor. Sindsdien heeft er frequent afstemming plaatsgevonden tussen alle betrokken partijen in de regio over het borgen van de acute geboortezorg in de regio. De partijen hebben de effecten van de veranderingen en wijzigingen in de locaties waar acute geboortezorg geleverd wordt inzichtelijk gemaakt.
Op 4 juni jl. heeft de Raad van Bestuur van het St. Antonius ziekenhuis een voorgenomen besluit genomen om de afdeling acute verloskunde in Nieuwegein definitief te sluiten. Indien deze afdeling inderdaad definitief sluit, verandert er in de praktijk, wat de zorg voor zwangere vrouwen in de regio betreft, niks ten opzichte van de situatie zoals die vanaf mei 2018 bestaat.
Zoals u weet is het belangrijk dat, bij een besluit tot het sluiten van een afdeling, de continuïteit en beschikbaarheid van zorg geborgd is. Zodat patiënten in de regio niet alleen vandaag, maar ook morgen en overmorgen kunnen rekenen op goede en toegankelijke zorg. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de zorginstellingen in de regio, geboortezorgprofessionals en het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ). Met het oog op de continuïteit van zorg bij sluiting van een afdeling acute verloskunde heb ik een algemene maatregel van bestuur (amvb) in voorbereiding. Een concept van die amvb heeft u ontvangen.
Zoals u weet heb ik de ziekenhuizen geïnformeerd over deze concept amvb en hen gevraagd om vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze amvb alvast langs de lijnen van deze concept amvb te handelen. Ik heb hen onder meer verzocht om, als zij een (tijdelijke) sluiting van het aanbod van acute zorg op een bepaalde locatie overwegen:
Het St Antonius ziekenhuis heeft de ketenpartners (VSV Uniek + kraamzorgorganisaties en praktiserende huisartsen), collega ziekenhuizen (Diakonessenhuis, UMCU/WKZ, Groene Hart ziekenhuis, Ziekenhuis Rivierenland en Meander Medisch Centrum), verzekeraars en pers op 4 juni geïnformeerd over het voorgenomen besluit om de geboortezorg te concentreren. Een deel van de omliggende gemeenten is geïnformeerd. De gemeente Utrecht is niet geïnformeerd. Het St. Antonius heeft namelijk aangegeven dat de beslissing geen gevolgen heeft voor inwoners van de gemeente Utrecht zelf.
Het St Antonius Ziekenhuis heeft mij laten weten dat er draagvlak voor dit besluit is bij de medewerkers. De regionale samenwerking van de ketenpartners op het gebied van acute geboortezorg (Verloskundig Samenwerkingsverband Uniek en huisartsen) is in het afgelopen jaar intensief geweest en dit zal de komende jaren ook blijven. Naast afstemming met ketenpartners, is er ook contact geweest over het voorgenomen besluit met de Cliëntenraad en omliggende gemeenten, aldus St Antonius. Het St. Antonius benadrukt verder dat poliklinische verloskundezorg op alle locaties van het St. Antonius beschikbaar blijft, dus ook op locatie Nieuwegein. Het St. Antonius zal in gesprek blijven met patiënten, betrokken partijen en ketenpartners in de regio.
Het ROAZ, de NZa en IGJ zijn niet geïnformeerd over het voorgenomen besluit om definitief te sluiten; ik heb het St Antonius laten weten dat ik dit geen goede gang van zaken vind. Verder heb ik het St Antonius laten weten dat, hoewel de status quo door een definitieve sluiting niet verandert, ik het toch belangrijk vind dat vóór de definitieve sluiting het bovenstaande proces goed is doorlopen, zodat onder meer duidelijk is wat de consequenties van deze sluiting voor de patiënten en zorgaanbieders in de regio zijn. Het St. Antonius heeft aangegeven dit op te pakken. Verder kan het zo zijn dat er een ziekenhuis gevoelig wordt door de sluiting van de acute verloskunde in Nieuwegein. Ik ga ervan uit dat partijen toetsen of dit het geval is.
Hoe oordeelt u over het feit dat de vestiging van het St. Antonius eerder al tijdelijk sloot vanwege personeelstekort maar dat het ziekenhuis nu definitief sluit ondanks dat er 25 nieuwe medewerkers zijn aangenomen? Klopt het dan ook dat een gebrek aan personeel niet langer een oorzaak is voor de sluiting?
De voornaamste reden om de bevallocatie Nieuwegein in mei 2018 tijdelijk te sluiten was een personeelstekort. Er liggen meerdere redenen ten grondslag aan het besluit om deze bevallocatie definitief niet meer te openen. Het gaat zowel om personeelstekort als om een efficiënte organisatie van de geboortezorg die nodig is om kwaliteit en veiligheid te kunnen garanderen.
Het St. Antonius Ziekenhuis geeft aan dat het lastig was om gespecialiseerd verpleegkundig personeel te werven. De nieuw aangetrokken medewerkers zijn nagenoeg allemaal nog niet gespecialiseerd en volgen momenteel een opleiding tot obstetrie- en gynaecologieverpleegkundige. Qua aantallen is het personeelsbestand nu redelijk op orde alleen geldt dit nog niet voor de gewenste specialisatiegraad.
Het efficiënt omgaan met gespecialiseerd personeel is dus erg belangrijk. Het St. Antonius Ziekenhuis heeft samen met de partners in de regio gekeken naar de organisatie van efficiënte, veilige en kwalitatief goede acute geboortezorg. Zo is gebleken dat de locatie in Utrecht van het St. Antionius Ziekenhuis, met geringe investeringen (verbouwing van verlossuites) en het aantal bevallingen nu én in de toekomst (gezien de geringere groei), de zorgvraag op kan vangen. De locatie Utrecht leent zich ook beter voor het volledig doorvoeren van het Family Centered Care concept, waarbij het hele gezin centraal staat en dat moeder en kind altijd bij elkaar blijven, ook als moeder of kind ziek is. Daarnaast heeft het St Antonius Ziekenhuis samen met regionale partners de (geboorte-) zorgvraag nu en in de toekomst in de regio laten onderzoeken. Uit dit onderzoek blijkt dat de zorgvraag minder hard groeit dan eerder verwacht.
Het St. Antonius Ziekenhuis is vervolgens tot de conclusie gekomen dat twee bevallingslocaties (Nieuwegein, Utrecht) openhouden niet efficiënt is, logistiek ingewikkeld en daar bovendien extra personeel voor nodig is. Dat geldt niet alleen voor de afdeling Geboortezorg, maar ook voor de operatiekamers, waar de sectio’s (keizersnedes) worden gedaan.
Wat zijn de gevolgen van het besluit van het St. Antonius ziekenhuis om te stoppen met bevallingen op de locatie Nieuwegein voor het (soms net aangenomen) personeel?
De afdeling is per 1 mei 2018 tijdelijk gesloten. Het St Antonius ziekenhuis heeft mij laten weten dat er draagvlak is voor dit besluit bij de medewerkers. Er wordt geen personeel ontslagen, al het personeel werkte al op locatie Utrecht. Het ziekenhuis geeft aan dat los van logistieke efficiëntievoordelen, er meer voordelen worden ervaren van het met elkaar op één locatie werken (in plaats van verdeeld
over twee locaties). Opleiden, begeleiden, inwerken en samenwerken verloopt soepeler. De medewerkers onderschrijven dat daardoor ook patiënten gebaat zijn bij de concentratie op één locatie.
Wat weegt volgens u zwaarder de interne logistieke afwegingen van het ziekenhuis of het maatschappelijk belang voor de aankomende moeders in Nieuwegein?
Wat ik belangrijk vind is dat de beschikbaarheid, kwaliteit en veiligheid en continuïteit van de geboortezorg geborgd zijn. Zoals ik in het antwoord op vraag 1 aangeef is het St Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein voor de acute verloskunde geen gevoelig ziekenhuis.
De Nederlandse Zorgautoriteit geeft aan dit jaar geen signalen te hebben ontvangen dat er onvoldoende zorg beschikbaar is in de regio. Verder geeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd aan geen signalen te hebben ontvangen over de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Hoeveel zwangere vrouwen in Nieuwegein en omgeving worden geraakt door deze beslissing? Hoeveel bevallingen op jaarbasis vonden plaats in het ziekenhuis in Nieuwegein? Wat zijn precies de gevolgen voor deze vrouwen nu de mogelijkheid om te bevallen in Nieuwegein dreigt te verdwijnen? Kan daarbij in ieder ingegaan worden op de gevolgen van het besluit op de reistijd voor de zwangere vrouwen naar de dichtstbijzijnde afdeling Verloskunde? In welke mate nemen deze toe?
Het adherentiegebied van St. Antonius Geboortezorg strekt zich uit van de gemeenten Vijfheerenland tot Montfoort en van de stad Utrecht tot Alphen aan de Rijn.
Het is niet mogelijk om één cijfer te geven van het aantal bevallingen op jaarbasis in Nieuwegein. Reden is dat het aanbod van acute verloskunde in andere ziekenhuizen sterk is veranderd in de afgelopen periode.
In hoeverre de reistijd voor zwangere vrouwen is toegenomen weet ik niet. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 al heb aangegeven, is de acute verloskunde voor vrouwen in de regio er nog steeds binnen de daarvoor geldende 45 minuten-norm bereikbaar. Verder blijkt dat zwangeren aan de randen van het adherentiegebied (bijvoorbeeld Alphen aan de Rijn of Leerdam) sinds de concentratie van acute geboortezorg op de locatie in Utrecht in 2018 voor een ziekenhuisbevalling naar ziekenhuizen gaan die dichter bij hun woonplaats liggen, zoals het Groene Hart Ziekenhuis in Gouda, Beatrixziekenhuis in Gorinchem en Ziekenhuis Rivierenland in Tiel.
Zie verder mijn antwoorden op de vragen 1 en 4.
Acht u het verstandig de afdeling Verloskunde van het St. Antonius open te houden in het kader van leefbaarheid en bereikbaarheid van zorg? Zo ja, wat gaat u doen om dit te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hebben bij dit voorgenomen besluit patiënten, personeel, de gemeente en de omgeving (zwaarwegende) inspraak gehad? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze heeft deze inspraak plaatsgevonden?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven, heb ik het St Antonius laten weten dat, hoewel de status quo door het voorgenomen besluit de afdeling acute verloskunde definitief te sluiting niet verandert, ik het toch belangrijk vind dat vóór de definitieve sluiting het proces zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 1 is doorlopen. Zo moet duidelijk zijn wat de consequenties van deze sluiting voor de patiënten en zorgaanbieders in de regio zijn. Het St Antonius ziekenhuis heeft laten weten dit op te pakken.
Het bericht ambtenaren steeds vaker en luxer in businessclass naar de Caraïben |
|
Nico Drost (CU) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Bericht ambtenaren steeds vaker en luxer in businessclass naar de Caraïben»?1
Ja.
Deelt u de mening dat juist gezien de beperkte omvang van de eilanden en het financieel toezicht vanuit Nederland, het niet gepast is wanneer bovenmatig veel geld wordt uitgegeven aan (luxe) reiskosten?
Ik ben niet van mening dat er bovenmatig veel geld wordt uitgegeven aan reiskosten. De reisbewegingen die door bewindspersonen en ambtenaren van de verschillende ministeries naar het Caribisch gebied worden gemaakt, zijn noodzakelijk om de ambities van het kabinet vorm te geven. Denk hierbij aan reizen om de openbare lichamen van Caribisch Nederland te ondersteunen bij bijvoorbeeld het opzetten van een goed functionerend en veilig vliegveld, het verbeteren van het financieel beheer, het versterken van het bestuur, en het uitvoeren van projecten op het gebied van kinderopvang en landbouwontwikkeling. Deze ondersteuning op locatie is een onmisbare schakel in de praktische samenwerking die het kabinet voorstaat. Daarnaast is de investering noodzakelijk om het leven en het voorzieningenniveau van de inwoners van de eilanden te verbeteren. Dit zorgt in de huidige kabinetsperiode voor een toegenomen inzet op bestuurlijk en ambtelijke vlak en resulteert in een verhoging van het aantal reisbewegingen. De toename van het aantal reizen is naast de genoemde ambities van het kabinet ook te verklaren uit de nasleep van orkaan Irma in 2017, waarbij er veel schade was op Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius. Overigens gaan de gemaakte reiskosten niet ten koste van de middelen die beschikbaar zijn voor Caribisch Nederland, noch Sint Maarten.
Wat is de verklaring voor de toename van het aantal vluchten? Valt inzichtelijk te maken welk gedeelte van de toename direct toe te schrijven is aan de gevolgen van orkaan Irma?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan het dat er weliswaar sprake is van een toename in de kosten van de vluchten, maar niet van de hotelverblijven? Betekent dit dat er sprake is van meer maar wel kortere dienstreizen? Zo ja, is dit het meest efficiënt?
Ik heb geen overzicht van de duur van de dienstreizen. Er wordt bij elke dienstreis zorgvuldig gekeken naar het nut en de noodzaak van de reis. Het doel van het bezoek wordt afgewogen tegen de kosten en er wordt rekening gehouden met de reisduur in combinatie met de beperkte uitvoeringskracht van de eilanden. Aanscherping van het afwegingskader acht ik niet nodig.
Wat is de verklaring voor de toename van het aandeel in de kosten dat uit businessclasstickets komt? Is het mogelijk het aantal businessclasstickets uit te splitsen naar ministerie?
In aanvulling op de antwoorden 2 en 3 over de toename van de reisbewegingen, kan ik u informeren dat er in de rijksbrede Reisregeling buitenland een urennorm is opgenomen. Wanneer een vliegreis zes uur of langer duurt, mag een ambtenaar businessclass vliegen. Voor de opsplitsing per ministerie verwijs ik u naar het gepubliceerde WOB-verzoek waar deze gegevens in zijn opgenomen.2
Ik heb geen overzicht van de rijksbrede reisbewegingen naar andere bestemmingen die langer dan zes uur vliegen zijn.
