Het bericht ‘En weer schat het ministerie het aantal asielzoekers te laag in: locaties 'te laat, te krap en te kort' beschikbaar’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat de prognoses voor het aantal asielzoekers in 2022 weer te laag zijn?1
De afgelopen tijd zijn door u en de pers verschillende vragen over de prognoses gesteld. Deze zijn in eerdere brieven2 aan de Kamer al veelal beantwoord. Om de Kamer zo volledig, actueel en transparant beeld te schetsen zal ik in de beantwoording van deze en de verdere onderstaande vragen ingaan op de meest actuele prognose van september jl. Daarnaast ga ik ook uitgebreid in op het totstandkomingsproces van de Meerjaren Productie Prognose (MPP).
De MPP is een periodiek overzicht van prognoses voor een groot aantal organisaties in de migratieketen3, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Rechtspraak. Inherent aan een prognose is dat deze aan vele externe factoren onderhevig is en daardoor complex is, zeker bij een volatiel onderwerp als migratie. Daardoor wordt er gewerkt met een bandbreedte. Door deze aanpak kan de prognose ook rekening houden met de mogelijkheid dat er gebeurtenissen optreden, die invloed hebben op de migratiestromen.
De afgelopen periode laat deze complexiteit ook duidelijk zien, met o.a. COVID-19 en de situatie in Afghanistan en Oekraïne. Dit zijn externe ontwikkelingen met grote invloed op migratiestromen die enkele maanden eerder, maar zeker een jaar daarvoor, niet te voorzien zijn. Aangezien het hier om unieke gebeurtenissen gaat, zijn er geen ervaringscijfers die als basis kunnen dienen voor een prognose.
Door verschillende scenario’s op te stellen en een waarschijnlijkheidskans toe te kennen aan ieder scenario wordt deze onzekerheid ook weergegeven in het model. Middels een rekenmodel worden vervolgens verschillende scenario’s geschetst met betrekking tot mogelijke in-, door- en uitstroom in de migratieketen. Op basis hiervan wordt uiteindelijk een minimum, medio en maximum scenario opgesteld.
In zijn algemeenheid geldt ook dat hoe verder vooruit een prognose kijkt, hoe groter de onzekerheid wordt. De prognoses die een jaar of langer vooruit kijken kennen daarmee een grotere onzekerheidsfactor. Om deze onzekerheid te verkleinen worden de prognoses van de MPP gedurende het jaar aangescherpt op basis van de meest recente inzichten, onzekerheden en aannames. Hieronder zal ik ingaan op een aantal onderdelen van de asiel instroomprognose4.
De verwachte eerste asielinstroom voor 2022 lag met een kans van 75% tussen de 21.500 (minimum scenario) en 38.500 (maximum scenario) aanvragen (exclusief ontheemden uit Oekraïne). In het medio scenario werden in 2022 31.000 eerste asielaanvragen verwacht. Deze prognose is gebruikt ten behoeve van de MPP 2022-I (februari 2022) en ten behoeve van de MPP 2022-II (september 2022).
Op dit moment ligt de eerste asielinstroom hoger dan zou worden verwacht in het medio scenario, maar nog wel onder het hoge scenario. Naar verwachting zal het totaal aantal eerste asielaanvragen tot het eind van het jaar tussen deze scenario’s uitkomen en dus nog binnen de bandbreedte vallen.
De totale asielinstroom is opgebouwd uit: eerste asielaanvragen, tweede en opvolgende asielaanvragen, nareis en relocatie/hervestiging5. Daarvoor zijn aanvullende aannames nodig (over nareis en herhaalde aanvragen, etc.).
Op basis van de in september jl. vastgestelde MPP (MPP 2022-II) wordt een totale asielinstroom voor het gehele jaar 2022 verwacht met een bandbreedte tussen 38.700 en 55.700 (exclusief ontheemden uit Oekraïne) asielaanvragen. Gezien de recente instroomcijfers over de afgelopen weken is de verwachting dat de totale asielinstroom eind 2022 tussen de 48.200 (medio scenario) en 55.700 (hoog scenario) uitkomt. Deze totale asielinstroom voor 2022 ligt bijna 12.000 aanvragen hoger dan in de prognose van september 2021 werd verwacht. Een belangrijke oorzaak hiervan is dat vorig jaar de onzekerheid omtrent (mogelijke) effecten van de COVID-19-pandemie en daarbij komende reisbeperkingen nog een dempend effect hadden op de verwachte asielinstroom. Daarnaast is deze toename van de instroom vrijwel volledig toe te schrijven aan de instroom van nareizigers. Ten opzichte van de vorige prognose van februari jl. ligt de recente prognose van de totale asielinstroom ca. 6.700 aanvragen hoger.
Een toename van het aantal asielaanvragen is ook in Europa als geheel zichtbaar. In 2022 ligt de asielinstroom in Europa het gehele jaar hoger (circa 812.600 tot en met week6 dan vorig jaar (circa 545.140).
De gevolgen voor medewerkers en organisaties in de migratieketen zijn fors. Zo is de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) niet ingericht om deze hogere dan eerder verwachte asielinstroom te verwerken. De IND heeft onvoldoende capaciteit hiervoor en opschaling kost tijd. De hogere prognoses voor zowel 2022 als 2023 betekenen dat de voorraden in het beoordelen van asielverzoeken vermoedelijk verder oplopen, waardoor asielzoekers en nareizende gezinsleden langer op hun beslissing moeten wachten en wettelijke termijnen minder vaak gehaald worden. Daarnaast is een opvallende trend dat in 2022 het inwilligingspercentage van asielaanvragen hoger is en ook het aantal nareizigers in het kader van gezinshereniging toeneemt. Onzekerheden rondom instroom, doorlooptijden en uitstroom hebben allemaal direct effect op het COA.
Voor de opvangcapaciteit geldt dan ook dat zowel het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) als Nidos dat deze de komende jaren verder moet toenemen. Het COA zal dus langer dan gewenst andere dan reguliere opvanglocaties moeten blijven inzetten.
Op 4 november jl. heb ik uw Kamer7 geïnformeerd over de actuele situatie in de asielketen en de ontwikkelingen die in 2023 worden verwacht op basis van de meest recente prognoses.
Ligt de te lage prognose, zoals gesteld in het artikel, onder meer aan een onderschatting van het aantal nareizigers? Hoe is dit mogelijk, aangezien het aantal nareizigers redelijk te voorzien is?
Ten aanzien van de te verwachte aantallen nareizigers klopt het dat het werkelijke aantal nareizigers dat tot nu toe in 2022 naar Nederland is gekomen, hoger is dan geprognosticeerd.
De prognose ten aanzien van het aantal ingereisde nareizigers wordt bepaald op basis van het verwachte aantal MVV nareisaanvragen en het verwachte inwilligingspercentage. In 2022 is het inwilligingspercentage van asielaanvragen hoger dan eerder het geval was en hoger dan waarmee in de prognoses rekening mee werd gehouden. Hierdoor is ook het aantal nareizigers in het kader van gezinshereniging hoger dan eerder verwacht. Deze ontwikkeling is in de nieuwste prognoses verwerkt, wat heeft geleid tot een aangescherpte en hogere prognose.
Daarnaast is het daadwerkelijke moment van inreis in Nederland van een nareiziger lastig te voorspellen. Dit komt, omdat het beslissen op een nareisaanvraag enige tijd kost, onder andere vanwege het verzamelen van alle documenten door de aanvrager. Nadat de MVV-nareisaanvraag is ingewilligd heeft iemand 90 dagen de tijd om de MVV op de diplomatieke post op te halen en daarna 90 dagen de tijd om Nederland in te reizen. Het exacte moment van inreis is daardoor niet op voorhand bekend.
Ook is er na het grotendeels opheffen van de (reis)beperkingen als gevolg van de COVID-19 een inhaalslag van nareizigers te zien. Dit komt onder andere, omdat het voor nareizigers – door de toen geldende beperkingen – in sommige landen enige tijd niet mogelijk was om naar een diplomatieke post te reizen om de MVV op te halen of om de reis naar Nederland te reizen. De termijnen voor MVV nareis zijn ook in sommige gevallen verlengd.
Kunt u een overzicht geven van de Meerjaren Productie Prognose (MPP) van de afgelopen tien jaar (twee per jaar) en het daadwerkelijk aantal asielzoekers wat in elk van deze jaren uiteindelijk naar Nederland kwam? Hoe beziet u de verschillen tussen beide getallen?
Vanaf begin 2018 wordt een verbeterde prognosemethodiek voor de eerste asielinstroom toegepast. Om die reden is het zinnig om vooral de prognoses vanaf 2018 te evalueren. Bij die methodiek spelen een aantal concepten een rol die hieronder nader worden uitgelegd. De prognose bestaat niet uit een enkel getal, maar uit een zogenoemde Probability Density Function (PDF), of kansdichtheidsverdeling. Dat wil zeggen: voor elke mogelijke realisatie van de eerste asielinstroom wordt een bepaalde waarschijnlijkheid gegeven. Deze functie vormt als zodanig de prognose. Deze prognose is dus niet één op één met de realisatie te vergelijken. Wat wel kan, en dat gebeurt ook stelselmatig, is het bekijken in welke mate de realisaties van de spontane asielinstroom de afgelopen jaren binnen de door de prognoses geschetste kans verwachtingen vielen. Op die manier kan bepaald worden of de betreffende prognoses goed gekalibreerd waren. Met deze term wordt het volgende bedoeld: afwijkingen tussen de werkelijke ontwikkelingen en de verwachtingswaarde die volgens de prognoses gemiddeld bijvoorbeeld maar eens in de drie jaar zouden mogen optreden, blijken ook in de praktijk maar eens in de drie jaar op te treden. Afwijkingen die volgens de prognose gemiddeld eens in de tien jaar zullen optreden, treden ook in de praktijk maar eens in de tien jaar op, etc. Een dergelijke kansverdeling houdt ook rekening met niet specifiek te voorziene ontwikkelingen die de asielmigratie sterk kunnen beïnvloeden, zoals niet voorziene conflicten of pandemieën.
Hieronder wordt een korte vergelijking weergegeven tussen de prognoses eerste asielinstroom en realisaties van de afgelopen jaren:
De eerste asielprognoses van 2018 en 2019 hadden een relatief smalle kansverdeling, en de realisatie zat in het lopende jaar dicht bij de verwachtingswaarde.
In 2020 was door de COVID-pandemie de instroom een tijdlang bijzonder laag en werd er pas later in het jaar een officiële prognose opgesteld. Deze bleek iets te hoog, maar is ook opgesteld onder hoogst onzekere factoren. Opgemerkt kan worden dat de uiteindelijke asielinstroom ondanks de niet te voorziene COVID-pandemie, nog steeds wel binnen het waarschijnlijkheids-interval viel van de cumulatieve kansverdeling voor 2020 (die in 2019 was opgesteld).
Voor 2021 was de kansverdeling relatief breed vanwege de grote mate van onzekerheid veroorzaakt door de evacuatie vanuit Afghanistan en de COVID-ontwikkelingen. De reisbeperkingen werden sneller opgeheven dan voorzien, mede daardoor kwam het aantal eerste asielaanvragen boven de verwachtingswaarde uit, zij het wel binnen de geprognosticeerde bandbreedte.
Voor 2022 ligt de eerste asielinstroom boven het verwachte aantal aanvragen in het medio scenario. Naar verwachting komt het aantal eerste asielaanvragen dit jaar wel onder het maximum scenario uit.
Geconcludeerd kan worden dat, mede gelet op alle onzekerheden, de realisaties dichtbij de prognoses liggen van het lopende jaar. Wel worden de prognoses gedurende de tijd verstrijkt nauwkeuriger aangezien dan de meest recente ontwikkelingen worden meegenomen. Op dit moment worden de instroomprognoses opgesteld circa 2–3 maanden voordat ze worden vastgesteld8 (juli en december – februari en september). In die termijn worden de keteneffecten en aannames met alle betrokken partijen getoetst en besproken. Op dit moment wordt er gekeken om deze termijn te verkorten zonder dat dit te kosten gaat van de kwaliteit. Op deze manier kunnen de meest recente actualiteiten nog worden meegenomen in de ramingen.
Hoe is het mogelijk dat de prognoses er steeds zo naast zitten?
Inherent aan een prognose is dat deze aan vele externe en interne factoren onderhevig is en daardoor complex is, zeker bij een volatiel onderwerp als migratie. Hierbij valt te denken aan het uitbreken van conflicten, de productie van de betrokken partijen in de keten, inwilligingspercentages en de mate waarin vreemdelingen uit de keten stromen. De MPP ondervangt dit door verschillende scenario’s (laag, medio en hoog) op te stellen en een waarschijnlijkheidskans toe te kennen aan ieder scenario.
Dat laat onverlet dat er onderdelen zijn waarop ontwikkelingen in de werkelijkheid anders uitpakken dan verwacht, het blijft immers een prognose. Hiermee wordt via een continue proces rekening gehouden volgens de PDCA-cyclus. Dit is ook de reden om de MPP twee keer per jaar bij te stellen op basis van de inzichten, onzekerheden en aannames die op dat moment van kracht zijn. Dit geldt zowel voor de operationele opgave als de financiële effecten die hierdoor optreden. Waar de MPP minder accuraat is gebleken, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van nareizigers, wordt de prognose dan ook aangescherpt.
Zijn nog stappen ondernomen de MPP meer accuraat te maken sinds onze vragen en van verschillende andere partijen tijdens de begrotingsbehandeling van november 2021?
De MPP wordt gezien als een belangrijk en zorgvuldig sturings- en planningsinstrument dat voortdurend in ontwikkeling is. Eind vorig jaar is er een brief naar uw Kamer gestuurd met daarbij de uit te werken aanpak, welke onder andere toeziet op het implementeren van externe betrokkenheid, (gedeeltelijke) openbaarstelling en een vernieuwd MPP-protocol.9 Dit protocol is als bijlage bij deze beantwoording toegevoegd. De prognosecijfers worden dus continu gecontroleerd op interne consistentie, op een plausibele ontwikkeling ten opzichte van de waarnemingen en op overeenstemming met de veronderstellingen. Ieder half jaar worden de uitkomsten van de laatste prognose getoetst aan nieuwe ontwikkelingen. Voor elke nieuwe prognose worden de veronderstellingen geëvalueerd en indien nodig bijgesteld. Deze veronderstellingen worden besproken in een werkgroep waarin alle relevante partners van de migratieketen vertegenwoordigd zijn.
Kunt u in detail aangeven hoe de MPP tot stand komt?
Het opstellen van de MPP is een periodiek terugkerend proces dat enkele maanden in beslag neemt, verschillende deelproducten kent en veel afstemming vraagt met nationale en internationale actoren. De precieze totstandkoming van de MPP is beschreven in het Protocol Meerjaren Productie Prognose migratieketen. Dit protocol is als bijlage bij deze beantwoording toegevoegd.
Klopt de beschrijving uit het onderzoek van Regioplan (2020) nog steeds waarin wordt aangegeven dat «hiervoor geen vaste, gestructureerde of geformaliseerde werkwijze» bestaat?
Nee, dit klopt niet. Het citaat dat wordt aangehaald refereert naar de bevinding van Regioplan rondom de totstandkoming van de eerste asielprognose, specifiek betreffende een onderdeel van stap 1 «Kale instroomprognoses». Inmiddels is het gehele totstandkomingsproces van de MPP, waaronder het opstellen van de instroomprognoses, vastgelegd in bijgevoegd protocol. Hiermee is gestand gedaan aan een toezegging die aan uw Kamer is gedaan op basis van de bevindingen van Regioplan. De beschrijving uit het artikel op basis van het onderzoek van Regioplan wordt daarmee niet herkend.
Bent u eens dat deze manier van werken nogal ongericht klinkt, met name als er steeds ook op meer voorspelbare aspecten zoals nareis, een verhoogd aantal mensen na corona of een gebrekkige uitstroom als gevolg van de woningcrisis zo naast wordt gezeten?
Nee, zie ook de beantwoording op vraag 7. Bij de MPP wordt binnen een continu proces gekeken op welke aspecten de prognoses bijgesteld en/of verrijkt kunnen worden op basis van nieuwe inzichten, aannames en onzekerheden. Dit geldt ook voor de benoemde aspecten uit de vraagstelling. In de Kamerbrief «Actuele situatie asielketen» van 4 november jl., ben ik nader ingegaan op de actualiteit van de migratieketen en de daarbij gepaarde uitdagingen.
Welke maatregelen worden in de asielketen genomen nu er aanzienlijk meer asielzoekers komen dan de prognose liet zien?
De huidige problematiek in de asielketen wordt niet alleen veroorzaakt door de hoogte van de eerste asielinstroom, maar ook door de beperkte door- en uitstroom van asielzoekers. Met name het tekort aan uitstroommogelijkheden voor vergunninghouders naar gemeenten, zorgt ervoor dat er op dit moment een groot te kort is aan opvangplekken.
Voor maatregelen die het Kabinet neemt om deze problematiek tegen te gaan, verwijs ik u graag naar eerdere brieven die aan uw Kamer zijn gestuurd over de asielcrisis.10
Welke mogelijkheden ziet u voor verbetering van het opstellen van de MPP?
Het is inherent aan de toepassing van prognoses dat deze continu in ontwikkeling zijn. Het gebruik van prognoses vereist dan ook een constant proces van aanpassingen en bijstellingen. Dit proces wordt vormgegeven binnen een speciale werkgroep, waarin alle relevante partners van de migratieketen vertegenwoordigd zijn. Momenteel wordt er specifiek gekeken naar een (nog) verder verbeterde informatiepositie op de onderwerpen nareis en de uitplaatsing van vergunninghouders. Daarnaast worden er ook stappen gemaakt om de termijn tussen de instroomprognoses en het vaststellen van deze cijfers te verkorten, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit. Dit proces kan nu namelijk enkele maanden duren.
Bent u bereid de MPP vanaf volgend jaar te laten opstellen door een instelling buiten de asielketen, zoals eerder in het Regioplan onderzoek werd overwogen, ook met het oog op het vermijden van de schijn van interne beïnvloeding?
Naar aanleiding van het onderzoek van Regioplan (in opdracht van het WODC) naar de governance van de MPP is vorig jaar een beleidsreactie naar uw Kamer gestuurd. De beleidsreactie gaat in op een zestal adviezen die op dit moment binnen het MPP-proces worden uitgewerkt. Deze zien onder andere op het vergroten van de transparantie, openbaarheid en navolgbaarheid van de MPP.
Zoals uit het onderzoek naar voren komt, kent elk prognose- of doorrekenmodel zijn unieke eigenschappen en is er niet een ideale vorm van intern of extern beleggen om alle mogelijkheden voor een schijn van oneigenlijke beïnvloeding te voorkomen. Van belang is dat er voldoende waarborgen geïmplementeerd zijn. Met de implementatie van de hierboven genoemde adviezen acht ik dat er op dit moment voldoende waarborgen zijn binnen de huidige werkwijze.
De situatie rondom de Regeling huisvesting aandachtsgroepen |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Faissal Boulakjar (D66) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kunt u een uitgebreide update geven over de huidige situatie wat betreft de voortgang van de Regeling huisvesting aandachtsgroepen en hoe gemeenten hierin een rol spelen om passende woon- en verblijfsruimten te bouwen? In hoeverre bereikt de Regeling zijn doel, namelijk het (zo snel mogelijk) realiseren van (zo veel mogelijk) huisvesting voor verschillende aandachtsgroepen?
Eind juni zal ik per brief de uitkomsten van een tussenevaluatie op deze regeling met u delen. In deze evaluatie wordt uitgebreid verslag gedaan over de aanvragen voor de twee tranche van de regeling. Deze tranche is benut door 83 verschillende gemeenten en vrijwel alle aanvragen zijn gehonoreerd. Met deze tranche worden 6.335 woonruimten voor aandachtsgroepen en 1.751 verblijfsruimten voor arbeidsmigranten gerealiseerd.
Deze tussenevaluatie biedt het meest recente inzicht in de voortgang. Gemeenten geven inzicht in de voortgang via hun jaarlijkse verantwoording voor de regeling. In het zomerreces van 2022 verwacht ik de (financiële) verantwoording over 2021.
De regeling is zo vormgegeven dat het gehele subsidiebedrag aan gemeenten wordt uitgekeerd na controle van de aanvraag. Gemeenten kunnen hiermee een bijdrage leveren aan de ontwikkelende partij voor dit project, met inachtneming van de regels omtrent staatssteun.
De mate waarin de regeling zijn doel bereikt wordt pas zichtbaar rondom de geijkte mijlpalen. Binnen twee jaar moeten onomkeerbare stappen in het project zijn gezet en binnen vijf jaar moet het project volledig zijn gerealiseerd. Ik stuur op het behalen van deze mijlpalen.
Kunt u specifiek aangeven hoeveel van het aan gemeenten toegekende geld voor de Regeling huisvesting aandachtsgroepen in 2021 nog niet is uitgegeven door de verschillende gemeenten?
Zoals uit het antwoord op vraag 1 blijkt, zijn vrijwel alle aanvragen door gemeenten gehonoreerd. De subsidieregeling is daarbij geheel uitgeput in overeenstemming met het subsidieplafond. Het is momenteel nog niet zichtbaar of gemeenten op dit moment aan alle voorwaarden hebben voldaan en de uitgekeerde subsidiebedragen conform de tweede tranche van de regeling hebben benut. Jaarlijks leggen gemeenten hierop verantwoording af. Daaruit zal blijken of gemeenten aan de termijnen en andere voorwaarden van de regeling hebben voldaan. Als dat niet het geval is, dan kunnen de verstrekte bedragen in het uiterste geval teruggevorderd worden. De (financiële) verantwoording van gemeenten over 2021 verwacht ik in het zomerreces van 2022.
Kunt u afzonderlijk aangeven om welke bedragen bij welke gemeenten dit gaat?
Deze informatie is openbaar beschikbaar via de website Regeling huisvesting aandachtsgroepen (RHA) (rvo.nl)1. Op de hoofdpagina staat het overzicht weergegeven in een pdf-format.
Kunt u aangeven hoeveel plaatsen voor welke aandachtsgroepen zijn gerealiseerd onder deze Regeling? In het geval van (grote) verschillen; waardoor zijn deze te verklaren?
Zoals eerder aangegeven zal ik u per Kamerbrief informeren hoeveel woon- en verblijfsruimtes er per aandachtsgroep zijn aanvraagt. Er is nog geen informatie beschikbaar over de realisatie van deze plaatsen. De (financiële) verantwoording van gemeenten over 2021 verwacht ik in het zomerreces van 2022. Op dit moment beschik ik dus nog niet over gerealiseerde woningaantallen van de gehonoreerde aanvragen.
Wat zijn de achterliggende redenen waarom dit geld nog niet is uitgegeven? Speelt hierin bijvoorbeeld het feit dat er geen sprake is van een wettelijke verplichting op de startdatum van de projecten een rol?
De bedragen uit de regeling zijn eind 2021 uitgekeerd aan gemeenten. Gemeenten hebben tot eind 2023 de tijd om met ontwikkelende partijen in het project tot onomkeerbare stappen richting realisatie te komen. Hoogstwaarschijnlijk wordt het uitgekeerde geld aan gemeenten pas uitgegeven tussen het zetten van onomkeerbare stappen en realisatie.
In hoeverre spelen wettelijke verplichtingen als het feit dat de gemeenten binnen twee jaar na de toekenning van de uitkering onomkeerbare stappen moet zetten en deze binnen vijf jaar na toekenning gerealiseerd moeten zijn, een negatieve rol in dit proces?
De verplichtingen om binnen twee jaar onomkeerbare stappen te zetten en binnen vijf jaar de projecten te realiseren zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat projecten tijdig worden opgeleverd. Mocht dit niet lukken dan kan ik besluiten om geld terug te vorderen.
Deelt u de constatering dat deze termijnen bijgesteld zouden moeten worden om de huisvesting van aandachtsgroepen sneller te realiseren?
In de tussenevaluatie, die u eind juni ontvangt, is onderzocht of de huidige termijnen passend zijn.
Deelt u de constatering dat er juist wel een wettelijke verplichting zou moeten zijn voor een startdatum bij de uitkering van deze Regeling?
Met deze regeling wordt door gemeenten een bijdrage geleverd aan bouwprojecten die (ten dele) huisvesting realiseren voor aandachtsgroepen. Met de gestelde voorwaarden wordt de startdatum beoogd tussen de twee en vijf jaar, om tot realisatie van het project te komen binnen de termijn van vijf jaar. Ik houd een vinger aan de pols op de voortgang van de gehonoreerde aanvragen en stuur op tijdige realisatie binnen de termijn van vijf jaar.
Welke redenen worden er door de verschillende gemeenten zelf aangegeven voor mogelijke problemen bij het uitgeven van dit geld?
Tot op heden zijn hierover geen formele signalen bij mij binnengekomen.
In hoeverre speelt regelgeving (zowel lokaal als vanuit het Rijk) een belemmerende rol als het gaat om het achterblijven van deze uitgaven? Zijn er voorbeelden van regelgeving (lokaal of vanuit het Rijk) die (tijdelijk) kunnen worden losgelaten om realisatie eenvoudiger te maken?
