De situatie aan de grens met Oekraïne |
|
Jan de Graaf (CDA), Kati Piri (PvdA), Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het gegeven dat de situatie in Oekraïne vanwege de enorme toestroom van vluchtelingen tot lange wachttijden aan de grenzen van Oekraïne en onder andere Polen en Hongarije leidt en dat dit voor kwetsbaren die lang moeten wachten in de kou, leidt tot schrijnende situaties? Wat is uw inschatting van de situatie aan de grensposten? Op welke manier worden landen die grenzen aan Oekraïne ondersteund om de procedure-capaciteit te ondersteunen en zo de wachttijden te verkleinen? Weet u of deze landen al een aanvraag hebben ingediend bij Europese agentschappen als de European Union Agency for Asylum (EUAA) of Frontex om hen te hulp te schieten? Zo ja, bent u bereid deze agentschappen ook met personele ondersteuning bij te staan, mocht dit nodig zijn? Zo nee bent u bereid deze behoefte te polsen bij de buurlanden in het belang van het verlagen van de wachttijden aan de grens?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving over de wachttijden aan de grensovergangen en acht lange wachttijden onwenselijk, zeker ook vanwege de humanitaire consequenties. Ook vindt het kabinet het van belang dat grenscontroles doorgang vinden, inclusief veiligheidscontroles en screening. Europese lidstaten, bevestigd door Frontex, geven aan dat de capaciteit ten behoeve van grensmanagement aan de grensovergangen aan Europese zijde op dit moment toereikend is.
De Europese Agentschappen Frontex en het EU Asielagentschap (EUAA) staan paraat om lidstaten die grenzen aan Oekraïne te ondersteunen, waar zij aangeven dat nodig te hebben. Frontex biedt ondersteuning in de vorm van het inzetten van officieren. Het EUAA kan ondersteuning bieden in het asielproces, opvang en implementatie van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Frontex ondersteunt, op dit moment, op hun verzoek, Roemenië, Slowakije, Polen en Estland aan de grens, waarbij de meeste officieren in Roemenië worden ingezet. Daarnaast heeft Roemenië een operationeel hulpverzoek ingediend bij het EUAA. Het kabinet heeft, bij monde van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, aangegeven open te staan voor verzoeken die via Frontex of het EUAA worden gedaan. Frontex heeft een verzoek ingediend bij Nederland ten behoeve van ondersteuning in Estland als gevolg van de migratie-situatie rondom Oekraïne. Nederland is voornemens hier positief op te reageren.
Bent u bekend met het gegeven dat de Dutch Relief Alliance (DRA) inmiddels 2.5 miljoen euro heeft vrijgemaakt van het bestaande DRA-budget voor hulp in Oekraïne? Bent u bereid om, gezien het gegeven dat de nood veel groter wordt nu er meer dan 1 miljoen vluchtelingen al de grens zijn overgestoken, het DRA-budget eenmalig te verhogen om aan de extra noden van deze Oekraïense vluchtelingen ook in de buurlanden, te voldoen? Is het u bekend dat de VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR een oproep heeft gedaan aan landen om in totaal 1,7 miljard dollar vrij te maken om de juiste bescherming te kunnen bieden aan vluchtelingen binnen Oekraïne en de opvang van vluchtelingen buiten Oekraïne? Bent u bereid om een additioneel bedrag vrij te maken om een grotere bijdrage te leveren aan dit fonds?
Ja, het kabinet is bekend met het gegeven dat de DRA inmiddels 2.5 miljoen heeft vrijgemaakt om een joint respons te beginnen in Oekraïne. Zoals de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking uw Kamer meedeelde in haar brief over de humanitaire inspanningen voor Oekraïne en buurlanden1 is door haar tijdens de actie van Giro 555 is een additionele bijdrage van 15 miljoen euro bekendgemaakt. Dit is bedoeld voor de organisaties die bij Giro 555 betrokken zijn – o.a. leden van de DRA – die zullen zorgen dat het geld terechtkomt bij de mensen die dit het hardst nodig hebben, inclusief vluchtelingen in de buurlanden.
Tevens is het kabinet bekend met de oproep van de VN om in totaal 1,7 miljard dollar vrij te maken voor de slachtoffers van de oorlog in Oekraïne. In reactie op deze oproep is meteen een additioneel bedrag van 20 miljoen beschikbaar gesteld om de VN te ondersteunen in het verlenen van levensreddende hulp in Oekraïne.
Deze bedragen komen bovenop de meerjarige en flexibele bijdragen van Nederland aan de VN, het Rode Kruis en andere humanitaire hulporganisaties. Daarmee worden deze organisaties in staat gesteld snel en flexibel te reageren op de ontwikkelingen van de crisis. Ook hierover informeerde de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking uw Kamer in eerdergenoemde brief. Het kabinet blijft de ontwikkelingen van de humanitaire crisis nauwgezet volgen.
Is het u bekend dat er op maandag 7 maart een landelijke actie van Giro 555 is? Bent u van plan net als bij sommige voorgaande inzamelingsacties dit bedrag te verdubbelen? Zo nee, bent u alsnog bereid dit te doen?
Zoals hierboven vermeld, heeft het kabinet een extra bedrag van 15 miljoen beschikbaar gesteld om de Giro 555 actie te ondersteunen.
Bent u het ermee eens dat, aangezien enkele grensgebieden van Oekraïne, zoals in Hongarije en Roemenië, tot de armste regio’s van Europa horen, er voor de fatsoenlijke opvang van vluchtelingen een groot te kort is aan voldoende opvangplekken?1 Op welke manier worden deze landen en regio’s bijgestaan om dit op korte termijn voor elkaar te krijgen? Bent u bereid in samenwerking met de Europese Commissie deze landen of internationale organisaties ter plekke financieel bij te staan om hier een bijdrage aan te leveren?
Het kabinet is het met deze leden eens dat Europa eensgezind moet zijn over de opvang van mensen die het conflict in Oekraïne ontvluchten en de buurlanden van Oekraïne waar nodig moet ondersteunen bij de opvang van vluchtelingen. Daar zet het kabinet zich dan ook voor in. Waar tot voor kort de opvangcapaciteiten in omringende landen voldoende leek, ontvangt het kabinet inmiddels signalen dat deze zijn grenzen begint te bereiken. Hierover wordt in verschillende Europese gremia actief gesproken.
Binnen de EU bestaan meerdere manieren om ondersteuning te coördineren ten behoeve van de getroffen lidstaten, zoals geschetst in het antwoord op vraag 1. Aanvullend steunt het kabinet het Europese noodhulpcoördinatie mechanisme (UCPM) waar omringende landen Moldavië, Slowakije en Polen momenteel steun van ontvangen. Het kabinet ondersteunt deze lidstaten zo via het UCPM. Aanvullend heeft het kabinet een half miljoen euro vrij gemaakt om Moldavië te ondersteunen.
Bent u bekend met de in de media verschenen verschillende berichten over discriminatie bij de verschillende grensposten?2 Wat vindt u van het gegeven dat uit eigen observaties blijkt dat dit ook plaatsvindt aan de Oekraïens-Hongaarse grens, waarbij met name Oekraïens-Hongaarse Roma – die een Hongaars paspoort hebben maar geen verblijfplaats – zeer kwetsbaar zijn? Is er tijdens de gesprekken over de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn over deze ongelijke behandeling gesproken? Op welke manier zorgt deze richtlijn ervoor dat in de grenslanden alle groepen gelijkwaardig worden behandeld en dezelfde rechten hebben? Hoe gaat u hier op toezien?
De berichten over discriminatie aan de grens zijn het kabinet bekend. De situatie aan de grenzen van Oekraïne is diffuus en dat maakt het moeilijk om de berichtgeving te verifiëren, dergelijke berichtgeven is echter zorgelijk. Bij verificatie van de berichtgeving zijn er op grond van de beschikbare informatie geen aanwijzingen gevonden dat er sprake is van discriminatie aan de EU zijde van de grens. Het kabinet meent echter dat er nooit sprake mag zijn van discriminatie, racisme of welke selectie dan ook op basis van nationaliteit of huidskleur. Zeker niet wanneer mensen op de vlucht zijn voor geweld zoals bij de ontheemden van Oekraïne het geval is.
Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet. De autoriteiten van buurlanden die vluchtelingen ontvangen, waaronder Polen en Hongarije, bevestigen dat alle mensen op de vlucht voor de oorlog in Oekraïne worden doorgelaten. De ambassades in de buurlanden hebben geen signalen ontvangen dat vluchtelingen structureel door grensautoriteiten worden geweerd op grond van nationaliteit of huidskleur. Ditzelfde geldt voor minderheden, zoals de Roma. Dit laat onverlet dat de kwetsbare positie van minderheden continue aandacht behoeft.
Zijn de signalen dat er ook criminelen actief zijn als mensenhandelaren aan de grensposten bij u bekend?3 Bent u bereid om met betrokken grenslanden en ervaren NGO’s tot een plan te komen om vluchtelingen bescherming tegen hen te bieden? En bent u tegelijkertijd bereid om samen met andere landen zelf vervoer te regelen, zodat vluchtelingen veilig kunnen afreizen naar andere landen? Zo ja, op welke manier?
Het kabinet is bekend met de signalen. EuropOL monitort gezamenlijk met de desbetreffende grenslanden deze signalen nauwlettend. Zij hebben daarbij in het bijzonder aandacht voor kwetsbare groepen. De gevolgen voor de georganiseerde criminaliteit, waaronder mensenhandel, zijn nog niet exact duidelijk. Deze moeten in Europees verband en in onderlinge samenhang in kaart worden gebracht. Het departement verkent samen met het Openbaar Ministerie, Politie en andere partners nationaal en in Europees verband hoe tot dit beeld te komen, zodat vervolgens de meeste effectieve gezamenlijke interventies kunnen worden vastgesteld en ingezet.
In alle grenslanden (Polen, Slowakije, Hongarije en Roemenië) en vele andere Europese Lidstaten (o.a. Duitsland, Oostenrijk, Tsjechië, Frankrijk en België) is het gebruik van treinen van het openbaar vervoer gratis voor vluchtelingen uit Oekraïne. Ook in Nederland kan dit. Hierdoor kan er veilig door de EU gereisd worden.
Het niet opruimen van drugsafval |
|
Eva van Esch (PvdD), Mirjam Bikker (CU) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht «Grootste drugsdumping ooit in Brabants natuurgebied blijft liggen»?1
Ja. Het artikel betreft een drugsput op de Brabantse Wal, waar chemicaliën afkomstig van synthetische drugsproductie werden geloosd in de bodem. Dit is een nieuw aangetroffen methode van drugsdumpingen door criminelen.
Hoe is het mogelijk dat tien maanden na de ontdekking het drugsafval nog niet is opgeruimd?
De verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de risico’s voor mens en milieu in een dergelijke situatie ligt bij het bevoegd gezag op grond van de Wet bodembescherming (Wbb). Dit is in dit geval de provincie Noord-Brabant. Er is navraag gedaan bij de provincie Noord-Brabant. Deze provincie heeft aangegeven dat spoedig na de ontdekking op 24 maart 2021 een gedeelte van de put gesaneerd is door terreineigenaar Brabants Landschap, waarbij de grootste lading aan verontreinigde stoffen is weggenomen. De provincie wil dat ook de resterende bodemsanering zo spoedig en zorgvuldig mogelijk wordt uitgevoerd. Dit is echter complex, vanwege gebiedspecifieke kenmerken, zoals de ligging op een heuvel in bosgebied, de diepte van de verontreiniging, bereikbaarheid voor het benodigde materieel en de onzekere omvang. In het kader van de aanpak van de resterende sanering wordt momenteel nader onderzoek gedaan en vindt overleg plaats tussen de provincies Noord-Brabant, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) en de terreineigenaar Brabants Landschap.
Hoeveel minder kuub grond zou er vervuild zijn wanneer de opruiming tien maanden eerder was gestart?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gevaarlijk is de drugsdumping voor het drinkwater dat in de omgeving wordt gewonnen? Waarom is er niet eerder werk gemaakt van opruiming van het afval? Is dat omwille van gevaar voor de volksgezondheid?
Dumpingen en lozingen van drugsafval kunnen een bedreiging vormen voor drinkwaterbronnen – zowel bij oppervlaktewater als bij grondwater. Een grondwaterwinning is kwetsbaar als er ondiep grondwater wordt gewonnen dat niet beschermd wordt door een ondoorlatende deklaag. Ook is relevant of het grondwater richting de drinkwaterwinning stroomt of juist daarvan weg. De drinkwaterbedrijven monitoren de kwaliteit van de drinkwaterbronnen goed. Zodra daar verontreinigingen in worden aangetroffen, wordt de inname uit die bron onmiddellijk gestopt. Van een direct gevaar voor de volksgezondheid is daarom geen sprake. Ook preventief wordt gekeken naar welke verontreinigingen op termijn een bedreiging zouden kunnen vormen, zodat tijdig passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Met betrekking tot de beantwoording van de vraag waarom niet eerder werk is gemaakt van opruiming van het afval verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Wat zijn de gevolgen van de vervuiling voor het bodemleven en de flora en fauna? Is hier onderzoek naar gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de uitkomsten?
De provincie Noord-Brabant heeft laten weten dat de gevolgen van de vervuiling voor het bodemleven en de flora en fauna ook onderwerp van het onderzoek en gesprek is tussen genoemde partijen in het kader van de aanpak van de resterende verontreiniging.
Klopt het dat de kosten van sanering worden verhaald op de grondeigenaar, het Brabants Landschap? Zo ja, klopt het ook dat wanneer een grondeigenaar niets te verwijten valt, de kosten niet voor rekening van de grondeigenaar behoren te zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u in dit geval aangeven waarom de grondeigenaar, het Brabants Landschap, wel verantwoordelijk wordt gehouden voor de kosten van de sanering?
De provincie heeft laten weten dat gekeken wordt naar een oplossing in het kader van de resterende sanering. Daarbij wordt tevens juridisch geanalyseerd wie verantwoordelijk is voor de resterende sanering.
Aangezien de provincie bevoegd gezag is, kan ik hierover geen uitspraken doen.
Vindt u het terecht dat de kosten van een sanering verhaald worden op een nietsvermoedende grondeigenaar? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Is een speciaal schadefonds waarvan de maximale vergoeding 25.000 euro per dumping is, niet veel te weinig? Hoe kan ervoor worden gezorgd dat grondeigenaren niet een te groot gedeelte van de saneringskosten voor eigen rekening moeten nemen?
Vanaf 2019 kunnen particulieren 100% van de kosten vergoed krijgen en gemeenten 50%, beide inderdaad tot een maximum van € 25.000. BIJ12, als uitvoeringsorganisatie van het Interprovinciaal Overleg, voert deze Regeling uit. Voor het merendeel van de drugsdumpingen voldoet deze Regeling. Recent zijn er echter enkele grootschalige drugslozingen geweest, zoals deze in het natuurgebied Brabantse Wal, waarbij de saneringskosten de maximale vergoeding van € 25.000 ruim overschrijden. Ik ben hier – samen met de Minister van Justitie en Veiligheid – over in gesprek met de provincie Noord-Brabant en het Interprovinciaal Overleg. De Minister van Justitie en Veiligheid zal uw Kamer namens ons beiden informeren over de uitkomsten daarvan.
Wat vindt u ervan om een centraal schadefonds op te richten voor het verhalen van natuurschade veroorzaakt door criminelen, die niet op die criminelen verhaald kan worden?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel drugsdumpingen zijn er vastgesteld per jaar in de afgelopen vijf jaar?
Uit cijfers van de politie blijkt dat het aantal drugsdumpingen 206 in 2017, 292 in 2018, 191 in 2019 en 178 in 2020 betrof. De voorlopige cijfers laten zien dat het in 2021 om 206 dumpingen gaat. Het is van belang hierbij op te merken dat dumpingen onderling enorm verschillen in aard en omvang. Al deze dumpingen tellen in dezelfde mate mee in bovenstaande cijfers.
In de registratie is niet altijd helder of het gaat om een dumping met chemisch afval afkomstig van synthetische drugsproductie of dat het «regulier» chemisch afval betreft. Om dit sluitend vast te stellen moeten de aangetroffen stoffen bemonsterd en geanalyseerd worden. De capaciteit van de hiervoor noodzakelijke Forensische Opsporing geschiedt onder het gezag van de Officier van Justitie en is beperkt. Daarom maakt de politie doorgaans op basis van de beschikbare informatie, en rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van het specifieke geval, een inschatting of het om drugsafval gaat. Dit betekent dat de mate waarin informatie beschikbaar is per dumping varieert.
Omdat deze informatie dus geen compleet beeld van aard, ernst en omvang van drugsdumpingen geeft, is het lastig om objectiveerbare conclusies te trekken.
Hoe wordt er duidelijk zicht gehouden op nieuwe werkwijzen die drugscriminelen hanteren om drugsafval te lozen, zoals meer dumpingen rechtstreeks in natuurgebieden in plaats van in vaten?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u aangeven op hoeveel plekken in Nederland er nog drugsafval ligt dat niet is opgeruimd? Om hoeveel afval gaat het en hoeveel kuub grond is hierdoor vervuild?
Nee. De politie houdt bij hoeveel drugsdumpingen in Nederland plaatsvinden (zie hiervoor mijn antwoord op vraag 10). Het opruimen van het afval is een verantwoordelijkheid van de lokale en regionale overheden, daar heb ik geen zicht op.
Bent u het ermee eens dat afval zo spoedig mogelijk moet worden opgeruimd in het algemeen belang van mens en natuur? Zo nee, waarom niet?
Het is in het belang van mens en natuur dat de risico’s voor mensen en milieu, die kunnen optreden door het dumpen en lozen van drugsafval, zoveel mogelijk worden beperkt. Het is aan het bevoegd gezag om hier op een goede manier invulling aan te geven.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat zo spoedig mogelijk gestart kan worden met de sanering van het Brabants Landschap?
Zoals in het antwoord op vraag 2 en 3 aangegeven is het aan het bevoegd gezag ter plaatse, in dit geval de provincie Noord-Brabant, om de risico’s voor mens en milieu te beoordelen. Door de provincie is aangegeven dat een gedeelte van de put al is gesaneerd door terreineigenaar Brabants Landschap en dat nader onderzoek en overleg plaatsvindt in het kader van de uitvoering van de resterende sanering.
De voortgang én de problemen rondom vaccindonatie |
|
Alexander Hammelburg (D66), Mirjam Bikker (CU) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Kuipers |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de berichten «100 miljoen vaccindonaties geweigerd in december» en «Miljardste vaccin verzonden in COVAX-programma»?1 2
Ja.
Bent u bekend met de door Unicef geschetste problemen met betrekking tot het weigeren van vaccins?
Ja, deze problematiek is mij bekend.
Kunt u toelichten welke factoren ertoe leiden dat vaccins geweigerd worden? In hoeverre kan het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid die factoren mitigeren?
Donaties worden in sommige gevallen door het ontvangende land afgewezen vanwege een tekort aan opslagcapaciteit, te korte houdbaarheid van vaccins, tekort aan toebehoren of vaccinatietwijfel. Daardoor kunnen leveringen niet tijdig worden verwerkt.
De Nederlandse COVID-19 respons via de Access to COVID-19 Tools Accelerator (ACT-A) investeert daarom niet alleen in vaccins, maar ook in country readiness, het gereed maken van landen om vaccins na ontvangst effectief te kunnen prikken, en in het versterken van gezondheidssystemen. De Nederlandse donatie van vaccins in natura aan COVAX is ongeoormerkt. Hierdoor kan COVAX zelf bepalen waar vaccins het meeste nodig zijn. Dit bevordert de snelle en efficiënte levering en distributie. Waar mogelijk probeert COVAX rekening te houden met de voorkeursopties van een land. Hierbij probeert COVAX te voorkomen dat er te veel verschillende vaccintypes worden aangeboden. COVAX hanteert daarnaast de regel dat gedoneerde vaccins minimaal 10 weken houdbaar moeten zijn op het moment van verzending. De aan COVAX gedoneerde vaccins gaan rechtstreeks van de farmaceuten naar de ontvangende landen.
Afhankelijk van het type vaccin zijn er verschillende randvoorwaarden voor een effectieve vaccinatiecampagne, zo vereist het Pfizer vaccin geavanceerde koelcapaciteit. Daarnaast speelt het probleem van wantrouwen jegens bepaalde vaccin types. Dit verschilt per land. Om de vaccinatiebereidheid te vergroten is daarom extra communicatie over de betrouwbaarheid van de vaccins nodig. Gavi, dat COVAX beheert, heeft hiervoor in samenwerking met UNICEF, de WHO en andere partners de Vaccination Demand Hub opgezet, dat instrumenten ontwikkelt om op landenniveau desinformatie te voorkomen en vaccinatie-bereidheid te vergroten. Dit gebeurt bijvoorbeeld door samenwerking met sociale media en religieuze organisaties, door training aan journalisten die rapporteren over gezondheid en vaccinatiecampagnes en door het inzetten van meisjes en jonge moeders als vaccinatie-ambassadeurs. Ook is het WHO Safety Net opgezet om accurate en betrouwbare informatie digitaal beschikbaar te maken. Via dit instrument zijn inmiddels 89 websites in 39 landen in 35 talen toegankelijk met betrouwbare informatie voor de lokale bevolking om zo de vaccinatiebereidheid te bevorderen.
In hoeverre speelt het type vaccin een rol bij het weigeren daarvan en wat is daarvan de achterliggende reden? Wordt daar rekening mee gehouden in het beleid van COVAX? Houdt Nederland daar rekening mee in haar donatiebeleid?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u in beeld hoeveel vaccins er – naast de geweigerde vaccins- nog ongebruikt in de opslag liggen en dreigen verloren te gaan? Welke maatregelen neemt COVAX om dat zoveel mogelijk te voorkomen? Welke bijdrage levert Nederland daaraan?
In Nederland is geen grote vaccinvoorraad die verloren dreigt te gaan. De aan COVAX gedoneerde vaccins gaan rechtstreeks van de farmaceuten naar de ontvangende landen. COVAX werkt zoveel mogelijk op diezelfde wijze: door rechtstreeks van de producent te kopen, kunnen vaccins zonder tussentijdse opslag geleverd worden aan ontvangende landen.
De effectieve levering van vaccins vereist een solide nationaal vaccinatieplan, hetgeen door COVAX wordt vereist voor landen die vaccins willen ontvangen. Landen worden bij de ontwikkeling van dergelijke plannen ondersteund door de Wereldgezondheidsorganisatie. COVAX steunt ontvangende landen ook praktisch op het gebied van country readiness,bijvoorbeeld door investeringen in de cold chain,de infrastructuur om vaccins (ultra-) gekoeld te vervoeren en te bewaren.
COVAX roept donoren op om ook te denken aan donatie van bijkomende kosten, ancillary costs,zoals naalden en spuiten, zodat deze ook tijdig beschikbaar zijn op landenniveau. Deze bijkomende kosten worden door COVAX uit financiële donaties gefinancierd. Nederland draagt hier met ongeoormerkte financiering van COVAX aan bij. De totale Nederlandse bijdrage aan COVAX bedraagt 93 miljoen euro, waarvan 20 miljoen euro in 2022.
In hoeverre is COVAX in staat vaccins die worden geweigerd een nieuwe bestemming te geven?
Zie ook het antwoord op vraag 3.