Hoe verhoudt bij deze reizen het aandeel in de kosten dat uit businessclasstickets komt zich tot reizen naar andere bestemmingen die verder dan zes uur vliegen liggen?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is grosso modo het afwegingskader dat wordt gemaakt bij het besluit tot een dienstreis voor de noodzaak, de kosten, het aantal personen, de duur en de klasse waarin wordt gevlogen? Is hierin voldoende op het netvlies dat deze reizen vanuit publiek geld worden betaald? Zou een aanscherping van dit afwegingskader nodig zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid binnen uw eigen ministerie en bij andere bewindspersonen aandacht te vragen voor een meer selectief gebruik van businessclasstickets, is het denkbaar dat de keuze bij vluchten langer dan zes uur niet bij de ambtenaar zelf maar bij een leidinggevende wordt gelegd?
De rijksoverheid wil werken als één organisatie, in binnen- en buitenland. In dit kader is het reisbeleid per 1 januari 2017 rijksbreed geharmoniseerd. Dit heeft geresulteerd in een wijziging van de Reisregeling buitenland. In de Reisregeling is een urennorm opgenomen. Wanneer een vliegreis zes uur of langer duurt, heeft de ambtenaar recht om businessclass te vliegen. Dit is echter geen verplichting; deze beslissing wordt door de ambtenaar zelf genomen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik zien geen reden om de Reisregeling buitenland aan te passen.
Het bericht dat Middelburg stelende asielzoekers beu is |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Middelburg is overlast door stelende asielzoekers beu»?1
Ja.
Hoe kan het dat rovende asielzoekers overal in Nederland nog steeds vrij spel hebben, ondanks herhaalde kabinetsbeloften ze aan te pakken?
In de achterliggende periode is er een stevig pakket aan maatregelen getroffen om overlast en criminaliteit door asielzoekers aan te pakken en tegen te gaan. Mijn ambtsvoorganger heeft op 17 april jl. diverse aanscherpingen en een aantal nieuwe maatregelen aangekondigd. Een van de nieuwe maatregelen betreft het invoeren van een persoonsgerichte aanpak. De verwachting is dat door deze aanvullende landelijke aanpak bestaande maatregelen doeltreffender en slagvaardiger kunnen worden ingezet. Door het intensiever verbinden van de vreemdelingenketen en strafrechtketen, moet het voor de vreemdeling zichtbaar en voelbaar worden dat hij in beeld is van de overheid en dat zijn gedrag niet wordt getolereerd.
Hoe legt u aan de Nederlandse burger uit dat u dit tuig binnen blijft laten en ook belastinggeld uit blijft geven teneinde ze onderdak, leefgeld, gezondheidszorg etc. te geven?
Zoals u bekend is, vindt het kabinet dat het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen en het sluiten van de asielzoekerscentra geen realistische, laat staan een structureel wenselijke oplossing is voor het complexe migratievraagstuk. Het kabinet spant zich ervoor in ervoor risico’s voor de openbare orde zo veel mogelijk te beperken en de veiligheid te bevorderen, waarbij tevens bescherming wordt geboden aan die asielzoekers die bescherming behoeven. Zo wordt er onder meer bij de beoordeling van de verblijfsaanvraag rekening gehouden met criminele antecedenten van de vreemdeling en zijn er verschillende maatregelen getroffen om overlast en criminaliteit door asielzoekers aan te pakken.
Realiseert u zich dat het gekkenwerk is iedereen die het woordje «asiel» uitspreekt op te vangen, ongeacht land van herkomst, crimineel verleden etc.? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Is het dit jaar, in tegenstelling tot vorig jaar, al gelukt om meer dan vijf criminele asielzoekers op grond van de openbare orde van straat te halen en uit te zetten? Zo nee, schaamt u zich niet voor deze absurde wanprestatie?
Uw vraag refereert vermoedelijk aan de tabel die is opgenomen in paragraaf 3.3.5 van de Rapportage Vreemdelingenketen 2018. In die tabel staat aangegeven hoeveel asielvergunningen op grond van openbare orde aspecten zijn geweigerd of ingetrokken in 2017 respectievelijk 2018, en hoeveel van de betreffende vreemdelingen nog in datzelfde jaar aantoonbaar zijn vertrokken.
Dat vreemdelingen veelal niet in hetzelfde jaar vertrekken als het jaar waarin hen asiel is geweigerd of hun asielvergunning is ingetrokken, is niet verwonderlijk. Vreemdelingen kunnen immers rechtsmiddelen aanwenden tegen het besluit; daarnaast is de snelheid waarmee het vertrek kan worden gerealiseerd afhankelijk van een breed scala aan factoren, waaronder de medewerking van de vreemdeling zelf en diens land van herkomst. Dit wordt ook uitgelegd in de voetnoot bij de tabel. Ik verwacht dan ook dat vreemdelingen aan wie asiel is geweigerd of wiens asielvergunning is ingetrokken in 2019, nog niet of nauwelijks aantoonbaar (uitzetting, vrijwillig vertrek onder toezicht) zullen zijn vertrokken.
Tenslotte wijs ik u op de tabel in paragraaf 6.6 van de RVK 2018. Deze tabel geeft inzicht in het vertrek van criminele, illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen. Uit deze tabel blijkt dat in 2018 1.140 criminele, illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen zijn vertrokken, waarvan 890 aantoonbaar (uitzetting of zelfstandig vertrek onder toezicht).
Bent u bereid een totale asielstop in te stellen, alle asielzoekerscentra te sluiten en alle criminele asielzoekers en statushouders uit Nederland te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het wegzenden van Taiwanese waarnemers bij het World Meteorological Congress 2019 |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat twee Taiwanezen, na (nota bene) te zijn uitgenodigd als waarnemer bij het World Meteorological Congress van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO), na één dag werden uitgesloten?1
Ja, ik ben bekend met de berichten waarnaar wordt verwezen.
Bent u bereid om de WMO te vragen naar een officiële verklaring voor het uitsluiten van de twee Taiwanese meteorologische experts? Zo nee, waarom niet?
Navraag bij WMO leert dat de twee Taiwanese meteorologische experts niet door WMO waren uitgenodigd of geaccrediteerd om als waarnemers bij het World Meteorological Congress aanwezig te zijn. Zij waren door de (niet-gouvernementele) Association of Hydro-Meteorological Equipment Industry (HMEI) geaccrediteerd voor deelname aan de Meteorological Technology World Expo die gelijktijdig met het World Meteorological Congress elders in Genève plaatsvond, en die niet door WMO of onder VN-vlag werd georganiseerd. HMEI had WMO verzocht de twee experts als (ngo-)waarnemers bij het World Meteorological Congress aanwezig te laten zijn, echter zonder daarbij de nationaliteit van de experts te vermelden. WMO heeft vooraf duidelijk te kennen gegeven dat het uitsluitend personen bij het World Meteorological Congress (of iedere andere officiële bijeenkomst van WMO als VN-organisatie) zou toelaten die een paspoort of nationaal identiteitsbewijs van een door de VN erkend land konden overleggen. Zodra de nationaliteit van de twee experts bekend werd bij WMO, is hen (verdere) toegang tot het World Meteorological Congress ontzegd.
Deze informatie is door WMO tijdens het World Meteorological Congress ook met de aanwezig pers gedeeld.
Hoe beoordeelt u deze handelwijze van deze «gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties»?
Zie antwoord vraag 2.
Drijvende zonnepanelen |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Zon op Water wil honderdduizenden zonnepanelen op open water»1 en «Liander wil rem op zonneparken vanwege tekort aan capaciteit»?2
Ja.
Hoe reageert u op het absurde plan van het Nationaal Consortium Zon op Water voor honderdduizenden drijvende zonnepanelen op open wateren? Deelt u de mening dat de klimaatwaanzin met de dag krankzinniger wordt?
De energietransitie is gebaat bij het onderzoek naar nieuwe technieken en toepassingen voor de productie van hernieuwbare elektriciteit. Dit geldt ook voor onderzoek en ontwikkeling van zonnepanelen op water.
Wat moet dit plan gaan kosten? Hoeveel subsidie zal hiermee gemoeid zijn?
De ontwikkeling van deze plannen wordt overgelaten aan de markt.
De SDE+-regeling is technologie neutraal en maakt een ranking op basis van kosteneffectiviteit. Hiermee komen de goedkoopste projecten als eerste aan bod. Van deze specifieke projecten moet nog blijken voor welke kostprijs zij een aanvraag in kunnen dienen.
Het is nog onduidelijk hoe groot de plannen precies zijn en of ze gerealiseerd zullen worden. Hierdoor is ook nog niet aan te geven hoe groot het gedeelte zal zijn in het totale Nederlandse energieverbruik.
In hoeveel procent van het totale Nederlandse energieverbruik moeten deze drijvende zonnepanelen gaan voorzien?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe reageert u op de stelling van de Vogelbescherming dat deze zonnepanelen mogelijk schadelijk kunnen zijn voor dier en natuur? Deelt u de mening dat de klimaatgekte meer kapot maakt dan je lief is?
Projecten voor hernieuwbare energie moeten voldoen aan alle geldende wet- en regelgeving. Inclusief met wet- en regelgeving omtrent dier en natuur.
Over de natuureffecten van zonnepanelen op water is weinig bekend. Er kan habitatverlies optreden maar het is nog niet bekend wat het verlies van weggevangen «zonne-energie» voor de waterecosystemen betekent. Tegelijk kunnen drijvende zonnepanelen ook kansen bieden, als schuilgelegenheid voor vissen of als aanhechtingsmateriaal voor mosselen. Voor verdere beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de brief met beantwoording van de moties Dik-Faber over zonneladder, die uw Kamer in of kort na het zomerreces zal ontvangen.
Bent u ertoe bereid dit plan direct een halt toe te roepen en door de shredder te halen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe reageert u op de regionale netbeheerder Liander die de aanleg van zonneparken in Nederland juist wil ontmoedigen omdat het stroomnet het allemaal niet aankan?
De afgelopen jaren heeft er een snelle groei van projecten voor duurzame elektriciteitsproductie plaatsgevonden. De keerzijde van dit succes is dat de afgelopen tijd is gebleken dat op een aantal plekken in Nederland schaarste in het elektriciteitsnet verhindert dat duurzaam opgewekte elektriciteit getransporteerd kan worden. Ik heb hierover met decentrale overheden, netbeheerders en marktpartijen overleg over gevoerd. Ik verwijs verder naar de Kamerbrief van 28 juni over netcapaciteit (Kamerstuk 30 196, nr. 669).
Deelt u de mening dat het tegenstrijdig is dat er – voornamelijk door u – volop wordt gepleit voor méér duurzame energie, terwijl de netbeheerder concludeert «gaat niet, kan niet»? Deelt u de conclusie dat uw klimaatbeleid van tegenstrijdigheden aan elkaar hangt en niet alleen onzinnig en onbetaalbaar is, maar ook nog eens onmogelijk?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u ertoe bereid de netbeheerder toe te staan nieuwe zonneparken niet langer aan te sluiten op het elektriciteitsnet? Bent u er tevens toe bereid alle subsidies voor dergelijke «duurzame» plannen direct stop te zetten?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘Malmström – Finalizing Mercosur deal is ‘priority number one’’ |
|
Helma Lodders (VVD), Wybren van Haga (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Kunt u zich het verzoek van het lid Lodders (VVD) herinneren tijdens het algemeen overleg ter voorbereiding op de Landbouw- en Visserijraad van 18 juni (AO Landbouw- en Visserijraad van 12 juni 2019) over de stand van zaken van de Mercosur-onderhandelingen?
Ja.
Wanneer kan de Kamer deze brief met de stand van zaken verwachten?
Op 28 juni jl. hebben de Europese Unie en Mercosur een politiek akkoord bereikt over een handelsovereenkomst. Als de geconsolideerde teksten hiervan beschikbaar zijn, zal het Kabinet de balans opmaken van de brede voor- en nadelen van het handelsakkoord, inclusief voor de land- en tuinbouwsector. Een hoofdlijnendocument van het handelsakkoord is door de Europese Commissie gepubliceerd1.
Wordt de inbreng van de Kamer, meegegeven in onder meer Kamervragen van de leden Lodders en Van Haga (documentnummer 2019D22303) waarin zij hun zorg hebben geuit over het feit dat Nederlandse boeren en tuinders geconfronteerd worden met steeds strengere regels en over producten uit die landen die in de Nederlandse schappen terecht komen die onder veel minder strenge voorwaarden zijn geproduceerd en waar chemicaliën aan te pas zijn gekomen die allang in Nederland en in de Europese Unie (EU) verboden zijn, meegenomen in de onderhandelingen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
De onderhandelingen met Mercosur zijn in 2001 gestart op basis van een mandaat aan de Europese Commissie. De afgelopen jaren is de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen altijd geweest om te komen tot een gebalanceerd akkoord met ambitieuze afspraken over handhaving van sanitaire- en fytosanitaire standaarden, dierenwelzijn en duurzame ontwikkeling. Ook nu moeten alle naar de EU geëxporteerde producten voldoen aan Europese standaarden, zoals eisen op het gebied van voedselveiligheid, etikettering en consumentenbescherming. Een handelsakkoord met Mercosur verandert hier niets aan. De Europese standaarden worden door een Mercosur akkoord dus niet verlaagd. Zoals eerder geantwoord geldt dit ook voor producten waarvan is aangetoond dat chemicaliën zijn gebruikt die binnen de EU verboden zijn2.
Kunt u ingaan op de «regels van oorsprong» die tijdens de onderhandelingen van 11 tot en met 15 maart 2019 aan bod zijn gekomen? Op welke landbouwproducten wordt gedoeld? Om welke productspecifieke voorschriften in de machine- en chemische sector gaat het?