Ik heb geen nog formele signalen ontvangen over het achterblijven van uitgaven. Het valt daarom nu niet te zeggen of regelgeving hierin een belemmerende rol speelt. Het versnellen van het proces van initiatief naar realisatie is onderdeel van de uitwerking van het programma Woningbouw. Ik informeer u periodiek over de voortgang op dit programma.
In hoeverre spelen andere elementen als kennis- en capaciteitsproblemen binnen gemeenten een rol in dit proces?
In het interbestuurlijke Programma «Een thuis voor Iedereen» staat beschreven dat gemeenten, provincies, woningcorporaties en maatschappelijke organisaties behoefte hebben aan meer kennis, expertise en capaciteit om de gestelde doelen ten aanzien van huisvesting voor aandachtsgroepen te realiseren. In welke mate deze problematiek zich per gemeente voordoet, is afhankelijk van de lokale context. Samen met de betrokken partijen werk ik een brede ondersteuningsstructuur uit rondom aandachtsgroepen. Daaronder valt ook de inzet van middelen vanuit een nieuwe regeling flexpools en het inschakelen van experts bij specifieke expertisevraagstukken.
Kunt u aangeven welke maatregelen er worden ondernomen op rijksniveau om dit geld alsnog versneld uit te kunnen geven en de gemeenten hierin te stimuleren?
Zoals uit het antwoord op vraag 1 blijkt zijn vrijwel alle aanvragen door gemeenten gehonoreerd en is de subsidieregeling daarbij (in overeenstemming met het subsidieplafond) geheel uitgeput. Het is aan gemeenten en ontwikkelende partijen om tijdig tot realisatie van projecten te komen, conform de gestelde voorwaarden.
Kunt u aangeven in hoeverre de oorlog in Oekraïne en de daarbij horende veranderde situatie in Nederland impact heeft gehad op het huisvesten van aandachtsgroepen?
Op dit moment worden ontheemden uit Oekraïne voor het grootste deel ondergebracht in nieuw daarvoor ingerichte opvanglocaties. Vooralsnog lijkt een eventuele impact op de huisvesting van aandachtsgroepen beperkt, ondanks de druk die het vraagstuk legt op de personele capaciteit bij gemeenten. Het kabinet bereidt zich echter voor op de mogelijkheid dat grote aantallen ontheemden langdurig in Nederland moeten verblijven. Het is ontegenzeggelijk dat de opgave om ontheemden opvang van betere kwaliteit en uiteindelijke semipermanente huisvesting te bieden, bovenop alle bestaande uitdagingen in de volkshuisvesting komt. Er zijn immers ook nog veel passende woningen nodig voor diverse aandachtsgroepen, spoedzoekers en andere woningzoekenden. Daarom zet ik in op het versneld realiseren van extra woonruimte door transformatie en flexibele bouw, onder leiding van de Taskforce Versnelling Tijdelijke Huisvesting2. Denk daarbij aan het matchen van vraag en aanbod van locaties en bouwcapaciteit, het uitwerken van haalbaarheidsstudies en business cases, hulp bij vergunningverleningstrajecten en ondersteuning van gemeenten bij besluitvorming en uitvoering. Dit kan ook benut worden voor de huisvesting van diverse aandachtsgroepen en spoedzoekers.
In hoeverre heeft deze veranderde situatie geleid tot financiële belemmeringen onder de verschillende gemeenten wat betreft het huisvesten van aandachtsgroepen in 2022?
Het kabinet heeft in de brief van 17 maart (Kamerstukken 2021–2022, 19 637, nr. 2834) als uitgangspunt benoemd dat de opvang van ontheemden uit Oekraïne niet tot gevolg mag hebben dat gemeenten er financieel slechter voor komen te staan dan daarvoor. Dit uitgangspunt is in samenwerking met onder meer gemeenten en veiligheidsregio’s uitgewerkt in diverse regelingen en blijft aandachtspunt en onderwerp van gesprek.
Kunt u aangeven, indien er sprake is van dergelijke financiële belemmeringen, hoe u er alsnog voor zorgt dat gemeenten het doel van de Regeling huisvesting aandachtsgroepen goed kunnen uitvoeren?
Tot op heden heb ik geen signalen ontvangen dat dit problemen gaat opleveren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Bij (financiële) belemmeringen ga ik in gesprek met gemeenten. Ik monitor of de beloofde prestaties binnen de daarvoor gestelde termijn wordt behaald.
Automobiliteit van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland |
|
Lisa van Ginneken (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat vluchtelingen uit de Oekraïne hun autoverzekering uit Oekraïne niet kunnen verlengen en zij geen autoverzekering in Nederland kunnen krijgen, omdat de verzekering niet op een Nederlands kenteken staat?
Nee, dit klopt niet. Vluchtelingen uit de Oekraïne kunnen hun autoverzekering uit Oekraïne verlengen of een autoverzekering in Nederland krijgen, ook als de verzekering niet op een Nederlands kenteken staat. De bezitter of kentekenhouder van een motorrijtuig is verplicht om een verzekering af te sluiten op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM), als met dit voertuig wordt deelgenomen aan het verkeer in Nederland. De WAM is gebaseerd op een Europese richtlijn. De verzekeringsplicht op grond van de WAM geldt niet voor motorrijtuigen die normaal gesproken in een ander land zijn gestald en dus een buitenlands kenteken hebben, als dat land deel uitmaakt van het zogenoemde «groene kaartsysteem». Oekraïne maakt deel uit van dit systeem, evenals alle EU-landen. Op grond van dit systeem moeten motorrijtuigen een verzekering met internationale dekking (een groene kaart) hebben als ze een ander groene kaartland betreden. Uit navraag bij het Verbond van Verzekeraars blijkt dat verzekeraars die in Oekraïne groene kaarten uitgeven, dit nog steeds doen. Dit betekent dat autoverzekeringen kunnen worden verlengd door Oekraïense verzekeraars. Mocht dit toch niet mogelijk zijn, dan biedt de Vereende een oplossing. De Vereende is een Nederlandse verzekeraar gespecialiseerd in het verzekeren van bijzondere risico’s. De Vereende biedt aan vluchtelingen uit Oekraïne een zogenoemde «Korte Termijn Verzekering» aan. Die verzekering biedt voor drie maanden dekking en kan voor maximaal drie maanden worden verlengd. Meer informatie hierover is te vinden op https://www.vereende.nl/actueel/verzekeringsoplossing-voor-vluchtelingen-uit-oekraïne/. Verder wordt dit punt ook besproken in het Council of Bureaux, de overkoepelende organisatie van het groene kaartsysteem.
Hoe beoordeelt u de situatie waarbij de autoverzekering van vluchtelingen uit de Oekraïne afloopt en deze niet internationaal verzekerd is? Wat valt hieraan te doen of wordt er mogelijk al gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u verder bekend met het feit dat indien deze groep vluchtelingen meer dan 185 dagen in Nederland zal verblijven zij hier ook niet meer kunnen rijden op hun Oekraïense rijbewijs, waardoor zij zowel hun theorie- als praktijkrijexamen opnieuw moeten doen?
Het klopt dat rijbewijzen van Oekraïense vluchtelingen op dit moment alleen de eerste 185 dagen van het verblijf in Nederland geldig zijn. De Europese Commissie werkt inmiddels aan een EU-brede noodregeling om de geldigheid van deze rijbewijzen in alle lidstaten te verlengen en deze te koppelen aan de werkingsduur van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Hiermee worden de Oekraïense vluchtelingen in staat gesteld om hun nationale rijbewijs in de hele EU langer te gebruiken, waardoor ze ook gemakkelijker kunnen doorreizen naar bestemmingen elders in de EU. Een concreet voorstel van de Europese Commissie wordt op korte termijn verwacht.
Kunt u zich voorstellen dat dit grote gevolgen heeft voor hun mogelijkheden op het krijgen of behouden van werk en hun leven in Nederland? Wat kan hieraan worden gedaan?
Zie de antwoorden op vraag 2 en 3.
Zijn er voorbeelden van andere landen of Europese instanties waarvan Nederland op dit vlak zou kunnen leren?
Regels rond automobiliteit hebben een sterke internationale dimensie, zodat noodmaatregelen op dit gebied in de regel in internationaal verband worden afgestemd en doorgevoerd.
De toegang tot basiszorg voor Oekraïense vluchtelingen |
|
Caroline van der Plas (BBB), Don Ceder (CU), Roelof Bisschop (SGP), Ruben Brekelmans (VVD), Mirjam Bikker (CU), Kees van der Staaij (SGP), Judith Tielen (VVD), Anne-Marijke Podt (D66), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Kuipers |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de toegang van Oekraïense vluchtelingen tot basiszorg, waaronder huisartsenzorg, geestelijke gezondheidszorg (ggz), apotheekzorg, mondzorg en verloskunde?
In de verzamelbrief aan de Tweede Kamer van 20 april 20221 is tot de toegang tot de (basis)zorg toegelicht. Vanwege de Europese Richtlijn Tijdelijke Bescherming hebben ontheemden uit Oekraïne een bijzondere status, waardoor de toegang tot de gezondheidszorg op een andere manier moet worden georganiseerd. Zij vallen niet onder de Regeling Medische zorg Asielzoekers en kunnen ook geen zorgverzekering afsluiten (tenzij de ontheemde gaat werken). Om de toegang tot de medische zorg en Wlz-verblijfszorg goed te organiseren is besloten dat de Staatssecretaris van JenV de verantwoordelijkheid draagt voor de organisatie van de toegang van zorg, analoog aan diens verantwoordelijkheid voor de asielzoekers.
Het Ministerie van JenV werkt met ondersteuning van het Ministerie van VWS samen met de zorgverzekeraars aan de invulling van een uitvoeringscontract, zoals dit ook is georganiseerd voor asielzoekers. Het uitgangspunt hierbij is het zoveel mogelijk kopiëren van bestaande systemen, contracten, en de aanspraken, zoals deze ook zijn opgenomen in de regeling medische zorg asielzoekers. Hierbij is en wordt ook veelvuldig gebruikt gemaakt van de kennis en ervaring van het COA op het terrein van de RMA. In de tussenperiode kan gebruik worden gemaakt van de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg voor onverzekerden (SOV).
Kunt u een update geven van uw gesprekken met betrokken partijen, zoals de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), InEen en GGD GHOR Nederland, over bestaande knelpunten? Kunt u concreet maken wat de knelpunten wat u betreft op dit moment zijn?1
In de gesprekken tussen VWS en LHV, InEen en GGD GHOR over de zorg voor Oekraïense ontheemden is volop aandacht voor de knelpunten die nu spelen of die worden voorzien bij een hogere instroom van het aantal ontheemden. De belangrijkste knelpunten zijn tolken die ingezet kunnen worden bij zorgverlening, de medische dossiervoering van huisartsen op de grotere centrale opvanglocaties en de administratieve lasten van zorgdeclaraties. Vanwege de reeds bestaande druk op de huisartsenzorg is een zo beperkt mogelijke administratieve druk van groot belang.
Deelt u het besef van urgentie bij genoemde veldpartijen om zo spoedig mogelijk te komen tot werkbare randvoorwaarden en een goede landelijke organisatie van de eerstelijnszorg voor vluchtelingen uit Oekraïne, aangezien de druk op de basiszorg reeds groot was en er inmiddels ruim 30.000 Oekraïense vluchtelingen in Nederland zijn gearriveerd?
Ja deze urgentie is er. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Hoe is de regie op de instroom van medische evacués en de instroom daarvan in de verdere zorgketen geregeld?
Binnen Nederlandse ziekenhuizen is op verzoek van de Europese Commissie capaciteit beschikbaar voor opvang van patiënten met een urgente medische vraag. Het betreft hier patiënten die zich in de buurlanden van de Oekraïne bevinden. Op 4 april heeft het Ministerie van VWS het Landelijk Netwerk Acute Zorg (hierna: LNAZ) spoedshalve opdracht gegeven om gebruikmakend van het Landelijk Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding (LCPS) de rol van «National Medical Evacuation Coördinator» op zich te nemen voor Nederland, de medische evacuaties te coördineren en te doen wat nodig is om met dit coördinatiecentrum en in samenwerking met betrokken partijen de opvang en spreiding van patiënten in goede banen te leiden.
De «matching» van patiënten verloopt middels het speciaal daarvoor ingericht Europees systeem en vindt plaats op basis van wederzijdse acceptatie: als een verzoek tot evacuatie van een patiënt in het systeem komt te staan, kunnen landen deze patiënt accepteren, waarna de patiënt zelf kan kiezen naar welk land de voorkeur uitgaat. Ondanks de voorbereidingen die zijn getroffen door LCPS en andere betrokken partijen, zoals Eurocross voor het internationaal medisch vervoer en de ziekenhuizen die klaar staan patiënten op te vangen, zijn er tot op heden geen patiënten geweest die ervoor gekozen hebben om naar Nederland te komen.
Hoewel het Europese spreidingssysteem nog niet volmaakt werkt, zijn inmiddels in diverse andere Europese landen patiënten opgevangen. Onze waardevolle bilaterale contacten willen we gebruiken om de bekendheid van de wijze van aanmelden in het Europese systeem te vergroten. Ook dringen we via Europa erop aan dat landen waar momenteel veel patiënten verblijven, zoals Polen en Roemenië, het gebruik van het Europese systeem intensiveren. Zowel op nationaal als op Europees niveau is besloten om de opvang via het Europese systeem en het LCPS te doen plaatsvinden. Juist door de Europese aanpak kunnen we snel zien waar capaciteit (binnen Europa) beschikbaar is. Zo zorgen we er ook voor dat de reguliere zorg voor patiënten in Nederland en andere Europese landen kan doorgaan. Op deze manier kunnen de evacuaties veilig en gestructureerd verlopen en kunnen we uiteindelijk de beste zorg bieden op de plaats die op dat moment het meest geschikt is.
Kan bij het organiseren van basiszorg voor Oekraïense vluchtelingen gebruik worden gemaakt van reeds bestaande systemen en afspraken over zorg voor vreemdelingen en/of asielzoekers, met inachtneming van de bijzondere status die Oekraïense vluchtelingen genieten?
Omdat de ontheemden uit de Oekraïne niet door het COA worden opgevangen vallen zij niet onder de Regeling Medische zorg Asielzoekers. Om de toegang tot medische zorg en Wlz-verblijfszorg goed te organiseren is evenwel besloten dat de Staatssecretaris van JenV de verantwoordelijkheid draagt voor de organisatie van de toegang tot zorg, analoog aan de verantwoordelijkheid voor de asielzoekers.
Het Ministerie van JenV werkt met ondersteuning van het Ministerie van VWS samen met de zorgverzekeraars aan de invulling van een uitvoeringscontract, zoals dit ook is georganiseerd voor asielzoekers. Het uitgangspunt hierbij is het zoveel mogelijk kopiëren van bestaande systemen, contracten, en de aanspraken, zoals deze ook is opgenomen in de regeling medische zorg asielzoekers. Daarvoor wordt ook veelvuldig gebruik gemaakt van de kennis en ervaring die het COA heeft opgedaan met de RMA.
Bent u bijvoorbeeld bereid om ten aanzien van het medisch dossier van Oekraïense vluchtelingen gebruik te maken van het systeem dat ook wordt gebruikt voor asielzoekers in asielzoekerscentra (AZC’s)?
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat de huidige regeling voor de declaratie van kosten bij het Centraal Administratie Kantoor (CAK) een hoge administratieve lastendruk met zich mee brengt en niet geschikt is voor deze aantallen patiënten?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om te bezien hoe die regeldruk verminderd kan worden, waarbij u in ieder geval de voor- en nadelen in kaart brengt van het afsluiten van een contract met één zorgverzekeraar voor Oekraïense vluchtelingen, zoals dit ook voor asielzoekers het geval is?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om te zorgen voor een telefoonlijn voor de avond-, nacht- en weekenduren, vergelijkbaar met de praktijktriagelijn voor asielzoekers?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de inzet van professionele tolken bij de zorg voor Oekraïense vluchtelingen? Wanneer gaat de regeling voor hen in? Bent u bereid om de beschikbaarheid van deze tolken op eenzelfde drempelvrije wijze te regelen als voor asielzoekers die door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) worden opgevangen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen gezien de urgentie zo spoedig mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor het aanstaande plenaire debat over de opvang van Oekraïense vluchtelingen?
Het is niet gelukt om de vragen voor het plenaire debat te beantwoorden. Ik heb u ten behoeve van het debat wel een uitgebreide verzamelbrief3 gestuurd, waarin ik op belangrijke aspecten van de zorg aan deze groep ben ingegaan.
Problemen bij het inschrijven van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland |
|
Steven van Weyenberg (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van de gesprekken tussen de Nederlandse overheid, de Nederlandse gemeenten en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) over het versnellen van het inschrijvingsproces van vluchtelingen uit Oekraïne bij de Nederlandse gemeenten, zoals aangegeven door de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitalisering tijdens het mondelinge vragenuur van dinsdag 29 maart?
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderhoudt voortdurend contact met de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over de registratie van de ontheemden uit Oekraïne in de Basisregistratie Personen (BRP).
Gemeenten hebben momenteel veel behoefte aan ondersteuning in de vorm van voorlichting en het zo snel mogelijk beantwoorden van vragen over de correcte uitvoering van de registratie. Op verzoek van en in samenwerking met de NVVB heeft BZK tijdens een webinar op 5 april jongstleden uitleg gegeven en vragen beantwoord. Op de site van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (www.rvig.nl) en via de NVVB worden aanvullende vragen en antwoorden gepubliceerd. De VNG heeft voor haar leden een Forum waar ook informatie over registratie beschikbaar is. Er bleek ook behoefte aan vertalingen in het Oekraïens van bij de registratie gebruikte formulieren, zoals formulieren voor het afnemen van een verklaring onder eed of belofte (VOE). Die laat RvIG nu vertalen en de NVVB plaatst ze op hun website.
Ondertussen zijn er door gemeenten inmiddels (peildatum 10 mei 2022) 55.020 mensen met de Oekraïense nationaliteit geregistreerd. Het aantal bezette bedden in de opvang is 35.636 (peildatum 10 mei 2022). Dit betekent dat ook mensen zich laten registeren die niet in de gemeentelijke opvang verblijven. Het is goed dat we ook zicht krijgen op deze groep.
Over eventuele aanvullende ondersteuning, met name wanneer het aantal te registreren ontheemden gaat toenemen, is BZK nog met VNG en NVVB in gesprek. Er wordt nagedacht over eventueel vereenvoudigen van processen, waarbij wel gegarandeerd moet kunnen blijven worden dat de kwaliteit van de registratie daar niet onder gaat lijden. Niet alleen snelheid is belangrijk, het is ook belangrijk dat de registratie correct en compleet is. Anders treden er bij het gebruik van de gegevens problemen op en is ook het vaststellen van het verblijfsrecht een probleem. De gegevens worden gebruikt door honderden overheidsorganisaties, die naast identiteitsgegevens bijvoorbeeld ook gegevens over de gezinssamenstelling nodig hebben.
Er wordt in sommige gevallen al afgeweken van standaardregels. Voor minderjarigen die in gezinsverband zijn meegekomen en die geen identiteitsbewijs hebben, kunnen de ouders (bij gebrek aan overige documenten) een verklaring onder eed of belofte afleggen, waarmee de gemeente de identiteit van de kinderen vaststelt en de kinderen inschrijft. Vervolgens kan de nationaliteit met toepassing van het nationaliteitsrecht worden ontleend aan de ouders. Dit is een uitzondering op de standaardregel dat hiervoor een identiteitsbewijs nodig is. Deze uitzondering is alleen toepasbaar voor deze doelgroep in de huidige omstandigheden.
Kunt u daarbij ook ingaan op de mogelijke belemmeringen als de identificatiepapieren van vluchtelingen uit Oekraïne en of de Oekraïense ambassade in Nederland bijvoorbeeld meer hulp vanuit Nederlandse instanties nodig heeft?
Ik begrijp uit uw vraag dat u wilt weten of er belemmeringen zijn om ontheemden uit Oekraïne te helpen aan documenten ten behoeve van identificatie en of er in dat verband vanuit Nederlandse instanties meer hulp geboden moet worden aan de Oekraïense ambassade.
Ontheemden met de Oekraïense nationaliteit kunnen bij de Oekraïense ambassade een certificaat aanvragen met een foto van de persoon, waarin de identiteit en nationaliteit wordt bevestigd. Inmiddels (stand van zaken tweede helft april) heeft de ambassade ruim 4.000 van deze certificaten afgegeven. Daarnaast schrijft de ambassade kinderen bij op de paspoorten van ouders. Inmiddels zijn ruim 350 kinderen bijgeschreven. Er is regelmatig contact met de ambassade, er is niet gevraagd om meer hulp vanuit Nederlandse instanties.
De Oekraïense ambassade kan geen ondersteuning bieden bij de identiteits- of rechtmatigheidsvaststelling van mensen zonder Oekraïense nationaliteit die uit Oekraïne gevlucht zijn.
Ontheemden met een andere nationaliteit dan de Oekraïense waarvan de identiteit, nationaliteit of rechtmatig verblijf in Oekraïne niet kan worden vastgesteld, worden verwezen naar een aanvullend herkomst- en identificatieproces. Er is gestart bij enkele opvanglocaties met een mobiel team om documenten van derdelanders te controleren waar twijfel over bestaat. Derdelanders die hun herkomst, identiteit en rechtmatig verblijf in Oekraïne aannemelijk kunnen maken worden dan alsnog ingeschreven in de BRP.
Kunt u verder uitweiden over de huidige financiële situatie van vluchtelingen uit Oekraïne en Oekraïners die al aanwezig waren in Nederland en daarbij ook ingaan op de toegang van deze groep tot bijvoorbeeld de zorg?
Momenteel is er geen tot weinig inzicht in de financiële situatie van ontheemden uit Oekraïne alsook Oekraïners die aanwezig waren in Nederland vóór het uitbreken van de oorlog. Deze situatie verschilt uiteraard per individu en wordt niet geregistreerd. In het algemeen kan ik aangeven op basis van de eerste berichten dat de meeste ontheemden goed gedocumenteerd en in bezit van functionerende Oekraïense betaalkaarten de grens zijn overgestoken. Dit is echter slechts een eerste beeld, gezien de aantallen en snel veranderende omstandigheden, kan dit nu anders zijn. Daarnaast zijn er studenten uit Oekraïne die te maken hebben met onvoorziene problemen met hun financiën vanwege de situatie in hun thuisland en met hun familie, omdat zij geen toegang meer hebben tot hun bankrekening of door de extreme waardedaling van hun munteenheid. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 6 april jl. stelt het kabinet geld beschikbaar voor financiële ondersteuning aan deze studenten, vanuit de onderwijsinstellingen, vooralsnog voor de periode maart tot en met mei. Voor wat betreft de medische zorg verwijs ik naar de Kamerbrief van de Minister van VWS van 1 april jl.1
Hoe beoordeelt u de huidige bancaire situatie van deze groep, waarvan velen aangeven dat geld opnemen van Oekraïense bankrekeningen niet of nauwelijks lukt? Welke mogelijkheden heeft u hier iets aan te doen? Kunnen Oekraïense vluchtelingen in andere landen zoals Duitsland of Polen makkelijker geld opnemen van hun bankrekening en zo ja, hoe komt dat?
In Oekraïne uitgegeven betaalkaarten die zijn aangesloten op het internationale betaalsysteem (zoals Mastercard en Visa) werken in principe zonder belemmering in de gehele Europese Unie. Daarbij zijn er geen verschillen per lidstaat. Volgens de Betaalvereniging Nederland en de internationale betaaldienstverleners is een voorwaarde hiervoor wel dat de Oekraïense betaalinstelling of bank zelf nog operationeel is en er aan de voorwaarden voor het gebruik (bijvoorbeeld voldoende saldo/krediet) wordt voldaan.
Bent u bekend met het feit dat het storten van uit Oekraïne meegenomen contant (spaar)geld vrijwel onmogelijk is, hetgeen het voor Oekraïners lastig maakt in hun eigen levensonderhoud te voorzien? Zijn er mogelijkheden het voor vluchtelingen uit Oekraïne makkelijker te maken Oekraïens contant geld (tot bepaalde maximum bedragen en met controles op de herkomst van het geld) te storten?
Nederlandse banken hebben geen voorzieningen om buitenlandse contante valuta op een Nederlandse rekening te laten storten of om buitenlandse valuta om te wisselen, dus ook niet voor Oekraïense Hryvnia. Hiervoor ontbreekt volgens de Betaalvereniging Nederland de benodigde infrastructuur. Vanwege de situatie in Oekraïne is het niet mogelijk om contante Hryvnia aldaar om te wisselen voor andere valuta. Deze onzekerheid maakt dat contante Hryvnia op dit moment nauwelijks door partijen in de Europese Unie geaccepteerd worden en daarom geen reële waarde vertegenwoordigen.
