De ophanden zijnde juridische hervormingen in Israël |
|
Kati Piri (PvdA), Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de ophanden zijnde juridische hervormingen in Israël waarin de invloed van het Israëlische hooggerechtshof zal worden ingeperkt?
Ja.
Wat betekenen de plannen, waarin politici de macht krijgen om rechters te benoemen en voor rechtbanken het recht substantieel wordt ingeperkt om wetgeving en ministeriële afspraken te controleren, voor de Israëlische democratie?
Een onafhankelijke rechterlijke macht is het fundament voor een democratische rechtsstaat. De door u genoemde hervormingen raken hier direct aan en zijn daarom zorgelijk. Als gevolg van oplopende spanningen in de samenleving heeft premier Netanyahu op 27 maart jl. de behandeling van de juridische hervormingen gepauzeerd om in gesprek te gaan met de oppositie over een mogelijk compromis in de juridische hervormingsplannen. Op langere termijn zal een meer structurele oplossing moeten worden gevonden, waarbij het kabinet van mening is dat het in het belang van Israël zelf is om de fundamenten van de Israëlische rechtsstaat te eerbiedigen.
Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling? Gaat u de hervormingen openbaar veroordelen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe ziet u deze ontwikkelingen in de context van de achtergestelde positie van Palestijnen in Israël en andere recente ontwikkelingen zoals de annexaties op de Westelijke Jordaanoever, de overdracht van bevoegdheden over de bezette gebieden naar het Israëlische Ministerie van Defensie, en het oplaaiende geweld tussen Israël en Palestina?
De voorgestelde hervormingen in de huidige vorm raken aan de rechtszekerheid voor alle Israëliërs (inclusief de Arabische bevolking). Dit geldt ook voor de rechtszekerheid van Palestijnen in de bezette gebieden. De exacte invloed is nu nog niet volledig te overzien, mede doordat de dialoog met de oppositie over een mogelijk compromis nog gaande is. De ontwikkelingen op dit gebied zetten de reeds bestaande en fragiele context verder onder druk. Op 19 maart jl. hebben Israël en de Palestijnse Autoriteit, gefaciliteerd door de VS, Jordanië en Egypte, in Sharm el-Sheikh afspraken gemaakt om te komen tot de-escalatie. Het kabinet steunt deze afspraken en neemt de ontwikkelingen in Israël en de Palestijnse Gebieden, inclusief de recente gebeurtenissen tijdens de religieuze feestdagen, zeer serieus. Nederland heeft alle partijen tot kalmte en de-escalatie opgeroepen, en Israël bovendien met klem aangespoord geen actieve opvolging te geven aan de kabinetsplannen die een vreedzame en duurzame oplossing nog verder op afstand zouden plaatsen. Nederland heeft tevens in EU-verband voorgesteld om deze boodschap gezamenlijk aan Israël over te brengen, bijvoorbeeld ten aanzien van de aanpassing van de 2005 Gaza Disengagement Law en de invoering van de doodstaf voor terrorisme. Nederland staat in goed contact met de andere EU-lidstaten over deze ontwikkelingen en blijft dit doen. Deze boodschap wordt ook publiekelijk uitgedragen, getuige de verklaring van de hoge vertegenwoordiger Borrell en alle 27 lidstaten.1
Wat betekenen de hervormingen voor een van de laatste officiële manieren voor Palestijnen om onteigening of destructie van hun huis aan te vechten door middel van een petitie bij het Hooggerechtshof in Israël?
Dat is op dit moment niet volledig te voorspellen, mede doordat de dialoog met de oppositie over een mogelijk compromis in de juridische hervormingsplannen nog gaande is, en premier Netanyahu eind maart heeft aangekondigd de behandeling van de verschillende wetsvoorstellen – waaronder de zogenaamde «override» clausule – uit te stellen. De override clausule is één van de beoogde hervormingen, waarmee het mogelijk wordt om met een meerderheid van stemmen in de Knesset uitspraken van het Hooggerechtshof naast zich neer te leggen. Dat kunnen in potentie ook uitspraken zijn die raken aan onteigening en destructie.
Heeft u uw ambtsgenoot in Israël aangesproken op deze ontwikkeling? Zo nee, bent u bereid dit te doen? Zo ja, welk effect heeft dit gehad en heeft dit gesprek een vervolg?
In de continue dialoog met Israël wordt op alle niveaus het belang van de fundamenten van de democratische rechtsstaat onderstreept. Ik heb dit ook persoonlijk gedaan in een gesprek met mijn Israëlische counterpart dat ik had op 17 april jl.
Bent u bereid de aangekondigde hervormingen in EU-verband te bespreken en uw Europese ambtsgenoten aan te moedigen zich eveneens uit te spreken tegen de aangekondigde hervormingen en om diplomatieke stappen te zetten om deze problematische ontwikkelingen aan te kaarten?
Zie antwoord op vraag 4.
Wat zijn de consequenties voor de relatie met Israël als de hervormingen daadwerkelijk worden ingevoerd?
Nederland blijft richting Israël zorg uitspreken over de huidige ontwikkelingen. De brede bilaterale relatie met Israël biedt hier mogelijkheid toe.
Welke stappen kunnen er (in EU-verband) genomen worden om ervoor te zorgen dat de democratie in Israël niet verder afglijdt?
Onafhankelijke rechtspraak is onmisbaar in een democratische rechtsstaat. In de dialoog tussen de EU en Israël wordt het belang hiervan onderstreept. Zie tevens het antwoord op vraag 4.
Het feit dat sinds november 700 Iraanse meisjes op school zijn vergiftigd |
|
Tom van der Lee (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het feit dat sinds november al bijna 700 meisjes vergiftigd zijn op school in Iran, op maar liefst 58 scholen in het land?1, 2
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de notie in dit artikel dat sommige Iraniërs speculeren dat de schoolmeisjes worden vergiftigd door het regime als wraakactie tegen de demonstraties naar aanleiding van de dood van Mahsa Amini?
Het kabinet heeft met ontzetting kennis genomen van de verschrikkelijke berichten over grootschalige vergiftigingen van jonge meisjes op scholen in Iran. Meisjes moeten, overal ter wereld, veilig naar school kunnen gaan en veilig kunnen leren. Het is belangrijk dat dit grondig onderzocht wordt en dat de daders ter verantwoording worden geroepen. Het is op dit moment onduidelijk wie er achter deze vergiftigingen zit. De Iraanse autoriteiten hebben aangekondigd de vergiftigingen te onderzoeken en er zijn inmiddels ook arrestaties verricht. Het kabinet zal dit op de voet blijven volgen.
Wat is uw appreciatie van het feit dat Iraanse autoriteiten volgens Human Rights Watch tegenstrijdige verklaringen afleggen, de ernst van de aanvallen bagatelliseren ondanks de woede van ouders en studenten? Deelt u het vermoeden dat het Iraanse regime direct of indirect verantwoordelijk is voor deze gruwelijke misdaden?3
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het regime tot nu toe nog niets gedaan heeft om een einde te maken aan deze gifgasaanvallen, en dat er niets wordt gedaan om nieuwe aanvallen te voorkomen?
Het eerste bericht over vergiftiging van schoolmeisjes dateert van 30 november 2022. De vergiftigingen en de schaal waarop deze plaatsvonden – ruim 1200 meisjes op tenminste 91 scholen verspreid over 20 provincies – werden aanvankelijk ontkend door de Iraanse autoriteiten. Het kabinet heeft daarnaast ernstige zorgen over berichten over de arrestatie van een journalist die onderzoek deed naar deze vergiftigingen.4 Dit alles roept serieuze vragen op over de inzet van de Iraanse autoriteiten om dergelijke aanvallen te voorkomen en voortvarend onderzoek te doen naar de daders. De Iraanse autoriteiten hebben inmiddels aangegeven de vergiftigingen te zullen onderzoeken en daders streng te zullen straffen. Ook zijn er arrestaties verricht. Het kabinet zal dit op de voet blijven volgen.
Deelt u de mening dat we als het gaat om verantwoordelijkheid en gerechtigheid weinig kunnen verwachten van het feit dat Iran nu zegt zelf onderzoek te gaan doen naar deze aanvallen mede gezien het feit dat Iran een slechte trackrecord heeft als het gaat om onderzoek naar geweld tegen meisjes en vrouwen4, het regime al maandenlang op gruwelijke wijze protesten neerslaat, waarbij duizenden vrouwen gearresteerd zijn en honderden vermoord, en jonge mannen vermoord zijn zonder eerlijk juridisch proces?
Het kabinet deelt de mening dat de Iraanse autoriteiten geen goede reputatie hebben inzake het doen van onafhankelijk onderzoek conform internationale standaarden naar geweld tegen meisjes en vrouwen. Zo stelde de VN Speciaal Rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Iran in zijn recente rapport nogmaals expliciet dat de onderzoeken van de Iraanse autoriteiten naar de dood van Jina Mahsa Amini «geloofwaardig, noch transparant waren en niet voldeden aan de minimumvereisten van onpartijdigheid en onafhankelijkheid».6 In dit specifieke geval hebben de Iraanse autoriteiten tot op het hoogste niveau aangegeven de vergiftigingen te zullen onderzoeken en daders streng te zullen straffen. Of dat ook gebeurt, zal moeten blijken. Het kabinet blijft deze ontwikkelingen op de voet volgen.
Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap een rol moet spelen om te zorgen dat de daders verantwoordelijk gehouden worden voor deze misdaden?
De Iraanse autoriteiten hebben aangekondigd de vergiftigingen te onderzoeken en inmiddels ook arrestaties verricht. Het kabinet zal dit op de voet blijven volgen. Indien duidelijk wordt wie de verantwoordelijken zijn, zal het kabinet serieus kijken naar mogelijke verdere acties in EU-verband.
Bent u bereid om als Nederland de lead te nemen in het opzetten van concrete programma’s die mensenrechtenverdedigers, journalisten en burgers kunnen trainen in het verzamelen van bewijsmateriaal dat gebruikt kan worden in rechtszaken tegen de misdaden die nu in Iran plaatsvinden?
Het is van groot belang dat bewijzen van mensenrechtenschendingen in Iran verzameld, geconsolideerd, bewaard en geanalyseerd worden, ook met het oog op gebruik in mogelijke toekomstige rechtszaken. Nederland heeft zich in de VN-Mensenrechtenraad actief ingezet voor de oprichting van een onafhankelijke VN Fact Finding Mission (FMM). De FFM is inmiddels gestart met haar werkzaamheden en zal in juni 2023 een eerste mondelinge update geven aan de VN-Mensenrechtenraad. Bewijsgaring is een onderdeel van het mandaat van de FFM, en bewijs van mensenrechtenschendingen kan bij de FFM worden aangeleverd. Hiertoe heeft deFFM een specifieke oproep gedaan.7 De FFM functioneert hiermee ook als een centraal punt voor bewijsgaring.
Bij het verzamelen van bewijs is het van belang dat aan bepaalde standaarden wordt voldaan, zodat het bewijs kan worden gebruikt in rechtszaken. Hiertoe bestaan verschillende richtsnoeren en codes. Het kabinet wijst bijvoorbeeld op de Guidelines for civil society organisations – Documenting international crimes and human rights violations for accountability purposes.8 Deze richtsnoeren zijn opgesteld door het Parket van de Aanklager van het Internationaal Strafhof en Eurojust, en bieden handvatten voor bewijsgaring die ook gebruikt kunnen worden voor het aanleveren van bewijs bij de FFM.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat er een centraal punt komt voor het verzamelen van bewijsmateriaal dat in juridische procedures gebruikt kan worden en dat nu apart door verschillende mensenrechtenorganisaties, activisten en journalisten verzameld wordt?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om samen met de internationale gemeenschap, zoals bijvoorbeeld het Internationaal Strafhof (ICC) te bekijken hoe zo’n programma ontwikkeld en uitgevoerd kan worden, en hoe er een (online) centraal verzamelpunt opgezet kan worden dat toegankelijk is voor burgers, journalisten en activisten in Iran?
Het kabinet verwijst naar de eerdere Kamerbrief d.d. 31 januari 2023 over de juridische mogelijkheden om verantwoordelijken van mensenrechtenschendingen in Iran internationaal strafrechtelijk te vervolgen. Zoals ook gesteld in deze brief bestaat voor de vervolging en berechting van individuele verdachten van internationale misdrijven in Iran door een internationaal tribunaal vooralsnog geen rechtsgrondslag. Een eventuele verwijzing door Nederland of een ander gelijkgezind land naar het Internationaal Strafhof (ISH) zou geen effect hebben, omdat Iran geen partij is bij het Statuut van Rome en er ook geen andere rechtsgrondslag is voor de Aanklager om een onderzoek te starten (zoals een verwijzing door de VNVR, waarvoor draagvlak onwaarschijnlijk is).
Bent u daarnaast bereid om de hoofdaanklager van het ICC te vragen een onderzoek in te stellen naar de chemische aanvallen op de schoolmeisjes?
Zie antwoord vraag 9.
De aangekondigde wet in Georgië over het aanmerken van media en maatschappelijke organisaties als buitenlandse vertegenwoordigers |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de nieuwe wetgeving die in het Georgische Parlement wordt ingediend die het mogelijk maakt om media en maatschappelijke organisaties die financiering ontvangen uit het buitenland als «buitenlandse vertegenwoordigers» aan te merken?
Ja.
Welke consequenties verwacht u voor de vrije pers en mensenrechten in Georgië?
Als de wet definitief zou zijn aangenomen, dan had dit een ondermijnend en stigmatiserend effect gehad op de vrije pers en maatschappelijk middenveld in Georgië. Onafhankelijke media en een omgeving waarin maatschappelijke organisaties vrij hun werk kunnen doen zijn essentieel voor een goed functionerende democratie waarin respect voor mensenrechten is gewaarborgd.
Op 10 maart jl. is het conceptwetsvoorstel «foreign influence» formeel ingetrokken in het Georgische parlement. Deze formele intrekking volgde na dagen van grote protesten in Tbilisi en kleinere demonstraties in andere Georgische steden. Nederland en de internationale gemeenschap steunen de formele intrekking van deze conceptwet.
Ziet u de gelijkenis tussen deze wet en een wet die eerder in Rusland is ingevoerd in 2012 en voor grote restricties heeft gezorgd van media en het maatschappelijk middenveld? Verwacht u een vergelijkbare uitwerking?
Ik zie gelijkenissen tussen deze wet en de Russische Foreign Agent wet in haar initiële vorm van 2012. Indien de wet definitief was aangenomen en uitgevoerd, dan zou sprake zijn geweest van ernstige negatieve gevolgen. In welke mate die overeen waren gekomen met de uiteindelijke uitwerking in Rusland is nu niet aan te geven.
Welke consequenties heeft de implementatie van deze wet op het perspectief op het Europese Unie (EU)-kandidaat lidmaatschap van Georgië?
De Georgische regeringspartij kondigde op 9 maart jl. aan de wetgeving in te trekken. Op 10 maart jl. is de conceptwet formeel ingetrokken en verworpen in het parlement. Dat is een positieve ontwikkeling. De wetgeving is niet in lijn met de Kopenhagencriteria en staat haaks op het streven van Georgië om EU-kandidaat-lidmaatschap te verkrijgen. Het garanderen van mediavrijheid en een gunstige omgeving voor het maatschappelijk middenveld zijn essentieel in een democratie en tevens in het EU-toetredingsproces, zoals ook is benadrukt in de verklaring van de EU Hoge Vertegenwoordiger (HV) Borrell op 7 maart jl.1
De EU en Nederland moedigen de Georgische autoriteiten aan om volledig uitvoering te geven aan de twaalf hervormingsprioriteiten uit de Opinie van de Europese Commissie2. De Commissie zal in een formeel voortgangsrapport beoordelen in welke mate Georgië voldoet aan de prioriteiten uit de Opinie, ook op het gebied van mediavrijheid en de bescherming van het maatschappelijk middenveld. Dit rapport wordt in oktober 2023 verwacht.
Bent u bereid uw Georgische ambtsgenoot aan te spreken over het belang van vrije pers en het maatschappelijk middenveld?
Ja. Het belang van vrije pers en een sterk maatschappelijk middenveld wordt ook regelmatig op hoogambtelijk niveau, in bilaterale ontmoetingen en in EU-verband benadrukt. Op 1 maart jl. spraken de in Tbilisi vertegenwoordigde EU lidstaten inclusief Nederland, met de Voorzitter van het Georgische parlement. Tijdens het gesprek hebben de lidstaten hun zorgen geuit over het wetsvoorstel en de waarde van het maatschappelijk middenveld en de vrije media in Georgië nogmaals onderstreept.
Bent u bereid zich uit te spreken tegen het aannemen van deze wet?
Ja. Ik heb op 8 maart jl. middels een tweet de Nederlandse zorgen over het aannemen in eerste lezing van deze wet overgebracht.3 Het is positief dat de conceptwetgeving inmiddels formeel is ingetrokken. Het blijft van belang dat de Georgische regering voortvarend en onomkeerbaar uitvoering geeft aan alle twaalf prioriteiten die door de EU zijn gesteld, inclusief de prioriteiten die zijn verbonden met vrije media en het maatschappelijk middenveld.
De uitspraak van het Internationaal Gerechtshof over de onmiddellijke opening van de Lachin corridor door Azerbeidzjan |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Agnes Mulder (CDA), Pieter Omtzigt (Omtzigt), Jasper van Dijk , Christine Teunissen (PvdD), Kati Piri (PvdA), Marieke Koekkoek (D66), Tom van der Lee (GL), Kees van der Staaij (SGP), Raymond de Roon (PVV), Caroline van der Plas (BBB), Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch), Don Ceder (CU) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof in Den Haag van 22 februari 2023 op het verzoek om voorlopige maatregelen van de Republiek Armenië in de zaak over de toepassing van de internationale Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (Armenië tegen Azerbeidzjan) over de blokkade van de Lachin corridor, op grond waarvan Azerbeidzjan alle maatregelen die haar ter beschikking staan moet nemen, om te zorgen voor onbelemmerd verkeer van personen, voertuigen en vracht langs de Lachin Corridor in beide richtingen?1
Ja.
Wat is Nederland voornemens om te doen zodat de Azerbeidzjaanse autoriteiten deze uitspraak van het Internationaal Gerechtshof onmiddellijk naleven?
Uitspraken van het Internationaal Gerechtshof zijn bindend. Partijen zijn dan ook gehouden de uitspraak na te leven. Nederland roept partijen in geval van geschillen bij het Internationaal Gerechtshof dan ook op deze uitspraken na te leven, zo ook in dit geval.
Heeft u contact opgenomen met de betrokken partijen om de naleving van de uitspraak van het Internationaal Hof te bespreken? Zo ja, hoe heeft u dat gedaan, samen met wie en wat is het resultaat daarvan? Zo niet, waarom niet?