Voor informatie over de uitkomsten van de onderhandelingen van 11-15 maart 2019 verwijs ik u naar de website van Europese Commissie.
Vanwaar de urgentie bij de Europese Commissie om nog in de maand juni het Mercosur verdrag te sluiten? Is de urgentie aan Europese zijde verstandig voor de Europese onderhandelingspositie?
Aan de zijde van Mercosur was er sprake van nieuw momentum dat een doorbraak in de onderhandelingen mogelijk heeft gemaakt, hetgeen geresulteerd heeft in het politiek akkoord. De Commissie zal vervolgens de uitkomsten van de onderhandelingen voorleggen aan de lidstaten en het Europees parlement ter beoordeling. De Europese Commissie is zich bewust van de gevoeligheden die bij de lidstaten liggen. Samen met andere EU-lidstaten heeft Nederland bij de Europese Commissie aangedrongen op een akkoord met een evenwichtige balans tussen exportbelangen, gevoelige sectoren en duurzaamheidsdoelstellingen.
Hoe hebben uw ambtsgenoten gereageerd op de uitspraken van Eurocommissaris Malmström over de urgentie van een snel akkoord en eventuele concessies op het gebied van landbouw en landbouwproducten?
De reacties delen mijn ambtsgenoten via de bestaande, bekende kanalen. Het is niet aan mij om hun reacties openbaar te maken of te delen.
Welke concessies op het gebied van landbouw en landbouwproducten liggen op dit moment op tafel en hoe verhouden deze zich tot de opbrengsten van het verdrag voor de EU?
De onderhandelingen met Mercosur hebben geleid tot een politiek akkoord tussen de EU en Mercosur. Als de geconsolideerde teksten beschikbaar komen, kan het kabinet de balans op te maken van de voor- en nadelen van het handelsakkoord voor Nederland.
Wat betekenen de eventuele concessies voor Nederland en in het bijzonder de Nederlandse landbouwbelangen? Zijn de gevolgen van eventuele concessies in het meest verregaande geval proportioneel ten opzichte van de te verwachten meerwaarde van het verdrag voor Nederland?
Zie antwoord vraag 7.
Welke voordelen van dit verdrag maken concessies op het vlak van de landbouw proportioneel?
Zie antwoord vraag 7.
De voortgang van het behoud van de zorg in de regio |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat de leegloop bij Treant ziekenhuizen is begonnen, vooruitlopend op de sluiting van de spoedhulp in Stadskanaal en Hoogeveen?1
Ja, ik ken het bericht. Een regieteam bestaande uit ziekenhuizen, huisartsen en zorgverzekeraars heeft zoals u weet de handen ineengeslagen om de zorg voor de regio Drenthe en Zuidoost-Groningen beschikbaar te houden. Het regieteam heeft mij laten weten dat het sinds het bekend maken van de plannen op hoofdlijnen, op 11 februari 2019, in dialoog met de omgeving is over de plannen. Tegelijkertijd worden de plannen concreter uitgewerkt. Sinds dit voorjaar zijn de ambulancediensten aangesloten bij het regieteam. Het uitwerken van de plannen bevindt zich momenteel in de laatste fase, aldus het regieteam.
Het regieteam heeft mij overigens laten weten dat er geen sprake is van een «leegloop» bij Treant. Wel is het een feit dat het, vooruitlopend op de ombouw van de SEH’s in Hoogeveen en Stadskanaal naar spoedposten, gebeurt dat patiënten de voorkeur geven aan een ander ziekenhuis, aldus het regieteam.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerder gestelde Kamervragen over het verdwijnen van de spoedeisende zorg in Hoogeveen en Stadskanaal, waarin u aangeeft dat plannen verder worden uitgewerkt, dat gevolgen voor onder andere ambulancediensten in kaart worden gebracht, dat de effecten op de responsetijden in kaart worden gebracht etc? Wat is de meest recente stand van zaken?2
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ermee bekend dat het ziekenhuis Isala de locatie in Meppel wil opwaarderen met een spoedeisende hulp niveau 3? Klopt het dat regionale bestuurders en betrokkenen bij deze beslissing niet geconsulteerd zijn?
Voor SEH’s (niet zijnde een traumacentrum) geldt op dit moment geen indeling in verschillende niveau’s. Alle SEH’s moeten, met name op het gebied van personele bezetting, aan dezelfde minimumvereisten voldoen.
De Raad van Bestuur van het Isala ziekenhuis heeft mij laten weten dat er geen voornemen bestaat om de SEH op de locatie Meppel te wijzigen. Deze heeft een 7 maal 24 uur beschikbaarheid en dat zal naar de toekomst ook zo blijven, juist ook gezien de andere ontwikkelingen in Drenthe. Dit sluit aan bij de opvattingen van het ROAZ en Zilveren Kruis. De Raad van Bestuur is regelmatig in gesprek met regionale bestuurders en betrokkenen over allerlei zaken die spelen in en rond de verschillende ziekenhuislocaties van het Isala. Meer in het bijzonder vindt er goed overleg plaats over de toekomst van de spoedzorg in Drenthe, onder regie van Zilveren Kruis en Menzis.
Deelt u de mening dat de zorgbehoefte van de inwoners centraal dient te staan en niet het aanbod dat zorgverleners willen bieden? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat de (huidige en toekomstige) zorgvraag van de inwoners in een regio en het zorgaanbod in deze regio goed op elkaar aansluiten. De cijfers die ik via het RIVM beschikbaar stel voor het opstellen van regiobeelden geven inzicht in de toekomstige zorgvraag en kunnen dan ook behulpzaam zijn bij de vraag hoe het zorgaanbod in de regio er in de toekomst uit moet zien.
Maar hoewel zorg voldoende toegankelijk moet zijn betekent het voorgaande niet, dat patiënten met iedere zorgvraag terecht moeten kunnen bij een zorgaanbieder in hun regio. En ook niet, dat de bestaande zorgaanbieders in de regio verplicht zijn om alle zorg te bieden waar de inwoners in de regio behoefte aan hebben.
Zorg moet op de juiste plek worden verleend; waar mogelijk dichtbij de mensen, maar in bepaalde gevallen is het ook beter om de zorg wat verder weg te organiseren. Voor de spreiding van SEH’s en ziekenhuisafdelingen voor acute verloskunde bestaat zoals u weet de 45 minuten-norm. Daarnaast moet de zorgverzekeraar er op grond van zijn zorgplicht voor zorgen dat de zorg die in het basispakket van de Zorgverzekeringswet zit voldoende toegankelijk is. De NZa ziet daarop toe.
Voor zover uw vragen betrekking hebben op de plannen voor de regio Drenthe / Zuidoost-Groningen, kan ik u als volgt informeren.
Het regieteam heeft mij laten weten dat doel van de plannen van het regieteam van ziekenhuizen, huisartsen en zorgverzekeraars in Drenthe en Zuidoost-Groningen juist is om de zorg voor de regio en voor de bewoners beschikbaar te houden. Het streven is nadrukkelijk het huidige zorgaanbod zodanig in te richten dat dit langdurig behouden blijft voor de regio. En, op basis van voorspellingen over de verwachte zorgvraag in de toekomst, te voorkomen dat dit verdwijnt uit de regio, bijvoorbeeld richting Zwolle en Groningen. Door middel van diverse bijeenkomsten met bijvoorbeeld inwoners en betrokken gemeenten houdt de regiegroep nauw contact met de stakeholders en de inwoners om de zorgbehoefte inzichtelijk te maken, aldus het regieteam.
Het regieteam heeft een onderzoeksbureau in de hand genomen, dat het regieteam ondersteunt met cijfers over de zorgbehoefte nu en in de toekomst. Deze cijfers helpen om de zorg in de regio zodanig in te richten dat deze langdurig behouden kan blijven voor de regio, aldus het regieteam.
Deelt u de mening dat de zorgbehoefte zoals deze in kaart wordt gebracht door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en andere cijfers hierbij leidend dienen te zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de observatie dat de ziekenhuisdirecties van Ommeland (Winschoten), Treant (Stadskanaal, Hoogeveen, Emmen), Isala (Zwolle, Meppel) en Wilhelminaziekenhuis (Assen) wellicht wel met regionale bestuurders en betrokkenen spreken, maar vervolgens niets doen met hun inbreng en gewoon hun eigen plan trekken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uw mening hierover?
Nee, die observatie deel ik op dit moment niet.
Wat Meppel betreft verwijs ik graag naar mijn antwoord op vraag 3.
Treant en Wilhelmina Ziekenhuis Assen maken beiden onderdeel uit van het regieteam dat een visie heeft ontwikkeld voor de ziekenhuiszorg in Drenthe en Zuidoost-Groningen. Het regieteam heeft mij laten weten dat het niet alleen met regionale bestuurders heeft gesproken over de plannen, maar ook met onder andere lokale bestuurders, inwoners, vele zorgorganisaties en patiëntenverenigingen. Het regieteam heeft hierbij steeds duidelijk gemaakt dat de plannen enerzijds absolute noodzaak zijn vanwege personeelsschaarste, maatschappelijke ontwikkelingen en medische eisen, maar dat er tegelijkertijd ruimte is om te kijken naar knelpunten en wensen die leven in de regio. Deze neemt het regieteam mee in de definitieve plannen, aldus het regieteam.
Deelt u de observatie dat hetzelfde geldt voor de ziekenhuisdirectie van Bravis (Bergen op Zoom/Roosendaal)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uw mening hierover?
Bravis heeft mij laten weten de dialoog te hebben gezocht met de inwoners van het verzorgingsgebied van het ziekenhuis. De belangrijkste zorgen bleken zich te richten op de bereikbaarheid van de acute zorg, de bereikbaarheid van ziekenhuiszorg voor de chronische patiënt, openbaar vervoer en de gevolgen voor de directe woonomgeving voor omwonenden van de nieuwe locatie van het ziekenhuis. Bravis geeft aan naar dat deze input heeft geleid tot een aantal aanscherpingen in de uitvoering van hun besluit. Zo zal er nadrukkelijk sprake zijn van een stadpolikliniek in de gemeente Bergen op Zoom waarin medisch specialisten spreekuur zullen houden en waar diagnostische mogelijkheden aanwezig zullen zijn. Daarnaast zal er met de diverse huisartsengroepen in de gemeenten van Bravis gesproken worden om te komen tot mogelijkheden van anderhalvelijns zorg. Ook zal met de gemeenten worden gesproken met aanbieders van het openbaar vervoer over de bereikbaarheid van het ziekenhuis, zeker vanuit het westelijk deel van het verzorgingsgebied van Bravis. Tot slot heeft Bravis samen met het gemeentebestuur van Tholen op 28 juni 2019 gesproken met de Regionale Ambulancevoorziening (RAV) Zeeland over onder andere een mogelijk betere situering van de uitrijdpost van de ambulancedienst op het eiland Tholen. De observatie dat de ziekenhuisdirectie van Bravis wellicht niets met de inbreng van regionale bestuurders en betrokkenen doet, deel ik dan ook niet.
Klopt het dat u reeds handhaaft op de maatregel dat er overleg dient te zijn met betrokkenen (inwoners, patiëntenverenigingen, andere zorgverleners, ketenpartners) en bestuurders bij wijzigingen in de acute zorg?
Zoals u weet is de amvb acute zorg, waarin de communicatie met partijen en inwoners in de regio een belangrijk onderdeel is, nog niet in werking getreden. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze amvb stimuleer ik op dit moment echter reeds dat zorgaanbieders die overwegen om het aanbod van acute zorg op een bepaalde locatie te sluiten, handelen in de lijn van deze concept amvb. Dat wil zeggen dat ze een zeer zorgvuldig besluitvormingsproces inrichten. Ik heb de koepels van de ziekenhuizen, de huisartsenposten en de ggz-crisisdiensten in een brief gevraagd om hun leden te vragen om vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze amvb alvast langs de lijnen van deze concept amvb te handelen. Ook in overleggen die ik voer met zorgaanbieders die een voornemen tot sluiting hebben, benadruk ik het belang van het betrekken van maatschappelijke partners, waaronder ook het regionaal overleg acute zorgketen (ROAZ), bij de besluitvorming.
Een zorgvuldige besluitvormingsprocedure houdt allereerst in dat een zorgaanbieder die overweegt het aanbod van acute zorg op een bepaalde plaats te beëindigen dit dient te melden aan de IGJ en de NZa. Hij moet ook een plan opstellen om de continuïteit van zorg te borgen. Uiteraard moeten afspraken gemaakt worden met zorgverzekeraars. Andere zorgaanbieders voor wie een eventuele sluiting gevolgen kan hebben, waaronder zeker ook de Regionale Ambulancevoorziening, alsmede de gemeenten en inwoners dienen betrokken te worden in het afwegingsproces. Die andere partijen moeten niet alleen maar worden geïnformeerd, zij moeten de kans krijgen bezwaren te uiten en suggesties te doen. De zorgaanbieder moet deze meewegen in zijn besluitvorming en kunnen uitleggen wat hij met die punten heeft gedaan.
Omdat de amvb acute zorg nog niet in werking is getreden, is formele handhaving op de naleving van deze amvb is nog niet mogelijk. Echter, bij wijzigingen in het aanbod van acute zorg heeft de IGJ, nu en in het verleden, reeds aandacht (gehad) voor een gedegen onderbouwing en afstemming met ketenpartners en andere betrokkenen (zoals patiënten en het lokaal bestuur), door de betreffende zorgaanbieder, van besluiten tot afbouw of wijziging van zorgactiviteiten. Verder stellen de IGJ en NZa momenteel, vooruitlopend op deze amvb, gezamenlijk een handreiking op voor een zorgvuldige proces- en besluitvorming bij wijzigingen in het acute zorglandschap, waar overleg met andere betrokken actoren en inwoners uiteraard onderdeel van zal uitmaken. Deze handreiking zal ik naar verwachting in oktober aan uw Kamer doen toekomen.