De Europese Commissie heeft een voorstel voor een Raadsaanbeveling opgesteld om een regeling te treffen voor het omwisselen van Hryvnia, deze is op 19 april jl. vastgesteld. In het voorstel is voorzien dat de lidstaten er zelf voor zorgen dat elke Oekraïner, eenmalig, 10.000 Hryvnia tegen ongeveer 300 euro kan inwisselen. Dit is gebaseerd op een model dat in Polen gebruikt wordt. Lidstaten dienen zelf de uitvoering van een dergelijke regeling in te richten en bovendien zelf garant te staan voor het mogelijke wisselkoersrisico. Vanwege het ontbreken van de benodigde infrastructuur bij banken in Nederland is de uitvoering van deze regeling gecompliceerder dan in lidstaten waar banken nog wel over deze infrastructuur beschikken. Het Ministerie van Financiën is op dit moment in gesprek met De Nederlandsche Bank en mogelijke partijen om de regeling uit te voeren.
Kunt u voorts verder uitweiden over de mogelijkheid voor vluchtelingen uit Oekraïne om een Nederlandse bankrekening te openen en de problemen die hierbij spelen? Herkent u de problemen die banken ervaren de controles, die vereist zijn vanuit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, uit te voeren voor Oekraïense vluchtelingen en hun meegebrachte geld?
Op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen moet een bank een cliënt identificeren alvorens een zakelijke relatie aan te gaan. Normaliter gebruiken banken hiervoor een paspoort of identiteitsbewijs en het BSN, omdat dit de meest betrouwbare middelen zijn om iemands identiteit vast te stellen. Daarnaast moeten banken maatregelen nemen om te voorkomen dat de bankrekening gebruikt wordt voor witwassen. Vanzelfsprekend beschikken ontheemden uit Oekraïne nog niet (altijd) over deze registratie of documenten en zouden aanvullende controles extra tijd kosten. Vanuit de Nederlandse Vereniging van Banken kreeg het Ministerie van Financiën het signaal dat de banken verwachtten op korte termijn veel aanvragen te ontvangen van Oekraïense ontheemden om een bankrekening te openen. De Minister van Financiën heeft daarom toezichthouder De Nederlandsche Bank 21 maart jongstleden verzocht om in haar handhavingsbeleid ten aanzien van banken, in het belang van de groep Oekraïense ontheemden die onder het uitvoeringsbesluit 2022/382 van de Raad valt, de benodigde flexibiliteit te betrachten en, indien de omstandigheden daartoe nopen, niet te handhaven.
De banken hebben inmiddels, in overleg met toezichthouders, de overheid, gemeenten, hulporganisaties en sectororganisaties, hun processen gestroomlijnd en extra capaciteit ingezet om de verwachte grote aantallen ontheemden te kunnen helpen. Volgens de laatst bekende cijfers zijn er inmiddels ongeveer 18.000 rekeningen geopend. Volgens de Betaalvereniging Nederland vragen aanbieders van betaalrekeningen altijd om een geldig Oekraïens biometrisch paspoort of identiteitsbewijs en veelal ook om een BSN. Gemeenten zorgen dat Oekraïense ontheemden bij aankomst in Nederland worden ingeschreven en een BSN krijgen en daarnaast beschikken de meeste ontheemden over een geldig identiteitsbewijs. Bovendien hebben bancaire toezichthouders de regels en richtlijnen voor het verstrekken van betaalrekeningen aan ontheemden uit Oekraïne tijdelijk versoepeld. Zo kunnen de verwachte grote aantallen aanvragen sneller worden afgehandeld.
Hoewel het merendeel van de ontheemden een bankrekening kan openen of heeft geopend, doet zich ook een knelpunt voor. Zo is het voor banken niet mogelijk om verlopen biometrische paspoorten of andere niet-biometrische identificatiedocumenten te gebruiken om een bankrekening te openen. De systemen van banken zijn ingericht op het direct inlezen van biometrische documenten, wat wil zeggen: documenten die een beveiligde chip bevatten. Dit is sinds 2004 de standaard voor Europese reis- en identiteitsdocumenten2. Het accepteren van niet-biometrische documenten vereist per type document een handmatig protocol en aanpassing van de systemen dat niet eenvoudig in een kort tijdsbestek door alle banken volledig doorgevoerd kan worden. Hoewel deze groep ontheemden voor de uitkering van het leefgeld kan terugvallen op de prepaid bankpassen of uitkering in contanten, is dit geen duurzame oplossing. Daarbij komt dat deze terugvaloptie niet van toepassing is op ontheemden die arbeid verrichten; zij hebben een bankrekening nodig om salaris op gestort te krijgen. Momenteel wordt tussen de rijksoverheid, de Nederlandsche Bank, de Nederlandse vereniging van Banken, de betaalvereniging en de banken gekeken naar mogelijkheden om ook personen met verlopen biometrische paspoorten, of andere vormen van identificatie waartoe het systeem van banken niet is toegerust, toegang tot een bankrekening te geven.
Ziet u het hebben van een Nederlandse bankrekening als noodzakelijk om het voorgenomen plan om Oekraïners leefgeld te bieden?1 Zo ja, welke stappen zet u om ervoor te zorgen dat Oekraïense ontheemden snel over een Nederlandse bankrekening kunnen beschikken? Zo nee, hoe gaat u hen dit leefgeld aanbieden?
Het hebben van een Nederlandse bankrekening is niet noodzakelijk voor het uitkeren van leefgeld, maar wel gewenst. Zoals ik in antwoord op vraag 6 heb aangegeven wordt in samenwerking met de banken en De Nederlandsche Bank ervoor gezorgd dat Oekraïners zo snel mogelijk over een Nederlandse bankrekening kunnen beschikken. Indien dit nog niet het geval is kunnen gemeenten het geld contant uitkeren of storten op een zogenaamde prepaid-pinpas voor dit doel. De BNG Bank heeft gemeenten, in samenwerking met de VNG, op 1 april jl. benaderd met het aanbod om pinpassen te bestellen voor het gebruik door ontheemden uit Oekraïne. Met de uitlevering van deze pinpassen is inmiddels gestart. Daarnaast heeft de gemeente ook de mogelijkheid om het leefgeld uit te keren in contanten of (deels) in natura in de gemeentelijke opvang.
Hoe dragen Nederlandse banken op dit moment verder bij om alle mogelijke problemen gezamenlijk te mitigeren? In hoeverre is hierbij contact met Oekraïense banken? In welke mate ziet u een rol voor Nederlandse banken om Oekraïense vluchtelingen te helpen een bankrekening te openen in Nederland? Hoe helpt u Nederlandse banken hierbij?
Zie beantwoording vraag 6.
Op welke manieren wordt momenteel verder samengewerkt met andere landen, partners en banken om de mogelijke problemen het hoofd te bieden?
De ontwikkelingen ten gevolge van de oorlog in Oekraïne volgen elkaar erg snel op en ik heb dan ook geen volledig overzicht van alle inspanningen die op dit gebied worden verricht. Ik kan wel meegeven dat op Europees niveau ervaringen en mogelijke oplossingen bij zowel lidstaten, als financiële instellingen, worden uitgewisseld en verzameld. Daarnaast maken Nederlandse banken, indien van toepassing, gebruik van de ervaringen opgedaan door vestigingen uit andere lidstaten.
Kunt u deze vragen zo snel als mogelijk beantwoorden?
Ja.
Kunt u aangeven hoe het samenvoegen van de gehoren tot nu toe verloopt? Kunt u hierbij in ieder geval ingaan wat de ervaringen zijn van vreemdelingen, in het bijzonder alleenstaande minderjarigen, en betrokken organisaties zoals juridische hulpverlening en Vluchtelingenwerk?1
In het derde kwartaal van dit jaar zal een evaluatie plaatsvinden van de gewijzigde procedure die ik met uw Kamer zal delen. De evaluatie zal ingaan op het behalen van de doelen en het voldoen aan de benodigde procedurele waarborgen waarbij ook aandacht zal zijn voor de alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s). Bij de evaluatie zullen ook de ervaringen van advocatuur, VluchtelingenWerk Nederland en Nidos worden meegenomen.
Hoe reflecteert u op de bezwaren van verschillende organisaties, onder meer in de internetconsultatie over deze wijziging in de asielprocedure, dat met name alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) bij aankomst in Nederland vermoeid zijn en dat zij de relevantie van bepaalde gesprekken, in dit geval het eerste gehoor, niet snappen? In hoeverre wordt dit zo ervaren in de praktijk?
Amv’s krijgen aan het begin van de asielprocedure een voogd van Nidos toegewezen. Een medewerker van Nidos voert voorafgaand aan het aanmeldproces een gesprek met de amv. Ook krijgt de amv een informatiebrochure met een op de minderjarige toegespitste uitleg van de asielprocedure. Daarnaast geeft de IND-medewerker tijdens het aanmeldgehoor uitleg over het doel van het gehoor en is daar bij amv’s extra aandacht voor. Voorts krijgt een amv een aanmeldgehoor dat speciaal is ontwikkeld voor minderjarigen en alleen speciaal daartoe opgeleide medewerkers nemen deze gehoren af. Nidos woont zo mogelijk het aanmeldgehoor van een amv bij. Met Nidos is ook de afspraak gemaakt dat amv’s na de aanmeldfase een rust- en voorbereidingstermijn van tenminste drie weken krijgen. Eventuele correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor kunnen later in de procedure worden ingebracht. Er wordt dus uitgebreid aandacht besteed aan de uitleg van en begeleiding tijdens de procedure om amv’s zo goed mogelijk door de procedure te geleiden.
Voorts merk ik op dat in het nader rapport bij het besluit uitgebreid is ingegaan op de bezwaren zoals die onder meer zijn geuit in de internetconsultatie. Om herhalingen te voorkomen wordt verwezen naar dit stuk (Stcrt. 2021-33182).
Hoe reflecteert u op de bezwaren van verschillende organisaties, onder meer in de internetconsultatie over deze wijziging in de asielprocedure, dat de forse psychische problematiek waarmee veel niet-begeleide minderjarigen kampen vraagt om procedurele waarborgen die er niet zijn als deze kinderen zich niet kunnen voorbereiden op belangrijke gesprekken door middel van een gespecialiseerde advocaat? Op welke manier wordt dit nu ondervangen? Acht u dat voldoende?
Ik verwijs allereerst naar mijn antwoord op vraag 2 waar ik heb toegelicht welke procedurele waarborgen in het aanmeldproces van amv’s zijn ingebouwd. Ik acht deze voldoende. De werkinstructies WI 2021/12 Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure – Immigratie- en Naturalisatiedienst2 en WI 2021/9 Bijzondere procedurele waarborgen – Immigratie- en Naturalisatiedienst3 geven daarnaast handvatten aan de IND medewerkers om rekening te houden met kwetsbaarheden van vreemdelingen, zo ook van amv’s.
Hoe reflecteert u op het feit dat veel hulporganisaties aangeven dat asielzoekers en met name amv’s bij aankomst in Nederland vaak verward en wantrouwend zijn ten aanzien van instanties en jegens de overheid en dat zij daarom gebaat zijn bij contact met een eigen advocaat die hen het belang kan uitleggen van het direct vertellen van de waarheid in het eerste gehoor, iets dat zowel in hun eigen belang is als in het belang van de IND in het kader van de hoeveelheid procedures?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 krijgen amv’s in principe voorafgaand aan het aanmeldproces een gesprek met een medewerker van Nidos. Ook wordt uitgebreid aandacht besteed aan de uitleg over de asielprocedure en het doel van de gehoren, zowel schriftelijk als tijdens het aanmeldgehoor. De IND-medewerkers zijn daarnaast getraind in het horen van minderjarigen en kunnen tijdens het aanmeldgehoor inspelen op signalen van verwardheid of wantrouwen. Bovendien is een medewerker van Nidos in de regel aanwezig bij een aanmeldgehoor van een amv.
Hoe kan het dat in de beantwoording enerzijds wordt aangegeven dat er geen enkele reden is «om aan te nemen dat de vreemdeling zonder rechtsbijstandverlener niet in staat zal zijn deze informatie [uit het aanmeldgehoor] te verstrekken en is er evenmin reden om aan te nemen dat een zorgvuldig vervolg van de procedure hierdoor in het gedrang zal komen» terwijl anderzijds wordt aangegeven dat «verklaringen over identiteit, nationaliteit, gezinssamenstelling, opleiding, werkzaamheden, woonomgeving en landen waar de vreemdeling voorafgaand aan de komst naar Nederland heeft verbleven» wel kunnen worden tegengeworpen? Zijn deze twee zaken niet in tegenspraak? Zo nee, waarom niet?
Deze twee zaken zijn niet in tegenspraak. De tijdens het aanmeldgehoor gevraagde informatie ziet op basale en feitelijke informatie omtrent de persoon van de betrokken asielzoeker. Zoals eerder aangegeven en in uw vraag aangehaald is er geen enkele reden om aan te nemen dat deze asielzoeker zonder rechtsbijstandverlener niet in staat zal zijn deze informatie te verstrekken. Hierbij wordt opgemerkt dat indien nodig later in de procedure correcties en aanvullingen op het verslag van het aanmeldgehoor kunnen worden ingediend.
De tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen worden betrokken bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag. Als het nader gehoor is afgerond en de IND van oordeel is dat er genoeg informatie is verzameld, verricht de IND een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Hierbij worden de door de vreemdeling afgelegde verklaringen en overgelegde bewijsmiddelen over de reden waarom hij in Nederland asiel wil, bezien in onderlinge samenhang en in het licht van de overige afgelegde verklaringen, overgelegde bewijsmiddelen en overige omstandigheden. Niet valt in te zien dat een asielzoeker zonder (juridisch) advies niet in staat moet worden geacht (correcte) gegevens te verstrekken omtrent de gevraagde feitelijke informatie als onder meer zijn naam, geboortedatum, namen van partners en kinderen.
Hiervan uitgezonderd zijn de door de vreemdeling tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen omtrent de asielmotieven. Hiervoor is met de wijziging van het Vreemdelingenbesluit (artikel 3.108d, vijfde lid) expliciet neergelegd dat die niet worden betrokken bij de beoordeling van de inwilligbaarheid.
Hoe rijmt u dat enerzijds in de beantwoording als reden voor de onmiddellijke start van het aanmeldgehoor het belang benadrukt wordt van relevante informatie die zo vroeg mogelijk in het proces wordt vastgelegd en dat er aan de andere kant wordt aangegeven dat er geen hoge eisen worden gesteld aan het vermogen van de vluchteling om te verklaren over haar/zijn asielmotief? Kunt u zich voorstellen dat wantrouwen, vermoeidheid, onbekendheid met het Nederlandse systeem van asiel en met de Nederlandse instanties, leiden tot meer fouten die later weer gecorrigeerd moeten worden? Wat wordt er gedaan om dit te voorkomen?
De relevante informatie die de IND zo vroeg mogelijk over de vreemdeling wenst te krijgen, moet worden gezien als feitelijke informatie die voor het verloop van de asielprocedure van belang kan zijn en/of mogelijk onderzoek vergt voorafgaand aan het nader gehoor. Het gaat dan bijvoorbeeld om de herkomst van de vreemdeling, Dublin indicaties, verblijf in derde landen of informatie over werkzaamheden die kunnen duiden op daden als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag of relevant zijn in het kader van de bescherming van de nationale veiligheid.
Voor wat betreft de korte uitvraag van de asielmotieven, gaat het om het verkrijgen van een globaal beeld van de reden van de asielaanvraag. Dit maakt het mogelijk om al in een vroeg stadium de inschatting te maken of sprake is van een asielmotief dat extra aandacht en tijd nodig heeft. Naar aanleiding van de korte uiteenzetting van de asielmotieven stelt de IND tijdens het aanmeldgehoor verder geen nadere, verdiepende vragen. In die zin worden er tijdens het aanmeldgehoor geen hoge eisen gesteld aan het vermogen van de vreemdeling om te verklaren over zijn asielmotieven. Eventuele correcties en aanvullingen op de verklaringen tijdens het aanmeldgehoor kunnen later in de procedure worden ingebracht.
Wat vindt u ervan de samenvoeging van het gehoor zodanig aan te passen dat, om te beginnen bij minderjarigen, de rust en voorbereidingstijd voorafgaand aan het uitgebreide aanmeldgehoor plaatsvindt? Bent u bereid dit expliciet te overwegen bij de evaluatie van de aangepaste procedure die gepland staat voor zomer 2022?
Met de wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 is de procedure om verschillende redenen aangepast. Een belangrijke reden is het belang om relevante informatie zo vroeg mogelijk in het proces vast te leggen. Dit is zowel in het belang van de vreemdeling als van de IND.
Deze maatregel draagt bij aan een efficiënter ingericht asielproces en kan de kwaliteit van de besluitvorming bevorderen: er gaat geen kostbare tijd en capaciteit verloren en tegelijkertijd blijft de zorgvuldigheid geborgd en worden vreemdelingen minder belast. Aan de hand van de informatie uit de aanmeldfase wordt een passend vervolgtraject ingezet.
Het is tevens om redenen van nationale veiligheid en openbare orde van belang in een zo vroeg mogelijk stadium over alle relevantie informatie te beschikken.
En net zoals bij volwassen asielzoekers is het wenselijk om ook bij amv’s zo veel mogelijk informatie al in een vroegtijdig stadium te hebben. Ook om te voorkomen dat deze informatie later in het proces verloren gaat. Daarnaast is een zo volledig beeld van de vreemdeling van belang om bepaalde onderzoeken al in een vroegtijdig stadium te kunnen starten.
Invoering van deze regeling brengt overigens niet met zich dat alleenstaande minderjarigen op dezelfde wijze worden gehoord als meerderjarigen. Tijdens het uitgebreidere aanmeldgehoor dat sinds november 2020 bij alleenstaande minderjarigen wordt afgenomen, wordt wat betreft vraagstelling rekening gehouden met de minderjarigheid en de kwetsbare positie van deze groep. Ook voor hen geldt dat er na invoering van deze regeling geen nadere vragen zullen worden gesteld over het asielmotief. Indien de alleenstaande minderjarige moeite heeft met het opgeven van het asielmotief, dan wordt daar uiteraard rekening mee gehouden. Voor de volledigheid benadruk ik dat de procedure voor amv’s voldoende waarborgen bevat zoals ook volgt uit de voorgaande antwoorden.
Concluderend kan ik aangeven dat ik niet voornemens ben om af te stappen van het uitgangspunt om relevante informatie zo vroeg mogelijk in de aanmeldfase vast te leggen
Hoe vaak is het het afgelopen jaar gebeurd dat het Nidos niet lukte aanwezig te zijn bij het aanmeldgehoor van een amv? Vindt u het te billlijken dat minderjarigen zonder enige begeleiding worden gehoord? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat minderjarigen nooit alleen gehoord worden door de IND?
De IND registreert niet hoe vaak het Nidos niet lukte om aanwezig te zijn bij een aanmeldgehoor van een amv. Nidos wordt geïnformeerd over de aanmelding van een amv en het moment waarop een aanmeldgehoor gaat plaatsvinden. Waar mogelijk zal een medewerker van Nidos het aanmeldgehoor bijwonen. Waar dit onverhoopt niet mogelijk is door overmacht bij Nidos, acht ik de overige procedurele waarborgen in de procedure voor amv’s voldoende om te spreken van een zorgvuldige procedure. Ik hecht eraan om hier nogmaals te benadrukken dat medewerkers die het aanmeldgehoor bij amv’s afnemen, hiertoe zijn opgeleid. Als zij signalen bij de amv herkennen waardoor het gehoor niet zonder begeleiding kan worden voortgezet, zullen zij contact met Nidos opnemen en kan maatwerk worden geboden. Mocht ondanks voornoemde waarborgen de afwezigheid van Nidos er toch toe leiden dat een amv onvolledige dan wel per abuis onjuiste informatie verstrekt, dan kan dit door middel van correcties en aanvullingen op een later moment nog gewijzigd worden.
Bent u bereid, als onderdeel van de beloofde evaluatie van het samengevoegd gehoor, te onderzoeken wat het effect is van deze manier van horen op de minderjarige en de procedures van minderjarigen, ook gezien de speciale aandacht die in het coalitieakkoord uitgaat naar de positie van het kind in de vreemdelingenketen en het belang dat in het rapport van de commissie van Zwol wordt gehecht aan rechtsbijstand?
De evaluatie zal ingaan op het behalen van de doelen van de wijziging van het Vreemdelingenbesluit. Zoals reeds aangegeven acht ik de procedurele waarborgen voor amv’s in de asielprocedure nu voldoende om te spreken van een zorgvuldige procedure. Onderdeel van de evaluatie zal echter ook zijn om externe partijen zoals Nidos mee te nemen bij de evaluatie waardoor ook het effect van de wijzigingen voor minderjarigen kan worden meegenomen.
Bent u tevens bereid in de evaluatie expliciet te bekijken of de mate van rechtsbescherming voldoende is geborgd? Bent u tevens bereid betrokken relevante partijen zoals de juridische bijstand (asieladvocatuur), Vluchtelingenwerk en vreemdelingen te betrekken bij deze evaluatie? Zo nee, waarom niet?
Relevante externe partijen zoals asieladvocatuur, Vluchtelingenwerk en ook Nidos zullen betrokken worden bij de evaluatie waarbij deze partijen tevens bevraagd worden over onvoorziene situaties of onzorgvuldigheden in de asielprocedure die niet waren voorzien bij de wijziging van de asielprocedure. Opmerkingen of aanbevelingen over de rechtsbescherming van vreemdelingen kunnen hierbij betrokken worden.
Wilt u al deze vragen individueel beantwoorden?
Ja.
De zorgelijke toestand van etnisch-Russische studenten, docenten en onderzoekers in Nederland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Jeanet van der Laan (D66) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de zorgelijke toestand van etnisch-Russische studenten, docenten en onderzoekers in Nederland op dit moment?
Ja.
Bent u verder bekend met het feit dat door de genomen sancties de financiële steun via de ouders van de groep studenten is opgedroogd?
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat deze studenten in combinatie met het feit dat zij volgens de Nederlandse wet maximaal 16 uur per week mogen werken in acute geldproblemen kunnen komen? Hoe oordeelt het u over deze situatie? Welke versnelde maatregelen neemt u om deze studenten uit deze geld- en andere problemen te helpen? Is het bijvoorbeeld mogelijk het aantal uren dat zij mogen werken uit te breiden?
Tijdens de studie mag een student met een verblijfsvergunning «studie» arbeid van bijkomende aard verrichten. De werkgever moet dan wel in het bezit zijn van een tewerkstellingsvergunning. Deze tewerkstellingsvergunning wordt afgegeven zonder dat UWV toetst of er voor de vacature prioriteit genietend arbeidsaanbod is. Het is de student slechts toegestaan om 16 uur per week te werken. In plaats daarvan mag de student ook fulltime werken gedurende de zomermaanden (juni, juli en augustus). De arbeid is beperkt tot arbeid van bijkomende aard omdat het hoofddoel in Nederland de studie moet betreffen en niet het werken in loondienst. Het aanpassen van het aantal uren dat studenten mogen werken wordt niet als oplossing gezien gelet op de risico’s die dit met zich meebrengt op het oneigenlijk gebruik van de verblijfsvergunning voor studie. Het is bovendien niet mogelijk dit enkel voor (Wit)Russische studenten aan te passen, aangezien er geen onderscheid naar nationaliteit gemaakt kan worden.
Wel is het belangrijk om iets voor deze groep te doen. Daarom heb ik de instellingen voor hoger onderwijs opgeroepen deze studenten zoveel mogelijk op te vangen en (financieel) te ondersteunen.
Bent u het eens met de stelling dat etnisch-Russische studenten, docenten en onderzoekers op het moment negatieve gevolgen ondervinden waar zij niks aan kunnen doen?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat er veel onduidelijkheid bestaat over de mogelijkheden voor deze groep om hun studie of werk voort te zetten en over hun visa, terwijl zij niet terug kunnen vliegen naar Rusland of Belarus?
Ja, ik ben bekend met deze onduidelijkheden. Met behulp van de koepels werk ik hard aan het scheppen van meer duidelijkheid en heb ik de belangrijkste hoofdvragen kunnen beantwoorden of het proces om te komen tot beantwoording in gang gezet. Voor zover de sancties dat niet verhinderen, is het wenselijk dat de studenten, onderzoekers en docenten uit (Wit-)Rusland hun studie, onderzoek c.q. werk zoveel mogelijk voortzetten. Hun dienstverband als onderzoeker of docent of hun inschrijving als student wordt dan niet beëindigd en de verblijfsvergunning of het visum wordt niet ingetrokken. Daarnaast heb ik, zoals in antwoord 3 al aangegeven, de onderwijsinstellingen het dringende advies gegeven zowel Oekraïense als (Wit-)Russische studenten zoveel mogelijk op te vangen en waar mogelijk (financieel) te ondersteunen. Zolang aan de verblijfsvoorwaarden wordt voldaan behouden de (Wit)Russen hun verblijfsrecht in Nederland en is er geen sprake dat zij Nederland worden uitgezet.
Hoe oordeelt u over deze situatie? Hoe weegt u hierbij het feit dat veel van deze mensen uitgesproken anti-Poetin zijn?
