De kranslegging op het oorlogskerkhof te Margaten |
|
Martijn van Helvert (CDA), Henk Krol (50PLUS) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht van 1Limburg van 1 december jl., waarin wordt vermeld dat de kransen die op oorlogsgraven in Margaten worden gelegd, gemaakt van de balsemzilverspar uit Amerika, slechts 72 uur op de graven mogen liggen?1
Ja.
Klopt het dat de kransen van de balsemzilverspar een speciale betekenis hebben voor de herdenking van de gevallen soldaten?
Een kranslegging is over het algemeen een plechtige gebeurtenis en heeft daarmee een belangrijke symbolische betekenis voor nabestaanden maar is ook belangrijk voor de Nederlandse samenleving. De mooie traditie van de krans van balsemzilverspar kende ik persoonlijk niet maar wordt in Amerika wel al jaren toegepast omdat het voor nabestaanden belangrijk is.
Klopt het dat de kransen, die door families van soldaten in Amerika worden gemaakt en speciaal door Delta Cargo zijn overgevlogen, na 72 uur weggehaald moeten worden? Zo ja, klopt het dat dit te maken zou hebben met EU-importregels in verband met schadelijke organismen die mogelijk op het hout van de kransen zouden kunnen zitten? Zo nee, waarom moeten de kransen dan na 72 uur weggehaald worden?
Ja dit klopt. Bij de import van planten en plantaardig materiaal gelden Europese en nationale regels2. Deze regels dienen ter bescherming van onder andere landbouwgewassen, biodiversiteit en ecosystemen in de Europese Unie. Het importeren van levende plantdelen van balsemzilverspar is in beginsel verboden. Op de balsemzilverspar uit de Verenigde Staten kunnen verschillende soorten schadelijke organismen voorkomen (waaronder diverse rupsen/vlindersoorten en schimmels) die ernstige schade kunnen toebrengen aan Europese bomen uit de dennenfamilie en andere houtige planten. Eitjes van diverse insectensoorten kunnen achterblijven en later uitkomen hetgeen grote schade kan veroorzaken aan bossen in Nederland en de EU.
Bij inspecties van de kransen is een dode larve van een insect aangetroffen. Deze larve wordt nader onderzocht in een laboratorium om te bepalen welke soort het betreft. Voorzichtigheid is daarom gepast. Omdat de kransen niet binnen maar buiten worden geplaatst is het risico op verspreiding van schadelijke organismen groter. Het is dan ook niet zonder reden dat de organisatie die bij de import is betrokken in de aanvraag een periode van 72 uur heeft opgenomen. De periode is bewust kort gehouden om het risico op verspreiding te minimaliseren. Nederland heeft deze aanvraag bij uitzondering toegekend.
Klopt het dat bij de oorlogsgraven in Normandië (Frankrijk) deze kransen wel mogen blijven liggen, terwijl ze aldaar te maken hebben met dezelfde EU-importregels?
De vergunning die door de Franse autoriteiten bij uitzondering is verstrekt gaat er ook vanuit dat de kransen binnen drie dagen worden verwijderd en vernietigd. Dit is ook conform de aanvraag van de organisatie uit de Verenigde Staten.
Bent u het met de indieners eens dat deze periode wel heel kort is en geen eer doet aan de inzet van de gevallen soldaten die voor onze bevrijding hun leven gaven, en bij de nabestaanden tot onbegrip leidt?
Zoals hiervoor aangegeven is de periode mede vastgesteld op basis van de aanvraag door de organisatie uit de Verenigde Staten en passend gezien de fytosanitaire risico’s.
Begrijpt u dat het hier gaat om een traditie die in Amerika al jaren bestaat voor de daar aanwezige 2,2 miljoen oorlogsgraven, dat het de bedoeling was deze traditie in Nederland ook op te starten, en dat dit initiatief nu in de kiem wordt gesmoord?
Ik realiseer me dat een dergelijke traditie bijzonder is. De wetgeving met betrekking tot de bescherming van de plantgezondheid is er echter niet zonder reden. Per 14 december 2019 is het Europese fytosanitaire stelsel verder aangescherpt. Dit is nodig om de Europese landbouw en biodiversiteit te beschermen. Zoals hierboven gemeld, is de betreffende vergunning bij uitzondering toegekend en is er tijdens inspecties aanwezigheid van insecten vastgesteld. Bij een eventuele nieuwe aanvraag volgend jaar zal een nieuwe risico analyse moeten worden gemaakt. Het is dus niet zeker of een dergelijke ontheffing volgend jaar opnieuw kan worden verleend. De betreffende organisatie is daarom reeds geadviseerd gebruik te maken van plantmateriaal van Europese bodem.
Welke mogelijkheden ziet u om ervoor te zorgen dat in de toekomst de kransen tot 2 januari van het jaar daarop mogen blijven liggen, bijvoorbeeld door het maken van afspraken met de producent, de vervoerder, de importeur, de douane, de gemeente, hoveniers, enzovoort?
Gezien de strikte regelgeving en de risico’s dient Nederland behoedzaam om te gaan met het toepassen van uitzonderingen. Desgewenst ga ik graag in gesprek met de initiatiefnemers hoe we op alternatieve wijze aan de wensen rond Amerikaanse kransleggingstradities tegemoet kunnen komen.
Het bericht ‘DSW wil fusie Reinier de Graaf en Haga terugdraaien’ |
|
Henk van Gerven |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «DSW wil fusie Reinier de Graaf en Haga terugdraaien»?1
Allereerst vind ik het goed dat de zorgverzekeraar zich bekommert over het reilen en zeilen bij deze belangrijke zorgaanbieder en de dialoog aangaat met het ziekenhuisbestuur. De zorgverzekeraar heeft immers in het kader van zorginkoop en zorgplicht een belangrijke rol om te zorgen voor goede, betaalbare en toegankelijke zorg. De zorg in de regio is naar mijn mening gebaat bij goede samenwerking tussen ziekenhuizen. De meest vergaande vorm van samenwerking is een fusie, maar ook minder vergaande samenwerkingsvormen zijn mogelijk. Ik kan niet beoordelen of een ontvlechting of juist een juridische fusie een grotere bijdrage zou leveren aan goede zorg. Ik acht het hierbij wel van belang dat een besluit tot een juridische fusie zorgvuldig wordt voorbereid, en op voldoende draagvlak kan rekenen van de verschillende stakeholders, waaronder zorgverzekeraars en de medische staf.
Bent u met DSW van mening dat de drie ziekenhuizen weer zelfstandig moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening van DSW dat de fusie tussen de ziekenhuizen tot nu toe (ook zorginhoudelijk) niets heeft opgeleverd?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u een dergelijke fusie tussen de ziekenhuizen nog nodig, nu de Autoriteit Consument en Markt (ACM) recentelijk de regelgeving zo heeft geduid dat samenwerking tussen ziekenhuizen mogelijk is zonder te fuseren?
De ACM geeft al geruime tijd voorlichting over de mogelijkheden om samen te werken en de wijze waarop zij het toezicht op dergelijke samenwerkingen invult. De beleidsregel Juiste Zorg op de Juiste Plek is hier het meest recente voorbeeld van. De ACM levert hiermee een belangrijke bijdrage aan verdere bewustwording over de mogelijkheden tot samenwerking. Aangezien fusies doorgaans intensieve trajecten zijn die blijvende gevolgen hebben, ben ik er in principe voorstander van om te bekijken of dezelfde voordelen voor de zorg ook bereikt kunnen worden met minder vergaande vormen van samenwerking. Dit neemt niet weg dat fusies tussen zorgaanbieders in het veranderende zorglandschap in de toekomst nuttig of zelfs nodig kunnen zijn.
Wat is uw oordeel over het feit dat een zorgverzekeraar zich zo uitdrukkelijk mengt in een fusievoornemen tussen ziekenhuizen? Wat was het standpunt van zorgverzekeraar DSW toen 6 á 7 jaar geleden werd gestart met het fuseringsproces? Is dit standpunt veranderd? Zo ja, waarom?
Zoals reeds gesteld in het antwoord op vraag 1, 2 en 3, denk ik dat het goed is dat een zorgverzekeraar een visie heeft op de inrichting van de zorg in een bepaalde regio en hierover de dialoog zoekt met de betreffende zorgaanbieders. DSW heeft eerder twijfels geuit over de nut en noodzaak van de fusie. DSW heeft bij de aanvankelijke fusie tussen het HagaZiekenhuis en het Reinier de Graaf aangegeven weliswaar geen nadelen te zien bij de fusie, maar ook getwijfeld aan de noodzaak van een fusie om voordelen te behalen.2 Bij de toetreding van het LangeLand ziekenhuis tot de groep heeft DSW bij de ACM aangegeven dat de aanvankelijke fusie tot prijsstijgingen heeft geleid en het vermoeden uitgesproken dat ook deze concentratie zou leiden tot hogere prijzen bij het LangeLand ziekenhuis en dat de prikkel tot het leveren van betere en/of goedkopere diensten verdwijnt.3
Deelt u de mening van DSW dat deze voorgenomen fusie alleen maar leidt tot «problemen, gedoe en spanningen» en dat «die problemen en spanningen ten koste kunnen gaan van de patiëntenzorg»? Zo ja, wat gaat u ondernemen om deze problemen te voorkomen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
De drie ziekenhuizen zijn al enkele jaren bestuurlijk gefuseerd. De Reinier Haga Groep heeft desgevraagd aangegeven begin 2019 een onderzoek te zijn gestart naar de voor- en nadelen van juridische fusie. Gedurende dit proces heeft de medische staf van Reinier de Graaf in Delft het vertrouwen in de raad van toezicht van de Reinier Haga Groep opgezegd. De raad van bestuur heeft inmiddels met de raad van toezicht geconcludeerd dat er geen vruchtbare bodem is voor het voortzetten van een dergelijk onderzoek naar een juridische fusie. Deze juridische fusie komt er dus niet. Hoewel dit aangeeft dat de verkenning tot spanningen leidt, zou een dergelijke verkenning mijns inziens nooit mogen leiden tot een achteruitgang van de patiëntenzorg.
Kan DSW in principe een dergelijke (juridische) fusie tegenhouden? Zo ja, wat betekent dat voor de betrokken ziekenhuizen?
Een verzekeraar heeft geen directe zeggenschap over de Reinier Haga Groep en kan een dergelijke fusie formeel dan ook niet tegenhouden. Dit neemt echter niet weg dat een zorgverzekeraar een zeer belangrijke stakeholder en onderhandelingspartner is van de ziekenhuisgroep. Zoals reeds toegelicht acht ik het van belang dat dergelijke stakeholders goed en tijdig betrokken worden in een voornemen tot fuseren.
Wat is uw reactie op het feit dat specialisten hebben aangegeven tegen een tweede stap in de fusie (de juridische fusie) te zijn? Begrijpt u dat de medische staf het vertrouwen in de raad van toezicht heeft opgezegd? Vindt u dat er geluisterd moet worden naar de mening van de medische staf? Zo nee, waarom niet?
Het opzeggen van vertrouwen in de raad van toezicht is een fors signaal. Ik vind dat goed geluisterd moet worden naar de mening van stakeholders, niet in de laatste plaats die van de medische staf. Dat is nu ook gebeurd, doordat de raad van bestuur van de Reinier Haga Groep heeft besloten het vervolgonderzoek naar de juridische fusie niet voort te zetten.
Wat zijn de gevolgen als een volledige fusie tussen het Reinier de Graaf ziekenhuis, het Hagaziekenhuis en het Langelandziekenhuis toch doorgaat? Wat zijn de gevolgen van het terugdraaien van de reeds in gang gezette fusie? Wat zijn de gevolgen van het terugdraaien van de in gang gezette fusie specifiek voor het LangeLand Ziekenhuis? Zijn deze gevolgen wenselijk?
De Reinier Haga Groep geeft desgevraagd aan, dat in juridische zin de stap van een bestuurlijk fusie naar een juridische fusie zou betekenen dat de huidige vier stichtingen (LangeLand ziekenhuis, Reinier de Graaf ziekenhuis, HagaZiekenhuis en Reinier Haga Groep) opgaan in één stichting: RHG. Dit zou ook betekenen dat er één begroting en één jaarrekening komt. Ook zou bij een juridische fusie sprake zijn van één werkgeverschap waarbij de werknemers in dienst komen van de stichting RHG. Het onderzoek naar de precieze gevolgen op medisch, financieel en organisatorisch is niet afgerond. De gevolgen van het opheffen van de bestuurlijke fusie zijn niet onderzocht. Bij een eventuele ontvlechting zouden in ieder geval sluitende afspraken moeten worden gemaakt over de gezamenlijke projecten in het algemeen en het LangeLand ziekenhuis en het Orthopedisch Centrum in het bijzonder. Hierbij spelen ook bestaande financiële verplichtingen een rol.
Wanneer wordt een definitief besluit met betrekking tot de fusering tussen de drie ziekenhuizen verwacht?
De Reinier Haga Groep is het onderzoek gestopt naar de voor- en nadelen van een juridische fusie. De raad van bestuur heeft geconstateerd dat van een vruchtbaar onderzoek geen sprake meer kan zijn. De raad van bestuur heeft mij laten weten zich nu te beraden op de vraag of en zo ja op welke terreinen en op welke wijze samenwerking verder moet worden vormgegeven. Een besluit tot een juridische fusie komt er dus niet.
Het bericht ‘IATA, slot op Schiphol kost Nederland banen’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met artikel «IATA: slot op Schiphol kost Nederland banen»?1
Ja.
Mag de Kamer het onderzoek van de International Air Transport Association (IATA) ontvangen en kloppen de bevindingen dat het slot op Schiphol de Nederlandse luchtvaart zeker 10.000 banen zal kosten?
Het rapport »Netherlands Air Transport Regulatory Competitiveness Indicators» is opgesteld door IATA zonder verdere betrokkenheid van mijn ministerie. IATA heeft dit rapport op haar website gepubliceerd, u vindt het bijgevoegd bij deze brief. Voor het effect op de werkgelegenheid verwijs ik naar antwoord 3.2
Hoe realistisch is de waarschuwing van econoom Brian Pearce van de IATA dat, als er niets verandert aan het slot en het kunstmatige plafond op Schiphol met 500.000 vliegbewegingen, dit de Nederlandse economie in de loop der jaren in totaal 40.000 banen gaat kosten?
In het kader van de Luchtvaartnota heb ik gevraagd studies uit te voeren naar het economische belang van Schiphol en haar netwerk van verbindingen. Hierbij is verzocht ook de werkgelegenheid en toegevoegde waarde die samenhangen met Schiphol in beeld te brengen. Deze studies worden binnenkort aan de Kamer aangeboden.
Klopt de uitspraak van Pearce dat luchtvaart onderdeel is van de mondiale handel en dat Nederland als handelsland verbindingen nodig heeft, omdat anders de economie verslechtert?
Zie antwoord vraag 3.
Herkent u het bedrag dat de IATA noemt als bijdrage van de luchtvaart van 22 miljard euro aan de Nederlandse economie?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe belangrijk is het dat een bedrijf zich kan ontwikkelen? Hoe ziet u de uitspraken van de zegsman die spreekt namens de KLM dat een bedrijf dat zich niet verder kan ontwikkelen ten dode is opgeschreven in de huidige mondiale concurrentieverhoudingen? Deelt het kabinet de zorgen van deze luchtvaartmaatschappij en de IATA?
In het artikel geeft de genoemde zegsman aan dat het voor KLM van belang is dat «het slot van Schiphol gaat». Zoals bekend wordt gewerkt aan besluiten over de verdere ontwikkeling van Schiphol. Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 7.
Op basis waarvan kan in 2021 groei plaatsvinden op Schiphol? Wanneer geeft u daar duidelijkheid over en is dat tijdig voor 2021?
Op 4 december 20193 heb ik uw Kamer laten weten dat ik u na het uitbrengen van het advies van het Adviescollege Stikstofproblematiek verder informeer over de uitwerking van het kabinetsbesluit over Schiphol op de middellange termijn.
Het artikel 'Vliegveld Lelystad onveiliger door komst luchtverkeersleiding' |
|
Suzanne Kröger (GL), Jan Paternotte (D66), Eppo Bruins (CU) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Vliegveld Lelystad onveiliger door komst luchtverkeersleiding»?1
Ja.
Klopt het dat er in de lucht twee bijna-ongelukken hebben plaatsgevonden op Lelystad Airport?
Er hebben zich twee voorvallen voorgedaan waarbij twee vliegtuigen dicht bij elkaar in de buurt kwamen. Het lijkt erop dat de voorvallen situaties betreffen waarin de piloot de procedure verkeerd uitvoert, instructies van de verkeersleiding niet (goed) opvolgt en/of (delen van) de oude procedure vliegt. Wat er precies is gebeurd en waarom wordt nader onderzocht. Zie ook het antwoord op vraag 5 en 7.
Het torengebied op Lelystad Airport (de CTR) heeft luchtruimclassificatie D. Dit houdt onder meer in dat piloten van vliegtuigen die op zicht navigeren (VFR) zelf verantwoordelijk zijn voor het onderling voldoende afstand houden. Er is geen norm voor de (minimale) afstand tussen twee VFR toestellen. Binnen het torengebied geeft Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) verkeersinformatie aan vluchten die op zicht navigeren en bijvoorbeeld toestemming aan piloten om te starten en landen.
Kunt u gedetailleerd aangeven wat precies gebeurde bij de twee bijna-botsingen waar in het bericht over wordt gesproken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt het voorvallen van twee bijna-botsingen op een kleine luchthaven als Lelystad Airport in slechts drie weken zich tot de veiligheidssituatie op andere Nederlandse luchthavens?
In de inregelperiode wordt de vliegoperatie nauwkeurig gemonitord. Meldingen die LVNL zelf maakt, maar ook meldingen van vliegers die binnenkomen geven hierbij inzicht in situaties die nadere aandacht behoeven. Hoe de verhouding van de voorvallen ten opzichte van andere gecontroleerde luchthavens is, is lastig te bepalen. Lelystad is een nieuw gecontroleerd vliegveld dat qua karakteristieken en aantallen vliegbewegingen van recreatief en lesverkeer niet te vergelijken is met bijvoorbeeld Groningen, Maastricht of Rotterdam. LVNL moedigt haar personeel aan om veiligheidssituaties te melden, omdat deze meldingen een essentieel onderdeel van het veiligheidsmanagementsysteem uitmaken waarmee de veiligheid continu verbeterd wordt. Dit is een belangrijke verbetering ten opzichte van de situatie voor 7 november waarin, zonder verkeersleiding, niet op een vergelijkbare manier monitoring plaatsvond. Het Analysebureau Luchtvaart (ABL) heeft aangegeven dat het aantal meldingen (van bronnen anders dan LVNL) niet veranderd is na 7 november. Vanaf 7 november is het aantal meldingen gestegen doordat LVNL zelf alle meldingen, ongeacht de aard, die door verkeersleiders worden gemaakt doorzet naar het ABL. De OVV heeft aangegeven vijf situaties te gaan onderzoeken. LVNL onderzoekt veiligheidssituaties uiteraard ook zelf om van te leren. Er is dus geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.
Wilt u onderzoeken of de vliegveiligheid is verslechterd sinds de komst van de luchtverkeersleiders?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er naast Lelystad Airport andere gecontroleerde luchthavens in Nederland die enkel General Aviation afhandelen? In hoeverre is het gebruikelijk luchthavens gecontroleerd te maken voor enkel zakelijk verkeer (General Aviation)?
Op 2 juli 20192 heb ik aangegeven dat opening van Lelystad Airport voor handelsverkeer niet haalbaar is in april 2020, maar dat er voortvarend wordt doorgewerkt aan de voorbereidingen. Het doel is om Lelystad Airport zo snel mogelijk veilig te openen. Op 5 september 2019 heb ik vervolgens aangegeven dat de inregelperiode noodzakelijk is om een veilige transitie mogelijk te maken. Zo kunnen zowel de luchtverkeersleiding als de huidige gebruikers van de luchthaven ervaringen opdoen met de wijzigingen in procedures en systemen. Dat verklaart waarom Lelystad nu de enige gecontroleerde luchthaven is voor alleen General Aviation (GA) verkeer. Op deze manier kan vanuit luchtverkeersleidingsperspectief op elk politiek gewenst moment na april tot openstelling voor het handelsverkeer worden overgegaan. De inregelperiode dienst eerst afgerond te worden voordat handelsverkeer veilig afgehandeld kan worden.
Hoe is de veiligheid van de kleine luchtvaart op dit moment geborgd op Lelystad Airport?