COVAX heeft een ingewikkelde logistieke puzzel te leggen om de vaccins toe te wijzen aan de 92 landen die gebruik maken van het Advance Market Mechanism van COVAX. Dit is een proces dat volgens Gavi gemiddeld vijf weken duurt en waarbij COVAX ook van vele factoren afhankelijk is. Zo moeten er binnen de genoemde periode voldoende verdunningsvloeistof, spuiten, opslag -en koelcapaciteit beschikbaar zijn en moet het ontvangende land voldoende absorptiecapaciteit hebben om de vaccins te kunnen inzetten. Niet alle vaccins zijn daardoor overal inzetbaar. Zodra duidelijk is dat de vaccins in een land niet geaccepteerd worden, alloceert COVAX deze direct aan een ander land. Hierbij neemt COVAX de absorptiecapaciteit van een ontvangend land in overweging om de vaccins daadwerkelijk te prikken. Op dit moment schat COVAX de verspilling op minder dan 1%. In de meeste gevallen lukt het COVAX om de beschikbare vaccins tijdig (alsnog) een goede bestemming te geven. Tot nog toe is dat met alle Nederlandse vaccins gelukt.
Wat is de laatste stand van zaken van de door Nederland beloofde vaccins? Zijn de 16 miljoen gedoneerde vaccins, die tijdens het commissiedebat Wereldwijde aanpak COVID-19 op 9 december 2021 «op weg naar COVAX» waren, inmiddels geleverd?
Nederland heeft 27 miljoen vaccins gedoneerd, waarvan 4,2 miljoen vaccins bilateraal aan Suriname, Kaapverdië, Namibië en Indonesië. Van de donatie van 22,5 miljoen doses via COVAX zijn 17,8 miljoen doses overhandigd aan COVAX. Volgens UNICEF, de uitvoerende partner van COVAX, zijn daarvan inmiddels ruim 14 miljoen vaccins aangekomen in het land van bestemming.
De resterende hoeveelheid Nederlandse vaccins (4,6 miljoen) wordt uiterlijk in maart 2022 aan COVAX aangeboden door de betreffende faciliterende lidstaten. Dat is op het moment dat ze volgens de oorspronkelijke planning aan Nederland geleverd zouden zijn. Op dit moment wordt de Nederlandse vaccinatiecampagne voor 2022 nog uitgewerkt. Een eventueel surplus aan vaccins zal weer worden gedoneerd.
Hoe ver is COVAX met de beoogde financiering voor 2022 van 7 miljard USD? En hoe ver is ACT-A met de totale beoogde financiering van 23,4 miljard USD voor alle vier de pijlers? Kunt u bij uw beantwoording ook ingaan op de uitvoering van de motie Hammelburg c.s. over het mobiliseren van steun voor COVAX vanuit het bedrijfsleven?3
COVAX heeft op 19 januari 2022 een nieuw hulpverzoek (Investment Opportunity) gepresenteerd waarin wordt gesteld dat het 5,2 miljard USD nodig heeft in 2022. Inmiddels is al 192 miljoen USD hiervoor gecommitteerd. De Europese Investeringsbank maakt daarnaast 300 miljoen EUR beschikbaar voor Afrikaanse landen om extra doses via COVAX te kunnen aanschaffen. Uit de ACT-A Commitment Tracker blijkt dat er tot nu toe 582 miljoen USD bijeen gebracht is voor het laatste hulpverzoek. In maart en juni 2022 worden door ACT-A nieuwe pledging conferenties voorzien. De uitvoering van de motie Hammelburg betreffende de inzet op het mobiliseren van steun van bedrijven voor COVAX zal worden toegelicht in de kamerbrief «Wereldwijde inzet COVID-19», die voor het debat op 10 maart 2022 naar de kamer wordt gestuurd.
Deelt u de mening van de Duitse Minister van Ontwikkelingssamenwerking Svenja Schulze, die stelt dat nog te weinig landen deelnemen aan de financiering van COVAX? Ziet u mogelijkheden de betreffende landen daartoe aan te sporen?
Ook in 2022 blijft het nodig internationaal bij te dragen aan ACT-A en vaccinpijler COVAX. Daarbij zijn voldoende vaccins nodig, en moet geïnvesteerd worden in country readiness en versterking van gezondheidssystemen. Dit vergt voortzetting van brede internationale steun, niet alleen van donoren, maar ook van andere actoren waaronder het bedrijfsleven. Ik roep hiertoe op in de internationale fora, maar ook in gesprekken met het bedrijfsleven. Daarbij is het van groot belang dat met extra middelen wordt bijgedragen en dat de respons op COVID-19 niet ten koste gaat van de noodzakelijke financiering voor het in stand houden van reguliere gezondheidszorg.
Het bericht ‘Meer verkeersongelukken in 2021, politie maakt zich zorgen’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Pieter Grinwis (CU) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Wat was uw reactie toen u kennisnam van het bericht: «Meer verkeersongelukken in 2021, politie maakt zich zorgen»?1 Maakt u zich evenals de politie zorgen om de verruwing in het gedrag van verkeersdeelnemers en een «ik-cultuur»? Zo ja, op welke manier hoopt u deze zeer ongewenste ontwikkeling te gaan bestrijden?
Risicovol gedrag in het verkeer is en blijft een belangrijk aandachtspunt. Onder andere met campagnes (zoals de BOB-campagne, MONO-campagne en campagnes tegen drugsgebruik in het verkeer en voor veilige snelheid en fietsverlichting) willen we de samenleving ervan bewust maken hoe belangrijk het is veilig deel te nemen aan het verkeer, voor jezelf en de ander.
Daarnaast kan het CBR bij gevaarlijk rijgedrag (zoals snelheidsovertredingen, bumperkleven, door rood rijden) een verplichte cursus opleggen (de Educatieve Maatregel Gedrag) of een onderzoek naar de rijvaardigheid doen (wanneer de politie de betrokkene meldt bij het CBR). Naast preventieve maatregelen wordt overtredend gedrag ook door verkeershandhaving aangepakt. Dit gebeurt met de bekende handhavingsmiddelen, zoals een staandehouding door de politie en de inzet van flitspalen, maar ook met innovatieve handhavingsmiddelen zoals camera’s die risicovolgedrag zoals handheld telefoongebruik kunnen detecteren.
In hoeverre hangt de stijging van het aantal gewonden met circa 8% tussen 2020 en 2021 samen met een (mogelijke) stijging van het aantal vervoerskilometers?
Een eventuele samenhang tussen de ontwikkeling van het aantal gewonden (ernstig verkeersgewonden) in 2020 en 2021 en de ontwikkeling van het aantal vervoerskilometers is nu nog niet vast te stellen. De benodigde data hiervoor is nog niet beschikbaar. De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) kan eind 2022 in de Staat van de Verkeersveiligheid inzicht geven in een mogelijke samenhang tussen deze ontwikkelingen.
Deelt u de zorgen van de politie over het toenemend gebruik van lachgas in het verkeer?
Ja, ik deel de zorgen van de politie over lachgasgebruik in het verkeer en de ingrijpende, en meer dan eens dodelijke, gevolgen die dit gedrag teweegbrengt. Het kabinet zet zich ervoor in om verkeersdeelname onder invloed van alle drugs, en ook specifiek van lachgas, terug te dringen. Die inzet richt zich zowel op preventie als op handhaving. Aan de preventiekant is in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat door TeamAlert een campagne ontwikkeld en uitgerold om lachgasgebruik in te perken onder de doelgroep. De campagne «Rij ballonvrij» is ingezet in 2020, 2021 en zal opnieuw uitgevoerd worden in 2022. Daarnaast zet het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in op preventie en voorlichting omtrent lachgas.2 Aan de kant van handhaving kan opname van lachgas in de Opiumwet – een gezamenlijke inspanning van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport – naar verwachting belangrijke winst opleveren om het gebruik van lachgas in het verkeer aan te pakken. Zoals ook gemeld in de beantwoording van het schriftelijk overleg over het ontwerpbesluit lachgas, is handhaving op rijden onder invloed van lachgas een uitdaging vanwege de bewijsvoering. Het effect van lachgas op de mens is namelijk van zeer korte duur en het gebruik ervan is niet aantoonbaar in bloed, urine, adem of speeksel bij de bestuurder.3 Plaatsing van lachgas op lijst II bij de Opiumwet maakt het mogelijk om ook op het bezit van lachgas te handhaven, bijvoorbeeld op de aanwezigheid van lachgas in de auto.
Bij hoeveel ongelukken per maand zijn gebruikers van lachgas betrokken? Hoeveel gewonden en doden vallen er maandelijks bij ongelukken waar gebruikers van lachgas bij betrokken zijn?
In de systemen van de politie zijn in 2019 101 ongevallen met letsel geregistreerd waarbij sprake was van een vermoeden van het gebruik van lachgas en 17 ongevallen met dodelijke afloop. Omdat lachgas niet aantoonbaar is in bloed, urine, adem of speeksel bij de bestuurder, betreft het incidenten waarbij feiten en omstandigheden, zoals de aanwezigheid van lachgasattributen op of bij de bestuurder, passagier of andere betrokkene zijn aangetroffen. In 2020 en 2021 ging het om 145 en 159 ongevallen met letsel en om 25 en 27 ongevallen met dodelijk afloop.
Wat is er nog voor nodig om het verbod op lachgas uiterlijk per 1 juli 2022 in te kunnen laten gaan?
De regering streeft er naar het verbod zo snel mogelijk in werking te laten treden. Tijdens de voorhangprocedure heeft uw Kamer verzocht geen onomkeerbare stappen te zetten in de voortgang van het Ontwerpbesluit om lachgas op lijst II bij de Opiumwet te plaatsen en de eigenlijke toepassingen van lachgas van het verbod uit te zonderen. Volgens goed gebruik betekent dit dat het traject stilligt in afwachting van de behandeling door uw Kamer. Tijdens de voorhangprocedure is een Verslag schriftelijk overleg aangekondigd. De vragen zijn 29 november 2021 ontvangen en 20 december 2021 vastgesteld.4 Uw Kamer heeft een nader Verslag schriftelijk overleg aangekondigd waarvan de beantwoording nu wordt voorbereid.
Met akkoord van uw Kamer zal het traject spoedig worden vervolgd. Volgens vaste procedure zal het ontwerpbesluit dan worden voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State en worden genotificeerd bij de Europese Commissie waarna over kan worden gegaan tot ondertekening en inwerkingtreding. In afwachting van de beoordeling van uw Kamer en gelet op de te volgen procedure is het echter niet mogelijk het verbod op 1 juli in werking te laten treden.
Welke (tussen)doelen voor wat betreft verkeersveiligheid wilt u op welke wijze binnen bereik brengen met de afspraken en middelen uit het coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst»? Wat zijn uw prioriteiten daarbij?
Op dit moment wordt gewerkt aan de uitvoering van de motie van het lid Geurts om een tussendoelstelling te gaan hanteren om een halvering van aantal verkeersslachtoffers te bewerkstelligen in 2030.5
Hiervoor is in januari jl. een ronde tafel georganiseerd met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Justitie en Veiligheid, wegbeheerders, kennispartners zoals SWOV en CROW en betrokken organisaties op het gebied van verkeersveiligheid zoals Veilig Verkeer Nederland (VVN), TeamAlert en ANWB. Met deze partijen wordt de komende periode geïnventariseerd welke maatregelen nodig zijn om de tussendoelstelling te behalen. De inzet is om deze maatregelen vervolgens ook door te laten rekenen op hun effect op de verkeersveiligheid. De resultaten worden met uw Kamer rond de zomer 2022 gedeeld.
Neemt u het veiliger maken van met name Rijks-N-wegen, zoals beschreven in het stappenplan2 ter uitvoering van de motie Grinwis/Stoffer3, snel ter hand nu in het coalitieakkoord de benodigde € 200 miljoen beschikbaar is gekomen voor het veiliger maken van de Rijks-N-wegen? Welke stappen bent u voornemens wanneer en hoe te zetten teneinde met name de (deels) te onveilig ingerichte N9, N14, N35, N36, N48, N50, N57, N59, N99 en N915 veiliger te maken?
Ja, dit jaar worden de nodige vervolgstappen in gang gezet om op basis van de beschikbare € 200 miljoen aan de slag te gaan met de verbetering van de verkeersveiligheid op de Rijks-N-wegen. Zoals gemeld in de brief van 14 januari jl.8, worden de komende tijd prioriteringsopties voor het verbeteren van de verkeersveiligheid op Rijks-N-wegen nader uitgewerkt. Dit gebeurt in lijn met de uitgangspunten uit het door u genoemde Stappenplan9. Hierbij zijn drie aandachtsgebieden onderscheiden: (1) een veilige en vergevingsgezinde berminrichting; (2) het toepassen van fysieke rijrichtingscheiding en (3) het aanpakken van resterende knelpunten, zoals bijvoorbeeld gevaarlijke gelijkvloerse kruisingen met het onderliggend wegennet. De door u genoemde trajecten zijn daarbij in beeld binnen het aandachtsgebied «toepassen van fysieke rijrichtingscheiding» vanwege bestaande risicocijfers en verwachtte risico’s in de toekomst. Op basis van de uitwerking van prioriteringsopties, vindt besluitvorming plaats over de concrete inzet van de beschikbare € 200 miljoen. Er wordt naar gestreefd om in 2023 te starten met de uitvoering van de eerste maatregelen. U wordt hierover medio dit jaar nader geïnformeerd.
Het bericht ‘Nederland grote abortussponsor’ |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU), Nicki Pouw-Verweij (JA21), Chris Stoffer (SGP) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), de Th. Bruijn |
|
![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Nederland grote abortussponsor» en «Ruim kwart miljoen abortusdiensten betaald, maar veel is onduidelijk»?1
Ja.
Klopt de onderzoeksbevinding van het Reformatorisch Dagblad dat in de afgelopen vijf jaar met Nederlands belastinggeld gemiddeld minstens ruim 250.000 «abortusdiensten» per jaar – ruim 1,25 miljoen cumulatief – werden bekostigd in armere landen? Hoe vaak ging het daarbij om zwangerschapsafbrekingen?
De term «abortusdienst» houdt een breed scala aan medische diensten in conform WHO richtlijnen op dit thema. Verschillende organisaties hanteren verschillende definities. Als gevolg daarvan bestaat er geen internationaal overeengekomen methodiek voor het tellen van een abortusdienst en worden verschillende methodieken gebruikt. Om die reden is het niet mogelijk om exact aan te geven hoeveel veilige abortusdiensten of zwangerschapsafbrekingen Nederland de afgelopen vijf jaar mogelijk heeft gemaakt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft er om deze methodologische redenen voor gekozen om vanaf 2017 de aantallen abortusdiensten niet langer bij elkaar op te tellen en bij te houden.
De onderzoeksbevinding van het Reformatorisch Dagblad is daarom voor mij niet te verifiëren.
Als u genoemde onderzoeksbevinding niet deelt, om hoeveel abortusdiensten en om welk aantal zwangerschapsafbrekingen ging het dan wel?
Het kabinet zet in haar beleid in op keuzevrijheid en het brede spectrum van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Dit omvat onder andere het verbeteren van toegang tot basisgezondheidszorg, zorg rondom zwangerschap en bevalling, moderne anticonceptiemiddelen, hiv-testen, counseling en medicatie, seksuele voorlichting aan jongeren en ook veilige abortuszorg. De Nederlandse bijdragen aan programma’s en organisaties zijn over het algemeen niet-geoormerkt en richten zich nooit alleen op het uitvoeren van veilige abortuszorg, maar op verschillende componenten van dat SRGR-spectrum.
In het werk van enkele internationale maatschappelijke organisaties, die door Nederland grotendeels ongeoormerkt worden gesteund, maakt het bieden van toegang tot en de kwaliteit van veilige abortuszorg onderdeel uit van hun werk. Dit geldt voor Ipas, het Safe Abortion Action Fund (SAAF), Marie Stopes International (MSI), de International Planned Parenthood Federation (IPPF) en Population Services International (PSI).
Deze door Nederland gesteunde organisaties hanteren, in lijn met de Technische Guidance van de WHO rondom abortus, een brede interpretatie van een abortusdienst, die naast de onderbreking van de zwangerschap ook voorlichting en counseling vooraf en achteraf omvat, als ook post-abortuszorg – bijvoorbeeld wanneer een vrouw na een onveilige abortus in levensgevaar is. Gezien deze manier van tellen kan het dus ook zo zijn dat een vrouw in een zorgtraject meerdere abortusdiensten ontvangt. Sommige organisaties splitsen een abortusdienst wel weer verder uit, door bijvoorbeeld post-abortuszorg of zwangerschapsafbrekingen apart te tellen.
Zoals in het antwoord op vraag 2 is gedeeld, bestaat er geen internationaal overeengekomen methodiek voor het tellen van een abortusdienst. Het is daarom niet mogelijk om exact aan te geven hoeveel veilige abortusdiensten of zwangerschapsafbrekingen Nederland de afgelopen vijf jaar mogelijk heeft gemaakt, of die gegevens per focusland aan te leveren.
In bijgevoegde tabel2 ziet u, over de afgelopen vijf jaar, de totale budgetten van de genoemde organisaties en de door hen gerapporteerde aantallen abortussendiensten die daarmee zijn gefaciliteerd. Deze gegevens zijn terug te vinden in de jaarrapportages van de betreffende organisaties die op hun websites gepubliceerd zijn. U ziet ook de Nederlandse financiële bijdrage aan deze organisaties voor die periode. Het is van belang te benoemen dat de verschillende organisaties hun eigen definitie van «abortusdiensten» hanteren en eigen methodiek voor het registreren hiervan. Rapportages zijn afhankelijk van registratie van diensten op landenniveau en, mede door het ontbreken van een uniforme definitie, kunnen cijfers fluctueren.
Kunt u per «doelland» aangeven hoeveel abortusdiensten in de afgelopen vijf jaar geleverd werden, hoe vaak het daarbij ging om zwangerschapsafbrekingen, hoe veel belastinggeld hiermee gemoeid was, en door of via welke organisatie(s) deze abortusdiensten (waaronder zwangerschapsafbrekingen) uitgevoerd werden? Zo nee, waarom niet, en beaamt u dat maximale informatie en transparantie voorwaarde is voor effectieve uitoefening van de controlerende functie van het Parlement als «tegenmacht» in een democratische rechtsstaat?
Zie antwoord vraag 3.
Welk percentage van het Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR)-budget van gemiddeld 432 miljoen euro per jaar ging de afgelopen vijf jaar naar abortusdiensten?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vragen 3 en 4 zet het kabinet in haar beleid in op keuzevrijheid en het brede spectrum van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. De Nederlandse bijdragen aan programma’s en organisaties zijn grotendeels ongeoormerkt en richten zich nooit alleen op het uitvoeren van veilige abortuszorg, maar op verschillende, met elkaar samenhangende componenten van het SRGR-spectrum.
Omdat Nederland een brede integrale steun verleent op het gebied van SRGR en veelal ongeoormerkt bijdraagt is het niet mogelijk is om het budget uit te splitsen naar specifieke interventies zoals abortusdiensten, in de brede zin van het woord zoals in het antwoord op vraag 3 en 4 omschreven, of zorg rondom zwangerschap en bevalling.
Welk percentage van hettotale ODA-budget ging de afgelopen vijf jaar naar abortusdiensten, en op welk bedrag komt dat gemiddeld per jaar neer?
Zie antwoord vraag 5.
Welk percentage van het SRGR-budget en van het totale ODA-budget ging de afgelopen vijf jaar naar maatregelen voor de zorg aan (aanstaande) moeders, bijvoorbeeld via inzet op goede «maternity care» of praktische steun voor vrouwen middels bijvoorbeeld moeder-kindcentra?
Zie antwoord vraag 5.
Beaamt u dat bovengenoemde vormen van zorg substantieel (kunnen) bijdragen aan het voorkomen van sterfte of blijvend letsel door onveilige abortus, en daarom nadrukkelijk (financiële) steun van Nederland verdienen?
Nederland staat voor een geïntegreerde benadering van SRGR inclusief hiv/aids, in lijn met recente adviezen van de WHO, zoals bijvoorbeeld te vinden in «Sexual and reproductive health» binnen het WHO UHC Compendium3 die naast goede moeder- en kindzorg ook veilige abortuszorg omvat.
Zorg rondom zwangerschap en bevalling zijn belangrijke interventies om moedersterfte te voorkomen. Daarom investeert Nederland bijvoorbeeld in het Global Financing Facility (GFF), waarmee gezondheidssystemen worden ondersteund om met name moeder- en kindsterfte te voorkomen. Echter is dit niet voldoende om onveilige abortus, en de sterfte of letsel veroorzaakt door onveilige abortus tegen te gaan. Daarvoor is het juist belangrijk om enerzijds in te zetten op preventie van ongeplande zwangerschappen, bijvoorbeeld door seksuele voorlichting en toegang tot moderne anticonceptiemiddelen, en anderzijds te zorgen dat vrouwen toegang hebben tot veilige abortuszorg wanneer zij dit nodig hebben en daarvoor kiezen.
In hoeverre en op welke wijze houdt Nederland bij (financiële) steun aan abortusdiensten rekening met de nationale wet- en regelgeving van «doellanden» op het vlak van SRGR en abortusdiensten?
Alle partners die Nederland financiert op het terrein van SRGR inclusief hiv/aids, en dus ook veilige abortuszorg, handelen binnen de kaders van de nationale wet- en regelgeving van het betreffende land. Daarnaast zijn de internationale WHO richtlijnen en VN mensenrechtenafspraken belangrijke kaders voor de Nederlandse internationale inzet voor veilige abortus. Internationale richtlijnen betreffen de WHO technische richtlijnen over veilige abortus, het Actieprogramma van de International Conference on Population and Development (ICPD), en het internationale kader en recht. Zo stelt de Convention on All Forms of Discrimination against Women (CEDAW), dat is geratificeerd door 189 landen, dat lidstaten wettelijke provisies die abortus criminaliseren zouden moeten intrekken.
Welke (juridische) kaders worden gehanteerd bij het financieren of anderszins mogelijk maken van abortusdiensten in het buitenland, bijvoorbeeld op het vlak van abortustermijn, bedenktermijn, vrijwaring van drang of dwang tegen vrouwen om welke reden dan ook, en de kwaliteit van medische zorg?
Zie antwoord vraag 9.
Welk Nederlands overheidstoezicht vindt plaats op (handhaving van genoemde kaders door) organisaties die Nederlands belastinggeld ontvangen om abortusdiensten (te helpen) uitvoeren, zoals Ipas, SAAF, MSI, IPFF en PSI?
Partnerorganisaties zijn verplicht jaarlijks inhoudelijke en financiële rapportages aan te leveren, deze te uploaden in IATI zodat deze openbaar zijn, alsmede audits uit te voeren (voor activiteiten boven EUR 5 mln). Deze rapportages worden gecontroleerd en beoordeeld. Vrijwel alle partnerorganisaties maken hun jaarverslagen publiek toegankelijk, bijvoorbeeld via hun website. Voor alle programma’s boven EUR 5 miljoen is een eindevaluatie verplicht.
Daarnaast worden ook monitoringsmissies uitgevoerd door beleidsmedewerkers uit Den Haag, maar ook door de collega’s op de ambassades. Zo wordt de uitvoering van programma’s ook ter plaatse gecontroleerd. Dit is evenwel sinds COVID-19 maar beperkt mogelijk.
Beleidsevaluaties van BZ, bijvoorbeeld door de IOB, zijn publiekelijk toegankelijk op de website van rijksoverheid.
