Het artikel ‘Waterbedrijven willen tarieven kunnen verhogen’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Waterbedrijven willen tarieven kunnen verhogen»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat drinkwaterbedrijven tarieven willen verhogen om te kunnen investeren en het feit dat ze de wettelijke rem op winstvorming als een belemmering zien om dit te doen?
De tarieven van drinkwater dienen kostendekkend te zijn (artikel 11 van de Drinkwaterwet). Als de kosten toenemen mogen de drinkwaterbedrijven hun tarieven verhogen. Onderdeel van deze kostendekkendheid is ook winst. Een wettelijke rem op de winstvorming is gebruikelijk voor sectoren die een monopolie hebben; voor de drinkwaterbedrijven geldt de WACC (weighted average cost of capital; in het Nederlands de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet). De ILT doet op dit moment onderzoek naar de financiële situatie bij de drinkwaterbedrijven. Zodra dit onderzoek is afgerond zal ik uw Kamer hierover informeren.
Klopt het dat er bijna een miljard euro per jaar nodig zou zijn voor investeringen bij drinkwaterbedrijven? Waarom zouden de tarieven de komende jaren met minstens 20% omhoog moeten? Zijn andere keuzes denkbaar? Zo ja, welke? Kunnen drinkwaterbedrijven blijven investeren, zonder dat de lasten voor burgers en bedrijven onwenselijk stijgen?
Ik heb de ILT gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de toekomstige investeringen en de relatie met de WACC. De ILT heeft in dit onderzoek de tien drinkwaterbedrijven gevraagd hoeveel zij de komende tien jaar verwachten te investeren. Op basis hiervan zal ik u informeren en met de sector mogelijke oplossingen verkennen.
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat drinkwater veel duurder wordt?
Drinkwater moet niet onnodig duurder worden. Betaalbaarheid van drinkwater is erg belangrijk omdat voldoende en veilig drinkwater in belangrijke mate bijdraagt aan de volksgezondheid.
Wat is de rol van de gemiddelde vermogenskostenvoet (weighted average cost of capital, WACC) in deze? Beschermt de WACC-methode de inwoners en bedrijven tegen hogere tarieven, of wordt juist het risico van lastenstijgingen vergroot?
Zie ook het antwoord op vraag 2, het doel van de WACC is afnemers te beschermen tegen overwinsten van drinkwaterbedrijven en te hoge tarieven en drinkwaterbedrijven een redelijke winst te bieden.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de WACC en recente moties hierover? Welke overleggen hebben er inmiddels plaatsgevonden met drinkwaterbedrijven om een oplossing te vinden voor de financieringsproblemen? Wat is de uitkomst van deze overleggen geweest?
Zoals aangegeven bij vraag 2 en 3 doet de ILT nu onderzoek. Verder heb ik mede naar aanleiding van de motie Dik-Faber (35 570 XII, nr. 94) overleg gevoerd met de drinkwaterbedrijven. De drinkwaterbedrijven hebben gevraagd de huidige WACC te verlengen. De WACC wordt namelijk elke twee jaar herzien, en door de lage rente is de verwachting dat deze verder zal dalen. De wet vraagt om vaststelling van een nieuwe WACC voor 1 november dit jaar.
Naar aanleiding van dit verzoek heb ik besloten een verlengingsbevoegdheid in de Drinkwaterwet op te nemen om – als het nodig is – de huidige WACC te kunnen verlengen. Hiermee wordt voor de korte termijn een vangnet gecreëerd. Voor de lange termijn ga ik samen met de drinkwatersector oplossingen uitwerken.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Hulp aan Kroatië na de recente aardbevingen |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de zware aardbeving in het noorden van Kroatië van 29 december 2020 waarbij zeven doden en tientallen gewonden zijn gevallen?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het gebied sindsdien door meer dan vijftig naschokken met een magnitude boven de 3.0 is getroffen en ook dit veel schade heeft veroorzaakt?
Ja.
Wat kunt u vertellen over de huidige situatie in het getroffen gebied?
De aardbeving die op 29 december 2020 Kroatië trof had een kracht van 6.4, waarbij 7 dodelijke slachtoffers te betreuren zijn. Het kabinet leeft mee met de slachtoffers, hun families en de vele anderen die door de aardbeving en de naschokken geraakt zijn. De aardbeving veroorzaakte veel menselijk leed en materiële schade. Het gebied was bovendien al eerder getroffen door een aardbeving op 22 maart 2020. De Kroatische regio waar deze aardbeving plaatsvond, betreft een economisch achtergebleven gebied in Kroatië.
De meest recente grote naschok dateert van 13 februari 2021 met een kracht van 3.7. De aardbeving en de naschokken hebben een grote impact op de regio. Er is grote schade aan huizen en infrastructuur in de stad Petrinja en de omliggende steden. Gebieden zijn overstroomd en er zijn zinkgaten ontstaan. Enkele dijken zijn beschadigd. De Kroatische autoriteiten en diverse andere organisaties, waaronder het Kroatische Rode Kruis, zijn actief in het getroffen gebied. De prioriteiten hierbij zijn o.a. tijdelijk in onderdak voor ontheemden voorzien. Inmiddels zijn er 1262 containers gebouwd ter opvang van de ontheemde inwoners. Hier zullen er nog 300 bijkomen. Veel huishoudens zijn nog niet aangesloten op gas, water en licht. Volgens Kroatische mediaberichten ontbreekt er nu nog veilige huisvesting voor enige tientallen families.
Na de aardbeving kwam er snel internationale steun op gang. De reconstructie en herstel van de regio zal nog jaren in beslag nemen. Lidstaten of kandidaat-lidstaten van de Europese Unie die zijn getroffen door een natuurramp kunnen onder bepaalde voorwaarden financiële steun aanvragen uit het EU solidariteitsfonds. Kroatië ontving reeds 684 miljoen euro financiële steun voor wederopbouw vanuit het EU-solidariteitsfonds na de eerste grote aardbeving van 22 maart 2020. Kroatië kan n.a.v. de meest recente aardbeving eveneens steun aanvragen vanuit het EU-solidariteitsfonds, bovenop de bilaterale steun die Kroatië al ontvangen heeft. Het kabinet steunt het verlenen van financiële steun aan lidstaten bij natuurrampen en bij grote gezondheidscrises en draagt aan deze steun bij via de EU-begroting.
Klopt het dat er, een maand na de eerste zware aardbeving, nog steeds honderden gezinnen zonder dak boven hun hoofd leven in de steden Petrinja, Glina, Sisak en omliggende dorpen? Zo ja, mag daaruit geconcludeerd worden dat er nog steeds veel Kroaten hulpbehoevend zijn naar aanleiding van de aardbevingen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke contactmomenten zijn er geweest tussen het kabinet en de collega’s in Kroatië naar aanleiding van de aardbeving en wat hebben deze contactmomenten opgeleverd?
Na de aardbeving van 29 december heb ik aan mijn ambtgenoot, Minister van Buitenlandse Zaken Gordan Grlić-Radman, mijn medeleven betuigt met de slachtoffers en families die getroffen zijn door deze verschrikkelijke aardbeving. Minister Grlić-Radman verzocht mij op 7 januari 2021 per brief om materieel te doneren. De Kroatische hulpbehoefte kwam echter niet overeen met de voorraad. In overleg met het Ministerie van Defensie is proactief geïnventariseerd wat voor steun Nederland wel kon bieden. Hieruit kwam naar voren dat Defensie op korte termijn 80 à 120 specialisten van de Genie-eenheid kon leveren voor het bouwen van noodvoorzieningen in Petrinja en de omliggende getroffen steden. Dit voorstel is door de Nederlandse ambassade voorgelegd aan de Kroatische autoriteiten. De Kroatische autoriteiten gaven destijds echter aan geen behoefte te hebben aan deze specifieke steun die Nederland kon bieden
In een brief aan mijn ambtgenoot heb ik aangegeven dat Nederland klaarstaat om nieuwe mogelijkheden te bezien, mocht er in de toekomst nog een Kroatische hulpbehoefte ontstaan.
Herinnert u zich uw aanbod om Kroatië bij te staan bij het aanpakken van de nasleep van deze vreselijke ramp?
Ja.
Heeft Kroatië gebruik gemaakt van dit aanbod? Zo ja, welke specifieke hulp heeft Nederland Kroatië sindsdien geboden? En zo nee, staat dit aanbod nog?
Zie antwoord op vraag 5.
Bent u bereid contact op te nemen met de Kroatische autoriteiten om nogmaals kenbaar te maken dat Nederland de slachtoffers van de aardbeving niet is vergeten en bereid is steun te leveren indien gewenst?
Zie antwoord vraag 7.
Welke fondsen en middelen zou Nederland kunnen aanspreken om een bijdrage te leveren voor steun aan Kroatië?
Zie antwoord vraag 7.
De berichten dat mensen die niet thuis werken zich onveilig voelen op de werkvloer |
|
Wim-Jan Renkema (GL), Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «CNV-onderzoek: Nederlanders met vitaal beroep voelen zich onveilig op de werkvloer»1 en «Niet-thuiswerkers ervaren steeds meer stress en zijn bang voor besmetting»?2
Ja, beide berichten zijn bij mij bekend.
Wat vindt u ervan dat zoveel mensen bang zijn om besmet te raken en daar stress van ondervinden?
Werkenden moeten hun werk gezond en veilig kunnen uitvoeren. Angst om besmet te raken op de werkplek en daar stress van ondervinden is geen gezonde arbeidssituatie.
De werkgever heeft een verantwoordelijkheid en zorgplicht richting zijn werknemer. Zo ook wat betreft het risico op besmetting met het coronavirus. In die gevallen dat mensen bang zijn om besmet te raken en stress ondervinden, omdat de werkgever niet zorgt voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden, is het van belang dat zij hierover het gesprek aangaan met hun werkgever, eventueel via de personeelsvertegenwoordiging of de ondernemingsraad. Indien dit niet tot verbetering leidt, kan een melding worden gedaan bij Inspectie SZW. De Inspectie SZW kan in dat geval interventies inzetten richting de werkgever, zodat deze alsnog maatregelen neemt.
Wat vindt u ervan dat ruim 40% van de mensen die niet thuis werken, te weinig bescherming ondervindt tegen het coronavirus op de werkvloer?
Er zijn de afgelopen tijd diverse onderzoeken uitgevoerd naar de gevolgen van corona op het werk. Naast de onderzoeken van FNV en CNV, heeft ook TNO gedurende de Corona-crisis drie zogenaamde NEACOVID metingen gedaan naar de gevolgen en naleving van de maatregelen op het werk. Net als de onderzoeken van CNV en FNV geven de TNO-metingen een beeld van de naleving op de werkvloer volgens werknemers. Uw Kamer is via een brief over de stand van zaken rondom thuiswerken op 30 april j.l. over de uitkomsten van de laatste TNO-meting geïnformeerd3.
Ondanks de verschillen in de uitkomsten van verschillende onderzoeken is duidelijk dat de werkomgeving een bron van mogelijke besmetting is. Uit het epidemiologisch rapport van het RIVM van 20 april bleek dat bij gemiddeld 15,2% van alle positief geteste mensen bij wie de besmettingsbron kan worden achterhaald, er een relatie is met de werkomgeving. Het blijft van belang dat werkgevers, samen met werknemers, aandacht houden voor gezond en veilig werken en maatregelen nemen om besmetting met het coronavirus te voorkomen.
Indien werknemers toch van mening zijn dat er ongezond en onveilig moet worden gewerkt, dan kunnen ze dit melden bij Inspectie SZW. Naast de actieve inspecties kan door middel van meldingen ook reactief worden opgetreden tegen werkgevers.
Vindt u ook dat iedereen veilig moet kunnen werken en dit in deze tijden extra belangrijk is? Hoe gaat u ervoor zorgen dat iedereen veilig kan werken?
Bedrijfsbelang kan en mag niet zwaarder wegen dan de veiligheid van werknemers. De Arbeidsomstandighedenwet is er om dit te garanderen. Het niet naleven van de Arbowet kan leiden tot bestuurlijke boetes of bestuursdwang.
Door het risico op besmetting met het coronavirus is het belang van gezonde en veilige arbeidsomstandigheden nog duidelijker geworden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij werkgevers en werknemers. De overheid faciliteert en licht voor en vormt het sluitstuk met toezicht en handhaving. Ik ben hierover continue in gesprek met zowel vertegenwoordigers van werkgevers als werknemers.
Wat vindt u ervan dat er werkgevers zijn die bedrijfsbelang zwaarder lijken te wegen dan de veiligheid van hun werknemers? Bent u bereid werkgeverskoepels dan wel individuele werkgevers hier op aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft de Inspectie SZW nu voldoende mogelijkheden en capaciteit om hier flink op te controleren en te handhaven?
Op grond van de Arbowet heeft de werkgever een zorgplicht die inhoudt dat de werkgever de werknemer in staat stelt zijn werk veilig en gezond te doen. Dat houdt in dat de werkgever ook maatregelen moet nemen om het risico op besmetting met het coronavirus te voorkomen of te beperken. Als de Inspectie SZW constateert dat een werkgever onvoldoende maatregelen treft in verband met het coronavirus, heeft zij op basis van de Arbowet de bevoegdheid werkgevers aan te spreken op hun zorgplicht. Er wordt dan bijvoorbeeld een waarschuwing of eis tot naleving gegeven.
Met de Wet tijdelijke maatregelen COVID-19 heeft de Inspectie SZW meer bevoegdheden gekregen om te handhaven. De inzet van de Inspectie is primair gericht op het verbeteren van gedrag en van de feitelijke werksituatie, zodat werkgevers een gezonde en veilige werkomgeving voor hun werknemers mogelijk maken. Het opleggen van een boete vormt het sluitstuk van deze interventies.
In 2021 draagt de extra capaciteit vanuit de ICF-middelen verder bij aan het herstellen van de balans tussen enerzijds ongevalsonderzoeken, klachten en meldingen en anderzijds preventieve inspecties op het domein van gezond en veilig werk. 4 Over de ingezette capaciteit, resultaten en effecten van de inzet van de Inspectie SZW zal de Kamer nader worden geïnformeerd in het jaarverslag 2020 (mei 2021).
Kan de Inspectie SZW meer controles gaan uitvoeren? Kan de inspectiecapaciteit tijdelijk worden opgeschroefd? In hoeverre heeft de Inspectie SZW de mogelijkheid om te handhaven op de RIVM-richtlijnen? Zou het de handhaving helpen als deze worden opgenomen in de Arbowet?
De Inspectie SZW houdt risicogericht en programmatisch toezicht. Met de extra bevoegdheden in de Wet tijdelijke maatregelen COVID-19 kan de Inspectie SZW de werkzaamheden stilleggen wanneer een werkgever in ernstige mate niet de noodzakelijke maatregelen treft om de kans op besmetting met het coronavirus te voorkomen of te beperken. Aanvullend hierop is een tijdelijke aanvulling geregeld in het Arbobesluit. Deze aanvulling brengt verplichtingen met zich mee voor werkgevers die erop gericht zijn om een veilige arbeidsplaats te creëren voor werknemers. Het niet naleven van de verplichtingen in het Arbobesluit is direct beboetbaar.
Wanneer een werkgever onvoldoende maatregelen neemt om besmetting met het coronavirus te beperken of te voorkomen, kan er een melding worden gedaan bij de Inspectie SZW. De meldingen kunnen leiden tot opvolging en waar nodig tot een interventie. Recent is een tussenrapportage over de meldingen naar de Kamer gestuurd.5 Gelet op het grote maatschappelijke belang heeft de Inspectie SZW besloten tot aanpassing van de werkprocessen om de registratie, triage en follow up van meldingen met de juiste interventie in te regelen. Hierover is de Kamer eerder geïnformeerd.6 De afhandeling van coronameldingen heeft nog steeds prioriteit.
Ook in het Jaarplan 2021 van de Inspectie SZW is er rekening gehouden met de gevolgen van het coronavirus in de programmering.
Wat vindt u van de suggestie van FNV-bestuurder Kitty Jong om wat minder productie te draaien, zodat mensen in de distributiecentra veilig kunnen werken? Bent u bereid om hierover met de sector in gesprek te gaan, zoals eerder ook is toegezegd rondom het thema nachtwerk?
Indien er niet gezond en veilig kan worden gewerkt door een te hoge productie, is het aan de werkgever om het werk zo te organiseren dat dit wordt opgelost. Ieder distributiecentrum is echter anders waardoor per situatie zal moeten worden beoordeeld wat en of een lagere productie inderdaad bijdraagt aan gezondere en veiligere arbeidsomstandigheden. Een productiesnelheid waarop het ene distributiecentrum goed functioneert, kan bij een ander distributiecentrum tot problemen leiden. Ik verwacht dat werkgevers en werknemers hierover onderling het gesprek met elkaar zullen voeren.
Hoe ziet u de rol van personeelsvertegenwoordiging omtrent veilig werken? Worden deze gesprekken op de werkvloer voldoende gevoerd? Hebben bijvoorbeeld ondernemingsraden voldoende invloed op protocollen die worden ingesteld en maatregelen die door bedrijven worden genomen?
Het is van belang dat het gesprek over gezond en veilig werken tussen de werkgever en werknemer gevoerd wordt. Dat kan eventueel via medezeggenschapsorganen als de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging.
In de brief van 6 mei 20207 is uw Kamer geïnformeerd over de status van protocollen. Protocollen zijn van de werkgevers en werknemers zelf en gaan over veilig werken binnen een bedrijf of organisatie. Protocollen zijn van en voor sectoren en worden veelal opgesteld door de brancheorganisatie horend bij de sector.
Daarbij worden zij in veel gevallen ondersteund door de werkgeverskoepels VNO-NCW en MKB Nederland. Werknemers in de sector moeten worden betrokken, bijvoorbeeld via de vakbond(en), maar ook medezeggenschapsorganen zouden hier mogelijk een rol in kunnen spelen. Een door sectoren vastgesteld protocol is echter geen vervanging van de geldende weten regelgeving. Dit betekent dat een protocol niet in de plaats komt van Arbowetgeving; die blijft onverminderd geldig. Voor meer informatie over de protocollen verwijs ik u ook naar de website van de rijksoverheid8.
Ziet u nog andere mogelijkheden om gevoelens van onveiligheid bij werknemers weg te nemen?
Het is aan de werkgevers om hun zorgplicht op dit punt te vervullen en aan werknemers om bij gevoelens van onveiligheid hierover in gesprek te gaan met de werkgever. Indien dit het gevoel van onveiligheid bij werknemers niet wegneemt, dan kunnen zij te allen tijde een melding doen bij Inspectie SZW.
De problemen die vuurwerk-ondernemers ondervinden bij het verkrijgen van voorfinanciering bij banken |
|
Roald van der Linde (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problemen bij voorfinanciering die vuurwerkondernemers ondervinden?1
De zorgen van ondernemers rondom voorfinanciering zijn in algemene zin bekend. Ik ben bekend met één concrete casus waarbij dit direct samenhing met (on)mogelijkheden voor voorfinanciering in relatie tot de vormgeving van de compensatieregeling.