De veiligheid moet te allen tijde geborgd zijn. Het routeontwerp is veilig en voldoet aan alle internationale eisen, dit is door de Inspectie Leefomgeving en Transport en de Militaire Luchtvaart Autoriteit getoetst en goedgekeurd. De operatie op Lelystad is in de praktijk ook veilig. Als de operatie niet veilig zou zijn, dan zou daar uiteraard acuut actie op ondernomen worden. Om de nieuwe procedures bekend te maken heeft LVNL meer dan 1.000 gebruikers bereikt tijdens de informatiebijeenkomsten voor de start op 7 november en tijdens de inregelperiode blijven ze vliegclubs en bedrijven op Lelystad bezoeken om ze uitgebreid te informeren.
De inregelperiode is precies bedoeld om te wennen aan de nieuwe procedures en ervaringen op te doen. LVNL monitort en borgt continu de veiligheid en is als gevolg hiervan veelvuldig in overleg met de luchthaven en luchthavengebruikers om tot verbetermaatregelen te komen. De eerste verbeteringen zijn al doorgevoerd en LVNL blijft maatregelen onderzoeken om de situatie verder te verbeteren. De doorgevoerde verbeteringen zijn vooral gericht op het verminderen van drukte op de radiofrequentie en het gebruik van de lokale routes voor klein verkeer dat op zicht vliegt.
Wat is het doel van het stationeren van de luchtverkeersleiding op Lelystad Airport voordat de luchthaven geopend is voor groothandelsverkeer?
Zie antwoord vraag 6.
Is Lelystad Airport nu veilig genoeg om groothandelsverkeer te laten plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 6.
Wat zijn de gevolgen voor de veiligheid als groothandelsverkeer gaat plaatsvinden op Lelystad Aiport en wat betekend de komst hiervan voor de General Aviation?
De veiligheid moet te allen tijde geborgd zijn. Op 28 oktober 20193 heb ik aangegeven dat in de situatie tot 10.000 vliegtuigbewegingen handelsverkeer, de capaciteit toereikend is voor de huidige vraag naar GA bewegingen. Wel is het zo dat op de drukste momenten de vraag het aanbod (capaciteit) kan overstijgen. Hiertoe is betere spreiding over de dag nodig en ontwikkelt de luchthaven een planningstool. Voor de situatie ná 10.000 bewegingen handelsverkeer wordt door de luchthaven in samenwerking met LVNL onderzocht welke aantallen GA bewegingen ook op deze langere termijn kunnen worden geaccommodeerd. Hier zal de GA sector bij betrokken worden.
Er zal in ieder geval ruimte blijven voor GA. Het onderzoek kan gebruik maken van de ervaringen die tijdens de inregelperiode worden opgedaan.
Het bericht dat slechts 6 op de 10 Nederlanders weten wat de termen ‘budget’, ‘inflatie’ en ‘rente’ betekenen |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het «European Payment Report 2019»1 en het bericht «Vier op de tien Nederlanders hebben te weinig financiële basiskennis»?2
Ja, daar ben ik mee bekend. Ik benadruk daarbij wel dat het niet alleen gaat om financiële kennis, maar juist ook om vaardigheden en gedrag. Weten is nog geen doen.
Deelt u de mening in het report dat de verbetering van financiële geletterdheid («financial literacy») van cruciaal belang is om consumenten te helpen de financiële complexiteit en daarmee samenhangende stress waarmee zij zich geconfronteerd voelen, te beheersen? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. Daarom ben ik er voorstander van dat in het onderwijs voldoende aandacht is voor goed omgaan met geld. Het is daarom goed dat in de voorstellen voor de actualisatie van het onderwijscurriculum ook ruimte is gemaakt voor het bevorderen van financiële vaardigheden van kinderen en jongeren. De kabinetsreactie op de voorstellen is deze maand aan de Kamer verzonden door de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs; hierover wordt in het nieuwe jaar het gesprek gevoerd.3
Hiernaast dient de Week van het geld als aanjager om het gehele jaar door regelmatig aandacht te besteden aan leren omgaan met geld. Ik geef zelf ook iedere maand een gastles, om die continuïteit te stimuleren.
Verstandige financiële keuzes leren maken draagt bij aan economische zelfstandigheid als volwassene. Ook juich ik het toe dat volwassenen zich blijven verdiepen in geldzaken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van informatie van het Nibud en Wijzer in geldzaken.
Hoe beoordeelt u de 11e plaats (van de 24) op de score financiële geletterdheid? Bent u tevreden met deze plaats? Zo ja, waarom?
Ik ben niet tevreden, maar ook niet zo verrast door de uitkomsten van het «European consumer payment report» van Intrum. Uit eerdere internationale onderzoeken (zoals OESO-rapporten uit 2017) bleek dit al. Bijvoorbeeld het OESO-PISA rapport4 uit 2017: daaruit bleek dat 19% van de Nederlandse vijftienjarigen te weinig vaardigheden had om alledaagse financiële beslissingen te nemen, en 18% net voldoende (samen 37%). Dit benadrukt het belang van financiële geletterdheid in het onderwijscurriculum en het stimuleren van financiële vaardigheden buiten schooltijd, zoals thuis en op het werk.
Hoe beoordeelt u het feit dat gemiddeld 69 procent van de Europeanen vindt dat zij of hij een adequate (47 procent) ofwel excellente (22 procent) financiële opleiding heeft gehad en derhalve geëquipeerd zou zijn om dagelijkse financiële beslissingen te nemen? Hoe ziet u dit gegeven het feit dat 37 procent niet in staat was om financiële basistermen (zijnde budget, credit score, jaarlijks kostenpercentage, variabele rente en inflatie) te koppelen aan de correcte definities?
Ook uit eerdere onderzoeken blijkt dat er een verschil is tussen de financiële vaardigheden die mensen denken te hebben, en de kennis die in een test wordt gemeten.
In 2017 verscheen bijvoorbeeld een OESO-rapport over financiële geletterdheid van volwassenen, waaruit bleek dat in veel landen (waaronder Nederland) mensen hun financiële kennis overschatten. Mogelijk zijn de gestelde vragen (over rente, inflatie, kredietscore etc.) niet voor iedereen van dagelijks belang, en hebben mensen een ander beeld bij wat je hoort te weten/kunnen als het gaat om geldzaken.
Ook in het Nibud rapport «Financiële problemen» dat eind 2018 verscheen5, bleek dat mensen zichzelf soms overschatten of hun financiële problemen onderschatten.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat 38 procent van de Nederlanders van mening is dat zij of hij een excellente financiële opleiding heeft gehad terwijl 40 procent van de Nederlanders niet in staat is om financiële basistermen (zijnde budget, credit score, jaarlijks kostenpercentage, variabele rente en inflatie) te koppelen aan de correcte definities? Ziet u dit als een risico? Zo nee, waarom niet?
Het versterken van financiële vaardigheden is van groot belang. Het draagt bij aan weerbare huishoudens, maar staat niet op zichzelf. Naast mijn inspanning om financiële vaardigheden onderdeel te laten uitmaken van het onderwijscurriculum, zorg ik daarom ook voor consumentenbescherming op de financiële markten. Zo is bij complexe financiële producten (zoals hypotheken, arbeidsongeschiktheidsverzekeringen), wanneer deze worden afgesloten zonder voorafgaand advies door een gediplomeerd adviseur, een kennis- en ervaringstoets ingevoerd. Bij het afsluiten van hypothecaire- of consumentenkredieten worden consumenten beschermd doordat er, in samenwerking met Nibud, leennormen zijn vastgesteld. Via het Actieplan Consumentenkeuzes wil ik stimuleren dat partijen in de financiële markten hun keuzeomgevingen en dienstverlening zo inrichten dat ze consumenten helpen bij financieel gezond gedrag (zie vraag 10 en verder).
Wie is, volgens u, verantwoordelijk voor de financiële opleiding van mensen?
Naar mijn mening is dit een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ik denk dat het goed is als mensen via meerdere routes hun financiële vaardigheden kunnen vergroten, zowel in hun jeugd als later. Dat blijkt ook uit het onderzoek van Intrum: daar worden diverse voorlichtingsbronnen genoemd zoals ouders/familie/ vrienden, scholen, internet, media, banken en financieel adviseurs.
Ouders spelen een belangrijke rol bij kennis, vaardigheden en het geven van goede voorbeelden. Dat blijkt ook uit het Nibud onderzoek «geldzaken in de praktijk» van april 2019. Mensen die het goede voorbeeld meekregen, omdat hun ouders goed met geld konden omgaan en dit aan hun kinderen leerden, vertonen verantwoord aankoopgedrag. Het helpt dus als kinderen van hun ouders leren om geen impulsaankopen te doen, om eerst te kijken of ze voldoende geld hebben voordat ze iets kopen, en om prijzen te vergelijken. Niet alle ouders zijn echter financieel onderlegd.
Onderwijs over geldzaken is belangrijk om kinderen ook op financieel gebied gelijke kansen te geven, ongeacht hun achtergrond. Het Nibud heeft leerdoelen opgesteld, die aangeven wat kinderen en jongeren bij verschillende leeftijden zouden moeten kennen en kunnen als het gaat om geldzaken. De leerdoelen sluiten aan bij de competenties voor omgaan met geld voor volwassenen, en bij het raamwerk dat de OECD heeft opgesteld om de kennis en vaardigheden te meten op het gebied van financiële geletterdheid binnen het PISA programma (Programme for International Student Assessment).
De Nibud-leerdoelen en -competenties zijn als volgt in te zetten:
Een deel van de Nederlanders is niet of nauwelijks «financieel redzaam», bijvoorbeeld door laaggeletterdheid of andere omstandigheden. Daarom is het belangrijk dat mensen weten wie hen kan helpen als ze het zelf niet kunnen. Hiervoor wordt samengewerkt met o.a. gemeenten, sociaal-maatschappelijke organisaties en landelijke schuldhulpinitiatieven.
Ook is het belangrijk dat mensen toegang hebben tot betrouwbare websites over geldzaken, zoals die van het Nibud en Wijzer in geldzaken. Daarnaast is goede informatie door financiële instellingen en adviseurs van belang, op het moment dat mensen financiële keuzes maken.
Verder kunnen werkgevers een rol spelen bij het financieel fit houden van werknemers, bijvoorbeeld door informatie te verstrekken over de pensioenregeling, attent te zijn op loonbeslagen en andere signalen van geldzorgen. Om werkgevers daarbij te ondersteunen is de website www.financieelfittewerknemers.nl gemaakt.
Kunt u aangeven in hoeverre u een verantwoordelijkheid voor zichzelf ziet, per genoemde bron van financiële opleiding van «European Payment Report 2019»3, om deze financiële opleiding te verbeteren? Zou u per bron kunnen aangeven welke stappen u op dit moment onderneemt om de financiële opleiding vanuit deze bron te verbeteren?
Elf jaar geleden is op initiatief van het Ministerie van Financiën het platform Wijzer in geldzaken opgericht, om de krachten te bundelen als het gaat om financiële vaardigheden. Het programmabureau is gevestigd in het Ministerie van Financiën. In de stuurgroep zitten het Nibud, de koepels van banken/ verzekeraars/pensioenfondsen en toezichthouders AFM en DNB. Bij de verschillende projecten (zoals de week van het geld, lesmaterialen, pensioenen, financieel fitte werknemers e.d.) wordt ook samengewerkt met andere organisaties. De komende jaren zal Wijzer in geldzaken zich daarbij meer gaan richten op financieel kwetsbare groepen, zoals laaggeletterden en het MBO.
Kijkend naar de «bronnen» die in het Intrum-rapport worden genoemd, worden al verschillende acties ondernomen waaraan steeds meer organisaties meedoen; zie ook het antwoord op vraag 6. In aanvulling daarop:
Ziet u, gezien de uitkomsten op de score financiële geletterdheid en de bronnen van financiële opleidingen, redenen om per bron de aanpak te intensiveren?
Er worden al veel acties ondernomen en steeds meer organisaties doen mee; zie het antwoord op vraag 7.
Gegeven de huidige financiële geletterdheid, welke gedragsinzichten uit de rapportage «Rijk aan gedragsinzichten: editie 2019» wilt u inzetten en versterken om mensen te helpen de financiële complexiteit te beheersen?4
Ook op website van Wijzer in geldzaken wordt gebruik gemaakt van gedragsinzichten. De website is opgebouwd rondom life events en bevat veel checklists en korte tools (bv. samenwoontool, ZZP-tool, pensioentool). Daarmee krijgen mensen snel inzicht in hun eigen situatie en ontvangen ze concrete tips voor actie. De gedragsinzichten zullen ook worden gebruikt om meer mensen te stimuleren om een buffer op te bouwen.
Tot slot wordt veel aandacht besteed aan het meten van de effectiviteit van de interventies. Uit onderzoeken8 blijken de volgende factoren essentieel bij het vergroten van financiële vaardigheden van kinderen en jongeren:
Ook wordt het materiaal van (partners van) Wijzer in geldzaken aan effectiviteitsmetingen onderworpen9. Daaruit blijkt dat financiële educatie inderdaad werkt als je je aan deze onderzoeksinzichten houdt.
Herinnert u zich uw Actieplan Consumentenkeuzes en begeleidende brief5 waarin u schrijft dat «de theoretische opvatting van een rationeel denkende en handelende mens, in veel situaties in de praktijk echter niet op gaat»? Kunt u aangeven in welke situatie de theoretische opvatting van een rationeel denkende en handelende mens wel op gaat?
Op mogelijk uitzonderlijke situaties na hebben mensen niet de tijd, motivatie en kennis om te komen tot optimaal afgewogen en geïnformeerde financiële beslissingen. Onderzoek leert dat mensen beperkt rationeel handelen.
Kunt u, het liefst per initiatief uit de brief6, aangeven welke (concrete) doelstellingen geformuleerd zijn?
De 11 initiatieven in het Actieplan zijn de verantwoordelijkheid van 22 partijen, uit de financiële sector, consumentenorganisaties en kennisinstituten, en zij hebben hiervoor concrete onderzoeksplannen uitgewerkt. Deze partijen doen meer dan de wetgeving van ze vraagt en zij zoeken net als ik naar vernieuwende manieren om de keuzeomgeving voor consumenten beter in te richten. Dit is dan ook de overkoepelende doelstelling. In de Kamerbrief is per initiatief benoemd welke consumentenkeuzes zij willen faciliteren. De initiatieven omvatten vaak experimenten en de uitkomsten daarvan zijn niet zeker. Door meer te testen, door kennisinstituten, consumentenorganisaties en financiële sector met elkaar te verbinden, en partijen uitkomsten met elkaar te laten delen wil ik verbetering en vernieuwing ten behoeve van consumenten versnellen. Bij positieve resultaten, waarbij onderzoek laat zien dat consumentenkeuzes daadwerkelijk worden gefaciliteerd, kan een partij deze kennis toepassen in product- en dienstenaanbod aan consumenten.
Een voorbeeld is het onderzoek van Vereniging Eigen Huis, Nibud en Universiteit van Leiden naar het activeren van klanten met aflossingsvrije hypotheken middels e-mail. Als de resultaten luiden dat bepaalde boodschappen aanslaan en consumenten helpen om aanpassingen door te laten voeren aan de aflossingsvrije hypotheek, dan kunnen zij dit toepassen in hun werkwijze. Ook kunnen andere banken of financieel adviseurs gebruik maken van deze inzichten.
Welke doelstellingen heeft u voor uzelf geformuleerd aangaande het Actieplan Consumentenkeuzes? Zijn deze doelstellingen SMART, ook wel specifiek, meetbaar, actiegericht, realistisch en tijdgebonden? Zo niet, bent u bereid deze doelstellingen alsnog dusdanig te formuleren?
Mijn doelstelling is om vernieuwing en verbetering in de financiële keuzeomgevingen van consumenten aan te jagen door toepassing van gedragsinzichten. Dit wil ik bereiken door kennisinstituten, consumentenorganisaties en financiële sector aan elkaar te verbinden. Zij werken onderzoeksplannen uit, starten samenwerkingen, en delen uitkomsten met elkaar. Als blijkt dat consumenten geholpen zijn door het initiatief, dan zullen initiatiefnemers dit aanbieden aan consumenten. Denk bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van een applicatie waarmee spaargedrag wordt bevorderd.
De doelstelling om te verbinden en aan te jagen lijkt vooralsnog geslaagd en realistisch. Veel partijen zijn actief aan de slag gegaan. Cijfermatig is het beeld dat er 11 initiatieven starten of gestart zijn en dat 22 partijen aan de slag gaan. Daarnaast zijn er nadat ik de Kamerbrief heb verstuurd, veel nieuwe partijen die zich hebben aangemeld om mee te werken aan het Actieplan. Dit zijn bijvoorbeeld banken, fintechs en financieel adviseurs die consumenten beter willen bedienen, en daarnaast nieuwe kennisinstituten die recente gedragskennis willen delen en willen experimenteren. Elk kwartaal komen deze partijen bij elkaar. Zij pitchen dan nieuwe ideeën, werken samen onderzoekplannen uit, geven updates over de uitvoering van plannen en delen uitkomsten van onderzoek. Ten aanzien van het tijdpad geldt dat partijen die reeds deelnamen bij de aftrap een concreet onderzoeksplan moesten hebben en daar uiterlijk eerste kwartaal 2020 mee starten.
Klopt het dat de enige rol die u voor zichzelf ziet in het Actieplan Consumentenkeuzes is het «zoveel mogelijk faciliteren door partijen te verbinden waar en wanneer dat nuttig is, kennis te laten uitwisselen waar en wanneer dat zinvol is en er zorg voor dragen dat resultaten in het netwerk worden gedeeld, zodat er van elkaar kan worden geleerd»? Zo nee, wat gaat u concreet nog meer doen? Zo ja, denkt u dat deze aanpak afdoende is, gegeven het «European Payment Report 2019»?
Het Actieplan is onderdeel van een bredere aanpak; waarin ik ook inzet op wettelijke bescherming van consumenten waar misstanden zijn, aanjagen van betere keuzeomgevingen voor financieel gezond gedrag en op financiële educatie voor de basiskennis. Op dat laatste ben ik in de antwoorden hierboven ingegaan. Waar problemen zijn zal ik maatregelen treffen, denk bijvoorbeeld aan de flitskredieten waardoor kwetsbare consumenten in problemen raakten. Hiermee wil ik bijdragen aan de brede schuldenaanpak. Hierover heb ik u recent bij brief geïnformeerd.12 Ten slotte wordt gewerkt aan verbetering van het dienstverleningsdocument waarmee consumenten financiëledienstverleners met elkaar kunnen vergelijken.
Kunt u deze vragen apart beantwoorden voor het algemeen overleg Financiële markten van 15 januari 2020?
Ja.
Het bericht dat vluchtelingen worden uitgehongerd in Libië |
|
Joël Voordewind (CU), Jasper van Dijk |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht over de zware omstandigheden voor vluchtelingen in Libië?1
Zoals vaker aan uw Kamer gemeld zijn de zware omstandigheden voor vluchtelingen en migranten in Libië zorgelijk. De situatie van migranten en vluchtelingen was al zeer nijpend, maar is zeker sinds het uitbreken van het geweld in april jl. verder verslechterd. Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Libië nauwgezet, onderhoudt intensief contact met UNHCR, IOM en andere (internationale) hulpverleners en vraagt in verschillende internationale overleggen aandacht voor de verslechterde humanitaire situatie en de noodzaak voor effectieve samenwerking binnen de internationale gemeenschap.
Klopt het dat de situatie in het verzamel- en vertrekcentrum van de UNHCR in Tripoli zo erbarmelijk is geworden dat het niet langer mogelijk is om vluchtelingen te evacueren?
UNHCR meldt2 dat het verzamel- en vertrekcentrum (Gathering and Departure Facility, GDF) zwaar overbevolkt is omdat de afgelopen maanden meerdere groepen migranten, vluchtelingen en asielzoekers zich toegang tot de locatie hebben verschaft. Een groot deel van deze mensen komt niet voor evacuatie in aanmerking doch weigert de locatie te verlaten. Dit bemoeilijkt het functioneren van het GDF als transitfaciliteit. Desalniettemin evacueert UNHCR nog steeds vluchtelingen uit Libië. Op 24 november zijn 117 vluchtelingen en asielzoekers geëvacueerd naar het Emergency Transfer Mechanism (ETM) Rwanda en op 28 november 43 vluchtelingen naar het ETM Niger. Een deel hiervan was afkomstig uit het verzamel- en vertrekcentrum in Tripoli.
Klopt het dat de vluchtelingen in het verzamel- vertrekcentrum geen eten meer krijgen zodat zij het centrum moeten verlaten? Zo nee, hoe zit het dan wel?
