De rapporten over de BRZO-rapportage van Odfjell van oktober 2012 |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Kunt u de rapporten over de BRZO-rapportage van Odfjell van oktober 2012, die volgens de DCMR Milieudienst Rijnmond binnen anderhalve maand openbaar zouden zijn, aan de Kamer doen toekomen?1 2
Het inspectierapport van inspectiedagen 1, 9, 10, 11, 16 en 17 oktober 2012 is op 8 februari 2013 vrijgegeven. Het rapport geeft aan dat er overtredingen zijn geconstateerd waartegen handhavend opgetreden is. De tijdens deze BRZO-inspectie geconstateerde overtredingen zijn niet van dien aard dat activiteiten niet meer veilig zouden kunnen worden uitgevoerd. De rapportage zend ik hierbij toe.3
Kunt een overzicht geven van elke aan een BRZO-bedrijf opgelegde dwangsom (inclusief fatale datum) en een met redenen omkleed overzicht van inning of niet inning van de dwangsommen?
De Inspectie SZW heeft een overzicht beschikbaar van dwangsommen die zij de laatste jaren bij BRZO-bedrijven heeft opgelegd. Van het Wabo bevoegd gezag (inclusief de Veiligheidsregio’s) is dat overzicht er nog niet. Conform mijn eerdere toezegging zal medio 2013 de Landelijke Aanpak Toezicht Risicobeheersing Bedrijven (LAT rb) een monitoringrapport opleveren met een compleet overzicht over 2012 van de drie toezichthouders.
Kunt u een overzicht geven van alle meldingen aan het Centraal Incidentennummer (CIN), die Odfjell gedaan heeft na het geheel stilleggen van de terminal en alle overtredingen en bevindingen die sindsdien geconstateerd zijn?
Datum ontvangst
Voorval / stand van zaken
26-Okt-12 14:52:00
Omschrijving CIN: oude tankleidingen in tankput 9a hebben vlamgevat tijdens het doorslijpen van deze leidingen. 1 poederblusser is leeggespoten. Er zijn verder geen gevolgen geweest.
23-Nov-12 01:04:00
Omschrijving CIN: seal bij pomp onder tank 740 heeft vlamgevat, brand is vanzelf uitgegaan, pomp buitengebruik gesteld. In de tank zat Aardgascondensaat opgeslagen. Er zijn geen gevaarlijke stoffen vrijgekomen.
16-Dec-12 10:29:00
Omschrijving CIN: Tijdens hijswerkzaamheden is hydrauliekslang van kraan aan boord van de Cansay geklapt. De giek is hierdoor naar beneden gevallen.
10-Jan-13 08:47:00
Omschrijving CIN: Een stroomstoring in het ketelpark en delen van de controlekamer waardoor activiteiten zijn stilgelegd.
11-Jan-13 13:20:00
Omschrijving CIN: Door vakbonden uitgeroepen staking. Alle activiteiten stilgelegd behalve de paklijn 14 en de PID-installatie. Ook de BHV organisatie blijft intact.
Bovenstaande incidenten zijn onderzocht door de DCMR. De omvang en ernst van de incidenten leiden op grond van de handhavings- en sanctiestrategie niet tot handhavend optreden.
Jaar
Soort zaak
Overtreding
Actie
2012
25-10-2012
Toezicht/ handhaving
Ontbreken gecertificeerd systeem (verplichting opgenomen in de vergunning)
Voornemen tot het treffen van bestuursrechtelijke maatregelen
08-01-2013
(vervolg op 25-10-2012)
Toezicht/ handhaving
Zie hierboven. Vanwege overlap gecertificeerd systeem met VBS (veiligheidsbeheersysteem), handhaving op BRZO
Afzien bestuursrechtelijke maatregelen
18-12-2012
Toezicht/ handhaving
Ontbreken dampverwerking op de laad- en losplaatsen
Last onder dwangsom opgelegd
1/9/10/11/16/ 17-10-2012
BRZO inspectie
In BRZO rapportage opgenomen
Bestuursrechtelijke handhaving loopt en/of zal gestart worden
Is er enige instantie die beoordeelt of de voorgenomen reorganisatie bij Odfjell leidt tot een achteruitgang van de veiligheid van medewerkers, omgeving en milieu? Zo nee, loopt de regio Rijnmond dan niet een ongelooflijk groot risico?
De overheden die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het BRZO zien toe op de naleving ervan. Het verscherpte toezicht op Odfjell gaat onverkort door. Een reorganisatie is geen overtreding van het BRZO. Wel is er een verplichting opgenomen in het BRZO dat er een Management of Change (MOC) wordt opgesteld bij een reorganisatie. Hierin wordt o.a. de veiligheid van medewerkers, omgeving en milieu opgenomen. Deze MOC zal door het bevoegd gezag worden beoordeeld.
Wanneer zijn de diktes van de leidingen bij Odfjell voor het laatst fysiek gecontroleerd en is de situatie met betrekking tot de leidingen, die in gebruik zijn, nu veilig?
Bij een bedrijf als Odfjell zijn veel verschillende typen leidingen in gebruik met verschillende inspectieregimes. In oktober is steekproefsgewijs het inspectie beheersysteem van de leidingen geïnspecteerd door het Wabo bevoegd gezag. De dikte van de leiding is hier een onderdeel van geweest. De inspectie bestond uit het inspecteren van installaties, documentenreviews en interviews. Op grond van de BRZO-rapportage wordt bepaald of en welke handhaving wordt ingezet.
Indien klokkenluiders bij Odfjell zich willen inzetten voor een veilige leefomgeving, bij wie kunnen zij zich dan melden en op welke wijze wordt er vertrouwelijk omgegaan met meldingen?
Het staat klokkenluiders vrij om waar dan ook meldingen in te dienen. De verschillende bevoegde gezagen beschikken over regelingen voor klokkenluiders, waar gegarandeerd vertrouwelijk wordt omgegaan met meldingen. Ook zijn meldingen via Meld Misdaad anoniem mogelijk.
Een ieder kan melden bij het Meld- en Informatie Centrum (MIC) van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Indien uit de melding blijkt dat het een klokkenluider betreft, en er mogelijk sprake is van een overtreding, kan het MIC de melding doorzetten naar de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst (IOD) van de ILT. De CIE kan onder afscherming van identiteitsgegevens van de melder nader onderzoek doen naar het signaal.
Klokkenluiders bij Odjell kunnen zich melden bij DCMR. DCMR heeft inmiddels een speciale «klokkenluidersregeling» vastgesteld die waarborgt dat informatie van klokkenluiders op een zorgvuldige manier wordt ontvangen en behandeld. Er zijn protocollen voor medewerkers opgesteld en vertrouwenspersonen aangewezen die zorgen voor een goede behandeling van informatie van klokkenluiders.
De verplaatsing van de inwoners van Kamp New Iraq (voormalig Kamp Ashraf) naar Kamp Hurriya |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Harry van Bommel |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Kent u de berichtgeving in The Sunday Telegraph over de verplaatsing van de inwoners van Kamp New Iraq (voormalig Kamp Ashraf) naar Kamp Hurriya?1
Ja.
Klopt de bewering uit het artikel dat de leefomstandigheden in het kamp zeer slecht zijn? Zo ja, hoe verhoudt deze constatering zich tot eerder verstrekte informatie dat de voorzieningen voldoen aan de voorwaarden van de VN?
De leefomstandigheden in Kamp Hurriya op het gebied van water, voedsel en elektriciteit voldoen aan de voorwaarden van de Verenigde Naties (VN). Geïnteresseerde partijen, waaronder de Nederlandse ambassade in Bagdad, worden door de VN voorzien van de rapportages, met fotomateriaal, van de inspecties die dagelijks worden uitgevoerd door de VN en de bewoners van het kamp.
Klopt de bewering uit het artikel dat de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN (UNHCR) in een intern rapport aangaf niet te kunnen waarborgen dat Kamp Hurriya zou voldoen aan de door de VN gestelde standaarden?
Nee. De vertegenwoordiger van UNHCR heeft op 30 januari 2012 in een intern document (zgn. Technical Assessment) verklaard dat het kamp voldeed aan de internationale en VN-standaarden die voor dit soort kampen gelden.
Hoe beoordeelt u de rol van Martin Kobler, Speciaal Vertegenwoordiger van de Secretaris Generaal van de VN voor Irak, in dit proces?
Sinds zijn aantreden als Speciaal Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal van de VN (SRSG) in oktober 2011 heeft de heer Kobler veel tijd en energie besteed aan de situatie rondom de kampen Ashraf en Hurriya. SRSG Kobler rapporteert uitgebreid en frequent aan de internationale gemeenschap en werkt hard aan het vinden van een oplossing voor de bewoners.
Kunt u aangeven in hoeverre de verplaatsing van Kamp New Iraq naar Kamp Hurriya is afgerond? Kunt daarbij aangeven hoeveel mensen op dit moment nog verblijven in Kamp New Iraq en wat er met hen zal gebeuren?
In voormalig Kamp Ashraf ronden nog circa 100 personen de verkoop van de eigendommen van de Mujahedin e Khalq Organisation (MKO) af. Van de 3066 huidige bewoners van Kamp Hurriya zijn er 1839 door UNHCR geïnterviewd. Tot nu toe hebben 1390 van hen volgens UNHCR behoefte aan internationale bescherming. Over 449 personen is nog geen besluit genomen. De resterende 1293 personen moeten nog geïnterviewd worden.
UNHCR hoopt op drie manieren mensen uit het kamp onderdak te kunnen bieden in derde landen. Ten eerste streeft UNHCR naar terugname door derde landen van personen die (verlopen) documenten van deze landen hebben. De tweede mogelijkheid is hervestiging en de derde optie is (tijdelijke) toelating in derde landen voor die personen die niet in aanmerking komen voor terugname of hervestiging.
Welke vorderingen zijn er inmiddels gemaakt met het vaststellen van de vluchtelingenstatus van de inwoners van de kampen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de zorgen omtrent de behandeling van de bewoners van de kampen? Zo ja, op welke manier zet u zich internationaal en in uw contacten met Irak in om de positie van de inwoners te verbeteren?
De woonomstandigheden van de inwoners van Kamp Hurriya voldoen aan de voorwaarden van de VN. In contacten met de Iraakse overheid benadrukt Nederland het belang om dit zo te houden.
het bericht dat premier David Cameron van het Verenigd Koninkrijk op vrijdag 18 januari 2013 een speech zal geven in Nederland met als onderwerp Europa |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat premier David Cameron van het Verenigd Koninkrijk vrijdag een speech zal geven in Nederland met als onderwerp Europa?1
Ja.
Heeft u of uw departement overleg gevoerd over een mogelijke aanwezigheid van u bij de speech van de heer Cameron in Amsterdam?
Op 17 januari heeft premier Cameron besloten de toespraak over Europa die op 18 januari in Nederland gehouden zou worden, uit te stellen vanwege de gijzeling in Algerije.
Aanwezigheid van een lid van de regering bij de toespraak was niet voorzien.
Het bilaterale werkoverleg dat voorafgaand aan diens toespraak zou plaatsvinden, is hiermee ook komen te vervallen. Op de agenda stonden de Europese onderwerpen zoals de meerjarenbegroting en een aantal buitenlandpolitieke en bilaterale onderwerpen.
Zal er een lid van de Nederlandse regering aanwezig zijn bij zijn speech in Amsterdam?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de laatste keer geweest dat een belangrijk Europees leider een belangrijke speech hield over de toekomst van Europa in Nederland en er geen lid van de regering aanwezig was?
Het is geen kabinetsbeleid dat er bij een toespraak van Europese leiders te allen tijde een lid van de regering aanwezig is. Het komt vaker voor dat een buitenlandse regeringsleider of vertegenwoordiger van een internationale organisatie in Nederland een toespraak houdt waarbij geen lid van de regering aanwezig is.
Is de constatering dat u niet aanwezig zult zijn bij deze speech waar? Kunt u deze keuze toelichten, mede in het licht van de vriendschap tussen u en de heer Cameron, die u in een video voor de verkiezingen betitelde als vriend? Bent u nog steeds zijn politieke vriend?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u een ontmoeting en gesprek met de heer Cameron tijdens zijn bezoek aan Nederland? Zo ja, waar vindt de ontmoeting plaats en over welke onderwerpen gaat uw gesprek?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de berichten juist dat u de boodschap van Cameron ten aanzien van Europa deelt? Zo nee, waar zitten volgens u de belangrijkste verschillen?
Zoals hierboven vermeld heeft de heer Cameron de toespraak uitgesteld, zodat de regering geen reactie kan geven op de inhoud ervan. In zijn algemeenheid geldt dat het Verenigd Koninkrijk een belangrijke partner voor Nederland is en dat beide landen op veel terreinen van Europese samenwerking nauw samenwerken.
Kunt u aangeven wat u van de inhoud van de speech van de heer Cameron vindt? Op welke punten zult u gezamenlijk met hem optrekken en op welke punten niet?
Zie antwoord vraag 7.
Mag uit uw afwezigheid bij deze belangrijke speech de conclusie worden getrokken dat u meer afstand neemt van het Britse standpunt ten aanzien van de Europese Unie, waar u eerder «perfect samen optrok»?
Nee. Zoals gezegd, is de inhoud van de toespraak mij niet bekend.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden en in ieder geval voor 22 januari 2013 om 12.00 uur?
Ja.
De sluiting van maatschappelijke organisaties door de regering van Soedan |
|
Désirée Bonis (PvdA), Marit Maij (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() ![]() ![]() |
Kent u het statement van de EU Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid Catherine Ashton van 8 januari 2013 waarin ze haar zorgen uit omtrent de recente sluiting van maatschappelijke organisaties in Soedan?1
Ja.
Deelt u de mening van de EU Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid dat de Soedanese regering de sluiting van de maatschappelijke organisaties moet terugdraaien en zich actief moet inzetten voor een open klimaat waarin deze organisaties onafhankelijk en vrij kunnen opereren? Zo ja, bent u voornemens de Soedanese regering hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Ja. De sluiting van de maatschappelijke organisatie zal op korte termijn gezamenlijk door de EU en een aantal in Sudan aanwezige EU-lidstaten, waaronder Nederland, bij de Sudanese autoriteiten worden aangekaart.
Deelt u de mening dat het sluiten en inperken van de vrijheid van maatschappelijke organisaties door de Soedanese regering een ernstige belemmering vormt voor het opstellen van de nieuwe grondwet die als doel heeft nationale eenheid en consensus te bevorderen? Zo ja, gaat u de Soedanese regering hierop aanspreken? Zo nee, waarom niet?
Ja. De boodschap van het belang van een inclusief en open constitutioneel proces maakt een vast onderdeel uit van de dialoog die Nederland samen met EU-partners voert met de Sudanese autoriteiten.
