Besmettelijke dierziekten naar aanleiding van het bericht ‘Varkens in Nood slaat alarm: Nederland niet klaar voor Afrikaanse varkenspest’ |
|
Joris Thijssen (PvdA), Laura Bromet (GL) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Varkens in Nood slaat alarm: Nederland niet klaar voor Afrikaanse varkenspest»?1
Ja.
Herkent u het geschetste beeld in het bericht en deelt u de genoemde zorgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik deel de zorgen van de auteur dat zich een uitbraak van Afrikaanse varkenspest (AVP) kan voordoen in Nederland. De situatie in de Europese Unie is zorgelijk en er zijn veel lidstaten waar uitbraken worden gemeld, veelal bij wilde zwijnen.
Sinds AVP in de EU aan een opmars bezig is heb ik diverse acties in gang gezet. Om de kans op introductie zo klein mogelijk te maken heb ik de afgelopen jaren veel preventieve maatregelen genomen, mede in overleg met diverse betrokkenen en belanghebbenden, verenigd in het Preventieteam AVP. Daarnaast heb ik samen met vier provincies, terreinbeherende organisaties en de Producentenorganisatie varkenshouderij (POV) in mei 2020 een roadmap opgesteld met daarin 16 aanbevelingen om de introductiekans verder te verkleinen en is een taskforce opgericht om de uitvoering van de roadmap te monitoren. Over de voortgang van de uitvoering van de roadmap wordt uw Kamer rond de zomer nader geïnformeerd. Ik informeer sectoren en andere betrokken partijen geregeld over de maatregelen, de actuele situatie in de Europese Unie en wijs ze daarbij tevens op hun rol en verantwoordelijkheden in de preventie van introductie van AVP. Over alle preventieve maatregelen en de situatie in de Unie heb ik uw Kamer geregeld per brief geïnformeerd.
Vinden er in Nederland op dit moment veetransporten plaats van en naar gebieden waar de Afrikaanse varkenspest heerst en/of is gesignaleerd? Zo ja, bent u het ermee eens dat dit onacceptabel is en onmiddellijk moet worden gestopt? Kunt u dit nader toelichten?
Er vindt veevervoer plaats naar lidstaten met AVP. In deze landen zijn strenge maatregelen van toepassing, die worden voorgeschreven door de Europese Commissie. Vervoer van varkens uit besmette regio’s in de EU is niet toegestaan. Voor import van varkens en varkensproducten gelden strenge importeisen. Als extra nationale maatregel is opgelegd dat wagens die evenhoevigen hebben vervoerd en leeg terugkeren uit landen met een uitbraak van een besmettelijke dierziekte (i.c. AVP) een extra reiniging en ontsmetting (R&O) moeten ondergaan bij een erkende R&O-plaats direct bij terugkomst in Nederland. Op die manier wordt de kans dat er virus wordt meegebracht verder verkleind.
Wat is het stappenplan voor de (preventieve en bestrijdings)maatregelen, wanneer is welke stap verplicht en welke indicatoren worden daarvoor gehanteerd? Is dat volgens u voldoende, mede gelet op het feit dat het beleidsdraaiboek hiervoor dateert uit 2013?
De nieuwe Europese Diergezondheidsverordening schrijft precies voor welke maatregelen een lidstaat moet nemen. Deze maatregelen zijn rechtstreeks van toepassing dus ook in Nederland. De regels zijn beschreven in (EU) 2016/429, (EU) 2020/687 en (EU) 2021/605. De EU heeft eveneens een strategie opgesteld voor de aanpak van AVP2.
Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kan Nederland extra maatregelen instellen. De maatregelen staan beschreven in een herziene versie van het draaiboek dat naar verwachting aankomende zomer wordt gepubliceerd; de overwegingen en de maatregelen zijn vergelijkbaar met de beleidsopties zoals genoemd in het draaiboek van 2013. Een Plan van Aanpak van AVP bij wilde zwijnen is in 2018 opgesteld en op de website van rijksoverheid.nl gepubliceerd.
Bent u het ermee eens dat wanneer de risicobeoordeling van de deskundigengroep dierziekten wordt opgeschaald naar hoog of zeer hoog, er dan preventieve maatregelen moeten komen, zoals een preventief fokverbod, mede omdat het virus zich via kunstmatige en natuurlijke bevruchting verspreidt, en gaat u voorbereidingen treffen voor eventuele preventieve maatregelen? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ik heb sinds de besmettingen in de Europese Unie en bovenal na de besmetting in België in 2018 diverse preventieve maatregelen genomen. De beoordeling van de deskundigen van 17 december 2021 heeft daarin geen verandering in gebracht. Samen met de deelnemende partijen in het preventieteam bekijken we wat we nog extra kunnen doen. In het licht daarvan worden nu ook de aanbevelingen in de roadmap uitgevoerd.