UNHCR heeft samen met andere VN-agentschappen en partners de migranten, vluchtelingen en asielzoekers ondersteund met humanitaire assistentie, waaronder warme maaltijden. Dit gaat nog steeds door. Wel meldt UNHCR dat de situatie niet langer houdbaar is en dat zij de hulpverlening deels verlegt van het GDF naar stedelijke centra. Als onderdeel hiervan gaat UNHCR de voedselcatering in de GDF in het nieuwe jaar uitfaseren. Het is belangrijk hierbij aan te tekenen dat het personen vrij staat om het GDF te verlaten en dat zij in stedelijke centra financiële ondersteuning van UNHCR kunnen krijgen waarmee ze in de eerste twee maanden in de eerste levensbehoeften en onderdak kunnen voorzien. UNHCR communiceert dit actief naar de personen die in het GDF verblijven.
Bent u via de UNHCR in staat noodhulp te verlenen om de situatie in het centrum te verbeteren?
Zoals hierboven uitgelegd kiest UNHCR er voor de hulpverlening te verleggen naar stedelijke centra, omdat door overbevolking het GDF niet naar behoren kan functioneren. Het kabinet heeft dit najaar additionele bijdragen aan UNHCR en IOM in Libië gegeven (resp. USD 3,9 mln. en USD 2,5 mln.) om de verslechterde humanitaire situatie van vluchtelingen en migranten het hoofd te bieden. Deze bijdragen worden o.a. ingezet voor evacuatie van kwetsbare vluchtelingen middels het nieuwe ETM Rwanda, cash assistentie aan vluchtelingen in stedelijke centra en opvang en vrijwillige terugkeer van migranten.
Bent u bereid steun te geven aan de evacuatie van de meest kwetsbare vluchtelingen naar veilige gebieden?
Zoals uw Kamer bekend, hervestigt Nederland, als onderdeel van het bestaande quotum, vluchtelingen via het Emergency Transit Mechanisme (ETM) in Niger en steunt Nederland IOM bij de vrijwillige terugkeer van migranten in Libië naar hun landen van herkomst.
Bent u bereid als Nederland een aandeel te nemen door een deel van deze vluchtelingen te hervestigen en andere EU-landen op te roepen hetzelfde te doen? Zo ja, wat kunnen wij concreet verwachten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De uitspraak van SodM-topman dat omgekeerde bewijslast ook buiten Groningen moet gelden |
|
Sandra Beckerman |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
Bent u op de hoogte van de uitspraak van de Inspecteur-generaal der Mijnen op zaterdag 30 november 2019?1 Wat is daarop uw reactie?
Ik heb kennis genomen van de uitspraak van de Inspecteur-generaal der Mijnen (hierna: de IGM) dat de «omgekeerde bewijslast ook buiten Groningen» zou moeten gelden op plaatsen elders in het land waar meerdere ondergrondse activiteiten tegelijk zijn. De IGM stelt dat het bij deze gestapelde mijnbouw voor burgers praktisch onmogelijk is om te bewijzen waardoor de schade is ontstaan. Ik ben het eens met het uitgangspunt dat burgers niet die volledige bewijslast moeten dragen. In het systeem dat ik voorsta, hoeven zij dat ook niet. Juist om deze bewijsproblemen – en niet alleen in het geval van gestapelde mijnbouw – te voorkomen, stel ik voor de afhandeling van schade door mijnbouwactiviteiten buiten Groningen een Commissie Mijnbouwschade in. Deze commissie onderzoekt naar aanleiding van een schademelding wat de schadeoorzaak is en stelt de hoogte van de mijnbouwschade vast. Gedupeerden kunnen hun schade melden bij deze commissie en hoeven dan niet meer zelf aan te tonen dat de schade die ze hebben geleden het gevolg is van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Deze commissie moet medio 2020 operationeel zijn.
Waarom legt u het advies van uw toezichthouder, en de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) eerder dit jaar, naast u neer?
Ik volg het advies van de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) op dit punt. Zowel de IGM als de Tcbb vinden het belangrijk dat de ongelijkheid tussen burger en mijnbouwonderneming wordt verminderd en dat een gedupeerde bij de behandeling van schade door mijnbouwactiviteiten wordt ontzorgd. Ik ben het hiermee eens en heb dit voor de verschillende situaties uitgewerkt. Vanwege de uitzonderlijke situatie in Groningen is daar de toepassing van een wettelijk bewijsvermoeden gerechtvaardigd. Bij de afhandeling van schade door andere mijnbouwactiviteiten dan door de gaswinning in Groningen ontzorg ik op een andere wijze de burgers. Omdat er buiten Groningen geen rechtvaardiging is voor toepassing van een wettelijk bewijsvermoeden, zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 4, is het bij schade door andere mijnbouwactiviteiten aan de Commissie Mijnbouwschade om te onderzoeken en te beoordelen of de schade het gevolg is van mijnbouwactiviteiten en wat het bedrag is van de schadevergoeding. Daarmee wordt ook in die gevallen de burger ontzorgd. Dit is conform het advies van de Tcbb.
Ik ben het ook eens met de Inspecteur-generaal der Mijnen dat de bewijslast niet op de schouders van de burger moet worden gelegd, maar niet met zijn oordeel dat dit ook hier met een omkering van de bewijslast moet worden bereikt. Het vraagstuk van de wijze van schadevergoeding, zie ik overigens als een vraagstuk dat losstaat van het vraagstuk van de veiligheid van mijnbouw. Gelet op de toezichts- en adviestaak van SodM wegen zijn adviezen op het vlak van de veiligheid van de mijnbouw voor mij altijd zwaar.
Bent u het met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) eens dat er rechtsongelijkheid bestaat tussen de omwonenden van het Groninger gasveld en omwonenden van andere gasboringlocaties en andere mijnbouwactiviteiten? Kunt u uw antwoord toelichten?
In Nederland geldt de regel «wie stelt, bewijst». Op deze regel is een uitzondering gemaakt voor schade als gevolg van bodembeweging door de gaswinning uit het Groningenveld. Alleen voor deze schades is een wettelijk bewijsvermoeden ingevoerd vanwege de uitzonderlijke omstandigheid van een groot aantal relatief gelijksoortige gevallen van schade in korte tijd, waarbij het aannemelijk is dat in verreweg de meeste gevallen bodembeweging door de winning uit het Groningenveld de oorzaak is. Het bewijsvermoeden zorgt voor ontzorging van de gedupeerde.
Ook gedupeerden buiten het Groningenveld worden ontzorgd op advies van de Tcbb, maar op een andere manier. Een gedupeerde die schade heeft door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit kan deze melden bij de Commissie Mijnbouwschade. De Commissie onderzoekt vervolgens op basis van die melding of er inderdaad sprake is van schade door bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten en stelt, als hier sprake van is, vast wat de hoogte van de vergoeding voor deze schade zou moeten zijn die door de mijnbouwonderneming moet worden betaald aan de gedupeerde. Daarmee regel ik dat gedupeerden op andere wijze worden ontzorgd. De bewijslast van gedupeerden in beide situaties wordt dus verlicht.
Wat overtuigt u ervan dat omgekeerde bewijslast niet goed is, terwijl gemeenten, experts en de toezichthouder niet achter u staan?
De belangrijkste doelstelling van alle betrokkenen, en dus ook van mij, is dat gedupeerden bij schade door mijnbouwactiviteiten worden ontzorgd. Ik regel dit ook, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in Groningen en buiten Groningen. De belangrijkste redenen voor de invoering van een wettelijk bewijsvermoeden voor Groningen gaan niet op voor mijnbouwschade door overige mijnbouwactiviteiten. Voor schade door bodembeweging door overige mijnbouwactiviteiten is er namelijk geen sprake van een veelheid aan aardbevingen door gaswinning en een veelheid aan gelijksoortige schadegevallen, waarbij het waarschijnlijk is dat die een gevolg van een aardbeving zijn. Daarom is er buiten Groningen geen situatie die voldoende rechtvaardiging vormt voor de toepassing van een wettelijk bewijsvermoeden. Daarbij baseer ik mij op de voorlichting van de Raad van State over de aangenomen amendementen op het voorstel van wet tot wijziging van de Mijnbouwwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met Implementatie van richtlijn nr. 2013/ 30/ EU van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/ 35/ EG (PbEU 2013,L 178) (Kamerstuk 34 041, nr. 43).
Waarom vindt u dat gedupeerden van schade in Groningen anders behandeld zouden moeten worden dan gedupeerden van mijnbouwactiviteiten elders in het land?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom vindt u dat gedupeerden buiten het Groninger gasveld zelf moeten bewijzen dat hun schade het gevolg van mijnbouwactiviteiten is? Hoe kunnen ze dat bewijzen? Waarom zadelt u bewust mensen op met deze strijd tegen mijnbouwbedrijven?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom stelt u veiligheid van omwonenden van mijnbouwlocaties niet voorop?
De wijze van vergoeding van schade staat los van veiligheid. In alle gevallen staat bij mijnbouwactiviteiten de veiligheid van omwonenden op de eerste plaats. Dit begint met een toets vooraf. Zo wordt bij de verlening van de vergunning voor de mijnbouwactiviteit nadrukkelijk getoetst op het belang van de veiligheid voor omwonenden. Alleen als een activiteit veilig kan plaatsvinden, wordt hiermee ingestemd. De mijnbouwonderneming moet vervolgens bij de uitvoering van de mijnbouwactiviteiten alle maatregelen nemen die redelijkerwijs gevraagd kunnen worden om te voorkomen dat de veiligheid wordt geschaad of schade door bodembeweging wordt veroorzaakt. Desondanks kan niet worden uitgesloten dat mijnbouwactiviteiten bodembeweging tot gevolg hebben die schade kan veroorzaken aan gebouwen. In die gevallen dient de schade te worden vergoed.
Bent u bereid het advies van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) alsnog op te volgen en omgekeerde bewijslast in te voeren voor gedupeerden met mijnbouwschade?
Met de instelling van de Commissie Mijnbouwschade wordt uitvoering gegeven aan de doelstelling de burger – ook bij schade door andere mijnbouwactiviteiten dan de gaswinning in Groningen – te ontzorgen door de bewijslast bij die commissie te legen. Ik zie daarom geen aanleiding en ook geen rechtvaardiging om het wettelijk bewijsvermoeden, zoals dat geldt voor schade door de gaswinning in Groningen, uit te breiden naar schade door overige mijnbouwactiviteiten.
De sluiting van de Vlinderhof en Bloesemhof in Montfoort |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Hoe oordeelt u over de mogelijke sluiting van dagbestedingslocatie de Vlinderhof en het kleinschalige verpleeghuis de Bloesemhof?1 2
Sluiting van een zorgvoorziening doet altijd zeer. Zeer voor de huidige cliënten (en hun naasten) want die moeten een ingrijpende verhuizing ondergaan, zeer voor toekomstige cliënten die gerekend hadden op een plaats, zeer voor de gemeenschap die een voorziening kwijtraakt, zeer voor het personeel dat elders moet gaan werken. Toch kunnen er omstandigheden zijn die sluiting rechtvaardigen. Dat neemt de pijn echter niet weg. Daarom is goed overleg met bewoners en hun naasten essentieel.
Vindt u het wenselijk dat woonvormen worden gesloten omdat geen vast personeel gevonden kan worden en de inhuur van uitzendkrachten duur is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij een (dreigende) sluiting van locaties voor dagbesteding en/of verpleeghuiszorg, zoals die in Montfoort, is een aantal zaken relevant om in ogenschouw te nemen. Dat zijn de (achterliggende) oorzaken van de sluiting, of er een goede opvang is voor de huidige cliënten en de vraag of er in de nabijheid voldoende resterende capaciteit is. Het zijn de zorgaanbieders en de inkopers van de zorg (zorgkantoor en gemeente) die voor de drie onderwerpen de primaire verantwoordelijkheid hebben. Het is van belang dat ze die verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk oppakken.
Van de bestuurder van De Rijnhoven heb ik begrepen dat er in december op de dagbestedingslocatie De Vlinderhof nog 4 cliënten zijn: 1 vanuit de Wmo en 3 cliënten met een Wlz-indicatie die in afwachting van plaatsing in een verpleeghuis tijdelijk gebruik maken van de dagbesteding. Andere Wmo-cliënten maken gebruik van andere dagbestedingslocaties binnen en buiten de gemeente Montfoort. Met 4 cliënten, die ieder een aantal dagdelen komen, is de bezetting van deze locatie niet erg groot en is kwalitatief goede dagbesteding naar het oordeel van de bestuurder niet of nauwelijks te garanderen.
De Rijnhoven heeft mij aangegeven dat met de huidige cliënten afspraken zijn en worden gemaakt voor vervangende dagbesteding, gekoppeld aan eventueel extra vervoer. Met 1 geïndiceerde Wlz-cliënt is nog geen definitieve afspraak gemaakt, met de andere 3 inmiddels wel.
Ten aanzien van verpleeghuislocatie De Bloesemhof heb ik van de bestuurder van De Rijnhoven begrepen dat het een kleinschalige locatie met 8 plaatsen is. De locatie bestaat uit een huiskamer met 8 zit/slaapkamers en gedeelde sanitaire voorzieningen. De locatie heeft geen verdere faciliteiten zoals een activiteitenruimte, een bezoekersruimte, een restaurant of een spreekkamer. Wel is deze nabij een woonzorgcentrum gesitueerd. Een dergelijke locatie is maakt het moeilijker kwalitatief goede zorg te bieden, onder andere vanwege de beperkte mogelijkheden om echt persoonsgerichte zorg aan iedere cliënt te kunnen geven. De bestuurder geeft aan dat de locatie ook niet in trek is bij het personeel, wat leidt tot wisselende zorgverleners, hetgeen de kwaliteit van zorg ook niet ten goede komt.
Op dit moment wonen er op deze locatie 8 cliënten, waarvan 2 cliënten tijdelijk, omdat ze op de wachtlijst staan voor een andere verpleeghuislocatie. Voor de Bloesemhof zelf is geen wachtlijst. Inwoners van Montfoort met een Wlz-indicatie hebben (ook) belangstelling voor andere locaties in de nabijheid, veelal met betere faciliteiten.
Met de huidige bewoners van de Bloesemhof (en hun naasten) heeft De Rijnhoven gesprekken gevoerd over plaatsing elders. Het is de bedoeling dat alle cliënten worden geplaatst op de locatie van hun voorkeur, deels binnen en deels buiten de gemeente Montfoort, maar allemaal in de nabijheid. De bestuurder heeft aangeven dat voor de 5 cliënten die op een andere locatie van De Rijnhoven geplaatst willen worden, dat geregeld is. Voor de 3 cliënten die naar een andere zorgaanbieder willen, wordt zoveel mogelijk getracht om dat tijdig te regelen, eventueel wordt gebruik gemaakt van een overbrugging op een andere locatie van De Rijnhoven.
Gegeven bovenstaande situatie heeft zorgkantoor Zilveren Kruis begrip voor het sluiten van De Bloesemhof. Ook al omdat De Rijnhoven besloten heeft in de nabijheid van Montfoort extra plaatsen te genereren en het feit dat in die nabijheid voldoende andere verpleeghuislocaties zijn met goede faciliteiten (zie ook het antwoord op vraag 4). Ook de gemeente heeft begrip voor de sluiting van De Vlinderhof als dagbestedingslocatie. Zowel zorgkantoor als gemeente hechten daarbij sterk aan de continuïteit van zorg voor de cliënten.
Op basis van bovenstaande informatie kan ik me voorstellen dat de betrokken partijen tot de conclusie zijn gekomen dat sluiting, met name vanuit het oogpunt van kwaliteit, gerechtvaardigd is. Wel hecht ik er veel belang aan dat de verplaatsing van de huidige bewoners van de Bloesemhof zorgvuldig gebeurt, in goed overleg met betrokkenen.
Begrijpt u hoe ingrijpend het is voor deze ouderen om te moeten verhuizen naar een andere stad, omdat er geen andere plek is waar deze ouderen terecht kunnen in Montfoort? Zijn er mogelijkheden om de Vlinderhof en het Bloesemhof open te houden? Bent u bereid hierin te ondersteunen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het heel erg zonde is dat mooie woonvormen en zorgvoorzieningen verdwijnen, terwijl er een groot tekort is aan zorgplekken voor ouderen? Wat gaat u hieraan doen?
Sluiting van deze zorgvoorzieningen is pijnlijk voor de bewoners, cliënten en hun naasten en het verdwijnen van de verpleeghuislocatie is voor de plaats Montfoort een gemis, zeker in een periode dat het aantal ouderen in Montfoort aan het toenemen is.
De sluiting van De Bloesemhof betekent echter niet dat er geen verpleeghuiszorg in de gemeente Montfoort meer mogelijk is. Zo is er in Montfoort zelf een woonzorgcentrum waar onder meer met VPT verpleeghuiszorg geleverd wordt en is er in Linschoten (eveneens gemeente Montfoort) in 2017 een nieuwe verpleeghuislocatie geopend met 33 plaatsen. Daarnaast zijn er in omliggende plaatsen (Woerden, Harmelen, Oudewater) verschillende verpleeghuislocaties. Zoals hiervoor aangegeven heeft De Rijnhoven ter compensatie van de vervallen plaatsen in de Bloesemhof op andere locaties in de nabijheid 8 extra plaatsen gecreëerd. Verder is De Rijnhoven bezig om in dezelfde regio extra capaciteit te genereren op een nieuwe locatie. Van de gemeente Montfoort heb ik begrepen dat er met andere zorgaanbieders gesprekken gevoerd worden over een nieuwe locatie in Montfoort zelf.
Wat betreft de dagbesteding zijn in Montfoort andere dagbestedingsmogelijkheden (o.a. op een zorgboerderij), waar meer vraag naar is dan naar de dagbesteding in De Vlinderhof. Dat betekent dat (toekomstige) cliënten niet naar andere gemeenten behoeven te gaan.
Wilt u de Kamer op de hoogte houden over de beslissingen die genomen worden over de Vlinderhof en het Bloesemhof? Zo neen, waarom niet?
De beslissing om De Vlinderhof en De Bloesemhof te sluiten is definitief en er zijn geen verdere stappen in de besluitvorming daarover te verwachten. Wel zal ik de wijze waarop de overplaatsing van de huidige bewoners naar andere locaties plaatsvindt, blijven volgen en betrokken partijen indien nodig aanspreken op hun verantwoordelijkheid daarin.
Het bericht ‘Een extra kliko voor plastic: meer scheiden is niet beter’ |
|
Erik Ziengs (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Een extra kliko voor plastic: meer scheiden is niet beter»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat uit dit artikel naar voren komt?
Ik herken een aantal zaken die in dit opiniestuk genoemd worden zoals de betrokkenheid van de burgers bij het scheiden van afval en dat het niet altijd makkelijk is om dit scheiden goed te doen. Daarnaast herken ik ook het beeld dat er werk gemaakt moet worden van kwaliteit van de afvalstromen en dat grondstoffen in de EU beter verwerkt moeten worden.
Bent u bekend met onderzoeken van onder andere Wageningen University & Research (WUR) die aangeven dat het daadwerkelijk zinnig hergebruik van huishoudelijke kunststof afval uit plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drinkpakken (PMD) blijft steken rond de 20 procent (bladzijde 60)?2 Bent u bekend met het voorstel «Raamovereenkomst Verpakkingen» zoals afgelopen vrijdag, 29 november 2019, aangenomen door de ledenvergadering van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)? Is het ministerie partij bij dit nieuwe voorstel?
Ja, ik ben bekend met de onderzoeken van Wageningen University & Research (WUR).
Nederlands kunststof verpakkingsafval wordt op verschillende manieren ingezameld en gerecycled. De voorkomende routes zijn: bronscheiding van huishoudelijk verpakkingsafval, nascheiding van huishoudelijk verpakkingsafval, statiegeld en de inzameling van bedrijfsmatig verpakkingsafval. Volgens de WUR werd in 2014 25% van alle kunststofverpakkingen bij huishoudens gescheiden ingezameld. Daarvan werd 89% voor recycling aangeboden.3 Deze route zorgde daarmee in 2014 voor de recycling van 20 procentpunt van de totale hoeveelheid verpakkingen die op de markt kwam. In 2016 is dit aandeel volgens WUR gestegen naar 26 procentpunt. Deze stijging is volgens de WUR het gevolg van de brede PMD-inzameling.4 Samen met de andere inzamelroutes (nascheiding, statiegeld en bedrijfsafval) leidt dit opgeteld tot het totaalpercentage aan verpakkingen dat gerecycled wordt.
