De uitgestelde visie over toezicht en verantwoording van goede doelen van SBF en regering |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich de uitgesproken verwachting dat kort na de zomervakantie de al meerdere keren uitgestelde «visie over toezicht en verantwoording van goede doelen» van de SBF1 en de regering klaar zou zijn?2
Ja.
Hoe vaak en wanneer is er sinds het convenant overleg geweest op ambtelijk en bestuurlijk niveau met de SBF over deze visie?3
Sinds de ondertekening van het convenant «Ruimte voor geven» op 21 juni 2011 heeft tweemaal een regulier bestuurlijk overleg plaatsgevonden waar onder meer is gesproken over de voortgang van de Visie. Aan deze bestuurlijke overleggen hebben vertegenwoordigers van alle bij het convenant betrokken departementen, alsmede de voorzitter en een tweede afgevaardigde namens het SBF deelgenomen. Daarnaast heeft op 20 september jl. een buitengewoon bestuurlijk overleg plaatsgevonden ter gelegenheid van de ondertekening van de Visie op toezicht en verantwoording in de filantropische sector. Bij dit buitengewone bestuurlijke overleg waren de Staatssecretarissen van Veiligheid en Justitie en van Financiën aanwezig, alsmede het gehele bestuur van de SBF. Op ambtelijk niveau is zeer regelmatig door de Ministeries van Veiligheid en Justitie en Financiën over de Visie gesproken met de SBF. Het gaat hierbij om circa 15 overleggen vanaf het najaar van 2011 tot aan de datum van ondertekening van de Visie. Tot slot heeft ook op bestuurlijk niveau diverse malen informeel overleg plaatsgevonden.
Is de visie nu gereed om aan de Kamer te doen toekomen?
De Visie op toezicht en verantwoording in de filantropische sector is op donderdag 20 september jl. aan de Tweede Kamer toegezonden.9
Waar blijft het steeds opnieuw aangekondigde wetsvoorstel publicatieplicht stichtingen?
Dit wetsvoorstel is thans in voorbereiding bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De voorbereidingen zijn in de afrondende fase.
Is er al een aanvang gemaakt met de uitvoering van de motie Omtzigt/Van Vliet4 om de gevraagde gegevens van ANBI's publiek te maken?
Ja. Door een voorgestelde wetswijziging in de AWR die is opgenomen in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2013 wordt met ingang van 1 januari 2014 als voorwaarde voor de ANBI-status gesteld dat de instelling nog nader te bepalen gegevens via internet beschikbaar stelt11. Zoals in de memorie van toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij dat wetsvoorstel is aangegeven, wordt hiermee mede uitvoering gegeven aan de motie Omtzigt/Van Vliet12. De nader te bepalen gegevens zullen in elk geval de in de motie genoemde gegevens omvatten, alsmede de doelstelling en het beleidsplan van de instelling. Voorts zal het eerder genoemde wetsvoorstel van het Ministerie van Veiligheid en Justitie mede uitvoering geven aan de genoemde motie.
Indien het antwoord op vraag 5 negatief luidt, wilt u dan zo spoedig mogelijk overgaan tot het beschikbaar stellen van de in de motie gevraagde gegevens uit het ANBI-register van de Belastingdienst?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u aangeven of een wetsvoorstel inzake openbaarmaking van ANBI-gegevens in mei 2012 geagendeerd stond voor de ministerraad, nu u recentelijk zeer ontwijkend geantwoord heeft op deze vraag en anderen toch stellig die indruk gewekt hebben?5
Zoals in de antwoorden op Kamervragen van het lid Omtzigt over transparantie en publicatieplicht, ingezonden op 6 augustus 201214, is aangegeven, bepaalt artikel 26 van het reglement van orde voor de ministerraad15 dat ten aanzien van het hetgeen ter vergadering besproken wordt of geschiedt, geheimhoudingsplicht bestaat. Over hetgeen in de ministerraad gesproken wordt of geschiedt worden dan ook geen mededelingen gedaan.
Indien het antwoord op voorgaande vraag ontwijkend is of bevestigend, bent u dan bereid om de rijksrecherche te vragen strafrechtelijk onderzoek te doen naar een mogelijk of zeker lek van stukken – in dit geval de agenda – van de ministerraad?
Uit gesprekken met de auteur van het artikel «Transparantie en publicatieplicht» heb ik begrepen dat hij geen informatie had over het al dan niet agenderen van het wetsvoorstel in de ministerraad. De auteur is als bestuurslid van de Stichting Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF) geconsulteerd in de ontwerpfase van het wetsvoorstel. Uit het feit dat het wetsvoorstel niet kort na die consultatie aan de Tweede Kamer is aangeboden, heeft de auteur afgeleid dat het wetsvoorstel (nog) niet in de ministerraad is behandeld. Op grond daarvan is hij gekomen tot de frase: «de behandeling van het wetsontwerp Publicatieplicht in de ministerraad (is) uitgesteld». Desgevraagd gaf de auteur aan op generlei wijze op de hoogte te zijn van de agenda of de verhandelingen van de ministerraad. Het artikel is dan ook gerectificeerd. Gezien deze gesprekken zie ik geen aanleiding om de rijksrecherche in te schakelen om een strafrechtelijk onderzoek uit te voeren naar het eventuele lekken van stukken uit de ministerraad, nu hier naar mijn overtuiging geen sprake van is.
De derivatenpositie en de risicobeheersing van pensioenfondsen en andere instellingen |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «tegenpartij risico van pensioenfondsen beperkt»? 1 waarin gesteld wordt dat op dit moment het tegenpartij risico voor de derivatenposities van pensioenfondsen beperkt is, maar «een verdere neerwaartse bijstelling van de kredietwaardigheid van (zaken)banken is in de huidige precaire financieel-economische omstandigheden zeker niet uit te sluiten. Waakzaamheid vanuit zowel de sector zelf als DNB blijft daarom geboden ten aanzien van de blootstelling aan tegenpartijrisico’s.»?
Ja.
Acht u het risico bij de pensioenfondsen voldoende beheerst op dit moment, inclusief de voorraad onderpand die zij voorradig hebben?
Ja. Uit het DNB-onderzoek waarop het DNB-artikel «Tegenpartij risico van pensioenfondsen beperkt» is gebaseerd, blijkt dat de onderzochte fondsen derivatenposities hebben uitstaan bij 57 verschillende tegenpartijen, waarbij 93% van de fondsen 6 of meer verschillende tegenpartijen heeft. Voorts blijkt dat de totale waarde van de uitstaande derivaten van pensioenfondsen voor 102% door onderpand wordt gedekt.
De marktwaarde van de renteswaps van pensioenfondsen bedraagt volgens DNB ongeveer € 55 miljard, heeft u enig inzicht welke marktpartijen een tegenovergestelde positie ingenomen hebben en dus op een negatieve waarde van hetzelfde bedrag?
Het beeld dat in het antwoord op vraag 2 is geschetst voor het totaal van de derivatenposities van pensioenfondsen geldt ook voor de posities in renteswaps.
Heeft u er kennis van genomen dat brokers en adviseurs trots melden dat zij «brokerage» leveren voor vele lokale en provinciale overheden en een groot aantal zorginstellingen (zie bijvoorbeeld www.dhv.nl)?
Ja.
Heeft u inzicht in de derivatenposities van publieke en semi-publieke instellingen, zoals woningbouwcoöperaties, onderwijsinstellingen, zorginstellingen en decentrale overheden en of hun beleid adequaat is?
Het inzicht in derivatenposities van verschillende instellingen is niet op één plaats beschikbaar.
Voor de verschillende instellingen gelden verschillende wetten en regelingen:
Momenteel zijn de ministeries van Financiën, OCW, VWS, SZW en BZK gezamenlijk aan het bekijken of het noodzakelijk is om de wet- en regelgeving en het daarbij behorende toezicht aan te scherpen.
Weet u of er instellingen of groepen instellingen in de publieke en semi-publieke sfeer zijn die onverantwoorde risico’s genomen hebben en daardoor in de problemen gekomen zijn of kunnen komen?
Er zijn aanwijzingen dat er in het verleden instellingen zijn geweest die in de problemen zijn gekomen door derivatentransacties. Een bekend voorbeeld daarvan is woningcorporatie Vestia.
Zoals reeds aangegeven bij het antwoord op vraag 5 wordt momenteel binnen het Ministerie van OCW een onderzoek uitgevoerd dat in kaart moet brengen of er instellingen in het MBO en in het HO zijn die door het gebruik van derivaten grote financiële risico’s lopen. De resultaten daarvan worden half oktober naar buiten gebracht.
De kans dat woningcorporaties nog onverantwoorde risico’s lopen als gevolg van derivaten lijkt klein, nu de nieuwe strengere regeling per 1 oktober 2012 van kracht wordt. Hierdoor wordt de handelingsvrijheid van woningcorporaties aanzienlijk ingeperkt.
Voor de aangesloten zorginstellingen bij het Wfz is deze kans eveneens klein, aangezien het Waarborgfonds strenge eisen stelt. Met betrekking tot de overige zorginstellingen is niets bekend.
Bent u bereid de totale derivatenpositie in deze sectoren, per sector en per instelling, aan de Kamer te doen toekomen?
Momenteel beschikken de ministeries niet over overzichten van derivatenposities per instelling. Het is daarom onmogelijk om hier overzichten van aan de Kamer te doen toekomen.
“Europa moet van onze pensioenen afblijven” |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u het interview in Elsevier, «Europa moet van onze pensioenen afblijven», geautoriseerd?1
De bescherming van het Nederlandse pensioenstelsel is voor zowel het Kabinet als uw Kamer een belangrijke prioriteit. Met dit uitgangspunt in gedachten hebben wij vele malen in uw Kamer overleg gevoerd over de voornemens van de Europese Commissie met betrekking tot pensioenen. De laatste tijd was dit overleg gefocust op het in februari uitgebrachte Witboek Pensioenen. In de Kabinetsreactie hierop van 24 april 2012 heb ik meegedeeld dat de aanbevelingen in het Witboek, zoals die over het pensioenbeleid in den brede worden gedaan, in algemene zin door het Kabinet ondersteund worden. Voor veel lidstaten is het noodzakelijk dat zij het draagvlak van hun pensioenstelsels verbreden, meer mensen langer aan het werk houden en hun financiële situatie beter op orde brengen. Dit versterkt de economische groei en publieke financiën in Europa en daar heeft ook Nederland voordeel van.
Naar steeds is gebleken worden deze Europese prioriteiten breed door uw Kamer gedeeld. Dit is laatstelijk nog aangegeven tijdens een Algemeen Overleg op 27 juni 2012 in uw Kamer en ook de standpuntennotitie van uw Kamer is in lijn daarmee. Uw Kamer geeft in de standpuntennotitie aan een aantal voorstellen uit het Witboek Pensioenen passend te vinden. Allereerst omdat deze zich richten op de houdbaarheid van de arbeidsmarkt en het pensioenstelsel. En daarnaast omdat ze sturen op bescherming van opgebouwde rechten van werknemers en het gemakkelijk verkrijgen van overzicht van alle opgebouwde rechten.
Waar het Kabinet en uw Kamer het ook volledig over eens zijn, zijn onze grote zorgen over de voorgenomen herziening IORP-Richtlijn. Het onder één toezichtsregime brengen van verzekeraars en pensioenfondsen, zou leiden tot een sterke kostenstijging voor de pensioenfondsen. Pensioenfondsen leveren een ander pensioenproduct dan verzekeraars. Verzekeraars komen met hun cliënten een vaste premie en een vaste uitkering overeen. Pensioenfondsen beheren zo goed mogelijk de premies die werkgevers en werknemers betalen en keren vervolgens een zo goed mogelijk pensioen uit. Pensioenfondsen hebben daarbij de mogelijkheid de premies aan te passen en indien nodig te korten op de indexatie en/of de uitkeringen. Wanneer pensioenfondsen onnodig hoge buffers moeten aanhouden om te voldoen aan de hogere zekerheidseisen voor verzekeraars, dan zullen deze buffers met circa 80 miljard Euro moeten toenemen. Zeker waar verzekeraars en pensioenfondsen wezenlijk verschillende producten leveren, is er geen enkele reden om tot een dergelijke gelijkstelling over te gaan.