Een fokverbod instellen ter preventie van het introduceren van AVP virus is disproportioneel. Het virus kan weliswaar over grote afstanden worden verplaatst, door menselijk handelen, en de deskundigen achten de kans groot dat dat ergens de komende vijf jaar zal gebeuren, maar dat is geen grondslag om nu een fokverbod in te stellen voor de hele sector.
Heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), gelet op het Deloitte-onderzoek uit 2020 en de huidige vogelgriepepidemie, volgens u op dit moment genoeg capaciteit om twee besmettelijke dierziekten tegelijk te bestrijden? Zo ja, kunt u dat nader toelichten? Zo nee, wat gaat u daaraan doen?
Met de huidige capaciteit kan de NVWA de meeste dierziektesituaties aan. Een voorbeeld hiervan is de bestrijding van HPAI. Ook uitbraken van meerdere dierziekten tegelijkertijd kunnen door de NVWA worden aangepakt. Dit was twee jaar geleden het geval bij de bestrijding van SARS-CoV-2 bij nertsen en vogelgriep. De capaciteit van de NVWA om besmettelijke dierziektes te bestrijden is echter niet onbeperkt.
Bent u het ermee eens dat bij het uitbreken van een besmettelijke (dier)ziekte alle relevante instanties capabel moeten functioneren voor de bestrijding, dat we hiervoor moeten zorgen voordat een epidemie uitbreekt en dat Nederland dan niet voldoende is voorbereid op de Afrikaanse varkenspest? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
De NVWA heeft contracten met partijen afgesloten om ook de bestrijding van AVP goed te kunnen uitvoeren. De NVWA ziet ook toe op naleving van bijvoorbeeld de extra R&O; de douane controleert schepen en vliegtuigen op het binnenbrengen van varkensvleesproducten. De NVWA heeft op locatie geoefend met een gesimuleerde AVP uitbraak; bij LNV zijn twee oefeningen gehouden met betrokken partijen om optimaal voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak.
Herkent u ook de samenhang van de structurele problemen, risico’s en schade, zoals de grote veedichtheid van Nederland en de diertransporten door heel Europa? Bent u bereid om naast de zoönosenfactor ook het risico op de verspreiding van de Afrikaanse varkenspest en andere (besmettelijke) dierziekten expliciet als relevante factor mee te nemen in de integrale gebiedsgerichte aanpak? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de nadere uitwerking van de gebiedsgerichte aanpak zal ik afwegen of (en zo ja, hoe) in deze aanpak ook rekening zal worden gehouden met risico’s rond de verspreiding van besmettelijke dierziekten anders dan zoönosen. De Kamer wordt hierover te zijner tijd geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het risico op verspreiding van zoönosen als permanente factor afgewogen dient worden in alle integrale gebiedsgerichte aanpakken?
Ja. Humane en veterinaire experts brengen op dit moment bestaande modellen en kennis van, en inzichten in eerdere dierziekte- en zoönose-uitbraken bijeen. Daarnaast heb ik aan Wageningen Bioveterinary Research gevraagd om specifieke risicofactoren te kwantificeren voor pluimveebedrijven in relatie tot de kans op insleep van hoogpathogene vogelgriep. Beide analyses zijn deze zomer gereed. De uitkomsten worden betrokken bij de concrete uitwerking van de gebiedsgerichte aanpak op dit punt om te komen tot verkleining en beheersing van risico’s vanuit de Nederlandse veehouderij. Ik verwijs ook naar het actieplan «versterken zoönosenbeleid» dat deze zomer aan de Kamer wordt gestuurd.
Deelt u de mening dat er een minimumafstand tussen veehouderijen moet komen om onnodige en hoge risico's te verminderen, mede gelet op de dichtheid van pluimveebedrijven die zodanig hoog is dat de kans bestaat dat zonder preventief ruimen de verspreiding niet effectief gestopt wordt? Zo ja, wat gaat u daarvoor doen? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord bij vraag 9.