Klopt het dat u op 16 december jl. antwoordde dat vuurwerk-ondernemers voor voorfinanciering gebruik zouden kunnen maken van de Kleine Kredieten Corona garantieregeling (KKC), Borgstellingskrediet MKB Corona (BMKB C), de Garantie Ondernemingsfinanciering corona (GO-C) of Qredits?
In mijn brief van 11 december 2020 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de reguliere steunmaatregelen waar de vuurwerkbranche gebruik van kan maken, inclusief de door de rijksoverheid ondersteunde kredietmogelijkheden, zoals de KKC-regeling, BMKB-C, GO-C en Qredits.
Bent u bekend met de afwijzing die banken als ABN AMRO geven, omdat zij geen vertrouwen hebben in het toekomstige verdienmodel op vuurwerk in verband met het eenmalige verbod, waardoor zij geen krediet financieren?
Ik ben bekend met één concrete situatie waarin een vuurwerkimporteur aangeeft dat de ABN AMRO een beschrijving van de regeling vereiste voor een besluit. Toen dit speelde, kon de conceptregeling nog niet worden gedeeld. Een eerste concept van de regeling is op 18 januari 2021 aan de betreffende partij gecommuniceerd. Het is mij verder niet bekend dat deze eisen te maken hebben met het verdienmodel op vuurwerk vanwege het eenmalige verbod.
De branche is meerdere malen gevraagd om concrete voorbeelden, maar tot op heden is dit het enige voorbeeld dat mij bekend is.
Begrijpt u dat deze voorfinanciering noodzakelijk is om onder andere de kosten voor opslag en vervoer te kunnen betalen en gemaakte kosten te overbruggen?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstraat heeft nauw contact met de vuurwerkbranche. De branche heeft aangegeven dat zij in de meeste gevallen voor de externe transportkosten een regeling voor uitstel van betaling hebben kunnen treffen met de vervoerders. Na uitbetaling kunnen de voorschotten gebruikt worden om o.a. uitstaande betalingen voor extern ingehuurd vervoer te voldoen. In de kosten van het eigen vervoer wordt tegemoetgekomen via de verruimde Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) en de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW). Met betrekking tot de opslag zijn geen concrete situaties bekend waarin voorfinanciering een probleem is dat niet kan worden opgelost tot de uitbetaling van de voorschotten heeft plaatsgevonden.
Bent u op de hoogte van het feit dat deze ondernemers nu geconfronteerd worden met zeer hoge rentepercentages als gevolg van kredietoverschrijding door de gemaakte kosten en vanwege de achterblijvende vergoedingen van de overheid en het weigeren van banken om krediet te verlenen?
Er vindt regelmatig overleg plaats met de vertegenwoordigers van branche en daarover zijn tot nu toe, met uitzondering op mijn antwoord op vraag 3, geen signalen bekend.
Klopt het dat u pas in juni 2021 verwacht de ondernemers, die deze kosten nu moeten maken, een tegemoetkoming in de opslagkosten uit te keren?
Het streven is om zo snel mogelijk de regeling vast te stellen en uit te voeren, rekening houdend met de benodigde zorgvuldigheid en de mogelijkheid voor alle getroffen ondernemers om in gelijke mate een beroep hierop te doen. De uit het verbod voortgekomen regeling, de Tijdelijke subsidie vuurwerkverbod COVID-19 (TSVC-19), zal voorzien in steun bij activiteiten die nodig waren door het tijdelijke vuurwerkverbod, die specifiek zijn voor vuurwerkwinkels en niet ondervangen worden door het instrumentarium van de generieke steunmaatregelen (TVL/NOW). Daarnaast worden vuurwerkbedrijven gesteund bij de opslag van het niet-verkochte vuurwerk gedurende een jaar en de daarvoor gemaakte en te maken extra transportkosten.
Ik streef ernaar om de definitieve regeling op 29 maart vast te stellen en op 30 maart te publiceren. Van 31 maart tot en met 3 mei kunnen aanvragen worden ingediend, waarna RVO begin mei start met het uitkeren van de voorschotten. Het streven is om uiterlijk 1 juli 2021 alle voorschotten te hebben uitbetaald. De uitbetalingen vinden plaats na de sluiting van het loket, omdat anders mogelijk het subsidieplafond wordt overschreden en latere aanvragers geen subsidie kunnen ontvangen.
Hoe verwacht u dat ondernemers, die al meer dan een jaar geen inkomsten hebben ontvangen, deze kosten kunnen financieren, als de banken niet meewerken?
De vuurwerkbranche kan sinds december 2020 gebruik maken van de reguliere coronasteunmaatregelen, zoals de TVL en NOW-regelingen. De aanvullende regeling, de TSVC-19, vormt extra steun bij activiteiten die nodig waren door het vuurwerkverbod. Daarnaast worden vuurwerkbedrijven gesteund bij het opslaan van het niet-verkochte vuurwerk gedurende een jaar en de daarvoor gemaakte en te maken transportkosten.
Bent u op de hoogte van de problemen die met opslag kunnen ontstaan als de kosten hiervoor niet betaald kunnen worden?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstraat heeft nauw contact met de vuurwerkbranche, waaronder detailhandelaren en vuurwerkbedrijven. In dit contact zijn door de branche geen concrete probleemgevallen met betrekking tot de betaling van de opslagkosten van vuurwerk aan de orde gebracht. De TSVC-19 steunt in een tegemoetkoming voor de opslagkosten gedurende een jaar van het niet-verkochte vuurwerk.
Bent u bereid deze ondernemers op korte termijn een oplossing te bieden. Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
De opvolging van de processen die voor de TSVC-19 moeten worden doorlopen, is korter dan gebruikelijk en komt daarmee tegemoet aan de wens om de uitbetalingen aan de branche zo snel mogelijk te starten. Hier is ook nauw contact over geweest met de branche. De branche heeft op de eerder genoemde situatie na verder geen problematische casussen aangeleverd.
Zou het een mogelijkheid zijn om ook andere banken, zoals Handelsbanken, die wel welwillend zijn om financiering te verstrekken, gebruik te laten maken van de garantieregelingen voor banken?
Buitenlandse banken die in het bezit zijn van een EU-bankvergunning kunnen zich bij RVO laten accrediteren door een toelatingsprocedure te doorlopen. De garanties moeten wel altijd ten goede komen aan Nederlandse ondernemingen met substantiële activiteiten in Nederland. Handelsbanken kan dus desgewenst een accreditatie-aanvraag indienen en de procedure doorlopen.
Op welke manieren zou de overheid garant kunnen staan om banken de zekerheid te bieden om betreffende ondernemers te financieren en in welke mate bent u bereid om dat te doen?
De bestaande generieke garantieregelingen BMKB- en GO-regeling zijn toegankelijk voor de vuurwerkbranche. De BMKB voorziet in staatsgarantie op financieringen tot maximaal € 1,5 miljoen per onderneming. De GO biedt staatsgarantie op financieringen vanaf € 1,5 miljoen tot maximaal € 150 miljoen per onderneming. Ondernemers die getroffen zijn door COVID-19 kunnen aanspraak maken op de coronamodules van deze regelingen met hogere garantiepercentages en op de KKC-regeling (voor kleine kredieten tot € 50.000 per ondernemer). Ondernemers kunnen een kredietaanvraag indienen bij een geaccrediteerde bank en voor de KKC en de BMKB ook bij geaccrediteerde non-bancaire financiers. Ondanks de staatsgarantie blijft de afweging om ondernemers al dan niet te voorzien in voorfinanciering aan de financiers.
Kunt u in de tussentijd op korte termijn een voorfinanciering van de verwachte opslagkosten uitbetalen. Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder genoemd zal het RVO-loket tot en met 3 mei geopend zijn voor aanvragen. Vanwege het subsidieplafond kan de RVO pas na de sluiting beginnen met het uitkeren van de voorschotten. Eerdere voorfinanciering is niet mogelijk, omdat er een limiet is aan de subsidie waardoor latere aanvragers bij eerdere uitbetaling mogelijk geen subsidie meer kunnen ontvangen.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja, zie bovenstaande antwoorden.
Het bericht ‘Particuliere beleggers slepen notarissen voor de rechter vanwege rol in dubieuze grondhandel’ |
|
Joost Sneller (D66), Jessica van Eijs (D66), Rutger Schonis (D66) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Particuliere beleggers slepen notarissen voor de rechter vanwege rol in dubieuze grondhandel?»1
Ja.
Kunt u uiteenzetten of, en zo ja wat, na de schriftelijke vragen van de leden Van Eijs en Sneller uit mei 2019 is gewijzigd in de wet-en regelgeving om grondspeculatie tegen te gaan en om beleggingen in grondposities onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) te laten vallen?2
Sinds mei 2019 zijn geen wetswijzigingen geweest die erop gericht waren grondposities onder het AFM-toezicht te brengen of gericht waren op het tegengaan van grondspeculatie.
In hoeverre is momenteel sprake van toenemende grondspeculatie en versnippering van (landbouw)gronden als gevolg van grondspeculatie?
Het Financieel Dagblad (FD) heeft hiernaar onderzoek laten verrichten en recent en in 2019 hierover gepubliceerd. De artikelen geven een goede indruk waar van versnippering sprake is. In totaal gaat het om zo’n 2.300 hectare grond, oftewel 0,13% van de 1.815.160 hectare cultuurgrond3 in Nederland. Tevens blijkt uit de bij het artikel uit 2019 behorende interactieve digitale kaart, die te raadplegen is via de website van het FD, dat het over het algemeen geen percelen zijn die in gebieden liggen waar de stedelijke woningdruk hoog is, ofwel waar veel ontwikkelingspotentie is. De indruk van het kabinet is dat naar aanleiding van onder meer deze artikelen de populariteit van grondbeleggen door particulieren is afgenomen.
Welke maatregelen kunnen gemeenten treffen om versnippering van de grond tegen te gaan?
Eigendomsposities staan niet in de weg aan ruimtelijke planvorming. In de uitzonderlijke gevallen dat de versnipperde grond ook daadwerkelijk ontwikkeld kan worden, hebben gemeenten instrumenten. Wanneer vanuit de ruimtelijke ordening daadwerkelijk plannen voor ontwikkeling ontstaan, kan de gemeente een voorkeursrecht vestigen, waardoor de grond bij een voorgenomen verkoop eerst aan de gemeente moet worden aangeboden. De gemeente kan ook een onteigeningsprocedure starten om percelen samen te brengen als dat vanuit de ruimtelijke planvorming gewenst is. Met de nieuwe Omgevingswet zal de gemeente zelf hiertoe de nodige stappen kunnen zetten.
Hoe kijkt u in het licht van grondversnippering aan tegen een verplichte variant van stedelijke herverkaveling?
Over stedelijke herverkaveling heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties u bij brief van 15 februari j.l. geïnformeerd.4 Stedelijke herverkaveling is gericht op het stedelijk gebied, de grondversnippering doet zich juist voor in het landelijk gebied. Met stedelijke herverkaveling kunnen de eigenaren in een gebied gedwongen worden te komen tot een uitruil van gronden zodat een ontwikkeld plan ook gerealiseerd kan worden. De onderlinge uitruil is gericht op de eigenaren in het gebied en maakt door uitruil de realisatie van het plan mogelijk. Omdat het grote aantal eigenaren, de percelen en de onderlinge verhouding in de waarden binnen het gebied in beginsel hetzelfde blijft, zal stedelijke herverkaveling weinig meerwaarde bieden.
In hoeverre herkent u de signalen in het artikel dat notarissen particulieren onvoldoende beschermen tegen de risico’s die vanwege hun informatieachterstand op kunnen treden bij grondinvesteringen?
Deze signalen herkent het kabinet niet. Er is een recente tuchtuitspraak over grondinvesteringen van Hof Amsterdam van 2 februari 2021, waarin is geoordeeld dat sprake is van een zeer ernstige tekortkoming van de notaris en van structureel laakbaar handelen gedurende een langere periode en waarin het hof, evenals in eerste aanleg de kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2019, de maatregel van ontzetting uit het ambt heeft opgelegd. In een andere, civiele uitspraak over grondinvesteringen van Hof Amsterdam van 21 januari 2020 is evenwel geoordeeld dat zich geen situatie voordeed op grond waarvan de notaris zijn ministerieplicht had moeten weigeren en dat geen schending van de zorgplicht van de notaris kan worden vastgesteld. Ook in de tuchtuitspraak over grondinvesteringen van Hof Amsterdam (GHAMS:2014:1407) van 22 april 2014 en de civiele uitspraak over grondinvesteringen van Hof Arnhem-Leeuwarden (GHARL:2015:9521) van 15 december 2015 is geoordeeld dat de notaris zijn informatieplicht en zorgplicht niet heeft geschonden. De omstandigheden van het geval spelen een grote rol. Die omstandigheden dient een notaris steeds te beoordelen en over de nakoming van de beroepsmatige zorgvuldigheidsnormen zal de tuchtrechter waken.
In hoeverre herkent u de signalen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) dat de onafhankelijkheid van notarissen in het geding komt wanneer zij teveel leunen op opdrachten van één en dezelfde verkoophandelaar?
De onafhankelijkheid van een notaris kan in het geding komen wanneer hij teveel leunt op opdrachten van één en dezelfde verkoophandelaar. Notarissen dienen deze situatie daarom te voorkomen. Notarissen die worden ingeschakeld bij de overdracht van percelen grond dienen onafhankelijk te zijn, door welke partij zij ook worden ingeschakeld. In artikel 17 van de Wet op het notarisambt (Wna) is bepaald dat de notaris zijn ambt in onafhankelijkheid moet uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid moet behartigen. De notaris mag zijn ambt niet uitoefenen in dienstbetrekking of in enig ander verband waardoor zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid wordt of kan worden beïnvloed. Indien de notaris bovendien de redelijke overtuiging of het vermoeden heeft dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde of feitelijk overwicht van partij(en), waardoor dus de belangen van één of meer betrokken partijen kunnen worden geschaad, dient hij zijn diensten te weigeren of af te breken, vgl. artikel 6 lid 1 van de Verordening Beroeps- en gedragsregels 2011 (Vbg2011).
Op welke wijze voorziet de regelgeving in het voorkomen dat notarissen teveel afhankelijk worden van één verkoophandelaar?
In artikel 17 Wna is bepaald dat de notaris zijn ambt in onafhankelijkheid moet uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid moet behartigen. De notaris mag zijn ambt niet uitoefenen in dienstbetrekking of in enig ander verband waardoor zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid wordt of kan worden beïnvloed. Daarnaast geldt bovendien dat de notaris verplicht is zijn dienst te weigeren indien hij de redelijke overtuiging of het vermoeden heeft dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde of feitelijk overwicht. De notaris zal er dus op moeten toezien dat partijen vanwege een juridische of andersoortige achterstand ten opzichte van de andere partij, daardoor niet worden benadeeld.
In artikel 93 Wna is bepaald dat notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De notaris die zich dus niet aan voorgaande bepalingen houdt, weet dat hij hierop tuchtrechtelijk kan worden aangesproken.
Op welke manier worden particulieren momenteel beschermd tegen eventuele malafide praktijken van grondspeculanten?
Particuliere kopers worden wettelijk beschermd tegen de verstrekking van misleidende informatie in het kader van regels over handelspraktijken richting consumenten. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op de naleving van deze regels. Voor het grootste deel van het consumentenrecht is de ACM aangewezen als bevoegde autoriteit voor de handhaving van regels. Van de ACM heb ik begrepen dat hierover nauwelijks meldingen zijn gedaan. Het gaat om één melding in 2020. In sommige gevallen kwalificeren grondtransacties als een financieel product en vallen daarmee onder het toezicht van de AFM.
Kunt u deze vragen binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Blootstelling van werknemers aan vervuilde en schadelijke lucht op luchthaven Schiphol |
|
Cem Laçin (SP), Bart van Kent (SP) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de door 1125 luchthavenmedewerkers beantwoorde enquête «Werken op Schiphol»,1 welke ook aangehaald is in diverse mediaberichten?2
Ja.
Bent u geschrokken van de melding dat Schipholmedewerkers regelmatig werken in de jetblast (uitlaatgassen) van opstartende en taxiënde voertuigen? Zo nee, hoe beoordeelt u dit?
Het is onvermijdelijk dat mensen die op het platform van een luchthaven werken tot op zekere hoogte aan de uitlaatgassen van een vliegtuig worden blootgesteld. Er worden op Schiphol diverse maatregelen genomen om de blootstelling te beperken. Kortheidshalve verwijs ik u aanvullend naar de antwoorden op de vragen 3, 6, 11 en 12.
Deelt u de overtuiging dat blootstelling van werknemers aan vliegtuigmotoremissie net als blootstelling aan dieselmotoremissie zeer ongewenst is?
Voor iedereen geldt dat het ongewenst is dat men wordt blootgesteld aan stoffen die de gezondheid kunnen schaden. Daarom is in de arbeidsomstandighedenwetgeving opgenomen dat de werkgever de plicht heeft om te zorgen voor een doeltreffende bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers.
Bent u op de hoogte van het feit dat op vliegveld Kopenhagen elektrisch slepen (push-back) van vliegtuigen de eerste keuze is?3
We zijn op de hoogte van het document waarnaar in de vraag wordt verwezen en waarin is opgenomen dat push-back een maatregel is om lokale emissies te reduceren.
Bent u op de hoogte van het feit dat op vliegveld Kopenhagen een vliegtuig alleen weg mag taxiën met één draaiende motor wanneer slepen (push-back) onmogelijk is, zodat de blootstelling van werknemers aan uitlaatgassen vermindert?4
We zijn op de hoogte van het document waarnaar in de vraag wordt verwezen en waarin sprake is van regels voor het taxiën met één draaiende motor.
Deelt u de mening dat dit voorbeeld van bronaanpak ook op een vergelijkbaar vliegveld als luchthaven Schiphol de regel zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Ook op Schiphol is sprake van bronaanpak. Zo wordt aan de pieren push-back toegepast. Push-back is noodzakelijk, omdat de vliegtuigen aan de pieren met de neus naar de terminal staan geparkeerd en niet zelfstandig achteruit kunnen rijden. Als een vliegtuig door een push-back-truck op de rijbaan is geduwd, wordt het vliegtuig losgekoppeld en zal het zelfstandig vooruit naar de startbaan taxiën.
De motoren van de vliegtuigen worden pas tijdens of na de push-back opgestart, dus niet op de opstelplaats. Hierdoor wordt de blootstelling van werknemers bij de opstelplaatsen aan uitlaatgassen van de vliegtuigen verminderd. De meeste vliegtuigen worden op Schiphol aan pieren afgehandeld, dus de bronaanpak met push-back-trucks wordt op Schiphol op de meeste vliegtuigen toegepast.
Slepen, dat in vraag 5 wordt genoemd, is iets anders dan push-back. Bij slepen wordt een extern voertuig aan het vliegtuig gekoppeld, waarna het vliegtuig over langere afstand vooruit wordt voortgetrokken. In april 2020 is op Schiphol een programma gestart om duurzaam taxiën mogelijk te maken. Onderdeel van dit programma is een proefproject met de zogeheten Taxibot. De Taxibot lijkt op een normale push-back-truck. De Taxibot blijft echter na het achteruit duwen aan het vliegtuig gekoppeld en sleept het vliegtuig vervolgens vooruit naar het begin van de startbaan. Op die manier hoeft het vliegtuig de eigen motoren niet te gebruiken om van de rijbaan bij de gate naar de startbaan te rijden en hoeft het de eigen motoren pas in te schakelen vlak voor de start. Een taxibot kan ook worden ingeschakeld om een vliegtuig na de landing van de landingsbaan naar de gate te slepen.