In de Kabinetsreactie op het Witboek Pensioenen heb ik aangegeven dat het grote belang dat Nederland heeft bij de herziening van de IORP-richtlijn vanzelfsprekend een substantiële inzet in Brussel vergt. Daarom is al vanaf de eerste signalen in 2009 dat de Commissie bezig was met de voorbereiding van de herziening van de IORP-Richtlijn, vanuit Nederland gecoördineerd actie ondernomen. Zo is door mijn voorganger al vanaf het begin in 2009 duidelijk aan Brussel aangegeven dat wij het niet eens zijn met de voorgenomen plannen voor een herziene IORP-Richtlijn. Dit is onder andere kenbaar gemaakt in de Kabinetsreactie op het Groenboek Pensioenen van 11 oktober 2010. Centraal bij alle activiteiten richting Brussel staat steeds te voorkomen dat Nederland door herziening van de IORP-Richtlijn schade zou kunnen ondervinden. Vanuit SZW wordt het optreden richting Brussel van de verschillende Nederlandse actoren in het pensioendebat, zoals DNB en de pensioensector, op elkaar afgestemd. Deze gecoördineerde acties worden thans onverminderd doorgezet.
Ook ikzelf zet mij, als politiek verantwoordelijke voor het Nederlandse pensioenstelsel, op allerlei manieren en langs diverse wegen in om de aandacht te vestigen op de negatieve gevolgen voor Nederland van de voorgenomen IORP-herziening. Mijn uitspraken in Elsevier sluiten daar logischerwijs op aan.
Bent u zich ervan bewust dat u op 24 april 2012 aan de Kamer schreef dat het kabinet «in den brede» achter de plannen van het Witboek pensioenen staat? Bent u ervan op de hoogte dat de Kamer juist afstand heeft genomen van de plannen uit het Witboek pensioenen en dit ook in een standpuntennotitie heeft vastgelegd (verschenen op 28 juni 2012)? Onderschrijft u de mening van de Kamer in zijn geheel?
Zie antwoord vraag 1.
Van welke plannen van de Europese Commissie neemt u nu precies afstand? Op welke wijze heeft u de Europese Commissie daarvan op de hoogte gebracht?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om nog deze week het voorbeeld van de Kamer te volgen en per brief het in het interview in Elsevier uitgedragen standpunt aan de Europese Commissie kenbaar te maken en een afschrift van die brief aan de Kamer toe te sturen?
Zoals ik in het Elsevier interview heb aangegeven, zijn mijn inspanningen richting Europa in de eerste plaats gericht op het bereiken van overeenstemming met de Europese Commissie, zodat de Commissie afziet van een IORP-herziening die schadelijke effecten heeft voor het Nederlandse pensioenstelsel. Daartoe vinden frequente contacten plaats met de Commissie die in het licht van de effectieve beïnvloedingsstrategie nauwkeurig worden gekozen.
Daarbij werk ik nauw samen met aantal andere lidstaten (Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Ierland) die ook grote bezwaren hebben tegen de voorgenomen herziening. We hebben al gezamenlijk actie ondernomen richting de Commissie en zullen dat – op daarvoor geëigende tijdstippen – de komende tijd blijven doen. De vier landen vormen echter geen blokkerende minderheid.
Een aantal lidstaten is zich aan het beraden op hun standpunt, andere landen wachten eerst het Commissievoorstel af. Ook met diverse van deze andere lidstaten onderhoud ik nauwe contacten over dit onderwerp, zij zijn op de hoogte van de Nederlandse zorgen en bezwaren bij een herziene IORP-Richtlijn. Dit biedt een goede basis om in een later stadium, indien nodig, te werken aan het bereiken van een blokkerende minderheid.
Heeft u genoeg steun voor een blokkerende minderheid van EU-lidstaten? Welke landen steunen Nederland en welke stappen heeft u ondernomen om andere landen te overtuigen van uw standpunt?
Zie antwoord vraag 4.
De bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 juli 2012 waarin de rechtbank geoordeeld heeft dat de vrijstelling voor ondernemingsvermogen in de Successiewet 1956 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de reikwijdte van deze uitspraak is? Is de uitspraak volgens u beperkt tot het privévermogen van de overledene (dat tot een tijdens het leven gestaakte onderneming behoorde) en dat gebruikt wordt in de onderneming van de verkrijger of geldt de uitspraak ook voor privévermogen dat geen ondernemingsvermogen is geweest of zal worden?
De Belastingdienst is het niet eens met de onderhavige uitspraak van Rechtbank Breda. Tegen de uitspraak zal dan ook hoger beroep worden ingesteld. Het instellen van sprongcassatie zou mijn voorkeur hebben. Die mogelijkheid bestaat echter alleen indien de wederpartij daarmee instemt.
In dit kader is ook van belang dat de Hoge Raad reeds op 9 december 2011, nr. 11/02099 (LJN: BU6998) arrest heeft gewezen waarbij dezelfde rechtsvraag in het voordeel van de Belastingdienst is beantwoord. De Hoge Raad heeft in die zaak impliciet beslist (namelijk door bevestiging van de oordelen van rechtbank en hof) dat de faciliteit van de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 niet in strijd is met het discriminatieverbod zoals neergelegd in de artikelen 14 EVRM2 en 26 IVBPR3. De Hoge Raad heeft dit beslist onder verwijzing naar artikel 81 RO4, hetgeen betekent dat de Hoge Raad een nadere motivering niet nodig achtte. De aan het arrest voorafgaande uitspraken van Rechtbank Arnhem van 25 maart 2010, nr. 09/1750 (LJN: BX0548) en Gerechtshof Arnhem van 22 maart 2011, nr. 10/00194 (LJN: BQ0618) waren expliciet op dit punt. Ik ben derhalve van mening dat reeds voldoende duidelijkheid is gecreëerd, namelijk dat er geen sprake is van strijd met het discriminatieverbod. Het valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid («wide margin of appreciation») die de wetgever nu eenmaal heeft. De intentie van de wetgever is geweest bedrijfsopvolgingen zo min mogelijk te laten belemmeren door een heffing van schenk- en erfbelasting.
Het arrest van de Hoge Raad en de uitspraak van Rechtbank Breda betreffen het belastingjaar 2007. Ook met betrekking tot latere jaren – dus ook na de herziening van de Successiewet 1956 per 1 januari 2010 en de aanpassing van de bedrijfsopvolgingsregeling bij die herziening – neemt de Belastingdienst het standpunt in dat geen sprake is van een onaanvaardbare discriminatie.
Hoe beoordeelt u deze uitspraak? Wat betekent deze uitspraak voor belastingplichtigen?
Zie antwoord vraag 2.
Moet iedere verkrijger op basis van de Successiewet 1956, bezwaar maken tegen aanslagen schenk- of erfbelasting? Dient in nog in te dienen aangiften reeds een beroep te worden gedaan op deze uitspraak?
Een verkrijger die meent in aanmerking te komen voor de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet dient dit tot uitdrukking te brengen in zijn aangifte dan wel, indien reeds een aanslag is opgelegd die nog niet onherroepelijk vaststaat, een bezwaarschrift in te dienen. Bezwaarschriften tegen aanslagen die al onherroepelijk vaststaan, zullen niet-ontvankelijk worden verklaard. Een beroep op de bedrijfsopvolgingsregeling in gevallen waarin al aangifte is gedaan, maar de aanslag nog niet is opgelegd, dient in de vorm van een aanvulling op de aangifte te worden gedaan.
Bent u bereid nu al aan te geven dat u vanaf een nu aan te geven moment de uitspraak algemeen bindend zult verklaren, onafhankelijk van het feit of iemand bezwaar of beroep heeft aangetekend dan wel beroep heeft gedaan op de uitspraak? Bent u zich ervan bewust dat hiermee een enorme stapel bezwaarschriften en een rare vorm van rechtsongelijkheid, tussen de mensen die wel wisten van de uitspraak en daar een beroep op deden en de mensen die de uitspraak niet kenden en er geen beroep op deden, wordt voorkomen?
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 9 december 2011 zal ik de uitspraak van Rechtbank Breda niet als richtsnoer nemen. Bij het regelen van aanslagen schenk- en erfbelasting neemt de Belastingdienst het arrest van de Hoge Raad als leidraad. Tegen de uitspraak van de rechtbank zal hoger beroep worden ingesteld. Een ieder die in weerwil van het arrest van de Hoge Raad voor niet-ondernemingsvermogen een beroep wil doen op de faciliteiten bij bedrijfsopvolging zal zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven dit bij de aangifte of in een bezwaarschrift moeten doen. Ik beraad mij momenteel op mogelijkheden om bezwaarschriften op een voor Belastingdienst en belastingplichtigen zo doelmatig mogelijke wijze te behandelen.
Bent u bekend met de schatting van de gevolgen van de uitspraak op een bedrag van € 1 miljard?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat de budgettaire consequenties van de uitspraak € 1 miljard bedragen? Zo nee, hoe hoog schat de Belastingdienst de budgettaire consequenties?
Of de uitspraak van Rechtbank Breda budgettaire consequenties heeft, is afhankelijk van het uiteindelijke oordeel van de Hoge Raad. Zoals ik in het antwoord op de vragen 2 en 3 heb aangegeven, zal ik in beroep gaan tegen de uitspraak van de rechtbank. Als de Hoge Raad in overeenstemming met zijn arrest van 9 december 2011 oordeelt dat de bedrijfsopvolgingsregeling geen onaanvaardbare discriminatie inhoudt, zijn er geen budgettaire consequenties. Die zijn er evenmin als de Hoge Raad de regeling wel discriminatoir zou achten, maar geen directe werking aan dat oordeel verbindt en het herstel van die discriminatie aan de wetgever overlaat. Een budgettaire derving zal alleen optreden als de Hoge Raad volledig «om zou gaan» en de uitspraak van Rechtbank Breda geheel in stand laat inclusief het opleggen van conserverende aanslagen voor niet-ondernemingsvermogen. In dit laatste geval kan – indien belastingplichtigen massaal een beroep op de bedrijfsopvolgingsregeling zouden doen – de budgettaire derving oplopen tot € 1 miljard of meer per jaar. Een eventuele derving kan overigens alleen betrekking hebben op aanslagen die nog niet onherroepelijk vaststaan. Gelet op het genoemde arrest van de Hoge Raad zie ik de uitkomst van procedures met vertrouwen tegemoet.
Bent u voornemens om de vrijstelling voor ondernemingsvermogen in de Successiewet 1956 aan te passen, zodat deze volgens de rechter niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel? Bent u voornemens om op andere wijze het financiële belang van de heffing van schenk- en erfbelasting te waarborgen?
Zoals in het antwoord op de vragen 2 en 3 is aangegeven, zal de Belastingdienst in hoger beroep gaan tegen de onderhavige uitspraak van Rechtbank Breda en verwacht ik, gezien het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad, dat deze uitspraak geen stand zal houden en de wet derhalve niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel zal worden bevonden. Ik ben thans derhalve niet voornemens de bedrijfsopvolgingsregeling aan te passen. Indien de Hoge Raad de onderhavige uitspraak bevestigt, zal ik mij bezinnen op adequate aanpassing van de Successiewet 1956.
Hoe zal zo’n besluit eruit zien en binnen welke termijn zult u dit besluit nemen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de rechtbank in het licht van het bepaalde in artikel 11 van de Wet algemene bepalingen en het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2000 waaruit volgt dat de rechter alleen de macht heeft de wet toe te passen en terughoudend moet zijn bij het ingrijpen in wetgeving omdat dat in onze rechtstaat is overgelaten aan de wetgever?3
In artikel 11 van de Wet algemene bepalingen is bepaald dat de rechter volgens de wet recht moet spreken. Hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. Dat is in deze uitspraak ook niet gebeurd. Het gaat hier om een toetsing aan artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM, dus een toetsing aan wetgeving van een hogere orde dan de nationale wet.
Voor de toetsing aan artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM moet beoordeeld worden of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te behandelen (vgl. EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd («wide margin of appreciation»), tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (vgl. EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2, en HR 8 juli 2005 nr. 39 870, V-N 2005/34.2, r.o. 5.3).
Indien een wettelijke regeling in strijd is met het discriminatieverbod en de keuze van de wetgever van iedere redelijke grond is ontbloot, leidt dat niet altijd tot toepassing van de gunstigere regeling in de wettelijk ongunstiger behandelde gevallen. Indien toepassing van de gunstigere regeling leidt tot ongelijke behandeling van weer andere gevallen, dient de rechter te volstaan met de constatering dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het is dan de taak van de wetgever om die schending op te heffen (HR 14 juli 2000, nr. 35 059, LJN: BI7527, BNB 2000/306).
Transparantie en publicatieplicht |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich de motie Omtzigt/Van Vliet1 waarin de regering verzocht wordt met een voorstel te komen voor een ANBI-register, waarin de volgende gegevens openbaar gemaakt worden en gratis toegankelijk zijn:
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Transparantie en publicatieplicht» van Rien van Gendt?3
Ja.