Wel wordt ook door de WUR geconstateerd dat in de periode 2014–2016 met de toegenomen PMD-inzameling ook de vervuiling in dit PMD is toegenomen. Dit zorgpunt wordt door de Raamovereenkomstpartijen (VNG, Stichting Afvalfonds Verpakkingen en Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) onderkend. De nieuwe afspraken hebben als doel dit op te lossen.
Is het ministerie betrokken geweest bij de ontwikkeling van dit voorstel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Ja, ik ben bekend met de afspraken die gemaakt zijn tussen het verpakkend bedrijfsleven en de VNG.
De juridische en beleidsmatige basis voor het verpakkingenbeleid is vastgelegd in het Besluit beheer verpakkingen 2014 (hierna: Besluit). Dit Besluit stelt producenten van verpakte producten er verantwoordelijk voor zorg te dragen voor de gescheiden inname of de inname en nascheiding van de door hen in Nederland in de handel gebrachte verpakkingen. Daarnaast dienen producenten ervoor te zorgen dat de in het Besluit gestelde doelstellingen t.a.v. recycling worden gehaald. Stichting Afvalfonds Verpakkingen voert als collectief namens producenten de verantwoordelijkheden uit het Besluit uit.
In december 2018 is naar aanleiding van de tussenevaluatie van de Raamovereenkomst Verpakkingen het platform ketenoptimalisatie (PKO) opgericht. Binnen het PKO is door de VNG en het Afvalfonds gewerkt aan de inrichting van het regiemodel voor de inzameling, sortering en recycling van PMD- verpakkingsafval. Met de afspraken die nu tussen de VNG en het verpakkend bedrijfsleven zijn gemaakt geven de producenten uitwerking aan de producentenverantwoordelijkheid die zij hebben. Het ministerie is op regelmatige basis geïnformeerd over de voortgang en de inhoud van de afspraken. Het ministerie is geen partij bij dit nieuwe voorstel.
Acht u het wenselijk dat gemeenten aan autonomie verliezen op de zeer zichtbare gemeentelijke taak van het inzamelen van afval?
Zie antwoord vraag 4.
Neemt de verwarring onder consumenten niet toe door ook niet-recyclebare verpakkingen bij het PMD te voegen? En wat is volgens u het hoofddoel van gescheiden inzameling bij de bron; de producentverantwoordelijkheid of circulariteit?
Gemeenten hebben een zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Met deze afspraken verandert er niets aan de gemeentelijke autonomie bij het inzamelen van afval.
De producentenverantwoordelijkheid maakt producenten verantwoordelijk voor de inzameling en recycling van verpakkingen en producenten betalen hiervoor de kosten. In de Raamovereenkomst is tussen gemeenten, het bedrijfsleven en het Rijk afgesproken dat gemeenten de ketenregie voeren over het kunststofverpakkingsafval. Dit betekent dat gemeenten naast inzameling sinds 2015 ook verantwoordelijk waren voor het sorteren en recyclen van kunststofverpakkingsafval. Hiervoor ontvingen zijn een ketenvergoeding van het verpakkend bedrijfsleven.
Naar aanleiding van de tussenevaluatie van de Raamovereenkomst bleek dat de kunststofverpakkingsketen niet effectief en efficiënt georganiseerd was en dat dit ook te maken had met de rolverdeling in de keten en de betaalde vergoedingen. Ik heb uw Kamer over de uitkomsten van de tussenevaluatie geïnformeerd op 10 maart 2018 (Kamerstuk 28 694, nr. 135). De VNG heeft n.a.v. de tussenevaluatie een peiling gehouden onder haar leden en daaruit bleek dat ongeveer 50% van de gemeenten de integrale ketenregie van inzameling, sortering en recycling, niet meer kon of wilde uitvoeren. De uitkomsten van de peiling zijn medebepalend geweest voor de afspraken die nu gemaakt zijn.
In de nieuwe afspraken wordt gemeenten een mogelijkheid geboden hun taak te beperken tot inzameling. De sortering en recycling van kunststofverpakkingsafval valt dan onder de regie van de producenten, die dit samen met andere ketenspelers organiseert. Om recht te doen aan de afspraken van de Raamovereenkomst wordt tot het einde van de overeenkomst gemeenten wel de mogelijkheid geboden om de regie te houden als ze dat willen.
Op de buitengewone ALV van de VNG op 29 november jl. hebben gemeenten in zeer ruime meerderheid (98,1%) ingestemd met de nieuwe afspraken.
Klopt het dat naast de 30 procent van het PMD dat direct naar de verbrandingsoven gaat nog eens zo’n 38 procent van het PMD als «mix plastics» naar Duitsland wordt geëxporteerd? En dat dit als uitval wordt beschouwd, maar wel meegeteld wordt als gerecycled? En klopt het dat deze uitval met het nieuwe voorstel nog toe zal nemen?
Belangrijk uitgangspunt bij de nieuwe afspraken is geweest dat stoorstromen, zijnde (plastic) afval dat echt leidt tot een problemen bij de sortering of leidt tot slechte kwaliteit recycling, buiten de ingezamelde stroom worden gehouden. Naast dit uitgangpunt moeten consumenten bediend worden met een begrijpelijk en eenduidig inzamelsysteem. Daarmee wordt ook voorkomen dat de verantwoordelijkheid om goed- en slecht-recyclebare verpakkingen tot in detail van elkaar te onderscheiden, bij goedwillende consumenten wordt neergelegd.
Het hoofddoel van beleid is een circulaire verpakkingsketen. De gescheiden inzameling en de producentenverantwoordelijkheid zijn daarvoor instrumenten. Door het verpakkend bedrijfsleven verantwoordelijk te maken de verpakkingenstroom breed in te zamelen, ontstaat een stimulans om voor alle verpakkingen in te zetten op recycling en het op de markt brengen van niet-recyclebare verpakkingen te minimaliseren. Het verpakkend bedrijfsleven stuurt op beter recyclebare verpakkingen door tariefdifferentiatie toe te passen.
Kunt u toelichten waarom PMD uitgangpunt moet worden, gelet op de cijfers genoemd bij vraag 8? Waar zit de milieuwinst, gelet op gepresenteerde analyse in bovengenoemd bericht?
Al het ingezamelde PMD wordt naar de sorteerders gebracht. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 wordt circa 89% van het ingezameld plastic gerecycled. De overige 11% betreft vocht en vuil en niet recyclebaar sorteerresidu. De recycling vindt plaats in Nederland en in omringende EU-lidstaten.
Een deel van de recyclebare stroom, de zogenoemde mix-fractie, vindt zijn toepassing in diverse, vaak volumineuze objecten als pallets, verkeersbordvoetjes, wegbaanscheidingselementen, geluidswallen, tuin-palissades, etc. Hierbij wordt tropisch hardhout en/of cement vervangen. Verder hebben deze objecten levensduren die vaak de 40 jaar overschrijden, zonder behoefte aan onderhoud. Deze toepassing heeft daarom doorgaans een positief milieueffect en voldoet aan de geldende definitie van recycling. Ik zie geen reden deze stromen als verloren te beschouwen.
Wel hebben de nieuwe afspraken mede als doel te sturen op betere kwaliteit van recycling. o.a. door betere sortering mogelijk te maken waardoor de hoeveelheid mixed-plastic daalt en er meer mono-stromen (PE, PP en PET) overblijven.
Was het rapport Berenschot «Routekaart materiaalverduurzaming kunststof verpakking» van juli 20183, waarin onder andere wordt verwezen naar toenemende kosten voor inzamelen en sorteren alsmede afnemende kwaliteit door de invoering van PMD, bij u bekend op het moment dat een positief advies uitgebracht werd over het VNG-voorstel «Raamovereenkomst Verpakkingen» waarin PMD als uitgangspunt wordt voorgesteld?
Zoals in dit opiniestuk ook wordt aangehaald bestaat er bij de burger soms verwarring over welke verpakking in welke bak hoort. Ik streef ernaar dat afvalscheiding voor de burger eenvoudig en begrijpelijk wordt. In ongeveer 80% van de gemeenten met bronscheiding wordt verpakkingsafval nu via PMD ingezameld en dit heeft geleid tot een forse toename van de hoeveelheid ingezameld verpakkingsafval. Gemeenten hebben hier zelf voor gekozen. Bij het opstellen van de nieuwe afspraken was het ook de inzet van de gemeenten om PMD als uitgangpunt te nemen. Nu PMD-inzameling de standaard is, ontstaat eenduidigheid en hoeven consumenten ook niet uitgebreid geïnstrueerd te worden. Alle verpakkingen horen dan in de PMD-bak/zak. De enige uitzonderingen hierop zijn glas en oud-papier, stromen waarvan de consument al decennia gewend is ze te scheiden.
Bent u bekend met de analyse in dit rapport dat de doelstelling van het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) in combinatie met hogere tarieven voor de restfractie leidt tot «afwijkend gedrag» (blz. 30) waarbij meer restafval in PMD terechtkomt?
Ja, ik ben bekend met het rapport.
Bent u bekend met het rapport «Verbeteropties voor de recycling van kunststof verpakkingen» van de WUR waarin gesteld wordt dat de industrie een negatieve prikkel zal ondervinden bij inspanningen om sortering te verbeteren met het oog op circulariteit? Zo ja, waarom toont u zich alsnog voorstander van de overheveling van de regie van gemeenten naar de industrie, gelet op deze negatieve prikkel?
Zoals in mijn Kamerbrief van 9 oktober 2019 betreffende de voortgang van diverse initiatieven circulaire economie (Kamerstuk 32 852, nr. 96) gemeld, is mijn inzet voor huishoudelijk afval erop gericht om naast het verhogen van de afvalscheiding en het verminderen van de hoeveelheid restafval, de kwaliteit van de deelstromen verder te verbeteren.
PMD wordt op kosten van de producenten ingezameld en daarmee is de inzameling voor gemeenten en burger in principe gratis. Indien gemeenten de hoeveelheid restafval proberen af te remmen voor burgers kan dit een prikkel zijn om restafval bij het PMD te stoppen. Onderzoek van het Learning Centre Kunststof Verpakkingen6 heeft naar voren gebracht dat vervuiling in het PMD niet het gevolg is van de keuze voor PMD, maar het gevolg van de andere karakteristieken van het afvalinzamelsysteem: zoals de inzamelfrequentie, de hoogte van tarieven voor restafval of het al dan niet toepassen van omgekeerd inzamelen.
De nieuwe afspraken scheppen dan ook duidelijkheid tussen gemeenten en de overige ketenspelers over de toegestane vervuiling in het PMD. Indien een gemeente er niet in slaagt PMD volgens de afgesproken kwaliteit in te zamelen, is het aan deze gemeente ervoor te zorgen dat deze kwaliteit verbetert. Ook wordt door de Raamovereenkomstpartijen voor PMD ingezet op eenduidige inzameling en communicatie richting de consument.
De collectieve zorgverzekering van Zilveren Kruis met Milli Görüs |
|
Bente Becker (VVD), Hayke Veldman (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de collectieve zorgverzekering die Zilveren Kruis aanbiedt samen met de stichting Milli Görüs?
Ja.
Is het waar dat Milli Gorus een moskeeorganisatie is waarvan banden met de AK-partij van president Erdogan zeer waarschijnlijk zijn?
De Milli Görüs beweging vindt haar oorsprong in Turkije. In Nederland is Milli Görüs actief onder de naam Nederlandse Islamitische Federatie (NIF). In 2017 heeft RadarAdvies in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als uitvoering van de motie Karabulut/Potters praktijkonderzoek gedaan naar Turkse organisaties en stromingen in Nederland (TRSO’s).
Het Radaronderzoek uit 2017 liet geen direct bewijs zien van buitenlandse aansturing vanuit de Turkse overheid op het handelen van de TRSO’s. Dit betekent overigens niet dat er geen banden zijn tussen Milli Görus en de AK-partij, maar dat op basis van dit onderzoek niet zichtbaar wordt dat dit daadwerkelijk effect heeft op de betrokken organisatie.
Is het waar dat Milli Gorus een actieve rol speelt in de diasporapolitiek van de Turkse regering in Nederland, onder andere door studiereizen naar Turkije te organiseren en een eigen imamopleiding in Nederland te financieren, en nu dus ook een eigen collectieve zorgverzekering?
Het staat maatschappelijke en religieuze organisaties vrij om buitenlandse reizen te organiseren. Hierop wordt door de overheid geen toezicht gehouden, dit zou schuren met de terughoudendheid die de overheid betracht als het om de vrijheid van godsdienst gaat.
Naar aanleiding van de schriftelijke vragen van Kamerleden Becker (VVD) op 20 augustus 2018 en Jasper van Dijk (SP) op 21 augustus 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden met Milli Görüs.1 Milli Görüs heeft aangegeven van 2014 tot 2016 reizen te hebben georganiseerd voor jongeren van 16 tot 22 jaar naar Turkije. Inmiddels vinden deze studiereizen voor zover bekend niet meer plaats.
Milli Görüs Noord is de initiatiefnemer van de islamitische theologische faculteit Amsterdam (IUA). Dit betreft een privaat opleidingsinitiatief. Dit initiatief maakt geen onderdeel uit van het bestel van erkend hoger onderwijs en ontvangt daarmee geen bekostiging vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Het kabinet beschikt niet over informatie die aantoont dat er in deze gevallen sprake is van een vorm van ongewenste buitenlandse inmenging.
Vindt u het wenselijk dat zorgverzekeraars afspraken maken met organisaties gelieerd aan de AK-partij van president Erdogan die een rol spelen in actieve diaspora-politiek? Zo ja, waarom? Zo nee, wat onderneemt u hier tegen?
Verzekeraars hebben acceptatieplicht voor de basisverzekering en mogen niemand weigeren, niet op basis van leeftijd, inkomen of gezondheid en net zo min op basis van geloof, ras of welk kenmerk dan ook. Verzekeraars mogen voor een specifieke groep collectieve afspraken maken en een collectiviteitskorting geven, maar zijn hiertoe niet verplicht. Hiervoor kunnen groepen geselecteerd worden en het staat verzekeraars vrij welke afspraken er gemaakt worden, mits de korting het wettelijk maximum maar niet te boven gaat.
Zorgverzekeraar Zilveren Kruis heeft naast werkgeverscollectiviteiten ook collectiviteiten van patiënten- en thuiszorgorganisaties, ouderenbonden en gemeentecollectiviteiten. Zilveren Kruis heeft aangegeven bij collectiviteitsafspraken geen onderscheid te maken naar godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of seksuele geaardheid. Uiteraard moet elke organisatie voldoen aan wettelijke regels.
In hoeverre acht u een collectiviteit met een dergelijke organisatie passend bij de oorspronkelijke doelstelling van de wet, waarin een verzekeraar specifieke brancheafspraken kan maken met werkgevers voor werknemers met vergelijkbare gezondheidsrisico’s?
Het staat verzekeraars vrij om met groepen verzekerden collectieve zorgafspraken te maken. Dat geldt niet alleen voor werkgevers, maar ook voor bijvoorbeeld bonden, patiëntenverenigingen en gemeenten.
Wel ben ik kritisch ten aanzien van collectieve verzekeringen die géén specifieke aanvullende zorgafspraken maken voor de doelgroep, waardoor de korting niet wordt gelegitimeerd vanuit de zorg. Dan is die verzekering feitelijk een kopie van de basispolis, waarbij de een wel korting krijgt en de ander niet. Daar zie ik geen meerwaarde in.
Zilveren Kruis heeft aangegeven afscheid te nemen van collectiviteiten waar zorginhoudelijke afspraken niet mogelijk zijn of geen meerwaarde hebben. In het kader van de afbouw van collectiviteiten zonder zorginhoudelijke meerwaarde toetst Zilveren Kruis of collectiviteiten een waardevolle bijdrage leveren aan preventie, gezondheidswinst, zelfredzaamheid en/of duurzame inzetbaarheid.
Kunt u aangeven welke zorginhoudelijke winst de collectiviteit van Zilveren Kruis met Milli Görüs heeft?
Zilveren Kruis geeft aan dat er voor verzekerden met een migratieachtergrond meer dan gemiddeld leefstijlgerelateerde aandoeningen voorkomen, zoals hart- en vaatziekten; maagklachten en suikerziekte. Betere communicatie, bewustwording en activatie op leefstijl kan via een collectiviteit versterkt worden via diverse communicatiekanalen.
Ik begrijp dat Zilveren Kruis in gesprek is met Milli Görus om te kijken of verdere zorginhoudelijke afspraken mogelijk zijn en of er op termijn voldoende zorginhoudelijke meerwaarde kan worden gecreëerd op het gebied van gezondheidswinst, preventie en zelfredzaamheid om een korting te rechtvaardigen.
Kunt u aangeven welke bijzondere vergoedingen er onderdeel zijn van deze collectiviteit die niet via een andere verzekering verkregen kan worden?
Zilveren Kruis geeft aan dat met de collectiviteit wordt ingezet op het realiseren van gezondheidswinst door het bieden van effectieve communicatie met de doelgroep en activatie van de doelgroep op leefstijl. Extra aanvullende vergoedingen zijn nu geen onderdeel van de collectiviteit.
Bent u bereid in de uitvoering van de motie Becker c.s. voor een contrastrategie tegen de actieve diasporapolitiek uit Turkije ook specifieke maatregelen te overwegen die voorkomen dat Nederlanders met een Turkse achtergrond zelfs via de zorgverzekering beïnvloed worden vanuit Turkije? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?1
Het kabinet beschikt niet over informatie die aantoont dat er via de keuze voor deze collectiviteitskorting van de zorgverzekering sprake is van een vorm van ongewenste buitenlandse inmenging. Als gevolg hiervan zie ik géen toegevoegde waarde in het nemen van de door u gevraagde specifieke maatregelen.
Kinderen die seksueel zijn misbruikt en onvoldoende hulp krijgen |
|
Lisa Westerveld (GL), Niels van den Berge (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Hebt u het item «Misbruikslachtoffer Stephanie (16) zwaar in problemen na verkeerde diagnose» in Hart van Nederland gezien?1
Ja
Bent u het eens met de conclusie dat vaak niet wordt herkend dat slachtoffers een post-traumatische stresstoornis ontwikkelen na seksueel misbruik?
Het blijkt in de praktijk moeilijk om te herkennen wanneer als gevolg van seksueel misbruik een posttraumatische stressstoornis ontwikkeld is. Dit heeft meerdere oorzaken. Voor slachtoffers is het lastig om over seksueel misbruik te spreken omdat bijvoorbeeld schaamte en angst een rol spelen. Daarnaast zijn signalen van seksueel geweld niet altijd zichtbaar omdat ook andere ernstige problematiek aan de orde kan zijn. Hierdoor blijft de nodige hulp voor onderliggende problemen soms achterwege.
Zo ja, wat kunt u doen om het herkennen van seksueel misbruik onder hulpverleners te verbeteren?
Het herkennen van seksueel geweld en de gevolgen is een belangrijke stap in de hulpverlening. Daarom zijn we op verschillende manieren bezig om dit met hulpverleners te verbeteren.
Binnen het programma Geweld hoort nergens thuis is specifieke aandacht voor slachtoffers van seksueel misbruik. Met het programma zetten we in op het verbeteren van traumascreening en het organiseren van meer traumahulp. Komende periode wordt verder gewerkt aan:
Dat regio’s en organisaties beschikken over handvatten voor (a) het maken van de afweging óf en wanneer traumascreening nodig is, (b) het uitvoeren van traumascreening en (c) het monitoren van de traumascreening en -behandeling.
Dat regio’s en organisaties in staat worden gesteld om bepaalde groepen kinderen en gezinnen de juiste traumahulp te bieden. Het gaat dan in ieder geval om de gezinnen en kinderen die in de Vrouwenopvang zitten, bij Veilig Thuis bekend zijn, in beeld zijn van een GI, in behandeling zijn bij een van de drie «Multidisciplinaire centra onder één dak» of onderdeel uitmaken van de MDA++-aanpak.
Daarnaast ondersteunt het Ministerie van VWS, mede ter uitvoering van de motie Kuiken, de uitvoering van de pilots High Intensive Care & High Safety. De aanbieders Fier, Spirit en Sterk Huis ontwikkelen via deze pilots alternatieven voor gesloten plaatsingen en gaan na welke alternatieven wel en niet werken. De opbrengsten van deze pilots worden gedeeld met de gehele sector.
Momenteel wordt binnen het programma Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming een richtlijn trauma ontwikkeld. Deze richtlijn heeft tot doel de traumasensitiviteit onder jeugdprofessionals te vergroten om over- en onderdiagnostiek van traumagerelateerde problemen zo veel mogelijk te voorkomen
Bij de Centra Seksueel Geweld kunnen slachtoffers van seksueel geweld in de acute fase medische en psychische hulp krijgen, waaronder traumabehandeling.
