De libra |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de aankondiging van de digitale munt «Libra» door Facebook?
Ja.
Wat is de Libra? Kunt u een beschrijving geven van de werking en de techniek erachter? Kunt u zoveel mogelijk details van de «munt» achterhalen en de Kamer daarover informeren?
Op dit moment is weinig informatie bekend over de Libra en hoe deze in de praktijk zal gaan werken. Voor zover duidelijk is uit de informatie die beschikbaar is, gaat het om een transactiesysteem, gebaseerd op een aantal onderliggende technologieën van een blockchain, waarop bepaalde eenheden worden uitgeven (de Libra). Het systeem wordt beheerd door de Libra Association, waarin momenteel 28 entiteiten, waaronder Facebook, zijn aangesloten. In eerste instantie is het Libra-systeem een gesloten systeem, waarbij alleen de leden van de Libra Association een zogenaamde node krijgen toegewezen om transacties te kunnen verwerken. Op termijn zou worden overgaan naar een open systeem, vergelijkbaar met hoe bijvoorbeeld bitcoin werkt, waar eenieder als zogenaamde node kan fungeren. Op het Libra-systeem kunnen partijen bepaalde diensten gaan aanbieden. Zo heeft Facebook een dochteronderneming, Calibra, opgericht, dat zal fungeren als een bewaarportemonnee (wallet) voor de Libra.1
Volgens het white paper2 wordt de Libra gedekt door een reservefonds dat bestaat uit activa met een lage volatiliteit, zoals bankdeposito’s en overheidsobligaties in munteenheden van stabiele en betrouwbare centrale banken. Dit reservefonds wordt beheerd door de Libra Association. Het reservefonds zou de intrinsieke waarde van de Libra moeten bepalen. Het is op dit moment onbekend wat de compositie van dit fonds zal zijn. Voor elke Libra die wordt gecreëerd, moeten activa ingebracht worden in het reservefonds. Gebruikers van Libra kunnen hun lokale valuta omwisselen voor Libra bij geselecteerde wisseldienst-verleners. Deze wisseldienstverleners kunnen op hun beurt activa inwisselen voor Libra’s bij de Libra Association. De Libra Association zal deze activa gebruiken om het reservefonds in omvang te laten toenemen zodat de uitstaande Libra’s zouden worden gedekt door reële activa. Het is nog onduidelijk of, en zo ja hoe, Libra’s weer ingewisseld kunnen worden voor de activa in het reservefonds en vernietigd kunnen worden. Het onderhoud van het netwerk moet betaald worden met de renteopbrengsten op de activa in het reservefonds. Daarnaast worden er uit de renteopbrengsten dividenden uitbetaald aan de leden van de Libra Association.
Onder welk toezichtsregime valt de Libra? Welke toezichthouder is bevoegd? Hoe is geborgd dat Nederlandse en Europese toezichthouders volledige bevoegdheden hebben?
Ik verwijs hierbij naar mijn antwoord op vraag 2 van het lid Alkaya.
Kan de munt al meteen komend jaar, wanneer Facebook van plan is deze te lanceren, op de Europese en Nederlandse markt ingevoerd worden?
Zie antwoord vraag 3.
Welke data wordt door Facebook en andere partijen bewaard bij het gebruik van de Libra?
Dat is op dit moment onduidelijk. Libra heeft een statement over privacy gepubliceerd.3 Hieruit is echter niet op te maken welke data wel en niet gedeeld worden met externe partijen.
De AVG is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens (ook die in transactiegegevens en betaalgegevens) in het kader van de activiteiten van een vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker in de Unie, ongeacht of de verwerking al dan niet in de Unie plaatsvindt. De AVG is daarnaast ook van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen die zich in de Europese Unie bevinden, door een niet in de Unie gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, wanneer de verwerking verband houdt met het aanbieden van goederen of diensten aan deze betrokkenen in de Unie, ongeacht of een betaling door de betrokkenen is vereist. Hetzelfde geldt wanneer de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen die zich in de Europese Unie bevinden, door een niet in de Unie gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, verband houdt met het monitoren van hun gedrag, voor zover dit gedrag in de Unie plaatsvindt.
Worden transactiegegevens en betaalgegevens van gebruikers voor commerciële doeleinden gebruikt? Hoe kan dit worden voorkomen?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke manier wordt ervoor gezorgd dat gebruikers precies weten waar zij aan toe zijn als zij zich inlaten met Libra? Hoe weten zij welke partijen zich achter Libra bevinden en aan wie zij hun geld in vertrouwen geven?
Op de website van Libra staat informatie over hoe het Libra-systeem werkt en welke partijen betrokken zijn.4 Zoals eerder aangegeven, is het momenteel nog onduidelijk of de Libra en/of aanverwante diensten vergunningplichtig zijn. Als dit het geval is, is het hen verboden de diensten aan te bieden in Nederland als zij niet beschikken over de juiste vergunningen. Als de aanbieders van de Libra en/of aanverwante diensten niet vergunningplichtig zijn, is het aan gebruikers zelf om te bepalen of zij deze diensten willen gebruiken. Ik het laatste geval herhaal ik mijn eerdere waarschuwingen over crypto’s. In algemene zin heb ik uw Kamer eerder aangegeven dat crypto’s risico’s met zich brengen.5 Consumenten zijn vaak niet beschermd. Zo vallen crypto’s niet onder het depositogarantiestelsel en zijn ze kwetsbaar voor misleiding, oplichting en koersmanipulatie. Daarnaast worden crypto’s vaak gebruikt bij het witwassen van crimineel geld en om criminele activiteiten te financieren.
Wat gebeurt er met het geld van consumenten indien Libra of de achterliggende bedrijven omvallen? In hoeverre zijn consumenten beschermd tegen digitale diefstal, zoals met Bitcoin is voorgekomen?
Dit hangt af in hoeverre Libra en de achterliggende bedrijven vergunningplichtig zijn. Alleen banken, met een bankvergunning, vallen onder het depositogarantiestelsel. Het depositogarantiestelsel geldt voorts alleen voor tegoeden tot € 100.000 op betaalrekeningen, spaarrekeningen en termijndeposito’s. Als tegoeden niet onder het depositogarantiestelsel vallen worden deze niet vergoed door de overheid in het geval van een faillissement.
Indien het Libra-systeem vergunningplichtig is, moet zij zich houden aan regels, inclusief cyberveiligheidvereisten, om de bedrijfsvoering op orde te hebben, zoals bijvoorbeeld vastgelegd in de Regeling Oversight goede werking betalingsverkeer van DNB. Als het Libra-systeem en de op Libra gebaseerde diensten niet vergunningsplichtig zijn, zijn gebruikers niet beschermd onder financiële regelgeving.
Hoe wordt gecontroleerd of er voldoende dekking aanwezig is voor uitstaande Libra’s?
Het is momenteel onduidelijk hoe de Libra Association dit wil laten controleren.
In hoeverre leidt het gebruik van (decentrale) blockchain tot nieuwe systeemrisico’s? Hoe kan met een decentraal stelsel alsnog worden ingegrepen in het systeem in het geval van problemen?
DNB experimenteert al langere tijd met het gebruik van blockchain in het betalingsverkeer.6 DNB gaf hierbij aan dat, hoewel blockchaintechnologie de weerbaarheid tegen aanvallen van buitenaf kan verhogen, er tekortkomingen zijn ten aanzien van de juridische zekerheid van de finaliteit van betalingen, efficiëntie en capaciteit. Daarnaast kan het bij een open blockchain onduidelijk zijn wie de eindverantwoordelijke is, wat tot complicaties kan leiden in het toezicht, maar ook in het geval van aansprakelijkheidstelling door gebruikers in het geval van misstanden.
Vindt u het wenselijk dat socialemediabedrijven zich inlaten met het scheppen van een munt en betalingsplatformen? Bent u bereid na te denken over mogelijkheden om deze concentratie te verbieden en/of bedrijven op te knippen zodat er geen monopolie ontstaat met betrekking tot gebruikersgegevens, persoonsgegevens, betaalgegevens, etc?
Voor het eerste gedeelte van uw vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 3 van het lid Alkaya.
Ten aanzien van concentratie is het kabinet, zoals aangegeven in antwoord op vraag 12 van het lid Alkaya, niet blind voor het risico op blijvende machtsposities van een aantal platforms, onder andere door het ter beschikking hebben van grote hoeveelheden data. De Staatssecretaris van EZK heeft in dat kader in een brief die recent naar uw Kamer is verzonden7 drie maatregelen op EU-niveau voorgesteld om met dit risico om te gaan. Eén van deze maatregelen behelst dat een EU-toezichthouder vooraf kan ingrijpen bij platforms met een poortwachterspositie, waar gebruikers niet of nauwelijks meer omheen kunnen. Bijvoorbeeld omdat het platform als enige toegang heeft tot essentiële data. De toezichthouder kan dan per geval bepalen wat er voor nodig is om te zorgen dat een platform met een poortwachterspositie daar verantwoordelijk mee omgaat. Zo kunnen de concurrentiemogelijkheden in stand worden gehouden of zelfs toenemen zonder dat dit nadelige effecten voor kleinere bedrijven of consumenten meebrengt.
In hoeverre vertrouwt u Facebook, dat allerlei beloftes doet over privacy, maar in het verleden bijvoorbeeld met Whatsapp vaak heeft aangetoond beloftes te breken voor commercieel gewin, een digitale munt als Libra toe?
Ongeacht welk bedrijf het initiatief neemt moet er goed gekeken worden naar de risico’s die deze innovaties meebrengen. Zo is het belangrijk dat het publieke belang van de continuïteit en stabiliteit van het betalingsverkeer blijvend goed verankerd is.8 Het is uiteindelijk aan gebruikers zelf om te besluiten of zij een aanbieder van dergelijke diensten vertrouwen.
Acht u de huidige wetgeving geschikt en voorbereid op een digitale munt als Libra? Bent u bereid onderzoek te doen naar de toekomstbestendigheid van het digitale geldstelsel en daarover nog dit jaar aan de Kamer verslag te doen?
Zoals in de kabinetsreactie op het WRR-rapport «Geld en Schuld» en de initiatiefnota van het lid Alkaya heb aangegeven, heb ik DNB gevraagd om onderzoek te doen naar digitaal centralebankgeld. Het kabinet kijkt uit naar de uitkomsten van dit onderzoek en hoopt deze begin 2020 tegemoet te kunnen zien. Daarnaast ga ik de komende tijd in gesprek met de toezichthouders over de Libra, en om te onderzoeken welke vergunningen van toepassing zijn en wat de gevolgen kunnen zijn voor het financiële stelsel en consumentenbescherming. Hierbij wordt ook bekeken of de huidige wetgeving en bevoegdheden van de toezichthouders toereikend zijn. Er is op dit moment echter te weinig informatie bekend over de werking van de Libra om hier conclusies uit te trekken. Ik kan u daarom niet toezeggen om voor september de Kamer verder te informeren over de Libra. Wel zal ik uw Kamer informeren, zodra ik met de toezichthouders conclusies heb kunnen trekken.
Bent u bereid om voor september 2019 samen met onder andere De Nederlandsche Bank (DNB), de Autoriteit Consument & Markt (ACM), de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) een uitgebreide analyse van de Libra naar de Kamer te sturen, met daarin in ieder geval aandacht voor de systeemrisico’s, privacyaspecten, consumentenbescherming, risico’s op crimineel of terroristisch gebruik en fiscale aspecten?
Zie antwoord vraag 13.
Het bericht ‘Graf Jacoba van Beieren hoort op Tholen’ |
|
Lenny Geluk-Poortvliet (CDA), Erik Ronnes (CDA) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Graf Jacoba van Beieren hoort op Tholen»?1
Ja
Klopt het dat Jacoba van Beieren begraven is in de voormalige Hofkapel op het Binnenhof?
Ja
Klopt het dat Jacoba van Beieren voor haar overlijden te kennen heeft gegeven dat zij begraven wilde worden in het familiegraf van haar schoonouders in de Maartenskerk in Sint-Maartensdijk op Tholen?
Ja, zie ook de beantwoording van vraag 6.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het voorgenomen onderzoek naar de historische graven in de kelders van voormalige Hofkapel op het Binnenhof?
Naar aanleiding van de toezegging van de Minister-President bij de begrotingsbehandeling van Algemene Zaken op 10 oktober 2018 (Handelingen II 2018/19, nr. 11) heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) de opdracht gekregen om na te gaan wat de mogelijkheden zijn om de lichamelijke overblijfselen van Johan van Oldenbarnevelt te identificeren. Het onderzoek richt zich enerzijds op een analyse van historische bronnen en anderzijds op de hedendaagse mogelijkheden en beperkingen van het identificeren van personen. Op 13 juni jl. heeft hierover een bijeenkomst van deskundigen plaatsgevonden in het gebouw van de Eerste Kamer. Het onderzoeksrapport zal in september beschikbaar zijn.
Deelt u de mening dat de tekst op de gedenksteen die in 1880 op het Binnenhof is geplaatst met betrekking tot de graven en gravinnen van Holland die in de Hofkapel zijn uiterst summier is? Zo ja, bent u bereid in het kader van de renovatie van het Binnenhof ook hieraan aandacht te besteden, mede gelet op de afspraak in het regeerakkoord om historische plaatsen in het land die het verhaal van onze geschiedenis vertellen, beter zichtbaar en zo mogelijk toegankelijk te maken?
De gedenksteen is geplaatst op 1 april 1880 na de ontmanteling van de Hofkapel in 1879, op initiatief van Daniël Veegens, toenmalig griffier van de Tweede Kamer. De steen maakt deel uit van de gelaagde historie van dit gebouw, dat een beschermd rijksmonument is. De steen valt vanzelfsprekend ook onder die bescherming. In dit licht acht ik het niet wenselijk om de tekst van de gedenksteen te wijzigen.
Het Rijksvastgoedbedrijf treedt namens de staat op als eigenaar en beheerder. De Staatssecretaris van BZK is graag bereid in het kader van de renovatie Binnenhof nader aandacht te besteden aan deze plaquette en zijn betekenis.
Hoe beoordeelt u het pleidooi van de Historische Kring Voorhout voor een opvallende laatste rustplaats voor Jacoba van Beieren, die recht doet aan haar rol in de geschiedenis?
Jacoba van Beieren overleed in de nacht van 8 op 9 oktober 1436 op kasteel Teylingen, waar haar moeder woonde. In haar testament had zij te kennen gegeven dat zij wilde worden begraven in Sint-Maartensdijk, waar zij de laatste periode van haar leven woonde. De executeurs-testamentair, onder wie haar moeder Margaretha van Bourgondië en haar echtgenoot Frank van Borssele, hebben echter geen gehoor gegeven aan deze laatste wens. Het lichaam van Jacoba werd «om alles besten wille» overgebracht naar de Haagse Hofkapel, waar zij omwille van haar status dicht bij het koor werd begraven. De Hofkapel was de begraafplaats van de grafelijke dynastie2. In de kapel werd bovendien een beeld van Jacoba geplaatst3. Op deze manier meende men bijna 600 jaar geleden recht te doen aan de status en de rol van Jacoba als gewezen gravin van Holland en Zeeland.
Los van de vraag of het mogelijk is om haar lichamelijke overblijfselen te identificeren, acht ik een verplaatsing van haar lichaam geen voorwaarde om recht te doen aan haar rol in de geschiedenis. Dat neemt uiteraard niet weg dat ik waardering heb voor de intentie van de Historische Kring Voorhout om aandacht te vragen voor de historische betekenis van de gravin.
Het afschot van wilde zwijnen in het leefgebied van de wolf |
|
Femke Merel Arissen (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Wist u dat er voor het eerst sinds 200 jaar wolven geboren zijn op de Veluwe?1
Ja.
Is het waar dat deze wolven zich vooral voeden met in het wild levende dieren zoals herten, zwijnen en reeën?
Volgens deskundigen van Wageningen Environmental Research voeden gevestigde wolven zich hoofdzakelijk met in het wild levende grote zoogdieren, waaronder herten, reeën, vossen en wilde zwijnen.
Is het waar dat Nederlandse jagers vanaf 1 juli 2019 toestemming hebben om op grote schaal biggen van wilde zwijnen te schieten, ook in het leefgebied van de wolf?
De provincie Gelderland heeft het leefgebied voor wolven op de Noord- en Midden-Veluwe vastgesteld, dat is voor een deel ook leefgebied voor de wilde zwijnen. De ontheffing van de provincie staat afschot van wilde zwijnen toe vanaf 1 juli uit het oogpunt van populatiebeheer.
Is het waar dat Nederlandse jagers die activiteit mogen verrichten tijdens de nachtelijke uren, met gebruikmaking van nachtzichtapparatuur en geluidsdempers, terwijl de gebieden voor het publiek gesloten zijn en elke vorm van sociale controle ontbreekt?
In de door de provincies afgegeven ontheffingen is voorgeschreven hoe en op welke wijze het afschot van wilde zwijnen mag plaatsvinden. De provincies zien ook toe op naleving van de ontheffingen.
Is het waar dat jagers vinden dat de wolf schade toe kan brengen aan «jachtwildpopulaties» en dat ze die schade vergoed willen hebben?2
De jagersvereniging heeft dit punt aan de orde gesteld. In mijn ogen is er geen sprake van schade aan jachtwildpopulaties, omdat op de in antwoord 2 genoemde prooidieren van de wolf niet mag worden gejaagd. Afschot van de genoemde soorten vindt plaats in het kader van in het faunabeheerplan vastgelegd populatiebeheer of schadebestrijding.
Deelt u de mening dat jagers zich daarmee opstellen als concurrent van de wolf, waarmee er een belangenconflict zou kunnen ontstaan tussen jager en wolf?
