Het bericht ‘Omstreden Chinese camera's hangen overal in Nederland, ook bij ministeries’. |
|
Ingrid Michon (VVD), Ruben Brekelmans (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Omstreden Chinese camera's hangen overal in Nederland, ook bij ministeries»?1
Ja
Klopt het dat het gaat om camera’s van de Chinese merken Hikvision en Dahua en dat zij onder andere overheidsgebouwen in beeld brengen? Zo ja, om hoeveel camera’s gaat het? Waar staan deze camera’s? Staan deze camera’s ook voor overheidsgebouwen waarbij anonimiteit belangrijk kan zijn zoals bij defensie en de inlichtingendiensten?
De Nederlandse overheid maakt gebruik van Chinese camera’s. Het is niet bekend om hoeveel camera’s het specifiek gaat. Zoals in het antwoord op vragen 4 en 5 wordt geschetst, gelden er overheidsbreed kaders en beleid voor aanschaf en gebruik van (digitale) producten en diensten, zoals camera’s, waarbij ook rekening gehouden moet worden met (eventuele) risico’s voor nationale veiligheid. Over welke beveiligingsmaatregelen al dan niet worden getroffen bij de gebouwen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en welke apparatuur daarvoor wordt gebruikt, worden in het openbaar geen uitspraken gedaan.
De politie heeft inmiddels bevestigd dat er vorig jaar bijna 700 camera’s van Dahua zijn aangeschaft2; klopt dit? Zo ja, was de politie zich al bewust van de veiligheidsrisico’s bij de aanschaf van deze camera’s? Zo ja, waarom zijn dan toch deze camera’s aangeschaft? Zo nee, kunt u een tijdlijn schetsen van de aanschaf van Chinese camera’s door de politie van de afgelopen jaren? Zo nee, waarom niet?
De politie heeft bevestigd dat het klopt dat zij circa 700 camera’s van Dahua heeft aangeschaft, die over een periode van 7 jaar zullen worden afgenomen. In de aanbesteding zijn eisen met betrekking tot informatiebeveiliging en privacy opgenomen en de inzet van de camera’s zijn voornamelijk gericht op verkeerstoezicht. De politie heeft bij de aanbesteding van de camera’s en bij de toepassing daarvan geen risico’s voor de nationale veiligheid voorzien. Voor de gehele overheid geldt onder meer voor de aanschaf van digitale producten en diensten de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO). Mede gelet hierop worden hiervoor bij de inkoop en aanbesteding van digitale producten en diensten, waaronder genoemde camera’s, waarbij mogelijk veiligheidsrisico’s aan de orde zijn, eisen met betrekking tot informatiebeveiliging en privacy gesteld als voorwaarden aan de (mogelijke) opdrachtnemer. Alle merken en type camera’s die voldoen aan de gestelde eisen kunnen worden aangekocht. Op 8 juli 2020 is deze aanbesteding gepubliceerd op Tenderned. Op 27 november 2020 is deze opdracht gegund. In mei 2021 is gestart met de ingebruikneming van deze camera’s.
In hoeverre lagen bepaalde productspecificaties zoals de prijs en de veiligheid ten grondslag aan het besluit om camera’s van Hikvision en Dahua aan te schaffen en te plaatsen bij overheidsgebouwen?
In relatie tot nationale veiligheidsrisico’s bestaat er overheidsbeleid dat voorschrijft dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen bij de inkoop en aanbesteding van producten en diensten. Bij de aanschaf en implementatie van gevoelige apparatuur of programmatuur wordt volgens dit beleid rekening gehouden met zowel risico’s in relatie tot een leverancier, als met het concrete gebruik van de systemen, bijvoorbeeld als het gaat om de toegang tot systemen door derden. Bij elke casus wordt door de overheidsorganisatie bezien of en hoe risico’s beheersbaar kunnen worden gemaakt en of daartoe te nemen maatregelen proportioneel zijn. Afwegingen rondom de aanschaf en ingebruikname van ICT- producten en diensten zijn de eigen verantwoordelijk van de organisaties die tot aanschaf overgaan. Dat betekent dat overheidsorganisaties zelf risicoafwegingen uitvoeren voordat (digitale) producten en diensten van een leverancier, zoals beveiligingscamera’s, worden afgenomen en bepalen aan welke (beveiligings)eisen een leverancier moet voldoen om voor verlening van een opdracht in aanmerking te komen. Daarnaast geldt voor de gehele overheid voor de aanschaf van digitale producten en diensten de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO). De BIO kent een risicogebaseerde aanpak met een concrete set aan eisen als ondergrens. Uitgangspunt is onder meer ook de eigen verantwoordelijkheid van overheidsorganisaties.
Aan welke eisen, die betrekking hebben op cyberspionage, wordt getoetst bij de aanschaf van camera’s bij overheidsgebouwen? Voldoen de camera’s van Hikvision en Dahua aan deze eisen?
Zie antwoord vraag 4.
Was bij het moment van aankoop ook al bekend dat China eventueel een achterdeur in een camerasysteem van Hikvision of Dahua zou kunnen bouwen? Zo ja, welke maatregelen zijn hiertegen getroffen? Zo nee, op basis waarvan is de inschatting gemaakt dat het veilig was om deze camera’s aan te schaffen?
Het Ministerie van BZK zal in samenwerking met andere overheidspartijen onderzoek doen naar mogelijke nationale veiligheidsrisico’s bij het gebruik binnen de rijksoverheid van camera’s afkomstig van partijen uit landen met een offensief cyberprogramma richting Nederland. Doordat het onderzoek zich specifiek richt op het gebruik van camera’s binnen de rijksoverheid staat het los van de aanbesteding van de politie. De toepassing van de camera’s en bijvoorbeeld de manier waarop zij in de bredere infrastructuur zijn ingebed zal per geval verschillen. Zoals ook in het antwoord op vraag 4 en 5 wordt geschetst, bestaat er overheidsbeleid dat voorschrijft dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen bij de inkoop en aanbesteding van producten en diensten. Of en hoe risico’s voor de nationale veiligheid beheersbaar zijn, zal dus per geval worden beoordeeld door de organisaties zelf, zoals de politie, die ook eventuele maatregelen zelf nemen.
Is het technisch mogelijk voor China om mee te kijken, live of achteraf? Zo ja, hoe dan? Zo nee, is die mogelijkheid er helemaal niet of is hij sofwarematig dichtgezet?
Het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA)3 geeft een overzicht van de belangrijkste dreigingen vanuit China in relatie tot de vitale infrastructuur en de (rijks)overheid. Daarbij wordt ook ingegaan op het risico op digitale spionage- en sabotagemogelijkheden via technologische toeleveringen.
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 6 zal het Ministerie van BZK in samenwerking met andere overheidspartijen onderzoek doen naar mogelijke nationale veiligheidsrisico’s vanwege het gebruik binnen de rijksoverheid van camera’s afkomstig van partijen uit landen met een offensief cyberprogramma richting Nederland. Bovenstaande vragen zullen bij dit onderzoek worden betrokken.
In het debat met uw Kamer op 22 maart 2022, heeft de Staatssecretaris voor Koninkrijksrelaties en Digitalisering verder toegezegd om onderzoek te doen naar inkoopeisen en -richtlijnen op het terrein van cyberveiligheid, in het bijzonder als het gaat om producten en diensten voornamelijk van partijen uit landen met een offensief cyberprogramma richting Nederland. Op 5 april 2022 is in aanvulling daarop door uw Kamer een motie aangenomen om bij dit onderzoek ook te kijken naar de vitale infrastructuur. Uw Kamer zal hierover na afronding van het onderzoek worden geïnformeerd. Op de uitkomsten van het onderzoek kan nu niet vooruit worden gelopen.
Hoe groot acht de Minister de kans dat China meekijkt of mee heeft gekeken via deze camera’s? Op basis waarvan maakt de Minister deze inschatting?
Zie antwoord vraag 7.
In de Verenigde Staten is de inzet van Hikvision- en Dahua-camera’s bij overheidsgebouwen verboden. Daarnaast heeft het Europees parlement eerder besloten om camera’s van Hikvision niet meer te gebruiken. Waarom heeft Nederland hier nog niet voor gekozen?
Elk land of internationale organisatie maakt hierin zijn eigen afweging. Voor Nederland geldt dat het staand beleid bij inkoop en aanbesteding is dat er per casus wordt bezien of er in relatie tot producten en diensten risico’s zijn voor de nationale veiligheid, en zo ja, of en hoe deze beheersbaar kunnen worden gemaakt. De mogelijke nationale veiligheidsrisico’s in verband met het gebruik van camera’s, die afkomstig zijn uit landen met een offensief cyberprogramma richting Nederland, binnen de rijksoverheid zullen, zoals hierboven aangegeven, worden onderzocht.
Deelt u de mening dat bedrijven uit staten die een offensief cyberprogramma tegen Nederland uitvoeren niet geschikt zijn om camera’s te leveren die zijn opgesteld bij organisaties die een aantrekkelijk doelwit van een dergelijk offensief programma vormen?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn er Europese alternatieven in de markt? Zo, ja bent u het eens met het standpunt dat het verstandig kan zijn om die in te zetten? Zo nee, bent u het ermee eens dat het wenselijk is dat er Europese alternatieven zijn, ook op het gebied van technologie?
Voor Nederlandse organisaties is het wenselijk dat zij gebruik kunnen maken van kwalitatief hoogwaardige producten en diensten, ook van buitenlandse leveranciers. Nederlandse overheden blijven op verantwoorde wijze, met inachtneming van de nationale aanbestedingswetgeving, gebruik maken van de voordelen van de internationale markt voor veiligheidsapparatuur, door per situatie de risico’s voor de nationale veiligheid in kaart te brengen en dat te laten meewegen in de selectie van de betreffende aanbieder.
Desondanks kunnen er redenen zijn om bepaalde producten en technologieën in Nederland of in Europa te willen kunnen ontwikkelen en beschikbaar maken. Dit kan van belang zijn om de weerbaarheid van Nederland en de EU te vergroten, of om de EU het vereiste handelingsvermogen te geven om de eigen veiligheidsbelangen te beschermen. Dit kan via verschillende maatregelen: van handelsverdragen met gelijkgezinde landen, tot het direct stimuleren van de eigen industrie. Hierbij verwijzen wij dan ook graag naar de brief aan uw Kamer over onderzoek naar strategische afhankelijkheden en kwetsbaarheden in Nederland, waar dieper ingegaan wordt op de beleidsopties om onze weerbaarheid te versterken.4
Bent u het ermee eens dat we de cyberdreiging vanuit China serieus moeten nemen en daarom kritisch moeten kijken naar de aanschaf en inzet van niet Europese hardware en software voor gevoelige zaken zoals het filmen van overheidsgebouwen? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze dreiging moet serieus worden genomen. De AIVD waarschuwt regelmatig voor de risico’s van het gebruik van hard- en software afkomstig uit landen met een offensief cyberprogramma gericht tegen Nederlandse belangen (zoals China) bij de uitwisseling van gevoelige informatie of in vitale infrastructuur. Het is van groot belang dat we ongewenste activiteiten van statelijke actoren tegengaan. Daarom werken we aan een aanpak om de weerbaarheid tegen statelijke dreigingen te verhogen. In het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren en de kabinetsreactie hierop wordt nader ingegaan op deze dreiging en de maatregelen die we hiertegen nemen5. Verder verwijzen wij u naar het antwoord op vraag 4 en 5, waarin wordt ingegaan op de relevante kaders en beleid binnen de rijksoverheid als het gaat om aanschaf en gebruik van (digitale) producten en diensten.
Hoe verhoudt het antwoord op de Kamervragen van het lid van Helvert (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2020–2021, nr 2310), die de Kamer zijn toegezonden op 13 april 2021 (waarin staat dat het kabinet de Europese Commissie, de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) en het Europees parlement heeft gewezen op de kwetsbaarheid van het gebruik van Hikvision-camera’s) zich tot het gebruik van camera’s van dit bedrijf door Nederlandse ministeries zelf? Zou het kabinet deze waarschuwing niet ook aan zichzelf moeten richten?
In hoeverre er bij het gebruik van camera’s van bijvoorbeeld Hikvision en Dahua sprake is van nationale veiligheidsrisico’s die met concrete beheersmaatregelen gemitigeerd kunnen worden is onderwerp van het in het antwoord op vraag 6 genoemde onderzoek.
Kunt u uitsluiten dat deze camera’s een veiligheidsdreiging vormen voor de Oeigoerse diaspora in Nederland? Welke veiligheidsmaatregelen heeft u hiertoe genomen of bent u voornemens te nemen?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen van de leden Dekker-Abdulaziz en Van Ginneken, zijn voor zover ons bekend er momenteel geen aanwijzingen dat China deze camera’s gebruikt om bepaalde minderheidsgroepen in Nederland te monitoren. Mocht dit in de (nabije) toekomst wel het geval zijn, dan is er naar het oordeel van het kabinet sprake van ongewenste buitenlandse inmenging en heeft het kabinet verschillende instrumenten tot haar beschikking, zoals uiteengezet in de brief van 16 maart 2018 over de aanpak ongewenste buitenlandse inmenging6.
Bent u bekend met het feit dat de Amerikaanse overheid heeft verboden te investeren in Hikvision vanwege de banden van het bedrijf met het Chinese leger? Heeft u hierover contact gehad met Amerika, met name in het kader van mogelijke veiligheidsdreigingen? Zo nee, bent u alsnog bereid dit te doen?
Het kabinet is bekend met het besluit van 9 oktober 2019 om Hikvision op de zgn. Entity List te plaatsen omdat Hikvision volgens de VS het mogelijk maakt dat er mensenrechtenschendingen plaatsvinden in Xinjiang. Als gevolg van deze listing zijn Amerikaanse toeleveranciers verplicht om vergunningen aan te vragen voordat ze handelen met Hikvision. Europese en Nederlandse sanctiewetgeving voorzien niet in de mogelijkheid van een Entity List. Nederland erkent de risico’s van het gebruik van cybersurveillance items in relatie tot schendingen van mensenrechten en het internationaal humanitair recht, blijkens ons exportcontrolebeleid, en werkt hierop nauw samen met de VS, zowel bilateraal als in EU-verband.
Bent u bereid om met China in gesprek te treden over het belang van privacy- en veiligheidsstandaarden in technologie en dat toegang van de Chinese staat tot gevoelige data niet acceptabel is?
Nederland en de EU spreken in verschillende verbanden, waaronder binnen de VN, met China over dataveiligheid. Centraal hierbij staat de bescherming van privacy, zoals het voldoen aan eisen, zoals neergelegd in de AVG, bescherming van mensenrechten en het tegengaan van ongepaste toegang van overheden tot datagegevens. Zoals aangegeven in de Notitie «Nederland-China: Een nieuwe balans» (Kamerstuk 35 207, nr. 1) staat het kabinet achter striktere handhaving en sterker uitdragen van bestaande standaarden en normen, zoals de Europese regelgeving op het gebied van data, bescherming van persoonsgegevens en privacy en productveiligheid.
De voorbereidingen in het funderend onderwijs op de komst van Oekraïense vluchtelingen. |
|
Paul van Meenen (D66) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wijze bereidt u zich voor op de komst van Oekraïense vluchtelingenkinderen en jongvolwassenen in het funderend onderwijs en mbo, zodat alle leerplichtige kinderen en jongeren onderwijs krijgen?
Op verschillende locaties in het land zijn tijdelijke onderwijsvoorzieningen gestart voor kinderen uit Oekraïne. Na hun vlucht voor de oorlog krijgen enkele honderden leerlingen weer voor het eerst les in onder meer Arnhem en Ederveen.
Het is belangrijk dat Oekraïense vluchtelingenkinderen en jongvolwassenen snel een plek in het onderwijs krijgen. Voor minderjarige vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland wordt het noodzakelijke onderwijs primair in het gangbare nieuwkomersonderwijs aangeboden, in de vorm van nieuwkomersscholen (po) en internationale schakelklassen (vo). Scholen en gemeenten die vragen hebben over het onderwijs aan Oekraïense leerlingen kunnen voortaan terecht op de website www.onderwijsvooroekraine.nl. Daar kunnen zij veel informatie vinden over bijvoorbeeld het organiseren van lessen, het inzetten van leraren uit Oekraïne, en over lesmateriaal. Scholen kunnen daarnaast ondersteuning krijgen van LOWAN. LOWAN ondersteunt de scholen die het onderwijs aan nieuwkomers verzorgen in zowel het Primair Onderwijs als het Voortgezet Onderwijs. In regio’s waar de bestaande nieuwkomersvoorzieningen, ook in een opgeschaalde variant, onvoldoende zijn, zet het Ministerie van OCW in op het opzetten van extra, tijdelijke centrale onderwijsvoorzieningen. Het Ministerie van OCW werkt nu samen met verschillende betrokken partijen uit hoe op korte termijn grote aantallen Oekraïense kinderen en jongvolwassenen een veilige en goede plek in het onderwijs kan worden geboden.
Welke lessen zijn er geleerd uit de periode instroom van Syrische vluchtelingen naar aanleiding van de oorlog in Syrië, waardoor we nu beter kunnen inspelen op de huidige situatie?
De periode van de verhoogde instroom naar aanleiding van de oorlog in Syrië stelde het Nederlands onderwijs net als nu voor een grote uitdaging. Het is belangrijk om de gevolgen van de extra toename van vluchtelingen in goede banen te leiden. Onderwijs en het leren van de Nederlandse taal zijn belangrijk om zoveel mogelijk een normaal leven op te kunnen pakken in Nederland. Voor het primair en het voortgezet onderwijs zijn naar aanleiding van de situatie rondom de vorige periode van hoge instroom structureel bekostigingsregelingen ingesteld voor het onderwijs aan nieuwkomers. Deze hoeven nu niet opnieuw te worden opgezet, maar kunnen met een kleine wijziging ook direct voor deze groep worden ingezet. Daarnaast is de afgelopen jaren de beschikbare ondersteuning voor nieuwkomersonderwijs door LOWAN nader geprofessionaliseerd. Een voorbeeld hierbij zijn leerlijnen voor nieuwkomersleerlingen die met ondersteuning van OCW zijn doorontwikkeld.
Beschikt het LOWAN over voldoende capaciteit en middelen om scholen te ondersteunen die het eerste opvangonderwijs bieden?
OCW subsidieert de ondersteuningsorganisaties LOWAN-po (via de PO-Raad) en LOWAN-vo (zelfstandig). Omdat er grote aantallen Oekraïense kinderen worden verwacht, en LOWAN een kleine organisatie is, wordt LOWAN versterkt met extra middelen van OCW. Zo krijgt LOWAN de mogelijkheid om zich op korte termijn uit te breiden, om zo veel mogelijk scholen te kunnen ondersteunen die het eerste opvangonderwijs aanbieden. Er is hier een speciale helpdeskfunctie voor ingericht. Daarnaast kunnen scholen en gemeenten ook terecht op de website www.onderwijsvooroekraine.nl. Op de website kunnen zij veel informatie vinden over bijvoorbeeld het organiseren van lessen, het inzetten van leraren uit Oekraïne en over lesmateriaal.
Hoe worden de scholen en roc’s ondersteund in het ontvangen van Oekraïense vluchtelingenkinderen en jongeren? Kunnen deze scholen en roc’s naast onderwijs ook een vorm van traumaverwerking bieden in samenwerking met professionele jeugdhulpverleners?
Scholen die onderwijs bieden aan vluchtelingenkinderen kunnen hiervoor ondersteuning krijgen van LOWAN. Deze organisatie biedt handvatten aan scholen omtrent het lesgeven aan getraumatiseerde kinderen. In het mbo werkt OCW nauw samen met de MBO Raad en onderwijsinstellingen om de huidige capaciteit en de mogelijkheden om op te schalen in kaart te brengen. Mbo-scholen kunnen trauma’s signaleren en intensief samenwerken met professionele hulpverleners om deze vluchtelingen passende ondersteuning te bieden. Het uitgangspunt is om met deze ondersteuning vluchtelingen een goede en veilige plek in het onderwijs te geven.
Zijn er al schoolbesturen bezig met het voorbereiden van taalklassen en internationale schakelklassen?
Op verschillende plekken zijn gemeenten en scholen samen met andere partners bezig dit onderwijs te organiseren en op een aantal plekken gaan gevluchte Oekraïense kinderen al naar school. Deze gemeenten en schoolbesturen proberen zo goed mogelijk de huidige nieuwkomersvoorzieningen op te schalen.
Is al contact met Ingrado over de verwachte toename van minderjarige vluchtelingen?
Ja, OCW heeft contact met Ingrado over de rol van leerplichtambtenaren als gevolg van de Oekraïense vluchtelingenstroom. Deze kinderen zijn namelijk leerplichtig. Daarnaast maakt Ingrado deel uit van de klankbordgroep voor het funderend onderwijs aan Oekraïense kinderen die door OCW is ingesteld.
Tijdens de instroom van Syrische vluchtelingen is er een maatwerkbekostiging gekomen met een vast bedrag per nieuwkomer en extra peilmomenten op scholen voor leerlingaantallen, zodat scholen die te maken kregen met een flinke leerlingstijging adequate bekostiging ontvingen, overweegt u om dit opnieuw in te stellen voor aankomend jaar? Zo ja, hoe wilt u dit inrichten?
Ook voor Oekraïense kinderen ontvangen scholen nieuwkomersbekostiging via DUO. Voor leerlingen in het primair onderwijs moet hiervoor een aanvraag worden ingediend. OCW past de bekostigingsregeling aan om formeel vast te leggen dat ook Oekraïense kinderen binnen de doelgroep van de nieuwkomersbekostiging vallen. Naast deze bekostigingsregeling biedt OCW de mogelijkheid voor aanvullende maatwerkbekostiging onder bepaalde voorwaarden. De reguliere nieuwkomersbekostiging wordt vier keer per jaar uitgekeerd op basis van vier peildata. Omdat het aantal Oekraïense leerlingen op een school snel kan veranderen, kunnen scholen vanaf nu maandelijks bijhouden aan hoeveel nieuwkomers ze lesgeven. De bekostiging wordt daarop aangepast en is daarmee voor de scholen beter op maat.
Zijn de gegevens van het COA en DUO of BRON gekoppeld, zodat er een beeld is van het aantal leerplichtige kinderen en de daadwerkelijke onderwijsdeelname?
Scholen worden opgeroepen om de Oekraïense leerlingen in te schrijven. Deze gegevens komen in ROD (voorheen BRON), het systeem bij DUO, terecht. Er zit een vertraging in het proces van inschrijving en de beschikbare gegevens uit ROD. Om die reden is er nog geen volledig beeld van het aantal Oekraïense leerlingen in Nederland en op welke scholen zij precies zijn ingeschreven. Het precieze aantal leerplichtige leerlingen is nog niet beschikbaar, maar op basis van gegevens over de instroom en inschattingen van J&V over het percentage minderjarige (37%) wordt uitgegaan van ongeveer 6.000–7.000 leerlingen. De instroom wordt dagelijkse geüpdatet met een overzicht van de ontheemden per veiligheidsregio. De gegevens zullen ook op gemeentelijk niveau beschikbaar komen.