Deelt u de opvatting van de Soedanese Nationale Mensenrechten Commissie dat het onmogelijk maken van contact tussen de Commissie en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties een «flagrant violation of the interim- Constitution of 2005» is en «a further attack on the integrity of the Commission and its immunity»? Zo nee, waarom niet?2
Ja.
Bent u van mening dat er in Soedan nog steeds ongrondwettelijke veiligheidswetten van kracht zijn die civil society sterk inperken, namelijk de «national security law», de «public order law» en de «journalism and publication law»? Zo nee, waarom niet?
Ja. Deze betreffen de zogenaamde noodtoestand-wetten waarvan de nationale veiligheidsdiensten zich het voorrecht behouden deze zonder meer toe te passen.
Op welke wijze steunt u de maatschappelijke organisaties die zijn gesloten en mensenrechtenverdedigers in Soedan die bedreigd worden door de regering?
Nederland onderhoudt in samenwerking met o.a. de EU, nauw contact met de gesloten organisaties en beziet op welke wijze deze zo goed mogelijk kunnen worden bijgestaan. Daarnaast is Nederland nauw betrokken bij het netwerk van mensenrechtenverdedigers in Sudan. Nederland ondersteunt deze via zijn mensenrechtenprogramma, o.a. door inzet op capaciteitsversterking en het volgen en bijwonen van de verschillende rechtszaken, die tegen hen zijn aangespannen.
Kent u het bericht dat de Palestijnse Autoriteit overweegt om Israël aan te klagen bij het Internationaal Strafhof voor de detentie van kinderen?1
Ja.
Kunt u aangeven in hoeverre u het reëel acht dat deze zaak daadwerkelijk in behandeling zal worden genomen?
Het is aan de aanklager en de rechters van het Internationaal Strafhof te oordelen over behandeling van een zaak. Er zijn op dit moment geen indicaties dat van Palestijnse zijde concrete stappen worden gezet om Israël hierover aan te klagen.
Klopt de aanname in het artikel dat het aantal Palestijnse kinderen in detentie is toegenomen? Kloppen de genoemde cijfers? Zo ja, wat zijn de oorzaken van deze toename? Zo nee, kunt u dan de juiste cijfer geven?
Volgens het rapport dat in het artikel wordt aangehaald is het aantal arrestaties van Palestijnse kinderen gestegen van 700 in 2011 naar 900 in 2012. De Internationale NGO Defence for Children spreekt over een aantal van 600 arrestaties van Palestijnse kinderen door de Israëlische autoriteiten in 2012.
Het precieze cijfer is niet te achterhalen, aangezien de Israel Prison Service en de Israel Defense Force (IDF) geen gegevens openbaar maken van het aantal kinderen dat is gearresteerd, ondervraagd en vervolgens niet in hechtenis is genomen.
Wel zijn er cijfers bekend van het aantal gedetineerde Palestijnse kinderen in Israëlische gevangenissen. Uit data van de Israel Prison Service blijkt dat na een geleidelijke afname in de periode 2008–2011 het aantal Palestijnse kinderen in hechtenis in 2012 weer is toegenomen. In 2011 zaten 113 kinderen tussen de 16–18 jaar en 19 kinderen onder de 16 jaar in detentie. In 2012 zaten er 170 kinderen tussen de 16–18 jaar en 23 kinderen onder de 16 jaar in detentie. In totaal 132 Palestijnse kinderen in 2011 en 193 Palestijnse kinderen in 2012.
Het is onduidelijk wat de oorzaken zijn van de recente toename van het aantal Palestijnse kinderen in detentie.
Kent u het Britse rapport over de behandeling van Palestijnse kinderen, waarover The Guardian juni 2012 berichtte?2 Hoe beoordeelt u de conclusies uit dit rapport?
De Conventies van Genève en het VN Verdrag voor de Rechten van het Kind zijn leidend voor een beoordeling van de bevindingen in het Britse rapport. Israël is als verdragspartij bij mensenrechtenverdragen, waaronder het VN verdrag inzake de Rechten van het Kind, en de Conventies van Genève gehouden de verplichtingen uit deze verdragen na te komen.
Kunt u aangeven of de conclusies uit dit rapport hebben geleid tot wijzigingen in het beleid van Israël ten aanzien van de behandeling van Palestijnse kinderen in detentie?
Naar aanleiding van een verzoek aan het Israëlische Hooggerechtshof is op 28 november 2012 een wetswijziging aangekondigd die de tijd dat minderjarige Palestijnen in voorarrest mogen worden gehouden reduceert. De wijziging treedt op 2 april 2013 in werking en bepaalt dat minderjarigen onder de 14 jaar maximaal 24 uur in voorarrest mogen worden gehouden en minderjarigen tussen de 14 en 18 jaar maximaal 48 uur. Het aantal uren mag worden verdubbeld als dit nodig is voor ondervragingen. Of deze beleidswijziging valt terug te brengen op dit rapport, valt niet vast te stellen.
Deelt u de conclusie dat Palestijnse kinderen niet altijd volgens internationaal recht worden behandeld? Zo nee, waar zitten dan de juridische fouten in het rapport?
Ja. Zie antwoord op vraag 4.
Zo ja, deelt u de mening dat de internationale gemeenschap het bestaan van een dergelijke situatie niet mag accepteren? Welke stappen zet Nederland bilateraal en internationaal ten aanzien van Israël om deze situatie te veranderen?
De behandeling van Palestijnse kinderen door Israël is een bron van zorg. De Nederlandse regering hecht aan de strikte naleving van de toepasselijke internationaalrechtelijke bepalingen. Dat wordt in multilaterale fora en in contacten met Israël uitgedragen. Wel toont de bovengenoemde wetswijziging aan dat Israël het probleem onderkent en tracht de praktijk meer in lijn te brengen met genoemde verdragen.
Deelt u de mening dat hier ook een verantwoordelijkheid bij de Palestijnse Autoriteit ligt, om te voorkomen dat kinderen onderdeel worden van het conflict met Israël? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier zet u zich in om dit te voorkomen?
Iedere overheid heeft de verantwoordelijkheid te voorkomen dat kinderen deel worden van conflict, zo ook de Palestijnse Autoriteit.
Het in het rapport geschetste probleem is een van de vele neveneffecten van het Palestijns-Israëlisch conflict. Dat is ook precies de reden dat ik zoveel belang hecht aan spoedige hervatting van het vredesproces.
over de beroepsbeperkende afspraken door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) |
|
Hanke Bruins Slot (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Op basis van welke wet of regeling kan en mag de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) beroepsbeperkende afspraken maken?
Sinds september 2010 geldt het beleid dat de IGZ geen privaatrechtelijke, beroepsbeperkende afspraken meer mag maken, maar gebruik maakt van haar wettelijke bevoegdheden om publiekrechtelijke maatregelen te treffen, indien zij beroepsbeperking nodig acht. Hierover heeft mijn voorganger u per brief op 21 september 20101 geïnformeerd.
Onder welke voorwaarden zijn beroepsbeperkende afspraken geldig en juridisch afdwingbaar door beide partijen? Is in de casus-Jansen Steur aan deze voorwaarden voldaan? Wie kan precies wat afdwingen op basis van gemaakte afspraken?
In het verleden heeft de IGZ volgens het toen geldende beleid privaatrechtelijke, beroepsbeperkende afspraken gemaakt. Met betrekking tot die bestaande afspraken, is de vraag of sprake is van een verklaring van de beroepsbeoefenaar of van een wederkerige overeenkomst c.q. afspraak. Dat laatste houdt in dat tegenover de verplichtingen/voorwaarden voor de beroepsbeoefenaar ook voorwaarden voor de IGZ staan (zoals het niet toepassen van handhavingsmaatregelen zolang de beroepsbeoefenaar zich aan zijn verplichtingen/ voorwaarden houdt). De heer Jansen Steur heeft zijn inschrijving in het BIG-register in oktober 2009 laten doorhalen en een bevestiging van de doorhaling aan de IGZ gestuurd. Een dergelijke bevestiging van doorhaling (uitschrijving) op eigen verzoek betrekt de IGZ bij de afweging of inzet van publiekrechtelijke handhavingsmaatregelen noodzakelijk is.
Indien beroepsbeperkende afspraken gemaakt zijn die inhouden dat de arts een tijd zijn beroep niet meer uitoefent, betekent dat dan dat een klacht van een patiënt, een nabestaande of een ziekenhuis tegen die arts niet meer in behandeling genomen wordt? Wordt de klagende partij dan op de hoogte gesteld van de genomen beperkende maatregel?
Wanneer een melding nieuwe feiten toevoegt kan dat voor de IGZ aanleiding zijn om verderstrekkende maatregelen te nemen, zoals het starten van een tuchtzaak. Wanneer bijvoorbeeld een disfunctionerende beroepsbeoefenaar van de IGZ een bevel heeft gekregen om te stoppen en de IGZ daarna, gedurende de looptijd van het bevel, meldingen ontvangt van patiënten, nabestaande een ziekenhuis of anderen, dan neemt de IGZ deze meldingen altijd in behandeling. Wanneer de meldingen naar oordeel van de IGZ mogelijk strafbare feiten bevatten, stelt zij het Openbaar Ministerie (OM) op de hoogte.
Melders krijgen na afronding van het inspectieonderzoek bericht over de conclusies en maatregelen. Beroepsbeperkende maatregelen, zoals aanwijzing en bevel, maakt de IGZ altijd openbaar via haar website.
Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van alle beroepsbeperkende afspraken die sinds 2000 door de IGZ gemaakt zijn met Big-geregistreerden (Beroepen Individuele Gezondheidszorg)?
De in het verleden gemaakte beroepsbeperkende afspraken zijn niet centraal geregistreerd. Bevoegdheidsbeperkende maatregelen worden sinds juli 2012, met uitzondering van waarschuwingen opgelegd door het tuchtcollege, openbaar gemaakt op de website van het BIG-register. Maatregelen opgelegd door de IGZ, zoals een bevel of aanwijzing, maakt de IGZ openbaar op haar website (zie ook het antwoord op vraag 3).
Weet u zeker dat voorgaande lijst compleet is en of het mogelijk is dat er afspraken gemaakt zijn die niet goed geadministreerd zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven of de IGZ weet waar alle personen die een beroepsbeperkende afspraak hebben (die afspraken zijn immers niet publiek) zich bevinden en of zij zich aan de afspraken houden?
De IGZ is niet op de hoogte van de verblijfplaats van in Nederland geregistreerde beroepsbeoefenaren en is voor informatie daarover afhankelijk van de beroepsbeoefenaar, werkgevers of melders.
Is het waar dat naar aanleiding van de zaak-Jansen Steur prof. Legemaate het rapport «Verantwoordelijkheid nemen voor kwaliteit» schreef, waarin op 12 mei 2009 geconcludeerd werd: «Op basis van het voorafgaande ligt het voor de hand twee categorieën beroepsbeperkende afspraken te onderscheiden: Aangenomen moet worden beroepsbeperkende afspraken uit de eerste categorie zich niet verdragen met de overwegingen die ten grondslag liggen aan de genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad. Als de IGZ wil bereiken dat een beroepsbeoefenaar niet meer praktiseert, dient de koninklijke weg te worden gevolgd: een procedure bij het tuchtcollege of het College van Medisch Toezicht»?
Ja, dat klopt.
Hoe beoordeelt u het feit dat anderhalf jaar na dit rapport, na deze aanbeveling, die voortkomt uit de casus-Jansen Steur, de IGZ alsnog een beroepsbeperkende afspraak maakte met Jansen Steur, die in de eerste categorie viel, die dus niet verhoudt tot de correspondentie van de Hoge Raad en waar prof. Legemaate adviseert de koninklijke weg te volgen?
Ik verwijs u naar paragraaf 4 van de begeleidende brief.
Is het waar dat feiten voor de tuchtrechter na 10 jaar verjaard zijn en dat dus na de effectieve op non-actiefstelling van Jansen Steur in december 2003 alle zaken die betrekking hebben op zijn handelen in Nederland, voor de tuchtrechter op 1 januari 2014 verjaard zullen zijn?
De bevoegdheid tot indiening van een tuchtklacht vervalt door verjaring in tien jaren. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het desbetreffende handelen of nalaten is geschied. Het is dus niet zo dat alle zaken die betrekking hebben op het handelen van de heer Jansen Steur in Nederland op 1 januari 2014 zullen verjaren. Tot 2009 was de heer Jansen Steur ingeschreven in het BIG register.
Indien Jansen Steur zich op 1 januari 2014 bij het Big-register meldt en zich wil laten inschrijven als bijvoorbeeld basisarts, kan hij dan geweigerd worden of kan hij zich dan gewoon opnieuw laten registreren en handelingen die voorbehouden zijn aan artsen rechtmatig in Nederland verrichten?
Zie mijn antwoord op vraag 9. Ik verwijs u voorts naar paragraaf 4 van de begeleidende brief.
Is het waar dat, indien nu een tuchtrechtelijke actie ondernomen wordt tegen Jansen Steur, een mogelijke straf voor feiten die hij begaan heeft tijdens zijn inschrijving in het Big-register een levenslang verbod op herinschrijving in het Big-register is (conform artikel 47 en 48 van de Wet Big)?
Dat klopt. Bij een niet meer BIG-geregistreerde, disfunctionerende beroepsbeoefenaar als de heer Jansen Steur zou de enige mogelijk zijn om bij de tuchtrechter ontzegging van het recht op herinschrijving in het BIG register te vorderen.
Wilt u eraan meewerken dat een klacht van een patiënt of nabestaande van Jansen Steur met spoed behandeld wordt in het tuchtrecht en deelt u de mening dat er alsnog een tuchtrechtelijke zaak zou moeten komen?
De IGZ kan de tuchtrechter verzoeken een tuchtzaak met spoed te behandelen indien de IGZ van oordeel is dat behandeling van de zaak door het tuchtcollege geen uitstel gedoogt zonder groot nadeel voor het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg. De IGZ kan een dergelijk verzoek ook doen als zij niet zelf de tuchtklacht heeft ingediend. Klagers die menen dat een spoedbehandeling noodzakelijk is, kunnen hun verzoek richten tot de IGZ.
Het is ondoenlijk om het beleid dat tot 2010 is gevoerd met terugwerkende kracht opnieuw te bezien voor alle desbetreffende beroepsbeoefenaren, op het eventueel aanspannen van een tuchtrechtzaak.
Bent u bereid in het wetsvoorstel tot wijziging van het tuchtrecht een artikel op te nemen onder welke voorwaarden «transacties» tot het afzien van tuchtrecht gesloten zouden mogen worden (analoog aan de mededingingswetgeving), zodat in de toekomst duidelijkheid hierover is?
Ik verwijs u naar paragraaf 4.3 en 4.4 van de begeleidende brief.