Tot slot is de Minister voor Rechtsbescherming recent een landelijke campagne gestart om mensen die seksueel geweld hebben meegemaakt te motiveren hulp te zoeken. Dankzij de campagne, «wat kan mij helpen», waaronder de bijbehorende website (www.watkanmijhelpen.nl) kunnen mensen die een ongewenste seksuele ervaring hebben gehad zien wat anderen hebben meegemaakt, waarom zij professionele hulp hebben gezocht en vooral ook wat hen dat heeft gebracht.
Met de hierboven beschreven ontwikkelingen zetten wij ons gezamenlijk in om slachtoffers te ondersteunen in het zoeken van hulp.
Klopt de analyse van onderzoeker Peer van der Helm dat 300 tot 400 meisjes in Nederland verkeerd gediagnosticeerd zijn na seksueel misbruik? En ongeveer 10 procent binnen vier jaar komt te overlijden? Zo nee, welke cijfers zijn u bekend?
Uit navraag over deze cijfers blijkt dat de heer van der Helm een ruwe schatting heeft gemaakt van de prevalentiecijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek over patiënten met eetstoornissen van 18 jaar en ouder2 en suïcide onder jongeren.3 Er is bekend dat kwetsbare jongeren die te maken hebben met multi-problematiek in 60% van de gevallen ook ervaring hebben met seksueel geweld of misbruik.4 Op basis van een combinatie van deze cijfers is de schatting gemaakt.
De precieze aantallen zijn niet bekend, onder andere omdat jongeren vaak veel verschillende diagnoses of problemen hebben waar seksueel geweld één van de oorzaken van is.
Herkent u het signaal van Stephanie die aangeeft dat ze «van het kastje naar de muur is gestuurd»? Zo ja, hoe kan het dat kinderen en jongeren die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik zo vaak worden doorverwezen?
Het is belangrijk dat jongeren met complexe en/of meerdere problemen een goede diagnose krijgen om te zorgen dat zij de juiste hulp en zorg krijgen. Het signaal dat het bij kinderen en jongeren met complexe en weinig voorkomende problematiek nog onvoldoende lukt om op tijd, de juiste hulp, op de juiste plek te krijgen, herken ik. De kern van de problematiek wordt in de regel gedurende de behandeling duidelijk en pas als de behandelrelatie op gang komt, ontstaat er bij de cliënt ruimte om hierover te praten. Seksueel misbruik speelt bij iedere cliënt een eigen specifieke rol in de problematiek. Het is daarom moeilijk bij kinderen en jongeren met complexe en weinig voorkomende problematiek om tijdig de juiste hulp, op de juiste plek te krijgen. Zo wordt bij slachtoffers van seksueel geweld niet altijd de onderliggende problematiek tijdig herkend. Ook is het huidige aanbod nog te veel op enkelvoudige specialistische jeugdhulp ingericht/toegerust. Meervoudige problematiek vraagt om een integrale benadering, behandeling van meerdere aspecten en onderliggende problematiek. Ik herken dan ook het signaal van Stephanie. Daarom ben ik niet alleen bezig met het inzetten op het beter en vaker herkennen (van de gevolgen) van seksueel misbruik en traumascreening, maar ben ik ook gestart met de inrichting van de regionale expertisecentra gespecialiseerde jeugdhulp. Met de expertisecentra willen we bereiken dat in Nederland ook voor kinderen met complexe, weinige voorkomende, problematiek goede hulp tijdig beschikbaar is.
Bent u bereid om meer gegevens inzichtelijk te maken over seksueel misbruik en hulptrajecten voor kinderen en jongeren, zoals hoe lang het duurt voordat de juiste diagnose wordt gesteld, hoe vaak kinderen en jongeren worden doorverwezen en hoelang het duurt voordat ze in een behandeltraject zitten?
Jeugdproblematiek van deze aard ontwikkelt zich dynamisch, zo ook de aard en ernst daarvan. Geestes- en gedragsproblematiek is moeilijk meetbaar te maken omdat er meerdere factoren een rol spelen. Het delen van misbruik door de cliënt en het stellen van «de juiste diagnose» vraagt om vertrouwelijkheid tussen behandelaar en cliënt. Die vertrouwelijkheid (en daarmee de behandeling) wordt geschaad als er bijvoorbeeld bij het eerste contact direct naar wordt gevraagd.
Binnen deze context doe ik er alles aan om de problematiek zo zichtbaar mogelijk te maken. Hierom is dossieronderzoek verricht naar het voorkomen van seksueel geweld bij kinderen in jeugdhulp waar we vermoeden dat deze het meest voorkomt. Zo weten we vanuit het CBS onderzoek5 dat tussen de 2.5 en 4.1% van jongeren in jeugdhulp seksueel slachtofferschap een rol in de aanleiding speelt voor de hulp. Bij ongeveer 40% van de kinderen die in 2016 gesloten jeugdhulp hebben ontvangen, was dit mede naar aanleiding van seksueel geweld. Meisjes worden elf keer zo vaak gesloten geplaatst als jongensslachtoffers van seksueel geweld.
Naar aanleiding van de aanbeveling van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen6 om meer zicht te krijgen op de aanleiding van kindermishandeling en seksueel geweld van jeugdhulp, laat ik samen met de Nationaal Rapporteur onderzoek doen of er alternatieve mogelijkheden zijn om het voorkomen van seksueel geweld in beeld te krijgen zodat professionals hier beter op in kunnen spelen.
Is bekend hoeveel kinderen en jongeren die slachtoffer zijn van seksueel misbruik nu nergens terecht kunnen voor een behandeling? Hoe kan het dat er te weinig beschikbare plekken zijn waar kinderen en jongeren terecht kunnen voor hulp?
De gevraagde cijfers zijn niet bekend. Zie verder mijn antwoord op vraag 5.
Wat vindt u ervan dat jongeren die slachtoffer zijn van seksueel misbruik of geweld, nog steeds regelmatig in een isoleercel terechtkomen?
Zie antwoord 9.
Bent u het eens met de stelling dat dwangmaatregelen (zoals opsluiting en fixeren) herbelevingen kunnen oproepen en trauma’s veroorzaken? Bent u het met ons eens dat dwangmaatregelen mede om deze redenen niet opgelegd mogen worden aan jongeren die slachtoffer zijn van seksueel misbruik?
Dat jongeren die slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik of geweld in een isoleercel terechtkomen zou niet moeten gebeuren. Want we weten dat een dergelijke gedwongen afzondering traumatiserend kan worden. Niet voor niets is de doelstelling uit het actieplan «De best passende zorg voor kwetsbare jongeren» om het gedwongen afzonderen in 2021 met 80% te verminderen. De haalbaarheid zal de komende jaren blijken uit nieuwe metingen. De ervaringen in de ggz leren dat het een weerbarstig vraagstuk is. Een positieve ontwikkeling is dat de IGJ in hun Factsheet Terugdringen vrijheidsbeperkende maatregelen geconstateerd heeft dat alle instellingen voor gesloten jeugdhulp bezig zijn met het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen.7
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de afspraken die u heeft gemaakt met de jeugdzorgsector om het aantal afzonderingen fors terug te dringen?
Om op termijn te stoppen met de afzondering in de jeugdzorg, worden, zoals benoemd in de derde voortgangsrapportage van het Actieprogramma Zorg voor de Jeugd8, de volgende stappen gezet:
Er is een brede definitie opgesteld.
Er is reeds een nulmeting beschikbaar. Dit vormt het startpunt en geeft een analyse van de omvang van het probleem.
Er worden twee nieuwe metingen uitgevoerd om de voortgang te monitoren.
De instellingen zijn begonnen met het vervolg van het project «Ik laat je niet alleen» met als doel het aantal gedwongen afzonderingen te verminderen. Volgend voorjaar wordt dit meegenomen in de meting.
Er wordt een overzicht ontwikkeld over de verminderingen van gedwongen afzonderingen en good practices ten aanzien van alternatieven worden gedeeld.
Er komt een voorstel voor registratie en definitieve inrichting van de landelijke monitor gedwongen afzonderen in samenspraak met instellingen.
De IGJ ontwikkelt, op basis van de factsheets terugdringen vrijheidsbeperking gesloten jeugdhulp, jeugd-ggz en jeugd-lvb, voor de zomer van 2020 een nieuw toetsingskader.
De ministers van VWS en JenV bereiden een wetsvoorstel voor waarin de rechtspositie van jeugdigen in gesloten jeugdinstellingen zoveel mogelijk geharmoniseerd wordt.
Wat is de laatste stand van zaken ten aanzien van uw gesprekken met gemeenten over het oplossen van de problemen bij het Centrum Seksueel Geweld?
De CSG’s hebben bij de VNG aangegeven onvoldoende middelen te hebben. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de financiering en regionale borging van de 16 CGS’s binnen het gemeentelijk zorg- en ondersteuningsaanbod. Het is aan gemeenten om besluiten te nemen over de begrotingen van de 16 CSG’s en met hen afspraken te maken binnen welk budget dat kan. De VNG heeft ons geïnformeerd dat het merendeel van de betrokken gemeenten de voor 2020 door «hun» CSG ingediende begroting te zullen honoreren. De overige gemeenten zullen hier binnenkort een beslissing over nemen. Verder bereiden VWS, VNG en JenV momenteel een onderzoek voor dat meer inzicht moet geven in de ontwikkelingen en de financiering van het CSG.
Niet-Nederlanders in de krijgsmacht |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat marechausseevacatures via Randstad geen melding maken van de nationaliteitseis, terwijl art. 4a van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) bepaalt dat bij de werving informatie wordt verschaft over de eis dat kandidaten het Nederlanderschap bezitten?1
De genoemde vacatures die door Randstad worden gepubliceerd zijn in het kader van de pilot «adaptief aan de grens» voor de functie van grenswachter. Dit zijn burgerfuncties waarop niet het AMAR, maar het Burgerlijk ambtenarenreglement Defensie (BARD) van toepassing is. Het AMAR is enkel van toepassing op militaire ambtenaren.
Er worden geen kandidaten aangesteld die niet aan de wettelijke eisen voldoen. Een veiligheidsonderzoek en het verkrijgen van een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) zijn voorwaardelijk voor de aanstelling als grenswachter.
Bent u bekend met het feit dat art. 11 AMAR voorziet in de mogelijkheid om in bijzondere gevallen af te wijken van de nationaliteitseis? Kunt u aangeven of, en zo ja hoe vaak, van de nationaliteitseis is afgeweken? Kunt u daarbij ook aangeven waaruit deze functies en vacatures bestaan en welke redenen ten grondslag lagen aan het afwijken van de nationaliteitseis? Zo nee, waarom niet?
Ja, artikel 11 AMAR biedt een mogelijkheid om in bijzondere gevallen, en voor de vervulling van een tijdelijke functie, af te wijken van de eisen voor aanstelling in een militaire functie zoals genoemd in artikel 5 lid 1 AMAR, waaronder het hebben van de Nederlandse nationaliteit.
Uit een zoekslag in het personeelssysteem op het aanstellingsartikel 11 AMAR blijkt dat er in het verleden zeven personen met een niet-Nederlandse nationaliteit tijdelijk als militair zijn aangesteld op basis van dit artikel. Het betrof in alle gevallen tolken die in de periode 2004–2007 tijdens buitenlandse missies tijdelijk zijn aangesteld als tolk omdat hier tijdens de missie behoefte aan was.
Het bericht ‘Vreemdelingenadvocaten: 'Curaçao zet Venezolanen collectief uit’ |
|
Antje Diertens (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Vreemdelingenadvocaten: «Curaçao zet Venezolanen collectief uit»»?1
Ja.
Klopt het dat vreemdelingen op Curaçao collectief worden uitgezet naar Venezuela, terwijl een individuele beoordeling verplicht is? Zo ja, wat is uw oordeel hierover? Zo nee, wat is er, volgens u, dan aan de hand?
In mijn brieven van 27 september jl. (Kamerstuk 29 653, I) en van 2 juli jl. (Kamerstuk 29 653, F) meldde ik dat de autoriteiten van Curaçao hebben medegedeeld dat vreemdelingen die worden aangetroffen zonder een geldige verblijfstitel afzonderlijk geïnterviewd worden over hun redenen van verblijf in Curaçao. Indien uit hun antwoorden blijkt dat zij mogelijkerwijs een beroep zouden kunnen doen op de artikel 3 EVRM-procedure, dan kunnen zij vervolgens een officieel verzoek indienen dat vervolgens individueel getoetst wordt. Indien vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel na te zijn gehoord geen aanvraag willen indienen, dan wel na individuele toetsing geen aanspraak maken op bescherming, dan kunnen zij door de autoriteiten van Curaçao teruggestuurd worden naar hun land van herkomst.
Ik deel de mening dat als de aangepaste procedure voor bescherming op grond van artikel 3 EVRM correct wordt nageleefd, het niet mogelijk moet zijn dat personen zonder individuele toetsing collectief worden uitgezet. Ik wil benadrukken dat de uitvoering van het migratiebeleid een landsaangelegenheid betreft. Het is niet aan de regering van Nederland, maar aan de rechterlijke macht in Curaçao om in eventueel voorkomende gevallen te beoordelen in hoeverre er zich onregelmatigheden voordoen bij een uitzetting.
Het klopt dat er in november 2019 in totaal 97 personen bij Curaçao door de Kustwacht zijn onderschept. De autoriteiten van Curaçao hebben aangegeven dat zij bij deze personen de hierboven beschreven werkwijze hebben toegepast. De autoriteiten van Curaçao hebben mij tevens laten weten dat 1 persoon een verzoek tot bescherming op grond van artikel 3 EVRM heeft ingediend. Verder hebben de autoriteiten van Curaçao medegedeeld dat 1 persoon was aangehouden wegens verdenking van een strafbaar feit. Volgens de autoriteiten van Curaçao zijn de overige 95 personen – na individuele beoordeling in november 2019 – teruggestuurd naar hun land van herkomst. Deze personen hebben geen verzoek tot bescherming op grond van artikel 3 EVRM ingediend en verbleven zonder geldige verblijfstitel op het eiland.
Deelt u de mening dat als de nieuwe Procedure voor bescherming op grond van artikel 3 EVRM correct wordt nageleefd, het niet mogelijk moet zijn dat mensen collectief worden uitgezet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in de afgelopen weken 97 mensen zijn onderschept, terwijl zij met bootjes probeerden Curaçao te bereiken? Klopt het dat hiervan 22 mensen een beroep op bescherming hebben gedaan? Waar zijn deze 22 mensen nu? Waar zijn de overige mensen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel mensen hebben er sinds begin 2019 in totaal vastgezeten in vreemdelingenbewaring in het Sentro di Detenshon i Korekshon Kòrsou (SDKK)?
De autoriteiten van Curaçao hebben mij laten weten dat sinds het begin van 2019 tot en met 17 december 2019 er bij 523 personen de maatregel vreemdelingenbewaring is opgelegd en dat er op 16 december 2019 58 personen verbleven in de vreemdelingenbewaring bij het SDKK. De betreffende autoriteiten hebben mij medegedeeld dat aan advocaten op gezette tijden toegang tot de vreemdelingenbewaring bij het SDKK wordt verleend en de advocaten in staat worden gesteld juridische bijstand te verlenen aan de personen aan wie de maatregel vreemdelingenbewaring is opgelegd. Het kabinet acht het van belang dat in het kader van goed en deugdelijk bestuur de landen in het Koninkrijk de nodige werkprocessen hebben ingericht om de personen te informeren over hun rechtspositie en rechtsmiddelen. Volgens de autoriteiten van Curaçao is het voorlichtingsmateriaal over de procedure op dit moment enkel in het Nederlands beschikbaar en wordt dit op korte termijn vertaald in het Spaans, Engels en Papiaments. De vreemdelingen worden wel mondeling in het Spaans, Engels of Papiaments over de procedures door de verantwoordelijke autoriteiten geïnformeerd.
Hoeveel mensen zitten er momenteel in vreemdelingenbewaring? Hebben zij toegang tot juridische ondersteuning? Zo ja, op welke wijze worden vreemdelingen hierop gewezen? In welke talen is de tekst van de Procedure beschikbaar?
Zie antwoord vraag 5.
Hoeveel minderjarigen zitten er momenteel vast? In hoeverre is er een speciale procedure voor minderjarige vreemdelingen? Zo nee, acht u dit noodzakelijk in het licht van internationale regels?
De autoriteiten van Curaçao hebben mij laten weten dat er geen minderjarigen verblijven in de vreemdelingenbewaring. Curaçao is gebonden aan het EVRM en dient – ook daar waar het gaat om minderjarige vreemdelingen – de hieruit voortvloeiende verplichtingen na te komen. De autoriteiten van Curaçao hebben aangegeven dat er voor de verantwoordelijke uitvoerende diensten over de bejegening, opvang en terugkeer van minderjarige vreemdelingen specifieke richtlijnen zijn.
Op welke wijze houdt het Koninkrijk toezicht op de vraag of Curaçao zich houdt aan zijn internationale verplichtingen? Kunt u bevestigen dat de nieuwe Procedure voor bescherming op grond van artikel 3 EVRM correct wordt nagevolgd en uitgevoerd?
Voor de reactie op het eerste gedeelte van deze vraag, verwijs ik u naar mijn brief van 27 september jl. (Kamerstuk 29 653, I). In deze brief ging ik uitgebreid in op de verhoudingen binnen het Koninkrijk. Het is aan de rechterlijke macht van Curaçao om in een voorliggend geval te toetsen in hoeverre de aangepaste procedure correct door de autoriteiten aldaar wordt nagevolgd en uitgevoerd.
Hoeveel mensen op Curaçao hebben een beroep gedaan op bescherming op grond van de nieuwe procedure? Hoeveel daarvan zijn er toegewezen? Hoe vaak is bezwaar, respectievelijk beroep, ingesteld? Hoeveel procedures lopen er nog?
De autoriteiten van Curaçao hebben mij laten weten dat sinds de aangepaste aanvraagprocedure in de zomer van 2019 door de Raad van Ministers werd aangenomen er 26 personen een beroep hebben gedaan op bescherming op grond van artikel 3 EVRM. Daarbij hebben de betreffende autoriteiten aangegeven dat deze 26 aanvragen nog in behandeling zijn. In de laatste drie maanden van 2019 zijn er 117 vreemdelingen door Curaçao uitgezet naar Venezuela.
Hoeveel vreemdelingen zijn er de laatste drie maanden uitgezet naar Venezuela?
Zie antwoord vraag 9.
Klopt het dat Nederlandse militairen helpen bij het beveiligen van migranten uit Venezuela?2
Defensie heeft van 27 november tot 30 november 2019 op incidentele basis uitvoering gegeven aan een verzoek tot militaire bijstand van het land Curaçao. In reactie op de vraag van het lid Van Raak (SP) tijdens de Regeling van Werkzaamheden op 28 november 2019 over hulp en bijstand kan ik u overigens melden dat het Nederlandse kabinet geen aanvullend verzoek om onderlinge bijstand (op grond van artikel 36 Statuut) van de regering van Curaçao heeft ontvangen.
Welke taken vervullen de Nederlandse militairen precies en waarom? Op welke juridische grondslag vervullen zij die taken?
Defensie heeft, onder het gezag van de regering van Curaçao, militaire bijstand geleverd in het kader van de handhaving van de openbare orde door te ondersteunen bij de bewaking en beveiliging van een tijdelijke opvanglocatie voor een recente groep aangehouden vreemdelingen. De juridische grondslag voor militaire bijstand is het koninklijk besluit (3 juli 1987) «Aanwijzingen inzake de inzet van de krijgsmacht in de Nederlandse Antillen & Aruba», in casu artikel 1, tweede lid.
Welke (juridische) gevolgen heeft het voor Nederland, indien zou blijken dat de uitzettingen juridisch niet correct zijn en Nederlandse militairen een bijdrage leveren aan het bewaken van migranten die worden uitgezet? Is dit risico afgewogen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u inzicht geven in de afweging?
Voor het land Nederland zijn er in een dergelijk geval geen juridische gevolgen. Uitzetting en de handhaving van de openbare orde zijn aangelegenheden van het land Curaçao. Daarbij stelt niet de Nederlandse regering, maar de Raad van Ministers van het Koninkrijk der Nederlanden, formeel de krijgsmacht tijdelijk ter beschikking ten behoeve van militaire bijstand ter handhaving van de openbare orde. Deze militaire bijstand heeft Defensie onder het gezag van de regering van Curaçao verleend.