Is het waar dat, zoals in het artikel staat, er een wetsvoorstel inzake publicatieplicht bij de ministerraad lag?
Artikel 26 van het reglement van orde voor de ministerraad (Staatsblad 1994 nr. 203 en 1998 nr. 305) bepaalt dat ten aanzien van hetgeen ter vergadering besproken wordt of geschiedt, geheimhoudingsplicht bestaat. Uw vragen kunnen derhalve niet beantwoord worden.
In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat in een wetgevingstraject consultatie van de relevante maatschappelijke partijen vast onderdeel van het wetgevingstraject is. De consultatie draagt bij aan het draagvlak en uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Een wetsvoorstel wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal verzonden indien de regering daartoe besluit.
Is het waar dat SBF4 en FIN5 inzage gehad hebben in dit wetsvoorstel dat bij de ministerraad lag? Zo ja, wilt u het wetsvoorstel, zoals het bij de ministerraad gelegen heeft, onmiddellijk aan de Kamer doen toekomen?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat behandeling van het wetsvoorstel in de ministerraad is uitgesteld mede op aandringen van SBF? Zo ja, wat waren de andere factoren om de behandeling uit te stellen?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat de gemeenschappelijke visie op transparantie, die toch echt al klaar had moeten zijn, nog niet af is terwijl de vakantie al bijna is afgelopen (in het westen van het land dan)?
In het afgelopen jaar is er veelvuldig overlegd met de SBF over een gezamenlijke visie op toezicht en verantwoording. Het overleg verloopt constructief, maar heeft gezien het grote belang dat zowel het kabinet als de SBF hecht aan een breed draagvlak binnen de sector, meer tijd nodig.
Wilt u een wetsvoorstel inzake transparantie zo spoedig mogelijk ter hand nemen in de ministerraad en voor 1 september aan de Raad van State sturen voor commentaar?
Het wetsvoorstel inzake transparantie zal ik zo spoedig mogelijk ter hand nemen en agenderen voor de ministerraad. Over de vraag op welk moment de ministerraad besluit het wetsvoorstel naar de Raad van State te sturen kan ik geen uitspraken doen.
Bent u nog steeds voornemens om integraal uitvoering te geven aan alle vier de punten uit de genoemde motie Omtzigt/Van Vliet?
Ja.
Het bericht 'Problemen Odfjell zijn er na 30 jaar kennelijk nog steeds' |
|
Michiel Holtackers (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het nieuwsitem «Problemen Odfjell zijn er na 30 jaar kennelijk nog steeds»?1
Ja.
Hoe vaak en wanneer precies hebben de toezichthoudende instanties in de afgelopen 30 jaar de blusleidingen en andere «lines of defence» live getest en wat waren de resultaten?
De Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) stelt een onderzoek in naar de situatie bij Odfjell. Aangezien beoogd wordt om naast het bedrijf zelf ook de vergunningverlenende en toezichthoudende partijen te onderzoeken kunnen bovengestelde vragen aan de orde komen. Ik wil de OVV niet in de weg zitten met het vergaren van informatie, zodat ik de beantwoording van de vragen beperk tot die informatie die direct voor handen is en voldoende valide is.
Ten aanzien van vraag 2 en 5 over de live testen van blusleidingen is er direct informatie bij de BRZO-toezichthouders beschikbaar van de periode dat Odfjell de eigenaar van het tankopslagbedrijf was, dat is vanaf 2000.
De Veiligheidsregio Rotterdam (VRR), de DCMR en Inspectie SZW voeren zelf geen live testen uit. Bij omvangrijke en complexe bedrijven leggen VRR en DCMR de verplichting voor het uitvoeren van live testen bij de bedrijven. Hiervoor wordt een plan gevraagd. Bij oplevering van nieuwe tanks of tankputten kunnen de VRR en de DCMR de live testen van de blus- en koelinstallaties bijwonen, alvorens goedkeuring te geven. Dit is vanaf 2000 driemaal gebeurd. De resultaten van deze testen waren goed.
Voor het overige verwijs ik u naar het onderzoek van de OVV.
Hoe vaak en waar heeft Odfjell de leidingen zelf getest en wat waren de resultaten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel aanwijzingen en boetes zijn in die periode (30 jaar) opgelegd vanwege het feit dat de blusleidingen, brandveiligheid en gerelateerde zaken (zogenaamde lines of defense) niet aan de normen voldeden?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt bij de huidige inspectie elke blusleiding bij elke installatie live getest door de toezichthouder of is daar geen aanleiding voor?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom wordt eerst overal gemeld dat Odfjell vóór 26 juli 15 tankputten leeg moet maken en waarom wordt deze datum vervolgens veranderd in 3 augustus op de sites van DCMR Milieudienst Rijnmond en Odfjell? Is de situatie in de tussentijd veilig geweest?
Op 20 juli is aan Odfjell bestuursdwang aangezegd om binnen 48 uur vijf tanks leeg te maken en om binnen één week 15 (andere) tanks leeg te maken. De inspecteurs van de DCMR en VRR hebben toezicht gehouden op het leegmaken van de tanks. Prioriteit daarbij is dat het leeg maken op een veilige en verantwoorde manier gebeurt. Bij het uitvoeren van de eerste last is gebleken dat het leeg maken van tanks op een veilige en verantwoorde manier meer tijd in beslag nam dan op 20 juli werd aangenomen. Om de veiligheidsrisico's van het leegmaken van de tanks te kunnen beheersen is door de DCMR besloten extra tijd te geven om de laatste tanks leeg te maken. Als extra beheersmaatregel is vanaf 20 juli permanent een brandweereenheid op het terrein aanwezig, op kosten van Odfjell.
Zijn er in het verleden (30 jaar) meldingen ontvangen over de misstanden bij Odfjell, al dan niet anoniem, en hoe is hier door de diverse instanties mee omgegaan?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u voornemens om een onderzoek te laten uitvoeren naar de rol en het functioneren van de DCMR? Bent u van plan op korte termijn significante wijzigingen in de manier van toezicht houden door te voeren?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat het aantal mensen met een betalingsachterstand op de hypotheek de afgelopen 4-jaar verdubbeld is |
|
Jan van Bochove (SGP), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat het aantal mensen met een betalingsachterstand op de hypotheek de afgelopen vier jaar is verdubbeld en nog verder stijgt?
Ja, uit een bericht van het Bureau Krediet Registratie van 30 mei jongstleden blijkt dat het aantal mensen met een betalingsachterstand op de hypotheek is verdubbeld in de afgelopen vier jaar, tot ruim 65 000.
Bent u ervan op de hoogte dat vele huizenbezitters best een deel van het huis zouden willen verhuren om extra inkomsten te verwerven, maar ofwel geen toestemming krijgen van de bank, ofwel opzien tegen de forse huurbescherming die huurders, zeker na negen maanden, in Nederland genieten, ook bij huur van een deel van de woning?
Wanneer huizenbezitters (een deel van) hun huis willen verhuren dienen zij inderdaad in de meeste gevallen toestemming te vragen aan hun bank indien zij nog een hypotheek op de woning hebben lopen. Banken zullen zoveel mogelijk met de klant meedenken, maar moeten rekening houden met een waardedrukkend effect van de verhuur van de woning.
Ten aanzien van de huurbescherming geldt de zogenoemde hospitaregeling (art. 7:232 lid 3 BW), waarbij verhuurders die zelf ook in de woning wonen de huur in de eerste negen maanden zonder nadere redenen kunnen opzeggen. Na negen maanden kan de huur opgezegd worden indien de verhuurder aannemelijk maakt dat zijn belangen bij beëindiging van de huur zwaarder wegen dan die van de huurder bij voortzetting daarvan (art. 7:274 lid 1 sub f BW).
Ziet u ook dat in de komende maanden weer talloze jongeren op zoek zullen gaan naar een kamer dichtbij hun studieplaats, maar maanden zullen zoeken en zo het risico op studievertraging lopen?
Ieder jaar zoeken vele jongeren een kamer in of dichtbij hun studieplaats en vertrekken ook weer veel studenten waardoor kamers vrijkomen. Tegelijkertijd blijft ook een groot aantal studenten thuis wonen tijdens de studie.
Middels het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting wordt gewerkt aan vergroting van het kameraanbod.
Bent u bereid om op korte termijn een huurcontract mogelijk te maken, waarmee zowel huizenbezitters met betalingsachterstanden als studenten, en anderen die dringend een kamer zoeken, geholpen zijn, zowel in de civielrechtelijke als de fiscale sfeer?
Eigenwoningbezitters die een deel van hun eigen woning verhuren, kunnen in aanmerking komen voor de kamerverhuurvrijstelling als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2011. Voorwaarde is wel dat de opbrengsten niet meer bedragen dan € 4 410,– per jaar (2012). De verhuurde woonruimte blijft in dat geval onderdeel van de eigen woning waardoor de verhuurder het recht op hypotheekrenteaftrek over de gehele eigen woning behoudt.
Gezien het bovenstaande ben ik van mening dat al voorzien is in maatregelen zowel qua huurbescherming als qua belastingwetgeving die het verhuren van kamers faciliteren.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Gebrekkige voorlichting strop voor mantelzorgers»1 en de uitzending over mantelzorgers en erfbelasting?2
Ja.
Deelt u de mening dat de informatie over de verhoogde vrijstelling van het mantelzorgcompliment op de website van de Sociale Verzekeringsbank (SVB)3 redelijk summier is, en dat het onhandig is dat de link naar de belastingdienst naar de algemene site gaat en niet direct naar de relevante pagina?4
De SVB heeft de informatie op de website over de mogelijkheid voor mantelzorgers om in aanmerking te kunnen komen voor een hogere vrijstelling van de erfbelasting, uitgebreid. Er wordt nu ook direct doorgeschakeld naar de relevante pagina op de site van de Belastingdienst. Dit is naar mijn mening een verbetering.
Deelt u de mening dat de zin «U mag maar met 2 personen aan de voorwaarden hierboven voldoen. 3 of meer mensen kunnen niet allemaal elkaars partner zijn.» op genoemde site van de belastingdienst onduidelijk is? Deelt u de menig dat hierover duidelijk gesteld zou kunnen worden dat als ofwel de ouder ofwel het kind getrouwd is/een geregistreerd partnerschap heeft, zij niet in aanmerking komen voor de grote vrijstelling met de ouder?
De strekking van de in vraag 3 voorgestelde formulering komt op de site van de Belastingdienst tot uitdrukking door de tekst onder «Let op!» Daarin staat dat geen sprake is van partnerschap met de mantelzorger als deze samenwoont met beide ouders. Ik zal bezien of de bestaande tekst nog verder kan worden verduidelijkt.
Bent u bereid om in overleg te treden met de SVB en de belastingdienst om ervoor te zorgen dat bij de voorlichting over het mantelzorgcompliment (inclusief op het aanvraagformulier) duidelijker wordt gecommuniceerd over de gevolgen voor de erfbelasting en kunt u de Kamer meedelen welke wijzigingen dit oplevert?
Ja. Dit overleg heeft inmiddels al plaatsgevonden. In mijn antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven dat de wijze waarop de SVB op haar site informatie verstrekt over de hogere vrijstelling van de erfbelasting voor mantelzorgers, inmiddels is verbeterd. De SVB heeft toegezegd om ook in de begeleidende brief bij verzending van het aanvraagformulier van het mantelzorgcompliment, mantelzorgers te wijzen op de mogelijke relatie tussen het mantelzorgcompliment en de erfbelasting.
Waarom is ervoor gekozen om het mantelzorgcompliment alleen te geven bij een extramurale indicatie en niet bij een intramurale indicatie, die bijvoorbeeld via een persoonsgebondenbudget (pgb) of zorg in natura (ZIN) wel thuis wordt opgevangen?
Door het toenmalige Kamerlid Van der Vlies is bij de behandeling van het Belastingplan 2005 een amendement ingediend. Dit amendement was erop gericht om mensen die intensief zorg verlenen aan een ander, een financieel blijk van waardering toe te kennen. Daarvoor werd een bedrag van € 65 miljoen beschikbaar gesteld. Dit amendement is door de Kamer aanvaard en uitgewerkt in de Regeling maatschappelijke ondersteuning. Over de criteria waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor een mantelzorgcompliment is, mede in relatie tot de hoogte van het beschikbare budget, meerdere keren met de Kamer van gedachten gewisseld. Om voor een compliment in aanmerking te kunnen komen moet men beschikken over een indicatie voor extramurale AWBZ-zorg; deze indicatie moet ten minste 371 dagen geldig zijn.