Deelt u de mening dat in het onafhankelijk onderzoek naar de publicaties van Jansen Steur en het medicijnonderzoek ook precies moet worden onderzocht in welke gevallen patiënten experimentele medicijnen slikten zonder dat hiervoor toestemming was gegeven? Bent u bereid met de KNAW en het Medisch Spectrum Twente te onderzoeken of dit het geval was?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 8 van de Kamervragen 2013Z00362.
Indien blijkt dat Jansen Steur patiënten niet om toestemming vroeg, vindt u het dan ook van belang te onderzoeken of de betrokken medicijnfabrikanten op de hoogte hiervan waren of hadden kunnen zijn? Wat vindt u van de suggestie van mevrouw Verbeet (Nederlandse Patiënten- en Cliëntenfederatie) dat fabrikanten transparant moeten zijn over wat voor onderzoek ze moeten doen, wie dat doen en hoeveel hiervoor betaald moet wordt? Welke rol ziet u voor uzelf hierin weggelegd?
Deze vraag heb ik uitgezet bij het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG).
Het onderzoek in de affaire-Jansen Steur |
|
Hanke Bruins Slot (CDA), Michel Rog (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de opmerking van dr. Scheltens, lid van beide commissies-Lemstra die de affaire-Jansen Steur onderzochten, dat het goed mogelijk is om het wetenschappelijk werk van Jansen Steur alsnog te onderzoeken?1
Ja.
Deelt u de mening dat het wetenschappelijk onderzoek van een arts die «diagnoses stelt die niet onderbouwd kunnen worden; ongebreideld en niet onderbouwd aanvullend onderzoek aanvraagt en op eigen wijze interpreteert; vaak niet geïndiceerde medicatie voorschrijft»2 niet voldoet aan wetenschappelijke standaarden en dat de conclusies wellicht niet geldig zijn omdat de diagnose van zeer veel patiënten al niet klopte?
De redenering zoals in de vraag verwoord, deel ik. Of dat het geval is bij Jansen Steur kan ik op dit moment niet beoordelen.
Deelt u de analyse uit het rapport van de commissie-Levelt, die onderzoek deed naar de wetenschapsfraude van dhr. Stapel, dat «De belangrijkste reden echter om volledigheid na te streven in het zuiveren van de scientific record is dat de wetenschap zelf een bijzondere aanspraak heeft op waarheidsvinding. Dat is een cumulatief proces, dat in de empirische wetenschap, en met name in de psychologie, wordt gekenmerkt door een «empirische cyclus», een voortdurende afwisseling tussen theorievorming en empirische toetsing. Een theorie heeft een voorlopige aanspraak op waarheid/geldigheid, zolang zij niet empirisch is weerlegd. Cumulatieve evidentie kan tenslotte leiden tot consensus in de peer community over de geldigheid van een theorie. Dit fundamentele cumulatieve proces wordt ernstig verstoord door het «rondzingen» van frauduleuze data en van methodologisch dubieuze bevindingen. Betrokken wetenschappelijke onderzoekers en instellingen hebben de plicht deze verstoring een halt toe te roepen.»?3
Beide stellingen onderschrijf ik.
Heeft de afgelopen jaren het ministerie, de inspectie, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) of het Medische Spectrum Twente (MST) op enige wijze zelf initiatief genomen om het wetenschappelijk onderzoek van dhr. Jansen Steur tegen het licht te houden? Zo nee, waarom was daar geen aanleiding voor?
Naar aanleiding van het rapport Lemstra I in september 2009 is de IGZ een onderzoek gestart naar de toestemmingverlening van patiënten aan de klinische onderzoeken van Jansen Steur in het kader van de Wet op Medisch-wetenschappelijk Onderzoek met mensen (WMO). In november 2009 is een gerechtelijk vooronderzoek gestart door de regiopolitie Twente. Hierop is de IGZ aangesloten geweest en heeft gegevens ten behoeve van het onderzoek aangeleverd. Dit onderzoek van de regiopolitie Twente is in juni 2010 gestaakt wegens gebrek aan vervolgingsgrond. Dit is de reden geweest voor de IGZ om haar eigen onderzoek te staken, temeer omdat de WMO alleen via het strafrecht gehandhaafd kan worden. De IGZ kan dus op basis van de WMO geen bestuursrechtelijke maatregelen treffen.
Kunt u een overzicht geven van de publicaties van dhr. Jansen Steur en al het medicijnonderzoek waar hij betaald of onbetaald aan meewerkte, inclusief de bedragen die hij daarvoor ontving?
Aan de centrale commissie mensgebonden onderzoek (CCMO) heb ik gevraagd te kijken welke studies zijn geregistreerd in haar database waaraan de heer Jansen Steur heeft (mee)gewerkt. Die database is echter pas sinds eind 1999 actief, zodat van daarvoor er geen gegevens uit kunnen komen. De exacte vergoeding die elke onderzoeker krijgt is daarin niet opgenomen. Het Medisch Spectrum Twente zal ik vragen om een overzicht van de hen bekende medicijnstudies waar Jansen Steur in die instelling aan heeft gewerkt.
Hoe beoordeelt u het feit dat dhr. Jansen Steur nog in 2006 ten minste drie wetenschappelijke artikelen in vakbladen wist te publiceren terwijl hij toen al drie jaar lang op non-actief stond en het zeer duidelijk was dat hij disfunctioneerde?
Het is de verantwoordelijkheid van de redactie van de betreffende vakbladen om na te gaan of bijdragen van voldoende kwaliteit zijn. Wanneer het duidelijk is dat een auteur op professioneel vlak disfunctioneert dan doet de redactie er goed aan om dit gegeven mee te wegen bij het besluit om het wetenschappelijke artikel al dan niet plaatsen.
Is bij de toelating van geneesmiddelen in Nederland, Europa of de VS ooit gebruik gemaakt van het onderzoek van dhr. Jansen Steur, hetzij zijn rechtstreekse onderzoek hetzij indirect onderzoek (bijvoorbeeld bij de toelating van Exelon door de Food and Drug Administration (FDA) voor dementie bij Parkinson patiënten)?
Deze vraag heb ik uitgezet bij het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG).
Bent u bereid om met de KNAW, het MST en/of KNMG te komen tot een weg om de medische publicaties van dhr. Jansen Steur te laten beoordelen op hun wetenschappelijke waarde, inclusief de effecten die zij gehad hebben op toelating van richtlijnen en toelating van medicijnen?
Er zal door mij eerst met de voormalige werkgever van de heer Jansen Steur, Medisch Spectrum Twente, overlegd worden over opzet en resultaten van het door deze instelling opgezette onderzoek naar publicaties en de conclusies die men daaruit getrokken heeft. Daarnaast zal ik contact opnemen met de KNAW.
Het bericht dat dhr. Jansen Steur zich in 2006 geregistreerd heeft in Duitsland als arts |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Is het waar dat dhr. Jansen Steur zich in 2006 geregistreerd heeft in Duitsland (Noordrijn Westfalen) als arts?1
Ja.
Welke organen zijn in Nederland (BIG-register (Beroepen Individuele Gezondheidszorg), Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) of anderen) voor die registratie geraadpleegd, en/of wisten, dat hij zich in Duitsland registreerde?
Het BIG-register kan op verzoek van een ingeschreven zorgverlener een bewijs van registratie leveren. Een dergelijke verklaring geeft aan dat de betrokkene op dat moment bevoegd is om het beroep uit te oefenen (verklaring van geen bezwaar).
Begin 2006 heeft de heer Jansen Steur bij het BIG-register een Duitstalig bewijs van registratie aangevraagd. Internationaal geven bevoegde autoriteiten zoals het BIG-register dergelijke verklaringen af ten behoeve van aanvraagprocedures voor diploma-erkenning en toelating tot de beroepsuitoefening (registratie). Uiteraard hebben deze bewijzen uit hun aard een beperkte geldigheidsduur. De Duitse autoriteiten accepteren uitsluitend dergelijke verklaringen als die niet ouder zijn dan een maand (volgens de informatie op http://www.anerkennung-in-deutschland.de/html/en/160.php). De verklaring van geen bezwaar kon op dat moment worden afgegeven omdat de heer Jansen Steur was ingeschreven in het BIG-register en er geen sprake was van een strafrechtelijke of tuchtrechtelijke uitspraak die de bevoegdheid van de heer Jansen Steur om het beroep van arts uit te oefenen had beperkt of hem die bevoegdheid had ontnomen.
In januari 2006 heeft de heer Jansen Steur de IGZ geïnformeerd dat hij in Duitsland wilde werken. De IGZ heeft aan de heer Jansen Steur bericht dat hij mede op voorwaarde van openheid over zijn verslavingsverleden aan een toekomstige werkgever weer mocht solliciteren. De IGZ heeft hierover op 21 juni 2006 contact opgenomen met de directeur van het Duitse Ziekenhuis waar de heer Jansen Steur werkte en met de heer Jansen Steur zelf. De heer Jansen Steur heeft vervolgens een brief over zijn verslavingsverleden aan de IGZ en het Duitse Ziekenhuis gezonden. Deze informatie is overigens niet nieuw. Mijn voorganger heeft dit eerder tot op de bodem uitgezocht, dit is te vinden in de rapporten Hoekstra en Lemstra, genoemd in de begeleidende brief onder 4.2.
Was de IGZ, nadat in 2009 met dhr. Jansen Steur werd overeengekomen dat hij zich zou uitschrijven uit Nederland, op dat moment op de hoogte van het feit dat hij zich had ingeschreven in Duitsland?
De IGZ heeft geen overeenkomst gesloten met de heer Jansen Steur dat hij zich zou uitschrijven uit Nederland. Hij heeft zich in oktober 2009 op aandringen van de IGZ uitgeschreven uit het BIG-register. De IGZ was op dat moment niet op de hoogte van het feit dat de heer Jansen Steur wederom in Duitsland aan de slag was. Deze informatie is overigens niet nieuw, hiervoor verwijs ik naar de rapporten Hoekstra en Lemstra, genoemd in de begeleidende brief onder 4.2.
Bij hoeveel ziekenhuizen en klinieken is dhr. Jansen Steur sinds 2003 werkzaam geweest? Kunt u een overzicht geven van plaats en tijd van deze werkzaamheden?
Ik beschik niet over informatie bij hoeveel ziekenhuizen en klinieken de heer Jansen Steur sinds 2003 werkzaam is geweest in het buitenland. Volgens berichten in de media zou de heer Jansen Steur, al dan niet via Duitse uitzendbureaus, recent werkzaam zijn geweest in Heilbronn en Bad Friedrichshall, in Worms (augustus 2010 tot februari 2011), Nienburg (2010), Bad Laasphe (2007) en Bad Fredeburg (2006).
Op welke tijdstippen hebben Nederlandse instanties contact gehad of gezocht met buitenlandse instanties over zijn werkzaamheden? Is het waar dat dhr. Jansen Steur in Nederland noch door de gewone rechter, noch door de tuchtrechter veroordeeld is, zodat hij niet op een Europese zwarte lijst gezet kan worden, ook al zou die bestaan?
De IGZ heeft in juni 2006 contact gehad met het ziekenhuis waar de heer Jansen Steur was aangenomen (zie ook mijn antwoord op vraag2, en recentelijk met de Bezirksregierung in Arnsberg om te achterhalen welke documenten de heer Jansen Steur in het kader van zijn aanvraag van de bevoegdheid in Duitsland in 2006 heeft overgelegd.
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft in het kader van het onderzoek dat heeft geleid tot de rechtszaak die nu aanhangig is bij de rechtbank Almelo, meerdere rechtshulpverzoeken doen uitgaan naar de Duitse autoriteiten. Naar aanleiding van recente berichten over de beweerdelijke werkzaamheden van de heer Jansen Steur in Duitsland als arts of als neuroloog, heeft het OM opnieuw een rechtshulpverzoek aan de Duitse autoriteiten verzonden met het verzoek hierover geïnformeerd te worden. Zoals u bekend, is in deze zaak nog geen uitspraak door de strafrechter gedaan. Eind vorig jaar, op 28 november en 17 december, vond een regiezitting plaats. De tweede regiezitting is door de rechtbank gepland op 3 april 2013.
J.S. is in Nederland noch door de strafrechter, noch door de tuchtrechter veroordeeld (zie ook mijn antwoord op vraag3. Omdat op dit moment geen Europese zwarte lijst bestaat, staat hij daar niet op. Of dat in toekomstige situaties anders is, hangt af van de wijze waarop deze lijst wordt vormgegeven. De gegevens die het BIG-register op zijn website openbaar maakt, zijn de gegevens die ook op een nog vorm te geven Europese zwarte lijst moeten staan.
Wel kan iedereen zien dat de heer Jansen Steur niet bevoegd is in Nederland als arts te functioneren omdat hij niet in het BIG-register geregistreerd is.
Ik verwijs u voorts naar paragraaf 4 van de begeleidende brief.
Waarom vond de IGZ het prima dat hij in Duitsland aan de slag kon, en legden ze hem geen strobreed in de weg?
Deze zaak is uitgezocht in het rapport van de heer Lemstra, die ook aan de Tweede Kamer is toegezonden. De IGZ heeft in januari 2006 aan de heer Jansen Steur laten weten dat hij weer als arts en neuroloog kon gaan werken. Een onafhankelijk psychiater had op verzoek van de IGZ beoordeeld of de heer Jansen Steur daar weer toe in staat was en het oordeel luidde dat dit het geval was. Hierbij stond voorop dat de verslavingsproblematiek voldoende onder controle moest zijn. Op grond van deze beoordeling had de IGZ naar haar mening op dat moment geen andere aanknopingspunten om de heer Jansen Steur verdergaande beperkingen op te leggen dan de afspraken die met hem zijn gemaakt. Dit hield onder andere in dat de heer Jansen Steur bij eventuele werkhervatting (binnen of buiten Nederland) de doorgemaakte problematiek aan de directie van de instelling of aan de werkgever zou melden (zie ook mijn antwoord op4.
Vindt u het, gezien alle bewijzen tegen dhr. Jansen Steur (o.a. het rapport-Lemstra), gepast dat hij nog op enigerlei wijze het beroep van arts uitoefent?
Nee, zoals in de begeleidende brief is beschreven gold voor de periode van vóór 2010 een ander politiek beleid, en dus IGZ-beleid. Conform het huidige beleid had het in de rede gelegen een tuchtzaak aan te spannen.
Indien u vindt dat hij zijn beroep niet zou moeten uitoefenen, hoe gaat u er dan voor zorgen dat hij dat niet in Nederland, noch elders kan doen?
In Nederland kan de heer Jansen Steur niet aan het werk omdat hij niet BIG-geregistreerd is. Ik verwijs u voorts naar paragraaf 3 en 4 van de begeleidende brief.