Het programma Duurzaam Taxiën5 van Schiphol voorziet in een haalbaarheidsstudie naar de inpassing van duurzaam taxiën in de dagelijkse operatie, waarbij onder meer aandacht wordt besteed aan veiligheid, de reductie van uitstoot van luchtverontreinigende stoffen, de schaal waarop taxibots kunnen worden ingezet en consequenties voor de verkeersleiding en piloten. Een reductie van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zal naar verwachting leiden tot een vermindering van de blootstelling van werknemers aan die stoffen.
In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB, Artikel 3.2.1) is voorgeschreven dat een drie- of viermotorig vliegtuig na het landen met één uitgeschakelde motor van de landingsbaan naar de afhandelingsplaats moet taxiën. Veruit het grootste deel van de vliegtuigvloot op Schiphol zijn tweemotorige toestellen. Het is niet mogelijk om in zijn algemeenheid voor die vliegtuigen voor te schrijven dat ze één motor moeten uitschakelen als ze gaan taxiën, zoals in vraag 5 wordt genoemd, omdat niet alle tweemotorige toestellen op één motor kunnen taxiën. Daarom zijn er vliegtuigfabrikanten die nadrukkelijk aangeven dat het taxiën van hun tweemotorige toestellen op één motor niet is toegestaan. Overigens taxiën tweemotorige vliegtuigen op Schiphol, waarbij het wel mogelijk is om één motor uit te schakelen, daadwerkelijk veelvuldig op één motor van of naar de gate.
Deelt u de overtuiging dat wanneer Schiphol en daar opererende luchtvaartmaatschappijen deze genoemde regel niet toepassen, zij eerst moeten aantonen met metingen waarom deze voorzorg niet noodzakelijk is?
Zoals hiervoor aangegeven is in de arbeidsomstandighedenwetgeving opgenomen dat de werkgever de plicht heeft om te zorgen voor een doeltreffende bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers. Het is aan de werkgever om te besluiten welke maatregelen in dat kader worden genomen.
Op de platforms van de luchthaven zijn niet alleen werknemers van Schiphol actief, maar ook werknemers die in dienst zijn van diverse externe bedrijven die door de luchtvaartmaatschappijen worden ingeschakeld. Daarom is het in dit geval aan alle verschillende werkgevers, inclusief Schiphol, om te beoordelen welke maatregelen doeltreffend kunnen zijn.
Bent u bereid om de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid te laten inventariseren of de maatregelen op Schiphol voldoende zijn om blootstelling aan jetblast te voorkomen?
De verschillende werkgevers op de luchthaven, inclusief Schiphol zelf, zijn verantwoordelijk voor het nemen van afdoende maatregelen om blootstelling aan schadelijke stoffen te beperken. Het meetprogramma dat in opdracht van Schiphol door TNO zal worden uitgevoerd, zal inzicht geven in de niveaus van ultrafijn stof waaraan werknemers bloot kunnen staan. Op basis daarvan zullen de werkgevers moeten bezien of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
De Inspectie SZW wacht de uitkomsten hiervan af en betrekt dit bij het toezicht op de naleving van de arbeidsomstandigheden op Schiphol.
Kunt u de Kamer verder informeren over de voortgang van het meetprogramma ultrafijnstof op Schiphol?
Het meetprogramma ultrafijn stof6 op het luchthaventerrein wordt in opdracht van Schiphol Group door TNO opgesteld en uitgevoerd. Het programma stond gepland in de eerste helft van 2020, maar is toen niet uitgevoerd vanwege het sterk verminderd vliegverkeer als gevolg van de Covid-19-crisis7.
De huidige verwachting is dat het meetprogramma begint in het tweede kwartaal van 2021.
Bent u op de hoogte van het feit dat Deense onderzoekers in tegenstelling tot het voornemen van TNO5 wél persoonsgebonden metingen uitgevoerd hebben met draagbare ultrafijnstofmeters, omdat dit volgens hen nodig is voor een betrouwbaar beeld van de blootstelling op werkdagen per persoon en per functie?6
Het is bekend dat in Denemarken metingen zijn uitgevoerd met draagbare meetapparatuur.
Waarom wordt deze persoonsgebonden aanpak niet gevolgd in aanvulling op metingen met vaste installaties op Schiphol?7
Het meetprogramma van Schiphol heeft tot doel om inzicht te verkrijgen in de verspreiding en concentratieniveaus van ultrafijn stof op het terrein van Schiphol. Hierdoor wordt een beeld verkregen van de mogelijke concentraties aan ultrafijn stof waaraan medewerkers kunnen worden blootgesteld en de belangrijkste bronbijdragen van ultrafijn stof op het terrein van Schiphol.
Er wordt gemeten met grote, geavanceerde meetapparatuur, zoals ook is gebruikt bij de meeste metingen in het RIVM-onderzoekprogramma van ultrafijn stof rond Schiphol, dus buiten het luchthaventerrein. De meetapparatuur wordt in het meetprogramma van Schiphol in auto’s ingebouwd, zodat metingen op elke plaats op het luchthaventerrein kunnen worden uitgevoerd.
Kleine meetapparatuur die is geschikt voor persoonsgebonden metingen, zoals is gebruikt in de Deense studie, is nog niet uitvoerig getest voor ultrafijnstofmetingen op luchthavens. Het is daarom nog de vraag hoe deze kleine meetapparatuur presteert in het meten van specifiek ultrafijn stof van vliegtuigen.
Om daarin inzicht te verkrijgen, wordt in het meetprogramma op Schiphol de kleine meetapparatuur wel gebruikt, maar dan wel op dezelfde plaats en op hetzelfde moment als waar de grote, geavanceerde meetapparatuur wordt ingezet. Hierdoor meet de kleine meetapparatuur het ultrafijn stof op dezelfde plaats en tegelijkertijd met de grote apparatuur. Door de meetresultaten van de grote en kleine meetapparatuur te vergelijken, wordt inzicht verkregen in de meetprestatie van de kleine meetapparatuur.
De hiervoor beschreven aanpak in het meetprogramma op Schiphol borduurt op deze manier verder op de resultaten van de Deense studie. In die studie is namelijk een aantal vragen opgeworpen, zoals de vraag of de kleine meetapparatuur voor ultrafijn stof betrouwbaar genoeg is om concentraties ultrafijn stof op een luchthaven te meten en wat de bijdragen/effecten van bepaalde bronnen op de concentraties ultrafijn stof zijn.
Herinnert u zich de toezegging dat Schiphol onder andere interne en externe vertegenwoordigers van werknemers en werknemersorganisaties zal betrekken bij het opzetten van een meetprogramma voor ultrafijnstof?8
Ja. Daarom heeft Schiphol begin 2020 een klankbordgroep met vertegenwoordigers van werknemers en werknemersorganisaties geformeerd. De samenstelling van deze klankbordgroep is zodanig dat zowel de werknemers die in dienst zijn van Schiphol zijn vertegenwoordigd als de werknemers die in dienst zijn van de diverse externe bedrijven die op de platforms van de luchthaven actief zijn, bijvoorbeeld voor bagageafhandeling en tanken.
In het eerste kwartaal van 2020 stond een bespreking van deze klankbordgroep over het meetprogramma ultrafijn stof gepland, omdat het meetprogramma in het tweede kwartaal van 2020 zou worden uitgevoerd. Het meetprogramma is toen echter niet uitgevoerd vanwege het sterk verminderd vliegverkeer als gevolg van de Covid-19-crisis. De geplande vergadering van de klankbordgroep in het eerste kwartaal van 2020 is daarom niet doorgegaan.
Schiphol is van plan het meetprogramma ultrafijn stof in het tweede kwartaal van 2021 te starten. Voorafgaand daaraan zal een bespreking met de klankbordgroep worden gepland.
Bent u op de hoogte van het feit dat de arbeidsomstandighedenwet en goede praktijken voorschrijven dat belanghebbende werkenden vanaf het begin betrokken worden bij het arbeidsomstandighedenbeleid en op zijn minst gehoord moeten worden voordat er een besluit valt? Zo ja, waarom voldoet u hier niet aan?
Volgens de arbeidsomstandighedenwet voert de werkgever overleg met de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging over aangelegenheden die het arbeidsomstandighedenbeleid betreffen, alsmede over de uitvoering van dit beleid. In het geval van de luchthaven Schiphol zijn de belanghebbende werknemers vaak niet in dienst van Schiphol, maar werken voor externe bedrijven, zoals bagageafhandeling- en schoonmaakbedrijven die worden ingehuurd door luchtvaartmaatschappijen. Daarom heeft Schiphol een arboplatform georganiseerd, waarin de werknemers van Schiphol en van de externe bedrijven zijn vertegenwoordigd. In dit platform heeft onder meer de FNV zitting.
Specifiek voor het meetprogramma ultrafijn stof is, zoals aangegeven, een aparte klankbordgroep geformeerd. Het meetprogramma dat TNO in overleg met het RIVM op basis van wetenschappelijke inzichten en afwegingen heeft geformuleerd, wordt vóór de metingen uitgevoerd in deze klankbordgroep gepresenteerd en besproken. Op basis van die bespreking kunnen nog bepaalde wijzigingen in het programma worden aangebracht. Hiermee wordt voldaan aan het tijdig horen van belanghebbende werknemers.
Deelt u de mening dat de inbreng van werkenden en werknemersorganisaties noodzakelijk is om tot doeltreffende oplossingen te komen die recht doen aan de praktijk? Zo nee, waarom niet?
Ja. Schiphol geeft hier uitvoering aan door in een klankbordgroep met werknemers en werknemersorganisaties het voorgestelde meetprogramma voor ultrafijn stof te bespreken.
Waarom schrijft u in een schriftelijk overleg vervolgens dat TNO in overleg met het RIVM reeds beslist heeft over de opzet van een meetprogramma zonder inbreng van belanghebbende werknemers en hun werknemersorganisaties?9
In het schriftelijk overleg is aangegeven dat TNO in overleg met het RIVM de onderzoeksaanpak heeft bepaald. Die aanpak houdt in dat gebruik wordt gemaakt van nauwkeurige meetapparatuur die door plaatsing op een voertuig mobiel wordt gemaakt en dat geen gebruik wordt gemaakt van persoonsgebonden meetapparatuur. Deze aanpak is door de betreffende deskundigen van TNO en RIVM op basis van wetenschappelijke inzichten en afwegingen geformuleerd en staat daarom niet ter discussie. In het antwoord op vraag 11 is een toelichting gegeven op de aanpak.
Verder is in het schriftelijk overleg aangegeven dat voor medewerkers van Schiphol een klankbordgroep wordt georganiseerd. Dit is in de antwoorden op de vragen 12 tot en met 14 bevestigd. Dit kan leiden tot aanpassing van het meetprogramma als het gaat om waar en wanneer wordt gemeten.
Het meetprogramma voorziet in een actieve betrokkenheid van de medewerkers op Schiphol. Zij worden ook zelf in staat gesteld om metingen op door hen gekozen locaties uit te voeren, uiteraard onder begeleiding van TNO om te waarborgen dat de metingen op de juiste manier worden uitgevoerd.
Er is dus voorzien in de in de vraag genoemde inbreng van werknemers.
Beschouwt u de eerder gepresenteerde gezamenlijke werkwijze van overheid, onderzoeksinstituten en sociale partners op vliegveld Kopenhagen10 nog steeds als een voorbeeld van een goede praktijk?
Een werkwijze waarin alle betrokkenen op een constructieve wijze met elkaar samenwerken om dingen op te pakken, is uiteraard een goede praktijk.
Daarom is het belangrijk dat Schiphol werknemers en werknemersorganisaties betrekt bij het meetprogramma, zoals in de antwoorden op de vragen 12 tot en met 15 is aangegeven.
Deelt u de overtuiging dat coördinatie noodzakelijk is om blootstelling van werkenden aan schadelijke en kankerverwekkende uitlaatgassen te verminderen op de door meerdere bedrijven gedeelde werkvloer van Schiphol? Zo ja, welke rol ziet u hierin voor uzelf?
Om inzicht te krijgen in de gezondheidseffecten van het ultrafijn stof in de uitlaatgassen van vliegtuigen wordt momenteel door het RIVM een uitgebreid onderzoekprogramma uitgevoerd. Daarom kan nog geen oordeel worden gegeven over de kwalificatie van de effecten die in de vraag is opgenomen.
Zoals in het antwoord op vraag 13 is aangegeven, heeft Schiphol een arboplatform georganiseerd, waarin de werknemers van Schiphol en van de externe bedrijven zijn vertegenwoordigd.
Waarom volgt u dit voorbeeld van samenwerking tussen onderzoeksinstituten, overheidsinstanties en sociale partners niet, maar kiest u voor een gefragmenteerde aanpak waarbij de werknemers om wier gezondheid het gaat nauwelijks inspraak hebben?
Zoals in de antwoorden op de vragen 12 tot en met 16 is aangegeven, is er voor het meetprogramma ultrafijn stof op het luchthaventerrein Schiphol juist sprake van de samenwerking die in de vraag wordt bedoeld. De werknemers worden betrokken bij de opzet en uitvoering van het meetprogramma.
Gaat u dit voorbeeld opvolgen door als mede-eigenaar en belast met de bescherming van de arbeidsomstandigheden het initiatief te nemen tot gezamenlijk overleg tussen sociale partners om de blootstelling van werkenden aan schadelijke en kankerverwekkende uitlaatgassen op luchthaven Schiphol te verminderen? Zo nee, waarom niet?
Kortheidshalve wordt verwezen naar de voorgaande beantwoording.
Verder wijzen we nog op het feit dat, in reactie op de motie Lacin14, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat het RIVM heeft gevraagd om te adviseren over een gezondheidsonderzoek voor platformmedewerkers op Schiphol.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Maersk 24 Nederlandse werknemers op straat zet |
|
Bart van Kent (SP), Cem Laçin (SP) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Radeloze Nederlandse Maersk-crew vraagt hulp aandeelhouders»?1
Ik betreur dat Maersk deze schepen uit het Nederlandse register heeft gehaald. Nederlandse zeevarenden zijn van belang voor het maritieme cluster. Ik heb begrepen dat het interne overwegingen van Maersk waren, die tot het omvlaggen hebben geleid. Maersk heeft het aantal vlaggen teruggebracht en als Deens bedrijf daarbij gekozen voor één Europese vlag (de Deense «moeder» vlag) en één of twee niet Europese vlaggen. Aangezien het hier om individueel bedrijfsbeleid gaat, is het niet aan mij om een oordeel over deze keuze te vormen.
Wat vindt u ervan dat 24 Nederlandse werknemers van Maersk hun werk kwijtraken omdat het voor het bedrijf blijkbaar lucratiever is om voor een Liberiaanse vlag te kiezen?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het bedrijf deze 24 arbeidsplaatsen niet schrapt, maar de Nederlandse werknemers vervangt door goedkopere werknemers uit andere landen wanneer deze Nederlandse werknemers een deel van hun arbeidsomstandigheden niet willen opgeven?
Uit het artikel maak ik op dat deze groep zeevarenden wel werk is geboden, maar tegen slechtere arbeidsvoorwaarden. Vakbond Nautilus International, die deze groep Nederlandse zeevarenden steunt, heeft daarbij aangegeven dat deze slechtere arbeidsvoorwaarden onmogelijk kunnen worden geaccepteerd.
In de zeevaart is het een gegeven dat de vlaggenstaat maatgevend is voor de arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden van de zeevarenden aan boord van de schepen.
Met welke veranderingen in arbeidsvoorwaarden zullen deze medewerkers akkoord moeten gaan als zij onder Liberiaanse arbeidsvoorwaarden in dienst zouden blijven?
Daar ben ik niet van op de hoogte. Het is aan de zeevarenden om daar een oordeel over te vormen. Op Nederlands gevlagde schepen geldt dat de arbeidsvoorwaarden bij CAO (Handelsvaart) zijn geregeld. Andere vlaggenstaten hebben andere arbeidsvoorwaarden.
Bent u het eens dat het getuigt van slecht werkgeverschap wanneer een bedrijf werknemers op straat zet om goedkopere werknemers aan te nemen?
In de context van het bericht waar de vragen over gesteld worden kan ik alleen vaststellen dat Maersk de keuze maakt om deze schepen niet meer onder de Nederlandse vlag te laten varen. Dat is een interne bedrijfsaangelegenheid en het is niet aan mij om individueel bedrijfsbeleid te beoordelen.
Zonder te willen suggereren dat in het onderhavige geval hiervan sprake zou zijn, wil ik in algemene zin opmerken dat, indien gekozen wordt voor een vlag met als enig doel te besparen op arbeidskosten en sociale lasten en daarmee internationale regels te ontduiken, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ik dit zien als een vorm van «social dumping». Er is internationale regelgeving op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden voor zeevarenden, zoals vastgelegd in het Maritiem Arbeidsverdrag (MAV) 2006. Het is de verantwoordelijkheid van de verdragspartijen om het verdrag te implementeren in nationale wetgeving en hierop toezicht uit te oefenen en te handhaven ten aanzien van de schepen die onder hun rechtsbevoegdheid vallen.
Bent u bekend met het in het artikel aangehaalde gentlemen’s agreement uit 2011 die de arbeidsplaatsen van deze werknemers zou moeten beschermen? Kunt u aangeven hoe bindend deze overeenkomst is?
Voor zover ik begrijp betreft dit een agreement tussen vakbond Nautilus International en Maersk. Over de status en het juridische bindend zijn van de afspraak kan ik geen uitspraak doen.
Bent u, of iemand anders in het kabinet, bereid contact op te nemen met Maersk om te kijken of er een oplossing kan worden gevonden voor de 24 Nederlandse werknemers? Is het bijvoorbeeld een optie dat de boten van Maersk verder varen onder een Europese vlag?
Het is niet aan mij, mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of één van onze collega’s om in deze interne aangelegenheden van Maersk te treden. Vakbond Nautilus International steunt deze zeevarenden in hun verzoek aan de aandeelhouders van dit Deense bedrijf. Het is aan werkgever en werknemer om tot een oplossing te komen.
Het bericht 'Human Rights Council: Countries Should Take Bold Action on Egypt' |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de oproep van mensenrechtenorganisaties tot de oprichting van een monitorings- en rapportagemechanisme voor de steeds verslechterende mensenrechtensituatie in Egypte?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de oprichting van een dergelijk mechanisme een belangrijke stap zal zijn voor het in kaart brengen van de gepleegde mensenschendingen en misdrijven, er een belangrijk signaal van uitgaat richting mensenrechtenactivisten en (families van) slachtoffers, en een rol kan spelen bij het ontmoedigen van verdere mensenrechtenschendingen? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het Algemeen Overleg over de Raad Buitenlandse Zaken van 21 januari jl. heb ik aangegeven dat ik de mensenrechtensituatie in Egypte heel zorgelijk vind. Het heeft mijn voorkeur om tijdens de 46e zitting van de Mensenrechtenraad, in plaats van op een monitorings – en rapportagemechanisme, in te zetten op een zo breed mogelijke coalitie voor een zo stevig mogelijke, niet alleen verklarende, maar ook beïnvloedende, actie.