Het COA heeft een andere rol in de instroom van Oekraïense vluchtelingen, ten opzichte van andere vluchtelingenstromen. Oekraïners zijn Europeanen, zij kunnen met een biometrisch paspoort zonder visum vrij reizen naar de Europese Unie. Hierdoor is een asielaanvraag geen voorwaarde voor een legaal kortdurend verblijf in Nederland. Op dit moment is niet bekend hoeveel vluchtelingen er naar Nederland komen en dan een asielaanvraag zullen doen. Echter hebben alle kinderen in Nederland, ongeacht de verblijfsstatus, recht op onderwijs en zijn leerplichtig. De gemeenten hebben hier een belangrijke rol in. Vanuit de gemeentelijke opvanglocaties worden kinderen aangemeld op school. Daarnaast wordt het belang om kinderen aan te melden op school ook benadrukt in de communicatie richting gastgezinnen die Oekraïners opvangen.
Voor leerlingen in het primair onderwijs moet een aanvraag worden ingediend voor nieuwkomerbekostiging. Op die manier wordt per peildatum, waarbij de eerstvolgende 1 mei is in het po en 1 juli is in het vo, duidelijk hoeveel nieuwkomerskinderen deelnemen aan het onderwijs. Voor het voortgezet onderwijs gebruikt het Register Onderwijsdeelnemers (ROD, voorheen BRON) de gegevens van de Basis Registratie Personen (BRP) om de aanvullende bekostiging voor nieuwkomers te bepalen. DUO stelt op basis daarvan per peildatum ambtshalve vast voor hoeveel nieuwkomers in het onderwijs bekostiging wordt ontvangen. Verder kunnen personen met de Oekraïense nationaliteit worden ingeschreven in de BRP op aangifte van verblijf en adres bij de gemeente waar zij (tijdelijk) verblijven. Op basis daarvan kan meer inzicht worden verkregen in het aantal leerplichtige kinderen in Nederland.
Het uitsluitbeleid van Jehovah’s Getuigen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het uitsluitbeleid van Jehovah’s Getuigen in Nederland en de petitie «Bestraf het Sociaal Doodverklaren bij de Jehovah’s Getuigen» die op 8 maart 2022 is aangeboden aan de Tweede Kamer?
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving en ook met de petitie «Bestraf het Sociaal Doodverklaren bij de Jehovah’s Getuigen» die door uw vaste Kamercommissie is doorgestuurd.
Hoe beoordeelt u het uitsluitbeleid van de Jehovah’s Getuigen en de psychische schade die dit beleid kan veroorzaken?
Ik kan mij voorstellen dat de behandeling van mensen die uittreden uit de gemeenschap kwetsend en beschadigend is voor de mensen die dit overkomt en dat de slachtoffers ervan psychische schade ondervinden.
Is er onderzoek gedaan naar de consequenties van dit beleid op de levens van leden en ex-leden van de gemeenschap? Zo nee, bent u daartoe bereid?
Momenteel ben ik de mogelijkheden voor onderzoek aan het verkennen. Voor het CD Slachtofferbeleid van 1 juni a.s. stuur ik uw Kamer mijn reactie op de petitie «Bestraf het Sociaal Doodverklaren bij de Jehovah’s Getuigen» en de geschetste problematiek. In deze reactie zal ik ingaan op de gevolgen van «shunning» voor slachtoffers, de maatregelen die andere landen treffen tegen het uitsluitbeleid van Jehovah’s Getuigen en de mogelijkheden om slachtoffers te beschermen en op te vangen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met zowel leden als ex-leden van de Jehovah’s Getuigen over de gevolgen van het uitsluitbeleid dat binnen de gemeenschap wordt gehanteerd?
Medewerkers van mijn ministerie hebben reeds contact opgenomen met een mede-initiatiefnemer van het Dutch Committee Against JW’s Shunning: Now is the time. Er is afgesproken dat er nog een gesprek zal volgen met enkele leden van het Comité. In dit gesprek zal worden bezien waar de zorg- en hulpbehoeften van ex-leden van de Jehovah’s Getuigen liggen. Vervolgens zal ik bekijken of, door wie en op welke wijze deze groep verder kan worden geholpen. Over de voortgang van dit gesprek zal ik uw Kamer informeren.
Wat zijn de wettelijke mogelijkheden in Nederland waarmee dit uitsluitbeleid een halt toe te roepen is? Welke van deze maatregelen bent u bereid te nemen om het probleem aan te pakken?
Hoewel «shunning» kwetsend en beschadigend is voor de slachtoffers, is het fenomeen als zodanig niet strafbaar gesteld. Ik heb dit eerder aan uw Kamer bericht. Bepaalde schadelijke praktijken die kunnen samenhangen met «shunning» kunnen wel via het civiele recht of het strafrecht worden aangepakt. Psychisch geweld kan vallen binnen de reikwijdte van mishandeling in de zin van het opzettelijk benadelen van de gezondheid (artikel 300 Sr), dwang (artikel 284 Sr) of bedreiging (artikel 285 Sr). Onder omstandigheden kunnen ook de delicten smaad (artikel 261), laster (artikel 262 Sr), aanzetten tot haat of discriminatie (artikel 137d Sr) en opruiing (artikel 131 Sr) in beeld komen.
Het is aan de rechter om te beoordelen of de specifieke gedragingen waarvoor het OM vervolging heeft ingesteld onder het bereik van het tenlastegelegde delict vallen. Ik volg de berichtgeving omtrent de aangifte die is gedaan door het Dutch Committee Against JW’s Shunning: Now is the time daarom nauwgezet. Op uw verzoek stuur ik voor het CD Slachtofferbeleid van 1 juni a.s. een kabinetsreactie op de petitie «Bestraf het Sociaal Doodverklaren bij de Jehovah’s Getuigen» en de geschetste problematiek.1
Bent u bekend met de maatregelen die Frankrijk, België en Noorwegen tegen dit uitsluitbeleid hebben genomen? Is het mogelijk om deze maatregelen ook in Nederland toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke stappen heeft u tot op heden genomen om slachtoffers uit geloofsgemeenschappen te beschermen en op te vangen? Welke stappen zijn er daarnaast nog mogelijk?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de uitkomst van het onderzoek naar het intrekken van belastingvoordelen voor Jehovah’s Getuigen dat de Minister voor Rechtsbescherming eerder heeft uitgevoerd? Bent u voornemens om deze maatregel te nemen om het probleem aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Mijn ambtsvoorganger heeft op verzoek van uw Kamer de juridische mogelijkheden verkend om de ANBI-status van de gemeenschap Jehovah’s Getuigen in te trekken. Daaruit is gebleken dat de Belastingdienst niet de wettelijke bevoegdheid heeft om organisaties extra te controleren of de ANBI-status in te trekken, enkel vanwege signalen dat deze zich mogelijk bezighouden met ongewenste praktijken.
Naar aanleiding van verschillende signalen dat ANBI’s in de ogen van het Kabinet niet altijd in het algemeen belang handelen, laat de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingen momenteel onderzoeken wat de juridische mogelijkheden zijn om in te grijpen bij die ANBI’s. In zijn brief van 3 december 2021 heeft hij aangegeven dat hij daartoe een commissie van deskundigen heeft ingesteld met expertise op het gebied van fiscaliteit, grondrechten en filantropie.2 De opdracht aan deze commissie is om vanuit verschillende visies en deskundigheden te beoordelen welke mogelijkheden er zijn, al dan niet door aanpassing van ANBI-regelgeving, om het algemeen nut karakter beter tot uitdrukking te laten komen. De bevindingen van de commissie worden binnenkort verwacht.
Private equity Bencis koopt in stilte weer kinderopvangverblijven op |
|
Senna Maatoug (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Investeerder Bencis koopt in stilte weer kinderopvangverblijven op»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Klopt het dat, zoals in het artikel ook gesteld, Bencis voormalig eigenaar van Estro is? Herinnert u zich het enorme debacle met Estro in 2014 waarbij duizenden ouders en kinderen de dupe werden van het faillissement van Estro?
Dat klopt. In 2006 nam Bencis Capital Partners het toenmalige Catalpa over van Waterland Private Equity Investments. In 2010 werd Catalpa verkocht aan Providence Equity LLP die de organisatie omdoopte tot Estro in 2011. In 2013 namen KKR en Bayside Capital de kinderopvangorganisatie over, waarna het in 2014 als Smallsteps doorging na een flitsfaillissement onder de investeringsmaatschappij HIG Capital. Het Europees Hof van Justitie oordeelde in 2017, in een zaak aangespannen door de FNV, dat bij dit flitsfaillissement de Europese Richtlijnen met betrekking tot de overgang van ondernemingen niet waren gevolgd.2 Uiteindelijk heeft de FNV destijds een schikking getroffen met Smallsteps voor 700 oud-werknemers. Dit was een turbulente periode voor de ouders, kinderen en medewerkers, waar onder andere uw Kamer vragen over heeft gesteld.
Wat vindt u ervan dat een bedrijf met zo’n slecht track record opnieuw kinderopvangorganisaties opkoopt?
De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft op verzoek van de curator in haar beschikking van 10 december 2019 een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Estro Groep vanaf 1 januari 2009 tot 9 december 2010.3 Er waren gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken. Daarbij is stilgestaan bij het feit dat kinderopvang in hoge mate met publiek geld wordt gefinancierd via de kinderopvangtoeslag. Tevens is gewezen op de maatschappelijke impact van het latere faillissement van Estro en het algemene maatschappelijke belang bij openheid van zaken. Het onderzoek richt zich op het besluitvormingsproces van het bestuur van Catalpa N.V. (het latere Estro) rond de overname, de informatievoorziening daarover aan het centrale medezeggenschapsorgaan, de mogelijke belangenverstrengeling, en het toezicht op het bestuur. Het verslag van het onderzoek ligt ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage voor eenieder.4
Ook ik vind een juiste gang van zaken, een juist beleid en transparantie belangrijk. Zeker gezien het maatschappelijke belang van de kinderopvang. Het is primair van belang dat kinderopvang veilig, gezond en pedagogisch verantwoord is en blijft, onafhankelijk van de organisatie- of financieringsvorm van de kinderopvangorganisatie. Alle kinderopvangorganisaties moeten voldoen aan de wettelijke (kwaliteits)eisen, ongeacht in welke constructie het eigendom onder is gebracht. Zo ook kinderopvangorganisaties in bezit van Bencis.
Ik zie dat de sector zich hard inzet om het aanbod van kinderopvang aan te laten sluiten op de vraag en ik zie bij veel kinderopvangorganisaties mooie dingen gebeuren. Tegelijkertijd deel ik uw ongemak en zorgen rondom private equity investeringen in de kinderopvang. Het idee dat belastinggeld niet ten goede zou komen aan de kinderopvang, maar zou uitstromen als overwinst naar private equity partijen, vind ik ook niet wenselijk. Daarom wil ik de rol van de verschillende financieringsvormen in de kinderopvang gaan onderzoeken. Daarbij wil ik ook onderzoek doen naar de mogelijke effecten en de voor- en nadelen van bijvoorbeeld een beperking op de financieringsvormen, een winstnormering of regulering van de uurprijs die kinderopvangaanbieders mogen vragen aan ouders. Ik zal dit binnenkort in gang zetten en uw Kamer informeren over de uitkomsten wanneer deze bekend zijn.
Wat vindt u van het feit dat de overname van Samenwerkende Kinderopvang (248 vestigingen) door Bencis niet vermeld stond op de website van de investeringsmaatschappij en ook niet op de website van Samenwerkende Kinderopvang?
Gezien de gang van zaken, snap ik dat de acties van Bencis in de kinderopvang onder een vergrootglas liggen. In het Landelijk Register Kinderopvang staat wie de houder is van een kinderopvanglocatie. Hier kan echter nog een houdersconstructie boven zitten. Dit betreft openbare informatie, die valt te achterhalen aan de hand van het KvK-nummer dat is opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang, maar vergt wel uitzoekwerk. Het belangrijkst is dat kinderen en hun ouders erop kunnen vertrouwen dat de kinderopvang van hun keuze veilig, gezond en pedagogisch verantwoord is. Naast de wettelijke eisen is proactieve transparantie belangrijk voor het vertrouwen van ouders. Dit heeft het ministerie nadrukkelijk in een gesprek met de betreffende kinderopvangorganisatie aangegeven. Dit zal ook breder in gesprek met de sector uitgedragen worden.
Wat vindt u ervan dat ouders waarvan de kinderen op de Samenwerkende Kinderopvang zitten, niet zijn geïnformeerd dat de eigenaar van hun kinderopvang een private equity is? Bent u van mening dat ouders moeten kunnen weten wie de eigenaar is van de organisatie waar zij hun kinderen heen brengen voor opvang?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe rijmt u dat met de door uw voorganger gedane toezegging om ouders beter te informeren over private equity in de kinderopvang?2
Kan uit het feit dat ouders bij de Samenwerkende Kinderopvang geen kennis hadden over het feit dat de eigenaar van hun kinderopvangorganisatie een private equity is, worden geconcludeerd dat u en uw voorganger onvoldoende actie hebben ondernomen aangaande de toezegging om ouders te informeren?
Wat gaat u doen om de door uw voorganger gedane toezegging gestalte te geven? Wat zijn hierbij de mogelijkheden om deze informatie verplicht te stellen voor de kinderopvangsector?
Kunt u aangeven wat de gemiddelde prijzen waren van de kinderopvang en van de buitenschoolse opvang de afgelopen vijf jaar, en hierbij ook de gemiddelde uurprijzen en de gemiddelde prijsstijgingen de afgelopen vijf jaar geven?
De door u gevraagde cijfers zien er als volgt uit.
Dagopvang
Buitenschoolse opvang
Gastouderopvang
2021
€ 8,60 (+2,5%)
€ 7,74 (+1,7%)
€ 6,44 (+0,8%)
2020
€ 8,39 (+3,3%)
€ 7,61 (+2,8%)
€ 6,39 (+2,4%)
20192
€ 8,12 (+8,8%)
€ 7,40 (+2,5%)
€ 6,24 (+4,0%)
2018
€ 7,46 (+3,8%)
€ 7,22 (+3,1%)
€ 6,00 (+2,7%)
2017
€ 7,19 (+3,0%)
€ 7,00 (+2,3%)
€ 5,84 (+2,8%)
Bron: Toeslagen, cijferbeeld januari 2022, bewerking Ministerie van SZW.
De cijfers over de gemiddelde uurprijs zijn gebaseerd op de uurprijzen die ouders aan Toeslagen doorgeven. Deze kunnen afwijken van de door de ouders werkelijk betaalde uurprijzen. Het betreft de gemiddelde uurprijzen, waarbij gewogen is naar gebruik. Ter illustratie: de uurprijs van gebruikers die 60 opvanguren afnemen weegt drie keer zo zwaar mee bij bepaling van het gemiddelde als de uurprijs van gebruikers die 20 opvanguren afnemen.
Per 1 januari 2018 was de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang in werking getreden. De wijzigingen in de kosten voor de dagopvang en buitenschoolse opvang werden vertaald in een evenredige aanpassing van de maximum uurprijzen. Ter compensatie van de maatregelen die per 1 januari 2019 in werking traden is de maximum uurprijs voor de dagopvang (voornamelijk) per 1 januari 2019 opnieuw verhoogd (Stb. 2018, 327).
De tabel geeft de gemiddelde tarieven (in euro’s) en de procentuele jaar-op-jaar stijging weer voor dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang. De cijfers van 2021 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers, die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van uurtarieven. Voor 2020 is het merendeel van de beschikkingen definitief vastgesteld. Voor 2019 en eerdere jaren zijn vrijwel alle beschikkingen en onderliggende gegevens definitief. Enige jaarlijkse prijsstijging is logisch in verband met economische ontwikkelingen. Daarom worden de maximum uurprijzen waarover ouders kinderopvangtoeslag kunnen ontvangen jaarlijks geïndexeerd. De indexatie is een gewogen gemiddelde van de loon- en prijsontwikkeling op basis van het CEP van CPB. Het Waarborgfonds kinderopvang heeft zichtbaar gemaakt dat de sector een grote variatie kent in de kostprijs van kinderopvangaanbieders.7 Specifieke (kosten)ontwikkelingen kunnen ertoe leiden dat een kinderopvangorganisatie op een andere prijsstijging uitkomt.
Vindt u het stuitend dat de tarieven voor ouders enorm zijn verhoogd, de groepsgrootte is vergroot en dat er tegelijkertijd een miljoen rente moet worden betaald aan investeerder Bencis?
Aan kwalitatief goede kinderopvang die financieel en fysiek toegankelijk is voor ouders en voor kinderen hecht ik groot belang. Daarom moeten alle kinderopvangaanbieders allemaal aan dezelfde regels en eisen voldoen, ongeacht de organisatie- of financieringsvorm van de kinderopvangorganisatie. Zo ook rondom de groepsgrootte en de totstandkoming van de tarieven. Zolang aan de voorwaarden wordt voldaan, is een kinderopvangaanbieder vrij in hun tariefstelling. Daarbij houden zij rekening met hun verwachte kostprijs, de voorkeur van ouders en potentiële concurrentie vanuit andere kinderopvangaanbieders. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven wil ik de rol van de verschillende financieringsvormen in de kinderopvang onderzoeken.
Op grond van de fiscale geheimhoudingplicht die is neergelegd in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan het kabinet niet ingaan op de fiscale positie van een individuele belastingplichtige. »Meer algemeen geldt dat er maatregelen genomen zijn voor een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen. Zo is de aftrekbaarheid van rente in de vennootschapsbelasting beperkt met de robuuste implementatie van een generieke renteaftrekbeperking (de earningsstrippingmaatregel). De earningsstrippingmaatregel vloeit voort uit de eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD1)8 en is een generieke renteaftrekbeperking die met ingang van 1 januari 2019 in werking is getreden. Deze maatregel is primair gericht tegen belastingontwijking. De Nederlandse implementatie van deze earningsstrippingmaatregel is echter voorzien van een aanvullend doel. Nederland wil dat de earningsstrippingmaatregel eveneens (of beter: vooral) tot doel heeft dat een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen wordt bereikt, zodat dit de keus tussen beide minder verstoort. Om die reden is de earningsstrippingmaatregel aanzienlijk strenger vormgegeven dan hetgeen ATAD1 (als minimum) vereist. Zo is de drempel – ten opzichte van de minimumnorm uit ATAD1 – verlaagd van € 3 miljoen naar € 1 miljoen en is de earningsstrippingmaatregel niet voorzien van een zogenoemde groepsuitzondering of een uitzondering voor zogenoemde «stand alone»-entiteiten.
Per 1 januari 2022 is deze renteaftrekbeperking nog verder aangescherpt. Het aftrekpercentage is verlaagd naar 20% van de EBITDA9 (grof gezegd: het bruto bedrijfsresultaat), terwijl ATAD1 een percentage van 30% kent. Bovendien is de specifieke renteaftrekbeperking gericht tegen winstdrainage met ingang van 1 januari 2021 – als onderdeel van het pakket Belastingplan 2021 – ook verder aangescherpt. Deze renteaftrekbeperking beoogt binnen concernverband grondslaguitholling door renteaftrek tegen te gaan. Als gevolg van de aanscherping kan deze renteaftrekbeperking – kort gezegd – niet langer onder omstandigheden leiden tot een ongewenste vrijstelling. De mogelijkheid om rente in aanmerking te nemen voor aftrek van de winst is in het algemeen derhalve aanzienlijk beperkt.
Bent u het eens dat deze 1 miljoen euro ook had kunnen worden gebruikt voor het aantrekken van extra personeel, hogere salarissen voor kinderopvangmedewerkers en/of verlaging van de uurprijzen voor ouders?
Een organisatie maakt hierin een eigen afweging. Ik zie diverse kinderopvangorganisaties in bezit van private equity investeren in de kwaliteit van kinderopvang. Bijvoorbeeld KidsFoundation met hun Academisch Platform waar in samenwerking met academici wordt ingezet op professionalisering van de praktijk van kinderopvang. Uit eerder onderzoek is dan ook gebleken dat de indeling naar profit, non-profit of rechtsvorm niet bepalend is voor de aangeboden kwaliteit.10 De organisatie die in het onderzoek getypeerd wordt als «sociaal-geëngageerde professionele organisatie» bieden volgens het onderzoek over de hele linie hogere kwaliteit. Dit zijn organisaties waar marktdenken met een winstdoelstelling en klantgerichtheid, gemeenschapsoriëntatie en professionele waarden evenwichtig verenigd zijn en waar management en professionals als team samenwerken. De missie en lokale betrokkenheid van de organisatie en de aandacht voor professionalisering en actieve betrokkenheid van medewerkers zijn dus betere voorspellende kenmerken voor de aangeboden kwaliteit van kinderopvang.
Een private equity investeerder zal na enkele jaren de onderneming willen verkopen voor een hogere prijs dan het de onderneming heeft gekocht. Daarvoor is het belangrijk dat het een gezonde onderneming achterlaat met toekomstperspectief. Een kinderopvangorganisatie kan zich niet uit de kinderopvang prijzen met te hoge uurtarieven. Daarnaast is personeel nodig. Een kinderopvangorganisatie moet een aantrekkelijke werkgever zijn om voldoende personeel aan zich te kunnen verbinden om de kinderopvang tot stand te laten komen. Dit zijn aspecten waar de eigenaar naast de wettelijke eisen rekening mee zal houden. Gezien het verleden, verwacht ik dat een volgende investeerder in de kinderopvang die momenteel in het bezit is van Bencis, extra kritisch naar het toekomstperspectief van de kinderopvangorganisatie zal kijken.
Kinderopvang heeft een publieke functie en daarom is overheidsfinanciering belangrijk. Tegelijkertijd brengt de grote mate van overheidsfinanciering ook een verantwoordelijkheid met zich mee. Dit wordt nog belangrijker nu dit kabinet de kinderopvang nog toegankelijker wil maken en de overheidsfinanciering verder zal toenemen. Het stelsel moet de beste uitkomsten voor ouders en kinderen bieden. Zeker in de ontwikkeling naar het nieuwe stelsel de komende jaren, wordt dit een nog groter aandachtspunt. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, wil ik de rol van de verschillende financieringsvormen in de kinderopvang onderzoeken. Zoals eerder aangegeven, wil ik daarbij ook de mogelijke effecten en de voor- en nadelen onderzoeken van bijvoorbeeld een beperking op de financieringsvormen, een winstnormering of regulering van de uurprijs die kinderopvangaanbieders mogen vragen aan ouders.
Welke uurprijsstijging wordt er verwacht naar aanleiding van de uitbreiding van de kinderopvangtoeslag naar 95%?