Daarbij is overwogen dat ingeval van een indicatie voor intramurale AWBZ-zorg in beginsel in veel mindere mate sprake zal zijn van een beroep op mantelzorg. Voor mensen met een intramurale indicatie die om uiteenlopende redenen niet in een instelling verblijven, geldt dat het uitvoeringstechnisch gezien niet mogelijk is gebleken deze groep in aanmerking te brengen voor de regeling, omdat de vereiste informatie voor de beoordeling van de aanspraak niet beschikbaar is. Inmiddels is overigens gebleken dat ook toepassing van deze criteria voor toekenning van het mantelzorgcompliment leidt tot overschrijding van het beschikbare budget.
Kunt u zich voorstellen dat kinderen die er bewust voor kiezen om hun ouders de laatste maanden zeer intensief thuis te verzorgen, ook al heeft vader/moeder een indicatie voor een verpleeghuis, het als onrechtvaardig ervaren dat zij niet in aanmerking komen voor de erfvrijstelling? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Dat kinderen in afwijking van de hoofdregel toch in aanmerking kunnen komen voor de partnervrijstelling is een gevolg van het amendement Sap (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 930, nr. 84). In dat amendement is het verkrijgen van de vrijstelling onder andere afhankelijk gemaakt van het ontvangen van een mantelzorgcompliment. Voorts moet uiteraard voldaan zijn aan de overige vereisten voor het zijn van partners. Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 5 gaat het bij het mantelzorgcompliment om een indicatie voor extramurale AWBZ-zorg. Een mantelzorgcompliment wordt niet toegekend als sprake is van een indicatie voor opname in een verpleeghuis (intramurale zorg). De reden hiervoor staat in het antwoord op vraag 5. De partnervrijstelling is dan niet aan de orde.
Klopt het dat op de website van de SVB geen informatie staat over het aanvragen van het mantelzorgcompliment als er geen formulier ontvangen is/als het formulier kwijt is, etc? Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat mensen alsnog het compliment (of over 2011 een bewijs dat zij recht gehad hebben op het compliment) op eenvoudige wijze kunnen aanvragen?
Het is juist dat hierover geen informatie op de site van de SVB staat. Ik zal de SVB verzoeken de site op dit punt aan te passen. In beginsel dient de aanvraag door de mantelzorger uiterlijk drie maanden na de dag waarop het aanvraagformulier aan de zorgvrager is toegezonden, te worden ingediend. Op grond van het bepaalde in de Regeling maatschappelijke ondersteuning kan de SVB in het voordeel van aanvrager van deze termijn afwijken, voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De SVB attendeert op haar website op de mogelijkheid om ingeval van overlijden van de zorgvrager het aanvraagformulier door nabestaanden of door een executeur te laten indienen.
De Goederenroutering Oost-Nederland |
|
Eddy van Hijum (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u zich herinneren dat in de bijlage bij de 7e voortgangsrapportage (VGR) van het actieplan «Groei op het spoor» en Programma Hoogfrequent Spoor (PHS) een planning is opgenomen van de diverse deelstudies met betrekking tot de goederenroutering Oost-Nederland en de uitvoering van Kamermoties?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat de resultaten van de vijf daarin genoemde studies (actualiseren van de Noordtak-studie, Betuweroute maximaliseren, inzet binnenvaart, Langetermijn-perspectief goederenvervoer, beschrijven varianten Zutphen-Hengelo) reeds geruime tijd beschikbaar hadden moeten zijn? Wat is er de oorzaak van dat van alle deelstudies de deadline inmiddels ruimschoots is overschreden, terwijl de uitwerking van alternatieve tracés door Oost-Nederland (IJssellijn, Twentelijn, Twentekanaallijn) gewoon door lijkt te gaan? Wanneer kan de Kamer de resultaten van deze studies verwachten?
Volgens de eerder toegezonden planning zouden de genoemde studies begin 2e kwartaal van 2012 beschikbaar komen. Feitelijk waren de diverse onderzoeken gereed in mei en juni. De rapporten met de resultaten van de goederenstudies zijn bij brief van 12 juli 2012 (Kamerstuk 32 404, nr. 57) aan de Kamer toegezonden.
Is het waar dat u besloten heeft de actualisatie van de notitie «Goederenboog Deventer Alternatieven», die uw voorganger op 14 september 2010 (Kamerstuk 32 404, nr. 3) aan de Tweede Kamer zond, niet meer nu te zullen laten verschijnen, zoals nog wel aangekondigd in de bijlage bij de Voortgangsrapportage (Kamerstuk 32 404, nr. 56) , maar deze op te nemen in de pas een jaar later te verschijnen MER (Milieu-effectrapportage)? Kunt u deze keuze toelichten? Wordt de periode van onzekerheid voor burgers hiermee niet nodeloos verlengd?
De actualisatie van de notitie «Goederenboog Deventer Alternatieven» is recent afgerond. Dit heeft geresulteerd in het rapport: «Beschrijving varianten passage Zutphen – Hengelo» (ProRail, mei 2012). Dat rapport is tegelijk met de in antwoord 2 genoemde goederenstudies gepubliceerd op de websites www.rijksoverheid.nl/phs en op www.prorail.nl/phs. Het rapport geeft een globale technische en geografische beschrijving van de vier tracévarianten tussen Zutphen en Hengelo die in de nu lopende m.e.r.-procedure worden onderzocht, en een beperkte beschrijving van de te verwachten effecten. Het rapport is bedoeld om een globaal beeld te geven van de in onderzoek zijnde tracévarianten.
Het rapport is niet bedoeld om de tracévarianten onderling te vergelijken; een onderlinge vergelijking van de tracévarianten kan pas plaatsvinden nadat een grondig effectenonderzoek is uitgevoerd ten behoeve van het MER. Het MER zal volgens de huidige planning in het voorjaar van 2013 gereed zijn, zodat op basis daarvan, en na inspraak en advisering, onderbouwde keuzes kunnen worden gemaakt.
De «periode van onzekerheid voor burgers» duurt tot de besluitvorming naar aanleiding van het MER-rapport over de effecten van de verschillende tracévarianten, die is gepland (na inspraak en advisering) medio 2013; deze periode kan, gezien de wettelijke eisen aan de m.e.r.-procedure, niet korter. De m.e.r.-procedure wordt toegepast, mede op verzoek van de Kamer (motie op Kamerstuk 32 404, nr. 21), om te borgen dat alle relevante externe effecten van de verschillende varianten in kaart worden gebracht, en de benodigde effectbeperkende maatregelen worden getroffen. Gezien het belang van de leefbaarheid rond het spoor moet uiterste zorgvuldigheid worden betracht.
Welke gevolgen heeft uw voornemen om het beveiligingssysteem ERTMS op het spoor in te voeren – waarmee naast de veiligheid ook de capaciteit van het spoor wordt vergroot – voor de goederenroutering door Nederland? Deelt u de conclusie van de Tijdelijke Commissie Onderhoud en Innovatie spoor dat in de uitwerking van PHS tot dusverre nauwelijks is gekeken naar de effecten van invoering van ERTMS? Kunt u aangeven welke inhoudelijke relatie er (nog) bestaat tussen PHS en de goederenroutering Oost-Nederland?
Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op de Tijdelijke Commissie Onderhoud en Innovatie spoor (brief van 08-06-2012, Kamerstuk 32 707, nr. 16) zal ik een zogenaamde «roadmap» ontwikkelen voor de logisch te nemen stappen en de te nemen route naar een zorgvuldige invoering van ERTMS op het Nederlandse spoorwegnet. Ook de PHS-corridors – waaronder de goederencorridor Elst – Oldenzaal/grens – zullen onderdeel uitmaken van die «roadmap». Bij de uitwerking van PHS-maatregelen voor de Goederenroutering Oost Nederland zal zo goed mogelijk rekening worden gehouden met de komst van ERTMS.
Deelt u de mening dat door het ontbreken van door de Kamer gevraagde studies naar alternatieven, alsmede de onduidelijkheid over de gevolgen van de landelijke invoering van ERTMS, er momenteel onvoldoende basis is voor een zorgvuldige afweging over de goederenroutering? Bent u bereid om de Goederenroutering Oost Nederland als onderdeel van het Programma Hoogfrequent Spoor te heroverwegen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 zijn de door de Kamer gevraagde studies naar alternatieven inmiddels bij de Kamer beschikbaar. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zijn keuzes over tracévarianten pas aan de orde als de milieu-effecten van de goederenroutering in kaart zijn gebracht in het kader van de nu lopende m.e.r.-procedure; volgens de huidige planning zal het MER 1e fase in het voorjaar van 2013 beschikbaar komen. Na inspraak en advisering vanuit de regio zal dan de keuze gemaakt moeten worden voor een van de vier onderzochte tracévarianten tussen Zutphen en Hengelo.
In de aanbiedingsbrief bij de rapporten met de resultaten van de genoemde goederenstudies (Kamerstuk 32 404, nr. 57) heb ik aangegeven van mening te zijn dat op basis van de resultaten van die studies een beperking van het m.e.r.-onderzoek tot 1 extra goederenpad per richting per uur, in plaats van de 2 extra goederenpaden per richting per uur uit de voorkeursbeslissing PHS, mogelijk lijkt. Echter, een dergelijke aanpassing van de uitgangspunten of een volledige heroverweging van het PHS-onderdeel Goederenroutering Oost-Nederland is momenteel niet aan de orde omdat de Kamer de Goederenroutering Oost-Nederland controversieel heeft verklaard.
Het toegezegde maar nog steeds niet gerealiseerde ANBI-register |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich de motie Omtzigt-Van Vliet (33033, nr. 52) waarin de regering verzocht wordt met een voorstel te komen voor een ANBI-register, waarin de volgende zaken openbaar gemaakt worden en gratis toegankelijk zijn:
Herinnert u zich nog uw antwoord dat u ernaar streeft samen met de minister van Veiligheid en Justitie een wetsvoorstel van deze strekking in te dienen bij de Tweede Kamer voor de zomer van 2012?1
Herinnert u zich dat u samen met o.a. de minister-president en de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF) het convenant «Ruimte voor Geven» getekend heeft, waarin o.a. de afspraken staan dat:
Kunt u het plan van aanpak van de SBF over de representativiteit en doelstellingen aan de Kamer doen toekomen, samen met een appreciatie uwerzijds over de huidige en nagestreefde representativiteit?
Het plan van aanpak over de verhoging van de representativiteit is primair de verantwoordelijkheid van de SBF zelf. Mijn collega van Veiligheid en Justitie hecht net als ik aan een vergroting van de representativiteit. Het is dan ook een onderwerp dat regelmatig terugkeert in het overleg over de gezamenlijke visie op toezicht en transparantie, waarbij wij zoeken naar elkaar op dit punt versterkende maatregelen . Mij is voorts bekend dat de SBF streeft naar verhoging van het aantal brancheorganisaties dat deelneemt in de SBF. Daartoe zijn door de SBF verkennende besprekingen gevoerd met ondermeer de Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV). Naar verwachting wordt hierover nog dit jaar een besluit genomen door de betrokken organisaties. Ook de bjj de SBF aangesloten brancheorganisaties verrichten initiatieven om hun ledental te vergroten.
Kunt u het gezamenlijke document over de visie op toezicht en verantwoording aan de Kamer doen toekomen samen met de planning voor de realisatie van de plannen?
Vindt u niet vreemd dat u op 4 juli 2012 aan de Kamer meedeelt dat u nog met de SBF gaat overleggen, terwijl u eigenlijk al lang het wetsvoorstel en het plan van aanpak klaar had moeten hebben?
Wilt u het wetsvoorstel, dat voortvloeit uit de motie Omtzigt-Van Vliet per ommegaande indienen?
Kunt u deze vragen per ommegaande beantwoorden, of wilt u het signaal geven dat de regering openheid in de goede doelensector niet langer nastreeft?
Ik wil geenszins het signaal afgeven dat het kabinet openheid in de goede doelensector niet langer nastreeft.
Het toezicht op pensioenen |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Onder verwijzing naar uw antwoord op eerdere vragen op het toezicht over pensioenen1, waarin u heeft aangegeven dat, wanneer een werkgever heeft verzuimd een deelnemer bij de pensioenuitvoerder aan te melden, werknemers een beroep kunnen doen op pensioenrechten en -aanspraken bij de uitvoerder en waarin u tevens opmerkt dat er in dat geval geen sprake is van civielrechtelijke aansprakelijkheid van de pensioenuitvoerder ten opzichte van de uitvoerder, kunt u nader uitleggen wat dit betekent?