Bestaat er een plicht voor deze en soortgelijke door Nederland gesubsidieerde organisaties om te rapporteren over de aantallen en aard van «abortusdiensten», en de wijze waarop deze zijn verleend? Zo nee, waarom niet, en bent u bereid alsnog zo’n rapportageplicht in te voeren?
Nee, deze verplichting is er niet. Partnerorganisaties die ongeoormerkte bijdragen ontvangen rapporteren op indicatoren die in lijn zijn met hun eigen (meerjaren) strategie. Bij het aangaan van een samenwerking met zo’n partnerorganisatie wordt beoordeeld of deze strategie bijdraagt aan de Nederlandse beleidsinzet gericht op het verbeteren van SRGR inclusief hiv/aids. Partners worden verzocht om op een aantal kernindicatoren uit het Nederlandse resultatenkader voor SRGR inclusief hiv/aids te rapporteren. Deze zijn te vinden op www.nlontwikkelingssamenwerking.nl. Omdat Nederland geen indicator hanteert op «abortusdiensten», om hierboven genoemde methodologische redenen, verplicht het kabinet partnerorganisaties niet om daarop te rapporteren en is het ook niet voornemens dit te zullen gaan doen.
Deelt u de mening dat, juist omdat abortusdiensten ingrijpende fysieke en psychische gevolgen kunnen hebben, zowel intensief overheidstoezicht vanuit Nederland als het donorland, als ook gedegen rapportage door uitvoerende organisaties, van groot belang is? Zo nee, waarom niet?
Toezicht op het handelen van partnerorganisaties en gedegen rapportages zijn in alle gevallen van groot belang. Alle organisaties zijn dan ook verplicht om jaarlijkse te rapporteren, inclusief in IATI. Daarnaast worden er monitoringsmissies uitgevoerd, en regelmatige beleidsevaluaties door de IOB. Natuurlijk onderhoudt Nederland tussentijds intensief informeel contact met partnerorganisaties, ook via de posten, om betrokken te zijn en blijven bij de uitvoering van hun werk.
Wat is concreet de inhoud van door Nederland gesteunde programma’s op het vlak van «comprehensive sexuality education» (CSE) en wat zijn de Nederlandse beleidsdoelstellingen daarbij?
Binnen de beleidsinzet voor SRGR inclusief hiv/aids zet Nederland zich in om meer jongeren, tussen 10 en 24 jaar, toegang te geven tot kennis over seksualiteit en reproductieve gezondheid en rechten, met als doel om keuzevrijheid te vergroten en gezondheid te verbeteren. Veel jongeren hebben nu geen of beperkt toegang tot juiste informatie omtrent seksuele en reproductieve gezondheid, waardoor zij een groter risico lopen op ongeplande (tiener-)zwangerschappen, seksueel overdraagbare aandoeningen, seksueel en gender-gerelateerd geweld en schadelijke gebruiken zoals meisjesbesnijdenis en kindhuwelijken.
Programma’s gericht op het verbeteren van seksuele voorlichting, of ook wel «comprehensive sexuality education» (CSE), zijn in lijn met de UNESCO International Technical Guidance on Sexuality Education (2018). Dit betekent dat de programma’s gericht zijn op het verbeteren van toegang tot door onderzoek ondersteunde informatie (scientifically acurate), op een breed scala aan thema’s inclusief seksualiteit, mensenrechten, gezondheid en welzijn, respectvolle relaties, waarden, gendergelijkheid, het stellen van grenzen en lichamelijke integriteit. Inhoud van CSE programma’s verschillen per leeftijds- en doelgroep, context, als ook nationale beleidskaders.
Begrijpt of deelt u de zorg, die ook geuit is door een organisatie alsFamily Watch International, dat CSE-programma’s promiscuïteit en risicovol seksueel gedrag (kunnen) aanmoedigen onder jongeren of zelfs jonge kinderen?
Nee. De bewering van Family Watch International wordt tegengesproken door onderzoek en advies van de Verenigde Naties op dit thema. In seksuele voorlichting staat het bieden van kennis en mogelijkheden voor ieder jongere om eigen weloverwogen keuzes rondom seksualiteit te kunnen maken centraal. Daarbij ligt de focus juist op het verbeteren van de gezondheid en het welzijn van jongeren.
De UNESCO International Technical Guidance on Sexuality Education geeft op basis van onderzoek aan dat CSE programma’s bijdragen aan latere eerste seksuele ervaring, het verminderen van het aantal seksuele partners, het verminderen van risicovol gedrag, en het verhogen van condoomgebruik en gebruik van anticonceptie. Onder andere het onderzoek van E.S. Goldfarb en L.D. Lieberman «Three Decades of Research: the Case for Comprehensive Sex Education» (2021) in The Journal for Adolescent Health ondersteunt deze bevindingen, en geeft aan dat CSE, gericht op een breed scala aan gender, mensenrechten en SRGR-gerelateerde thema’s, opgenomen zou moeten worden in nationaal beleid.
Klopt de bewering dat programma’s in Burundi en Jemen gericht zijn op zaken als «verzachten van de demografische druk» of het «verlagen van het vruchtbaarheidscijfer», en zo ja, hoe verhoudt dat zich tot het zelfbeschikkingsrecht van moeders (en vaders) wereldwijd om juist wel kinderen te willen krijgen?
De Nederlandse beleidsinzet voor het verbeteren van SRGR inclusief hiv/aids is gericht op het vergroten van keuzevrijheid. Zelfbeschikking en mensenrechten staan daarbij centraal, voor individuen om zelf te kunnen beslissen of, wanneer en hoeveel kinderen te krijgen, en te beschikken over hun eigen lichaam. Dit is ook in lijn met het Actieprogramma van de International Conference on Population and Development (ICPD).
De SRGR programma’s richten zich dus ook in Burundi en Jemen op het vergroten van keuzevrijheid en toegang tot goede kwaliteit zorg rondom zwangerschap en bevalling met als doel moeder- en kindsterfte te verlagen. In landen met hoge demografische druk blijkt juist dat die keuzevrijheid in het gedrang is, en dat veel mensen minder kinderen zouden willen krijgen maar bijvoorbeeld onvoldoende of geen toegang hebben tot moderne anticonceptiemiddelen of zelf geen keuzes kunnen maken over gebruik daarvan. In Burundi en Jemen hebben respectievelijk slechts 47% en 48% van de vrouwen (15–49 jaar) die moderne anticonceptie willen gebruik daar ook toegang toe, en dus ruim de helft niet. Beide landen hebben een zeer jonge bevolkingsstructuur, en hoge aantallen tienerzwangerschappen.
Kunt u vaststellen dat bij abortusdiensten die Nederland financiert, en zeker in het geval van zwangerschapsafbreking, geen sprake is van enige drang of dwang, bijvoorbeeld vanuit de omgeving van de vrouw, om een abortus te ondergaan? Zo nee, zou u nader onderzoek willen doen naar het vóórkomen en voorkómen van dergelijke dwang of drang rondom door Nederland gefinancierde abortusdiensten?
Nee, dat kan niet worden vastgesteld. Zoals aangegeven in Notaoverleg d.d. 27 september 2021 en conform de daaruit volgende toezeggingen is het kabinet tegen elke vorm van gedwongen abortus. Nederland zet zich al decennialang actief in voor keuzevrijheid. Juist deze inzet op het totale pakket aan SRGR, gericht op keuzevrijheid, gelijke toegang tot informatie en zorg, moet bijdragen aan voorkomen van dwang en drang rond abortus. Ook zet het kabinet zich in voor het aanpakken van grondoorzaken van genderongelijkheid en genderdiscriminatie inclusief grond oorzaken van son preference die leidt tot sekseselectie voor de geboorte.
Onder andere de VN, EU en het Guttmacher Institute publiceerden rapporten inzake gedwongen abortus. Deze rapporten heb ik op 5 oktober 2021 met uw kamer gedeeld. Ik zie op dit moment dan ook geen noodzaak voor aanvullend onderzoek.
Wilt u deze schriftelijke vragen afzonderlijk en nauwgezet beantwoorden, en niet volstaan met algemene antwoorden of algemene verwijzingen naar bijvoorbeeld de website https://www.nlontwikkelingssamenwerking.nl, tenzij een dergelijke bron daadwerkelijk en direct antwoord geeft op de gestelde vraag?
Ik heb uw vragen met alle zorgvuldigheid, aandacht en transparantie beantwoord.
Bescherming medische gegevens in de intensieve kindzorg |
|
Lucille Werner (CDA), Maarten Hijink , Ockje Tellegen (VVD), Attje Kuiken (PvdA), Jeanet van der Laan (D66), Fleur Agema (PVV), Lisa Westerveld (GL), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Heeft u ook signalen ontvangen dat zorgverzekeraars medische gegevens van chronisch ernstig zieke kinderen delen met derden zonder de indicatiestellers die BIG geregistreerd zijn en de ouders/kinderen hierover te informeren? Zo ja, om hoeveel kinderen gaat het?
Nee, ik heb geen signalen ontvangen over zorgverzekeraars die zonder toestemming medische gegevens delen aan «derden» als zijnde «buitenstaanders» zonder wettelijke grondslag. Er zijn mij wel signalen bekend dat zorgverzekeraars onder eigen verwerkingsverantwoordelijkheid een verwerker inhuren. Deze verwerker voert controlerende taken uit ten behoeve van en onder verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar, zoals het afleggen van een huisbezoek. Hier is uw Kamer eind vorig jaar over geïnformeerd.1
Voldoet het delen van medische dossiers met derden door verzekeraars ten behoeve van controle op doelmatigheid volgens u aan artikel 9 van de AVG, waarin wordt gesteld dat het delen van medische gegevens is verboden, behalve als het nodig is voor het verlenen van goede gezondheidszorg, het beheren van het stelstel of als uitdrukkelijk toestemming is gegeven? Kunt u dit uitgebreid toelichten?
Op hoofdlijnen geldt dat voor elke verwerking van persoonsgegevens een grondslag als opgesomd in artikel 6 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) aanwezig dient te zijn. Voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens moet voldaan zijn aan een uitzondering op het verbod om bijzondere persoonsgegevens te verwerken. Deze uitzonderingen zijn opgesomd in artikel 9, tweede lid, AVG. In het geval dat een verwerkingsverantwoordelijke gegevens doorgeeft aan een verwerker die zelf ook verwerkingsverantwoordelijk is, dan moet de verwerkingsverantwoordelijke zich ervan vergewissen dat hij hiervoor een grondslag heeft op basis van de AVG. Voor elke grondslag (bijvoorbeeld expliciete toestemming) gelden eigen randvoorwaarden. Naast de grondslag dient een verwerkingsverantwoordelijke zich ook te houden aan de andere uitgangspunten van de AVG. Zo mogen enkel de gegevens verwerkt worden die strikt noodzakelijk zijn voor het vastgestelde doel en mogen gegevens niet langer bewaard worden dan noodzakelijk. De verwerkingsverantwoordelijke moet tevens de mogelijkheid hebben voor betrokkene om zijn rechten onder de AVG, recht van inzage, wissing en zo verder te kunnen uitoefenen. Het staat de verwerkingsverantwoordelijke vrij om een verwerker in te huren die ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke gegevens verwerkt. Deze verwerker voert dit dan uit ten behoeve van en onder volledige verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke. De verwerker heeft geen eigen grondslag nodig.
De AVG is van toepassing op alle verwerkingen van persoonsgegevens die zorgverzekeraars doen. De zorgverzekeraars zijn zelf verwerkingsverantwoordelijk op basis van de AVG. Zij moeten ervoor zorgen dat hun gegevensverwerking voldoet aan de relevante wet- en regelgeving, met inbegrip van de AVG en dat zij hierover duidelijk communiceren naar hun verzekerden. Het is niet aan mij om te treden in de beoordeling van een specifieke gegevensverwerking. Dit is aan de Autoriteit Persoonsgegevens. Zij houden toezicht op de naleving van de privacywetgeving en de AVG.
Is volgens u sprake van een tegenstrijdigheid die nu is ontstaan binnen de AVG en de Zorgverzekeringswet? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Als ik uw vraag goed interpreteer vraagt u zich af of de inzet van een organisatie (als zijnde verwerker) voor het doen van de controle op doelmatigheid in opdracht van de zorgverzekeraar (als zijnde verwerkingsverantwoordelijke) in strijd is met de AVG. Dat hoeft niet het geval te zijn als deze organisatie dit doet ten behoeve van en onder verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar en de zorgverzekeraar hierover de juiste afspraken heeft gemaakt. De verwerker handelt dan onder de grondslag van de zorgverzekeraar en heeft geen eigen grondslag nodig.
De zorgverzekeraars zijn zelf verwerkingsverantwoordelijk op basis van de AVG. Zij moeten ervoor zorgen dat hun gegevensverwerking voldoet aan de relevante wet- en regelgeving, met inbegrip van de AVG en dat zij hierover duidelijk communiceren naar hun verzekerden. Het is niet aan mij om te treden in de beoordeling van een specifieke gegevensverwerking. Dit is aan de Autoriteit Persoonsgegevens. Zij houden toezicht op de naleving van de privacywetgeving en de AVG.
Deelt u onze zorg dat het hier om een kwetsbare groep kinderen gaat en dat het delen van een medisch dossier een potentieel risico kan vormen voor de persoonlijke levenssfeer als dit vaker wordt uitgewisseld en op meer plekken staat opgeslagen? Hoe kan volgens u hier veiligheid worden gewaarborgd?
Met alle persoonsgegevens dient zorgvuldig om te worden gegaan. Dit geldt ook, en des te meer, voor bijzondere persoonsgegevens. Voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens geldt dan ook strengere wetgeving in de AVG. Het medische dossier van kwetsbare kinderen valt onder deze categorie bijzondere persoonsgegevens.
Klopt het dat verzekeraars ouders geen toestemming vragen voor het delen van de medische gegevens van hun kind? Waarom is deze toestemming niet wettelijk vereist? Wat zouden de consequenties van een toestemmingsvereiste zijn voor verzekerde en verzekeraar?
In de polisvoorwaarden zijn bepalingen opgenomen over de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens door de zorgverzekeraar. Verwerking daarvan is noodzakelijk voor de uitvoering van de basisverzekering. De zorgverzekeraar mag persoonsgegevens delen met derden (bijvoorbeeld een zorgaanbieder) voor zover dat noodzakelijk is om de verplichtingen op grond van de basisverzekering na te komen.
Ouders geven door ondertekening van het aanvraagformulier van een Zvw-pgb expliciet toestemming dat de zorgverzekeraar contact opneemt met de indicerende verpleegkundige, de huisarts en/of de medisch specialist om de (medische) gegevens omtrent deze aanvraag en indicatiestelling voor verpleging en/of verzorging in te zien.
Verder is in het pgb-reglement van de zorgverzekeraars vermeld dat de verzekerde toestemming geeft aan de zorgverzekeraar om contact op te nemen met de verpleegkundige, de huisarts en de behandelend specialist om de (medische) gegevens van de verzekerde omtrent de Zvw-pgb aanvraag en indicatiestelling voor verpleging en verzorging in te zien op het moment dat het nodig is voor een juiste uitvoering van de verzekering. Dit vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de medisch adviseur of verpleegkundig adviseur. Het pgb-reglement is onderdeel van de polisvoorwaarden van de verzekerde.
Klopt het dat verzekeraars ook zelf controle kunnen uitvoeren op de doelmatigheid van indicatiestelling van chronisch zieke kinderen? Zou dit in deze situatie niet de voorkeur genieten, omdat er dan geen medische gegevens met derden hoeven te worden gedeeld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Alleen zorgverzekeraars zijn in de positie om de controle op doelmatigheid uit te voeren. Als zij deze opdracht laten uitvoeren door een organisatie kan die organisatie die opdracht enkel uitvoeren ten behoeve van en onder verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar. Zorgverzekeraars zijn en blijven daarmee verantwoordelijk voor de verwerking van de desbetreffende gegevens.
Vindt u het delen van gegevens door zorgverzekeraars met derden wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
De AVG is van toepassing op alle verwerkingen van persoonsgegevens die zorgverzekeraars doen. Ik ben natuurlijk van mening dat iedereen en dus ook zorgverzekeraars zich moeten houden aan de AVG. Als zorgverzekeraars zich houden aan die privacywetgeving heb ik geen bezwaar tegen een eventuele gegevensverwerking in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar als verwerkingsverantwoordelijke. Het is niet aan mij om te treden in de beoordeling van een specifieke gegevensverwerking. Dit is aan de Autoriteit Persoonsgegevens. Zij houden toezicht op de naleving van de privacywetgeving en de AVG.
Bent u bereid om met Zorgverzekeraars Nederland in gesprek te gaan over deze praktijk?
Eind 2020 bent u inhoudelijk over dit onderwerp geïnformeerd2 en is met zorgverzekeraars het gesprek gevoerd over gegaan over dit onderwerp. Dit was naar aanleiding van een vraag van het lid Bergkamp (D66) over een wijziging van een zorgverzekeraar in het reglement Zvw-pgb. Op basis van dat gesprek zag mijn ambtsvoorganger geen aanleiding tot vervolgstappen en op dit moment zijn er bij mij geen aanwijzingen om dat besluit te heroverwegen. Desalniettemin staat het verzekerden altijd vrij om klachten over een mogelijke inbreuk op de AVG kenbaar te maken bij hun zorgverzekeraar of zich te wenden tot de Autoriteit Persoonsgegevens voor een formele beoordeling van de juistheid van deze gegevensverwerking.
De PCR-testcapaciteit die in te zetten is voor grootschalig testen |
|
Lisa Westerveld (GL), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Klopt het dat de loop-mediated isothermal amplification (LAMP)-testlijnen die bij de GGD Amsterdam zijn gebruikt en succesvol waren niet verder zijn uitgerold over het land omdat de GGD'en het destijds wel weer aan konden?
De LAMP testlijnen zijn gekocht om aanvullende testcapaciteit mogelijk te maken. De gedachte was dat met de LAMP-testlijnen op meerdere locaties in het land hoog sensitieve en snelle methodes ingezet konden worden.
Echter, voor gebruik van de LAMP-testlijnen is relatief veel hooggekwalificeerd personeel nodig. Daarnaast is de ervaring dat bij grote volumes meer fouten worden gemaakt en storingen ontstaan bij gebruik van de LAMP-testlijnen. Deze fouten en storingen dienen bekeken te worden, waardoor de eerder gewonnen snelheid van deze methode (deels) verloren gaat. Onder andere om die reden zijn de XL-teststraten overgezet op antigeentesten of reguliere PCR-testen.
Bij de GGD Amsterdam was een pilot gestart om de inzetbaarheid van de LAMP-testlijnen bij de GGD’en te testen. De GGD Amsterdam heeft de LAMP-testlijnen tot eind 2021 ingezet en zij zijn nu overgestapt naar PCR-testen. Deze LAMP-testlijnen zijn nog operationeel als back-up voor Covid-19-diagnostiek. Omdat de GGD Amsterdam de LAMP-testlijnen zelf gevalideerd heeft, kunnen zij goed overweg met het (complexe) gebruik ervan. Op dit moment is de GGD Amsterdam voor het testen voor Covid-19 om doelmatigheidsoverwegingen volledig overgestapt naar een ander testplatform waar, in vergelijking met de LAMP-lijnen, met minder (hoog gekwalificeerde) mensen meer volume gedraaid kan worden.
Om bovenstaande redenen zijn de LAMP-testlijnen niet in gebruik genomen bij andere GGD’en. Voor de LAMP-testlijnen wordt gezocht naar alternatieve specifieke toepassingen. Zo worden enkele van de LAMP-testlijnen door de GGD Amsterdam ingezet voor het detecteren van andere respiratoire ziekten.
Waar zijn de LAMP-testlijnen nu en zijn ze op korte termijn weer herbruikbaar en inzetbaar?
Er zijn vijftien LAMP-testlijnen gekocht door het Ministerie van VWS. Hiervan zijn er vier momenteel bij GGD Amsterdam, en de rest is in opslag. Voordat de testlijnen weer kunnen worden ingezet, moet eerst een onderzoekstraject worden uitgevoerd. Dit onderzoek wordt uitgevoerd om de LAMP-testlijnen door te ontwikkelen om deze inzetbaar te krijgen en de nodige documentatie in orde te stellen. Daarnaast dient dit onderzoek om de bredere inzetbaarheid van de LAMP-testlijnen te onderzoeken en te kijken voor welke toepassingen de testlijnen geschikt zijn. Er wordt momenteel gekeken naar de mogelijkheden om TNO het onderzoek te laten uitvoeren.
Dit onderzoek, dat enkele fasen kent, gaat ongeveer een 3 tot 4 maanden duren. TNO zal ook de protocollen gaan schrijven over het gebruik van de LAMP-testlijnen. Na afloop van het onderzoek wordt bekeken waar de apparaten van de LAMP-testlijnen het beste te plaatsen en gebruiken. Ik besluit binnenkort over dit onderzoek.
Wat was de vergoeding per test die nodig en toegezegd was voor de LAMP-testen?
Over de vergoeding van analyses met de LAMP-lijn is met GGD Amsterdam een vergoeding afgesproken van € 6.433,- per shift van 8 uur. In een shift worden minimaal 161 testen en maximaal 800 monsters geanalyseerd.
Hoeveel had het qua kosten naar schatting gescheeld als de LAMP-testen verder waren uitgerold over het land?
Dit is niet te zeggen, omdat zowel de haalbare testvolumes als de reële tariefstelling nog onbekend zijn. Beide factoren worden nader bepaald in de pilot met TNO.
Wat is de huidige kostprijs van de polymerase chain reaction (PCR)-testen en hoe verhoudt die zich tot de vergoeding die de laboratoria per test krijgen?
De maximale totale kosten die worden vergoed voor een PCR-test die afgenomen is bij een GGD-teststraat bedroeg in 2021 € 68,50. Hiervan is € 50,– per PCR-test voor de laboratoriumkosten. Bij de aanbesteding van de NAAT (PCR)-analysecapaciteit in 2022 geldt een gemiddeld tarief van € 32,–. De kostprijs per afname en analyse van een PCR-test verschilt per GGD en per laboratorium, waarbij de kostprijs van de laboratoria bedrijfsgevoelige informatie is.
Is het voor grootschalig testen, met als doel monitoring, nodig om de ISO 15189-standaard te hanteren (die voor diagnostiek wordt gehanteerd)? Waarom (niet)?
Beide ISO-accreditaties (15 189 en 17 025) voldoen op het moment voor Testen voor Toegang, mits het laboratorium dat de ISO-17025 certificering heeft de overige vigerende wet- en regelgeving hanteert. GGD GHOR NL wil graag vasthouden aan een eis van de ISO accreditatie 15189 voor Testen bij Klachten, omdat hierbij een arts-microbioloog betrokken is.
Wat zou de kostprijs zijn van de LAMP-testen en andere hoge doorvoer PCR-testen wanneer deze zouden worden ingezet? Hoe verhoudt zich dat tot de kostprijs van de huidige PCR-testen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoeveel testen kan een hoge doorvoer PCR-testlijn (met een waterbad in plaats van een hitteblok) per dag verwerken? Klopt het dat dit rond de 100.000 ligt?
De geschiktheid van een hoge doorvoer PCR-testlijn met een waterbad voor SARS-CoV-2-diagnostiek is op dit moment niet bekend. Het is daarom niet te zeggen wat de capaciteit per dag voor SARS-CoV-2-diagnostiek is.