Het is op voorhand lastig te voorspellen wat de effecten van de stelselwijziging op de tariefontwikkeling zullen zijn. Dit hangt onder meer samen met de omvang en snelheid van de stijging van de vraag en de snelheid waarmee het aanbod hierop reageert. Ook andere factoren, zoals de algemene krapte op de arbeidsmarkt en economische ontwikkelingen, spelen een rol. De ontwikkeling van de tarieven is een van de aandachtspunten in de verdere uitwerking waar ik naar kijk.
Overweegt u een maximering van de uurprijs?
Op dit moment is niet duidelijk in hoeverre de tarieven gaan stijgen en is een maximering niet aan de orde. Echter, zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 12, is de ontwikkeling van de tarieven een aandachtspunt, omdat dit van invloed kan zijn op de toegankelijkheid. Het is van belang dat de maximum uurprijs (en de daaraan gekoppelde toeslag) de kinderopvang toegankelijk maakt en houdt. De stevige publieke component in de financiering zal van invloed zijn op de prikkels die werkelijke uurprijzen laag kunnen houden. Tegelijkertijd is het zaak dat de maximum uurprijs ruimte biedt voor een doelmatige bedrijfsvoering en investeringen. Bij het eventueel overwegen van het instellen van beperkingen ten aanzien van het bepalen van de tarieven is daarom van belang om de complexiteit van dergelijke regelgeving en gevolgen hiervan goed mee te nemen. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, zal ik dit betrekken in het onderzoek naar de rol van verschillende financieringsvormen in de kinderopvang waarbij ik ook de voor- en nadelen van een dergelijke maatregel in kaart wil brengen.
Vindt u dat het gedrag van Bencis overeenkomsten vertoont met dat van een sprinkhaankapitalist?
Zoals gezegd bij het antwoord op vragen 4 en 5 hecht ik belang aan transparantie. Zeker in een sector waar kinderen en hun ouders erop moeten kunnen vertrouwen dat de kinderopvang van hun keuze veilig, gezond en pedagogisch verantwoord is. De betreffende informatie is openbaar te vinden. Toch vind ik het vanuit transparantie beter als ouders hier door de kinderopvangorganisatie proactief over geïnformeerd worden. Daar is de kinderopvangorganisatie door het ministerie nadrukkelijk op gewezen. Dit zal ook breder in gesprek met de sector uitgedragen worden. Binnen de kinderopvangsector gelden voor iedere aanbieder dezelfde voorwaarden en kwaliteitseisen. Daarin verschilt Bencis niet van andere eigenaren van kinderopvangorganisaties.
Aangezien een groot gedeelte van de kosten van de kinderopvang voor ouders via de kinderopvangtoeslag wordt betaald, wat vindt u ervan dat de overheid feitelijk de zakken van aandeelhouders van Bencis aan het vullen is?
Sinds 2005 zijn verschillende partijen, zowel met als zonder winstoogmerk, actief die investeren in het aanbod van kinderopvang. Zo ook investeringsmaatschappijen. Investeringen in de kinderopvangsector helpen bij het bij elkaar brengen van vraag en aanbod en bij het bieden van meer keuzemogelijkheden voor ouders, zodat ouders een kinderopvang kunnen kiezen die past bij hun persoonlijke situatie. Vanwege het grote publieke belang van kinderopvang kunnen ouders middels de kinderopvangtoeslag een financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang krijgen. In het coalitieakkoord is de ambitie uitgesproken dat deze tegemoetkoming op termijn voor alle werkende ouders 95% zal zijn. Het zijn de ouders die kiezen naar welke organisatie zij hun kind brengen en deze tegemoetkoming ontvangen voor de kosten van de opvang die zij gebruiken. Kinderopvangorganisaties zijn tot op zekere hoogte vrij in wat zij met hun inkomsten doen, maar moeten wel aan alle regelgeving voldoen. Zie ook mijn antwoord op vraag 3 en 14.
Constaterende dat het waarborgfonds in haar sectorrapport 2020 aangeeft dat er 4,1% resultaat is gemaakt door vennootschappen3, terwijl uit CBS-cijfers blijkt dat de winst meer de orde van grootte van 12,5% is, kunt u specifieker aangeven wat de afgelopen vijf jaar de winsten in de kinderopvangsector waren?
Het Waarborgfonds verzamelt en analyseert voor de rapportage de definitieve geconsolideerde jaarrekeningen. Zowel van grote als kleine organisaties. Voor de meest recente editie van het sectorrapport gaven in totaal 170 kinderopvangorganisaties inzage in hun jaarrekening, goed voor 41,6% van het totale aantal kindplaatsen in Nederland. Het Waarborgfonds werkt met een gewogen gemiddelde, zodat grote organisaties geen disproportionele invloed hebben op de uitkomsten.
Kinderopvang
2020
4,1%
2019
4,8%
2018
5,4%
2017
3,8%
2016
3,0%
Bron: Waarborgfonds kinderopvang – Jaarlijkse Sectorrapport Kinderopvang
De kinderopvangsector bestaat uit enkele grote organisaties en veel kleine, lokale aanbieders. Bij het analyseren van deze percentages dient er rekening gehouden te worden met het feit dat de privéonttrekkingen van eenmanszaken, maatschappen en vennootschappen onder firma nog in mindering gebracht dienen te worden.
Het kan voor (met name kleine) kinderopvangorganisaties ingewikkeld zijn om de gevraagde financiële gegevens aan te leveren. En zeker om dit op een uniforme manier te doen. Daarom ondersteunt het Waarborgfonds hen daarbij (zie ook: Mijn Kostprijs | Waarborgfonds Kinderopvang). Vanwege de sectorspecifieke kennis en ervaring van het Waarborgfonds maakt SZW gebruik van hun jaarlijkse sectorrapportage. Overigens laten het CBS en het Waarborgfonds wel een soortgelijke ontwikkeling van de resultaten voor belasting zien.
Bent u het eens dat als er winst wordt gemaakt in de kinderopvang dit terug moet vloeien naar de kwaliteit van de kinderopvang?
Zie ook mijn antwoord op vraag 11. De betrokken partijen zetten zich hard in om het aanbod van kinderopvang aan te laten sluiten op de vraag en ik zie bij veel kinderopvangorganisaties mooie dingen gebeuren. Ik ben er ook trots op dat de Nederlandse kinderopvang in zijn algemeenheid van hoge kwaliteit is, ook in vergelijking met het buitenland.12 Zoals bij het antwoord op vraag 15 gezegd zijn kinderopvangorganisaties tot op zekere hoogte vrij in wat zij met hun inkomsten doen. Het nodigt investeerders uit om bij te dragen aan de kinderopvang. Investeringen in de kinderopvangsector helpen bij het bij elkaar brengen van vraag en aanbod en bij het bieden van meer keuzemogelijkheden voor ouders. Zo biedt Partou, een grote organisatie met een private equity partij als eigenaar, in BBL-trajecten, een eigen werkleerbedrijf voor nieuwe medewerkers en een eigen academie voor bestaande medewerkers om zich te kunnen doorontwikkelen. Deze activiteiten zijn waardevol in de huidige krappe arbeidsmarkt en nodig om het aanbod van kinderopvang te kunnen uitbreiden. Volgens het laatste sectorrapport van het Waarborgfonds kinderopvang werd er voor 0,2% uitgekeerd aan dividend.
Bent u het eens dat als straks 95%, en mogelijk zelfs 100%, van alle kosten voor de kinderopvang door de overheid worden gedragen dat het dan nog ongewenster is dat dit geld in zakken van (buitenlandse) aandeelhouders komt?
Vindt u daarom dan ook dat bij de afschaffing van de kinderopvangtoeslag ook moet worden gekeken naar een verbod op winstuitkeringen (naar aandeelhouders) in de kinderopvang?
Bent u bereid om ook verder te onderzoeken welke maatregelen genomen kunnen worden om de ongewenste manier van financieren in ons kinderopvangstelsel te veranderen?
Bent u bereid deze vragen voor het commissiedebat kinderopvang te beantwoorden?
Ja, dat ben ik.
Het bericht ‘Superjachten van rijke Russen in beslag genomen door Frankrijk en Duitsland’ |
|
Roelien Kamminga (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Superjachten van rijke Russen in beslag genomen door Frankrijk en Duitsland»?1
Ja.
Klopt het dat er ook in de wateren van Sint Maarten jachten van een of meer Russische oligarchen liggen?
In de Caribische regio bevinden zich meerdere schepen van Russische eigenaren, een deel daarvan verblijft periodiek ook regelmatig in de wateren van Sint Maarten.
Deelt u de mening dat dit gelet op de huidige situatie in Oekraïne en de ingestelde sancties tegen Rusland ongewenst is en bezien moet worden of deze in beslag genomen kunnen worden? Zo niet, kunt u toelichten waarom niet?
Alle landen binnen ons Koninkrijk zijn verplicht uitvoering te geven aan de sancties die door de EU zijn aangenomen. Indien schepen van eigenaren, die voorkomen op de EU-sanctielijst voor individuen, zich bevinden in de wateren van Sint Maarten (of andere delen van het Koninkrijk) zal hiertoe actie worden ondernomen. Op dit moment is dit niet het geval.
Bent u reeds in contact getreden met de regering van Sint Maarten over deze kwestie?
Wij staan in contact met alle landen binnen het Koninkrijk op vlak van de uitvoering van het EU-sanctiebeleid, zo ook met de regering en ambtelijke diensten van Sint Maarten.
Heeft u in het verlengde van bovenstaande al gesproken met de Franse autoriteiten, die al jachten van Russische oligarchen die in hun wateren lagen, in beslag hebben genomen?
Nederland staat continu in nauw contact met partners binnen en buiten de EU over de oorlog in Oekraïne, inclusief de gecoördineerde sancties tegen Rusland. Daarnaast is het de verantwoordelijkheid en bevoegdheid van elke lidstaat afzonderlijk om de sancties te implementeren en te handhaven.
Kunt u toelichten waarom een aantal landen, waaronder Frankrijk en Duitsland, reeds actie hebben ondernomen en Sint Maarten nog niet?
De actie door Frankrijk en de onbevestigde actie door Duitsland tegen schepen van eigenaren die voorkomen op de EU-sanctielijst voor individuen, die zich bevinden in hun respectievelijke wateren, vloeien voort uit de sancties die door de EU zijn ingesteld.
Indien schepen van eigenaren, die voorkomen op de EU-sanctielijst voor individuen, zich bevinden in de wateren van Sint Maarten (of andere delen van het Koninkrijk) zal hiertoe actie worden ondernomen. Op dit moment is dit niet het geval.
Bent u het ermee eens dat we binnen het gehele Koninkrijk der Nederlanden er alles aan moeten doen om de ingestelde sancties uit te voeren en de druk op Rusland zo groot mogelijk te maken? Zo ja, hoe handelt het kabinet in samenwerking met het Caribisch deel van het Koninkrijk?
Daar ben ik het mee eens. Dat is ook de reden dat wij de situatie in alle landen van ons koninkrijk nauwlettend in de gaten houden en hieromtrent voortdurend contact onderhouden met de diverse instanties binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn nader over te informeren over deze kwestie?
Ik zal de Kamer informeren indien er zich ontwikkelingen voordoen met betrekking tot dit onderwerp.
Het bericht ‘Slib storten in diepe plas zorgt niet altijd voor betere natuur’ |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Slib storten in diepe plas zorgt niet altijd voor betere natuur»?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja.
Op 7 maart 2022 heb ik uw Kamer het onderzoek van VBNE toegestuurd. Zoals ik in de Kamerbrief2 heb aangegeven zal ik u mijn beleidsreactie op het ecologisch onderzoek – in samenhang met de uitkomsten van het beleidsonderzoek diepe plassen – voor de zomer doen toekomen.
Bevestigt u de conclusie van het onderzoek2 dat de ecologie van diepe uiterwaardplassen beter is dan gedacht en dat verondieping (van een grote diepe plas naar een grote ondiepe plas) weinig ecologische winst zal opleveren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u het verondiepen van plassen dan nu on hold zetten?
Het onderzoek naar de ecologische kwaliteit van de diepe uiterwaardplassen biedt nieuwe wetenschappelijke inzichten.
Ik vind het belangrijk om deze inzichten te betrekken bij de verdere ontwikkeling van het beleid en zal u, zoals aangegeven, voor de zomer mijn beleidsreactie geven op het onderzoek, in samenhang met de uitkomsten van het beleidsonderzoek diepe plassen.
Lopende verondiepingen die aan alle wettelijke eisen voldoen kunnen niet zomaar worden stopgezet. Wel zal ik de bevoegde gezagen (waterbeheerders) en de initiatiefnemers verzoeken om bij nieuwe initiatieven rekening te houden met de nieuwe inzichten uit het ecologisch onderzoek.
Deelt u de mening dat, aangezien verondieping weinig ecologische winst oplevert, er geen sprake is van een «win-win situatie» waarbij het verondiepen van een plas ervoor zou zorgen dat we én van ons slib af zijn én de natuur profiteert van ondieper water? Zo nee, waarom niet?
Uit het onderzoek volgt dat het geheel verondiepen van de onderzochte ondiepe plassen geen of nauwelijks ecologische meerwaarde lijkt te hebben ten opzichte van de huidige kwaliteit van diepe plassen. In het rapport is ook een voorbeeld genoemd waar dit wel het geval kan zijn, bijvoorbeeld bij het realiseren van kleine en soms tijdelijke plassen en moerasgebied.
Bevestigt u dat het beleid rondom verondieping aangepast dient te worden met als doel dat verondieping alleen mag geschieden wanneer het ecologische winst oplevert? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer zult u het beleid hierop aanpassen?
Op dit moment bevindt het beleidsonderzoek diepe plassen zich in een afrondende fase. Belangrijke nieuwe inzichten in de ecologische kwaliteit van diepe plassen betrek ik hierbij en voor de zomer stuur ik u mijn beleidsreactie naar aanleiding van de uitgevoerde onderzoeken.
Wat is uw reactie op de conclusie uit het onderzoek dat het verondiepen van diepe plassen niet automatisch een nuttige toepassing is?
Uit het rapport volgt dat de ecologische kwaliteit van een diepe plas niet per definitie slechter is dan de kwaliteit van een verondiepte plas. De waterkwaliteit in diepe uiterwaardplassen kan ook beter zijn dan in een verondiepte plas. Uit het onderzoek blijkt dus dat een verondieping – afhankelijk van de gekozen inrichtingsvariant – niet altijd een ecologische meerwaarde heeft en daarmee uit ecologisch oogpunt niet automatisch nuttig is. Dit moet steeds lokaal worden beoordeeld en afgewogen.
Kunt u aangeven hoeveel meter een plas gemiddeld wordt verondiept en hoe de gevolgen van de verondieping op de natuur in kaart worden gebracht?
Het is mij niet bekend hoeveel meter een plas gemiddeld wordt verondiept. Naast de diepte en de inrichtingsvariant kunnen er ook nog andere aspecten zijn die een rol spelen bij de mogelijke ontwikkeling van de natuur, zoals bijvoorbeeld de oppervlakte, de grondwaterstroming en of de plas al dan niet in open verbinding staat met een rivier.
Een initiatiefnemer moet nu met een inrichtingsplan aantonen dat een verondieping nuttig en functioneel is. Wanneer de gewenste ontwikkeling natuur is, dan moet uit het inrichtingsplan blijken hoe hieraan invulling wordt gegeven. Daarnaast moet bijvoorbeeld ook rekening worden gehouden met een geldend bestemmingsplan en de Natuurbeschermingswet.
Kunt u aangeven hoeveel vergunningaanvragen er nu lopen voor het verondiepen van plassen? Welke gevolgen hebben de resultaten van het onderzoek voor de nu lopende vergunningaanvragen en voor vergunningverlening in de toekomst?
De algemene eisen voor het verondiepen van een diepe plas volgen uit het Besluit bodemkwaliteit en de circulaire en de handreiking voor het herinrichten van diepe plassen. Op dit moment kan met een melding een verondieping worden gestart (er geldt geen vergunningplicht), mits ook aan andere wettelijke eisen wordt voldaan die bijvoorbeeld volgen uit de Waterwet, de Natuurbeschermingswet en /of het bestemmingsplan. Met de Omgevingswet (2023) wordt dit anders, dan geldt er voor een verondieping een vergunning- en m.e.r.-beoordelingsplicht.
Voor nieuwe initiatieven adviseer ik de bevoegde gezagen (waterbeheerders) nadrukkelijk om – bij de boordeling van een melding – rekening te houden met de uitkomsten van het ecologisch onderzoek. Op dit moment is niet bekend voor hoeveel nieuwe initiatieven bij de waterbeheerders (bevoegd gezag) een melding is ingediend. De waterbeheerder, waterschap of Rijkswaterstaat, is verantwoordelijk voor de registratie.
Klopt het dat de vergunningen die inmiddels zijn afgegeven voor verondieping onder andere zijn gebaseerd op het idee dat verondieping altijd zorgt voor een verbetering van de natuur? Zo nee, hoe zit dit dan? Zo ja, welke gevolgen hebben de resultaten van het onderzoek voor de vergunningen die al zijn afgegeven?
Dit is afhankelijk van het doel van een verondieping. Een verondieping kan bijvoorbeeld bijdragen aan het realiseren van de KRW-doelstellingen of het bevorderen van natuurwaarden. Een diepe plas kan ook gedeeltelijk worden verondiept om de stabiliteit van de wanden te vergroten of omdat een verondieping in samenhang wordt uitgevoerd met een hoogwaterbeschermingsproject of met baggerwerkzaamheden voor een vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart.
Voor de vergunningverlening verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om voor de momenteel lopende vergunningaanvragen en voor vergunningverlening in de toekomst per plas te laten bekijken of verondieping zorgt voor een verbetering van de natuur? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven aangegeven, betrek ik de nieuwe inzichten bij het beleidsonderzoek diepe plassen. Daarnaast zal ik de bevoegde gezagen verzoeken om bij de beoordeling van een nieuw initiatief rekening te houden met de uitkomsten van het onderzoek.
Bent u bereid om onderzoek te laten doen naar verschillende andere manieren om diepe plassen her in te richten, zoals bijvoorbeeld verondieping van de oeverzone of meerdere kleine ondiepe plassen in een moerasachtig systeem, zodat er wel een goede invulling kan worden gegeven aan verschillende natuurdoelen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de initiatiefnemer om aan te tonen dat een voorgenomen verondieping ook meerwaarde heeft voor de natuur. Hiervoor moet door de initiatiefnemer het noodzakelijk onderzoek worden verricht en door het bevoegd gezag een lokale afweging gemaakt.
Bent u bereid een landelijke visie te ontwikkelen op de positie en toekomst van diepe uiterwaardplassen in het rivierengebied, zodat hierop beleid kan worden gemaakt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Ja, voor de zomer informeer ik u eerst over de uitkomsten van het beleidsonderzoek diepe plassen en het verdere proces. Dit zal vervolgens in beleid worden uitgewerkt en vastgelegd.
Kunt u een overzicht verschaffen van de verschillende soorten grond die mogen worden gebruikt voor het verondiepen van een plas en de mate waarin deze verschillende soorten grond beter of slechter zijn om te gebruiken voor een verondieping?
De grond die wordt toegepast bij verondiepingen moet altijd voldoen aan Besluit bodemkwaliteit. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat altijd wordt voldaan aan de geldende (chemische) kwaliteitseisen. Daarnaast moet worden voldaan aan het handelingskader Pfas
Voor het jaar 2018 is een inschatting gemaakt4 van de hoeveelheid grond en baggerspecie en de kwaliteit die is toegepast. Uit een berekening volgde destijds dat werd verwacht dat 8 miljoen m3 grond en baggerspecie zou worden toegepast, waarvan 60% zou bestaan uit klasse industrie grond/baggerklasse B, 25% uit klasse Wonen grond/baggerklasse A en 15% uit grond klasse achtergrondwaarde.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Leefomgeving op 7 april a.s.?
Ja.
Het toezicht op de naleving van sancties tegen Rusland op de Zuidas |
|
Jasper van Dijk (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Met hulp van advocatenkantoor Houthoff kon Poetin geopolitiek bedrijven vanaf de Zuidas»?1
Ik vind het van groot belang dat sancties door iedereen worden nageleefd, het toezicht adequaat is ingericht en dat bij overtreding wordt opgetreden. De Minister van Buitenlandse Zaken is in Nederland stelselverantwoordelijk voor sancties. Iedereen in Nederland valt onder de verplichtingen van de Sanctiewet 1977. Binnen het stelsel is voor financiële instellingen en trustkantoren voorzien in toezicht, voor advocaten is dat niet het geval. Met betrekking tot het toezicht op de naleving van de Sanctieregelgeving door advocaten werkt de Minister van Buitenlandse Zaken in samenwerking met de Minister voor Rechtsbescherming aan een noodzakelijke wettelijke regeling. Hierbij worden de rechtstatelijke uitgangspunten zoals de wettelijke geheimhoudingsplicht en het onafhankelijk toezicht in acht genomen. Wel kan overtreding van de verplichtingen van de Sanctiewet 1977 binnen het strafrecht bestraft worden. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft laten weten geen uitlatingen te doen over de vraag of er strafrechtelijk onderzoek is verricht naar de casus uit 2019. Dit om niet onnodig een eventueel opsporingsbelang te frustreren.
Krijgt u na het lezen van het artikel ook de indruk dat het desbetreffende kantoor in 2019 de sancties die sinds 2014 golden tegen Rusland heeft overtreden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven of er strafrechtelijk onderzoek is gedaan naar de desbetreffende casus uit 2019?
Zie antwoord vraag 1.
Welke instantie is er in Nederland eigenlijk belast het met toezicht op de naleving van sancties? Klopt het dat het een gedeelde taak is van de Autoriteit Financiële Markten, De Nederlandse Bank, de FIOD en het Openbaar Ministerie? Waarom is deze situatie zo ontstaan?
In het antwoord op deze vraag moet een onderscheid gemaakt worden tussen toezicht op de naleving enerzijds en opsporing en vervolging van overtredingen van de sanctieregelgeving anderzijds, zoals de Sanctiewet 1977 en Europese sanctiewetgeving.
De AFM en DNB houden toezicht op de naleving van de regels die gesteld zijn voor de bedrijfsvoering met betrekking tot de administratieve organisatie en de interne controle van financiële instellingen en trustkantoren. De financiële instellingen, trustkantoren en cryptopartijen moeten er bij DNB en de AFM melding van doen indien een relatie op een sanctielijst voorkomt. De instelling meldt dan ook de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn genomen, waaronder de bevriezing van tegoeden. De toezichthouders melden deze informatie vervolgens bij het Ministerie van Financiën. Ik informeer uw Kamer periodiek over de stand van zaken. Bij overtreding van de sanctieregelgeving door financiële instellingen en trustkantoren kunnen AFM en DNB bestuursrechtelijk optreden.