Dit betekent dat een werknemer recht heeft op een pensioenuitkering van de pensioenuitvoerder, ook al heeft de werkgever verzuimd om de werknemer aan te melden bij de pensioenuitvoerder. De pensioenuitvoerder kan de werkgever aansprakelijk stellen voor de geleden schade.
Waarop kunnen aanspraken die de desbetreffende werknemers op de pensioenuitvoerder hebben anders zijn gebaseerd dan op een civielrechtelijke verbintenis?
Het klopt dat de pensioenrechten en -aanspraken van de werknemer ten opzichte van de pensioenuitvoerder voortvloeien uit een civielrechtelijke verbintenis. De term «pensioenaanspraak» moet echter niet worden verward met (civielrechtelijke) aansprakelijkheid, waarbij sprake is van schuld of toerekenbaarheid.
Op welke gronden zijn de pensioenuitvoerders dan wel aansprakelijk voor het nakomen van de door de werkgever aan de niet aangemelde deelnemers gedane pensioentoezegging?
Ter bescherming van de niet aangemelde pensioenaanspraakgerechtigde stelt artikel 5 Pensioenwet (Pw) een aantal bepalingen van titel 17 van Boek 7 Burgerlijk Wetboek (Verzekering) buiten toepassing. Het gaat dan met name om bepalingen die de pensioenuitvoerder zouden beschermen indien die bepalingen niet buiten toepassing zouden zijn verklaard. Artikel 5 Pw beoogt dus te voorkomen dat een pensioenuitvoerder zich tegen een claim van een werknemer verweert (of kan verweren) met de stelling dat de werkgever (verzekeringnemer) zijn mededelingsplicht niet heeft nagekomen. Ook aan artikel 36 Pensioen- en spaarfondsenwet lag datzelfde uitgangspunt ten grondslag.
De niet aangemelde werknemer kan de pensioenuitvoerder direct aanspreken omdat hij rechtstreeks partij is geworden bij de uitvoeringsovereenkomst tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder. In die uitvoeringsovereenkomst bedingt de werkgever van de pensioenuitvoerder dat deze de pensioenovereenkomst uitvoert die de werkgever met de werknemer heeft gesloten. De uitvoeringsovereenkomst omvat dus een derdenbeding ten gunste van de werknemer, welk beding door de werknemer is aanvaard door het sluiten van de pensioenovereenkomst. 2
Op welke wijze zou een deelnemer dan wel zijn pensioenaanspraken en -rechten bij de pensioenuitvoerder en -rechten geldig moeten en kunnen maken?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en op eerdere Kamervragen3, is de werknemer via een derdenbeding partij geworden bij de uitvoeringsovereenkomst tussen een werkgever en een pensioenuitvoerder. De werknemer kan nakoming afdwingen door de pensioenuitvoerder.
Klopt de conclusie dat in de situatie waarin verhaal op de werkgever niet meer mogelijk is, omdat deze bijvoorbeeld niet meer bestaat, er sprake kan zijn van de verplichting voor een pensioenverzekeraar om uitkeringen te doen waarvoor nooit premie is ontvangen en ook nooit zal worden ontvangen, voor een risico waar de verzekeraar geen weet van had en ook redelijkerwijs geen weet van had moeten of kunnen hebben?
Ja, met dien verstande dat die conclusie niet alleen geldt voor verzekeraars, maar ook voor pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen (PPI’s). Het is juist de bedoeling dat de pensioenuitvoerder er zelf voor zorgt dat hij zorgvuldig onderzoek doet bij de werkgever of deze alle werknemers heeft aangemeld. Het risico ligt dus met opzet bij de pensioenuitvoerder.4
Zo ja, is dat dan niet ten principale strijdig met het karakter van een verzekering en de kernactiviteit van een verzekeraar, te weten het inschatten, afwegen en afdekken van risico’s? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het gaat hier naar mijn mening juist om inschatten, afwegen en afdekken van risico’s. Zoals De Nederlandsche Bank (DNB) ook in de vragen en antwoorden op de website heeft aangegeven, zullen pensioenuitvoerders moeten inschatten hoe groot het prudentiële risico is dat met artikel 5 Pw samenhangt en welke beheersingsmaatregelen daarvoor getroffen moeten worden.5 Een van de beheersingsmaatregelen zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de pensioenuitvoerder een accountantscontrole van de werkgever eist over de informatie die hij aanlevert. Verder kunnen verzekeraars voor de gevallen dat een werkgever failliet is eventueel een buffer aanleggen om de kosten, die met het niet aanmelden samenhangen, op te vangen.
Klopt de conclusie dat de pensioenverzekeraar in dergelijke gevallen gedwongen is een min of meer blanco cheque af te geven, daar de verzekeraar immers niet weet wat hij niet weet? (Met andere woorden: de verzekeraar weet niet hoeveel deelnemers met welke aanspraken er niet zijn aangemeld door de werkgever terwijl deze dat op basis van de uitvoeringsovereenkomst wel verplicht was te doen). Hoe beoordeelt DNB als toezichthouder van pensioenverzekeraars dit risico?
Nee. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 kan een pensioenuitvoerder maatregelen nemen om het risico te beperken. Ook de beoordeling van het risico door DNB komt aan de orde in het antwoord op vraag 6.
Klopt de conclusie dat de positie van een pensioenverzekeraar in dezen principieel anders is dan die van een pensioenfonds, omdat een pensioenfonds kan afstempelen indien zich ineens niet bekende risico’s manifesteren en een pensioenverzekeraar niet? Is het waar dat daarom tijdens de parlementaire behandeling dit onderscheid wel nadrukkelijk is gemaakt?2
Nee. Als het gaat om aansprakelijkheid van pensioenuitvoerders in het geval een werkgever heeft verzuimd een deelnemer bij de pensioenuitvoerder aan te melden, is de positie van een pensioenverzekeraar niet principieel anders dan die van een pensioenfonds. Het klopt dat in de aangehaalde passage in de Kamerstukken is aangegeven dat pensioenfondsen meer mogelijkheden hebben om een premieachterstand in te halen of op te vangen. Deze passage heeft echter niet specifiek betrekking op de situatie dat een werkgever heeft verzuimd een deelnemer bij de pensioenuitvoerder aan te melden.
Zo ja, waarom wordt dit onderscheid dan ook niet gemaakt in het standpunt van DNB en in uw antwoord op de eerdere vragen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind dat het belang van de individuele deelnemer hier voorop dient te staan. Het is onwenselijk als het risico van een fout in het gegevensverkeer tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder afgewenteld wordt op individuele deelnemers. Gelet op het belang van de individuele deelnemer ligt het ook voor de hand dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen een pensioenfonds en een pensioenverzekeraar. Zoals in het standpunt van DNB en in mijn antwoorden op eerdere vragen is aangegeven, moet zoveel als mogelijk worden voorkomen dat de individuele deelnemer de dupe wordt van een fout in het gegevensverkeer.
Klopt de conclusie dat de door u in het antwoord op vraag 11 aangegeven gedachte van de pensioenwet dat zowel de pensioenwerkgever als de pensioenuitvoerder hun verantwoordelijkheid nemen om te voorkomen dat er in het gegevensverkeer iets misgaat, in het amendement -De Vries3 was geborgd doordat de verzekeraar alleen dan niet aansprakelijk zou zijn indien de werkgever zijn verplichting tot het verstrekken van inlichtingen niet nakomt en de verzekeraar zich aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om de werkgever aan deze verplichting te laten voldoen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik ook in het antwoord op vraag 9 heb aangegeven, gaat het er om dat voorkomen moet worden dat de individuele deelnemer de dupe wordt van een fout in het gegevensverkeer. Dit belang van de individuele deelnemer is naar mijn mening niet geborgd in het aangehaalde amendement De Vries.
Als door de huidige onzekerheid over deze wetgeving de situatie dreigt te ontstaan dat de verzekeraar zegt: u was niet aangemeld dus ga maar naar uw voormalig werkgever, terwijl de werkgever zegt: u was aangemeld dus claim maar bij de verzekeraar en e werknemer hierdoor straks niet weet waar hij aan toe is, kunt u dan ook bevestigen dat het voor de verzekerde ten allen tijde duidelijk zal zijn toe wie hij of zij zich moet wenden? Hoe gaat u dit regelen?
De werknemer kan in een dergelijk geval bij de pensioenuitvoerder een beroep doen op zijn pensioenrechten.8 De werknemer kan nakoming bij de pensioenuitvoerder afdwingen. Een uitzondering hierop is de situatie dat de werknemer toerekenbaar heeft bijgedragen aan het feit dat de pensioenuitvoerder niet geïnformeerd is (bijvoorbeeld fraude, misleiding).
Bent u bereid om bij de eerst mogelijke gelegenheid een wijziging van artikel 23 van de Pensioenwet voor te stellen conform de tekst van het amendement -De Vries zodat de Kamer zelf een oordeel kan uitspreken over de vraag of en in hoeverre pensioenverzekeraars aansprakelijk moeten zijn voor deelnemers en aanspraken of rechten die zij niet kennen en redelijkerwijs niet hadden kunnen kennen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Met het oog op het belang van de individuele deelnemer, zoals toegelicht in het antwoord op de vragen 9 en 10, voel ik niets voor een wijziging van de Pw op dit punt.
Rechtszaken tegen het klooster Mor Gabriel |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat twee rechtszaken tegen het klooster Mor Gabriel nog steeds lopen?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de rechtszaak tegen de voorzitter van de stichting van het klooster op 25 april jl. voor de 13e keer verdaagd werd en nu op 13 juni plaats zal vinden?
Ja, ik heb kennis van genomen de verdaging van de rechtszaak. Voor de zitting was reeds duidelijk dat het om een strikt procedurele zitting zou gaan. Het houden van dergelijke procedurele zittingen komt in het Turkse rechtssysteem regelmatig voor. In dat opzicht is het hoge aantal zittingen in de rechtszaak tegen de voorzitter van het klooster niet opzienbarend.
Hoe beoordeelt u de zeer frequente verdagingen van zaken tegen het klooster en tegen de voorzitter van de kloosterstichting?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich dat in antwoorden op eerdere vragen uw ambtsvoorganger heeft aangegeven dat ambassades van EU-lidstaten bij toerbeurt de rechtszaken tegen het klooster zouden bijwonen en dat de Kamer daarover geïnformeerd zou worden?1
Ja.
Kunt u aangeven welke vertegenwoordigers van de Europese Unie bij welke zittingen van rechtszaken tegen het Mor Gabriel klooster aanwezig waren sinds 2009 en kunt u per zitting aangeven wat de relevante observaties waren?
De afspraak tussen ambassades van geïnteresseerde landen in Ankara is dat in beginsel een vertegenwoordiger van de EU-delegatie de zittingen zal bijwonen. Daarnaast wordt per zitting bepaald of andere geïnteresseerde ambassades een vertegenwoordiger zullen sturen. Ook is afgesproken dat strikt procedurele zittingen niet worden bijgewoond. De Nederlandse ambassade is aanwezig geweest bij zittingen in mei, juni en november 2009. Verder zijn het vooral de Duitse en Zweedse ambassades die zittingen bijwonen.
In het algemeen kan geconstateerd worden dat de uitspraken in de rechtszaken over het klooster bij de lokale rechtbanken in Midyat veelal in het voordeel van het klooster uitvallen, maar dat de Hoge Raad veeleer de tegenpartij in het gelijk heeft gesteld. Nu de rechtsmiddelen voor één van de zaken in Turkije zijn uitgeput, heeft het klooster besloten de zaak aanhangig te maken bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.
Zijn er ook (geplande) zittingen geweest in deze drie en een half jaar waarbij geen vertegenwoordiger van de EU aanwezig was?
Ja. Zoals onder antwoord 5 aangegeven worden louter procedurele zittingen niet door waarnemers bijgewoond.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór 15 juni met het oog op het nota-overleg over het Mor Gabrielklooster op 20 juni?
Ja.
Het bericht “Erven huis zorgt voor problemen” |
|
Jan van Bochove (SGP), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van «Erven huis zorgt voor problemen»?1
Ja.
Hoeveel mensen hebben sinds 1 januari 2012 uitstel gevraagd voor betaling van de erfbelasting in verband met een onverkocht huis? En in hoeveel gevallen is dat uitstel verleend?