Nee, zie antwoord op vraag 5.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat jagers kunnen jagen tijdens de zoogtijd van toppredatoren zoals de wolf en prooidieren zoals het wilde zwijn, zelfs met gebruikmaking van nachtzichtapparatuur en geluidsdempers?
Het reguliere jachtseizoen valt niet samen met de zoogtijd. Afschot in het kader van populatiebeheer of schadebestrijding kan wel samenvallen met de zoogtijd van het wilde zwijn omdat het wilde zwijn op verschillende momenten in het jaar kan werpen. De provincies kunnen bij het verlenen van ontheffingen overwegen om hieraan nadere voorschriften te verbinden.
Deelt u de mening dat het in dit licht zeer zorgelijk is dat jagers expliciet hebben aangegeven dat er een belangenconflict bestaat tussen hen en toppredatoren zoals de wolf? Zo nee, waarom niet?
Naar mijn oordeel kan er geen sprake zijn van een belangenconflict tussen wolf en jagers. Op het menu van de wolf staan immers prooidieren waarop in Nederland niet mag worden gejaagd, zie ook antwoord op vragen 2 en 7.
Bent u bereid tijdens de zoogperiode van de wolf een jachtverbod in te stellen in een straal van 100 km rond het leefgebied van de onlangs geboren welpen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Nee, zie antwoord op vraag 7.
Deelt u de mening dat de vestiging van toppredatoren zoals de wolf een heroriëntatie vraagt ten opzichte van het afschot van dieren in natuurgebieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u die vormgeven?
De vestiging van één of enkele wolvenparen zal geen grote veranderingen teweeg brengen in de omvang van de populaties van grote zoogdieren in natuurgebieden. Ik zie derhalve op dit moment geen aanleiding voor een heroriëntatie van het afschotbeleid. Wel zeg ik u toe dat de ontwikkeling van de wolvenpopulatie nauwgezet zal worden gevolgd.
Kunt u deze vragen voor 1 juli 2019 en een voor een beantwoorden?
Het is niet mogelijk gebleken om deze vragen voor 1 juli 2019 te beantwoorden.
De stevige kritiek van de commissaris van de Koning in Noord-Brabant op de staat van de strafrechtketen |
|
Michiel van Nispen |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van de kritiek van de commissaris van de Koning in Noord-Brabant op het functioneren van de strafrechtketen? Wat is uw reactie op deze kritiek en bent u door deze kritiek verrast?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat uw partijgenoot, tevens voorzitter van het Bestuurlijk Ketenberaad, zegt vraagtekens te plaatsen bij de geloofwaardigheid van de strafrechtketen, en lijdzaam toe moet zien hoe internationaal opererende criminelen profiteren van onderbezetting, bureaucratie, onmacht en digitale achterstand? Hoe zou u de staat van de strafrechtketen omschrijven?
Ik zie de uitlatingen van de heer Van de Donk vooral als een oproep om de samenwerking in de strafrechtketen te intensiveren en veel meer aandacht te schenken aan vernieuwing van technieken, wetgeving en manieren van werken. Die ambitie komt overeen met mijn ambities en die van het Bestuurlijk Ketenberaad van de strafrechtketen (BKB). Hoewel ik verrast was door de scherpte van de opmerkingen, ben ik het in de kern eens met het betoog van de heer Van de Donk. Dit werd bevestigd door het gesprek dat ik met hem voerde op 2 juli jongstleden.
Het BKB heeft de eerste belangrijke stappen gezet door de aanpak van de keteninformatievoorziening, doorlooptijden en multiproblematiek te prioriteren. Daarmee is een belangrijk begin gemaakt met verbetering van de ketensamenwerking. De heer Van de Donk onderschrijft dit ook.
Bent u het eens met de kritiek van de commissaris van de Koning in Noord-Brabant dat misdaad nog steeds te veel loont en de overheid er onvoldoende in slaagt om misdaadgeld af te pakken? Zo nee, waarom niet?
Ook met deze uitlatingen ben ik het eens. Nederland moet voor criminelen minder aantrekkelijk worden, de voedingsbodem voor hun activiteiten moet worden aangepakt en criminele verdiensten moeten veel meer dan nu worden getraceerd en afgepakt. Daarom is in het genoemde actieplan tegen witwassen en in de Veiligheidsagenda 2019–2022vastgelegd dat een dominante lijn in de aanpak van ondermijnende criminaliteit is de financiële invalshoek van onder meer geldstromen en af te pakken vermogens. Het is van groot belang dat de financieel-economische aspecten van deze criminaliteit vroegtijdig worden geïdentificeerd. Onder meer is afgesproken dat in alle ondermijningzaken financieel onderzoek wordt ingezet. Voor versterking van de financiële aanpak en het afpakken zijn extra middelen beschikbaar gesteld. Op 13 maart jongstleden informeerde ik u uitgebreid over de versterking van het afpakken van crimineel vermogen.2
Op welke punten bent u het niet met de kritiek van Van de Donk eens?
Zie antwoord vraag 2.
Garandeert u dat de verwachte instroomcijfers bij de politie gehaald worden om het tekort van 17.000 agenten die met pensioen gaan enigszins op te vangen?
In de komende zeven jaar moet de politie 17.000 nieuwe medewerkers werven om vertrekkende medewerkers te vervangen en om de operationele sterkte uit te breiden. Dit is een grote opgave, gelet op de krappe arbeidsmarkt en de omvang van het uitbreidings- en vervangingsvraagstuk. Op basis van de realisatiecijfers uit 2018 constateer ik dat er vooralsnog voldoende personeel instroomt, maar het blijft spannend of de operationele sterkte snel genoeg zal blijven groeien. Ik monitor de ontwikkelingen nauw, en houd uw Kamer hier vanzelfsprekend van op de hoogte.
Welke maatregelen gaat u nemen om er zorg voor te dragen dat de samenwerking tussen de partijen in de strafrechtketen beter gaat lopen dan nu het geval is?
Ik ben het met de heer Van de Donk eens dat er tempo moet worden gemaakt met de verbeteringen. Ik vind – net als de heer Van de Donk – dat de samenwerking de komende jaren verder moet worden geïntensiveerd. De heer Van de Donk kan hier zelf – als voorzitter van het BKB – een belangrijke rol in spelen. Ook het kabinet investeert stevig in het programma van verbetering van de keten.
Overigens neemt de noodzakelijke verdere versterking niet weg dat er door intensievere samenwerking reeds nu successen geboekt worden. Zo zijn criminele motorbendes inmiddels verboden, zijn tientallen drugslabs opgerold en is een goede samenwerking gecreëerd met banken bij de aanpak van witwassen. Een plan van aanpak tegen witwassen zonden mijn ambtgenoot van Financiën en ik op 1 juli jongsleden aan uw Kamer.3 Ook heb ik extra geld beschikbaar gesteld voor de aanpak drugsdumpingen, waar met name Brabant en Limburg last van hebben.
Het bericht ‘Eikenprocessierups: waar spot jij hem?’ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Eikenprocessierups: waar spot jij hem?»?1
Ja.
Is de overlast van de eikenprocessierups groter dan andere jaren? Zo ja, waardoor komt dit en hoe verhoudt zich dit tot andere jaren? Zo nee, hoe verhoudt de huidige overlast zich tot andere jaren?
De overlast van de eikenprocessierups is dit jaar veel groter dan in eerdere jaren. In 2018 werd al een verdrievoudiging van het aantal vlinders geconstateerd ten opzichte van 2017. Deze toename kwam waarschijnlijk door de warme en droge zomer van 2018 en het warme voorjaar van 2019. Tijdens het uitvliegen van de vlinders in de zomer en het najaar van 2018 waren de weersomstandigheden gunstig waardoor er veel eitjes afgezet zijn. Als gevolg hiervan is ten opzichte van 2018 het totale aantal rupsen op sommige plaatsen ook in 2019 verdrievoudigd. Een andere reden voor de grote overlast dit jaar is het noodweer begin juni waardoor rupsen, nesten en vervellingshuidjes uit de bomen gewaaid zijn en verder verspreid zijn dan normaal.
Welk gezondheidsrisico’s lopen mensen en dieren als ze in contact komen met de eikenprocessierups?
De brandharen kunnen zich over grote afstand verplaatsen. Bij contact dringen ze gemakkelijk in de huid, ogen en luchtwegen en veroorzaken daar klachten. Daarnaast komen griepachtige verschijnselen voor als misselijkheid, braken, koorts en algehele malaise. Anafylactische reacties zijn bekend, maar zeldzaam.
Ook (landbouw)huisdieren die met de brandharen in contact komen lopen het risico op huidaanslag en bij opname zwelling van de tong en slijmvliezen. Kleinere huisdieren (honden, katten) lopen als zij ruim in contact zijn geweest met de brandharen een grotere kans op overlijden. Bij paarden wordt daarnaast onder meer koorts en een verhoogde kans op koliek gemeld. Paarden kunnen worden aangetast door brandhaar-vervuild hooi. Herkauwers lijken minder gevoelig te zijn en incidenten met nadelige gezondheidseffecten zijn niet gedocumenteerd, maar het is onzeker of nadelige effecten volledig afwezig zijn. Over verdere gezondheidsconsequenties van brandharen bij mens en dier is nog weinig bekend.
Welke methoden worden gebruikt om de overlast van de rups te verminderen of te bestrijden?
Wat is de rol van Rijk, provincie en gemeente om inwoners te beschermen tegen de eikenprocessierups?
De verantwoordelijkheid voor preventie en bestrijding ligt bij eigenaren van eiken, waaronder overheden, private partijen en particulieren. Zij hebben een zorgplicht tot het bestrijden van de overlast door eikenprocessierupsen vanwege het gevaar voor de volksgezondheid. Deze zorgplicht omvat adequate voorzorgsmaatregelen, door bestrijding op plekken van verhoogd gevaar voor de volksgezondheid en door waarschuwende voorlichting aan burgers. Deze zorgplicht kan aan de hand van de landelijke Leidraad naar redelijkheid in concrete gevallen uitgevoerd worden.
Specifiek voor gemeenten geldt dat zij vanuit de wet Publieke gezondheid de taak hebben te streven naar het realiseren van een zo gezond mogelijke leefomgeving. Hiervoor zijn de medisch milieukundigen (MMK), werkzaam bij de GGD, de aangewezen adviseurs. Via het RIVM worden de GGD’en ondersteund. Zie verder mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat er landelijke regie moet komen om de overlast van de eikenprocessierups terug te dringen? Zo ja, op welke manier gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?
Zoals beschreven onder antwoord 5 geldt in het algemeen dat eigenaren van eiken de zorgplicht hebben om de eikenprocessierups te bestrijden. Ik hecht er belang aan dat op één centrale plek adequate informatie wordt aangeboden over de eikenprocessierups en de bestrijding daarvan. Daartoe is inmiddels het Kennisplatform Processierups opgericht, bestaande uit verschillende partijen, waaronder het Kenniscentrum Eikenprocessierups, het KAD en de WUR. Ook ben ik hierover in gesprek met andere betrokken partijen zoals het RIVM, GGD GHOR Nederland en de VNG. Ik overleg hierover met BZK, VWS, I&W, VNG, IPO, RIVM en GGD GHOR Nederland en de betrokken kennisinstituten zodat er voor de zomer nog een begin mee wordt gemaakt. De eerste actie van het Kennisplatform Processierups is de lancering van de website www.processierups.nu op 3 juli jongstleden, waar het publiek informatie vindt over de eikenprocessierups en de bestrijding daarvan. Het Kennisplatform zal binnenkort ook de volledige leidraad actualiseren en bezien wat partijen nodig hebben om de overlast de eikenprocessierups in de toekomst beheersbaar te houden.
Het aanbieden van scholing over euthanasie bij psychiatrie door het Expertisecentrum Euthanasie van de Levenseindekliniek |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent ervan op de hoogte dat het Expertisecentrum Euthanasie van de Levenseindekliniek nascholing aanbiedt voor onder meer euthanasie bij psychiatrie?1
Ik ben op de hoogte dat het Expertisecentrum Euthanasie van de Levenseindekliniek nascholing aanbiedt voor onder meer euthanasie bij psychiatrie.
Deelt u de mening dat het primair aan de beroepsgroep is om scholing aan te bieden over euthanasie bij psychiatrie? Wordt deze scholing momenteel door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) actief aangeboden aan psychiaters? Zo nee, bent u bereid om de NVvP te stimuleren deze scholing aan te bieden?
Ik zie het als een belangrijke taak van de beroepsgroep om scholing aan te bieden over euthanasie bij psychiatrie. Ook de nascholing van de Levenseindekliniek kan een belangrijke bijdrage leveren aan kennis over dit thema. Op dit moment biedt de NVvP een training «Levensbeëindiging op verzoek met mensen met een psychische stoornis» aan. Deze training is door het Amsterdam UMC, locatie VUmc, ontwikkeld in samenwerking met het Onderwijsbureau van de NVvP om psychiaters (in opleiding) te ondersteunen bij het omgaan met verzoeken om levensbeëindiging in de psychiatrische praktijk. De module is beschikbaar als keuzeonderwijs en betreft een combinatie van online onderwijs en face-to-face bijeenkomsten.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is rond de implementatie van de nieuwe NVvP-richtlijn over euthanasie bij psychiatrie?
Voor een richtlijn geldt in het algemeen dat implementatie plaatsvindt door beroepsbeoefenaars en instellingen zelf. Van de NVvP heb ik wel begrepen dat zij voortvarend de Richtlijn »Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis» onder de aandacht heeft gebracht. De richtlijn is inmiddels gepubliceerd in de richtlijndatabase van de Federatie Medisch Specialisten. Daarnaast wordt de richtlijn binnenkort als geheel op de website van de NVvP geplaatst. Er is een uitgebreide samenvatting gemaakt die ook op de website NVvP wordt geplaatst. Ook is de richtlijn via diverse platforms toegelicht, bijvoorbeeld op het symposium van de NVVE op 11 oktober 2018 over euthanasie bij psychiatrie en tijdens het afgelopen voorjaarscongres van de NVvP. De NVvP werkt tot slot – in samenwerking met het ledenplatform euthanasie & psychiatrie en de KNMG – aan het stimuleren dat psychiaters zich beschikbaar stellen voor een second opinion en het bevorderen dat meer psychiaters de SCEN opleiding volgen en SCEN-arts worden. Het ledenplatform euthanasie en psychiatrie stelt zich ten doel kennis en ervaring te delen en te bevorderen met betrekking tot psychiatrische patiënten met een euthanasiewens, bijvoorbeeld door deskundigheidsbevordering.
Is er al een invloed merkbaar van deze richtlijn op het aantal doorverwijzingen naar de Levenseindekliniek?
De richtlijn van de NVvP is op 28 september 2018 gepubliceerd. Het is te vroeg om conclusies te verbinden aan het effect van de richtlijn op het aantal doorverwijzingen naar de Levenseindekliniek. In de Voortgangsrapportage Medische Ethiek van 3 juli jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de Levenseindekliniek heb gevraagd onderzoek te doen naar de groep patiënten met een psychiatrische aandoening die bij hen een euthanasieverzoek doet. De Levenseindekliniek onderzoekt daarbij de euthanasieverzoeken in de jaren 2012 tot en met 2018, in het bijzonder via welke weg de patiënten terechtkomen bij de Levenseindekliniek. Het onderzoek loopt tot het eind van dit jaar en ik verwacht u in het begin van 2020 over de uitkomsten te kunnen informeren.
Deelt u de mening dat psychiaters bij een verzoek tot euthanasie zelf meer het gesprek moeten aangaan? Zo ja, hoe wilt u dit stimuleren?
Hoewel ik het uitgangspunt ondersteun dat een euthanasieverzoek wordt behandeld binnen de relatie met de eigen arts, staat voor mij de zorgvuldigheid van de euthanasiepraktijk voorop. De zorgvuldigheid kan gewaarborgd worden in de behandelrelatie, bijvoorbeeld doordat de behandelend psychiater de patiënt en de behandelgeschiedenis goed kent. De zorgvuldigheid kan echter ook gewaarborgd worden door een doorverwijzing naar een collega of naar de Levenseindekliniek. Het staat een arts altijd vrij om zelf te bepalen of hij of zij een euthanasieverzoek in behandeling neemt of de patiënt doorverwijst. In dat geval is het noodzakelijk om dit in een zo vroeg mogelijk stadium aan de patiënt kenbaar te maken en dus het gesprek met de patiënt aan te gaan over een eventuele stervenswens.
De Levenseindekliniek is opgericht voor mensen wiens euthanasieverzoek voldoet aan de wettelijke eisen, maar waarbij de behandelend arts om wat voor reden dan ook het euthanasieverzoek niet in behandeling wil nemen. Daarbij fungeert de Levenseindekliniek als een vangnet voor de meer complexe euthanasieverzoeken, zoals bij psychiatrie. Hun expertise en werkwijze hebben toegevoegde waarde voor dergelijke verzoeken. Overigens kan de nascholing van de Levenseindekliniek omtrent euthanasie bij psychiatrie er ook aan bijdragen dat de behandelend arts zelf dergelijke euthanasieverzoeken behandelt.
De wildgroei van creatieve uitspattingen op de rijbaan |
|
Wytske de Pater-Postma (CDA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Motorrijder ergert zich aan kleurrijk asfalt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een wildgroei aan goedbedoelde uitingen, waarvoor het openbare wegdek als basis wordt gebruikt, ook risico's met zich mee kunnen brengen voor de verkeersveiligheid voor met name kwetsbare gebruikers vanwege gladheid, schrikreacties en/of afleiding? Hoe kijkt u hier naar, ook met het oog op de doelstelling van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030?
Ik deel zeker de mening dat de tekens die op het wegdek worden aangebracht direct verband moeten houden met het gebruik van de openbare weg. Het aanbrengen van uitingen die niet noodzakelijk zijn voor goed of veilig gebruik van de openbare weg keur ik af, hoe goed bedoeld overige uitingen ook zijn.