Iedereen in Nederland moet zich houden aan de sanctieregelgeving. Dit geldt voor een financiële instelling, andere dienstverleners zoals advocaten, en ook voor bedrijven met gesanctioneerde eigenaren zelf. Iedereen die de beschikking heeft over of toegang tot activa, vermogen of tegoeden van gesanctioneerde partijen moet dit bevriezen. Die verplichting geldt dus niet alleen voor financiële instellingen en trustkantoren. Zij zijn wel de enige die volgend uit de Sanctiewet 1977 verplicht zijn om relaties met gesanctioneerde personen te melden bij DNB of AFM en daarbij aan te geven hoeveel zij hebben bevroren.
Niet bevriezen van vermogen is een economisch delict. Het OM kan dan besluiten tot opsporing en vervolging. De FIOD heeft de bevoegdheid om onder het gezag van het OM een opsporingsonderzoek op te starten. Na strafrechtelijk onderzoek kan het OM tot vervolging overgaan als sprake is van kwalificatie van een economisch delict conform de Wet op de economische delicten.
AFM, DNB, FIOD en OM acteren op basis van wettelijk verankerde bevoegdheden en gescheiden, andersoortige verantwoordelijkheden. Op 1 april 2022 heeft het kabinet de heer Stef Blok als Nationaal Coördinator Sanctienaleving en Handhaving benoemd op het Ministerie van Buitenlandse Zaken2. De nationaal coördinator zal leiding geven aan de Rijksbrede stuurgroep sancties, waarin alle betrokken departementen en uitvoeringsinstanties zijn vertegenwoordigd. Daarnaast zal de nationaal coördinator ook een interdepartementale taakgroep aansturen waaraan relevante departementen en uitvoeringsinstanties capaciteit beschikbaar stellen. Deze taakgroep heeft onder andere als doel de knelpunten in de naleving en handhaving van sancties op te lossen, bijvoorbeeld op het gebied van informatie-uitwisseling tussen instanties en de coördinatie tussen departementen en betrokken instellingen te stroomlijnen.
Deelt u de mening dat wanneer het toezicht bij vier verschillende instanties ligt, de kans groot is dat dit niet goed functioneert omdat niemand echt volledig verantwoordelijk is?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven in hoeverre deze vier instanties over voldoende capaciteit beschikken om toe te zien op de naleving van sancties?
In de Kamerbrief van 14 maart 2022 is aangegeven dat er zal worden geïnventariseerd hoeveel extra capaciteit er door AFM en DNB benodigd is voor het toezicht op de naleving van de regels die gesteld zijn voor de bedrijfsvoering met betrekking tot de administratieve organisatie en de interne controle van financiële instellingen en trustkantoren3. Hierover ben ik met toezichthouders in gesprek. Het is immers van groot belang dat het toezicht naar behoren kan worden uitgevoerd. De Minister van Justitie en Veiligheid is met het OM in gesprek over de beschikbare capaciteit.
Klopt het dat er sinds 2015 wel veertien keer bestuursrechtelijke boetes zijn uitgedeeld, maar er geen enkele keer strafrechtelijk is opgetreden? Kunt u dit verklaren?
DNB kan bevestigen dat zij de afgelopen jaren verschillende boetes en lasten onder dwangsom heeft opgelegd wegens overtreding van de Sanctiewet. Sinds 2015 betreft dit 14 maatregelen. Dit zijn 12 boetes en 2 lasten onder dwangsom geweest.
Het OM heeft aangegeven dat strafrechtelijk is opgetreden tegen overtreding van sectorale sanctiemaatregelen aangaande de gesanctioneerde goederenstroom. Op 18 maart jl. heeft een strafrechtelijke interventie plaatsgevonden vanwege het mogelijk overtreden van de sanctieregelgeving op het terrein van financiële sanctiemaatregelen.4 Hierbij is beslag gelegd op 137 miljoen euro.
Deelt u de mening dat sancties alleen effectief zijn, wanneer deze ook worden nageleefd? Zo ja, hoe gaat u er voor zorgen dat het toezicht op de naleving van de nieuwe sancties tegen Rusland en Wit-Rusland door de kantoren op de Zuidas zal worden verbeterd en effectief zal zijn?
Die mening deel ik en op de naleving door de financiële sector wordt ook toezicht gehouden. Op 31 maart jl. en op 1 april jl. ontving uw Kamer een uitgebreid overzicht van de inspanningen t.a.v. sanctienaleving en handhaving. De uitvoering van het sanctiebeleid is essentieel om de Russische elite hard te raken in reactie op de Russische agressie in Oekraïne. Daarom zet het kabinet alles op alles om te zorgen dat we niks missen. Het kabinet wil dit voor de korte maar ook voor de lange termijn goed organiseren. In de uitvoering wordt de operationele samenwerking verbeterd onder leiding van de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving, Stef Blok. Het kabinet werkt aan actieve naleving en handhaving van sancties die tegen Rusland zijn ingesteld en de Russische personen en entiteiten die op de sanctielijst staan.
De privacyrisico’s van de Intelligente Snelheidsassistent (ISA) |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de op handen zijnde invoering van de Intelligente Snelheidsbegrenzer per 1 juli 2022?1
Ja, met de toevoeging dat het niet gaat om een systeem dat de snelheid begrenst maar alleen de bestuurder waarschuwt wanneer deze de snelheidslimiet overschrijdt. Het is dus meer een snelheidsassistent.
Klopt het dat elke nieuw ontwikkelde auto dit waarschuwingssysteem moet hebben per 1 juli 2022 en elke nieuwe auto per 17 juli 2024?
Vanaf 6 juli 2022 moeten nieuw toegelaten typen auto’s dit systeem aan boord hebben. Vanaf 7 juli 2024 geldt dit voor alle nieuwe auto’s, dus ook als het om een bestaand type gaat.
Klopt het dat dit systeem er niet alleen is om de bestuurder te waarschuwen voor een snelheidsovertreding, maar ook een black box bevat met alle rijgegevens, die door de politie en het OM en andere overheidsinstanties opgevraagd kan worden?
Het gaat om meerdere systemen die verplicht worden. De snelheidsassistent vergelijkt de gereden snelheid met de snelheid en de lokaal geldende snelheidslimiet. Hierbij worden geen data vastgelegd.
De Event Data Recorder (EDR) en het Onboard Fuel Consumption Monitoring System (OFCMS), die ook verplicht worden, registreren wel data. In de EDR worden technische zaken zoals snelheid, remkracht, activering van de airbags en toestand van de veiligheidssystemen bij een botsing vastgelegd. Hierbij worden geen GPS-data of andere identificerende gegevens opgeslagen. De geanonimiseerde EDR-gegevens zullen worden gebruikt voor ongevallenonderzoek en -analyse.
Het OFCMS registreert het Voertuigidentificatienummer (VIN), brandstofverbruik en gereden kilometers. Deze gegevens moeten door fabrikanten of door erkende handelaren of reparateurs regelmatig worden uitgelezen en vervolgens aan de Europese Commissie worden geleverd. Deze informatie moet zodanig worden geaggregeerd dat deze niet te herleiden is naar een persoon. In alle gevallen kan de bestuurder altijd aangeven dat deze niet wil dat deze gegevens worden uitgelezen.
Klopt het dat dit kan leiden tot (hoge) boetes voor snelheidsovertredingen?
Nee. ISA helpt bestuurders om zich aan de snelheid te houden en dus om boetes te voorkomen. EDR-gegevens bevatten geen locatiegegevens en zijn daarmee niet te gebruiken voor het constateren van snelheidsovertredingen. EDR-gegevens mogen bovendien niet voor dit doel worden gebruikt.
Welke gevolgen kunnen er nog meer zijn als gevolg van de black box?
De EDR gaat bijdragen aan een vergroting van de verkeersveiligheid doordat er beter inzicht komt in de oorzaken van ongevallen en er betere analyses gemaakt kunnen worden van onveilige verkeerssituaties.
Welke (rij)gegevens bevat de black box precies?
De EDR bevat in totaal 41 dataelementen die kort voor, tijdens en na een ongeval worden geregistreerd. Dit zijn technische gegevens zoals snelheid, vertraging, stuurhoek, kracht op het stuur, kracht op het rempedaal, of iemand al dan niet een gordel droeg. Er zitten geen gegevens in waarmee het voertuig, de eigenaar of de bestuurder kunnen worden geïdentificeerd.
Welke andere overheidsinstanties en autoriteiten kunnen de black box opvragen?
De EDR-data zijn conform de Europese Verordening2 bedoeld voor statistische doeleinden, te weten: «om de verkeersveiligheid te analyseren en de doeltreffendheid van de genomen specifieke maatregelen te evalueren, zonder dat de eigenaar of bezitter van een welbepaald voertuig aan de hand van de opgeslagen gegevens kan worden geïdentificeerd». Daarnaast kan de EDR worden gebruikt voor het reconstrueren van ongevallen. Momenteel wordt op nationaal niveau uitgewerkt welke partijen bij die data mogen.
Kunt u een volledige lijst geven van gevallen waarin politie, OM en andere autoriteiten deze black box kunnen opvragen?
Zie antwoord vraag 7.
Welke waarborgen zijn er ingebouwd tegen privacyschendingen en ander oneigenlijk gebruik door (medewerkers van de) overheid?
De EDR bevat geen dataelementen waarmee het voertuig of de eigenaar of bestuurder kunnen worden geïdentificeerd.
Kunt u uitsluiten dat er datalekken ontstaan, zoals begin 2021 bij de GGD?
Zie antwoord vraag 9.
Hoeveel mensen krijgen toegang tot deze gegevens?
Zie het antwoord op vragen 7 en 8.
Welke functies hebben deze mensen? Hoe is het toezicht op deze toegang geregeld?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de mening dat de ISA potentieel kan uitgroeien tot de grootste privacybedreiger van Nederland, samen met de zwarte lijst van de Belastingdienst, de Fraude Signalering Voorziening (FSV)? Zo nee, waarom meent u van niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 3.
Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) naar ISA gekeken? Wat was het oordeel van de AP?
Alle regelgeving in Europa moet voldoen aan de horizontale Algemene Verordening Gegevensbescherming, zo ook de regelgeving over de ISA en EDR. De Europese Commissie heeft hiervoor de European Data Protection Board geconsulteerd, de Europese moederpartij van de Autoriteit Persoonsgegevens.
Kunt u, nu de invoering van ISA ophanden is, de AP opnieuw vragen om een privacyassessment te maken? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet nodig, zie antwoord op de vraag 14.
Welke Minister heeft namens het kabinet-Rutte III ingestemd met de EU-verordening 2019/2144? Klopt het dat dit op 12 november 2019 was?
Uw Kamer is op 22 juni 2018 geïnformeerd middels het BNC-fiche over de voorgenomen verordening waarin de verplichting van onder andere de genoemde systemen geregeld is (Kamerstuk 22 112, nr. 2598). De inzet van de Nederlandse regering heeft op basis van dit fiche plaatsgevonden.
Op 25 maart 2019 is er op basis van de trilogen een voorlopig politiek akkoord bereikt tussen het Europese Parlement (EP), de Europese Raad en de Europese Commissie. Op 8 november 2019 is het voorstel formeel goedgekeurd door het EP en de Raad.
Op welke manier is de Tweede Kamer hier vooraf en achteraf over geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 16.
Klopt het dat het mogelijk is om deze big brother in auto per rit uit te schakelen? Waarom kan dit niet permanent uitgeschakeld worden?
Het ISA-systeem staat standaard aan maar is per rit uit te schakelen. De EDR en OFCMS zijn niet uit te schakelen. Wel kan de eigenaar van het voertuig aangeven dat deze de data uit het OFMS over het verbruik niet wil delen. Omdat ISA en de EDR bijdragen aan de verkeersveiligheid is het niet wenselijk dat deze permanent kunnen worden uitgeschakeld.
Wanneer en hoe gaat u het grote publiek informeren (of eigenlijk: waarschuwen) voor deze privacy-inbreuk, waar uw voorganger kennelijk mee heeft ingestemd?
Er is geen sprake van een privacyinbreuk. Zie ook het antwoord op de vragen 3, 9 en 10.
Deelt u de mening dat Nederland niet een surveillancestaat moet worden, zoals de Volksrepubliek China? Hoe gaat u dit waarborgen?
Dit is niet aan de orde, zie het antwoord op vraag 3, 9 en 10.
Het advies ‘keuzes voor de krijgsmacht’ van de Adviesraad Internationale Vraagstukken |
|
Peter Valstar (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het AIV-advies «keuzes voor de krijgsmacht»?1
Ja. Het kabinet dankt de AIV voor het advies, dat op een relevant moment komt.
Deelt u de analyse van de AIV dat, in het licht van de Russische invasie in Oekraïne en de verslechterende veiligheidssituatie, de Navo moet worden versterkt om de vrijheid en veiligheid van Europese burgers te beschermen?
Ja. Veiligheid en stabiliteit zijn basisvoorwaarden voor de vrede en welvaart waarin wij leven. De oorlog aan de oostflank van het NAVO-verdragsgebied laat zien dat bescherming van onze vrijheid noodzakelijk is.
De NAVO is de hoeksteen van onze collectieve veiligheid en zal de afschrikking en verdediging aan de oostflank verder versterken. Tegelijkertijd moeten Europese landen zelfredzamer worden en de eigen belangen beter kunnen beschermen en verdedigen; de huidige veiligheidssituatie is daarvoor het bewijs. Binnen de NAVO en EU moeten daarvoor in gezamenlijkheid de Europese capaciteiten worden versterkt om beter in onze veiligheid te kunnen voorzien.
Verschillende landen kondigden sinds de Russische invasie in Oekraïne aan versneld stappen te zetten om hun defensiebudget te verhogen. Onder meer de regeringen van Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Zweden en Polen hebben dit bekend gemaakt. Het kabinet onderzoekt conform de motie Sjoerdsma (36 045, nr. 4) wat op korte termijn nodig en mogelijk is om de al voorziene toename van het defensiebudget eerder te laten plaatsvinden, of er meer kan worden geïnvesteerd in de defensiesamenwerking met de NAVO en Europese partners en of er manieren zijn om nog in deze kabinetsperiode structureel extra te investeren in Defensie. Uw Kamer is op 20 mei geïnformeerd over de uitkomst van de voorjaarsbesluitvorming. Het kabinet investeert structureel 5 miljard euro extra in Defensie.
Deelt u de analyse van de AIV dat de Europese bijdrage aan deze collectieve verdediging moet worden vergroot en dat Nederland de defensie-uitgaven moet verhogen naar twee procent van het bruto binnenlands product om hierin een gepast aandeel te leveren?
Ja. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de veiligheidsdreiging urgent is en er geen goede redenen zijn om aan te nemen dat deze dreiging binnen afzienbare tijd weer substantieel zal dalen?
Ja. De veiligheidssituatie in en rondom Europa verslechtert. De ongekende agressie van Rusland tegen Oekraïne laat zien dat de dreigingen op het Europese continent en aan de oostgrens van het NAVO-verdragsgebied reëel en dichtbij zijn. Rusland vormt echter niet de enige dreiging. Er is wereldwijd in toenemende mate sprake van (geopolitieke) spanningen. In combinatie met de snelle verspreiding van wapens kan dit zorgen voor ontvlambare situaties. We moeten ons voorbereiden op een onzekere toekomst waarin uitdagingen en dreigingen divers en permanent van aard zijn. We hebben te maken met grootschalige cyberaanvallen, dreigingen tegen onze vitale infrastructuur en beïnvloeding door buitenlandse mogendheden. De weerslag van klimaatverandering kan zich vertalen in oplopende spanningen tussen bevolkingsgroepen, conflicten en migratiestromen.
Deelt u de analyse van de AIV dat de krijgsmacht nadrukkelijk ingericht moet worden op bondgenootschappelijke verdediging en dat het hiervoor noodzakelijk is zo snel mogelijk de inzetbaarheid te verbeteren en de door de Navo vastgestelde capaciteitstekorten weg te werken?
Defensie voert haar grondwettelijke taak uit langs de lijnen van de drie hoofdtaken:
Defensie moet in alle drie de hoofdtaken, die steeds nauwer met elkaar verbonden zijn, kunnen optreden. In de huidige situatie is Defensie vooral ingericht voor optreden in de tweede hoofdtaak. Het dreigingsbeeld en de Russische invasie van Oekraïne laten zien dat inzet in de eerste hoofdtaak net zo noodzakelijk is. Voor het optreden in de eerste hoofdtaak moet Defensie dus een been bijtrekken, net zoals voor optreden in de derde hoofdtaak. In de Defensienota worden de keuzes voor de inrichting, samenstelling en toerusting van de krijgsmacht die in alle drie de hoofdtaken moet kunnen optreden, toegelicht.
Deelt u de analyse van de AIV dat er een grote financiële inspanning nodig zal zijn om Nederland in staat te stellen naar verhouding bij te dragen aan initiatieven van de Navo en de EU, zoals de Nato Response Force en de EU Rapid Deployment Capacity?
Er zijn inderdaad grote financiële inspanningen nodig evenals het maken van keuzes voor de toekomst. Defensie moet de komende periode de gereedheid en inzetbaarheid verhogen, ook om te kunnen voldoen aan de reactietijden voor de Snel Inzetbare Capaciteiten van de NAVO en de EU. Hiervoor is het bijvoorbeeld nodig om de gevechtsondersteuning te versterken en het voorradenniveau te verhogen. Defensie plaatst versneld orders voor het ophogen van het voorraadniveau en anticipeert daarmee op de wereldwijd toegenomen vraag naar munitie en toegenomen krapte op de markt. Hiervoor heeft Defensie op 29 april jl. een incidentele suppletoire begroting ingediend (Kamerstuk 36 091 en 36 092)
Deelt u de mening dat er voor verdere specialisatie bij het wegwerken van tekorten in Europese capaciteiten forse investeringen nodig zijn van de landen die kopgroepen vormen?
Specialisatie is een verdergaande vorm van samenwerking met als doel meer gebruik te maken van de afzonderlijke sterke punten van partners en bondgenoten. Het is een gradueel traject, maar gezamenlijk hebben we meer impact en gezamenlijk leveren we een hogere effectiviteit van optreden. Specialisatie kan helpen om tekorten weg te werken en gezamenlijk meer effecten te bereiken.
De EU-leiders kwamen op 11 maart in Versailles overeen de Europese defensiecapaciteiten te versterken en onderstreepten daarbij het belang van samenwerking. Het kabinet ziet nut in meer gezamenlijke aanschaf van defensiecapaciteiten. Het Europees Defensieagentschap kan hierin een faciliterende en coördinerende rol spelen. Dit is ook onderdeel van het Strategisch Kompas waarmee de EU richting aan het Europese veiligheids- en defensiebeleid, o.a. door het stellen van duidelijke doelen en heldere prioriteiten voor capaciteitsontwikkeling.
Deelt u de analyse van de AIV dat het voor een stabiele defensieplanning wenselijk is als de planning en uitgaven voor een langere periode wettelijk worden vastgelegd, zoals dat ook in Scandinavische landen en de Klimaatwet het geval is?
Defensie is gebaat bij langjarig commitment en een structurele verhoging van het defensiebudget om de benodigde veranderingen te realiseren en versterkingen goed te richten en in te richten. Zoals is aangegeven in de Voorjaarsnota investeert het kabinet structureel 5 miljard euro extra in Defensie.
Deelt u de mening dat, gezien de dreigingssituatie, de bondgenootschappelijke verplichtingen en het toekomstbeeld uit de Defensievisie 2035, de uitgaven in een dergelijke wet niet lager zouden moeten zijn dan twee procent van het bruto binnenlands product?
De Russische agressie in Oekraïne laat duidelijk zien dat onze veiligheid en vrijheid niet vanzelfsprekend zijn en dat dit een groot goed is dat moet worden beschermd. Met de extra investeringen uit het coalitieakkoord en de Voorjaarsnota voldoet Nederland in 2024 en 2025 aan de 2% bbp-norm voor de NAVO.
Bent u bereid het advies van de AIV integraal op te volgen en de Kamer uiterlijk deze maand daarover te informeren?
Het advies van de AIV komt op een relevant moment en bevat goede aanknopingspunten. Het kabinet werkt op dit moment aan de Defensienota waarin de plannen worden uitgewerkt. De Defensienota wordt voor de zomer aan uw Kamer aangeboden. Daarna zal het kabinet ook komen met een reactie op het briefadvies van de AIV.
Het artikel 'Al 20 jaar geregeld tekort aan isotopen voor kankerbestraling: waarom het probleem maar niet wordt opgelost' |
|
Pieter Grinwis (CU), Judith Tielen (VVD), Eelco Heinen (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Kuipers , Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van EenVandaag gepubliceerd op 4 februari 2022?1
Ja.
In Petten wordt gebouwd aan de nieuwe isotopenreactor PALLAS, kunt u een update geven van de status van de bouw? Wanneer wordt verwacht dat deze reactor klaar zal zijn en welke stappen moeten hier nog voor worden gezet?
Uw Kamer is op Prinsjesdag geïnformeerd over het kabinetsbesluit om middelen te reserveren voor een mogelijke investering in de bouw van de nieuwe PALLAS-reactor in Petten. Met dit voornemen zet het kabinet in op het borgen van de toekomstige voorzieningszekerheid voor de patiënt.
Het kabinet zal naar verwachting in het voorjaar van 2023 een definitief besluit nemen over de investering in het PALLAS-project. Daarbij moet worden voldaan aan enkele belangrijke voorwaarden, namelijk:
Het Ministerie van VWS reserveert € 1,29 miljard beschikbaar uit de opbrengst van de vitamine D maatregel2 (€ 129 miljoen euro per jaar tot en met 2032) en € 30 miljoen vanuit de eigen begroting voor een mogelijke investering in PALLAS. Van deze middelen wordt € 129 miljoen in 2023 beschikbaar gesteld op de begroting van het Ministerie van VWS om, zonder onomkeerbare stappen, het investeringstraject te starten zodat de voorbereidingen voor de bouw voortgezet kunnen worden en het project op tijd en binnen budget opgeleverd wordt. Hiermee wordt geborgd dat PALLAS op tijd de rol van de bestaande reactor kan overnemen.
Zoals door de toenmalige Minister voor Medische Zorg en Sport aangekondigd in haar Kamerbrief3, zijn in de tussentijd al een aantal voorbereidingen in gang gezet waarbij geen onomkeerbare stappen mogen worden gezet, zolang er nog geen positief besluit ligt van het kabinet. Stichting voorbereiding PALLAS-reactor (verder PALLAS) heeft in 2021 het basisontwerp van de PALLAS-reactor afgerond. Ook heeft PALLAS in juni 2022 een aanvraag voor het verkrijgen van de Kernenergiewetvergunning voor het oprichten (bouwen) van de reactor ingediend bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. Als het kabinet volgend jaar definitief besluit om het PALLAS-project voort te zetten, dan moeten de volgende stappen zijn doorlopen om met de bouw van de PALLAS-reactor te kunnen starten:
Na het afronden van de bouwfase zal een programma van testen doorlopen moet worden in het kader van het in bedrijf nemen van de reactor. Om te kunnen starten met dit programma dient PALLAS de volgende stappen succesvol te nemen:
Na het succesvol afronden van het programma van testen is de reactor gereed voor commercieel gebruik. Indien alle bovengenoemde stappen succesvol zijn doorlopen, is de verwachting dat PALLAS de productie van isotopen rond 2030 kan starten.