In de periode 1 januari 2012 tot 1 mei 2012 zijn 528 verzoeken om uitstel binnengekomen. Daarvan zijn er nog 87 in behandeling. In 441 gevallen is uitstel van betaling verleend, waaronder 48 uitstellen die door hypothecaire zekerheid op de verworven onroerende zaak zijn afgedekt vanwege het feit dat het openstaande bedrag € 50 000 te boven gaat.
Hoeveel mensen hebben zich sinds 1 januari 2012 tot de Belastingdienst gewend met problemen met het betalen van de erfbelasting, omdat zij ook twee jaar na overlijden niet in staat geweest zijn om de woning te verkopen en moeite hebben om de erfbelasting te voldoen, omdat er in de erfenis verder relatief weinig liquide middelen aanwezig zijn?
Uit informatie van de Belastingdienst blijkt dat sinds 1 januari 2012 zich ongeveer 200 mensen hebben gewend tot de Belastingdienst met problemen om de erfbelasting te betalen, omdat zij ook twee jaar na het overlijden niet in staat zijn geweest de woning te verkopen.
In hoeveel gevallen is uitstel van betaling van erfbelasting geweigerd sinds 1 januari 2012 en om welke redenen is dat geweigerd?
In het algemeen lukt het om met belastingschuldigen tot een vergelijk te komen tot verlenging van het uitstel. In enkele gevallen wordt een verlenging van het uitstel geweigerd, omdat belastingschuldigen medewerking weigeren, aan bijvoorbeeld het stellen van de vereiste zekerheid.
Klopt het dat gezien de moeilijke situatie op de huizenmarkt mensen tijdelijk hun hypotheeklasten voor een onverkocht huis drie jaar mogen aftrekken, maar dat mensen die een huis erven maximaal twee jaar na overlijden de erfbelasting moeten voldoen?
Het klopt dat op grond van art. 3 111, tweede lid, Wet inkomstenbelasting 2001 het mogelijk is hypotheeklasten voor een onverkocht huis gedurende een periode van drie jaren af te trekken, gelet op de moeilijke situatie op de huizenmarkt. Niet juist is de stelling dat mensen die een huis erven maximaal twee jaren na het overlijden de erfbelasting moeten voldoen. De Leidraad Invordering 2008 geeft de ontvanger namelijk de mogelijkheid, als er sprake is van bijzondere omstandigheden, om een langere termijn van uitstel te hanteren dan het reguliere uitstelbeleid voorschrijft. Uit de praktijk blijkt dat de ontvangers in bijna alle gevallen voor de betaling van een aanslag erfbelasting, als sprake is van een erfenis die bestaat uit een niet verkochte woning, het reguliere uitstel van 1 jaar verlengen, gelet op de situatie op de woningmarkt.
Bent u bereid om mogelijk te maken dat mensen die een erfenis verkrijgen die grotendeels bestaat uit een niet verkochte woning – al dan niet belast met een hypotheek – maximaal twee jaar uitstel (bovenop het standaard jaar) krijgen voor betaling van het erfrecht?
Het is thans reeds beleid dat van het standaardjaar voor het verlenen van uitstel kan worden afgeweken in bijzondere gevallen (zie het antwoord op vraag 5). Daarbij gelden in dat kader als voorwaarden dat zekerheid moet worden gesteld en dat het huis te koop moet staan. Mij zijn geen gevallen bekend waarin een verleend uitstel niet wordt verlengd als aan voormelde twee voorwaarden is voldaan. Het is derhalve niet nodig om nadere maatregelen te treffen en het mogelijk te maken, zoals vraagstellers voorstellen, om maximaal twee jaar uitstel (bovenop het standaard jaar) voor te schrijven.
Bent u bereid de regeling voor uitstel van betaling voor het erven van de blote eigendom van de woning (artikel 25, lid 20, Invorderingswet 1990) tijdelijk uit te breiden tot nalatenschappen die voor een groot deel bestaan uit een nog niet verkochte woning, al dan niet met hypotheek bezwaard, als de belastingplichtige over onvoldoende andere middelen beschikt om de erfbelasting te kunnen betalen?
De bijzondere uitstelfaciliteit van artikel 25, twintigste lid, van de Invorderingswet 1990 dient een ander doel. Die faciliteit regelt dat de erfgenamen niet gedwongen worden om hun eigen middelen aan te wenden voor de betaling van erfbelasting, terwijl zij feitelijk niets ontvangen uit de nalatenschap. Deze bepaling, die in de praktijk zal spelen ingeval kinderen van hun eerst-stervende ouder erven, is er mede op gericht om de bewoning van de eigen woning door de langstlevende ouder te waarborgen. De situatie waarop de vraagstellers doelen ziet op geheel andere situaties, namelijk op situaties waarin de erven de woning juist willen verkopen. Het ligt daarom niet voor de hand de eerdergenoemde uitstelfaciliteit hiervoor aan te passen.
Hoe gaat u om met mensen die voor 2012 een huis geërfd hebben en hun huis tegen een lagere prijs verkocht hebben dan de WOZ-beschikking, waarop de erfbelasting gebaseerd is, aangaf?
Voor de heffing van erfbelasting wordt aangesloten bij de waarde van het huis op het tijdstip van overlijden. Volgens de Successiewet 1956 geldt voor mensen die vóór 2012 een huis hebben geërfd als waarde de WOZ-waarde die geldt voor het kalenderjaar waarin het overlijden heeft plaatsgevonden. Ontwikkelingen na het overlijden, zoals bijvoorbeeld een daling van de huizenprijzen, hebben geen gevolgen voor de vastgestelde erfbelasting.
Inmiddels is de wet ten aanzien van de te hanteren WOZ-waarde versoepeld. Voor overlijdens op of na 1 januari 2012 geldt een keuzeregeling. Indien de verkrijger van een woning daarvoor kiest, kan de WOZ-waarde gehanteerd worden die geldt voor het kalenderjaar volgend op het jaar waarin het overlijden heeft plaatsgevonden. Op die manier kan men kiezen voor een WOZ-waarde waarvan de peildatum dichter ligt bij de datum van overlijden. De versoepeling geldt evenwel niet voor overlijdens in 2010 en 2011. In dit verband verwijs ik naar hetgeen ik hierover bij de behandeling van het Belastingplan 2012 in de Eerste Kamer heb gezegd (EK 2011–2012, 33 003, Nr. D, blz. 25).
Hoe kijkt u aan tegen het voorstel om beneficiair aanvaarden de standaard te maken, zoals nu in veel andere Europese landen het geval is?
Dit zou de afwikkeling van een nalatenschap voor erfgenamen aanzienlijk complexer maken. Door beneficiaire aanvaarding, oftewel aanvaarding van de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving, worden erfgenamen niet langer van rechtswege eigenaar van alle goederen van de nalatenschap. Zij kunnen hierdoor niet meer onderling de nalatenschap verdelen, maar maken pas aanspraak op de goederen van de nalatenschap die zijn overgebleven nadat alle schulden van de nalatenschap zijn voldaan.
Erfgenamen moeten in geval van beneficiaire aanvaarding namelijk de nalatenschap op formele wijze, volgens de regels van vereffening, met betrokkenheid van de rechter afwikkelen. Dit leidt tot extra administratieve lasten en kosten voor erfgenamen.
Deze wijze van afwikkeling verdraagt zich bovendien niet met de wettelijke verdeling van artikel 4:13 van het Burgerlijk Wetboek, waardoor de langstlevende van rechtswege alle goederen van de nalatenschap verkrijgt. Indien beneficiaire aanvaarding de standaard wordt, zal de langstlevende echtgenoot indien hij of zij niet tot vereffening van de nalatenschap wil overgaan, altijd een verklaring van zuivere aanvaarding moeten afleggen. Het vergeten van deze verklaring zal in dat geval tot grote problemen leiden voor de langstlevende, zoals het noodgedwongen moeten verkopen van de eigen woning.
Ziet u mogelijkheden om mensen beter te wijzen op de mogelijkheid om beneficiair de erfenis te aanvaarden?
Zowel door de Rijksoverheid (www.rijksoverheid.nl) als door notarissen worden brochures uitgegeven en wordt informatie verstrekt over wat erfgenamen kunnen doen als zij een erfenis krijgen. Erfgenamen worden in het bijzonder geïnformeerd over de gevolgen van het aanvaarden van een nalatenschap en over de mogelijkheid tot beneficiaire aanvaarding of verwerping van een nalatenschap. Indien een erfgenaam wil weten of in zijn geval het verstandig is om de nalatenschap beneficiair te aanvaarden of zelfs te verwerpen, zal hij zich tot een notaris moeten wenden voor advies.
Over het bericht "Achterstand bij verwerking van wijziging rekeningnummers" |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Achterstand bij verwerking van wijziging rekeningnummers» op de site van de Belastingdienst/Toeslagen, voordat het op de site geplaatst werd of erna?1
Dit bericht is met mijn instemming op de site geplaatst.
Hoeveel mensen hebben een wijziging in het rekeningnummer doorgegeven, dat niet verwerkt is in het systeem per 1 mei 2012?
24 091 toeslagaanvragers hebben een rekeningnummer wijziging doorgegeven die op 1 mei nog niet is verwerkt.
Lukt het u alle betrokkenen binnen een week te informeren en hen te benaderen voor het juiste rekeningnummer?
Alle betrokkenen hebben de wijziging al doorgegeven, maar deze is niet verwerkt. Zaterdag 5 mei hebben alle betrokkenen van de Belastingdienst een brief ontvangen over de vertraging. De verwerking van de wijzigingen is nu in volle gang. In het kader van de fraudebestrijding ontvangen betrokkenen deze week een brief met het verzoek de rekeningnummerwijziging schriftelijk te bevestigen. Na ontvangst van deze bevestiging wordt het rekeningnummer onmiddellijk gewijzigd.
Waardoor wordt dit probleem veroorzaakt en wanneer is het voor het eerst opgemerkt door de Belastingdienst/Toeslagen?
Het verwerken van deze bestanden is gedeeltelijk een handmatig proces. Hierbij is een fout gemaakt. Op 18 april jl. is geconstateerd dat enkele bestanden met wijzigingsverzoeken van rekeningnummers niet waren verwerkt.
Hoe kunnen mensen, die liever hebben dat de betaling van toeslagen wordt stopgezet, zich onmiddellijk melden bij de Belastingdienst/Toeslagen?
Toeslagaanvragers die de betaling van toeslagen willen stopzetten kunnen contact opnemen met de BelastingTelefoon.
Indien de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag automatisch heeft doorbetaald op de rekening van een failliete kinderopvanginstelling en de ouder heeft tijdig het nummer van de nieuwe instelling opgegeven, waarop de kinderopvangtoeslag moet worden betaald, is de Belastingdienst dan aansprakelijk voor de schade? Zo nee, wat had de ouder voor een actie moeten ondernemen? (casus ondershands beschikbaar)
Ouders die door de vertraagde verwerking van het wijzigingsverzoek schade hebben geleden, kunnen via de BelastingTelefoon contact opnemen met de Belastingdienst. Er zal dan samen met de toeslagaanvrager naar een passende oplossing worden gezocht. Graag ontvang ik de casus zodat ik die kan laten onderzoeken.
Indien de kinderopvangtoeslag is overgemaakt op de rekening van een onwillige voormalige (huwelijks)partner, zal de Belastingdienst dan zorgdragen voor de terugvordering?
Ja, een aanvrager die tijdig om wijziging van het rekeningnummer heeft gevraagd kan hierom vragen door contact op te nemen met de BelastingTelefoon.
Hoeveel bezwaarschriften van meer dan zes weken oud zijn nog niet afgehandeld voor huurtoeslagen, zorgtoeslagen en kinderopvangtoeslagen?
98% van de bewaarschriften bij toeslagen wordt binnen de termijn behandeld. De Algemene Wet Bestuursrecht artikel 7:10 bepaalt dat het bestuursorgaan beslist binnen zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
Op 7 mei 2012 waren er respectievelijk 2 942 bezwaarschriften huurtoeslag, 3 145 bezwaarschriften zorgtoeslag en 3 568 bezwaarschriften kinderopvangtoeslag meer dan zes weken oud en nog niet afgehandeld. Gelet op het bovenstaande betekent dit echter niet niet dat de behandeltermijn voor deze bezwaarschriften op dat moment al is verstreken.
Wilt u de Kamer binnen een week uitvoerig en compleet informeren over de gerezen problemen?
De uitvoerige en complete beantwoording van uw vragen vergde meer dan een week.
Mogelijke illegale asbestopslag |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Michiel Holtackers (CDA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Onderzoek sloopbedrijf in Enschede» en «Ondernemer: «Asbest veilig opgeslagen»»?1 2
Deze berichten zijn mij bekend.