Zoals in antwoord 5 is aangegeven, vind ik het belangrijk dat studenten, onderzoekers en docenten uit (Wit-)Rusland zoveel mogelijk hun werkzaamheden voortzetten. De sancties richten zich immers primair op formele samenwerkingsverbanden met Rusland en Wit-Rusland en niet op individuele burgers uit deze landen die in Nederland verblijven. Dat geldt ongeacht of het gaat om burgers uit (Wit-)Rusland die wel of niet kritisch zijn op het beleid van president Poetin.
Bent u bereid, dit alles overwegende, zorgvuldig te kijken naar de verblijfsstatus van deze studenten en het zo nodig mogelijk te maken dat zij zo lang als nodig in Nederland kunnen blijven?
Zolang de studenten blijven studeren en aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunningen voldoen kunnen zij de verblijfsvergunning behouden. Bezien zal nog worden op welke wijze de desbetreffende studenten die niet meer aan de verblijfsvoorwaarden voldoen en ook niet terug kunnen keren naar (Wit-)Rusland, hun verblijf in Nederland kunnen voortzetten.
Welke mogelijkheden hebben universiteiten en hogescholen om studenten uit Oekraïne, Belarus en Rusland die het collegegeld niet (meer) kunnen betalen tegemoet te komen?
Universiteiten en hogescholen kunnen studenten bij acute financiële problemen ondersteunen. Ik zie dat de instellingen ruimhartig doen en ik juich dit toe. Voor de langere termijn zullen we in samenspraak met de onderwijsinstellingen nationaal moeten bezien of, en zo ja hoe we deze studenten financieel kunnen ondersteunen.
Bent u bekend met het feit dat er ook groepen studenten zijn die niet uit Rusland of Belarus komen, maar wel ouders in deze landen hebben en dus ook met deze problemen te maken hebben? Zijn er mogelijkheden ook voor deze studenten te komen tot oplossingen?
Ja. Ook deze studenten kunnen zich melden bij hun onderwijsinstelling.
In hoeverre heeft deze situatie verder invloed op het weglekken van belangrijke wetenschappelijke kennis uit Nederland? Kunt u verder uitweiden over de mogelijke risico’s wat betreft dit thema en welke maatregelen er genomen worden om deze risico’s te mitigeren?
Ik heb de Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs- en wetenschap dringend geadviseerd hun formele en institutionele samenwerkingsverbanden met kennisinstellingen in Rusland en Belarus te bevriezen. Het is van belang dat Nederlandse kennisinstellingen daarnaast extra waakzaamheid betrachten ten aanzien van cyberveiligheid en kennisveiligheid, in het bijzonder in strategisch gevoelige domeinen. Over de kabinetsaanpak m.b.t. kennisveiligheid1 is uw Kamer laatstelijk geïnformeerd op 31 januari jl. Ook werd op die dag de Nationale Leidraad Kennisveiligheid2 gepubliceerd en werd het Rijksbrede Loket Kennisveiligheid3 geopend, waar kennisinstellingen in voorkomende gevallen terecht kunnen voor informatie en advies vanuit alle relevante ministeries en diensten.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en met spoed beantwoorden?
Het bericht ‘Surinaamse leerkrachten kunnen ons lerarentekort opvangen, maar ze mogen niet komen’ en de uitzending van Kassa van 5 maart 2022 |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Paul van Meenen (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Surinaamse leerkrachten kunnen ons lerarentekort opvangen, maar ze mogen niet komen»1 en de uitzending van Kassa betreffende dit onderwerp?2 Zo ja, hoe duidt u dit artikel en deze uitzending?
Zowel met het bericht als met de uitzending ben ik bekend. In het artikel van de Volkskrant en in de uitzending van Kassa staan Surinaamse leraren centraal die in Nederland zouden willen werken. Zij lopen tegen drempels aan die te maken hebben met hun (vaak onvolledige) beroepskwalificaties en met de restrictieve procedure voor toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt.
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verblijfsvergunningen afwees van Surinaamse leerkrachten die in Nederland les willen geven, met als reden dat hier «voldoende aanbod» aanwezig is? Zo ja, hoe beoordeelt u deze afwijzing?
Voor het aanstellen van een leraar uit Suriname is een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (hierna: gvva) nodig. Werkgevers kunnen hiervoor een aanvraag doen bij de IND. De IND vraagt daarover een advies van het UWV, die de functie registreert. In 2021 heeft het UWV <10 adviezen afgegeven voor een gvva-aanvraag van een schoolbestuur voor het aanstellen van een leraar van buiten de EU; voor zover bekend zijn daarbij geen negatieve adviezen afgegeven. In de eerste vijf maanden van 2022 is een aantal negatieve gvva adviezen afgegeven voor leerkrachten (niet enkel het basisonderwijs). Reden voor afwijzing was dat niet voldaan werd aan de voorwaarden die in de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) worden gesteld, waaronder het beschikken over de juiste kwalificaties.
De procedure voor het verkrijgen van een gvva is toegelicht in het antwoord op vraag 6 en valt onder verantwoordelijkheid van de Minister van SZW.
Klopt het dat er een lerarenoverschot is in Suriname? Zo ja, om hoeveel leerkrachten gaat het?
De Nederlandse ambassade in Paramaribo heeft navraag gedaan bij de lerarenopleidingen in Suriname. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat er in Suriname géén overschot aan leraren is.
Wat zou het voor het onderwijs in Suriname betekenen als we Surinaamse leerkrachten de mogelijkheid geven om in Nederland les te geven?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, zijn er geen aanwijzingen dat er sprake is van een lerarenoverschot in Suriname. Net als in Nederland zijn goed opgeleide leraren in Suriname hard nodig. Wederzijdse inzet van leraren kán een verrijking zijn van het onderwijs in eigen land en het land van herkomst, mits dit ten goede komt aan de kwaliteit in beide landen. Op dit moment kampt Suriname met een hoge mate van braindrain. Door de ernstige devaluaties van de Surinaamse munt en de hoge inflatie de afgelopen jaren, vertrekken leraren die beschikken over passende beroepskwalificaties uit Suriname omdat ze in het thuisland minder verdienen dan in bijvoorbeeld Nederland, België of Caribisch gebied. De uitstroom van leraren kan een weerslag hebben op de kwaliteit van het Surinaamse onderwijs.
Kunt u bevestigen dat de lerarenopleiding in Suriname in Nederland gelijkgesteld wordt met twee à drie jaar pabo?
De eindtermen van de Surinaamse pabo zijn lager dan de eindtermen van de Nederlandse pabo. DUO waardeert dit diploma inderdaad ongeveer op twee á drie jaar van een Nederlandse lerarenopleiding. Soms heeft een leraar in Suriname extra opleidingen gevolgd na(ast) de Surinaamse pabo. Leraren uit Suriname kunnen bij DUO een aanvraag indienen voor erkenning van hun beroepskwalificaties om te laten beoordelen of ze bevoegd zijn om in Nederland les te mogen geven.
Hoe verhoudt het naar Nederland halen van deze leerkrachten zich tot de Wet arbeid vreemdelingen?
De toegang tot de arbeidsmarkt voor derdelanders is geregeld in de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) en is aan restrictieve voorwaarden verbonden. Een werkgever kan in principe alleen een derdelander aannemen als er in Nederland, de EER of in Zwitserland geen aanbod aanwezig is (het zogenaamde «prioriteitgenietend genietend aanbod»). Een werkgever (c.q. een schoolbestuur) moet voor het aanstellen van een derdelander (in voorliggende situatie een leraar uit Suriname) een gvva aanvragen bij de IND. Als onderdeel van de procedure vraagt de IND advies aan het UWV omtrent de voorwaarden aan de Wav. Het UWV toetst per aanvraag onder andere of er prioriteitgenietend aanbod aanwezig is en of de werkgever voldoende heeft gedaan om binnen Nederland, de EER en Zwitserland personeel te vinden. Hierbij wordt ook beoordeeld of de derdelander beschikt over de juiste beroepskwalificaties die gelden in Nederland. Als de derdelander andere beroepskwalificaties heeft, vergelijkt het UWV bij de toets ook prioriteitgenietend aanbod met dezelfde kwalificaties. Verder wordt beoordeeld of een passend salaris wordt geboden.
Ziet u kansen in het opvangen van het lerarentekort door Surinaamse leerkrachten? Zo ja, wat zou moeten gebeuren om dit te realiseren?
Op 22 april jl. heb ik met de cao partners het onderwijsakkoord gesloten. Hiermee wordt 1,5 miljard euro geïnvesteerd in het funderend onderwijs. Hiermee wordt onder meer de loonkloof tussen po en vo gedicht, wordt de werkdruk in het vo aangepakt en komt er meer ruimte voor ontwikkeling en bijscholing. We maken werken in het onderwijs hiermee aantrekkelijker. Bij het akkoord zit ook een opzet voor een ambitieuze agenda om lerarentekort aan te pakken en tot een goed werkende arbeidsmarkt van de sector onderwijs te komen. Daar wil ik vol op inzetten.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, zijn er geen aanwijzingen dat er sprake is van een lerarenoverschot in Suriname. Net als in Nederland zijn goed opgeleide leraren in Suriname hard nodig. De mogelijkheden om Surinaamse leraren in te zetten om het tekort in Nederland op te lossen, zijn dan ook beperkt naar mijn mening. Er wordt dan ook vooral ingezet op instroom en behoud van Nederlandse professionals. In die situatie dat een derdelander, al dan niet uit Suriname, in Nederland wil komen werken kan een schoolbestuur een gvva aanvragen. Daarbij is het van belang dat wordt voldaan aan de voorwaarden in de Wav en de werkgever bijvoorbeeld voldoende wervingsinspanningen heeft verricht en de vreemdeling een lesbevoegdheid heeft die erkend is.
Het bericht ‘Vluchtelingenstroom op gang vanuit Oekraïne, buurlanden bereiden opvang voor’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Vluchtelingenstroom op gang vanuit Oekraïne, buurlanden bereiden opvang voor»?1
Ja.
Klopt het dat een woordvoerder van het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft gezegd dat extra maatregelen in Nederland naar aanleiding van de vluchtelingenstroom uit Oekraïne niet nodig zijn? Zo nee, wat is er dan gezegd?
Nederland bereidt zich voor op de komst van vluchtelingen uit de Oekraïne. Er is gestart met voorbereidingen voor de mogelijk grootschalige opvang van Oekraïners. Diverse gemeenten hebben aangeboden vluchtelingen onderkomen te kunnen bieden. Er wordt vanuit het Rijk met de gemeenten, COA, IND, Politie en Defensie volop samengewerkt om dit mogelijk te maken.
Bent u het ermee eens dat het onverstandig is geen extra maatregelen te nemen, gelet op het feit dat de opvang op dit moment al zeer vol zit en het COA dit zelf ook aangeeft, en de uitvoeringsorganisaties in de asielketen zoals de IND en het COA de gevolgen van de vorige verhoogde instroom naar aanleiding van de val van Kabul nog aan het verwerken zijn omdat men hier destijds ook slecht op voorbereid was? Zo nee, waarom niet?2
Naast het organiseren van mogelijk noodzakelijke opvanglocaties, geldt voor Oekraïners die hier al zijn of hiernaartoe komen dat het kabinet heeft voorzien in een ruimhartig en veilig verblijf. Oekraïners die zich nu in Nederland bevinden, hebben een verblijfstitel anders dan asiel. Voor deze groep zal daarom in voorkomend geval bezien worden of er verblijfsrechtelijke aspecten zijn, zoals aflopende visa, zodat waar nodig voorzien kan worden in (voortgezette) verblijfsrechtelijke mogelijkheden.
Bent u bereid alsnog in overleg met de IND en het COA zo snel mogelijk extra voorzorgsmaatregelen te treffen (zoals extra opvangcapaciteit) zodat de asielketen is voorbereid op eventuele verhoogde instroom en de Kamer te informeren over de stappen die hierop worden gezet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid deze vragen zo snel mogelijk, het liefst voor het debat over de ontwikkelingen in Oekraïne op 28 maart en anders uiterlijk 3 maart te beantwoorden?
Ja.
De schrijnende situatie rondom arbeidsmigranten in de grensregio. |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Tjeerd de Groot (D66) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Invallen in grensregio: politie stuit op «Roemeense slaven» die in Nederlandse slachthuizen werken»?1
Het artikel in de Gelderlander en in de Neue Rhein Zeitung2 zijn mij bekend.
Deelt u de mening dat het onbestaanbaar is dat deze Roemenen 100 euro per week moeten betalen om met veertigen in één huis onder erbarmelijke omstandigheden te wonen?
De Nederlandse regels aangaande huurprijzen en kwaliteit van huisvesting gelden niet in Duitsland. Daar gelden vanzelfsprekend de Duitse regels, waaronder regels die zien op fatsoenlijke huisvesting. Door de samenwerking tussen Nederland en Duitsland probeer ik ervoor te zorgen dat misstanden vroegtijdig worden gedetecteerd en misbruik van de kwetsbare positie van arbeidsmigranten kan worden voorkomen.
Uit het artikel van De Gelderlander blijkt dat in Duitsland sinds kort een nieuwe wet van kracht is (Wohnraumstärkungsgesetz). De verhuurder moet aan de lokale overheid melden aan wie men verhuurt en om hoeveel bewoners het gaat. Op basis van dergelijke informatie zijn de gezamenlijke inspecties uitgevoerd.
Is het duidelijk of het hier gaat om Nederlandse of Duitse uitzendbureaus? Wat vindt u ervan dat deze Roemenen door uitzendbureaus in Duitsland gehuisvest worden, zodat de Nederlandse regelgeving, waarin is vastgelegd dat uitzendbureaus niet meer dan 25 procent van het loon mogen vragen voor huisvesting, kunnen omzeilen?
Het ging hier om een Nederlands uitzendbureau. De Nederlandse regels aangaande inhoudingen op het minimumloon zijn onverkort van kracht. Wanneer iemand werkt op Nederlands grondgebied, dan gelden ook de regels omtrent de Wet Minimumloon en de regels omtrent inhoudingen. De plaats van huisvesting is daarin niet bepalend.
Bent u het eens dat arbeidsmigranten die voor Nederlandse werkgevers werken moeten voldoen aan Nederlandse regelgeving en dat het op deze manier omzeilen van de regelgeving zo snel mogelijk gestopt moet worden? Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze regelgeving niet langer omzeild kan worden?
Juist om te voorkomen dat werkgevers de landsgrens misbruiken om bijvoorbeeld het toezicht te ontlopen, is mijn voorganger de samenwerking met Noordrijn-Westfalen gestart. Het is niet zo dat de Nederlandse regels omzeild kunnen worden, maar toezichthouders moeten met elkaar samenwerken om aan beide kanten van de grens feitelijk te kunnen controleren of de wet- en regelgeving wordt nageleefd. Uitzendbureaus die huisvesting voor arbeidsmigranten aanbieden, kunnen een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen (SNF) behalen wanneer ze voldoen aan de norm voor huisvesting. In dat kader is een onderzoek ingesteld naar het betreffende bedrijf.
Hoe ziet u deze casus in het licht van het advies van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten, die de afhankelijkheidsrelatie tussen werknemer en werkgever/uitzendbureau in huisvesting als kernprobleem schetst?
De casus onderstreept het belang om niet meer één contract te hebben waarmee alle zaken (werk, zorg huisvesting) geregeld worden voor de arbeidsmigrant. Het opsplitsen daarvan in separate contracten, maakt mogelijk dat bij het onverhoopt wegvallen van het werk, de huisvesting en zorgverzekering niet automatisch ook direct wegvallen.
Hoe bent u van plan om, conform het advies van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten, de ontkoppeling van arbeidscontracten en huurcontracten vorm te geven? Wordt hierbij ook gekeken naar de specifieke uitdagingen van arbeidsmigranten in de grensregio’s of arbeidsmigranten die tijdens hun werk onder wetgeving van verschillende (Europese) landen vallen?
Het scheiden van baas en bed, waar u naar vraagt, kan op meerdere manieren worden bezien. Het kabinet kiest voor een aanpak die past bij het doel dat we willen bereiken: namelijk het versterken van de positie van de arbeidsmigrant en het verminderen van de afhankelijkheid van de werkgever. Arbeidsmigranten moeten niet zomaar op straat belanden wanneer het werk plotseling ophoudt.
Het wetsvoorstel Goed Verhuurderschap moet daar al bij helpen. Gemeenten kunnen straks een vergunningsplicht instellen voor de verhuur aan arbeidsmigranten. Onderdeel van de algemene regels uit het wetsvoorstel is dat bij de verhuur aan arbeidsmigranten een zelfstandig schriftelijk contract voor de verhuur wordt aangeboden. Daarmee worden het huur- en arbeidscontract losgekoppeld.
Een tweede stap in het verminderen van de afhankelijke positie is het zorgen voor huurbescherming. Wat betreft het aanbieden van een huurcontract met opzegtermijn is de inzet van het kabinet in eerste instantie geweest om het gebruik van tijdelijke huurcontracten voor arbeidsmigranten te stimuleren. Uit de evaluatie van de Wet doorstroming huurmarkt 2015 is gebleken dat deze contractvorm onvoldoende voor dit soort situaties wordt gebruikt in de praktijk. Daarnaast wordt deze als niet-passend ervaren. Op dit moment wordt verkend welke mogelijkheden er zijn om een contractvorm te ontwerpen waarbij de huurpositie van arbeidsmigranten wordt verbeterd.
Over het invoeren van een volledig verbod voor het zijn van werkgever en tevens huisvester heeft het kabinet al vaker aangegeven dit een stap te ver te vinden. Allereerst kan de werkgever op deze manier juist ook hulp bieden bij het vinden van passende huisvesting. Dat is, zeker nu grote schaarste bestaat in de beschikbaarheid van huisvesting, alleen maar behulpzaam. Ook ziet het kabinet een verantwoordelijkheid voor de werkgevers, nu zij deze mensen vaak zelf naar Nederland halen. Door een verbod in te voeren worden werkgevers ook van deze verantwoordelijkheid ontslagen.
Bent u bereid om de samenwerking tussen de Nederlandse, Duitse en Belgische arbeidsinspecties te verbeteren om ervoor te zorgen dat zij dergelijke excessen met over de grens gehuisveste arbeidsmigranten sneller op het spoor komen?
De inspectieacties waarover uw Kamervragen gaan, zijn geïnitieerd vanuit geïntensiveerd overleg met Duitsland. Deze gecoördineerde grensoverschrijdende inspectie is een uiting van nauwe internationale samenwerking om goede arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden te bevorderen. Over deze samenwerking heb ik ook gesproken met mijn collega’s uit België, Duitsland en Luxemburg tijdens de Informele Raad over Werkgelegenheid en Sociaal Beleid die in Bordeaux werd gehouden.
Deze casus illustreert dat grensoverschrijdende misstanden via grensoverschrijdende samenwerking gedetecteerd en aangepakt kunnen worden Hierbij kan nauw aangesloten worden bij de ontwikkelingen bij de European Labour Authority. De ELA kan onder andere gezamenlijke of gecoördineerde inspecties faciliteren. De NLA is goed aangesloten bij de ELA en Nederland heeft een National Liaison Officer gestationeerd bij de ELA.
Wanneer kunt u de Kamer informeren over uitkomsten van besprekingen met onze buurlanden?
Ik hoop uw Kamer in het komende najaar te kunnen informeren.
Bent u bereid om er in Europees verband voor te pleiten dat het onmogelijk zou moeten zijn om regelgeving ten aanzien van arbeidsmigranten (zowel op het gebied van huisvesting als van arbeidsomstandigheden) te omzeilen door misbruik te maken van verschillen in regelgeving over de grens?
Daar waar nationale- en/of Europese regelgeving wordt overtreden, bijvoorbeeld op het gebied van huisvesting of arbeidsvoorwaarden, moet worden ingegrepen. Misbruik van kwetsbare arbeidsmigranten mag nooit lonen. Dat laat onverlet dat er in naburige lidstaten verschillende regelgeving van toepassing kan zijn. Zowel lokale inwoners als arbeidsmigranten kunnen gevolgen ondervinden van deze grensvraagstukken. De aanpak van grensoverschrijdende misstanden vergt grensoverschrijdende samenwerking. De ELA ondersteunt de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen toezichthouders in de verschillende lidstaten. De ELA biedt ook ondersteuning bij gezamenlijke grensoverschrijdende controles.
Hoe treedt u op – al dan niet in samenwerking met Europese collega’s – tegen de uitzendbureaus die deze schrijnende situaties van arbeidsmigranten hebben veroorzaakt, in zijn algemeenheid en in deze specifieke casus?
Via het stelsel van verplichte certificering voor uitzendbureaus, dat momenteel door mijn ministerie wordt uitgewerkt, wordt de bescherming van uitzendkrachten verbeterd. Ik ben het ermee eens dat het van belang is dat daarin waarborgen nodig zijn voor goede behandeling en huisvesting van werkenden, waaronder arbeidsmigranten. Ik zal uw Kamer medio dit jaar informeren over de uitwerking en zet mij ervoor in om het nieuwe stelsel zo snel mogelijk in werking te laten treden. Verder worden concrete misstanden door de NLA aangepakt.
Zijn er nog consequenties voor de inlenende slachterij? Welke verantwoordelijkheid heeft dit bedrijf?
Het is de verantwoordelijkheid van zowel de inlener als ook van het uitzendbureau dat arbeidsmigranten onder goede arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden kunnen werken. Zij dragen samen, als keten, verantwoordelijkheid om dit goed te organiseren. De NLA onderzoekt waar dit aan de orde is ook of de inlenende partij aan diens verplichtingen in het kader van de arbeidswetgeving heeft voldaan.
Om bedrijven te ondersteunen bij de selectie van een deugdelijk uitzendbureau, heeft de NLA de checklist «Werken met uitzendbureaus» opgesteld.3 De checklist is tot stand gekomen in samenwerking met de Belastingdienst, de SNCU, de SNA, ABU en NBBU. Deze checklist helpt bedrijven bij het selecteren van een uitzendbureau om zich aan de regels te houden en op een eerlijke, gezonde en veilige manier met uitzendkrachten te werken. Aan de hand van 9 punten kan een uitzendbureau waarmee men werkt of wil werken, worden beoordeeld. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de vraag of het uitzendbureau SNA-gecertificeerd is, of de identiteit van de uitzendkrachten wordt gecontroleerd en of gezorgd wordt voor een gezonde en veilige werkplek conform Arbowet- en regelgeving.
Het bericht ‘Friese mbo's verliezen deel van inburgeraars’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Kiki Hagen (D66) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Friese mbo’s verliezen deel van inburgeraars»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoe beoordeelt u dat Friese Poort en Friesland College zich niet hebben ingeschreven voor de B1-Route en de Z-route voor nieuwkomers met beperkt leervermogen omdat ze de vergoedingen niet kostendekkend achten?
Zoals ook in het artikel is opgenomen vinden de roc’s dat het beschikbare budget te laag is. De rechter heeft de roc’s daarin het ongelijk gesteld en heeft gesteld dat de gemeenten een uitvoerig en zorgvuldig traject doorlopen hebben waarbij de totstandkoming van de financiële bandbreedtes voldoende inzichtelijk is. Dat bandbreedtes mogelijk niet voor alle aanbieders kostendekkend zijn, betekent niet dat deze niet reëel zijn. In twee andere kort gedingen heeft de rechter dezelfde conclusie getrokken. Met het oog op deze uitspraken zie ik geen aanleiding om nadere maatregelen te treffen.
Bent u op de hoogte dat ook Vluchtelingenwerk afhaakt om dezelfde reden? Zo ja, vindt u deze reden gegrond?
Zie antwoord 2. Met het oog op de uitspraken van de kort gedingen zie ik geen aanleiding om nadere maatregelen te treffen.
Welke gevolgen heeft dit voor de inburgeraars in de desbetreffende regio?
Zoals in het artikel is te lezen, was de aanbesteding verlengd tot februari. Dat bandbreedtes mogelijk niet voor alle aanbieders kostendekkend zijn, betekent niet dat deze niet reëel zijn. Zo is het de regio gelukt om de aanbestedingsprocedure af te ronden. Er is in de regio Friesland een aanbod gecontracteerd voor zowel de B1-route als de Z-route. Dit betekent dat inburgeringsplichtigen kunnen instromen in een van deze routes en er dus geen sprake is van nadelige gevolgen voor deze doelgroep.
Hoe verhoudt dit zich tot het onderzoek naar de bekostiging van de onderwijsroute in het nieuwe inburgeringsstelsel?2
In mijn brief van 12 november 20213 en 29 juni jl.4 heb ik de Kamer geïnformeerd over de onderwijsroute en dan specifiek over de extra middelen voor de korte termijn om de onderwijsroute voor inburgeringsplichtigen mogelijk te maken.
Met de kortetermijnoplossing is € 24 mln. extra beschikbaar gesteld om de aanbestedingen voor in ieder geval 2022 vlot te trekken en is de tijdelijke financiering met cumulatief € 35 mln. voor de periode van 2023 t/m 2025 verlengd. Met dit budget is er sprake van meerjarige financiële duidelijkheid. De verwachting is dat, zo blijkt uit de meest recente gegevens vanuit Divosa, gemeenten en onderwijsinstellingen dit jaar nog tot gunning van de onderwijsroute overgaan.