Bent u het ermee eens dat de afstand tussen varkenshouderijen minimaal 1 kilometer moet zijn, mede om te voorkomen dat er straks ook duizenden varkens preventief worden gedood?
Met goede bioveiligheidsmaatregelen is de kans op introductie van AVP op een varkensbedrijf klein. Het is van groot belang dat houders van varkens deze maatregelen nemen en zich inzetten om introductie of verdere verspreiding van AVP virus te voorkomen. Professionele houders zijn zich zeer bewust van de risico’s. In de Roadmap Preventie introductie AVP is hier ook veel aandacht voor, en de Producentenorganisatie Varkenshouderij zet zich in om de aanbevelingen hierover op te volgen.
Op dit moment acht ik het hanteren van een minimale afstand van 1 km tussen gevestigde en vergunde varkenshouderijen niet proportioneel. Ik verwijs naar de nadere uitwerking van de gebiedsgerichte aanpak. In die aanpak worden risico’s van zoönosen meegewogen. Ook zal ik afwegen of (en zo ja, hoe) in deze aanpak ook rekening wordt gehouden met risico’s rond de verspreiding van besmettelijke dierziekten anders dan zoönosen. De Kamer wordt hierover te zijner tijd geïnformeerd. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Bent u het ermee eens dat er een verplichte minimale oppervlakte per dier – afhankelijk van het soort – voor bedrijven moet komen, mede gelet op de samenhang van de structurele problemen, risico’s en schade, zoals onder andere bij het couperen van en staartbijten bij varkens? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor nemen? Zo nee, kunt u dat nader toelichten?
Er zijn reeds wettelijke normen voor een verplichte minimale oppervlakte per dier. Voor varkens zijn deze vastgelegd in de Europese richtlijn tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (Richtlijn 2008/120/EG). Nederland heeft deze normen ten aanzien van minimum beschikbare oppervlakte voor de diverse categorieën varkens aangescherpt. Deze Nederlandse aangescherpte normen zijn opgenomen in het Besluit houders van dieren.
Bent u het ermee eens dat preventief vaccineren kan dienen als een belangrijke preventieve maatregel tegen de Afrikaanse varkenspest en zet u zich hiervoor in in Nederland en Europa? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ja. Er is al decennia onderzoek gedaan naar een vaccin, tot nu toe helaas zonder concreet resultaat. Er is door de Europese Commissie (EC) in 2017 een blauwdruk opgesteld om te komen tot een vaccin tegen AVP. De EC heeft in januari dit jaar een update gegeven over onder andere vaccinatie tegen AVP. De EC heeft de afgelopen decennia veel onderzoek naar de ontwikkeling gefinancierd. Er lopen in de EU twee onderzoeksprojecten met een budget van ongeveer 15 miljoen euro. Ik ondersteun dit van harte.
Hoeveel geld heeft Nederland beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van een vaccin tegen de Afrikaanse varkenspest, gelet op het feit dat volgens de deskundigengroep Varkens de kans dat er voor de Afrikaanse varkensgriep binnen een jaar een EU-geregistreerd vaccin komt verwaarloosbaar is?
Binnen de wettelijke onderzoekstaken wordt door WBVR in opdracht van en met financiering door LNV onderzoek gedaan naar AVP; dat was enkele jaren terug meer fundamenteel georiënteerd onderzoek mede ten behoeve van vaccinontwikkeling; de focus ligt nu op risk assessment onderzoek.
Daarnaast participeert WBVR in een Europees AVP-onderzoek «African Swine Fever pathogenesis and immune responses in Resistant And Susceptible Hosts» samen met Duitsland, België, Denemarken en Zwitserland.
Het gaat niet direct om vaccinontwikkeling, maar om dierstudies en analyses om nieuwe data genereren waarmee een beter begrip wordt ontwikkeld van gastheer-immuunrespons en beschermende immuniteit tegen, en activiteit en persistentie van Afrikaanse varkenspest virus in de gastheer. Deze inzichten zijn cruciaal voor verbeterde vaccinontwikkeling. De financiering vanuit het Rijk hierbij is € 250.000 voor de periode 2021–2024.
Kunt u de vragen afzonderlijk en uiterlijk voor het einde van mei 2022 beantwoorden?
Ik heb de vragen zo snel mogelijk beantwoord.
Het onafhankelijk worden van Russisch gas. |
|
Laura Bromet (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de studie van Bruegel met daarin scenario’s voor een eerste winter zonder Russisch gas?1 Hoe beoordeelt u deze studie?