Herinnert u zich dat de toenmalige minister van Justitie in maart 2009 op eerdere vragen antwoordde: «De hoofdofficier van justitie heeft de letselschadespecialist op 15 januari 2009 bericht erop toe te zien dat deze kwestie vanaf dat moment met de grootst mogelijke voortvarendheid wordt behandeld.»?2
Ja.
Vindt u dat er sinds januari 2009 in deze zaak met de grootst mogelijke voortvarendheid is gehandeld door de rechterlijke macht?
In de beantwoording van de op 31 mei 2011 gestelde vragen van de leden Bruins Slot, Omtzigt en Uitslag (Tweede Kamer 2010–2011, aanhangsel nr. 3042) ben ik reeds ingegaan op de complexiteit van het onderzoek. Tevens melde ik u toen dat het onderzoek nog geruime tijd in beslag zou nemen. Inmiddels is, zie daarvoor mijn antwoord op vraag 5, de behandeling van de zaak bij de rechtbank Almelo begonnen.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat zowel het OM als de IGZ nu wel met de grootst mogelijke voortvarendheid gaan handelen? Welke acties zullen zij ondernemen?
Zie de antwoorden op de vragen 5, 7, 8 en 10.
De vermeende aangifte wegens ambtelijke corruptie tegen dhr. J. van Rey |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Is het waar dat (een ambtenaar van) de Belastingdienst in maart 2012 aangifte wegens ambtelijke corruptie heeft gedaan tegen dhr. J. van Rey, op dat moment lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal?
Ambtelijke corruptie is een strafrechtelijke aangelegenheid. Als een medewerker van de Belastingdienst het vermoeden krijgt van ambtelijke corruptie, is hij verplicht deze informatie te verstrekken aan de officier van justitie. Dit geldt ook als het een lid van de Staten-Generaal betreft. Van deze procedure wordt niet afgeweken.
Op welke wijze wordt een belastingplichtige op de hoogte gesteld wanneer er aangifte gedaan wordt tegen hem/haar?
Het op de hoogte stellen van een verdachte is een zaak van het openbaar ministerie. In de gevallen waarin er grond bestaat een onderzoek te starten naar aanleiding van een aangifte, bepaalt het openbaar ministerie op grond van het onderzoeksbelang het moment waarop een verdachte op de hoogte wordt gesteld van een aangifte.
Indien tegen een belastingplichtige aangifte gedaan wordt, staat dat dan vermeld in het persoonlijk dossier dat de Belastingdienst van die persoon heeft?
Een aangifte van strafbare feiten van niet fiscale aard wordt bewaard in het archief van de contactambtenaar, de standaard is dat een dergelijke aangifte niet in het fiscale dossier van de betrokkene wordt vermeld (ik verwijs verder naar de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Neppérus van uw Kamer, ingezonden 4 januari 2013, kenmerk 2013Z00082).
Was de plaatsvervangend directeur-generaal van de Belastingdienst op de hoogte van de aangifte toen hij gesprekken voerde met de heer Van Rey naar aanleiding van zijn brief van 23 maart 2012?
Het departement van Financiën was toen het gesprek met betrokkene werd gevoerd niet bekend met de tegen hem gerezen vermoedens. Voor de interne procedure bij de Belastingdienst verwijs ik naar de eerdergenoemde antwoorden op de vragen van het lid Neppérus.
Welke formele richtlijnen bestaan er wanneer er aangifte gedaan wordt tegen een lid van de Staten-Generaal? Zijn die in deze zaak gevolgd?
Er bestaan geen richtlijnen ten aanzien van het doen van aangifte tegen een lid van de Staten-Generaal.
Wordt iemand uit de regering automatisch vertrouwelijk op de hoogte gesteld van een aangifte tegen een lid van de Staten-Generaal, zeker wanneer die aangifte door het apparaat van de rijksoverheid zelf geschiedt? Zo ja, wie van de bewindspersonen was wanneer op de hoogte van welke verdenking(en) en/of aangifte(s) tegen dhr. Van Rey tussen februari 2012 en januari 2013?
Een aangifte dient eerst te worden beoordeeld voordat wordt besloten al dan niet een strafrechtelijk onderzoek in te stellen.
In het geval een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld naar een persoon die op dat moment lid is van de Staten-Generaal, wordt een dergelijk onderzoek door het openbaar ministerie aangemerkt als een gevoelige zaak. Dit heeft tot gevolg dat ik door het openbaar ministerie wordt geïnformeerd. Ik ben in dit geval geïnformeerd over het feit dat betrokkene verdacht werd van ambtelijke corruptie en schending van zijn geheimhoudingsplicht en dat in dat kader een strafrechtelijk onderzoek is gestart. Gelet op de belangen van dit strafrechtelijk onderzoek, dat nog gaande is, kan ik niet verder in detail treden.
De Nationale Hypotheekgarantie |
|
Raymond Knops (CDA), Pieter Omtzigt (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u vanaf 1 januari 2010 per kwartaal aangeven:
Dit zijn de cijfers per peildatum 19 januari 2013 (jaarafsluiting 2012). Bij de cijfers betreffende de gehonoreerde verliesdeclaraties van 2012 dient te worden bedacht dat op de peildatum nog 134 dossiers in behandeling zijn. Daarnaast kunnen bezwaarschriften van geldgevers nog leiden tot het alsnog honoreren van de verliesdeclaratie.
Dit zijn de cijfers per peildatum 19 januari 2013 (jaarafsluiting 2012). Bij de cijfers betreffende de gehonoreerde verliesdeclaraties van 2012 dient te worden bedacht dat op de peildatum nog 134 verliesdeclaraties in behandeling zijn. Daarnaast kunnen bezwaarschriften van geldgevers er toe leiden dat alsnog geen finale kwijting wordt verleend. Daarentegen kunnen bezwaarschriften van geldnemers er toe leiden dat alsnog wel finale kwijting wordt verleend.
Bovengenoemde cijfers zijn niet per kwartaal beschikbaar zijn.
c) Het WEW maakt alleen onderscheid tussen onderhandse verkoop en executoriale verkoop. Onderstaand treft u betreffende gegevens aan.
Dit zijn de cijfers per peildatum 19 januari 2013 (jaarafsluiting 2012). Bij de cijfers betreffende de gehonoreerde verliesdeclaraties van 2012 dient te worden bedacht dat op de peildatum nog 134 dossiers in behandeling zijn. Daarnaast kunnen bezwaarschriften van geldgevers nog leiden tot het alsnog honoreren van de verliesdeclaratie.
Kunt u aangeven tegen hoeveel procent van de WOZ-waarde woningen verkocht zijn voor elk van de mogelijke wijze van verkopen (het liefst per jaar uitgesplitst)?
Zowel bij het aangaan van leningen met NHG als bij de gedwongen verkoop wordt niet gewerkt met de WOZ-waarde doch met de marktwaarde. Deze dient te blijken uit een taxatierapport. Daarom zijn deze gegevens bij het WEW niet bekend.
Hoe vaak heeft in 2012 een geldgever een aanvraag gedaan tot executoriale verkoop en in hoeveel gevallen is die toestemming verleend en geweigerd?
De ervaring tot nog toe is dat in ongeveer de helft van de voorgelegde gevallen kan worden afgezien van een executoriale verkoop met als resultaat dat in ongeveer 40% van de gevallen de woning in eigendom kan worden behouden en in ongeveer 60% van de gevallen de woning onderhandse wordt verkocht.
Op dit moment zijn hierover geen exacte gegevens voorhanden bij het WEW. Het beleid bij het WEW om zo veel mogelijk executoriale verkopen te voorkomen is in de loop van 2012 geïntensiveerd. Er wordt ingezet op mogelijkheden om de woning in eigendom te behouden. Indien dit niet mogelijk is, wordt gestuurd op een onderhandse verkoop in plaats van een executoriale verkoop. Mede vanwege de intensivering van het beleid in deze, evenals de hiervoor benodigde herinrichting van processen en ICT zullen hierover pas de komende maanden cijfers beschikbaar komen.
Hoe vaak heeft in 2012 een geldgever een aanvraag gedaan tot onderhandse verkoop en in hoeveel gevallen is die toestemming verleend en geweigerd?
Het WEW geeft aan hierover geen gegevens te hebben. Tot en met 2012 behoefde de geldgever geen toestemming te vragen voor een onderhandse verkoop. Met ingang van 1 januari 2013 is de regelgeving aangescherpt. De geldgever heeft thans in alle gevallen toestemming nodig indien de verkoopprijs lager is dan 95% van de marktwaarde.
Waarom hoeft geen toestemming gevraagd te worden voor gedwongen onderhandse verkoop?
Met ingang van 1 januari 2013 is de regelgeving aangescherpt. De geldgever heeft in alle gevallen toestemming nodig indien de verkoopprijs lager is dan 95% van de marktwaarde.
Op welke wijze wordt gecontroleerd of een geldgever zich maximaal en aantoonbaar ingespannen heeft voor het beperken van het verlies bij verkoop van een woning en gehandeld heeft met inachtneming van de alsdan geldende Gedragslijn Intensief Beheer? Gebeurt dit bij elk dossier, gelet op artikel B10 Algemene Voorwaarden NHG?
Bij elke schadedeclaratie vindt een controle plaats of en in hoeverre de geldgever heeft gehandeld conform de op het desbetreffende dossier van toepassing zijnde voorwaarden en normen. Daarbij wordt tevens aan de hand van het dossier bezien of en in hoeverre de geldgever zich voldoende heeft ingespannen om het verlies te voorkomen danwel zo veel mogelijk te beperken. De Gedragslijn Intensief Beheer is geïntroduceerd per 1 januari 2013. Daarom is hiermee nog geen ervaring opgedaan.
Hoe vaak is een claim van een geldverstrekker op NHG geweigerd en op welke gronden is dit gebeurd?
Dit zijn de cijfers per peildatum 19 januari 2013 (jaarafsluiting 2012). Bij de cijfers betreffende de gehonoreerde verliesdeclaraties van 2012 dient te worden bedacht dat op de peildatum nog 134 dossiers in behandeling zijn. Daarnaast kunnen bezwaarschriften van geldgevers nog leiden tot het alsnog honoreren van de verliesdeclaratie.
Indien de geldgever niet heeft gehandeld conform de op het desbetreffende dossier van toepassing zijnde voorwaarden en normen en de geldgever heeft zich niet voldoende ingespannen het verlies te voorkomen danwel te beperken, kan de declaratie worden afgewezen. De belangrijkste afwijzingsgronden zijn dat sprake is van een niet toegestane BKR-codering, de aanlevering van een incompleet dossier of dat sprake is van een opschortende voorwaarde. Een opschortende voorwaarde is bijvoorbeeld van toepassing indien men een woning heeft aangekocht terwijl men nog een andere woning in eigendom heeft. In dat geval is pas sprake van een borgstelling nadat de eerste woning is verkocht. Indien bij de verliesdeclaratie blijkt dat de eerste woning nog steeds in eigendom is, is de borgstelling dus niet in werking getreden en wordt de verliesdeclaratie afgewezen.
Bij het aantal afgewezen verliesdeclaraties over 2012 dient de kanttekening te worden gemaakt dat een afwijzing van een incompleet dossier in een later stadium alsnog kan leiden tot het alsnog op basis van een compleet dossier honoreren van dat dossier.
Wat is het maximale risico dat de Staat en daarmee de belastingbetaler loopt door de achtervangpositie in de NHG?
Per 31 december 2012 staat het WEW borg voor in totaal € 149 miljard aan lopende hypothecaire leningen (gegarandeerde vermogen). Het risico voor de Staat is aanzienlijk lager dan dit bedrag, want
Het bericht “Toezichthouder negeerde risico Vestia” |
|
Raymond Knops (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Toezichthouder negeerde risico Vestia»?1
Ja.
Kunt u bij elk van de contracten die het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) bij woningcorporatie Vestia vanaf 2008 geborgd c.q. gegarandeerd heeft, aangeven of het WSW volgens de wetten en de eigen regels de borgstelling hadden mogen afgeven?
Er zijn geen specifieke wettelijke regels van toepassing op het afgeven van borgstellingen door het WSW. Het WSW is een private organisatie die in een civielrechtelijke context overeenkomsten aangaat (borgstellingen afgeeft).
Desgevraagd heeft het WSW mij bericht, dat zij alle reguliere borgingen heeft afgegeven op basis van een kredietwaardigheidsbeoordeling. Deze is gebaseerd op de Prognose Informatie (dPi) en op de Verantwoordingsinformatie (dVi) en als gevolg hiervan mede op de betreffende jaarrekeningen van Vestia. Daarmee is volgens het WSW de in het reglement van deelneming verplichte procedure gevolgd waardoor de borgstellingen binnen de eigen regels zijn afgegeven.
Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van de borgstellingen van Vestia en van de derivatencontracten bij woningcorporatie Vestia?
De informatie bij het WSW met betrekking tot (individuele) leningen en derivaten is bedrijfsgevoelig en kan het WSW derhalve niet verstrekken zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de deelnemer. E.e.a. is vastgelegd in het reglement van deelneming (artikel 32).
Klopt het dat woningcorporatie Vestia tegen de regels in vrij eigen vermogen aanhield en dat dat op zich al een beletsel had moeten zijn voor de borging van contracten door het WSW?
Een toegelaten instelling heeft de mogelijkheid eigen middelen aan te houden, die voor een normale bedrijfsvoering vereist is. De hoogte van de eigen middelen bepaalt echter mede de hoogte van de mogelijke borging. Het WSW heeft aangegeven, dat zij in 2009 en 2010 een beperking heeft toegepast op het te borgen volume vanwege de omvang van de eigen middelen bij Vestia. Het beschikbaar gestelde volume is het bedrag dat de deelnemer periodiek (meestal jaarlijks) krijgt om leningen met borging van het WSW aan te trekken voor de financiering van borgbare onroerende zaken en voor herfinancieringen van geborgde leningen voor de komende een tot drie prognosejaren. De hoogte van het volume hangt af van de kasstroomprognose en de financieringsbehoefte van de woningcorporatie. Vestia had veel eigen middelen, hetgeen een beletsel vormde voor een door Vestia destijds gewenste sterke toename van de borging van leningen door het WSW.
Hoe groot was het probleem van woningcorporatie Vestia geweest indien het WSW strikt zijn regels gehandhaafd zou hebben en hoeveel minder verlies zou er dan geleden zijn?
De schade bij Vestia is primair veroorzaakt doordat Vestia een derivatenportefeuille heeft opgebouwd die niet passend was voor een woningcorporatie. Het WSW is van oordeel, dat zij haar eigen beleid inzake eigen middelen gehandhaafd heeft met als resultaat een sterke beperking van het te borgen volume in 2009 en 2010, omdat Vestia over veel eigen middelen beschikte. Bij de beperking van het volume in 2010 heeft het WSW echter wel aangegeven dat voldoende middelen moesten worden aangehouden om liquiditeitsrisico’s bij een rentedaling van 2 procentpunt op te kunnen vangen.