Verder heb ik in het Commissiedebat Inburgering en Integratie van 6 juli jl. toegezegd samen met de Minister voor Primair en Voortgezet onderwijs, de opties voor een structurele borging uit te werken en in het najaar een bestuurlijk overleg met de betrokken veldpartijen te organiseren.
Deelt u de mening dat deze ontwikkeling tegen de doelstelling uit het coalitieakkoord ingaat, die stelt dat we «de roc’s versterken als regionale opleidingscentra, waarin ook volwassenen een leven lang leren en ook nieuwkomers – op basis van de nieuwe inburgeringswet – vanaf dag één leren en integreren»?
Ik begrijp dat deze ontwikkeling tot zorgen leidt en tot vragen in relatie tot het coalitieakkoord. In de eerdergenoemde verkenning rondom de continuïteit van de onderwijsroute wordt ook het versterken van de rol van roc’s meegenomen.
Zo ja, welke acties gaat u ondernemen om zorg te dragen dat er gespreid over het hele land voor alle inburgeraars afdoende aanbod is om opleidingen te volgen voor de B1-route en de Z-route, en dat Friese mbo’s de B1-route en Z-route behouden?
Naast de roc’s bestaan ook andere (private) taalinstellingen die een voorstel in kunnen dienen voor de aanbesteding voor de B1-route en de Z-route. Zoals ook blijkt uit deze casus in de regio Friesland is het gelukt om een aanbod voor de B1-route en de Z-route te realiseren met private partijen. Ik zie derhalve geen aanleiding om specifieke maatregelen te treffen om te stimuleren dat de B1-route en de Z-route wordt behouden bij de Friese MBO’s of andere roc’s.
Wanneer verwacht u de gesprekken af te ronden over de financiering van de onderwijsroute voor de komende jaren?
Zoals eerder genoemd heb ik naast de eerder toegezegde € 24 mln., ook voor de jaren 2023 t/m 2025 aanvullend budget voor de onderwijsroute beschikbaar gesteld. Daarnaast werk ik samen met mijn collega van Primair en Voortgezet onderwijs aan de structurele oplossing voor het vraagstuk van de onderwijsroute. De financiering van de onderwijsroute is uiteraard een onderdeel dit vraagstuk. In het Commissiedebat Inburgering en Integratie van 6 juli jl. heb ik toegezegd in het najaar een bestuurlijk overleg te houden over de toekomst van de onderwijsroute.
Hoe beoordeelt u de uitspraak uit het artikel «omdat het roc met een flexibele schil werkte, hoeven er geen mensen ontslagen te worden»?
De uitspraak biedt onvoldoende context om hier diep op in te gaan. Echter, het lijkt erop dat de bedrijfsvoering van het roc, ook met geen of minder instroom van inburgeraars, niet negatief wordt getroffen. Met betrekking tot de continuïteit van de onderwijsroute heeft het behoud van de infrastructuur van de roc’s mijn aandacht.
Het artikel 'Gemeenteraad besluit over individuele studietoeslag en bouwplan ROC Mondriaan in Leidschenveen' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Gemeenteraad besluit over individuele studietoeslag en bouwplan ROC Mondriaan in Leidschenveen»?1
Ja.
Klopt het dat gemeenten per 1 april 2022 niet mogen afwijken van de geharmoniseerde bedragen van de individuele studietoeslag, niet naar beneden noch naar boven?
De herziening van de individuele studietoeslag (IST) is via het amendement Maatoug-Gijs van Dijk2 in de SZW Verzamelwet 2022 opgenomen. Het amendement voorziet in bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) vast te stellen landelijke bedragen per leeftijdscategorie. Hiermee worden onwenselijke verschillen in de hoogte van de IST tussen gemeenten weggenomen. De AMvB ligt nu voor advisering bij de Afdeling Advisering van de Raad van State.
De hoogte van de studietoeslag wordt met de bedragen in de onderstaande tabel landelijk geharmoniseerd. Ook voor de stagevergoeding geldt een geharmoniseerde bedrag. Hier geldt een vrijlating van 180 euro netto per maand. Van deze bedragen kan niet afgeweken worden.
21 en ouder
100%
€ 300,00
20
80%
€ 240,00
19
60%
€ 180,00
18
50%
€ 150,00
17
39,5%
€ 118,50
16
34,5%
€ 103,50
15
30%
€ 90,00
Hoeveel gemeenten gaven in de periode voorafgaand aan 1 april een hoger bedrag dan het bedrag dat een persoon onder de geharmoniseerde bedragen ontvangt?
De nieuwe studietoeslag voorziet in een overgangsrecht. Indien het college al individuele studietoeslag heeft toegekend die hoger is dan het bedrag op grond van de nieuwe studietoeslag, dan houdt een betrokkene recht op dit hogere bedrag voor de duur van de toekenning. Is de toegekende individuele studietoeslag lager, dan dient dit aangepast te worden op grond van de nieuwe studietoeslag.
De rijksoverheid verzamelt geen informatie over de hoogte van de individuele studietoeslag in afzonderlijke gemeenten. Ieder(in) heeft in september 2021 een inventarisatie gemaakt van de hoogte van de IST, waarbij ze met name de hoogte van de IST voor een student van 18 jaar heeft geanalyseerd. Uit deze inventarisatie blijkt dat in 170 gemeenten een achttienjarige student er vaak aanzienlijk op vooruit gaat; in 21 gemeenten blijft het bedrag gelijk; en in 146 gemeenten wordt de studietoeslag lager. Van 15 gemeenten zijn geen gegevens bekend.
Overigens kent de IST op dit moment een vermogenstoets. In de nieuwe studietoeslag komt deze vermogenstoets te vervallen. Ook staat het ontvangen van eventuele alimentatie of de bijdrage van ouders, de aanvraag en het ontvangen van een studietoeslag niet in de weg. Hiermee verwacht ik dat meer studenten die vanwege een structurele medische beperking niet kunnen bijverdienen, een beroep kunnen doen op de studietoeslag.
Voor hoeveel gemeenten geldt dat zij personen in de leeftijd 18 tot 21 nu een lager bedrag moeten uitkeren dan zij hiervoor deden?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u signalen ontvangen van gemeenten die liever een hoger bedrag zouden uitkeren aan personen in de leeftijd 18 tot 21 dan de nieuwe geharmoniseerde bedragen voorschrijven?
In een brief aan de Tweede Kamer van 8 juli 2019 is door de toenmalige staatsecretaris van SZW een bedrag van circa € 300 per maand als uitgangspunt genoemd, in lijn met de motie van het lid Raemakers. Het bedrag is in overleg met gemeenten tot stand gekomen. Voor zover mij bekend, hebben slechts enkele gemeente de wens uitgesproken voor gemeentelijke beleidsvrijheid om de studietoeslag hoger vast te kunnen stellen dan landelijke bedragen.
Wat is de redenering achter de toepassing van de jongerennorm op de individuele studietoeslag?
De studietoeslag is een bijzondere aanvullende inkomensondersteuning naast de studiefinanciering of een tegemoetkoming op grond van de Wet Tegemoetkoming Schoolbijdrage en Onderwijs (WTOS). Het is niet bedoeld voor het volledig dekken van de kosten van levensonderhoud. De toeslag is uitdrukkelijk bedoeld om een steuntje in rug te bieden aan studenten die wel arbeidsvermogen hebben maar vanwege hun beperking niet in staat zijn om bij te verdienen naast een voltijd studie. Een hoger bedrag past niet in het compenserende karakter van de studietoeslag. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, wordt in de hoogte van de studietoeslag – conform amendement Maatoug-Gijs van Dijk – een onderscheid gemaakt naar leeftijd. Eerder is besloten het jeugd-WML en de leeftijdsopbouw die daarin geldt, deels in stand te laten.3 Omdat de studietoeslag het uitdrukkelijke oogmerk heeft een compensatie te bieden voor het niet in staat zijn om inkomsten te verwerven die een student zonder structurele medische beperking van dezelfde leeftijd wel kan verwerven, ligt het in de rede om eenzelfde leeftijdsopbouw te maken voor de studietoeslag. De studenten die op dit moment een hogere IST ontvangen dan het bedrag op grond van de nieuwe studietoeslag, houden recht op dit hogere bedrag voor de duur van de toekenning
Overigens staat de hoogte van de studietoeslag los van de jongerenorm in de Participatiewet, de onderhoudsplicht van ouders of de studiefinanciering. Het ontvangen van ouderlijke bijdragen in de studiekosten of het ontvangen van eventuele alimentatie heeft geen invloed op de hoogte van de nieuwe studietoeslag.
In hoeverre bent u van mening dat het argument dat «werken moet lonen», dat wil zeggen dat de hoogte van de uitkering nooit hoger mag zijn dan de hoogte van het minimumloon, van toepassing is voor deze groep die niet of nauwelijks kan werken?
Zie antwoord vraag 6.
In hoeverre bent u van mening dat het argument dat ouders financieel nog verantwoordelijk zijn en daarom mede kunnen voorzien in de kosten voor levensonderhoud voor alle jongeren van toepassing is?
Zie antwoord vraag 6.
In hoeverre bent u van mening dat een persoon in de leeftijd 18 tot 21 lagere kosten voor levensonderhoud heeft dan een persoon van 21 of ouder?
Zie antwoord vraag 6.
In hoeverre kunt u zich voorstellen dat de jongerennorm in de individuele studietoeslag ervoor zorgt dat jongeren niet rond kunnen komen, zeker als dit jongeren betreft die tot op heden wel een hoger bedrag ontvingen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om een overgangsregeling op te zetten, waarbij jongeren die momenteel al een bedrag ontvangen dat hoger is dan de nieuwe bedragen onder de jongerennorm dit bedrag kunnen blijven ontvangen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat zijn de budgettaire gevolgen voor het afschaffen van de jongerennorm in de individuele studietoeslag?
Voor de financiering van de studietoeslag zijn vanaf 2015 middelen aan de algemene uitkering van het Gemeentefonds toegevoegd. Na een ingroeipad bedraagt het budget vanaf 2018 € 35 miljoen, waarvan € 5 miljoen bedoeld voor uitvoeringskosten. Op dit moment geven gemeenten significant minder geld uit aan de studietoeslag dan ze daarvoor ontvangen. Met deze wijzigingen is de verwachting dat meer studenten in aanmerking komen voor een studietoeslag en dat meer studenten de toeslag weten te vinden. Indien de koppeling met het jeugd-WML wordt losgelaten, bestaat de kans dat de uitgaven boven het eerder toegekende budget uitkomen. Dat zou om enkele miljoenen tot enkele tientallen miljoenen kunnen gaan. Er is echter geen inschatting te maken van de precieze budgettaire gevolgen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Participatiewet/Breed Offensief op 23 februari 2022?
Ja.
Hoeveel naturalisatieverzoeken zijn sinds de beleidswijziging van juli 2021, waarbij ook de overige RANOV-vergunninghouders in de optie- of naturalisatieprocedure werden vrijgesteld van het overleggen van documentatie om hun identiteit of nationaliteit aan te tonen, door RANOV-vergunninghouders ingediend? Hoeveel van deze verzoeken zijn afgewezen?1 2
Tussen 7 juli 2021 (de dag waarop de beleidswijziging werd gecommuniceerd) en peildatum 1 februari 2022 hebben afgerond 2.000 Ranov-vergunninghouders die meerderjarig waren op de ingangsdatum van hun Ranov-vergunning, een naturalisatieverzoek ingediend. Daarnaast zijn er in deze periode afgerond 70 minderjarige Ranov-vergunninghouders vermeld op naturalisatieverzoeken van hun ouder(s). Van deze in totaal 2.070 verzoeken waren er op 1 februari 2022 afgerond 690 door de IND ingewilligd en voorgedragen voor ondertekening door de Koning en minder dan 10 afgewezen. De genoemde cijfers zijn afgerond op tientallen.
Worden RANOV-vergunninghouders gevraagd om met documentatie hun identiteit en nationaliteit aan te tonen? Zo ja, waarom, gelet op het feit dat dit volgens het door u ingestelde WODC onderzoek juist het grootste probleem was bij naturalisatie (««Uit verschillende onderzoeken gedaan tussen 2014–2017 kwam naar voren dat de documenteneis verreweg het grootste obstakel vormde voor nog niet genaturaliseerde Ranov-vergunninghouders om een verzoek tot naturalisatie in te dienen.»), dat dit ook expliciet wordt erkend in de Kamerbrief van 7 juli 2021 en dit tevens de reden is geweest om het beleid in de eerste plaats te wijzigen?
Het indienen van een naturalisatieverzoek gebeurt bij de gemeente. In zijn algemeenheid moet de verzoeker bij het indienen van een naturalisatieverzoek zijn persoonsgegevens aantonen met een geboorteakte/een geboorteregistratiebewijs, tenzij betrokkene ten behoeve van zijn eerdere registratie bij de gemeente al het daarvoor relevante document heeft overgelegd. Ook in zijn algemeenheid geldt dat wordt gevraagd het actueel bezit van een vreemde nationaliteit aan te tonen met een geldig buitenlands paspoort. Als bij het indienen blijkt dat de naturalisatieverzoeker, als zijnde een Ranov-vergunninghouder, is vrijgesteld van het overleggen van persoons- en nationaliteitsdocumenten, dan laat de gemeente het naturalisatieverzoek indienen zonder deze documenten, tenzij betrokkene toch de ondersteunende documenten overlegt en ermee instemt dat zij onderdeel worden van het naturalisatieverzoek. De beoordeling van het naturalisatieverzoek gebeurt vervolgens bij de IND in de meeste gevallen zonder identiteits- en/of nationaliteitsdocumenten, of, als zij toch zijn bijgevoegd, mét die documenten.
Hoeveel RANOV-vergunninghouders die tijdens het ingaan van RANOV (in 2007) minderjarig waren, en waarover dus al voor de publicatie van het WODC rapport, namelijk in de Kamerbrief van 24 april 20213 was besloten dat zij een verzoek konden indienen zonder documentatie gezien de zwaarwegende belangen van minderjarigen, hebben sinds 1 juni 2021 een naturalisatieverzoek gedaan?
Tussen 1 juni 2021 en 1 februari 2022 hebben afgerond 590 Ranov-vergunninghouders die op de ingangsdatum van hun Ranov-vergunning minderjarig waren, een naturalisatieverzoek ingediend. De genoemde cijfers zijn afgerond op tientallen.
Wordt deze toenmalige minderjarige kinderen een eventuele twijfel ten aanzien van de identiteit van de ouders toegerekend? Zo ja, hoe komt dit? Vindt u dit uitlegbaar en in lijn met de motie Van Dijk/Van Toorenburg4?
Gerede twijfel aan de gestelde persoonsgegevens en/of de gestelde nationaliteit is een grond om een naturalisatieverzoek af te wijzen, die ook van toepassing is als de twijfel bestaat als gevolg van het eerder handelen van de ouder(s). Deze gerede twijfel is altijd gebaseerd op een objectieve bron, bijvoorbeeld een taalanalyse. Is sprake van gerede twijfel dan kan de IND wel om buitenlandse identiteits- en/of nationaliteitsdocumenten vragen. In het bijzonder is in dit kader relevant of de ouder(s) de juiste nationaliteit hebben opgegeven of geslachtsnaam. Onjuistheden in de persoonsgegevens van de ouder(s), bijvoorbeeld een voornaam of een deel van de naamketen, die niet relevant zijn voor de persoonsgegevens van het voormalige minderjarige kind worden bij het nemen van de beslissing op diens naturalisatieverzoek niet meegenomen.
De motie Van Dijk/Van Toorenburg vraagt om bij Ranov-vergunninghouders, net als bij houders van een asielvergunning, bewijsnood aan te nemen ten aanzien van de eisen om een geldig paspoort van de oorspronkelijke nationaliteit en een geboorteakte, en om op dit punt de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap aan te passen om deze juridische eisen weg te nemen. De bedoelde vrijstelling van de documenteneis is op 1 juni 2021 in werking getreden voor de Ranov-vergunninghouder die als minderjarige samen met de ouder(s) of zelfstandig een Ranov-vergunning heeft gekregen, en inmiddels meerderjarig is. Met ingang van 1 november 2021 geldt de vrijstelling tevens voor de overige Ranov-vergunninghouders. De motie is daarmee uitgevoerd volgens de daarin gestelde lijn.
Vindt u dat u de aangenomen Kamermotie Van Dijk/Van Toorenburg5 uitvoert op een manier die in lijn is met de geest en de bedoeling van de motie? Kunt u dit uitleggen?
Ik meen de genoemde motie op te volgen. Dit is ook aangegeven in de brief aan uw Kamer van 4 maart 2022, beantwoording schriftelijk overleg inzake hoofdlijnen beleid Ministerie van Justitie en Veiligheid d.d. 9 februari 2022.6 Ranov-vergunninghouders kunnen naturaliseren zonder dat zij daarvoor identiteits- of nationaliteitsdocumenten moeten overleggen. Bovendien zijn zij vrijgesteld van de verplichting tot het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit.
De opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is de meest recente stand van zaken met betrekking tot de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv's) in kleinschalige voorzieningen? Lukt het, ook met de huidige druk op de opvang om amv's allemaal op te vangen in kleinschalige voorzieningen? Zo nee, voor hoeveel amv's lukt dit niet?1
Amv’s behoren conform het amv-opvangmodel opgevangen te worden. In dit model worden amv’s op basis van leeftijd en de status van de asielprocedure in een bijpassende opvang modaliteit van het COA of Nidos geplaatst. Na de eerste opvang in Ter Apel worden amv’s opgevangen in procesopvanglocaties voor amv’s (poa’s) van het COA waar de IND hun vergunningsaanvraag beoordeelt. Afhankelijk van de uitkomst van de vergunningaanvraag worden amv’s na de poa ofwel verder opgevangen op een kleinschalige woonvoorziening (kwv) van het COA (bij een negatieve beschikking) ofwel in de kleinschalige opvang van Nidos (bij een vergunning).
De opvang van amv’s vindt dus niet altijd plaats in een kleinschalige opvangvoorziening. Zo worden amv’s in eerste instantie opgevangen in een voorziening in Ter Apel met 55 bedden. Deze voorziening staat op dit moment enorm onder druk, de bezetting hier ligt op het moment van beantwoording rond de 300%. Daardoor kan daar niet de kwaliteit en de veiligheid van opvang geboden worden waar zowel het COA, Nidos als ikzelf voor staan en die wij wenselijk achten.
Er is een groot tekort aan plekken op de poa’s waardoor de doorstroom vanaf Ter Apel vastloopt. Hierdoor is een deel van de jongeren die de procedure nog moet doorlopen (en dus eigenlijk op een poa zou moeten verblijven) in de noodopvang specifiek voor amv’s geplaatst, maar ook eerder dan gebruikelijk in de kleinschalige woonvoorzieningen. Dit leidt ook tot veel verhuizingen van de amv’s. Op korte termijn is er helaas geen zicht op een oplossing voor dit probleem, zolang geen nieuwe amv-opvangcentra geopend worden. Hiervoor is medewerking van gemeenten noodzakelijk.
Amv’s met een afwijzing op hun asielaanvraag worden na de poa opgevangen in de kwv’s van het COA. Zij kunnen daar anders dan bij de poa momenteel wel geplaatst worden. Dit met uitzondering van de groep 17,5-jarigen, die door het capaciteitstekort deels is doorgeplaatst naar een regulier azc. Hier is een zorgvuldige selectie aan voorafgegaan. Daar waar er ernstige zorgen waren, zijn jongeren niet doorgeplaatst. Dit neemt niet weg dat het te betreuren valt dat deze doorplaatsing noodzakelijk was omdat de veiligheid en ontwikkeling van deze jongeren moeilijker te garanderen is. Hier heb ik uw Kamer bij beantwoording van Kamervragen d.d. 23 november jl. over bericht.2 De inspectie JenV is geïnformeerd over deze werkwijze.
Voor de doorstroom van amv’s met een vergunning vanuit de poa naar de kleinschalige opvang van Nidos geldt dat sinds half december een wachtlijst is ontstaan. Op het moment van deze beantwoording gaat dit om tientallen, maar gezien de opgave van minimaal 1000 extra plekken in de kleinschalige opvang in de komende maanden en de realisatiesnelheid is de verwachting dat de wachtlijst verder op zal lopen. Ook om dit terug te dringen is medewerking van gemeenten noodzakelijk. Consequentie is dat amv’s langer worden opgevangen bij het COA in opvang die grootschaliger is en daarnaast langer moeten wachten op (begeleiding naar) integratie.
Lukt het onder de huidige omstandigheden nog steeds voldoende pleeggezinnen te vinden om aan de vraag te voldoen? Zo nee, wat wordt hieraan gedaan?
Ja, dit lukt nog steeds. Nidos werkt conform het amv-opvangmodel overigens met opvanggezinnen en niet met pleeggezinnen.
Is er een prognose voor de instroom van amv's voor de komende tijd? Zo nee, op welke wijze wordt geanticipeerd op de benodigde capaciteit voor procedure en opvang, maar bijvoorbeeld ook voor benodigde plaatsen in Internationale Schakelklassen?
Ja, de instroom van amv’s is als onderdeel voor Nidos opgenomen in de prognoses die de migratieketen twee keer per jaar herijkt ten behoeve van o.a. de Rijksbegrotingscyclus.
Hoe lang verbleven amv's in 2021 gemiddeld in een procesopvanglocatie voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (POL-AMV) en dus in grotere groepen tot 50 amv's? Hoe verhoudt deze tijd zich tot de tijd in deze opvang in andere jaren? Vindt u deze tijd acceptabel? Bent u het eens dat het verstandig is deze tijd in relatief grote groepen zo kort mogelijk te houden?
Amv’s van 15 jaar of ouder worden gedurende de algemene asielprocedure opgevangen in een poa waar maximaal 80 amv’s terecht kunnen. Het doel binnen het amv-opvangmodel is om dit zo kort mogelijk (7 tot 9 weken) te laten duren en om de amv na afloop van de algemene asielprocedure door te laten stromen naar een kleinere opvangvoorziening. In de huidige situatie duurt het verblijf op de poa echter veel langer dan gewenst.
Wanneer wordt gekeken naar alle uitstroom vanaf de poa’s (dan gaat het bijvoorbeeld om jongeren die met onbekende bestemming vertrekken, verblijven in detentie of uitstromen naar Nidos vanwege vergunningverlening) én tot doorstroom naar de regio-opvang van het COA is de gemiddelde verblijfsduur op de poa (in dagen): 2019: 117, 2020: 120, 2021: 121. Daarbij moet wel aangetekend, dat de hogere instroom met name plaatsvond in de tweede helft van 2021. Deze amv’s zijn toen (grotendeels) nog niet doorgestroomd, dus dat effect is in deze cijfers (nog) niet te zien. Dit gaat naar verwachting wel doorwerken in de cijfers van 2022.
Wanneer enkel wordt gekeken naar de doorstroom van de poa’s naar de kwv’s en uitstroom naar Nidos (vanwege vergunningverlening of het plaatsen van jongeren in een opvanggezin of bij familie) is de gemiddelde verblijfsduur op de poa (in dagen): 2019: 164, 2020: 153, 2021: 159. Ook bij deze cijfers geldt bovengenoemde kanttekening.
Deze cijfers zijn exclusief de jongeren die vanaf de poa in Ter Apel niet doorstromen naar een poa, maar naar een andere opvangvorm. (zoals de kleinschalige woonvoorziening voor 13- en 14-jarigen).
Vindt u de huidige maximale groepsgrootte in de amv opvang (maximaal 20 kinderen in een kleinschalige woonvoorziening) acceptabel, nu in de Nederlands jeugdzorg juist wordt ingezet op veel kleinere groepen in het belang van het kind en hoe klein zijn deze groepen?
Binnen het amv-opvangmodel zijn er verschillende kleinschalige opvangvoorzieningen. Zo worden in de kleinschalige wooneenheid en kleinschalige woongroep van Nidos respectievelijk maximaal 4 en 12 amv’s opgevangen. Voor de kleinschalige woonvoorziening van het COA geldt inderdaad dat er maximaal 16–20 amv’s per locatie opgevangen kunnen worden. Hierbij geldt dat voor de verhoogde instroom van amv’s in 2021 lang niet altijd sprake was van een volledige bezetting op dergelijke locaties. Uit het recente WODC onderzoek naar de toekomstgerichte begeleiding van amv’s is naar voren gekomen dat een groepsgrootte van minder dan 20 personen in het algemeen als prettiger werd ervaren dan grotere groepen.3 Ik ben dan ook van mening dat kleinschalige opvang de voorkeur geniet. Mede gelet op de problematiek omtrent de doorstroom en het realiseren van nieuwe opvangplekken acht ik de huidige groepsgrootte van maximaal 20 kinderen in de kwv niet zonder meer onacceptabel.
In hoeverre lukt het het aantal verhuisbewegingen van amv's ook met de huidige druk op de opvang te beperken, zoals een van de doelstellingen was van het nieuwe opvangmodel voor amv's?