Vindt u ook dat de Nederlandse isotopenreactor een belangrijke bijdrage levert aan de gezondheidszorg in Nederland, maar ook wereldwijd? Deelt u de mening dat het voor Nederland goed is om een leidende positie na te streven op het gebied van innovatieve nucleaire geneeskunde en dat deze reactor daaraan bijdraagt?
Nederland heeft met de aanwezigheid van de huidige Hoge Flux Reactor (HFR) in Petten en partners zoals Curium en Urenco, een leidende positie op de wereldmarkt voor medische isotopen. Dagelijks zijn vele duizenden patiënten binnen en buiten Nederland voor hun diagnose of behandeling afhankelijk van medische isotopen die geproduceerd worden in Petten. Het gaat om patiënten met vaak ernstige aandoeningen, zoals verschillende vormen van kanker, hart- en vaatziekten en andere chronische aandoeningen.
Als gevolg van deze leidende positie, kunnen Nederlandse patiënten profiteren van de excellente nucleair geneeskundige zorg en het onderzoek dat in Nederland wordt gedaan naar nieuwe kankerbehandelingen, ook als het gaat om commercieel minder aantrekkelijke behandelingen.
Hoe apprecieert u dat verschillende projecten met een positieve business case en die bijdragen aan maatschappelijke transities, (in de beginfase) niet altijd private financiering kunnen aantrekken vanwege risico’s die niet door de markt kunnen worden beïnvloed? Denk bijvoorbeeld aan projecten, als PALLAS, met lange terugverdientijden of risico’s die afhangen van vergunningsverlening of wet- en regelgeving van de overheid. Wat doet u om deze projecten van de grond te laten komen?
Het PALLAS-project is een voorbeeld van een project dat maatschappelijke relevantie heeft maar vanwege de risico’s rondom dit project niet wordt opgepakt door de markt. Deze financiële risico’s bij grote nucleaire productiefaciliteiten voor medische isotopen worden ook geconstateerd in twee omvangrijke Europese studies die in 2021 zijn gepubliceerd en met uw Kamer zijn gedeeld4 , 5. Dit is de reden dat het kabinet substantiële middelen heeft gereserveerd voor een mogelijke investering in het PALLAS-project.
Wat vindt u van het verstrekken van voorfinanciering vanuit de overheid voor deze projecten? Welke andere mogelijkheden ziet u voor projecten die bijdragen aan maatschappelijke transities, een positieve business case hebben, maar geen private financiering kunnen aantrekken in de beginfase? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in bovengenoemde antwoorden beschreven en aangekondigd in de Kamerbrief over PALLAS die op Prinsjesdag naar de Kamer is gestuurd, heeft het kabinet besloten om middelen op de VWS begroting te reserveren voor een mogelijke investering in de bouw van de nieuwe PALLAS-reactor in Petten. In het voorjaar van 2023 zal worden besloten over de resterende dekkingsopgave van € 330 miljoen. Het kabinet kijkt hierbij ook naar de mogelijkheden in het kader van het Nationaal Groeifonds. Onder andere de Ministers van VWS en EZK trekken hierin nauw samen op.
Deelt u de mening van de indieners dat het voor projecten die zichzelf kunnen terugverdienen, logischer is om te kiezen voor voorfinanciering in plaats van subsidies? Kunt u uw mening toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Een first loss facility kan als instrument worden gebruikt om vanuit de overheid voorfinanciering te verstrekken voor rendabele, maar risicovolle activiteiten; welke mogelijkheden ziet u om een first loss facility te creëren voor de bovenstaande projecten?
Zie antwoord vraag 5.
De facility zou als doel hebben om projecten te financieren die bijdragen aan vraagstukken op het gebied van klimaat, duurzaamheid, gezondheidszorg etc; ziet u daarom mogelijkheid om een deel van de hiervoor gereserveerde middelen in te zetten voor het buffervermogen van de facility? Ziet u mogelijkheden voor Invest NL om hier een rol bij te spelen? Wat is er volgens u nodig om Invest NL deze rol te laten vervullen en kan u dit realiseren?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht 'Demonstratie tegen 'verpretparking' Henschotermeer: 'Willen duidelijk signaal afgeven'' |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekent met het artikel «Demonstratie tegen «verpretparking» Henschotermeer: «Willen duidelijk signaal afgeven»»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het Henschotermeer een van de laatste ongerepte natuurlijke zwemplassen in Nederland is, met uniek boslandschap en dat het hele gebied rondom het meer natuurlijke en landschappelijke waarde heeft? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord op deze en de volgende vragen heb ik inlichtingen ingewonnen bij de provincie Utrecht.
Het gebied herbergt zeker natuurwaarden en maakt deel uit van een boslandschap en een landgoed. Het Henschotermeer zelf en de zone daaromheen maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied daarbuiten wel (zie ook de beantwoording vraag 3 en het daarin opgenomen kaartje). Daarnaast is het Henschotermeer al vele tientallen jaren recreatief in gebruik. Recreatie is daarmee een onderdeel van het gebied. In de zomermaanden maken vele recreanten gebruik van het Henschotermeer en is er vaak sprake van grote drukte.
Hoe wordt momenteel dit hele gebied rondom het meer met zijn boslandschap en met zijn natuurlijke en landschappelijke waarde beschermd?
De plannenviewer van de provincie Utrecht, behorend bij de interim- Omgevingsverordening (IOV), geeft de situatie weer en de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland2. Het onderstaande kaartje is een uitsnede daarvan, waarbij het groene gebied behoort tot het Natuurnetwerk Nederland:
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2 en blijkt uit bovenstaand kaartje, is slechts een deel van het gebied onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het Henschotermeer zelf ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en heeft geen natuurbestemming, maar een recreatiebestemming.
Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt dat gemeentelijke plannen bestemmingen en regels bevatten die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland.
Naast de ruimtelijke beschermingsregels van het Natuurnetwerk Nederland geldt overal, dus niet alleen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, dat voldaan moet worden aan de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij om de bescherming van soorten, houtopstanden en Natura 2000 (inclusief eventuele externe werking). Een bestemmingsplan moet uitvoerbaar zijn in kader van de wet. In de IOV zijn, naast regels ter bescherming van het Natuurnetwerk Nederland, ook activiteitenregels gericht op behoud van het bosareaal en soortenbescherming opgenomen.
Hoe past dit voorbeeld naar uw mening in de «salami-tactiek» die wordt beschreven in het artikel «De salami-tactiek in Nederland: steeds een stuk natuur erbij pikken»?2 Deelt u de mening dat zulke recreatieplannen een typisch voorbeeld zijn van steeds maar een klein stukje natuur omvormen, waarbij de lokale aantasting minder groot lijkt, tot er bijna geen natuur meer over is en de aantasting van de natuur significant is? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op vraag 3 is beschreven op welke wijze de natuurwaarden in het gebied zijn beschermd. Bij ontwikkelingen in dit gebied worden de natuurwaarden nadrukkelijk meegewogen. De aangekondigde toekomstige recreatieontwikkelingen naar aanleiding waarvan de vragen zijn gesteld, hebben geen betrekking op het gebied binnen het Natuurnetwerk Nederland.
Het Henschotermeer is een bovenlokaal recreatieterrein dat voorziet in de regionale behoefte om op warme dagen te kunnen zwemmen en recreëren. Voor een goede exploitatie (beheer en onderhoud) zijn andere voorzieningen nodig en hierover worden de gesprekken gevoerd. Vanwege het opheffen van een recreatieschap, dat voorheen de exploitatie van het Henschotermeer als zwemlocatie onderhield, is er een nieuwe exploitant gekomen die zoekt naar mogelijkheden voor de nieuwe vorm van exploitatie.
Aangezien deze ontwikkelingen niet (volledig) passen binnen het vigerend bestemmingsplan is er een herziening van het bestemmingsplan nodig. Een bestemmingplan (en buitenplanse omgevingsvergunning) moet voldoen aan de instructieregels die hiervoor zijn opgenomen in de interim- Omgevingsverordening (IOV).
Kunt u bevestigen dat het Henschotermeer, onderdeel van landgoed Den Treek Henschoten, voor een groot deel wordt omsloten door het gebied van Natuurnetwerk Nederland (NNN-gebied) en ook voor een deel in het NNN-gebied ligt?
Het Henschotermeer wordt voor ongeveer de helft van het terrein omsloten door het Natuurnetwerk Nederland. Zie ook het antwoord op vraag 3 en het daarin opgenomen kaartje.
Hoeveel hectare van het landgoed ligt in het NNN en hoeveel hectare van het NNN zullen moeten worden omgevormd voor de recreatieplannen? Hoeveel hectare van het NNN-gebied omsluiten het gebied?
Er worden, zoals gemeld in het antwoord op vraag 3, als gevolg van deze recreatieontwikkelingen geen hectares binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland omgevormd naar recreatiegebied. Er zijn op dit moment nog geen initiatieven ingediend voor de ontwikkelingen rond het Henschotermeer die kunnen worden beoordeeld. Het Henschotermeer ligt op de Utrechtse Heuvelrug en wordt omgeven door vele hectaren bos en meerdere verblijfsrecreatieterreinen. Het landgoed Den Treek-Henschoten bestaat uit een uitgestrekt gebied met bossen, natuur, landbouw en heide en beslaat bijna 2.200 hectare. Het grenst aan vijf gemeenten: Amersfoort, Leusden, Woudenberg, Utrechtse Heuvelrug en Zeist.
Kunt u bevestigen dat dankzij de recreatieplannen het NNN-gebied kleiner zal worden? Hoe past dat bij de natuurbestemming van het gebied?
De recreatieplannen hebben geen betrekking op het gebied binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland; zie ook het antwoord op vraag 3. Het Natuurnetwerk Nederland zal dus ook niet kleiner worden als gevolg van deze ontwikkeling.
Kunt u bevestigen dat de recreatieplannen invloed zullen hebben op de natuurlijke beleving van het NNN-gebied dat het Henshotermeer nu omsluit? Hoe gaat u voorkomen dat dit gebeurt?
De recreatieplannen hebben geen betrekking op het gebied binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland; zie ook het antwoord op vraag 3. Uitgangspunt van het Ontwikkelkader voor het gebied is het in stand houden en versterken van de unieke landschappelijke beleving en de natuurwaarden van het gebied, passend bij een druk bezocht dagrecreatieterrein.
Op dit moment zijn er, zoals gemeld in antwoord op vraag 6, nog geen initiatieven ingediend bij de gemeente en provincie. De vraag naar eventuele effecten op de beleving in het Natuurnetwerk Nederland kan dus nog niet worden beantwoord.
Hoeveel hectare van het huidige totale gebied (NNN-gebied en niet-NNN-gebied) zal omgevormd worden voor (verblijfs)recreatie?
Er wordt, zoals gemeld in het antwoord op vraag 3, als gevolg van deze recreatieontwikkelingen geen gebied binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland omgevormd naar recreatiegebied. Hoeveel hectare buiten het Natuurnetwerk Nederland zal worden omgevormd, is nog niet bekend. Er zijn op dit moment nog geen initiatieven ingediend bij de gemeente of de provincie.
Kunt u bevestigen dat dankzij de recreatieplannen het hele gebied met zijn natuurlijke en landschappelijke waarde zal worden aangetast? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zijn er nog geen initiatieven ingediend bij de gemeente en provincie. De initiatiefnemer is hier nog mee bezig en daarom kan dit nog niet beoordeeld worden. Het Henschotermeer heeft sinds jaar en dag al een recreatieve bestemming en kent vele bezoekers. Zoals geantwoord op vraag 8, is het uitgangspunt van het Ontwikkelkader voor het gebied het in stand houden en versterken van de unieke landschappelijke beleving en de natuurwaarden van het gebied, passend bij een druk bezocht dagrecreatie terrein. Ook bevat de provinciale verordening waarborgen om aantasting te voorkomen.
Heeft u zicht op de hoeveelheid bomen die gekapt zouden moeten worden voor de aanleg van de geplande gebouwen, recreatiefaciliteiten en appartementen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven of een ontheffing of vergunning is aangevraagd of vergeven voor de bomenkap?
Op dit moment niet omdat de plannen nog niet concreet zijn uitgewerkt en nog niet aan de gemeente en provincie zijn voorgelegd.
Is onderzocht welke (beschermde) natuurwaarden in dit gebied te vinden zijn, zoals vleermuizen en vogels? Zo ja, door wie is dit onderzocht en wat waren de uitkomsten?
In opdracht van de beheerder van het terrein is december 2021 een natuuronderzoek opgeleverd. Dit betreft een onderzoek naar diverse beschermde flora en fauna. In dit rapport is tevens in de literatuurlijst verwezen naar onder andere een dassenonderzoek (Achterberg C. van, 2021a – Dassen Henschotermeer – Briefrapport d.d. 13 januari 2021).
Uit het onderzoek blijkt kort samengevat het volgende: Gebleken is dat het projectgebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van enkele beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming (broedvogels, bosmieren, vliegroute vleermuizen). Ook zijn er lokaal beschermde verblijfslocaties aanwezig in de vorm van holtebomen, een jaarrond beschermd nest en mierenhopen. Soorten uit de rode en oranje lijsten met de categorieën «bedreigd», «ernstig bedreigd» of «op het punt van verdwijnen» zijn niet aangetroffen.
Dit onderzoek ligt ter beoordeling bij de provincie Utrecht en hieruit kan voortvloeien dat er verhelderingen of aanpassingen nodig zijn.
Hoeveel hectare grond moet nog toegevoegd worden in de provincie Utrecht om het Natuurnetwerk Nederland te voltooien, zoals afgesproken in het Natuurpact? Lijkt het u verstandig, gegeven die achterstand, om nu bestaande natuur te kappen en vol te zetten met onder andere een activiteitenhal, een speelhal, bungalows, klimtoren, etc.?
Volgens de meest recente, zevende Voortgangsrapportage Natuur heeft de provincie Utrecht 1.001 ha verworven (peildatum 31 december 2020) en heeft volgens het natuurbeleid van de provincie Utrecht een resterende verwervingsdoelstelling van 569 hectare (Kamerstukken 33 576, nr. 253).
Zoals in eerdere antwoorden gemeld, wordt het Natuurnetwerk Nederland niet aangetast door de betreffende recreatieplannen.
Zal er natuur moeten worden gecompenseerd om de recreatieplannen mogelijk te maken? Zo ja, hoeveel hectare moet er worden gecompenseerd? Indien u dit niet weet, kun u aangeven hoe u de provincies controleert op de kwaliteit en staat van de natuur, gezien uw eindverantwoordelijkheid?
Op dit moment zijn de precieze plannen voor de ontwikkelingen rond het Henschotermeer nog niet bij de gemeente en provincie ingediend. De provincie zal toezien op de kwaliteit van het initiatief en daarmee ook mogelijke effecten op de natuur beoordelen met name op het gebied van de Wet natuurbescherming alsmede de interim- Omgevingsverordening, voornamelijk het onderdeel houtopstanden. Zoals in eerdere antwoorden gemeld, wordt het Natuurnetwerk Nederland niet aangetast door de betreffende recreatieplannen. Hierop hoeft dus niet getoetst te worden en dus is er ook geen sprake van compensatie. De betreffende toetsing op natuurwetgeving is in dezen een wettelijke bevoegdheid van de provincie. Ik heb daarbij geen rol.
Is het toegestaan dat natuurcompensatie wordt afgetrokken van de natuurontwikkelopgave van provincies? Zo ja, waar is dit vastgelegd? Zo nee, kunt u bevestigen dat dit niet heeft plaatsgevonden?
Dat is niet toegestaan en bovendien niet aan de orde hier. Wanneer provincies natuur binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland willen compenseren, dan mag deze niet worden verrekend met de ontwikkelopgave. Een van de uitgangspunten bij natuurcompensatie is immers dat het Natuurnetwerk Nederland in omvang minimaal gelijk blijft. Zie ook de brief aan uw Kamer van de Minister van LNV over natuurcompensatie (Kamerstuk 33 576, nr. 161).
Kunnen inpassingsplannen voor vakantie- en recreatieparken in natuurgebieden betaald worden uit natuursubsidies, zoals de subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap? Zo ja, vindt u dit wenselijk, gezien de natuur-ontwikkelopgave?
Nee, natuursubsidies kunnen alleen gebruikt worden voor de inrichting en het beheer van natuur conform de beheertypen zoals beschreven in de Index Natuur en Landschap.
Bent u bereid bij de gemeente Woudenberg en Utrechtse Heuvelrug erop aan te dringen de recreatieplannen niet te laten plaatsvinden vanwege de landschappelijke en natuurwaarden van het gehele gebied? Zo nee, waarom niet?
Nee. De provincie Utrecht heeft in 2016 een samenwerkingsovereenkomst ondertekend, met onder andere de gemeente Utrechtse Heuvelrug en de gemeente Woudenberg. Hierin is afgesproken om de bestaande recreatieve mogelijkheden te continueren met eventueel toevoegingen die passen binnen het Ontwikkelkader. De concrete plannen zullen door de provincie worden getoetst aan onder andere het natuurbeschermingsregime, zoals in eerdere antwoorden geschetst.
Bent u bereid om bij de provincie Utrecht erop aan te dringen dat de recreatieplannen geen doorgang zullen vinden, vanwege de aantasting van zowel het NNN-gebied als de landschappelijke en natuurwaarden? Zo nee, waarom niet?
Ik vertrouw erop de provincie scherp toeziet op het toepassen van het natuurbeschermingsregime. Zie verder het antwoord op vraag 17.
Plastickorrels in de Westerschelde |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Westerschelde: plastic nurdles; sources, transport, deposits»?1
Ja.
Hoe waardeert u de conclusie en de onderliggende analyse dat in het Westerscheldegebied sprake is van enorme, onderschatte vervuiling met plastic korrels?
Ik waardeer alle inzet om de kennis te ontwikkelen over de bronnen van (micro)plastics en de plaatsen waar ze in het milieu terechtkomen. Wel vind ik het daarbij van belang dat de data wetenschappelijk verantwoord en academisch geverifieerd zijn. Data uit burgerwetenschap kunnen een mooie aanvulling daarop zijn.
Hoewel ik de inzet van dit specifieke onderzoek waardeer, vind ik het te vroeg om me over de conclusies uit te spreken. Het is onvoldoende zeker waar de kleine plastic korrels (nurdles) precies vandaan komen. Wel zal ik in samenwerkingsverbanden met België en het Verenigd Koninkrijk blijven aandringen op een voortvarende aanpak om de milieuvervuiling door plastics te voorkomen en aan te pakken.
Met het actieprogramma Schone Schelde 2022 wil ik meer inzicht krijgen in de bronnen van deze vervuiling door nurdles. In het actieprogramma Schone Schelde 2022 werken bedrijven, overheden en NGO’s samen aan het terugdringen en voorkomen van zwerfafval. De bronaanpak van nurdles is een speerpunt in het actieprogramma. Rijkwaterstaat neemt actief deel aan deze Schone Schelde samenwerking. Over de voortgang en de aanpak zal ik u in het najaar nader informeren.
Daarnaast vind ik het van belang om te investeren in kennisopbouw over (micro)plastic vervuiling. Nurdles zijn een van de voornaamste bronnen van milieuvervuiling door microplastics. Het Ministerie van IenW investeert daarom in de kennisopbouw over microplastics; zo is bijvoorbeeld € 230.000 beschikbaar gesteld voor onderzoek naar methoden om microplastics in water te kunnen meten.
Bent u voornemens werk te maken van vervolgonderzoek, zoals in het rapport ook gesuggereerd wordt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat in de haven- en industriegebieden zo min mogelijk plastic in het milieu terechtkomt?
Bedrijven zijn allereerst zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen die voorkomen dat verontreinigende stoffen, zoals plastic korrels in het milieu terecht kunnen komen. Het is aan het bevoegd gezag om op basis van de waterregelgeving erop toe te zien dat aan de daarin gestelde voorwaarden voldaan wordt.
Kunt u aangeven wat de plasticvervuiling in het Natura2000-gebied Westerschelde betekent voor de natuurwaarden in het gebied, zoals voor beschermwaardige vogelsoorten?
Plasticvervuiling in een kwetsbaar natuurgebied als de Westerschelde vind ik zorgelijk. Het Ministerie van IenW neemt dan ook maatregelen om plasticvervuiling terug te dringen.2 Meer onderzoek is nodig naar de effecten op het milieu als gevolg van vervuiling door nurdles. Wel is bekend dat nurdles een van de voornaamste bronnen zijn van milieuvervuiling door microplastics. Het ministerie investeert daarom in de kennisopbouw over microplastics, zoals ook is toegelicht in antwoord 3.
Is de plasticvervuiling meegenomen in de milieueffectrapportage voor de ontpoldering van de Hedwigepolder? Zo ja, hoe worden de gevolgen ingeschat? Zo nee, waarom niet?
In de milieueffectrapportage (MER) voor de Hedwigepolder is niet specifiek aandacht besteed aan plasticvervuiling. Er wordt kort melding gemaakt van plastic en ander materiaal dat in de polder terecht kan komen. Voor plastic en ander zwerfvuil dat in het gebied terecht kan komen geldt hetzelfde als voor de kwaliteit van het sediment en de toekomstige waterbodem. De Hedwigepolder wordt na ontpoldering onderdeel van het grotere systeem van het getijdengebied van de Westerschelde. De mogelijke invloed van verontreiniging van het gebied met plastics zal dan ook niet anders zijn in de ontpolderde Hedwigepolder dan de invloed die dergelijke verontreinigingen elders in de Westerschelde hebben. Dit leidt niet tot een andere conclusie ten aanzien van de uitvoering van het Hedwigeproject. Dat neemt niet weg dat ik mij in de Hedwigpolder net zo zal blijven inspannen om milieuvervuiling te voorkomen en te beperken als in elk ander gebied.
Bent u voornemens in het overleg met Vlaanderen over de PFAS-problematiek ook het genoemde rapport te betrekken om ervoor te zorgen dat in het Antwerpse havengebied ook de plasticvervuiling aangepakt wordt?
Nederland zal onder andere in de Internationale Scheldecommissie (ISC) aandacht blijven vragen voor de vervuiling afkomstig van kleine plastickorrels in de Westerschelde.
Het bericht ‘Zuidaskantoren oefenden invloed uit op publicaties medewerkers belastingrecht’ |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van universiteitsblad Folia «Zuidaskantoren oefenden invloed uit op publicaties medewerkers belastingrecht»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat vrijwel alle hoogleraren belastingrecht aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) een baan hebben bij een groot advocaten- of belastingadvieskantoor? Zijn er richtlijnen ten aanzien van nevenfuncties van het personeelsbestand aan kennisinstellingen?