Bent u bereid tijdens de komende 46ste zitting van de VN-Mensenrechtenraad – al dan niet samen met gelijkgestemde landen – het voortouw te nemen tot de oprichting van een monitorings- en rapportagemechanisme? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u deze vragen voor aanvang van de 46ste zitting van de Mensenrechtenraad beantwoorden?
De 46e zitting van de Mensenrechtenraad loopt van 22 februari tot en met 23 maart 2021. De beantwoording van de Kamervragen heeft zo spoedig mogelijk plaatsgevonden.
Het bericht 'West-Zeeuws-Vlaamse horeca moet voor Pasen open: ‘Als dit nog maanden duurt, gaan bedrijven kapot’' |
|
Hilde Palland (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «West-Zeeuws-Vlaamse horeca moet voor Pasen open: «Als dit nog maanden duurt, gaan bedrijven kapot»»?1
Ja.
Bent u bekend met het West-Zeeuws-Vlaams pact dat horecaondernemers en winkeliers in de Zeeuws-Vlaamse kustregio hebben gesloten?
Nee, niet anders dan berichten daarover in de Zeeuwse pers.
Kunt u inhoudelijk en puntsgewijs op de diverse punten uit dit pact reageren?
De kern van het bericht «West-Zeeuws-Vlaamse horeca moet voor Pasen open: «Als dit nog maanden duurt, gaan bedrijven kapot»» is de behoefte aan perspectief en de wens van de horeca en detailhandel om gelijktijdig open te gaan. De reden die hiervoor wordt aandragen is dat beide sectoren in West-Zeeuws-Vlaanderen sterk met elkaar verweven zijn.
Ik heb met de ondernemers, de burgemeester en wethouder van de gemeente Sluijs gesproken en ik begrijp dat de beperkte opening van de winkels en de sluiting van de horeca voor de regio West- Zeeuws Vlaanderen grote impact heeft. Op dit moment laat de epidemiologische situatie helaas niet toe dat we meer dan kleine stapjes zetten in de versoepeling van de maatregelen.
Kunt u ingaan op het punt dat de huidige routekaart uit de coronacrisis onvoldoende rekening houdt met economische sectoren die door de lockdowns hard getroffen zijn, zoals de horeca, toerisme/recreatie, detailhandel en contactberoepen, en de ondernemers in deze branches op dit moment weinig perspectief biedt? Deelt u de mening dat het belangrijk is dat ondernemers duidelijkheid wordt geboden? Zo ja, hoe kunt u daarvoor zorgen?
Met de vernieuwde routekaart2 is beoogd om het voor de hele samenleving, ondanks alle onzekerheden in deze fase van de crisis, voorspelbaar te maken welk risiconiveau geldt en welke maatregelen in welke volgorde kunnen worden versoepeld. De daadwerkelijke besluitvorming zal afhangen van het actuele beeld op dat moment en weging van o.a. sociaaleconomische factoren.
Welke plek nemen contactberoepen zoals kappers in op de routekaart? Is er reeds een advies beschikbaar onder welke omstandigheden en randvoorwaarden deze contactberoepen zo spoedig mogelijk open kunnen?
Voor contactberoepen is in de routekaart opgenomen dat op alle risiconiveaus verplichte reservering, registratie en gezondheidscheck geldt. Als verzwaring op risiconiveau vier is een verbod op uitoefenen contactberoepen (m.u.v. (para)- medische contactberoepen) vermeld.
Inmiddels mogen de meeste contactberoepen sinds 3 maart weer aan het werk.
Klopt het dat de routekaart zonder overleg met vertegenwoordigers van eerdergenoemde sectoren, zoals Koninklijke Horeca Nederland, HISWA-RECRON, INretail en de Algemene Nederlandse Kappers Organisatie (ANKO), tot stand is gekomen? Welke afweging is hier gemaakt? Deelt u de mening dat deze sectoren, die in economisch opzicht de zwaarste klappen van de coronacrisis moeten opvangen, gehoord en betrokken moeten worden, met andere woorden vaste gesprekspartner behoren te zijn en een plek aan de overlegtafels verdienen?
We zijn regelmatig in gesprek met de individuele branches en vertegenwoordigers van sectoren en met de koepels VNO-NCW en MKB-Nederland. De signalen die we hierbij ophalen worden meegenomen bij de totstandkoming van de routekaart.
Wordt u geadviseerd door een ingesteld orgaan om economisch perspectief op een verantwoorde manier te organiseren? Zo ja, op welke wijze komt dit advies tot stand en worden deze adviezen openbaar gemaakt? Zo nee, bent u bereid om dit te overwegen?
Het kabinet wordt door verschillende organen geadviseerd over economische aspecten in relatie tot de Covid-19 crisis. Denk hierbij bijvoorbeeld aan adviezen van de SER en het CPB. Adviezen van deze adviesorganen zijn openbaar3.
Kunt u aangeven hoe en op welke termijn u de op 9 februari aangenomen motie over in samenspraak met sectoren eerlijk verdelen van ruimte voor versoepeling van maatregelen gaat uitvoeren?2
De wens in de samenleving en het bedrijfsleven om maatregelen te versoepelen is groot. Dit is begrijpelijk en wordt gedeeld door het kabinet. Daarom is het kabinet met VNO-NCW en MKB-Nederland aan de slag gegaan om plannen te formuleren voor een slimme heropening van sectoren5. Hierbij wordt gestreefd naar een gebalanceerde route voor verantwoorde heropening verdeeld over verschillende sectoren. Door voorzichtige stappen binnen een risiconiveau te zetten, kunnen we wellicht eerder ruimte geven aan samenleving en economie. Het kabinet doet dit nadrukkelijk in samenwerking met sectoren, zodat we gebruik kunnen maken van de slimme plannen die hiervoor in tal van sectoren al ontwikkeld zijn. Deze plannen zijn input voor de voorziene periodieke herijking van de routekaart. Op deze manier worden de verschillende plannen voor versoepeling integraal afgewogen. Met deze aanpak geeft het kabinet ook uitvoering aan de motie Dijkhoff6.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Subsidie voor fossiele brandstoffen ongekend groot’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Subsidie voor fossiele brandstoffen ongekend groot»?1
Ja.
Kunt u het verschil verklaren tussen het stimuleren van het gebruik van fossiele brandstoffen, wat volgens het kabinet in Nederland 4,5 miljard euro per jaar is, en het bedrag waar de schrijver van dit artikel op uitkomt, namelijk een viermaal hogere jaarlijkse subsidie van 17,5 miljard euro?
In de brief over financiële prikkels voor fossiele brandstoffen in Nederland (Kamerstuk 32 813, nr. 566) is een tabel opgenomen waarin de gemiste overheidsinkomsten van fiscale en niet-fiscale maatregelen berekend zijn op € 4,5 miljard. In deze tabel is eveneens voor enkele posten aangegeven dat het niet mogelijk is om een inschatting te geven van de corresponderende gemiste overheidsinkomsten, omdat de benodigde gegevens hiervoor ontbreken en/of er geen betrouwbare inschatting te maken is. Onder de tabel in de kamerbrief wordt dit per regeling toegelicht. De auteur van het artikel «Subsidie voor fossiele brandstoffen ongekend groot» (hierna: auteur) heeft geprobeerd de ontbrekende bedragen in te vullen. Ik deel de aannames die de auteur daarbij hanteert niet. Ik ben dan ook van mening dat de berekening geen goede inschatting geeft van de jaarlijkse subsidie voor fossiele brandstoffen.
Waarom heeft u de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) niet gebruikt, gezien het feit dat in het overzicht van het kabinet van een aantal regelingen het bedrag ontbrak omdat dit niet beschikbaar zou zijn, maar dat uit het artikel blijkt dat een groot deel van deze ontbrekende subsidies alsnog kan worden berekend met openbare gegevens van het CBS?
De cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) presenteert, zijn niet 1-op-1 te gebruiken voor het berekenen van de ontbrekende bedragen. Hiervoor is een vertaalslag nodig waarbij aannames moeten worden gedaan. Ik licht een aantal van deze punten in het vervolg uit.
Allereerst is bij het bepalen van de budgettaire omvang van het degressieve tarief in de energiebelasting zeer bepalend tegen welk benchmarktarief je de huidige, bestaande degressieve tarieven af zet. Een degressieve belasting is een belasting waarbij het tarief lager wordt naarmate de grondslag stijgt. De keuze van het benchmarktarief is arbitrair. Dit heeft als gevolg dat een dergelijke berekening met arbitraire keuzes weinig zekerheid biedt over de daadwerkelijke omvang. De auteur kiest in zijn berekening om iedere afwijking van het hoogste belastingtarief van de eerste verbruiksschijf aan te merken als fossiele subsidie en trekt dat door in alle berekeningen van tariefverschillen en vrijstellingen. Deze benadering zou er toe leiden dat bij een vergelijking tussen landen de fossiele subsidie in een land dat een deel van het verbruik hoog belast en een deel minder hoog sprake is van een fossiele subsidie. In een land waar al het energieverbruik laag wordt belast zou dan geen sprake zijn van fossiele subsidie. Een benadering met dergelijke uitkomsten is volgens het kabinet niet wenselijk.
Ook bij bijvoorbeeld het bepalen van de omvang van de vrijstelling voor aardgas gebruikt voor elektriciteitsopwekking kiest de auteur om de fossiele subsidie te bepalen door de vrijstelling af te zetten tegen het hoogste tarief.
De benchmark-aspecten zoals genoemd bij het degressieve tarief in de energiebelasting spelen op vergelijkbare wijze bij het verschil tussen de accijns op benzine en diesel. De auteur presenteert iedere afwijking van het hogere benzinetarief als een fossiele subsidie. Ook hier geldt dat die keuze arbitrair is en zou leiden tot onwenselijke en onlogische uitkomsten bij vergelijkingen tussen landen.
Verder valt op dat de berekeningen van de auteur inclusief 21% btw zijn gepresenteerd, waar de overheid de ramingen voor de fiscale regelingen binnen de energiebelasting altijd exclusief btw presenteert. Dit verklaart ook een deel van het verschil.
Kunt u toelichten op hoeveel miljard euro subsidie voor fossiele brandstoffen het kabinet zou komen als zij gebruik maakt van de openbare gegevens van het CBS? Zou dit overeenkomen met de 17,5 miljard euro van dit artikel?
In het antwoord op vraag 3 heb ik toegelicht dat de cijfers van het CBS niet 1-op-1 zijn te gebruiken voor het berekenen van de ontbrekende bedragen en het hierbij gaat om arbitraire keuzes in de berekening. Zowel bij het verschil tussen de benzine en dieselaccijns als bij het degressieve tarief is het ontbreken van een geschikte benchmark vanwege de arbitraire keuze van deze benchmark de reden voor het niet kunnen presenteren van cijfers.
Bent u van mening dat door de ontbrekende gegevens een vertekend beeld is ontstaan van de hoeveelheid subsidie voor fossiele brandstof? Kunt u dit toelichten?
Ik ben niet van mening dat er een vertekend beeld is ontstaan. In de brief is een overzicht opgenomen van alle relevante fiscale en niet-fiscale regeling. Daarbij is voor zoveel mogelijk posten eveneens een inschatting opgenomen van de corresponderende gemiste overheidsinkomsten. De overige posten zijn transparant weergegeven in de tabel, met de toelichting dat een bedrag niet beschikbaar was vanwege de bij de toelichting genoemde redenen. Het gepresenteerde bedrag van € 4,5 miljard is daarmee niet het volledige bedrag. Het berekenen van de overige posten met arbitraire aannames zou mijns inziens echter juist leiden tot een vertekend beeld.
Kunt u toelichten hoe zo’n hoge jaarlijkse subsidie te verenigen is met de motie Van der Lee uit 2018 die vraagt om een stapsgewijze afbouw van financiële prikkels die de Nederlandse klimaatdoelen tegenwerken?2
Zoals eerder gedeeld in de brief van 14 september jl. heeft het kabinet het voornemen om deze financiële prikkels voor fossiele brandstoffen af te bouwen en zo het gebruik van fossiele brandstoffen beter te beprijzen. Daarbij is van belang dat dit dient te gebeuren met oog voor het gelijke speelveld. De regelingen zien in veel gevallen op sectoren die gevoelig zijn voor internationale concurrentie. Bovendien zijn vrijstellingen soms zowel vastgelegd via regelingen in het kader van de Europese Richtlijn Energiebelastingen als via internationale, Europese en bilaterale verdragen, hetgeen de mogelijkheid tot en het effect van eigenstandig handelen van Nederland beperkt. Dit jaar wordt er een voorstel verwacht van de Europese Commissie voor de herziening van de Richtlijn Energiebelastingen zodat deze past in het streven naar een CO2-neutrale energiehuishouding in 2050. Dit voorstel biedt kansen voor verminderen of afschaffen van financiële prikkels voor fossiele brandstoffen in Europees verband en kan als input dienen voor een nieuw kabinet. Daarnaast lopen er op dit moment meerdere nationale trajecten waarin de financiële prikkels met betrekking tot fossiele brandstoffen worden bekeken. Zo worden de energiebelasting en de opslag duurzame energie (ODE) geëvalueerd. Hierin wordt onder andere gekeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van de fiscale regelingen. De resultaten van deze trajecten verwacht ik in de komende maanden. Deze onderzoeken kunnen bijdragen aan de keuzes van een volgend kabinet om de fiscale regelingen op dit gebied te herzien.
Wat gaat u doen tegen de grootschalige fiscale stimulering van fossiel energiegebruik?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Restcapaciteit reguliere zorg bleef lang onbenut’ |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Restcapaciteit reguliere zorg bleef lang onbenut»?1
Het artikel bevestigt voor mij de noodzaak om de lessen van de eerste coronagolf van maart 2020 verder te ontwikkelen en toe te passen binnen het Nederlandse zorgstelsel. Deze lessen zijn onder andere verwerkt in het tijdelijk beleidskader voor het waarborgen acute zorg in de covid-19 pandemie2 dat ik op 23 oktober heb gedeeld met de Kamer. Met behulp van dit tijdelijk beleidskader beoog ik de toegankelijkheid van de acute en kritiek planbare zorg zo goed mogelijk te waarborgen, met in heel Nederland een zo gelijk en evenwichtig mogelijk niveau van toegankelijkheid van zorg voor de patiënten.
Vindt u het ook schokkend dat de restcapaciteit voor reguliere zorg gedurende de eerste coronagolf vanwege strategische belangen gedeeltelijk onbenut is gebleven?
Er zijn mij geen feiten bekend over zorgcapaciteit die tijdens de eerste golf doelbewust onbenut is gebleven. Er zijn geen afspraken gemaakt tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars dat bepaalde zorg niet geleverd mocht worden en er zijn in dat kader ook geen beperkingen opgelegd in het verlenen van zorg aan individuele patiënten.
Dat er restcapaciteit voor reguliere zorg gedurende de eerste golf gedeeltelijk onbenut is gebleven komt voort uit verschillende redenen. Vanwege een zeer plotselinge toename van patiënten op de verpleegafdelingen en de Intensive Care (IC) is in de eerste coronagolf besloten tot het nationaal afschalen van reguliere zorg om capaciteit te creëren voor de opvang of overname van patiënten. In deze acute setting waarin er per regio en zelfs per instelling verschillend was afgeschaald was het moeilijk om de restcapaciteit van de reguliere zorg in kaart te brengen.
Een andere reden dat er onvolledig gebruik is gemaakt van de beschikbare reguliere zorg is dat er minder verwijzingen hebben plaatsgevonden omdat veel mensen die niet naar de huisarts gingen dat niet durfden of de zorg niet verder wilden belasten. Daarnaast zijn er ook patiënten die niet de voorkeur hebben, met name bij complexe behandelingen of ingrepen, om verwezen te worden naar een andere zorginstelling en/of behandelend arts om eerder zorg te kunnen ontvangen.
Begrijpt u de beslissing van covid-ziekenhuizen om patiënten niet door te verwijzen naar plekken waar nog wel plaats was, uit angst om deze patiënten kwijt te raken? Deelt u de mening dat deze beslissing van de ziekenhuizen veroorzaakt is door de rol van concurrentie in het zorgstelsel? Zo ja, ziet u hierin ook bewijs dat concurrentie niet thuishoort in de zorg?
Zoals in het voorgaande antwoord is toegelicht, zijn er geen feiten of signalen bekend over het (al dan niet doelbewust) onthouden van zorg aan mensen terwijl die wel beschikbaar was.
Bij het besluit om patiënten over te plaatsen spelen veel verschillende overwegingen, waaronder natuurlijk het belang van continuïteit in de behandeling en de eigen voorkeur van patiënten. Er zijn geen concrete signalen bekend dat financiële overwegingen een rol hebben gespeeld bij het besluit om patiënten al dan niet over te plaatsen of door te verwijzen.
Veldpartijen hebben aangegeven dat overwegingen rond concurrentie in sommige gevallen belemmerend hebben gewerkt bij de totstandkoming van samenwerkingsafspraken, maar er zijn ook juist in deze periode diverse nieuwe vormen van samenwerking opgezet. Zo was er een veel grotere behoefte aan samenwerking en regie, bijvoorbeeld op het gebied van coördinatie van IC-capaciteit, dan in een normale situatie en die ruimte is er ook binnen het huidige stelsel. Zorgverzekeraars hebben intensief samengewerkt om de zorg toegankelijk te kunnen houden. Ze hebben bijvoorbeeld snel samen regelingen kunnen en mogen optuigen om zorgaanbieders financieel comfort te geven. Hierin was marktwerking nadrukkelijk niet het leidende principe, maar continuïteit van zorg en hiermee zijn de randvoorwaarden geschapen waarbinnen zorgaanbieders zich maximaal konden richten op het belang van de patiënt.
Overigens zijn patiënten niet afhankelijk van een verwijzing om te wisselen van zorgaanbieder. Zij kunnen zelf contact opnemen met hun zorgverzekeraar voor zorgbemiddeling, of rechtstreeks met een andere zorgaanbieder. De NZa heeft het ontsluiten van informatie over het aanbod van reguliere zorg bevorderd en ook zijn financiële afspraken gemaakt over het zo efficiënt mogelijk benutten van de beschikbare capaciteit.
Heeft u enig inzicht in de omvang van de zorg die niet is doorgegaan terwijl er wel restcapaciteit beschikbaar was en wat de gevolgen zijn van deze uitgestelde zorg? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Gedurende de eerste coronagolf bleef de (semi-)acute en kritiek planbare zorg beschikbaar, en tevens werden manieren gevonden om zorg te vervangen zoals bijvoorbeeld het videoconsult om zorg op afstand te blijven leveren. Wanneer
afspraken voor reguliere zorg werden uitgesteld had dit niet als gevolg dat mensen géén zorg zouden ontvangen.