Die doelstelling staat nog steeds. In de Staat van Migratie 2021 is het meest recente aantal verhuisbewegingen opgenomen van kinderen, waaronder van amv’s. In deze rapportage was in 2020 sprake van een daling van het aantal verhuisbewegingen ten opzichte van 2019. Dit is vermoedelijk het gevolg geweest van de coronamaatregelen in 2020. De cijfers over 2021 worden gepubliceerd in de volgende Staat van Migratie. Deze cijfers zijn dus nog niet bekend, maar er wordt nu al wel rekening gehouden met een stijging van het aantal verhuisbewegingen van amv’s ten opzichte van het jaar ervoor, gezien de tekorten aan capaciteit in het afgelopen jaar en de dientengevolge inzet van kortdurende (nood)locaties.
Lukt het onder de huidige omstandigheden amv's zo snel mogelijk (maximaal binnen drie maanden) toegang te geven tot onderwijs? In hoeverre lukte dit de afgelopen jaren?
Tot nu toe krijgen alle amv’s die in de (nood)opvang verblijven, conform Europese regelgeving binnen 3 maanden maar indien mogelijk zelfs binnen 1 maand, toegang tot onderwijs. In de tijdelijke noodopvang in Leusden en Bodegraven was, vanwege de korte verblijfsduur (korter dan 3 maanden), geen onderwijs georganiseerd. Wel werden hier alternatieve activiteiten aangeboden.
In de afgelopen jaren is het vrijwel altijd gelukt om amv’s ruim binnen de 3 maanden termijn onderwijs aan te bieden. Een uitzondering betreft de poa Overloon/Grave, waar een wachtlijst is voor de regionale ISK. De onderwijshuisvesting is hier het voornaamste probleem. De betreffende gemeente en ISK zijn met elkaar in gesprek om tot een oplossing te komen.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de projecten die vanaf 2019 liepen op onderwijs aan amv's, met name ook voor de groep die geen verblijfsvergunning heeft? Hoe worden instellingen geholpen om voor hen kwalitatief en zinvol onderwijs aan te bieden?
Er lopen momenteel geen landelijke projecten specifiek gericht op onderwijs voor amv’s. Wel bestaan enkele lokale projecten die raken aan onderwijs, zoals een stageaanbod of workshops voor amv’s. Gebleken is dat de motivatie voor amv’s om naar school te gaan vaak ontbreekt hetgeen mogelijk voortkomt uit hoe het onderwijs is georganiseerd en zich verhoudt tot het toekomstperspectief van amv’s. Samen met betrokken partijen wordt daarom gesproken om te bezien wat praktisch en juridisch mogelijk is om knelpunten weg te nemen en aan behoeften te voldoen. Daarnaast hebben scholen en ISK’s de vrijheid om maatwerk te leveren aan amv’s.
Is inmiddels een duidelijk beeld van het schoolverzuim van amv's? Kunt u aangeven wat is gedaan om het schoolverzuim te verminderen en in hoeverre het schoolverzuim is afgenomen (met cijfers)? Als dit beeld er (nog steeds) niet is – waarom wordt dit niet beter in kaart gebracht?
Het is helaas niet mogelijk om via de Leerplichttelling en de verzuimcijfers bij DUO deze cijfers te leveren voor de doelgroep amv’s. Er wordt bij het in kaart brengen van de verzuimcijfers geen onderscheid gemaakt op basis van verblijfsstatus. Verzuimmeldingen worden in het voortgezet onderwijs en het mbo op leerlingniveau doorgegeven aan DUO. Ook voor amv’s geldt het standaardbeleid rond schoolverzuim. Ieder kind heeft recht op onderwijs, ongeacht de verblijfstatus of de achtergrond. Het beeld van schoolverzuim van amv’s wordt daarom niet anders in kaart gebracht dan andere leerlingen. Scholen zijn verantwoordelijk voor de aanpak van verzuim, de leerplichtambtenaar van de betrokken gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering en de handhaving van de Leerplichtwet 1969.
De jeugdbeschermer van Nidos is ervoor verantwoordelijk dat een amv zich aan de leer- of kwalificatieplicht houdt. De mentor van het COA motiveert de jongere om naar school te gaan. Verder werken Ingrado en Nidos met een aangepaste aanpak om schoolverzuim onder amv’s terug te dringen. Deze aanpak is beschreven in de Methodische Aanpak Schoolverzuim (MAS).
Op hoeveel locaties voor kleinschalige opvang worden actief lokale partners (zoals sportclubs, jongerenwerk, welzijnsorganisaties) betrokken om te zorgen voor dagbesteding en contact met de Nederlandse samenleving? In hoeverre worden op iedere locatie lokale onderwijs-, jeugdzorg- en GGZ-partners betrokken om kinderen te voorzien van noodzakelijke begeleiding? In hoeverre is het voorbeeld van de gemeente Utrecht, waar een convenant is afgesloten tussen COA/Nidos en deze lokale organisaties om te komen tot een gezond pedagogisch klimaat voor ieder kind, bruikbaar in andere gemeenten? Wilt u zich hiervoor inzetten?2
Op alle COA-locaties wordt bekeken in hoeverre lokale organisaties betrokken willen zijn en hoe de samenwerking kan worden ingericht. Dit geldt voor zowel de poa’s als de kleinschalige woonvoorzieningen (kwv’s). Mentoren bekijken in gesprek met de jongere waar de interesses liggen op het gebied van sport, dans, kunst etc. Jongeren worden begeleid om zich aan te melden bij een vereniging.
De kleinschalige opvang wordt zo maximaal mogelijk georganiseerd in regio-verband, juist ook om een sterk netwerk te kunnen organiseren. Op iedere locatie zijn met de lokale zorgketenpartners afspraken gemaakt, met als doel het welzijn/belang en de ontwikkeling van amv’s te bevorderen. Hiervoor zijn verschillende overlegstructuren ingericht, zoals het multidisciplinair overleg (MDO) en het individueel casusoverleg (ICO). Het doel van het MDO is om afstemming met de diverse (zorg)ketenpartners te bereiken over begeleiding en zorg van amv’s waar zorgen over zijn. Het ICO wordt ingesteld op het moment dat wordt vastgesteld dat de zorgen over een amv’s aanhoudend en/of acuut en/of dermate ernstig zijn dat een uitgebreide inhoudelijke bespreking met de betrokken partijen nodig is. In gezamenlijkheid wordt dan een plan van aanpak met betrekking tot opvang, begeleiding en zorg van de jongere opgesteld.
Ook bij Nidos is het actief inzetten van lokale partners de geldende werkwijze. Bij opvang op nieuwe locaties dient uiteraard wel eerst een netwerk en contacten te worden opgebouwd. Het inzetten van onderwijspartners gebeurt in alle gevallen en het inzetten van jeugdzorg en GGZ gebeurt wanneer dat individueel nodig is. Beiden staan bij de kleinschalige opvang voor vergunninghouders niet onder druk als gevolg van de verhoogde instroom. Nidos streeft naar lokale afspraken in iedere gemeente met kleinschalige opvang; «oudere» samenwerkingsafspraken of convenanten zoals uit Utrecht, zijn hierbij vaak een voorbeeld voor nieuwe verbanden.
Bent u het ermee eens dat een goede, persoonlijke band tussen mentoren en amv's en een duidelijk, integraal beeld van hoe het met de jongere gaat, kan helpen met het vroegtijdig signaleren van en mogelijk zelfs voorkomen van vertrek met onbekende bestemming? Wat is er de afgelopen jaren gedaan om deze band en dit beeld (verder) te versterken? Heeft de huidige druk op de opvang hieraan afbreuk gedaan?
Ik ben het ermee eens dat een band tussen mentoren van het COA en amv’s van meerwaarde kan zijn bij het signaleren van een mogelijk vertrek met onbekende bestemming (mob). Er zijn 24 uur per dag mentoren aanwezig. Zij brengen door middel van de amv-methodiek in kaart hoe het met de jongere gaat en welke vaardigheden en competenties hij heeft of nog moet ontwikkelen om zijn toekomst vorm te kunnen geven. Binnen de mogelijkheden die er bestaan wordt ingezet op het bespreken van de risico’s van het vertrek met onbekende bestemming, bijvoorbeeld ten aanzien van verblijf in de illegaliteit. Daarnaast wordt gewezen op de mogelijkheden die bestaan ten aanzien van terugkeer naar het land van herkomst. Ook onder de huidige druk, proberen de mentoren de jongeren zo goed mogelijk in beeld te hebben. De amv-opvang vindt echter niet plaats in een gesloten setting. Daardoor kan niet worden voorkomen dat de amv’s die echt willen vertrekken ook kunnen vertrekken. Een band tussen een mentor en een amv kan dus zeker een bijdrage leveren aan het signaleren dat een amv mob wil gaan en/of het investeren in het voorkomen hiervan, maar de stelling dat een dergelijke band tussen de jongere en de mentor een mob-vertrek in alle situaties zal verhinderen kan ik niet zonder meer volgen.
Wat is de gemiddelde caseload van amv voogden, nu en in vergelijking met de afgelopen jaren? Bent u van mening dat de voogden voldoende tijd hebben hun taken (zowel de juridische als de sociale begeleiding) adequaat te doen?
De caseloadnormering is gedifferentieerd naar opvangvormen en maatregel. Zo hebben de jeugdbeschermers in een POA locatie een lagere caseload dan de jeugdbeschermers die jongeren in een opvanggezin of in de kleinschalige opvang begeleiden. Een gemiddelde zegt daarom weinig. Wel is het zo dat over de gehele breedte momenteel veel jeugdbeschermers een te hoge caseload hebben. Dit heeft tot gevolg dat ze te weinig tijd hebben voor alle werkzaamheden en dat er een prioritering moet plaatsvinden waarbij contact en veiligheid voorop staan.
Hoe wordt de verlengde opvang voor amv's van 18 tot 21 jaar vormgegeven, nu er voor 2022 geld voor beschikbaar is? Wordt het effect van deze opvang op de jongeren en hun voorbereiding op zelfstandigheid/de toekomst gemeten voor het einde van het jaar? En (gezien de oproep van de VNG voor deze verlengde opvang) het effect op gemeenten? Zo nee, waarom niet?
De vrijgekomen middelen zullen aan gemeenten worden overgedragen aan de hand van een verdeelsleutel. Met deze middelen zullen de gemeenten zelf de benodigde afspraken kunnen maken met Nidos ten aanzien van de ex-amv’s met een status in hun gemeenten. Momenteel is de structurele financiering van de verlengde opvang nog onderwerp van gesprek en de vraag óf en de wijze waarop dit structureel vormgegeven zal worden, staat daarom nog niet vast. Wel acht ik het wenselijk om de verlengde opvang te zijner tijd te evalueren en daarbij is het van belang om zowel het effect op de jongeren als het effect op de gemeenten te betrekken. Dit hangt echter samen met de vraag óf en de wijze waarop de verlengde opvang structureel gefinancierd zal worden.
Worden jongeren zelf actief betrokken bij de (continue) verbetering van de opvang en voor de opzet van de verlengde opvang? Zo nee, waarom niet?
Participatie en inspraak is een belangrijk onderdeel van de methodische begeleiding van het COA. In de begeleidingsmethodiek is opgenomen om op elke locatie een jongerenraad (poa) en een huiskamervergadering (kwv) te organiseren. Daarnaast is in de begeleidingsplannen inspraak van de jongere van groot belang.
Nidos werkt met «Trusted Juniors», amv’s van diverse nationaliteiten en wonend in verschillende opvangvormen. Zij geven gevraagd en ongevraagd feedback over onderwerpen waaronder ook opvang. Bij de aanbesteding van de kleinschalige opvang zijn partijen voorts actief bevraagd op participatie van jongeren bij de opvang.
De verlengde opvang wordt momenteel geregeld op basis van afspraken tussen gemeenten en aanbieders. De opzet voor een structurele variant van de verlengde opvang bevindt zich nog niet in een fase van praktische voorbereiding en is, zoals ook vermeld in mijn antwoord op vraag 13, afhankelijk van de vraag óf en de wijze waarop dit structureel gefinancierd zal worden.
Afwijzingen kort verblijf familieleden Syrische Nederlanders. |
|
Sylvana Simons (BIJ1), Kati Piri (PvdA), Marieke Koekkoek (D66), Jasper van Dijk , Don Ceder (CU), Tunahan Kuzu (DENK), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Hoeveel aanvragen zijn in de afgelopen vijf jaar gedaan voor een kort verblijf in Nederland door Syriërs via een «bewijs garantstelling en particuliere logiesverstrekking»?
Ingevolge artikel 14 van de (EU) Visumcode1 moeten aanvragers van een kort verblijf (Schengen)visum aantonen dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikken voor de kosten van de (retour)reis en de kosten van het verblijf in Nederland. Een visumaanvrager kan dit ook aantonen met een «bewijs van garantstelling en/of particuliere logiesverstrekking» door een solvabele derde, bijvoorbeeld de referent in Nederland. Er is geen overzicht beschikbaar hoe vaak een dergelijk «bewijs van garantstelling en/of particuliere logiesverstrekking» is gebruikt, maar dit formulier wordt voornamelijk gebruikt voor het verblijfsdoel «familiebezoek». In de afgelopen vijf jaar (periode 01-01-2017 t/m 31-12-2021) zijn er 1.958 visumaanvragen voor kort verblijf ingediend met als verblijfsdoel «familiebezoek», door aanvragers met de Syrische nationaliteit (zie cijfers in bijlage 1, figuur 2).
Bij hoeveel van deze aanvragen voldeed de aanvrager aan de gestelde voorwaarden?
In de periode van 01-01-2017 t/m 31-12-2021 zijn er 9.222 visumaanvragen ingediend door personen met de Syrische nationaliteit, waarvan 4.143 zijn ingewilligd (een inwilligingspercentage van ongeveer 45%). Voor specifiek het verblijfsdoel «familiebezoek» zijn er in deze periode 1.958 visumaanvragen ingediend door personen met de Syrische nationaliteit, waarvan 497 aanvragen zijn ingewilligd (ongeveer 25%). T.a.v. de ingewilligde aanvragen is geoordeeld dat aan de bepalingen van de Visumcode is voldaan.
Wat was het afwijzingspercentage van aanvragen voor kort verblijf voor alle nationaliteiten? Wat is het afwijzingspercentage voor aanvragen voor kort verblijf specifiek voor Syriërs? Wat is het afwijzingspercentage voor aanvragen kort verblijf voor Syriërs die aan alle gestelde voorwaarden voldoen?
In de periode van 01-01-2017 t/m 31-12-2021 was het weigeringspercentage van alle visumaanvragen wereldwijd (ongeacht nationaliteit en verblijfsdoel) ongeveer 13%. Het weigeringspercentage voor personen in bezit van de Syrische nationaliteit (ongeacht verblijfsdoel) in deze periode bedroeg afgerond 55%.
Aanvragen voor een (Schengen) visum kort verblijf (max. 90 dagen per periode van 180 dagen) worden getoetst overeenkomstig de bepalingen van de Visumcode. Als aan alle voorwaarden (inclusief tijdige terugkeer, het niet gesignaleerd staan ter fine van weigering en er geen bezwaar van een andere lidstaat bestaat tegen de komst van de aanvrager) wordt voldaan, wordt een aanvraag ingewilligd. Het afwijzingspercentage van 55% betreft derhalve uitsluitend aanvragen waarbij niet aan alle voorwaarden werd voldaan.
Zie bijlage 1, figuren 5 en 6 voor de gebruikte weigeringsredenen voor afgewezen visumaanvragen van personen in het bezit van de Syrische nationaliteit in de periode van 1-1-2017 t/m 31-12-2021. Vaak worden meerdere weigeringsredenen gebruikt voor een visumaanvraag omdat er sprake is van een combinatie van weigeringsgronden.
De meest voorkomende weigeringsgronden voor Syrische aanvragers zijn:
Bovengenoemde weigeringsgronden zijn overigens ook de meest gebruikte weigeringsgronden voor andere nationaliteiten. In bijlage 2 vindt u een nadere omschrijving van de weigeringsgronden.2
Kunt u aangeven om welke redenen aanvragen, die aan alle voorwaarden voldoen, alsnog worden afgewezen? Speelt het «vestigingsgevaar» hierin een rol?
Zie ook het antwoord op vraag 3. Eén van de criteria voor het verlenen van een (Schengen) visum kort verblijf is inderdaad of de aanvrager het voornemen heeft het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór de geldigheidsduur van het aangevraagde visum verstrijkt. Hiervoor wordt onder meer gekeken naar de sociaaleconomische binding van betrokkene met het land van herkomst en/of bestendig verblijf. Dit wordt beoordeeld op individuele merites aan de hand van het aanvraagdossier.
Betekent de oorlogssituatie in Syrië dat voor inreizende familieleden in alle gevallen wordt aangenomen dat er geen of slechts een zwakke sociaal en economische band met het land van herkomst of verblijf bestaat? Bestaat een interne werkinstructie waarin dit is uitgewerkt? Zo ja, wilt u deze aan de Kamer doen toekomen?
Nee, zie ook het antwoord op vraag 4. In algemene zin is de burgeroorlog in Syrië uiteraard van grote invloed op de sociaaleconomische omstandigheden van Syriërs. Alle visumaanvragen worden echter op hun eigen merites beoordeeld overeenkomstig de bepalingen van de Visumcode. De meeste visa van Syriërs worden aangevraagd vanuit (buur)landen uit de regio, waarbij geldt dat sommige Syriërs hiervoor op en neer reizen vanuit Syrië en anderen zich (al dan niet tijdelijk) in deze landen hebben gevestigd.
Bent u het eens dat, als aanvragers aan alle voorwaarden voldoen, het uitgangspunt dient te zijn dat de vergunning wordt verleend, tenzij er zwaarwegende redenen zijn dit niet te doen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het uitgangspunt is inderdaad dat een visum kan worden verleend als aan alle voorwaarden van de Visumcode wordt voldaan. Indien niet aan alle voorwaarden wordt voldaan biedt de Visumcode op grond van artikel 25 aan lidstaten de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen een territoriaal beperkt «kort verblijf» visum te verstrekken voor de duur van maximaal 90 dagen in een periode van 180 dagen, wanneer zij dat op humanitaire gronden, vanwege het nationale belang of gelet op internationale verplichtingen, noodzakelijk achten. Dit artikel biedt echter geen ruimte om af te wijken van de voorwaarde dat het voornemen moet bestaan om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Nederland verstrekt daarom geen (territoriaal beperkte) Schengenvisa voor kort verblijf aan personen als ten tijde van de beoordeling van de visumaanvraag gerede twijfel bestaat aan de tijdige terugkeer na afloop van hun visum.
Bent u ook van mening dat elke aanvraag individueel moet worden beoordeeld? Zo ja, kunt u aangeven en onderbouwen of dat de afgelopen jaren ook de praktijk is geweest? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verklaart u dan dat er zoveel aanvragen worden afgewezen, terwijl wel aan alle voorwaarden wordt voldaan?
Ja, zie ook de antwoorden op vraag 4 en vraag 5. Visumaanvragen worden op hun eigen merites beoordeeld. Dat is het uitgangspunt en de staande praktijk bij de beoordeling van (Schengen)visumaanvragen voor kort verblijf. Het algemene gemiddelde weigeringspercentage bij visumaanvragen voor NL bedroeg in de periode van 01-01-2017 t/m 31-12-2021 ongeveer 13%. Voor aanvragers met de Syrische nationaliteit bedroeg het weigeringspercentage 55%. Zoals figuur 5 in bijlage 1 laat zien is daarbij vaak sprake van onvoldoende binding met het land van herkomst of bestendig verblijf en twijfel aan tijdige terugkeer.
Erkent u dat er objectieve belemmeringen bestaan voor het uitoefenen van het gezins- of familieleven voor Syriërs die hier asiel hebben gekregen? Erkent u dat een kort bezoek naar Nederland de enige mogelijkheid kan zijn waarop mensen elkaar kunnen zien of deel uit kunnen maken van belangrijke levensgebeurtenissen?
Voor de beantwoording van deze vraag is het belangrijk om onderscheid te maken tussen gezinsleden en overige familieleden van Syrische Nederlanders/ statushouders. Gezinsleden (partners, minderjarige kinderen en afhankelijke meerderjarige kinderen) kunnen op basis van gezinshereniging (reguliere gezinshereniging of gezinshereniging in het kader van nareis asiel) naar Nederland komen, hiervoor kan een lang verblijf visum worden aangevraagd. In de Nederlandse situatie is dat een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Voor gezinsleden is er derhalve geen belemmering. Voor overige familieleden geldt dat zij voor een bezoek aan Nederland een (Schengen) visum kort verblijf moeten aanvragen waarbij getoetst wordt aan de voorwaarden zoals beschreven in de Visumcode.
Bent u van mening dat de menselijke maat voldoende wordt toegepast bij het beoordelen van deze visumaanvragen?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 6 v.w.b. de mogelijkheid in uitzonderlijke gevallen een visum te verstrekken op humanitaire gronden. Personen die om humanitaire redenen moeten reizen zijn gedurende de coronapandemie bovendien uitgezonderd van het EU-inreisverbod.
Wat kunnen Syriërs, die aan alle voorwaarden voldoen om hun familieleden uit te nodigen voor kort verblijf, doen om te zorgen dat zij hun familieleden alsnog kunnen zien?
Een Syrische Nederlander of (asiel) statushouder kan een visumaanvraag voor een familielid ondersteunen d.m.v. een «bewijs van garantstelling en/of particuliere logiesverstrekking», maar bij de beoordeling van de visumaanvraag zullen onder andere ook de individuele omstandigheden van de visumaanvrager worden betrokken, om te beoordelen of tijdige terugkeer aannemelijk is. Indien aan alle bepalingen van de Visumcode wordt voldaan, wordt een visum verleend.
Zie het antwoord op vraag 8 voor de overige mogelijkheden.
Figuur 1: Totaal aantal aanvragen voor een kort verblijf (Schengen) visum per jaar van aanvragers met de Syrische nationaliteit, voor alle verblijfsdoelen.
Figuur 2: Aantal aanvragen voor een (Schengen) visum kort verblijf per jaar van aanvragers met de Syrische nationaliteit met verblijfsdoel «familiebezoek».
Figuur 3: Aantal ingewilligde visa (inclusief VTBG) voor een (Schengen) visum kort verblijf per jaar van aanvragers met de Syrische nationaliteit, voor alle verblijfsdoelen.
Figuur 4: Aantal ingewilligde visa (inclusief VTBG) voor een (Schengen) visum kort verblijfper jaar van aanvragers met de Syrische nationaliteit met verblijfsdoel familiebezoek.
Figuur 5: Aantal keer dat een weigeringsreden is gebruikt in geweigerde aanvragen van 1-1-2017 t/m 31-12-2021 van aanvragers met de Syrische nationaliteit voor alle verblijfsdoelen gezamenlijk.
Figuur 6: Aantal keer dat een weigeringsreden is gebruikt in geweigerde aanvragen van aanvragers met de Syrische nationaliteit met verblijfsdoel «familiebezoek».
Hoe beziet u de noodzaak voor een tijdelijke, urgente set maatregelen op dit moment, nu de druk op de grens door diplomatieke druk en samenwerking met derde landen juist lijkt af te nemen?
Het kabinet volgt de situatie aan de grenzen met Belarus nauwlettend en acht daarbij het oordeel van de Europese Commissie ten aanzien van de beoordeling van de situatie van groot belang. Het kabinet is van mening dat de Commissie kan worden gevolgd in haar beoordeling van de situatie en dat deze optreden vanuit de EU rechtvaardigt.
Het klopt dat vanwege diplomatieke druk en samenwerking met derde landen er minder vluchten naar Minsk plaatsvinden vanuit diverse derde landen en ook de pogingen tot oversteken van de grens gedaald zijn. Het kabinet ziet deze inspanningen complementair aan het voorstel betreffende de noodmaatregelen op basis van art. 78(3). Het aantal pogingen om de EU-grens over te steken in Polen, Litouwen en Letland is onder meer door deze acties gedaald. Echter, in de periode 20 december 2021 – 9 januari 2022 zijn er nog 1.897 pogingen om de grens irregulier over te steken verhinderd door de betrokken lidstaten. Er is zodoende nog steeds sprake van een verhoogde instroom, wanneer dit wordt afgezet tegen de instroom in voorgaande jaren.
De instroom is in relatief korte periode sterk gestegen, zeker wanneer dit wordt afgezet tegen de tijd die nodig is om nationale asielsystemen te versterken en uit te breiden. De regeling ziet tevens op assistentie bij de afhandeling van de asielverzoeken van de migranten die de afgelopen maanden binnenkwamen en is dus ook de eerste maanden na de piek in de instroom van nut. Ook weegt in die beoordeling mee dat de regeling expliciet bepaalt dat Letland, Litouwen en Polen de artikelen die de mateiële effecten op de procedure beschrijven (de artikelen 2, 3, 4 en 5) niet langer mogen toepassen dan strikt noodzakelijk is om de door Belarus veroorzaakte noodsituatie aan te pakken, en in geen geval langer dan de in artikel 10 vastgestelde termijn van zes maanden.