Ik heb een kennisnetwerk met SWOV en CROW opgezet waarin ik onder meer wegbeheerders direct kan informeren over veilige infrastructuur. Ik zal dit aspect daarin meenemen en de VNG nogmaals informeren hierover.
Deelt u de mening van de Motorrijders Actie Groep (MAG) om gemeenten op te roepen zeer terughoudend te zijn met deze uitspattingen, omdat het de veiligheid van motorrijders in gevaar kan brengen? Zo ja, wilt u dit ook onder de aandacht brengen bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven in hoeverre gemeenten binnen de bestaande richtlijnen blijven op het gebied van markeringen op de weg? Indien gemeenten zich hier niet aan houden, wat zijn dan de mogelijkheden om de regels te handhaven?
Sommige verkeerstekens, zoals strepen, pijlen, haaientanden, busbanen,
verdrijvingsvakken en fietsstroken moeten op het wegdek worden aangebracht vanuit de wegenverkeerswet. Voor het aanbrengen daarvan gelden eisen aan de stroefheid van de verf waarmee de markering wordt aangebracht. In het Besluit Administratieve Bepalingen Wegverkeer (BABW), specifiek artikelen 1a, 2, 6 en 7 is daarnaast bepaald dat alleen de wegbeheerder zelf verkeerstekens mag aanbrengen en welke verkeerstekens op het wegdek mogen worden geplaatst. Andere verkeerstekens dan de in de BABW genoemd mogen niet op de weg worden aangebracht of langs de weg geplaatst. De reden hiervan is dat overige uitingen hoe goed bedoeld ook-,di e niet direct bedoeld zijn om de weggebruiker te informeren over het gebruik van de openbare weg, de weg gladder kunnen maken of bestuurders in verwarring kunnen brengen of afleiden. Het is verboden om op of langs wegen door voorwerpen, inrichtingen of borden van welke aard dan ook het verkeer in verwarring te brengen. Het overbrengen van boodschappen aan weggebruikers kan beter en veiliger op alternatieve manieren, bijvoorbeeld door borden naast of boven de weg te plaatsen of door mensen op een ander moment of een andere plek op de boodschap te wijzen. In de uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens2 wordt in paragraaf 2 als algemene bepaling gesteld dat verkeerstekens pas worden toegepast als dat nodig is en nadat vervangende infrastructurele maatregelen zijn overwogen.
De CROW heeft in de richtlijn Bebakening en Markering een leidraad opgenomen over het aanbrengen van markeringen. Daarin staat als leidraad dat informatieve markeringen kritisch bezien moeten worden. In die richtlijn wordt expliciet ingegaan op de gevaren voor motorrijders als gevolg van markeringen en worden aanbevelingen gedaan om te zorgen dat motorrijders zo min mogelijk overlast door de markeringen ondervinden.
Ik meen dat de bestaande richtlijnen en regelgeving voldoende duidelijkheid bieden voor het aanbrengen van markeringen. Een weggebruiker of andere belanghebbende kan, als hij meent dat er sprake is van een gevaarlijke markering, altijd de wegbeheerder vragen dit aan te passen of om een uitspraak van de rechter vragen hierover. Aangezien er geen hiërarchische relatie tussen de bestuurslagen is kan ik niet handhavend optreden. De wegbeheerder is zelf verantwoordelijk voor zijn eigen infrastructuur.
Staatsexamens |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Staatsexamen is oneerlijk», en dat kan anders?1
Ja.
Klopt het dat er een verschillend tijdspad is tussen reguliere examens en staatsexamens? Zo ja, wat is de reden?
Dat klopt. Het College voor Toetsen en Examens (hierna: CvTE) geeft aan dat het regulier examen en het staatsexamen twee verschillende examenvoorzieningen zijn met deels een eigen tijdpad. Het moment van afname van het centraal examen is gelijktijdig. Echter verschilt het moment van afname van het schoolexamen of zoals het bij het staatsexamen is vormgegeven: het college-examen. Het college-examen wordt bij het staatsexamen na het eerste tijdvak van het centraal examen afgenomen. In 2019 vinden de college-examens plaats tussen 15 juni en 3 augustus. Eventuele herkansingen voor de centraal examens vinden vervolgens plaats in het derde tijdvak (13 tot en met 22 augustus 2019).
De reden voor het hanteren van deze andere, meer geconcentreerde examenplanning is tweeledig. Ten eerste is het staatsexamen alleen een examenvoorziening waar geen onderwijs bij hoort. Dat betekent dat er bij het staatsexamen geen onderwijs is waarbij gedurende de looptijd van een schooljaar schoolexamens kunnen worden afgenomen. Ten tweede zijn de examinatoren die de college-examens afnemen pas later in het schooljaar beschikbaar, omdat het docenten uit het reguliere vo zijn die pas aan het eind van het schooljaar en het begin van de zomervakantie in de gelegenheid zijn om de college-examens af te nemen, nadat ze hun reguliere werkzaamheden op school hebben afgerond.
Klopt het dat leerlingen die staatsexamen doen veel later dan leerlingen die het reguliere examen doen horen wat hun cijfers zijn? Zo ja, bent u het met de leerlingen in het artikel eens dat dit ook anders kan?
Het klopt dat staatsexamenkandidaten later dan examenkandidaten in het reguliere voortgezet onderwijs horen wat hun cijfers voor de centraal examens zijn. De resultaten van de centraal examens worden na afloop van de college-examens aan de staatsexamenkandidaten bekend gemaakt.
Het CvTE vertelt mij dat bekendmaking van de resultaten voorafgaand aan de start van de college-examens niet mogelijk is, omdat dan nog niet alle resultaten van de centrale examens bekend en/of verwerkt zijn. Het gaat om de resultaten van circa 9000 staatsexamenkandidaten, waaronder een grote groep VSO-leerlingen, die in één of meerdere vakken centraal examen afleggen. Om geen ongelijkheid te creëren tussen de uitgangspositie van verschillende staatsexamenkandidaten bij aanvang van het college-examen worden alle kandidaten op hetzelfde moment geïnformeerd, nadat alle centraal examen resultaten bekend zijn. De eerste college-examens worden half juni afgenomen. Een latere afname van de college-examens, zodat alle CE-resultaten verwerkt zijn en bekend gemaakt kunnen worden aan de staatsexamenkandidaten, betekent dat de volledige planning van de Staatsexamens verder de zomer inschuift.
Klopt het dat leerlingen en leraren de cijfers nog niet krijgen terwijl die al wel bekend zijn bij examinatoren? Zo ja, waarom is dit zo en deelt u de mening dat dit ongelijkheid schept aangezien leerlingen die een regulier examen doen ook de cijfers van tentamens krijgen voor ze aan hun eindexamen beginnen?
Het college-examen wordt afgenomen door twee staatsexaminatoren. De één neemt het examen af en de ander schrijft het protocol gedurende de afname. Op het protocol staat het behaalde cijfer voor het centraal examen vermeld, mits deze al bekend is. Zo kunnen de examinatoren na afloop van het college-examen het eindcijfer berekenen. De resultaten zijn niet bedoeld om te delen met staatsexamenkandidaten en hun docenten. Zie het antwoord op vragen 2 en 3.
Klopt het dat er bij het Staatsexamen hogere eisen worden gesteld aan de literatuurlijst en dat bijvoorbeeld de eisen van de literatuur van alle talen binnen de staatsexamens havo hoger zijn dan de literatuureisen voor het reguliere examen vwo?
Het CvTE geeft aan dat de eisen voor het staatsexamen niet afwijkend zijn van de eisen voor het centraal examen in het reguliere voortgezet onderwijs en dat deze overeen komen met wat er in de examenprogramma’s staat aangegeven.
Klopt het dat bij het Staatsexamen meer gelezen moet worden, maar de keuze van de boekenlijsten beperkter is?
Ook voor wat betreft de keuzemogelijkheden van de boekenlijsten geeft het CvTE aan dat het aantal te lezen boeken niet afwijkt van wat een leerling in het reguliere voortgezet onderwijs moet lezen. Ook de keuzemogelijkheid op de boekenlijsten van staatsexamenkandidaten is niet beperkter dan leerlingen in het regulier voortgezet onderwijs.
Vindt u het onwenselijk dat uitslagen van de examens in sommige gevallen pas komen nadat de inschrijftermijn voor vervolgstudies is afgesloten? Zo ja, bent u bereid om naar een oplossing te zoeken?
Voor zowel het mbo als het hoger onderwijs geldt dat een kandidaat zich inschrijft voor een opleiding en op een later moment (voor 1 september) definitief doorgeeft of hij of zij geslaagd is voor het eindexamen. Dit is voor staatsexamenkandidaten niet anders dan voor reguliere eindexamenkandidaten. Ook in het geval van een herkansing, welke plaatsvindt in het derde tijdvak (13 tot en met 22 augustus 2019), geeft het CvTE aan dat een staatsexamenkandidaat voor 1 september beschikking heeft over het diploma.
Is het mogelijk om het tijdpad voor het staatsexamen te veranderen waardoor ook herexamens niet meer diep in de zomerperiode vallen? Zo nee, waarom niet?
Nee, het is niet mogelijk om het tijdpad van het Staatsexamen aan te passen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 zijn bevoegde docenten alleen aan het einde van het schooljaar en het begin van de zomer in de gelegenheid om als examinator de college-examens af te nemen. Het vervroegen van het tijdpad van het Staatsexamen betekent dat de beschikbaarheid van examinatoren sterk zou afnemen.
Het recht op huurtoeslag van cliënten in een beschermde woonvorm |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de huurtoeslag bewoners van beschermde woonvormen belet om huurtoeslag aan te vragen wanneer het gebouw waarin zij wonen eigendom is van en verhuurd wordt door een rechtspersoon die niet zonder winstoogmerk opereert?
Ja. In het algemeen bestaat geen recht op huurtoeslag bij onzelfstandige woonruimten. Bewoners van beschermde woonvormen hebben wel recht op huurtoeslag, ook als sprake is van onzelfstandige woonruimte. Deze woonruimte moet dan wel in bezit zijn van en verhuurd worden door een rechtspersoon zonder winstoogmerk.
Is het u bekend dat organisaties tegen deze specifieke regeling aanlopen omdat er onvoldoende woningen bij woningcorporaties beschikbaar zijn voor begeleid wonen?
Er is mij een enkel signaal bekend waarbij een organisatie tegen deze specifieke bepaling in de Wet op de huurtoeslag aanloopt dat aanwijzing niet mogelijk is. In zijn algemeenheid bereiken mij signalen dat het lokaal lastig kan zijn om voldoende betaalbare woningen met passende begeleiding te vinden. In sommige regio’s is de druk op de woningmarkt hoog. In alle segmenten van de woningmarkt zijn momenteel tekorten, op lokaal niveau verschillen die sterk.
Invulling van de woningbehoefte is in de eerste plaats een lokale aangelegenheid. Gemeenten en woningcorporaties kunnen op diverse wijzen huurders die begeleid wonen voorrang op (vervolg)huisvesting geven. Zo kunnen gemeenten urgentiecategorieën opnemen in de huisvestingsverordeningen, of aan de hand van woon(zorg)visies met corporaties en huurdersorganisaties prestatieafspraken maken over onder andere de bouw en de toewijzing van woningen en woonvormen voor huurders die begeleid wonen. Corporaties moeten naar redelijkheid bijdragen aan het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid.
Uiteraard behoort het huren van woonruimte in eigendom van andere partijen dan corporaties tot de mogelijkheden. Er zijn in de wet- en regelgeving geen beletsels dat ook commerciële partijen woningen aanbieden die worden verhuurd aan instellingen voor begeleid/beschermd wonen. Wanneer het gaat om zelfstandige wooneenheden is daarbij ook recht op huurtoeslag.
Deelt u de mening dat, zeker gezien het tekort aan dit soort woningen, het goed is dat ook commerciële partijen woningen aanbieden die worden verhuurd aan instellingen voor begeleid/beschermd wonen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat cliënten, door een gebrek aan woningen bij woningcorporaties, niet altijd de keuze hebben voor een woning in een woongebouw dat eigendom is van een rechtspersoon zonder winstoogmerk en daardoor gedwongen worden om een woning te huren in een woongebouw dat eigendom is van een commerciële partij?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten waarom bewoners van beschermde woonvormen, die eigendom zijn van en verhuurd worden door een commerciële partij, geen mogelijkheden hebben om huurtoeslag aan te vragen, zeker wanneer de huren die gevraagd worden marktconform of zelfs lager zijn?
Huurtoeslag wordt in beginsel alleen voor zelfstandige woonruimten verstrekt. Slechts in een aantal in de wet genoemde uitzonderingen, zoals bij het huren van onzelfstandige woonruimte die deel uitmaakt van een woongebouw of woning die in eigendom is van en aan de huurder is verhuurd door een rechtspersoon zonder winstoogmerk, bijvoorbeeld begeleid wonen, kan na aanwijzing door de Belastingdienst ook voor onzelfstandige eenheden huurtoeslag worden toegekend.
Deze uitzondering is beperkt tot eenheden in eigendom van rechtspersonen zonder winstoogmerk om redenen van uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en beperken van oneigenlijk gebruik. De rechtspersonen zonder winstoogmerk die verhuurder/eigenaar zijn van aangewezen onzelfstandige woonruimte zijn voornamelijk woningcorporaties (toegelaten instellingen volkshuisvesting) en daarnaast (andere) stichtingen. Op deze verhuurders wordt door de Belastingdienst minder toezicht uitgeoefend omdat vanwege de structuren meer interne controle aanwezig is en door anderen (waaronder Autoriteit Woningcorporaties) controle wordt uitgevoerd.
Met deze beperking is de relatie tussen huurprijs en kwaliteit van de woonruimte beter geborgd. Toegelaten instellingen zijn gebonden aan het passend toewijzen waardoor aan tenminste 95% van de woningzoekende huurders met (potentieel) recht op huurtoeslag een woonruimte moet worden verhuurd met een huurprijs die niet hoger is dan de aftoppingsgrens. Het risico van weglekken van publieke middelen blijft daarmee beperkt.
Bent u bereid te zoeken naar een alternatieve bepaling zodat beschermde woonvormen in gebouwen die eigendom zijn van en verhuurd worden door een commerciële partij, alsnog aangewezen kunnen worden als bijzondere woonvorm, waardoor de bewoners huurtoeslag kunnen aanvragen wanneer de huur marktconform of lager is? Zo nee, ziet u andere mogelijkheden om deze bewoners de mogelijkheid te geven in aanmerking te komen voor huurtoeslag?
Ik deel uw zorg om voldoende betaalbare huisvesting met passende ondersteuning te realiseren voor deze groep kwetsbare burgers. In de 17 september jongstleden aan uw Kamer gezonden brieven «Maatregelen Woningmarkt» en «Plan terugdringen dakloosheid» is aangegeven wat het kabinet daarvoor extra gaat doen. Uw voorstel zou een uitbreiding betekenen van de bestaande uitzondering over huurtoeslag voor onzelfstandige woonruimten.
De aanpak van de overlast door de eikenprocessierups |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), William Moorlag (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Plaag van eikenprocessierups neemt immense omvang aan»?1
Ja.
Deelt u de indruk van de in het bericht genoemde bioloog dat de omvang van de overlast van de eikenprocessierups in vergelijking met eerdere jaren groter is of hebt u een andere indicatie dat dit het geval is? Zo ja, wat is uw inschatting van die omvang? Zo nee, waarom niet en kunt u dit alsnog laten onderzoeken?
Ja, ik deel die indruk. Zie ook mijn antwoord op vraag 2 van lid De Groot. Ik ga op korte termijn verder onderzoek laten verrichten om de betrouwbaarheid van dit soort globale inschattingen verder te vergroten, bijvoorbeeld door tijdens de vluchtperiode de verspreiding van vlinders te volgen. Dit onderzoek is een van de acties die op korte termijn vanuit het nieuwe Kennisplatform Processierups zal worden uitgevoerd.
Deelt u de mening dat er sprake is van een acute en gemeente- en provinciegrens overstijgende problematiek? Zo ja, wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat op korte termijn de overlast van deze rupsen verminderd wordt en in hoeverre spelen de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) hier een actieve rol in? Zo nee, waarom niet?
Zie ook mijn antwoord op vraag 6 van lid De Groot. De eikenprocessievlinders vliegen binnenkort uit en de enorme aantallen brandharen blijven dan nog lange tijd voor overlast zorgen. Om iedereen te informeren hoe met de overlast om te gaan of deze te voorkomen is een overzicht met de belangrijkste do’s en don’ts voor zowel gemeenten als burgers opgesteld.
In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ondersteunt het RIVM professionals van regionale GGD’en op het gebied van milieu en gezondheid. Het RIVM verzamelt kennis en informatie over gezondheidseffecten en stelt dit beschikbaar, zoals de GGD-richtlijn medische milieukunde: de eikenprocessierups en gezondheid2, een update van de wetenschappelijke literatuur over de gezondheidsaspecten van de eikenprocessierups3 en een pagina op de eigen website «Eikenprocessierups»4 met een link naar een toolkit van en voor GGD-professionals: «Alles over, voor en tegen de eikenprocessierups»5. Voor het antwoord op publieksvragen verwijst het RIVM door naar de regionale GGD. Op de website van de NVWA wordt het publiek doorverwezen naar relevante betrokken instanties die ook aan het kennisplatform deelnemen.
Bent u bekend met de wijze waarop in andere landen omgegaan wordt met deze problematiek? Zo ja, zijn er best practices in de aanpak van de overlast die wellicht ook in ons land toegepast kunnen worden? Zo nee, kunt u dit dan alsnog laten onderzoeken?