Nederland heeft naar aanleiding van deze uitspraak de Azerbeidzjaanse autoriteiten opgeroepen om de uitspraak na te leven.
Op 24 februari 2023 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken publiekelijk deze oproep gedaan aan de Azerbeidzjaanse autoriteiten.2 De EU heeft dezelfde oproep gedaan.3 Verder heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken op 28 februari 2023 de naleving van de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof inzake voorlopige maatregelen besproken met de ambassadeur van Azerbeidzjan en Azerbeidzjan hierbij opnieuw opgeroepen de uitspraak na te leven.
Bij herhaling heeft Nederland de zorgen over de humanitaire situatie in Nagorno-Karabach als gevolg van de de facto blokkade van de Laçın-corridor opgebracht in bilaterale gesprekken met de Azerbeidzjaanse autoriteiten, waaronder in een gesprek tussen de Minister-President en de Azerbeidzjaanse president Aliyev en marge van het WEF. Ik zelf heb deze zorgen overgebracht in meerdere gesprekken met mijn Azerbeidzjaanse counterpart. Verder heeft Nederland deze zorgen geuit in diverse multilaterale fora, zoals tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van de Europese Unie en in het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Nederland heeft voorts samen met de andere EU-lidstaten door middel van EU-verklaringen dit standpunt overgebracht in bijvoorbeeld de Permanente Raad van de Organisatie voor Veiligheid en Stabiliteit in Europa (OVSE).
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de ambassadeur van Azerbeidzjan in Nederland trots tweet: «74 day of eco-action. Inspired by the decision of @CIJ_ICJ Azeri activists and NGOs continue their peaceful action. Azerbeidzjan continues to take all measures at AT ITS DISPOSAL to ensure unimpeded movement of persons, vehicles and cargo along the #Lachin road in both directions»2
Ja.
Deelt u de mening dat Azerbeidzjan niet voldoet aan de uitspraak van het Hof, aangezien de weg nu al 74 dagen geblokkeerd is en er geen enkele wijziging is in de opstelling van Azerbeidzjan sinds het vonnis?
De beperkte uitleg die Azerbeidzjan aan de uitspraak geeft, wordt niet gedeeld door het kabinet. De uitspraak dient in zijn geheel te worden nageleefd, hetgeen betekent dat Azerbeidzjan vrij verkeer van personen, voertuigen en vracht door de Laçın-corridor in beide richtingen dient te verzekeren.
Bent u voornemens om de ambassadeur van Azerbeidzjan hierop aan te spreken?
Ja. Als boven reeds vermeld is op 28 februari jl. de Azerbeidzjaanse ambassadeur uitgenodigd op het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor een gesprek over het naleven van de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof. Tijdens het gesprek heeft Nederland Azerbeidzjan opgeroepen om zich aan de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof te houden. Tijdens dit gesprek is ook specifiek aan de orde gesteld dat Nederland de beperkte uitleg die Azerbeidzjan aan de uitspraak geeft niet deelt en dat de uitspraak in zijn geheel dient te worden nageleefd.
Welke stappen gaat Nederland ondernemen in het kader van de Europese Unie (EU), de Raad van Europa en de Verenigde Naties (VN) zodat de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof onmiddellijk wordt nageleefd?
Nederland heeft de Azerbeidzjaanse autoriteiten zoals boven vermeld bij meerdere gelegenheden en in meerdere gremia zowel bilateraal als in EU-verband opgeroepen om de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof inzake voorlopige maatregelen na te leven. Nederland blijft zijn zorgen over de humanitaire situatie in Nagorno-Karabach als gevolg van de de facto blokkade van de corridor herhalen in bilateraal en multilateraal verband.
Deelt u de mening dat Azerbeidzjan als lid van organisaties als de VN en de Raad van Europa verplicht is te stoppen met de voortdurende schendingen van mensenrechten en internationaal recht en de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof onmiddellijk in zijn geheel dient na te leven?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twee weken beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de beantwoording binnen een termijn van twee weken naar uw Kamer te sturen.
Het gebrek aan opvangplekken |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nederland stevent af op een «maatschappelijk ontwrichtende» asielcrisis. Alle mogelijke manieren om die af te wenden, lijken uitgeput»?1
Ja.
Klopt het dat er bij ongewijzigd beleid in april al achtduizend opvangplekken te weinig zullen zijn? Wat heeft u de laatste maanden gedaan om ervoor te zorgen dat er geen tekort van achtduizend opvangplekken zal zijn?
In eerdere brieven heb ik uw Kamer geïnformeerd over het maatregelenpakket dat ten uitvoer wordt gelegd om een opvangtekort te voorkomen, meest recentelijk op 24 mei jl.2 Met de verenigde inzet van alle betrokken partijen is het de afgelopen maanden gelukt om het dreigende tekort weten af te wenden. De voortgang wordt doorlopend en nauwlettend gemonitord, maar in algemene zin geldt dat er nog veel werk verzet moet worden om iedereen van een opvangplek te kunnen blijven voorzien.
Ik hecht eraan te benadrukken dat de maatregelen die we nu treffen ten dienste staan aan de uiteindelijke realisatie van een stabiel en flexibel opvanglandschap. Concreet voorbeeld betreft de realisatie van een zogeheten doorstroomlocatie in de gemeente Rotterdam. Het betreft een locatie waar vergunninghouders tijdelijk kunnen verblijven in afwachting van meer permanente huisvesting in gemeenten. Daardoor ontstaat er meer ruimte in de asielopvang van het COA. Bovendien wordt door middel van bredere afspraken, onder meer door het bouwen van flexwoningen en het transformeren van vastgoed, ook voor andere woningzoekenden huisvesting gerealiseerd.
Wat wordt er de komende weken en maanden ondernomen om ervoor te zorgen dat er op korte termijn geen asielzoekers op straat zullen belanden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat doet u om ervoor te zorgen dat de contracten met huidige opvanglocaties die dreigen te sluiten, verlengd worden?
Het COA spant zich maximaal in om daar waar mogelijk contracten te verlengen of nieuwe locaties te vinden, waar asielzoekers kunnen worden opgevangen om hun asielproces te doorlopen. Alle inspanningen van het kabinet in samenspraak met de medeoverheden en het COA zijn erop gericht om voldoende opvangplekken te realiseren.
Zijn er op dit moment voldoende nieuwe locaties in zicht om de opvangplekken die verdwijnen als de contracten van opvanglocaties die in februari en maart sluiten op te vangen? Hoeveel opvangplekken zouden deze locaties kunnen leveren?
Het COA is voortdurend op zoek naar nieuwe locaties om een dreigend tekort aan opvangplekken af te wenden. Per saldo moeten er voor het einde van dit jaar nog veel opvangplekken worden gevonden. Ik heb daarom aan de provinciale regietafels gevraagd om de opvang- en huisvestingsbehoefte te coördineren. Daarnaast heb ik ook een oproep gedaan aan de PRT’s om o.m. doorstroomlocaties beschikbaar te stellen. Het COA heeft mij laten weten dat het perspectief op voldoende marge op dit moment nog maar beperkt of slechts tijdelijk aanwezig is. Het kabinet doet al het mogelijke om te voorkomen dat aan het einde van het jaar een mogelijk tekort aan beschikbare opvangplekken manifest wordt. Met de PRT’s, met het COA werkt het kabinet met man en macht om voldoende opvangmogelijkheden te realiseren.
Hoeveel contracten van opvanglocaties lopen in de maanden april, mei, juni, juli en augustus af? Om hoeveel opvangplekken gaat het per maand? Welke opties ziet u nog om op korte termijn deze plekken op te vangen?
Over opties voor nieuwe locaties kan ik niet publiekelijk communiceren, zonder dat daarover afstemming heeft plaatsgehad met betrokken gemeenten. Wel kan ik aangeven dat het COA over het gehele jaar genomen nog nieuwe opvanglocaties nodig heeft. Zie daarvoor het antwoord op vraag 5. Ik verwacht in de komende maanden en in het najaar een tekort van enkele honderden tot enkele duizenden plekken in december, als ik geen maatregelen neem. Over dat tekort aan opvangplekken ben ik doorlopend in gesprek met medeoverheden en het COA.
Hoeveel crisisnoodopvangplekken zullen in de periode van april tot juli sluiten? Om hoeveel opvangplekken gaat het? Wat doet u om alternatieve plekken te vinden?
Op dit moment zijn er ca. 6.500 crisisnoodopvangplekken beschikbaar. Het COA is volop in gesprek met gemeenten over het openhouden van deze plekken. De schatting op dit moment is dat meer dan de helft van de nu beschikbare plekken langer dan tot 1 juli openblijft, in ieder geval voor de komende zomermaanden. Het aantal beschikbare crisisnoodopvangplekken loopt richting het einde van het jaar (zonder aanvullende afspraken) wel verder af naar onder de 2.000 plekken. Zoals gezegd lopen de gesprekken nog en hoop ik dat meer gemeenten hun plekken langer open kunnen houden.
Wat is uw beoogde plan van aanpak als er daadwerkelijk achtduizend asielzoekers op straat belanden?
Daarvoor verwijs ik u naar mijn brieven van 24 mei en 6 juni jl. Daarin kondig ik maatregelen aan om een tekort aan opvangplekken te voorkomen en doe ik een dringend beroep op medeoverheden om eerder opvangplekken te realiseren.
Hoe kan het dat u telkens weer verrast wordt door een tekort aan opvangplekken terwijl bekend is dat de kosten voor asielopvang al 23 jaar te laag worden ingeschat (meldt de Algemene Rekenkamer)?2
De asielinstroom was over het laatste half jaar van 2022 weliswaar hoger dan de periode daarvoor, maar binnen de gehanteerde bandbreedte van de prognose. De instroom van asielzoekers is daarbij niet als enige bepalend voor de druk op de asielketen. In de praktijk zijn er ook andere oorzaken die zorgen voor knelpunten in de opvang, deze hebben te maken met de doorstroom en uitstroom.
Inherent aan een prognose is dat deze aan vele externe factoren onderhevig is en daardoor erg complex blijft. De MPP ondervangt dit door verschillende scenario’s (laag, medio en hoog) op te stellen en een waarschijnlijkheidskans toe te kennen aan ieder scenario. Als er een afwijking optreedt in deze factoren zal ook de realisatie afwijken van de prognose. Bij een prognose is het lastiger rekening te houden met onverwachte omstandigheden, zoals de oorlog in Oekraïne, de evacuaties uit Afghanistan of gedurende de COVID-19 pandemie.
Voor de inschatting van de kosten van de asielopvang en de financieringssystematiek, verwijs ik u naar mijn brief van 28 april jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 3099).
Wat wordt er gedaan met de waarschuwingen van het COA die ze «al jaren» uiten over een tekort aan plekken?3
Samen met het COA ben ik doorlopend in gesprek met medeoverheden om voldoende opvangplekken te realiseren. Er komen veel verschillende uitdagingen op gemeenten af op het terrein van asielopvang en integratie. Desondanks zet het kabinet alles op alles om een tekort aan opvangplekken te voorkomen.
Welke concrete stappen heeft u sinds de opvangcrisis in Ter Apel van afgelopen zomer genomen om te garanderen dat er niet opnieuw mensen buiten moeten slapen?
Ik verwijs op dit punt naar mijn brieven van 24 mei en 6 juni jl. waarin ik de nodige maatregelen uiteen heb gezet en een dringende oproep doe aan medeoverheden. Naast het dagelijks monitoren van de actuele opvangbehoefte afgezet tegen de actuele instroom, heb ik voor de langere termijn gewerkt aan het wetsvoorstel gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvang (ook wel: de Spreidingswet), dat op dit moment voorligt in uw Kamer.
Op welke termijn kan de spreidingswet op zijn vroegst bijdragen aan oplossingen voor het ophanden zijnde acute tekort aan opvangplekken?
Het wetsvoorstel ligt ter behandeling voor in uw Kamer. Daarna moet ook de Eerste Kamer zich over dit wetsvoorstel uitspreken. Het wetsvoorstel bevat een aantal termijnen waarbinnen gemeenten asielopvangplaatsen mogelijk gaan maken. Dat neemt niet weg dat er ook los van deze termijnen, en los van dit wetsvoorstel, op dit moment aan gemeenten wordt gevraagd om zo snel als mogelijk nieuwe opvangplaatsen mogelijk te maken. Hierbij verwijs ik u naar mijn brief aan medeoverheden van 6 juni jl. Daarom ben ik doorlopend in gesprek met medeoverheden en het COA om meer opvangplekken te realiseren. Het gaat daarbij om alle soorten locaties, zowel groot als klein. Bij het runnen van kleinere locaties kan het COA samenwerken met het Rode Kruis.
Kan u toezeggen absolute prioriteit te geven aan het vinden van voldoende opvangplekken in Nederland?
Ja, naast alle maatregelen die ik neem zoals afspraken over het uitplaatsen van uitgeprocedeerde asielzoekers, de Europese aanpak om grip te krijgen op de instroom en de aanpak van overlast.
De hoogst mogelijke koninklijke onderscheiding voor de heer Zwartendijk |
|
Agnes Mulder (CDA), Jasper van Dijk , Christine Teunissen (PvdD), Tom van der Lee (GL), Kees van der Staaij (SGP), Don Ceder (CU), Marieke Koekkoek (D66), Kati Piri (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Nilüfer Gündoğan (Volt), Olaf Ephraim (FVD), Sylvana Simons (BIJ1), Tunahan Kuzu (DENK), Caroline van der Plas (BBB), Ruben Brekelmans (VVD), Liane den Haan (Fractie Den Haan), Ralf Dekker (FVD), Pieter Omtzigt (Omtzigt), Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch), Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het verhaal over Jan Zwartendijk in het boek «De rechtvaardigen» van Jan Brokken (2018), waarin uiteen wordt gezet hoe hij duizenden Joden redde tijdens de Tweede Wereldoorlog?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de heer Zwartendijk een reprimande kreeg voor zijn heldhaftige gedrag?1
Het moge duidelijk zijn dat de heer Zwartendijk geen berisping verdiende voor zijn buitengewoon moedig handelen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Als dit is gebeurd was dit volstrekt ongepast. De secretaris-generaal van mijn ministerie heeft deze boodschap, inclusief excuses, in 2018 dan ook nadrukkelijk gedeeld in een brief aan de familie van de heer Zwartendijk. Bij de onthulling van het monument voor de heer Zwartendijk in Kaunas in 2018 hebben Zijne Majesteit de Koning en mijn voorganger persoonlijk gesproken met de zoon en dochter van de heer Zwartendijk, waarbij grote bewondering is betuigd voor het optreden van hun vader in 1940.
Herinnert u zich dat de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken reeds aangaf dat Zwartendijk erkenning en eerbetoon verdient voor zijn dappere gedrag?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de open brief aan de Koning, waarin wordt opgeroepen om Zwartendijk alsnog de hoogst mogelijke Koninklijke onderscheiding te verlenen?3
Ja.
Deelt u de mening uit de genoemde open brief dat de belofte van «nooit meer» begint bij het voorkomen van haat en dat het eren van diegenen die destijds in verzet kwamen daar onderdeel van is, omdat dit de rolmodellen zijn om ons aan te spiegelen in tijden van morele dilemma’s?
Ja.
Bent u gezien het feit dat Zwartendijk in Litouwen handelde als vertegenwoordiger van de Nederlandse staat bereid om de heer Zwartendijk voor te dragen voor de hoogst mogelijke Koninklijke onderscheiding? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid daarvoor zo nodig het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau aan te passen om ook postume verlening van onderscheidingen mogelijk te maken?4
Ik deel de bewondering voor het heldhaftig optreden van de heer Zwartendijk die in uw vragen, en in de open brief naar de Koning, wordt geuit. Ik ben dan ook van harte bereid om het Kapittel voor de Civiele Orden om advies te vragen of de heer Zwartendijk postuum kan worden voorgedragen voor de Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon, in goud. Bij een positief advies zal mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de heer Zwartendijk formeel voordragen voor deze onderscheiding. De Erepenning in goud geldt als één van de hoogste onderscheidingen van Nederland. Sinds 1822 werd deze onderscheiding slechts 99 keer toegekend, laatstelijk in 1964.
Op 9 juli 1951 besloot de ministerraad om (na het verstrijken van een termijn van een jaar) geen aanvragen voor onderscheidingen voor verzetsdaden begaan tijdens de Tweede Wereldoorlog meer in behandeling te nemen. Dit besluit is nog steeds van kracht, en er is sindsdien niet meer van afgeweken. De regering acht de verdiensten van de heer Zwartendijk echter dermate uitzonderlijk, gezien het zeer hoge aantal mensen die mede dankzij hem aan de Holocaust hebben kunnen ontkomen, dat zij bereid is om in zijn geval eenmalig van het besluit uit 1951 af te wijken. De ministerraad heeft tijdens haar vergadering op 21 april jl. hiertoe besloten. Hiermee wordt het Kapittel voor de Civiele Orden bij wijze van hoge uitzondering in staat gesteld om bovengenoemde adviesaanvraag inhoudelijk te behandelen.
Het is tot slot belangrijk om te vermelden dat de heer Zwartendijk in 1956 ook al Koninklijk is onderscheiden als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken. In de ondersteunende brief voor deze onderscheiding van zijn werkgever, Philips, wordt gerefereerd aan zijn functie als consul in Litouwen «in welke functie hij tal van personen van Joodse afkomst in de gelegenheid stelde de Duitse dreiging te ontlopen door uit te wijken naar Curaçao». In de officiële voordracht door Minister Beyen en Minister Luns uit 1956 voor deze onderscheiding wordt niet specifiek gerefereerd aan de visa die hij verleende, maar wel waarderend gesproken over zijn werk in Litouwen: «Tijdens de Russische bezetting heeft betrokkene zowel de Nederlandse als de specifieke Philipsbelangen met voorbeeldig vasthoudendheid beschermd.»De volle toedracht en de omvang van de inzet van de heer Zwartendijk zijn pas later bekend geworden.
Bent u bereid een standbeeld te plaatsen of gedenkplaat op te hangen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor Jan Zwartendijk en de overige bij deze reddingsactie betrokken diplomaten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid bovenstaande met spoed te verwezenlijken gezien de leeftijd van de kinderen van de heer Zwartendijk?
Ik deel uw mening dat een gedenkteken op het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de heer Zwartendijk en de diplomaten die zich met hem hebben ingezet voor Joodse vluchtelingen, passend zou zijn. De voorbereidingen daartoe zijn reeds in gang gezet.
Het bericht dat de Duitse Rijksoverheid overweegt om mensen uit Turkije en Syrië die getroffen zijn door de aardbeving tijdelijk een visum te geven |
|
Kati Piri (PvdA), Songül Mutluer (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Berlijn overweegt snelle visa voor aardbevingsslachtoffers»?1
Ja.
Deelt u de mening dat we slachtoffers van de aardbevingen in Turkije en Syrië op alle mogelijke manieren bij moeten staan?