Klopt het dat de industrie, kennisinstellingen en de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) sinds jaar en dag hoge doorvoer PCR-testlijnen gebruiken en dat verhitting via een waterbad al jaren standaard-praktijk is? Klopt het dat Q-koorts al jaren op deze manier gemonitord wordt?
TNO heeft dit systeem niet en is niet betrokken bij Q-koorts monitoring. Voor experimenteel onderzoek bij researchlaboratoria wordt wel gebruik gemaakt van verhitting via een waterbad. Bij de grote laboratoria waar bulkanalyses gedaan worden, wordt geen gebruik gemaakt van verhitting via waterbad.
Het gebruik van waterbaden voor bulk-analyses is vorig jaar onderzocht in opdracht van het Ministerie van VWS. Er waren inderdaad voordelen bij het gebruik van waterbaden; de snelheid van de analyses werd erdoor verhoogd en er kunnen aanzienlijk meer monsters tegelijk worden behandeld. Het nadeel was dat de logistiek rondom de monsters veel complexer werd, waardoor er meer fouten zouden kunnen ontstaan. Na beoordeling van het gehele proces waarbij waterbaden gebruikt worden is besloten hier niet verder mee te gaan.
Bent u ervan op de hoogte dat er hoge doorvoer waterbad-PCR-testlijnen in bedrijf zijn bij onder andere HZPC (Metslawier), VHL Genetics (Wageningen), RijkZwaan (De Lier), Wageningen Universiteit (WBVR) en TNO?
Ja, hiervan ben ik op de hoogte.
Hoeveel waterbad-PCR-testlijnen zijn er in bedrijf in Nederland op dit moment? Hoeveel PCR-testen kunnen daar per dag mee gedaan worden?
Het totaalaantal van deze testlijnen in Nederland is mij niet bekend. Dat geldt eveneens voor de maximale volumes die met dergelijke testlijnen kunnen worden gedraaid, mede omdat de geschiktheid voor SARS-CoV-2-diagnostiek niet bekend is.
Hoeveel hoge doorvoer PCR-testlijnen met 100.000 testen per dag zijn nodig om in Nederland het Deense model te kopiëren, waarbij iedereen 2 keer per week zou worden getest door het inleveren van een spit cup?
Dat is op basis van de huidige data niet goed in te schatten. Gedrag zal hierbij een belangrijke factor zijn en daar zijn geen goede gegevens over. Zo is ook de ervaring dat de testbereidheid niet evenredig verdeeld is over de week. Daardoor zal de testvraag op bepaalde dagen van de week dus hoger zal liggen en zouden daarvoor ook meer PCR-testlijnen nodig zijn. Onderstaande rekensom heeft dus een hoog theoretisch gehalte. Verder zijn naast het aantal hoge doorvoer testlijnen nog verschillende andere factoren in de testketen die invloed hebben op de haalbaarheid in de praktijk. Zoals bijvoorbeeld de in te richten logistieke ketens, de beschikbare personele capaciteit met de juiste kennis en vaardigheden en de beschikbaarheid van voldoende consumables.
Om in Nederland 17,5 miljoen (2020) inwoners (alle leeftijden) 2 keer per week te laten testen zijn 35 miljoen testen per week nodig. Dit gedeeld door de 7 dagen van de week zijn bijna 5 miljoen testen per dag. Deze 5 miljoen gedeeld door 100.000 testen per dag voor 1 PCR-testlijn resulteert in afgerond 50 PCR-testlijnen die minimaal stabiel 100.000 testen per dag kunnen draaien. Zoals gezegd zal het werkelijke aantal hoger liggen door ongelijkmatige verdeling over de weekdagen, het rekening moeten houden met niet optimale prestaties van 50 testlijnen, beperkingen in de logistiek enzovoort.
Bent u van mening dat LAMP-testlijnen en andere hoge doorvoer PCR-testlijnen ingezet moeten worden voor grootschalige coronatestfaciliteiten? Zo ja, op welke manier gaat u dat vormgeven? Zo nee, wanneer acht u dit wel passend?
Op dit moment is er nog geen uitspraak te doen of de LAMP-testlijnen inzetbaar zijn voor grootschalige coronatestfaciliteiten. De conclusies van het onderzoek met TNO bieden hier in de toekomst meer duidelijkheid over. Wel is duidelijk dat zowel de LAMP als de STRIP geen CE merk hebben, en dus uitsluitend bij onderzoekslaboratoria geplaatst mogen worden.
Wat we tot nu toe weten over de LAMP-testlijnen is dat deze methode veel minder geschikt is voor het draaien van grote volumes. Dit in tegenstelling tot testen met bijvoorbeeld de STRIP-apparaten, waarvoor minder menskracht nodig is en er per tijdseenheid veel meer samples geanalyseerd kunnen worden. Voor de LAMP-testlijnen is veel hoog gekwalificeerd personeel nodig en de ervaring bij GGD Amsterdam was dat bij grote volumes meer fouten worden gemaakt en storingen ontstaan. Deze fouten en storingen dienen bekeken te worden, waardoor de eerder gewonnen snelheid van deze methode (deels) verloren gaat. De LAMP-testlijnen waren primair bedoeld om met een gevoelige testmethode snel een uitslag te kunnen krijgen.
Hoeveel gevalideerde antigeentesten en gevalideerde zelftesten zou de Dienst Testen op korte termijn (vier weken) kunnen inkopen?
Ten aanzien van (gevalideerde) antigeensneltesten geldt dat er momenteel geen krapte is op de wereldmarkt, hiernaast zijn nog ongeveer 15 miljoen antigeensneltesten op voorraad onder verantwoordelijkheid van de Dienst Testen. Indien de huidige voorraad uitgeput is en een nieuwe inkoop wenselijk is, dan zal er een aanbesteding gestart moeten worden. Een aanbesteding kost ongeveer 4–6 maanden tijd.
Op de wereldmarkt voor zelftesten en de markt voor goederenvervoer heerst momenteel wel enige krapte. Onder de huidige aanbesteding is het maximum van 53,5 miljoen zelftesten ingekocht. Deze worden momenteel uitgeleverd en in de komende maanden ingezet in het onderwijs en voor kwetsbare groepen. De verwachting is dat de beschikbare voorraad zelftesten voldoende is tot medio april. In januari is een nieuwe aanbesteding gestart voor maximaal 150 miljoen aanvullende zelftesten. Onder de uitgeputte aanbesteding én de nieuwe aanbesteding was en is het mogelijk om binnen vier weken na opdrachtverstrekking tot uitlevering te komen, naar schatting tot ongeveer 10 miljoen stuks. Hierbij teken ik aan dat de nieuwe aanbesteding zelftesten nog niet geeffectueerd is; totdat dit gebeurt is er geen mogelijkheid voor Dienst Testen om aanvullende zelftesten in te kopen binnen het reguliere proces.
De boostercampagne voor mensen onder de 60 jaar met een kwetsbare gezondheid |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Herinnert u zich uw uitspraak in het coronadebat van 1 december jl. «Vanaf januari willen we dan zo gaan werken dat niet zozeer de leeftijd bepalend is als wel het moment waarop je je laatste prik hebt gehad. Zodoende willen we ook tot het einde van de boostercampagne volhouden dat de laatste prik leidend is voor het moment waarop je wordt uitgenodigd.»?
Deze uitspraak is door mijn voorganger gedaan.
Kunt u toelichten op welke manier deze uitspraak zich verhoudt tot de kabinetsappreciatie van de motie-Westerveld en de volgende zin in de Kamerbrief «plan van aanpak boosteroffensief»: «Na de jaarwisseling gaat de boostercampagne verder met de mensen onder de 60 jaar. Deze worden uitgenodigd van oud naar jong, in de zevende maand na de laatste vaccinatie of na een doorgemaakte coronabesmetting.»?1 2
De boostercampagne is op advies van de Gezondheidsraad begonnen met het vaccineren van de meest kwetsbare groep. Vooral bij ouderen is gebleken dat de vaccineffectiviteit afneemt, waardoor de kans op ernstiger verloop bij besmetting groter is. Voortschrijdend inzicht heeft doen besluiten om toch te kiezen voor het uitnodigen van leeftijd van oud naar jong. Daarnaast is gekozen voor het verkorten van het interval tussen de laatste vaccinatie uit de basisserie (of doorgemaakte besmetting) en de boostvaccinatie tot ten minste drie maanden. Zowel leeftijd als laatste vaccinatiedatum zijn bepalend voor de volgorde en het moment van uitnodigen.
Bent u op de hoogte van het feit dat de meeste mensen onder de 60 jaar met een kwetsbare gezondheid tussen eind april/begin mei (mensen met ademhalingsondersteuning) en halverwege/eind juni (griepprikplus-groep) hun tweede prik hebben gehad?
Ja.
Kunnen mensen onder de 60 jaar met een kwetsbare gezondheid ervan uitgaan dat zij in de zevende maand na hun laatste vaccinatie een uitnodiging ontvangen en ook in de zevende maand geprikt worden? Zo nee, waarom niet?
In de loop van december is door de sneller teruglopende vaccineffectiviteit en de opkomst van de omikronvariant de boostercampagne versneld. Om zo snel mogelijk iedereen in staat te stellen een boostvaccinatie te halen is de uitvoering vereenvoudigd. Het eerder gecommuniceerde uitgangspunt om vanaf januari uit te nodigen in de 7e maand na de primaire vaccinatie is daarom losgelaten. Uiteindelijk kon op 4 januari iedereen van 18 jaar een ouder een afspraak maken voor een boostvaccinatie. Ook mensen met een kwetsbare gezondheid hebben dus een afspraak kunnen maken om een boostvaccinatie te ontvangen.
Hoe is het advies van de Gezondheidsraad om 60-minners een boosterprik van oud naar jong te geven te verenigen met het streven om iedereen in de zevende maand na de laatste vaccinatie een boosterprik te geven? Hoe wordt meegenomen dat bij de eerste vaccinatieronde mensen met een kwetsbare gezondheid eerder aan de beurt waren dan hun leeftijdsgenoten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kan het dat u in het debat van 1 december jl. antwoordde dat spierziektepatiënten met beperkte ademhalingsfunctie een arbeidsintensieve groep vormen die thuis gevaccineerd moeten worden, terwijl het grootste deel van die groep in de eerste vaccinatierondes zelf naar priklocaties toe kon komen? Hoe zorgt u dat zij in de zevende maand na hun tweede prik, zij zijn op advies van de Gezondheidsraad met voorrang in maart/april gevaccineerd, een booster aangeboden krijgen op een GGD-locatie?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ervan op de hoogte dat mensen met een ziekte als sikkelcelanemie of levercirrose een hoger risico lopen op een ernstig verloop van een coronabesmetting dan mensen zonder chronische ziekte? Bent u het eens dat de groep mensen met een kwetsbare gezondheid niet gebaat is bij een lang interval tussen de eerste afgeronde vaccinatiereeks en de boosterprik?3
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat de Kamerbrief «plan van aanpak boosteroffensief» het beloofde plan van aanpak is waar u in het debat van 1 december jl. naar verwees? Komt er verder nog een uitgewerkt plan van aanpak voor mensen onder de 60 jaar? Zo ja, wanneer?
Ja, dat klopt. Inmiddels heeft er een enorme versnelling van de boostercampagne plaatsgevonden. In de stand van zaken-brieven en de technische briefing is de Kamer geïnformeerd over de uitvoering van de boostercampagne.
Het bericht dat veel ondernemers zich laten uitbetalen voor hun werkzaamheden door middel van ruilprostitutie |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Ferdinand Grapperhaus (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichtgeving in de Tubantia over het feit dat veel ondernemers zich laten uitbetalen voor hun werkzaamheden door middel van ruilprostitutie?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat diensten worden aangeboden in ruil voor seks en dat vooral mensen in een kwetsbare positie hier slachtoffer van worden?
Laat ik vooropstellen dat ik het verwerpelijk vind als er misbruik wordt gemaakt van mensen in een kwetsbare positie. Op dit moment is er terecht veel aandacht voor seksueel wangedrag in onze samenleving. Het kabinet heeft 8 februari jl. bekend gemaakt dat er een regeringscommissaris komt tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het is van groot belang dit probleem goed aan de kaak te stellen. Het is echt uit den boze als kwetsbare mensen aan seksuele uitingen of handelingen worden blootgesteld, terwijl ze dit in feite niet hadden gewild. Iemand met schulden of iemand die dakloos is moet hulp krijgen en zich niet gedwongen voelen tot seksuele diensten. Er ligt een wetsvoorstel bij de Raad van State waarmee geregeld wordt dat je strafbaar bent als je weet of had moeten weten dat de ander geen seksueel contact wil. Het kabinet zal ervoor zorgen dat de wet ook uitdrukkelijk onder de aandacht wordt gebracht bij de branches waarom het hier gaat. Het is belangrijk dat de desbetreffende branches een veilige werkomgeving creëren en een werkklimaat scheppen waar grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar wordt gemaakt. Volwassenen die op een aanbod ingaan of een aanbod doen zullen zich er goed van moeten vergewissen dat het echt gaat om vrijwilligheid en wederzijdse instemming op basis van gelijkwaardigheid. Als het handelt om minderjarigen kan ik kort zijn. Ruilseks met minderjarigen is verwerpelijk, onaanvaardbaar en reeds strafbaar gesteld in artikel 248a van het Wetboek van Strafrecht. Jongeren krijgen op school seksuele voorlichting om bewustwording te creëren. Ze leren seksuele wensen en grenzen bespreekbaar te maken om daarmee ongewenst gedrag te voorkomen.
Kunnen deze praktijken nog steeds niet worden gezien als prostitutie, zoals u op eerdere vragen stelde?
Het aanbieden van diensten in ruil voor seks valt niet onder de definitie van prostitutie, zoals die bijvoorbeeld in de Wet regulering sekswerk die nu in de Tweede Kamer ligt wordt gehanteerd. Kenmerkend voor prostitutie is het zich bedrijfsmatig beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling. Zowel prostitutie als ruilseks zijn in Nederland niet verboden. Zoals ik bij vraag 2 heb geantwoord moet het in beide gevallen altijd gaan om vrijwilligheid en wederzijdse instemming op basis van gelijkwaardigheid. Het is verwerpelijk als iemand kwetsbaar is en er misbruik wordt gemaakt van een machtspositie.
Is bekend in welke branches sprake is van ruilprostitutie? Zo ja, bent u bereid met de genoemde branches in het artikel in gesprek te gaan over deze praktijken en over het voorkomen ervan? Zo nee, bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Op 8 december 2015 heeft de toenmalige Minister Kamervragen over ruilseks in de rijschoolbranche beantwoord (mede namens de Minister van
I&M). Zoals ik bij vraag 2 heb geantwoord vind ik het verwerpelijk als er misbruik wordt gemaakt van mensen in een kwetsbare positie. Bij meerderjarigen moet er echt sprake zijn van vrijwilligheid, wederzijdse instemming en een gelijkwaardige positie. Bij minderjarigen geldt dat verleiding van minderjarigen tot ontucht strafbaar is gesteld in artikel 248a van het Wetboek van Strafrecht.
In het artikel worden een aantal ondernemers genoemd die mogelijk ruilseks aanbieden. Branches moeten een veilige werkomgeving creëren en een werkklimaat scheppen waar grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar wordt gemaakt. Het kabinet zal ervoor zorgen dat het wetsvoorstel dat bij de Raad van State ligt, waarmee geregeld wordt dat je strafbaar bent als je weet of had moeten weten dat de ander geen seksueel contact wil, uitdrukkelijk onder de aandacht wordt gebracht bij de desbetreffende branches.
Waarom zijn na de eerste meldingen van ruilprostitutie, in onder andere de rijschoolbranche, geen maatregelen genomen? Wanneer heeft u opnieuw berichten over ruilprostitutie ontvangen en welk vervolg is daaraan gegeven? Hoe kan voorkomen worden dat in meer branches sprake zal zijn van ruilprostitutie?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u voorts de mening dat het onwenselijk is dat er sites bestaan die ruilprostitutie mogelijk maken? Zo ja, wat voor maatregelen neemt u of overweegt u te nemen om dit tegen te gaan? Is het mogelijk dergelijke sites zoals sexjobs te verbieden en bent u daartoe bereid? Wat kunt u doen om het grote aanbod advertenties, inclusief alle kwetsbaarheid van bepaalde doelgroepen, gericht op diensten in ruil voor seks tegen te gaan?
Dergelijke advertenties kunnen, hoewel in beginsel niet verboden, wel via vormen van zelfregulering worden beperkt en tegengegaan, bijvoorbeeld door gebruikersvoorwaarden die door de aanbieder van de website worden gesteld.
Adverteren voor ruilseks met minderjarigen is verboden, omdat verleiding van minderjarigen tot ontucht strafbaar is gesteld in artikel 248a van het Wetboek van Strafrecht. Kwetsbare doelgroepen, zoals jongeren, krijgen voorlichting om bewustwording te creëren en ongewenst gedrag te voorkomen (zie antwoord 8).
Van hoeveel aangiftes is sprake van ruilprostitutie? Hoe beoordeelt u dit aantal, gezien de huidige berichtgeving? Hoe kunt u de drempel om aangifte te doen verlagen?
Er is bij de politie en het Openbaar Ministerie (OM) geen zicht op het fenomeen ruilseks. De inzet van politie is dat men zo laagdrempelig mogelijk melding- of aangifte kan doen. Daarbij wordt rekening gehouden met de omstandigheden: de ernst van het delict en het slachtoffer.
Doordat er momenteel in de samenleving veel aandacht is voor seksueel wangedrag, wordt de drempel tot aangifte doen mogelijk verlaagd. Het is belangrijk om de dialoog over seksueel grensoverschrijdend gedrag met elkaar te blijven voeren. Zoals eerder benoemd hebben branches een rol in het creëren van een veilige werkomgeving en een werkklimaat scheppen waar grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar wordt gemaakt.
Wat vindt u van het onderzoek van Rutgers, waarin een kwart van de jongeren aangeeft geld of goederen te hebben gekregen in ruil voor seks? Hoe valt te voorkomen dat minderjarigen, slachtoffer worden van ruilprostitutie? Kunt u aanvullend onderzoek mogelijk maken?
Oplichting of het aanbieden van diensten aan minderjarigen in ruil voor seks is verboden en verwerpelijk. Het betalen van minderjarigen voor seks is strafbaar als zedendelict (in artikel 248a van het Wetboek van Strafrecht). Verder is het ook belangrijk dat jongeren goede seksuele voorlichting krijgen. Het respectvol leren omgaan met seksualiteit binnen de samenleving maakt onderdeel uit van het verplichte kerndoelonderdeel «seksualiteit en seksuele diversiteit». Dit kernonderdeel geldt voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Hierbij gaat het zowel om seksuele vorming als om seksuele weerbaarheid.
Het Ministerie van VWS financiert een meerjarige campagne seksuele gezondheid (in samenwerking met Sense). Onderdeel hiervan was de campagne «Zin? Lekker? Fijn? - Praat met elkaar over wat je wel en niet wil.», die liep van 30 augustus tot 4 oktober 2021. Deze campagne was bedoeld om jongeren in de leeftijd van 17 tot 24 jaar te helpen om hun seksuele wensen en grenzen bespreekbaar te maken en daarmee ongewenst gedrag te voorkomen.
Hoe kijkt u aan tegen een verbod op ruilprostitutie?
Zoals ik in antwoord op vraag 2 heb aangegeven vind ik het verwerpelijk als er misbruik wordt gemaakt van mensen in een kwetsbare positie. Indien de afspraak tussen volwassenen wordt gemaakt op vrijwillige basis zie ik geen aanleiding om over te gaan tot een verbod op ruilseks. Er ligt een wetsvoorstel bij de Raad van State waarmee geregeld wordt dat je strafbaar bent als je weet of had moeten weten dat de ander geen seksueel contact wil.
Gokreclames op www.vi.nl |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het vermelden van quotering bij (live) voetbalwedstrijden en het daarmee adverteren voor sportweddenschappen door Voetbal International op www.vi.nl?
Ja.
Kunt u aangeven hoe deze advertenties zich verhouden tot artikel 3, eerste en tweede lid van de Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen die verplicht bij advertenties te wijzen op de minimumleeftijd en de doorverwijzing naar informatie over risico's van gokken?
Artikel 3 van de Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen schrijft voor dat de vergunninghouder bij elke afzonderlijke wervings- en reclameactiviteit de consument op voldoende zichtbare wijze wijst op de minimumleeftijd voor deelname aan een kansspel. Ook moet de vergunninghouder ervoor zorgen dat bij elke afzonderlijke wervings- en reclameactiviteit de consument op voldoende zichtbare wijze wordt gewezen op de internetpagina van de vergunninghouder alwaar informatie wordt gekregen zodat de consument volledig wordt geïnformeerd over deelneming aan kansspelen.
In dit geval maakt kansspelaanbieder Jack’s Casino, via de website www.vi.nl, reclame voor haar spelaanbod. Dit is een vorm van affiliate marketing. Ook voor deze vorm van reclame voor kansspelen is de vergunninghouder verantwoordelijk en daarom moet hij de regels van onder andere artikel 3 van de Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen in acht nemen. De Kansspelautoriteit houdt daar toezicht op.
Kunt u aangeven hoe deze advertenties zich verhouden tot artikel 2, derde en vierde lid van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen dat verbiedt reclame te richten op minderjarigen en mensen in de leeftijd tot 24 jaar?
Het is vergunninghouders van kansspelen op afstand verboden om hun reclame te richten op minderjarigen en jongvolwassenen. Bij de beoordeling of reclame is gericht op kwetsbare groepen betrekt de Kansspelautoriteit onder meer de volgende elementen: inhoud, medium of middel, locatie en tijdstip en de doelgroep. De vergunninghouder moet kunnen aantonen dat hij er alles aan heeft gedaan om te voorkomen dat de reclame bij kwetsbare groepen terecht komt.1 Het is aan de Kansspelautoriteit om toezicht te houden op naleving van de reclameregels en in te grijpen indien dat niet gebeurt.
Kunt u aangeven hoe in deze advertenties wordt voldaan aan dat wat staat in de memorie van toelichting bij de Wet kansspelen op afstand dat ook bij reclame- en wervingsactiviteiten voor spelers duidelijk moet zijn van wie deze afkomstig zijn?
Reclame voor kansspelen draagt bij aan kanalisatie; het leiden van spelers naar het legale aanbod van kansspelen. Van belang is daarbij dat reclame zorgvuldig en evenwichtig is. Dit houdt onder meer in dat reclame voor kansspelen niet mag misleiden en het voor spelers in ieder geval duidelijk moet zijn dát er sprake is van reclame voor een kansspel en door of namens wie die reclame wordt gemaakt. Reclame moet dus herkenbaar zijn als reclame. Bovendien schrijft artikel 3 van de Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen voor dat de vergunninghouder ervoor moet zorgen dat bij elke afzonderlijke wervings- en reclameactiviteit de consument op voldoende zichtbare wijze wordt gewezen op de internetpagina van de vergunninghouder alwaar informatie wordt gekregen zodat de consument volledig wordt geïnformeerd over deelneming aan kansspelen. Overigens is de website van vi.nl op 8 december 2021 aangepast. Het is aan de Kansspelautoriteit als toezichthouder om per geval – ook in dit geval – te beoordelen of hiermee is voldaan aan de wet- en regelgeving voor reclame.
Kunt u aangeven hoe in deze advertentie wordt voldaan aan dat wat staat in de memorie van toelichting bij de Wet kansspelen op afstand dat aangaande het «sterk verslavende karakter van live betting» strikte regulering noodzakelijk is? Op welke wijze is deze strikte regulering in lagere regelgeving terecht gekomen?