De leden van het Kenniscentrum Eikenprocessierups en de andere betrokken instituties beschikken over goede internationale contacten met specialisten op het gebied van de eikenprocessierups met name ook in de buurlanden waar dezelfde problematiek speelt. De kennis uit het buitenland wordt gebruikt in de actualisatie van de leidraad.
Veel van de beschikbare kennis wordt met regelmaat getoetst aan hoe men in het buitenland met het probleem omgaat. Tegelijkertijd is de situatie in Nederland anders is door de hoge bevolkingsdichtheid in Nederland, de nauwe verwevenheid van natuur met andere gebruiksvormen en in verschillende regio’s een landschap waarin eikenbomen een belangrijke factor zijn. Wel is duidelijk dat de schaal in de overlast zoals die zich nu in Nederland voordoet vrij uniek is.
Deelt u de mening dat er, gezien de omvang en het feit dat het een steeds terugkerend probleem betreft, een structurele landelijke aanpak nodig is? Zo ja, wilt u met gemeenten, provincies en het Kenniscentrum Eikenprocessierups in overleg treden om te komen tot een landelijk bestrijdingsplan? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook geantwoord op vraag 5 van lid De Groot, hebben alle eigenaren van eiken, zoals gemeenten, een zorgplicht tot het bestrijden van de overlast door eikenprocessierupsen vanwege het gevaar voor de volksgezondheid. Juist omdat elke situatie anders is, kan op decentraal niveau beter maatwerk worden geleverd en daarom is de schadebestrijding decentraal georganiseerd. Ik ga er vanuit dat op basis van het delen van de juiste kennis in het Kennisplatform de collega overheden in staat zijn om de preventie en bestrijding adequaat en effectief op te pakken zodat de problematiek volgend jaar aanzienlijk wordt beperkt.
Landelijk wordt ook regie genomen door mij, onder andere via kennisverspreiding, onderzoek dat wordt opgezet en uitgevoerd en het delen van inzichten ten aanzien van de bestrijding van de eikenprocessierups.
Het verdwijnen van de website statengeneraaldigitaal.nl |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Klopt het dat de website www.statengeneraaldigitaal.nl niet meer bestaat?
Ja.
Is het waar dat met ingang van 30 mei 2019 de collectie van Staten-Generaal Digitaal onderdeel is geworden van de website https://zoek.officielebekendmakingen.nl?
Ja.
Wat is de reden van deze verhuizing?
In het project Staten-Generaal Digitaal hebben de Tweede Kamer en de Koninklijke Bibliotheek samengewerkt om 2.400.000 pagina’s Kamerstukken uit de periode 1814–1995 te digitaliseren en online toegankelijk te maken. Het beheer van de website en de collectie is vervolgens tijdelijk belegd bij de Koninklijke Bibliotheek in afwachting van de overdracht hiervan aan de Tweede Kamer. De Dienst Informatie en Archief (DIA) van de Tweede Kamer heeft vervolgens het beheer overgenomen. Deze dienst verzorgt zelf het inhoudelijk beheer van de collectie en heeft het technisch en functioneel beheer opgedragen aan het Kennis- en Exploitatiecentrum Officiële publicaties (KOOP) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In KOOP werken de Eerste en Tweede Kamer en de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie & Veiligheid en Buitenlandse Zaken samen om de informatie over wet- en regelgeving en verdragen (bekendmaking, geconsolideerde teksten en parlementaire geschiedenis) in onderlinge samenhang te presenteren. Door de toevoeging van de historische collectie Kamerstukken kan hier meer functionaliteit worden geboden. Zo is in de wettenbank op overheid.nl nu ook de wetgeving van voor 1995 gelinkt aan de parlementaire behandeling hiervan.
Op welke wijze is deze verhuizing bekend gemaakt?
De verhuizing is te tevoren aangekondigd op de website Statengeneraaldigitaal.nl en https://zoek.officielebekendmakingen.nl
Waarom zijn de zoekmogelijkheden in historische parlementaire documenten beperkt ten opzichte van de zoekmogelijkheden in parlementaire documenten vanaf 1995?
De collectie historische parlementaire documenten tot 1995 is minder rijk aan metadata dan de collectie van na 1995. Dat betekent dat de zoekmogelijkheden voor de historische collectie beperkter zijn.
Wordt er gewerkt aan verbetering van de zoekmogelijkheden in historische parlementaire documenten? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag drie is aangegeven, is de Tweede Kamer zelf verantwoordelijk voor het inhoudelijk beheer van de content en als opdrachtgever van KOOP voor het bepalen van de functionaliteit die aan de eindgebruikers wordt geboden. Het ligt op de weg van het presidium van de Kamer om vragen op dit gebied te beantwoorden.
Waarom zijn Handelingen en Kamerstukken van vóór 1995 alleen nog als PDF te raadplegen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Op www.statengeneraaldigitaal.nl werden bij sprekers in een debat beknopte biografische gegevens getoond als pop-up: is die functionaliteit nog beschikbaar? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
Hoeveel hiaten zijn er de afgelopen jaren sinds de lancering van Staten-Generaal Digitaal geconstateerd? Zijn deze hiaten hersteld? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
Wordt er gewerkt aan verbetering van de omzetting van het gedigitaliseerde (negentiende-eeuwse) drukwerk in digitaal leesbare tekst? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
Wie is verantwoordelijk voor het onderhoud en het beheer van de collectie Staten-Generaal Digitaal?
Zie het antwoord op vraag 3.
De inspanningen van de Belastingdienst om bij te dragen aan het bestrijden van georganiseerde criminaliteit en het afpakken van misdaadgeld |
|
Michiel van Nispen , Renske Leijten |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
Herinnert u zich uw antwoorden op Kamervragen over de oproep van burgemeesters meer te investeren in de handhavingscapaciteit van de Belastingdienst voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit?1
Ja.
Wat hield het bestedingsvoorstel van de Belastingdienst in dat is ingediend om aanspraak te maken op de middelen die beschikbaar zijn gesteld binnen het Ondermijningsfonds? Wat was uw inhoudelijke motivatie om dit bestedingsvoorstel niet te honoreren? Kunt u dit bestedingsvoorstel en de afwijzing aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
In het bestedingsvoorstel heeft de Belastingdienst verzocht om € 7 mln. ter beschikking te stellen voor zijn activiteiten in het kader van de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Het voorstel bestond uit twee delen. Om de screening van briefpost en kleine pakketten door de Douane te versnellen en intensiveren was het voorstel om twee CT-scanners aan te schaffen waarvoor vanaf 2020 € 1,6 mln. benodigd was. In het bestedingsvoorstel werd aangegeven dat de investering afhankelijk was van de uitkomsten van een in 2019 uit te voeren pilot. Het resultaat zou bepalen of het budget voor een additionele uitbreiding met deze scans vanaf 2020 daadwerkelijk zou worden benut. In verband met deze onzekerheid is op dat moment besloten om het voorstel – gezien de scherpe keuzes die gemaakt moesten worden – niet te honoreren.
Daarnaast is ten behoeve van het op sterkte houden en het doorvoeren van een beperkte mate van versterking van de teams die zich binnen de Belastingdienst bezighouden met onder andere de aanpak van ondermijnende criminaliteit in RIEC-verband (de zogenoemde Fraude/Externe Overheidssamenwerking teams), gevraagd vanaf 2019 € 5,4 mln. ter beschikking te stellen.
Met het op sterkte houden van de bezetting zouden de uit te voeren onderzoeken voor wat betreft de fiscale aanpak van ondermijnende criminaliteit op peil kunnen worden gehouden. Het karakter van het bestedingsvoorstel van de Belastingdienst voldeed daarmee maar beperkt aan het doel waarvoor de extra (en bovendien eenmalige) middelen beschikbaar zijn gesteld, namelijk om een versnelling en versterking van de aanpak van ondermijnende criminaliteit realiseren.
Gezien de operationele aard van de bestedingsvoorstellen die door de overige partners zijn ingediend zal ik de versterkingsplannen niet openbaar te maken. De verantwoordelijkheid voor de afweging van deze voorstellen en de uiteindelijke besluitvorming over de verdeling van de gelden is belegd bij de Minister van Justitie en Veiligheid, gebaseerd op het unanieme advies van het Strategisch Beraad Ondermijning.
Naast het anti-ondermijningsfonds zijn er overigens structurele middelen beschikbaar gesteld voor de versterkingsaanpak. Uit die middelen, € 10 mln. vanaf 2019, ontvangen de Belastingdienst en FIOD € 1 mln. in 2019 en € 850.000 in 2020 en verdere jaren, voor de versterking van analysecapaciteit op regionaal niveau.
Waarom stelt u zo nadrukkelijk dat de Belastingdienst een landelijke organisatie is met landelijke prioriteiten die op landelijk en regionaal niveau een afweging maakt ten aanzien van de eigen inzet op basis van onder andere de beschikbare capaciteit?
De Belastingdienst maakt op landelijk niveau keuzes over waar de beschikbare capaciteit wordt ingezet. Om de capaciteit zo efficiënt en effectief mogelijk in te zetten, worden de taken van de Belastingdienst geprioriteerd. Met het Jaarplan worden de uitkomsten van dit keuzeproces aan uw Kamer aangeboden.2 De Belastingdienst heeft een maatschappelijke taak om een bijdrage te leveren aan de rijksbrede aanpak om de samenleving te beschermen tegen fraude en ondermijnende criminaliteit. De Belastingdienst geeft deze aanpak van ondermijnende criminaliteit vorm met 11 teams «Fraude/Externe Overheidssamenwerking» (per RIEC een team, ten behoeve van RIEC Oost-Nederland zijn dat er twee i.v.m. de omvang van het werkgebied en het aantal gemeenten).
De Belastingdienst kan niet op elk afzonderlijk (lokaal) signaal acteren. De inzet van deze teams wordt bepaald door de regionale ondermijningsbeelden welke in LIEC/RIEC verband worden opgesteld. Elke regio kent immers zijn eigen regionale en lokale problematiek. De RIEC’s brengen fenomenen, gebieden of sleutelplaatsen in kaart, die als knooppunt voor ondermijnende criminaliteit fungeren of daar kwetsbaar voor zijn. Deze kunnen per (RIEC) regio verschillen. Ook kan subjectgerichte casuïstiek worden ingebracht. De daadwerkelijke capaciteit van deze 11 teams wordt op landelijk niveau bepaald.
Doordat de samenwerking is vorm gegeven binnen de LIEC/RIEC structuur is er dus ruimte voor regionale prioriteiten bij de inzet van de capaciteit van de Belastingdienst.
Op welke wijze beslist de Belastingdienst om regionale prioriteiten toe te laten in zijn prioriteiten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat als een regio, bijvoorbeeld Noord-Brabant, in overleg met het Ministerie van Justitie en Veiligheid extra inzet op de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, de Belastingdienst daarbij hoort te helpen? In hoeverre is hiervoor al ruimte? Bent u bereid deze mogelijkheden om regionaal verschillende accenten te leggen te vergroten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toelichten wat de achtergrond, analyse en belangrijkste redenen zijn voor uw besluit om (bij voorjaarsnota) extra geld beschikbaar te stellen «voor de integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit door de Belastingdienst»? Hoe ziet deze investering er meerjarig uit? Waar zal deze investering terechtkomen? Welke doelen (en eventuele voorwaarden) worden hierbij gesteld?
In het regeerakkoord is prioriteit gegeven aan de aanpak van witwassen en ondermijnende criminaliteit. In het regeerakkoord is daarom geld beschikbaar gesteld voor extra capaciteit in de aanpak van ondermijnende criminaliteit voor de organisaties in de strafrechtketen. Door de intensivering bij de andere partners bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit wordt ook steeds vaker een beroep gedaan op de Belastingdienst, zoals ook blijkt uit de oproep van de burgemeesters. Om de Belastingdienst in staat te stellen meer dan nu mee te kunnen doen in de uitwerking van de verschillende (regionale) versterkingsplannen wordt extra geld beschikbaar gesteld. Een intensivering van de inzet bij externe overheidssamenwerking biedt de mogelijkheid om in nauwe samenwerking met de partners meer bij te dragen aan de bestrijding van ondermijning.
2019
0,9
2020
15,0
2021
29,0
2022
29,0
2023
29,0
Zoals bij de eerdere beantwoording4 is aangegeven wordt momenteel gewerkt aan een nadere uitwerking en concrete toebedeling van capaciteit. De precieze plannen worden met Prinsjesdag bekend gemaakt.
Zou het niet goed zijn om nu ook specifiek aan het openbaar ministerie (OM) en de financiële recherche extra geld beschikbaar te stellen om meer crimineel geld af te pakken, altijd de samenwerking met de Belastingdienst te zoeken bij zaken van enige omvang, en dichterbij het uitgangspunt te komen dat misdaad niet mag lonen?
Bij het afpakken van crimineel vermogen is de samenwerking en afstemming tussen de partners, waaronder het OM, politie, FIOD en de Belastingdienst, essentieel. Per casus wordt dan ook altijd de afweging gemaakt welke partner met welk type interventie het beste resultaat kan behalen in de betreffende zaak.
Inzake het afpakken van crimineel vermogen heb ik uw Kamer per brief op 13 maart jl. geïnformeerd.5 In de brief is uiteengezet hoe verschillende projecten gefinancierd door versterkingsgelden voor het afpakken van crimineel vermogen en de versterking van de aanpak van ondermijning, nationaal en door de regio’s worden opgepakt. Daar nemen zowel de Belastingdienst als het OM aan deel.
Wat zijn uw ambities ten aanzien van het afpakken, ontnemen of afromen van crimineel geld, de inzet van de Belastingdienst daarbij, en de samenwerking op dit gebied met het OM?
In de brief van 13 maart jl. heb ik uw Kamer over de ambities op het terrein van afpakken geïnformeerd. In de kern houdt de gezamenlijke strategie van de partners in dat bij het bestrijden van georganiseerde criminaliteit en breder geld gedreven criminaliteit méér focus moet worden gelegd op het blootleggen van criminele geldstromen, om van daaruit effectieve interventies te bepalen en te plegen. Daarnaast beziet een werkgroep momenteel welke verbeterpunten in de wetgeving mogelijk zijn om het afpakken van crimineel vermogen te versterken. Het OM, de politie en de Belastingdienst nemen bovendien deel aan de werkgroep die zich bezighoudt met het opzetten van een integrale afpakmonitor, zoals afgesproken in de Veiligheidsagenda 2019–2022.
Verder bent u op 1 juli jl. geïnformeerd over de nationale aanpak van het Kabinet om witwassen te bestrijden. Maatregelen om het witwassen tegen te gaan zullen bijdragen aan het vergroten van het zicht van partners als de Belastingdienst en het OM op het crimineel vermogen.
Het bericht ‘Samenwerkende overheden brengen advies aan minister uit over Zuid-West 380kV hoogspanningsverbinding’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Samenwerkende overheden brengen advies aan Minister uit over Zuid-West 380kV hoogspanningsverbinding»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de doorsnijding van het Natura 2000-gebied Brabantse Wal, met de bovengrondse tracévarianten (projectboek 3, uitwerkingsgebied 3)2niet conform het traceringsprincipe «zo veel als mogelijk voorkomen van nieuwe doorsnijdingen van het landschap» is, wat bij de totstandkoming van het voorkeurtracé is gehanteerd?3
In 2017 heeft mijn voorganger de samenwerkende overheden gevraagd om een integraal advies te geven over alle alternatieven en varianten die ten behoeve van het kiezen van een voorgenomen tracé in kaart waren gebracht. De samenwerkende overheden hebben bij het opstellen van hun advies de volgende criteria gehanteerd:
Op basis van een integrale effectenanalyse (feitelijk overzicht van de gevolgen van de alternatieven en varianten op milieu, nettechniek, kosten en omgeving) van TenneT, een advies van de Commissie m.e.r. en het advies van de samenwerkende overheden heeft mijn voorganger ervoor gekozen het door de samenwerkende overheden voorgestelde tracé te volgen. Hij heeft u hierover bij brief van 7 juli 2017 geïnformeerd (Kamerstuk 29 023, nr. 217). Het bovengrondse deel door de Brabantse Wal maakte onderdeel uit van het advies van de samenwerkende overheden. Dat is het resultaat geweest van een brede afweging waarin meerdere aspecten zijn gewogen. Het is daarbij helaas zelden zo dat een tracéalternatief op alle aspecten gunstig uitpakt, maar dat betekent niet dat een traceringsuitgangspunt niet is gehanteerd.
Bent u bekend met het feit dat het gevolg van de bovengrondse tracévarianten is dat er onvermijdelijk 120.000 tot 200.000 m2 aan cultuurhistorisch Natura 2000-bosgebied voor een nieuwe doorsnijding weggekapt moet worden?
Deelt u de mening dat met deze varianten de substantiële negatieve invloed op de omgeving hierdoor eerder toegenomen dan kleiner is geworden ten opzichte van het beoogde bovengronds voorkeurtracé? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het feit dat ondergronds traceren al in 2017 als oplossingsrichting is voorgelegd voor het bovengronds knelpunttracé in uitwerkingsgebied 3?4
Bent u bekend met de huidige ondergrondse oplossing in de buisleidingstraat die is uitgewerkt voor het voorafgaande deeltracé in uitwerkingsgebied 2?5 Deelt u de mening dat met eenzelfde ondergrondse oplossing in uitwerkingsgebied 3 de grootschalige aantasting van het betreffende Natura 2000-bosgebied eenvoudig voorkomen kan worden?