Bij iedere besluitvorming over militaire bijstand maakt Defensie een risico-inschatting. Er heeft tevens overleg met de lokale autoriteiten plaatsgevonden over de voorwaarden waaronder bijstand zou worden verleend, over de staat van de te bewaken en beveiligen locatie en de omstandigheden waaronder de tijdelijke opvang zou plaatsvinden. Zo is bijvoorbeeld geverifieerd of er sprake was van humane omstandigheden (voedsel, sanitair, bedden, etc.) en in hoeverre de opgevangen vreemdelingen toegang hadden tot juridische bijstand.
Zijn de verbeteringen van het mannenblok van het SDKK inmiddels afgerond? Zo nee, waarom niet? Wanneer verwacht u dat deze verbeteringen zijn afgerond?
De autoriteiten van Curaçao hebben mij eind 2019 laten weten dat in het eerste kwartaal van 2020 de laatste verbeteringen aan het mannenblok van de vreemdelingenbewaring bij het SDKK worden gerealiseerd. In het bijzonder gaat het hierbij om de bouw van een overdekte recreatiezaal. De betreffende verbeteringen werden mede bekostigd door de € 132.000 die Nederland beschikbaar stelde en welke toezag op de verbouwing en verbetering van het mannenblok in de vreemdelingenbewaring bij het SDKK.
Het werkdrukonderzoek Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) 2020 van FNV onder gevangenispersoneel |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van de eerste uitkomsten van het werkdrukonderzoek van FNV? Komen deze uitkomsten voor u als een verrassing?1
Ik heb kennis genomen van de uitkomsten in het nieuwsbericht. De signalen van werkdruk zijn bekend. Ook uit eerdere onderzoeken, laatstelijk uit het advies van de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) «Spanning in detentie», blijkt dat dit een belangrijke opgave is voor de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI).
Hoe verklaart u dat de werkdruk door medewerkers binnen DJI nog hetzelfde wordt ervaren als twee jaar geleden?
De FNV heeft een nieuwsbericht gepubliceerd over de uitgevoerde enquête. Ik ben nog in afwachting van de publicatie van het rapport van de FNV. Vooruitlopend daarop zijn, zoals gezegd, de signalen van een hoge werkdruk mij bekend. De personele bezetting binnen DJI is al langere tijd een uitdaging door het natuurlijk verloop en een krappe arbeidsmarkt. Daarnaast is er ook sprake van een toegenomen capaciteitsbehoefte, waarover ik uw Kamer ook heb geïnformeerd, waarvoor ook personeel beschikbaar moet zijn.2
DJI werkt hard aan het duurzaam verminderen van de werkdruk. Het is een belangrijk onderdeel van het convenant dat is afgesloten tussen DJI, de bonden en de centrale ondernemingsraad. Onontbeerlijk daarbij is dat de personele bezetting op orde is. Al lange tijd wordt er daarom volop geworven. Sinds mei 2017 is bij DJI ruim 3.000 fte aan nieuwe medewerkers ingestroomd. Ondanks de krappe arbeidsmarkt en natuurlijke uitstroom is de personele bezetting van DJI daardoor in 2019 met 450 fte gestegen. DJI doet er alles aan om nog meer personeel aan te trekken.
Naast werving investeert DJI in behoud van personeel met investeringen in vakmanschap door het aanbieden van opleidingen en door de aanpak van ziekteverzuim. In mijn beleidsreactie op het rapport van de RSJ «Spanning in detentie» ga ik hier voor het gevangeniswezen nader op in.
Trekt u het zich aan dat meer dan driekwart van het personeel aangeeft dat de werkdruk het afgelopen jaar is toegenomen? Zo ja, kunt u eens reflecteren op uw eigen rol bij deze verhoogde ervaren werkdruk?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u, gezien het feit dat het personeel aangeeft dat het vele meerpersoonscelgebruik leidt tot hogere werkdruk, bereid om het beleid aangaande meerpersoonscelgebruik te herzien? Zo nee, waarom niet?
Meerpersoonscellen zijn een volwaardige detentiefaciliteit. Zij stellen DJI in staat flexibel in te spelen op ontwikkelingen in de bezetting. Tegelijkertijd zijn zij niet voor elke gedetineerde geschikt. Er wordt rekening gehouden met contra-indicaties.
Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen van het lid Van Nispen ben ik mij ervan bewust dat er bij medewerkers en directeuren zorgen leven ten aanzien van het gebruik van meerpersoonscellen.3 Ik erken ook dat het extra aandacht vergt van het personeel om de plaatsing van gedetineerden in een meerpersoonscel in goede banen te leiden. Bij het bepalen van de benodigde personele inzet wordt dan ook gekeken naar het aantal gedetineerden en niet naar het aantal cellen. In geval van meerpersoonscelgebruik groeit het aantal personeelsleden mee met het aantal gedetineerden in de inrichting. De veiligheid van medewerkers en van gedetineerden staat altijd voorop. Toepassing van meerpersoonscelgebruik gebeurt verantwoord.
Bent u bereid de 100 miljoen euro die vanaf 2017 voor vier jaar was bedoeld, structureel te maken? Zo nee, waarom niet?
De 100 miljoen is bestemd voor een kwaliteitsimpuls in het personeelsbeleid voor de periode 2019–2021. We zijn nu halverwege het traject. Van belang is op de eerste plaats om met de nog gereserveerde middelen ook de komende twee jaar verder te werken aan het verbeteren en borgen van de veiligheid, kwaliteit en verantwoorde werkdruk van het personeel. Daarna zal afgewogen moeten worden of verdere investeringen nodig zijn.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen, aanvullend op het huidige beleid, om de werkdruk binnen de gevangenissen te verlagen en de veiligheid te verhogen?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Onderzoek: een op de drie vluchten vanaf Schiphol zou ook per trein kunnen’ |
|
Rutger Schonis (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het onderzoek waaraan wordt gerefereerd in het betreffende artikel?1 Zo ja, hoe oordeelt u over de conclusies?
Ik ken het onderzoek. Het rapport van Royal HaskoningDHV presenteert gegevens met betrekking tot vluchten van en naar Schiphol Airport, Rotterdam-The Hague Airport en Eindhoven Airport, maar trekt geen conclusies.
In het rapport is gekeken naar bestemmingen die hemelsbreed maximaal 750 kilometer van die luchthavens gelegen zijn. De reisafstand en -tijd over land kunnen in de praktijk (veel) groter zijn. Het rapport kijkt niet naar de mate waarin de trein op die bestemmingen ook daadwerkelijk een kansrijk alternatief is. Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) heeft in 2018 in het rapport «Substitutiemogelijkheden van luchtvaart naar spoor» inzichtelijk gemaakt voor welke bestemmingen de trein een kansrijk alternatief zou kunnen zijn. Op basis hiervan werk ik samen met partijen uit de spoor- en luchtvaartsector aan een actieplan ter versterking van de internationale trein en van de interactie tussen trein en vliegtuig.
Hoe groot is de rol van het toerisme op het aantal vluchten van en naar Nederlandse vliegvelden? Hoeveel vluchten zijn dit in totaal en hoeveel personen worden er met het doel toerisme vervoerd?
Op één vlucht zitten over het algemeen passagiers met uiteenlopende reismotieven. Het is daarom lastig om aan te geven hoe groot de rol is van passagiers met een toeristisch motief op het aantal vluchten naar Nederlandse vliegvelden. In het rapport «Economisch belang marktsegmenten Schiphol» van SEO (2018) is wel een schatting gemaakt van het aantal vluchten naar typische vakantiebestemmingen. Dit blijkt 10% van het totaal aantal vluchten op Schiphol te zijn. Dit aandeel is uiteraard afhankelijk van de gekozen definitie en bovendien is het zeker niet zo dat er geen vakantiepassagiers op de overige 90% van de vluchten op Schiphol zitten. De verhouding tussen de verschillende soorten passagiers was op Schiphol in 2018 als volgt: 33% van alle passagiers op Schiphol heeft een zakelijk motief (inclusief congres en studie), 46% gaat op vakantie (en heeft dus een toeristisch motief), 20% bezoekt vrienden of familie en 1% heeft een overig motief (bron: Schiphol Group). Uit de reizigersmonitor 2017 van Eindhoven Airport blijkt dat 73% van de passagiers op deze luchthaven een vakantiemotief heeft (inclusief weekend breaks), 14% gaat op reis om familie of vrienden te bezoeken en de rest heeft een zakelijk of overig motief. Voor de overige regionale luchthavens in Nederland zijn deze gegevens er niet voor zover mij bekend.
Wat is de economische toegevoegde waarde van het aantal vakantievluchten aan de Nederlandse economie?
Er zijn mij geen gegevens bekend over de omvang van de specifieke toegevoegde waarde van vakantievluchten of passagiers met een toeristisch motief aan de Nederlandse economie. In een onderzoek naar de actuele economische betekenis van Schiphol, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, wordt wel onder meer ingegaan op de betekenis van de groeiende toeristische sector in Nederland en de rol van luchtvaart daarbij. Dit onderzoek zal u op korte termijn worden toegestuurd.
Daarnaast zijn er studies die ingaan op de bijdrage die verbindingen door de lucht vanaf Schiphol leveren aan de welvaart van Nederland, waarbij verschillende segmenten worden onderscheiden. Welvaartsbijdrage is echter een breder begrip dan toegevoegde waarde. In het onderzoek «Het belang van leisurevervoer op Schiphol» van SEO (2019) bijvoorbeeld zijn schattingen gemaakt van de welvaartsbijdrage van leisurevervoer. SEO heeft berekend dat netwerkmaatschappijen op Schiphol jaarlijks € 2,7 miljard bijdragen aan de Nederlandse welvaart, waarvan 50% (€ 1,4 miljard) is toe te schrijven aan leisurepassagiers. Point-to-pointmaatschappijen dragen jaarlijks € 1,7 miljard bij aan de welvaart, waarvan 73% (€ 1,3 miljard) op het conto komt van leisurepassagiers. Alhoewel de resultaten voor netwerkmaatschappijen en point-to-pointmaatschappijen in deze analyse niet optelbaar zijn, kan volgens SEO wel geconcludeerd worden dat leisurepassagiers verantwoordelijk zijn voor ruim de helft van de welvaart die door de luchtvaart op Schiphol wordt voortgebracht. «Leisurepassagiers» zijn in dit onderzoek overigens passagiers die op vakantie gaan en passagiers die familie en vrienden bezoeken.
Hoeveel toeristen nemen vanuit Nederland de trein richting hun vakantiebestemming?
Internationaal reizen met de trein zit in de lift. In de zomermaanden van 2019 was er bij NS Internationaal bijvoorbeeld sprake van een gemiddelde groei van 13% over alle bestemmingen ten opzichte van dezelfde periode in 2018, waar in 2018 en 2017 ook al sprake was van een groei van respectievelijk 10% en 6,4% ten opzichte van het jaar daarvoor. Met name op de verbindingen naar Berlijn, Parijs en Brussel was een sterke groei te zien.
Desondanks gaat het grootste deel van de Nederlanders nog altijd met de auto of het vliegtuig op vakantie. In 2018 maakten Nederlanders bij binnenlandse vakanties 1,1 miljoen keer gebruik van de trein. Bij vakanties in eigen land reisde 88% van de reizigers met de auto, dit zijn 16,5 miljoen vakanties. Bij vakanties buiten de landsgrenzen reisden Nederlanders 650.000 keer met de trein van en naar hun vakantiebestemming. In 9 van de 10 gevallen werd met het vliegtuig of de auto gereisd. Het vliegtuig was goed voor 10,3 miljoen vakanties en de auto voor 9,9 miljoen vakanties (bron: CBS, CVO 2018).
Wat zijn de grootste drempels voor toeristen om de trein te laten staan en met het vliegtuig naar hun vakantiebestemming te gaan terwijl hun vakantiebestemming binnen de 750 km ligt en per trein goed bereikbaar is?
In het hierboven genoemde KiM rapport uit 2018 zijn de belangrijkste factoren benoemd op basis waarvan de trein aantrekkelijker kan worden gemaakt als alternatief voor het vliegtuig. Het gaat om reistijd/frequentie, prijs en comfort. Het in het antwoord op vraag 1 genoemde actieplan is gericht op deze factoren.
Bent u het ermee eens dat het noodzakelijk is al een alternatief voor vliegen te bieden tijdens het boeken van tickets?
Het is wenselijk dat het zoeken en boeken van internationale treintickets makkelijker wordt gemaakt. Ook zou het voor de consument gemakkelijk zijn als meer zoekmachines het mogelijk maken om reisopties via verschillende modaliteiten met elkaar te vergelijken, zoals sommige websites nu al doen. In het algemeen vind ik het belangrijk dat reizigers een goede keuze kunnen maken tussen verschillende reisopties. Dit is ook waarom ik inzet op Mobility-as-a Service (MaaS) en de 7 MaaS-pilots in ons land. De pilot in Limburg heeft daarbij een internationale dimensie, zodat ook internationaal (ov-) betalen hierin vorm zal krijgen.
Wat is de reden dat nog niet bij iedere reisorganisatie naast vliegreizen voor korte afstanden ook standaard treinreizen worden aangeboden?
Reisaanbieders bepalen zelf hun aanbod en doen dit alleen als ze het vertrouwen hebben dat het ook wordt afgenomen. Dat aanbod moet daarom aantrekkelijk zijn qua inhoud, vorm en prijs voor de klant. Er zijn dan ook regelmatig gesprekken met de reisbranche om te bespreken op welke wijze het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt aan het aantrekkelijker maken van het reizen per internationale trein. Ook belangrijk is dat de reisorganisaties de treinreizen gemakkelijk kunnen boeken. Om te bezien welke stappen daar in genomen kunnen worden zal mijn ministerie in gesprek gaan met de reisbranche en NS International.
Bent u bereid in gesprek te gaan met reisorganisaties om naast vliegreizen ook treinreizen aan te bieden?
Zie antwoord vraag 7.
Op welke manier wordt het reizen per trein voor korte afstanden aantrekkelijker gemaakt ten opzichte van vliegreizen?
Zie de antwoorden op vraag 1 en de vragen 5 tot en met 8.
Waarom heeft u ervoor gekozen te spreken tijdens de algemene ledenvergadering van de Producenten Organisatie Varkenshouders (POV)?1 2
Ik was maandag 25 november 2019 bij de Algemene Ledenvergadering van de Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV), om met varkenshouders in gesprek te gaan over dierenrechtenactivisme en -extremisme. Dit naar aanleiding van de bezetting van een varkenshouderij in Boxtel in mei 2019 en ter toelichting op de factsheet «dierenrechtenacties in de agrarische sector».
Was dit op uw initiatief of bent u ervoor uitgenodigd?
Ik was daar op uitnodiging van de POV.
Wat heeft een bezoek aan varkenshouders te maken met uw werk als Minister van Justitie en Veiligheid? Was het een ministerieel werkbezoek of een campagnestunt van het CDA?
Ik was daar als Minister van Justitie en Veiligheid. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 1.
Op basis van welke afwegingen legt u bepaalde werkbezoeken af? Welke afwegingen lagen ten grondslag aan uw bezoek aan de organisatie voor varkenshouders?
Na het incident op 13 mei jl. in Boxtel heb ik de familie waar de inval heeft plaatsgevonden bezocht, waarbij ook vertegenwoordiging van brancheorganisatie POV aanwezig was. Bij dit bezoek heb ik afgesproken om een factsheet voor de agrarische sector op te stellen. Op uitnodiging van de POV heb ik die maandag in november de ALV bijgewoond en de boeren ontmoet.
Kunt u bevestigen dat u heeft gezegd «Gooi auto’s niet meer om, zoals in Boxtel gebeurde, maar laad de auto’s van activisten op een platte kar en neem ze mee. Dan heb je ook meteen de kentekens en mogen ze de auto zelf komen ophalen. Weten we ook precies wie het zijn»?
Deelt u de mening dat dit een oproep tot diefstal is? Zo nee, hoe kan het meenemen andermans auto dan geïnterpreteerd worden?
Vindt u het gepast voor een Minister van Justitie en Veiligheid om op te roepen tot diefstal? Kunt u dat toelichten?
Kunt u bevestigen dat u heeft gezegd «met hogedrukspuit mag je activist wel verjagen»?
Bent u ervan op de hoogte dat in de gebruikshandleiding van een hogedrukspuit staat het apparaat niet op personen mag worden gericht en dat deze waarschuwing valt onder de categorie «onmiddellijk dreigend gevaar dat tot ernstige en zelfs dodelijke lichaamsverwondingen leidt»?3
Vindt u het gepast voor een Minister van Justitie en Veiligheid om op te roepen tot geweld? Kunt u dat toelichten?
Kunt u bevestigen dat u heeft gezegd dat «de dierenextremisten niet bepaald armoedzaaiers waren, en met dure auto’s naar Boxtel kwamen [...] ze hebben volop geld en middelen om dit te doen»? Op welke feiten baseert u deze uitspraak?
Kunt u bevestigen dat de dierenactivisten bij de stalbezetting in Boxtel niet zijn veroordeeld voor intimidatie en vernieling?
Dat klopt, de dierenextremisten zijn veroordeeld voor binnendringen en urenlang bezet houden van een varkenshouderij in Boxtel.
Wist u dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft geoordeeld dat de dieren bij de stalbezetting in Boxtel niet besmet zijn geraakt?4
Ja
Kunt u bevestigen dat u heeft gezegd «die dierextremisten intimideren de werknemers, slopen de boel, besmetten de dieren»? Op welke feiten baseert u deze uitspraak?
Ik verwijs naar de beantwoording van vraag 5 t/m 11.
Waarom roept u op om «rare oproepen op Twitter« te melden bij POV? Wat hoopt u hiermee te bereiken?
Indien de varkenshouders zich bedreigd voelen door diverse uitingen zoals op Twitter, dan kunnen de varkenshouders dit melden bij de politie, maar ook bij brancheverenigingen zoals POV of LTO. In de factsheet is daarover het volgende opgenomen: «Indien u twijfelt of informatie nuttig kan zijn voor de politie, kunt u advies inwinnen bij LTO. Via hen kan eveneens informatie gedeeld worden met de politie. Signalen over bijvoorbeeld op handen zijnde acties die u op sociale media aantreft, kunt u melden bij LTO. Ook andere informatie die wel relevant is voor de politie, maar niet acuut is, kunt u melden bij LTO. LTO heeft een directe lijn gekregen met de politie en kan daar meldingen maken, zo nodig gebundeld.»
Deelt u de mening dat het iedereen vrij staat oproepen te doen op Twitter, zolang zij zich aan de wet houden?
Zie antwoord vraag 15.
Deelt u de mening dat oproepen tot strafbare feiten altijd gemeld moeten worden bij de politie? Wat heeft de POV daarmee te maken?
Zie antwoord vraag 15.
Waar baseert u de uitspraak op dat «deze mensen [...] medelijden opwekken bij de rechter»? Suggereert u dat, als het waar zou zijn wat u beweert, dit invloed zou hebben op het oordeel van de rechter? Zo nee, wat bedoelt u dan?
Ik heb in dat kader – net als eerder tijdens het mondelinge vragenuur – benadrukt dat door acties getroffen boeren zich in hun reactie houden aan de wet, teneinde te voorkomen dat eventuele daders tot slachtoffer worden. Bij demonstraties komen er doorgaans veel emoties vrij. Ik ben van mening dat de Nederlandse rechters rechtvaardig rechtspreken. Ik heb op geen enkele wijze het functioneren van rechters in twijfel getrokken. Ik heb wel, zoals ook in uw Kamer tijdens het mondelinge vragenuur, aangegeven dat het van groot belang is dat ook door acties getroffen boeren niet het recht in eigen hand nemen.
Vindt u het gepast om als Minister van Justitie en Veiligheid het onafhankelijk functioneren van rechters op deze manier in twijfel te trekken?
Zie antwoord vraag 18.
Kunt u bevestigen dat u varkenshouders advies heeft gegeven hoe om te gaan met mediaoptredens? Vindt u dat bij uw taak als Minister van Justitie en Veiligheid horen?
Naar aanleiding van de onvrede over hoe het boerenbedrijf voor het voetlicht wordt gebracht in de media heb ik aangegeven dat het ook de varkenshouders vrij staat om hun verhaal te doen in de media.
Kunt u bevestigen dat u op de foto bent gegaan met een vleespakket?
Ja
Vindt u het gepast dat een Minister van Justitie en Veiligheid zich inzet als promotor van de vleesindustrie?
Het betrof een besloten bijeenkomst waarbij ik een vleespakket cadeau heb gekregen. Bij overhandiging hiervan is van mij samen met Linda Janssen, de voorzitter van de POV, en het cadeau een foto genomen. Er is geen sprake van een optreden als promotor van de vleesindustrie.