Voor het maken van reclame gelden strenge regels. Voor live betting2 zijn de reclameregels nog strenger. Het is daarom vergunninghouders die sportweddenschappen aanbieden verboden, anders dan op de door hen geëxploiteerde kansspelinterface, om tijdens die wedstrijd reclame- of wervingsactiviteiten te ontplooien die gericht zijn op degene die naar die wedstrijd kijkt. Daarbij maakt het geen verschil of die persoon die wedstrijd in persoon volgt in het stadion of op het parcours, of het verloop van die wedstrijd volgt op televisie, de radio of internet. «Tijdens de wedstrijd» heeft betrekking op het tijdvak na aanvang van de wedstrijd en voor afloop van de wedstrijd, en beslaat dus ook de rust tijdens de wedstrijd. Zo zijn pushberichten met aanbod van weddenschappen voor die specifieke wedstrijd in die periode niet toegestaan.3 Het is niet aan mij, maar aan de Kansspelautoriteit om uitspraken te doen over naleving van wet- en regelgeving in een concreet geval.
Hoe beoordeelt u deze reclames in het licht van het sterk verslavende karakter van live betting, de ogenschijnlijke neutraliteit van de advertentie, en het feit dat geen enkele inspanning wordt gedaan om te voorkomen dat jongeren en andere kwetsbare groepen worden aangezet tot gokken?
Zie mijn antwoorden op de vragen drie, vier en vijf over het relevante reclamebeleid. Het is niet aan mij om te oordelen over een specifieke casus,
dat doet de Kansspelautoriteit.
Op welke wijze houdt de Kansspelautoriteit toezicht op dergelijke reclames en hoe verhoudt zich dit tot de huidige praktijken?
Ook én juist de komende periode, nu de markt van kansspelen op afstand is geopend, zal de Kansspelautoriteit bijzondere nadruk leggen op het optreden tegen onrechtmatige reclamepraktijken van legale én illegale kansspelaanbieders. Toezicht op (het gebruik van) affiliates maakt daar onderdeel van uit. Dit draagt bij aan het uitgangspunt om maatschappelijk kwetsbare groepen te beschermen. De Kansspelautoriteit doet onderzoek op basis van eigen waarneming en meldingen van misstanden.
Was de Kansspelautoriteit reeds op de hoogte van deze reclamepraktijk en zo ja, wat is met dit gegeven gedaan? Zo nee, hoe komt dat?
De Kansspelautoriteit is op de hoogte van deze specifieke reclame en in het algemeen van het gebruik van affiliates en doet regelmatig onderzoek naar affiliate marketing voor online kansspelen. Hierbij adverteren vergunninghouders voor hun aanbod op websites. Die sites ontvangen geld als er vanaf hun website wordt doorgeklikt naar het online kansspel, zoals live casino’s. De Ksa treedt regelmatig op tegen onder andere affiliates.4 Bij de onderzoeksronde in mei 2021 startte de Ksa 22 onderzoeken tegen onvergunde aanbieders. Vijftien websites overtraden de Wet op de kansspelen. In dertien gevallen is er een last onder dwangsom opgelegd. In twee zaken loopt het onderzoek nog. In enkele gevallen werd de overtreding direct gestaakt of stapte de reclamemaker over naar het maken van reclame voor een legale aanbieder.5 Individuele zaken waarbij de Ksa tot een sanctiebesluit komt staan op haar website vermeld. Over andere individuele zaken kan ik geen uitspraak doen.
Wat zijn uw beleidsvoornemens om de gokindustrie duidelijk te laten merken dat de bescherming van kwetsbare groepen, zoals minderjarigen, voor u geen wassen neus, maar een belangrijke pijler onder het kansspelbeleid is?
Met de wet kansspelen op afstand is een stevig pakket aan maatregelen geïntroduceerd om kansspelverslaving tegen te gaan. Onderdeel daarvan is aanscherping van het reclamebeleid, juist ter bescherming van kwetsbare groepen. Het feit dat enkele aanbieders met hun reclame de grenzen van het toelaatbare opzoeken en daar mogelijk overheen stappen, maakt voor mij niet op zichzelf dat regels aanscherping behoeven. Eerder vraagt dit om stevig toezicht en handhaving op de naleving. Ook én juist de komende periode, nu de markt van kansspelen op afstand is geopend, zal de Kansspelautoriteit bijzondere nadruk leggen op het optreden tegen onrechtmatige reclamepraktijken van legale én illegale kansspelaanbieders om zo maatschappelijk kwetsbare groepen van personen te beschermen. Daarnaast houd ik scherp in de gaten welke effecten het huidige pakket aan regels in de praktijk heeft. Waar nodig stuur ik, zoals ook eerder aan uw Kamer gemeld, bij via lagere regelgeving.6
Kunt u deze vragen met spoed maar uiterlijk voor het commissiedebat kansspelen beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Medewerkers van GGD moeten weg na drie tijdelijke contracten’ |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Medewerkers van GGD moeten weg na drie tijdelijke contracten»?1
Ja.
Klopt het dat u herhaaldelijk contact hebt gehad met GGD GHOR over de tijdelijke contracten van medewerkers op test- en vaccinatielocaties?
Er zijn inderdaad gesprekken geweest tussen SZW, VWS, GGD GHOR en verschillende GGD-organisaties over hun personeelsbeleid tijdens de coronacrisis.
Bij hoeveel GGD-medewerkers is het einde van hun derde tijdelijke contract in zicht?
In de gesprekken bleek dat GGD-organisaties hun personeelsbeleid op uiteenlopende wijzen organiseren. Afhankelijk van het beleid dat zij hanteren, lopen GGD-organisaties tegen het maximale aantal tijdelijke contracten aan. De inschatting is dat hier om ongeveer 3.000 tot 5.000 medewerkers gaat.
Bent u het ermee eens dat het afscheid nemen van tijdelijke GGD-medewerkers zeer ongewenst is, aangezien de test- en vaccinatievraag de komende weken en maanden alleen maar zal stijgen en dit eerder zal vragen om een uitbreiding van het aantal GGD-medewerkers dan een afname?
Het is belangrijk dat er binnen de GGD-organisaties een combinatie is tussen flexibiliteit en continuïteit in de test-, BCO- en vaccinatiecapaciteit. De GGD’en hebben aangegeven dat het wenselijk is om ingewerkte collega’s niet te moeten vervangen door nieuwe krachten.
Wat kunt u doen om tijdelijke, en inmiddels ervaren GGD-medewerkers te behouden, met een extra tijdelijk of vast contract? Welke ad hoc, onconventionele of creatieve oplossingen zijn te bedenken?
Allereerst zijn de GGD-organisaties als werkgever zelf verantwoordelijk om hun personeelsbeleid te voeren en daarmee voor de wijze waarop zij (tijdelijke) werknemers inzetten en behouden als deze belangrijk zijn voor de organisatie. De verschillende GGD-organisaties hebben hun personeelsbeleid op uiteenlopende wijze georganiseerd. Wanneer de GGD deze personeelsleden wil behouden en derhalve de contracten wil verlengen dan is de GGD wettelijk verplicht om deze personeelsleden op een gegeven moment een vast contract aan te bieden.
Tegelijkertijd kan de GGD het zich niet veroorloven om met de groeiende opgave op het gebied van testen en vaccineren deze ingewerkte mensen te vervangen door nieuwe mensen. Temeer omdat ze naast deze ingewerkte mensen sowieso meer personeel nodig hebben om de benodigde opschaling te kunnen realiseren. Dat is de afweging die gemaakt moet worden.
Herkent u het bericht van de GGD dat zij structurele covid-financiering nodig hebben om deze medewerkers een vast contract te geven? Welke mogelijkheden hebben de GGD’en om in deze crisistijd mensen vast in dienst te nemen en na de crisistijd deze contracten via het UWV te ontbinden? Wat kunt u hier verder in betekenen?
Het is mogelijk om werknemers een contract voor onbepaalde tijd aan te bieden indien het noodzakelijk is voor de uitvoering van het bevel om ingewerkt personeel te behouden. Dat staat op zich los van structurele financiering. Als een GGD een werknemer in vaste dienst neemt en er is op een gegeven moment geen werk meer voor deze mensen en ook geen mogelijkheid tot herplaatsing bij dezelfde werkgever dan kan een bedrijfseconomisch ontslag worden aangevraagd bij de UWV. UWV is bevoegd over deze aanvraag te beslissen, tenzij op grond van de toepasselijke cao een op grond van die cao ingestelde ontslagcommissie hiertoe bevoegd is.
Daarbij is wel relevant dat voor de medewerkers van de GGD de CAO SGO of de CAR UWO van toepassing blijkt. In deze cao’s is geregeld dat voor medewerkers die boventallig worden als ze langer dan 24 maanden in dienst zijn een werk-naar werk regeling geldt van maximaal twee jaar. In die twee jaar is dan wel de opzegtermijn opgenomen. Ook kunnen deze medewerkers recht krijgen op een boven- en nawettelijke WW-uitkering op grond van de cao. Daardoor zijn er, naast de wettelijke kosten, aanvullende kosten op grond van de cao om werknemers langer dan 24 maanden in dienst te houden.
Door deze regeling kan het zijn dat personeelskosten nog enige tijd doorlopen, mocht het besluit komen om testen/traceren/vaccineren structureel te verkleinen of te stoppen. Deze kosten evenals de transitievergoeding zullen door VWS worden gefinancierd op grond van de meerkostenregeling. Het gaat hier over mensen die in dienst zijn genomen voor de uitvoering van het bevel betreffende de covid-19 pandemie. Hierbij gaat het Ministerie van VWS ervan uit dat de GGD’en hun verantwoordelijkheid voor een goed personeelsbeleid (blijven) nemen. Hiermee is er voor de GGD-en voldoende financiële zekerheid.
Wat verwacht u van de GGD GHOR en regionale GGD-organisaties om bij te dragen aan een oplossing? Wat is daarin redelijk, gegeven de ontbrekende structurele covid-financiering die de GGD ontvangt?
GGD GHOR en regionale GGD’en kunnen mensen waarvan voor de derde keer een tijdelijk contract afloopt indien noodzakelijk een contract voor onbepaalde tijd aanbieden, zie vraag 6 voor verdere uitwerking. Ik heb aan de GGD’en gevraagd of zij op korte termijn de omvang van de groep(en) werknemers in kaart kunnen brengen, evenals de financiële implicaties die hieruit voortvloeien. Op basis daarvan zullen VWS en de GGD’en gezamenlijk tot een afbakening komen in welke situaties het niet mogelijk is deze kosten in te brengen bij de meerkostenafspraak. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat een medewerker langer behouden wordt voor de reguliere organisatie van de GGD.
Wat is te leren van de uitzondering die voor invalkrachten in het onderwijs wordt geboden om tijdelijke contracten te verlengen?
Inderdaad is met de Wet arbeidsmarkt in balans een wettelijke uitzondering op de ketenbepaling gemaakt voor invalkrachten die invallen wegens ziekte in het primair onderwijs. Dit is een specifieke wettelijke uitzondering. Zoals ik in antwoord 6 heb aangegeven is het mogelijk in deze gevallen werknemers op een contract voor onbepaalde tijd aan te nemen, en indien de coronapandemie en dit werk voor de GGD-organisaties afloopt een verzoek in te dienen voor bedrijfseconomisch ontslag. Dat lijkt voor de korte termijn de meest logische oplossing voor GGD-organisaties. Een wetswijziging om ook voor deze groep een uitzondering te bewerkstelligen is daarom momenteel niet aan de orde. Daarbij zou een wetswijziging op zeer korte termijn deze werknemers, die nu juist zulk belangrijk werk doen, rechten ontnemen.
Deelt u de mening dat het in principe beter is als werknemers een vast contract krijgen in plaats van drie tijdelijke contracten achter elkaar?
Het is natuurlijk de wens van dit kabinet om meer mensen in vaste dienst te krijgen. Tegelijkertijd kunnen er voor werkgevers goede gronden zijn om mensen op tijdelijke basis in te zetten. Een crisis is zo’n voorbeeld.
Welke knelpunten zijn in de toekomst te verwachten rond het dienstverband van GGD-medewerkers? Wat gaat u doen om deze knelpunten te voorkomen dan wel op te lossen?
Natuurlijk blijven SZW, VWS met de GGD GHOR Nederland en regionale GGD-organisaties in gesprek om knelpunten die op dit punt in de toekomst opkomen te voorkomen dan wel op te lossen.
De afschaling van reguliere zorg en de extra wachttijdproblematiek |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Aukje de Vries (VVD), Attje Kuiken (PvdA), Mirjam Bikker (CU), Wieke Paulusma (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht van 15 november jl.: «Kuipers: winst covidzorg kleiner dan schade voor reguliere patiënten» en de recente berichten van ziekenhuizen dat reguliere zorg verder moet worden afgeschaald?1
Ja.
Wat zijn de laatste signalen van de Nederlandse Zorgautoriteit en de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd? Is er verbetering opgetreden na hun laatste brief van 5 november jl?2
Het Landelijk Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding (LCPS) geeft aan dat, sinds de brief van de toezichthouders van 5 november jl., de COVID-druk op de IC steeds gelijkmatiger kan worden verdeeld tussen de regio’s, gewogen naar de afgesproken fair share.
Bent u bereid, naast de spreiding van coronapatiënten, ook regie te nemen op een evenredige en eerlijke afschaling van reguliere zorg in Nederland zodat voorkomen wordt dat in het ene ziekenhuis meer zorg wordt afgeschaald dan in het andere ziekenhuis? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe geeft u daaraan uitvoering?
Voor het afschalen van de reguliere zorg zijn landelijke afspraken gemaakt. Deze zijn vastgelegd in het «Tijdelijk beleidskader voor het waarborgen acute zorg in de COVID-19 pandemie»3 en in het Opschalingsplan COVID-19 van het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ)4. Op 19 november 2021 is een aanvulling op dit tijdelijk beleidskader aan uw Kamer gestuurd, waarin aanvullend is afgesproken dat binnen elke regio bij het spreiden van COVID-patiënten rekening wordt gehouden met het borgen van IC-afhankelijke kritiek planbare zorg5. Het doel van deze afspraken is een evenwichtige spreiding van COVID-patiënten, zodat ook de druk op de reguliere zorg overal in Nederland vergelijkbaar is.
Op 26 november 2021 heb ik op verzoek van het LNAZ bekrachtigd dat fase 2d van het opschalingsplan van kracht is. Dat betekent dat de planbare zorg in alle ziekenhuizen in Nederland wordt gestopt. Dat is zorg met «enig/geen risico op gezondheidsschade» bij uitstel langer dan 6 weken, zoals heupoperaties of sterilisaties. Ook zal, indien nodig, de kritiek planbare zorg (verder) af worden geschaald waar dit verantwoord is. Dat is zorg met een «aanmerkelijk risico op permanente gezondheidsschade dan wel verlies van levensjaren» als het langer dan 6 weken wordt uitgesteld, zoals hartoperaties of grote oncologische operaties. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zien er op toe dat de afspraken worden nagekomen.
Bemerkt u dat ziekenhuizen, net als tijdens de coronacrisis in het voorjaar van 2020, bereid zijn om reguliere zorg zo eerlijk als mogelijk af te schalen en te verdelen? Zo ja, waar blijkt dat uit, is dit te kwantificeren? Zo nee, welke individuele belangen spelen er bij ziekenhuizen?
Het is natuurlijk een vervelende situatie voor ziekenhuizen om de planbare zorg opnieuw af te schalen. Geen enkele arts wil een patiënt moeten afbellen omdat er geen plek is. De ziekenhuizen hebben dan ook geprobeerd om de reguliere planbare zorg zo lang mogelijk door te laten gaan, naast het bieden van de zorg voor COVID-patiënten. De les uit de eerste golf in het voorjaar van 2020 was ook, dat alle partijen er met elkaar voor moesten zorgen dat de reguliere zorg zo lang mogelijk doorgang zou vinden en dat er afspraken nodig waren over welke zorg er eerst moest worden afgeschaald. Dit alles om blijvende gezondheidsschade en verlies van levensjaren zoveel mogelijk te voorkomen. Daarom is in het najaar van 2020 ook het tijdelijk beleidskader opgesteld, dat op 19 november jl. nog is aangevuld. De NZa gaf op 25 november jl. aan dat alle ziekenhuizen in Nederland de planbare zorg gedeeltelijk of helemaal hebben moeten afschalen.6 De NZa blijft de afschaling van de zorg monitoren en publiceert daar wekelijks over in de «Informatiekaart Druk op de Zorg».
Klopt het beeld dat zelfstandige behandelklinieken (ZBC’s) niet maximaal benut worden om uitgestelde reguliere zorg van ziekenhuizen over te nemen? Zo ja, wat gaat u doen om deze capaciteit in te zetten? Zo nee, kunt u kwantificeren waaruit dat blijkt?
Zorgaanbieders en zorgverzekeraars moeten samenwerken om de capaciteit die er is, optimaal beschikbaar te maken. Dit hebben partijen ook met elkaar afgesproken in het kader passende inhaalzorg. De NZa ziet er op toe dat het kader wordt uitgevoerd.
In 2020 bedroeg het aandeel van de zorg van zbc’s ruim 5%7 van de totale medisch-specialistische zorg in Nederland. Uit de monitor «Toegankelijkheid van zorg» van de NZa blijkt de zelfstandige klinieken inmiddels meer zorg leveren dan voor de coronacrisis en de verwijzingen naar deze klinieken zijn gestegen8. Van de operaties die tijdens de coronacrisis in de ziekenhuizen zijn uitgesteld, is circa 10% inmiddels in een zbc ingehaald. Een groter deel van alle patiënten die verwezen worden door de huisarts voor medisch specialistische zorg wordt nu verwezen naar zelfstandige klinieken.
Ik ben bekend met de signalen van zbc’s dat ze onvoldoende een rol zouden spelen bij de afspraken over de inhaalzorg. De NZa doet naar aanleiding van deze signalen een uitvraag bij de zorgverzekeraars over de manier waarop zorg bij de zelfstandige klinieken wordt ingekocht. Ik beschik nog niet over de resultaten. Ik merk wel alvast op dat zbc’s voor een groot aantal specialismen voornamelijk planbare zorg leveren en dat de (inhaal)zorgvraag niet altijd aansluit bij het aanbod van klinieken. Ook zijn er mensen die liever willen wachten op hun eigen dokter. De planbare zorg is immers over het algemeen niet urgent.
Hoe zet u zich actief in om wederom meer gebruik te gaan maken van digitale zorg nu reguliere zorg weer wordt afgeschaald en digitale zorg de wachtlijst ook kan verkleinen?
Het Ministerie van VWS moedigt zorgaanbieders aan om zo veel mogelijk gebruik te maken van alle mogelijkheden om digitale zorg te verlenen. Digitale zorg biedt veel waardevolle veilige en efficiënte mogelijkheden die nog beter benut kunnen worden. Tijdens de eerste golf van de coronacrisis werd een digitale versnelling gecreëerd om goede zorg te blijven verlenen. VWS heeft in het najaar van 2020 partijen in de ziekenhuiszorg via verschillende kanalen opgeroepen tot een extra intensivering van hun inzet op dit terrein. Dit werd de versnellingsimpuls genoemd. Ik verwijs hierbij naar mijn brief van 25 oktober 20219 waarin ik uitgebreid inga op de ontwikkelingen en acties rondom digitale en hybride zorg.
Hoe beoordeelt u het bericht van 16 november jl: «Hartpatiënten UMCG mogelijk snel geopereerd in Duisburg»?3
Het is mooi dat het UMCG Groningen proactief de samenwerking heeft opgezocht met ziekenhuizen in Duitsland om er zo voor te zorgen dat ook patiënten die niet in aanmerking komen voor een (spoed)operatie in Nederland sneller geholpen kunnen worden. Veel ziekenhuizen (met name in de grensstreek) hebben lang bestaande samenwerkingsrelaties met ziekenhuizen in Duitsland of België.
Is er bij het telkens uitstellen van (reguliere) kritiek planbare zorg of electieve zorg ook sprake van het overschrijden van de treeknorm als het aantal weken van uitstel de treeknorm overschrijdt?
De Treeknormen zijn afspraken die aangeven wat de maximaal aanvaardbare wachttijd is voor patiënten. Op dit moment wordt juist van ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra gevraagd om hun reguliere zorg (verder) af te schalen. De Treeknorm wordt op dat moment dan ook niet gehaald.
Klopt het dat indien verzekeraars niet kunnen voldoen aan hun zorgplicht, in dit geval het niet halen van de treeknorm bij kritieke of electieve planbare zorg, dat zij operaties elders in Europa dienen te vergoeden? Zo ja, welke belemmeringen zijn er volgens u voorts om reguliere zorg ook in het buitenland te laten doen?
Zorgverzekeraars hebben zorgplicht wat inhoudt dat zij voor verzekerden met een naturapolis moeten zorgen dat zij tijdige, bereikbare en kwalitatief goede zorg krijgen. Bij een restitutiepolis betreft de zorgplicht de vergoeding van de kosten van zorg die de verzekerde nodig heeft en waar hij wettelijk aanspraak op heeft, en zorgbemiddeling als de verzekerde daarom verzoekt.
Zorgverzekeraars wijzen zorgaanbieders erop dat als zij een verzekerde niet (tijdig) in zorg kunnen nemen, zij de verzekerde doorverwijzen naar de zorgverzekeraar voor zorgbemiddeling. Ook informeren zij hun verzekerden over de mogelijkheid van zorgbemiddeling. Als de verzekerde daarom vraagt dan bemiddelt de zorgverzekeraar hen naar een zorgaanbieder die de zorg tijdig levert, voldoende bereikbaar is en kwalitatief goede zorg levert.
In het geval dat de cliënt naar een zorgaanbieder wil in het buitenland en die aanbieder de zorg binnen de gewenste tijd kan bieden, is (gedeeltelijke) vergoeding van die zorg in beginsel mogelijk.
Het gaat dan om geplande zorg waarvoor in bepaalde gevallen, maar niet altijd, voorafgaande toestemming van de zorgverzekeraar nodig is. Het is raadzaam dat verzekerden altijd vooraf contact opnemen met hun zorgverzekeraars om te weten of en zo ja, welke vergoeding aan de orde is. Ook is van belang dat zorgverzekeraars hun verzekerden erop wijzen dat er problemen kunnen ontstaan als een verzekerde in Nederland vervolgzorg nodig heeft nadat die in het buitenland behandeld is geweest. Omdat in Nederland de reguliere zorg afgeschaald wordt is er namelijk een gerede kans dat eventuele vervolgzorg voorlopig niet geleverd kan worden.
De cliënt doet er goed aan om zich bij de zorgverzekeraar te laten informeren over de toepasselijke polisvoorwaarden en EU-regelgeving, zodat hij niet voor (financiële) verrassingen komt te staan. Ter voorbereiding op dit gesprek kan de cliënt alle relevante informatie vinden op de website van het Nationaal Contactpunt grensoverschrijdende zorg.11 De NZa ziet er op toe dat zorgverzekeraars aan de zorgplicht voldoen.
Bent u bekend met het artikel van vrijdag 12 november jl: «De wachtlijsten voor ziekenhuizen in Groningen en Drenthe groeien hard. Hoe vind ik als patiënt de kortste wachttijd. Dit moet je weten»?4
Ja.