Ik ben bekend met deze blog waarin een aantal scenario’s met betrekking tot de levering van gas uit Rusland voor de komende maanden op hoofdlijnen wordt uitgewerkt. Een belangrijke aanname daarbij is dat de EU voldoende LNG kan aantrekken om het wegvallen van Russisch aanbod op te vangen. Daarbij wordt terecht de vraag gesteld hoe dit zich verhoudt tot de toenemende vraag naar LNG in Azië. Een ander element dat in de blog wordt aangekaart betreft het vullen van de gasopslagen waarbij wordt gewezen op eventuele opslagverplichtingen, iets waar zowel nationaal als in EU-verband aan wordt gewerkt. Daarbij komt ook de vraag aan de orde of er een (financiële) rol is weggelegd voor overheden. Tot slot laat de blog zien dat Nederland maar beperkt direct afhankelijk is van gas uit Rusland. Via de interne Europese gasmarkt is ons land wel indirect afhankelijk. Eventueel wegvallen van aanbod zal in eerste instantie leiden tot krapte op de Europese en wereldmarkt, wat zich zal uiten in hogere prijzen en verleggen van gasstromen waar de schaarste het grootst is.
De eindconclusie volgens de auteurs van het blog is dat het op termijn mogelijk is om Russisch gas te vervangen, maar dat dat een uiterst kostbare aangelegenheid is en sterke coördinatie en overheidsinterventie vereist. Ook als aan deze voorwaarden kan worden voldaan, is het volgens de auteurs nog niet zeker dat het gas overal zal komen waar dit benodigd is vanwege fysieke beperkingen in de infrastructuur die op korte termijn zullen blijven bestaan. Uitzonderlijke maatregelen op het gebied van vraagreductie zijn ook nodig. In de blog wordt niet ingegaan op de wijze waarop deze maatregen tot stand zouden moeten komen.
Ik deel de analyse dat de gasmarkt een Europese markt is en dat leveringszekerheid naast een nationale ook een Europese benadering vereist. Dit sluit aan bij de discussies en Raadsconclusies rond leveringszekerheid die in de Energieraden en Europese raden zijn gevoerd. Daarnaast is met de landen van het Pentalateraal energieforum onlangs een verklaring onderschreven rond het voldoende vullen van de gasbergingen en is Nederland actief in verschillende gasrisicogroepen als uitvoering van de Gasleveringszekerheidsverordening (EU2017/1938).
Deelt u de analyse dat met een EU-brede energiebesparing van 10 tot 15 procent de onafhankelijkheid van Russisch gas fors is verminderd, in combinatie met een grootschalige aanpassing van de gasinfrastructuur om geïmporteerde lng te faciliteren? Bent u bereid hier op in te zetten binnen de EU?
Uiteraard kan met een EU-brede energiebesparing de afhankelijkheid van Russisch gas worden verminderd. Ik zet mij dan ook in voor ambitieuze Europese afspraken op het gebied van energiebesparing. Aanpassing van de Europese gasinfrastructuur om geïmporteerde LNG te faciliteren zal moeilijk te realiseren zijn omdat daarvoor deels nieuwe infrastructuur moet worden aangelegd, bijvoorbeeld om LNG dat aanlandt in Spanje naar de rest van de EU te transporteren. Dit is niet op korte termijn te bewerkstelligen. Datzelfde geldt voor het transport van LNG dat aanlandt in Griekenland naar andere delen van Zuidoost-Europa. Wel kan er op korte termijn worden geïnvesteerd in het vergroten van bestaande LNG-importcapaciteit en drijvende LNG-terminals. Samenwerking tussen bijvoorbeeld Nederland en Duitsland vindt hierop plaats in de Eemshaven. Daarnaast is het van belang om nieuwe LNG-infrastructuur zoveel mogelijk waterstof-ready te realiseren.
Zijn er andere studies bij u bekend over het onafhankelijk worden van Russisch gas?
Het Internationaal Energie Agentschap (IEA) is recent naar buiten gekomen met een 10-puntenplan om de Europese afhankelijkheid van Russisch gas te verminderen. Ook de Europese Commissie heeft aangekondigd op korte termijn met een dergelijk plan te komen. Verder heeft het onderzoeksbureau Aurora Energy Research Ltd. hier recent onderzoek naar gedaan.2
Deelt u de opvatting dat energiebesparing van groot strategisch belang is, zeker vanwege de huidige situatie in Oekraïne, maar ook voor de lange termijn?