Aangezien het WSW van oordeel is, dat zij haar eigen regels heeft gehandhaafd, kan niet aangegeven worden hoeveel minder verlies geleden zou zijn zoals bedoeld in de vraag.
Zijn de contracten die het WSW niet had mogen garanderen rechtsgeldig?
Er zijn volgens het WSW geen contracten geborgd die het WSW niet had mogen borgen. De borgstellingen zijn derhalve volgens het WSW rechtsgeldig afgegeven.
Zijn de bestuurders en/of toezichthouders van het WSW verantwoordelijk voor de onterecht afgegeven garanties?
Volgens het WSW zijn er geen borgingen onterecht afgegeven en daarmee is er ook geen sprake van aansprakelijkheid op dat punt.
Zijn de bestuurders en/of toezichthouders van het WSW aansprakelijk indien het WSW verlies leidt op garanties die ten onrechte zijn afgegeven?
Zie antwoord vraag 7.
Welke gevolgen heeft het voor bestuurders, indien zij tegen de regels in voor miljarden aan garanties afgeven, die in het uiterste geval gedekt worden door de belastingbetaler?
Zie antwoord vraag 7.
Waarom hield het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (CFV) geen toezicht op derivaten en waarom kwam deze taak indirect in zijn geheel bij het WSW te liggen?
Het CFV oefent het integrale financiële toezicht uit. Zij deed dat in de betreffende periode op basis van de meerjarige ontwikkeling van het vermogen (solvabiliteitsprognoses). Bij derivaten en margin calls is het van belang dat woningcorporaties voldoende liquiditeiten hebben. Nadat eind 2008 bij een aantal woningcorporaties geconstateerd werd, dat er problemen waren bij het kunnen voldoen aan hun margin call verplichtingen, heeft het WSW in het jaarverslag 2008 aangegeven de derivaten te zullen gaan monitoren. Het WSW heeft mij in het kader van de beantwoording van deze schriftelijke vragen overigens aangegeven dat deze tekst uit het jaarverslag niet geheel juist is. Het WSW is alleen de betreffende deelnemers met liquiditeitsproblemen, en derhalve niet generiek, gaan monitoren. Het WSW stelt nu met de generieke monitoring van derivaten in februari 2010 te zijn begonnen en heeft pas toen kwartaalgewijs info opgevraagd bij alle deelnemers. Het WSW heeft evenwel geen formele rol in het toezicht.
Volgens het CFV was echter de eerdere communicatie aanleiding voor het CFV om niet zelf op derivaten toezicht uit te oefenen.
Klopt het dat WSW niet per kwartaal inzicht kreeg in de transacties, terwijl dit wel was geë
Het klopt dat het WSW van Vestia dit inzicht niet per kwartaal kreeg terwijl het wel was opgevraagd. Conform het reglement van deelneming mocht het WSW deze informatie opvragen.
Hoe beoordeelt u de zin op de website van WSW: » Het WSW is betrouwbaar: er is nog nooit een aanspraak geweest op onze borgstelling»2 2) na de zeer ingewikkelde, uitgebreide en kostbare noodoplossing die gevonden is voor de afhandeling van de derivaten?
Het is juist, dat er nog nooit aanspraak is gemaakt op de borgstelling. In die zin is de kwalificatie correct.
De arbeidsvoorwaarden van de EU-ambtenaren |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Herinnert u zich de Kamerbreed gesteunde motie-Omtzigt1 waarin de Kamer uitspreekt «verzoekt de regering, zich bij de onderhandelingen van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2014–2020 maximaal in te zetten zodat de arbeidsvoorwaarden van de EU-ambtenaren op het terrein van pensioentoezeggingen, lonen en betaalde inkomstenbelasting in lijn komen met de ontwikkelingen in de lidstaten»?
Is het waar dat de salarissen van de EU-ambtenaren fors stijgen per 1 januari 2013 door het vervallen van de 5,5% crisisheffing?
Kunt u de salaristabellen over 2012 en 2013 naar de Kamer sturen, analoog aan de schalen die u in Kamerstuk 32 833, nr. 9 aan de Kamer deed toekomen en kunt u per schaal aangeven hoeveel de netto-verhoging bedraagt?
Hoeveel verdient de president van de Verenigde Staten per jaar (omgerekend in euro’s tegen de huidige wisselkoers) en hoeveel verdienen de voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad?
Hoeveel verdient de enige vice-president van de Verenigde Staten per jaar en hoeveel verdient één van de vele vice-voorzitters van de Europese Commissie?
Hoeveel verdient de voorzitter van de Federal Reserve, het stelsel van Amerikaanse centrale banken en hoeveel verdient de president van de Europese Centrale Bank?
Hoeveel ambtenaren van de Europese commissie verdienen netto meer dan de vice-president van de Verenigde Staten?
Hoeveel ambtenaren van de Europese commissie verdienen netto meer dan de Nederlandse minister- president?
Op welke wijze heeft de Nederlandse regering zich ingespannen om de salarisverhoging in Brussel te mitigeren? Heeft de Nederlandse regering in de Europese Raad een tegenvoorstel gedaan?
Is het waar dat de Europese Raad, waarvan u deel uitmaakt, weigerde om de 5,5% belasting met een jaar te verlengen?2
Is het waar dat deze salarisverhoging te wijten is aan de laksheid van de Europese Raad, zoals zowel de Europese Commissie als het Europees Parlement beweren? Zo nee, aan wie is het dan te wijten dat er niet tijdig een compromis lag?3
Kunt u deze vragen voor het eind van het kerstreces beantwoorden aangezien het MFK elk moment weer actueel kan worden?
Executieveilingen en onderhandse executies |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Raymond Knops (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Huizen zijn goedkoper op executieveiling»1 en het onderliggende onderzoeksrapport «Executieveilingen: verbeteren of voorkomen?»2
Ja.
Ja.
Kunt u reageren op de bevindingen? Kunt u het grote verschil tussen transactieprijs via de executieveiling (gemiddeld 40% lager dan de marktwaarde) en de onderhandse verkoop (gemiddeld 14% lager dan de marktwaarde) verklaren? Kunt u het verschil tussen deze korting bij Nederlandse executieveilingen en die bij veilingen in het buitenland verklaren?
Het is bekend dat de transactieprijs via de veiling lager is dan bij onderhandse verkoop. Een verklaring voor dit verschil is dat op een executieveiling huizen binnen een korte tijdspanne moeten worden verkocht, waardoor de prijs lager wordt. Verder zijn er bijkomende kosten bij aankoop van een woning op een veiling. Bij onderhandse verkoop bestaan de bijkomende kosten voor de koper uit de van te voren bekende overdrachtsbelasting en notariskosten. Bij executieveilingen komen hierbij voor de koper veilingkosten en eventuele achterstallige betalingen voor onder andere belastingen of vereniging van eigenaren. Bovendien is vaak niet duidelijk in welke staat de woning zich bevindt, of de bewoner vrijwillig uit de woning zal vertrekken en of er nog huurders aanwezig zijn. Tevens zijn de banken terughoudend met de financiering van een woning die gekocht wordt op de veiling. Deze risico’s zullen door de potentiële koper in zijn bod worden betrokken. De genoemde factoren zijn voor het kabinet aanleiding geweest om met het wetsvoorstel verbetering executieveilingen de informatievoorziening te verbeteren, de kosten voor kopers te beperken en de procedure voor ontruiming te vereenvoudigen (Kamerstukken II 2012–13, 33 484, nr. 2). Het tweede deel van de beantwoording van de vraag treft u in het antwoord van vraag 3 aan.
Wat zijn de ervaringen in landen als de VS, Spanje en Ierland met executieveilingen? Zorgen daar de wettelijke kaders voor een betere prijs bij dergelijke veilingen?
Er is geen recente informatie beschikbaar over specifieke ervaringen in andere landen. Uit een eerder verricht rechtsvergelijkend onderzoek naar executoriale verkoop van woningen in de EU-lidstaten3 komt wel naar voren dat de procedures en de effectiviteit en efficiëntie sterk verschillen. De Nederlandse procedures springen er in lengte en flexibiliteit positief uit. De opbrengst van een huis op de Nederlandse executieveiling ligt wel lager dan in andere Europese landen. Of dat samenhangt met het wettelijke kader is niet bekend. Voor veel landen, waaronder Nederland, geldt dat de opbrengst van de verkoop van een huis op de executieveiling onder de marktwaarde van de woning ligt.
Kunt u verklaren waarom het aantal executieveilingen recent is gedaald, terwijl het economisch gezien in Nederland minder gaat en er meer mensen in betalingsproblemen komen?
Zoals uit de cijfers van het Kadaster naar voren komt (zie het antwoord op vraag 25) is het totale aantal executieveilingen over 2012 gedaald ten opzichte van 2011. Dit zou het eerste resultaat kunnen zijn van de inzet van het Waarborgfonds Eigen Woningen als de uitvoerder van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG), de banken en overige financiële instellingen om te voorkomen dat woningen op de veiling worden aangeboden. De financiële instellingen besteden meer aandacht aan vroegtijdige signalering van betalingsproblemen en trachten door begeleiding van de consument, financieel beheer, schuldsanering en dergelijke gedwongen verkopen te voorkomen. Indien gedwongen verkoop toch noodzakelijk blijkt dan tracht men een executieveiling te voorkomen en door middel van een onderhandse verkoop de opbrengst van de verkoop te optimaliseren.
Heeft u gegevens over het aantal (vrijwillige) onderhandse verkopen? Is er sprake van een grote toename van dit soort van verkopen en op welke wijze is deze toename te verklaren? Kunt u hierbij reageren op de bevindingen op basis van cijfermateriaal van het NHG dat in 2006 nog 48% van de observaties in de veilingzaal eindigde, terwijl dit aandeel in 2011 is teruggelopen tot slechts 24%?3 Vindt u deze ontwikkeling wenselijk? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
Er zijn geen openbaar beschikbare gegevens over de aantallen onderhandse verkopen voor de gehele Nederlandse woningmarkt. Wel is informatie hierover beschikbaar voor NHG-hypotheken en hebben DNB en de AFM in 2012 kredietverstrekkers gevraagd naar het aantal onderhandse verkopen.
De Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) geeft aan dat door inspanningen (maatwerkoplossingen) van zowel het WEW als de kredietverstrekkers om de verkoop op de veiling te voorkomen in de afgelopen jaren, het aandeel gedwongen verkopen dat plaats vindt via de veiling bedroeg in de jaren 2003 tot en met 2005 ongeveer 70%. In 2006 en 2007 was het percentage 60% en daarna is het langzaam gaan verschuiven naar 40% en verder afgenomen naar 13% (zie ook de beantwoording van vraag 26).
De afname in het aantal executieveilingen bij de hypotheken met NHG is met het oog op het beperken van de restschuld wenselijk omdat de opbrengst van woningen op de veiling doorgaans lager is dan bij een onderhandse verkoop. Hiermee wordt een beroep op het fonds van de NHG zo veel mogelijk beperkt.
DNB en de AFM hebben 14 kredietverstrekkers informatie gevraagd over onderhandse verkopen in de periode 2008 t/m 2011. Een woningverkoop wordt door DNB en de AFM aangemerkt als een onderhandse verkoop als de transactie plaatsvindt nadat een betalingsachterstand is ontstaan van meer dan 90 dagen. Niet alle kredietverstrekkers hebben voor alle jaren informatie kunnen leveren. Hierdoor kunnen de uitkomsten afwijken van de markttotalen. De uitkomsten op jaarbasis staan in onderstaande tabel.
1.356
1.518
2.711
3.847
Het aantal onderhandse verkopen is op basis van deze gegevens gestegen in de afgelopen jaren. Deze trend lijkt zich ook in 2012 door te zetten. Van de Nederlandse Vereniging van Banken heb ik begrepen dat het aantal onderhandse verkopen in 2012 op 4.500 wordt geschat.
Hoeveel mensen krijgen te maken met gedwongen verkoop? Vindt u dat er genoeg gebruik wordt gemaakt van maatwerkoplossingen bij banken?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven bestaan er geen betrouwbare gegevens over het totale aantal gedwongen verkopen. Over maatwerkoplossingen bij de banken is mij de door het WEW geleverde informatie zoals onder vraag 5 en onder vraag 22 aangegeven informatie bekend.
Voorts kan ik u melden dat de AFM in 2012 onderzoek heeft gedaan naar de afhandeling van betalingsachterstanden bij hypotheken door kredietverstrekkers. Over de bevindingen zal de AFM binnenkort naar buiten treden. De AFM is van oordeel dat kredietverstrekkers een breed palet aan mogelijkheden hebben om met de klant tot een oplossing te komen en deze zouden ook passend ingezet moeten worden. De AFM heeft een aantal kredietverstrekkers hier al op gewezen.
In welke mate heeft de terugloop in executieveilingen te maken met het vertrouwen in veilingen en de prijs die daar tot stand komt?
Zoals in het antwoord op de vragen 2 en 5 is aangegeven, is bekend dat de opbrengst van de woning via de executieveiling lager is dan bij onderhandse verkoop. Het ligt daarom voor de hand dat zowel de geldgever als de consument zoekt naar alternatieven voor de veiling, zoals onderhandse verkoop.
Indien u niet over de nodige gegevens beschikt, bijvoorbeeld omdat deze niet door het kadaster worden bijgehouden, vindt u het dan wenselijk dat deze gegevens in de toekomst wel worden bijgehouden? En bent u in dat geval bereid om hier onafhankelijk onderzoek naar te doen?
Het aantal verkopen op executieveilingen wordt bij het Kadaster geregistreerd maar bij gedwongen verkopen wordt geen onderscheid gemaakt tussen een reguliere vrije verkoop van een woning en een gedwongen onderhandse verkoop. Het proces van gedwongen onderhandse verkoop kent veel gelijkenis met reguliere vrije onderhandse verkoop. Het onderscheid in transacties wordt niet bij het Kadaster geregistreerd. Het verkrijgen van data over gedwongen onderhandse verkopen is daarmee in de praktijk niet mogelijk. Ik zie onvoldoende meerwaarde in het bijhouden van die gegevens en ben niet voornemens zo’n onderzoek te doen.
Zijn er aanwijzingen dat in het afgelopen jaar het besluit van de NMa rondom executieveilingen (besluit 6538, 13 december 2011) positief effect heeft gehad op de toeloop richting veilingen en de prijsvorming?