Worden patiënten beter en actiever benaderd voor wachtlijstbemiddeling en hun mogelijkheid om zorg in het buitenland, in een zelfstandig behandelkliniek of in een ander ziekenhuis te krijgen nu er meer reguliere zorg wordt afgeschaald?
Het Ministerie van VWS heeft met de NZa, de Patiëntenfederatie en andere partijen communicatiemateriaal opgesteld gericht op patiënten, waarin onder andere de mogelijkheid tot zorgbemiddeling via de zorgverzekeraar wordt toegelicht. Dit communicatiemateriaal wordt geactualiseerd en eind november opnieuw breed met veldpartijen gedeeld. Zorgaanbieders kunnen met deze materialen patiënten informeren.
Wat is de status van het actueler maken van de wachtlijstinformatie, een belofte die werd gedaan door Nederlandse Zorgautoriteit en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen naar aanleiding van het bericht van het programma «Kassa»?5
De NZa heeft mij laten weten dat de wachttijden nu vaker vernieuwd worden op de site van Zorgkaart Nederland. Eerst was dit eens in de twee weken, nu is dat twee keer per week. Daarnaast bekijkt de NZa de mogelijkheid om op korte termijn real time de wachttijden door te kunnen geven.
Welke stappen worden er gezet om de wachtlijstgegevens op de complete doorlooptijd te baseren in plaats van op wachttijd tot diagnose of eerste afspraak in de polikliniek?
Als een methode gebruikt wordt om de gehele doorlooptijd te gebruiken, gebeurt dit achteraf. Dat betekent dat de wachttijden minder actueel zijn dan de methode die nu gebruikt wordt en dat is onwenselijk.
Bent u het ermee eens dat patiënten een afweging moeten kunnen maken tussen fysieke reistijd en wachttijd, met andere woorden: eerder zorg verder weg, of later zorg dichtbij? Zo nee, waarom niet?
Het is altijd een afweging van de patiënt zelf waar hij of zij uiteindelijk behandeld wil worden als het planbare zorg betreft. Dat is nu niet anders.
Bent u bereid om stappen te ondernemen om landelijke weergave van de wachttijden ook op ziekenhuischeck.nl te bewerkstelligen zodat mensen, net als bij zorgkaartnederland.nl, beter een afweging kunnen? Zo nee, waarom niet?
Dit is al mogelijk. Op de website van de NZa staat software (API) waar partijen op kunnen aansluiten om zelf de wachttijden te ontsluiten.14 Volgens de NZa is Ziekenhuischeck van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen ook van plan dit te doen.
Bent u ook bereid om in deze weergave van beschikbaarheid ook de beschikbaarheid van ZBC's mee te nemen? Zo ja, bent u ook bereid hierover het gesprek met de zorgverzekeraars, als inkoper van zorg, aan te gaan? Zo nee, waarom niet?
De NZa vindt het met mij belangrijk dat een volledig overzicht van de wachttijden beschikbaar komt. Daarom staan ook alle zorgaanbieders, zowel zelfstandige klinieken als ziekenhuizen, op Zorgkaart Nederland. De gegevens die de NZa beschikbaar stelt gaan over beide typen instelling, en is dus ook te gebruiken door ziekenhuischeck.nl.
Kunt u deze vragen, gezien de snelheid waarmee reguliere zorg nu wordt afgeschaald, zo spoedig als mogelijk beantwoorden?
Ja.
De gevolgen van de coronacrisis voor mensen in de prostitutie |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Deelt u de zorg dat de aangekondigde sluitingsmaatregel vanaf 18 uur voor onder meer de seksindustrie, forse gevolgen zal hebben voor het inkomen van mensen die werken in de prostitutiesector, aangezien zij een groot deel van hun inkomsten na 18 uur verdienen terwijl de kosten van bijvoorbeeld raamhuur gelijk blijven? Deelt u tevens de zorg dat het gevolg hiervan kan zijn dat, net als in eerdere fases, mensen zich genoodzaakt zien buiten deze tijden in onveilige situaties (bijvoorbeeld illegaal) door te werken?
Ik deel de zorg over de effecten van de recente coronamaatregelen voor de verschillende sectoren en beroepen, waaronder ook voor sekswerkers. Zeker als sekswerkers zich mogelijk uit financiële nood genoodzaakt voelen door te werken met risico’s voor zowel hun eigen veiligheid en gezondheid als de volksgezondheid. Uiteraard zal ik alert blijven op signalen van gemeenten en hulporganisaties die in direct contact staan met de sekswerkers. Het kabinet werkt ook aan een steunpakket voor de getroffen sectoren.
Deelt u de mening dat, net als in eerdere fases, door de hoge besmettingscijfers en de onmogelijkheid van voorzorgsmaatregelen als mondkapjes en het houden van afstand, het voorstelbaar is dat er mensen in de prostitutie zijn die vanwege dit risico niet besluiten te werken?
Ik begrijp dat sekswerkers het niet prettig vinden om te werken vanwege de hoge besmettingscijfers. Desalniettemin heb ik eerder van vele sekswerkers begrepen dat er vaak wel voorzorgsmaatregelen worden genomen zoals het dragen van mondkapjes om het risico op besmetting te verkleinen. Voorts zijn er standaard hygiëneregels die sekswerkers en exploitanten in de werkomgeving dienen na te leven. Het is uiteindelijk aan de sekswerker zelf om het risico af te wegen en te besluiten wel of niet te werken.
Herinnert u zich de motie-Bikker c.s. die de regering verzocht steunmaatregelen toegankelijk te houden wanneer mensen in de prostitutie vanwege de coronacrisis niet of minder werken?1
Ja, zoals in de brief van 27 mei 2021 over de steun- en herstelmaatregelen in het derde kwartaal naar aanleiding van deze motie is aangegeven, zijn deze maatregelen ook beschikbaar gesteld voor sekswerkers als zij aan de voorwaarden voldeden.
Bent u bereid en kunt u toezeggen de aangekondigde steunmaatregelen op korte termijn ruimhartig toegankelijk te maken voor mensen in de prostitutie, zodat zij zich niet gedwongen voelen in onveilige situaties te werken? Zo nee, waarom niet?
Het aanvullende pakket waartoe het kabinet heeft besloten ondersteunt ondernemers die als gevolg van de extra maatregelen met omzetverlies worden geconfronteerd. Het kabinet heeft daarom besloten de toegang tot de VLN-regeling te verbreden en ruimhartig op te zetten. Voor zelfstandigen die hun inkomen onder het sociaal minimum zien zakken is er inkomensondersteuning via het reguliere vangnet (Besluit bijstand zelfstandigen) beschikbaar. Ook sekswerkers kunnen – indien zij aan de voorwaarden voldoen – van deze regeling gebruik maken.
Verder houdt het kabinet samen met de VNG, Divosa en gemeenten vinger aan de pols of er aanvullende maatregelen of middelen nodig zijn om deze beperkte lockdown te overbruggen voor mensen die te maken krijgen met een plotseling terugval in inkomsten.
Kunt u daarbij tevens garanderen dat doelgroepen die bij eerdere steunpakketten tussen wal en schip vielen, waaronder sekswerkers die werkten via opting in, tevens gelijkwaardige steun ontvangen? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus van dinsdag aanstaande?
Ja.
Eiwit-vaccins |
|
Mirjam Bikker (CU), Tunahan Kuzu (DENK), Kees van der Staaij (SGP), Caroline van der Plas (BBB), Pieter Omtzigt (Omtzigt), Nicki Pouw-Verweij (JA21) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het feit dat er een groep mensen bestaat die wel gevaccineerd wil worden, maar niet met het mRNA en/of vectorvaccin en derhalve om uiteenlopende redenen wachten op de levering van een «klassiek» eiwit-vaccin?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Heeft u zicht op de grootte van deze groep? Zo niet, bent u bereid om te na te gaan hoeveel mensen wachten op eiwit-vaccins?
Op dit moment is er geen zicht op de grootte van deze groep. Het RIVM monitort regelmatig wat de verschillende beweegredenen van mensen zijn in waarom zij zich wel of niet willen laten vaccineren. Het wachten op een «klassiek»- of eiwitvaccin is daarbij niet aan de orde gekomen. Ik zie daarom geen noodzaak om dit in verder detail uit te zoeken, maar zal het RIVM vragen ook hier in de monitoring aandacht voor te blijven houden.
Deelt u de mening dat keuzevrijheid tussen de verschillende coronavaccins die reeds beschikbaar zijn of beschikbaar komen bij kan dragen aan vergroting van de vaccinatiebereidheid?
Het kabinet kijkt op basis van (internationale) adviezen of én welke vaccins voor een bepaalde doelgroep geschikt zijn. Op dit moment worden op vaccinatielocaties standaard de vaccins van Moderna en BioNTech/Pfizer gebruikt. Mensen die liever het Janssen-vaccin willen, kunnen contact opnemen met de lokale GGD om te informeren of zij het Janssen vaccin op voorraad hebben en op welke wijze hierin kan worden voorzien.
Ik wil de beoordeling van het EMA en eventuele adviezen van de Gezondheidsraad afwachten wat betreft de eventueel aanvullende inzet van de vaccins die mogelijk in de komende maanden beschikbaar komen. Daarbij zullen we ook kijken of en, zo ja, hoe deze vaccins kunnen bijdragen aan het vergroten van de vaccinatiebereidheid.
Bent u daarom bereid om Nederlanders vrijheid te geven om te kiezen voor een specifiek type coronavaccin?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de eiwit-vaccins van Sanofi volgens de producent reeds voor het einde van 2021 beschikbaar komen?
De producent van Sanofi geeft aan de verwachting te hebben dat de resultaten van hun booster-vaccin onderzoek voor het einde van 2021 binnen zijn. Dit wil echter niet zeggen dat de vaccins ook beschikbaar komen. Hiervoor moeten de vaccins, op basis van de studieresultaten, nog beoordeeld worden voor markttoelating. In Europa is het EMA hier verantwoordelijk voor.
Klopt het dat u de reservering voor eiwit-vaccins van Sanofi heeft geannuleerd? Om hoeveel vaccins ging het precies?
Het klopt dat Nederland ervoor heeft gekozen om geen Sanofi-vaccins te reserveren. Het zou gaan om meer dan 10 miljoen potentiele vaccins. Deze beslissing is in de context van de gehele vaccin-portfolio voor 2022 genomen.
Kunt u nader toelichten waarom u heeft besloten om het eiwit-vaccin van Sanofi niet af te nemen en in plaats daarvan alleen het eiwit-vaccin van Novavax te bestellen, terwijl het vaccin van Novavax pas in 2022 geleverd kan worden?
Zoals uw Kamer bekend is, heeft Nederland reeds ruime voorraden vaccins ingekocht, ook voor de periode 2022 en 2023. Er is daarbij vooral ingezet op mRNA-vaccins, maar ook is er nadrukkelijk voor gekozen om een beperkte hoeveelheid eiwit-vaccins te kopen (840.000 doses). De keuze is gevallen op het eiwit-vaccin van Novavax. Belangrijke overwegingen daarbij waren dat op het moment van besluitvorming, er een beter beeld was van de effectiviteit en mogelijke markttoelating van Novavax, dan van Sanofi. Het is daarmee ook de verwachting dat het Novavax-vaccin eerder beschikbaar komt.
Is het te overwegen waard om een deel van de reservering bij Sanofi (bijvoorbeeld enkele honderdduizenden vaccins) te laten staan?
Ik ben van mening dat we met de bestelling van de Novavax-vaccins, al voldoende inkopen om specifieke groepen die niet met andere vaccins kunnen, of willen worden gevaccineerd, kunnen bedienen.
Klopt het dat u eveneens heeft besloten om minder vaccins van Novavax af te nemen dan eerder was beoogd? Zo ja, kunt u toelichten waarom? Kunt u aangeven hoeveel vaccins er in eerste instantie waren besteld, hoeveel u er nu nog in bestelling heeft en wanneer deze precies beschikbaar komen en worden geleverd?
Er zijn inderdaad minder Novavax-vaccins gereserveerd dan mogelijk was. De belangrijkste reden hiervoor, is dat er reeds meer dan voldoende, zeer goed werkende vaccins zijn ingekocht. De eiwit-vaccins zijn bedoeld als aanvulling voor mensen die geen mRNA-vaccins kunnen of willen krijgen.
Wat is de meest recente informatie over de werkzaamheid van de vaccins van respectievelijk Sanofi en Novavax?
Sanofi:
Er zijn nog geen data over de vaccineffectiviteit beschikbaar voor dit vaccin. De fase 3 studie naar bescherming tegen symptomatische SARS-CoV-2 infectie is eind mei 2021 gestart. Beoogd is om een groep van 35.000 mensen van 18 jaar en ouder in de Verenigde Staten, Azië, Afrika en Latijns Amerika aan de studie mee te laten doen. In de eerste fase wordt de bescherming van een vaccin met de oorspronkelijke Wuhan stam getest. In een tweede fase testen ze de bescherming van een vaccin met de Bèta (Zuid Afrikaanse, B-1.351) variant tegen de op dit moment circulerende varianten. De resultaten van de fase 2 studie laten een goede neutraliserende antistofrespons in alle volwassen leeftijdsgroepen zien met een 95–100% seroconversie waarde.
Novavax:
Resultaten van de fase 3 studie (PREVENT-19), uitgevoerd in de Verenigde Staten en Mexico met bijna 30.000 volwassen deelnemers, laten vanaf 7 dagen na de tweede vaccinatie een vaccineffectiviteit van 94% zien tegen symptomatische SARS-CoV-2 infectie en 100% bescherming tegen matige en ernstige ziekte. In deelnemers van 65 jaar en ouder en deelnemers jonger dan 65 maar met een onderliggend lijden was de vaccineffectiviteit tegen symptomatische COVID 91%.
Resultaten uit de fase 3 studie uitgevoerd in het Verenigd Koninkrijk in 14.000 deelnemers van 18–84 jaar lieten een verglijkbare vaccin effectiviteit van 89,7% zien tegen bevestigde SARS-CoV-2 infectie en 100% tegen ziekenhuis opname en overlijden. Van de deelnemers was 27,9% 65 jaar of ouder en 44,6% had een onderliggende ziekte. De vaccineffectiviteit tegen de alfavariant was 86,3% en 96,4% tegen andere (niet alfa) varianten1. Er zijn geen effectiviteitsdata tegen de delta variant bekend.
Beide fabrikanten zijn ook studies gestart waarin gekeken wordt naar de inzet van deze vaccins als boostervaccin na een primaire serie met een mRNA vaccin.
Kunt u nader toelichten hoe het besluit om de bestelling van het Sanofi-vaccin te annuleren en het besluit om minder vaccins van Novavax in te kopen zich verhoudt tot de strategie om een diverse «vaccin-portefeuille» te creëren, mede tegen de achtergrond van het gegeven dat de werkzaamheid van de reeds geleverde vaccins na verloop van tijd af lijkt te nemen?
Er zijn op dit moment vier goedgekeurde coronavaccins voor Nederland (Europa): de coronavaccins van BioNTech/Pfizer, Moderna, AstraZeneca en Janssen. Deze zijn onder te verdelen in twee typen vaccins: mRNA-vaccins (Pfizer en Moderna) en Vector-vaccins (AstraZeneca en Janssen). Ik heb ervoor gekozen voldoende vaccins in te kopen om, indien gewenst, alle Nederlanders van 12 jaar of ouder die dit willen te kunnen voorzien van een (booster-)vaccinatie. Echter adviseerde de Gezondheidsraad op 9 april jl. (Inzet AstraZeneca-vaccin | Advies | Gezondheidsraad) te stoppen met het toedienen van AstraZeneca vaccins, welke vallen onder het type Vector-vaccin. Zoals in het antwoord op vraag 4 toegelicht, is er wel de keuzevrijheid om gevaccineerd te worden met het Janssen vaccin.
Op 2 november jl. adviseerde de gezondheidsraad iedereen een mRNA-vaccin als booster te geven, ongeacht het vaccin dat in de primaire serie is toegediend. Dit advies heb ik overgenomen. Er zijn op dit moment nog geen eiwitvaccins op de markt toegelaten. Wanneer dat gebeurt zal ik de Gezondheidsraad om advies vragen of en hoe we deze vaccins toe gaan voegen aan het vaccinatieprogramma. Zoals in het antwoord op vraag 9 toegelicht, zijn er meer dan voldoende en goed werkende vaccins ingekocht. De eiwit-vaccins zijn alleen bedoeld als aanvulling voor mensen die geen mRNA-vaccins kunnen of willen krijgen.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het eerstvolgende coronadebat beantwoorden?
Dit is niet gelukt.
Het bericht ‘Enquête: klant moet sekswerker vragen naar de leeftijd’. |
|
Anne Kuik (CDA), Mirjam Bikker (CU) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Enquête: klant moet sekswerker vragen naar de leeftijd»?1 Heeft u tevens kennisgenomen van de enquête zelf?
Ja. Ook van de uitkomsten van de enquête heb ik kennisgenomen.
Herinnert u zich de motie Kuik c.s. over de noodzaak van een pakket van maatregelen om de klant die seks koopt van minderjarigen te ontmoedigen? Kunt u aangeven of u binnen de uitvoering van deze motie ook werkt aan een vereiste dat «klanten» altijd om een legitimatiebewijs moeten vragen om te voorkomen dat zij te maken hebben met een minderjarig slachtoffer, zoals ook 90% van de ondervraagden in de enquête aangeven? Hoe duidt u het resultaat dat maar liefst 94% aangeeft dat indien er geen legitimatiebewijs wordt getoond er afgezien moet worden van betaalde seks?
Over het definitieve pakket van maatregelen om de klant die seks koopt van minderjarigen te ontmoedigen wordt u met de voortgangsbrief van Samen tegen mensenhandel, op korte termijn geïnformeerd. Onderdeel van het pakket is een campagne gericht op verantwoord klantengedrag. Het vragen naar een legitimatiebewijs is één van de vormen van verantwoord klantengedrag. Bij twijfels over- of wetenschap van misstanden wordt van de klant verwacht af te zien van de seks tegen betaling. Ik constateer dat de ondervraagden in de enquête een zelfde opvatting zijn toegedaan.
Herinnert u zich de motie Kuik/Van der Graaf over wettelijk regelen dat betaalde seks met 16-minners strafverzwarend is? Bent u met ons van mening dat de «klant» een van de kernoorzaken vormt van mensenhandel, zoals ook is neergelegd in artikel 6b van het mensenhandelverdrag van de Raad van Europa? Kunt u aangeven hoe u uitvoering geeft aan alle elementen van dit artikel? Kunt u tevens toezeggen dat u in de uitvoering van de genoemde motie ook duidelijk zal maken dat de klant «een van de kernoorzaken» vormt van mensenhandel?
Ik geef op verschillende manieren invulling aan artikel 6b2, waarin gesteld wordt dat de «vraag als een van de kernoorzaken van mensenhandel» moet worden gezien. In de Kamerbrief van 18 november 2020 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 728) heb ik uw Kamer toegezegd dit onderdeel bij de wet Seksuele Misdrijven te betrekken. Om een krachtig signaal af te geven dat betaalde seks met jonge kinderen extra strafwaardig is, bevat het wetsvoorstel seksuele misdrijven, waarover dit voorjaar consultatie heeft plaatsgevonden, een bepaling waarin het verrichten van seksuele handelingen met een kind tegen betaling als strafverzwarend wordt aangemerkt. In dezelfde Kamerbrief stel ik dat klanten die producten of diensten kopen waarbij er sprake is van mensenhandel, ook een rol hebben bij het in stand houden van mensenhandel. In de meest recente voortgangsbrief, waarover u op korte termijn wordt geïnformeerd, herhaal ik deze boodschap en formuleer ik een heldere norm voor klanten die gebruik maken van betaalde seks.
Ik vind het belangrijk dat onder andere het CKM zich hard maakt voor meer bewustzijn over de rol van de klant als een van de kernoorzaken van mensenhandel en hier aandacht voor vraagt in de media. Daarom werk ik ook samen met deze NGO in de uitvoering van de Motie Kuik c.s.3
Hoe reageert u op de uitkomst dat driekwart van de ondervraagden aangeeft dat er te weinig aandacht is geweest voor de aanpak van deze «klant»? Bent u van mening dat er in de laatste jaren sprake is van een inhaalslag op dit punt? Zo ja, waarom? Zo nee, wat er voor nodig om hier alsnog een trendbreuk te bewerkstelligen?
Ik kan mij voorstellen dat bij het brede publiek dit beeld bestaat. Juist om meer aandacht te vragen voor de rol van klanten bij het in standhouden van seksuele uitbuiting zal eind dit jaar een communicatie campagne van start gaan die gaat over verantwoord klantgedrag.
Tegelijkertijd wil ik het geschetste beeld wel nuanceren. Politie en OM zetten zich al geruime tijd in om klanten die betaalde seks afnemen bij minderjarigen aan te pakken. De cijfers tussen 2000 en 2020 laten gemiddeld genomen een lichte stijging zien van het aantal verdachten dat bij OM aangeboden wordt op grond van artikel 248b Wetboek van Strafrecht.
Bovendien is het afgelopen najaar de initiatiefwet misbruik prostitué(e)s die slachtoffer zijn van mensenhandel in de Eerste Kamer aangenomen. Deze wet zal per 1 januari 2022 in werking treden. Kortom, er is de afgelopen jaren zeker oog geweest voor de rol van klanten bij het in stand houden van seksuele uitbuiting.
Tegelijkertijd is er nog een aantal stappen te zetten. Aangemoedigd door de motie Kuik c.s. wordt door het kabinet gewerkt aan de uitvoering van het pakket aan maatregelen dat zich specifiek richt op de klant.4 Ik zou daarom ook niet willen spreken van een inhaalslag of trendbreuk. Wel ben ik van mening dat de rol van klanten onze blijvende aandacht verdient.
Herinnert u zich de motie Kuik/Van der Graaf welke vraagt om een actieplan om de grootste en meest onzichtbare groep slachtoffers mensenhandel in beeld te krijgen en te helpen? Bent u met ons van mening dat zonder een effectieve aanpak van de «klant» het onmogelijk is om deze groep van 1300 minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting zichtbaar te maken en te helpen? Deelt u wat dat betreft de overtuiging van 90% van de ondervraagden dat de «klant» hard moet worden aangepakt? Zo ja, hoe geeft u hier uitvoering aan?
Inderdaad kan de klant een belangrijke rol spelen bij het zichtbaar maken van onzichtbare slachtoffers. De klant kan bijvoorbeeld melding maken van (mogelijke) misstanden. De eerder genoemde communicatiecampagne bevat daarom ook informatie over waar klanten signalen van misstanden kunnen doorgeven. Daarnaast zal de campagne vooral ook duidelijk maken wanneer een klant strafbaar is.
Parallel aan het pakket maatregelen gericht op klanten, werkt het kabinet aan een plan van aanpak gericht op jongeren. Over de stand van zaken van dit plan wordt uw Kamer door middel van de voortgangsbrief over het programma Samen tegen mensenhandel geïnformeerd.
Wat is uw reactie op het feit dat 84% aangeeft dat de opgelegde straffen in de Valkenburgse Zedenzaak die neerkwam op 1 dag cel in combinatie met een taakstraf, lager is dan verwacht? Bent u van mening dat het wetsvoorstel seksuele misdrijven hier een verandering in teweeg zal brengen? Bent u met mij van mening dat het expliciet opnemen dat de «klant» een van de kernoorzaken vormt van mensenhandel hier aan bijdrage aan zal leveren? Bent u bereid hierover in gesprek te treden met de Raad voor de Rechtspraak en hierbij de bovengenoemde enquête en het reeds aangekondigde onderzoek van het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) naar de strafdossiers van deze klanten hierbij te betrekken?