De aardbevingen in Turkije zijn verschrikkelijk en de slachtoffers verdienen onze steun. Onmiddellijk na de aardbeving heeft Nederland het Urban Search and Rescue (USAR) team ingezet in Turkije evenals een vliegtuig voor medische evacuatie. Tegelijkertijd heeft Nederland voor hulpverlening aan de Syrische slachtoffers meteen 10 miljoen euro ter beschikking gesteld aan de VN en de Dutch Relief Alliance. In aanvulling hierop heeft de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking namens het kabinet nog eens 10 miljoen euro bijgedragen aan de Giro 555-actie van de Samenwerkende Hulp Organisaties voor hulp aan zowel Turkije als Syrië. Deze middelen gebruiken de hulporganisaties om de Syrische bevolking te voorzien in de eerste levensbehoeften, zoals water, voedsel, onderdak en medische hulp. In maart organiseert de EU een donorconferentie en zal EU steun worden besproken.
Bent u daarom bereid in navolging van Duitsland en België2 ook voor Turken en Syriërs die Nederlandse familieleden en vrienden hebben snel en eenvoudig een visum te verlenen zodat zij in Nederland bij kunnen komen en het rampgebied kunnen ontvluchten? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken faciliteert, in nauwe samenspraak met het Ministerie van JenV, eerste/tweede graads-familieleden van Nederlanders uit het aardbevingsgebied bij de aanvraag van een Schengenvisum. De visumaanvragen van deze Turkse of Syrische getroffenen worden met voorrang ingenomen. Daartoe zijn de ambassades en externe dienstverlener in de regio geïnstrueerd. Tevens wordt op deze aanvragen met voorrang besloten, teneinde de visumaanvrager snel uitsluitsel te kunnen bieden. Hierbij bestaat begrip als niet alle documenten beschikbaar zijn in geval deze bij de aardbeving verloren zijn gegaan. Enkele Schengenlidstaten, zoals Duitsland, betrachten een vergelijkbare coulance. Nederland blijft met deze landen voortdurend in gesprek om het visumbeleid af te stemmen. Wel dient aan de hand van de overlegde documenten conform de EU visumcode getoetst te worden of terugkeer van de aanvrager na afloop van het visum gewaarborgd is. Bij een positieve beslissing wordt het Schengenvisum voor 90 dagen afgegeven. Aanvragen zullen, zoals ook nu het geval is, op individuele basis getoetst worden.
Op welke manieren staat u in contact met andere landen om het visumbeleid Europees te coördineren?
Met de Schengenpartners, in het bijzonder de landen met een omvangrijke Turkse en/of Syrische diaspora, wordt lokaal en op hoofdstedelijk niveau intensief contact onderhouden om het visumbeleid t.a.v. Turkse en Syrische getroffenen in het rampgebied onderling zoveel mogelijk af te stemmen. Bredere afstemming vindt tevens plaats binnen de relevante EU gremia en zo nodig op het niveau van de Raad van Ministers.
Kunt u een overzicht geven van de stappen die andere landen nemen ten aanzien van het versoepelen van visa voor slachtoffers van de aardbevingen?
De meeste Schengenlidstaten met een omvangrijke Turkse en/of Syrische gemeenschap faciliteren getroffen eerste/tweede graads- familieleden uit het rampgebied door voorrang te verlenen bij de inname en de behandeling van een Schengenvisumaanvraag. Binnen het toetsingskader van de EU visumcode trachten enkele lidstaten, waaronder Nederland en Duitsland, zoveel mogelijk rekening te houden met zaken die in de aardbeving verloren gegaan kunnen zijn. Voorts heeft een aantal lidstaten de personele capaciteit uitgebreid of doet een groter beroep op externe dienstverleners in Turkije.
Het voortduren van het gebrekkige onderwijsaanbod voor kinderen in asielopvangvoorzieningen |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Herinnert u zich uw antwoorden op eerder gestelde vragen over het gebrekkige onderwijsaanbod voor kinderen in asielopvangvoorzieningen1? En herinnert u zich uw toezegging om met elkaar in gesprek te gaan over het belang van onderwijs voor vluchtelingkinderen2?
Ja.
Is er inmiddels een duidelijker beeld van hoeveel kinderen onderwijs mislopen? En kunt u aangeven of u beiden al gesproken heeft over het belang van goed en passend onderwijs op het juiste niveau onderwijs voor vluchtelingkinderen en over het zicht van leerplichtige asielkinderen? Zo ja, wat is er concreet uit dit gesprek gekomen?
Mijn collega de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en ik hebben elkaar in december gesproken over het creëren van een duidelijker beeld van asielzoekerskinderen die onderwijs mislopen. Wij delen dat elk kind recht heeft op een zo passend mogelijk onderwijsaanbod. Om dat te kunnen bieden, is het zeer wenselijk dat kinderen tijdig in beeld zijn en wij hun onderwijsloopbaan ook kunnen volgen. Daartoe liepen reeds inspanningen om het zicht op asielzoekerskinderen in opvanglocaties van het COA te verbeteren. Vanwege de aanhoudende druk op de COA-opvang verblijven asielzoekerskinderen ook in crisisnoodopvanglocaties onder verantwoordelijkheid van Veiligheidsregio´s. De realisatie en het beheer van dergelijke locaties in relatie tot de toegang tot voorzieningen zoals onderwijs is een terugkerend aandachtspunt in daartoe geëigende gremia, waaronder het Veiligheidsberaad. Uitkomst van het gesprek was dat ik het belang van zicht op asielzoekerskinderen in de crisisnoodopvanglocaties heb betrokken bij dit bredere aandachtspunt.
Het COA verstrekt overzichten van het aantal leerplichtige asielzoekerskinderen in de leeftijd van het primair- en voortgezet onderwijs aan OCW per locatie. Op dit moment wordt aan een wekelijkse rapportage gebouwd door het COA waarin de wensen van OCW en LOWAN zijn meegenomen. Daarbij wel de kanttekening dat hiermee nog niet inzichtelijk wordt hoeveel kinderen onderwijs mislopen omdat dit bij het COA niet gemonitord wordt. Om dit te bewerkstelligen is het noodzakelijk dat er informatie-uitwisseling plaatsvindt tussen de systemen van diverse betrokken partners. Op dit moment wordt onderzocht wat er nodig is of een dergelijke uitwisseling doelmatig is en ook daadwerkelijk valt te realiseren. Zodra er een uitkomst is zal ik uw Kamer hierover informeren.
Hoe wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen motie over de voorrangspositie voor kinderen (en hun familie) bij overplaatsing van grootschalige locaties naar stabiele, veilige en kleinschalige asielopvang3? Klopt het dat nog steeds gezinnen met kinderen in (crisis) noodopvangvoorzieningen geplaatst worden terwijl zij vanwege hun kwetsbaarheid voorrang moeten krijgen bij overplaatsing naar veilige en stabiele asielopvang? Zo ja, waarom?
Per brief d.d. 31 oktober 2022 heb ik uw Kamer uitgelegd op welke wijze de door de leden Kröger, Westerveld en Piri aangehaalde motie uitgevoerd zal worden.4 In deze brief is aangegeven dat het COA zodra doorstroom vanuit een (crisis)noodopvanglocatie naar een reguliere locatie mogelijk is, waar mogelijk en wenselijk voorrang zal geven aan kinderen en hun gezinsleden.
In deze heb ik voorts aangegeven dat kinderen en hun gezinsleden echter niet altijd voorrang hebben ten opzichte van andere bewoners. Dit omdat ook andere kwetsbare groepen (zoals mensen met een handicap of zwangere vrouwen) in de asielopvang in aanmerking kunnen komen voor snelle overplaatsing. Het belang van kinderen weegt zwaar, maar hoeft niet in alle gevallen zwaarder te wegen dan de positie van andere kwetsbare personen.
Daarnaast klopt het dat er nog steeds gezinnen met kinderen in (crisis) noodopvangvoorzieningen worden geplaatst. Eerder heb ik u laten weten dat in algemene zin onwenselijk te achten, ondanks dat goede voorbeelden bestaan van onderwijs op noodfaciliteiten.
Zoals ook benoemd in de eerder aangehaalde Kamerbrief ziet het COA zich nog altijd geconfronteerd met situaties waarin meerdere gemeenten specifiek verzoeken om kwetsbare groepen, zoals gezinnen met kinderen, op te vangen in (crisis) noodopvang in plaats van bijvoorbeeld alleenstaande mannen. Het COA probeert in de afspraken met gemeenten doelgroepbeperkingen op locaties te allen tijde te voorkomen. Het COA is hierin terughoudend waar mogelijk maar kan deze constructies niet in alle gevallen afwijzen vanwege de nog altijd grote behoefte aan opvangplekken.
Als gevolg hiervan kan het inderdaad voorkomen dat er reguliere locaties zijn met onderwijsvoorzieningen waar minder gebruik van wordt gemaakt dan voorheen, omdat er op die reguliere locaties minder gezinnen verblijven. Dit probleem wordt herkend, maar geldt niet generiek. Er zijn bij het COA geen scholen bekend die gewoonlijk veel nieuwkomerskinderen onderwijs bieden, maar waarbij een terugloop van het aantal van deze kinderen negatieve gevolgen heeft gehad.
Zoals uw Kamer weet zet ik alles op alles in om zo spoedig mogelijk terug te keren tot een situatie waarin het gebruik van (crisis)noodopvanglocaties niet langer nodig is. Daarom wordt ingezet op het realiseren van reguliere en duurzame opvangplekken.
Klopt het dat op verschillende reguliere asielopvanglocaties met name alleenstaande mannen worden geplaatst, terwijl die locaties wel zijn ingericht voor de opvang van en onderwijs aan kinderen en het risico bestaat dat reguliere onderwijsvoorzieningen en gekwalificeerd onderwijspersoneel, ondanks een enorme behoefte, verloren gaan?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat kinderen nog steeds, soms wel 6 tot 7 maanden, verstoken blijven van onderwijs door continue verhuizingen tussen (crisis)noodopvangvoorzieningen? En klopt het dat leerlingen met speciale onderwijsbehoeften erg lang moeten wachten op passende onderwijsondersteuning? Bent u, kort en goed, met ons van mening dat kinderen niet in een crisisnoodopvang horen? Zo ja, wat is uw beleidslijn bij gemeenten die bij een aanbod voor crisisnoodopvanglocaties bedingen dat alleen gezinnen met kinderen zullen worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Ja, het klopt dat kinderen soms lange tijd verstoken blijven van onderwijs en dat leerlingen met speciale onderwijsbehoeften soms lang moeten wachten op passende onderwijsondersteuning.
Het uitgangspunt is helder: Kinderen in Nederland hebben recht op onderwijs. Europees is de Nederlandse staat gebonden aan de afspraak om kinderen in de leerplichtige leeftijd drie maanden na aankomst in Nederland van onderwijs te voorzien. Het COA merkt echter bij zowel bestaande locaties als bij het zoeken naar nieuwe locaties dat het nieuwkomersonderwijs fors onder druk staat. Betrokken partnerscholen geven aan dat hier verschillende redenen voor zijn, zoals de instroom van Oekraïense kinderen en de verhoogde instroom van zowel asielkinderen als kinderen van arbeids- en kennismigranten.
Gevolg is dat er op diverse plaatsen wachtlijsten zijn ontstaan voor de toegang tot het nieuwkomersonderwijs, met name als het gaat om internationale schakelklassen in het voortgezet onderwijs (ISK’s). Dit betekent dat kinderen vaak langer moeten wachten tot ze naar school kunnen dan de richtlijn voorschrijft. In reactie op vraag twee heb ik al aangegeven dat diverse partners in asiel en onderwijs gezamenlijk werken aan de mogelijkheid om zicht te krijgen op of asielkinderen wel of geen onderwijs volgen. Op dit moment is het nog niet mogelijk om dit cijfermatig in beeld te krijgen.
Daarbij merkt het kabinet op dat het continu moeten openen en sluiten van -met name- (crisis)noodopvangplekken, waardoor kinderen regelmatig moeten verhuizen, ook merkbaar leidt tot het langer uitblijven van toegang tot onderwijs voor deze kinderen. Hierbij is extra complicerend dat diverse gemeenten veelal slechts gezinnen met kinderen en andere kwetsbare personen willen opvangen in de crisisnoodopvang. Het COA is voor het vinden van capaciteit afhankelijk van gemeenten, waarbij gezien de druk in de capaciteit bovendien de nadrukkelijke wens is te voorkomen dat opnieuw asielzoekers buiten moeten slapen. De problematiek rond toegang tot onderwijs voor asielkinderen raakt met al deze factoren dus veel kinderen in de opvang, niet alleen in de (crisis)noodopvang.
Zo zijn er in het voortgezet onderwijs in Nederland inmiddels zelfs ISK’s die een instroomstop hebben ingevoerd tot aan de zomervakantie. Zorgelijk is ook dat sommige ISK’s te kennen hebben gegeven alle 18-jarigen uit te schrijven. Een school mag leerlingen niet uitschrijven omdat zij plek willen maken voor andere leerlingen. Dat is extra zorgelijk omdat deze leerlingen dan het recht dreigen te verliezen om hun opleiding af te maken. De inspectie zal scholen hierop aanspreken.
Als gevolg van de problematiek rond onderwijs merkt het COA dat het organiseren van onderwijs voor gemeenten en scholen inmiddels een van de terugkomende knelpunten is geworden. In de praktijk ziet het COA dat dit dan ook een belemmerende rol speelt bij het afsluiten van bestuursovereenkomsten met gemeenten voor opvanglocaties. In een tijd dat er al een tekort is aan leraren neemt de bereidheid van gemeenten om een locatie te openen af, gezien het risico van het niet kunnen organiseren van onderwijs.
Hoewel er goede voorbeelden zijn van zowel noodopvang- als crisisnoodopvanglocaties, met in voorkomende gevallen faciliteiten die op z’n minst vergelijkbaar zijn met een reguliere locatie, acht ik het in algemene zin onwenselijk dat kinderen in gezinnen in (crisis)noodopvanglocaties worden opgevangen. Er wordt zoals uw Kamer weet dan ook alles op alles gezet om zo spoedig mogelijk terug te keren tot een situatie waarin gebruik van (crisis)noodopvanglocaties niet langer nodig is.
Bent u bereid om te bezien of de ervaringen van gemeenten en onderwijsinstellingen met het opzetten van onderwijsvoorzieningen voor Oekraïense kinderen aanknopingspunten bieden voor onderwijsvoorzieningen voor de bredere groep asielkinderen? Bent u bereid om overleg te zoeken met (vertegenwoordigers van) gemeenten en onderwijsinstellingen om te kijken hoe hun ervaringen en wensen kunnen worden geadresseerd?
De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs start binnenkort met een evaluatie van de tijdelijke onderwijsvoorzieningen ten behoeve van leerlingen uit Oekraïne (hierna: tov). Uw Kamer ontvangt vóór augustus 2025 een verslag over de doeltreffendheid en effecten van de wet tov.
Aan uw Kamer is toegezegd om in 2023 ook met een langetermijnvisie te komen op onderwijs aan nieuwkomers. Ik ga met de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs in gesprek om te bezien welke lessons learned er zijn van het inrichten van tov. Samen met het COA ga ik tevens in gesprek met gemeenten en scholen over hun ervaringen en behoeften.
De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs gebruikt deze gesprekken als input voor het wetsvoorstel dat hij in voorbereiding heeft. Met dit wetsvoorstel wordt ingezet op het versterken van het recht op onderwijs dat alle nieuwkomers hebben en wordt de verantwoordelijkheid van de verschillende betrokken partijen verhelderd.
Bent u bereid om gemeenten die tijdelijke voorzieningen aanbieden om vluchtelingkinderen een vorm van onderwijs te bieden financieel te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Voor elke leerplichtige nieuwkomer die ingeschreven wordt op een school (dat kan ook een tov zijn) stelt OCW leerlingbekostiging en nieuwkomersbekostiging ter beschikking. Deze bekostiging staat dus los van de soort school. Soms komt het ook voor dat een gemeente, buiten het onderwijs, een kortdurend programma aanbiedt om kinderen opvang te bieden voordat zij instromen in het onderwijs. Omdat deze activiteiten buiten de verantwoordelijkheid van het onderwijs vallen, kan de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs hier niet op toe zien en kunnen deze initiatieven ook niet in aanmerking komen voor onderwijsbekostiging. Hij kan niet voorzien in aanvullende middelen, maar is momenteel wel met een aantal regio’s in gesprek om te bezien waar de knelpunten precies zitten en hoe we deze kunnen oplossen. De regio coördinatoren voor nieuwkomersonderwijs zijn doorlopend in gesprek en denken mee over passende oplossingen.
Bent u bereid om kinderen en hun onderwijsbehoefte een hogere prioriteit te geven binnen het plaatsingsbeleid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en rekening te houden met de noodzaak van plaatsing in reguliere locaties en het beschikbare onderwijsaanbod? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u met ons van mening dat oplossingen op korte termijn dringend gewenst zijn? Zo ja, welke maatregelen neemt u zich voor om de druk op het onderwijs voor kinderen van asielzoekers ten spoedigste te verminderen?
Het is mijn verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het plaatsingsbeleid voor deze doelgroep zo optimaal mogelijk wordt ingevuld. Dat betekent dan ook dat er op korte termijn dringend oplossingen gewenst zijn om de druk op het nieuwkomersonderwijs te verminderen. De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs zet zich er voor in om tegelijkertijd de druk op het onderwijsstelsel te verlichten en het aanbod zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de (crisis)noodopvang. De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs komt voor het zomerreces met een wetsvoorstel waarmee in wordt gezet op het versterken van het recht op onderwijs dat alle nieuwkomers hebben en waarin OCW de verantwoordelijkheid van de verschillende betrokken partijen verheldert.
Bent u het met ons eens dat naast tijdelijke oplossingen ook structurele oplossingen dringend gewenst zijn? Zo ja, is er al meer duidelijkheid over de plannen? Hoe gaat u voorkomen dat de tijdelijke landingsplaatsen die sommige gemeenten hebben opgezet om in ieder geval iets te kunnen bieden een structureel karakter krijgen?
Ik deel met uw Kamer dat structurele oplossingen gewenst zijn. Alle inspanningen zijn erop gericht om kinderen zo snel mogelijk in het onderwijs te krijgen. Dit is zo snel mogelijk, maar wettelijk gezien uiterlijk binnen drie maanden nadat ze in Nederland zijn aangekomen. Ik hecht eraan te benadrukken dat dit voor het kabinet ook echt het leidende kader is en blijft.
Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag twee zijn er continu gesprekken tussen de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en mij, en de betrokken ministeries. Op dit moment hebben we te maken met een combinatie van toestroom, schaarste (zowel woningen als personeel) en ingewikkelde procedures en samenwerkingsvormen. Hoewel de gezamenlijke inzet er dus op gericht is om structurele oplossingen te realiseren is dit complex omdat de problematiek belegd is op verschillende niveaus en domeinen. Vanuit de opvangopgave wordt daarom ingezet op bijvoorbeeld het minimaliseren van verhuisbewegingen daar waar het gezinnen met kinderen betreft.
Daarnaast verkent de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs of er binnen het onderwijsstelsel meer mogelijk is. Daartoe is de Minister op dit moment onder meer bezig met een wetsvoorstel met als doel het versterken van het recht op onderwijs van alle nieuwkomers zoals ook benoemd in het antwoord op vraag negen. Net als de leden Kröger, Westerveld en Piri is de inzet van de Minister om de genoemde landingsplaatsen geen structureel karakter te geven. Een landingsprogramma is immers geen bestaand instrument in de wet, maar valt logischerwijs samen met de verantwoordelijkheid van gemeenten. Daarbij kwalificeert een landingsprogramma niet als volwaardig onderwijs, omdat kinderen niet staan ingeschreven op een school. De Inspectie van het Onderwijs houdt hier daarom ook geen toezicht op.
Is het mogelijk om gezien het grote belang van onderwijs aan alle kinderen deze vragen met spoed te beantwoorden?
De inzet is om deze vragen zo snel mogelijk te beantwoorden, rekening houdend met de interdepartementale afstemming die deze problematiek behoeft en met inachtneming van de geldende termijnen.
Kent u het bericht «Asieldeal wéér onder vuur van rechter: uitspraak hekelt nu ook ander onderdeel van het akkoord»1? En kent u uitspraak van rechtbank Den Haag over de verlenging van de beslistermijn2?
Ja.
Kunt u reflecteren op de vraag hoe het kan dat de verhoogde instroom van Oekraïners, Afghanen en de opname van Dublinclaimanten niet kan worden opgevangen door de verhoogde besliscapaciteit bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst terwijl de personeelscapaciteit van de Immigratie- Naturalisatiedienst ongeveer 75% hoger is ten opzichte van 2017?
De IND heeft in 2022 te maken gehad met aanzienlijk hogere instroom dan aanvankelijk was voorspeld. Deze hoge instroom kwam onder andere door het vervallen van de coronareisbeperkingen, de machtsovername door de Taliban in Afghanistan, het instromen van ex-Dublinzaken in de nationale procedure (juiste vanwege reisbeperkingen naar andere EU-landen), maar ook de instroom van nareizigers. Verder is de instroom uit onder meer Syrië, Turkije en Jemen onverminderd hoog geweest en nam ook het aantal alleenstaande minderjarige vreemdelingen (hierna AMV) dat naar Nederland kwam verder toe. In 2022 zijn in totaal 35.535 asielaanvragen ingediend, een toename van 40% ten opzichte van het jaar daarvoor. Deze aantallen zijn exclusief ontheemden uit Oekraïne. Hoewel de aanvragen van deze groep niet worden meegeteld bij het aantal asielaanvragen in 2022, heeft dit wel effect op de organisatie van de IND.
In 2022 is de prognoses van de instroom meerdere malen omhoog bijgesteld. Het aantrekken en volledig opleiden van nieuwe medewerkers kost ongeveer een jaar. Het aannemen van nieuwe medewerkers leidt dan ook niet meteen tot een hogere productie. Daarnaast is de beoordeling van asielaanvragen de afgelopen jaren complexer en bewerkelijker geworden, waardoor er meer medewerkers nodig zijn om hetzelfde aantal zaken af te doen. Het is voor de IND niet mogelijk de instroom bij te houden met als resultaat dat asielzoekers soms lang moeten wachten op een gehoor of een beslissing van de IND. De IND probeert met de beschikbare capaciteit de wachttijd zo kort mogelijk te houden maar realiteit is dat dit met de verwachte instroom voor dit jaar een bijzonder lastige opgave gaat worden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst nieuwe asielaanvragen binnen de termijn van zes maanden kan behandelen?
Ook voor dit jaar is de verwachting dat de asielinstroom hoger is dan de behandelcapaciteit van de IND. De IND is naar verwachting in staat om met de capaciteit die beschikbaar is in 2023 op een vergelijkbaar aantal zaken als in 2022 een beslissing te nemen.
In mijn brief van 3 februari 2023 heb ik uw Kamer bericht dat ik de beslistermijn van zaken die instromen na 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 zal verlengen met 9 maanden. Eerder heb ik dit al gedaan voor zaken die vóór 1 januari 2023 zijn ingestroomd.
Kunt u verklaren waarom het aantal openstaande asielaanvragen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst blijft oplopen, en momenteel hoger is dan tijdens de start van de speciale taskforce begin 2020, terwijl de personeelscapaciteit van de Immigratie- Naturalisatiedienst sinds 2019 is toegenomen met 1.000 fte?
De instroom van asielzoekers is dermate hoog dat met de huidige werkwijze en het geldende beleid de IND niet in staat is tijdig op alle asielaanvragen te beslissen.
De IND kan echter niet onbeperkt de besliscapaciteit blijven uitbreiden en loopt hiermee tegen tal van beperkingen aan wat betreft personeel.
Het absorptievermogen van de IND is in die zin beperkt aangezien nieuwe medewerkers in het asielproces opgeleid moeten worden door ervaren medewerkers en het opleidingstraject (zoals reeds in het antwoord op vraag 2 genoemd) ongeveer een jaar in beslag neemt.
Daarnaast neemt de IND ook nieuw personeel aan voor andere werksoorten dan asiel. De groei in personeel komt dan ook niet enkel en alleen ten goede aan de afhandeling van asielaanvragen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de grote achterstand van de te behandelen asielaanvragen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst wordt opgelost?
Er zijn in de afgelopen periode diverse maatregelen genomen die zien op een verhoging van de productiecapaciteit van de IND. Dit gaat bijvoorbeeld om forse investeringen d.m.v. werving van nieuwe medewerkers, professionalisering van de strategische en operationele sturing, het efficiënter inrichten van het asielproces door bijv. doelgroepgerichte benadering van asielaanvragen (kansrijk-kansarm), schriftelijk horen en de inzet van specialistische externe bureaus. Ook kijkt de IND constant naar slimme manieren om te werken en een slimme inzet van het beschikbare personeel.
Deze maatregelen zorgen er echter niet voor dat ingelopen wordt op de voorraad. De IND heeft geen invloed op de omvang van de instroom van asielzoekers en heeft daarnaast te maken met een toenemende complexiteit bij de behandeling van asielaanvragen en een rechtspraak die steeds hogere eisen stelt aan de besluitvorming.
Ik ben continu met de IND in gesprek over de benodigde maatregelen om de voorraden weg te werken. Dit zal bovendien ook onderdeel uit maken van de brede heroriëntatie op het asiel- en opvangstelsel waarbij gekeken wordt naar beleid, de uitvoering van dat beleid en het asiel en opvangstelsel.
Kunt u verklaren hoe er opnieuw grote achterstanden zijn ontstaan bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst nadat de werkzaamheden van de speciale taskforce in 2021 zijn afgerond?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de besliscapaciteit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst voldoende is om het aantal asielaanvragen bij te houden?
Het is vrijwel onmogelijk om de IND organisatie zo in te richten dat ook in jaren waar Nederland te maken heeft met een zeer hoge instroom, de IND voldoende capaciteit heeft om het aantal asielaanvragen bij te houden. Het is niet mogelijk personeel eenvoudig en op korte termijn op te schalen.
Het beslissen op een asielaanvraag is echt mensenwerk en is – mede door de complexiteit van beleid en jurisprudentie – iets dat tijd kost. Ik ben met de IND in gesprek over de mogelijkheden om flexibeler te werken, in het bijzonder bij een hoge instroom. Dit vergt mogelijk aanpassingen in de werkprocessen van de IND, maar mogelijk ook in het geldende beleid.
Welke impact heeft de uitspraak van rechtbank Den Haag over de verlenging van de beslistermijn (Zaaknummer: NL22.21969) op het wetsvoorstel herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken (Kamerstuk 35 749, nr. 2)?
In genoemde uitspraak van 6 januari jl. heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam geoordeeld dat de maatregel, om de wettelijke beslistermijn van zes maanden voor asielaanvragen categoriaal te verlengen met maximaal 9 maanden, niet rechtsgeldig is genomen, omdat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 42, vierde lid, onder b, Vw. Het wetsvoorstel heeft geen betrekking op dit onderdeel en wordt derhalve niet geraakt door deze uitspraak.
Ik merk overigens op dat de zittingsplaatsen Arnhem en Den Bosch hebben geoordeeld dat voornoemde maatregel wel rechtsgeldig is.3 Vanwege het belang van deze maatregel voor de beslispraktijk van de IND is besloten om tegen de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam hoger beroep in te stellen. Ondertussen wordt de toepassing van de maatregel voortgezet.
Kunt u een inschatting geven van het financiële risico van dwangsommen voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst in 2023, uitgaande van de uitspraak van rechtbank Den Haag (Zaaknummer: NL22.21969) waaruit blijkt dat de generieke verlenging van de beslistermijn (WBV 2022/22) niet rechtsgeldig is?
Zie ook het antwoord op vraag 8, waarin ik heb aangegeven dat niet alle zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag negatief oordelen over de generieke verlenging en dat ik hoger beroep heb ingesteld tegen bedoelde uitspraak van de zittingsplaats Amsterdam.
De IND berekent op dit moment de financiële risico’s van dwangsommen zowel in het scenario dat de IND de beslistermijn kan verlengen als in het scenario dat het verlengen van de beslistermijn niet rechtsgeldig is. Duidelijk zal zijn dat in het laatste scenario het risico op dwangsommen aanzienlijk hoger zal zijn. Op korte termijn zal ik uw Kamer hierover nader informeren.
Het bericht dat de overdracht van Singh aan Nederland gebaseerd is op politieke onwil |
|
Agnes Mulder (CDA), Michiel van Nispen , Kati Piri (PvdA), Don Ceder (CU), Tom van der Lee (GL), Tunahan Kuzu (DENK), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht: «Nederlander Jaitsen Singh (78) die al 39 jaar in de Verenigde Staten vastzit, komt niet vroegtijdig vrij»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over dit bericht?
Het kabinet blijft zich inspannen om de heer Singh op humanitaire gronden vanwege zijn hoge leeftijd en fragiele gezondheid naar Nederland te brengen, mits hij geen gevaar voor de samenleving vormt. Bij de antwoorden op onderstaande vragen wordt hier een toelichting op gegeven.
Wat de consulaire bijstand betreft, klopt het dat het Ministerie van Buitenlandse zaken in het verleden (tot 2015) niet altijd aan de volledige bezoeknorm heeft kunnen voldoen. Dit heeft het ministerie erkend in de klachtbehandeling door de Nationale ombudsman. Voor een uitgebreide toelichting hierop wordt verwezen naar Aanhangsel Handelingen vergaderjaar 2017–2018, nr. 449. De Nationale ombudsman ziet echter geen reden om hieraan consequenties te verbinden, omdat de heer Singh sinds 2015 wel conform de bezoeknorm wordt bezocht.
Het artikel raakt daarnaast aan diverse andere aspecten waarover wij niet kunnen oordelen, zoals de rechtsgang in de Verenigde Staten.
Deelt u de teleurstelling over het feit dat de heer Singh na 39 jaar vastzitten in de Verenigde Staten nog steeds niet vrijkomt?
Op donderdag 26 januari 2023 heeft de Parole Hearing plaatsgevonden van de heer Singh, waarbij de Parole Board het parole-verzoek heeft afgewezen voor drie jaar. Wij kunnen ons voorstellen dat de heer Singh en zijn familie teleurgesteld zijn over het oordeel van de Parole Board.
Wij zetten ons in om de heer Singh op humanitaire gronden naar Nederland terug te brengen. De afwegingen waarom de Parole Board tot dit oordeel is gekomen zijn (nog) niet bekend. De transcripten van (de niet openbare) zitting zijn pas circa 45 dagen na de zitting beschikbaar en opvraagbaar bij de Parole Board.
Bent u van mening dat de Nederlandse regering er alles aan gedaan heeft om de heer Singh naar Nederland te krijgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Uw Kamer heeft op 23 juni 2020 de motie van het lid Van Nispen c.s. inzake de heer Singh aangenomen.2 In deze motie wordt de regering verzocht zich maximaal in te spannen om de heer Singh op korte termijn naar Nederland over te laten brengen, verzoeken tot overbrenging te honoreren en hiertoe zo nodig de procedure tot overdracht van de tenuitvoerlegging van het strafvonnis te starten.
Bij brief van 21 september 2020 is uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan deze motie. Een Wots-procedure is niet de geëigende weg aangezien de zaak van betrokkene niet voldoet aan de criteria van het Beleidskader voor een Wots-procedure.3 In ieder geval staat vast dat betrokkene onvoldoende binding met Nederland heeft. Dit heeft de rechter in kort geding vastgesteld. De Wots-procedure is een penitentiair instrument, geen humanitair instrument. Daarnaast is vastgesteld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die tot afwijking van het beleid zouden moeten leiden.4
Gezien het feit dat de Wots geen optie is, is gekeken naar andere mogelijkheden om betrokkene naar Nederland te halen. De weg die wegens humanitaire redenen daarvoor gebruikt kan worden is een gratieprocedure, mits er geen gevaar is voor de maatschappij. Samen met de advocaat van betrokkene en zijn zus is hierover gesproken. Betrokkene is meerdere malen gesteund bij een door hem ingediend gratieverzoek. Wat daarvoor allemaal is gedaan, is weergegeven in de brief aan uw Kamer van 18 mei 2021.5 Daarnaast is door de Minister voor Rechtsbescherming (namens het Kabinet) voorafgaand aan elke parole hearing een nieuwe steunbetuiging aan de Parole Board gestuurd. Uw Kamer is daarover op verschillende momenten geïnformeerd.6
Op wat voor manieren kan een gedetineerde binding hebben met Nederland, gaat dit enkel over woonplaats of kan binding ook op andere manieren worden aangetoond?
Wat de binding betreft, moet er sprake zijn van een wezenlijke relatie met Nederland. Het Nederlanderschap alleen is daarvoor niet voldoende. Bij het bepalen of er sprake is van binding wordt onder meer gekeken naar waar en hoe lang betrokkene feitelijk woonachtig was (duur van inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP)) en onder meer waar hij heeft gewerkt.7
Wanneer betrokkene zijn banden met Nederland heeft verbroken door bijvoorbeeld zijn hoofdverblijf naar een ander land te verplaatsen en meer dan vijf jaar buiten Nederland woont, en onvoldoende is gebleken dat degene tot doel had zijn hoofdverblijf in Nederland later weer op te pakken, komt hij niet in aanmerking voor overbrenging. In een dergelijk geval is het resocialisatiebelang immers niet met een overbrenging gediend. De rechter heeft geoordeeld dat het beleid omtrent strafoverdracht bestendig en correct wordt uitgevoerd.8
Bent u het eens dat er sprake is van een gewijzigde situatie nu bekend is dat de zus van de heer Singh bereid is hem op te vangen in Nederland?
Nee. Jurisprudentie bevestigt dat de enkele wens van een gedetineerde om zich na detentie wederom in Nederland te vestigen irrelevant is bij de beoordeling van aanwezigheid van binding. Die wens is niet bepalend voor het resocialisatiebelang.9 De wens om naar Nederland terug te keren wordt in de rechtspraak slechts relevant geoordeeld als er aanwijzingen bestaan dat betrokkene vóór zijn buitenlandse detentie de mogelijkheid openhield om naar Nederland terug te keren. Daarvan kan sprake zijn als betrokkene kan wijzen op getroffen voorbereidingen voor die terugkeer.10 In onderhavig geval is dat onvoldoende aangetoond en wordt daardoor niet aannemelijk geacht.
Bent u, gezien de unieke aard van deze zaak waarin alle mogelijkheden zijn afgelopen en gezien de humanitaire situatie van de gevangene bereid zo snel mogelijk een manier te vinden een geldige WOTS-procedure op te starten om de strafoverdracht tussen Nederland en de Verenigde Staten te initiëren en de heer Singh over te brengen naar Nederland (conform motie van het lid Van Nispen c.s. (kamerstuk 35 470-VI-11))?
Het doel van de overbrenging van gevonniste personen is de kans op resocialisatie van de veroordeelde te vergroten en het risico van recidive te verkleinen doordat de tenuitvoerlegging van een straf in het land gebeurt waar de veroordeelde onderdaan is en/of woont en geworteld is.
Zoals aangegeven in het antwoord onder 4 is een Wots-procedure niet de geëigende weg omdat de zaak van betrokkene niet voldoet aan de daaraan gestelde criteria. Dit is bevestigd in een rechterlijke uitspraak. De weg die wegens humanitaire redenen daarvoor gebruikt kan worden is een gratieprocedure, mits er geen gevaar is voor de maatschappij.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en met spoed te beantwoorden?
Ja.
De voortgang van de kabinetsdoelstellingen voor 2030 |
|
Laura Bromet (GL), Lisa Westerveld (GL), Songül Mutluer (PvdA), Kati Piri (PvdA), Senna Maatoug (GL), Attje Kuiken (PvdA), Joris Thijssen (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA), Barbara Kathmann (PvdA), Suzanne Kröger (GL), Jesse Klaver (GL), Tom van der Lee (GL), Corinne Ellemeet (GL), Julian Bushoff (PvdA), Bouchallikh , Mohammed Mohandis (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Klopt het dat dit kabinet de volgende doelstellingen heeft voor 2030: a. 60% CO2-reductie, maar in elk geval 55% CO2-reductie; b. Halvering van de stikstofuitstoot; c. 15% van landbouwgrond voor biologische landbouw (& een Europees doel van 25%); d. 50% minder grondstoffengebruik; e. 100% schoon water in 2027 (Kaderrichtlijn Water); f. Halvering van het aantal mensen in armoede (ten opzichte van 2015) g. Halvering van het aantal kinderen in armoede in 2025 (ten opzichte van 2015); h. Halvering van het aantal mensen met problematische schulden; i. 0 daklozen (Lissabon verklaring); j. 0 jongeren in de gesloten jeugdzorg; k. 0 thuiszittende kinderen; l. 1 miljoen extra huizen, waaronder 250.000 sociale huurwoningen; m. Aandeel van 30% sociale huurwoningen per gemeente; n. Isoleren van 2,5 miljoen woningen in 2030, omgerekend 300.000 woningen per jaar; o. Meer mensen met een passende huurquote (= tussen de 20% en 35%, afhankelijk van de gezinssituatie) ten opzichte van het WoonOnderzoek 2021; p. Halvering van het aantal verkeersslachtoffers; q. 3% van het bbp wordt besteed aan R&D-uitgaven (Lissabon doelstelling);
Ja, met dien verstande dat deze doelstellingen nader zijn omschreven en/of aangepast in de verschillende schriftelijke en mondelinge contacten met de Kamers van de voor deze onderwerpen eerst verantwoordelijke bewindspersonen. Het kabinet staat voor belangrijke opgaven waarbij in de aanpak hiervan en de uitvoering van het regeerakkoord door het kabinet integraal afwegingen worden gemaakt.