Bent u bekend met het feit dat zowel TenneT als LSNed hebben aangegeven mogelijkheden te zien om dit voor uitwerkingsgebied 3 te kunnen realiseren?6
Bent u bekend met het feit dat de kosten van de in 2017 onderzochte ondergrondse oplossingsrichting (variant Brabantse Wal-Bergen op Zoom) ver onder het gemiddelde lagen?7 Zo ja, deelt u de mening dat de aanleg van een ondergronds tracé in de buisleidingenstraat efficiënter en korter is dan de eerder onderzochte ondergrondse oplossingsrichting?
Het klopt dat tracévarianten verschillend kunnen scoren op milieueffecten (waaronder landschap en natuur), nettechniek, kosten en omgeving (waaronder leefomgevingskwaliteit). Om die reden is dit voor alle varianten in kaart gebracht zodat deze aspecten in onderlinge samenhang kunnen worden gewogen. De keuze voor het voorgenomen tracé in 2017 heeft plaatsgevonden op basis van een brede afweging. Datzelfde zal gelden voor de keuze uit de varianten uit Projectboek 3. Ten behoeve van die afweging zijn de effecten van alternatieven en varianten op milieu (waaronder landschap en natuur), nettechniek, kosten en omgeving (waaronder leefomgevingskwaliteit) in kaart gebracht. Voor uitwerkingsgebied 3 Bergen op Zoom ben ik voornemens het advies van de samenwerkende overheden voor nader onderzoek op te volgen (zie het antwoord op de vragen 3 tot en met 7).
Deelt u de mening dat een ondergronds tracé in de buisleidingenstraat op het gebied van leefbaarheid, natuur en landschap significant beter scoort dan elke andere tracévariant voor uitwerkingsgebied 3? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met het feit dat de ondergrondse variant een breed draagvlak geniet onder bewoners, omwonenden alsmede de gemeenteraad en betrokken organisaties?8 Zo ja, bent u bekend met het feit dat binnen enkele weken al ruim 27.000 belanghebbenden middels het ondertekenen van een petitie9 kenbaar hebben het ondergrondse alternatief steunen?
Ja.
Bent u bereid om als alternatief voor de massale bomenkap in het Natura 2000-gebied duurzaam te investeren in het ondergronds tracé in de bestaande, daarvoor bestemde, infrastructuur van de buisleidingenstraat? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 3 tot en met 7.
Bent u bereid om daarmee de onrust in het gebied op de kortst mogelijke termijn weg te nemen door direct te besluiten voor uitwerkingsgebied 3 het ondergrondse tracé in de buisleidingenstraat definitief op te nemen in het Rijksinpassingsplan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de inschatting dat grootschalige bomenkap niet in overeenstemming is met de recente uitspraak van de Raad van State over het Programma Aanpak Stikstof (PAS)?10 Zo nee, waarom niet?
Voor de kap van bomen is een vergunning op basis van de Wet natuurbescherming vereist. Bij de aanvraag en de verlening van de vergunning zal rekening moeten worden gehouden met de uitspraak van de Raad van State.
Het bericht ‘Luchtkwaliteit babybedjes onder de maat’ |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Ongezonde lucht rond babybedjes op kinderdagopvang»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitkomsten van het onderzoek van de Technische Universiteit Eindhoven dat de luchtkwaliteit rond en in babybedjes onvoldoende is? Vindt u ook dat de lucht waarin onze kinderen spelen en slapen gezond moet zijn?
Ik vind het belangrijk dat de kinderopvang veilig en gezond is en dat kinderen in de kinderopvang kunnen slapen en spelen. Of de luchtkwaliteit in de kinderopvang in algemene zin onder de maat is kan ik op basis van het onderzoek van de Technische Universiteit Eindhoven niet zeggen. Dit is onder meer afhankelijke van de lokale situatie en de maatregelen die kinderopvangorganisaties nemen. Wel laat het onderzoek duidelijk zien dat aandacht voor dit onderwerp belangrijk en nodig is.
Is het waar dat de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) weinig aandacht besteedt aan het thema luchtkwaliteit tijdens haar controles op kinderopvanglocaties? Is er een verschil in controle tussen de verschillende regionale GGD’en? Zo ja, hoe kan het dat de controle tussen regionale GGD’en zo verschillend is? Welke rol heeft u met betrekking tot de inspectie van kinderopvangorganisaties?
Toezicht en handhaving in de kinderopvang is een verantwoordelijkheid van gemeenten. GGD’en voeren het toezicht in opdracht van de gemeenten uit.
GGD-inspecteurs kunnen in het toezicht aandacht besteden aan de luchtkwaliteit. De Wet kinderopvang bevat geen specifieke eisen voor luchtkwaliteit, maar schrijft wel voor dat kinderopvanglocaties moeten beschikken over een actueel veiligheids- en gezondheidsbeleid. De opvanglocatie beschrijft hierin de belangrijkste risico’s voor de veiligheid en gezondheid van de kinderen. De luchtkwaliteit kan één van deze risico’s zijn. In dat geval is een opvanglocatie verplicht om dit in zijn veiligheids- en gezondheidsbeleid te beschrijven en hier maatregelen op te nemen. De GGD-inspecteur toetst of kinderopvanglocaties hieraan voldoen.
Het Bouwbesluit 2012 bevat wel specifieke eisen voor de luchtkwaliteit in de kinderopvang. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op (de voorschriften uit) dit besluit. Wanneer een bestaande kinderopvanglocatie niet voldoet aan deze voorschriften, kan de gemeente verlangen dat het pand wordt aangepast. De eigenaar van de opvanglocatie wordt dan aangeschreven om de zaken die niet voldoen aan de voorschriften binnen een redelijke termijn op te lossen. Doet de eigenaar dit niet, dan mag de gemeente zelf tot actie over gaan en de kosten op de eigenaar verhalen.
GGD GHOR Nederland en de VNG hebben mij laten weten dat luchtkwaliteit in de kinderopvang aandacht krijgt in het toezicht. Hoe vaak dit het geval is, is niet duidelijk omdat dit niet wordt geregistreerd. Gezien het belang van het onderwerp, zeg ik daarom graag toe om met de VNG en GGD GHOR Nederland in gesprek te gaan over het onderzoek door de TU Eindhoven en de betekenis daarvan voor het toezicht en de handhaving.
Gaat u nu actie ondernemen om de luchtkwaliteit bij kinderopvanglocaties te verbeteren? Zo ja, gaat u dan in overleg met de GGD en de brancheorganisaties kinderopvang om dit op te pakken?
Zijn mijn antwoord op vraag 2 en 3. In aanvulling daarop:
Het is primair een verantwoordelijkheid van de opvanglocatie zelf om te voldoen aan de eisen uit de Wet kinderopvang en het Bouwbesluit. Daarom zal ik ook in mijn gesprekken met de brancheorganisaties kinderopvang wijzen op het onderzoek van de TU Eindhoven en aandacht vragen voor dit onderwerp.
Wat vindt u van de suggestie van de onderzoekers om ook de luchtkwaliteit in babybedjes, in plaats van alleen daarbuiten, te controleren? Bent u verder ook bereid om naar het maximum aantal babybedjes per slaapkamer te kijken? Gaat u daarbij ook kijken naar het mogelijk verlagen van de regels uit het bouwbesluit van de concentratie van CO2?
Ik onderschrijf het belang van schone, gezonde lucht in kinderopvangorganisaties en breng de resultaten van het onderzoek door de TU Eindhoven graag onder de aandacht bij de VNG, GGD GHOR Nederland en de brancheorganisaties kinderopvang. Dat geldt ook voor de suggesties van de onderzoekers, zoals die over de positionering van de bedjes en de plek waar de luchtkwaliteit het beste kan worden gemeten.
Ik vind het daarbij ook belangrijk om samen met de diverse spelers in de kinderopvang na te gaan wat zij kunnen doen om ervoor te zorgen dat in kinderopvangorganisaties, meer specifiek in slaapvertrekken, voldoende geventileerd wordt.
Het bericht ‘ABP ontdekt deelnemers met recht op arbeidsongeschiktheidspensioen’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «ABP ontdekt deelnemers met recht op arbeidsongeschiktheidspensioen»1 en «ABP op zoek naar deelnemers die miljard laten liggen»?2
Ja.
Kan aangenomen worden dat dit fenomeen zich op vergelijkbare wijze voordoet bij andere pensioenfondsen? Indien nee, waarom niet?
Het kan zijn dat ook bij andere pensioenfondsen sprake is van nog niet uitgekeerd arbeidsongeschiktheidspensioen (AOP). Hetzelfde geldt voor wat betreft premievrije voortzetting van pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid (PVA).
Klopt het dat als het bij het ABP gaat om 1 miljard euro en 16.000 (ex) deelnemers, het voor heel Nederland waarschijnlijk op een veelvoud daarvan zal uitkomen?
Ik beschik niet over de relevante data om hier een antwoord op te kunnen geven. De Pensioenfederatie schat in dat het niet uitkomt op een veelvoud voor de gehele sector. Duidelijk is wel dat arbeidsongeschiktheidsregelingen kunnen verschillen van elkaar. In alle gevallen is het cruciaal dat de pensioenuitvoerder beschikt over informatie dat een deelnemer arbeidsongeschikt is. Die informatie moet soms komen van een melding door de arbeidsongeschikte deelnemer zelf en soms van een melding door bijvoorbeeld het UWV. Soms krijgt een melding achteraf toch terugwerkende kracht tot aan het moment van arbeidsongeschikt worden, soms is terugwerkende kracht niet aan de orde vanwege geautomatiseerde gegevensuitwisseling met het UWV, afhankelijk van het pensioenreglement.
Wat vindt u ervan dat het ABP deze doelgroep actief gaat opsporen?
Laat ik vooropstellen dat ik het ongelukkig vind voor de betreffende deelnemers dat zij, zonder dit zich te realiseren, recht hadden op een AOP en/of PVA. Dit betekent namelijk dat die deelnemers hebben moeten wachten op hun geld. Ik vind het getuigen van handelen in het belang van de betreffende deelnemers dat het ABP na ontdekking van de niet aangevraagde pensioenen onderzoekt wie recht heeft op een AOP en/of PVA. Evenzeer als dat het ABP de betreffende deelnemers hierover benadert en helpt te krijgen waar zij recht op hebben. Ik waardeer dit handelen van het ABP.
Acht u het acceptabel dat één of enkele fondsen deze doelgroep actief gaan opsporen terwijl andere pensioenfondsen dat niet doen? Indien ja, graag een toelichting.
Het uitgangspunt is dat pensioenfondsen primair verantwoordelijk zijn voor de correcte uitvoering van de pensioenregeling en het pensioenreglement. Deelnemers hebben recht op pensioen, waaronder een AOP en/of PVA, in overeenstemming met de pensioenregeling. Het bestuur van elk pensioenfonds legt verantwoording af over de reglementaire toekenning van pensioen, dus ook van AOP en/of PVA. Om het risico te beheersen dat er mogelijk arbeidsongeschikte deelnemers zijn, die recht hebben op een AOP en/of PVA maar dat niet krijgen, doen pensioenfondsen er verstandig aan hier onderzoek naar te doen.
Naar ik heb begrepen van de Pensioenfederatie hanteren veel pensioenfondsen een actief zoekbeleid. Zij maken daartoe gebruik van gegevens van de personeelsadministratie van de onderneming waarmee zij verbonden zijn (ondernemingspensioenfondsen). Of van gegevens van de beroepsvereniging (beroepspensioenfondsen). In geval van bedrijfstakpensioenregelingen geeft veelal het UWV relevante data door aan de betreffende bedrijfstakpensioenfondsen. Ik roep voor zover nu nog nodig alle pensioenuitvoerders op een actief zoekbeleid te hanteren.
De Ombudsman Pensioenen heeft in zijn Jaarverslag 2015 een belangrijke aanbeveling gedaan voor de aanpak van de problematiek van nog niet uitgekeerd AOP. Ik wil aan pensioenuitvoerders, die deze problematiek oppakken, die aanbeveling meegeven:
Deze aanbeveling heeft de Ombudsman Pensioenen niet voor niets gedaan en verdient brede naleving door pensioenuitvoerders.
Deelt u de mening dat ook andere pensioenfondsen een vergelijkbaar actief opsporingsbeleid zouden moeten gaan uitvoeren?
Zie antwoord vraag 5.
Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat alle pensioenfondsen een vergelijkbaar actief opsporingsbeleid gaan uitvoeren? Bent u daar ook toe bereid?
Indien in een pensioenreglement is bepaald dat deelnemers hun arbeidsongeschiktheid moeten melden om een AOP en/of PVA te krijgen, is het zaak dat zij weten dat zij moeten melden. Pensioenuitvoerders geven daartoe brochures uit. Daarnaast verschaffen zij informatie over arbeidsongeschiktheid op hun website en bij aanvang en einde deelneming aan de pensioenregeling. Pensioenuitvoerders doen er goed aan deelnemers zo actief mogelijk te begeleiden bij het verkrijgen van een AOP en/of PVA. En om werkgevers te vragen dat te doen, wat naar ik begrijp ook gebeurt. In zoverre heb ik nu geen aanleiding tot maatregelen van mijn kant. Punt blijkt echter wel dat deelnemers verwachten dat hun pensioenuitvoerders (of werkgevers) hen actief wijst op de noodzaak tot melding van arbeidsongeschiktheid. Dit vergt met name van alle pensioenuitvoerders zij, nogmaals, een actief zoekbeleid hanteren.
Mijn beeld van de mate waarin pensioenuitvoerders zich inspannen om deelnemers, die arbeidsongeschikt zijn geworden, te geven waar zij recht op hebben is overigens genuanceerd. Ik baseer mij daarbij op wat de Ombudsman in 2017 concludeerde over de opvolging, die respectievelijk verzekeraars en pensioenfondsen hebben gegeven aan die aanbeveling waaraan ik eerder refereerde.4 De Ombudsman leek toen namelijk positiever te oordelen over verzekeraars dan over pensioenfondsen.
De buitensporige subsidie van de luchtvaartsector |
|
Cem Laçin , Suzanne Kröger (GL), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Kent u het artikel «Een goedkoop vliegticket komt niet uit de lucht vallen»?1
Ja.
Onderschrijft u de in dit artikel berekende subsidie van 86,29 euro per persoon, exclusief de met 43 euro per persoon opgelopen staatsschuld, dankzij de aanschaf van aandelen Air France-KLM? Zo nee, hoe zit het dan?
Nee. De wijze waarop het genoemde subsidiebedrag wordt onderbouwd onderschrijf ik niet. Bij veel van de genoemde onderdelen in de opsomming van bedragen gaat het om de borging van publieke belangen en uitvoering van publieke taken waarvoor de overheid verantwoordelijk is. Op een aantal in de berekening genoemde elementen wordt nader ingegaan in de onderstaande antwoorden. Wat daarnaast de meegerekende inzet van de Koninklijke Marechaussee betreft wijs ik erop dat ook grensbewaking de uitvoering van een reguliere publieke overheidstaak betreft waarvan de door de overheid betaalde kosten niet als subsidie aangemerkt kunnen worden. Bovendien ondergaan de passagiers uit het specifieke voorbeeld in het artikel (een reis naar Toulouse in Frankrijk, binnen het Schengengebied), in tegenstelling tot wat wordt gesuggereerd, geen paspoortcontrole.
Deelt u de mening dat dit subsidiebedrag buitensporig hoog is in verhouding tot het beprijzen van andere vervoersmiddelen en de enorme impact van de luchtvaart op het klimaat en de leefomgeving van mens en dier? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven onderschrijf ik de onderbouwing van dit subsidiebedrag niet.
Hoe past deze buitensporige subsidie van de luchtvaartsector binnen het advies van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) dat de luchtvaartsector als een «gewone bedrijfstak» moet worden behandeld?2
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 2. Wat betreft het genoemde advies van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur verwijs ik naar mijn brief van 5 juli 2019 aan uw Kamer over de ontwikkeling van Schiphol en de hoofdlijnen van de Luchtvaartnota3. Hierin wordt aangegeven dat onder meer dit Rli-advies wordt betrokken bij het vormgeven van de Luchtvaartnota.
Wat is uw inzet om deze subsidiestromen in te zetten voor de transitie naar een daadwerkelijk duurzaam mobiliteitssysteem?
Voor wat betreft maatregelen gericht op verduurzaming van de luchtvaart en klimaatbeleid voor luchtvaart verwijs ik naar mijn brief van 27 maart 20194.
Kunt u een zo volledig mogelijke lijst verschaffen van alle mogelijke overheidssteun, kortingen, arbeidsuren en subsidies richting Schiphol, waaronder ook de innovatiesubsidies, leefbaarheidsfondsen en projecten en samenwerkingen?
Vanuit een publiek belang doet de Nederlandse overheid uitgaven die aan Schiphol gerelateerd zijn, maar die niet als «overheidssteun, kortingen, arbeidsuren of subsidies richting Schiphol» gekwalificeerd kunnen worden. Om toch enig inzicht te bieden in de uitgaven is hieronder een tabel opgenomen met de meest recente Schiphol-gerelateerde uitgaven van het Ministerie van IenW dat beleidsverantwoordelijk is voor de luchtvaart. In deze tabel zijn de uitgaven in 2018 opgenomen zoals verantwoord in het Jaarverslag artikel 17 luchtvaart, hierin uitgesplitst naar de soort uitgaven (financieel instrument) en naar het onderwerp waarop de uitgaven betrekking hebben.
Opdrachten luchtvaart- veiligheid
Het betreft opdrachten die tot doel hebben vogelaanvaringen te verminderen, zoals een proef i.h.k.v. alternatieve gewassen voor de graanteelt (miscanthus, olifantsgras). Daarnaast is opdracht gegeven tot controle op het onderwerken van graanresten. Het betreft ook vang- en dodingsacties van ganzen rond Schiphol
155
Data Schiphol
Data continu onderzoek Schiphol en overige Schipholdata.