De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) is in 2009 een kartelonderzoek gestart naar prijsafspraken bij executieveilingen. Inmiddels is het onderzoek afgerond en heeft de NMa eind 2011 aan 14 handelaren en onlangs aan nog eens 65 handelaren boetes opgelegd van in totaal € 10,4 miljoen. Er is geen onderzoek gedaan naar het effect van het NMa-onderzoek. De prijs op executieveilingen wordt door verschillende factoren beïnvloed, het gedrag van de handelaren is daar één van. Voor een betere werking van executieveilingen is het van belang dat veilingen transparanter worden en dat particuliere kopers meer kansen krijgen om mee te bieden. Handhavend optreden door de NMa draagt er ongetwijfeld toe bij dat handelaren op executieveilingen nu in concurrentie bieden. Ook het bij uw Kamer voorliggende wetsvoorstel ter verbetering van de executieveilingen (Kamerstukken II 2012–13, 33 484, nr. 2) draagt bevat maatregelen om de transparantie en competitie te bevorderen. Bovendien heeft de NMa een handleiding gepubliceerd met richtsnoeren voor het in concurrentie bieden op executieveilingen.5
Kunt u aangeven of de NMa nog steeds onderzoek doet naar kartelvorming bij executieveilingen en onderhandse verkopen? Vindt u dat de NMa deze markt nadrukkelijk in de gaten dient te houden gelet op het grote economische belang?
Het in 2009 gestarte mededingingsrechtelijk onderzoek van de NMa is met de recent genomen besluiten afgerond (zie voetnoot 5). De NMa zal ook in de toekomst in de gaten houden of de Mededingingswet bij executieveilingen wordt nageleefd. Zij zal zo nodig handhavend optreden.
Kunt u aangeven of de 56 door de NMa van kartelovertreding verdachte, en tot nu ca. 14 beboete, huizenhandelaren nog steeds actief zijn op executieveilingen en/of anderszins bijvoorbeeld via onderhandse executoriale biedingen? Wat vindt u hiervan?
Inmiddels heeft de NMa boetes uitgedeeld aan 65 andere handelaren, zodat in totaal 79 handelaren beboet zijn. Het mededingingsrecht is er niet op gericht partijen uit de markt te halen. De betreffende handelaren kunnen dus nog actief zijn op veilingen. Hierover bestaat bij dit kabinet geen informatie. Aangezien betreffende handelaren bestraft zijn voor hun handelen, staat het hun vrij opnieuw actief te zijn op onder andere executieveilingen. In dit kader verwijs ik ook naar de opmerking in het antwoord op vraag 9: «handhavend optreden door de NMa draagt er naar verwachting toe bij dat handelaren op executieveilingen nu in concurrentie bieden». Er bestaat daarom geen bezwaar tegen de deelname van beboete huiseigenaren op onder andere de veiling.
Bent u het eens dat er goed toezicht moet zijn op de partijen die van rechtswege betrokken zijn bij de verkoopprocedures na het inroepen van het recht op hypotheek (artikel 3:268 B), gelet op het belang bij makelaars en notarissen? Zo ja, op welke wijze is dit toezicht georganiseerd? En vindt u dit afdoende geregeld?
De notaris houdt als publiek ambtenaar onafhankelijk toezicht op de executieveiling. Zo heeft hij een rol bij de voorbereiding van de veiling, door bijvoorbeeld de veilingvoorwaarden te controleren. De notaris controleert verder of het bieden op de veiling eerlijk verloopt. Tot slot draagt hij zorg voor de levering van het verkochte goed aan de hoogste bieder. Dit betekent dat de notaris in de eerste plaats verantwoordelijk is voor een juist verloop van de executieveiling. De onderhandse executoriale verkoop staat uiteindelijk onder toezicht van de rechter, doordat de voorzieningenrechter van de rechtbank een onderhandse verkoop moet goedkeuren. De verdere afwikkeling van de onderhandse executoriale verkoop ligt in handen van de notaris. Indien er aanwijzingen zijn voor onrechtmatigheden, zoals kartelafspraken of strafbare feiten, dan kunnen de NMa of het Openbaar Ministerie worden ingeschakeld. Hiermee bestaat voldoende toezicht op de executie van het hypotheekrecht.
Kunt u aangeven op welke wijze de keuze tussen executieveiling of onderhandse verkoop wordt gemaakt? Is hierbij sprake van dwang of drang? Vindt u het wenselijk dat banken steeds meer mensen bewegen om te kiezen voor (vrijwillige) onderhandse verkoop vanwege de zeer lage opbrengst bij executieveilingen?
Het is in het belang van de bank en de consument om te streven naar een zo hoog mogelijke opbrengst wanneer een woning executoriaal moet worden verkocht. Hoe aan dit streven concreet invulling wordt gegeven, hangt af van het interne beleid van de banken en is verder afhankelijk van de situatie van de consument. Uiteraard heeft het de voorkeur als een keuze tussen de verkoop van een woning op de executieveiling en onderhandse verkoop tot stand komt na onderling overleg. In de praktijk komt het echter voor dat woningbezitters geen medewerking verlenen aan enige vorm van verkoop van de woning. Zoals in de beantwoording van vraag 2 en vraag 5 wordt aangegeven, is bekend dat in de huidige situatie de onderhandse verkoop doorgaans meer oplevert. Daarom is het redelijk dat financiële instellingen mensen stimuleren om te kiezen voor (vrijwillige) onderhandse verkoop. Het is echter aan de financiële instelling om, zo mogelijk in overleg met de woningbezitter, tot de meest gunstige keuze te komen. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 6 heeft de AFM in 2012 onderzoek gedaan naar de afhandeling van betalingsachterstanden. Ook de AFM heeft aangegeven van mening te zijn dat kredietverstrekkers die het klantbelang voorop stellen executieveilingen zoveel mogelijk zouden moeten vermijden met het oog op de lagere verwachte verkoopopbrengst.
In de brief over woningcorporaties (d.d. 14 december 2012, TK 29 453, nr. 284) heeft u aangegeven gegevens te vragen aan NVB en WEW over de restschuldproblematiek. Bent u ook bereid om de NVB te vragen naar het beleid rondom executieveilingen en onderhandse verkoop bij betalingsachterstanden? Bent u tevens bereid te vragen naar het beleid m.b.t. de verschillende regio's (krimp- en/of schaarsteregio's) en verschillende woninggebieden, gelet op de conclusie in het eerder genoemde rapport dat woningen in populaire wijken vaker onderhands worden verkocht, terwijl panden in mindere wijken sneller doorverwezen worden naar de veilingzaal? Vindt u dergelijk onderscheid legitiem en acceptabel? Heeft dit onderscheid geen zeer nadelige gevolgen voor de hypotheekhouders?
Zoals onder vraag 5 is aangegeven heeft het WEW gegevens verstrekt over de inspanningen die worden verricht bij betalingsachterstanden in geval van een hypotheek met NHG. Met betrekking tot uw vraag over het beleid van de banken rondom executieveilingen en onderhandse verkoop bij betalingsachterstanden is onder vraag 6 aangegeven dat de AFM in 2012 onderzoek heeft gedaan naar de afhandeling van betalingsachterstanden bij hypotheken door kredietverstrekkers en binnenkort met de resultaten naar buiten komt. Tevens wordt in de beantwoording van vraag 22 gemeld dat de NVB aangeeft dat hypotheekaanbieders in overeenstemming met de Gedragscode Hypothecaire Financieringen (GHF) handelen.
Voor het overige is het aan de banken om te beoordelen hoe zij omgaan met betalingsproblematiek in de verschillende regio’s en woninggebieden.
Bent u bereid om ook bij het WEW navraag te doen over de ontwikkelingen van executoriale verkoop en onderhandse verkoop?
Het WEW verstrekt deze gegevens in haar openbare jaarverslag. Tevens bestaat er op dit punt reguliere informatie-uitwisseling tussen het WEW en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De ontwikkelingen op het gebied van executoriale verkoop van woningen met NHG worden uiteraard nauwlettend gevolgd.
Kunt u aangeven of het beleid de laatste tijd bij het WEW is aangescherpt? Zo ja, op welke wijze? Vindt u dat de balans tussen risico's voor het WEW (met achtervanger het Rijk) en voor de banken voldoende is geregeld?
De afgelopen jaren heeft het WEW haar beleid gericht op het voorkomen danwel beperken van de verliezen steeds verder aangescherpt. In samenwerking met de geldgevers wordt er op gestuurd om woningverkoop op de veiling te voorkomen. Dit beleid wordt in 2013 geïntensiveerd. Het WEW staat met de NHG borg voor de door de geldgevers met NHG verstrekte hypotheken. Dit betekent dat de verliezen van de geldgever op hypotheken met NHG door het WEW worden vergoed, ongeacht de vraag of de woning onderhands of via de veiling is verkocht. Er wordt nauw samengewerkt tussen het WEW en de geldgevers om de verliezen zo veel mogelijk te beperken en te voorkomen.
Bent u bereid om samen met WEW een analyse te maken van de ontwikkelingen van executies, gedwongen en (vrijwillige) onderhandse verkoop van de afgelopen (crisis-)jaren en deze analyse af te zetten tegen de ontwikkelingen eind jaren 1970/begin jaren 1980, gelet op mogelijke parallellen?
Gezien de verschillende achtergronden van het ontstaan van de huidige crisis (problemen bij de banken) en de crisis eind jaren zeventig/ begin jaren 80 (stagflatie en oliecrisis) is er geen meerwaarde in een dergelijke exercitie. De inspanningen van dit kabinet richten zich op de huidige ontwikkelingen en op welke wijze het overheidsbeleid een bijdrage aan oplossingen kan leveren.
Kunt u aangeven wat het juridische kader is bij onderhandse executoriale verkoop? Wat is hierbij de rol van de voorzieningenrechter? Is het mogelijk dat de rechter bij deze vorm van verkoop de verschillende belangen afweegt? Zo nee, vindt u dit niet wenselijk?
Bij de aankondiging van de executieveiling wordt aangegeven dat ook onderhands kan worden geboden, door middel van een aan de notaris gericht geschrift (artikel 547 Rv). Als de hypotheekhouder of de hypotheekgever besluit tot onderhandse verkoop, dan moet de koopovereenkomst door de voorzieningenrechter worden goedgekeurd (artikel 3:268 lid 2 BW). Hiertoe moet een verzoek vergezeld gaan van een volledige koopakte. Ook moeten eventuele andere ingekomen biedingen aan de voorzieningenrechter worden gemeld (artikel 548 Rv). Indien door de hypotheekhouder of hypotheekgever voor de afloop van de behandeling van het verzoek om onderhandse verkoop toe te staan, aan de rechter een gunstiger aanbod wordt voorgelegd, kan de rechter bepalen dat de verkoop overeenkomstig dat gunstigere aanbod zal geschieden. Met de belangen van alle betrokkenen wordt daarmee op adequate wijze rekening gehouden. De geplande veiling vervalt indien de rechter het verzoek tot goedkeuring van de koopovereenkomst inwilligt. Mocht de rechter geen goedkeuring verlenen, dan bepaalt de rechter een nieuwe dag waarop de veiling zal plaatsvinden (artikel 548 Rv).
Welke acties gaat u ondernemen om er voor te zorgen dat de restschuld na gedwongen onderhandse verkoop dan wel executieverkoop zo laag als mogelijk blijft? Welke aanpassingen in wet- en regelgeving zijn hiervoor nodig? Bent u van mening dat banken meer zorgvuldigheid dienen te betrachten en hoe gaat u dat bevorderen?
Het is ten eerste aan de geldverstrekkers hierin hun verantwoordelijkheid te nemen.
Naast het op dit moment bij uw Kamer voorliggende wetsvoorstel ter verbetering van de executieveilingen (Kamerstukken II 2012–13, 33 484, nr. 2) heeft het kabinet maatregelen genomen ten aanzien van de stapsgewijze afbouw van de LTV (Loan to Value) ratio’s en heeft dit kabinet de financiering van restschulden mogelijk gemaakt. Voorts zet dit kabinet met de maatregelen met betrekking tot de hypotheekrenteaftrek aflossing van de hypotheek weer centraal. Deze maatregelen tezamen zullen er in de toekomst toe leiden dat er minder restschulden zullen voorkomen.
Bent u verder van mening dat notarissen voldoende doen om er voor te zorgen dat de executieveilingen goed verlopen? Welke verbeteringen ziet u rondom de inzet van notarissen en hoe gaat u dit bevorderen? Bent u van mening dat het de taak is van notarissen om (vrijwillige) onderhandse verkoop te bevorderen of hebben zij een bredere taak- en doelstelling ook met het oog op de huizenbezitters die uit hun huis worden gezet? Kunt u dit toelichten? Bent u in gesprek met de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie om het proces tot executieveilingen te verbeteren?
In het antwoord op vraag 18 is ingegaan op de rol van de notaris bij de executieveiling. Het is inherent aan de wettelijke executieprocedure dat de belangen van de schuldeiser een grote rol spelen. Het past binnen deze procedure dat de notaris alle relevante belangen -dus ook die van de huizenbezitter- in dit proces betrekt. Zo kan de notaris door middel van voorlichting aan de huizenbezitter wijzen op de voordelen van een onderhandse verkoop. Verder draagt de notaris er, in opdracht van de executerende partij, zorg voor dat de aankomende veiling aan een zo breed mogelijk publiek bekend wordt gemaakt en dat potentiële kopers van zoveel mogelijk informatie over het te verkopen object worden voorzien. In deze aankondiging wordt ook melding gemaakt van de mogelijkheid tot het doen van een onderhandse bieding. Het ligt, gezien de wettelijke taken van de notaris, niet voor de hand dat de notaris nauwer wordt betrokken bij de daadwerkelijke bevordering van de onderhandse verkoop. Voor dat doel kan uiteraard wel een makelaar worden ingeschakeld. Bij de voorbereiding van het wetsvoorstel (Kamerstukken 2012–13 33 484, nr. 2 e.v.) tot verbetering van de executieveilingen is de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) betrokken geweest. Ook los van dit wettelijke traject zijn door de betrokken partijen, zoals de KNB, initiatieven ontplooid om de executieveiling te verbeteren. Dit heeft onder meer geleid tot het concentreren van de openbare executoriale verkopen bij 16 regioveilingen, die op uniforme wijze opereren. Deze concentratie maakt het naar verwachting aantrekkelijker voor particulieren om deel te nemen aan een dergelijke veiling.
Bent u bekend met het feit dat banken/hypotheekverstrekkers gedragscode 15 hypothecaire financieringen veelal niet naleven. Welke maatregelen wilt u in dit kader treffen?