In hoeverre bent u het eens met de uitspraak van de Europese Commissie (EC) dat deze maatregelen er moeten komen omdat er sprake is van een ongekende [«unprecedented»] situatie, terwijl er aan andere Europese buitengrenzen meer migranten en vluchtelingen wachten – en bovendien al veel langer?
De afgelopen jaren zijn er amper pogingen geweest om de Unie irregulier in te reizen via Belarus. In de zomer van 2021 namen deze aantallen echter onverwacht enorm toe, door toedoen van het Belarussisch regime dat poogde de EU onder druk te zetten. Hierdoor ontstond een nieuwe migratieroute die nog altijd druk legt op de asielcapaciteit van lidstaten die niet ingericht zijn op een dergelijke instroom. In dit licht stelt de Commissie dan ook in het voorstel dat sinds de zomer van 2021 er sprake is van «an unprecedented increase in irregular border crossings from Belarus». Het kabinet onderschrijft deze analyse.
Is er volgens u nu sprake van een crisissituatie aan de grens met Belarus, zoals bedoeld in artikel 78, lid 3, VWEU?1 Welke onderbouwing is daarvoor? Kunt u zo gedetailleerd mogelijk uitleggen in hoeverre artikel 78, lid 3, VWEU waaraan de EC refereert voldoende juridische basis heeft voor zulke verregaande maatregelen?
In het BNC-fiche is het kabinet ingegaan op de bevoegdheid die de Commissie en Raad hebben op basis van artikel 78, lid 3, VWEU en aangegeven deze bepaling van toepassing te achten op de huidige situatie. Daarbij is gewezen op de rechtspraak van het Hof van Justitie2, die de Commissie ook aanhaalt in het voorstel. Daarin heeft het Hof geoordeeld dat het begrip voorlopige maatregelen in de zin van artikel 78, lid 3, VWEU ruim genoeg moet worden opgevat om de instellingen van de Unie de mogelijkheid te bieden, alle voorlopige maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om doeltreffend en snel te reageren op een «noodsituatie ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen». Volgens het Hof moet deze noodsituatie worden begrepen in de zin van het vereiste van een voldoende nauwe band tussen de betrokken noodsituatie en de plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen. Om deze band vast te stellen, kan bijvoorbeeld gekeken worden naar de aanzienlijke druk op het asielstelsel in de betreffende landen en de toestroom van migranten in een bepaalde periode.3 Daaraan is hier voldaan, zoals volgt uit het voorstel. Zo heeft de Commissie gemotiveerd dat Letland, Litouwen en Polen sinds de zomer van 2021 te maken hebben met een plotselinge toestroom van derdelanders die illegaal hun grenzen overschrijden, waar dat daarvoor niet het geval was (zie bijvoorbeeld overwegingen 2, 4 en 15). De asielstelsels van deze landen waren daar dan ook niet op ingesteld.
Kunt u aangeven waarom het kabinet deze keer wel meedoet aan noodmaatregelen zonder uitzicht op een structurele oplossing, terwijl in het verleden meermaals werd aangegeven dat «Nederland pleit voor structurele oplossingen» en werd volgehouden dat «…zonder perspectief op een [structurele] oplossing zal Nederland niet meer deelnemen aan ad hoc maatregelen»?2
De belangrijkste onderdelen van de noodmaatregelen vormen geen uitzondering op het acquis, maar een explicitering van uitzonderingsclausules die in het bestaande acquis of de voorstellen daartoe van de Europese Commissie van september 2020 zijn verwoord of sluiten aan bij de ideeën van het kabinet over de voorstellen van de Commissie. Dat geldt bijvoorbeeld voor de mogelijkheid bepaalde onderdelen van de terugkeerrichtlijn buiten toepassing te laten in zaken waarbij de grens illegaal is overschreden (een bepaling die Nederland ook heeft geïmplementeerd), voor de mogelijkheden tijdelijk een minimaler pakket aan opvangmaatregelen te hanteren en ook voor de mogelijkheid om de grensprocedure, inclusief de beroepsfase, een periode van 16 weken te laten duren. Dit sluit aan bij de gesprekken die daarover tussen Raad en Commissie worden gevoerd. Tot slot sluit de uitbreiding van de grensprocedure (tot in beginsel alle asielaanvragen, ongeacht de nationaliteit, die worden ingediend aan de grens) aan bij de beoordeling van het kabinet van de voorstellen van de Europese Commissie die in het BNC-fiche is verwoord. Dit is ook de werkwijze die Nederland tot 2015 hanteerde.
Overigens heeft de Europese Commissie op 14 december 2021 een voorstel gepubliceerd voor een verordening waarin situaties van instrumentalisering van migratie en asiel worden geadresseerd. Met dat voorstel wil de Commissie, in aanvulling op de voorstellen voor het migratiepact van 23 september 2020, het kader vastleggen om ook in de toekomst snel het hoofd te kunnen bieden aan instrumentalisering van migranten. Hiermee komt de Commissie tegemoet aan de algemene Nederlandse wens voor structurele oplossingen. Het kabinet zal het voorstel voor de verordening beoordelen en uw Kamer binnen de gebruikelijke termijnen informeren, middels een BNC-fiche.
Welke verwachtingen heeft u van de doeltreffendheid van de voorgestelde maatregelen, nu Polen al heeft aangegeven hier eigenlijk niet op zitten te wachten? Wordt zo geen tijd en energie verspild aan een voorstel dat geen oplossing biedt, terwijl ook gewerkt kan worden aan structurele oplossingen?
Het kabinet is het in zijn algemeenheid niet eens met de visie dat tijd en energie wordt verspild aan onderhandelingen over voorstellen wanneer de lidstaten verschillende standpunten hebben. Het kabinet verwijst verder naar het antwoord op vraag 4.
In hoeverre wordt de tijdelijkheid van het voorstel (zes maanden) geborgd als de EC in haar voorstel al schrijft dat de maatregelen blijven gelden voor mensen uit derde landen die na die zes maanden nog niet zijn teruggekeerd? Welke (juridische) consequenties heeft dit?
Zoals reeds benoemd in antwoord op vraag 4 zijn de maatregelen voor wat betreft het terugkeerproces niet nieuw, maar een explicitering van een mogelijkheid om de terugkeerrichtlijn buiten toepassing te laten in zaken waarin de grens illegaal is overschreden. Dat dit kan voortduren, is dus niet een effect van de regeling, maar een mogelijkheid die deze lidstaten hoe dan ook hebben.
Hoe gaat u de EC houden aan de tijdelijkheid van deze noodmaatregelen? Kan de Kamer erop rekenen dat een eventuele verlenging van deze maatregelen, of de inzet van deze maatregelen op andere plaatsen, door het kabinet zal worden afgewezen?
Het besluit zal na de inwerkingtreding in geen geval langer dan zes maanden van toepassing zijn. Zoals in het fiche is verwoord, zal de Commissie voor het verstrijken van die termijn de situatie regelmatig opnieuw beoordelen en kan zij de Raad voorstellen de toepassing van de in het voorstel vervatte maatregelen te verlengen of in te trekken. De Raad dient daarover te besluiten. Het kabinet acht adequate monitoring van deze maatregelen van groot belang en zal elk voorstel van de Raad op zijn merites beoordelen en uw Kamer daarover informeren.
Hoe duidt u in dit verband het feit dat Oostenrijk nu ook «hybride aanvallen» aanvoert als reden om detentie aan de grens verder uit te breiden?3
Het kabinet doet geen uitspraken over de Oostenrijkse positie in besloten EU-vergaderingen.
In algemene zin kan over het Nederlands standpunt het volgende worden toegelicht. In het BNC-fiche naar aanleiding van het voorstel voor de nieuwe Procedureverordening is reeds gemeld dat de grensprocedure uitgebreid zou moeten worden en van toepassing dient te zijn op alle gevallen, ook in situaties wanneer er geen sprake is van hybride aanvallen. Dit kan de efficiëntie van grensprocedures bevorderen, en kan de integriteit van de grensbewaking versterken. Afhankelijk van de geografische mogelijkheden, kan detentie noodzakelijk zijn om ongeautoriseerde toegang tot de EU te voorkomen. Dat is ook onderdeel van de voorstellen van de Commissie, en overigens ook onderdeel van het staande acquis, dat ook de mogelijkheid van een grensprocedure bevat.
Kunt u aangeven in welke mate de tijdelijke noodmaatregelen zijn overgenomen, dan wel als basis zijn gebruikt voor de herziening van de Schengen Grenscode, specifiek het voorstel voor een verordening ter adressering van de instrumentalisering van migratie en asiel?4
Over het voorstel voor een Raadsbesluit betreffende voorlopige noodmaatregelen ten behoeve van Letland, Litouwen en Polen is nog niet door de Raad beslist. Deze is ook niet als basis gebruikt voor het voorstel tot herziening van de Schengengrenscode. Wel zijn in het voorstel voor herziening van de Schengengrenscode bepalingen opgenomen die raken aan instrumentalisering van migratie en de buitengrenzen. Het voorstel voor een verordening ter adressering van de instrumentalisering van migratie en asiel (COM 2021 890) dat tegelijkertijd met het voorstel tot herziening van de Schengengrenscode is gepresenteerd is inderdaad gebaseerd op het voorstel voor noodmaatregelen voor Letland, Litouwen en Polen. Zie tevens het antwoord op vraag 4.
Uw Kamer wordt over de kabinetsinzet ten opzichte van beide voorstellen geïnformeerd middels het BNC-traject.
In hoeverre blijven de terugkeerrichtlijnen en de maximumtermijn voor detentie voor minderjarigen onder deze noodmaatregelen van kracht? Bent u bereid u ervoor in te zetten dat de richtlijnen voor minderjarigen onder deze noodmaatregelen onveranderd blijven? Zo nee, waarom niet?
Voor minderjarigen die onder de terugkeerrichtlijn vallen geldt onverkort dat zij slechts in laatste instantie, en voor een zo kort mogelijke periode in bewaring worden gesteld (zie artikel 17, lid 1, van de terugkeerrichtlijn). De behandeling van minderjarigen die buiten het toepassingsgebied van de terugkeerrichtlijn vallen mag niet ongunstiger zijn dan deze bepaling voorschrijft (zie artikel 4, lid 4, onder a van de terugkeerrichtlijn). Zoals aangegeven sluiten de maatregelen van dit voorstel aan bij het staande acquis, in de zin dat uitdrukkelijk wordt gewezen op de mogelijkheden die reeds bestaan om de terugkeerrichtlijn buiten toepassing te laten in deze lidstaten, met uitzondering van een aantal bepalingen. De voorstellen brengen geen verandering in de richtlijnen voor minderjarigen, nu ambtshalve bekend is dat Polen, Litouwen en Letland al van deze mogelijkheid gebruikmaken.
Kunt u aangeven in hoeverre de beoogde registratiepunten voor het vragen van asiel op Pools, Litouws of Lets grondgebied zijn gevestigd? Hoe wordt omgegaan met asielzoekers die buiten deze registratiepunten om EU-grondgebied hebben weten te bereiken? Bent u bereid te zorgen dat zij niet worden gedwongen om terug te keren naar het grondgebied van Belarus om vandaaruit zich te melden bij deze punten?
De aanmeldpunten bevinden zich op het grondgebied van de lidstaten. Het is krachtens artikel 5 van de Schengengrenscode niet toegestaan de grens anders dan via een aanmeldpunt, oftewel een grensdoorlaatpost te overschrijden. De voorstellen brengen daar geen wijziging in aan, en er zal in lijn moeten worden gehandeld met het EVRM en de jurisprudentie van het EHRM, waaraan ook deze lidstaten zijn gebonden.
Hoe verhoudt deze inzet van de EC zich tot de rol die de EC heeft ten aanzien van Polen, waar pushbacks en andere misstanden in het grensgebied maar door lijken te gaan?5 Waarom leidt deze houding van Polen tot het afzwakken van het asielrecht, in plaats van een duidelijker optreden tegen Polen?
Zoals in het BNC-Fiche benoemd, presenteerde de Europese Commissie het voorstel naar aanleiding van de conclusies van de Europese Raad van 21-22 oktober waarin zij werd opgeroepen om alle nodige wijzigingen van het EU rechtskader voor te stellen om een onmiddellijk en gepast antwoord te bieden op de situatie aan de grens met Belarus, conform het EU-recht en internationale verplichtingen inclusief de grondrechten. De Commissie geeft in het voorstel aan dat deze maatregelen de betrokken lidstaten in staat dienen te stellen snelle en ordelijke processen op te zetten om de situatie te beheersen, met volledige inachtneming van fundamentele rechten en internationale verplichtingen, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement. Het voorstel is gericht op het beter om kunnen gaan met de situatie van een plotselinge verhoogde instroom door instrumentalisatie van migratie door Belarus.
De afgelopen maanden is door de Commissie in de richting van Polen overigens veelvuldig gewezen op het belang van het naleven van het EU-acquis en transparantie over de situatie aan de grens. Commissaris Johansson is doorlopend in nauw contact met de betrokken lidstaten en heeft onderstreept dat het naleven van Europees en internationaal recht essentieel is en er geen sprake mag zijn van pushbacks. Ook heeft zij terecht in debat met het Europees Parlement benoemd dat bij het beschermen van de gemeenschappelijke EU-buitengrens, ook de EU-waarden en het EU-acquis dienen te worden beschermd.
Wat is de stand van zaken van het overleg van de EC met Polen, Letland en Litouwen over het intrekken van nationale wetgeving die pushbacks in strijd met het Unierecht trachten te legaliseren? Gelden deze nationale wetten nog steeds? Zo ja, bent u bereid om deze EU-lidstaten hierop aan te spreken en zo nodig aan bijstand de voorwaarde te verbinden dat deze wetten moeten worden ingetrokken? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om bij de EC aan te dringen op het starten van inbreukprocedures indien deze landen blijven weigeren om hun nationale wettten die pushbacks legaliseren in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Het toetsen van nationale wetgeving van EU-lidstaten aan het EU-recht is toebedeeld aan de Europese Commissie als hoedster van de verdragen en uiteindelijk aan het EU Hof van Justitie. Zoals in antwoord op vraag 12 aangegeven is Commissaris Johansson doorlopend in nauw contact met de betrokken lidstaten en heeft zij onderstreept dat het naleven van Europees en internationaal recht essentieel is, er geen sprake mag zijn van pushbacks en transparantie van het grootste belang is. Dit heeft er vooralsnog niet toe geleid dat wetgeving is aangepast.
Grensbeheer dient te allen tijde plaats te vinden conform internationaal en Europees recht, met respect voor mensenrechten, het recht op aanvragen van asiel en met inachtneming van het principe van non-refoulement. Daar dringt het kabinet bij de betreffende lidstaten reeds met regelmaat op aan, zowel in EU-verband als in bilateraal gesprekken. Zo heeft de voormalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de afgelopen maanden diverse gesprekken gevoerd met haar Poolse, Litouwse en Letse collega’s. Tegelijkertijd is de situatie aan de grenzen met Belarus buitengewoon complex, en hecht het kabinet belang aan de eveneens in het internationale recht erkende verantwoordelijkheid en in Europese regels neergelegde verplichting van Europese lidstaten om de grenzen te beschermen. Ook dat draagt Nederland uit in bilateraal en EU-verband.
Bovenstaande lijn zal Nederland tevens uitdragen tijdens de Conferentie over Europees grensbeheer in Litouwen, waar de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 21 januari aan zal deelnemen. Uw Kamer wordt hierover in de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 2-3 februari nader geïnformeerd.
Kunt u aangeven hoe u zich richting de EC gaat inzetten om te zorgen dat de humanitaire waarborgen en waarborgen uit de opvang- en terugkeerrichtlijnen en het recht op asiel worden nageleefd, met name gezien de gebrekkige track record van Polen op dit vlak? Kan ervan uit worden gegaan dat Nederland deze voorstellen niet meer steunt als deze waarborgen niet worden nageleefd?
De Commissie is, als hoedster van de verdragen, verantwoordelijk voor het toezien op de naleving van EU-recht. Het kabinet onderschrijft het belang van waarborging van het recht op asiel, en zal bij de behandeling van het voorstel het belang van zorgvuldige monitoring benadrukken.
Het kabinet wijst erop dat de humanitaire ondergrenzen niet onderhandelbaar zijn, en heeft het belang van humanitaire toegang tot het grensgebied benadrukt in internationale gremia en bilaterale besprekingen, zoals de voormalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid recent gedaan heeft tijdens de JBZ-Raad van 9-10 december jl.
Kunt u bovenstaande vragen individueel te beantwoorden?
Ja.
Kunt u bovenstaande vragen (gezien het spoedeisende karakter van de behandeling) uiterlijk binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord. In Raadsverband is op dit moment nog geen besluitvorming over het voorstel inzake deze noodmaatregelen voorzien. Indien dit wel het geval is wordt uw Kamer daarover zoals gebruikelijk geïnformeerd.
Het bericht dat de politie onschuldige asielzoekers aan strafrechtelijke informatie koppelde |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Lisa van Ginneken (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (VVD), Ferdinand Grapperhaus (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Politie koppelde onschuldige asielzoekers aan strafrechtelijke informatie»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de politie persoonsgegevens van asielzoekers koppelde aan strafrechtelijke informatie? Zo ja, op welk moment was de politie op de hoogte van het feit dat persoonsgegevens van asielzoekers doorzoeken volgens de privacywet AVG niet mag? Bleef de politie er na dat moment nog mee doorgaan? Zo ja, waarom?
De politie (bij de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM)) heeft in het kader van de haar toegekende wettelijke taken en bevoegdheden van een aantal asielzoekers gegevens van de telefoons uitgelezen. Niet alle gegevensdragers van alle asielzoekers werden uitgelezen. Er vond een selectie plaats op basis van een handmatige controle. Dat betekent dat alleen van een selecte groep asielzoekers de gegevens zijn vergeleken met reeds beschikbare opsporingsinformatie op het terrein van terrorisme en mensenhandel-/-smokkel.
Bij aanvang van het project Athene in 2016 viel deze gegevensverwerking, waaronder de vergelijking met opsporingsdata, in zijn geheel onder de Wet Politiegegevens (Wpg). Met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet politiegegevens in januari 2019 is deze verwerking van het project Athene onder de Algemene verordening gegevensbescherming komen te vallen.
Binnen het project Athene werden opsporingsgegevens geautomatiseerd verstrekt aan AVIM. Politie heeft zich bij de verandering van het privacy regime niet tijdig genoeg gerealiseerd dat deze verwerking niet langer op dezelfde wettelijke basis berustte. Dat besef kwam dankzij de uitvoering van een Data Protection Impact Assessment (DPIA)2 die in november 2021 binnen AVIM als onderdeel van een korpsbreed programma is gedaan. Toen werd duidelijk dat de opsporingsgegevens (die vallen onder de Wpg) die geautomatiseerd werden verstrekt in het kader van het Athene-project, niet voor de vreemdelingentaken van AVIM (die vallen onder de AVG) gebruikt hadden mogen worden, omdat hier geen grondslag voor was in de Wpg.
Dit is dan ook de aanleiding geweest voor het stopzetten van het project en het laten vernietigen van alle door AVIM eerder ontvangen opsporingsinformatie in het kader van het project Athene.
Wat verstaat de politie onder «verdachte informatie», waarop de telefoons werden doorzocht?
Omdat het hier gaat om het vaststellen van de identiteit en/of nationaliteit van de aanvrager en beoordeling van de aanvraag in relatie tot nationale veiligheid, wordt in deze specifieke kwestie als «verdachte informatie» gezien het in bezit hebben van foto’s van meerdere verschillende identiteitspapieren of foto’s, filmbeelden, contactgegevens en locatiegegevens die betrokkenheid bij een gewapende strijd dan wel mensenhandel/-smokkel doen vermoeden.
Is de verzamelde data nog steeds beschikbaar in de systemen van de politie? Zo ja, kunt u garanderen dat deze data niet alsnog gebruikt zal worden door overheidsinstanties, noch in de beoordeling van de asielverzoeken die het betreft? Wat wordt er met deze data gedaan?
De politie heeft in november 2021 het project stopgezet en de verkregen data uit de database Athene vernietigd. Verder heeft de politie mij bericht dat de eerder verkregen gegevens niet zijn gedeeld met andere instanties.
Kunt u aangeven in hoeverre deze verzamelde data heeft bijgedragen aan een strafrechtelijk onderzoek of veroordeling? Zo ja, hoe vaak is dit het geval geweest?
Op basis van de resultaten van het jaar 2021 zijn in totaal twintig signalen geweest op basis waarvan AVIM op grond van de AVG artikel 6, eerste lid, onder c dan wel onder e, informatie aan de opsporing binnen de politie heeft verstrekt ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek. Volgens de politie heeft dit in geen van deze gevallen geleid tot het starten van een strafrechtelijk onderzoek, hetgeen niet wil zeggen dat deze informatie niet heeft bijgedragen aan het opwaarderen van de informatiepositie van de opsporing.
Hebben de asielzoekers van wie de telefoon in beslag is genomen, gedurende de inbeslagname een vervangende telefoon gekregen? Deelt u de mening dat asielzoekers die alleen aankomen een communicatiemiddel zouden moeten hebben?
Van de gegevensdragers waarvoor aanleiding bestond deze nader te onderzoeken als onderdeel van het Identificatie & Registratieproces (I&R-proces) zijn kopieën gemaakt van de data. De telefoons worden in beginsel binnen 24 uur weer aan de eigenaar teruggegeven.
Bent u op de hoogte van het feit dat de politie door wil gaan met handmatig controleren van telefoons van asielzoekers? Zo ja, hoe apprecieert u dit?
Het is van belang dat de politie de data die is vastgelegd op gegevensdragers kan controleren als onderdeel van het I&R-proces. Gegevensdragers kunnen informatie bevatten die relevant is voor het vaststellen van de identiteit en/of nationaliteit van een asielzoeker. Het inzien van gegevensdragers is niet alleen van belang voor de beoordeling van een asielaanvraag maar ook ter bestrijding van mensenhandel en -smokkel en terrorisme. De Inspectie van Justitie en Veiligheid onderschreef dit belang ook in haar rapport uit 2016 dat met uw Kamer is gedeeld.3
Bent u zich bewust van het feit dat asielzoekers weinig inspraak hebben in deze praktijk omdat ze verplicht zijn mee te werken als ze een asielprocedure willen starten? Wat zijn de gevolgen als een asielzoeker weigert een telefoon af te staan?
Voor de in antwoord 7 genoemde doelen kan het noodzakelijk zijn gegevensdragers te controleren. Het weigeren om een telefoon af te staan is op grond van de verwijzing van artikel 108, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 naar artikel 55 van die wet een strafbare overtreding. Ik ben dusver niet bekend met gevallen waarin medewerking is geweigerd.
Bent u op de hoogte van het advies van de Raad van State dat er wettelijke waarborgen moeten komen voor het verzamelen, gebruiken en opslaan van gegevens van asielzoekers? Klopt het dat u dit advies naast u neer legt? Zo ja, waarom? Deelt u de mening dat verzamelen van persoonsgegevens altijd zo veel mogelijk beperkt zou moeten worden? Bent u alsnog bereid het advies van de Raad van State op te volgen en te zorgen voor wettelijke waarborgen?
Ik ben op de hoogte van het betreffende advies van de Raad van State.4 Zoals te lezen is in het nader rapport waarin is gereageerd op het advies neem ik het advies van de Raad van State ter harte.
Ik deel de mening dat verzamelen van persoonsgegevens altijd zo veel mogelijk beperkt zou moeten worden. Dat vloeit ook voort uit het gegevensbeschermingsrecht.
Artikel 55, tweede lid, en artikel 107 a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 laten alleen verwerking toe voor zover dit nodig is voor de beoordeling van de asielaanvraag onderscheidenlijk voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor onder meer de doelmatige en doeltreffende uitvoering van de toelating en het verblijf van vreemdelingen. Ter waarborging van de persoonlijke levenssfeer wordt artikel 107a van de Vreemdelingenwet 2000 nader uitgewerkt in de artikelen 7.1a tot en met 7.1d van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.
Voorts bestaat op grond van artikel 55, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 onder andere de bevoegdheid om bagage van een vreemdeling te doorzoeken met het oog op eventuele aanwezigheid van reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. In een uitspraak van 11 april 2012 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat het uitlezen van een simkaart vergelijkbaar is met het kopiëren van de in artikel 55, tweede lid, bedoelde papieren, documenten en bescheiden.5 De regering gaat er, zoals opgemerkt in het nader rapport, vanuit dat deze uitspraak ook geldt voor het inzien van andere digitale gegevensdragers. Net als het uitlezen van de simkaart is dat immers vergelijkbaar met het kopiëren van papieren, documenten en bescheiden als bedoeld in die uitspraak. Hoewel de bevoegdheid om digitale gegevensdragers in te zien en uit te lezen bestaat, is het passend dit op een geschikt moment te verduidelijken in de wetstekst van artikel 55, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000. Dit is ook in het nader rapport aangegeven.