Ik hecht sterk aan de scheiding der machten en acht het vanuit mijn functie als de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet passend over individuele uitspraken van de rechter een oordeel te geven. Ik zal daarom ook niet in gesprek treden met de Raad voor de Rechtspraak. Er geldt een ruime straftoemetingsvrijheid voor de rechter, zodat er steeds per individueel geval maatwerk geleverd kan worden en er een passende straf opgelegd kan worden.
Het is moeilijk te voorspellen wat het precieze effect gaat zijn van het wetsvoorstel seksuele misdrijven. Uiteraard is het de inzet van het kabinet dat daarmee klant-daders beter aangepakt kunnen worden.
Vaccindonatie |
|
Alexander Hammelburg (D66), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Herinnert u zich uw brief over vaccindonatie?1
Ja.
Deelt u de mening dat het doneren van COVID-19-vaccins aan de vele landen waar de vaccinatiegraad nog tussen de één en vijf procent ligt, zeer urgent en van levensbelang is?
Ja, een eerlijke wereldwijde verdeling van coronavaccins is belangrijk, zowel vanuit een moreel als een gezondheids- en economisch perspectief.
Deelt u tevens de mening dat vaccindonatie essentieel is om de opkomst van mutaties van het COVID-19-virus tegen te gaan, en daarmee essentieel is voor het beschermen van de Nederlandse volksgezondheid?
Het tegengaan van nieuwe «gevaarlijke» mutaties is van groot belang. Daar kan het vaccineren van de gehele wereldbevolking een bijdrage aan leveren. Ik ben dan ook voornemens net zoveel vaccins te doneren als in Nederland zijn toegediend.
Kunt u aangeven of u nog steeds «goede hoop [heeft] dat de eerste Nederlandse vaccins in de loop van oktober door Global Alliance for Vaccines and Immunizations (GAVI) ontvangen kunnen worden»? Kunt u daarbij concretiseren wanneer u verwacht dat de donaties formeel voldaan worden en wanneer u verwacht dat die donaties ook daadwerkelijk geleverd worden aan ontvangende landen?
Nederland heeft inmiddels de donatiemandaten ondertekend waarmee alle nog te ontvangen doses van het AstraZeneca vaccin (circa 7,9 miljoen doses) en alle nog te ontvangen doses uit de contracten met BioNTech/Pfizer voor 2021 (circa 2,8 miljoen doses) aan Covax zullen worden gedoneerd. De leveringen zijn in week 43 op gang gekomen. Op zeer korte termijn zal ook de toezegging voor Janssen (circa 8,8 miljoen doses) gestalte krijgen. De EU brede donatie overeenkomst voor Moderna is deze week tot stand gekomen en door Nederland ontvangen. Verwachting is dat op basis hiervan op korte termijn ook het doneren van Moderna vaccins mogelijk wordt. Hiernaast doneert Nederland bilateraal; naast Suriname, Kaapverdië en Namibië vinden nog leveringen plaats aan Indonesië.
Kunt u nader toelichten welke juridische belemmeringen u op dit moment nog ziet om aan GAVI te doneren en hoe u van plan bent deze belemmeringen te overkomen?
Het doneren van vaccins is juridisch gecompliceerd, onder andere op het vlak van aansprakelijkheid. Nederland heeft de door de faciliterende lidstaten uitonderhandelde contracten zorgvuldig bestudeerd, in het belang van zowel Nederland als de ontvangende landen. Donatie van AstraZeneca en BioNTech/Pfizer vaccins is inmiddels mogelijk. Ook het donatie mandaat voor Janssen zal op zeer korte termijn worden ondertekend. De zojuist tot stand gekomen donatieovereenkomst met Moderna wordt op dit moment bestudeerd.
Klopt het dat de set voorwaarden waar GAVI mee werkt, waar u in uw brief aan refereert, voor andere lidstaten uit Team Europe wel acceptabel was? Wat is de verklaring dat Nederland hier, als enige land in de EU, terughoudender in is?
Ik ga er vanuit dat elk land haar eigen juridische afwegingen maakt ten aanzien van de condities waaronder donatie acceptabel is.
Wat houdt de middenweg via faciliterende EU-lidstaten in en hoe ver bent u daarmee?
De faciliterende EU-lidstaat sluit een overeenkomst met GAVI en de desbetreffende producent, waarna de donerende lidstaat kan besluiten om haar vaccins te doneren via de faciliterende lidstaat. Dit is een administratieve handeling waarbij het donerende land als het ware meelift op de donatieovereenkomst die is afgesloten tussen de faciliterende lidstaat, de desbetreffende producent en GAVI. Voor deze constructie wordt gekozen om de administratieve lasten voor met name GAVI zo laag mogelijk te maken.
Voor de huidige stand van zaken zie antwoord op vraag 4.
Kunt u aan de hand van concrete cijfers nader onderbouwen dat Nederland voornemens is verhoudingsgewijs net zoveel te doneren als de Duitsland en de VS? Kunt u in die onderbouwing tevens een vergelijking maken met Zweden en Noorwegen?
Zoals aangegeven in mijn brief van 30 september jl.2 gaat Nederland uit van het motto: «Get One – Give One». We willen ten minste net zoveel vaccins doneren als we zelf gebruiken. Voor het moment streven we naar een donatievolume tussen de 25 en 27 miljoen doses, waarbij we zowel bilateraal als via Covax doneren.
Duitsland heeft aangegeven 100 miljoen dosis beschikbaar te stellen waarbij zij net zo veel willen doneren als ze in hun land gebruikt hebben.3 De Verenigde Staten hebben toegezegd 1,1 miljard doses te doneren4, Noorwegen 5 miljoen en Zweden 6 miljoen doses.5
Kunt u nader toelichten hoe de zogenaamde lening-donatie aan Zweden, waarmee 500.000 vaccins aan Covax zouden zijn geleverd, precies in zijn werk ging? Betekent dit dat Covax daadwerkelijk 500.000 vaccins heeft gekregen van Zweden namens Nederland?
Middels een «leen-constructie» kon Nederland via Zweden 500.000 AstraZeneca-vaccins doneren aan Covax. Nederland krijgt deze doses later van Zweden terug, waarna deze doses alsnog door Nederland aan GAVI kunnen worden gedoneerd.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen een week beantwoorden?
Ik heb uw vragen zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Dealen op scholen heel normaal, harddrugs vaker op gymnasiums’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Dealen op scholen heel normaal, harddrugs vaker op gymnasiums»?1
Ja.
Vindt u het ook zeer zorgwekkend dat deze jongeren het dealen van drugs schijnbaar heel normaal vinden? Zo ja, welke oorzaken ziet u voor deze normalisering? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat vind ik zeer zorgwekkend. Over het aantal gevallen van dealen op school zijn geen precieze gegevens bekend. Wel biedt de tweejaarlijkse Monitor Sociale Veiligheid inzicht in risicovol gedrag op school. Daaruit blijkt dat er al lange tijd landelijk sprake is van een stabiel beeld ten aanzien van het meenemen van alcohol, wapens en/of drugs naar school. In antwoord op de vraag of scholieren dealen op school normaler zijn gaan vinden, is in de beschikbare registraties vooralsnog geen sprake van een zichtbare trend.2 Onderzoek wijst uit dat, om te voorkomen dat jongeren gaan dealen, al vroeg met preventiemaatregelen begonnen moet worden: het liefst al op de basisschool.3 In het breed offensief tegen ondermijnende criminaliteit heeft de Minister van Justitie en Veiligheid daarom € 82 miljoen structureel vrijgemaakt voor een preventieve aanpak met gezag, gericht op het voorkomen dat jongeren in de drugscriminaliteit belanden en/of daar verder in afglijden. Zie ook de brief d.d. 4 oktober 2021.4
Bent u met de mening eens dat die normalisering van dealen onder jongeren niet los valt te zien van de normalisering van drugsgebruik?
In de maatschappij is veel aandacht voor de zogenaamde normalisering van drugsgebruik. Dat drugsgebruik door sommige groepen in de samenleving steeds normaler wordt gevonden, heeft zich vooralsnog niet vertaald in een toename van drugsgebruik: uit de cijfers blijkt geen stijging in het gebruik van drugs onder scholieren. Uit de Nationale Drugsmonitor (NDM) blijkt dat het gebruik van cocaïne en XTC bij jongeren tussen de 12 en 16 jaar zeer laag is. Minder dan 1 procent geeft aan deze middelen de afgelopen maand gebruikt te hebben. Voor lachgas en cannabis ligt dit percentage hoger met respectievelijk 2,5% en 5,3%. Onder 16- t/m 18-jarige studenten van het mbo en hbo is het percentage dat aangeeft in de afgelopen maand cocaïne te hebben gebruikt met 0,9% vergelijkbaar met de 12- t/m 16-jarigen, terwijl het percentage dat aangeeft afgelopen maand XTC te hebben gebruikt met 3% wel hoger ligt. Van de 16- t/m 18-jarige mbo en hbo studenten heeft 12% afgelopen maand cannabis gebruikt en 8% van deze studenten heeft de afgelopen maand lachgas gebruikt. Dit betekent dat de overgrote meerderheid van de scholieren geen drugs gebruikt. Wel zien we dat het gesprek over drugs en drugsgebruik makkelijker gevoerd kan worden doordat het taboe op het onderwerp kleiner wordt. Dat betekent dat ouders eenvoudiger dan voorheen in staat zijn om drugsgebruik met hun kinderen te bespreken en dat het voor mensen die door drugs in de problemen zijn geraakt gemakkelijker is om hulp te zoeken en te vragen. Dat neemt niet weg dat de overgrote meerderheid niet gebruikt.
Daarnaast staan normalisering van drugsgebruik en normalisering van dealen onder jongeren niet geheel los van elkaar, maar ze zijn ook zeker niet hetzelfde. Dat het gesprek over drugsgebruik breder gevoerd kan worden, betekent niet dat het dealen in drugs geaccepteerd wordt.
Hoeveel jongeren in Nederland hebben op dit moment een drugsprobleem en bij hoeveel jongeren is er sprake van drugsverslaving?
Wat betreft problematisch gebruik zijn er geen representatieve cijfers voor de meeste drugs. Wel is bekend dat onder 15- en 16-jarige scholieren 5% wordt aangemerkt als riskant cannabisgebruiker.5 Bij riskant cannabisgebruik gaat het niet alleen om frequent gebruik, maar is ook vaak sprake van andere gezondheidsrisico’s zoals dagelijks roken. Ook blijken deze jongeren daarnaast veel vaker te spijbelen en problemen te hebben in hun (sociale) omgeving.
Landelijke cijfers over het aantal jongeren in de verslavingszorg worden bijgehouden in LADIS, de nationale database voor verslavingszorg. Uit de laatst beschikbare LADIS-kerncijfers blijkt dat er in 2015 1959 personen van jonger dan 20 jaar in behandeling waren voor een drugsverslaving. Onder vraag 6 licht ik toe waarom geen recentere data beschikbaar is.
Hoeveel scholen in Nederland hebben te maken met problematisch drugsgebruik en/of drugshandel?
Absolute cijfers over problematisch drugsgebruik en/of drugshandel binnen scholen worden landelijk niet bijgehouden. De tweejaarlijkse Monitor Sociale Veiligheid6 geeft wel informatie over risicovol gedrag zoals het meenemen van alcohol, wapens en/of drugs naar school. Daaruit blijkt dat er landelijk gezien al lange tijd sprake is van een stabiel beeld. Evenwel geeft dit geen aanleiding om achterover te leunen. Circa 6 à 7% van leerlingen geeft aan weleens alcohol, wapens en/of drugs naar school te hebben meegenomen (2006: 7,1%, 2008: 6,4%, 2010: 6,1%, 2012: 8,1%, 2014: 7,7%, 2016: 6,8%, 2018: 6,3%). De monitor wordt elke twee jaar uitgevoerd. Ten gevolge van de coronacrisis is de monitor van 2020 een jaar opgeschoven naar 2021. Eind dit jaar kan uw Kamer de nieuwe monitor verwachten, met daarin ook specifieke cijfers over het meenemen van drugs naar school.
Wanneer zullen de cijfers – die ten gevolge van de recent aangenomen wijziging van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg weer kunnen worden geregistreerd in het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS) – weer worden bijgewerkt, aangezien de laatste cijfers over mensen die in behandeling zijn voor drugsverslaving vijf jaar oud zijn? Hoe heeft u naast het aantal verslavingen, inzicht in de omvang van gebruik en handel onder jongeren?2
LADIS is sinds 2016 niet operationeel, omdat de gegevensverwerking niet voldoet aan de vereisten van de AVG. Het wetsvoorstel8 dat voorziet in de grondslag voor de gegevensverwerking is onlangs door de Eerste Kamer aangenomen. Zodra ook de onderliggende regelgeving is afgerond, kan de wetgeving in werking treden en ontstaat er weer een actueel zicht op trends en omvang van het aantal jongeren in de verslavingszorg. Dit staat in de loop van 2022 gepland.
Verder houd ik het drugsgebruik onder jongeren zo goed mogelijk in de gaten, bijvoorbeeld via de Peilstations en het HBSC (Health Behaviour in School-aged Children)-onderzoek voor het zicht op het gebruik onder scholieren in het voortgezet onderwijs en via de mbo-hbo-monitor op het middelengebruik van mbo- en hbo-studenten. De nieuwe, afgelopen jaar gestarte Studentenmonitor peilt het middelengebruik en de mentale gezondheid van de WO-studenten. De resultaten daarvan verwacht ik komende maand te ontvangen. Verder zien we door het Grote Uitgaansonderzoek wat er gebeurt op het gebied van drugsgebruik onder uitgaanders.
Wat doet u naast de registratie in LADIS verder om het aantal verslaafden, de oorzaken van verslavingen, de groepen waar verslavingen plaatsvinden en de gezondheidsschade van drugs en verslaving scherp in beeld te houden om op passende wijze te kunnen acteren? Welke speciale aandacht gaat daarbij uit naar jongeren?
De volksgezondheidskant van het Nederlandse drugsbeleid is gebaseerd op een continuüm waarbij wordt ingezet op het voorkomen van gebruik, het voorkomen van incidenten wanneer een persoon toch besluit te gebruiken, het voorkomen van verslaving, het ondersteunen in herstel van verslaving en tot slot harm reduction-maatregelen voor verslaafden voor wie afkicken (voorlopig) geen optie is. LADIS is het primaire middel om het aantal mensen met hulpvragen in verband met problematisch gebruik en verslaving kwantitatief in beeld te krijgen. Daarnaast is er regelmatig contact met Verslavingskunde Nederland en zijn er verschillende monitors en onderzoeken die relevante informatie verzamelen en een basis bieden voor interventies.
Zo is er via de Leefstijlmonitor jaarlijks een goed inzicht in de prevalenties van gebruik en is er via de Monitor Drugsincidenten zicht op druggerelateerde incidenten. Ook zijn er de monitors gericht op jongeren die ik in de beantwoording van de vorige vraag al noemde. Verder wordt er zicht gehouden op risicogroepen: zo is het middelengebruik in de residentiële jeugdzorg in kaart gebracht met het EXPLORE-onderzoek. Deze cijfers helpen onder meer het Trimbos Instituut met het ontwikkelen van interventies gericht op het voorkomen van drugsgebruik onder jongeren. Een belangrijk voorbeeld hiervan is Helder op School, de integrale aanpak voor de preventie van middelengebruik in het onderwijs. In deze aanpak is ook expliciet aandacht voor het dealen op school.
Wordt het geen tijd om het Nationaal Preventieakkoord uit te breiden met een paragraaf over het tegengaan van drugsgebruik, in ieder geval onder jongeren en op scholen om zo te laten zien dat preventie van drugsgebruik, zeker onder deze groep, prioriteit voor het kabinet heeft? Zo ja, welke voorbereidingen treft u daartoe? Zo nee, wanneer vindt u dat de tijd hier wel rijp voor is?
Bij het opstellen van het Nationaal Preventie Akkoord dat in 2018 is gesloten, is gekozen voor focus op drie leefstijlthema’s (roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik) omdat deze drie thema’s verreweg de grootste oorzaak voor ziektelast in Nederland zijn, met 35.000 doden en 9 miljard euro aan zorguitgaven per jaar. Omdat drugsgebruik deel is van middelengebruik in het algemeen is het denkbaar dat drugsgebruik onderdeel is van een eventueel volgend Nationaal Preventieakkoord. De inhoud van zo’n akkoord is aan een nieuw kabinet.
Hoe kunt u samenwerkende scholen helpen bij het tegengaan van de normalisering van drugsgebruik? Welke doelstellingen heeft u daarbij? Bestaat er een landelijke aanpak voor en met scholen (inclusief ROC’s) of bent u bereid hier een begin mee te maken? Op welke wijze kan het succesvolle experiment met het IJslandse preventiemodel dat al in een aantal gemeenten wordt toegepast ook van nut zijn om normalisering van drugsgebruik en -handel tegen te gaan?3
Het drugspreventiebeleid in Nederland is er, ook in het onderwijs, in de eerste plaats op gericht om gebruik te voorkomen. Dit gebeurt via de onder vraag 7 al genoemde integrale aanpak voor de preventie van middelengebruik in het onderwijs, Helder op School. Helder op School is onderdeel van het programma Gezonde School en is beschikbaar voor basisscholen, middelbare scholen, ROC’s, hogescholen, universiteiten en scholen voor voortgezet speciaal onderwijs. Binnen de aanpak wordt ingezet op beleid, omgeving, signaleren en educatie.
Wat betreft het IJslandse preventiemodel: ik ondersteun het Trimbos Instituut met de uitvoering van het driejarige traject «Leren van het IJslands Preventiemodel». Binnen dit traject onderzoekt het Trimbos samen met zes gemeenten in hoeverre het IJslandse preventiemodel vertaalbaar is naar en implementeerbaar is in Nederland. De gemeenten die werken met het IJslandse model monitoren jaarlijks het middelengebruik van jongeren en delen de resultaten direct met lokale partners. Daarmee wordt bepaald welke interventies nodig zijn en wie daarbij betrokken kunnen worden. Het initiële traject is afgerond. Het preventiemodel blijkt goed implementeerbaar in de Nederlandse gemeenten. De werkwijze heeft op een aantal aspecten toegevoegde waarden t.o.v. bestaande programma’s en werkwijzen, met name op community building, de integrale benadering en de rol van monitoring in het lokale beleidsproces. De betrokken gemeenten zijn enthousiast en geven aan door te willen met het model. De projectsubsidie is aangevuld voor aanvullende activiteiten tot einde van dit jaar. Trimbos gaat een implementatiegids voor gemeenten opstellen. Ten behoeve van monitoring wordt daarnaast een IJsland module ontwikkeld die geïntegreerd kan worden in de bestaande GGD Jeugdgezondheidsmonitor. Gezien de inhoudelijke raakvlakken en de wens om aansluiting te bevorderen, wordt ingezet op afstemming met bestaande preventieprogramma’s en stakeholders. De aanpak wordt geëvalueerd om kennis over de Nederlandse aanpak te vergaren en de aanpak aan te scherpen. Tevens wordt door het Trimbos-instituut verkend hoe de effectiviteit van de Nederlandse aanpak in kaart zou kunnen worden gebracht. Ten slotte wordt kennis over het IJslandse preventiemodel de komende tijd gedeeld met landelijke organisaties, gemeenten en lokale partners. Ik blijf dit traject met interesse volgen.
De valse start van het online gokken en de storing in het Centraal register uitsluiting kansspelen |
|
Michiel van Nispen , Mirjam Bikker (CU) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Erkent u dat het legaliseren van online gokken een lange aanloop heeft gekend, met heel veel debat, en dat een van de belangrijkste zorgen een toename van kansspelverslaving was, waarvoor het Centraal register uitsluiting kansspelen (Cruks) één van de meest essentiële instrumenten was om die grote toename te voorkomen?
De legalisatie van online kansspelen is een lang traject geweest. Het kansspelbeleid is er op gericht kansspelverslaving te voorkomen, de consument te beschermen en fraude en criminaliteit tegen te gaan. Daarom is bij het legaliseren van online gokken uitdrukkelijk aandacht uitgegaan naar verslavingspreventie. Cruks is een belangrijk, maar niet het enige instrument dat bij online kansspelen wordt ingezet om kansspelverslaving te beperken. Er zijn meer maatregelen genomen. Zo zijn alle aanbieders verplicht het speelgedrag van spelers te volgen en tijdig te interveniëren. Ook moeten spelers vooraf limieten instellen die bepalen hoeveel geld ze maximaal kunnen inzetten.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat bij de start van het online gokken op 1 oktober het Cruks niet functioneerde?1
De Kansspelautoriteit heeft mij het volgende bericht. Het Cruks is in de periode voor 1 oktober jl. getest in de zogenaamde testomgeving. Stresstesten en pentesten zijn succesvol uitgevoerd en de systemen zijn veilig bevonden.
De live verbindingen met aanbieders konden echter niet worden getest. De reden hiervoor is dat Cruks werkt met BSN nummers. Vóór 1 oktober was het niet mogelijk om BSN nummers (persoonsgegevens) uit te wisselen omdat de regelgeving die dit toestaat, pas op 1 oktober 2021 in werking zou treden. Op vrijdag 1 oktober bleek dat er een probleem was met de live verbinding met de Beheervoorziening burgerservicenummer (BV BSN) als gevolg van het ontbreken van een diginet verbinding. Deze koppeling is nodig zodat aanbieders van kansspelen de gegevens van spelers kunnen verifiëren. Door het probleem met de verbinding konden spelers zich niet inschrijven bij online aanbieders. Op 2 oktober jl. is met betrekking tot de verbinding met BV BSN een tussenoplossing gecreëerd zodat spelers zich bij vergunde aanbieders konden inschrijven. Het probleem is op 20 oktober jl. definitief opgelost. Zie ook het antwoord op vraag 12.
Op donderdag 30 september jl. bleek daarnaast dat ondanks de succesvolle testen de inschrijving in Cruks niet werkte omdat de DigiD verbinding nog niet was gerealiseerd. Die verbinding is nodig voor het inschrijven van spelers in Cruks. Dit probleem is op maandagmiddag 4 oktober opgelost. Spelers konden zich vanaf dat moment inschrijven in Cruks.
Hoe kan het dat de Kansspelautoriteit toestemming gaf om online kansspelen aan te bieden, terwijl Cruks een storing had en consumenten zich niet konden inschrijven in Cruks en er dus geen bescherming was tegen de risico’s van online gokken?
Het klopt dat de Kansspelautoriteit op 2 oktober jl. de mogelijkheid heeft geboden aan net vergunde aanbieders om online kansspelen aan te bieden, terwijl nog niet alle problemen met Cruks waren opgelost.
Bij de besluitvorming heeft bij de Kansspelautoriteit voorop gestaan dat de consument veilig moet kunnen spelen.
De vrees bestond dat meer Nederlanders bij illegale sites zouden gaan gokken als ze in het weekend niet bij legale Nederlandse aanbieders terecht zouden kunnen.
Daarbij heeft de Kansspelautoriteit meegenomen dat er juist bij de vergunde aanbieders, naast Cruks, verschillende instrumenten zijn om kansspelverslaving te bestrijden. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Klopt het dat de Kansspelautoriteit op zaterdagochtend 2 oktober meldde dat de storing verholpen was en alles werkte, maar dat de werkelijkheid was dat het systeem nog instabiel was en spelers pas na het weekend konden inschrijven?