Bent u bekend met het feit dat banken en hypotheekverstrekkers ook bij tijdelijke betalingsachterstanden en in aantoonbaar oplosbare situaties toch overgaan tot executieverkoop en in dit kader zelfs door inhoudsdeskundigen aangedragen realistische integrale oplossingen en betaalvoorstellen ongegrond afwijzen evenals aanwezige andere voor de hand liggende oplossingen compleet buiten beschouwing laten? Wat vindt u van dit feit dat banken onderbouwde oplossingen die executieverkoop kunnen voorkomen onbeargumenteerd afwijzen? Zou het in deze financieel moeilijke tijden juist niet gewenst zijn en zeker ook van banken verwacht mogen worden (ook gezien het feit dat banken debet zijn aan de bankencrisis vanaf 2008) dat zij openstaan voor realistische oplossingen en pro-activiteit? Welke maatregelen en/of aanvullende wetgeving zou u kunnen treffen?
Artikel 15 van de GHF bepaalt dat aanbieders van hypothecair krediet bij (dreigende) betalingsproblemen eerst in overleg treden met de consument. Ik heb van de NVB begrepen dat zij zich niet herkent in het signaal dat banken dit artikel niet naleven. De NVB stelt dat een woning enkel via een executieveiling verkocht wordt als er geen andere oplossing meer mogelijk is. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn als consumenten naar het buitenland zijn vertrokken of als consumenten op geen enkele andere manier willen meewerken aan een onderhandse verkoop. De NVB bestrijdt dan ook dat aanbieders niet in lijn met de GHF handelen en vroegtijdig aansturen op een executieveiling. Deze informatie komt overeen met de informatie die hierover in de beantwoording van vraag 4 en vraag 5 is gegeven.
Bent u bekend met het feit dat banken en hypotheekverstrekkers ook bij tijdelijke betalingsachterstanden en in aantoonbaar oplosbare situaties toch overgaan tot executieverkoop en in dit kader zelfs door inhoudsdeskundigen aangedragen realistische integrale oplossingen en betaalvoorstellen ongegrond afwijzen alsmede aanwezige andere voor de hand liggende oplossingen compleet buiten beschouwing laten? Wat vindt u van dit feit dat banken onderbouwde oplossingen die executieverkoop kunnen voorkomen onbeargumenteerd afwijzen? Zou het in deze financieel moeilijke tijden juist niet gewenst zijn en zeker ook van banken verwacht mogen worden (ook gezien het feit dat banken debet zijn aan de bankencrisis vanaf 2008) dat zij openstaan voor realistische oplossingen en pro-activiteit? Welke maatregelen en/of aanvullende wetgeving zou u kunnen treffen?
Zie antwoord vraag 21.
Bent u bekend met het feit dat woningen die via executieveiling en/of onderhandse executoriale verkoop verkocht worden direct erna doorverkocht worden voor bedragen die meer dan 50% van het executie bod/onderhandse executoriale bod bedragen? Bent u bekend met het feit dat in dit kader ook beide notariële leveringen (dus aan de huizenhandelaar en aan de volgende eigenaar) door een en dezelfde notaris worden gedaan; hetgeen 2 keer een transactie is van dezelfde woning in zeer korte tijd, waarbij de meeropbrengst niet ten goede komt aan de voormalig huiseigenaar/«geëxecuteerde». Wat vindt u hiervan?
Het is bekend dat in een enkel geval een woning direct wordt doorverkocht. Het feit dat een notaris in dit soort gevallen 2 keer bij de verkoop van dezelfde woning betrokken is, is op zichzelf genomen niet van belang. Zo’n doorverkoop zal vaker voorkomen naarmate een woning verder onder de prijs wordt verkocht. Hierbij speelt een rol dat de opbrengst van de woning bij verkoop op de veiling onder andere sterk door het moment van veilen wordt bepaald. Dit is inherent aan het systeem van veilingen. Een factor die van belang is, is het aantal bieders op de veiling. Als het aantal bieders laag is, zal ook de opbrengst achterblijven bij de verwachtingen. Tevens kan een hogere prijs bij het doorverkopen van een woning bijvoorbeeld worden verklaard doordat er na de aanvankelijke executieveiling meer bekend is geworden over de staat van het pand. Zo kan de staat van de woning beter zijn dan aanvankelijk werd gedacht. Daarnaast zijn de transactiekosten voor de koop van een woning op een executieveiling hoger dan die bij een reguliere koop. Bieders op een executieveiling houden rekening met de hiervoor genoemde risico’s en kosten bij het bepalen van hun bod.
Verder is van belang te melden dat de NMa boetes heeft opgelegd aan handelaren die de opbrengst op de executieveilingen kunstmatig laag hebben gehouden. Tevens zet het kabinet in om het aantal deelnemers aan de executieveilingen te vergroten, door het wetsvoorstel ter verbetering van de executieveilingen (Kamerstukken II 33 484, nr. 2). Het aantal gevallen waarin een huis direct na aankoop voor een onverklaarbaar hoge prijs wordt doorverkocht, zal naar verwachting door beide maatregelen worden verminderd.
Denkt u aan concrete wijzigingen in wet- en regelgeving om een en ander in het belang van mensen met een betalingsachterstand te verbeteren? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer deze tegemoet zien?
Het op dit moment bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel ter verbetering van de executieveilingen (Kamerstukken II 2012–13, 33 484, nr. 2) draagt er aan bij om de positie van mensen met een betalingsachterstand te verbeteren. Dit wetsvoorstel beoogt de opbrengst van een huis op de executieveiling te verbeteren wanneer een huiseigenaar vanwege betalingsachterstanden zijn huis gedwongen moet verkopen. Voorts is de rente op restschulden aftrekbaar gemaakt en hiernaast is er door dit kabinet voor gezorgd dat mensen, als ze met twee huizen zitten, nog een jaar extra de rente op 2 hypotheken af kunnen trekken, tot drie jaar na het jaar van de verhuizing. Deze maatregelen dragen bij aan lagere maandlasten voor huishoudens met restschulden. In de nieuwe regels voor aftrekbaarheid van de hypotheekrente is ook nog voorzien in een speciale regeling voor betalingsachterstanden. Onder voorwaarden leidt een periode waarin niet wordt afgelost niet tot het verlies van de aftrekbaarheid van de hypotheekrente. Het kabinet overweegt op dit moment geen aanvullende regelgeving.
Kunt u aangeven hoeveel woningen er verkocht zijn via executoriale verkoop per maand sinds 1 januari 2010?
Onderstaand is een weergave van de gegevens zoals deze bekend zijn bij het Kadaster.
206
189
228
189
170
195
241
134
54
220
232
128
2.186
393
15
270
223
222
224
222
144
66
226
281
384
2.670
149
167
259
226
269
229
259
170
91
225
259
185
2.488
Kunt u aangeven hoeveel woningen er verkocht zijn via onderhandse executoriale verkoop per maand sinds 1 januari 2010?
Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven, bestaan hierover landelijk geen betrouwbare cijfers. Onderstaand is een weergave van de gegevens zoals deze van hypotheken met NHG op dit moment al bekend zijn.
1.220
878
342
1.819
1.404
415
3.067
2.731
336
Kunt u aangeven hoeveel woningeigenaars een betaalachterstand hadden op hun hypotheek, per maand sinds 1 januari 2010?
Onderstaand treft u het aantal bij de BKR geregistreerde kredietnemers met betalingsproblemen aan. Het BKR heeft ons laten weten dat alle betalingsachterstanden conform de Wet op het financieel toezicht (Wft) en het BKR Reglement gemeld worden, van 500 euro of meer en langer lopend dan 3 maanden. Consumenten met een betalingsachterstand van minder dan 3 maanden hebben dus geen negatieve registratie.
44.981
46.947
49.228
52.821
55.275
57.413
59.607
62.453
65.329
68.717
72.367
niet beschikbaar
De multiplier in de Geefwet |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat u in oktober 2011 aan de Kamer schreef dat u de multiplier in de Geefwet ter goedkeuring had voorgelegd aan de Europese Commissie?1
Hoe lang heeft de Europese Commissie nodig om een oordeel te geven over een vraag of dit geoorloofde constructie is of niet?
Kunt u een overzicht doen toekomen aan de Kamer van alle gesprekken, mails en brieven, die tussen de Europese Commissie en de Nederlandse regering zijn gewisseld over de multiplier?
Is het mogelijk om bij het invullen van de belastingaangifte inkomstenbelasting (IB) of vennootschapsbelasting (VPB) over 2012 een beroep te doen op de multiplier? Zo nee, waarom is dat niet gecommuniceerd?
Zal, indien het op het formulier van de belastingaangifte mogelijk is om een beroep te doen op de multiplier, aan de burgers worden gecommuniceerd dat het niet zeker is dat de Europese Commissie toestemming geeft voor deze aftrekpost en dat de Nederlandse regering te weinig inspanning heeft geleverd om tijdig een antwoord van de Commissie te krijgen?
Wat gebeurt er met de ingediende aangiftes en personen, die een beroep doen op de multiplier, indien de Europese Commissie niet akkoord gaat met de multiplier voor culturele instellingen?
Kunt u een overzicht van alle wetten, regelingen, projecten en andere zaken, waarvoor de Nederlandse regering toestemming heeft gevraagd van de Europese Commissie en waarop de Commissie nog geen antwoord heeft gegeven, aan de Kamer toezenden, inclusief de datum waarop de Nederlandse regering die toestemming formeel heeft gevraagd aan de Commissie?
Behoudens specifieke uitzonderingen, onder andere voor maatregelen die staatssteun behelzen waarvan de multiplier in de Geefwet een voorbeeld is, kent het Unierecht niet de verplichting nationale wet- en regelgeving vooraf ter goedkeuring voor te leggen aan de Commissie. Voor wat betreft Nederlandse staatssteunmeldingen van de verschillende ministeries wordt geen centraal overzicht bijgehouden.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Kunt u de overige vragen over de multiplier voor 15 januari 2013 beantwoorden, wanneer de belastingaangiftes beginnen en vraag 7 voor 1 februari 2013 met het oog op het debat over de staat van de Unie in de Kamer?
De zaak Van Rey – Weekers |
|
Kees van der Staaij (SGP), Gerard Schouw (D66), Pieter Omtzigt (CDA), Roland van Vliet (PVV), Marianne Thieme (PvdD), Henk Krol (50PLUS), Bram van Ojik (GL), Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Waarom liet u via een VVD-voorlichter doorgeven niet te weten wie een portret op de 35 meter hoge paal had geplaatst, terwijl u dat twee maanden later wèl wist en u zich zelfs herinnerde dat de heer Van Rey u benaderd had?
Is in het contact tussen u en de heer Van Rey ter sprake gekomen dat de van omkoping verdachte projectontwikkelaar de heer Van Pol betrokken was bij deze reclamezuil? Is inmiddels duidelijk wat de precieze relatie tussen het eigendom van de zuil en de heer Van Pol is? En hoe hoog de korting was die de heer Van Rey kreeg? Voor wiens rekening was deze korting? Is daarvoor een wederdienst geleverd?
Hoe verklaart u de verschillende typeringen ten aanzien van aard van de schenking van een reclamezuil, namelijk «een billboard in het kader van mijn persoonlijke campagne»1, «een bijdrage aan de regionale campagne van de VVD»2, «een vriendendienst voor een oud medewerker»3 en «een bord dat is geplaatst via de lokale afdeling van de VVD in Weert»?4
Waarom weersprak u niet dat het om «een persoonlijk bedoelde donatie» ging, toen een journalist van NRC Handelsblad u daarop aansprak begin september 2012?
De heer Van Rey spreekt over «een vriendenprijs van enkele duizenden euro’s», wat was het precieze bedrag? Kunt u bevorderen dat de VVD Limburg de rekeningen openbaar maakt?
Heeft u zich ervan vergewist dat de donatie inderdaad alleen door de heer Van Rey is gedaan en, zoals afgesproken, via de regionale campagnekas is afgehandeld? Kunt u de rekeningen hiervan openbaar maken?
Op welke datum heeft wie aan wie een rekening gestuurd voor de reclamezuil, wanneer heeft wie de rekening betaald en om hoeveel geld ging het precies?
Waarom ging u direct – zoals u eerst verklaarde – of indirect – zoals u later verklaarde – in zee met de heer Van Rey eind augustus 2012 terwijl toen reeds door een onderzoekscommissie was geconcludeerd dat de heer Van Rey betrokken is bij belangenverstrengeling met een projectontwikkelaar?
Hoe verhoudt de door de heer Van Rey als «persoonlijke donatie» en ook door u in eerste instantie aangeduide «bekostiging in het kader van persoonlijke campagne» zich tot paragraaf 5.4.3 van het «blauwe boek», het handboek voor aantredende bewindspersonen? Met name de daarin gestelde «algemene terughoudendheid ten behoeve van integriteit en transparantie»? En de hierin gestelde noodzaak tot registratie?
Welke afspraken had u zwart op wit willen zetten zoals u 23 november 2012 in NRC Handelsblad zei?
In uw brief van 17 december 2012 geeft u aan dat er contact geweest is met burgemeesters en wethouders uit Roermond; is er op enig moment contact geweest tussen u en de heer Van Rey over de plannen om belastingkantoren in Limburg te sluiten?
Zo ja, heeft de heer Van Rey u gevraagd u in te zetten voor het behoud van het belastingkantoor in Roermond? Zo ja, hoe heeft u daaraan gevolg gegeven?
De directie van de Belastingdienst heeft een voorkeur geuit voor de vestigingslokatie Roermond; was dat voor of na uw contact met de heer Van Rey?
Met de burgemeesters en/of wethouders van welke steden en gebieden heeft u zelf een gesprek gevoerd, respectievelijk met welke steden en gebieden heeft de dienstleiding dat gedaan?
Volgens uw woordvoerster heeft u zich, zoals de regels voorschrijven, niet bemoeid met het verzoek over een persoonlijke belastingzaak aangaande vastgoedbelangen, maar heeft u «het verzoek alleen doorgestuurd», is dat waar? In welke vorm deed u dit?
Heeft u uiteindelijk gehandeld in lijn met het ambtelijk advies? Zo nee, waarom niet?
Heeft u de heer Van Rey op enig moment zelf (telefonisch) gesproken over zijn brief of is er op enige andere manier contact geweest over de brief van de heer Van Rey, voor of na het sturen de van de brief door de heer Van Rey? Op welk moment kwam u voor het eerst in aanraking met de inhoud van het verzoek van de heer Van Rey?
Heeft u op enig moment gesproken met de heer Van Rey over het feit dat hem werd gevraagd zijn onroerend goed op afstand te plaatsen? Wat heeft u hem geadviseerd?
Wordt er door het ministerie van Financiën een onderscheid gemaakt tussen vragen van persoonlijke en van zakelijke aard? Zo ja, hoe zien die verschillende procedures eruit?
Wordt er in dit soort gevallen zonder aanziens des persoons gehandeld? Heeft iedere Nederlander recht op een gesprek met de plv. DG Belastingdienst minder dan twee weken na een dergelijk verzoek?