Welke voorwaarden zijn er voor het doen van proefprojecten zoals Athene en hoe worden die vooraf en tijdens de uitvoering gecontroleerd? Bent u bereid de Kamer te informeren als er ontwikkelingen zijn op het gebied van deze proefprojecten?
Proefprojecten in het I&R-proces moeten voldoen aan de Vreemdelingenwet 2000 die voor wat betreft de gegevensbescherming onder het regime van de AVG vallen. In praktijk zal voor elk proefproject in de regel een DPIA opgesteld moeten worden. Ik informeer uw Kamer regelmatig over de stand van zaken rondom het verbeteren van het I&R-proces.6 Eventuele ontwikkelingen met betrekking tot proefprojecten zal ik hierin meenemen.
Het bericht dat de toename van coronabesmettingen in Goes veroorzaakt is door een uitbraak in de noodopvang |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat een toename van coronabesmettingen in Goes veroorzaakt is door een uitbraak in de noodopvang?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de gezondheidssituatie voor asielzoekers in Ter Apel en de verschillende locaties voor noodopvang?
De actuele situatie in Ter Apel en in de noodopvang is niet ideaal en vergroot het risico op gezondheidsklachten in zijn algemeenheid, en verspreiding van het coronavirus specifiek, omdat er relatief veel mensen in ruimtes bij elkaar zijn. De toegang tot zorg is ook voor deze bewoners geregeld.
Op alle COA-locaties gelden verschillende voorzorgsmaatregelen om verspreiding van het coronavirus te voorkomen. Zo informeren COA-medewerkers de bewoners over het coronavirus, de maatregelen die het COA treft en wat bewoners zelf kunnen doen om besmetting te voorkomen. Via MyCOA, de website speciaal voor asielzoekers, worden bewoners in alle talen geïnformeerd over het coronavirus. Bij vermoedens van besmetting wordt bewoners gevraagd zich te laten testen en worden zij, samen met hun huisgenoten, in quarantaine geplaatst tot de testuitslag bekend is. Verder is vanaf zaterdag 6 november het dragen van een mondkapje weer verplicht in de publieke ruimtes binnen, zoals bij de receptie, in wachtkamers en op gangen. Dit geldt voor bewoners, medewerkers en bezoekers.
Wanneer nieuwe asielzoekers zich in Nederland melden zal Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) hen bevragen op eventuele coronaklachten en zullen zij worden gecheckt op zichtbare coronaklachten. Asielzoekers bij wie sprake is van klachten die kunnen wijzen op een corona-besmetting worden getest en in afwachting van de uitkomst van de test niet in de noodopvang geplaatst. Sinds 16 februari neemt de GGD bij alle nieuwe binnenkomers ook een sneltest af. Asielzoekers die bij binnenkomst in Nederland positief zijn (en hun huisgenoten), worden niet geplaatst in de noodopvang.
Kunt u aangeven hoeveel asielzoekers in procedure sinds afgelopen voorjaar gevaccineerd zijn?
Sinds de start van het vaccineren tegen COVID-19 hebben 18.648 unieke asielzoekers 1 of 2 vaccinaties gekregen (peildatum 29 november). Dit getal zal in de praktijk nog iets hoger liggen omdat niet alle vaccinaties in het huisartsendossier zijn geregistreerd. Vaccinaties die bijvoorbeeld in het buitenland zijn gegeven staan hier niet in.
Onderschrijft u de stelling dat het zoveel mogelijk vaccineren van asielzoekers niet alleen voor hun eigen gezondheid het beste is, maar ook het risico beperkt dat zij bijdragen aan overbelasting op de gezondheidszorg?
Ik ben zeker van mening dat het wenselijk is om asielzoekers zoveel mogelijk te vaccineren. Dit is belangrijk voor hun eigen gezondheid, maar ook om clusters in bijvoorbeeld asielzoekerscentra te voorkomen. Dat vaccineren belangrijk is geldt overigens voor iedere inwoner van Nederland. Vaccineren en het respecteren van de basisregels dragen eraan bij dat de zorg niet nog meer wordt belast. Bij aankomst op de eerste opvanglocaties wordt asielzoekers daarom een COVID-19-vaccin aangeboden. Hiervoor is een samenwerking opgericht tussen COA, GGD-regio en de GZA, die gezamenlijk zorgdragen voor het informeren, vaccineren en registreren van de vaccinaties van asielzoekers. Daarnaast worden op alle asielzoekerscentra vaccinatiemogelijkheden aangeboden. Dit kan zijn op de locatie zelf, of op een GGD-vaccinatielocatie waar bewoners van het COA naartoe worden gebracht. Iedereen wordt op deze manier zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld zich te laten vaccineren.
Deelt u de mening dat het wenselijk is asielzoekers die in Nederland verblijven zoveel mogelijk gevaccineerd te hebben tegen het coronavirus? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat alle asielzoekers die zich melden in Ter Apel ter plaatse hun eerste (of tweede) prik kunnen ontvangen, en in ieder geval deze kans hebben gehad voordat zij naar een andere locatie over worden gebracht? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit is al de standaardwerkwijze. De GGD is dagelijks aanwezig in Ter Apel om bewoners een vaccinatie aan te bieden.
Alle asielzoekers die in Ter Apel binnenkomen, wordt een COVID-19-vaccinatie aangeboden. De GGD-regio zorgt in Ter Apel voor het vaccineren van de asielzoekers. Dit gebeurt in goede samenwerking met het COA en de GZA. Het COA informeert de asielzoekers en zorgt voor uitnodigingen en gezondheidsverklaringen. Deze worden in diverse talen aangeboden. De GZA zorgt voor de registratie in het HIS-systeem.
Kunt u aangeven in welke mate het verspreidingsrisico vergroot wordt door de vele verplaatsingen van asielzoekers tussen (nood)opvanglocaties?
Bij verplaatsingen worden de geldende maatregelen zoals het dragen van een masker over mond en neus in acht genomen. Net als bij elke reis die wordt afgelegd en bij vervoer van personen bestaat het risico op verspreiding. Voor het vervoer per touringcar bestaat daarom een speciaal coronaprotocol. Mensen met klachten die wijzen op corona worden niet vervoerd.
Wat er wordt gedaan bij corona-uitbraken en het voorkomen daarvan? Zijn er voldoende quarantainevoorzieningen, en zo nee, hoe gaan die alsnog gerealiseerd worden?
Op COA-locaties wordt gewerkt met het protocol «Het voorkomen van en handelen bij Coronavirus besmetting bij bewoners op een COA-locatie». Dit Coronaprotocol is op basis van RIVM/LCI richtlijnen en adviezen van de rijksoverheid op maat gemaakt voor de COA-opvang. Het protocol is in samenwerking met GGD GHOR Nederland, GezondheidsZorg Asielzoekers (GZA) en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) tot stand gekomen. Wanneer nodig vindt een update plaats.
In het geval van coronabesmettingen zal, samen met de GGD, worden gekeken naar de beste manier waarop de betrokken bewoners in isolatie dan wel quarantaine kunnen gaan. Dit kan op de locatie zelf, of op een (externe) uitwijklocatie. Vooralsnog zijn er voldoende quarantainevoorzieningen.
Kan de voorlichting over het coronavirus en de coronamaatregelen nog steeds voldoende doorgaan in noodopvanglocaties?
Ja, ook op COA noodopvang locaties worden medewerkers en bewoners goed geïnformeerd over het coronavirus en coronamaatregelen. Dit gebeurt op verschillende manieren onder andere met informatiemateriaal in verschillende talen.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat ook in noodvoorzieningen (die soms haastig zijn opgezet) voldoende afstand gehouden kan worden?
Asielzoekers en medewerkers moeten zich ook in de noodvoorzieningen houden aan de geldende RIVM-richtlijnen. Er wordt goed gekeken naar het maximale aantal mensen dat kan worden opgevangen. Dat hangt af van het aantal vierkante meters maar ook van de faciliteiten en mogelijkheden ter plekke die per locatie moeten worden bekeken. Medewerkers informeren asielzoekers over de basisregels, waaronder het afstand houden en het gebruik van mond- en neusmaskers.
In hoeverre hebben de meest recente coronamaatregelen invloed op de organisatie in de (nood)opvanglocaties en op het aantal beschikbare plekken? Op welke manier wordt hierop geanticipeerd?
Bij het gebruik van (nood)opvanglocaties wordt er rekening gehouden met RIVM-richtlijnen. Er wordt goed gekeken naar het maximale aantal mensen dat kan worden opgevangen op een locatie. Dat hangt af van de vierkante meters maar ook van de faciliteiten en mogelijkheden ter plekke en wordt per locatie bekeken. De meest recente maatregelen hebben vooralsnog geen invloed op het aantal beschikbare plekken. Zoals u weet probeert het COA al enige tijd extra opvangplekken te verwerven en uitstroom van statushouders te bevorderen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden voor het eerstvolgende plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus?
Dat is vanwege drukte helaas niet gelukt.
Het bericht 'Angstcultuur en machtsspelletjes en een verziekte sfeer bij afdeling van de IND: ‘die collega gaan wij afbranden’' |
|
Don Ceder (CU), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Angstcultuur en machtsspelletjes en een verziekte sfeer bij afdeling van de IND: «die collega gaan wij afbranden»»?1
Ja
Bent u bekend met de signalen die worden geuit in het artikel? Kloppen deze signalen? Waarom wel of niet?
In de specifieke zaak die door de NRC genoemd wordt zijn de signalen door de IND en door de SG opgepakt en zijn er meerdere onderzoeken geweest. Ik verwijs hiervoor o.a. naar het antwoord op vraag 7.
Wat is uw reactie op de klachten die worden geuit in het artikel?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat door de top van de IND niet is ingegrepen terwijl er wel meldingen van klachten van medewerkers waren? Zo ja, waarom niet? Zo nee, hoe zit het dan?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is het protocol wanneer iets officieel «een melding van een misstand» is? Welke overwegingen worden daarbij betrokken?
Het personeelsreglement van mijn ministerie kent een regeling voor het melden van een vermoeden van een misstand of van integriteitsschendingen inclusief ongewenste omgangsvormen, en ook een instructie voor leidinggevenden hoe te handelen als een medewerker (vermoeden van) een dergelijke melding doet. Als een dergelijke melding bij de leidinggevende of de vertrouwenspersoon wordt gedaan, moet de hoogste leidinggevende onmiddellijk hierover worden geïnformeerd. Voor het voorjaar 2020 lag de verantwoordelijkheid voor de beoordeling van alle type meldingen bij de hoogste leidinggevende. Die diende onmiddellijk een onderzoek in te stellen naar de melding, tenzij het vermoeden kennelijk ongegrond was, of de melding kennelijk onredelijk laat was gedaan. Indien de melding ontvankelijk was bepaalde de hoogste leidinggevende op welk niveau en door wie het onderzoek werd uitgevoerd. Daarbij was de regel dat het onderzoek niet mocht worden verricht door iemand die mogelijk betrokken is, of is geweest, bij de vermoedelijke integriteitsschending of die te weinig afstand heeft tot de onderzochte personen of kwestie.
Sinds de instelling van de onafhankelijke integriteitscommissie dient de hoogste leidinggevende in bepaalde gevallen een melding onmiddellijk doorgeleiden naar de integriteitscommissie. Dat is het geval als de melding betrekking heeft op een vermoeden van een misstand in de zin van artikel 1, onder d van de Wet Huis voor klokkenluiders of op een vermoeden van een integriteitschending of ongewenste omgangsvormen dat betrekking heeft op gedragingen van leidinggevenden die de bevoegdheid om ten aanzien van medewerkers besluiten te nemen met voor hen (nadelige) rechtspositionele gevolgen. In die gevallen beoordeelt de commissie of onderzoek naar de melding gerechtvaardigd is en bepaalt de commissie op welke wijze het onderzoek wordt uitgevoerd. Medewerkers kunnen ook rechtstreeks melding doen bij de commissie.
Bent u het ermee eens dat het op zijn minst schuurt dat, ondanks dat onafhankelijkheid verwacht mag worden van de IND-top, de IND-directeur bepaald of een melding wel of geen «officiële melding» is, wat vervolgens van invloed is op de bescherming die iemand krijgt? Weet u waarom in deze situatie daarvoor is gekozen en hoe beoordeelt u dat? Bent u het er tevens mee eens dat meldingen altijd serieus genomen moeten worden, en dat mensen die de moed hebben verzameld om deze meldingen te doen daarbij recht hebben op bescherming? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard ben ik het ermee eens dat meldingen van een mogelijke misstand, integriteitsschending of ongewenste omgangsvormen altijd serieus moeten worden genomen en zorgvuldig en behoorlijk moeten worden opgevolgd. En uiteraard ben ik het ermee eens dat medewerkers die te goeder trouw en naar behoren een dergelijke melding aankaarten, bescherming tegen benadeling dienen te krijgen. Dit is ook uitdrukkelijk vastgelegd in de hiervoor genoemde interne procedures.
De verantwoordelijkheid om dat wat medewerkers mondeling of schriftelijk aankaarten als een mogelijke misstand, integriteitsschending of ongewenste omgangsvormen al dan niet op te vatten als een formele melding ligt altijd bij een leidinggevende en uiteindelijk bij de hoogste leidinggevende. Die heeft daarbij rekening te houden met de wil en behoeften van de medewerker. Als een medewerker geen uitdrukkelijke instemming geeft om dat wat wordt aangekaart als een formele melding op te vatten en daar onderzoek naar te doen, is de leidinggevende in beginsel gebonden aan de uitdrukkelijke wil en behoeften van de medewerker.
In de zaak genoemd in het NRC-artikel heeft de IND het verhaal van de medewerker en vertrouwenspersoon aangehoord en vervolgens besloten een oriënterend onderzoek in te stellen en aansluitend een feitenonderzoek ingesteld. Op basis van dit oriënterend- en feitenonderzoek zijn diverse maatregelen genomen. Het verhaal van de medewerker en vertrouwenspersoon is opgevat als een vermoeden van het bestaan van ongewenste omgangsvormen en niet als een vermoeden van een maatschappelijke misstand.
Hoe verhoudt dit zich tot de eerdere beloftes2 over verbeterde omgang met klokkenluiders, onder andere door de secretaris-generaal? Hoe komt het volgens u dat er opnieuw klachten worden ingediend, ondanks beloofde beterschap? Vindt u de genomen maatregelen van destijds voldoende als u kijkt naar de huidige situatie? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en wat gaat u daar aan doen?
Bij de inrichting van de integriteitscommissie JenV in voorjaar 2020 is er bewust voor gekozen de commissie nog een extra taak te geven, namelijk dat medewerkers zich rechtsreeks tot de commissie kunnen wenden als ze merken dat ze benadeling ondervinden als gevolg van een melding die ze eerder hebben gedaan. Deze maatregel is juist bedoeld ter versterking van de positie van melders die ondanks de interne afspraken over bescherming tegen benadeling in de knel kwamen.
In het geval uit het artikel van de NRC heeft melder in juni 2020 van de mogelijkheid gebruik gemaakt om bij de integriteitscommissie melding te doen van benadeling.
De commissie heeft onderzoek gedaan naar de melding en geoordeeld dat de IND als werkgever te kort is geschoten in de zorgtaak naar de melder. De conclusie en aanbevelingen van de commissie zijn door de hoofddirecteur IND en de secretaris-generaal overgenomen. Dit is ook gecommuniceerd naar de melder, die vervolgens heeft besloten de gang naar de rechter te maken.
Ik betreur dat in deze zaak in een aantal opzichten in de zorg voor de melder tekort is geschoten. Dat had beter gemoeten en de IND trekt daar lessen uit.
Voor zover mij bekend, heeft de commissie tot nu toe een melding ontvangen van benadeling als gevolg van een eerdere melding. Ik vind de interne procedures en voorzieningen voor een behoorlijke en zorgvuldige opvolging van meldingen en de bescherming van melders voldoende.
Wat zijn de effecten (geweest) op de internationale operatie van de IND? Bent u het ermee eens dat een verziekte werksfeer, naast dat deze in het belang van een veilige werkomgeving voor medewerkers überhaupt voorkomen moet worden, een negatieve bijdrage levert aan de effectiviteit waarmee de IND opereert? Hoe gaat u dit verbeteren?
Uiteraard ben ik het ermee eens dat een veilige werkomgeving voor onze medewerkers een randvoorwaarde is om als organisatie goed te functioneren.
Ik vind het dan ook van belang te melden dat de IND eraan blijft werken om de organisatie een veilige omgeving te laten zijn voor alle collega's en zaken met elkaar bespreekbaar te maken. Dit vraagt continue de aandacht en hier zijn de afgelopen jaren diverse investeringen op gedaan. De IND gaat daarmee onverminderd door. En brengt met een cultuurscan in 2021 in beeld hoe medewerkers van de IND de cultuur binnen de organisatie ervaren. De scan vormt een vertrekpunt om verdere acties te ondernemen om de veilige werkomgeving te versterken. Het is van belang om een continu proces van leren en verbeteren in te richten om de veilige werkomgeving met elkaar te borgen.
Het onderzoek “Transcript from the Margins” |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Lisa van Ginneken (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek Transcript from the Margins (Willemijn van Kempen, Alejandra Ortiz, Transgender Netwerk Nederland)?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse asielprocedure wel (zo goed mogelijk) rekening houdt met de positie van lesbische, homoseksuele of biseksuele asielzoekers in hun land van herkomst, maar niet specifiek met die van transgender asielzoekers?
Elke asielaanvraag wordt op individuele gronden beoordeeld en daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke positie en het individuele relaas van de asielzoeker. Zowel in de asielprocedure als in het beleid wordt expliciet aandacht gevraagd voor de situatie van LHBTI-asielzoekers. Daarnaast is er ook oog voor de unieke situatie van transpersonen in de asielprocedure. In het landgebonden asielbeleid kan bijvoorbeeld naar aanleiding van de berichtgeving in een ambtsbericht specifiek beleid worden gevoerd voor transpersonen. In dit verband verwijs ik naar het landgebonden beleid inzake Venezuela, waarin transgender zijn aangemerkt als risicogroep. Echter, ook indien transpersonen niet als losse groep zijn opgenomen in het landgebonden asielbeleid of er geen landgebonden asielbeleid voor een transpersoon uit een specifiek land is, is betrekt de IND bij de behandeling van de aanvraag van een transpersoon de relevante en beschikbare (landen)informatie over transpersonen en hun positie in het land, afhankelijk van het individuele asielrelaas.
Omdat het onderzoek slechts onder 8 transgender personen is afgenomen uit een specifieke regio kan niet zonder meer gesteld worden dat de bevindingen representatief zijn voor alle transgender asielzoekers. Desalniettemin is dit een blijvend punt van aandacht voor de IND. De IND heeft naar aanleiding van het rapport daarom een uitnodiging verstrekt aan Transgender Netwerk Nederland om in gesprek te treden met de LHBTI-coördinatoren van de IND om aandacht te besteden aan de situatie van transgenders en hun positie in de asielprocedure verder te bespreken.
Op welke wijze wordt voor het maken van ambtsberichten informatie verzameld over de positie en omstandigheden van LHBTI+ en meer specifiek van transpersonen? Hoe wordt de kwaliteit van deze informatie gewaarborgd? Wordt standaard aandacht besteed aan het verschil tussen wetgeving en beleid op papier en hoe dit in de praktijk uitwerkt voor kwetsbare groepen (zoals transpersonen)? Bent u het met de indieners eens dat het belangrijk is dat voor alle specifiek bedreigde groepen binnen een land expliciet aandacht is in een ambtsbericht, dus ook transpersonen? Zo nee, waarom niet?
In de Terms of Reference voor ambtsberichten worden vaak vragen opgenomen over de situatie van LHBTI personen. Deze vragen worden opgenomen indien de IND ten behoeve van de beslispraktijk informatie nodig heeft over LHBTI personen uit een bepaald land of indien er signalen worden ontvangen over de kwetsbare situatie van LHBTI personen in een bepaald land. Als de situatie in het betreffende land daartoe aanleiding geeft wordt de informatie in een ambtsbericht over LHBTI ook nader toegespitst op de situatie van transgenders. In een voorkomend geval wordt daarnaast ook specifieke informatie gevraagd over de situatie van transgenders in de Terms of Reference voor bepaalde landen. Het is uiteraard van belang dat de situatie van kwetsbare groepen zo goed mogelijk in kaart wordt gebracht in ambtsberichten maar het Ministerie van Buitenlandse Zaken is daarbij wel afhankelijk van de beschikbare informatie.
Een ambtsbericht bundelt feitelijke en objectieve informatie. Daarbij wordt gebruik gemaakt van zowel openbare bronnen als informatie verkregen uit vertrouwelijke bronnen, zo mogelijk inclusief interviews met ngo’s en andere belangenbehartigers. Hierbij wordt zowel naar wetgeving als praktische implementatie gekeken. Daarbij merk ik graag op dat voor sommige landen deze informatie, vanwege de lokale gevoeligheid, niet of slechts zeer beperkt voorhanden is. In het geval van Venezuela, en bijvoorbeeld Iran, is deze informatie breder beschikbaar dan in het geval van andere landen. Informatie wordt zoveel mogelijk geverifieerd door een breed scala aan bronnen te gebruiken. Dit leidt ertoe dat niet alle informatie uit elke bron in een ambtsbericht wordt opgenomen, als gevolg van de beoordeling van de gezaghebbendheid en/of de kwaliteit van de bron. De Nederlandse rechterlijke macht kan om inzage verzoeken van de in een ambtsbericht gebruikte vertrouwelijke bronnen.
Voor het meest recente ambtsbericht Venezuela is gebruik gemaakt van openbare bronnen die allemaal zijn vermeld in voetnoten in het ambtsbericht. De informatie is vervolgens geverifieerd met vertrouwelijke bronnen in lijn met de gebruikelijke werkwijze.
Wat is uw reactie op de onderzoeksresultaten die aangeven dat de IND vaak verkeerde conclusies trekt, die gebaseerd zijn op onvolledige, onjuiste, twijfelachtige of slecht onderbouwde informatie, als het gaat om beoordelingen van asielverzoeken van transpersonen en hun land van herkomst (p. 13)? Welke mogelijkheden ziet u om de informatievoorziening over de positie en situatie van transpersonen in landen van herkomst te verbeteren?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt tijdens de beoordeling of iemand recht heeft op asiel in Nederland, in het geval van transpersonen, aandacht geschonken aan thema’s die specifiek of ingrijpender spelen voor transpersonen, zoals:
Indien de elementen die door de asielzoeker worden aangedragen in het asielrelaas verband houden met bovengenoemde punten besteedt de IND daar uiteraard aandacht aan. Hiervoor maakt de IND gebruik van het relevante landenbeleid, het algemeen geldende beleidskader en de relevante landeninformatie zoals ook beschreven onder antwoorden 2 en 4.
Houden medewerkers van de IND gedurende de asielprocedure in alle communicatie rekening met de preferente naam, geslacht en voornaamwoord van de asielzoeker, onafhankelijk van wat er op iemands paspoort staat? Zijn medewerkers van de IND hierin getraind, en/of zijn er richtlijnen voor een respectvolle omgang met transpersonen?
Het is de insteek van de IND om de asielzoeker zich zo prettig mogelijk te laten voelen en altijd in de gehoren en het persoonlijke contact aan te spreken met de preferente naam, geslacht en het voornaamwoord, onafhankelijk van wat er in het paspoort van de asielzoeker staat. De LHBTI-coördinatoren hebben hier in het bijzonder aandacht voor en attenderen hoor- en beslismedewerkers hier ook op. Het kan desalniettemin toch in uitzonderlijke gevallen voorkomen dat een asielzoeker, naar ik aanneem veelal abusievelijk, niet op de juiste manier aangesproken is tijdens het asielgehoor of tijdens andere directe communicatiemomenten. Zowel de IND als ikzelf hebben echter niet het beeld dat dit op grote schaal plaatsvindt.
Bij het registreren van de persoonsgegevens in de BRP is de IND gebonden aan de informatie die in het paspoort van de asielzoeker staat. Het is daarom niet mogelijk voor de IND om deze registratie in lijn te brengen met de preferente naam, geslacht en voornaamwoord van de asielzoeker zonder een wettelijk (reis)document waarin dit correct staat aangegeven.
Het kan daarom voorkomen dat in de aanhef en adressering van officiële brieven, die veelal geautomatiseerd worden opgesteld, niet de preferente naam of het preferente geslacht wordt gebruikt.
Zijn er in de laatste 5 jaar klachten ontvangen van transpersonen over de asielprocedure? Zo ja, om hoeveel klachten ging het en op welke wijze is hiervan geleerd voor de verbetering van de procedure?
De IND registreert het asielmotief niet in de systemen, waardoor niet te achterhalen is of in zaken van transpersonen klachten zijn ingediend
Op welke wijze is de specifieke informatie over transpersonen in het landgebonden asielbeleid van Venezuela verzameld? Zijn er andere landen waar dit zo specifiek is gebeurd? Zo nee, hoe komt het dat in het landenbeleid van Venezuela hier wel expliciet aandacht voor is, en in ander landenbeleid niet? Wat kan er gedaan worden om deze werkwijze uit te breiden naar andere landen?
Zie antwoord vraag 3.