115
Opdrachten project Schiphol
Het budget is besteed aan opdrachten ten behoeve van de implementatie van het nieuwe normen- en handhavingsstelsel voor Schiphol en de voorbereiding van de aanpassing van de wet- en regelgeving en het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB)/ Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB). Het betreft ook opdrachten die voortvloeien uit implementatie van de aanbevelingen van het OVV-rapport Veiligheid vliegverkeer Schiphol. Tenslotte is een bedrag besteed aan een schikking met de BARIN (Board of Airline Representatives In The Netherlands) over het functioneren van het Schadeschap luchthaven Schiphol.
3.205
Opdrachten KDC
De Stichting Knowledge & Development Center (KDC) levert kennis om innovatieve oplossingen te vinden voor de duurzame ontwikkeling van de Mainport Schiphol. In 2018 heeft KDC projecten uitgevoerd gericht op een betere voorspelbaarheid van de verkeersstromen en de luchthaven capaciteit, betere weerverwachting voor het ijsvrij maken van vliegtuigen en er is gewerkt aan de procesverbetering voor de introductie van nieuwe concepten in de praktijk. De structurele verbinding met de Technische Universiteit Delft en Hogeschool van Amsterdam heeft er voor gezorgd dat een flink aantal studenten de opleiding heeft afgerond door te werken aan research voor de luchtvaart.
536
Subsidie KDC
Het betreft de beheersubsidie die aan het KDC is verstrekt.
35
Subsidie ORS
Aan de Omgevingsraad Schiphol (ORS) is een subsidie verstrekt. Dit onafhankelijke overleg- en adviesorgaan verenigt bewoners, regionale en lokale overheden en luchtvaartpartijen met als doel om de hinder van Schiphol zoveel mogelijk te beperken en een optimaal gebruik van de luchthaven te bevorderen.
369
Subsidie onderwerken graanresten
Er is een subsidieregeling voor het bijdragen aan het versneld onderwerken van de graanresten na de oogst in een deel van de Haarlemmermeerpolder. Het doel van de regeling is het aantrekken van foeragerende ganzen te verminderen.
1.510
Bijdrage aan LVNL
Ten behoeve van het geschikt maken van de Soesterbergradar voor burgermedegebruik is een bijdrage verstrekt aan de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL).
77
In bovenstaande tabel zijn niet de uitgaven aan infrastructuur opgenomen omdat die niet alleen bijdragen aan de bereikbaarheid van Schiphol, maar ook aan de bereikbaarheid in bredere zin. Zie ook het antwoord op vraag 12. Tot slot wil ik aantekenen dat in de tabel ook niet de uitgaven zijn opgenomen die worden gedekt door een aan de sector opgelegde heffing, zoals voor schades en aankoop van woningen in sloopzones.
Als bunkerbrandstoffen, zoals kerosine en stookolie, voor schepen normaal zouden worden belast met een zelfde accijns als diesel en normale btw, hoeveel geld zou dit opleveren voor de schatkist?
Uit cijfers van het CBS volgt dat in 2018 11.387 miljoen kilogram scheepsbrandstof is gebunkerd in Nederlandse havens. Scheepsbrandstof wordt verhandeld op een mondiale markt, waarbij een gelijk speelveld van belang is. Op dit moment rekent geen enkele haven belastingen voor scheepsbrandstof. Schepen kunnen gemakkelijk omvaren om ergens anders goedkoper en accijnsvrij te bunkeren. Een opbrengst zonder rekening te houden met gedragseffecten zou orde grootte € 3 miljard bedragen (inclusief btw). Maar zoals gezegd kunnen gedragseffecten groot zijn, waardoor per saldo een zeer beperkte opbrengst zou resulteren.
Hoeveel vliegtuigpassagiers zouden, bij benadering, voor een ander vervoersmiddel hebben gekozen bij op dergelijke wijze gelijkgestelde belastingtarieven?
Verwezen wordt naar de beantwoording door Staatssecretaris Snel van Financiën van de vragen van de leden Kröger en Snels (beiden Groenlinks) van 26 maart 20195. Hierin wordt (in antwoord 6) aangegeven dat de effecten van een belasting van vele factoren afhankelijk zijn. Naast de vormgeving van een belasting spelen bijvoorbeeld ook de verwachte autonome ontwikkeling van de vraag naar luchtvaart en de veronderstelde beschikbare luchthavencapaciteit een grote rol. Naast volume-effecten kunnen bovendien verschuivingen tussen segmenten optreden, zoals tussen korte en lange afstand, tussen passagiers en vracht en tussen transferpassagiers en passagiers met Nederland als herkomst of bestemming.
Wat is de extra uitstoot van schadelijke gassen en stoffen als gevolg van deze extra passagiers?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 8. Verder merk ik op dat een verandering van het aantal passagiers niet per definitie leidt tot een evenredige verandering van het aantal vliegtuigbewegingen en van de uitstoot.
Kunt u aangeven wat de directe en indirecte milieukosten van de aan Nederland gerelateerde luchtvaart zijn, zoals vervuiling, geluidsoverlast, gezondheid en het vrijwaren van grote gebieden van andere functies zoals woningbouw?
De Kamer heeft tijdens een (V)AO Duurzame Luchtvaart gevraagd om een overzicht van de kosten voor de luchtvaart en om daarbij een vergelijking te maken met de kosten en subsidies voor andere modaliteiten. Hierover zijn moties aangenomen van het Kamerlid Dijkstra (VVD, Kamerstuk 31 936 nr. 615) en van de Kamerleden De Groot en Bruins (respectievelijk D66 en CU, Kamerstuk 31 936 nr. 627). Het overzicht – dat ik vóór de begrotingsbehandeling van IenW dit najaar aan uw Kamer verwacht aan te bieden – geeft ook een beeld van de verschillende externe kosten. Mogelijke kosten die voortkomen uit het ruimtelijke beleid maken hier geen onderdeel van uit.
Kunt u aangeven hoeveel geld Schiphol zelf bijdraagt aan de landzijdige bereikbaarheid van Schiphol?
Hieronder wordt op basis van informatie van Schiphol een overzicht gegeven van de investeringen van Schiphol die gerelateerd zijn aan landzijdige bereikbaarheid.
Wat is uw specifieke mening over de verhouding in bedragen die de overheid betaalt en die Schiphol zelf betaalt voor het bereikbaar houden van Schiphol? Kunt u dit uitgebreid toelichten?
In het kader van het MIRT wordt in alle regio’s, waaronder het gebied rondom Schiphol, door overheden en sectorpartijen hard gewerkt aan de verbetering van de bereikbaarheid. Het bedrag van € 12 miljard dat staat genoemd in het artikel is een opstelsom van de projecten in de metropoolregio Amsterdam die gepland staan tot aan 2028. Met de realisatie van deze projecten worden belangrijke knelpunten in het hoofdwegennet en op het hoofdspoornet opgelost waar alle reizigers die gebruik maken van deze verbindingen en de regio als geheel van profiteren. In het artikel van Follow the Money wordt voor de berekening van een subsidiebedrag per passagier het bedrag van € 12 miljard over een periode van 12 jaar afgeschreven. Dit geeft een onjuist beeld omdat deze infrastructuur voor een veel langere periode wordt gebruikt. De economische levensduur van infrastructuur is ongeveer 25 tot 30 jaar. Daarnaast is het niet correct om de kosten, zoals in het artikel gebeurt, geheel toe te schrijven aan de vertrekkende en aankomende passagiers op Schiphol in aansluiting op een vliegreis. Op Schiphol stappen bijvoorbeeld ook trein- en busreizigers over en zijn er reizigers die op Schiphol werken. Ik vind het belangrijk dat de bereikbaarheid in de Metropoolregio Amsterdam samen met de regionale partners, waaronder Schiphol, wordt verbeterd. Daarom wordt sinds maart 2018 samengewerkt in het gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma «Samen Bouwen aan Bereikbaarheid». Daarbij wordt onder meer gekeken naar de corridor Amsterdam-Schiphol-Hoofddorp, inclusief de lange termijn bereikbaarheid van de multimodale knoop Schiphol. Investeringen in het onderliggende wegennet op het luchthaventerrein worden voornamelijk door de luchthaven zelf bekostigd. Zie ook het antwoord op vraag 11. Ik ben van mening dat dit redelijke verhoudingen zijn.
Zijn de tarieven en dividendafdracht van Schiphol ook na de beloofde tariefverhoging nog steeds lager dan wat vergelijkbare andere luchthavens vragen en afdragen? Kunt u een nieuw overzicht geven?
Uit de benchmark luchthavengelden en overheidsheffingen 2018 van SEO blijkt dat Schiphol goedkoper is dan andere concurrerende grote luchthavens in Europa. In deze jaarlijkse benchmark worden niet alleen de luchthaventarieven van Schiphol zelf in de vergelijking meegenomen, maar ook de Air Traffic Control (ATC)-heffingen en de overheidsheffingen. In de jaren 2015, 2016 en 2017 zijn de luchthaventarieven van Schiphol gedaald. Dit vanwege de sterke passagiersgroei en de minder sterke toename van de kosten. De luchthaventarieven van 2018 zijn met gemiddeld 5,4% gestegen ten opzichte van 2017. Het effect daarvan is zichtbaar in de benchmark 2018: alhoewel Schiphol een relatief lage positie behoudt in de rangorde van duur naar goedkoop, heeft Schiphol vergeleken met de andere luchthavens in de benchmark in dat jaar wel de grootste totaalstijging van de gelden en heffingen (+5%). De stijging van de luchthaventarieven van Schiphol zet door, want op 31 oktober 2018 heeft Schiphol bekend gemaakt dat de luchthaventarieven op Schiphol in de periode 2019 tot 2021 met gemiddeld 7,9% per jaar zullen stijgen ten opzichte van de tarieven van 2018. De luchthaventarieven van Schiphol zijn kostengeoriënteerd. Dat wil zeggen dat Schiphol in de luchthaventarieven niet meer in rekening mag brengen dan de kosten die de luchthaven maakt voor luchtvaartactiviteiten plus een gereguleerd rendement. Een belangrijke reden voor de tariefstijging in de komende jaren zijn de investeringen die Schiphol gaat doen. Verder wordt invoering van een vliegbelasting voorbereid die ook tot hogere kosten zal leiden. Hoe op andere luchthavens de kosten worden doorberekend verschilt per luchthaven en is afhankelijk van regulering en het tariefbeleid. De benchmark met betrekking tot 2019 is nog niet beschikbaar, waardoor het nu nog niet mogelijk is om aan te geven hoe het effect van de tariefstijging in dit jaar zal doorwerken op de relatieve positie van Schiphol in de benchmark.
In de overzichten van SEO is de dividendafdracht niet meegenomen, omdat er geen één op één relatie bestaat tussen de hoogte van de luchthavengelden en de hoogte van het uitgekeerde dividend. De hoogte van de dividendafdracht is bij Schiphol, net als bij haar concurrenten, namelijk ook afhankelijk van de inkomsten uit andere activiteiten, zoals parkeren, winkels, vastgoed en buitenlandse deelnemingen, en de afspraken die een luchthaven maakt met haar aandeelhouders over welk deel van de winst wordt uitgekeerd als dividend7.
Klopt het dat voor het passeren van het Nederlandse luchtruim een lager tarief geldt dan voor andere landen? Kunt u een overzicht geven van de Europese landen?
Het tarief voor luchtverkeersleiding in het Nederlandse luchtruim wordt jaarlijks volgens Europese regels vastgesteld. Uitgangspunt in deze regels is dat de inkomsten uit de heffingen de te maken kosten van de luchtverkeersleiding dekken, zogenaamde kostendekkende tarieven. In 2019 is het Nederlandse tarief (€ 56,77) lager dan het tarief in de ons direct omringende landen (België/Luxemburg: € 67,55; Duitsland: € 63,63; VK: € 60,32; Frankrijk: € 60,81; Denemarken: € 56,96), maar hoger dan het Europese gemiddelde (€ 51,62).
Bent u het eens met de stelling uit het FTM-artikel dat de EU de luchtvaart «met honderden miljoenen» sponsort? Zo nee, kunt u toelichten op welke manier deze stelling in uw ogen niet klopt?
De stelling, die ik niet onderschrijf, refereert aan de financiële bijdragen vanuit de EU voor het SESAR programma. Dit programma heeft als doel de Europese luchtverkeersleiding te moderniseren. Dit richt zich op het verbeteren van de veiligheid, het verminderen van de uitstoot van emissies, het verminderen van vertragingen en het verbeteren van de kostefficiëntie. De Europese Unie stelt financiële middelen beschikbaar om de implementatie van het programma te stimuleren en te versnellen.
Onderschrijft u de stelling in het FTM-artikel dat mensen met een laag inkomen meebetalen aan de vliegvakanties van mensen met een hoger inkomen, omdat mensen uit de hoogste inkomensgroep vaker vliegen? Zo nee, waarom niet?
In het genoemde artikel wordt gesteld dat mensen met een laag inkomen meebetalen aan de vliegreizen voor de rijken, maar niet dat dit komt doordat mensen uit de hoogste inkomensgroep vaker vliegen zoals in de vraag wordt genoemd. Mogelijk wordt in de vraag gerefereerd aan een publicatie van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) uit 2018 met de titel «De Vliegende Hollander». Hierin wordt het vlieggedrag van de Nederlandse bevolking geanalyseerd. Onder andere wordt vermeld dat personen met een hoog inkomen relatief vaak vliegen. Overigens is daarbij geen onderscheid gemaakt tussen reizen met een zakelijk motief en «vliegvakanties» zoals in de vraag genoemd.
Erkent u daarmee dat deze buitensporige subsidie van de luchtvaartsector vooral in het voordeel uitpakt van de hogere inkomensgroepen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven onderschrijf ik de onderbouwing niet.
Onderschrijft u de stelling van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) dat de «goedkope leningen» aan Airbus niet in overeenstemming zijn met internationale afspraken? Zo nee waarom niet?
In de uitspraak over de steun aan Airbus van 15 mei 2018 bepaalde het Appellate Body van de WTO dat bepaalde steunmaatregelen door het VK, Spanje, Frankrijk en Duitsland strijdig zijn met de WTO-regels. Het Appellate Body is het hoogste orgaan dat zich uitspreekt of de lidstaten handelen volgens de verplichtingen onder de WTO-akkoorden. Uitspraken van het Appellate Body zijn juridisch bindend voor de WTO-leden. De Europese Unie is van mening dat de steun aan Airbus sinds 17 mei 2018 in lijn is met de verplichtingen van het VK, Spanje, Frankrijk en Duitsland onder de WTO-regels.
Op welke manier zijn Nederlandse bedrijven of overheidsinstellingen direct of indirect betrokken bij bovenstaande leningen?
Bovenstaande leningen betreffen leningen van nationale overheden aan Airbus vestigingen in genoemde landen. Dergelijke leningen worden niet verstrekt aan bedrijven buiten de landsgrenzen, daarmee is er geen directe betrokkenheid van Nederlandse bedrijven of overheidsinstellingen.
Onderschrijft u de stelling van de WTO dat de «bepaalde belastingvoordelen» voor Boeing niet in overeenstemming zijn met internationale afspraken? Zo nee waarom niet?
Het Appellate Body van de WTO heeft zich op 28 maart 2019 uitgesproken over de naleving van de VS van een eerdere uitspraak van het beroepslichaam over steun aan Boeing. Het Appellate Body concludeerde dat nog niet alle steun aan Boeing door de VS in lijn is met de verplichtingen van de VS onder de WTO-regels.
Kunt u uitsluiten dat bij deze door de WTO benoemde «bepaalde belastingvoordelen» Nederlandse bedrijven of private instellingen direct of indirect betrokken zijn? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Als grote bedrijven in de luchtvaart steun genieten van overheden heeft dat direct en indirect effecten voor alle producenten van onderdelen, handelaars en andere betrokken. Gezien de complexiteit van vliegtuigen is het onmogelijk om na te gaan welke Nederlandse bedrijven hiervan profiteren.
Kunt u uitsluiten dat bij deze door de WTO benoemde «bepaalde belastingvoordelen» de Nederlandse fiscus afspraken gemaakt heeft? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Het gaat om bepaalde belastingvoordelen in de staat Washington. Er is geen reden om aan te nemen dat er op welke manier dan ook een relatie is met de Nederlandse fiscus. Omdat de Nederlandse Belastingdienst handelt binnen de kaders van wet, beleid en regelgeving, geldt overigens in zijn algemeenheid dat de Nederlandse Belastingdienst geen belastingvoordelen verleent.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Laurens Wonen in opspraak is |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Herinnert u zich de antwoorden op de Kamervragen (ingezonden 16 mei 2019) over het bericht «Laurens Wonen in opspraak»?1 2
Ik ken die antwoorden.
Welke inspanningen heeft Laurens Wonen verricht om eventuele geleden schade te verhalen op de voormalige RvC-voorzitter? Wat zijn de resultaten van deze inspanningen? Welke inspanningen gaat Laurens Wonen nog verrichten als de resultaten niet voldoende zijn? Bent u bereid de Kamer hier blijvend over te informeren?
Het is in eerste instantie aan het bestuur van Laurens Wonen zelf om een besluit te nemen over het verhalen van schade. De Autoriteit woningcorporaties (Aw) ziet er vanuit haar rol onder meer op toe dat maatschappelijk bestemd vermogen niet weglekt. In de antwoorden van 21 juni 2019 op eerdere vragen van het lid Koerhuis staat aangegeven dat de Aw met Laurens Wonen in gesprek is over deze casus.
De Aw zal in de komende reguliere individuele oordeelsbrief ingaan op hetgeen bij Laurens Wonen heeft gespeeld. Individuele oordeelsbrieven worden door de Aw op haar site gepubliceerd en zijn openbaar raadpleegbaar.