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft nader onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van zorg door de wachttijden landelijk en regionaal in kaart te brengen en te vergelijken met de treeknorm. Het aantal overschrijdingen van de treeknorm voor de polikliniek en diagnostiek lag in juni en juli van 2020 ongeveer op het niveau van begin 2020. Voor behandelingen in het ziekenhuis is er sprake van een lichte stijging van het aantal overschrijdingen van de treeknorm, waarbij er behoorlijke regionale verschillen zijn. Voor verschillende behandelingen in het ziekenhuis waren de wachttijden ook voor de corona-uitbraak al langer dan de Treeknormen.
Op basis van de gegevens van ZorgDomein kan geconcludeerd worden dat tijdens de eerste golf van de coronacrisis het aantal verwijzingen van huisartsen naar het ziekenhuis over de gehele breedte van de zorg was afgenomen. Vanaf begin april nam het aantal verwijzingen weer gestaag toe en was in augustus gestabiliseerd rond het niveau van eerdere jaren. Een deel van deze verwijzingen zullen niet ingehaald hoeven worden, omdat klachten vanzelf zijn overgegaan of op een andere manier aan de zorgvraag (bijvoorbeeld door de huisarts) is voldaan. Een deel echter zal nu een zwaardere zorgvraag zijn.
Hoe beoordeelt u de opmerking dat de vangnetregeling van de zorgverzekeraars bijdraagt of heeft bijgedragen aan het feit dat covid-ziekenhuizen hun patiënten niet doorverwezen naar andere plekken waar wel capaciteit was, aangezien gesteld wordt dat «de verzekeraar niet twee keer gaat betalen en liever de wachtlijsten wat laat oplopen»? Indien u dit signaal herkent, bent u bereid zorgverzekeraars hierop aan te spreken en in te zetten op een aanpassing van de vangnetregeling?
Ik ben van mening dat het onwenselijk is als er reguliere zorg onnodig wordt uitgesteld vanwege de vangnetregeling. De vangnetregeling van verzekeraars heeft dat ook niet als doel. Ongeacht het bestaan van een vangnetregeling kunnen verzekerden die te lang moeten wachten bij een bepaalde zorgaanbieder zich melden bij hun zorgverzekeraar voor zorgbemiddeling.
Ik ken geen feiten of signalen over zorgverzekeraars die doelbewust de wachtlijsten zouden hebben laten oplopen. Met alle ziekenhuizen en klinieken zijn in 2020 continuïteitsregelingen getroffen, wat maakte dat zij gecompenseerd zijn voor productieverlies. Daarbij is steeds aangegeven dat bij het verplaatsen van patiënten naar een kliniek de financiering moet volgen en dat tussen ziekenhuis en kliniek een financiële afrekening moet plaatsvinden. Anders wordt de zorg dubbel betaald en dat is ook in een pandemie niet gewenst en verantwoord. Zorgverzekeraars werken samen met de NZa aan het inzichtelijk krijgen van de beschikbare capaciteit en nemen deze inzichten mee naar de ROAZ-tafels en zorgbemiddeling.
Het is belangrijk om te realiseren dat klinieken niet alle reguliere zorg kunnen leveren, omdat ze hiervoor niet geëquipeerd zijn. Het is daarom in een situatie als de covid-pandemie onvermijdelijk dat wachtlijsten oplopen.
Zorgverzekeraars hebben op basis van hun zorgplicht ook de taak om ziekenhuizen aan te spreken als dergelijke situaties zich zichtbaar voordoen en zij monitoren hier dan ook op.
Minder geld voor Texel, Bergen, Castricum, Heerhugowaard, Beemster en Den Helder uit gemeentefonds |
|
Gijs van Dijk (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «De andere Waddeneilanden zijn »voordeelgemeenten», maar Texel loopt half miljoen mis uit Gemeentefonds»?1
Deelt u de mening dat het vreemd is dat Texel, als enige Waddeneiland, minder geld uit het gemeentefonds krijgt? Waarom is Texel geen voordeelgemeente? Kunt u toelichten hoe dit mogelijk is?
Bent u het eens dat juist Texel, als Waddeneiland, vanwege haar ligging en grootte, hogere kosten heeft voor het bouwen van huizen, openhouden van scholen en het realiseren van goede zorg?
Kunt u zich dan ook voorstellen dat Texelaars zeer verbaasd zijn over het feit dat zij, ondanks die bijzondere positie die dit Waddeneiland heeft, minder geld vanuit het Rijk ontvangen?
Vindt u het bovendien niet extra schrijnend dat Texel nu minder inkomsten van het Rijk krijgt, terwijl het SCP-onderzoek »Als werk weinig opbrengt»2 juist laat zien dat er op de Wadden veel werkende armen leven?
Bent u het daarom dan ook eens dat de bijzondere positie van de Waddeneilanden en het feit dat er veel werkende armen leven, er voor zorgen dat juist de Waddeneilanden extra aandacht en financiële steun nodig hebben?
is het waar dat, naast Texel, ook veel andere gemeenten in Noord Holland, zoals Bergen, Castricum, Heerhugowaard, Beemster en Den Helder, er door de herverdeling van het gemeentefonds fors op achteruit gaan?
Maakt u zich daarnaast ook geen grote zorgen dat, door het verlagen van de bijdrage vanuit het Gemeentefonds, deze gemeenten in Noord-Holland mogelijk op belangrijke zaken zoals het bouwen van de zeer noodzakelijke woningen, schoolhuisvesting, het zwembad of de bibliotheek moeten gaan bezuinigen? Deelt u de mening dat, naast de grote gevolgen van de coronacrisis op de Waddeneilanden door het missen van de inkomsten uit toerisme, Texel nog eens extra wordt geraakt?
Kunt u zich voorstellen dat de inwoners van deze gemeenten het gevoel krijgen dat zij onvoldoende gehoord worden in Den Haag?
Bent u daarom bereid om het besluit om minder geld voor de gemeenten Texel, Bergen, Castricum, Heerhugowaard, Beemster en Den Helder uit het Gemeentefonds ter beschikking te stellen,te heroverwegen en juist extra te investeren in deze gemeenten?
De toename van seksueel geweld tijdens de coronacrisis |
|
Attje Kuiken (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Onderzoek Rutgers: jongeren hebben minder seks en dates tijdens corona, wel meer seksueel geweld»?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van dit bericht in de Volkskrant en de onderliggende onderzoeken van Rutgers.
Deelt u de mening dat deze toename van seksueel geweld uiterst zorgelijk is? Welke stappen onderneemt u om hierop in te grijpen?
De aanpak van seksueel geweld heeft zeker onze aandacht, want elk geval van seksuele grensoverschrijding is er een te veel. Slachtoffers van seksueel geweld kunnen altijd terecht bij het CSG en Veilig Thuis voor hulp en advies of een melding doen bij politie of Veilig Thuis.
Uit het onderzoeksrapport van Rutgers «Seksuele gezondheid van jongeren in Nederland tijdens de coronacrisis» blijkt overigens niet dat seksueel geweld in de periode maart tot december 2020 is toegenomen. Jongeren die meegenomen zijn in de steekproef geven aan dat de meeste ervaringen met seksuele grensoverschrijding hebben plaatsgevonden voor de coronacrisis.
Het is tegelijkertijd bekend dat slachtoffers vaak lang wachten met het doen van een melding. Vandaar ook dat de Minister van Rechtsbescherming eind 2019 de campagne «Wat kan mij helpen» is gestart om slachtoffers te motiveren snel professionele hulp te zoeken als zij een nare seksuele ervaring hebben gehad. Voor een overzicht van de stappen die gezet worden op het voorkomen en aanpakken van seksueel geweld verwijs ik u naar de kamerbrief «interdepartementale aanpak seksueel geweld» van 4 februari 2021 met bijbehorend schema.3
Heeft u zicht op de mate waarin deze stijging van seksueel geweld verband houdt met huiselijk geweld? Zo nee, kunt u dat zo snel mogelijk onderzoeken?
Op basis van het onderzoeksrapport van Rutgers kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van een stijging van seksueel geweld. De cijfers uit het onderzoek van Rutgers kunnen niet goed vergeleken worden met cijfers uit eerdere onderzoeken. Dat komt mede doordat de onderzoeksgroepen verschillen en het om een specifieke periode gaat.
Wel is er zicht op de mate waarin seksueel geweld verband houdt met huiselijk geweld. De ministeries van VWS en JenV hebben de Prevalentiemonitor Huiselijk Geweld en Seksueel Geweld laten ontwikkelen door het WODC en het CBS. Met dit onderzoek wordt tweejaarlijks de aard en omvang gemeten van huiselijk geweld, seksuele intimidatie en seksueel geweld via een steekproef onder de Nederlandse bevolking van zestien jaar en ouder. In de eerste publicatie van de prevalentiemonitor in 2020 wordt geconstateerd dat er slechts een kleine overlap bestaat tussen slachtofferschap van huiselijk geweld en het slachtofferschap van seksueel geweld; 1 procent van de bevolking van zestien jaar of ouder werd slachtoffer van seksueel geweld door iemand uit de huiselijke kring (familie-/gezinslid of (ex-)partner), terwijl 8 procent slachtoffer werd van huiselijk geweld dat geen seksueel karakter had. Seksueel geweld vindt voor het grootste deel niet in huiselijke kring plaats: 10 procent van de bevolking van zestien jaar of ouder is slachtoffer geweest van seksueel geweld buiten huiselijke kring.4
Heeft u contact gehad met politie en Openbaar Ministerie om te onderzoeken of zij een gelijk beeld onderschrijven? Zo nee, bent u voornemens dat alsnog te doen?
Ik heb nauw contact met politie en OM over de ontwikkelingen op het gebied van seksueel geweld tijdens de coronacrisis. Uit deze contacten blijkt dat er in 2020 sprake was van een daling ten opzichte van 2019 in het aantal informatieve gesprekken en aangiftes van seksueel geweld. Deze daling leidt tot een lagere instroom van zedenzaken bij het OM. Voor de hele strafrechtketen is een monitor ingericht die maandelijks inzicht geeft in de ontwikkeling van de werkvoorraden. De impact van corona wordt zo nauwkeuring bijgehouden.
Ziet u reden tot zorgen over de algemene seksuele gezondheid van jongeren vanwege de verstoringen die de coronamaatregelen hebben veroorzaakt?
Uit het onderzoek Seks onder je 25e (https://seksonderje25e.nl/) bleek dat het met de seksuele gezondheid onder jongeren vóór corona in het algemeen goed was gesteld. Uit het recente onderzoek van Rutgers blijkt dat de coronamaatregelen de seksuele ontwikkeling van jongeren belemmert. Of dit gevolgen heeft op de lange termijn is nog niet te zeggen. Het onderzoek «Seks onder je 25e» wordt volgend jaar weer uitgevoerd en zal hopelijk meer informatie kunnen geven over de gevolgen op de lange termijn. Er is voldoende reden om een vinger aan de pols te houden en blijvend aandacht te schenken aan seksuele vorming. Momenteel wordt met behulp van verschillende activiteiten en programma’s ook onder de huidige coronamaatregelen informatie geboden aan jongeren en adolescenten over uiteenlopende thema’s op het gebied van seksuele gezondheid. Een voorbeeld is het stimuleringsprogramma «Relaties en Seksualiteit». Doel van dit programma is om een impuls te geven aan seksuele en relationele vorming in het onderwijs. De aanvragen hiervoor vinden ook doorgang onder de huidige coronamaatregelen. Een ander voorbeeld zijn de campagnes «Onbedoelde zwangerschappen» en «Seksuele Gezondheid» die als doel hebben om de seksuele gezondheid onder jongeren te bevorderen. De campagnes gaan over vragen die bij jongeren leven over seksualiteit, anticonceptie en relaties en richten zich via diverse sociale mediakanalen op jongeren en adolescenten. Via Sense.info kunnen jongeren informatie inwinnen over deze thematiek. Jongeren kunnen bij veel GGD’en aankloppen voor advies en hulp bij seksualiteitsproblemen.
Op welke manier kan extra aandacht worden gegeven aan het belang en nut van een gezond seksleven onder jongeren, zodat de huidige restricties geen permanente schade aanrichten?
Zie antwoord vraag 5.
Dna-testen in verband met verzoeken tot gezinshereniging voor vluchtelingen |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel waaruit blijkt dat gezinshereniging van vluchtelingen wordt afgewezen als niet binnen vier weken een afspraak is gemaakt met de Nederlandse ambassade voor dna-onderzoek?1
Ja.
Onderschrijft u dat Nederland op grond van internationaal recht en de gezinsherenigingsrichtlijn de gezinshereniging van vluchtelingen moet bevorderen en daarbij rekening moet houden met de bijzondere situatie van de vluchteling en de gezinsleden? Onderschrijft u voorts dat daarbij bovendien de gezinsherenigingsprocedure van vluchtelingen op grond van de jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) snel, zorgvuldig en met speciale zorg moet worden afgehandeld?
Ja.
Is sprake van een nieuwe werkwijze dat gezinsleden slechts vier weken de tijd krijgen om een afspraak bij de ambassade te maken waarna bij het verloop van deze termijn de aanvraag direct wordt afgewezen? Wat is de juridische grondslag voor deze fatale termijn? Waarom is niet gekozen voor een ruimere termijn met de mogelijkheid deze indien nodig te verlengen?
Nee, er is geen sprake van een nieuwe werkwijze. Gezinsleden die een DNA-onderzoek krijgen aangeboden, hebben standaard vier weken de tijd om een afspraak in te plannen bij een Nederlandse vertegenwoordiging. Dit is een staande werkwijze die geldt voor alle nationaliteiten. Gedurende deze vier weken kunnen de gezinsleden telefonisch of via het online afsprakensysteem van de betreffende ambassade of Nederlandse vertegenwoordiging, een afspraak maken. In Addis Abeba plant de ambassade telefonisch afspraken in met gezinsleden, waarbij de nareizigers meerdere keren, over een periode van meerdere weken gebeld voor een afspraak. De daadwerkelijke afspraak kan later plaatsvinden. Het betreft een termijn die in de praktijk wordt gehanteerd en aansluit bij de reactietermijn die de vreemdeling krijgt wanneer er sprake is van een incompleet dossier en deze door middel van een herstel van het verzuim wordt aangevuld. De termijn voor het maken van een DNA afspraak bij de ambassade is niet wettelijk vastgelegd. Omdat de daadwerkelijke afspraak later dan de genoemde vier weken kan plaatsvinden, is in een redelijke termijn voorzien.
Klopt het dat de Nederlandse ambassade nog niet eerder dna-onderzoek heeft kunnen faciliteren vanwege de coronasituatie? Hoe lang heeft het geduurd voordat de Nederlandse ambassade weer de mogelijkheid van dna-onderzoek kon bieden? Is al deze tijd de beslistermijn van de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) opgeschort? Waarom kan de IND de beslistermijn niet verder opschorten om gezinnen een reële kans te bieden de Nederlandse ambassade te bereiken en op die manier de gezinshereniging voor de vluchtelingengezinnen te faciliteren?
Door COVID-19 was het Ministerie van Buitenlandse zaken medio maart 2020 genoodzaakt de niet-essentiële consulaire dienstverlening op de diplomatieke vertegenwoordigingen af te schalen, zo ook het afnemen van DNA-materiaal. Daar waar de reguliere consulaire dienstverlening sinds eind mei 2020 geleidelijk kon worden hervat, heeft het hervatten van DNA-afnames langer geduurd. Dit komt met name doordat consulaire afdelingen niet over voldoende faciliteiten beschikten om dit proces conform RIVM richtlijnen en Rijksbrede protocollen veilig uit te kunnen voeren, en/of door onvoldoende beschikbaarheid van medisch personeel. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de diplomatieke vertegenwoordigingen hebben zich hard ingezet om consulaire afdelingen zo in te richten- of externe locaties te vinden om veilig DNA-materiaal af te kunnen nemen. Sinds 1 november 2020 is de Nederlandse ambassade in Addis Abeba weer in staat DNA-afnames te faciliteren.
De IND heeft in de individuele aanvragen waarin door de overmachtssituatie nadere onderzoeken geen doorgang konden vinden, de beslistermijnen tijdelijk opgeschort. De huidige omstandigheden in de Tigray regio zijn grillig en onvoorspelbaar, waardoor het onduidelijk is wanneer de vreemdelingen aldaar wel beschikbaar zullen zijn voor een nader onderzoek. Het kan niet met zekerheid worden gesteld dat de gezinsleden bij een verlenging van de termijn met enkele weken daadwerkelijk gebaat zouden zijn. Daarom heeft de IND er niet voor gekozen om de termijn te verlengen.
Vreemdelingen die worden afgewezen omdat zij niet beschikbaar zijn voor onderzoek, wordt verzocht een nieuwe aanvraag in te dienen zodra zij wél beschikbaar zijn voor onderzoek. Deze nieuwe aanvraag wordt vervolgens met voorrang opgepakt. De afspraak voor het nader onderzoek wordt dan snel gepland.
Erkent u dat het moeten doen van een nieuwe aanvraag vertraging oplevert, ook al wordt deze met voorrang behandeld? Kunt u aangeven hoe snel gemiddeld en hoe lang maximaal het de IND zal vergen om een nieuwe beslissing te nemen? Hoe snel zal het nieuwe aanbod voor dna-onderzoek er liggen? Erkent u dat het moeten behandelen van een nieuwe aanvraag de IND ook weer extra werklast oplevert?
Bij de beoordeling van de nieuwe aanvraag, zal het onderliggende dossier volledig worden betrokken. Waar mogelijk wordt de aanvraag door de medewerker behandeld die ook bij de eerste aanvraag de zaakverantwoordelijk medewerker was en zodoende bekend is met het dossier. De eerdere conclusie in deze aanvragen dat de gezinsleden voor een DNA-onderzoek in aanmerking kwamen, zal indien de omstandigheden niet zijn gewijzigd, opnieuw worden getrokken. Het aanbod voor een DNA-onderzoek zal dan opnieuw worden gedaan. De IND neemt na ontvangst van de nieuwe aanvraag, binnen vier weken contact op met de vreemdeling. De referent wordt gevraagd de nieuwe aanvraag pas in te dienen wanneer er daadwerkelijk zicht is op contact met de gezinsleden en de mogelijkheid een afspraak in te plannen. Zo wordt de extra werklast voor de IND zoveel mogelijk beperkt.
Wat zijn de gevolgen van het moeten doen van een nieuwe aanvraag voor met name alleenstaande minderjarige vluchtelingen (AMV's) die inmiddels 18 jaar zijn geworden? Geldt voor hen dat zij alleen nog een reguliere aanvraag kunnen indienen waarvoor (opnieuw) leges betaald moet worden? Kunt u aangeven hoe hoog deze leges zijn voor een ouder en hoe hoog voor eventuele broertjes en zusjes? Erkent u dat voor een minderjarige of net meerderjarig geworden asielstatushouder deze bedragen een grote belemmering vormen en het zoeken naar mensen die hierbij financieel willen helpen alleen maar verdere vertraging oplevert? Bent u bereid de (voormalig) minderjarige asielstatushouders vrij te stellen van leges?
Een amv die tijdens de eerste nareisprocedure meerderjarig wordt, wordt gedurende de gehele procedure beschouwd als minderjarige. Bij een afwijzing zal de aanvrager ook in de eventuele bezwaarprocedure als minderjarige worden beschouwd.