Deelt u de mening dat «overleggen» hierbij uitgelegd moet worden als consulteren en niet als eenzijdig informeren, en dat consultatie betekent dat plannen ook aangepast moeten kunnen worden?
Zie antwoord vraag 8.
Wat vindt u ervan dat er naar verwachting bij Treant 2 miljoen euro extra aan tijdelijk personeel wordt uitgegeven in 2019 omdat er bij Treant ziekenhuizen een hoog verloop is omdat medewerkers onzeker zijn over hun toekomst?
Treant heeft aangegeven het uiterste te doen om, tot het moment dat alle partners in de regio gereed zijn voor de plannen zoals die in voorbereiding zijn uit te voeren, de huidige inrichting van de zorg te handhaven. Omdat een tekort van personeel mede aanleiding is voor deze plannen, is tijdelijke inhuur van extra personeel volgens Treant nodig. Tijdelijke inhuur en andere vormen van flexwerk komen steeds meer voor in de zorg. Ik vind het belangrijk dat zorginstellingen en medewerkers hierin een bewuste en goed geïnformeerde keuze maken en dat zorgwerkgevers in aanvulling daarop via goed werkgeverschap negatieve prikkels voor deze keuze zoveel mogelijk proberen te beperken. VWS laat op dit moment een onderzoek uitvoeren naar het verschijnsel van flexwerk. Het is een actiegericht onderzoek, waarmee ook meteen aan mogelijke oplossingsrichtingen wordt gewerkt voor situaties waarin flexwerk als probleem wordt ervaren.
Deelt u de observatie dat het trekken van een eigen plan door iedere directie negatieve gevolgen heeft voor niet alleen de bereikbaarheid maar ook voor de beschikbaarheid van ziekenhuizen, zoals dat er steeds meer patiëntenstops bij ziekenhuizen zijn?3
Ik kan mij niet helemaal vinden in deze absolute stelling, maar u weet dat ik het belangrijk vind dat een ziekenhuis bij een voornemen tot wijziging van het acute zorgaanbod niet solitair handelt. Ziekenhuizen zijn maatschappelijke organisaties en moeten zich als onderdeel van die maatschappij gedragen. Bij het nemen van dergelijke beslissingen moeten zij in overleg met de andere partijen in de regio treden en onder meer een continuïteitsplan maken om ervoor te zorgen dat de continuïteit van de zorg in de regio ook na sluiting van de betreffende afdeling(en) voldoende is geborgd.
In het regieteam Drenthe / Zuidoost Groningen is er overigens geen sprake van dat ziekenhuisdirecties hun eigen plan trekken. In het regieteam hebben meerdere ziekenhuisdirecties, huisartsen, ambulancediensten en zorgverzekeraars zitting. Deze partijen kijken samen, over hun eigen grenzen heen, naar de best mogelijke inrichting van de zorg in de regio.
Kunt u een overzicht geven wanneer u met welke besturen en directies van ziekenhuizen hebt gesproken sinds 1 juni 2018 met betrekking tot de toekomstige inrichting van de zorg in de regio?
In de periode 1 juni 2018 tot en met 5 juli 2019 heb ik zelf de volgende gesprekken met besturen en directies van ziekenhuizen gevoerd over de toekomstige inrichting van de zorg in de regio:
De gesprekken die betrekking hebben op deze onderwerpen vindt u terug in onderstaand overzicht. Geprobeerd is, in de korte tijd die hiervoor stond, in het overzicht zoveel mogelijk de relevante feiten weer te geven.
Naast de gesprekken die in onderstaand overzicht zijn opgenomen, heb ik uiteraard ook over andere onderwerpen met besturen en directies van ziekenhuizen gesproken, bijvoorbeeld tijdens mijn werkbezoeken aan de ziekenhuizen.
Ook wil ik tot slot graag noemen dat er uiteraard ook gesprekken hebben plaatsgevonden over andere onderwerpen die van belang zijn voor het zorglandschap c.q. de zorg in de regio, zoals de amvb acute zorg en de positie van het regionaal overleg acute zorg (ROAZ), en de totstandkoming van kwaliteitskaders en de betrokkenheid van en invloed op de regionale ziekenhuizen.
Over de zorg in Drenthe / Zuidoost-Groningen en de regiovisie van het regieteam heb ik met besturen en directies van ziekenhuizen gesproken op: 13 november 2018 (bezoek aan Drentse Zorgtafel); 8 februari 2019; 15 april 2019; en 28 juni 2019.
Op 30 oktober 2018 heb ik u een feitenoverzicht (vanuit het perspectief van VWS en betrokken toezichthouders) toegestuurd, dat zag op de periode van 16 juli tot en met 30 oktober 2018 (Kamerstuk 31 016, nr.113). In aanvulling daarop kan ik u melden dat ik met besturen en directies van ziekenhuizen over het faillissement en de overname van de IJsselmeerziekenhuizen, en de toekomst van de zorg in Flevoland, heb gesproken op: 1, 5, 11, 20 en 28 november 2018; 19 december 2018; 5 februari 2019.
Op 30 oktober 2018 heb ik u een feitenoverzicht (vanuit het perspectief van VWS en betrokken toezichthouders) toegestuurd, dat zag op de periode van 16 juli tot en met 30 oktober 2018 (Kamerstuk 31 016, nr.113). In aanvulling daarop kan ik u melden dat ik (met besturen en directies van ziekenhuizen over het faillissement van MC Slotervaart heb gesproken op: 6, 13, 20 en 27 november 2018; 11 december 2018; 15 januari 2019.
Over het voornemen om (de acute zorg van) locatie Bronovo van het Haaglanden Medisch Centrum te sluiten heb ik met besturen en directies van ziekenhuizen gesproken op: 9 januari 2019 en 23 mei 2019 (zie ook mijn antwoord op vraag 7, in de antwoorden op Kamervragen over de overbelasting van de spoedeisende hulp in het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3330).
Over het voornemen van Bravis om de locaties Bergen op Zoom en Roosendaal samen te voegen op één locatie heb ik met besturen en directies van ziekenhuizen gesproken op: 21 februari 2019 en 11 juni 2019.
Over de financiële situatie en toekomst van het Maasziekenhuis in Boxmeer heb ik met besturen en directies van ziekenhuizen gesproken op: 5 en 19 februari 2019; 13 maart 2019; en 2, 5 en 17 april 2019.
Verder hebben er, naast het feit dat ik zelf contact heb gehad met de besturen en directies van ziekenhuizen, uiteraard ook veel contacten plaatsgevonden tussen mijn ambtenaren en/of medewerkers van de IGJ en/of NZa en verschillende ziekenhuizen.
De brandbrief van jeugdrechtadvocaten |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Kent u de brandbrief van jeugdrechtadvocaten?1
Ja.
Erkent u dat de richtlijn die procedurele waarborgen voor kinderen regelt2 ertoe leidt dat het voor minderjarigen niet langer mogelijk is afstand te doen van rechtsbijstand bij het politieverhoor, dat dit tot extra werk en verplichtingen voor jeugdrechtadvocaten leidt, maar dat de bijbehorende adequate vergoeding door u niet geleverd wordt? Hoe komt dat?
Richtlijn 2016/800/EU die procedurele waarborgen voor kinderen regelt en de wet tot implementatie van deze richtlijn (Stb. 2019, 180) leiden er inderdaad toe dat minderjarigen verzekerd zijn van rechtsbijstand bij het politieverhoor, en daarvan geen afstand kunnen doen. Dit leidt tot extra werkaanbod voor jeugdrechtadvocaten, waarvoor zij een vergoeding ontvangen overeenkomstig de geldende systematiek. Ik ben bekend met de zorgen van de advocatuur over de hoogte van de vergoedingen. Bij de implementatie van de richtlijn per 1 juni jongstleden is ervoor gekozen de vergoeding aan te laten sluiten bij de huidige puntenvergoeding voor het bijwonen van politieverhoren. In 2016 is deze puntenvergoeding voor minderjarige verdachten met 50% verhoogd tot het niveau van de vergoeding voor verhoorbijstand voor meerderjarige verdachten. Ik stel vast dat dit voorstel in het kader van de consultatie niet tot kritiek heeft geleid.
Kunt u ingaan op alle afzonderlijke knelpunten die door de jeugdrechtadvocaten worden genoemd in de brief?
Het voert te ver om in dit stadium, waarbij de ketenpartners en ik nog geen overleg heb kunnen voeren met de (jeugdrecht)advocatuur naar aanleiding van deze brief, in te gaan op alle afzonderlijke knelpunten. In hoofdlijnen onderscheid ik twee aandachtspunten in de brief, te weten de vergoeding voor de (extra) werkzaamheden, en daarnaast de organisatorische aspecten in verband met de implementatie van de richtlijn – daarbij inbegrepen de rol en verantwoordelijkheid van alle ketenpartners. Op het eerste aspect ben ik reeds ingegaan bij de beantwoording van de vorige vraag; voor het tweede aspect verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Wat is uw reactie op het verwijt dat u bij de implementatie onvoldoende rekening heeft gehouden met de praktische en financiële gevolgen voor advocaten van deze verplichting tot bijstand bij elk verhoor, en het verwijt dat de politie en het openbaar ministerie de verantwoordelijkheid voor de effectuering van deze verplichting die op Nederland rust eenzijdig bij de advocatuur legt?
Afgezien van mijn eigen verantwoordelijkheid voor de implementatie en de stappen die ik daarin steeds met de ketenpartners heb gezet, merk ik op dat in de dagelijkse praktijk politie en openbaar ministerie, samen met de (jeugdrecht)advocatuur, een belangrijke verantwoordelijkheid uitoefenen voor de effectuering van de verplichtingen die op Nederland rusten. Voor zover mij bekend nemen deze ketenpartners dit tot nu toe op constructieve wijze ter hand. Ik herken mij derhalve niet in het verwijt dat politie en openbaar ministerie de verantwoordelijkheid voor de effectuering van deze verplichting die op Nederland rust, eenzijdig bij de advocatuur leggen.
Bent u bereid met spoed in deze kwestie met voorstellen te komen die recht doen aan de verplichtingen die voortvloeien uit deze richtlijn en tegemoetkomen aan de in deze brandbrief geuite zorgen?
Mede naar aanleiding van deze brief zal ik op korte termijn, in het kader van de reeds bestaande functionele contacten over de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoering van de wet ter uitvoering van deze richtlijn, samen met politie en openbaar ministerie nader in overleg treden met de (jeugdrecht)advocatuur en daarbij ook de gesignaleerde knelpunten bespreken. Ik zal uw Kamer daarover voor de begrotingsbehandeling berichten.
Het artikel ‘Gedupeerden gaswinning moeten twee keer zo lang wachten op afhandeling schade’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Agnes Mulder (CDA), Carla Dik-Faber (CU), Matthijs Sienot (D66) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Gedupeerden gaswinning moeten twee keer zo lang wachten op afhandeling schade»?1
Ja.
Bent u bekend met het besluit van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG) dat schadeafhandeling vijftien maanden later komt en daarmee een totale wachttijd van 30 maanden ontstaat? Wat is uw reactie hierop?
Ja. De TCMG heeft naar 5.400 schademelders een brief gestuurd waarin staat dat de TCMG niet in staat is om de beslistermijn van vijftien maanden te halen die aanvankelijk is bekend gemaakt nadat op 19 maart 2018 de aanvraag bij TCMG binnenkwam. Tot mijn grote spijt kan ik niet terugdraaien dat 5.400 mensen al ruim 15 maanden wachten op een besluit en nu nog langer moeten wachten.
De voornaamste reden dat de beslistermijn over de 15 maanden is gekomen is gelegen in de grote hoeveelheid meldingen die de TCMG bij haar start overgedragen heeft gekregen. Dit heeft bijgedragen tot een stuwmeer. Dit is voor mij reden geweest om te besluiten om een vergaande maatregel als de stuwmeerregeling door te voeren. Met deze regeling kan de werkvoorraad van TCMG worden teruggebracht tot werkbare proporties. Hierdoor wordt mogelijk gemaakt dat TCMG de resterende schademeldingen binnen een redelijke termijn en met een zorgvuldig proces afhandelen.
Welke actie onderneemt u om het zogenoemde stuwmeer aan schademeldingen snel af te handelen?
Ik heb besloten het de TCMG mogelijk te maken de vaste vergoeding van € 5.000,– uit de stuwmeerregeling te laten gelden voor alle aanvragen die door de TCMG zijn ontvangen tot en met 12 juni 2019, 12 uur ’s avonds. Daarmee wordt aan alle aanvragers met een melding waarop nog niet is beslist een aanbod gedaan. Voor de door de TCMG voorgestelde variabele vergoeding tot € 11.000,– geldt de datum van 1 januari 2019. Ik zal dit vastleggen in aanvulling op het Besluit mijnbouwschade Groningen.
Ook na deze eenmalige regeling blijft een voortvarende, onafhankelijke en zorgvuldige schadeafhandeling van belang. Samen met de TCMG blijf ik hiervoor alles in het werk stellen. Met deze eenmalige regeling en de andere versnellingsmaatregelen door de TCMG geef ik invulling aan de motie-Sienot (33 529, nr. 628). Met de stuwmeerregeling wordt de werkvoorraad teruggebracht tot werkbare proporties die de TCMG niet meer beperkt in de voortvarende schadeafhandeling. De brieven van de TCMG zijn een formele stap, maar geen aankondiging van de voorziene afhandelingstermijn. Deze regeling heeft dus ook als doel om verder onzekerheid ten gevolge van verdagingsberichten zoveel als mogelijk te voorkomen. Bovendien kan de TCMG met deze regeling de resterende schademeldingen binnen een redelijke termijn en met een zorgvuldig proces afhandelen.