Hoe rijmt u het gegeven dat door de Autoriteit Woningcorporaties verstrekte informatie over Laurens Wonen na nadere beoordeling niet correct bleek met uw uitspraak tijdens het debat over Humanitas wonen (5 april 2018) dat de Autoriteit Woningcorporaties personele unies nauw monitort?
De wet staat zogenaamde «dubbele personele unies» niet toe, dat wil zeggen: wanneer er een personele unie is met een maatschappelijke instelling op het niveau van het bestuur, dan mag dat niet ook op het niveau van de raad van commissarissen het geval zijn. In het debat van 5 april 2018 over Humanitas wonen heeft Minister Ollongren aangegeven dat de Aw eerder gerealiseerde personele unies nauw monitort. Het behoort tot de taken van de Aw om goed toezicht te houden op het verbod op (dubbele) personele unies. In het geval van Laurens Wonen bestond helaas ten tijde van het debat, tegen de regels in, wel een dubbele personele unie. De Aw had dit eerder moeten constateren en ik heb Aw hierop aangesproken. Aw heeft de interne procedures inmiddels verder aangescherpt om herhaling te voorkomen.
Bent u bereid om een overzicht van alle personele unies, inclusief een beschrijving en een inschatting van de risico’s van de personele unies naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
De Aw heeft mij laten weten dat zij naar aanleiding van deze casus voor het einde van het jaar een beeld zal geven inzake personele unies. Uiteraard zal de Aw optreden als er niet-toegestane personele unies worden aangetroffen.
Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten van het onderzoek van de Aw.
Bent u bekend met het bericht «Minister verspreidt onjuiste info over Laurens Wonen»?3 Klopt het dat de Autoriteit woningcorporaties op 30 april j.l. – twee dagen voor onderekening van de Oordeelsbrief 2018 – op de hoogte is gesteld van de niet correcte verstrekte informatie met betrekking tot de RvC-voorzitter. Waarom paste u dat niet aan in de Oordeelsbrief 2018, die u op 2 mei j.l. ondetekende?
De Aw geeft aan dat het 30 april jl. is geïnformeerd door Laurens Wonen over de situatie rondom de voormalige voorzitter. Deze informatie is helaas niet in de individuele oordeelsbrief van 2 mei jl. opgenomen. De oordeelsbrief van 2 mei jl. is tijdens het proces van ondertekening niet meer aangepast aan de actuele situatie; dit had wel moeten gebeuren. Het is onjuist dat deze informatie een verkeerd beeld geeft ten aanzien van de actuele situatie bij een corporatie. De Aw heeft mij laten weten dat er maatregelen zijn genomen om dit in de toekomst te voorkomen.
Het onderzoek waaruit het maatschappelijk rendement van sport en bewegen in Nederland blijkt |
|
Michiel van Nispen |
|
Bent u verrast door de hoge maatschappelijke opbrengsten van sport, met zelfs geschatte maatschappelijk opbrengsten («social return on investment») die 2,51 keer zo hoog zijn als de kosten, waaruit dus blijkt dat investeringen in sport forse maatschappelijke meerwaarde hebben?1 2
Nee, daar ben ik niet verrast door. De sport bewijst iedere dag opnieuw dat de maatschappelijke opbrengsten groot zijn. De factor 2,51 waar de onderzoekers over spreken blijkt bovendien nog een voorzichtige schatting, omdat plezier, verbeterde leerprestaties, opbouw van sociaal kapitaal en tegengaan van schooluitval niet in euro’s uit te drukken bleken in dit onderzoek.
Hoe kijkt u naar de maatschappelijke meerwaarde van sport in het basis- en voortgezet onderwijs? Bent u bereid samen met de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media te onderzoeken of dit geschatte maatschappelijk rendement ook geldt voor een investering in meer uren bewegingsonderwijs van vakleerkrachten? Zo nee, waarom niet?
Ik volg hierin de conclusies van de onderzoekers die zich onder andere baseren op twee literatuurstudies uit 2015 en 2018. Deze stellen vast dat weliswaar sportende jeugd beter presteert op school dan niet-sportende jeugd, maar dat oorzaak en gevolg hierbij niet duidelijk zijn.
Op dit moment zie ik meerwaarde in aanvullend onderzoek naar het maatschappelijk rendement van meer uren bewegingsonderwijs. De effecten van meer en beter bewegingsonderwijs op maatschappelijk rendement zijn niet tot nauwelijks te isoleren van andere factoren zoals de thuissituatie van de leerling of de kwaliteit van de docent.
Op welke wijze kunt u samen met gemeenten de uitkomsten van dit onderzoek gebruiken om mensen die relatief weinig sporten (lage inkomens, mensen met een beperking, ouderen) te stimuleren om te sporten, zodat ook zij de kans krijgen op betere gezonde effecten, zoals de uitkomsten van dit onderzoek weergeven? Kunt u uw antwoord toelichten?
De uitkomsten van dit onderzoek zijn een ondersteuning van de bestaande kennis dat sommige groepen niet vanzelfsprekend sporten en extra aandacht behoeven. Gemeenten voeren hier reeds beleid op, onder andere via de inzet van buurtsportcoaches. En ook in het Nationale Sportakkoord wordt met deelakkoord «Inclusief sporten en bewegen» aandacht gevraagd voor deze thematiek, die vertaling krijgt in lokale sportakkoorden.
Kunt u nader laten onderzoeken welk effect meer sporten en bewegen heeft op de afname van kosten van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 en criminaliteit? Zo nee, waarom niet?
Voor mij heeft een nieuw onderzoek naar het effect dat sporten en bewegen heeft op de afname van kosten voor de Wmo en criminaliteit op dit moment geen meerwaarde. We weten uit diverse nationale en internationale studies dat er meerdere manieren zijn waarop sport een positieve invloed heeft op sociaal gedrag, wat leidt tot een lagere kans op (jeugd)criminaliteit. Zoals in het nu uitgebrachte onderzoek wordt beschreven, is dit effect niet gewaardeerd bij gebrek aan voldoende kwantitatieve onderbouwing. Als het gaat om afname van de kosten voor de Wmo, is nu al te zeggen dat eventuele exacte kostenbesparingen door de sport niet tot nauwelijks te isoleren zullen zijn van andere variabele factoren zoals individuele gezondheid, sociaal netwerk en leefomgeving.
Bent u bereid om samen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te kijken hoe goede voorbeeelden onder gemeenten verspreid kunnen worden, waardoor gemeenten van elkaar kunnen leren, aangezien in het onderzoek wordt aangegeven dat gemeenten sinds de decentralisaties meer sturingsmogelijkheden hebben, zodat zij bijvoorbeeld sport en bewegen inzetten als middel tegen eenzaamheid of het onderwijs aansporen om kinderen op een juiste manier te laten sporten en bewegen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zie ik dat veel kennisdeling op dit thema plaatsvindt tussen gemeenten. Dit enerzijds via de kennisuitwisseling tussen buurtsportcoaches die elkaar ontmoeten in regionale en landelijke lerende netwerken. Anderzijds is met de inzet op regionale en lokale sportakkoorden meer dan ooit voorzien in kennisdeling tussen gemeenten op het gebied van sportbeleid. Verder inzetten op meer verspreiding lijkt mij daarom op dit moment onnodig.
Bent u bereid om nader te onderzoeken wat de effecten van sporten zijn op afnemende zorgkosten? Zo nee, waarom niet?
Sport en bewegen bewijzen zich als waardevol instrument op diverse thema’s, waaronder positieve gezondheidseffecten en bijbehorende afnemende zorgkosten. Dat inzicht wordt opnieuw bevestigd door de onderzoekers. Nader onderzoek naar de exacte effecten van sporten op afnemende zorgkosten hebben voor mij geen prioriteit. Op dit thema geldt eveneens dat het nagenoeg onmogelijk is om de effecten van sport te isoleren van andere (sociale) achtergronden zoals de fysieke en sociale leefomgeving. Daarnaast geven de onderzoekers zelf aan dat oorzaak en gevolg niet te onderscheiden zijn. Zijn sporters gezonder of sporten gezonde Nederlanders vaker?
Hoe kijkt u naar de conclusies van het rapport dat het bedrijfsleven het meeste profiteert van een sportende en bewegende (gezonde) bevolking vanwege het grote effect op ziekteverzuim en arbeidsproductiviteit? Vindt u het wenselijk en rechtvaardig dat vooral het bedrijfsleven financieel profiteert van (publieke) investeringen en inspanningen om meer mensen te laten sporten en bewegen? Bent u bereid de mogelijkheden te verkennen het bedrijfsleven hieraan mee te laten betalen? Zo nee, waarom niet?
Ik benadruk dat het rapport spreekt over absolute aantallen wanneer het concludeert dat het bedrijfsleven het meeste profiteert van een sportende en bewegende (gezonde) bevolking. Maar het belangrijkste motief om te investeren in sport door deze groep is niet meegenomen omdat het niet in geld is uit te drukken, te weten: plezier. Geen sporter wordt gedwongen om tegen zijn of
haar zin te sporten. Dat het bedrijfsleven profiteert van gelukkige en gezonde werknemers in de vorm van een hogere arbeidsproductiviteit vind ik een mooie bijkomstigheid. Bovendien draagt het bedrijfsleven al een grote verantwoordelijkheid voor de gezondheid van de medewerkers via de stelsels van Arboregelgeving en ziekte- en arbeidsongeschiktheid. In de praktijk dragen werkgevers bovendien bij aan de gezondheid van hun werknemers door bedrijfsfitness of andere beweegmanieren te faciliteren. Verdere bijdrage van het bedrijfsleven vind ik daarom onnodig.
Geven deze conclusies over de forse maatschappelijke opbrengsten van investeringen in sport aanleiding extra of andere maatregelen te nemen? Zo nee, waarom niet?
De onderzoekers zelf geven aan: «Een SROI van 1 op 2,25 betekent niet dat als er nu één euro extra in het sportbudget [...] zou worden gestopt, dit 2,25 euro aan maatschappelijke winst oplevert, of vice versa. De SROI is geen weergave van de effecten van een investeringsbeslissing.» De maatschappelijke opbrengsten waren al bekend en om die reden zijn de uitgaven aan sport de afgelopen jaren ook toegenomen. Deze studie is een bevestiging dat een investering in sport goed besteed is, maar geeft geen aanleiding voor extra of alternatieve maatregelen.
Het optreden van Kmar- en douanemedewerkers op Schiphol, Eindhoven Airport en Rotterdam The Hague Airport. |
|
Selçuk Öztürk (DENK) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het rapport van de Nationale ombudsman «Een onderzoek naar klachten over een controle op liquide middelen op Eindhoven Airport door de Belastingdienst/Douane » van 3 juni 2019 met rapportnummer 2019/027?
Ja.
Hoe duidt u de gebeurtenissen die aanleiding hebben gegeven tot de klacht van de reiziger en bovengenoemd rapport?
De Douane heeft op 28 december 2017 op Eindhoven Airport een douanecontrole uitgevoerd op reizigers gericht op de handhaving van de Verordening liquide middelen (Vo 1889/2005). Het gaat om controle op de naleving van de aangifteplicht van reizigers, die met een bedrag ter waarde van € 10.000,00 of meer de Europese Unie (binnenkomen of) verlaten.
Op de plaats waar de Douane deze controle uitvoerde, passeerden ook reizigers die vertrokken naar een bestemming binnen de Europese Unie. Daarom werden reizigers aangesproken met de vraag wat hun reisbestemming was en indien de reisbestemming buiten de EU was of zij contant geld bij zich hadden. Dit om te beoordelen of zij conform de Verordening aangifte hadden moeten doen in het geval zij een bedrag ter waarde van € 10.000 of meer bij zich hadden.
Kunt u de omvang en kenmerken schetsen van de groep reizigers die zich onheus bejegend en gediscrimineerd voelt door het handelen van medewerkers van de Koninklijke Marechaussee (Kmar) en Douanemedewerkers op Schiphol en Eindhoven Airport? Zo nee, bent u bereid om hier onderzoek naar te doen?
In 2018 passeerden ruim 71 miljoen passagiers de luchthaven Schiphol en 6 miljoen de luchthaven Eindhoven. In 2018 heeft de KMar in totaal negen klachten voor de locatie Schiphol en twee klachten voor de locatie Eindhoven behandeld aangaande discriminatie. De Belastingdienst/Douane heeft in dat jaar tien klachten en in het eerste half jaar van 2019 zeven klachten behandeld van reizigers op Schiphol en Eindhoven Airport die zich onheus bejegend en gediscrimineerd hebben gevoeld.
Erkent u het oordeel van de Nationale ombudsman, namelijk dat op basis van het onderzoek de klachten over de Belastingdienst/Douane gegrond zijn, wegens strijd met het vereiste van goede informatieverstrekking? Zo ja, welke stappen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
Ja, de Douane erkent dat ten tijde van de klacht de informatieverstrekking op Eindhoven Airport onvoldoende was omdat er destijds onvoldoende informatieborden in de directe omgeving van de plaats van de controle aanwezig waren en niet vastgesteld kon worden dat de reiziger door de medewerkers nader is geïnformeerd.
Vindt u, mede gelet op het eerdere rapport van de Nationale ombudsman «Uit de rij gehaald»1 van 29 maart 2017 dat (de schijn van) discriminatie in deze zaak aanwezig is door:
In de hiervoor beschreven situatie op Eindhoven Airport heeft de douanecontrole steekproefsgewijs plaatsgevonden. Dat wil zeggen dat vooraf geen controle-opdracht is afgegeven met daarin specifieke selectiecriteria.
De Douane heeft de aangehaalde uitspraak van de medewerker beoordeeld als in strijd met het vereiste van professionaliteit, omdat een dergelijke uitlating bij de reiziger de indruk kan wekken dat reizigers voor controle worden geselecteerd op basis van een ongeoorloofd onderscheid. De Douane heeft de klacht op dat punt als gegrond beoordeeld en hiervoor aan klager excuses aangeboden.
Het verstrekken van meer informatie had mogelijk kunnen bijdragen aan het voorkomen van een gevoel van discriminatie.
Deelt u de mening dat het zonder enige aanleiding stellen van vragen zoals «heeft u enveloppen met geld voor uw familieleden in Marokko bij u» een stigmatiserend effect kan hebben op reizigers van Marokkaanse afkomst? Zo nee, waarom niet?
Nee. Dergelijke vragen zijn relevant om te worden gesteld tijdens een douanecontrole in het kader van de aangifteplicht van reizigers voor vervoerd geld bij het verlaten of binnenkomen van de EU. Dit omdat de ervaring van de Douane is dat er reizigers zijn die ten onrechte veronderstellen dat geen aangifte gedaan hoeft te worden wanneer men geld vervoert waarvan men geen eigenaar is, bijvoorbeeld van familieleden. Voor de aangifteplicht op grond van de verordening liquide middelen is het eigendom van het geld echter geen relevant gegeven. De vraagstelling heeft tot doel bij te dragen aan het voorkomen van het ten onrechte niet doen van een aangifte. N.B. in plaats van Marokko kunnen ook andere landen waar personen naar toe reizen worden genoemd.
Deelt u de mening dat de Douane haar selectiestrategie ten aanzien van geldcontroles inzichtelijk dient te maken omdat anders niet voldoende gewaarborgd kan worden dat grondrechten van reizigers, in het bijzonder het non-discriminatiebeginsel, worden gerespecteerd? Zo nee, waarom niet?
Het geven van inzicht in de specifieke selectiekeuzes kan het toezicht op de goederenstroom bemoeilijken omdat reizigers hun handelen hierop zouden kunnen afstemmen.
De Douane handhaaft risicogericht en kan daarin keuzes maken naar thema, doelgroepen en intensiteit van het toezicht. Daarbij wordt gebruik gemaakt van risicogerichte informatie, bijvoorbeeld over de specifieke goederensoort, de herkomst of bestemming van de vlucht alsmede specifieke informatie met betrekking tot de reizigers (zoals reisgegevens die de Douane ontvangt van luchtvaartmaatschappijen; de zogenaamde Passenger Name Records) en hun goederen. Daarbij is de professionele kennis en ervaring van de douaniers een belangrijk element in de risicobeoordeling en -afweging. Met dit totale stelsel aan verschillende soorten selectiecriteria en diverse afwegingsmomenten, in onderlinge samenhang, is de inzet erop gericht (de schijn van) het maken van ongeoorloofd onderscheid te voorkomen.
Deelt u de mening dat er (meer) objectieve criteria nodig zijn bij het selecteren van reizigers voor controles door de Douane op luchthavens? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstellingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat ook de Douane en de Kmar stopformulieren moeten hanteren bij het uitvoeren van specifieke controles? Zo nee, waarom niet?
Nee, overtuigend wetenschappelijk bewijs over de effectiviteit van stopformulieren ontbreekt. Zowel bij Douane als KMar is de inzet erop gericht om etnisch profileren te voorkomen. Zie hiervoor de antwoorden op vragen 7 en 8 (Douane) respectievelijk het antwoord op vraag 24 (KMar).
Bent u bereid, om conform de aanbeveling uit het rapport van de Nationale ombudsman, reizigers op Eindhoven Airport door middel van informatie(borden) beter te informeren over het doel van geldcontroles? Zo nee, waarom niet?
De Douane geeft informatie door middel van een app, de Douanewebsite en beantwoordt vragen via de Douanetelefoon of online. Het gehele jaar door wordt in de vorm van zoekmachine-advertenties en online bannering en video's de douaneboodschap om zich goed voor te bereiden, gedeeld op sites die reizigers raadplegen in de voorbereiding op hun reis. Denk aan online weerberichten, nieuwssites, sociale media. In de douaneboodschap wordt de reiziger gewezen op heffingen, verboden en beperkingen ten aanzien goederen. In aanvullingen daarop communiceert de Douane in piekperiodes in reismagazines en op radio en tv.