Klopt de bewering dat bij asbestsaneringsbedrijf Stokkentre aan de Binnenhaven in Enschede zonder vergunning asbest is opgeslagen? Zo ja, kunt u de omvang van de illegale opslag beschrijven? Is het asbest wel op een verantwoorde manier opgeslagen, volgens de daarvoor geldende regels?
De provincie Overijssel is bevoegd gezag voor de vergunningverlening en handhaving. De politie, de provincie Overijssel en de inspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doen onderzoek naar illegale praktijken bij het Enschedese sloop- en asbestsaneringsbedrijf Stokkentre.
Indien is er sprake is van illegale opslag van asbest; heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) controlerend en handhavend opgetreden in deze zaak? Zo ja, welke maatregelen zijn genomen? Maakt intrekking van het certificaat voor asbestverwijdering van het bedrijf deel uit van de maatregelen van de ILT in deze zaak? Zo nee, waarom niet?
Bij de handhaving van de asbestregelgeving zijn diverse overheden betrokken, ieder vanuit een eigen wettelijke verantwoordelijkheid. De ILT heeft in deze zaak geen controlerende en handhavende rol. Het bevoegde gezag met betrekking tot de certificering is de certificerende instelling die het certificaat kan schorsen.
Zijn er andere bedrijven betrokken bij deze zaak? Zo ja, welke?
Zie antwoord op vraag 2.
Zou de afschaffing van de stortbelasting en de introductie van een stortverbod van asbest in het algemeen, en in het bijzonder in deze zaak, een reden kunnen zijn voor (illegale) opslag van asbest? Hebben u signalen bereikt uit de sector dat dit het geval is? Kunt u inzicht geven in de resultaten van de monitoring van de opslag en het storten van asbest en andere afvalstoffen als gevolg van het afschaffen van de stortbelasting, zoals eerder gevraagd is tijdens het wetgevingsoverleg op 7 november 2011 over het Belastingplan 2012?
Per 1 januari 2012 is de afvalstoffenbelasting (Wet belastingen op milieu-grondslag) afgeschaft. In mijn brief van 25 augustus 2011 «Meer waarde uit afval» heb ik een stortverbod voor hechtgebonden asbest aangekondigd, welke inwerking zal treden zodra een alternatieve verwerkingsmethode (het denatureren van de asbestvezel) operationeel is. Er hebben mij geen signalen bereikt dat afschaffing van de afvalstoffenbelasting en de introductie van een stortverbod voor hechtgebonden asbest in het algemeen, en in het bijzonder in deze zaak, redenen kunnen zijn voor (illegale) opslag van asbest.
Agentschap NL is onder meer verantwoordelijk voor de monitoring van en rapportage over de uitvoering van het afvalbeleid in Nederland.
Is deze zaak voor u reden om de wijze waarop asbestverwijdering is geregeld, opnieuw tegen het licht te houden? Is dit een op zichzelf staand incident of heeft u aanwijzingen dat illegale opslag en stort van asbest een structureel probleem is?
Nee. Het is aannemelijk dat een substantieel deel van het asbest uiteindelijk via allerlei kanalen terecht komt op een vergunde stortplaats. Mij zijn mij geen signalen bekend dat illegale opslag en stort van asbest een structureel probleem is.
De aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de waarschuwing op de website van de Belastingdienst1 dat de kosten voor verzorging niet aftrekbaar zijn als de gehandicapte voldoende inkomen of vermogen heeft om de uitgaven zelf te betalen?
Ja. Zoals uit beantwoording van de vragen 2, 3 en 4 blijkt ligt de beoordeling van dit vereiste echter genuanceerder en komt helaas nog onvoldoende tot uitdrukking in de tekst op de website van de Belastingdienst. Deze wordt dan ook aangepast.
Kunt u aangeven wat de juridische grondslag van dit vereiste is? Waar kan de gehandicapte of diens familie dit vereiste in de wet- of regelgeving terugvinden?
De juridische grondslag is opgenomen in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het gaat om twee vereisten.
Allereerst moeten de uitgaven op de belastingplichtige drukken om als persoonsgebonden aftrekpost te kunnen worden aangemerkt. Dit betekent dat de belastingplichtige (ouder/verzorger) de kosten zelf draagt en hiervoor geen verhaalsmogelijkheid heeft (op de gehandicapte of anderszins). Als de belastingplichtige een vergoeding krijgt voor de kosten van het verblijf en/of het vervoer van de gehandicapte, moet deze in mindering worden gebracht op het aftrekbare bedrag. Voor het in aanmerking te nemen bedrag aan weekenduitgaven geldt een forfait en geldt geen drempel.
Het tweede vereiste is dat de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen om de uitgaven te doen. Dit betekent dat de uitgaven noodzakelijk moeten zijn of dat er sprake moet zijn van een dringende morele verplichting om de uitgaven te doen.
De genoemde criteria brengen met zich mee dat de inkomens- en vermogenspositie van de gehandicapte van belang is. Alleen het inkomen en vermogen van de gehandicapte en diens eventuele partner spelen een rol bij die beoordeling.
Er bestaat geen vaste grens aan inkomen of vermogen waarbij de aftrek wordt belemmerd, dit is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. In het algemeen zal de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen kunnen voelen de uitgaven te doen. Bij de weekendzorg voor een gehandicapte is er doorgaans sprake van bijzondere omstandigheden waarbij het zeer bezwaarlijk kan zijn de kosten van opvang op de gehandicapte te verhalen.
Waarom geldt deze inkomens- en vermogenstoets ten aanzien van de gehandicapte, terwijl de aftrekpost bedoeld is voor de familie die de gehandicapte thuis opvangt en die daarvoor kosten maakt?
Zie antwoord vraag 2.
Bij welk inkomen of vermogen wordt de gehandicapte voor toepassing van deze aftrek geacht de kosten voor opvang en vervoer van het (in het weekend) thuiswonen zelf te kunnen betalen? Welke drempels gelden hierbij? Telt hierbij ook het inkomen of het vermogen van de partner of de familie mee?
Zie antwoord vraag 2.
Toezicht op de pensioenen |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitspraak van uw ambtsvoorganger die tijdens de parlementaire behandeling van de Pensioenwet heeft gezegd: «Dat betekent overigens niet dat pensioenuitvoerders in een voorkomend geval per definitie wel aansprakelijk zijn; indien de werkgever verzuimt de gegevens van een bepaalde werknemer aan de pensioenuitvoerder te verstrekken ligt het in de rede dat die werknemer de werkgever aansprakelijk stelt voor de schade»?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van uw ambtsvoorganger die tijdens de parlementaire behandeling van de Pensioenwet heeft gezegd: «Dit betekent overigens geenszins, dat de verzekeraar per definitie aansprakelijk zou zijn indien de werkgever zich niet aan de afspraken houdt»?2
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van uw ambtsvoorganger die tijdens de parlementaire behandeling van de Pensioenwet heeft gezegd: «Juridisch gezien heeft de verzekeraar dit artikellid overigens helemaal niet nodig in het geval het verzuim evident bij de werkgever ligt. Uitsluitend voor gevallen waarin getwijfeld kan worden of het verzuim bij de werkgever ligt – en er dus mogelijk (mede) sprake is van een verzuim van de verzekeraar zelf – hebben verzekeraars baat bij dit artikel»?2
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van uw ambtsvoorganger die tijdens de parlementaire behandeling van de Pensioenwet heeft gezegd; «Indien een werkgever heeft nagelaten een werknemer aan te melden, verzaakt hij de onderbrengingsplicht van artikel 22 van de Pensioenwet en zal de werknemer uitsluitend de werkgever kunnen aanspreken»?3
Ja.
Is het waar dat al deze passages gaan over de situatie waarin een deelnemer buiten de schuld van een pensioenverzekeraar niet is aangemeld door zijn werkgever?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat het amendement van het lid Bibi de Vries (VVD) waarin zij voorstelde om onder aanduiding van de tekst als eerste lid aan artikel 23 Pensioenwet (thans artikel 24) een zodanige toevoeging te doen dat de werkgever de inlichtingen verstrekt die de pensioenuitvoerder nodig heeft om de verplichtingen te kunnen nakomen die ingevolge de Pensioenwet op hem rusten? Bent u voorts bekend met het feit dat zij een toevoeging voorstelde van een tweede lid aan dit artikel met de inhoud; «de verzekeraar is jegens de deelnemers of gewezen deelnemers niet aansprakelijk, indien de werkgever zijn verplichtingen tot het verstrekken van inlichtingen niet nakomt, mits de verzekeraar zich aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om de werkgever aan deze verplichtingen te laten voldoen»?4 Bent u bekend met de toelichting op dit amendement waarin het lid Bibi de Vries opmerkt: «Een verzekeraar dient zich voldoende in te spannen teneinde de informatie te verkrijgen die hij nodig heeft om de pensioenovereenkomst te kunnen uitvoeren. Deze verplichting gaat echter niet zo ver dat een verzekeraar gehouden is dekking te verlenen in situaties waarin de werkgever onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt, bijvoorbeeld door daarvoor in aanmerking komende werknemers niet aan te melden bij de verzekeraar, of doordat meer of andere aanspraken zijn verleend dan bij de verzekeraar bekend is. De uitsluiting van de aansprakelijkheid in deze situaties gaat uitdrukkelijk niet zo ver dat zij ook de gevallen omvat waarin sprake is van betalingsachterstand voor bij de verzekeraar bekende deelnemers en dekkingen, zoals bedoeld in artikel 28 (inmiddels 29). Dit amendement heeft slechts de bedoeling om een verzekeraar niet aansprakelijk te doen zijn voor situaties die hij niet kent of redelijkerwijs had kunnen kennen, waarin hij buiten zijn schuld wordt geconfronteerd met bij hem onbekende deelnemers of dekkingen. De positie van een verzekeraar in dezen is dusdanig anders dan die van een pensioenfonds dat er geen reden is om op dit punt het wettelijke regime gelijk te trekken (zie paragraaf 4.6.1 van de memorie van toelichting). Een verzekeraar is immers voor zijn bestandsgegevens geheel afhankelijk van de gegevens die hij van de werkgevers krijgt en hij kan niet, zoals een pensioenfonds dat wel kan, aanspraken verlagen indien er sprake is van onvoldoende financiering en/of dekking»?4
Ja.
Is het waar dat uw ambtsvoorganger in reactie op het hiervoor genoemde amendement heeft gezegd: «Mevrouw De Vries stelt in het amendement op stuk nr. 7 een geclausuleerde vrijwaring van verzekeraars voor aansprakelijkheid als de werkgever verzuimt om informatie te verstrekken voor. Dat amendement is overbodig, omdat er op grond van het civiele recht alleen aansprakelijkheid is als er ook schuld is. Schadelijk is het amendement niet, maar het is overbodig»?5
Ja.
Bent u bekend met het feit dat het lid Bibi de Vries naar aanleiding van deze opmerking het amendement heeft ingetrokken?
Ja.
Klopt de conclusie dat uit uw antwoorden van 7 maart 2012 op eerdere vragen blijkt dat sprake kan zijn van aansprakelijkheid van een pensioenverzekeraar zonder dat sprake is van schuld, namelijk in die gevallen waarop het amendement van mevrouw De Vries betrekking had, waarin buiten de schuld van de pensioenverzekeraar de werkgever heeft verzuimd een deelnemer aan te melden en deze deelnemer ten opzichte van de pensioenverzekeraar een beroep doet op zijn pensioenrechten en aanspraken?6
Ja.
Zo nee, waarom niet?
Nee.
Zo ja, bent u op dit punt van mening veranderd?
In de antwoorden van 7 maart 2012 op eerdere vragen is tot uitdrukking gebracht dat wanneer de werkgever heeft verzuimd een deelnemer bij de pensioenuitvoerder aan te melden, werknemers een beroep kunnen doen op pensioenrechten- en aanspraken bij de pensioenuitvoerder. Dit vloeit voort uit de gedachte van de Pensioenwet dat zowel de werkgever als de pensioenuitvoerder hun verantwoordelijkheid nemen om te voorkomen dat er in het gegevensverkeer iets misgaat. Er is in dit geval echter geen sprake van civielrechtelijke aansprakelijkheid van de pensioenuitvoerder ten opzichte van de deelnemer.