Voor alle meerderjarigen die om gezinshereniging met ouders verzoeken, geldt de vrijstelling van materiële voorwaarden in het begunstigende nareiskader, zoals leges, niet. Hierop geldt geen uitzondering voor meerderjarigen die in een voorliggende procedure minderjarig waren. De amv die na afronding van de eerste procedure meerderjarig is geworden, zal een reguliere aanvraag kunnen indienen waarvoor de standaard legeskosten ter hoogte van € 192 voor meerderjarige, en € 64 voor minderjarige gezinsleden dienen te worden betaald. Indien de bedragen een te grote belemmering vormen, kan onder bepaalde voorwaarden vrijstelling voor de leges worden verleend. Ik zie geen aanleiding deze werkwijze aan te passen.
Geldt voor een ouder van een voormalige AMV dat zij vanwege de reguliere procedure die gevolgd moet worden niet meer een asielvergunning maar een reguliere vergunning zullen krijgen? Wat betekent dit voor hun rechtspositie, bijvoorbeeld voor de mogelijkheid om te kunnen naturaliseren wanneer zij net als asielstatushouders niet aan de documenteis kunnen voldoen?
Gezinsleden die een reguliere aanvraag om gezinshereniging indienen ten bate van hun gezinsleden, ontvangen in Nederland een reguliere verblijfsvergunning. Om te kunnen naturaliseren gelden op grond van de daartoe strekkende wet- en regelgeving voorwaarden. Onder meer om zeker te zijn van de juistheid van de gegevens die op het naturalisatiebesluit worden vermeld, wordt verlangd dat de naturalisatieverzoeker, die in het bezit is van een reguliere verblijfsvergunning, zijn persoonsgegevens en nationaliteit in beginsel aantoont met buitenlandse documenten (een gelegaliseerde of van een apostillestempel voorziene geboorteakte/geboortebewijs alsmede met een geldig buitenlands paspoort). In een individueel geval kan bij een vreemdeling, die in het bezit is van een reguliere verblijfsvergunning, aanleiding bestaan om de voorwaarden voor het overleggen van identiteits- en/of nationaliteitsdocumenten niet te handhaven. Daartoe overgaan is mogelijk na het hebben vernomen en gewogen van de reden(en) waarom betrokkene niet in het bezit is van het gevraagde document. Het is aan betrokkene om deze reden(en) naar voren te brengen, in beginsel bij het indienen van zijn naturalisatieverzoek.
Aangezien het in al deze zaken gaat om een afspraak voor dna-onderzoek betekent dit dat het in alle zaken gaat om biologische kinderen? Heeft u de belangen van deze kinderen overeenkomstig het Kinderrechtenverdrag en artikel 5 gezinsherenigingsrichtlijn voldoende mee laten wegen bij het stellen van deze vier weken termijn en de vertraging die het moeten doen van nieuwe aanvragen met zich mee brengt?
Ja, in zaken waarin een DNA-onderzoek wordt aangeboden, is veelal sprake van gesteld biologische gezinnen met minder- of meerderjarige kinderen in Nederland of land van (tijdelijk) verblijf. Gezinsleden die naar Nederland willen komen, moeten met documenten aantonen wie zij zijn en wat hun relatie is met de referent in Nederland. Dit geldt ook voor de minderjarige gezinsleden. De IND houdt zorgvuldig rekening met de belangen van minderjarige kinderen en overige individuele omstandigheden van de vluchteling, door te beoordelen of het ontbreken van de vereiste documentatie aan de vreemdeling toe te rekenen valt. In de aanvragen waarin de IND beoordeelt dat het ontbreken van documentatie de aanvrager of gezinsleden niet valt te verwijten, wordt een DNA-onderzoek aangeboden om in de bewijslast tegemoet te komen. Ook de minder-of meerderjarigheid van de betrokkenen speelt een rol in deze afweging. Zo zal bij aanvragen van biologische kerngezinnen sneller tot de conclusie worden gekomen dat een DNA-onderzoek aan de orde is.
Heeft u rekening gehouden met de slechte telefonische bereikbaarheid vanwege verblijf in de regio Tigray? Heeft de IND of de Nederlandsse ambassade contact gezocht met de UNHCR om te zien in hoeverre zij het leggen van contact met deze gezinsleden kunnen ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Om rekening te houden met nareizigers in de Tigray regio die niet direct telefonisch bereikbaar zijn, worden de gezinsleden meerdere keren, over een periode van meerdere weken gebeld voor een afspraak. De IND verkent momenteel voornamelijk of er samenwerking mogelijk is met UNHCR op het gebied van interviews door middel van videoverbinding, waardoor de benodigde reisbewegingen van de gezinsleden mogelijk beperkt kunnen worden.
Bent u bereid samen met de Minister van Buitenlandse Zaken te bezien of de UNHCR of hulporganisaties ter plekke ondersteuning kunnen bieden in de bereikbaarheid van gezinsleden in Tigray en de mogelijkheid naar de Nederlandse ambassade in de hoofdstad te reizen? Bent u bereid met het Internationale Organsiatie voor Migratie (IOM) te bezien of zij in de regio Tigray voor dna-afname van de gezinsleden kunnen zorgen?
Momenteel wordt in samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken verkend of er samenwerking mogelijk is met IOM en UNHCR in enkele landen waar veel nareizigers wachten op nader onderzoek, zo ook in Ethiopië. Onderzocht wordt of voornoemde organisaties kunnen ondersteunen bij de afname van DNA-samples en het opzetten van videoconferencing verbindingen ten bate van de doorgang van interviews.
Bent u bereid de nieuwe werkwijze aan te passen en rekening te houden met de situatie van de vluchteling en de gezinsleden en met name de minderjarige gezinsleden en ervoor zorg te dragen de gezinshereniging van deze gezinnen zo goed mogelijk te faciliteren zodat deze geen verdere vertraging oplopen? Bent u bereid in de zaken waarin al direct na het overschrijden van de vier weken termijn is afgewezen en bezwaar is ingesteld het bezwaar met voorrang te behandelen en opnieuw DNA-onderzoek aan te bieden?
Gezinsleden die naar Nederland willen komen, moeten met documenten aantonen wie zij zijn en wat hun relatie is met de referent in Nederland. De IND houdt zorgvuldig rekening met de situatie van de vluchteling door te beoordelen of het ontbreken van de vereiste documentatie aan de vreemdeling toe te rekenen valt. In de aanvragen waarin de IND beoordeelt dat dat niet het geval is, wordt een DNA-onderzoek aangeboden om de vreemdeling en de gezinsleden tegemoet te komen. De nareizigers die niet tijdig naar de diplomatieke post in Addis Abeba konden reizen of een afspraak ten bate van het benodigde onderzoek konden maken, worden tegemoet gekomen met voorrang bij een nieuwe aanvraag. Op die manier is in een zo zorgvuldig en efficiënt mogelijke werkwijze voorzien. Ik voorzie daarin thans geen aanpassing.
Het bezwaarschrift dient binnen vier weken na afwijzing te zijn ingediend. Het nuttig effect van de nieuwe aanvraag met voorrang behandelen is het uitgangspunt dat de aanvrager deze heeft ingediend op het moment dat de gezinsleden daadwerkelijk beschikbaar en bereikbaar zijn voor het nader onderzoek. Omdat het niet evident is dat het benodigde nader onderzoek binnen deze korte termijn wel kan plaatsvinden, acht ik het niet dienstig voor de betrokkenen om ook de bezwaarschriften met voorrang te behandelen.
Het melden van telen op zand en of löss grond door boeren |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de maatregel dat boeren die mais willen telen op zand- en/of lössgrond dit uiterlijk op 15 februari moeten melden?
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen, hoeveel percelen en hoeveel hectares inmiddels zijn aangemeld?
Tot en met 11 februari 2021 om 9u ’s ochtends zijn er 12.216 meldingen ontvangen. Het betreft 45.553 percelen waarvan de totale oppervlakte 115.937 hectare is.
Kunt u aangeven hoeveel mais de afgelopen vijf jaar (graag een overzicht per jaar) geteeld is op zand- en/of lössgronden?
In onderstaande tabel is de oppervlakte van het areaal waarop in de afgelopen vijf jaar maïs is geteeld op zand- en lössgronden opgenomen.
Totale oppervlakte areaal maïs op zand- en lössgronden
2015
172.606
2016
160.828
2017
158.354
2018
159.133
2019
150.248
2020
152.887
Heeft u onderzoek gedaan naar de extra kosten en of administratieve lasten die de ondernemer maakt voor deze maatregel? Zo ja, kunt u de uitkomsten met de Kamer delen? Zo nee waarom niet?
In de nota van toelichting van het Besluit van 29 december 2020 tot wijziging van het Besluit gebruik meststoffen ter uitvoering van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn dat op 6 januari jl. in het Staatsblad is gepubliceerd (nummer 2021–2) is in paragraaf 3 Effecten bedrijfsleven en overheid ingegaan op de bedrijfseffecten van de maatregel van de aanpassing in de uitrijdperiode op bouwland voorafgaand aan de teelt van maïs. De berekening van de administratieve last als gevolg van de voorafgaande melding van de teelt van maïs is toegelicht. Aan de berekening ligt de gecombineerde opgave van 2019 ten grondslag van landbouwers die in die jaren maïs hebben geteeld op zand- en lössgronden. Voor de melding wordt gerekend met 2,5 minuut voor het aanmelden op Mijn RVO, een kwartier voor het verzamelen van gegevens en 1,2 minuut voor het doorvoeren van het perceelnummer. Daarbij wordt gerekend met een tarief per persoon per uur van € 37 overeenkomstig de standaard die voor kostenberekening van landbouwers wordt toegepast. Daarmee komt de totale regeldruk op € 249.428,-. De reacties in de consultatie zijn aanleiding geweest om in het ontwerpbesluit de melding van een perceel te kunnen wijzigen, omdat het bijvoorbeeld voorkomt dat na 15 februari percelen worden geruild. Het is niet mogelijk in te schatten hoeveel percelen dit betreft, daarom kan de regeldruk van de wijziging van de melding niet worden berekend. In de paragraaf Overige bedrijfseffecten van de nota van toelichting is de aanpassing van de uitrijdperiode van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib voorafgaand aan de teelt van maïs voor een landbouwer kan leiden tot mogelijke aanvullende afzetkosten voor mest. De omvang van deze kosten is niet te duiden omdat dit per bedrijf kan verschillen.
Bent u bekend met signalen uit de praktijk dat deze maatregel de uitruil van gronden tussen akkerbouw en veeteelt bemoeilijkt en er daardoor minder mogelijkheden zijn voor het verbouwen van «eigen krachtvoer»? Zo nee, bent u bereid om met een aantal boeren die hier in de praktijk tegenaan lopen in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb dergelijke signalen ontvangen.
In mijn brief van 18 mei 2020 (Kamerstuk 33 037, nr. 368) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitvoering van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn 2018–2021 (hierna: zesde actieprogramma) gedurende het resterende deel van de looptijd van dit actieprogramma. Ik heb toen aangegeven dat nog enkele maatregelen zullen worden doorgevoerd rondom de teelt van maïs op zand- en lössgronden waarbij het principe van precisiebemesting uitgangspunt is, ook ter beperking van emissies. Voortschrijdend inzicht als gevolg van wetenschappelijke inzichten en de rechtvaardiging van investeringen voor de toepassing van rijenbemesting in maïs op zand- en lössgronden per 1 januari 2021 heeft er destijds toe geleid dat ik heb besloten deze maatregel op een andere, eenvoudigere en minstens even effectieve manier verder uit te werken. Daarom heb ik toen besloten de uitrijdperiode voorafgaand aan de teelt van maïs op zand- en lössgrond in te korten. Deze invulling maakt deel uit van een pakket aan maatregelen, zoals ik in deze brief heb toegelicht.
Van 18 mei 2020 tot en met 15 juni 2020 heeft consultatie van het betreffende ontwerpbesluit plaatsgevonden waarop eenieder in de gelegenheid is gesteld om hier desgewenst op te reageren. Van 31 augustus 2020 tot en met 4 november 2020 is het ontwerpbesluit in het kader van de voorhang aan uw Kamer voorgelegd (Kamerstuk 33 037, nr. 372). Van 6 januari jl. tot en met 3 februari jl. is het Besluit in het kader van de nahang aan uw Kamer voorgelegd (Kamerstuk 33 037, nr. 382).
Ik ben altijd bereid het gesprek te voeren met boeren over hun ervaringen in de praktijk.
Deelt u de mening dat door de verplichting van het aanmelden van percelen die gebruikt worden voor de maisteelt voor 15 februari de flexibiliteit van het bouwplan en het werk van de boer wordt aangetast? Zo nee, waarom niet en kunt u toelichten hoe boeren kunnen anticiperen als bijvoorbeeld de weersomstandigheden zo zijn dat aanmelding van de percelen nog ongewis is?
Nee, ik deel uw mening niet. De reacties die gedurende de consultatie op het ontwerpbesluit zijn gegeven, hebben ertoe geleid dat in het ontwerpbesluit is voorzien in de mogelijkheid dat percelen die aangemeld zijn voor de teelt van maïs ook weer afgemeld kunnen worden.
Bent u bekend met het feit dat mais in hetzelfde seizoen soms gezaaid wordt na het mislukken van een ander gewas op dat perceel, zoals bieten die bevroren zijn en/of aardappelen die het niet redden, om uiteindelijk geoogst te kunnen worden en bent u van mening dat dit onder de huidige regels wel of niet is toegestaan? Waarom wel of waarom niet? Zo niet, bent u bereid dit mogelijk te maken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben hiermee bekend. Zoals in de beantwoording op vraag 6 is aangegeven is erin voorzien dat de melding die gedaan is waarbij een perceel is aangemeld voor de maïsteelt weer kan worden gewijzigd.
Heeft u kennis genomen van de neveneffecten die door deze maatregel zullen ontstaan en kunt u een reactie geven op de volgende situaties:
Ja, ik heb kennis genomen van de neveneffecten. Ten aanzien van de eerste situatie deel ik uw mening niet dat er een achterstand ontstaat. Aangemelde percelen kunnen worden afgemeld waardoor landbouwers vanaf de datum dat de wijziging wordt doorgegeven alsnog kunnen bemesten. Ten aanzien van de tweede situatie geldt dat maïs niet geteeld mag worden indien het perceel niet is gemeld. Dit geldt ook voor percelen die op dit moment grasland zijn. De situatie waarin grasland wordt gescheurd om toch te kunnen voldoen aan het gewenste areaal maïs, omdat sommige percelen niet zijn aangemeld zal zich dus in de praktijk ook niet of nauwelijks voordoen.
Bent u bekend met mineralenmanagement waarbij boeren continu bezig zijn met de benutting van mineralen en het halen van milieuwinst en is het u bekend dat veel boeren hier, al dan niet in collectief verband, via de melkfabriek of voerleverancier mee bezig zijn en wat vindt u van deze initiatieven? Ziet u ook een steeds grotere bewustwording van de keuze en het gebruik van vanggewassen en optimale benutting van mineralen? Zo nee, kunt u dat onderbouwen?
Ja, ik ben bekend met dergelijke bestaande initiatieven, zoals de Kringloopwijzer, en de systemen die bijvoorbeeld in de pilot Slim Bemesten of op Koeien & Kansen-bedrijven worden ontwikkeld. De voorlopers in de sector, die dit soort managementinstrumenten ontwikkelen en gebruiken, kan ik alleen maar toejuichen.
Via diverse kanalen is mij opgevallen dat sectorpartijen steeds bewuster en slimmer met de teelt van een vanggewas omgaan. Zo zijn in korte tijd de vroegrijpe maïsrassen sterk verbeterd. Ik heb dan ook de verwachting dat het vanggewas in de loop van de tijd nog effectiever zal bijdragen in de benutting van mineralen.
Deelt u de mening dat deze maatregel de meerderheid van de boeren treft en de motivatie van het boeren aantast, terwijl deze maatregel bedoeld is voor de kleine minderheid? Zo nee, kunt u dat toelichten? Zo ja, welke alternatieven heeft u onderzocht om de excessen aan te kunnen pakken?
Deze maatregel volgt uit de uitvoering van het zesde actieprogramma. In de beantwoording op vraag 5 ben ik ingegaan op de achtergrond van deze maatregel. Met deze maatregel is precisiebemesting het uitgangspunt gebleven. Recent is de Nitraatrapportage (Kamerstuk 33 037, nr. 378) aan uw Kamer aangeboden over de periode 2016–2019. Deze rapportage laat zien dat op meer dan de helft van de landbouwbedrijven in de zand- en lössregio de nitraatconcentratie te hoog is. Ik deel uw mening dan ook niet dat dit een kleine minderheid betreft.
Bent u bereid deze maatregel te heroverwegen en boeren de ruimte te geven om flexibel in te kunnen spelen op de verschillende omstandigheden die een boer niet altijd in de hand heeft, zoals bijvoorbeeld de weersomstandigheden (op dit moment een stevige vorstperiode terwijl andere jaren half februari gestart kan worden met het bemesten)? Zo nee, waarom niet?
In de beantwoording op vraag 5 heb ik de achtergrond bij deze maatregel toegelicht. Ook heb ik aangegeven dat het Besluit waar deze maatregel deel van uitmaakt is vastgesteld. De inwerkingtreding bij koninklijk besluit door publicatie in het Staatsblad zal op zeer korte termijn plaatsvinden.
Kunt u de HUF-toets met de Kamer delen, dit is de toets die de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) uitvoert op de handhaafbaarheid, uitvoering en fraudebestendigheid? Zo nee, is deze toets wel uitgevoerd? Kunt u, indien deze toets niet is uitgevoerd, aangeven waarom deze niet is uitgevoerd en kunt u de precieze randvoorwaarden delen wanneer deze toets wel of niet wordt uitgevoerd?
Ja, op 9 februari 2021 heb ik de HUF-toets met uw Kamer gedeeld.
Herinnert u zich uw toezegging dat u de HUF-toets over de drempels in de ruggenteelt met de Kamer zou delen, gedaan tijdens het debat over de NVWA op 2 februari 2021 waarin de Kamer kritisch was over het takenpakket van de NVWA, en kunt u aangeven wanneer deze gedeeld wordt?
Ik verwijs naar de beantwoording op vraag 12.
Kunt u uitgebreid reflecteren op de maatregel rond het melden van telen en de maatregel zoals het aanbrengen van drempels in de ruggenteelt waarbij u rekenschap geeft van het vakmanschap van de boer, de administratieve lasten, de uitvoerbaarheid voor de boer, de handhaafbaarheid van de maatregel, de professionaliteit van de boer, het mineralenmanagement in relatie tot de milieuwinst en kunt u deze reflectie onderbouwen met de uitkomsten van een breed praktijkonderzoek in diverse delen van het land?