Kunt u per doelstelling exact aangeven wat de meest actuele prognose is voor 2030 (door bij elke doelstelling een concreet percentage/getal te noemen) en wanneer deze prognose is gemaakt?
Het aangeven van de meest actuele prognoses is een aangelegenheid van de voor deze onderwerpen eerst verantwoordelijke bewindspersonen.
Kunt u bij elk van deze prognoses aangeven of deze prognose voldoende is om de doelstelling te bereiken?
Het bij elk van deze prognoses aangeven of deze prognose voldoende is om de doelstelling te bereiken is een aangelegenheid van de voor deze onderwerpen eerst verantwoordelijke bewindspersonen.
Indien er een doelstelling is waarbij bovenstaande vraag niet beantwoord kan worden omdat de informatie ontbreekt, kunt u per doelstelling aangeven hoe u er alsnog voor gaat zorgen dat het inzichtelijk wordt voor de Kamer of deze doelstelling daadwerkelijk gehaald gaat worden?
Indien er een doelstelling is waarbij vraag 3 niet beantwoord kan worden omdat de informatie ontbreekt, kan er per doelstelling door de voor dit onderwerp eerst verantwoordelijke bewindspersoon worden aangegeven hoe deze er alsnog voor gaat zorgen dat het inzichtelijk wordt voor de Kamers of deze doelstelling daadwerkelijk gehaald gaat worden.
Bij hoeveel van de bovenstaande kabinetsdoelstellingen kunt u op basis van de meest actuele prognoses aantonen dat deze doelstelling met het huidige kabinetsbeleid bereikt gaat worden (graag een concreet getal tussen 0 en 17 noemen)?
Het aantonen bij hoeveel van de genoemde kabinetsdoelstellingen op basis van de meest actuele prognoses de doelstelling met het huidige kabinetsbeleid bereikt gaat worden, is een aangelegenheid van de voor deze onderwerpen eerst verantwoordelijke bewindspersonen. Voor de in vraag 1 genoemde onderwerpen zijn andere bewindspersonen dan de Minister-President de eerst verantwoordelijke bewindspersonen. Deze bewindspersonen kunnen in hun verschillende contacten met de Kamers, waaronder brieven, begrotingen en voortgangsrapportages, ingaan op de punten in de vragen 1 tot en met 5. Zo ontving u hierover onlangs informatie van de Minister voor Klimaat en Energie in zijn reactie op een rapport van de Algemene Rekenkamer dat op 25 januari jl. aan de Kamer is gezonden. In de ministerraad van heden heb ik bij dit onderwerp, zoals opgenomen in de openbare besluitenlijst, de aandacht van de bewindspersonen gevestigd op de gestelde vragen met het verzoek deze te betrekken bij hun contacten met de Kamers.
Kunt u deze vragen binnen drie weken een voor een beantwoorden?
Ja.
Het actieplan Nederland-Marokko |
|
Kati Piri (PvdA), Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Welk land heeft het initiatief genomen om tot het actieplan Nederland-Marokko te komen?
Vanuit beide landen was er een wens om de gezamenlijke ambities voor het versterken van de samenwerking vorm te geven middels een actieplan; het eerste voorstel om tot een actieplan te komen kwam van Nederland. Vervolgens hebben Marokko en Nederland gezamenlijk besloten over de inhoud van het actieplan. Het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft hierin het initiatief genomen en heeft ook de onderhandelingen gecoördineerd waarbij verschillende ministeries op hun deelterreinen nauw betrokken waren.
Wat was de directe aanleiding voor dit actieplan?
Marokko en Nederland zijn nauw met elkaar verbonden. De relatie tussen beide landen is veelzijdig maar op onderdelen ook complex. Het actieplan is een middel om die relatie te verstevigen en biedt een kader voor brede politieke samenwerking en verdieping van de bilaterale relatie. Vanuit die wederzijdse behoefte is het actieplan opgezet.
Heeft Nederland alle kansen benut om in aanloop naar de veroordeling van journalist Omar Radi op maandag 19 juli 2021, elf dagen na ondertekening van het actieplan, de aantijging te ontkrachten dat Radi een spion van Nederland zou zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nederland heeft de ontwikkelingen in het proces van Omar Radi nauwgezet gevolgd. Voorafgaand aan de veroordeling is meermaals navraag gedaan naar de aanklacht en, na de veroordeling, ook naar het vonnis. Nederland kreeg begin oktober 2021 inzage in een werkvertaling van het vonnis. Zoals reeds aan uw Kamer gemeld (BZDOC-750040436–30), heeft Nederland de Marokkaanse autoriteiten meermaals te kennen gegeven dat Nederland zich niet herkent in de spionage aanklacht. Ik heb daarbij ook aangegeven dat het kabinet de veroordeling, daar waar het de aanklacht voor spionage voor Nederland betreft, teleurstellend vindt. Het kabinet ziet geen verband tussen de datum van de veroordeling van dhr. Radi en de datum van ondertekening van het actieplan, aangezien de datum van ondertekening is vastgesteld op basis van beschikbaarheid van betrokkenen.
Zijn er vergelijkbare deals gesloten met andere landen, of zijn die op het moment in de maak? Zo ja, met welke landen en bent u bereid deze plannen met de Kamer te delen?
Het actieplan is geen deal maar een bilateraal samenwerkingsdocument waarin kaders en afspraken staan voor onderwerpen van gemeenschappelijk belang. Een document zoals het actieplan met Marokko is verre van uniek. Het komt diplomatiek veelvuldig voor dat landen, waaronder Nederland, overkoepelende of thematische MoU’s, letters of intent of andersoortige niet juridisch bindende documenten ten behoeve van de goede samenwerking opstellen.
Betekent de wederzijdse afspraak om niet langer «te mengen in [elkaars] binnenlandse aangelegenheden» dat Nederland zich niet langer uitspreekt over gebeurtenissen in Marokko, waaronder op het gebied van mensenrechten of journalistieke vrijheden?
De in vraag 5 genoemde passage uit het actieplan is geen nieuwe afspraak. Het is een bevestiging van een bestaande internationaalrechtelijke regel om het non-interventie beginsel te respecteren, dat onder andere terug te vinden is in het VN-handvest. Nederland verwacht ook dat andere landen zich hieraan houden.
De passage in het actieplan heeft geen effect op de Nederlandse inzet voor de bevordering van de ontwikkeling van de internationale rechtsorde. Het non-interventie beginsel is niet absoluut. De bescherming van universele mensenrechten is van vitaal belang voor iedereen op deze wereld. Deze passage in het actieplan betekent dan ook niet dat er geen dialoog of gesprek kan plaatsvinden over mensenrechten. In het actieplan is expliciet afgesproken dat alle terreinen en onderwerpen die de betrekkingen tussen beide landen raken, besproken kunnen worden.
Mensenrechten is onderdeel van onze reguliere dialoog met Marokko. Er wordt op verschillende niveaus over gesproken, meest recent tijdens de politieke consultaties tussen beide landen in december jl. Er wordt naast de bilaterale gesprekken ook ingezet op dialoog en samenwerking binnen multilaterale kanalen. Een goed voorbeeld is de laatste Universal Periodic Review (UPR) van november jl. waar wederzijds aanbevelingen zijn gegeven op het gebied van mensenrechten in beide landen. Nederland heeft Marokko aanbevelingen gedaan op het gebied van de rechten van LGHBTI+ en de vrijheid van meningsuiting. Daarnaast hoopt Nederland in 2024 samen met Marokko lid te zijn van de Mensenrechtenraad en dit biedt ook mogelijkheden tot samenwerking.
Hoe rijmt u deze afspraak met artikel 90 van de Grondwet, waarin staat dat de regering zich actief inzet voor de bevordering van de internationale rechtsorde?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer is de laatste keer dat u zich in het openbaar kritisch heeft geuit over de mensenrechtensituatie in Marokko?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u het lot van politieke gevangenen van de Hirak-beweging en de vrijheid van media aangekaart tijdens uw laatste gesprek met uw Marokkaanse ambtsgenoot? Zo nee, bent u van plan dit tijdens uw eerstvolgende gesprek te doen?
Zoals ook aangeven in antwoord op vraag 5,6, en 7 zijn mensenrechten onderdeel van de brede dialoog tussen Nederland en Marokko. In december jl. is tijdens politieke consultaties op hoogambtelijk niveau aandacht gevraagd voor een aantal mensenrechtenthema’s en onderwerpen, inclusief persvrijheid en de gedetineerden van de Hirak beweging.
Met welke andere landen heeft Nederland afspraken gemaakt om voorafgaand inzage te geven over financiering van niet-gouvernementele organisaties (ngo's)?
In veel landen waar NL actief is, is sprake van wet- en regelgeving gericht op transparantie omtrent buitenlandse financiering aan ngo’s waar zowel de maatschappelijke organisaties als Nederland zich aan dienen te houden. De bilaterale afspraak tussen Nederland en Marokko om elkaar vooraf te informeren over projectfinanciering staat op zichzelf, en komt voort uit een verzoek dat Marokko ook aan andere landen doet. Hierbij is tussen Nederland en Marokko geen inzage of goedkeuring afgesproken maar het informeren voorafgaand aan financiering.
Geheime gevangenissen langs de EU-buitengrenzen |
|
Kati Piri (PvdA), Suzanne Kröger (GL), Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Kent u het bericht dat vluchtelingen heimelijk worden gevangengezet voordat ze gewelddadig de EU-buitengrenzen worden overgezet? Zo ja, klopt dit bericht?1
Ja, het kabinet is bekend met het bericht. Vooropgesteld, de berichtgeving is zorgwekkend. Voor het kabinet is het vanzelfsprekend van belang dat het grenstoezicht, de asielprocedure en opvang voldoen aan de standaarden volgend uit het EU-acquis, waaronder fundamentele rechten. Daarbij hoort ook dat het principe van non-refoulement moet worden gerespecteerd en dat moet worden voorzien in de basisbehoeften van mensen. Dat geldt voor EU-lidstaten en uiteraard ook voor Frontex. Het kabinet spreekt zich hier in EU-verband over uit en pleit voor onafhankelijke monitoringsmechanismen aan de grens.
Het kabinet beschikt op dit moment niet over eigenstandige informatie om uitspraken te doen over de bevindingen die in de berichten worden gedeeld. Het kabinet is van mening dat berichtgeving over misstanden aan de buitengrenzen onderzocht moeten worden door de betrokken lidstaten. Wanneer de lidstaten over een onafhankelijk monitoringsmechanisme beschikken, zou deze het onderzoek moeten uitvoeren. De bescherming van de Europese buitengrenzen is van groot belang, maar hierbij dienen Europese en internationale wetgeving te allen tijde gewaarborgd te worden. Voor de handhaving van deze regels kijkt het kabinet nadrukkelijk naar de Europese Commissie. De Commissie heeft als hoedster van de verdragen een belangrijke rol erop toe te zien dat lidstaten zich aan de regels houden, en beschikt op basis van het EU Werkingsverdrag ook over middelen die het kan inzetten in geval een lidstaat dat niet doet. Het kabinet moedigt de Commissie aan hierin haar rol te pakken. Voor het Europees financieren van grensinfrastructuur gelden strikte voorwaarden, onder andere dat de desbetreffende maatregelen moeten voldoen aan de internationale verplichtingen en Europese wet- en regelgeving. Ook hier ziet de Commissie op toe.
Is het waar dat dit soort clandestiene gevangenissen worden betaald met EU-geld, dat vluchtelingen worden gevangengezet in kooien, dat er geen toiletten zijn of stromend water is en dat mensen worden geduwd en geslagen? Is het waar dat mensen terug over de grens worden gezet? Zo ja, bent u het eens met de stelling dat dit te kwalificeren valt als marteling?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de precieze rol van Frontex hierin?
Frontex personeel ondersteunt op basis van de EGKW-verordening de Bulgaarse politie enkel bij de uitvoering van grenssurveillance activiteiten; dit kan ook het aanhouden van personen inhouden. Frontex personeel is dus niet betrokken bij het verdere proces zoals de mogelijke asielaanvraag, opvang, detentie of terugkeer van de persoon. Dit valt buiten het mandaat van het EU-agentschap.
Frontex heeft bevestigd dat er naar aanleiding van de open source informatie een Serious Incident Report onderzoek is gestart, naar aanleiding van de vermeende grondrechtenschendingen bij het desbetreffende politiebureau in Bulgarije waarnaar in het artikel wordt verwezen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door de Frontex grondrechtenfunctionaris (FRO), wiens bevoegdheden, na eerdere kritische rapporten, zijn verruimd. Er kan niet vooruitgelopen worden op de resultaten van dit onderzoek door de FRO.
Kunt u aangeven of Nederland hierbij direct of indirect betrokkenheid heeft? Zo ja, in welke vorm? Zo nee, wat doet Nederland precies om dit soort mensonterende misstanden te voorkomen? Welke consequenties verbindt u precies aan deze misstanden?
Het Nederlands Nationaal Contactpunt Frontex (NFPOC), dat verantwoordelijk is voor alle uitzendingen van het Nederlandse personeel, heeft aangegeven dat er vanuit het uitgezonden Nederlandse personeel geen enkel signaal binnengekomen is over mogelijke misstanden als omschreven in het artikel.
Frontex en alle lidstaten, dus ook Nederland, zijn verplicht om misstanden te allen tijde te voorkomen. In de recente rapporten over het functioneren van Frontex worden duidelijke conclusies getrokken over nodige verbetering in rapportage- en monitoringsmechanismen, de governance en cultuur. Dat is ook in lijn met de Nederlandse inbreng binnen de Frontex Management Board. De benoeming van een nieuwe Uitvoerend Directeur is dan ook een goed moment om in gezamenlijkheid de uitdagingen ter hand te nemen.
Frontex personeel heeft de verplichting om alle vermeende grondrechtenschendingen te melden in de daarvoor bestemde monitoringsmechanismes. Deze meldingen worden zorgvuldig opgepakt door de FRO. Het gehele permanente korps krijgt uitgebreide training in het eerbiedigen van grondrechten en over de waarborging hiervan in alle activiteiten. Naast alle voorbereiding door het Agentschap, onder leiding van de FRO, onderhoudt de NFPOC contact met uitgezonden personeel en verzorgt na terugkomst een debriefing. Dit gezamenlijk maakt, dat er veel vertrouwen is in het functioneren van het Nederlandse personeel in de Frontex operaties.
Wat neemt u zich voor om deze misstanden in EU-verband aan de kaak te stellen? Bent u bijvoorbeeld bereid om in de meest krachtige bewoordingen de Nederlandse weerzin tegen dit soort misstanden in EU-verband tot uitdrukking te brengen en aan te dringen op daadkrachtige maatregelen om herhaling te voorkomen?
Voor Nederland is het van groot belang dat de grensbewaking aan de Europese buitengrenzen altijd plaatsvindt in lijn met de internationale verplichtingen en fundamentele rechten. Het kabinet spreekt zich dus reeds uit over berichtgeving over misstanden en zal dat blijven doen, in dit geval betrekt het daarbij de uitvoering van de motie van der Graaf/Ceder2. Het hecht daarbij aan de rol van de Commissie als hoedster van de verdragen, en benoemt berichtgeving over misstanden daarom in gesprekken met de Commissie. Het kabinet kaart vermeende misstanden ook in breder Europees verband aan, bijvoorbeeld tijdens een JBZ-Raad, evenals in bilaterale contacten met lidstaten. Ook heeft het kabinet kortgeleden in de JBZ-Raad van oktober jl. gepleit voor het opzetten van onafhankelijke monitoringsmechanismen aan de grens.
Bent u bereid om deze vragen per omgaande te beantwoorden?
Beantwoording van de Kamervragen kwam uw Kamer binnen de gestelde termijnen toe.
Een Europees programma ter ondersteuning van de evacuatie van bepaalde bijzonder kwetsbare personen uit Afghanistan |
|
Jasper van Dijk , Kati Piri (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het besluit van de Raad van 3 februari 2022 inzake een optreden van de Europese Unie (EU) ter ondersteuning van de evacuatie van bepaalde bijzonder kwetsbare personen uit Afghanistan?1
Ja.
Is de Nederlandse overheid op basis van het besluit van de Raad overgegaan tot evacuatie van de in het besluit genoemde categorieën, inclusief voormalige personeelsleden van de bijzondere vertegenwoordiger van de EU in Afghanistan, voormalige personeelsleden van EUPOL, «kwetsbare personen» als functionarissen of andere professionals die actief zijn in de politiek of de veiligheidssector in Afghanistan (zoals rechters, aanklagers, politieagenten, militair personeel en journalisten) en de huwelijkspartners, kinderen, ouders en ongehuwde zussen van deze personen?
Het kabinet heeft op basis van het besluit van de Raad en in reactie op een verzoek aan EU-lidstaten op 21 februari jl. in een brief aan Eurocommissaris Johansson laten weten dat Nederland bereid is om maximaal 25 Afghanen op te nemen van een door de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) opgestelde lijst van ongeveer 650 Afghanen die een hoog risico lopen. In de brief aan de Eurocommissaris is kenbaar gemaakt dat het Nederlandse aandeel is gericht op (fixers van) journalisten en mensenrechtenverdedigers, inclusief rechters. Hiermee heeft het kabinet invulling gegeven aan wat over deze groep aan uw Kamer is toegezegd in de brief van 11 oktober 2021. Daarbij zij aangetekend dat een ander deel van de genoemde categorieën in het Raadsbesluit – namelijk mensen die in de afgelopen twintig jaar werkzaam waren voor Nederlandse EUPOL functionarissen – reeds vallen onder de speciale voorziening van Defensie en J&V, zoals omschreven in de Kamerbrief van 11 oktober 2021.
Hoeveel personen zijn er per categorie in het kader van dit besluit overgebracht naar Nederland?
In het kader van het Raadsbesluit zijn inmiddels 24 van de maximaal 25 personen met het profiel van (fixer van) journalist en mensenrechtenverdediger, inclusief rechters (en hun kerngezinsleden) naar Nederland overgebracht.
Indien er in het kader van dit besluit niemand is overgebracht, wat is hiervoor de reden?
Zie het antwoord op vraag 3.
Aangezien dit besluit geldt tot dit jaar, bent u bereid om alsnog mensen aan te melden voor overbrenging naar Nederland, uitgevoerd door de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO)?