Wat is de standaardprocedure voor Kamerleden, zowel van de Eerste als de Tweede Kamer, met delicate fiscale vragen? Is die procedure gevolgd?
Hoeveel persoonlijke brieven met fiscale vragen ontvangt u en kunt u aangeven naar wie ze worden doorgeleid?
Wat is er precies besproken tijdens het formatieproces tussen u en de formateur? Is bij dit gesprek de naam van de heer Van Rey aan de orde gekomen? Wat was de conclusie van dit gesprek?
Kunt u de vragen die op dinsdag 18 december 2012 tijdens de regeling van werkzaamheden aan de orde zijn gesteld door o.a. de leden Schouw en Omtzigt, vóór aanvang van het debat, dat is gepland op donderdag 20 december 2012, beantwoorden?
Het artikel “Griechen und Spanier kaufen massenhaft deutsche Immobilien“ |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Griechen und Spanier kaufen massenhaft deutsche Immobilien« in Der Spiegel?1
Ja.
Worden binnen de EU de belastinggegevens bij verdachte transacties, zoals de aankoop van onroerend goed in een ander EU-land met contant geld, standaard uitgewisseld?
Binnen alle lidstaten van de EU bestaat ingevolge de Derde Witwasrichtlijn (Richtlijn 2005/60/EG) een meldingsplicht inzake ongebruikelijke transacties voor onder anderen makelaars en notarissen. Kort gezegd dienen zij bij een vermoeden van witwassen van geld daarvan melding te maken bij een nationaal meldpunt; in Nederland is dit de Financial Intelligence Unit (FIU). Betaling van grote bedragen in contanten wordt algemeen beschouwd als een indicatie dat sprake kan zijn van witwassen. De nationale meldpunten kunnen dergelijke informatie onderling uitwisselen. Binnen de EU kan dit geautomatiseerd via het netwerk van FIU-net. Via de nationale meldpunten kan dergelijke informatie ter beschikking komen van opsporingsdiensten.
Belastinggegevens bij verdachte transacties met contant geld worden binnen de EU niet standaard uitgewisseld, dus ook niet die met betrekking tot de aankoop van onroerend goed in een ander EU-land. De nieuwe Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (de opvolger van Richtlijn 77/799/EEG), die op 1 januari 2013 in werking is getreden, voorziet nu in verplichte automatische fiscale inlichtingenuitwisseling tussen de EU-lidstaten, waaronder eigendom van en inkomsten uit onroerend goed. Dit deel van de richtlijn treedt in werking vanaf het belastingjaar 2014. Overigens wisselt de Nederlandse Belastingdienst op basis van bilateraal overeengekomen administratieve regelingen alle jaren via de automatische weg informatie uit met een aantal EU-lidstaten (waaronder België, Duitsland en Spanje) en derde landen over bezit van en inkomsten uit onroerende zaken. Met diverse landen ben ik in gesprek om eveneens een dergelijke regeling af te spreken.
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend is, wilt u het dan ter sprake brengen bij de volgende Ecofin Raad waarbij u aanwezig bent en het resultaat van de discussie terugkoppelen aan het Nederlandse parlement?
Dit lijkt mij vooralsnog niet nodig, omdat genoemde Richtlijn 2011/16/EU – zoals onder vraag 2 vermeld – nu ook voorziet in verplichte automatische inlichtingenuitwisseling tussen de EU-lidstaten m.b.t. gegevens over eigendom van en inkomsten uit onroerend goed (vanaf het belastingjaar 2014). Europees gezien zijn hiermee de benodigde bouwstenen gelegd t.a.v. de informatie-uitwisseling binnen de EU.
Deelt u de mening dat gegevens automatisch uitgewisseld zouden moeten worden en dat landen daarvoor het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken, inclusief het protocol, zouden moeten ratificeren?
Zoals ik uw kamer al eerder heb laten weten, ben ik een groot voorstander van de realisering van automatische fiscale inlichtingenuitwisseling tussen de belastingdiensten van de verschillende landen. Mede om die reden ben ik een voorstander van de ratificatie van bedoeld verdrag en protocol. Overigens betekent ratificatie niet zonder meer dat ook daadwerkelijk tot automatische inlichtingenuitwisseling kan worden overgegaan. Niet alle landen hebben daarvoor immers op dit moment de technische mogelijkheden en daarnaast moeten er soms nadere administratieve regelingen worden afgesproken om een en ander vorm te kunnen geven. Voor Nederland is dat op dit moment overigens altijd noodzakelijk, gezien het bepaalde in artikel 6 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Het spreekt vanzelf dat ook de andere landen bereid moeten zijn een administratieve regeling overeen te komen.
Voor de volledigheid verwijs ik u nog naar mijn opmerkingen in het kader van de memorie van antwoord met betrekking tot de goedkeuring van het wijzigingsprotocol bij genoemd verdrag (33174).
Bent u bereid om uw Griekse en Duitse collega’s hierop aan te spreken en te vragen wanneer zij denken het protocol, dat leidt tot spontane en automatische gegevensuitwisseling, te zullen ratificeren? Bent u bereid hun reactie mee te delen aan de Tweede Kamer?
Dit lijkt mij niet nodig, aangezien voor de EU-lidstaten vooral genoemde Richtlijn 2011/16/EU van belang is. Overigens heeft Nederland met Duitsland al sinds 1997 een administratieve regeling op basis waarvan automatisch fiscale inlichtingen worden uitgewisseld.
Heeft u van Griekenland al een reactie ontvangen op de lijst met mensen die grote schepen bezitten hier in Nederland?
Aangezien de door u bedoelde lijst eerst zorgvuldig op juistheid door de Belastingdienst moet worden gecheckt, wordt een actuele lijst vermoedelijk eerst eind januari 2013 aan de bevoegde fiscale autoriteit van Griekenland verzonden. Een reactie van Griekse zijde is dan ook nu nog niet aan de orde.
Bent u bereid aan de Griekse autoriteiten te vragen welke acties zij ondernomen hebben naar aanleiding van die lijst?
Uiteraard ben ik bereid enige maanden na verzending aan de Griekse bevoegde autoriteit te vragen welke acties de belastingdienst van Griekenland naar aanleiding van de lijst heeft ondernomen. Het is overigens niet uitgesloten dat de Griekse bevoegde autoriteit dat Nederland spontaan zal melden.
De voorgenomen bouw van 3000 woningen op de E1 locatie |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Hoe was uw onderhoud met de Israëlische ambassadeur, op welke wijze hebt u de voorgenomen bouw van 3000 woningen op de E1 locatie aan de orde gesteld en wat was zijn reactie?
Deelt u de mening van het Amerikaanse State Department dat «unilaterale acties buitengewoon schadelijk zijn voor de vooruitzichten om de Israëlisch-Palestijnse vredesonderhandelingen te hervatten», dat het E1 gebied zeer gevoelig is en dat de bouw daar zeer schadelijk zou zijn voor een twee-staten oplossing?1
Kunt u een overzicht geven van de initiatieven die verschillende EU-lidstaten hebben genomen? Welke stappen heeft u gezet om te komen tot een gemeenschappelijke EU-boodschap aan Israël, dat terugkeer naar de onderhandelingstafel voor de EU de enige optie is en dat deze voorgenomen bouw niet bijdraagt aan verzoening tussen de partijen? Op welke manier wordt met de VS opgetrokken, zodanig dat de bouw van deze woningen wordt voorkomen?
Op welke manier zet u zich in om te komen tot een overtuigend en eensluidend EU-geluid binnen het kwartet, zodat een zelfstandige bijdrage wordt geleverd aan het dichterbij brengen van een twee-staten oplossing?
Het bericht nieuwe aanwijzingen over activiteit rond de plekken waar Syrische chemische wapens zijn opgeslagen |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht over nieuwe aanwijzingen over activiteit rond de plekken waar Syrische chemische wapens zijn opgeslagen?1
Ja.
Kunt u de uitspraak bevestigen dat «Syrië dingen doet die suggereren dat het regime de intentie heeft deze wapens te gebruiken»? Zo nee, waarom niet?
Hierover kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.
Zo ja, kunt u aangeven op welke activiteiten wordt gedoeld? Kunt u daarbij aangeven waarom deze activiteiten nieuw zijn, zoals in de titel van dit artikel wordt gesuggereerd?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt de constatering dat de chemische wapens ook worden verplaatst, zoals in het artikel ook wordt gesuggereerd?
Zie antwoord vraag 2.
Is er volstrekte duidelijkheid over de locaties waar de Syrische wapens zijn gestationeerd? Zo nee, welke stappen worden gezet om deze duidelijkheid te verkrijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Is er duidelijkheid over de verschillende chemische wapens waarover het Syrische regime beschikt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Amerikaanse minister van Defensie Panetta, dat sommige chemische wapens zijn verplaatst om deze beter te beveiligen?
Zie antwoord vraag 2.
Is er binnen de NAVO overeenstemming over de inschatting van de risico's die deze wapens met zich meebrengen en over een gemeenschappelijke strategie die zou moeten worden gevolgd?
Het onderwerp is tijdens de NAVO Ministeriële op 4 en 5 december jl. besproken, maar hier zijn geen conclusies aan verbonden.
Is dit een thema dat binnen de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) wordt besproken? Zo ja, op welke wijze? Vormde het een onderdeel van de agenda van de 17e bijeenkomst van betrokken staten, die vorige week werd gehouden?
Op grond van Art. VIII, lid 19 en 20, van het Chemische Wapensverdrag (CWC) kunnen in beginsel specifieke landensituaties besproken worden, maar dergelijke landensituaties maakten geen deel uit van de agenda van de CSP (Conference of States Parties) van het CWC en de situatie in Syrië is tijdens de 17e CSP geen onderwerp van bespreking geweest. Wel hebben diverse delegaties, waaronder de EU, in het algemeen debat hun zorg over de situatie in Syrië uitgesproken. Syrië is overigens geen partij bij het CWC en dus ook geen lid van de OPCW en is juridisch niet gebonden door de bepalingen van het CWC. Als onderdeel van het bredere sanctieregime is in EU-verband eerder dit jaar een exportverbod naar Syrië afgekondigd voor bepaalde goederen die bruikbaar kunnen zijn in een chemisch wapenprogramma.
Het bericht dat door een computerfout duizenden een foutieve brief van de belastingdienst gekregen hebben |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Is het waar dat door een computerfout duizenden burgers een foutieve brief van de Belastingdienst gekregen hebben?1
Hoeveel mensen hebben de brief ontvangen en wat is de precieze oorzaak van deze fout?
Wat gebeurt er als mensen niet reageren op de brief? Lopen zij dan op geen enkele manier enig recht mis?
Is het waar dat deze mensen zelf opnieuw de gegevens moeten doorgeven aan de belastingtelefoon, net als alle huisgenoten?
Het bericht “EU Aid for Cyprus A Political Minefield for Merkel” |
|
Eddy van Hijum (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «EU Aid for Cyprus A Political Minefield for Merkel» ?1
Ja.
Is het waar dat Russen $26 miljard dollar op Cypriotische banken geparkeerd hebben en dat 11 oligarchen een Cypriotisch paspoort bemachtigd hebben?
Op dit moment is niet genoeg informatie bekend om een precieze inschatting te kunnen maken van de bedragen aan deposito’s van personen met een Russische nationaliteit bij Cypriotische banken. Over de aanvragen van paspoorten van specifieke Russische staatsburgers heeft de Nederlandse regering geen informatie.
Hoe beoordeelt u de inspanningen van de Cypriotische regering bij het bestrijden van witwassen en zwart geld?
Als onderdeel van de Raad van Europa evalueert Moneyval de wet- en regelgeving met betrekking tot de bestrijding van witwassen, conform de internationale standaard van de Financial Action Task Force (FATF). Cyprus staat niet op de zwarte of grijze lijst bij de FATF. Moneyval is positief over de inspanningen van Cyprus op dit gebied, getuige de meest recente evaluatie van Cyprus door Moneyval die dateert uit september 2011. De Moneyval-evaluatie ziet wel primair op de wet- en regelgeving en de instituties, en minder op de daadwerkelijke effectiviteit van de implementatie.
Cyprus voldoet ook aan de EU-regels op het gebied van de fiscaliteit. Cyprus heeft geen belastingregimes die op EU-niveau ter discussie staan. Daarnaast wisselt Cyprus, voor zover dit te overzien is, fiscale informatie uit op basis van de Administratieve samenwerkingsrichtlijn en de Spaartegoedenrichtlijn. Aan de andere kant heeft Cyprus op dit moment met zeven EU-lidstaten waaronder Nederland nog geen belastingverdrag.
Bent u ervan op de hoogte dat veel van het geld van de fraude waarover de heer Magnitsky berichtte, waarschijnlijk via Cyprus is gelopen en dat zijn werkgever, Hermitage Capital Management, aangifte daarvan heeft gedaan in Cyprus op 27 juli jongstleden?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat Hermitage Capital Management aangifte van fraude heeft gedaan.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Cypriotische autoriteiten geen onderzoek willen openen in deze zaak en expliciet aangeven dat zij eerst toestemming willen hebben van de Russische autoriteiten, die juist keer op keer geweigerd hebben de Magnitsky zaak te onderzoeken?
Van de Cypriotische autoriteiten hebben wij vernomen dat zij inmiddels een onderzoek zijn gestart, en voorafgaand hieraan geen toestemming hebben gevraagd aan Rusland.
Bent u ervan op de hoogte dat in Zwitserland, Letland, Estland, Litouwen en Finland wel onderzoeken zijn gestart na vergelijkbare aangiften?
Het is mij bekend dat in meerdere van deze landen aangifte is gedaan en onderzoeken zijn geopend.
Bent u bereid om er rechtstreeks bij de Cypriotische autoriteiten op aan te dringen dat ook zij onderzoek zullen doen?
Zie antwoord op vraag 5.
Welke voorwaarden zult u verbinden aan eventuele steun voor Cyprus op het gebied van witwassen, zwart geld, belastingconcurrentie en onderzoek naar de Magnitsky zaak?
Mocht Cyprus een financieel steunprogramma krijgen, en mocht geconstateerd worden dat er noodzaak toe is, dan sta ik positief tegenover conditionaliteit op het gebied van fiscale informatie-uitwisseling, het versterken van de systemen voor de bestrijding van witwassen, en de bevordering van een integere en transparante financiële sector. De nadruk moet liggen op het bouwen van een robuust systeem en niet zozeer op een specifiek geval.
Bent u er verder op de hoogte van wat de Duitse inlichtingendiensten geschreven hebben over een Europees noodpakket: «…wie er het meest zullen profiteren van de miljarden die Europese belastingbetalers overmaken: Russische oligarchen, zakenmensen en maffiosi, die hun illegale inkomsten in Cyprus hebben geparkeerd»?
Ik ben bekend met de berichten in de media hierover.