Op Eindhoven Airport worden aankomende reizigers, net zoals bijvoorbeeld op Schiphol, door middel van informatieborden ondersteund bij het kiezen van het rode of groene kanaal, waarbij bijvoorbeeld gewezen wordt op de aangifteplicht in het kader van de Verordening Liquide middelen.
Vertrekkende passagiers op Eindhoven Airport worden door middel van een digitaal beeldscherm gewezen op diverse wettelijke bepalingen waaronder de aangifteplicht voor liquide middelen. Daarnaast staat in de vertrekhal voor Niet-Schengen reizigers, een roll up banner met de boodschap «de wereldreiziger gaat goed voorbereid op reis en heeft de app gedownload». De informatievoorziening is dan ook verbeterd ten opzichte van het moment van de klacht.
Welke maatregelen worden er op dit moment genomen om etnisch profileren door douaniers op luchthavens tegen te gaan?
In het antwoord op de vragen 7 en 8 is de werkwijze beschreven waarmee de inzet erop gericht is etnisch profileren door douaniers te voorkomen.
Kunt u aangeven wat het beleid is ten aanzien van de inzet van speurhonden door douaniers bij vluchten op Eindhoven Airport, zoals bijvoorbeeld het geval is geweest bij een vlucht uit Marokko op 2 oktober 2018 (vluchtnummer WQR14L)? Zo nee, waarom niet?
Bij de uitvoering van haar toezichtstaak maakt de Douane gebruik van hulpmiddelen zoals speurhonden. De Douane zet onder andere speurhonden in die zijn opgeleid om de geur van bankbiljetten te herkennen. Op de in de vraag genoemde specifieke vlucht is overigens geen speurhond ingezet door de Douane.
Kunt u uitsluiten dat er sprake is van een specifieke risicoprofilering ten aanzien van vluchten uit Marokko? Zo ja, wat is hier de rechtvaardiging voor? Zo nee, waarom niet?
Voor zover mij bekend, wordt voor vluchten uit Marokko, als zijnde een niet EU-land, niet anders gehandeld dan in de beantwoording van de vragen 7 en 8 is aangegeven.
Bent u bereid een zelfstandig onderzoek op te starten naar mogelijk etnisch profileren door de Douane op luchthavens? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op de vragen 7 en 8 is de methodiek beschreven waarmee wordt ingezet op het voorkomen van (de schijn van) het maken van ongeoorloofd onderscheid. Op dit moment heb ik geen aanleiding voor een zelfstandig onderzoek. De Nationale ombudsman voert op dit moment een onderzoek uit naar de wijze waarop overheden omgaan met klachten over etnisch profileren en heeft ook de Douane in dat kader om informatie verzocht.
Bent u bekend met het voorval van 24 januari 2019 waarin een Kmar op Eindhoven Airport een reiziger van Marokkaanse onheus heeft bejegend?
Op 31 januari 2019 heeft de KMar een klacht ontvangen aangaande het genoemde voorval. De klachtenprocedure is na ontvangst van de klacht in gang gezet, maar nog niet afgesloten. Derhalve kan niet inhoudelijk op de zaak worden ingegaan.
Hoe duidt u de gebeurtenissen die aanleiding hebben gegeven tot de klacht van deze betrokken reiziger en de brief hierover van de Kmar van 2 april 2019?
Zie antwoord vraag 15.
Klopt het dat deze reiziger van Marokkaanse afkomst zich onheus bejegend voelde door de Kmar-medewerker? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan?
Zie antwoord vraag 15.
Is het waar dat er zonder enige dringende redenen vragen werden gesteld over in het bezit zijn van een retourticket? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen?
Zie antwoord vraag 15.
Is het gebruikelijk dat reizigers die naar Marokko vliegen verzocht worden om hun retourticket te overleggen? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe duidt u dan de vraagstelling van de betrokken Kmar-medewerker?
Het evenredigheidsvereiste houdt in dat de overheid om haar doel te bereiken kiest voor een middel dat niet onnodig ingrijpt in het leven van de burger en dat in evenredige verhouding staat tot dat doel. Dit houdt in dat steeds een afweging wordt gemaakt welke vragen aan een reiziger kunnen worden gesteld.
In de regel worden EU-onderdanen die het Schengengebied verlaten alleen onderworpen aan een systematische controle. Deze controle bestaat uit het door de KMar vaststellen van de identiteit en nationaliteit van de reiziger, de echtheid en geldigheid van het reisdocument en een controle in de relevante databases. Als er daarnaast aanleiding bestaat om te vermoeden dat een reiziger een reëel, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de buitenlandse veiligheid, de openbare orde of de internationale betrekkingen van een lidstaat vormt, kan er aanvullend onderzoek worden gedaan.
Er bestaan bij de KMar protocollen/handelingskaders om de grenswachters te ondersteunen bij een dergelijk aanvullend onderzoek.
Waar ligt de scheidslijn tussen het vragen stellen in het kader van legitieme douane- en veiligheidsbelangen en het onnodig lastig vallen van reizigers met irrelevante vragen over de manier waarop zij hun reis vormgeven?
Zie antwoord vraag 19.
Bestaan er protocollen over de aard van de vragen die gesteld mogen worden aan reizigers?
Zie antwoord vraag 19.
Kunt u zich voorstellen dat de handelwijze van de betrokken Kmar-medewerker een gevoel van discriminatie bij de reiziger teweeg heeft gebracht nu de medewerker tijdens de klachtbehandeling anders dan de niet onderbouwde beschuldiging dat de reiziger zich vijandig gedroeg geen plausibele verklaring heeft kunnen geven voor het stellen van dergelijke ongepaste vragen?
Zie antwoord vraag 15.
Bent u bekend met het voorval tussen oud-raadslid Mpanzu Bamenga en de Kmar op Eindhoven Airport?2
Ja.
Welke maatregelen worden er op dit moment genomen om etnisch profileren door medewerkers van de Kmar op luchthavens tegen te gaan?
De KMar heeft een werkgroep «Profileren» ingesteld die zich bezighoudt met het verder verbeteren van profileringstechnieken en het breed uitdragen van de Behavior Detection methode Predictive Profiling in de organisatie. Deze methode maakt onderdeel uit van de initiële opleiding waarbij medewerkers worden opgeleid om afwijkend gedrag te detecteren en Predictive Profiling komt terug in trainingen. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de (relevantie van de) indicator «etniciteit». Non-discriminatoir handelen is daarbij het uitgangspunt. Er wordt in de uitvoering geïnvesteerd in specifieke profileringstechnieken gericht op gedragsonderkenning. Onderdeel hiervan is een correcte bejegening en het te allen tijde uit kunnen leggen waarom de persoon gecontroleerd wordt. Deze methode wordt tevens beoefend middels rollenspellen.
De KMar neemt samen met de NCTV deel aan de European Civil Aviation Conference (ECAC) Behavior Detection Studygroup (BDSG). Doelstellingen van deze BDSG zijn het uitwisselen van kennis en ervaring op het gebied van «Behavior Detection». De KMar streeft naar verbetering en vooruitgang en heeft daarom haar methode onderworpen aan de kritische blik van onze internationale ketenpartners in de luchthavenbranche en de wetenschap (ECAC BDSG).
Kunt u aangegeven wat er concreet is besproken naar aanleiding van de brief van de Kmar van 2 april 2019, waarin wordt vermeld dat de klacht met de betreffende medewerker is besproken ter verbetering van de dienstverlening? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 15.
Bent u bereid een zelfstandig onderzoek op te starten naar mogelijk etnisch profileren door de Kmar op luchthavens, mede gelet op de bevindingen van de ombudsman in het rapport «Uit de rij gehaald» van 29 maart 2017? Zo nee, waarom niet?
De Nationale ombudsman heeft door middel van een brief van 7 juni 2019 aan onder andere de Minister van Defensie kenbaar gemaakt een onderzoek te starten naar de wijze waarop overheden omgaan met klachten over etnisch profileren. In afwachting van de resultaten van dit onderzoek zal de door de KMar ingestelde werkgroep «Profileren» verder gaan met het verbeteren van de profileringstechnieken zoals toegepast door KMar-medewerkers. Non-discriminatoir handelen is daarbij het uitgangspunt.
Het economische deel van het Israëlisch-Palestijnse vredesplan |
|
Martijn van Helvert (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «VS presenteren eind juni in Bahrein economisch deel van langverwacht Israëlisch-Palestijns vredesplan»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat er tijdens deze conferentie wordt besproken en wie de deelnemers zijn?
Tijdens de bijeenkomst, die op 25-26 juni plaatsvond in Bahrein, werd gesproken over economische ontwikkeling in Gaza en de Westelijke Jordaanoever, als ook in omringende landen. De basis hiervoor is het overzicht van projecten (Peace to Prosperity) dat de VS op de vooravond van de bijeenkomst presenteerde. Dit overzicht bestaat voor een aanzienlijk deel uit reeds gestarte of eerder geïdentificeerde projecten die tot economische groei moeten leiden, samen met een hervorming van het onderwijs en de gezondheidszorg. Volgens de VS zou dit als een pakket uitgevoerd moeten worden nadat er een politieke oplossing is bereikt. Het pakket voorziet in een bijdrage van USD 27 mld. voor de Palestijnse Gebieden, en USD 23 mld. voor Libanon, Jordanië en Egypte. Deze bedragen zouden deels schenkingen moeten zijn, deels leningen.
De bijeenkomst werd georganiseerd door de Amerikaanse Minister van Financiën Mnuchin en adviseur van het Witte Huis Kushner. Gastheer Bahrein werd vertegenwoordigd door de kroonprins Salman al Khalifa. De deelnemers waren zakenlieden uit de VS, Arabische landen, Israël en de Palestijnse gebieden. Er waren geen overheidsvertegenwoordigers van Israël of de Palestijnse Autoriteit aanwezig. Verschillende Arabische landen waren op ministersniveau aanwezig. Het IMF werd vertegenwoordigd door Managing Director Lagarde. De Wereldbank door President Malpass. Andere opvallende deelnemers waren onder meer de voorzitter van de FIFA Infantino en voormalig Kwartetgezant Tony Blair. De EU werd vertegenwoordigd door de Special Gezant Terstal. Diverse EU lidstaten hadden delegaties gestuurd.
Op welke manier is Nederland betrokken bij deze conferentie?
Nederland was door de Amerikaanse Minister van Financiën uitgenodigd om deel te nemen aan de conferentie. Nederland heeft op hoogambtelijk niveau deelgenomen.
Hoe staat de Palestijnse Minister van Economische zaken ten opzichte van deze conferentie?
De Palestijnse Autoriteit benadrukt dat economische ontwikkeling alleen geen oplossing kan brengen voor het conflict, maar dat er ook een politieke oplossing moet komen, op basis van de beginselen zoals ook in het Arab Peace Initiative verwoord. De PA zegt geen vertrouwen meer te hebben in de VS als bemiddelaar, vanwege eerdere besluiten als het verhuizen van diens ambassade in Israël naar Jeruzalem, het stoppen van alle financiële steun voor de PA en voor UNRWA en het sluiten van het PLO-kantoor in Washington. De PA ziet in deze stappen, en uitspraken van Amerikaanse vertegenwoordigers over bijvoorbeeld nederzettingen en mogelijke annexatie van delen van de Westelijke Jordaanoever, aanwijzingen dat het politieke gedeelte van het vredesplan niet zal aansluiten bij de politieke aspiraties van de PA en de parameters zoals die internationaal breed gedragen worden. De PA gaf om bovenstaande redenen niet deel te nemen aan de bijeenkomst.
Op welke manier draagt de EU economisch bij aan het vredesproces? Op welke manier draagt Nederland economisch bij aan het vredesproces?
De Europese Unie draagt in de jaren 2017–2020 jaarlijks gemiddeld EUR 310 miljoen bij aan de ontwikkeling van de Palestijnse gebieden en aan UNRWA. De gemiddelde jaarlijkse totale bijdrage in deze periode van de EU inclusief lidstaten is EUR 616 miljoen, waarvan EUR 52,5 miljoen door Nederland.
Sectoren binnen de EU-steun die overeenkomen met de focus van het Amerikaanse plan zijn goed bestuur, rechtstaatontwikkeling, economische ontwikkeling, water en energie. Concrete voorbeelden van de EU-inzet zijn hervorming van het ondernemingsklimaat, infrastructuur die noodzakelijk is voor economische ontwikkeling zoals wegen en voor water en energie, en steun voor het bedrijfsleven zowel op de Westelijke Jordaanoever als in Gaza.
Prioriteiten van de Nederlandse steun betreffen economische ontwikkeling, versterking van de rechtstaat, mensenrechten, water en energie en de opvang van Palestijnse vluchtelingen. Voorbeelden van concrete Nederlandse steun zijn het faciliteren van transport tussen de Palestijnse Gebieden, Israël en Jordanië, programmeeronderwijs in Gaza en de Westelijke Jordaanoever, rechtsbescherming voor vrouwen en minderjarigen, de planning en ontwerp voor een gasleiding naar Gaza, steun voor de overgang van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energie, het stimuleren van export en investeringen in de Palestijnse private sector en het aanwakkeren van ondernemerschap.
Waar ligt de economische potentie van de Palestijnse gebieden volgens het kabinet?
Belangrijke sectoren met groeipotentie zijn landbouw, steengroeven en mijnbouw, toerisme. Uit onderzoek van de Wereldbank in 2017 kwam naar voren dat opheffen van Israëlische restricties op de Westelijke Jordaanoever voor een economische groei van ongeveer 33% kan zorgen in 2025. Het wegnemen van de Israëlische beperkingen op import en export uit Gaza zou volgens datzelfde onderzoek tot een economische groei van 32% in 2025 in Gaza kunnen leiden.
Versoepelen van de zeer uitgebreide dual uselijst die Israël hanteert voor de Palestijnse Gebieden zou volgens de Wereldbank in 2025 leiden tot een economische groei van 6% op de Westelijke Jordaanoever en 11% in Gaza. Oplossen van interne restricties, zoals Palestijnse wet- en regelgeving die het ondernemingsklimaat bemoeilijken, verbeteren van beroepsonderwijs en herenigen van Gaza en de Westelijke Jordaanoever zouden volgens hetzelfde onderzoek in 2025 tot een economische groei van 24% in de Westelijke Jordaanoever en 30% in Gaza kunnen leiden.
Kunt u aangeven welke projecten Nederland heeft lopen ten behoeve van de versterking van de economie van de Palestijnse gebieden?
Zie antwoord vraag 5.
Welke economische projecten ondersteunt de EU, de grootse donor in de Palestijnse gebieden?
Zie antwoord vraag 5.
Welke economische barrières zijn er in de Palestijnse gebieden die economische ontwikkeling tegenhouden? Hoe kunnen deze barrières worden weggenomen?
Zie antwoord vraag 6.
Bieden de voorgenomen economische injecties van de VS perspectief voor jongeren in de Palestijnse gebieden?
Jeugdwerkeloosheid is een groot probleem in de Palestijnse gebieden. Een aantal projecten zou kunnen helpen met het ombuigen van de huidige negatieve ontwikkeling in Gaza, waar de economie in 2018 is gekrompen met 7% en de jeugdwerkeloosheid 66% bedraagt. De opgenomen hervormingen in het onderwijs zullen rechtstreeks gevolgen hebben voor jongeren.
Kunt u de Kamer een appreciatie van de conclusies van deze conferentie doen toekomen?
De Amerikaanse regering heeft afgelopen jaren steeds gezegd met een frisse blik naar het conflict te willen kijken en nieuwe oplossingen aan te willen dragen. Het door de VS gepresenteerde economische pakket bevat elementen die interessant zijn, bijvoorbeeld het voorstel van een corridor tussen Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Het is verder positief dat veel van de voorstellen overeenkomen met bestaande projecten en plannen van de internationale gemeenschap. Het kabinet constateert daarbij wel dat de zegkracht groter had kunnen zijn als in het pakket aandacht was besteed aan de gevolgen van de bezetting voor de Palestijnse economie en dat de VS voor meer draagvlak had kunnen zorgen als het vooraf de betrokken donoren had betrokken bij het opstellen van dit deel van diens vredesplan. Hier wordt door de VS niet over gesproken in het gepresenteerde plan.
Het kabinet is van mening dat economische ontwikkeling alleen geen oplossing biedt, maar gepaard moet gaan met een politieke oplossing voor het conflict. Dat wordt ook door de VS onderschreven. Het pakket aan maatregelen zou volgens de VS uitgevoerd moeten worden nadat een vredesakkoord bereikt zou zijn. Nederland, de EU, de Arabische landen en de brede internationale gemeenschap zijn ervan overtuigd dat alleen een twee-statenoplossing op basis van de grenzen van 1967 kan leiden tot een duurzame politieke oplossing. Het kabinet roept de VS op om dit uitgangspunt eveneens ondubbelzinnig te onderschrijven.
Het kabinet dringt er bij de VS op aan de EU en andere relevante partners te betrekken bij het ontwikkelen van diens politieke plannen, en de implementatie van de economische agenda. Daarbij is het ook belangrijk dat het wederzijds vertrouwen tussen de VS en de Palestijnse Autoriteit wordt hersteld.
Het kabinet is van mening dat dialoog tussen donoren en beide partijen onontbeerlijk is om de economische visie van de VS te kunnen vertalen naar tastbare verbeteringen. Nederland zal daar op aan blijven dringen en de dialoog blijven zoeken in andere fora zoals de Ad Hoc Liaison Committeewaar donoren, Israël en de Palestijnse Autoriteit met elkaar aan tafel zitten. Nederland zal tegelijkertijd doorgaan met het eigen beleid, inclusief projecten voor economische ontwikkeling, onder meer via de door Nederland gefaciliteerde trilaterale expertgroepen.