Ja.
Bent u bereid een Nationaal Energiebesparingsplan op te stellen voor alle sectoren, met daarin bijvoorbeeld plannen om nog dit jaar extra hybride warmtepompen te installeren, energieteams die langs huizen gaan en verduurzamingseisen voor verhuurders in de vrije sector?
Voor de gebouwde omgeving begin april het Nationaal Isolatieprogramma aangekondigd door mijn collega voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Kamerstuk 30 196 nr. 787). De ambitie is om tot en met 2030 2,5 miljoen woningen te isoleren met de nadruk op de slecht geïsoleerde woningen (label E, F en G). Het programma biedt onder andere ondersteuning van mensen bij het nemen van energiebesparende maatregelen en het verlagen van de energierekening. Via normering zal worden geborgd dat slecht geïsoleerde huurwoningen, zowel in het sociale als het particuliere segment, in 2030 zijn verbeterd. De uitwerking van de wijze van normering, die zowel sociale als particuliere verhuurders zal betreffen, zal onderdeel uitmaken van het programma verduurzaming gebouwde omgeving dat de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening begin juni zal presenteren. Verder verken ik samen met TNO hoe de ambitieuze Europese doelstellingen op energiebesparing eventueel te vertalen zijn in nationale doelen, mogelijk per sector. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten informeren.
Ik onderzoek daarnaast of er meerwaarde is om energieteams langs woningen en bedrijven te laten gaan. Veel gemeenten en energiecoöperaties hebben al energiecoaches die in teamverband opereren om huishoudens te ondersteunen bij het verduurzamen van de woning. In lijn met de motie Van der Lee en Erkens (Kamerstuk 35 925 XIII, nr. 41) verken ik in overleg met het bevoegd gezag de mogelijkheid voor een landelijk handhavingsteam voor het handhaven van de energiebesparingsplicht voor ETS-bedrijven die in 2023 wordt ingevoerd.
Het kabinet ondersteunt via beleid de verdere opschaling van hybride warmtepompen. Vanuit financieel oogpunt is sinds dit jaar de ISDE-subsidie opgehoogd van gemiddeld 20% naar 30% voor o.a. (hybride) warmtepompen. Daarnaast volgt er dit jaar een publiekcampagne hybride warmtepomp die zal bijdragen aan de bekendheid van de techniek. Ook wordt er met verschillende sectorpartijen gewerkt aan korte termijn acties die nodig zijn om de opschaling van de hybride warmtepomp verder te realiseren. Hierover is eerder gecommuniceerd naar de Kamer (Kamerstuk 32 813, nr. 904). Tot slot is de bijdrage van de hybride warmtepomp richting 2030 van groot belang voor de nodige aardgasreductie, zo kan een hybride warmtepomp tot 60% aardgasreductie realiseren. Om die reden zijn er vanuit het coalitieakkoord financiële middelen gereserveerd en wordt er reeds onderzocht welke juridische mogelijkheden er zijn voor een vorm van normering (dit in relatie tot het coalitieakkoord).
Wat zijn de mogelijkheden om op korte termijn (voor 2023) energiebesparing te realiseren binnen Nederland?
Zoals aangekondigd (Kamerstuk 29 023, nr. 283) ben ik samen met mijn collega, de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening begin april met een campagne gestart: «zet ook de knop om». Hiermee zetten we burgers, bedrijven, instellingen en overheden aan om meer energie te besparen. Het Nationaal Isolatieprogramma is op datzelfde moment aangekondigd. Een programma dat de ambitie heeft tot en met 2030 2,5 miljoen woningen te isoleren. Verder brengt TNO momenteel in kaart wat het energiebesparingspotentieel tot 2030 in Nederland per sector is. Ik zal uw Kamer rond de zomer over de resultaten informeren. Op de korte termijn zit er volgens TNO (Kamerstuk 32 813, nr. 863) veel potentieel bij bedrijven en instellingen die onder de energiebesparingsplicht vallen. Bedrijven onder deze verplichting moeten alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder uitvoeren. Per bedrijfstak zijn hiervoor lijsten met maatregelen beschikbaar; de Erkende Maatregelenlijsten (EML). Begin dit jaar is de derde ronde van de ondersteuningsfaciliteit Versterking Uitvoering Energiebesparings- en Informatieplicht (VUE) met 9,5 miljoen euro opengesteld. Hiermee wordt extra capaciteit bij het decentrale bevoegd gezag mogelijk gemaakt om bedrijven te controleren op deze verplichting. In de Miljoenennota 2022 (Kamerstuk 35 925, nr. 1) is verder 56 miljoen euro extra beschikbaar gesteld voor toezicht en handhaving op deze verplichting in de periode 2022–2026. Ik ben in overleg met het decentrale bevoegd gezag hoe op korte termijn deze extra middelen effectief ingezet kunnen worden.