Zoals ook in de eerdere antwoorden is aangegeven, is voor vermindering en verval bij pensioenverzekeringsovereenkomsten slechts plaats, indien de werknemer toerekenbaar heeft bijgedragen aan het feit dat jegens de verzekeraar of het pensioenfonds niet is voldaan aan de mededelingsplicht of indien de werknemer de verzekeraar of het pensioenfonds heeft misleid. In dat geval is de vermindering of het verval van de uitkering beperkt tot het risico met betrekking tot de verzwijgende werknemer. Indien de werknemer niet toerekenbaar heeft bijgedragen aan het feit dat jegens de verzekeraar of het pensioenfonds niet is voldaan aan de mededelingsplicht of indien dit uitsluitend is te wijten aan de verzekeringnemer/werkgever, dan kan de pensioenuitvoerder wat hij zonder deze bepaling in mindering zou mogen brengen op de uitkering aan de derde, verhalen op de verzekeringnemer/werkgever. Het feit dat niet is voldaan aan de mededelingsplicht dient dan voor het risico te komen van de verzekeringnemer/werkgever, op wie de mededelingsplicht immers rust.7 In de relatie tussen de werkgever en pensioenuitvoerder is in dat geval wel sprake van civielrechtelijke aansprakelijkheid (en schuld).
Zo nee, waarom niet? Wilt u in dat geval toelichten hoe de in de vragen 1 tot en met 4 genoemde citaten uit de parlementaire historie van de Pensioenwet zich verhouden tot deze kennelijk ongewijzigde mening?
Nee.
Zo ja, klopt de conclusie dat het toenmalig lid Bibi de Vries haar amendement op basis van de door uw ambtsvoorganger verstrekte informatie, naar nu blijkt op onjuiste gronden, heeft ingetrokken?
De lijn dat in de relatie tussen de pensioenuitvoerder en de werkgever sprake is van civielrechtelijke aansprakelijkheid als de werkgever heeft verzuimd om gegevens te verstrekken, is niet veranderd.
Zo nee, waarom niet?
Niet van toepassing.
De Magnitsky zaak |
|
Coşkun Çörüz (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Aangezien de Russische autoriteiten vele feiten en documenten over het hoofd lijken te zien, bent u bereid aan de Russische autoriteiten te vragen of enig van de documenten op de site «Russian untouchables» onder de noemers vervalst of nagemaakt is of dat ze alle echt zijn?5
Het strafrechtelijk onderzoek inzake de dood van de heer Magnitsky loopt nog. Navraag doen over genoemde documenten zou neerkomen op interventie van een derde land in een nog lopende strafzaak. Zie ook mijn antwoord op uw vragen van 20 februari 2012 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 1757).
Heeft u kennisgenomen van de unaniem aangenomen motie in het Britse parlement op 7 maart met de titel «Human Rights Abuses and the Death of Sergei Magnitsky», die oproept tot sancties en expliciet gesteund werd door drie voormalige ministers van Buitenlandse Zaken?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de Russische autoriteiten zelfs overgaan tot het verbieden van een bijeenkomst/demonstratie over de Magnitsky zaak?6
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak op 12 maart van dhr. Michael McFaul, de ambassadeur van de VS in Rusland: «People that were involved in the wrongful death of Sergei Magnitsky are on a visum ban list»?7
Ja.
Kunt u, naar aanleiding van uw antwoord dat het ministerie van Buitenlandse Zaken van de VS aangegeven heeft dat er geen visum ban is, hen opnieuw de vraag stellen en schriftelijk aangeven of er sprake is van een visum ban voor officials die bij de Magnitsky zaak betrokken zijn of niet en deze schriftelijke verklaring aan de Kamer doen komen?
Er bestaat geen categorische ban op het verstrekken van visa aan personen die op de signaleringslijsten voorkomen. Visumaanvragen van betrokken personen worden nauwkeurig bekeken en geweigerd wanneer daar reden toe is. Betrokkenheid bij ernstige mensenrechtenschendingen is een mogelijke reden om een visum te weigeren, zoals President Obama in een presidentiële verklaring op 4 augustus 2011 heeft bevestigd (bijgevoegd).8 De Amerikaanse regering is van mening dat een casus-specifieke visumban zoals voorgesteld in de zogenoemde «Magnitsky Act» geen additionele waarborgen zou opleveren ten aanzien van de huidige praktijk. De Amerikaanse autoriteiten doen geen uitspraken over welke personen op de signaleringslijsten zijn opgenomen. Navraag bij het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft uitgewezen dat deze praktijk ongewijzigd is. Zie ook mijn brieven van 8 november 2011 en 5 maart 2012.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de moeder van Sergei Magnitsky meer dan 20 officiële verzoeken heeft ingediend om de postume zaak tegen haar zoon te stoppen,8 maar dat de zaak gewoon doorgaat?9
Ja.
Herinnert u zich nog uw antwoord «Volgens minister Lavrov was het postume onderzoek niet bedoeld om iemand na zijn dood te beledigen, maar bij ontstentenis van een verzoek van de familie om het onderzoek te beëindigen moest het worden afgerond»?5
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het statement van de Russische ambassade in het Verenigd Koninkrijk, dat deze paragraaf bevat: «In accordance with general rules of the Russian penal legislation, a criminal investigation is discontinued in case of death of the accused person. However, the Constitutional Court of the Russian Federation has recently decided that such a criminal investigation may be resumed or continued in case the person’s relatives insist on his posthumous rehabilitation. According to the information available, this is precisely what the mother of Sergey Magnitsky and his advocates insist on»?10
Ja.
Kunt u aangeven wat waar is:
Ik heb kennisgenomen van genoemde verklaringen. Het is de verantwoordelijkheid van de Russische autoriteiten de feiten vast te stellen en hieromtrent recht te doen.
Hoeveel personen staan op de lijst om geweigerd te worden voor een visum in het Schengen gebied?
De informatie met betrekking tot wie al dan niet in het Schengen Informatie Systeem ter weigering staan geregistreerd, is vertrouwelijk.
Wanneer gaat u eindelijk over tot het instellen van de visumban, zoals unaniem gevraagd door de Tweede Kamer middels de motie- Cörüz c.s.?11
Het onderzoek naar de zaak Magnitsky loopt nog en de rechtsgang in Rusland moet gevolgd worden. Mocht in het licht van de uitkomsten daartoe aanleiding bestaan, dan worden verdere stappen in EU-kader aan de orde gesteld. Zie ook mijn antwoord op uw vragen van 20 februari 2012 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 1757).
de publicatie 'Ondernemingsraad en pensioen' |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de publicatie «Ondernemingsraad en Pensioen» uit de Serie Publicaties van het VU Expertisecentrum Pensioenrecht, geschreven door mr. dr. Mark Heemskerk (hierna: de auteur)?
Ja
Deelt u de mening van de auteur dat het geldend recht is dat de Ondernemingsraad (OR) instemmingsrecht op grond waarvan artikel 27, eerste lid 1 sub a, van de Wet op de ondernemingsraden heeft over zowel de pensioenovereenkomst als de uitvoeringsovereenkomst?
Ja. Ondernemingsraden hebben conform artikel 27 ten aanzien van regelingen die ondergebracht zijn bij een pensioenverzekeraar instemmingsrecht over zowel de pensioenovereenkomst als de uitkeringsovereenkomst (zie Aanhangsel van de Handelingen 2009/10, 2601 en Kamerstukken 2007/08, 31 226, nr. G).
Brengt het voorgaande u ertoe genoemd wetsartikel te verduidelijken?
Nee. Ik zie in de praktijk geen problemen met betrekking tot de huidige formulering.
Deelt u de mening van de schrijver dat de instemming van de OR de individuele medewerker niet bindt?
Ja. In beginsel bindt instemming van de OR de individuele medewerker niet. Wel kan in voorkomende gevallen in het arbeidscontract van een individuele medewerker zijn opgenomen, dat wijziging van specifieke arbeidsvoorwaarden bindend is als de OR hiermee heeft ingestemd. Dan bindt instemming van de OR de medewerker wel.
Is het waar dat aanpassing in fiscale pensioenwetgeving niet dwingend doorwerkt in de pensioenovereenkomst?
Ja. De fiscale wetgeving bepaalt alleen de (voorwaarden voor) fiscale facilitering van pensioen. Deze regelgeving staat in beginsel los van de civielrechtelijke mogelijkheden voor de vormgeving van de pensioenovereenkomst. Tegelijkertijd heeft deze wetgeving in de praktijk grote invloed op de uiteindelijke pensioenregeling. Zowel werkgevers als werknemers willen immers in aanmerking blijven komen voor toepassing van de omkeerregel. Overigens kunnen werkgevers een eenzijdig wijzigingsvoorbehoud hebben overeengekomen voor gewijzigde fiscale regelgeving.
Is het mogelijk dat aanpassing van fiscale pensioenwetgeving leidt tot compensatie-eisen door de OR en/of individuele medewerker?
Ja. Een pensioenovereenkomst is een afspraak tussen werkgevers en werknemers. Zij hebben altijd de mogelijkheid over een eerder gesloten overeenkomst te heronderhandelen. Het kan zijn dat er bij de totstandkoming van de overeenkomst afspraken zijn gemaakt over compenserende maatregelen bij wijziging van fiscale pensioenwetgeving.
De wens van gemeenten om het Nedersaksisch als streektaal te erkennen |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Henk Jan Ormel (CDA), Sander de Rouwe (CDA), Margreeth Smilde (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de lang gekoesterde en breed gedragen wens van de provincies Overijssel, Gelderland, Drenthe en Groningen en de gemeenten Oost- en West-Stellingwerf om het Nedersaksisch als streektaal te erkennen op het niveau III van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden?
Ja.
Bent u er van op de hoogte dat de officiële aanvraag voor de erkenning van het Nedersaksisch al op 26 maart 2010 is aangeboden aan de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, maar dat een officiële reactie van het kabinet tot op de dag van vandaag is uitgebleven?1
Ja. Vertraging in de beantwoording is het gevolg van een kabinetswisseling en een zorgvuldige toetsing van de bevindingen in het onderzoeksrapport «Nedersaksisch waar het kan» van onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen. Bij deze toetsing waren de ministeries van OCW, V&J, EL&I, SZW, BZ en VWS betrokken.
Is het waar dat u recent heeft gesproken met een delegatie van deskundigen van de Raad van Europa over een hogere beschermde status voor het Nedersaksisch? Heeft deze delegatie het pleidooi voor erkenning onder deel III uit de regio’s onderschreven?2
Op ambtelijk niveau is door vertegenwoordigers van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesproken met een delegatie van deskundigen van de Raad van Europa. De delegatie heeft weliswaar geen pleidooi gehouden voor opschaling van het Nedersaksisch naar Deel III van het Europees Handvest, maar er wel bij Nederland op aangedrongen om zijn standpunt inzake een al of niet erkenning van het Nedersaksisch onder Deel III voor eind maart 2012 bekend te maken.
Staat het kabinet – zoals de staatssecretaris destijds bij het in ontvangst nemen van de aanvraag heeft aangegeven – nog steeds positief ten opzichte van de aanvraag? Welke mogelijkheid ziet u om het Nedersaksisch te erkennen op het niveau van deel III, onder de voorwaarden die destijds door het kabinet zijn gesteld? Wanneer kan de Kamer hierover een besluit verwachten?
Ik deel ten volle het uitgangspunt van de toenmalige staatssecretaris, overeengekomen met de bestuurders uit Noordoost-Nederland, dat erkenning onder Deel III van het Europees Handvest alleen zal plaatsvinden, indien het bestaande beleid van provincies en gemeenten toereikend is om het Nedersaksisch te doen kwalificeren voor Deel III van het Europees Handvest. Dit impliceert dat erkenning onder Deel III geen extra administratieve, financiële en andere lasten met zich meebrengt, noch voor het Rijk noch voor de desbetreffende decentrale overheden. De uitkomst van de inventarisatie die is uitgevoerd door de betrokken vakministeries valt in dat opzicht negatief uit. Naar aanleiding hiervan acht ik het daarom niet opportuun dat Nederland bij de Raad van Europa kenbaar maakt dat bescherming van het Nedersaksisch voortaan plaatsvindt conform ten minste 35 bepalingen van Deel III van het Europees Handvest. Bijgevolg blijft het beschermingsniveau van het Nedersaksisch ook in de toekomst vallen onder Deel II van dit verdrag van de Raad van Europa.
De uitkomst van de inventarisatie, vergezeld van een nadere analyse uitgevoerd door de vakministeries vermeld in mijn antwoord op vraag 2, is bij brief van 20 maart meegedeeld aan de decentrale overheden in Noordoost-Nederland. Brief en bijlage zijn bijgevoegd in afschrift bij deze Kamervragen.3 Ook de Raad van Europa zal dienovereenkomst worden geïnformeerd.