De berichten 'Datacenters in Nederland raken in wurggreep van Amerikanen' en 'Nederlandse bouwer van datacenters failliet' |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Datacenters in Nederland raken in wurggreep van Amerikanen» en «Nederlandse bouwer van datacentres failliet»?1 2
Ja, ik ben met deze berichten bekend.
Klopt het beeld dat Nederland de controle dreigt te verliezen over consumenten- en bedrijfsgegevens opgeslagen in datacenters op Nederlands grondgebied als gevolg van investeringen van Amerikaanse bedrijven in kritieke digitale infrastructuur in Nederland? Welke gevolgen kan dit hebben voor de veiligheid en autonomie van Nederland in het digitale domein?
Het is van belang om onderscheid te maken tussen datacenterdiensten, zoals het fysieke gebouw van het datacenter, de servers, en de (hosting)diensten, zoals opslag en enerzijds en de consumenten- en bedrijfsgegevens op deze servers anderzijds. In beginsel zijn datacenters alleen eigenaar en/of beheerder van het onroerend goed. De bedrijven die van het datacenter gebruik maken zijn eigenaar en/of beheerder van de servers/clouds. Enkele datacenters verlenen optioneel diensten als de verhuur van servers, of de verlening van andere diensten (zoals clouddiensten).
Datacenters zijn momenteel niet aangewezen als vitale infrastructuur. Wel is het kabinet voornemens nader onderzoek te doen naar de vraag of datacenters alsnog onderdeel moeten worden van de vitale infrastructuur. Datacenters vanaf een bepaalde omvang zijn al onder het Wetsvoorstel ongewenste zeggenschap telecommunicatie gebracht (Wozt), zodat toekomstige overnames van deze datacenters getoetst zullen worden (zie mijn antwoord op vraag3.
Wat betreft de consumenten- en bedrijfsgegevens opgeslagen in datacenters, merk ik het volgende op. Allereerst zijn de clouddiensten gereguleerd onder de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni), zodat zij maatregelen moeten treffen om de risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen te beheersen. Daarnaast is de Algemene verordening gegevensbescherming van toepassing. In het artikel worden ook zorgen geuit over de gevolgen van de CLOUD-act. Voor een eerste appreciatie van deze gevolgen verwijs ik u naar twee eerdere brieven die het kabinet naar uw Kamer heeft verzonden.4
Kunt u een overzicht geven van dergelijke datacenters in Nederland, hun locaties en eigenaars?
De rijksoverheid beschikt niet over een dergelijk overzicht. De brancheorganisatie Dutch Data Center Association heeft mij te kennen gegeven dat er ongeveer 200 datacenter locaties in Nederland zijn, met meer dan 50 verschillende Nederlandse en buitenlandse uitbaters en eigenaren.5
Wie is de eigenaar van de datacenters waarvan het Binnenhof en de verschillende departementen gebruikmaken?
In het AO Digitale Overheid van 4 december 2019 is door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegezegd uw Kamer per brief te informeren over datacenters die door de rijksoverheid in gebruik zijn. Vraag 4 en 5 zullen in die brief worden beantwoord. Deze brief zal in het eerste kwartaal van 2020 aan uw Kamer worden verstuurd.
Wat is de staat van de bekabeling van, naar en in deze datacenters? Wie is de eigenaar van deze kabels en bijgevolg (mede)verantwoordelijk voor o.a. onderhoud, vervanging, beheer en beveiliging? Zouden deze kabels in het kader van de nationale veiligheid niet voor tenminste 51 procent overheidseigendom moeten zijn? Worden deze kabels beschouwd en behandeld als een vitaal proces of een vitale dienst? Welke (veiligheids)wetgeving is hier van toepassing?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van mening dat de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie, de uitvoeringswet Europese Foreign Direct Investment Screening (FDI)-screeningsverordening en het stelsel van investeringstoetsing, die allen in voorbereiding zijn, gezamenlijk voldoende bescherming bieden tegen ongewenste overnames van kritieke digitale infrastructuur, zoals datacenters?
Ja. Het verkrijgen van overwegende zeggenschap in een aanbieder van datacenterdiensten valt onder de werking van het Wetsvoorstel ongewenste zeggenschap telecommunicatie. Voorwaarde is wel dat de partij die het datacenter overneemt daardoor relevante invloed in de telecommunicatiesector verkrijgt. Daarvan is sprake als bij de overname een zekere drempelwaarde wordt overschreden. Het voornemen is om deze drempelwaarde bij datacenterdiensten vast te stellen op een stroomcapaciteit van meer dan 40 MW. Dat wil zeggen dat een investeerder in een datacenter onder de werking van het Wetsvoorstel ongewenste zeggenschap telecommunicatie valt als hij door die investering overwegende zeggenschap verkrijgt in een of meer aanbieders van datacenterdiensten en deze diensten een stroomcapaciteit hebben van meer dan 40 MW. Hiermee valt bij de huidige marktverhoudingen naar schatting in ieder geval een overname van de grootste vier datacenteraanbieders onder de werking van het Wetsvoorstel ongewenste zeggenschap telecommunicatie. Dit betekent dat een dergelijke overname moet worden gemeld bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat en dat deze vervolgens zal worden getoetst. Mocht blijken dat de overname een gevaar op kan leveren voor openbare orde of nationale veiligheid dan kan de overname worden verboden.
Is deze berichtgeving voor u aanleiding om het (concept)wetsvoorstel voor de invoering van een investeringstoets op nationale veiligheidsrisico’s versneld naar de Tweede Kamer te sturen en niet, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 11 november 2019, pas aan het eind van 2020 (met inwerkingtreding nog veel later)? Waarom wel of waarom niet?3
De planning voor het wetgevingstraject betreffende de investeringstoets op nationale veiligheidsrisico’s is aan uw Kamer gemeld door de ministers van Economische Zaken en Klimaat en van Justitie en Veiligheid op 11 november 2019. 7De ministers verwachten de conceptwet conform ambitieuze planning eind 2020 aan uw Kamer te kunnen aanbieden.
Zoals reeds in antwoord op vraag 6 is aangegeven, valt het verkrijgen van overwegende zeggenschap in een aanbieder van datacenterdiensten onder de werking van het Wetsvoorstel ongewenste zeggenschap telecommunicatie. Dit Wetsvoorstel ligt nu voor in uw Kamer en de nota naar aanleiding van het verslag is onlangs naar uw Kamer verzonden.8
Zoals reeds in antwoord op vraag 2 is aangegeven, is het kabinet voornemens nader onderzoek te doen, naar de vraag of datacenters niet alsnog onderdeel moeten worden van de vitale infrastructuur.
Hoe wordt toezicht gehouden, zolang deze investeringstoets er nog niet is? Bent u van plan in de tussentijd aanvullende maatregelen te nemen om onze kritieke digitale infrastructuur beter te beschermen? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Wat betekent het faillissement van de Nederlandse bouwer van datacenters voor de veiligheid van Nederland? Welke wetgeving geldt hier ten aanzien van de eisen aan eigenaarschap e.d., wanneer dit bedrijf een doorstart zou maken?
Ik voorzie op dit moment geen impact van het faillissement van een leverancier van ontwerpdiensten en de bouwbegeleiding van datacenters (ICTroom) voor de veiligheid van Nederland. Er zijn meerdere (Nederlandse) spelers actief op de markt in Nederland, en daarbuiten. Bovendien is hier sprake van een groeiende markt, en verwacht ik dat er meer spelers bij zullen komen. De normale faillissementswetgeving is in dit geval van toepassing. Het verkrijgen van overwegende zeggenschap in leveranciers van ontwerpdiensten en bouwbegeleiding van datacenters, dan wel bouwers van datacenters valt niet onder de werking van het Wetsvoorstel ongewenste zeggenschap telecommunicatie.
De investeringen van Nederlandse pensioenfondsen in controversiële wapenhandel |
|
Paul Smeulders (GL), Isabelle Diks (GL), Bram van Ojik (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onderzoek van vredesorganisatie PAX namens de Eerlijke Pensioenwijzer1 waaruit blijkt dat het pensioengeld van de meeste Nederlanders deels wordt belegd in controversiële wapenhandel?2
Ja.
Onderschrijft u alle resultaten uit dit onderzoek? Zo nee, welke niet?
Het onderzoek is uitgebreid en gaat onder meer in op waar pensioenfondsen in beleggen. Het is niet mijn taak om toezicht te houden op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Dat is aan de toezichthouders Autoriteit Financiële Markt (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB). Pensioenfondsen bepalen zelf waarin zij beleggen, daar gaat het kabinet niet over. Een uitgebreidere reactie op de resultaten uit dit onderzoek volgt in antwoord op andere vragen (met name 6 en 7).
Bij het onderzoek kunnen enige kanttekeningen worden geplaatst. De eerste kanttekening is dat de onderzoekers leveranties aan een vijftigtal landen als controversieel of «fout» bestempelen. Het kabinetsbeleid is echter dat bij de beoordeling van vergunningsaanvragen voor wapenexport per transactie wordt gekeken naar het land van eindbestemming, maar ook naar de aard van het goed, het beoogd eindgebruik en wie de eindgebruiker is. Veel van deze landen hebben immers een legitieme veiligheidsbehoefte, bijvoorbeeld de bewaking van kustwateren, of dragen bij aan operaties die ook de Nederlandse veiligheid ten goede komt, bijvoorbeeld door op te treden tegen mensensmokkel of tegen terroristische groepen.
Ten tweede is enige nuancering op zijn plaats ten aanzien van de activiteiten van de genoemde bedrijven. Zoals duidelijk wordt uit de lijst van genoemde bedrijven (Honeywell, Saab, Airbus), zijn de activiteiten van deze bedrijven niet uitsluitend gericht op wapenproductie. Daarnaast zijn ook niet alle militaire goederen die zij produceren per definitie controversieel. Zo kent een radarsysteem een groot aantal legitieme en niet-controversiële toepassingen, zoals kust- en grensbewaking.
Wat vindt u ervan dat Nederlandse pensioenfondsen meer dan een 1 miljard euro beleggen in wapenbedrijven die wapens leveren aan Saudi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) en/of Egypte, landen die al jaren verantwoordelijk zijn voor bombardementen op Jemen? Wat vindt u er persoonlijk van dat een deel van uw pensioengeld hiervoor wordt gebruikt?
Het kabinet heeft de regels voor wapenexport naar Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten aangescherpt. Er worden geen nieuwe vergunningen afgegeven voor de export van militaire goederen naar deze landen, tenzij kan worden aangetoond dat deze niet in Jemen kunnen worden ingezet.
Ook landen als Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten hebben legitieme veiligheidsbehoeftes, bijvoorbeeld op het terrein van kustbewaking. Ook leveren zij bijdragen aan internationale inspanningen op veiligheidsgebied. Het wapenexportbeleid is erop gericht dat militaire goederen waarvoor een vergunning wordt afgegeven, niet worden gebruikt voor onwenselijke doeleinden, zoals interne repressie, schendingen van mensenrechten of territoriale agressie.
Ik vind het niet mijn rol om vanuit het kabinet een stelling in te nemen over het beleggingsbeleid van het ABP zolang het ABP-bestuur zich houdt aan wet- en regelgeving. Het kabinet heeft met het ABP en andere pensioenfondsen afspraken gemaakt heeft over verantwoord beleggingsbeleid binnen het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen (IMVB) Convenant Pensioenfondsen. Hierbij verwacht het kabinet dat ABP de OESO-richtlijnen naleeft en risico’s in kaart brengt en zijn invloed aanwendt om deze risico’s te voorkomen of aan te pakken.
Kunt u aangeven voor welk financieel volume wapenexportvergunningen zijn verleend voor het leveren van wapens of dual-use goederen aan Saudi-Arabië sinds het instellen van een presumption of denial in januari 2016? Welke goederen betreft het?
Sinds het instellen van de presumption of denial in januari 2016 zijn zeven exportvergunningen afgegeven voor militaire goederen en dual-use goederen met militair eindgebruik of militaire eindgebruikers naar Saoedi-Arabië.3 De totale waarde van deze vergunningen bedraagt zo’n 280.000 euro. Het betreft onder andere decontaminatieapparatuur voor Chemische, Biologische, Radiologische en Nucleaire (BRN)-dreigingen, communicatiesystemen, delen voor simulatiesystemen en kogelwerende reddingsvesten voor civiel eindgebruik.
Aug 2016
Delen voor marineradarsystemen
Saoedi-Arabië
21.400
Dec 2016
Kogelwerende reddingsvesten (civiel eindgebruik)
Saoedi-Arabië
7.750
Jan 2018
Kleppen
Saoedi-Arabië
194
Mei 2018
CBRN decontaminatieapparatuur
Saoedi-Arabië
18.795
Juli 2018
Communicatiesystemen
Saoedi-Arabië
3.608
Aug 2018
Elektronische apparatuur voor tegenmaatregelen
Saoedi-Arabië
219.850
Feb 2019
Delen voor simulatiesystemen
Saoedi-Arabië
7.500
Bron: www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/exportcontrole-strategische-goederen
Kunt u aangeven voor welk financieel volume wapenexportvergunningen zijn verleend voor het leveren van wapens of dual-use goederen aan de VAE sinds het instellen van een presumption of denial in november 2018? Welke goederen betreft het?
Sinds het instellen van de presumption of denial in november 2018 zijn twaalf exportvergunningen afgegeven voor militaire goederen en dual-use goederen met militair eindgebruik of militaire eindgebruikers naar de Verenigde Arabische Emiraten.4 De totale waarde van deze vergunningen bedraagt zo’n 6,6 mln euro. Het betreft onder andere nachtzichtkijkers, simulatiesoftware, onklaar gemaakte gepantserde voertuigen en sonarsystemen.
Dec 2018
Nachtzichtkijkers
VAE
4.500
Mrt 2019
Simulatiesoftware
VAE
2.920.793
Mrt 2019
Simulatiesoftware
VAE
2.920.793
Mrt 2019
Gepantserde voertuigen (onklaar)
VAE
215.000
Mrt 2019
Kabels voor sonarsystemen
VAE
247.578
Apr 2019
Productieapparatuur voor MK30 lanceerbuizen
VAE
12.913
Apr 2019
Delen voor sonarsystemen
VAE
137.300
Apr 2019
Delen voor sonarsystemen
VAE
16.678
Apr 2019
Kabels voor sonarsystemen
VAE
32.110
Apr 2019
Delen voor sonarsystemen
VAE
7.028
Apr 2019
Delen voor sonarsystemen
VAE
86.325
Mei 2019
Testrapport over veiligheids- en decontaminatieapparatuur
VAE
19.863
Bron: www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/exportcontrole-strategische-goederen
Hoe verhoudt het kabinetsbeleid omtrent wapenexport zich tot het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen, waar de meeste Nederlanders verplicht bij zijn aangesloten?
Het wapenexportcontrolebeleid heeft directe werking voor bedrijven die militaire goederen exporteren. Het heeft geen directe werking voor institutionele beleggers, zoals Nederlandse pensioenfondsen. Wel is er regelgeving waardoor het voor financiële ondernemingen, waaronder pensioenfondsen en verzekeraars, niet toegestaan is om te investeren in ondernemingen die clustermunitie of cruciale onderdelen daarvan produceren, verkopen of distribueren.
Hoe beoordeelt u het beleid van de wapenbedrijven uit het PAX-rapport in het kader van de internationale richtlijnen zoals de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen?
In het kader van internationale richtlijnen zoals de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen verwacht het kabinet dat Nederlandse bedrijven risico’s in kaart brengen en hun invloed aanwenden om deze risico’s te voorkomen en aan te pakken en daarover transparant verantwoording afleggen. Om dit te bevorderen worden verschillende instrumenten ingezet. Het blijft echter de verantwoordelijkheid van, in dit geval buitenlandse, bedrijven om dit te doen.
Welke mogelijkheden heeft u om ervoor te zorgen dat pensioenfondsen niet langer beleggen in wapenbedrijven die wapens leveren aan landen waarvan de Nederlandse regering stelt dat ze daarvoor geen exportvergunning af zou geven? Is dit wettelijk afdwingbaar?
Het beleggingsbeleid van pensioenfondsen is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen. Zoals hierboven aangegeven (vraag 6) zijn zij daarbij gebonden aan wet- en regelgeving (onder andere verbod op investeringen in clustermunitie).
Het kabinet vindt het belangrijk dat het beleggingsbeleid van fondsen en verzekeraars verantwoord is en vindt daarbij de fondsen en verzekeraars zelf aan zijn zijde. Daarom heeft de overheid samen met pensioenfondsen, vakbonden en maatschappelijke organisaties het IMVB-convenant gesloten. Het IMVB-convenant richt zich op de inbedding van de OESO-richtlijnen en United Nations Guiding Principles (UNGP’s) in het beleid van pensioenfondsen. Inmiddels hebben 79 pensioenfondsen het convenant medeondertekend. Zij beheren samen € 1.350 miljard en daarmee meer dan 90% van het vermogen van de Nederlandse pensioenfondsen. Een onafhankelijke monitoringscommissie en de stuurgroep van het convenant zien toe op de naleving van de afspraken en kunnen partijen aanspreken wanneer onvoldoende voortgang wordt geboekt. Meedoen aan het convenant is daarmee vrijwillig, maar niet vrijblijvend.
Tijdens de eerste jaarvergadering van het IMVB-convenant op 10 september jl. is controversiële wapenhandel een van de gespreksonderwerpen geweest. Daarbij heeft PAX een presentatie gegeven om de kennis in de pensioensector over (controversiële) wapenhandel te verdiepen.
Het Nederlandse wapenexportbeleid sluit geen landen categorisch uit van exportvergunningen, met uitzondering van landen waarvoor een internationaal wapenembargo geldt. Bij overtredingen van wapenembargo’s of de vereisten van het exportcontrolebeleid worden de exporterende bedrijven aangesproken. Het exportcontrolebeleid heeft geen directe werking op institutionele beleggers.
In hoeverre houdt u zelf in de gaten waar pensioenfondsen in beleggen? In hoeverre wordt u verrast door dergelijke onderzoeken van ngo’s?
Het beleggingsbeleid van pensioenfondsen is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen. Toezichthouders AFM en DNB houden hierop toezicht. Het is niet mijn rol om toezicht te houden op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. In het IMVB-convenant is afgesproken dat pensioenfondsen transparant zijn over hun beleggingen. Dat resulteert onder meer in de afspraak om een lijst van namen van ondernemingen en/of beleggingsfondsen waarin het vermogen is belegd op te stellen en openbaar te maken (zie ook mijn antwoord op vraag 10).5 Het is bekend dat het vermogen van pensioenfondsen met hun beleggingsportefeuille wereldwijd belegd is. Dat hierin ook wapenbedrijven voorkomen is dan ook geen verrassing. Met de aangekondigde transparantie wordt het voor alle geïnteresseerden inzichtelijk waar pensioenfondsen in beleggen.
Hoe kan het dat er ook in dit onderzoek nog steeds pensioenfondsen zijn (Pensioenfonds Vervoer, StiPP) die niet willen of kunnen aangeven in hoeverre zij in bepaalde wapenbedrijven beleggen? Waarom is dit niet wettelijk verplicht?
Navraag bij de Pensioenfederatie leert dat Pensioenfonds Vervoer en StiPP op hun website een overzicht hebben geplaatst van beleggingen. Bij Pensioenfonds Vervoer gaat het om een lijst met ondernemingen6, en bij StiPP om een lijst van fondsen waarin belegd wordt.7
In de Pensioenwet is vastgelegd dat pensioenfondsen in onder meer hun jaarverslag moeten vermelden op welke wijze in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met milieu, klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen. Het is niet wettelijk verplicht om aan te geven in welke wapenbedrijven precies wordt belegd.
Aanvullend daarop is in het IMVB-convenant Pensioenfondsen afgesproken dat aangesloten pensioenfondsen zo snel mogelijk, doch uiterlijk drieënhalf jaar na inwerkingtreding van het IMVB-convenant hun openbare rapportages zullen uitbreiden om conform de OESO-richtlijnen en de UNGP’s te rapporteren. Die rapportage en transparantie bevat onder andere een lijst van namen van ondernemingen en/of beleggingsfondsen waarin het vermogen is belegd (zie ook vraag 9). In de nulmeting van de monitoringscommissie voor het IMVB-convenant is geconcludeerd dat 25% van de fondsen op dit moment invulling heeft gegeven aan deze afspraak. De monitoringscommissie beveelt fondsen die zich hier nog niet aan houden aan om de goede voorbeelden uit de sector te gebruiken om hun communicatie op dit punt te verbeteren.