Het is niet mogelijk voor lidstaten om zelf mensen aan te dragen voor de door de EDEO opgestelde lijst. Zoals genoemd in het antwoord op vraag 2 heeft Nederland toegezegd maximaal 25 mensen van hun totale lijst van ongeveer 650 personen over te brengen. Inmiddels zijn daarvan 24 personen overgebracht en het kabinet is bereid om nog 1 persoon van deze lijst over te brengen. Overigens is het Raadsbesluit recent verlengd met een jaar tot 31 december 2023.
In welke mate heeft dit besluit, waarin een breder begrip dan het in Nederland gehanteerde begrip van «kerngezin» wordt gehanteerd, invloed gehad op besluitvorming aangaande het nationale overbrengingsproces?
Het besluit van de Raad heeft geen invloed gehad op de besluitvorming aangaande het nationale overbrengingsproces. Nederland heeft voor de over te brengen personen van de EDEO lijst dezelfde definitie van kerngezin gebruikt als die gedurende het hele overbrengingsproces is gehanteerd, namelijk één huwelijkspartner en afhankelijke kinderen tot 25 jaar. Deze definitie is in overeenstemming met de definitie die wordt gebruikt in het reguliere beleid ten aanzien van gezinshereniging.
Heeft het kabinet, in het kader van de rechtszaken aangespannen door niet overgebrachte Afghanen, onderzocht of er onder deze groep mensen zitten die op basis van het besluit wel in aanmerking komen voor evacuatie? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen en, indien ze in aanmerking komen, mensen aan te melden voor dit programma? Zo ja, hoeveel personen betreft het en onder welke categorie vallen ze?
Het kabinet heeft niet onderzocht of er personen tot de groep behoren die in aanmerking zouden komen voor de EDEO lijst. Die lijst is immers door de EDEO zelf opgesteld en omwille van de privacy van mensen niet gedeeld met het kabinet. Het is bovendien niet mogelijk voor lidstaten om zelf mensen aan te dragen voor de door de EDEO opgestelde lijst.
Zou u deze vragen voor het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken en Afghanistan van 8 december a.s. willen beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Israël een recent gebouwde Palestijnse basisschool heeft verwoest |
|
Kati Piri (PvdA), Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht: «Israëli forces demolish Palestinian school in Masafer Yatta»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat Israël in Masafer Yatta een pas gebouwde basisschool waar 22 kinderen uit 4 dorpen les kregen heeft verwoest, en dat zij geluidsbommen af heeft laten gaan om de kinderen de school uit te jagen?
De sloop van de basisschool door Israëlische defensietroepen is een ernstige ontwikkeling. Samen met EU partners volgt Nederland de ontwikkelingen in Masafer Yatta nauwlettend.
Kunt u aangeven welke concrete stappen u tot nu toe hebt gezet om Israël in bilateraal verband aan te spreken op deze specifieke actie van het Israëlische leger?
Nederland blijft de Israëlische overheid consistent op haar internationaalrechtelijke verplichtingen wijzen. In augustus jl. heeft Nederland in EU-verband bij de Israëlische autoriteiten ernstige zorgen geuit over de voorgenomen sloop en verplaatsing van bewoners van Masafer Yatta, alsmede de dreigende sloop van een andere school in Ein Semiya op de Westbank. Hierbij is gewezen op de internationale verplichtingen van Israël, waaronder het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind. Daarnaast heeft Nederland ook in bilateraal verband bij Israël nogmaals aangedrongen om verplichtingen onder het VN Kinderrechtenverdragte respecteren en toe te passen conform motie Kuzu (36 200-V-61). Tot slot heeft de EU op 25 november een verklaring uitgebracht waarin staat dat de sloop van de school in Masafer Yatta een onacceptabele ontwikkeling is.
Deelt u de mening dat het verhinderen van toegang tot educatie voor kinderen, een schending is van artikel 28 van het Verenigde Naties (VN) Kinderrechtenverdrag?
Het recht van het kind op onderwijs moet te allen tijde worden geëerbiedigd. Het is van belang dat een staat zich houdt aan de verplichtingen die zijn opgenomen in verdragen waarbij zij partij is.
Hoe bent u van plan om Israël op de schending van dit verdrag aan te spreken?
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in de Masafer Yatta regio meer dan 1.200 Palestijnen waaronder 500 kinderen wonen die door een uitspraak van het hooggerechtshof van Israël in mei 2022 nu ieder moment gedwongen kunnen worden te verhuizen?
Zoals eerder uiteengezet in het antwoord op vragen over het besluit van het Israëlisch Hooggerechtshof van 14 juni 2022 (2022Z09450), betreft dit een zorgelijke ontwikkeling die door NL en EU partners nauwgezet wordt gevolgd. Nederland heeft kort na de uitspraak Israël bilateraal, en in een verklaring met veertien EU-lidstaten, opgeroepen hier geen actieve opvolging aan te geven. Nederland blijft de Israëlische overheid consistent wijzen op haar internationaalrechtelijke verplichtingen.
Welke mogelijkheden ziet u om dit te voorkomen? Kunt u hierbij ingaan specifiek op wat Nederland zou kunnen doen, alsook wat de Europese Unie zou kunnen doen?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven hoe het door Nederland gevoerde ontmoedigingsbeleid hierbij een rol kan spelen?
Het Nederlandse ontmoedigingsbeleid is van toepassing op activiteiten van Nederlandse bedrijven als zij direct bijdragen aan de aanleg en instandhouding van nederzettingen of als zij de aanleg of instandhouding ervan direct faciliteren.
Indien Nederlandse bedrijven de overheid consulteren, worden zij over dit beleid geïnformeerd. Hierbij wordt toegelicht dat op grond van het internationaal recht Nederland en de EU de Israëlische soevereiniteit over de sinds juni 1967 door Israël bezette gebieden niet erkennen, en deze gebieden niet beschouwen als een onderdeel van het Israëlische grondgebied. Nederland en de EU beschouwen Israëlische nederzettingen in bezet gebied als strijdig met internationaal recht. Economische activiteiten die hieraan bijdragen beschouwt het kabinet als onwenselijk.
De Nederlandse overheid verleent geen diensten aan Nederlandse bedrijven waar het gaat om activiteiten die zij ontplooien in of ten behoeve van Israëlische nederzettingen in bezet gebied. Het kabinet verwacht daarnaast van alle Nederlandse bedrijven dat zij internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen door invulling te geven aan internationale normen zoals die zijn neergelegd in de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (OESO-richtlijnen), waar de UN Guiding Principles on Business and Human Rights onderdeel van uitmaken.
Het is vervolgens aan Nederlandse bedrijven zelf om te bepalen welke activiteiten zij ontplooien en met welke partners zij samenwerken. Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij in kaart brengen hoe zij via hun bedrijfsactiviteiten en hun ketenpartners verbonden zijn met risico’s op mensenrechtenschendingen en deze risico’s aanpakken en voorkomen. Hierover moeten bedrijven tot een afgewogen besluit komen waarover zij bereid zijn publiekelijk verantwoording af te leggen.
Kunt u aangeven wat de concrete doelstellingen zijn binnen dit Nederlandse ontmoedigingsbeleid voor het komende jaar?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u aangeven wat de belangrijkste resultaten zijn van het beleid van het afgelopen jaar?
Zie antwoord vraag 8.
De podcast uitzending ‘Kim Lane Scheppele on Viktor Orbán’s Hungary’ |
|
Jeroen van Wijngaarden (VVD), Pieter Omtzigt (Omtzigt), Ruben Brekelmans (VVD), Kati Piri (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de podcast uitzending «Kim Lane Scheppele on Viktor Orbán’s Hungary»?1
Ja.
Vindt u dat Hongarije op dit moment een democratische rechtsstaat is? Voldoet het aan alle basisvoorwaarden genoemd in artikel 2 van de Grondwet van de Europese Unie (EU)? En kunt u zowel voor een positief als een negatief antwoord op bovenstaande vraag toelichten hoe u tot die conclusie komt?
Nee, op dit moment niet. Zelfs de Hongaarse premier Orbán zegt dat Hongarije een «illiberal democracy» is. Freedom House, dat een jaarlijkse beoordeling geeft van hoe democratisch landen zijn, geeft Hongarije als enige EU-lidstaat het oordeel «partly free». Ook de Commissie wijst in haar jaarlijkse rechtsstaatsrapport op de ernstige rechtsstaatsproblematiek in Hongarije. Hongarije schendt fundamentele waarden genoemd onder artikel 2 van het EU Verdrag. Daarom is het van belang dat de Commissie alle beschikbare EU-instrumenten inzet om de problemen met de democratische rechtsstaat in Hongarije aan te pakken.
Deelt u de mening dat de ontwikkelingen ten aanzien van het verval van de Hongaarse rechtsstaat gevaarlijk zijn voor het functioneren van de EU? Zo ja, in welke opzicht(en)?
Respect voor de rechtsstaat in de Europese lidstaten is een fundamenteel uitgangspunt voor het functioneren van de Europese Unie, omdat het een randvoorwaarde is voor doeltreffende en uniforme toepassing van het EU-recht en voor het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten. Dit geldt voor alle terreinen van Europese samenwerking; van strafrechtelijke samenwerking en klimaat tot de interne markt. Een Nederlandse ondernemer actief in Hongarije moet er bijvoorbeeld op kunnen vertrouwen bij een betalingsgeschil terecht te kunnen bij een onafhankelijke rechter in Hongarije. Zo zijn er tal van voorbeelden die laten zien hoe de rechtsstaatsproblematiek in een lidstaat de Europese samenwerking kan ondermijnen. Het is daarom noodzakelijk dat alle EU-lidstaten in lijn met principes van de EU handelen en gemaakte afspraken nakomen. Het kabinet blijft zich hier onverminderd voor inzetten.
Hoeveel Russische diplomaten zijn er de afgelopen vier jaar door Hongarije uitgewezen en hoeveel Russische diplomaten zijn er de afgelopen vier jaar door andere EU-lidstaten uitgewezen?
Sinds 2018 heeft Hongarije geen uitzettingen van Russische diplomaten bekend gemaakt. In andere Europese landen zijn het afgelopen jaar in totaal ongeveer 400 Russische diplomaten uitgewezen.
Klopt het dat het aantal geaccrediteerde Russische diplomaten de afgelopen jaren in Hongarije is toegenomen? Zijn er andere EU-lidstaten waar dat ook het geval is?2
Ja. Het kabinet is niet bekend met het precieze aantal Russische diplomaten in verschillende EU-hoofdsteden en houdt daar ook geen tellingen van bij.
In welke EU-lidstaten is de International Investment Bank (IIB) actief?
Van de EU-lidstaten zijn Bulgarije, Roemenië, Slowakije, Tsjechië en Hongarije lid van de IIB, waarbij al deze landen behalve Hongarije hun terugtrekking hebben aangekondigd.
Verwacht u dat de Europese activiteiten van de IIB zich vooral in Hongarije zullen concentreren nadat Roemenië, Slowakije, Bulgarije en Tsjechië hun voorgenomen terugtrekking uit de bank hebben afgerond?
Hoe de toekomst van de IIB, na terugtrekking van Roemenië, Slowakije, Bulgarije en Tsjechië, eruit ziet is onbekend. Mocht de IIB blijven voortbestaan, kan verwacht worden dat de Europese activiteiten zich in Hongarije zullen concentreren, als enig overgebleven Europees lid.
Klopt het dat de IIB een instrument is voor de Russische staat om invloed in het buitenland te krijgen, en nauw verbonden is met de Russische inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gezien onder meer dat de bankpresident Nikolay Kosov voormalig KGB-chef in Boedapest was?
Het kabinet stelt vast dat de IIB banden onderhoudt met de Russische staat, bijvoorbeeld via de Russische leden in de Raad van Bestuur, de Raad van Directeuren en de Managementraad van de IIB. Het is niet aan het kabinet om te speculeren over banden met Russische inlichtingendiensten.
Hoeveel Russische medewerkers van de IIB hebben in Boedapest diplomatieke status?
Het Hongaarse Ministerie van Buitenlandse Zaken en Handel heeft een publiek overzicht van diplomatieke accreditaties. Volgens dit Hongaarse overzicht is de plaatsvervangend voorzitter van de IIB geaccrediteerd. Hij heeft de Russische nationaliteit.
Waarom staat de IIB niet op de sanctielijsten van de EU?
Voor het plaatsen van personen of entiteiten op een sanctielijst moet worden voldaan aan de daarvoor geldende listingscriteria, EU-eenheid en de doelstellingen van de sancties. Het gaat hierbij in het geval van Oekraïne bijvoorbeeld om een bijdrage van de persoon of entiteit aan de ondermijning van de soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne of materiële of financiële steun aan of profijt van Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de destabilisatie van Oekraïne. Wat betreft dit sanctieregime is het Kabinet voorstander van aanvullende sanctiemaatregelen, is hierover voortdurend in gesprek in EU-kader en levert hieraan een actieve bijdrage. Voor een eventuele listing dient juridisch onderbouwd te worden hoe de IIB hierbij betrokken is. Voor entiteiten is het effect een tegoedenbevriezing. In dit geval zou dit een impact hebben op verschillende EU lidstaten die lid zijn van de IIB.
Hoeveel Oekraïense vluchtelingen vangt Hongarije op? Hoeveel bij mensen thuis en hoeveel bij de overheid? Hoe verhoudt dit aantal zich tot de bevolkingsomvang met de andere EU-lidstaten die grenzen aan Oekraïne, plus de drie Baltische Staten?
Op 21 november 2022 waren ca. 1.8 miljoen Oekraïners via Hongarije de EU binnen gereisd. Het is niet bekend hoeveel van hen in Hongarije zijn gebleven, aangezien verplaatsingen binnen het Schengengebied niet geregistreerd worden. Op 21 november jl. had Hongarije 32.662 tijdelijke beschermingsstatussen aan Oekraïners toegekend. Daarnaast kent Oekraïne een relatief grote Hongaarse minderheid (ca. 150.000), waarvan veel mensen naast de Oekraïense ook over de Hongaarse nationaliteit beschikken. Het niet bekend hoeveel mensen uit deze groep zich momenteel in Hongarije bevinden. Op 21 november jl. werden 1.656 personen in opvangcentra opgevangen. Het is niet bekend hoeveel Oekraïners bij mensen thuis worden opgevangen of in hun eigen levensonderhoud voorzien. Ook voor de buurlanden is het moeilijk exacte cijfers te geven, omdat ook daar niet bekend is hoeveel Oekraïners zijn doorgereisd of teruggekeerd, of welke niet geregistreerd zijn omdat ze geen tijdelijke beschermingsstatus of asiel hebben aangevraagd. Polen ving eind november ongeveer 1.3 miljoen geregistreerde vluchtelingen op. Slowakije vangt momenteel nog circa 70.000 Oekraïners op met tijdelijke beschermingsstatus. In Roemenië worden op dit moment rond de 94.000 Oekraïners opgevangen. Ook de Baltische staten hebben een groot aantal vluchtelingen uit Oekraïne opgevangen, waarvan momenteel rond de 150.000 nog in deze landen verblijven.
Hoe ondersteunt Hongarije Oekraïense vluchtelingen en hoe verhoudt dat zich tot de geboden ondersteuning in de hierboven genoemde landen?
Hongarije biedt, samen met ngo’s en UNHCR, o.a. opvang, onderwijs, zorg, voedsel en financiële ondersteuning. Ook de andere landen bieden de steun in samenwerking met NGO’s en de UNHCR. Polen, Roemenië, Slowakije en de Baltische staten bieden opvang, financiële ondersteuning, toegang tot sociale voorzieningen waaronder zorg, onderwijs en sociale ondersteuning, inclusief aandacht voor inzet op de arbeidsmarkt.
Wat vindt u ervan dat Hongarije per 15 september Oekraïense vluchtelingen niet meer gratis op alle binnenlandse treinen (inclusief de verbindingen binnen de stad Boedapest) laat reizen, maar hoofdzakelijk op de verbindingen die vanaf de Hongaarse grens met Oekraïne en Roemenië via Boedapest doorvoeren naar de grens met Oostenrijk en Slowakije?3
Het is aan de afzonderlijke lidstaten om de opvang van vluchtelingen en daarbij behorende voorzieningen in het eigen land vorm te geven.
Hoe verhoudt zich bovenstaande maatregel tot de geest van de tijdelijke beschermingsrichtlijn, waarbij het idee is dat alle lidstaten zich inspannen om Oekraïners zo goed mogelijk te helpen bij verblijf op hun eigen grondgebied?
Het is aan de afzonderlijke lidstaten om de opvang van vluchtelingen en daarbij behorende voorzieningen in het eigen land vorm te geven.
Vindt u dat een krachtige en eensgezinde Europese aanpak van Rusland en steun aan Oekraïne nodig is als respons op de Russische aanval op Oekraïne?
Jazeker.
Hoe beoordeelt u de Hongaarse rol bij deze aanpak?
Hongarije heeft de invasie veroordeeld en zich tot nu toe achter alle EU-sanctiepakketten tegen Rusland geschaard, maar laat tegelijkertijd ook zien in de praktijk niet altijd in de geest van het EU beleid ten aanzien van Rusland te handelen. Het belang van EU eenheid ten aanzien van Oekraïne en Rusland en stevig beleid waar alle EU lidstaten zich vervolgens in letter en geest aan houden, wordt door Nederland, vele andere lidstaten en de Commissie blijvend onderstreept.
Legt de Hongaarse regering een relatie tussen uitbetaling van EU-subsidies en haar steun aan verlenging of aanscherping van sancties tegen Rusland? Zo ja, op welke manier?
De Hongaarse regering ontkent dat er een relatie is tussen uitbetaling van EU-subsidies en de Hongaarse steun voor sancties tegen Rusland.
Heeft de nauwe band tussen de Hongaarse- en de Russische regering gevolgen voor de samenwerking met Hongarije binnen de NAVO en het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB) van de EU, waaronder de uitwisseling van (al dan niet geclassificeerde) informatie met Hongarije? Hoe schat u de veiligheidsaspecten in van de rechtsstatelijke problemen in Hongarije?
Binnen NAVO en EU-verband zijn er goede afspraken over veiligheidssamenwerking, waaronder over het uitwisselen van informatie. Dat levert ons veel op. Uiteraard bestaan er altijd risico’s bij een dergelijke samenwerking, waarbij niet gegarandeerd kan worden dat uitgewisselde informatie binnen de EU en/of NAVO niet met derden gedeeld wordt.
Hoe beoordeelt u in algemene zin de rol van Hongarije in het buitenlands- en veiligheidsbeleid van de EU?
Hongarije maakt als EU-lidstaat onderdeel uit van het GBVB en heeft daarin net als alle lidstaten vetorecht op onderwerpen waar unanimiteitsbesluitvorming geldt. Hongarije heeft niet altijd dezelfde positie als andere lidstaten en laat dit vaak ook publiekelijk weten. Soms leidt dit tot het blokkeren van besluitvorming, maar in veel gevallen ook niet. Hoewel dit de beeldvorming over EU-eenheid in dergelijke gevallen geen goed doet, heeft de Hongaarse positie een effectief GBVB de afgelopen jaren in algemene zin niet in de weg gestaan, bijvoorbeeld door sancties binnen het mensenrechtensanctieregime aan te nemen, evenals de maatregelen naar aanleiding van de Russische agressie tegen Oekraïne sinds 24 februari.