Op 22 december 2017 (Kamerstuk 33 037, nr. 250) heb ik uw Kamer het zesde actieprogramma toegezonden en dit programma is gelijktijdig conform artikel 5 van de Nitraatrichtlijn bij de Europese Commissie ingediend waarmee invulling is gegeven aan het mestbeleid voor de periode 2018 tot en met 2021. De invulling van dit actieprogramma vormde ook de grondslag voor de derogatie. Doel van het actieprogramma is de verontreiniging veroorzaakt of teweeggebracht uit agrarische bronnen te verminderen en te voorkomen. Aan de maatregelen in dit actieprogramma lagen de milieuresultaten ten grondslag. Dit heeft ertoe geleid dat het maatregelenpakket zich onder andere richtte op waterkwaliteitsproblemen op regionaal en lokaal niveau, samenhangend met de mate en de aard van het gebruik van stikstof en fosfaat in de landbouw. Dit actieprogramma is dan ook meer dan de voorgaande actieprogramma’s gericht geweest op specifieke gebieden en grondsoorten, zoals de zand- en lössregio, teelten, zoals maïs, en landbouwpraktijken. Naast het stimuleren van de goede landbouwpraktijk was het als gevolg van de milieuresultaten onvermijdelijk dat verplichtende maatregelen zijn ingevoerd.
Bij de totstandkoming van het actieprogramma heeft veelvuldig overleg met diverse sectorpartijen plaatsgevonden. In de beantwoording op vraag 5 heb ik toegelicht op welke wijze uitvoering aan het zesde actieprogramma is gegeven in de resterende looptijd.
Herinnert u zich eerdere Kamervragen van het lid Lodders (VVD) over het illegaal uitrijden van mest en het niet opvolgen van meldingen en waarom is er niet gekozen voor het verbeteren van de handhaving, terwijl uit deze Kamervragen blijkt dat aan diverse meldingen van het illegaal uitrijden van mest geen opvolging tot handhaving is gegeven en kunt u toelichten waarom u de keuze maakt voor een extra maatregel in plaats van het handhaven van de bestaande regels?1 2 3
Ja, deze eerdere vragen van het lid Lodders over het illegaal uitrijden van mest herinner ik mij. Meldingen hierover neem ik zeer serieus en ik heb daarbij in de beantwoording tevens aangegeven dat er sluitend bewijs moet zijn (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 345). De NVWA verstaat onder het illegaal uitrijden van mest het uitrijden buiten de toegestane periodes of ten tijde van sneeuw en vorst. Indien dit het geval is, worden passende maatregelen genomen.
Door de handhavende diensten wordt veel inzet gepleegd in het kader van de Versterkte Handhavingsstrategie, waaronder ook gebiedsgericht. Over de voortgang in de uitvoering van deze strategie heb ik uw Kamer en de Europese Commissie bij regelmaat op de hoogte gesteld (meest recentelijk Kamerstuk 33 037, nr. 373).
Het bericht ‘Horizon’s Tepezza supply dwindles as manufacturer Catalent pivots to Warp Speed Vaccines’ |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Horizon’s Tepezza supply dwindles as manufacturer Catalent pivots to Warp Speed Vaccines»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Kunt u aangeven of het klopt dat er signalen zijn dat de levering van non-COVID-geneesmiddelen vertraagd of geannuleerd wordt omdat veel productiecapaciteit en/of -materiaal ingezet wordt voor de productie van COVID-19-vaccins?
Bij het Meldpunt geneesmiddelentekorten en -defecten zijn geen meldingen van verwachte leveringsproblemen met als reden verandering in prioritering van productiecapaciteit ten behoeve van vaccins. Er zijn signalen dat producenten een beroep doen op de productiecapaciteit van een ander bedrijf voor (een gedeelte van) de productie van vaccins. Echter worden er ook nieuwe productielocaties geopend specifiek voor de vaccins. Het Meldpunt houdt de situatie nauwlettend in de gaten en beoordeelt bij iedere melding van een verwachte leveringsonderbreking of er acties in moeten worden gezet om daadwerkelijke tekorten te voorkómen.
Zo ja, kunt u aangeven om welke vertraagde of geannuleerde non-COVID-geneesmiddelen het hier gaat? Kunt u aangeven welke gezondheidsrisico’s dit met zich meebrengt?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen worden er getroffen om de vertraging of annulering van non-COVID-geneesmiddelen zoveel mogelijk te voorkomen? Welke partijen zijn betrokken bij deze maatregelen? Vindt hierover bijvoorbeeld in EU-verband afstemming plaats?
Leveranciers zijn verantwoordelijk voor voldoende levering van de geneesmiddelen waarvoor zij een handelsvergunning hebben. Een leverancier moet onder andere daarom zorgvuldige afwegingen in maken in de inzet van productiecapaciteit. Op het moment dat een leverancier verwacht onvoldoende voorraad te (gaan) hebben, is men wettelijk verplicht om hier een melding van te maken bij het Meldpunt geneesmiddelentekorten en -defecten. Het Meldpunt bekijkt vervolgens wat de juiste oplossingsrichting is. Tot nu toe is er in vrijwel alle gevallen een alternatief beschikbaar gebleken.
In het SPOC-netwerk wisselen Europese landen ook signalen uit over (dreigende) geneesmiddelentekorten. Ook hier volgen we nauwlettend eventuele signalen uit andere landen. In dit netwerk zijn op dit moment geen signalen gedeeld over geneesmiddelentekorten als direct gevolg van prioritering in productiecapaciteit.
Omdat geneesmiddelentekorten al langer een wereldwijd probleem zijn, wordt er via verschillende nationale en Europese actielijnen (samen)gewerkt aan het voorkomen en oplossen ervan. Over deze actielijnen heb ik u recent geïnformeerd middels de brief «Voortgang algemeen geneesmiddelenbeleid 2021»2.
Kunt u aangeven, indien er bepaalde non-COVID-medicatie op den duur niet leverbaar is, hoe patiënten hierbij geholpen worden? Welke voorbereidingen worden er getroffen om gezondheidsschade te voorkomen?
Op het moment dat het Meldpunt voor een geneesmiddel een melding ontvangt van een verwacht leveringsprobleem, doet het Meldpunt een risicoanalyse. Het kan zijn dat er nog voldoende voorraad in omloop is om het leveringsprobleem te overbruggen. Ook wordt bekeken of sprake is van een kritisch geneesmiddel, onder andere door te beoordelen voor welke aandoening het middel wordt gebruikt en of er alternatieven zijn met dezelfde of vergelijkbare werkzame stof, dosering en toedieningsvorm. Gelukkig is dit laatste vaak het geval. Als er geen alternatieven zijn in Nederland, dan zijn er verschillende oplossingen binnen de vergunningensfeer, zoals het in Nederland registreren van een geneesmiddel dat in het buitenland is goedgekeurd. Als sprake is van een kortdurend tekort en geen alternatieven beschikbaar zijn kan IGJ toestemming geven om een vergelijkbaar geneesmiddel uit het buitenland te betrekken. Indien de benodigde grondstoffen beschikbaar zijn, zijn ook apotheekbereidingen soms een mogelijke oplossing. Via deze wegen wordt vrijwel altijd een oplossing gevonden voor de patiënt. In de uitzonderlijke gevallen dat er geen directe oplossing is, overlegt het CBG met de beroepsgroep wat nodig is. Het CBG kan dan bijvoorbeeld een advies publiceren om het geneesmiddel alleen in te zetten bij patiënten die niet overgezet kunnen worden of om tijdelijk beperkte voorraden mee te geven. Sinds 2017 heeft het CBG circa 13 keer een dergelijk advies gepubliceerd.
Berichten die bij de SP-fractie zijn binnengekomen over compensatie voor vergunninghouders radiofrequenties |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van het onderzoek naar de mogelijkheid om voor vergunninghouders van landelijke, regionale en lokale FM-frequenties, ter compensatie van de coronacrisis, de vergunning te verlengen met tenminste twee jaar?1
In de motie Van den Berg c.s.2 wordt de regering verzocht om in overleg met de sector te komen tot een verlenging van de bestaande FM-licenties voor commerciële radiostations. In mijn brief aan uw Kamer van 11 november 20203 heb ik u laten weten dat in reactie op deze motie overga tot een tijdelijke (nood)verlenging van de bestaande commerciële radiovergunningen voor FM met een termijn van minimaal twee jaar tot 1 september 2024. Deze termijn kan oplopen tot drie jaar indien na onderzoek duidelijk wordt dat een dergelijke termijn proportioneel is in verhouding tot het gestelde doel.
Een van de elementen die voor de verlenging van de bestaande vergunningen noodzakelijk is, is de berekening van de verlengingsprijzen. Ik heb daartoe aan SEO Economisch Onderzoek te Amsterdam (SEO) opdracht verstrekt. De verwachting is dat in april, begin mei er meer duidelijkheid ontstaat over de hoogte van de verlengingsprijzen en de vergunningen voor welke deze prijzen moeten gaan gelden. Het gaat hierbij conform de motie om bestaande FM-vergunningen voor landelijk en regionaal gebruik met daaraan gekoppeld spectrum voor digitale radioomroep.
Kunt u aangeven of het klopt dat deze compensatie geen tegemoetkoming biedt voor vergunninghouders met een vergunning voor Laagvermogen Middengolf (LM)? Zo nee, kunt u aangeven op welke wijze vergunninghouders met een LM-vergunning worden gecompenseerd? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken op welke wijze deze vergunninghouders wel kunnen worden gecompenseerd?
De radiosector heeft zelf aangegeven dat zij in plaats van overheidssteun in de vorm van geld graag hun bestaande FM-vergunningen verlengd wilde hebben4. De sector heeft aangegeven dat het op deze wijze makkelijker wordt om additionele financiering rond te krijgen om daarmee de coronacrisis door te komen.
Zoals hierboven reeds aangegeven heb ik aan de wens van de sector en uw Kamer gehoor gegeven en wordt er uitvoering gegeven aan de motie Van den Berg c.s. teneinde tijdig de noodzakelijke verlengbaarheidsbesluiten te kunnen publiceren.
De vergunningen voor Laagvermogen Middengolf (LM) zijn op volgorde van binnenkomst uitgegeven voor een termijn van vijf jaar en worden normaliter op grond van artikel 3.17 van de Telecommunicatiewet na afloop van de vergunningstermijn van rechtswege met een periode van vijf jaar verlengd5. Aangezien voor deze vergunningen een ander wettelijk regime van toepassing is, is hiervoor geen afzonderlijk verlengbaarheidsbesluit noodzakelijk en zal er ook geen verlengingsprijs in rekening worden gebracht. Het onderzoek van SEO strekt zich dan ook niet uit tot deze vergunningen.
De vergunninghouders van LM kunnen dus van hun vergunningen gebruik blijven maken. Daarnaast kunnen alle radiopartijen -waaronder de vergunninghouders van LM – gebruik maken van het bestaande pakket aan steunmaatregelen. Het steun- en herstelpakket voor economie en arbeidsmarkt is op 21 januari 20216 verder verruimt om bedrijven zoveel mogelijk te ondersteunen in deze moeilijke tijden. Ik zie dan ook geen redenen om deze categorie vergunninghouders op een afzonderlijke wijze te compenseren.
Kunt u aangeven of, en zo ja op welke wijze, ook lokale vergunninghouders van Digital Audio Broadcasting (DAB) worden meegenomen bij het onderzoek naar de mogelijkheid deze te compenseren voor de gevolgen van de coronacrisis?
Conform het advies van de Taskforce Radio is om vooruitlopend op de afronding van de internationale onderhandelingen een gedeelte van de digitale laag 6 tijdelijk uit te gegeven voor lokaal gebruik. Het uitgeven van laag 6 (of gedeeltes daarvan) vooruitlopend op de definitieve resultaten van de internationale frequentiecoördinatie heeft wel als consequentie dat het onzeker is of hetgeen tijdelijk aan frequentierechten wordt uitgegeven, overeenstemt met het uiteindelijke resultaat van de onderhandelingen. Er is daarom gekozen voor een tijdelijke uitgifte tot en met uiterlijk 31 augustus 2022. Na deze termijn zal de beschikbare frequentieruimte opnieuw worden uitgegeven onder nieuwe voorwaarden conform de resultaten van de internationale onderhandelingen. Dit betekent dat na 31 augustus 2022 de lokale commerciele digitale vergunningen niet verlengd kunnen worden. Deze vergunningen maken derhalve evenmin onderdeel uit van het door SEO uitgevoerde onderzoek naar de verleningsprijzen.
Deelt u de mening dat ook kleine vergunninghouders (LM & DAB) worden getroffen door teruglopende inkomsten als gevolg van de coronacrisis? Zo nee, waarom niet?
De coronacrisis is inmiddels verworden tot ook een langlopende economische crisis, waarbij veel ondernemers en werkenden hard zijn getroffen, zo ook de kleine vergunninghouders (LM & DAB). Ook het kabinet blijft zich daarom in deze moeilijke fase in de bestrijding van het coronavirus onverminderd inspannen om baanbehoud en bedrijvigheid te ondersteunen. Het is om deze reden dat het kabinet besloten heeft het steunpakket voor banen en economie banen en economie fors uit te breiden7.
Deelt u de mening dat, omdat de LM-vergunningen in principe al verlengd worden en een verlenging voor lokale DAB-frequenties wellicht onmogelijk is omdat het misschien in 2028 stopt, er een andere vorm van compensatie nodig is? Zo nee, waarom niet?
Op 5 oktober 20208 heeft het onafhankelijk Adviescollege «Toekomstbeleid Commerciële Radio» advies uitgebracht. De verschillende vraagstukken in het radiodossier, waaronder het toepasselijk verdeelinstrument, zijn in samenhang met elkaar door dit college onderzocht. Ook lag bij dit college de vraag voor wanneer afschakeling van frequentieruimte voor commerciële analoge radio aan de orde is. Het college constateert dat de toekomst van radiodistributie onmiskenbaar in het digitale domein lig. Conform het advies van de Taskforce Radio ben ik overgegaan tot de uitgifte van een extra landelijke digitale laag (laag 7) en zal in 2022 ook de digitale laag 6 – die beter geschikt is voor lokaal gebruik – definitief worden uitgegeven. Op deze wijze zal de transitie van analoge naar digitale radioomroep geleidelijk vorm worden gegeven. Belangstellenden voor een vergunning voor digitale radio met lokaal bereik kunnen bij de start van de aanvraagperiode in 2022 een aanvraag indienen en hebben op deze wijze de mogelijkheid om een vergunning voor een langere periode te verkrijgen. Bij de tijdelijke uitgifte van de lokale DAB frequenties tot 1 september 2022 is hierover duidelijk gecommuniceerd richting partijen. Het toekennen van compensatie – al dan niet op basis van de coronacrisis – is niet in lijn hiermee.
Bent u bereid deze vergunninghouders een alternatieve vorm van compensatie te bieden, bijvoorbeeld door een tijdelijke vrijstelling van de kosten voor het Commissariaat voor de Media en het Agentschap Telecom? Zo nee, waarom niet?
Ook deze vergunninghouders kunnen gebruik maken van het bestaande pakket aan steunmaatregelen dat nog doorloopt tot het tweede kwartaal van 2021. Een tijdelijke vrijstelling van de (toezichts)kosten verschuldigd aan Agentschap Telecom is daarom niet aan de orde. Voor vrijstelling van de kosten voor het Commissariaat voor de Media moeten partijen zich wenden tot de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media.
Pgb-houders en hun zorgverleners en de vaccinatiestrategie |
|
Carla Dik-Faber (CU), Vera Bergkamp (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen over hun plek in de vaccinatiestrategie van zorgverleners die vanuit een persoonsgebonden budget (pgb) zorg leveren in kleinschalige woon- en ouderinitiatieven?
Ja.
In hoeverre klopt het dat door de wijziging van de vaccinatiestrategie medio januari, voor deze groep zorgverleners de uitnodigingspakketten zijn stopgezet en andere groepen voorrang hebben gekregen?
De vaccinatiestrategie is gericht op het verminderen van ernstige ziekte en sterfte in relatie tot COVID-19. Deze strategie is gekozen door het kabinet, naar aanleiding van het Gezondheidsraad advies van 19 november jl. Echter, zoals ik in mijn Kamerbrief1 van 12 januari jl. heb toegelicht, zijn er gegeven de leveringsschema’s geen gratis keuzes. Het eerder benutten van de leveringen van BioNTech/Pfizer vaccins voor 60-plussers, waaronder de bewoners van verpleeghuizen en instellingen voor mensen met een verstandelijke beperking, heeft consequenties voor de wijze waarop een deel van de medewerkers in de langdurige zorg worden gevaccineerd. Deze keuze licht ik verder toe in mijn Kamerbrief2 van 5 februari, waarin ik op basis van het Gezondheidsraadadvies van 4 februari jl. over de inzet van het AstraZeneca vaccin, de verdere uitwerking van de vaccinatiestrategie toelicht. Eerder is een deel van de (pgb-)zorgverleners in kleinschalige woon- en ouderinitiatieven gevaccineerd met BioNTech/Pfizer vaccin, samen met de groep «medewerkers verpleeghuizen en kleinschalige woonvormen». Sinds medio februari worden achtereenvolgens de resterende groepen zorgmedewerkers uit deze groep, de zorgmedewerkers van de gehandicaptenzorg, wijkverpleging en bepaalde onderdelen van Wmo-ondersteuning uitgenodigd om gevaccineerd te worden met het vaccin van AstraZeneca. In dezelfde Kamerbrief van 5 februari jl. licht ik ook toe dat pgb-zorgverleners in de gehandicaptenzorg en verpleeghuizen (Wlz), wijkverpleging (Zvw) en Wmo-ondersteuning (Wmo) met deze groepen zorgverleners in aanmerking zullen komen.
Wanneer worden zorgverleners, die zorg leveren in kleinschalige woon- en ouderinitiatieven en andere zorgververleners die behoren tot de eerste groep uit de vaccinatiestrategie, uitgenodigd om een afspraak te maken voor hun vaccinatie?
Zoals ik mijn Kamerbrief van 5 februari jl. heb toegelicht, worden zorgmedewerkers die behoren tot een van de volgende doelgroepen, vanaf half februari uitgenodigd voor vaccinatie met het AstraZeneca vaccin, indien ze niet eerder in januari zijn gevaccineerd met het BioNTech/Pfizer vaccin. Het gaat dan om de resterende groepen zorgmedewerkers in de verpleeghuiszorg, respectievelijk de gehandicaptenzorg, wijkverpleging en Wmo-ondersteuning, de intramurale GGZ-cliënten en hun zorgmedewerkers, alsmede die van de GGZ-crisisdiensten. Hierbij geldt dat de zorgmedewerker direct cliëntgebonden zorg moet leveren om in aanmerking te komen voor vaccinatie. Hier vallen dus ook de zorgmedewerkers met direct cliëntgebonden contact van kleinschalige woon- en ouderinitiatieven onder.
Kunt u duidelijkheid scheppen over welke personen in de kleinschalige woon- en ouderinitiatieven onder welke doelgroep vallen en wanneer zij gevaccineerd zullen worden?
De volgende groepen zijn te onderscheiden in kleinschalige woon- en ouderinitiatieven:
Er zijn kleinschalige woon- en ouderinitiatieven waar alleen mensen met een Wlz-indicatie wonen;
er zijn kleinschalige woon- en ouderinitiatieven waar mensen met én mensen zonder Wlz-indicatie wonen en;
er zijn kleinschalige woon- en ouderinitiatieven waar alleen mensen zonder Wlz-indicatie wonen.