Hoe geeft u uitvoering aan de motie-Sienot c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 636) dat oproept om de 16.000 schademeldingen voor 2020 af te handelen? Hoe verhoudt dit recente bericht van de TCMG met uitstel tot de beloofde versnelde aanpak van schadeafhandeling?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe voorkomt u extra onzekerheid bij schademelders door dergelijke berichtgeving van de TCMG?
Zie antwoord vraag 3.
Het onderwijsboek Geobas 7 |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onderwijsboek Geobas 7 (4e editie) van Noordhoff Uitgevers?
Ja.
Zie voor de beantwoording van de vragen 2 tot en met 9 het antwoord onder vraag 9.
Wat vindt u van de pagina waarop gesproken wordt over «grauwe buitenwijken» in combinatie met de woorden «gastarbeiders», «moskee», «criminaliteit», «kakkerlakken», «werkloos»?
Met enige regelmaat krijgt het kabinet vragen over de inhoud van leermiddelen. Hoe begrijpelijk het ook is dat bepaalde passages uit leermiddelen soms vragen oproepen, hecht ik eraan om de formele verantwoordelijkheidsverdeling omtrent de inhoud van leermiddelen te respecteren.
Zoals ik en mijn voorgangers in de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen al hebben aangegeven, is het niet aan het kabinet om de inhoud van leermiddelen te beoordelen, maar aan de scholen. We hebben, via de vrijheid van onderwijs, grondwettelijk verankerd dat scholen het onderwijs zelf mogen inrichten en daarbij leermiddelen van hun keuze mogen gebruiken. Dit past bij de autonomie van scholen en bij de professionele ruimte van leraren om daarin hun eigen afwegingen te maken.
Tegelijkertijd is onderdeel van die vrijheid dat scholen de verantwoordelijkheid hebben om richting ouders en leerlingen aanspreekbaar te zijn op de gemaakte keuzes en de omgang met leermethoden. Ouders en leerlingen kunnen eventuele vragen hierover via hun vertegenwoordiging in de medezeggenschapsraad onder de aandacht brengen van het schoolbestuur. Daarnaast kan een klacht worden ingediend via de daarvoor geldende klachtenregeling. Bovendien zijn de grondwettelijke vrijheden van scholen niet onbegrensd; zij worden bijvoorbeeld begrensd door het strafrecht. Indien er strafrechtelijke grenzen worden overschreden, is het aan het Openbaar Ministerie om op te treden.
Deelt u de mening dat op deze manier allerlei vooroordelen en stereotypen kunnen worden aangewakkerd dan wel bevestigd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de uitgever van Geobas 7 hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de uitgever van Geobas 7 te vragen de onderhavige editie te vervangen door een editie waarin geen sprake is van het aanwakkeren van vooroordelen en stereotypen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de uitgever van Geobas 7 te vragen de onderhavige editie niet meer voor het volgende schooljaar te gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de uitgever van Geobas 7 te vragen om al zijn onderwijsmateriaal aan een kritische blik te onderwerpen en indien nodig het materiaal zo aan te passen dat er geen sprake meer is van het aanwakkeren dan wel bevestigen van vooroordelen en stereotypen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een organisatie met expertise op het gebied van discriminatie (zoals bijvoorbeeld RADAR) een scan van al het Nederlandse onderwijsmateriaal in het basis- en voortgezet onderwijs te laten maken om te kijken bij welk materiaal er sprake is van het aanwakkeren van vooroordelen en stereotypen, en op basis van dit onderzoek de betreffende uitgevers hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de door boeken, zoals Geobas 7, aangewakkerde vooroordelen en stereotypen te bestrijden door een antivooroordeel campagne op scholen in het basis- en voortgezet onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat de Groningse universiteit meer grip wil krijgen op het Koninklijk Nederlands Instituut Rome |
|
Frank Futselaar |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Kent u het artikel «Rel over Groningse «coup» in Rome?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja.
In de koepel Nederlandse Wetenschappelijke Instituten in het Buitenland, de NWIB, werken zes Nederlandse universiteiten samen. De samenwerking betreft vijf instituten in Athene, Florence, Caïro, Sint-Petersburg en Rome. De UvA is penvoerder voor Sint-Petersburg en Athene, de Leidse universiteit voor Caïro (met Vlaanderen), UU voor Florence en de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) voor het Koninklijk Nederlands Instituut te Rome (Hierna: KNIR).
In 1990 is een overdrachtsprotocol opgesteld, waarin is vastgelegd dat het beheer van het KNIR is overgedragen van mijn departement naar de RUG. Sinds 1991 is de RUG derhalve integraal verantwoordelijk voor het KNIR.
Voor het inhoudelijke programma van het KNIR geldt dat de RUG hiervoor samenwerkt met de hierboven genoemde instellingen, aangevuld met de VU en de Radboud Universiteit. De zes instellingen hebben in de Gemeenschappelijke Regeling vastgelegd hoe zij de programma’s van de instituten vormgeven, de kwaliteit ervan bewaken en hoe zij de financiering onderling regelen.
Bij de overdracht is vastgesteld dat de primaire wetenschappelijk taken van het KNIR intact blijven. In het overdrachtsprotocol wordt daarnaast benadrukt dat het instituut ontmoetingen en samenwerkingen stimuleert tussen de Nederlandse en internationale instituten op de werkterreinen van het KNIR. Voor mijn reactie op het bericht, zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het Koninklijk Nederlands Instituut in Rome, dat het oudste en grootste van de Nederlandse Wetenschappelijke Instituten in het Buitenland is en dat onderzoek doet naar stukken in de Vaticaanse archieven die over de Nederlandse geschiedenis handelen, gerenommeerd en van nationaal belang is?
Het KNIR is een uitvalsbasis voor Nederlandse studenten en onderzoekers in de geesteswetenschappen. Daarnaast verrichten wetenschappers van het KNIR zelf onderzoek en verzorgen onderwijs dat is gericht op archeologie, oudheid en kunsthistorie, Italiaanse geschiedenis en de relatie tussen Nederland en Italië in historisch perspectief. Ik wil benadrukken dat de RUG als penvoerder in eerste instantie verantwoording aflegt aan het koepelbestuur van de NWIB, zowel over de inhoudelijke vormgeving van onderwijs en onderzoek, als over de opvolgingskwestie binnen de directie. Ik ga ervan uit dat de nationale belangen die het instituut dient, geborgd worden door de RUG zelf ondersteund met toezicht vanuit het koepelbestuur. Ik heb begrepen dat het NWIB-bestuur in overleg op 28 juni 2019 heeft geconstateerd dat er geen verschil van inzicht bestaat over de koers van het instituut. Het is verder aan de RUG in nauwe afstemming met de NWIB-koepel hier invulling aan te geven.
In het instituut wordt al sinds 1904 onderzoek verricht naar historische, kunsthistorische en archeologische bronnen die speciaal in Rome ontsloten kunnen worden. Al ruim honderd jaar staat het KNIR voor hoogstaand onderzoek en interdisciplinair onderwijs in de geesteswetenschappen, waarbij het een brugfunctie vervult tussen de Nederlandse universiteiten en de academische wereld in Italië.
Ik erken en waardeer de wetenschappelijke reputatie van het instituut en hecht eraan dat de nationale functie die het met succes vervult voor Nederlandse onderzoekers, docenten en studenten van alle deelnemende universiteiten behouden blijft. Ik waardeer ook het feit dat in het huidige meerjarenplan van het KNIR staat dat het beleid erop is gericht het instituut te ontsluiten voor studenten en onderzoekers van meer disciplines, een beleid dat wordt gevoerd voor alle instituten die vallen onder de NWIB-koepel.
Kunt u garanderen dat de kwaliteit van het hoogstaande interdisciplinaire onderwijs en onderzoek gewaarborgd blijft? Welke stappen gaat u zetten als de kwaliteit dreigt te dalen?
Het instituut is ingebed in de in Nederland vigerende systemen voor de kwaliteitszorg van onderwijs en onderzoek. Dat biedt voldoende waarborgen voor de kwaliteit. Ik ga er vanuit dat dit zo blijft.
Deelt u de mening van scheidend directeur Hendrix dat de Groningse notitie is gebaseerd op deels onvolledige en onjuiste informatie en dat het Groningse plan een degradatie is van het instituut? Kunt u dit toelichten?
Het is aan het NWIB-bestuur deze punten in haar overwegingen mee te nemen.
Kunt u informatie verschaffen over de hoogte van de bijdragen van de RUG en andere universiteiten aan het instituut? Klopt het dat de RUG evenveel bijdraagt als andere universiteiten?
Als eerder gemeld, is de RUG sinds 1991 zowel beheers- als beleidsmatig verantwoordelijk voor het KNIR. Om dit mogelijk te maken, heeft de overheid de voor het KNIR benodigde middelen verwerkt in de rijksbijdrage van de RUG (lumpsum). Op basis van de jaarlijkse loon- en prijsbijstelling wordt deze bijdrage geïndexeerd. Deze middelen zijn een bijdrage in de kosten en staan los van de daadwerkelijke kosten die de RUG maakt voor het KNIR. Ik heb geen inzage in de precieze begroting van het KNIR, de beoordeling daarvan laat ik aan de NWIB-koepel. De RUG heeft mij laten weten dat de bij de RUG gemaakte kosten voor een part time directeur beheer, het personeelsmanagement, de financiële administratie en ondersteuning van de bibliotheek, niet drukken op de begroting van het KNIR.
Het bericht ‘Mediterranean will be 'sea of blood' without rescue boats, UN warns’ |
|
Joël Voordewind (CU), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht «Mediterranean will be «sea of blood» without rescue boats, UN warns»?1
Ja.
Wat vindt u van deze waarschuwing van de Verenigde Naties (VN)? In hoeverre heeft u dit met uw collega’s besproken, bijvoorbeeld bij de meest recente JBZ-raad? Gaat u op een bepaalde manier gevolg geven aan deze waarschuwing? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zowel Nederland, als de overige Europese lidstaten, roepen op om de situatie op de Middellandse Zee te verbeteren. Zoals uw Kamer is gemeld in het verslag van de informele JBZ-Raad,2 vinden momenteel op EU-niveau bijeenkomsten plaats om de situatie op de Middellandse Zee en in het bijzonder de ontscheping van drenkelingen in de EU te bespreken. Op de uitkomsten daarvan zal ik niet vooruitlopen.
Deelt u de mening van de VN dat de kans op verdrinkingen op de Middellandse Zee alleen maar toeneemt sinds het oplaaiende geweld in Libië en de afnemende aanwezigheid van NGO-reddingschepen? Zo nee, waarom niet?
Dergelijke oorzakelijke verbanden zijn lastig aan te tonen. Het risico op verdrinkingen wordt bepaald door diverse factoren, waaronder de weersomstandigheden en het seizoen, de gekozen vaarroute, de door mensensmokkelaars geboden ondersteuning, waaronder met name de zeewaardigheid en uitrusting van boten, alsmede de aanwezigheid van schepen die reddingsoperaties uitvoeren. Daarbij komt dat mensensmokkelaars hun werkwijze voortdurend wijzigen. Waar aanvankelijk sprake was van grotere schepen, worden migranten nu veelal vervoerd in nauwelijks zeewaardige rubberboten. Soms ook met onvoldoende brandstof om de dichtstbijzijnde EU-lidstaten te kunnen bereiken. Het effect van de aanwezigheid en activiteiten van NGO-schepen is onderwerp van debat. Vast staat dat activiteiten van deze schepen effect hebben op het handelen van mensensmokkelaars. EASO heeft geconstateerd, dat smokkelaars op sociale netwerken hun diensten adverteren en daarbij melden in welke gebieden NGO-schepen actief zijn. Ook anderszins zijn de posities van deze schepen via de sociale media kenbaar.3 De kans bestaat dat zowel smokkelaars als opvarenden erop rekenen dat men onderweg zal worden opgepikt.
Overigens tonen cijfers van IOM aan dat het absolute aantal verdrinkingen elk jaar significant afneemt.4 Volgens cijfers van UNHCR valt na maart 2019 geen toename te constateren van het percentage doden en vermissingen van het aantal irreguliere aankomsten over zee via de Centraal Mediterrane route.5
Hoe bereiden de Europese Unie (EU) en Nederland zich voor op komende zomer, gelet op het gegeven dat in de zomer het aantal migranten en vluchtelingen dat de oversteek waagt toeneemt?
Het aantal irreguliere aankomsten in de EU ligt op dit moment lager dan in dezelfde periode in 2018. Het kabinet is positief over het feit dat maatregelen hebben geleid tot een daling van het aantal levensgevaarlijke overtochten. Hoewel de huidige situatie ten opzichte van 2015 wellicht beter onder controle lijkt, is er nog veel werk te verzetten. Daar dringt het kabinet in EU-verband ook doorlopend op aan.
Van belang is dat er op EU-niveau een structurele oplossing komt voor het ontschepingsvraagstuk, dat de samenwerking met (Noord-) Afrikaanse partners verder wordt versterkt, dat de asielprocedure inclusief de opvang in lidstaten van eerste aankomst wordt versterkt, en dat terugkeer wordt bevorderd. Daarnaast wordt gewerkt aan het wegnemen van de grondoorzaken die leiden tot het besluit van mensen om hun land te verlaten. Dit zijn lange termijn investeringen. Zowel het kabinet als de EU hebben hier middelen en experts voor beschikbaar gesteld, waarover met regelmaat met uw Kamer wordt gewisseld. Met uw Kamer zou het kabinet echter graag zien dat in sommige lidstaten sneller stappen worden gezet om structurele verbeteringen door te voeren.
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 3 en 8, neemt met de vermindering van het aantal pogingen tot oversteek ook het absolute aantal verdrinkingen af. De nauwe samenwerking met landen van herkomst en transit draagt hier aan bij. Deze lange-termijn investeringen moeten wat het kabinet betreft worden voortgezet. Door onder andere assistentie te verlenen bij grens- en kustbewaking, te zorgen voor betere, werkende opvang en beschermingsprocedures in deze landen en mensensmokkel- en handel aan te pakken.