Bent u van mening dat alle EU-lidstaten lid zouden moeten zijn van European Public Prosecutor’s Office (EPPO)?
Het kabinet beschouwt het Europees Openbaar Ministerie (EOM) als een belangrijk instrument om de EU-begroting te beschermen tegen corruptie en fraude en is er voorstander van dat alle EU-lidstaten zich aansluiten bij het EOM. Het kabinet blijft lidstaten, inclusief Hongarije, in lijn met moties Sjoerdsma (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2312 en Kamerstuk 21 501-02, nr. 2543) dan ook aansporen om deel te nemen aan het EOM. Het betreft echter een instrument van versterkte samenwerking, de keuze tot deelname is aan de lidstaten zelf.
Indien ja op vraag 20, hoe kan Nederland zich inzetten om dit te bewerkstelligen?
Nederland roept lidstaten die nog niet zijn aangesloten bij het EOM in bilaterale contacten op zich aan te sluiten.
Hoe heeft Nederland zich ingezet sinds 2012 (sinds de start van Viktor Orbán zijn premierschap van Hongarije) om het verval van de Hongaarse democratie tegen te gaan? Hoe zet Nederland zich nu in aangaande dit onderwerp?
Nederland heeft zorgen over de rechtsstaat in Hongarije consequent aangekaart, zowel in bilateraal als multilateraal verband. Nederland heeft de Commissie consequent opgeroepen het volledig beschikbare EU-instrumentarium in te zetten om de problemen in Hongarije en de schendingen van de EU-verdragen door Hongarije aan te pakken. Ook blijft Nederland het maatschappelijk middenveld in Hongarije dat zich inzet voor versterking van de rechtsstaat en naleving van mensenrechten, zowel politiek als financieel steunen.
Welke stappen zou de EU kunnen zetten om de Hongaarse regering onder druk te zetten om het democratisch verval terug te draaien conform de normen van artikel 2 Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)?
De EU beschikt over een breed juridisch, financieel en politiek instrumentarium om de rechtsstatelijke problematiek in de Unie te adresseren. Middels de brief van 17 november 2021 is uw Kamer een overzicht van het EU-rechtsstaatinstrumentarium toegegaan.4 Het kabinet zet zich er voor in dat deze instrumenten zo effectief en volledig mogelijk worden benut. Zo roept het kabinet de Commissie onder andere op om adequaat gebruik te maken van inbreukprocedures om de openstaande problemen inzake rechterlijke onafhankelijkheid te adresseren. Ook dringt het kabinet bij de Commissie aan om naleving af te dwingen van arresten van het EU Hof van Justitie, inclusief waar nodig het vorderen van geldelijke sanctie.
Hoe oordeelt u over het ontbreken van garanties over het herstel van een onafhankelijke rechterlijke macht in de 17 hervormingen die Hongarije bereid is door te voeren om weer volledige uitbetaling van EU-subsidies onder het reguliere Meerjarig Financieel Kader (MFK) te krijgen?
Middels de brieven van 7 oktober 2022 en 30 november 2022 is uw Kamer geïnformeerd over het voorstel voor een Uitvoeringsbesluit maatregelen tegen Hongarije op grond van de MFK-rechtsstaatsverordening. Het kabinet licht in deze brieven toe dat de problematiek rondom de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht als zodanig geen onderdeel uitmaakt van de procedure tegen Hongarije op grond van de MFK-rechtsstaatverordening. In aanvulling op het zo volledig mogelijk benutten van de MFK-rechtsstaatsverordening dringt Nederland er om die reden bij de Commissie op aan om ook andere instrumenten in te zetten om Hongarije te bewegen hervormingen door te voeren op het gebied van rechtsstatelijkheid. Zo wordt Hongarije onder meer via mijlpalen in het Hongaarse herstelplan aangezet tot het doorvoeren van hervormingen op het gebied van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht als voorwaarde om middelen uit het EU-Herstelfonds te kunnen ontvangen
Klopt het dat de Hongaarse regering wetten over onder meer hervormingen vaak pas kort voor de stemmingen publiceert? Hoe verhoudt zich dat tot adequate democratische controle en de mogelijkheid van burgers en maatschappelijke organisaties om input te leveren voor parlementaire debatten?
Dat klopt. In deze gevallen is er hierdoor onvoldoende ruimte gegeven voor de benodigde publieke consultaties.
Wat vindt u van de aanhoudende juridische status van «noodtoestand» in Hongarije?
Het is primair aan landen zelf te bepalen of er al dan niet een noodtoestand geldt en onder welke omstandigheden. Lidstaten dienen bij de vaststelling van dergelijke maatregelen echter wel te voldoen aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit, tijdelijkheid en rechterlijke controle en tevens de waarden van de Unie van artikel 2 VEU, waaronder die van de democratie en de rechtsstaat, en internationale verdragsverplichtingen te respecteren. Nederland heeft, evenals de Commissie, zorgen geuit over de gevolgen van de voortdurende noodtoestand in Hongarije omdat het de regering in staat stelt per decreet te regeren en toegang tot informatie voor NGO’s en andere maatschappelijke organisaties beperkt is, met bijbehorende negatieve gevolgen voor het democratische proces.
Vindt u dat er een gerechtvaardigde grond is voor het bestaan van deze noodtoestand?
Zie antwoord vraag 26.
Welke inperkingen zijn onderdeel van deze noodtoestand?
Zie antwoord vraag 26.
Hoe verhoudt zich het langjarig voortduren van een noodtoestand (waarbij de rechtvaardiging van Corona overgaat in de oorlog met Oekraïne) met de normen die in de EU gelden voor een democratische rechtsstaat?
Zie antwoord vraag 26.
Vindt u dat EU-subsidies aan Hongarije moeten worden stopgezet indien blijkt dat een deel van EU-subsidies aan Hongarije in de zakken verdwijnt van Hongaarse oligarchen?
Middels de brieven van 7 oktober 2022 en 30 november 2022 is uw Kamer geïnformeerd over het voorstel voor een Uitvoeringsbesluit maatregelen tegen Hongarije op grond van de MFK-rechtsstaatsverordening.
Indien nee op vraag 30, wanneer bent u wel van mening dat EU-subsidies aan Hongarije stopgezet dienen te worden?
Zie antwoord vraag 30.
Ziet u problemen voor de legitimiteit van het Europees Parlement, waaronder als medewetgever in EU-verband, als de Europese Parlementsverkiezingen in Hongarije niet vrij en eerlijk verlopen?
Voor de democratische legitimiteit van het Europees Parlement is het zaak dat Europese parlementsverkiezingen vrij en eerlijk verlopen in elk van de 27 EU-landen waar de Europese parlementsverkiezingen plaatsvinden. Als verkiezingen niet vrij en eerlijk verlopen in een van de lidstaten heeft dat gevolgen voor de democratische legitimiteit van de in die lidstaat te verdelen zetels van het Europees Parlement.
Indien ja op vraag 32, hoe kunnen EU-instellingen zoals het Europees Parlement zelf, de Europese Commissie of specifiek Nederland ervoor zorgen dat de Europese verkiezingen in Hongarije vrij én eerlijk verlopen?
Het Office for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR) van de OVSE heeft naar aanleiding van de parlementsverkiezingen van april jl. in Hongarije, waarbij ODIHR een volledige waarnemingsmissie uitvoerde, geconcludeerd dat de verkiezingen weliswaar vrij, maar niet eerlijk zijn verlopen. Daarbij heeft ODIHR heldere aanbevelingen gedaan, waarbij de Commissie, het Europees Parlement en ook Nederland Hongarije blijvend oproepen deze aanbevelingen te implementeren.
Kijkend naar de neergang van de Hongaarse democratie, ziet u gevaren voor of gelijkenissen met andere democratieën?
Een sterke democratie met een goed functionerende rechtsstaat is nooit een gegeven. In ieder land kan het de verkeerde kant op gaan. Binnen de EU is het zaak aan alle EU-lidstaten om continue te blijven bezien waar de democratie versterkt kan en moet worden en zorgen te adresseren. Alle lidstaten hebben zich bij toetreding gecommitteerd aan de EU fundamentele waarden en dienen deze na te leven. Waar dit niet gebeurt en er schendingen van EU-verdragen plaatsvinden, is het primair aan de Commissie, als hoedster van de Verdragen, om op te treden.
Hoe plausibel is het dat, afgezien van Polen, meer EU-lidstaten in de toekomst een dergelijk traject kunnen volgen van democratisch verval? Is de EU heden ten dage beter in staat om dergelijke trajecten vanaf het eerste moment te herkennen en te stoppen?
Zie antwoord op vraag 34. Het kabinet constateert hierbij dat het EU-instrumentarium om rechtsstatelijke problemen aan te pakken over de jaren is uitgebreid. In 2020 is de Commissie bijvoorbeeld gestart met de publicatie van het jaarlijkse rechtsstaatsrapport, waarin zij verslag doet van de rechtsstatelijke situatie in de EU als geheel en in de lidstaten afzonderlijk. Sinds 2022 omvat het jaarlijkse rechtsstaatsrapport tevens aanbevelingen per lidstaat. Het instrument draagt zo bij aan het preventief en structureel monitoren van de rechtsstaat in de Unie om zo in een vroeg stadium eventuele rechtsstatelijke problemen in de Unie te kunnen identificeren, te bespreken en gezamenlijk tot oplossingen te komen. Ook worden via mijlpalen in herstelplannen lidstaten aangezet tot het doorvoeren van hervormingen op het gebied van de rechtsstaat als voorwaarde om middelen uit het EU-Herstelfonds te kunnen ontvangen. Daar waar EU-lidstaten de rechtsstatelijke beginselen die in de EU-verdragen zijn neergelegd, schenden, is handhavend optreden geboden, bijvoorbeeld via inbreukprocedures. Ook is het in dit licht positief dat de Commissie voor het eerst over is gegaan tot de inzet van de MFK-rechtsstaatsverordening om een lidstaat te bewegen tot hervormingen.
Het bericht ‘Bedreigde Iraans-Nederlandse activist kreeg telkens nul op rekest bij Nederlandse politie voordat hij werd vermoord’ |
|
Tom van der Lee (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Bedreigde Iraans-Nederlandse activist kreeg telkens nul op rekest bij Nederlandse politie voordat hij werd vermoord»?1
Ja.
Hoe verklaart u het feit dat ondanks dat de heer Nissi verschillende meldingen heeft gedaan van (doods)bedreigingen door de Iraanse autoriteiten, meerdere keren aangifte heeft gedaan en vreesde voor zijn leven, de politie niet adequaat heeft opgetreden?
Omwille van veiligheidsredenen kan ik niet ingaan op een specifieke casus en de afwegingen die wel of niet gemaakt zijn. In algemene zin kan ik het volgende melden: de verantwoordelijkheid voor het treffen van aanvullende beveiligingsmaatregelen ligt primair bij het lokaal bevoegd gezag. Beveiligingsmaatregelen kunnen variëren van relatief lichte, technische maatregelen tot intensieve persoonsbeveiliging, afhankelijk van de aard van de dreiging.
Hoe verklaart u bijvoorbeeld dat deze casus nooit is aangemeld bij het Stelsel Bewaken en Beveiligen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u de mededeling van de politie aan de heer Nissi dat, ondanks dat hij wist dat hij op een Iraanse dodenlijst stond, het bureau hem niet op de juiste manier kon beveiligen, en dat hij zelf voorzorgsmaatregelen moest nemen? Wat is zijn appreciatie van deze uitspraak?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een overzicht geven van de inspanningen van de overheid om deze problematiek adequaat aan te pakken in afgelopen twee jaar, en een appreciatie geven van de gebleken effectiviteit van deze inspanningen?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief d.d. 8 januari 20192 heeft het kabinet in juni 2018 diplomatieke maatregelen getroffen tegen Iran. De Iraanse ambassadeur is ontboden en twee medewerkers van de Iraanse ambassade zijn uitgezet. Deze diplomaten zijn niet uitgezet op basis van strafrechtelijk vastgestelde betrokkenheid van Iran bij de (aansturing van) de liquidaties. Zij zijn uitgezet op basis van de bevindingen van de AIVD dat Iran waarschijnlijk achter deze ernstige zaken zit. Daarmee gaf Nederland een duidelijk signaal af dat dit ontoelaatbaar is. Op 8 januari 2019 heeft de Europese Unie daarnaast, mede op voordracht van Nederland, in het kader van de EU-sanctielijst (Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB) sancties opgelegd tegen het Iraanse Ministerie van Inlichtingen en Veiligheid (MOIS) en twee Iraanse personen. Dit betekent dat van deze entiteit en deze twee personen tegoeden en andere financiële activa zijn bevroren. Bij het afkondigen van de sancties heeft Nederland samen met het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Denemarken en België bij de Iraanse autoriteiten de ernstige zorgen overgebracht over de waarschijnlijke betrokkenheid van Iran bij deze vijandelijke acties op Europees grondgebied. Iran is te kennen gegeven dat betrokkenheid bij dergelijke zaken totaal onacceptabel is en onmiddellijk gestaakt moet worden.3
Om in bredere zin ongewenste buitenlandse inmenging tegen te gaan, heeft het kabinet in 2018 een nationale driesporenaanpak ontwikkeld, bestaande uit het diplomatieke spoor, het weerbaarheidsspoor en het bestuurlijke/strafrechtelijke spoor. In de diplomatieke relatie merkt het kabinet dat landen zich bewuster zijn van de alertheid en assertiviteit van Nederland om ongewenste buitenlandse inmenging tegen te gaan. Ten aanzien van de weerbaarheid van gemeenschappen in Nederland tegen ongewenste buitenlandse inmenging is een stijgende lijn in de bewustwording waar te nemen. De verruiming van de strafbaarheid van spionageactiviteiten, waarvan uw Kamer recent het wetsvoorstel heeft ontvangen, zal naar verwachting een nog effectievere aanpak van ongewenste inmengingsactiviteiten door derde landen mogelijk maken. Tevens vindt er een constante toets plaats of de aanpak volstaat en of zich nieuwe dreigingen op dit gebied aandienen.
In aanvulling op de bestaande aanpak is uw Kamer op 28 november jl. geïnformeerd over het (verder) vergroten van de weerbaarheid tegen ongewenste buitenlandse inmenging. Hiertoe zal de NCTV de komende jaren, in nauwe samenwerking met onder meer de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, binnen de bestaande inzet op een zogenoemd «landen-neutraal bewustwordingsinitiatief» inzetten om de bewustwording rondom dit thema verder te vergroten. Hierbij worden statelijke actoren die inmengingsactiviteiten verrichten (alsmede hun intenties) benoemd en worden de doelgroepen/doelwitten die zij onderscheiden, de instrumenten die zij inzetten en de ongewenste maatschappelijke effecten die kunnen optreden, in generieke zin beschreven. Beoogde doelgroepen voor het verhogen van bewustwording zijn gemeenschappen die slachtoffer kunnen worden van ongewenste buitenlandse inmenging, (decentrale) politieke ambtsdragers, maar ook overheidsorganisaties en (beleids)medewerkers op lokaal niveau.
Het probleem van buitenlandse inmenging beperkt zich echter niet tot Nederland. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft daarom in Benelux-verband in de EU Raad Buitenlandse Zaken van 14 november aangedrongen op een review van deze problematiek en betere informatiedeling en samenwerking om te komen tot een effectiever beleid. Hiervoor is tevens gesproken met de Hoge Vertegenwoordiger, die deze oproep steunde en toezegde dit onderwerp op de agenda te zetten. Ook is dit onderwerp bilateraal met diverse counterparts besproken.
Op welke termijn bent u van plan om het aangekondigde meldpunt voor diaspora die zich bedreigd voelen in Nederland in werking te laten treden?
Het kabinet is van mening dat gezien de dreiging zoals ook in het tweede dreigingsbeeld statelijke actoren wordt geschetst, het van belang is beter zicht te krijgen op de manifestatie en potentiële gevolgen van ongewenste buitenlandse inmenging. Het kabinet wil aansluiten bij lokale en nationale inspanningen die reeds plaatsvinden in het kader van de aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging, waarbij meldingen die binnenkomen in het veiligheidsdomein dan wel het sociale domein, op een centrale plek bij elkaar komen. Hoe aan dit meldpunt precies invulling wordt gegeven wordt door het kabinet op dit moment bezien. De samenhang met diplomatieke, weerbaarheidsverhogende, bestuurlijke en eventueel strafrechtelijke maatregelen heeft hierbij bijzondere aandacht. Uw Kamer wordt hierover zo spoedig mogelijk nader geïnformeerd.
Het is altijd mogelijk om aan een bureau, online of via 0900–8844/112 melding te doen van intimidatie of bedreiging, en/of daarvan aangifte te doen. Dat geldt voor alle vormen van intimidatie en bedreiging en dus ook wanneer deze intimidatie of bedreiging mogelijk voortkomt uit handelen van statelijke actoren. Een dergelijke melding of aangifte wordt serieus genomen en met prudentie behandeld. De verwachting van het kabinet is dat het hierboven reeds genoemde «landen-neutraal bewustwordingsinitiatief» dat de NCTV met de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzet, zal bijdragen aan een toename van de meldingsbereidheid.
Hoe gaat dit meldpunt er concreet voor zorgen een melding ook daadwerkelijk opgevolgd wordt met acties die de veiligheid van bedreigde personen vergroten?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven hoe gezorgd wordt dat het melden van intimidatie of bedreiging laagdrempelig wordt voor melders, en dat zij zich veilig genoeg voelen om dit te doen?
Zie antwoord vraag 6.
Welke maatregelen bent u van plan om naast het openen van een meldpunt verder in te voeren om de bedreiging van diaspora ’s door buitenlandse regimes te adresseren?
Als sluitstuk van de aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging kan strafrechtelijk worden opgetreden. Onder meer smaad, laster en bedreiging zijn al strafbaar. Daarnaast heeft uw Kamer recent een wetsvoorstel voor de uitbreiding van de strafbaarheid van spionageactiviteiten ontvangen, op grond waarvan het strafbaar wordt gesteld schadelijke handelingen te verrichten ten behoeve van een buitenlandse mogendheid als daardoor gevaar ontstaat voor de veiligheid van een of meer personen of voor (andere) fundamentele belangen in relatie tot de nationale veiligheid.
Erkent u het feit dat de politie de juiste expertise mist om in deze specifieke gevallen van bedreigingen en intimidatie adequaat op te treden?