Er geldt geen wettelijke verplichting, maar het overgrote deel van de pensioenfondsen heeft zich via het IMVB-convenant wel gecommitteerd aan rapportage van een lijst namen van ondernemingen en/of beleggingsfondsen per juli 2022.
Onderschrijft u alle aanbevelingen uit dit rapport (paragraaf 5.2)? Zo nee, welke niet? Zo ja, op welke manier gaat u zich hier actief voor inzetten?
Dit zijn aanbevelingen voor pensioenfondsen, geen aanbevelingen voor het kabinet. Enerzijds zijn het aanbevelingen over welke investeringen pensioenfondsen zouden moeten uitsluiten. Beleggingsuitsluitingen zijn een verantwoordelijkheid van het pensioenfonds en het is niet aan mij om deze aanbevelingen te onderschrijven. Anderzijds wordt ook aanbevolen om bij bedrijven waar al in belegd wordt in gesprek te gaan om te zorgen dat deze bedrijven geen wapens meer leveren aan partijen waarbij het risico bestaat dat zij deze wapens zullen gebruiken bij mensenrechtenschendingen, leveringen aan corrupte of fragiele staten of staten die disproportioneel veel besteden aan militaire zaken. Een andere aanbeveling is dat fondsen als zij het gesprek aangaan bepaalde doelen moeten stellen. Mijn ervaring is dat pensioenfondsen deze aanbevelingen serieus nemen. Ik ga graag binnen de bestaande overleggen in het kader van het IMVB-convenant in gesprek met de sector om deze aanbevelingen met hen te bespreken.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Weer gedoe bij kleding defensie’ |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat er weer gedoe zou zijn met kleding binnen Defensie?1
Met de extra gelden uit het regeerakkoord investeert Defensie in haar mensen en middelen. Een belangrijk onderdeel hiervan betreft de kleding en uitrusting voor haar personeel. Voor het verbeteren van de kwantiteit en kwaliteit van de kleding en uitrusting zijn meerdere projecten in uitvoering, zoals het project Defensie Operationeel Kledingsysteem (DOKS). In dit project is er voor gekozen om extra te investeren om de kwantiteit en de kwaliteit van de nieuwe kleding inclusief helmen te verhogen. U bent hierover in 2018 geïnformeerd (Kamerstuk 27 830, nr. 260). Ook de investeringen in de projecten Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS) en vervanging gevechtsuitrusting dragen bij aan een verbetering van de uitrusting. U bent over deze projecten geïnformeerd o.a. met brieven, het Defensie Projectenoverzicht, de begroting en het jaarverslag.
Naast de genoemde grote projecten zijn er vele kleinere projecten om de kwantiteit en kwaliteit van de kleding en uitrusting te verbeteren. Zo wordt er nu gewerkt aan een keuzeconcept voor gevechtslaarzen. Dit project zorgt naast voldoende gevechtslaarzen ook voor het introduceren van een keuzemogelijkheid voor militairen. Door deze projecten neemt de kwantiteit, de kwaliteit en het aantal soorten artikelen toe.
Om te zorgen voor een tijdige levering zijn en worden er maatregelen genomen om beter gebruik te maken van raamcontracten, bestaande noodprocedures tijdig toe te passen en de planning en het beheer van vraag en aanbod te verbeteren (Kamerstuk 27 830, nr. 270). Het geheel aan projecten en maatregelen levert al resultaten op waaronder een gestegen leverbetrouwbaarheid van kleding en uitrusting.
Als een artikel desondanks niet voorradig is, kunnen maatregelen worden genomen zoals het verstrekken van een alternatief artikel, het zo snel mogelijk naleveren van een artikel of het bieden van de mogelijkheid en financiële middelen voor zelfstandige aanschaf. De militair kan er dan voor kiezen om het benodigde geld zelf voor te schieten en achteraf te declareren, of ervoor kiezen om een voorschot aan te vragen (Aanhangsel Handelingen 2018–2019, nr. 425).
Vanwege schaarste uit het verleden is er op het gebied van kleding en uitrusting nog veel achterstand weg te werken. De veranderende omgeving en dreiging veroorzaken o.a. een verandering in het programma voor opleiding en training, hetgeen ook een veranderende behoefte aan kleding en uitrusting met zich meebrengt. Mede hierdoor is de omvang van het werk groot. Het betreft immers ruim 45.000 militairen, een stroom van bijna één miljoen artikelen die per jaar verstrekt worden en een uitgebreide diversiteit aan maatvoering. Daarnaast is het werk ook dynamisch. Zo verandert de vraag en blijkt deze soms hoger dan de gestelde norm. Ook kunnen zich problemen voordoen met leveranciers of kunnen artikelen bij beproeving tekortschieten. Tevens kan het wisselen van leverancier leiden tot overgangsproblemen als bijvoorbeeld de maatvoering verschilt. Dit heeft zich bijvoorbeeld voorgedaan bij het wisselen van leverancier van gevechtslaarzen. In dit soort gevallen wordt gezocht naar de meest praktische oplossing.
Met het oog op de toekomst wordt bezien welke structurele maatregelen moeten worden genomen en welke capaciteit moet worden toegevoegd aan het Kleding en Persoonsgebonden Uitrusting (KPU) bedrijf om de toegenomen kwantiteit en kwaliteit van kleding en uitrusting in stand te houden. Hoewel Defensie er naar streeft om het aantal situaties waarin artikelen niet voorradig zijn te minimaliseren, is een servicegraad van 100% extreem kostbaar en kan het niet-leveren van artikelen nooit helemaal worden voorkomen. Door de genoemde factoren tezamen is het niet te garanderen dat zich geen problemen voordoen op het gebied van kleding en uitrusting zoals ook aan u gemeld is in Kamerstuk 27 830, nr. 270.
Is het waar dat, na de ophef over winterkleding vorig jaar, er nu opnieuw tekorten zijn aan winterjassen en andere kleding en uitrusting, zoals kisten en uniformen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u van verhalen van een militair die al drie maanden wacht op een winterjas en hem vervolgens maar zelf koopt, en een militair die te horen krijgt dat de kisten op zijn en dus maar door moet blijven lopen op afgetrapte exemplaren?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er ook problemen met het leveren van desertuniformen en de nieuwe interim multicam gevechtspakken, die militairen die op missie gaan nodig hebben?
De gevechtspakken in multicam-camouflagepatroon en de desertuniformen worden in hoofdzaak geleverd aan personeel dat op missie gaat als interim oplossing totdat de nieuwe kleding van het project DOKS instroomt. Zoals in de antwoorden op vragen over de tweede suppletoire begroting is toegelicht zal deze periode langer duren dan gepland (Kamerstuk 35 350, nr. 3). Er wordt bezien welke maatregelen moeten worden genomen om deze verlengde periode te overbruggen. De leverbetrouwbaarheid voor missies is bijna 100%, maar soms zijn bepaalde artikelen niet voorradig. In die gevallen dat een multicam artikel niet leverbaar is, wordt een alternatief artikel verstrekt, of wordt de optie voor zelfstandige aanschaf van een artikel aangeboden.
Herinnert u zich uw uitspraak dat het zelf moeten kopen van kleding door militairen «niet voor herhaling vatbaar» is?2
In het vragenuur op 25 september 2019 heb ik in de context van het grootschalig zelfstandig aankopen van kleding door individuele militairen voor een grote oefening aangegeven dat dit niet voor herhaling vatbaar is. Onder andere door de grote aantallen militairen en diversiteit aan artikelen kan het niet-leveren van artikelen nooit helemaal worden voorkomen. Om maatwerk of specifieke behoeften voor individuele militairen te kunnen toepassen in incidentele gevallen blijft zelfstandige aanschaf (ZA) een mogelijkheid (Kamerstuk 27 830, nr. 270 en Aanhangsel handelingen 2018–2019, nr. 425).
Deelt u de opvatting van de directeur Wapensystemen & Bedrijven bij de DMO dat «te lang wachten op kleding en uitrusting of geen munitie hebben voor een oefening niet is uit te leggen»?3
Ja, zie tevens de antwoorden op vraag één, twee, drie, negen en veertien.
Klopt het dat het budget overschreden is? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak? Is er te weinig toezicht geweest?
Zoals in het antwoord op de vragen één, twee, drie, negen en veertien is aangegeven is er veel achterstand in te halen. Het leveren gaat sneller dan gepland en de vraag neemt toe, soms ook buiten de vastgestelde norm. Daarom moest dit jaar extra budget worden toegekend. De besluitvorming hierover vond zorgvuldig plaats. Hierdoor konden gedurende een beperkte periode geen bestellingen worden geplaatst, maar inmiddels is dit opgelost en neemt Defensie ook structurele maatregelen voor de toekomst.
Is het zo erg dat er niets nieuws meer besteld wordt bij leveranciers?
Zie antwoord vraag 7.
Is het waar dat Defensie tegenspreekt dat er «ernstige leveringsproblemen» zouden zijn? Erkent u daarmee dat er dus wel leveringsproblemen zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de uitspraak «wat er niet op voorraad is, wordt nageleverd» nader toelichten? Zijn de voorraden voldoende op peil? Hoe lang moeten militairen wachten op naleveringen?
Indien een militair een artikel niet direct geleverd kan krijgen, kan een alternatief artikel worden verstrekt of kan het artikel later alsnog worden geleverd. De gekozen optie is voornamelijk afhankelijk van de urgentie gerelateerd aan een missie. Naleveringen verschillen per artikel en moment van plaatsing van de order. Een algemene wachttijd is dan ook niet te geven. Defensie streeft er naar het aantal naleveringen te beperken en de wachttijd te minimaliseren. Zie tevens de vragen één, twee, drie, negen en veertien.
Klopt het dat het KPU-bedrijf kampt met onderbezetting, waardoor niet snel genoeg alles geleverd kan worden?
Ja, het klopt dat de personele capaciteit die het KPU-bedrijf toebedeeld heeft gekregen onvoldoende is om de huidige werklast aan te kunnen. Dit wordt momenteel opgevangen met tijdelijke capaciteit. Met het oog op de toekomst wordt bezien welke structurele maatregelen moeten worden genomen en welke capaciteit moet worden toegevoegd om deze problemen op te lossen.
Maken operationele commando’s gebruik van de mogelijkheid om zelf kleding te bestellen als het KPU-bedrijf er niet (tijdig) in kan voorzien? Wordt gebruik gemaakt van de escalatieprocedure?
Defensieonderdelen (of eenheden daarvan) schaffen soms zelf delen van kleding en uitrusting aan. De escalatieprocedure wordt bij hoge uitzondering gebruikt indien omwille van operationele noodzaak aanbestedingen niet volgens de vigerende aanbestedingsregels kunnen plaatsvinden.
Welke resultaten heeft het door u ingestelde «interventieteam» geboekt? Waarom zijn er kennelijk nog steeds problemen?
Het personeel van defensie weet het interventieteam goed te vinden zoals blijkt uit de meldingen die zijn sinds de oprichting zijn binnengekomen. In ca. 20% van de gevallen gaat de vraag aan het interventieteam over kleding en uitrusting. De resultaten van het interventieteam verschijnen op Defensie.nl en u wordt over het interventieteam geïnformeerd in het jaarverslag.
Zie tevens op de vragen één, twee, drie, negen en veertien.
Wat gaat u doen om deze zo snel mogelijk op te lossen?
Zie antwoord vraag 1.
De lagere dierenwelzijnsstandaarden in Canada, naar aanleiding van het rondetafelgesprek over het EU-Canada-vrijhandelsverdrag CETA van 6 november 2019 |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat de eisen die betrekking hebben op alle naar de EU geëxporteerde (landbouw- en voedsel-) producten niet aan alle Europese standaarden hoeven te voldoen, maar aan slechts een deel van de Europese standaarden?
Alle naar de Europese Unie (EU) geëxporteerde producten moeten voor toelating op de EU-markt voldoen aan alle Europese productstandaarden, zoals eisen op het gebied van plant- en diergezondheid, voedselveiligheid en etikettering. Dit geldt ook voor Canadese producten. CETA wijzigt deze situatie niet.
Kunt u bevestigen dat de eisen op het gebied van plant- en diergezondheid, voedselveiligheid en etikettering eisen zijn om de voedselveiligheid van de naar de EU geëxporteerde producten te garanderen, maar dat deze eisen geen eisen zijn die afdwingen dat bijvoorbeeld dierenwelzijnsstandaarden en pesticidengebruik in de exporterende landen minimaal op hetzelfde niveau zitten als in Europa? Kunt u derhalve bevestigen dat deze eisen niet gericht zijn op en niet geschikt zijn voor het afdwingen van een gelijk speelveld?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 moeten alle naar de EU geëxporteerde producten voor toelating op de interne EU-markt voldoen aan alle Europese standaarden op het gebied van plant- en diergezondheid, voedselveiligheid en etikettering. Het stellen van eisen aan de import van goederen in de EU op grond van dierenwelzijn of gewasbeschermingsmiddelen is slechts zeer beperkt mogelijk binnen het huidige stelsel van WTO-verdragen. Ook ontbreken veelal internationaal erkende standaarden op dit gebied. Binnen de beperkte mogelijkheden stelt de Europese Unie wel eisen aan exportslachterijen in derde landen op het gebied van dierenwelzijnseisen, waarbij dient te worden voldaan aan de eisen uit EU-verordening 1099/20091. De Europese standaarden voor plant- en diergezondheid en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen hebben tot doel mens, plant, dier en milieu binnen de Europese Unie hetzelfde niveau van bescherming te bieden en daarmee binnen de Europese Unie tot een gelijk speelveld te komen.
Kunt u bevestigen dat voor de Canadese varkenshouderij pas op 1 juli 2024 groepshuisvesting voor zeugen verplicht gesteld wordt, maar dat deze toch al weinig ambitieuze deadline zeer waarschijnlijk niet gehaald gaat worden?
Een aanzienlijk deel van de dierenwelzijnseisen wordt in Canada niet op federaal niveau vastgesteld en loopt daarmee per provincie en territorium uiteen. Ten aanzien van de regulering van het dierenwelzijn in de varkenshouderij in Canada wordt op federaal niveau de Pig Code of Practiceaangehouden, waar ook in de rechtbank aan kan worden gerefereerd.2 Codes of Practiceworden opgesteld in consensus onder alle belanghebbenden in Code Development Committeesdie zijn opgericht op basis van de richtsnoeren van deNational Farm Animal Care Council (NFACC).Op p. 11 van deze code worden de huidige en aankomende vereisten uiteengezet. Daarin staat dat groepshuisvesting voor zeugen voor de Canadese varkenshouderij op 1 juli 2024 verplicht gesteld wordt. Over het halen van de deze datum kan ik geen uitspraken doen. Wel kan ik aangeven dat wanneer een Code of Practiceis ontwikkeld, alle belanghebbenden zich committeren aan de implementatie van die Code.
Kunt u bevestigen dat het brandmerken van runderen in Canada nog steeds is toegestaan?
Ten aanzien van de regulering van het dierenwelzijn in Canada wordt op federaal niveau de Code of Practice for the Care and Handling of Beef Cattleaangehouden, waar ook in de rechtbank aan kan worden gerefereerd.3 Codes of Practiceworden opgesteld in consensus onder alle belanghebbenden in Code Development Committees,die zijn opgericht op basis van de richtsnoeren van deNational Farm Animal Care Council (NFACC). Op p. 22 van deze code worden de huidige vereisten ten aanzien van identificatie van dieren uiteengezet. Voor de verschillende provincies en territoria is lokale wetgeving van toepassing waarvan ik twee voorbeelden in de voetnoten heb opgenomen.4
Kunt u bevestigen dat varkens in Canada 28 uur aaneengesloten vervoerd mogen worden, zonder voedsel, water en mogelijkheid te rusten?
Dierenwelzijnseisen aan het vervoer van dieren zijn opgenomen in de federale wet- en regelgeving in Canada. Nadere toelichting en juridische inkadering van de vereisten is opgenomen in de Health of Animals Regulations, o.m. in deel XII.5 Per februari 2020 wordt de regelgeving voor diergezondheid en dierenwelzijn tijdens het gehele transportproces, aangescherpt.6 In het impact assessment bij de aanpassing van de Health of Animals Regulationswordt vermeld dat deze wijzigingen de vereisten meer in lijn brengen met Nieuw-Zeeland, Australië, de Verenigde Staten en de Europese Unie.
Via CETA is het mogelijk om in gesprek te blijven met Canada over dierenwelzijnseisen. Op 14 december 2018 is door de covoorzitters van het CETA Regulatory Cooperation Forumonder andere gesproken over onderwerpen voor het werkplan van het Forum.7 Daarbij is afgesproken om het lange-afstand-transport van dieren als eerste onderwerp voor dierenwelzijn op te pakken. In het geactualiseerde werkplan staat een nadere planning en de voortgang van de activiteiten.8
Kunt u bevestigen dat runderen, schapen en geiten in Canada 36 uur aaneengesloten vervoerd mogen worden, zonder voedsel, water en mogelijkheid te rusten?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 5, wordt per februari 2020 de regelgeving voor diergezondheid en dierenwelzijn tijdens het gehele transportproces, aangescherpt.9 Met deze aanpassing dienen de dieren regulier gecontroleerd te worden zodat een dier voldoende voedsel krijgt om ondervoeding te voorkomen, voldoende water krijgt om uitdroging te voorkomen en voldoende rust krijgt om uitputting te voorkomen.
Kun u de stelling van LTO Nederland, Team Agro NL en De Nederlandse Akkerbouwers Vakbond, zoals geuit bij het rondetafelgesprek over CETA op 6 november jl., onderschrijven dat dierenwelzijnseisen in Canada lager zijn dan in Europa, dat dit echter geen belemmering vormt om producten uit de Canadese veehouderij naar Europa te exporteren en dat derhalve het gelijke speelveld voor Europese boeren in het CETA-verdrag niet gegarandeerd is?
Ik neem kennis van de stellingen zoals ingenomen door de deelnemers aan de rondetafelbijeenkomst. Voor producten van deelsectoren die kwetsbaar zijn in de landbouw, mede door verschil in eisen ten aanzien van dierenwelzijn, pleitte de SER10 al voor tariefquota, een geleidelijke verlaging van tarieven of aanvullend flankerend beleid. Deze mogelijkheid is in CETA terug te vinden. Zo zijn kippen- en kalkoenvlees, eieren en ei-producten uitgesloten van tariefliberalisatie en zijn zuivel, varkensvlees, rundvlees, bizonvlees, verwerkte garnalen, bevroren kabeljauw, tarwe en ingeblikte maïs beschermd via tariefquota. Zoals ik heb genoemd in mijn antwoord op vraag 5 wordt in het werkplan van het CETA Regulatory Cooperation Forum onder andere overlegd over dierenwelzijnseisen.
Wat vindt u van de stelling van professor Brakman, zoals geuit bij het rondetafelgesprek over CETA op 6 november jl., dat de bezwaren over verschillen in dierenwelzijnseisen tussen Canada en Europa weliswaar mogelijk terechte bezwaren zijn, maar dat ongelijke speelvelden juist specialisatie in de hand werken en daardoor goed zijn voor internationale handel? Wat vindt u van zijn stelling dat lagere dierenwelzijnseisen in Canada comparatieve voordelen voor dat land oplevert?
Ik heb kennisgenomen van de stelling van dhr. Brakman. In vraag 7 ben ik nader ingegaan op dierenwelzijnseisen en tariefquota. Met deze maatregelen is mogelijk concurrentievoordeel voor deze producten op deze gronden verminderd of uitgesloten. Ten aanzien van comparatieve voordelen dient in het oog te worden gehouden dat los van de wijze van tariefsbehandeling, dierenwelzijn, samen met arbeidsrechten en milieubescherming, slechts een onderdeel van de totale productiekosten vormt. Als onderdeel van de totale productiekosten kan verder worden gedacht aan kosten van kapitaal (land, gebouwen, machines), input (energie, grondstoffen, voeding), belastingen en productregulering. Onder de Europese wet- en regelgeving zijn Europese landbouwproducenten met de huidige dierenwelzijnseisen nog steeds zeer concurrerend. Dit wordt bevestigd in recent onderzoek van de Europese Commissie.11 Ook is het zo dat in de Interne Markt – de grootste en meest succesvolle afzetmarkt voor de Nederlandse landbouw – verschillen bestaan, omdat Nederland in een aantal gevallen hogere standaarden oplegt dan de Europese wetgeving vereist.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en binnen de gebruikelijke termijn naar de Kamer sturen?
Eerder heb ik u een bericht van uitstel van beantwoording doen toekomen, gezien inderdepartementale afstemming meer tijd ingenomen heeft.12 De vragen zijn, zoals u hebt verzocht, afzonderlijk beantwoord.