Welke trends neemt u waar als het gaat om het aantal verdrinkingen op de Middellandse Zee, sinds het inkrimpen van Operatie Sophia afgelopen maart en de afwezigheid van een groot deel van reddingsschepen van niet-gouvernementele organisaties (ngo's)? Welke conclusies verbindt u aan deze trends?
Kortheidshalve verwijs ik naar de voorgaande beantwoording van vragen 3 en 8. Ten aanzien van Operatie Sophia wijst het kabinet er op dat het aantal door Sophia-schepen geredde drenkelingen de laatste maanden voordat de inzet van schepen op 27 maart 2019 werd opgeschort, zeer beperkt was. Tussen juni en december 2018 vond één reddingsactie plaats waarbij 106 mensen werden gered. Sindsdien hebben Sophia-schepen geen enkele keer reddend op hoeven treden.6Nogmaals wijst het kabinet op het mandaat van Operatie Sophia waar de redding van drenkelingen geen deel van uitmaakt. Het is een verplichting die voortvloeit uit het internationaal zeerecht.
Welke mogelijkheden in Europees verband ziet u om het aantal verdrinkingen op de Middellandse zee terug te dringen, niet alleen op beleidsniveau maar juist ook als het gaat om operationele interventies op korte termijn? Welke specifieke bijdrage kan Nederland daaraan leveren? Welke acties onderneemt u daartoe al en welke acties kunt u nog ondernemen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke mogelijkheden ziet u om samen te werken met externe partijen om het aantal verdrinkingen op de Middellandse Zee tegen te gaan?
Het kabinet ziet geen reden om een aparte samenwerking met andere externe partijen op te zetten dan UNHCR, IOM en de autoriteiten van andere landen. In EU-verband wordt intensief samengewerkt met IOM en UNHCR, zowel in EU lidstaten als daarbuiten. Bovendien geldt de plicht om mensen in nood op zee te redden voor iedereen op grond van het internationaal zeerecht en bestaan er duidelijke richtlijnen van de Internationale Maritieme Organisatie en UNCHR in de omgang met drenkelingen die aangeven internationale bescherming te zoeken. Het is zaak dat voor deze groepen veilige havens worden gevonden waar zij zich kunnen wenden tot nationale autoriteiten of UNHCR. Daar is niet alleen sprake van in de EU, maar ook al in andere landen, bijvoorbeeld in Noord Afrika.
Kunt u bevestigen dat het aantal migranten en vluchtelingen dat de overtocht probeert te maken zonder de aanwezigheid van schepen van ngo's, hoger ligt dan mét de aanwezigheid van schepen van ngo's? Deelt u de mening dat het argument dat reddingsboten van ngo's een aantrekkingskracht zou hebben op migranten en vluchtelingen om de overtocht te maken hierbij dus niet opgaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kent u het bericht «Asylum seekers in EU on the rise again»?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat het aantal mensen dat in de EU asiel heeft aangevraagd sinds januari dit jaar is toegenomen met 15% ten opzichte van vorig jaar? Welke verklaring heeft u hiervoor?
Het totaal aantal asielaanvragen dat in 2019 is gedaan, lag tot en met mei 14% hoger ten opzichte van dezelfde periode in 2018.8 EASO noemt hier meerdere verklaringen voor. De stijging wordt volgens EASO onder andere verklaard door het aantal herhaalde aanvragen, maar met name door de opvallende stijging van het aantal eerste asielaanvragen van onderdanen uit visumvrije landen. Zo zijn in Spanje circa 75% van de ruim 56.800 asielaanvragen in 2019 gedaan door onderdanen uit Venezuela, Colombia, Honduras, Nicaragua en El Salvador.
Kunt u bevestigen dat het aantal asielaanvragen uit Afghanistan is toegenomen met 36%? Welke verklaring heeft u hiervoor?
De cijfers van Eurostat tonen inderdaad een toename van het aantal eerste asielaanvragen dat door Afghanen wordt ingediend. Daarvoor zijn verschillende verklaringen, waaronder de stijging van het aantal aankomsten van Afghaanse onderdanen op de Griekse eilanden. Deels heeft dit te maken met de omstandigheden in Afghanistan zelf. Uit verschillende analyses blijkt echter ook dat er sprake is van een grote groep die eerst langere tijd in andere opvanglanden, zoals Iran, Pakistan en Turkije, verbleef en er recent voor heeft gekozen om door te reizen.
Kunt u bevestigen dat het aantal asielaanvragen uit Syrië is afgenomen met 8%? Welke verklaring heeft u hiervoor?
Uit cijfers van EASO blijkt dat er sprake is van een afname van het aantal eerste asielaanvragen dat door Syriërs wordt ingediend. De afname wordt mede verklaard door de daling van het aantal aankomsten van Syriërs in met name Griekenland.
Wat voor effecten heeft deze totale toename van het aantal asielaanvragen volgens u voor de stabiliteit van het Europese asielbeleid? Welke gevolgen verwacht u op korte en middellange termijn? Welke maatregelen worden er genomen om deze toename op te vangen?
Hoewel het aantal asielaanvragen is toegenomen in vergelijking met het aantal ingediende asielaanvragen tot 2018, is het nog altijd vele malen lager dan in 2015. De toename van het aantal asielaanvragen loopt niet gelijk met de ontwikkelingen in irreguliere aankomsten aan de buitengrenzen. Dit is mede het gevolg van secundaire migratie, maar ook doordat steeds meer onderdanen uit visumvrije landen in met name Spanje asielaanvragen indienen. Dit zet de asielprocedure in verschillende lidstaten onder druk. Het kabinet pleit daarom in EU-verband voor het invoeren van een verplichte grensprocedure waarin snel onderscheid wordt gemaakt tussen zij die recht hebben op bescherming en zij die dat niet hebben. In de tussentijd is het van belang dat lidstaten hun procedures verder versnellen en de terugkeersamenwerking met landen van herkomst wordt verbeterd om te zorgen dat zij die geen recht op asiel hebben zo snel mogelijk terugkeren. Steun van agentschappen EASO en Frontex is hier van groot belang. Het kabinet waardeert dan ook de intensievere samenwerking tussen EASO en Spanje, naast uiteraard de bestaande inzet van EASO en Frontex in Griekenland en Italië.
In hoeverre zijn deze recente cijfers meegenomen in de discussie tijdens de JBZ-raad van 7 en 8 juni 2019 over de nieuwe terugkeerrichtlijn?
Tijdens de discussie die leidde tot een gedeeltelijke algemene oriëntatie inzake de Terugkeerrichtlijn is niet specifiek gesproken over cijfers. In het algemeen benadrukten verschillende lidstaten het belang van efficiënte procedures om versneld terugkeer in gang te zetten. Daarbij noemden zij verschillende aandachtpunten zoals de detentietermijnen en het schorsende effect van herhaalde asielaanvragen en beroep.
Het uitblijven van een wetsvoorstel rond het vaststellen van staatloosheid |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat u in antwoord op Kamervragen heeft aangegeven dat u het wetsvoorstel over de vaststelling van staatloosheid in het voorjaar van 2018 zou indienen?1 Waarom is dit, ruim een jaar later, nog steeds niet gebeurd?
Het wetsvoorstel over staatloosheid bestaat uit twee onderdelen. Allereerst wordt een procedure in het leven geroepen om staatloosheid te laten vaststellen door een civiele rechter. Met deze nieuwe vaststellingsprocedure kunnen meer personen hun staatloosheid aantonen. Het wetsvoorstel strekt voorts tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Aan deze rijkswet worden twee nieuwe optierechten toegevoegd, specifiek gericht op staatloos in Nederland geboren kinderen. Aan de totstandkoming van dit wetsvoorstel wordt al geruime tijd gewerkt. Anders dan gehoopt is het eerder aan uw Kamer gecommuniceerde moment van indiening niet gehaald. Ik zal u na de zomer nader berichten over de vervolgstappen in dit wetgevingsproces.
Bent u zich ervan bewust dat in de jaarplanning 2019 van het Ministerie van Justitie en Veiligheid die u naar de Kamer heeft gezonden, de behandeling van het wetsvoorstel was gepland voor het eerste kwartaal van 2019?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer gaat u het wetsvoorstel aan de Kamer aanbieden? Kunt u een concrete datum geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met het bericht «Utrecht wil staatlozen helpen»?2
Ja.
Kunt u de schatting van Statelessness and Inclusion bevestigen dat circa 8.000 mensen momenteel staatloos zijn?
Het betreft hier geen schatting van het aantal vreemdelingen in Nederland dat vastgesteld staatloos is, maar een schatting van het aantal personen van wie verondersteld wordt dat zij voor de status van staatloze in aanmerking komen. Ik beschik niet over informatie waarop deze veronderstelling gebaseerd kan worden. Mij zijn alleen de aantallen bekend van vreemdelingen die op dit moment als staatloos zijn geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP), en van vreemdelingen die nog in procedure zijn in afwachting van een beslissing op een verblijfsaanvraag en in hun vreemdelingendossier staan vermeld als staatloos.
Bent u bereid om in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten om gemeenten te ondersteunen en handvaten aan te rijken, bijvoorbeeld ten aanzien van het opnemen van mensen in de Basisregistratie Personen en voor het helpen van staatlozen, zolang het wetsvoorstel nog niet is behandeld? Zo nee, waarom niet?
Ik ben graag bereid tot overleg om scherp te krijgen welke problematiek zich concreet voordoet en op welke wijze gemeenten zouden kunnen worden ondersteund. Mogelijk kunnen reeds lopende overleggen met mijn departement worden gebruikt om informatie van de zijde van de gemeenten in te brengen. Voor wat betreft uw verwijzing naar de BRP kan ik alvast het volgende melden. Indien de gemeente de nationaliteit, of in dit geval de staatloosheid, niet kan vaststellen op grond van artikel 2.15 van de Wet basisregistratie personen dan informeert de gemeente, op basis van artikel 2.17 van deze wet, bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) met welk nationaliteitsgegeven betrokkene bij de IND bekend is. Indien de Minister van Justitie en Veiligheid dit gegeven in het kader van de toelating van de betrokkene tot Nederland heeft vastgesteld, dient de gemeente dat gegeven te ontlenen aan de mededeling daarover van de Minister en vervolgens in de BRP op te nemen. Indien betrokkene ook bij de IND niet bekend is als staatloos, zal hij in de BRP worden geregistreerd met de vermelding dat de nationaliteit onbekend is. Overigens kunnen uitsluitend vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven als ingezetene in de BRP worden opgenomen.
Het terughalen van Nederlandse kinderen uit Syrië |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Jan de Groot hoopt zijn kleinkinderen uit Syrië snel te zien»?1
Ja.
Klopt het dat medewerkers van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) of Nederlandse diplomaten twee-wekelijks het kamp in Al-Roj bezoeken? Is het doel van hun bezoek het voorbereiden van terugkeer? Zo ja, kunt u een toelichting geven? Kunt u een overzicht geven van hoe vaak een Nederlandse delegatie kampen in Syrië heeft bezocht en met welk doel?
Over de werkwijze van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt in het openbaar geen uitspraken gedaan. De informatie als zouden Nederlandse diplomaten het Al-Roj kamp tweewekelijks bezoeken is onjuist.
Hoe verhoudt dit zich tot het standpunt van het kabinet dat Syrië te onveilig is om diplomaten te sturen en burgers terug te halen?
Zie antwoord vraag 2.
Bereidt Nederland zich voor op de terugkeer van deze kinderen en hun ouders? Zo ja, kunt u toelichten wat deze voorbereidingen inhouden?
Het kabinetsbeleid is dat indien Nederlandse uitreizigers zich melden op een diplomatieke vertegenwoordiging in de regio, zij in beginsel gecontroleerd naar Nederland worden gebracht met het oog op vervolging. De kinderen worden in eerste instantie als slachtoffer van de keus van hun ouders aangemerkt. De Raad voor de Kinderbescherming heeft individuele opvangplannen gereed indien kinderen van uitreizigers terugkeren.
Bent u ervan op de hoogte dat Frankrijk ook kinderen ophaalt van wie de moeder toestemming geeft om van de kinderen gescheiden te worden? Overweegt u dit ook? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Ja, daar ben ik van op de hoogte.
Nee, het kabinetsbeleid is dat als Nederlandse uitreizigers zich in een naburig land bij een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging melden, gekeken zal worden of en welke consulaire bijstand geleverd kan worden. De inzet zal vervolgens zijn om hen gecontroleerd naar Nederland over te brengen met het oog op vervolging. Dit geldt ook voor moeders met kinderen.
Het bericht ‘Justitie blundert met persoonlijke brief aan vermoorde Hümeyra’ |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Justitie blundert met persoonlijke brief aan vermoorde Hümeyra»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat het openbaar ministerie (OM) de vermoorde Hümeyra (16) een persoonlijke slachtofferbrief heeft gestuurd?
Er is hier sprake van een ernstige fout, dat betreur ik zeer.
Klopt het dat deze brief ten onrechte is verstuurd aan het slachtoffer in plaats van de nabestaanden? Wat is uw oordeel daarover?
Dat klopt. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven is hier een ernstige fout gemaakt.
Bent u bereid excuses aan te bieden voor deze vreselijke misser? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de nabestaanden van Hümeyra op vrijdag 7 juni een persoonlijke brief gestuurd om mijn spijt te betuigen. Verder heeft het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) mij bericht dat het ook een brief heeft gestuurd om spijt te betuigen. De hoofdofficier van justitie heeft een persoonlijk gesprek gehad met de familie. Dit is volgens het OM een open en constructief gesprek geweest waarbij de hoofdofficier van justitie excuses heeft aangeboden voor de adressering.