Het staat hoogleraren vrij om nevenfuncties te hebben, met inachtneming van de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit en de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden van de universiteiten. Hoeveel hoogleraren bij een afdeling een bepaalde nevenfunctie bekleden, is een verantwoordelijkheid van het bestuur van de universiteit. De decaan van de Faculteit Rechtsgeleerdheid heeft in de betreffende publicatie laten weten dat de balans bij de sectie Belastingrecht in de afgelopen twintig jaar, met betrekking tot het soort nevenfuncties, is scheefgegroeid.
Deelt u de mening dat het zeer kwalijk is en schadelijk voor het aanzien van ons hoger onderwijs als belangen van private partijen waarvoor hoogleraren werken, soms voorrang krijgen op wetenschappelijke onafhankelijkheid en integriteit?
Ja, die mening deel ik.
Wat vindt u van de constatering in het artikel dat er sprake is van zelfcensuur en dat sommige onderwerpen in de fiscale literatuur niet of onvoldoende aanbod komen, vermoedelijk omdat het vanuit commercieel perspectief handiger is om deze onderwerpen te laten rusten?
Beïnvloeding wordt ongewenst op het moment dat er door derden invloed wordt uitgeoefend op de uitkomsten van het onderzoek en de onafhankelijkheid van de wetenschap en de betrouwbaarheid van wetenschappelijke resultaten in het geding kunnen komen (zie ook Rathenau Instituut «Ontwikkeling derde geldstroom en beïnvloeding van wetenschappelijk onderzoek – Een data- en literatuuronderzoek ter beantwoording van de motie-Westerveld», 2020). Het niet onderzoeken of publiceren van bepaalde onderwerpen omdat deze maatschappelijk, politiek of vanuit commerciële redenen onwenselijk worden geacht, zelfcensuur, vind ik onwenselijk. De Universiteit van Amsterdam zal een onafhankelijke commissie laten onderzoeken of er bij de betreffende hoogleraren sprake was van zelfcensuur.
Deelt u de mening dat de bevindingen van het Folia-onderzoek laten zien dat het enkel terugvallen op zelfregulatie, zoals via de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening, niet effectief genoeg is om te borgen dat commerciële belangen een voetafdruk nalaten op wetenschappelijke publicaties? Zo nee, hoe gaat dat samen met de Folia-bevindingen? Zo ja, wat zijn hiervan dan de implicaties?
Samenwerking tussen onderzoekers en het bedrijfsleven, de overheid en andere organisaties is belangrijk om onderzoek goed te laten aansluiten bij maatschappelijke uitdagingen en innovatie te stimuleren. Beïnvloeding van wetenschappelijk onderzoek door de derde geldstroom is daardoor niet per definitie negatief, maar kan juist wenselijk zijn voor de maatschappelijke relevantie en toepassing van wetenschappelijk onderzoek (Rathenau, 2020). Bij deze samenwerkingen bestaat echter ook het risico van ongewenste beïnvloeding, die bijvoorbeeld kan leiden tot zelfcensuur. In dit rapport van het Rathenau Instituut staat dat nu wetenschappelijke bronnen ontbreken om gegronde uitspraken te kunnen doen over de omvang van ongewenste beïnvloeding van wetenschappelijk onderzoek in Nederland. Het is van belang om een beeld te krijgen van de effectiviteit en naleving van de normen en zorgplichten die gaan over onafhankelijkheid en transparantie uit de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (NGWI, opvolger Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening) en de omvang van de schendingen hiervan. Daarom zal ik met de opstellers2 van de gedragscode in overleg treden om deze normen in de loop van dit jaar te laten evalueren door een onafhankelijke commissie. Verder zal dit voorjaar een werkgroep van UNL de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden3 evalueren. Aan de hand hiervan kan worden bezien of deze regeling en de gedragscode in de praktijk voldoende effectief zijn, de registratie van nevenfuncties naar behoren werkt en/of aanvullende maatregelen vereist zijn.
Deelt u de mening dat de bevindingen van Folia laten zien dat de problematiek niet per se hoeft te raken aan de individuele wetenschappelijke integriteit, omdat een belastingwetenschapper met commerciële nevenfunctie nog steeds de beste bedoelingen kan hebben, maar juist wel aan het probleem van onafhankelijkheid, omdat er blijkbaar informele druk is vanuit actoren waarvan de belastingwetenschapper financieel en carrièretechnisch afhankelijk is?
Ik deel die mening in de zin dat het borgen van wetenschappelijke integriteit een gedeelde verantwoordelijkheid van de wetenschapper en de werkgever is. Onafhankelijkheid kan onder druk komen te staan door een nevenfunctie van een wetenschapper. Op het moment dat er (de schijn van) belangenverstrengeling dreigt, is het aan de universiteit daarnaar te handelen en de toestemming voor de betreffende nevenfunctie zo nodig in te trekken (artikel 11 van de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden). Uit het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam zal moeten blijken of nevenfuncties de onafhankelijkheid hebben beïnvloed.
Bent u bereid om te laten onderzoeken of onderwerpen in het belastingrecht onderbelicht raken door beïnvloeding vanuit derden? Bent u ook bereid om dit te laten onderzoeken voor andere vakgebieden?
De opstellers van de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit zal ik verzoeken de gedragscode te laten evalueren door een onafhankelijke commissie om te kunnen beoordelen of de normen hieruit effectief zijn, waaronder de norm dat onderzoekers open en volledig moeten zijn over de rol van externe belanghebbenden, opdrachtgevers, financiers, mogelijke belangenconflicten en relevante nevenwerkzaamheden. In dit verband kan worden onderzocht in hoeverre beïnvloeding vanuit derden een factor van belang is. Een evaluatie van de gedragscode zal zich niet beperken tot belastingrecht.
Wat vindt u ervan dat uit diverse visitatierapporten blijkt dat de panelleden op de hoogte zijn van de nauwe banden met de beroepspraktijk (en deze positief waarderen), maar de problemen die dit met zich meebrengt onvoldoende worden opgemerkt? Deelt u de mening dat door de beperkte opleidingsaccreditatie dergelijke situaties nog minder snel opgemerkt worden?
Uit de publicatie in Folia leid ik niet af dat de kwaliteit van de betreffende opleidingen niet aan de maat zou zijn. Indien er in het programma van een universitaire opleiding geen aandacht is voor een diversiteit aan perspectieven en inzichten, mag men verwachten dat dit door een visitatiepanel wordt opgemerkt. Dit geldt evenzeer voor een beperkte als voor een uitgebreide opleidingsbeoordeling.
Hoe kunt u stimuleren dat universiteiten een betere balans hebben tussen hoogleraren met een nevenfunctie en hoogleraren zonder een nevenfunctie die werkzaam zijn bij specifieke afdelingen? Wat vraagt dit bijvoorbeeld van de financieringsstructuur van bepaalde afdelingen?
De diversiteit in nevenfuncties en aanstellingen binnen bepaalde afdelingen betreft in eerste instantie een personele aangelegenheid. De balans tussen hoogleraren met en zonder een nevenfunctie is een verantwoordelijkheid van het bestuur van de universiteit of de faculteit. De universiteiten zouden hierop kunnen sturen bij de werving en aanstelling van academisch personeel. Een belangrijke voorwaarde is dat hoogleraren en andere medewerkers transparantie betrachten over nevenfuncties. Ook de financieringsstructuur van afdelingen is een verantwoordelijkheid van de universiteit. Ik ga in gesprek met de instellingen om na te gaan welke mogelijkheden zij zelf zien.
Denkt u dat de jarenlange ontoereikende bekostiging van de universiteiten ertoe kan hebben geleid dat veel onderwijsgevend personeel ook elders werkzaam is?
Bij sommige disciplines en opleidingen is het gangbaar dat onderwijsgevend personeel ook elders werkzaam is. Dit geldt in het algemeen voor onderwijs dat praktijkgericht is of opleidt voor een specifiek beroepenveld. Docenten met nevenfuncties kunnen een belangrijke verbinding vormen tussen onderwijs en de beroepspraktijk. Ik wil niet speculeren over de motieven die medewerkers van universiteiten en hogescholen hebben als zij onderwijstaken combineren met werkzaamheden buiten de onderwijsinstelling.
Hoe kijkt u aan tegen aanvullende richtlijnen voor specifieke faculteiten, waarbij nevenfuncties de norm zijn?
Ik ben niet bekend met aanvullende richtlijnen die voor specifieke faculteiten gelden. Voor bepaalde vakgebieden vind ik het begrijpelijk dat van onderwijzend personeel verwacht wordt over praktijkervaring te beschikken.
Kunt u aangeven of dit probleem speelt bij andere universiteiten en hogescholen? Zo nee, bent u bereid dat in kaart te laten brengen door bijvoorbeeld de Inspectie van het Onderwijs of de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 5 wil ik de opstellers van de NGWI verzoeken deze gedragscode te evalueren. Deze evaluatie zal een breder beeld moeten geven over hoe universiteiten, hogescholen en instituten van NWO en KNAW omgaan met wetenschappelijke integriteit en nevenfuncties. Gelet hierop ligt het niet in de rede dat de NVAO of de Inspectie van het onderwijs een dergelijk onderzoek uitvoert, omdat toezicht op de wetenschappelijke integriteit niet direct tot hun taak behoort.
Hoe beziet u de uitspraak van de Universiteiten van Nederland inzake transparantie, dat «de afgelopen jaren [...] universiteiten flinke vooruitgang [hebben] geboekt met de registratie van nevenwerkzaamheden. Uit de meest recente inventarisatie (voorjaar 2019) blijkt dat van 97 procent van alle hoogleraren de nevenwerkzaamheden online staan», terwijl uit onderzoek van GroenLinks blijkt dat in het belastingrecht er in 17 procent van de gevallen geen transparantie is over de commerciële nevenfuctie op de website van een universiteit (een gemiddelde voor alle universiteiten in Nederland), en dat voor het overige academische personeel dit zelfs meer dan 60 procent is?2 3 Bent u bereid hierover met de Universiteiten van Nederland in gesprek te gaan?
De registratie van nevenwerkzaamheden valt onder de verantwoordelijkheid van universiteiten; zij zijn de werkgever. De sector zelf, en niet de overheid, heeft dit georganiseerd en gereguleerd. Ik zie in het onderzoek van GroenLinks, en in overige publicaties over nevenfuncties in het fiscale en economische domein die in de afgelopen tijd verschenen zijn, voldoende aanleiding om met UNL in gesprek te gaan over de wijze waarop instellingen invulling geven aan die verantwoordelijkheid.
Ziet u aanvullende mogelijkheden om ongewenste «dubbele petten» tegen te gaan en de onafhankelijkheid van onderzoekers op het gebied van belastingrecht te waarborgen?
Ik wil eerst het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam en een evaluatie van de gedragscode afwachten, voordat ik een uitspraak kan doen over of aanvullende instrumenten nodig zijn en zo ja hoe de situatie kan worden aangepakt.
Bent u voornemens hierover in gesprek te gaan met de onderwijsinstellingen, de Inspectie van het Onderwijs en de NVAO?
Wat betreft de NVAO en de inspectie zal ik met hen bespreken of zij signalen hebben gekregen over de kwaliteit van het onderwijs die te maken hebben met de mate van diversiteit in nevenfuncties bij het onderwijzend personeel.
De Nederlandse gasopslagen. |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat voor 1 april 2022 geregeld moet zijn wie de Nederlandse gasopslagen vult en onder welke voorwaarden?
In de brief van 14 maart jl. over gasleveringszekerheid komende winter en verder (kamerstuk 29 023, nr. 283) zijn de Staatssecretaris Mijnbouw en ik uitgebreid ingegaan op de maatregelen die er onder meer voor moeten zorgen dat de gasopslagen aan het begin van de winter adequaat zijn gevuld. Momenteel wordt daaraan de laatste hand gelegd waarbij de focus, zoals aangegeven in voornoemde brief, ligt op de gasopslag Bergermeer. Ik verwacht uw Kamer hierover op korte termijn te kunnen informeren.
Welke partijen voorziet u de gasopslagen te kunnen laten vullen? Wat zijn de voor- en nadelen per partij?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 wordt dit voor de gasopslag Bergermeer momenteel nader uitgewerkt. De gasopslagen Alkmaar, Norg en Grijpskerk worden door NAM en GasTerra gevuld op grond van de daarover in het Norg Akkoord met Shell en Exxon Mobil gemaakte afspraken.
Bent u bereid om dit voor de komende winter te beleggen in een crisisteam waarbij alle relevante partijen aansluiten en om parallel de beste structurele borging verder te onderzoeken?
De wijze waarop invulling zal worden gegeven aan de structurele borging zal voor een belangrijk deel worden bepaald door het voorstel van de Europese Commissie COM(2022)135 van 23 maart 2022: «Proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council amending Regulation (EU) 2017/1938 of the European Parliament and of the Council concerning measures to safeguard the security of gas supply and Regulation (EC) 715/2009 of the European Parliament and of the Council on conditions for access to natural gas transmission networks». In dit wetgevende voorstel geeft de Commissie aan hoe naar haar mening tijdige en adequate vulling van de opslagen kan en moet worden geborgd. Het kabinet is dit voorstel thans aan het bestuderen en zal uw Kamer daarover op korte termijn informeren via een BNC-fiche.
Hoe hebben buurlanden de vulling van gasopslagen geregeld? Welke partij is daar verantwoordelijk voor het laten vullen en hoe is het risico afgedekt?
Het vullen van de opslagen is momenteel in elk land anders geregeld. In Duitsland (opslagvolume 230 TWh (ca. 25% van het binnenlands verbruik)) is het tot op heden volledig aan de markt om dit regelen. Per 1 mei treedt er echter naar verwachting wetgeving in werking die voorschrijft dat de opslagen per 1 december voor 90% moeten zijn gevuld.
In België (opslagcapaciteit 9 TWh (ca. 5% van het binnenlands verbruik)) wordt de enige opslag gevuld door gasinfrastructuurbedrijf Fluxys. Frankrijk (opslagcapaciteit 128 TWh (ca. 30% van het binnenlandse verbruik)) kent wetgeving die leveranciers aan beschermde afnemers verplicht voorafgaand aan de winter gas op te slaan.
In Nederland (opslagvolume 144 TWh (ca. 35% van het binnenlandse verbruik)) kennen we verschillende regimes zoals uiteengezet in voornoemde brief over gasleveringszekerheid en in het antwoord op vraag 2.
Overigens zal het in het antwoord op vraag 3 genoemde wetgevende voorstel van de Europese Commissie hier voor vergaande harmonisatie gaan zorgen.
Wat is de rol van de overheid in het eigenaarschap van de gasopslagen in onze buurlanden? Hoe ziet u dat in Nederland?
In Duitsland zijn alle opslagen in handen van private partijen. De Belgische opslag is in handen van Fluxys, een gasinfrastructuurbedrijf waarin ook de Belgische overheid een belang heeft. In Frankrijk is het merendeel van de opslagen in handen van Storengy, een dochteronderneming van Engie, een bedrijf waarin ook de Franse overheid een belang heeft.
In Nederland zijn de opslagen Bergermeer en Alkmaar eigendom van Taqa en Energie Beheer Nederland (EBN). De opslagen Norg en Grijpskerk zijn eigendom van NAM en EnergyStock is een dochteronderneming van Gasunie.
Hoe is de vulling van strategische oliereserves geregeld? Hoe is daar de vulling geregeld? Wie betalen mee? Welke partijen dragen het risico?
De Nederlandse voorraadplicht is gebaseerd op de netto import-methode, gehanteerd door het Internationaal Energie Agentschap en de EU, en de consumptiemethode gehanteerd door de EU. De netto import-methode is het verschil tussen olie-import (in Nederland zowel ruwe olie als olieproducten) en olie-export (in Nederland hoofdzakelijk doorgevoerde en geproduceerde olieproducten). De omvang van de nationale strategische olievoorraad wordt jaarlijks vastgesteld door de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Dit gebeurt op basis van in de Wet voorraadvorming aardolieproducten vastgelegde rekenmethoden.
De stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA, een EZK-agentschap) is verantwoordelijk voor ongeveer 80% van de nationale voorraadplicht. De COVA-verplichting bestaat uit het verschil tussen de totaal berekende nationale plicht en die van het bedrijfsleven. De voorraadplicht van het bedrijfsleven is ongeveer 20% van de nationale voorraadplicht en wordt berekend aan de hand van hun binnenlandse verkopen.
COVA is een stichting zonder winstoogmerk. De staat is aansprakelijk voor schulden van COVA die overblijven na haar eventuele liquidatie als rechtspersoon. De exploitatiekosten van COVA worden gefinancierd door een voorraadheffing op olieproducten. Deze bedraagt € 8 per 1.000 liter zoals vastgelegd in Artikel 27 Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012.
COVA maakt als rechtspersoon met een wettelijke taak (RWT) gebruik van schatkistbankieren bij de rijksoverheid, en heeft geen credit rating. De jaarrekening wordt ter goedkeuring aan de Minister van EZK voorgelegd.
In hoeverre is de methode van de strategische oliereserves toe te passen op de gasopslagen? Hoe voorkomen we hiermee (grote) financiële risico’s?
Bij het uitwerken van de maatregelen die op korte termijn zullen worden genomen om de gasopslag Bergermeer tijdig en adequaat te vullen, wordt dit aspect ook bezien. Tevens komt dit aan de orde in het voornoemde wetgevende voorstel van de Commissie.
Overigens is het kabinet geen voorstander van het verplicht aanleggen van een strategische gasreserve. Voor de korte termijn kan dit alleen door bestaande opslagcapaciteit aan de markt te onttrekken, hetgeen leidt tot schaarste. Voor de lange(re) termijn zou kunnen worden overwogen om hiervoor een nieuwe opslag aan te leggen, maar dat kan alleen tegen zeer hoge kosten vanwege onder meer het aan te schaffen kussengas (het gas dat de opslag op druk houdt), het aan te schaffen werkgas en de benodigde installaties, kosten die snel in de miljarden lopen. Daarnaast kent de aanleg van een nieuwe opslag een doorlooptijd van zeker vier jaar.
Welke andere modellen ziet u om financiële risico’s voor de staat verder te beperken?
Ook dit maakt onderdeel uit van het uitwerken van de maatregelen om de gasopslag Bergermeer te vullen en het wetgevende voorstel van de Commissie. Er zijn daarbij verschillende modellen voorhanden zoals ook blijkt uit de praktijk in andere landen. Gedacht kan worden aan een taak voor de netbeheerder(s) waarbij de kosten deels via de transporttarieven worden verhaald. Een ander model is het opleggen van een opslagverplichting aan leveranciers aan beschermde afnemers (voornamelijk de gebouwde omgeving) die hun kosten vervolgens doorberekenen aan hun afnemers.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Medische zorg en vaccinatie t.b.v. vluchtelingen uit Oekraïne |
|
Judith Tielen (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Kuipers |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van hoe de medische zorg voor vluchtelingen uit Oekraïne geregeld is in de opvangende landen in Europa, bijvoorbeeld in Polen, Duitsland, Denemarken en Frankrijk?
Alle EU-landen spannen zich sinds de Russische aanval in om Oekraïense vluchtelingen op te vangen en adequate voorzieningen te bieden. Medische zorg is daar een belangrijk onderdeel van. We zien dat de grootste vluchtelingenstromen nu naar de omringende landen als Polen, Slowakije, Hongarije, Roemenië en Moldavië gaan. Kleinere aantallen reizen door naar andere EU landen. Daarnaast is er sprake van gerichte opvang van vluchtelingen met een acute zorgvraag in andere EU landen. Diverse lidstaten, zoals Duitsland, Kroatië, Zweden, Italië, Ierland en België hebben ervoor gekozen om toegang tot (basis-)zorg te koppelen aan bestaande regelingen zoals deze gelden voor vluchtelingen of asielzoekers. Ook zijn er lidstaten die extra (wettelijke) regelingen in het leven roepen om noodzakelijke zorg te leveren, zoals Frankrijk, Denemarken, Tsjechië en Polen.
Kunt u aangeven of, en zo ja hoe het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zich, in samenwerking met bijvoorbeeld het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), op medische zorg voor vluchtelingen uit Oekraïne heeft voorbereid?
Het Ministerie van VWS heeft doorlopend contact met verschillende partijen die betrokken zijn bij (de ontvangst van) vluchtelingen. Hieronder valt onder andere het COA, maar ook GGD’en, GHOR, het RIVM, de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) en andere partijen. De situatie wordt continu gevolgd en met de betrokken partijen kijken we wat nodig is om goed voorbereid te zijn op verschillende scenario’s.
Welke vormen van medische zorg hebben vluchtelingen uit Oekraïne bij opvang in Nederland vooral nodig? In hoeverre is deze zorg beschikbaar?
Voor vluchtelingen uit Oekraïne geldt, net als bij vluchtelingen uit andere landen, dat er een breed scala aan medische zorg nodig kan zijn. GGD’en en GHOR dragen bij aan de opvang en de gezondheidszorg voor vluchtelingen die naar ons land komen. Ook bij de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne hebben zij een rol. Voor Oekraïense vluchtelingen concentreren de GGD’en zich op de volgende onderdelen: gezondheid vluchtelingen, coronabestrijding, jeugdgezondheidszorg, vaccinaties, psychosociale hulp en gezonde leefomgeving. De GHOR onderhoudt het netwerk met zorgorganisaties, coördineert de geneeskundige hulpverlening bij de opvang van vluchtelingen in nauwe samenwerking met de bevolkingszorg, gemeenten en veiligheidsregio’s. De GHOR is daarbij ook betrokken bij het beoordelen van de (fysieke en mentale) gezondheidskundige aspecten van grootschalige opvang.
Als het gaat om maatschappelijke ondersteuning van kwetsbare personen is het kabinet zich samen met gemeenten en aanbieders aan het voorbereiden wat deze toestroom gaat betekenen voor een beroep op de Jeugdwet en Wmo en voor de capaciteit bij aanbieders, de financiën en de uitvoering van de toegang en indicatiestelling. De ministeries van BZK, JenV, VWS en de VNG trekken nauw samen op.
In hoeverre wordt rekening gehouden met de vaccinatiegraad van Oekraïners die naar Nederland komen? Op welke wijze kunnen zij deelnemen aan de vaccinatie- en boostermogelijkheden tegen COVID-19? Welke initiatieven zijn er om de betrokken Oekraïners te informeren over nut en noodzaak van vaccinatie tegen COVID-19?
Graag verwijs ik u naar de Brief Stand van zaken COVID-191die ik op 15 maart jl. aan uw Kamer zond, waarin ik onder het kopje «Vaccineren van Oekraïners» verdere toelichting geef op bovenstaande vraag.
Bent u bekend met initiatieven zoals Host4ukraine, waar slaapplekken voor vluchtelingen uit Oekraïne worden aangeboden? Hoe wordt gezorgd dat bij deze initiatieven ook passende medische zorg kan worden geboden?