Op zaterdagochtend 2 oktober communiceerde de Kansspelautoriteit op haar website dat de storing van Cruks die ervoor zorgde dat online aanbieders niet bereikbaar waren, was opgelost. Vanaf dat moment konden online aanbieders dus spelers toelaten. Het inschrijven van spelers in Cruks is maandag 4 oktober jl. om 16 uur mogelijk geworden.
Klopt het dat diverse aanbieders u verzocht hebben om tussen het moment van vergunningverlening en 1 oktober de mogelijkheid te krijgen om hun systemen live te testen, maar dat dit door de Kansspelautoriteit is afgewezen? Waarom heeft de Kansspelautoriteit deze inschatting gemaakt en welke rationale ligt hier achter?
De Kansspelautoriteit heeft mij bericht dat het klopt dat verschillende aanbieders vóór 1 oktober bij haar hebben aangegeven graag de mogelijkheid te willen hebben om voor 1 oktober de systemen live te testen. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven konden live tests voor dat controleproces niet vóór 1 oktober plaatsvinden omdat er geen wettelijke grondslag bestond om persoonsgegevens te mogen uitwisselen.
Klopt het dat u richting diverse aanbieders heeft aangegeven dat het systeem nog niet volledig functioneerde en dat later deze week nog aanvullende reparatiewerkzaamheden moeten worden uitgevoerd?
Het klopt dat het systeem niet vanaf het begin volledig functioneerde. Dit was erg vervelend en voor alle betrokkenen een tegenvaller. Voor de beantwoording van de vraag naar het huidige functioneren van Cruks verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2. De Kansspelautoriteit heeft mij bericht dat de privacy van consumenten in het gehele proces niet in gevaar is geweest.
Functioneert het Cruks momenteel volledig en zonder problemen? Is te allen tijde de privacy van de consumenten gewaarborgd geweest?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe is dit alles voorbereid om een goede start mogelijk te maken? Zijn er bijvoorbeeld ook stresstests uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik bij de beantwoording van Kamervragen van de heer Van Nispen (SP; Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 467) heb aangegeven, zijn bij de bouw en inrichting van Cruks stresstesten en pentesten uitgevoerd. Deze testen, die bedoeld zijn om de belastbaarheid en veiligheid van het systeem te testen, zijn goed doorlopen. Sinds eind november 2020 is er voorts een testomgeving beschikbaar om de toegang tot het register met aanbieders te testen. Sinds 20 september 2021 is in een productieomgeving (met een testverbinding) getest met aanbieders die succesvol door de eerdere testen zijn gekomen.
Wat zijn de gevolgen geweest van het niet (tijdig) werken van Cruks? Was het bijvoorbeeld mogelijk om in te schrijven en online deel te nemen aan kansspelen zonder dat Cruks werkte? Hoe risicovol is dat volgens u geweest? Is ook een effect geweest dat spelers juist bij de illegale (veel risicovollere) aanbieders door zijn gaan gokken? Zijn deze gevolgen te onderzoeken?
Van zaterdagochtend 2 oktober tot maandag 4 oktober 16 uur is het inderdaad voor spelers mogelijk geweest zich bij een vergunde aanbieder in te schrijven, terwijl inschrijving in Cruks niet mogelijk was. Dit betekent dat spelers tussen zaterdagochtend en maandagmiddag hebben kunnen spelen, terwijl ze zich misschien in Cruks hadden willen inschrijven voor een vrijwillige spelblokkade.
Om spelers veilig te kunnen laten spelen was het toelaten van consumenten bij de vergunninghoudende aanbieders op zaterdag minder risicovol dan dit niet te doen. Dat is een keuze van de Kansspelautoriteit geweest die ik kan ondersteunen. In het geval dat de Kansspelautoriteit de inschrijving niet mogelijk zou hebben gemaakt, zou het enige aanbod immers het illegale aanbod zijn geweest, waarbij de risico’s groter zijn. Daarbij speelt ook een rol dat een aantal grotere buitenlandse aanbieders juist vanaf de opening van de legale markt op 1 oktober geen Nederlandse spelers meer bedient. Het risico bestond daardoor dat spelers terecht zouden komen bij onverantwoord opererende aanbieders (cowboys). De Kansspelautoriteit heeft mij overigens bericht de opstartproblemen te evalueren en mij daarover te informeren.
Hoe verklaart u dat uitgerekend TOTO, onderdeel van een staatsdeelneming, wel gewoon op 1 oktober online ging, terwijl duidelijk was dat Cruks niet werkte? Hoe kijkt u terug op die beslissing?
Desgevraagd heeft de Nederlandse Loterij (NLO), waar TOTO Sport onder valt, mij laten weten zaterdag 2 oktober jl. laat in de ochtend online te zijn gegaan voor consumenten, ná plaatsing van het bericht op de website van de Kansspelautoriteit dat de storing van Cruks die ervoor zorgde dat online aanbieders niet bereikbaar waren, was opgelost. De NLO heeft daarnaast aangegeven de afweging te hebben gemaakt om toch al live te gaan, omdat zij het belangrijk vindt om als legale aanbieder, met de aanwezig zijnde preventiemaatregelen, beschikbaar te zijn voor Nederlandse spelers.
Deelt u de mening dat juist bij de start van het (omstreden) online gokken dit systeem ter voorkoming van kansspelverslaving goed had moeten functioneren; kunt u daarbij ook ingaan op het belang van het vertrouwen dat consumenten moeten hebben in een goede werking van het systeem?
Ik deel de mening dat de systemen rond Cruks goed hadden moeten functioneren bij de start op 1 oktober. Het is vervelend voor alle betrokken stakeholders en spelers dat de start niet vlekkeloos is verlopen. Consumenten moeten erop kunnen vertrouwen dat zij bij legale aanbieders veilig kunnen spelen en aanbieders moeten erop kunnen vertrouwen dat zij kunnen controleren of een speler al dan niet is uitgesloten van kansspelen. Echter, op het moment dat bleek dat het systeem niet werkt ondersteun ik de keuze van de Kansspelautoriteit om zo snel mogelijk te werken aan een situatie waarin consumenten gebruik kunnen maken van een veilig en legaal aanbod. De Kansspelautoriteit heeft zoals gezegd aangegeven de opstartproblemen van Cruks te gaan evalueren.
Kunt u de stabiliteit en de functionaliteit van Cruks garanderen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, wat gaat u doen met de online kansspelmarkt tot het moment dat u dit wel kunt garanderen?
Cruks functioneert nu stabiel. Op 4 oktober jl. kwam, zoals eerder aangegeven in het antwoord op vraag 2, de aansluiting met Digid tot stand zodat spelers zich aan konden melden in Cruks. De mogelijkheid van verificatie van de gegevens via BV BSN ontbrak echter nog. Dit probleem is op 20 oktober jl. opgelost. Op 25 oktober 2021 waren 3067 spelers in Cruks ingeschreven.
Kunt u deze vragen zo snel als mogelijk beantwoorden?
Ja.
De daadwerkelijke inwerkingtreding van de Wet kansspelen op afstand en het bericht ‘Consumentenbond torpedeert reclamecode voor online gokken’ |
|
Michiel van Nispen , Nicki Pouw-Verweij (JA21), Barbara Kathmann (PvdA), Eva van Esch (PvdD), Kees van der Staaij (SGP), Anne Kuik (CDA), Nilüfer Gündoğan (Volt), Pieter Omtzigt (Omtzigt), Mirjam Bikker (CU), Corinne Ellemeet (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Consumentenbond torpedeert reclamecode voor online gokken»?1
Ja.
Bent u het met ons eens dat het van belang is kinderen, jongeren en andere kwetsbare groepen zoals mensen met een verstandelijke beperking, te beschermen tegen op hen gerichte reclame-uitingen?
Ja.
Deelt u de mening dat de artikel 2 lid 3 en 4 van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen, kansspelaanbieders verplicht wervings- en reclameactiviteiten niet te richten op jongeren en andere kwetsbare groepen?
Ja.
Wat vindt u ervan dat marktpartijen het verbod op reclame gericht op jongeren zo interpreteren, dat jonge mensen (tot 24 jaar) niet meer dan 30% van het publiek mogen uitmaken? Hoe verhoudt dit zich tot het feit dat jongeren überhaupt maar 28% van de bevolking uitmaken?
Voorop staat dat wet- en regelgeving leidend is. Daarin staat dat reclame voor kansspelen niet gericht mag zijn op maatschappelijk kwetsbare groepen, zoals minderjarigen. Vergunninghouders van kansspelen op afstand, speelcasino’s of speelautomatenhallen mogen hun reclame ook niet richten op jongvolwassenen.2 Dit verbod is absoluut en vergt vergaande inspanningen van vergunninghouders. De Kansspelautoriteit (Ksa) houdt toezicht op de naleving van reclamebeperkende maatregelen die zijn neergelegd in wet- en regelgeving. De Ksa heeft hier onlangs nog expliciet aandacht aan besteed door vergunninghouders op deze verplichting te wijzen. Op haar website licht de autoriteit toe hoe vergunninghouders aan deze inspanningsplicht kunnen voldoen.3 Het is aan de Ksa als toezichthouder om te bepalen welke elementen in welke mate relevant zijn om te oordelen of reclame zich richt op kwetsbare groepen.
Deelt u de mening dat meer mag én moet worden gevraagd van kansspelaanbieders om te voorkomen dat hun reclameactiviteiten zich richten op jonge mensen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaat handhaving op genoemde artikelen plaatsvinden, nu niet tot een reclamecode is gekomen?
Handhaving van de artikelen in het Besluit en de Regeling Reclame, werving en verslavingspreventie Kansspelen valt (evenals handhaving van alle kansspelwet- en regelgeving) onder de bevoegdheid van de Ksa. De Reclamecode Online Kansspelen betreft zelfregulering en is een initiatief van verschillende kansspelaanbieders in aanvulling op deze wet- en regelgeving. De Reclame Code Commissie ziet toe op naleving van zelfregulering, niet de Kansspelautoriteit. Handhaving op de naleving van de wet- en regelgeving gebeurt door de Ksa.
Is vanuit het ministerie overleg geweest met de Vergunde Nederlandse Online Kansspelaanbieders (VNLOK) over de reclamecode of wervings- en reclameactiviteiten in algemene zin? Zo ja, wanneer heeft dit plaatsgevonden, op welke wijze en welke invloed heeft dit gehad op de uiteindelijke reclamecode die voorlag?
De branchevereniging Vergunde Nederlandse Online Kansspelaanbieders (VNLOK) is begin september 2021 gelanceerd. Op 14 oktober jl. heeft een algemeen kennismakingsgesprek tussen ambtenaren van mijn ministerie en VNLOK plaatsgevonden. Daarnaast is in eerdere contacten met enkele van de bij VNLOK aangesloten aanbieders het onderwerp reclame(code) aan de orde gekomen. Daarbij is vanuit het ministerie gewezen op de wettelijke kaders en in overweging gegeven de toelichting op de beoogde code op punten aan te vullen. Welke invloed dit heeft gehad op de uiteindelijke reclamecode zoals die voorlag, is mij niet bekend.
Waarom heeft de regering de motie Vos c.s. (Kamerstuk 33 996, nr. 57) nooit uitgevoerd voor wat betreft het afdwingen van een tijdslot voor onlinereclame?
De regering onderschrijft het doel van de motie, namelijk het voorkomen dat jongeren door online reclame aangezet worden tot gokken. Om dit doel te bereiken is inmiddels ook een groot aantal maatregelen getroffen. Ik vind het belangrijk om nu eerst die maatregelen volledig te implementeren en vervolgens te bezien welke effecten deze hebben. Dit wordt gemonitord en waar nodig bijgestuurd zoals ook eerder aan uw Kamer gemeld.4 Het instellen van een tijdslot is nu geen onderdeel van de maatregelen, omdat dit in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar is. Tevens is het handhaven van een tijdslot kostbaar en waarschijnlijk onvoldoende effectief. Hierover heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd.5 Indien de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid in de toekomst verbeteren en er is een noodzaak gebleken voor aanvullende maatregelen, zou een tijdslot heroverwogen kunnen worden.
Reclame voor kansspelen mag sowieso niet gericht zijn op maatschappelijk kwetsbare groepen van personen, zoals minderjarigen. Vergunninghouders van kansspelen op afstand, speelcasino’s of speelautomatenhallen mogen hun reclame ook niet richten op jongvolwassenen. Bovendien mogen hun reclameactiviteiten niet aanzetten tot onmatige deelname aan kansspelen. Deze regels gelden ongeacht het medium. Naast reclame op televisie of in geprinte media, geldt dit ook voor online reclame en reclame via social media.
Met de inwerkingtreding van de Wet kansspelen op afstand is daarbovenop een stevig pakket aan maatregelen geïntroduceerd ter voorkoming van kansspelverslaving, vooral ook ter bescherming van specifiek kwetsbare groepen. Onderdeel daarvan is aanscherping van het reclamebeleid. Deze regels gelden ongeacht het medium.6
Wanneer gaat u hier toe over? Welke maatregelen worden er nog meer genomen om jongeren en andere kwetsbare groepen te beschermen tegen online reclame-uitingen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke prioriteit heeft dit in handhaving door de Kansspelautoriteit en waaruit blijkt dit?
De bescherming van maatschappelijk kwetsbare groepen, waaronder minderjarigen en jongvolwassenen, heeft hoge prioriteit in de handhaving door de Kansspelautoriteit. Dit blijkt onder meer uit de recente aanpak van een kansspelaanbieder die beroepssporters inzette in kansspelreclame7, de invordering van een last onder dwangsom bij een vergunninghouder die reclame richtte op minderjarigen8, het aanpakken van illegale praktijken op sociale media die populair zijn onder jongeren9, het onlangs opgestelde samenwerkingsprotocol met het Commissariaat voor de media (CvdM) dat mede tot doel heeft om gezamenlijk de veiligheid van het media-aanbod en bescherming van kwetsbare groepen te waarborgen10 en de nadere uitleg van reclameregels die tot doel hebben kwetsbare groepen, zoals jongvolwassenen, te beschermen door de Kansspelautoriteit.11
Ook én juist de komende periode, nu de markt van kansspelen op afstand is geopend, zal de Kansspelautoriteit bijzondere nadruk leggen op het optreden tegen onrechtmatige reclamepraktijken van legale én illegale kansspelaanbieders om zo maatschappelijk kwetsbare groepen van personen te beschermen. In dat kader monitort de Kansspelautoriteit op basis van gegevens uit de controledatabank in hoeverre aanbieders de op hen rustende zorgplicht om kansspelverslaving te voorkomen in acht nemen.
Op welke wijze wordt uitvoering gegeven aan het amendement Vos (Kamerstuk 33 996, nr. 23)? Had dit amendement niet al vanaf 1 april tot een duidelijkere waarschuwing bij advertenties moeten leiden?
Het amendement-Vos geeft kaders mee waarbinnen een nieuwe waarschuwende tekst moet worden vastgesteld.12 Ik heb een subsidie toegekend aan het Trimbos-instituut, dat een proces heeft opgezet en gefaciliteerd ter vaststelling van een nieuwe tekst. Over het verloop en de uitkomst van dit proces heb ik uw Kamer geïnformeerd middels een separate brief.
De uitzending van Omroep Gelderland ‘In het vizier van de Jager’ en het artikel ‘Dit is moderne slavernij’: politiek wil vrouwen van brandmerk afhelpen' |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitzending van Omroep Gelderland «In het vizier van de Jager» en het artikel «Dit is moderne slavernij»: politiek wil vrouwen van brandmerk afhelpen?1
Ja.
Vindt u het ook zeer onwenselijk dat jonge vrouwen die slachtoffer zijn van loverboys zelf moeten betalen voor de verwijdering van hun verplichte aangebrachte tatoeages of andere aangebrachte brandmerken?
Het is vreselijk als een jonge vrouw wordt uitgebuit en onder druk een tatoeage of brandmerk aangebracht krijgt. Mensenhandel is een ernstig misdrijf waarbij iemand gedwongen wordt handelingen te verrichten. Dit kan grote gevolgen hebben voor het slachtoffer.
In die gevallen waar een tatoeage of brandmerk onderdeel is geweest van de uitbuiting, ben ik van mening dat camouflage of verwijdering uiteraard niet ten laste van het slachtoffer zou moeten komen.
Heeft u in beeld hoeveel slachtoffers van brandmerking er in Nederland zijn? Zo ja, wilt u deze cijfers delen? Zo nee, zou dat gezien de terugkerende verhalen niet wenselijk zijn? Kunt u in dit antwoord het advies van de lector Veiligheid in Afhankelijkheidsstudies, mw. J. Jansen, betrekken?
Er is niet bekend hoeveel slachtoffers van seksuele uitbuiting dit soort verplichte tatoeages of brandmerken hebben. Uitvraag bij de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen, de politie, Jeugdzorg Nederland en Valente, levert geen concrete aantallen op. Wel geven zij aan dat het niet heel frequent voor komt dat zorgorganisaties in de (vrouwen)opvang te maken hebben met deze problematiek.
In 2014 heeft de toenmalig Staatssecretaris van VWS gesproken met de jeugdhulpinstellingen en besproken dat het verwijderen of herstellen van tatoeages als onderdeel van de behandeling van het slachtoffer gezien moet worden. De inschatting vanuit de hulpverlening was destijds dat het gaat om kleine aantallen slachtoffers waarbij onder dwang tatoeages zijn aangebracht. Destijds heeft de Staatssecretaris aangegeven dat als er signalen van instellingen zijn, hij deze graag hoort zodat bekeken kan worden wat het probleem precies is en hoe een oplossing gevonden kan worden.
Net als prof. dr. Janssen, lector Veiligheid in Afhankelijkheidsrelaties, ben ik van oordeel dat dit een zeer ernstige praktijk is en dat de brandmerking of tatoeage een slachtoffer keer op keer herinnert aan het verleden. En dat er daar waar het spaak loopt iets gedaan moet worden voor de slachtoffers. Mijns inziens wordt de oplossing juist ook gevonden in het bieden van de juiste zorg en ondersteuning aan deze slachtoffers.
Ten aanzien van een vergoeding staat voorop dat de dader de schade dient te vergoeden. Het slachtoffer kan zich in het strafproces voegen als benadeelde partij om de schade die het slachtoffer door het strafbare feit heeft geleden te vorderen bij de dader. Slachtoffers van loverboys hebben als slachtoffers van mensenhandel in de regel recht op gratis rechtsbijstand door een advocaat. De overheid kan een door de rechter toegewezen vergoeding van schade aan het slachtoffer innen bij de dader en slachtoffers kunnen 8 maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis een voorschot krijgen op het nog te innen bedrag. Slachtoffers van opzettelijke geweldsmisdrijven die hun schade niet of nog niet op de dader hebben kunnen verhalen, kunnen daarnaast een beroep doen op het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Slachtoffers van loverboys kunnen als slachtoffer van mensenhandel in beginsel in aanmerking komen voor een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Een slachtoffer kan een aanvraag indienen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Afhankelijk van het letsel komen slachtoffers in aanmerking voor verschillende letselcategorieën. Slachtoffers van mensenhandel maken een gerede kans om een uitkering te krijgen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Met de uitkering kunnen slachtoffers de kosten voor het verwijderen van tatoeages/littekens betalen. De hoogte van de tegemoetkoming varieert van € 1.000 tot € 35.000, afhankelijk van de ernst van het letsel. De tegemoetkoming die het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitkeert is een ongedifferentieerd bedrag waar ook bv. de kosten voor het weghalen van een gedwongen tatoeage uit gefinancierd kunnen worden.
Indien jeugdhulpinstellingen of vrouwenopvang organisaties hulp en opvang bieden aan een slachtoffer van seksuele uitbuiting waarbij een tatoeage of brandmerk is aangebracht, wordt per individu gekeken wat er aan zorg en ondersteuning nodig en mogelijk is om de tatoeage te camoufleren of te laten verwijderen. De hulp en ondersteuning is gericht op alle gevolgen (de zichtbare en de onzichtbare) van wat zij hebben meegemaakt en in bijna alle gevallen is er sprake van trauma, maar ook kunnen er schulden zijn. Als de vrouw/het meisje de tatoeage of het brandmerk wil laten camoufleren of verwijderen is dat onderdeel van de bredere aanpak naar herstel en regie over het eigen leven. In de praktijk wordt bijvoorbeeld in sommige gevallen door tatoeëerders aangeboden de tatoeage gratis te laten camoufleren. Ook kan er gebruik gemaakt worden van mogelijkheden bij de jeugdhulpinstellingen of vrouwenopvang organisaties die hiervoor een noodpotjeof een steunfonds inzetten. Zeer incidenteel wordt een aanvraag bij Fonds Slachtofferhulp overwogen.
Op welke wijze heeft de Staatssecretaris van VWS na toezeggingen in 2014 om te spreken met zorginstellingen over het verwijderen van tatoeages van slachtoffers van loverboys, gevolg gegeven aan dit voornemen?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer heeft u, nadat eerder is gesteld dat het vergoeden van verwijderen van tatoeages geen probleem zou zijn, vernomen dat het ontbreken van een medische noodzaak door het Zorginstituut Nederland wordt genoemd als reden om toch geen vergoeding toe te kennen? Hoe beoordeelt u deze argumentatie?
Dit ziet waarschijnlijk op de vraag of het verwijderen van tatoeages voor vergoeding uit de basisverzekering in aanmerking kan komen. De redenering dat dit niet het geval kan zijn is het gevolg van de regelgeving die we op dit gebied hebben. Om het verwijderen van tatoeages voor vergoeding vanuit het basispakket in aanmerking te laten komen, is het vaststellen van de medische noodzaak van belang.
In beginsel valt het verwijderen van een tatoeage daarom alleen onder het verzekerde basispakket op het moment dat er sprake is van een medische noodzaak. Dat houdt in dat er somatische klachten van een bepaalde omvang optreden die toe te wijzen zijn aan het hebben van de tatoeage.
Ik begrijp vanuit het nieuwsartikel dat het bij deze vrouwen niet gaat om somatische klachten ten gevolge van het brandmerk, maar om de psychische klachten die zij ervaren. Psychische klachten gelden niet als indicatiecriterium bij plastisch chirurgische ingrepen, zoals het verwijderen van een tatoeage. Wel kan uiteraard psychische begeleiding aan de orde zijn vanuit de geestelijke gezondheidszorg of jeugdhulp.
Heeft u contact gehad met Zorgverzekeraars Nederland over schrijnende situaties die hierdoor kunnen ontstaan? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ja, ik heb contact gehad met ZN over het verwijderen van tatoeages. Zoals ik in het antwoord op vraag 5 heb aangeven, betreft het verwijderen van tatoeages en brandmerken alleen de verzekerde zorg als er sprake is van een medische indicatie. In deze gevallen zullen zorgverzekeraars de verwijdering vergoeden. Wanneer er geen medische indicatie is om de tatoeage of het brandmerk te verwijderen biedt de Zorgverzekeringswet geen mogelijkheid tot vergoeding. Als het wenselijk is om het verwijderen van tatoeages en brandmerken in dit soort situaties te vergoeden, zal een alternatieve bekostiging moeten worden gevonden. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 7.
Welke mogelijkheden heeft u om zo spoedig mogelijk daadwerkelijk hulp en een vergoeding voor deze vrouwen mogelijk te maken en hoe gaat u hier werk van maken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen voor de behandeling van de begroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport beantwoorden?
Ja.