Deelt u de mening dat deze brief symbool staat voor de missers die uw ministerie heeft gemaakt in de zaak van Hümeyra? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Dit laat echter onverlet dat ik me realiseer dat het ontvangen van de brief uiterst pijnlijk moet zijn geweest voor de nabestaanden van Hümeyra.
Kunt u al iets melden over het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid naar het handelen van de betrokken instanties? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie kan op dit moment nog niets zeggen over de uitkomsten omdat het onderzoek nog in volle gang is. De bevindingen van de Inspectie zijn inmiddels voor een factcheck (wederhoor) aan de betrokken organisaties voorgelegd.
Naast de politie heeft de Inspectie (meerdere) gesprekken gevoerd met de Reclassering, Veiligheidshuis, Slachtofferhulp Nederland, de advocate van de familie van Hümeyra en Veilig Thuis. Aan het OM heeft de Inspectie schriftelijk vragen gesteld zoals de afgesproken werkwijze tussen de Inspectie en het OM voorschrijft. Ook heeft de Inspectie met de familie van Hümeyra gesproken. In dat gesprek heeft de Inspectie hun werkwijze uiteengezet, verteld wat de stand van zaken is, wat wel en niet in het rapport wordt besproken en wat de planning van het onderzoek is. Ook heeft de Inspectie met hen afgesproken dat ze voorafgaand aan de publicatie van het rapport (persoonlijk) een toelichting aan de familie geven.
Deelt u de mening dat de overheid moet zorgen voor bewaking van mensen die bedreigd worden? Zo ja, is dit volgens u goed geborgd?
Zoals gezegd kan ik niet vooruitlopen op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid. In zijn algemeenheid vormt in geval van bedreiging een melding of aangifte het startpunt voor de politie en het OM om af te wegen of, en zo ja, welke beveiligingsmaatregelen noodzakelijk zijn. De overheid is aan zet voor het nemen van aanvullende beveiligingsmaatregelen wanneer blijkt dat personen en organisaties zelf niet voldoende weerstand kunnen bieden tegen dreiging en risico.
Vindt u het de taak van de overheid te voorkomen dat slachtoffers van stalking uit angst de straat niet meer op durven te gaan? Zo ja, hoe gaat u regelen dat de verantwoordelijke instanties serieuze maatregelen nemen teneinde ervoor te zorgen dat zorgelijke signalen goed worden afgehandeld? Zo nee, waarom niet?
Ik acht het van het grootste belang dat tijdig wordt ingegrepen als er sprake is van stalking en/of bedreiging. Bij de politie kan een melding of een aangifte worden gedaan van stalking en/of bedreiging. Slachtoffers, professionals en omstanders kunnen zich melden bij Veilig Thuis bij (het vermoeden van) een onveilige situatie. De inzet van de politie en het OM is gericht op het stoppen van het geweld en het beschermen van het slachtoffer. Een gezamenlijke aanpak met partners zoals Veilig Thuis en de Reclassering is hierbij essentieel.
Veilig Thuis voert op basis van de melding een veiligheidsbeoordeling uit. De politie bepaalt bij een aangifte of melding het dreigingsniveau en de urgentie die uitgaat van de stalking. Er is bij de politie een aangescherpte aanpak in ex-partnerstalking – n.a.v. de Commissie Eenhoorn2 – die bijdraagt aan eerdere herkenning van stalking, vroegtijdige risico-inventarisatie en vroegtijdige interventie. Na de veiligheidsbeoordeling van Veilig Thuis en de screening door politie wordt een gezamenlijke aanpak bepaald, gericht op gedragsverandering bij de verdachte en op bescherming van het slachtoffer. Zo nodig werken politie en Veilig Thuis samen met partners als hulpverlening, reclassering, Slachtofferhulp Nederland en het OM. Per situatie wordt bekeken welke combinatie van interventies op het gebied van zorg, bestuursrecht en/of strafrecht het meest effectief is. Indien de dreiging als acuut wordt ingeschat kunnen adequate beschermingsmaatregelen worden ingezet zoals contact- en locatieverboden, het dragen van een alarmknop, een (stop)gesprek met de dreiger of het bieden van een opvangadres. Om de stalking duurzaam te stoppen is hulpverlening noodzakelijk, omdat de dader tot een gedragsverandering moet komen.
De Inspectie van Justitie en Veiligheid beziet in haar onderzoek naar het handelen van de betrokken instanties of er volgens de geldende kaders, regels en normen, zoals de risicotaxatie in de eerdergenoemde werkinstructie is gehandeld. Ook zal de Inspectie in haar onderzoek de uitwerking van de verbetermaatregelen betrekken zoals aanbevolen door de Commissie Eenhoorn. Hierover heb ik met uw commissie gesproken tijdens het AO Bewaken en Beveiligen op 4 april jl. De Minister voor Rechtsbescherming en ik zullen uw Kamer zo spoedig mogelijk na oplevering berichten over de uitkomsten van dit Inspectieonderzoek.
Relevant in dit kader is ook het recente WODC-rapport over de handhaving van individuele beschermingsmaatregelen.3 Dit kunnen maatregelen zijn die worden ingezet in een geval van stalking, maar ook in andere zaken waarbij een slachtoffer bescherming nodig heeft. In de brief van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 juni jl. staat dat uit onderzoek van het WODC blijkt dat zowel slachtoffers als professionals de individuele beschermingsmaatregelen als een belangrijk beschermingsinstrument beschouwen. Maar ook dat de uitvoering in de praktijk voor verbetering vatbaar is, met name op het gebied van handhaving. De Minister voor Rechtsbescherming gaat daarom in samenspraak met de ketenpartners onderzoeken op welke wijze de handhaving verbeterd kan worden. In het najaar ontvangt u een beleidsreactie met concrete verbetervoorstellen.
Kunt u garanderen dat de aangiften van slachtoffers van stalking in de toekomst goed en weloverwogen worden behandeld? Zo ja, hoe voorkomt u dat betrokken instanties zich schuldig blijven maken aan nalatigheid of inschattingsfouten?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u uitsluiten dat slachtoffers in de toekomst moedeloos en machteloos aan hun lot worden overgelaten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'Aanval op WTO door Trump dwingt Europa tot noodgreep' |
|
Achraf Bouali (D66) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Aanval op WTO door Trump dwingt Europa tot noodgreep»?1
Ja.
Klopt het dat het Beroepsorgaan van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) minimaal drie leden nodig heeft om operationeel te blijven en dat de ambtstermijn van twee van de laatste drie overgebleven leden van het WTO-Beroepsorgaan op 10 december 2019 eindigt? Zo ja, hoe duidt u deze ontwikkelingen? Wat zullen hiervan de gevolgen zijn?
Dat klopt. De ontwikkelingen omtrent de blokkade van de selectieprocedures voor Beroepsorgaan (Appellate Body) zijn zorgelijk. Als er geen oplossing wordt gevonden die tegemoet komt aan de zorgpunten van de VS, is het Beroepsorgaan niet meer operationeel per 11 december 2019. Het Beroepsorgaan kan dan geen beroepszaken meer in behandeling kan nemen. Dit betekent tevens dat het risico bestaat dat handelsgeschillen stranden voordat een juridisch bindende uitspraak is vastgesteld. Internationale handel vaart wel bij de voorspelbaarheid die bindende geschillenbeslechting bij de WTO biedt. Het systeem biedt daarbij duidelijkheid aan bedrijven over de geldende importtarieven van WTO-leden. Het is zorgwekkend dat door de blokkade van het Beroepsorgaan, het WTO-systeem onder druk staat. De blokkade van het Beroepsorgaan is inmiddels ruim twee jaar bezig en is aan de orde bij elke Raad Buitenlandse Zaken Handel, waarover u vooraf geïnformeerd wordt via de geannoteerde agenda.
Hoe duidt u het feit dat de Verenigde Staten al langere tijd de werking van het WTO-Beroepsorgaan frustreren?
De VS heeft zorgen geuit over het Beroepsorgaan. Deze zorgen leven bij de VS al sinds de oprichting van de WTO in 1995. Niettemin heeft de VS er vanaf het voorjaar van 2017 voor gekozen om deze zorgpunten om te zetten in aanhoudende blokkade van de selectieprocedures voor nieuwe leden van het Beroepsorgaan, hetgeen over enkele maanden betekent dat het Beroepsorgaan tot stilstand komt.
Klopt het dat de Europese Unie (EU) samen met gelijkgezinde WTO-leden een tijdelijke beroepsprocedure wil optuigen die de functies van het Beroepsorgaan grotendeels «kopieert»?2 Zo ja, hoe schat u de haalbaarheid van deze onderneming? Zo nee, op welke wijze werkt de EU op enige andere wijze aan een oplossing?
De EU is in overleg met andere WTO-leden om tot een interim-oplossing te komen. Doel is te komen tot een alternatief voor de behandeling van nieuwe beroepszaken door het Beroepsorgaan en het garanderen van de continuïteit van lopende beroepszaken. Het is de verwachting dat meerdere grote gebruikers van het geschillenbeslechtingsmechanisme van de WTO interesse zullen hebben in een dergelijke oplossing. Of deze andere WTO-leden het eens zijn met de aanpak die de EU voorstelt, is vooralsnog onduidelijk.
Op welke wijze zet Nederland zich, zowel individueel als binnen de EU, in om te voorkomen dat de WTO zijn functie in beslechting van handelsconflicten verliest? Wat zijn de Nederlandse inzet en standpunten rondom de huidige ontwikkelingen?
Nederland steunt de Europese Commissie in het uitdragen van het belang van het multilaterale handelssysteem, met een systeem van bindende geschillenbeslechting. Dit betekent primair het zo snel mogelijk opheffen van de blokkade van het Beroepsorgaan. Het kabinet draagt deze boodschap in multilaterale en bilaterale kanalen uit, evenals in publieke uitingen.
Het bericht 'Tientallen kleine bedrijven failliet door hoge kosten crowdfunding' |
|
Martin Wörsdörfer (VVD), Roald van der Linde (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Tientallen kleine bedrijven failliet door hoge kosten crowdfunding»?1 Wat is uw reactie daarop? Hoe verhouden de feiten in het artikel zich tot de regelgeving rond crowdfunding?
Ja. Mijn reactie op het artikel ligt besloten in de beantwoording van de overige vragen.
Deelt u de mening dat crowdfundingplatforms een nuttige bijdrage kunnen leveren aan de bestaande financieringsmogelijkheden?
Crowdfunding is een waardevolle toevoeging aan het aanbod van financiering voor vooral het midden- en kleinbedrijf. Doordat crowdfunding relatief laagdrempelig is, is het voor ondernemers gemakkelijker om investeerders te bereiken die via meer traditionele financieringsvormen niet bereikt zouden worden.
Bedrijven in de Europese Unie zijn momenteel voor hun financiering grotendeels afhankelijk van banken. Door de inzet van andere financieringsvormen, zoals crowdfunding, worden bedrijven minder afhankelijk van bankfinanciering. Door de spreiding van financiële risico’s over verschillende financieringsvormen kunnen economische schokken vervolgens beter worden opgevangen. Crowdfunding is daarom ook met het oog op een Europese kapitaalmarktunie een belangrijke vorm van alternatieve financiering.
Is de regelgeving op dit moment voldoende adequaat om mkb’ers te laten profiteren van de voordelen van crowdfunding, maar te beschermen tegen uitwassen? Kunt u uiteenzetten hoe mkb’ers nu precies beschermd zijn?
Ondernemers verschillen in omvang, draagkracht en kennis- of opleidingsniveau. De mate van zelfredzaamheid verschilt ook per ondernemer. Bij sommige zakelijke klanten kan bescherming wenselijk zijn, terwijl dit bij andere zakelijke klanten kan worden ervaren als een onnodige belemmering voor het verkrijgen van adequate financiering. De wettelijke bescherming van zakelijke klanten in de Wet op het financieel toezicht (Wft) verschilt dan ook per financieel product en type klant. Dit vindt zijn oorsprong in Europese sectorale regelgeving, waarbij veelal per producttype is bepaald welk type klant beschermd wordt. Voor kredietverlening geldt dat louter consumenten beschermd worden. Indien een financiële onderneming een financiële dienst verleent aan een natuurlijk persoon die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep, kwalificeert deze persoon als ondernemer en wordt deze niet beschermd door de regels ter bescherming van consumenten. De gedachte hierachter is dat een bewuste keuze is gemaakt om te ondernemen en er voor ondernemers, vergeleken met consumenten, een grotere adviesmarkt beschikbaar is.
In het najaar van 2016 heeft een openbare consultatie plaatsgevonden over de effectiviteit en gewenste mate van bescherming voor zzp-ers en mkb-ers, zogenaamde kleinzakelijke klanten, bij financiële diensten en producten.2 U bent bij brief van 12 april 2018 geïnformeerd over de uitkomsten daarvan.3 Uit de consultatie kwam naar voren dat een effectievere bescherming van kleinzakelijke klanten wenselijk is, met name op het gebied van kredietverlening. Tegelijkertijd gaven veel marktpartijen aan dat dit niet hoeft te betekenen dat er direct aanleiding is om één en ander in wetgeving neer te leggen. Vooralsnog is door het kabinet daarom ingezet op verbetering van de bescherming van kleinzakelijke klanten door middel van zelfregulering. De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) heeft de gedragscode Kleinzakelijke Financiering ontwikkeld t.b.v. kredietverlening aan kleinzakelijke klanten. De gedragscode Kleinzakelijke Financiering is op 1 juli 2018 in werking getreden. De stichting MKB-financiering – waarin verschillende niet-bancaire kredietverleners, zoals enkele crowdfundingplatformen – zijn verenigd, heeft de gedragscode MKB Financiers opgesteld. Deze gedragscode is per 1 juli jongstleden in werking getreden.
Wat betreft de stand van zaken omtrent het juridisch kader voor crowdfunding wordt verwezen naar het antwoord op vraag 7.
Welke stappen zet de overheid om crowdfunding een reëel alternatief te maken voor bankfinanciering bij mkb’ers?