In Nederland zijn er verschillende initiatieven, zoals Host4ukraine, waar ontheemden uit Oekraïne worden opgevangen. Iedere persoon in Nederland die acute medische zorg nodig heeft kan zich melden bij de plaatselijke dokter, dus ook Oekraïners die via verschillende initiatieven op kleine schaal of bij particulieren thuis worden opgevangen.
Hoe kunnen Oekraïners die op eigen gelegenheid naar Nederland komen en niet via hulporganisaties, gebruikmaken van medische zorg en de vaccinatieprogramma’s?
Iedere persoon in Nederland die acute medische zorg nodig heeft kan zich melden bij de plaatselijke dokter, dus ook Oekraïners die op eigen gelegenheid naar Nederland komen. Daarnaast komt iedereen in Nederland in aanmerking voor COVID-19-vaccinaties. Men kan zich melden bij de GGD-COVID-vaccinatie-centra, hiervoor is het niet nodig om ingeschreven te staan.
Als een Oekraïense ontheemde gaat werken, dan moeten zij een Nederlandse zorgverzekering afsluiten. De kosten van medische zorg aan Oekraïense ontheemden die geen asiel aanvragen en niet werken, komen op dit moment ten laste van de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV). Het gaat alleen om zorg in het basispakket.
Geactualiseerde berekeningen van de TU Delft en het UMCU naar de effectiviteit van het coronatoegangsbewijs. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het volgende tekstblok in uw stand van zakenbrief van 15 februari jl.: «De vaste Kamercommissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op initiatief van het lid Agema verzocht de geactualiseerde berekeningen van de TU Delft en het UMCU naar de effectiviteit van het coronatoegangsbewijs te ontvangen, zoals genoemd in het 142e OMT-advies. Navraag bij het secretariaat van het OMT leert dat deze actualisering mondeling is toegelicht, en dat er geen stuk aan het OMT is gepresenteerd. Derhalve kan ik helaas niet aan het verzoek voldoen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat u zich met uw antwoord wel erg gemakkelijk van het door de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport gesteunde verzoek hebt afgedaan?
Ik heb de vraag van de commissie volledig beantwoord. De TU Delft en het UMCU hebben voor het berekenen van de effectiviteit van het ctb een tweetal modellen ontwikkeld. Deze modellen kunnen met nieuwe parameters en aan de hand van de meest recente epidemiologische ontwikkelingen worden herijkt. Dit is ook gebeurd voor de 142e bijeenkomst van het OMT en de uitkomsten zijn daar mondeling toegelicht. Dat is iets wezenlijk anders dan een nieuwe rapportage uitvoeren, inclusief zorgvuldige beschrijving van de nieuwe resultaten en uitgebreide verantwoording van de gekozen parameters.
Klopt het dat er een geactualiseerde berekening van de Technische Universiteit (TU) Delft en Universitair Medisch Centrum (UMC) Utrecht naar de effectiviteit van het coronatoegangsbewijs bestaat?
Zie antwoord 2.
Zo ja, waarom bent u hier dan niet zelf achteraan gegaan?
Het staat het OMT in haar rol en verantwoordelijkheid vrij om zelf informatie in te winnen die behulpzaam is in haar advisering. In dat licht zijn deze berekeningen geactualiseerd, gedeeld met het OMT en meegewogen in de advisering.
Daarnaast zijn niet alleen de resultaten, maar ook de achterliggende mechanismen in het rapport van TU Delft en het UMCU goed omschreven. Op pagina 7 is bijvoorbeeld gevisualiseerd wanneer 2G /3G een relatief hoge en een relatief lage effectiviteit heeft. Ook zonder doorrekeningen kan aan de hand van de epidemiologische omstandigheden een inschatting gemaakt worden van de richting van de effectiviteit van het ctb.
Begrijpt u dat dit relevante informatie is die u moet willen hebben en met de Kamer moet willen delen, ook als de uitkomst u niet bevalt?
De geactualiseerde berekeningen onderschrijven de uitkomsten die eerder al door TU Delft en UMCU zijn opgeschreven en die met de Kamer zijn gedeeld. Bij de besluitvorming rondom de inzet van het ctb wordt altijd rekening gehouden met de epidemiologische omstandigheden. Daarom is eerder ook besloten om 3G per 25 februari niet meer in te zetten, en 1G per 23 maart te laten vervallen.
Bent u bereid de geactualiseerde berekening van de TU Delft en UMCU naar de effectiviteit van het coronatoegangsbewijs bij hen op te vragen en met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het niet nodig om de onderzoekers te vragen naar de geactualiseerde berekeningen. Het kabinet heeft besloten om 3G per 25 februari niet meer in zetten, en 1G per 23 maart te laten vervallen. Bovendien was er in het OMT slechts sprake van een mondelinge toelichting, en vraagt een te publiceren rapportage veel meer werk van de onderzoekers.
Het bericht ‘Surinaamse leerkrachten kunnen ons lerarentekort opvangen, maar ze mogen niet komen’ en de uitzending van Kassa van 5 maart 2022 |
|
Paul van Meenen (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Surinaamse leerkrachten kunnen ons lerarentekort opvangen, maar ze mogen niet komen»1 en de uitzending van Kassa betreffende dit onderwerp?2 Zo ja, hoe duidt u dit artikel en deze uitzending?
Zowel met het bericht als met de uitzending ben ik bekend. In het artikel van de Volkskrant en in de uitzending van Kassa staan Surinaamse leraren centraal die in Nederland zouden willen werken. Zij lopen tegen drempels aan die te maken hebben met hun (vaak onvolledige) beroepskwalificaties en met de restrictieve procedure voor toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt.
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verblijfsvergunningen afwees van Surinaamse leerkrachten die in Nederland les willen geven, met als reden dat hier «voldoende aanbod» aanwezig is? Zo ja, hoe beoordeelt u deze afwijzing?
Voor het aanstellen van een leraar uit Suriname is een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (hierna: gvva) nodig. Werkgevers kunnen hiervoor een aanvraag doen bij de IND. De IND vraagt daarover een advies van het UWV, die de functie registreert. In 2021 heeft het UWV <10 adviezen afgegeven voor een gvva-aanvraag van een schoolbestuur voor het aanstellen van een leraar van buiten de EU; voor zover bekend zijn daarbij geen negatieve adviezen afgegeven. In de eerste vijf maanden van 2022 is een aantal negatieve gvva adviezen afgegeven voor leerkrachten (niet enkel het basisonderwijs). Reden voor afwijzing was dat niet voldaan werd aan de voorwaarden die in de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) worden gesteld, waaronder het beschikken over de juiste kwalificaties.
De procedure voor het verkrijgen van een gvva is toegelicht in het antwoord op vraag 6 en valt onder verantwoordelijkheid van de Minister van SZW.
Klopt het dat er een lerarenoverschot is in Suriname? Zo ja, om hoeveel leerkrachten gaat het?
De Nederlandse ambassade in Paramaribo heeft navraag gedaan bij de lerarenopleidingen in Suriname. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat er in Suriname géén overschot aan leraren is.
Wat zou het voor het onderwijs in Suriname betekenen als we Surinaamse leerkrachten de mogelijkheid geven om in Nederland les te geven?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, zijn er geen aanwijzingen dat er sprake is van een lerarenoverschot in Suriname. Net als in Nederland zijn goed opgeleide leraren in Suriname hard nodig. Wederzijdse inzet van leraren kán een verrijking zijn van het onderwijs in eigen land en het land van herkomst, mits dit ten goede komt aan de kwaliteit in beide landen. Op dit moment kampt Suriname met een hoge mate van braindrain. Door de ernstige devaluaties van de Surinaamse munt en de hoge inflatie de afgelopen jaren, vertrekken leraren die beschikken over passende beroepskwalificaties uit Suriname omdat ze in het thuisland minder verdienen dan in bijvoorbeeld Nederland, België of Caribisch gebied. De uitstroom van leraren kan een weerslag hebben op de kwaliteit van het Surinaamse onderwijs.
Kunt u bevestigen dat de lerarenopleiding in Suriname in Nederland gelijkgesteld wordt met twee à drie jaar pabo?
De eindtermen van de Surinaamse pabo zijn lager dan de eindtermen van de Nederlandse pabo. DUO waardeert dit diploma inderdaad ongeveer op twee á drie jaar van een Nederlandse lerarenopleiding. Soms heeft een leraar in Suriname extra opleidingen gevolgd na(ast) de Surinaamse pabo. Leraren uit Suriname kunnen bij DUO een aanvraag indienen voor erkenning van hun beroepskwalificaties om te laten beoordelen of ze bevoegd zijn om in Nederland les te mogen geven.
Hoe verhoudt het naar Nederland halen van deze leerkrachten zich tot de Wet arbeid vreemdelingen?
De toegang tot de arbeidsmarkt voor derdelanders is geregeld in de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) en is aan restrictieve voorwaarden verbonden. Een werkgever kan in principe alleen een derdelander aannemen als er in Nederland, de EER of in Zwitserland geen aanbod aanwezig is (het zogenaamde «prioriteitgenietend genietend aanbod»). Een werkgever (c.q. een schoolbestuur) moet voor het aanstellen van een derdelander (in voorliggende situatie een leraar uit Suriname) een gvva aanvragen bij de IND. Als onderdeel van de procedure vraagt de IND advies aan het UWV omtrent de voorwaarden aan de Wav. Het UWV toetst per aanvraag onder andere of er prioriteitgenietend aanbod aanwezig is en of de werkgever voldoende heeft gedaan om binnen Nederland, de EER en Zwitserland personeel te vinden. Hierbij wordt ook beoordeeld of de derdelander beschikt over de juiste beroepskwalificaties die gelden in Nederland. Als de derdelander andere beroepskwalificaties heeft, vergelijkt het UWV bij de toets ook prioriteitgenietend aanbod met dezelfde kwalificaties. Verder wordt beoordeeld of een passend salaris wordt geboden.
Ziet u kansen in het opvangen van het lerarentekort door Surinaamse leerkrachten? Zo ja, wat zou moeten gebeuren om dit te realiseren?
Op 22 april jl. heb ik met de cao partners het onderwijsakkoord gesloten. Hiermee wordt 1,5 miljard euro geïnvesteerd in het funderend onderwijs. Hiermee wordt onder meer de loonkloof tussen po en vo gedicht, wordt de werkdruk in het vo aangepakt en komt er meer ruimte voor ontwikkeling en bijscholing. We maken werken in het onderwijs hiermee aantrekkelijker. Bij het akkoord zit ook een opzet voor een ambitieuze agenda om lerarentekort aan te pakken en tot een goed werkende arbeidsmarkt van de sector onderwijs te komen. Daar wil ik vol op inzetten.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, zijn er geen aanwijzingen dat er sprake is van een lerarenoverschot in Suriname. Net als in Nederland zijn goed opgeleide leraren in Suriname hard nodig. De mogelijkheden om Surinaamse leraren in te zetten om het tekort in Nederland op te lossen, zijn dan ook beperkt naar mijn mening. Er wordt dan ook vooral ingezet op instroom en behoud van Nederlandse professionals. In die situatie dat een derdelander, al dan niet uit Suriname, in Nederland wil komen werken kan een schoolbestuur een gvva aanvragen. Daarbij is het van belang dat wordt voldaan aan de voorwaarden in de Wav en de werkgever bijvoorbeeld voldoende wervingsinspanningen heeft verricht en de vreemdeling een lesbevoegdheid heeft die erkend is.
De situatie aan de grens met Oekraïne |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU), Jan de Graaf (CDA), Kati Piri (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat de situatie in Oekraïne vanwege de enorme toestroom van vluchtelingen tot lange wachttijden aan de grenzen van Oekraïne en onder andere Polen en Hongarije leidt en dat dit voor kwetsbaren die lang moeten wachten in de kou, leidt tot schrijnende situaties? Wat is uw inschatting van de situatie aan de grensposten? Op welke manier worden landen die grenzen aan Oekraïne ondersteund om de procedure-capaciteit te ondersteunen en zo de wachttijden te verkleinen? Weet u of deze landen al een aanvraag hebben ingediend bij Europese agentschappen als de European Union Agency for Asylum (EUAA) of Frontex om hen te hulp te schieten? Zo ja, bent u bereid deze agentschappen ook met personele ondersteuning bij te staan, mocht dit nodig zijn? Zo nee bent u bereid deze behoefte te polsen bij de buurlanden in het belang van het verlagen van de wachttijden aan de grens?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving over de wachttijden aan de grensovergangen en acht lange wachttijden onwenselijk, zeker ook vanwege de humanitaire consequenties. Ook vindt het kabinet het van belang dat grenscontroles doorgang vinden, inclusief veiligheidscontroles en screening. Europese lidstaten, bevestigd door Frontex, geven aan dat de capaciteit ten behoeve van grensmanagement aan de grensovergangen aan Europese zijde op dit moment toereikend is.
De Europese Agentschappen Frontex en het EU Asielagentschap (EUAA) staan paraat om lidstaten die grenzen aan Oekraïne te ondersteunen, waar zij aangeven dat nodig te hebben. Frontex biedt ondersteuning in de vorm van het inzetten van officieren. Het EUAA kan ondersteuning bieden in het asielproces, opvang en implementatie van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Frontex ondersteunt, op dit moment, op hun verzoek, Roemenië, Slowakije, Polen en Estland aan de grens, waarbij de meeste officieren in Roemenië worden ingezet. Daarnaast heeft Roemenië een operationeel hulpverzoek ingediend bij het EUAA. Het kabinet heeft, bij monde van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, aangegeven open te staan voor verzoeken die via Frontex of het EUAA worden gedaan. Frontex heeft een verzoek ingediend bij Nederland ten behoeve van ondersteuning in Estland als gevolg van de migratie-situatie rondom Oekraïne. Nederland is voornemens hier positief op te reageren.
Bent u bekend met het gegeven dat de Dutch Relief Alliance (DRA) inmiddels 2.5 miljoen euro heeft vrijgemaakt van het bestaande DRA-budget voor hulp in Oekraïne? Bent u bereid om, gezien het gegeven dat de nood veel groter wordt nu er meer dan 1 miljoen vluchtelingen al de grens zijn overgestoken, het DRA-budget eenmalig te verhogen om aan de extra noden van deze Oekraïense vluchtelingen ook in de buurlanden, te voldoen? Is het u bekend dat de VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR een oproep heeft gedaan aan landen om in totaal 1,7 miljard dollar vrij te maken om de juiste bescherming te kunnen bieden aan vluchtelingen binnen Oekraïne en de opvang van vluchtelingen buiten Oekraïne? Bent u bereid om een additioneel bedrag vrij te maken om een grotere bijdrage te leveren aan dit fonds?
Ja, het kabinet is bekend met het gegeven dat de DRA inmiddels 2.5 miljoen heeft vrijgemaakt om een joint respons te beginnen in Oekraïne. Zoals de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking uw Kamer meedeelde in haar brief over de humanitaire inspanningen voor Oekraïne en buurlanden1 is door haar tijdens de actie van Giro 555 is een additionele bijdrage van 15 miljoen euro bekendgemaakt. Dit is bedoeld voor de organisaties die bij Giro 555 betrokken zijn – o.a. leden van de DRA – die zullen zorgen dat het geld terechtkomt bij de mensen die dit het hardst nodig hebben, inclusief vluchtelingen in de buurlanden.
Tevens is het kabinet bekend met de oproep van de VN om in totaal 1,7 miljard dollar vrij te maken voor de slachtoffers van de oorlog in Oekraïne. In reactie op deze oproep is meteen een additioneel bedrag van 20 miljoen beschikbaar gesteld om de VN te ondersteunen in het verlenen van levensreddende hulp in Oekraïne.
Deze bedragen komen bovenop de meerjarige en flexibele bijdragen van Nederland aan de VN, het Rode Kruis en andere humanitaire hulporganisaties. Daarmee worden deze organisaties in staat gesteld snel en flexibel te reageren op de ontwikkelingen van de crisis. Ook hierover informeerde de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking uw Kamer in eerdergenoemde brief. Het kabinet blijft de ontwikkelingen van de humanitaire crisis nauwgezet volgen.
Is het u bekend dat er op maandag 7 maart een landelijke actie van Giro 555 is? Bent u van plan net als bij sommige voorgaande inzamelingsacties dit bedrag te verdubbelen? Zo nee, bent u alsnog bereid dit te doen?
Zoals hierboven vermeld, heeft het kabinet een extra bedrag van 15 miljoen beschikbaar gesteld om de Giro 555 actie te ondersteunen.
Bent u het ermee eens dat, aangezien enkele grensgebieden van Oekraïne, zoals in Hongarije en Roemenië, tot de armste regio’s van Europa horen, er voor de fatsoenlijke opvang van vluchtelingen een groot te kort is aan voldoende opvangplekken?1 Op welke manier worden deze landen en regio’s bijgestaan om dit op korte termijn voor elkaar te krijgen? Bent u bereid in samenwerking met de Europese Commissie deze landen of internationale organisaties ter plekke financieel bij te staan om hier een bijdrage aan te leveren?
Het kabinet is het met deze leden eens dat Europa eensgezind moet zijn over de opvang van mensen die het conflict in Oekraïne ontvluchten en de buurlanden van Oekraïne waar nodig moet ondersteunen bij de opvang van vluchtelingen. Daar zet het kabinet zich dan ook voor in. Waar tot voor kort de opvangcapaciteiten in omringende landen voldoende leek, ontvangt het kabinet inmiddels signalen dat deze zijn grenzen begint te bereiken. Hierover wordt in verschillende Europese gremia actief gesproken.
Binnen de EU bestaan meerdere manieren om ondersteuning te coördineren ten behoeve van de getroffen lidstaten, zoals geschetst in het antwoord op vraag 1. Aanvullend steunt het kabinet het Europese noodhulpcoördinatie mechanisme (UCPM) waar omringende landen Moldavië, Slowakije en Polen momenteel steun van ontvangen. Het kabinet ondersteunt deze lidstaten zo via het UCPM. Aanvullend heeft het kabinet een half miljoen euro vrij gemaakt om Moldavië te ondersteunen.
Bent u bekend met de in de media verschenen verschillende berichten over discriminatie bij de verschillende grensposten?2 Wat vindt u van het gegeven dat uit eigen observaties blijkt dat dit ook plaatsvindt aan de Oekraïens-Hongaarse grens, waarbij met name Oekraïens-Hongaarse Roma – die een Hongaars paspoort hebben maar geen verblijfplaats – zeer kwetsbaar zijn? Is er tijdens de gesprekken over de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn over deze ongelijke behandeling gesproken? Op welke manier zorgt deze richtlijn ervoor dat in de grenslanden alle groepen gelijkwaardig worden behandeld en dezelfde rechten hebben? Hoe gaat u hier op toezien?
De berichten over discriminatie aan de grens zijn het kabinet bekend. De situatie aan de grenzen van Oekraïne is diffuus en dat maakt het moeilijk om de berichtgeving te verifiëren, dergelijke berichtgeven is echter zorgelijk. Bij verificatie van de berichtgeving zijn er op grond van de beschikbare informatie geen aanwijzingen gevonden dat er sprake is van discriminatie aan de EU zijde van de grens. Het kabinet meent echter dat er nooit sprake mag zijn van discriminatie, racisme of welke selectie dan ook op basis van nationaliteit of huidskleur. Zeker niet wanneer mensen op de vlucht zijn voor geweld zoals bij de ontheemden van Oekraïne het geval is.
Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet. De autoriteiten van buurlanden die vluchtelingen ontvangen, waaronder Polen en Hongarije, bevestigen dat alle mensen op de vlucht voor de oorlog in Oekraïne worden doorgelaten. De ambassades in de buurlanden hebben geen signalen ontvangen dat vluchtelingen structureel door grensautoriteiten worden geweerd op grond van nationaliteit of huidskleur. Ditzelfde geldt voor minderheden, zoals de Roma. Dit laat onverlet dat de kwetsbare positie van minderheden continue aandacht behoeft.
Zijn de signalen dat er ook criminelen actief zijn als mensenhandelaren aan de grensposten bij u bekend?3 Bent u bereid om met betrokken grenslanden en ervaren NGO’s tot een plan te komen om vluchtelingen bescherming tegen hen te bieden? En bent u tegelijkertijd bereid om samen met andere landen zelf vervoer te regelen, zodat vluchtelingen veilig kunnen afreizen naar andere landen? Zo ja, op welke manier?
Het kabinet is bekend met de signalen. EuropOL monitort gezamenlijk met de desbetreffende grenslanden deze signalen nauwlettend. Zij hebben daarbij in het bijzonder aandacht voor kwetsbare groepen. De gevolgen voor de georganiseerde criminaliteit, waaronder mensenhandel, zijn nog niet exact duidelijk. Deze moeten in Europees verband en in onderlinge samenhang in kaart worden gebracht. Het departement verkent samen met het Openbaar Ministerie, Politie en andere partners nationaal en in Europees verband hoe tot dit beeld te komen, zodat vervolgens de meeste effectieve gezamenlijke interventies kunnen worden vastgesteld en ingezet.
In alle grenslanden (Polen, Slowakije, Hongarije en Roemenië) en vele andere Europese Lidstaten (o.a. Duitsland, Oostenrijk, Tsjechië, Frankrijk en België) is het gebruik van treinen van het openbaar vervoer gratis voor vluchtelingen uit Oekraïne. Ook in Nederland kan dit. Hierdoor kan er veilig door de EU gereisd worden.
Investeringen bij Tata naar aanleiding van het plan Groen Staal van FNV en andere plannen voor waterstof |
|
Pieter Omtzigt |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
Kunt u aangeven welke afspraken topambtenaren en ministers het afgelopen jaar met Tata steel (Raad van Bestuur en Raad van commissarissen van zowel Tata Steel Nederland, Tata Steel Europe en natuurlijk Tata steel) gehad hebben? Wat was het onderwerp van die overleggen? Kunt u daarvan een overzicht geven?
In 2021 en 2022 hebben verschillende topambtenaren en bewindspersonen gesprekken gevoerd met de Raad van Bestuur van Tata Steel Limited (TSL, India), Raad van Bestuur van Tata Steel Europe (TSE), Raad van Bestuur van Tata Steel Nederland (TSN) en de Raad van Commissarissen van Tata Steel Nederland (RvC TSN). In onderstaand tabel is een overzicht van deze overleggen gepresenteerd. In aanvulling op dit overzicht vindt er regulier contact plaatsgevonden op laag- en soms op hoog-ambtelijk niveau vanuit EZK en IenW met TSN over onder andere de verduurzaming en milieuaanpak van het bedrijf en/of ter voorbereiding van onderstaande overleggen. Alleen in de formele gesprekken (de gesprekken die hieronder zijn weergegeven) zijn afspraken met het bedrijf gemaakt.