De politie kan samen met het OM een waardevolle bijdrage leveren aan de strafrechtelijke aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging. De politie beschermt immers de democratie, handhaaft de wet en is het gezag op straat. Vanuit deze brede maatschappelijke taakstelling kunnen meldingen van dreiging en intimidatie door statelijke actoren bij de politie worden gedaan. Het is altijd mogelijk om aan een bureau. online of via 0900–8844/112 melding te doen van intimidatie of bedreiging en/of aangifte te doen. Dat geldt voor alle vormen van intimidatie en bedreiging en dus ook wanneer deze intimidatie en bedreiging mogelijk voortkomt uit handelen van statelijke actoren. Ten aanzien van de opvolging van meldingen en aangiften merk ik op dat in het verleden is gebleken dat strafrechtelijke opvolgingsmogelijkheden veelal beperkt zijn. Om deze reden is het van belang om helder te zijn ten aanzien van de verwachtingen. Dat heeft evenwel niet te maken met een gebrek aan kennis of expertise bij de politie. De ervaringen met deze thematiek wijzen namelijk uit dat enkel een strafrechtelijke aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging niet voldoende resultaat heeft. De driesporige aanpak blijft in mijn ogen cruciaal, waarbij naast strafrecht ook aandacht is voor een diplomatieke aanpak, het verhogen van de weerbaarheid en een bestuursrechtelijke aanpak.
Zo ja, acht u het een goed idee om in samenwerking met de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en diasporagroepen een speciale dienst op te richten bij de politie die zich specialiseert in deze problematiek, zodat zij meer expertise kunnen opbouwen om deze dreiging in kaart te brengen en adequate opvolging te geven aan meldingen?
Zie antwoord vraag 10.
Zou volgens u het nemen van hardere maatregelen tegen personen die in dienst van een buitenlands regime personen bedreigen of intimideren een passend instrument kunnen zijn om de veiligheid van deze mensen te vergroten?
Het hierboven genoemde wetsvoorstel voor uitbreiding van de strafbaarheid van spionageactiviteiten bevat de mogelijkheid schadelijke handelingen die worden verricht ten behoeve van een buitenlandse mogendheid te bestraffen als daardoor gevaar ontstaat voor de veiligheid van een of meer personen.
Kunt u aangeven in hoeverre de ambassadeurs van landen als Marokko, Turkije, China en Iran in Nederland in het afgelopen jaar zijn aangesproken op het feit dat deze landen zich schuldig maken aan het bedreigen en intimideren van diaspora's?
Als onderdeel van de aanpak Ongewenste Buitenlandse Inmenging treedt het kabinet met landen in dialoog en spreekt hen consequent aan indien daar aanleiding toe is. Daarbij maakt het kabinet een afweging of dit het beste via vertrouwelijke, diplomatieke kanalen of publiekelijk kan plaatsvinden. Dat geldt voor alle landen. Indien blijkt dat de ambassade van het betreffende land betrokken is bij deze ongewenste inmenging, kan er sprake zijn van een schending van het Verdrag van Wenen. Het gehele diplomatieke instrumentarium kan worden gebruikt door het kabinet om hierop te reageren, variërend van de ambassade er in stevige bewoordingen op aanspreken, tot -in uiterst geval- ertoe overgaan de ambassadeur of andere ambassademedewerkers ongewenst te verklaren (persona non grata), waarop zij Nederland zullen moeten verlaten.
Voor personen zonder diplomatieke status geldt dat gedwongen vertrek naar het land van herkomst aan de orde kan zijn wanneer iemand niet (langer) in het bezit is van geldig verblijfsrecht voor Nederland. Er zijn verschillende redenen om een verblijfsrecht in te trekken. Er kan bijvoorbeeld tot intrekking worden overgegaan omdat iemand een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Een gevaar voor de openbare orde zou kunnen blijken uit een onherroepelijke veroordeling. Een gevaar voor de nationale veiligheid kan in ieder geval blijken uit een ambtsbericht van de AIVD. Naast de intrekking van het verblijfsrecht kan ook een inreisverbod worden opgelegd.
Kunt u aangeven in hoeverre u kennis heeft van het feit of medewerkers van de ambassades van deze landen medewerking hebben verleend aan deze praktijken?
Zie antwoord vraag 13.
Wat zijn de mogelijkheden om daders van dit type intimidatie het land uit te zetten? En welke mogelijkheden zijn er specifiek als het om mensen met een diplomatieke status gaat?
Zie antwoord vraag 13.
De stand van zaken overbrengingen van personen uit Afghanistan |
|
Kati Piri (PvdA), Jasper van Dijk , Salima Belhaj (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() ![]() |
Kunt u bevestigen dat de deadline van 1 november die genoemd wordt in de laatste kamerbrief slechts geldt voor personen die beschikken over een paspoort en die niet ingaan op het aanbod voor overbrenging naar Nederland?1
Ja, de deadline van 1 november geldt alleen voor mensen met een paspoort die al eerder een aanbod voor overbrenging hebben geweigerd. Deze mensen hebben hierover in september een mail ontvangen. Van de 28 mensen waarvoor dit geldt, zijn vier mensen niet op het aanbod ingegaan. Deze vier mensen behouden het recht om naar Nederland te komen, maar moeten dit vanaf 1 november 2022 zelf organiseren en bekostigen.
Kunt u bevestigen dat voor resterende personen die in aanmerking komen voor overbrenging en die hiervan gebruik willen maken maar dit door omstandigheden buiten hun schuld niet kunnen (zoals gebrek aan geld, ontbreken van de juiste documenten of het feit dat het eerder niet is gelukt om af te reizen naar een buurland van Afghanistan), de deadline van 1 november niet geldt en dat u hun overbrenging zal blijven faciliteren?
Dat kan ik bevestigen. De situatie van deze mensen blijven we uiteraard volgen. Wanneer de mogelijkheid zich voordoet zullen zij alsnog worden overgebracht. Voor deze groep is vooralsnog geen deadline gesteld.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk en uiterlijk voor 1 november beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Marokkanen ‘ten einde raad’ door problemen en fraude bij visa’ |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Marokkanen «ten einde raad» door problemen en fraude bij visa»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat de streeftermijn van 15 kalenderdagen herhaaldelijk niet wordt gehaald bij visumaanvragen?
De behandeltermijn visumaanvragen van 15 kalenderdagen wordt in het merendeel van de ingediende visumaanvragen niet overschreden. Na de versoepeling van COVID-reisbeperkingen is er een snel toegenomen vraag naar visa voor kort verblijf voor het Schengengebied. Hierdoor kunnen aanvragers te maken krijgen met langere wachttijden om een afspraak te maken voor het aanvragen van een visum. Het is een belangrijke prioriteit om in de aanvraagbehoefte te voorzien, en het ministerie werkt er aan de besliscapaciteit op te voeren naar het pre-Corona niveau. Hierbij staat het ministerie voor een aantal personele uitdagingen. Andere Schengenlanden hebben met vergelijkbare uitdagingen te maken.
Hoe verklaart u dat het in sommige gevallen Marokkanen zelfs al sinds april niet lukt om een afspraak te maken met Visa Facilitation Services (VFS) Global?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Daarnaast speelt de opkoop van afsprakenslots door tussenpersonen een rol in de langere wachttijden die aanvragers kunnen ondervinden.
Bent u het eens dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassade ondanks de uitbesteding aan VFS Global eindverantwoordelijk blijven voor Nederlandse visumaanvragen?
Ja.
Wat gaat u eraan doen om aan deze verantwoordelijkheid te voldoen en ervoor te zorgen dat o.a. Marokkanen weer in staat zijn om familie op te zoeken?
Het verhogen van de capaciteit van de behandeling van de wereldwijd ingediende visumaanvragen is een belangrijke prioriteit. Om in de aanvraagbehoefte te voorzien is het ministerie bezig om de personele behandelcapaciteit op te voeren door de werving van nieuwe medewerkers en de doorontwikkeling van digitale systemen. De krapte op de arbeidsmarkt en de opleiding van nieuwe medewerkers zijn daarbij uitdagingen, waardoor dit helaas langer duurt dan gehoopt. Het streven is dat de Schengenvisumverlening eind dit jaar 80% bedraagt van de productie in het pre-Covid jaar 2019, waarmee visumaanvragers in staat worden gesteld hun visumaanvraag weer binnen de geldende termijn te kunnen indienen. Daarbij zal met voorrang gekeken worden naar de landen waar dit tot bijzondere knelpunten leidt.
Wat vindt u van het feit dat Marokkanen hierdoor belangrijke familieaangelegenheden zoals verjaardagen, bruiloften en begrafenissen moeten missen en hun familieleden al lange tijd niet kunnen zien?
Het ministerie betreurt het ongemak en de teleurstelling die dit kan veroorzaken. In het geval van begrafenissen of andere noodsituaties zet het ministerie zich op basis van humanitaire gronden in om de visumaanvraag met spoed te behandelen.
Wat vindt u van het feit dat visumaanvragen die meestal 40 euro kosten nu door fraudeurs worden doorverkocht voor 200 euro?
Wij keuren deze praktijk ten zeerste af. Op de VFS website worden mensen gewaarschuwd niet van deze diensten gebruik te maken.
Hoe verklaart u dat deze tussenpersonen wel aan een afspraak kunnen komen, hoewel het voor veel Marokkaanse mensen onmogelijk lijkt?
Een afsprakensysteem dient toegankelijk te zijn voor een ieder die een afspraak wil maken. Er zijn diverse manieren waardoor tussenpersonen aan een afspraak kunnen komen: bijvoorbeeld door het gebruik van speciale software en de inzet van menskracht om het afsprakensysteem continu te monitoren voor vrijkomende slots.
Wat gaat u eraan doen om de fraudeurs die alle beschikbare afspraken opkopen om deze vervolgens illegaal door te verkopen aan te pakken en de aanvragers voor fraude te behoeden nu blijkt dat huidige maatregelen niet helpen?
Er zijn technische maatregelen genomen om te voorkomen dat commerciële partijen afspraken reserveren om deze vervolgens door te verkopen. Voorbeelden van maatregelen zijn dat een afspraak direct op naam gemaakt moet worden en de naam achteraf niet meer aangepast kan worden in het systeem. Wordt een afspraak geannuleerd, dan wordt deze niet meer direct vrijgegeven, maar dit gebeurt op een willekeurig moment. Ook is het niet meer mogelijk om «blokreserveringen» te maken. Deze maatregelen hebben weliswaar enig effect gehad, maar hebben het probleem niet volledig opgelost. Momenteel worden nog andere technische maatregelen voorbereid om te proberen de omvang van deze problematiek verder terug te dringen.
Hoe staat het nu met de capaciteit bij het Ministerie van Buitenlandse zaken om over de visumaanvragen te beslissen?
De capaciteit wordt regelmatig verhoogd en we streven ernaar tegen het einde van dit jaar 80% van de pre-COVID-aantallen te kunnen verwerken. Hiermee worden visumaanvragers in staat gesteld hun visumaanvraag weer binnen de geldende termijn te kunnen indienen. Daarbij blijft afhankelijkheid van externe factoren, o.a. de arbeidsmarkt en opleiding, genoemd onder beantwoording van de vragen 2 en 5, gelden.
Wanneer is deze capaciteit weer op het niveau dat visumaanvragen binnen de 15 kalenderdagen behandeltermijn vallen?
Zie antwoord bij de vragen 5 en 10.
Het bericht 'Nederland kan weer migranten uitzetten naar Marokko — maar mag geen kritiek meer geven op het land' |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nederland kan weer migranten uitzetten naar Marokko – maar mag geen kritiek meer geven op het land»?1
Ja.
Klopt het dat de eerste reisdocumenten al zijn verstrekt voor personen die op de nominatie staan voor terugkeer naar Marokko? Zo nee, op welke termijn verwacht u mensen te zullen gaan uitzetten?
Het klopt dat er reisdocumenten zijn verstrekt aan personen ten behoeve van terugkeer naar Marokko.
Hoe verklaart u dat Marokko in tegenstelling tot voorgaande jaren bereid lijkt te zijn mee te werken aan terugkeer?
Nederland zet in op een brede relatie met Marokko. De relatie tussen Nederland en Marokko is constructief, van beide kanten is een duidelijke inzet om voortgang te boeken op verschillende thema’s. Dat geldt ook op het terrein van migratie. De voortgang op dit thema is deels te danken aan een intensivering van politieke contactmomenten, evenals het gemengde comité dat speciaal voor de migratie-samenwerking is opgezet.
Bent u het eens met de conclusie van het NRC-artikel, waarin wordt beweerd dat onderdeel van de hernieuwde relatie is dat Nederland Marokko niet langer voor het hoofd wil stoten door in het openbaar kritiek te leveren op de mensenrechtensituatie in het land? Zo nee, waarom wordt er in het bilaterale actieplan tussen Nederland en Marokko zo weinig aandacht besteed aan mensenrechten? 2
Ik heb kennis genomen van de conclusies van de NRC over de Nederlandse inzet t.a.v. Marokko, maar herken me daar niet in. Er zijn geen afspraken gemaakt dat Nederland niet langer openbaar kritiek uit ten aanzien van mensenrechten. Het kabinet zet in op een strategie van constructief engagement met Marokko op basis van een open dialoog en transparantie. Daarbij is over de hele breedte geïnvesteerd in de betrekkingen met Marokko. NL en Marokko zijn in 2021 op ambtelijk niveau een actieplan overeengekomen. Hierin zijn op hoofdlijnen afspraken gemaakt over verschillende onderwerpen die voor NL van belang zijn. Bijvoorbeeld migratie. Maar ook politie, justitie en economische samenwerking. Eveneens is afgesproken frequent contact te onderhouden op alle niveaus, waarbij in de dialoog alle onderwerpen, inclusief mensenrechten, besproken worden.
Bent u bekend met het rapport van Human Rights Watch, waarin de NGO concludeert dat het regime middels een «ecosysteem van repressie» kritische geluiden in de kiem wil smoren?3 Wat is uw reactie hierop?
Ik ben bekend met het rapport. Nederland heeft bijzondere aandacht voor de vrijheid van media en de positie van journalisten wereldwijd. Dat geldt ook in Marokko. Nederland blijft hierover in dialoog met de Marokkaanse autoriteiten.
Bent u het ermee eens dat Nederland, die de bevordering van de internationale rechtsorde in de Grondwet heeft verankerd, een speciale verantwoordelijkheid heeft om mensenrechtenschendingen aan te kaarten?
Ja. Nederland zet actief in op de bevordering – en daardoor de naleving en handhaving – van de internationale rechtsorde, waarvan mensenrechten een integraal onderdeel vormen. Aangezien elke situatie verschillend is, wordt er geen uniforme aanpak gehanteerd om mensenrechtenschendingen aan te kaarten. Nederland weegt daarom per geval wat de meest effectieve wijze is om mensenrechten te bespreken in Marokko.
Heeft u zich in het openbaar al eens kritisch uitgelaten over het lot van de politieke gevangenen van de Hirak-beweging uit de Rif? Zo ja, wanneer en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
In beantwoording van Kamervragen n.a.v. de Kamerbrief over de brede relatie met Marokko (Kamerstuk 35 925-V), heb ik vragen hierover beantwoord.
Heeft u zich in het openbaar al eens kritisch uitgelaten over het lot van journalist Omar Radi? Zo ja, wanneer en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds aan uw Kamer geïnformeerd (Kamerstuk 35 925), heeft Nederland de Marokkaanse autoriteiten meermaals te kennen gegeven dat Nederland zich niet herkent in de spionage aanklacht. Ik heb daarbij ook aangegeven dat het kabinet de veroordeling op basis van de spionage aanklacht teleurstellend vindt.
Waarom bent u niet langer bereid om zich in het openbaar kritisch te uiten over mensenrechtenschendingen in Marokko? Gaat u dit in de toekomst wel doen?
Ik herken mij niet in deze aanname. Nederland en Marokko hebben een open en gelijkwaardige dialoog. In deze dialoog kunnen alle onderwerpen worden besproken, ook mensenrechten. Nederland weegt per geval wat de meest effectieve wijze is om mensenrechten casussen te bespreken. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Wat is daarnaast de status van de verkenning van een uitleveringsverdrag met Marokko, dat onderdeel uitmaakt van het bilaterale actieplan tussen Marokko en Nederland?
N.a.v. het actieplan zijn op ambtelijk niveau gesprekken gestart om de mogelijkheid van een uitleveringsverdrag te verkennen. Zowel Nederland als Marokko hebben baat bij goede samenwerking op het gebied van rechtshulp, justitiële samenwerking en ook uitlevering.
Wat vindt u van de uitspraken in het NRC-artikel van advocaat Geert Jan Knoops dat met een uitleveringsverdrag Nederland een juridisch keurmerk geeft aan de Marokkaanse rechtsstaat? Acht u de Marokkaanse rechterlijke macht onafhankelijk?
Het kabinet deelt de visie niet dat met het verkennen van de mogelijkheden tot een uitleveringsverdrag – met welk land dan ook – een juridisch keurmerk wordt gegeven aan de rechtsstaat van een betreffend land.
Hebben u signalen bereikt dat Marokkanen die in Nederland politiek asiel hebben gekregen, en/of Nederlandse Marokkanen, waarvan een deel in het verleden kritisch is geweest op het regime in Marokko, zich zorgen maken over een mogelijk uitleveringsverdrag?
Zie het antwoord op vraag 10.
De genoemde signalen van de Marokkaanse Nederlanders zijn mij bekend. Voor het kabinet staat de bescherming van de rechten van iedere Nederlander voorop. Het bestaande wettelijk kader rondom uitlevering bevat daarvoor voldoende waarborgen.
In een eventueel bilateraal verdrag kunnen uitleveringen enkel plaatsvinden in gevallen waarin geen sprake is van (toekomstige) mensenrechtenschendingen. Ieder uitleveringsverzoek wordt zowel door de rechter als door de Minister van Justitie en Veiligheid getoetst aan de hand van de Uitleveringswet en een toepasselijk verdrag. Daarbij wordt onder meer gekeken of er sprake is van dubbele strafbaarheid en of de uitvoering zou kunnen leiden tot een schending van de fundamentele rechten van de betrokkenen.
Volgens de Uitleveringswet dient een uitleveringsverzoek te worden afgewezen als een gegrond vermoeden bestaat, dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze getroffen in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort (artikel4. Dit artikel geldt onverminderd als er sprake is van een bilateraal uitleveringsverdrag.
Wat gaat u doen om de zorgen onder Marokkaanse Nederlanders te adresseren?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid het gehele bilaterale actieplan de Kamer te doen toekomen? Zo ja, op welke termijn?
De Kamer is via een Kamerbrief op 14 december jl. (35 925-V, nr. 61) geïnformeerd over de afspraken die gemaakt zijn in het actieplan. Het actieplan is een middel om de samenwerking te versterken. Ik blijf de Kamer informeren over de voortgang die we maken op de afspraken uit het actieplan en breder in de relatie.