Het kabinet ondersteunt de verdere professionalisering van de non-bancaire financieringssector. Dit gebeurt onder meer door middel van een financiële bijdrage aan de Stichting MKB Financiering voor activiteiten waarbij het publiek belang wordt gediend, zoals het opstellen van een gedragscode en voorlichting over non-bancaire financieringsvormen vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Daarnaast wordt in Europees verband onderhandeld over een nieuw regelgevend kader voor crowdfundingdienstverleners. Verder is binnen het huidige instrumentarium de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) opengesteld voor non-bancaire financiers. Verschillende risicokapitaalinstrumenten zoals de Seed Capital regeling en het Dutch Venture Initiative (DVI) zijn bij uitstek instrumenten die door non-bancaire financiers worden gebruikt. Daarmee wordt wat betreft overheidsstimulering een zo gelijk mogelijk speelveld nagestreefd.
Deelt u de mening dat de door deze crowdfundingplatforms gehanteerde woekerrentes niet wenselijk zijn voor kwetsbare midden- en kleinbedrijven en het mkb onnodig op kosten jagen?
Het zal van de concrete omstandigheden van het geval afhangen of een financiering en de bijbehorende voorwaarden, inclusief het rentepercentage, passend zijn. Dit zal afhangen van zaken als omvang en duur van de financiering, beschikbare zekerheden, de financiële positie van de klant en het bestedingsdoel. Het is aan de financier en de klant om in een concrete situatie onderling af te spreken welk rentepercentage (en overige leenvoorwaarden) als passend worden gezien. De gedragscodes waarnaar bij de beantwoording van vraag 3 werd verwezen, bieden partijen handvatten om hier goede afspraken over te maken. Indien een kleinzakelijke klant (later) toch niet tevreden is, voorzien de gedragscodes in een laagdrempelige klachtenprocedure via het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid).
Welke expliciete stappen onderneemt de overheid om kwetsbare mkb’ers te beschermen tegen woekerrentes, zoals de in het artikel gestelde rentes van 15 tot 20 procent? Zijn deze maatregelen afdoende?
Zoals in de beantwoording op vraag 3 is aangegeven, zet het kabinet wat betreft de verbetering van de bescherming voor kleinzakelijke klanten in op zelfregulering. Dit heeft onder meer geleid tot de gedragscode Kleinzakelijke Financiering van de stichting MKB-financiering. De uitgangspunten van deze gedragscode zijn een zorgvuldige dienstverlening aan de kleinzakelijke klant en het bieden van een passende financiering. De Gedragscode MKB Financiers bevat een specifieke bepaling rond het maximaal te hanteren rentepercentage; er wordt uitgegaan van de wettelijke rente met een opslag van maximaal 12%.
Is het waar dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) stelt dat wettelijke regels rondom crowdfunding nodig zijn om misstanden te kunnen aanpakken?2 In hoeverre is toezicht van AFM vereist op eerder genoemde crowdfundingplatforms?
Crowdfunding vindt plaats in verschillende vormen, waarvan er bij twee vormen sprake is van een financiële tegenprestatie in de vorm van bijvoorbeeld rente of dividend. Het gaat hierbij om crowdfunding door de uitgifte van effecten, zoals aandelen of obligaties, en crowdfunding door het uitschrijven van een onderhandse lening. De AFM houdt toezicht op deze twee vormen. Bij crowdfunding in effecten dient het crowdfunding platform te beschikken over een vergunning om beleggingsdiensten te verlenen. De regels die hiervoor gelden, vloeien voort uit de Europese richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, ook wel bekend als MiFID II.5 Het gaat om regels met betrekking tot de bescherming van consumenten, informatieverstrekking en een beheerste en integere bedrijfsvoering.
In het geval van crowdfunding in onderhandse leningen, dienen platformen te beschikken over een ontheffing van de AFM. Om een dergelijke ontheffing te krijgen, dient een platform zich aan bepaalde regels uit het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft te houden. Deze regels zijn in 2016 uitgebreid specifiek ten aanzien van crowdfunding en zijn vooral gericht op het borgen van een beheerste en integere bedrijfsvoering en de continuïteit van het platform.
De AFM heeft eerder haar zorgen geuit over het ontbreken van een duidelijk uniform wettelijk kader voor crowdfunding (in onderhandse leningen). Mijn ambtsvoorganger heeft aangegeven die zorgen te delen.6 Er heeft daarom eind 2017 een openbare consultatie plaatsgevonden over de (mogelijke) elementen van een juridisch kader voor crowdfunding in onderhandse leningen.7 Tijdens de consultatie bleek echter, in tegenstelling tot eerdere signalen, dat de Europese Commissie regelgeving voor crowdfunding in voorbereiding had. In maart 2018 heeft de Europese Commissie voorstellen gedaan voor een regelgevend kader voor crowdfundundingdienstverleners. Het voorstel introduceert een vergunningsplicht en doorlopend toezicht voor crowdfundingplatformen en bevat eisen betreffende de bedrijfsvoering van platformen en bepalingen omtrent de bescherming van investeerders. Uw Kamer is op 13 april 2018 per BNC-fiche over de voorstellen geïnformeerd.8
Het is de vraag in hoeverre het wenselijk en mogelijk is om naast het Europese kader een aanvullend nationaal regelgevend kader op te stellen. Vooralsnog wordt daarom ingezet op het Europese traject. Wanneer het Europese traject is afgerond zal worden bezien of het mogelijk en zinvol is om aanvullende nationale regels voor crowdfunding in onderhandse leningen op te stellen.
Kunt u uiteenzetten hoe de zorgplicht van banken zich verhoudt tot de door crowdfundingplatforms gehanteerde rentetarieven aan kwetsbare mkb’ers?
In de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering van de NVB wordt vastgelegd wat kleinzakelijke klanten mogen verwachten van een bank wanneer zij een financiering afnemen. Zorgvuldige behandeling van de kleinzakelijke klant is het leidend principe. De Gedragscode Kleinzakelijke Financiering bevat geen specifieke bepalingen wat betreft de hoogte van de gehanteerde rente. Of een financiering en de bijbehorende voorwaarden, inclusief het rentepercentage, passend wordt geacht, zal afhangen van de concrete situatie en afhankelijk zijn van zaken als omvang en duur van de financiering, beschikbare zekerheden, de financiële positie van de klant en het bestedingsdoel. Een bank dient bij een aanvraag volgens hoofdstuk 5.2 van de gedragscode naar dergelijke zaken te kijken.
Alternatieve financiers zijn niet aangesloten bij de NVB en derhalve niet per se gebonden aan de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering. Wel biedt de gedragscode de mogelijkheid voor andere financiers om zich aan te sluiten bij de gedragscode.
Kunt u uiteenzetten hoe de Code Banken zich verhoudt tot de door crowdfundingplatforms gehanteerde rentetarieven aan kwetsbare mkb’ers?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van initiatieven om alternatieve financiers zich te laten aansluiten bij de Code Banken?
Het belangrijkste initiatief op dit terrein is de vaststelling van de gedragscode MKB financiers door de Stichting MKB Financiering die per 1 juli jongstleden in werking is getreden. Hiermee is het aansluiten van alternatieve financiers bij de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering van de NVB minder relevant geworden. Overigens zullen beide gedragscodes worden geëvalueerd; de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering in 2021 en de gedragscode MKB financiers in 2020.
Bent u bereid te onderzoeken of het openstellen van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) voor mkb’ers met klachten over alternatieve financiering die niet afkomstig is van partijen die de gedragscode MKB Financiers hebben ondertekend, wenselijk is?
Het klachtenloket voor alternatieve financiering bij Kifid is een initiatief van de Stichting MKB Financiering en maakt deel uit van de Gedragscode MKB Financiers. Om klachten af te handelen is een zeker kader nodig dat in dit geval wordt geboden door de gedragscode. Het is daarom moeilijk voor te stellen dat ten aanzien van financieringsovereenkomsten die niet onder de gedragscode zijn gesloten klachtenbeslechting bij het klachtenloket voor alternatieve financiering plaats kan vinden. Daarbij kan aansluiting bij de gedragscode als onderscheidend element in de financieringsmarkt werken: kleinzakelijke klanten weten dat ze meer bescherming genieten indien financiering wordt verkregen van bij een bij de Stichting MKB financiering aangesloten financier.
Zoals in de beantwoording van vraag 3 is uiteengezet, wordt vooralsnog ingezet op zelfregulering ten aanzien van de verbetering van de bescherming van kleinzakelijke klanten. Daar de gedragscode MKB Financiers zeer recentelijk in werking is getreden, zie ik op dit moment geen noodzaak om aanvullende maatregelen op het gebied van klachtenbeslechting te overwegen.
Acht u aanvullende stappen wenselijk om crowdfundingplatforms een welkome aanvulling te laten blijven op het bestaande financieringsinstrumentarium? Zo ja, welke stappen? Zo nee, waarom niet?
Naast de initiatieven die genoemd zijn in de beantwoording op vraag 4 werkt de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat momenteel aan een onderzoek naar de werking van de MKB-financieringsmarkt, waarin ook de evaluaties van de financieringsregelingen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat worden meegenomen. Dit onderzoek kan aanleiding vormen voor eventuele aanpassingen van voornoemde regelingen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat organiseert begin juli 2019 in het kader van dit onderzoek een aantal expertbijeenkomsten. In het najaar van 2019 worden de uitkomsten van het onderzoek naar de werking van de MKB-financieringsmarkt, aangeboden aan uw Kamer.
De statushouder die een 68 jarige vrouw doodmartelde |
|
Geert Wilders (PVV), Sietse Fritsma (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Verdachte fatale mishandeling Amsterdam is statushouder»?1
Ja
Wat is de nationaliteit van deze verdachte, wanneer is hij tot Nederland toegelaten en op welke grond? Hoe is het mogelijk dat deze gevaarlijke persoon door de screening is gekomen?
Over individuele gevallen doe ik in beginsel geen uitspraken.
Over de screening in het algemeen kan ik zeggen dat de IND deze uitvoert bij alle asielzoekers voorafgaand aan de asielprocedure. Het betreft een onderzoek waarbij de al verzamelde informatie wordt bezien in samenhang met een socialmediacheck. Hierbij wordt bekeken of er sprake is van signalen die kunnen wijzen op een mogelijk gevaar voor de nationale veiligheid, maar ook bijvoorbeeld op betrokkenheid bij misdrijven genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag of fraude.
Ook tijdens het verdere verloop van de asielprocedure is de IND alert op nieuwe signalen, zoals bijvoorbeeld klik- of tipbrieven van burgers en slachtoffers/getuigen. Hiernaast zijn de medewerkers van het COA alert op signalen. Als er tijdens de asielprocedure signalen zijn die erop duiden dat de persoon mogelijk een gevaar is voor de nationale veiligheid, kan dit een reden zijn om de verblijfsvergunning te onthouden. Deze signalen worden doorgezet naar de inlichtingen-en-veiligheidsdiensten en politie. Signalen van betrokkenheid bij misdrijven als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag worden doorgezet naar de unit 1F van de IND.
Kunt u garanderen dat de verblijfsvergunning van deze persoon wordt ingetrokken en dat hij, na een hopelijk lange gevangenisstraf, direct uit Nederland wordt verwijderd? Zo nee, waarom niet?
Het is staand kabinetsbeleid dat het vertonen van maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag in beginsel gevolgen moet hebben voor een aangevraagde of verleende verblijfsvergunning, ook als dat een asielvergunning is. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat als een persoon in het bezit is gesteld van een asielvergunning, daarmee is vastgesteld dat hij of zij zelf bescherming van de Nederlandse overheid nodig heeft. Daarom is in internationale verdragen en Europese wetgeving (Procedurerichtlijn, Kwalificatierichtlijn) vastgelegd onder welke omstandigheden een asielvergunning kan worden geweigerd of ingetrokken en wanneer een statushouder, die een (bijzonder) ernstig misdrijf heeft gepleegd, kan worden teruggestuurd naar zijn of haar land van herkomst.
Het vorige kabinet heeft het beleid op dit punt twee maal aangescherpt. Uw Kamer is daarover geïnformeerd bij brieven van 25 november 2015 en 25 mei 2016.2 Het kabinet is van oordeel dat we hiermee de grens hebben bereikt van wat we op dit punt kunnen doen met inachtneming van de Europese regels, maar ook het Vluchtelingenverdrag.3
Over de consequenties in deze individuele zaak merk ik op dat, buiten het feit dat ik hier niet kan ingaan op de individuele omstandigheden van het geval, ik ook niet kan vooruitlopen op het oordeel van de rechter en de eventuele gevolgen voor het verblijfsrecht in deze zaak.
Hoe legt u aan de samenleving en aan nabestaanden van slachtoffers van dit soort gruwelijkheden uit dat u achter het open grenzen beleid blijft staan, ondanks het feit dat u zelf geen enkel idee heeft wat voor tuig u binnenlaat?
Er is in Nederland geen sprake van een opengrenzenbeleid waar het gaat om de toelating van personen die internationale bescherming zoeken. Zoals u bekend is, vindt het kabinet dat het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen voor alle asielzoekers en migranten uit islamitische landen geen realistische, laat staan een structureel wenselijke oplossing is voor het complexe migratievraagstuk. Het kabinet kiest ervoor risico’s voor de openbare orde zo veel mogelijk te beperken en de veiligheid te bevorderen, waarbij tevens bescherming wordt geboden aan die asielzoekers die bescherming behoeven. Het mag nooit beleid zijn om mensen vanwege hun afkomst of religie te discrimineren of te stigmatiseren.
Bent u bereid de Nederlandse grenzen te sluiten voor alle asielzoekers en alle migranten uit islamitische landen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u voorts bereid alle asielzoekers en statushouders die een misdrijf hebben gepleegd uit Nederland te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.