Toenmalig Minister EZK + ambtenaren EZK
CEO TSL en CEO TSN
25/02/2021
Expression of Principles (EoP), verduurzaming staalfabriek IJmuiden
Topambtenaar EZK + ambtenaren EZK
CEO TSN, voorzitter RvC TSN
15/06/2021
Opsplitsing TSE, onafhankelijk onderzoek verduurzamingsopties over CCS/DRI
Toenmalig Minister EZK + ambtenaren EZK
CEO TSL en CEO TSN
05/07/2021
Opsplitsing TSE, onafhankelijk onderzoek verduurzamingsopties TSN over CCS/DRI
Topambtenaar EZK + ambtenaren EZK
CEO TSN, Voorzitter RvC TSn
14/07/2021
Opsplitsing TSE, onafhankelijk onderzoek verduurzamingsopties TSN
Toenmalig Minister EZK + ambtenaren EZK
CEO TSL en CEO TSN
15/09/2021
Keuze voor DRI-route i.p.v. grootschalige CCS
Toenmalig Minister EZK + Toenmalig Staatssecretaris IenW + ambtenaren EZK en IenW
CEO TSN, gedeputeerde provincie Noord-Holland
15/09/2021
RIVM rapport stofdepositie IJmond, Roadmap+ maatregelen, tussenrapportage Roland Berger, omgeving
Toenmalig Minister EZK+ Toenmalig Staatssecretaris IenW + topambtenaren EZK en IenW
CEO TSN, gedeputeerden Provincie Noord-Holland, Wethouders Beverwijk en Velsen
23/11/2021
Opvolging gesprek 15/09/2021, verduurzaming van TSN o.b.v. DRI, Roland Berger rapport, Roadmap+ maatregelen
Toenmalig Minister EZK + topambtenaren EZK
CEO TSN
23/11/2021
Opvolging gesprek 15/09/2021, verduurzaming van TSN o.b.v. DRI, Roadmap+ en het Roland Berger rapport
Staatssecretaris I&W
CEO TSN, Gedeputeerde Provincie Noord-Holland, vertegenwoordigers provincie en OD, wethouder gemeente Velsen
14/02/2022
Kennismaking, Roadmap+, milieu en omgeving, verduurzaming
Minister EZK + Minister KE + ambtenaren EZK
CEO TSL en CEO TSN
28/03/2022
Investeringscommitment en vervolgstappen verduurzamingstraject
Ambtenaren EZK & IenW
CEO TSN, ambtenaren van Provincie Noord-Holland en omliggende gemeenten
maandelijks
Voortgang van de verduurzamingsactiviteiten en implementatie van de Roadmap+ projecten
Zijn er bij die bijeenkomsten plannen op tafel gelegd voor verduurzaming (bv: groene waterstof of minder vervuiling)? Zo ja, kunt u die plannen dan aan de Kamer doen toekomen?
Ja, in 2020 en 2021 zijn in eerste instantie de plannen voor verduurzaming door middel van grootschalig CO2-afvang en opslag (CCS) en daarna de Direct Reduced Iron (DRI)-route besproken. Beide rapporten zijn al eerder openbaar gemaakt. (https://www.fnv.nl/getmedia/91110cd9-b455-4025-96e6-5387dbb8f98d/Eindrapport-klimaatneutrale-paden-Tata-Steel-Nederland-211118.pdf) en (https://www.metaalnieuws.nl/wp-content/uploads/2021/09/tata-steel-rapport-fnv.pdf).
Momenteel werkt TSN het DRI-verduurzamingstraject nader uit. Hierover zal de komende periode bedrijfsvertrouwelijk gesproken worden met TSN door RVO en EZK. Op 23 maart jl. heeft TSN tijdens een technische briefing aan de Kamer een toelichting gegeven op de huidige stand van zaken in het uitwerken van de DRI-verduurzamingsroute en het Roland Berger rapport.
Over de verduurzamingsplannen van TSN en het op korte termijn verminderen van de overlast voor de leefomgeving van de staalfabriek in IJmuiden is uw Kamer de afgelopen periode op de hoogte gebracht in de volgende brieven:
Om zo transparant mogelijk te zijn zal ik eind Q2 2022, conform aangegeven in de Kamerbrief van 1 december 2021, uw Kamer weer op de hoogte stellen van de stand van zaken in het verduurzamingstraject van TSN.
Zijn er bij de overleggen verwachtingen gewekt of toezeggingen gedaan over subsidies om over te stappen op groene waterstof?
Er zijn geen specifieke toezeggingen gedaan aan TSN over subsidies om over te stappen op groene waterstof. Er is toegezegd om de mogelijkheden te onderzoeken om ondersteuning te bieden voor de verduurzaming, ook bij het overstappen op groene waterstof. Ik ben hiertoe ook opgeroepen door uw Kamer.1 In de Kamerbrief van december 2021 is aangegeven aan welke voorwaarden TSN zou moeten voldoen om voor financiële ondersteuning in aanmerking te komen.
Kunt u aangeven met welke bedrijven bewindspersonen en/of topambtenaren in de afgelopen negen maanden gesproken hebben over grote investeringen in (groene) waterstof?
Vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat is er door bewindspersonen en/of topambtenaren gesproken met de volgende bedrijven: Air Products, BP, DOW, Exxon Mobil, Gasunie, Nobian, Onyx, Ørsted, RWE, Shell, TSN, Total, Uniper en Yara. Daarnaast zijn er gesprekken gevoerd met verschillende provincies en havenautoriteiten, zoals het Havenbedrijf Rotterdam en Groningen Seaports.
Zijn er reeds overeenkomsten of afspraken gemaakt vanuit de Minister en/of de Minister-President met Tata Steel naar aanleiding van het plan Groen Staal van FNV – of andere vergelijkbare plannen -? Zo ja, wanneer zijn deze afspraken gemaakt, wat houden ze in en tot welke (nieuwe) investeringen/subsidies vanuit de Staat leidt dit?
Er is toegezegd aan uw Kamer dat het kabinet de mogelijkheden zal onderzoeken om de verduurzaming van de staalfabriek in IJmuiden te ondersteunen. Deze toezegging is door de toenmalig Minister van Economische Zaken en Klimaat op 9 september 2021 gedaan tijdens het Commissiedebat over de toekomst van TSN (Kamerstuk 32 813, nr. 865). Over de stand van zaken ten aanzien van de aangenomen moties is in december 2021 een Kamerbrief gestuurd (Kamerstuk 32 813, nr. 969). Of er financiële ondersteuning komt en hoe hoog dit bedrag zal zijn en hoe dit gedekt zal moeten worden is op dit moment nog niet duidelijk. Hiervoor is concrete financiële informatie over de projecten nodig en Tata Steel is momenteel nog druk bezig met het verder concretiseren van de DRI-plannen en de business case. Ook dient TSN aan te tonen dat de business case bijdraagt aan klimaat en milieudoelstellingen. Dit is vervolgens ook zo uitgesproken richting TSN.
Wilt u toelichten of bestaande en/of toekomstige investeringen specifiek voor waterstof ontwikkeling binnen Tata Steel wordt gebruikt of ook nog het gebruik van aardgas faciliteert? Indien er afspraken liggen met betrekking tot toekomstig investeringen in waterstof, hoelang zal de fase van aardgas dat nog duren?
De investeringen zijn bedoeld om de huidige twee hoogovens met de daarbij behorende installaties zoals o.a. de kooksgasfabrieken en het merendeel van de sinterlijnen te vervangen door Direct Reduced Iron (DRI)-installaties met elektrische ovens. Deze installaties kunnen zowel op aardgas als waterstof draaien. Het gebruik van kolen zal daarmee uitgefaseerd worden. De inzet van TSN is om bij uitfasering van de eerste hoogoven, de DRI-installatie gelijk te laten beginnen met waterstof maar dat zal afhankelijk zijn van de beschikbaarheid en de betaalbaarheid van waterstof. Er ligt hierbij ook een belangrijke rol voor de overheid weggelegd om ervoor te zorgen dat een waterstofinfrastructuur in Nederland opgezet wordt, niet specifiek voor TSN alleen maar voor de gehele industrie die op basis van waterstof wil verduurzamen. De intentie vanuit de overheid en ook TSN is om zo snel mogelijk over te gaan op maximaal waterstofgebruik, maar aardgas zal zeker in het begin nog wel nodig zijn.
Het plan Groen Staal geeft aan dat de nodige investering van 3 miljard enkel een tijdelijke oplossing is, aangezien er uiteindelijk toch over gestapt moet worden naar volledig CO2-vrije manier van staal produceren1. Zou het verantwoord zijn om zonder bindende voorwaarden vanuit Tata om subsidie te gebruiken om langdurige vergroening te faciliteren?
De 3 miljard euro waar de FNV het over heeft in het plan Groen Staal betreft het CCS-project Everest. Aangezien TSN vorig jaar september definitief gekozen heeft voor verduurzaming op basis van de DRI-route, zoals ook voorgesteld door FNV, is het Everest project direct stopgezet. Van subsidiëring van dit project is dan ook geen sprake.
Momenteel onderzoekt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat hoe het de Direct Reduced Iron (DRI)-route voor vergroening van het staalbedrijf in IJmuiden kan ondersteunen.
Er wordt onderzocht of EZK door middel van wederkerige bindende maatwerkafspraken deze verduurzamingsplannen kan ondersteunen. Mogelijke onderdelen van deze afspraken zijn het faciliteren van infrastructuur voor duurzame energiedragers, financiële ondersteuning van de verduurzamingsplannen en facilitering van vergunningverlening. In ruil voor deze ondersteuning zullen we dan afspraken maken met het bedrijf over o.a. CO2-reductie, verbetering van de leefomgeving, maatschappelijk verantwoord ondernemen en investeringen in opleiding van mensen. Er kunnen wel andere subsidies worden verstrekt (generiek).
In lijn met aangenomen motie van de leden Van der Lee en Thijssen (Kamerstuk 32 813, nr. 829) wordt de regering verzocht geen subsidiebeschikking af te geven die kan leiden tot een bestendiging of verslechtering van ernstige stade aan de volksgezondheid. Welke voorwaarden voor gezondheid, milieu en leefomgeving worden er gesteld aan het beschikbare bedrag die de regering beschikbaar heeft voor Tata steel?
TSN kan financieel ondersteund worden via generieke ondersteunings- instrumenten of via een financiële maatwerkregeling, bestaande uit bijvoorbeeld leningen en garanties. Voor beide routes geldt dat TSN aan de geldende milieueisen moet voldoen, zoals opgenomen in de bestaande vergunningsvoorwaarden, voordat financiële steun verleend kan worden.
Op het moment dat de overheid besluit via maatwerk steun te verlenen aan een individueel bedrijf, kunnen additionele voorwaarden gesteld worden. Bijvoorbeeld: verbetering van gezondheid, milieu, klimaat, het behoud van economische activiteiten in Nederland en zoveel mogelijk van de bijhorende werkgelegenheid. TSN dient nu eerst de verduurzamingsroute in detail verder uit te werken voordat er überhaupt sprake kan zijn van financiële ondersteuning. Er is momenteel geen bedrag beschikbaar gesteld aan TSN. Zie hiervoor ook de beantwoording van vraag 5.
Wanneer Tata Steel opnieuw haar hand ophoudt voor subsidies voor CO2 opslag op het moment dat de waterstof infrastructuur niet op tijd beschikbaar is, bent u van plan deze subsidie toe te kennen. Zo ja, onder welke voorwaarden?
Subsidies voor CO2-opslag worden verleend door middel van het generiek instrument SDE++. Alle bedrijven, dus ook TSN, die voor deze subsidie in aanmerking willen komen zullen moeten voldoen aan de subsidievoorwaarden die bij dit instrument hoort. Het is niet mogelijk om aan TSN extra voorwaarden op te leggen waar andere bedrijven niet aan hoeven te voldoen of hen zelfs helemaal uitsluiten. Kortom, mocht TSN een aanvraag doen dan zal deze via de reguliere route voor de SDE-aanvragen in behandeling worden genomen.
Meerdere deskundigen uiten twijfel of het Tata Steel zal lukken om in 2030 compleet te runnen op waterstof, en er is ook twijfel of de huidige eigenaar deze investering wil doen2. Acht de regering het haalbaar dat er genoeg groene stroom in Nederland beschikbaar is om überhaupt Tata Steel volledig «groen» te maken? Zo ja, op basis van welke plannen is dat dan haalbaar of tot op welke hoogte is het wel haalbaar?
Het compleet op waterstof draaien van de DRI-installaties in 2030 is technologisch waarschijnlijk nog niet haalbaar op commerciële schaal. Deze technologie wordt nog ontwikkeld en is slechts op pilot-schaal (Hybritt, in Zweden) gedemonstreerd. Een mix van 80% waterstof en 20% aardgas is technisch haalbaar maar ook dat behoeft de import van grote hoeveelheden groene waterstof, waarvoor ook de groene stroom wel verkrijgbaar moet zijn. De installaties kunnen echter ook geopereerd worden op basis van aardgas. De flexibiliteit van de installaties in de keuze van aardgas en waterstof geeft kansen voor optimalisatie voor TSN én voor de opschaling van een duurzame waterstofindustrie in Nederland.
Op weg naar CO2-neutraliteit in 2050 zal de waterstofconsumptie van TSN verder toenemen. Volledig «groen» is hier reëel zoals ook in de rapporten van Ronald Berger wordt aangegeven. De verhoudingen van de oorsprong van de waterstof (productie op site, in de regio, elders in Nederland op land of ter zee, of via import) kan nog niet met zekerheid worden ingevuld. Juist over de tijdigheid van het op groene waterstof opereren van de DRI-installaties en de aanleg van de infrastructuur hiertoe, is TSN met EZK in gesprek.
De verhouding tussen import en productie wordt mede bepaald door mogelijkheden van nog meer aanlanding in het NZKG en/of elders in NL, hoeveel ruimte er is op terrein van TSN in IJmuiden of in het NZKG voor elektrolysers, en/of de productie van waterstof op zee.
Zijn grote investeringen in «vergroening» van Tata Steel uitvoerbaar en haalbaar?
Op dit moment is TSN nog volop bezig met het vaststellen van het ontwerp en het ontwikkelen van hun business case. Hieruit zal moeten blijken of de verduurzaming van de staalfabriek in IJmuiden uitvoerbaar en haalbaar is.
Voor de vergroening is ook nodig dat een faciliterende infrastructuur op orde dient te zijn. Daar wordt nu hard aan gewerkt door de betrokken overheden om bijvoorbeeld een waterstof backbone op te zetten, om te faciliteren dat er meer groene stroom opgewekt en aangeland wordt en dat er voldoende aardgas beschikbaar komt. De overheid zal zich ook inspannen ten behoeve van het tijdig verlenen van alle benodigde vergunningen voor de bouw van de DRI-installaties.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
Conform gevraagd, zijn de vragen een voor een beantwoord. Helaas is dit niet binnen de reactietermijn van drie weken gelukt.
Het bericht 'Zuidaskantoren oefenden invloed uit op publicaties medewerkers belastingrecht' |
|
Harry van der Molen (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zuidaskantoren oefenden invloed uit op publicaties medewerkers belastingrecht»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de meeste hoogleraren belastingrecht aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) een nevenfunctie hebben bij een groot advocaten- of belastingadvieskantoor?
Het staat hoogleraren vrij om nevenfuncties te hebben, met inachtneming van de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit en de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden van de universiteiten. Hoeveel hoogleraren bij een afdeling een bepaalde nevenfunctie bekleden, is een verantwoordelijkheid van het bestuur van de universiteit. De decaan van de Faculteit Rechtsgeleerdheid heeft in de betreffende publicatie laten weten dat de balans bij de sectie Belastingrecht in de afgelopen twintig jaar, wat betreft het soort nevenfuncties, is scheefgegroeid.
Vindt u dat meer balans moet worden gezocht in diversiteit van nevenfuncties van hoogleraren, maar ook van andere medewerkers, bijvoorbeeld door meer hoogleraren en medewerkers uit de rechtspraak, belastingdienst of elders aan te trekken?
Een diversiteit van nevenfuncties kan verschillende invalshoeken bevorderen en kan daardoor bijdragen aan een klimaat waarin integriteit en academische vrijheid beter geborgd zijn. In die zin onderschrijf ik het belang van diversiteit van nevenfuncties van hoogleraren en andere medewerkers. De Universiteit van Amsterdam streeft naar meer diversiteit bij de sectie Belastingrecht en dat lijkt me een goede zaak.
Is er volgens u voldoende balans tussen fulltime en parttime wetenschappelijke aanstellingen bij fiscale studies aan universiteiten?
Volgens gegevens van de Universiteiten van Nederland (UNL) heeft ca. 70% van de hoogleraren een voltijdse aanstelling. Er zijn geen gegevens beschikbaar die specifiek betrekking hebben op fiscale studies noch over andere disciplines. Over de balans tussen fulltime en parttime wetenschappelijke aanstellingen bij fiscale studies aan universiteiten kan ik daarom geen uitspraken doen.
Ziet u mogelijkheden om tot meer diversiteit in nevenfuncties en aanstellingen bij fiscale opleidingen te komen?
De diversiteit in nevenfuncties en aanstellingen bij fiscale opleidingen betreft in eerste instantie een personele aangelegenheid. Dit is een verantwoordelijkheid van het bestuur van de universiteit of de faculteit. De universiteiten zouden hierop kunnen sturen bij de werving en aanstelling van academisch personeel. Een belangrijke voorwaarde is dat hoogleraren en andere medewerkers transparantie betrachten over nevenfuncties. Ik ben hierover in gesprek met UNL.
Met begrip voor «dubbele petten» om waardevolle kennis en praktijkervaring het onderwijs in te brengen – hoe wordt volgens u geborgd dat studenten belastingrecht aan de UvA, maar ook in fiscale studies aan andere universiteiten, voldoende verschillende «waardevolle inzichten» uit de praktijk krijgen?
De mate waarin studenten verschillende inzichten uit de praktijk opdoen, is een aspect van de kwaliteit van een opleiding. De externe borging daarvan is geregeld met accreditatie. Een commissie van onafhankelijke deskundigen vormt zich hierover een oordeel. Van opleidingen wordt verwacht dat de beoogde leerresultaten passen bij het niveau en de oriëntatie van de opleiding en zijn afgestemd op de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen. Dit betekent onder andere dat afgestudeerden inzicht hebben in verschillende theorieën en concepten van een beroep of wetenschapsgebied en zich daar kritisch toe kunnen verhouden.
Hoe wordt volgens u in de fiscale opleidingen geborgd dat aan studenten voldoende verschillende invalshoeken worden meegegeven?
Of er voldoende verschillende invalshoeken aan bod komen bij een opleiding zal tot uitdrukking komen in verschillende aspecten van de opleiding. Daarbij valt te denken aan de diversiteit van de docenten en de studenten, de variatie in literatuur en onderwerpkeuze, beschikbare stageplekken, keuzevakken en minoren, werkvormen en samenwerkingen die de opleiding heeft met andere organisaties. Opleidingen besteden bovendien aandacht aan een brede, academische vorming van de studenten. Hoe en in welke mate zij dat doen, kan verschillen en niet elke opleiding doet dit even expliciet. Uiteindelijk betreft dit de kwaliteit van individuele opleidingen. Voor de borging daarvan verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 6.
Welke rol speelt volgens u voldoende aandacht voor ethiek in het curriculum, en is dat volgens u voldoende geborgd in de fiscale opleidingen aan de UvA en andere Nederlandse universiteiten?
Het hoger onderwijs heeft mede tot doel studenten op te leiden tot zelfstandige, kritische mensen die in staat zijn om maatschappelijke omstandigheden en ethische overwegingen mee te laten wegen in hun oordeelsvorming. Aandacht voor ethiek in de opleiding, al dan niet expliciet in het curriculum verankerd, kan daar zeker een bijdrage aan leveren. Of er voldoende aandacht wordt besteed aan de academische vorming van studenten wordt voor elke opleiding beoordeeld bij de accreditatie van de opleiding. Ik heb geen specifiek beeld hiervan ten aanzien van de fiscale opleidingen in Nederland. Wel heeft de Inspectie van het Onderwijs een algemeen beeld opgehaald.2 Zo spreekt ruim de helft van de studenten zich positief uit over de aandacht die de opleiding volgens hen geeft aan maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Wel heeft de inspectie de instellingen opgeroepen om de activiteiten en resultaten ten aanzien van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef meer transparant te maken. Die oproep ondersteun ik.
Kunt u een overzicht geven op welke universiteiten ethiek of bijvoorbeeld filosofie in het curriculum van fiscale studies zit, en bij welke universiteiten dit minder of niet aanwezig is?
Ik heb dit overzicht opgevraagd bij UNL. Er zijn vijf bacheloropleidingen Fiscaal recht bij de veertien Nederlandse universiteiten. Drie van de vijf bieden een of meerdere cursussen ethiek of filosofie aan. Voor de masteropleidingen geldt dat er slechts een opleiding is die specifiek het vak ethiek aanbiedt. Voor de meeste masterstudenten geldt echter dat zij ethiek/filosofie al in de bachelor hebben gehad; fiscaal recht is vaak een specialisatie in de master, volgend op de bachelor Rechtsgeleerdheid.
Wat zijn volgens u de waarborgen voor integriteit ten grondslag aan wetenschappelijk onderzoek die aan universiteiten gelden, en hoe beoordeelt u in dat licht de meldingen van de anonieme bronnen in het artikel?
Bij universiteiten gelden verschillende waarborgen voor wetenschappelijke integriteit. Allereerst de door alle universiteiten onderschreven Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit. In deze code staan normen voor goede onderzoekspraktijken waaraan een onderzoeker zich in zijn of haar onderzoek moet houden. Deze normen gaan uit van principes, zoals onafhankelijkheid en eerlijkheid. In de gedragscode staan ook zorgplichten voor de kennisinstelling. Die moet bevorderen dat onderzoekers zich aan de normen houden. In deze gedragscode staan verder de maatregelen en sancties in het geval deze normen niet worden nageleefd.
Een andere belangrijke waarborg is de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden van de universiteiten. In artikel 11 van deze regeling is onder meer bepaald dat geen toestemming voor werkzaamheden wordt verleend voor nevenwerkzaamheden die de wetenschappelijke, organisatorische of zakelijke belangen van de universiteit schaden dan wel waarbij (de schijn van) belangenverstrengeling aanwezig is.
Gelet hierop en meer in het algemeen moeten nevenwerkzaamheden, en de context waarin deze worden verricht, passen bij de rol van wetenschapper. In artikel 1.6 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is bepaald dat wetenschappers academische vrijheid genieten. Die academische vrijheid is een hoog goed dat gekoesterd moet worden. Inherent verbonden hieraan is dat (de schijn van) belangenverstrengeling voorkomen moet worden; van wetenschappers mag verwacht worden dat zij varen op een sterk moreel kompas. De meldingen van anonieme bronnen vind ik in dit licht zorgwekkend, maar ik vind het ook van belang dat eerst het door de Universiteit van Amsterdam aangekondigde onafhankelijke onderzoek wordt afgewacht.