Het vaccinatietraject voor de twee eerstgenoemde groepen, is op 25 januari gestart. Deze mensen zijn onlangs gevaccineerd, of worden de komende weken gevaccineerd door de mobiele teams van de huisartsenpost. Het kan voorkomen dat de mensen zonder Wlz-indicatie al eerder door de GGD opgeroepen worden op basis van hun leeftijd. Zij kunnen dan natuurlijk ook op die uitnodiging ingaan.
Als er enkel mensen zonder Wlz-indicatie in een kleinschalige woonvorm verblijven worden ze door de GGD worden opgeroepen, als ze op basis van hun leeftijd of persoonlijke medische achtergrond aan de beurt zijn.
Kunt u zorgen dat de informatie op de website van de rijksoverheid, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Nederlandse Huisartsen Genootschap (NHG) overeenkomt met elkaar, aangezien dit nu niet het geval is?
Ik begrijp het belang van eenduidige boodschap over coronavaccinatie en stem daarom de communicatie, en dus ook de inhoud van de respectievelijke websites, af met het RIVM. Daarbij is de website van de rijksoverheid vooral gericht op het algemeen publiek en de website van het RIVM naast algemene publieksinformatie over medisch-wetenschappelijke onderwerpen ook met name gericht op informatie voor professionals.
Er is vanuit het RIVM intensieve afstemming met het NHG over de informatie over de COVID-19-vaccinatie door huisartsen. De korte termijn waarop alles ingeregeld moet worden en soms nog wijzigende afspraken maakt dat in het begin niet alles meteen overal verwerkt is. Hier wordt hard aan gewerkt. Het NHG is verantwoordelijk voor de eigen communicatie.
Bent u bereid om bij de vaccinatie van kleinschalige woonvormen geen onderscheid te maken op basis van indicatie, maar alle bewoners gelijktijdig te laten vaccineren ongeacht op basis van welke zorgwet hun indicatie is afgegeven?
Er wordt bij het vaccineren van bewoners van kleinschalige woonvormen ingezet op dat de bewoners van een woonvormen tegelijk gevaccineerd worden, los van de indicatie waaronder mensen vallen. De cliënten die in een (meestal kleinschalige) instelling wonen en onder de verantwoordelijkheid van de huisarts vallen krijgen het Moderna-vaccin. Aangezien deze bewoners vaak nog dezelfde huisarts hebben als toen ze nog zelfstandig woonden, komt het voor dat verschillende huisartsen actief zijn in dezelfde instelling. Mede daarom en omwille van een goede logistiek zijn de huisartsenposten (HAP’s) ingeschakeld om deze groep bewoners te vaccineren. Moderna is immers een vaccin dat moeilijk vervoerbaar is. De HAP zorgt er met mobiele teams voor dat de vaccins naar de instellingen wordt vervoerd en dat de cliënten op locatie worden gevaccineerd. Op 25 januari is gestart in o.a. Deventer, Twente en Zoetermeer. Sinds 18 februari zijn het aantal HAP regio’s welke gaan vaccineren uitgebreid tot 30. Vanaf 15 februari wordt door een aantal HAPs ook met het BioNTech Pfizer vaccin gevaccineerd om het traject te versnellen. Vanaf 19 februari worden bij startregio’s ondertussen de tweede prikken gezet. In maart starten de laatste HAP regio’s met de vaccinatie met Moderna. In totaal zullen naar verwachting circa 77.000 bewoners via deze weg gevaccineerd worden.
Kunt u expliciteren wanneer zorgverleners worden gevaccineerd die op basis van de Wet langdurige zorg (Wlz) via een pgb zorg leveren in de verpleeghuis-/gehandicaptenzorg, zowel thuis als in kleinschalige woonvormen?
De pgb-zorgverleners die in een instelling of een kleinschalige woonvorm werken, worden gevaccineerd met de groep «medewerkers verpleeghuizen en kleinschalige woonvormen». Een deel van deze groep is al gevaccineerd met het BioNTech/Pfizer vaccin, en op korte termijn wordt het resterende deel van deze groep gevaccineerd met het AstraZeneca vaccin. Hier kunnen ook pgb-zorgverleners onder vallen die Wlz of Wmo werken.
De pgb-zorgverleners die direct voor een budgethouder werken en dus niet via een instelling of kleinschalige woonvorm, worden samen met de groepen «medewerkers gehandicaptenzorg» en «medewerkers wijkverpleging en Wmo» gevaccineerd. De groep «medewerkers gehandicaptenzorg» wordt ondertussen al gevaccineerd met AstraZeneca. Binnenkort zal gestart worden met de vaccinaties van de groep «medewerkers wijkverpleging en Wmo». Een pgb-zorgverlener die Wmo zorg verleent via intramurale GGZ, wordt met de groep «medewerkers intramurale GGZ en GGZ-crisisdiensten» gevaccineerd. Deze groep wordt ondertussen al gevaccineerd.
Kunt u expliciteren wanneer zorgverleners worden gevaccineerd die op basis van de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) via een pgb zorg leveren in de intramurale geestelijke gezondheidszorg (ggz)?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid deze vragen voor het eerstvolgende debat rondom het coronavirus te beantwoorden?
Ja.
De crisissteunmaatregelen voor amateursportverenigingen |
|
Bart van Kent (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat van honderden voetbalclubs, die in aanmerking zouden komen voor loonsteun via de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) 3.0, compensatie wordt afgewezen door een bureaucratische regel (de referentiemaand juni die precies in de zomerstop valt) en de zorgen van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) hierover?1
Ja.
Waarom kan bij verenigingen die geen aangifte hebben gedaan in juni vanwege het ontbreken van loonkosten in verband met de zomerstop wel automatisch naar april als peilmaand worden gekeken, maar kan dit kennelijk niet bij de honderden amateurverenigingen die een nihilaangifte hebben gedaan, waardoor zij géén NOW-compensatie krijgen? Wat is hier logisch en redelijk aan? Realiseert u zich dat hierdoor honderden amateursportverenigingen langdurig hard worden getroffen?
Hoewel het mogelijk is dat er een verschil is tussen amateurclubs die geen aangifte hebben gedaan en amateurclubs die een nihilaangifte hebben gedaan, is er geen sprake van een onterechte afwijzing van de NOW-aanvragen. Werkgevers zijn wettelijk verplicht om binnen 4 weken hun aangifte loonheffingen te doen, ook in het geval er sprake is van geen loonkosten. Het is niet zo dat werkgevers die geen loonkosten hebben gemaakt de keuze hebben tussen een nihilaangifte of geen aangifte. Dat er een terugvalmaand in de regeling is opgenomen, komt omdat werkgevers, die niet een fiscaal dienstverlener of marktsoftware inzetten om aangifte te doen, vanaf begin 2020 een eHerkenningsmiddel nodig hebben om aangifte loonheffingen over 2020 via het portaal van de Belastingdienst te doen. Sommige werkgevers hebben om die reden meer tijd gekregen om een eHerkenningsmiddel te verkrijgen en aangifte loonheffingen te doen. Voor dergelijke gevallen was het bij het opstellen van de NOW 1 en NOW 2 nodig dat er een terugvalmaand in de regeling werd opgenomen. De terugvalmaand is bedoeld voor die situaties waarin de werkgever geen loonaangifte kón doen in 2020 vanwege het ontbreken van eHerkenning. In de NOW 1 en 2 is daarom gekozen voor een terugvalmaand in 2019 (november2). Zonder terugvalmaand in 2019 hadden werkgevers die nog geen aangifte hadden gedaan in 2020 geen steun kunnen ontvangen uit de NOW-regeling vanwege het ontbreken van loongegevens in 2020.
Ook in de NOW 3 regeling, die opengegaan is in oktober 2020, is een terugvalmaand opgenomen (april 2020). Deze terugvalmaand zou voor het mogelijk nog ontbreken van toegang tot een eHerkenningsmiddel door een werkgever niet behulpzaam zijn: in 2020 kan immers geen aangifte loonheffingen meer worden gedaan via het portaal van de Belastingdienst zonder gebruikmaking van een eHerkenningsmiddel. Als in de terugvalmaand april 2020 wél aangifte is gedaan, dan was het dus ook mogelijk om aangifte in juni 2020 te doen. Zou in beide maanden geen aangifte zijn gedaan als gevolg van het ontbreken van eHerkenning (en dus door de Belastingdienst uitstel van aangifte zijn verleend), dan zou een terugvalmaand in november 2019 meerwaarde hebben. In de derde en vierde NOW tranches zijn er vooralsnog overigens geen signalen ontvangen van werkgevers die als gevolg van het geen toegang hebben tot eHerkenning in 2020 nog geen loonaangifte hebben kunnen doen en daardoor geen aanspraak hebben kunnen maken op de NOW.
Zoals gezegd, werkgevers zijn wettelijk verplicht om loonaangifte te doen, ook als dit slechts een laag bedrag of nihil is. Wel geldt dat de aangifte loonheffingen over juni 2020 al was vastgesteld voor bekendmaking van de NOW 3 regeling, waardoor er niet met voorbedachten rade geen aangifte loonheffingen gedaan kan zijn. In een klein aantal gevallen is er binnen de NOW 3 teruggevallen op de maand april zoals deze in de regeling is opgenomen. Het is niet bekend of dit amateurclubs zijn.
Het is inderdaad mogelijk dat er amateurvoetbalverenigingen zijn die geen NOW 3 ontvangen door het hanteren van juni 2020 als referentiemaand. Hoewel het kabinet betreurt dat hierdoor werkgevers mogelijk NOW-subsidie mislopen, ziet het kabinet binnen de NOW-regelingen geen oplossing voor dit probleem zonder dat dit te grote risico’s betekent voor de huidige uitvoering van de regelingen. Wel kunnen de amateurclubs waarbij de NOW-regeling niet toepasbaar is, aanspraak maken op de Tegemoetkomingsregeling Amateursportorganisaties (TASO). Op deze manier kunnen zij een vergoeding krijgen voor personeelslasten die niet via andere regelingen zijn gecompenseerd. Daarmee kunnen ook de loonkosten van deze amateurclubs deels vergoed worden. Het kabinet hoopt hiermee de amateurclubs tegemoet te komen. Daarnaast wordt onderzocht of de TASO-regeling voor het eerste en tweede kwartaal van 2021 kan worden verruimd om sportverenigingen zo passend mogelijk te ondersteunen in de loonkosten.
Bent u ermee bekend dat de Tegemoetkoming Amateursportorganisaties (TASO) voor veel verenigingen geen oplossing biedt omdat deze een lager bedrag compenseert en bijvoorbeeld niet aan te vragen is wanneer een vereniging gebruik maakt van de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL)?
Er is een mogelijkheid gecreëerd in de TASO-regeling om amateurverenigingen met personeel in loondienst een compensatie te bieden voor loonkosten, wanneer zij hiervoor geen vergoeding krijgen vanuit de NOW-regeling. Op deze wijze kan een vereniging toch loonsteun ontvangen als dit via de NOW niet mogelijk blijkt. Via de TASO-regeling voor het vierde kwartaal van 2020 is al circa € 4 miljoen aan steun verleend voor loonkosten van amateursportverenigingen. Zoals al aangegeven wordt onderzocht of de TASO-regeling kan worden verruimd om amateurverenigingen nog beter te ondersteunen.
De TASO-regeling sluit uit dat een TASO-tegemoetkoming voor vaste lasten wordt verleend als een vereniging ook gebruik maakt van de TVL. Daarop is de uitzondering gemaakt dat een vereniging die TVL ontvangt, ook een tegemoetkoming uit de TASO kan aanvragen voor loonkosten die niet op grond van de NOW of Tozo zijn gecompenseerd. Die uitzondering is ingebouwd in de TASO-regeling voor het vierde kwartaal van 2020. Een vereniging die al voor haar doorlopende lasten een TVL-subsidie ontvangt, maar nog wel loonkosten heeft waar geen NOW over is verleend, kan voor die loonkosten dus wel een TASO-tegemoetkoming aanvragen.
Bent u bereid met NOC*NSF en de KNVB te onderzoeken hoe groot dit probleem en de gevolgen precies zijn?
Het kabinet is continu in gesprek met NOC*NSF, de ondernemende sport en de sportbonden over de gevolgen van de coronacrisis. Ook dit onderwerp staat daar op de agenda.
Erkent u het grote belang dat onze sportinfrastructuur overeind blijft in deze crisis, omdat het belang van sporten, ontspanning en blijven bewegen juist nu erg groot is?
Ja. Daarom blijft het kabinet zich inzetten om de sportsector te ondersteunen, zowel via het generieke steun- en herstelpakket, als via het aanvullend steunpakket voor de amateursportorganisaties. Het generieke steun -en herstelpakket is op 21 januari jl. fors uitgebreid3.
Bent u bereid hier een oplossing voor te vinden, bijvoorbeeld door nihilaangiftes bij de NOW-compensatie toe te staan of de peildatum in dit soort gevallen (automatisch) te wijzigen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, biedt de TASO-regeling al een compensatieroute voor sportverenigingen die hun loonkosten niet via de NOW kunnen compenseren. In veel gevallen lijkt die compensatieroute ook toereikend te zijn. Om ook de verenigingen te ondersteunen voor wie de TASO-compensatie mogelijk te laag uitpakt, wordt onderzocht of de TASO-regelingen voor het eerste en tweede kwartaal kunnen worden verruimd om een meer passende compensatie voor hun financiële schade te bieden.
Mogelijke dubbele financiering van zorg vanwege samenloop Jeugdzorg en Wlz. |
|
Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat wanneer een inwoner zich bij de gemeente meldt voor jeugdhulp, de gemeente kan toetsen of de jeugdige al een indicatie voor de Wlz (Wet langdurige zorg) heeft om te voorkomen dat sprake is van dubbele financiering van geboden zorg vanuit de Wlz en de Wmo?
Wanneer een inwoner ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aanvraagt bij het college, kan het college met behulp van de Wlz-Registertoets bepalen of er sprake is van een indicatie vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz). Met de Wlz-Registertoets kan de samenloop van verstrekkingen van Wlz-voorzieningen en Wmo-voorzieningen worden voorkomen. De grondslag voor deze gegevensuitwisseling als vereist op grond van artikel 6 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is opgenomen in artikel 5.2.5, derde lid, van de Wmo 2015.
Klopt het dat deze toets, ingeval van een minderjarige, alleen mag worden uitgevoerd met toestemming van ouders? Zo ja, wat is de ratio van deze beperking?
De Jeugdwet kent geen vergelijkbare grondslag op basis waarvan het CIZ informatie ter beschikking kan stellen. Het klopt dat de Wlz-registertoets om die reden niet kan worden gebruikt om een samenloop tussen de Jeugdwet en Wlz te signaleren. Voor het opvragen van deze gegevens bij het CIZ is vooraf ondubbelzinnige toestemming nodig van de jeugdige (of diens ouder/vertegenwoordiger).
Klopt het dat indien een inwoner via de huisarts of een gecertificeerde instelling (GI) wordt doorverwezen naar de gemeente voor jeugdhulp, de doorverwijzers niet toetsen of al sprake is van een Wlz-indicatie en dat de gemeente geen mogelijkheid meer heeft om nog een Wlz-toets uit te voeren?
Huisartsen en gecertificeerde instellingen toetsen niet standaard of er sprake is van een Wlz-indicatie voordat wordt doorverwezen naar jeugdhulp. Het klopt dat colleges geen mogelijkheid hebben om een Wlz-registertoets uit te voeren, zie hierover het antwoord op vraag 1 en 2. Indien een medewerker van de gemeente een jeugdige of zijn ouders echter vragen of er een CIZ-indicatie is, dienen zij die vraag naar waarheid te beantwoorden.
Klopt het dat eisen vanwege de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) verhinderen dat gemeenten nog een dergelijke toets kunnen uitvoeren?
Voor de uitvoering van een Wlz-registertoets bij de inzet van jeugdhulp mist een grondslag als bedoeld in artikel 6 van de Algemene verordening gegevensbescherming. Het klopt dat het CIZ de informatie over de Wlz-indicatie niet beschikbaar kan stellen zonder een wettelijke grondslag.
Klopt het dat omdat door deze AVG-eisen zo’n toets verhinderd wordt, het mogelijk is dat jarenlang sprake is van dubbele financiering van zorg? Vindt u dat een wenselijke situatie?
Dit is niet voor de volle 100% te voorkomen en dit zou dus incidenteel kunnen voorkomen. Dubbele financiering van zorg is uiteraard ongewenst, maar voor zover mij bekend is hier geen sprake van een structureel probleem.
Jeugdhulp wordt nooit «automatisch» toegekend, maar altijd na een of meerdere gesprekken met de jeugdige en/of ouders/vertegenwoordigers, waarbij in het gesprek altijd aan de orde komt wat de hulpvraag precies inhoudt en welke zorg men al ontvangt.
Iets anders is dat in sommige gevallen naast de zorg op basis van een Wlz-indicatie, jeugdhulp wordt ingezet. De reden hiervoor is dat de gemeente op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk is voor zorg en ondersteuning aan jeugdigen in de Wlz, die niet altijd behoort tot het verzekerd pakket in de Wlz. Een voorbeeld is de opvoedkundige hulp. Als deze op grond van de Jeugdwet wordt verleend, ontstaat geen overlap tussen de Jeugdwet en de Wlz en kunnen jeugdhulp en zorg op basis van een Wlz-indicatie dus naast elkaar bestaan.
Indien het bovenstaande klopt, zou de toezichthouder daarmee bekend moeten zijn en er op moeten ingrijpen? Zo ja, is dat nu het geval? Zo nee, hoe kan dat verbeterd worden?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid houden in het kader van de Jeugdwet toezicht op de kwaliteit van de jeugdhulp. Zij houden geen toezicht op de rechtmatigheid van de geboden jeugdhulp. De Jeugdwet verplicht de gemeente om bij verordening regels te stellen om mis- of oneigenlijk gebruik van voorzieningen op grond van de Jeugdwet te bestrijden. De verantwoordelijkheid voor de rechtmatigheid van jeugdhulp en het toezicht hierop ligt bij de gemeenten.
Heeft u ook signalen ontvangen van dergelijke problematiek? Heeft u enig inzicht in hoe groot dit probleem zou kunnen zijn? Zo nee, bent u bereid globaal na te gaan hoe groot het nadeel voor gemeenten zou kunnen zijn?
Er is mij één incident bekend, waarbij sprake is geweest van dubbele financiering. Uit navraag is niet gebleken dat dit incident een voorbeeld is van een structureel probleem van dubbele financiering door samenloop tussen de Jeugdwet en Wlz vanwege AVG-eisen.
Bent u bereid te bezien op welke wijze het gemeenten mogelijk kan worden gemaakt om bij een doorverwijzing door een huisarts of GI alsnog een Wlz-toets te kunnen uitvoeren, zonder dat inhoudelijke informatie over de inwoner wordt verstrekt (bijvoorbeeld een ja/nee vraag of sprake is van een Wlz-indicatie)?
Mij hebben geen signalen bereikt dat gemeenten behoefte hebben aan een Wlz-registertoets voor de toepassing van de Jeugdwet. Om die reden acht ik aanvullende gegevensuitwisseling op dit vlak niet wenselijk.