Per 1 januari 2023 gaat daarnaast de wettelijke verplichting in dat kantoren minimaal energielabel C moeten hebben. Het doel van deze verplichting is energiebesparing. De maatregelen die voor het verbeteren van het energielabel getroffen moeten worden, verminderen -gemiddeld genomen- het aardgasgebruik en verhogen het elektriciteitsgebruik. Op dit moment heeft nog minder dan de helft van de kantoren label C of beter. Er blijft dus energiebesparingspotentieel én mogelijke CO₂-reductie liggen. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening onderneemt stappen om de naleving van de verplichting te bevorderen.
Bent u bekend met het overzicht van energiebesparingsmaatregelen van de NVDE?2 Kunt u op hun suggesties voor energiebesparingsmaatregelen ingaan? Bent u bereid deze maatregelen in te voeren?
De NVDE stelt terecht dat er een groot potentieel is voor thermische isolatie, vraagt om het uitbreiden van de doelgroep van de energiebesparingsplicht en wil eigen opwek verplicht stellen. Dergelijke isolatiemaatregelen vallen al onder de energiebesparingsplicht voor een deel van de bedrijven. Per 2023 wordt de doelgroep uitgebreid, waardoor onder andere ook EU ETS bedrijven onder de verplichting vallen. Bedrijven met een groot energiegebruik moeten dan ook een energiebesparingsonderzoek uitvoeren en uitvoeringsplan opstellen. Onderdeel van dit onderzoek wordt een isolatiescan. Naast het uitbreiden van de doelgroep wordt eigen opwek ook verplicht indien de terugverdientijd van de maatregelen vijf jaar of minder is.
De NVDE stelt verder voor om ook kleingebruikers onder de energiebesparingsplicht te brengen en de verplichting te verzwaren door de terugverdientijd naar zeven jaar in plaats van vijf jaar te brengen. Uw Kamer is eerder geïnformeerd dat er weinig meer energiebesparingsmaatregelen verplicht worden bij een terugverdientijd van zeven in plaats van vijf jaar (Kamerstuk 30 196, nr. 738). Omdat bedrijven doorgaans rekenen met een terugverdientijd van drie jaar of korter, ben ik van mening dat een verplichting die uitgaat van zeven jaar bovendien een te grote inbreuk betekent. Het onder de verplichting brengen van kleinverbruikers is interessant. Het gaat hierbij echter vaak om een relatief kleiner potentieel per bedrijf en een veel groter aantal bedrijven. Naast de lastendruk voor deze kleinere bedrijven, zou dit ook een extra lastendruk betekenen voor het decentrale bevoegd gezag die ertoe kan leiden dan bedrijven met een groter verbruik en een groter energiebesparingspotentieel niet meer gehandhaafd kunnen worden. Deze argumenten in overweging nemend vind ik kleinverbruikers onder de verplichting brengen op dit moment onwenselijk.
De NVDE roept op tot spoedcontroles op de uitvoering van de Wet milieubeheer. Zoals uiteengezet bij het antwoord op vraag 6 zijn hier inderdaad al middelen voor beschikbaar gesteld. Bespaarservice en ander advies worden door de markt aangeboden. Hoewel toezichthouders van het decentrale bevoegd gezag bedrijven kunnen stimuleren om bovenwettelijke maatregelen uit te voeren, zijn zij geen energieadviseurs. Wel worden bedrijven via RVO en MKB Nederland geïnformeerd over energiebesparende maatregelen. Ook de lijsten met Erkende Maatregelen bieden houvast voor ondernemers. Op deze lijsten staan overigens ook maatregelen om TL door led te vervangen waarvan de NVDE terecht opmerkt dat ook daar energiebesparingspotentieel te realiseren is. Ik wil wel opmerken dat in sommige gevallen het simpel vervangen van TL door led niet altijd kan en dat ook de armatuur van de verlichting aangepast moet worden. Dit leidt tot hogere terugverdientijden.
Het realiseren van energiebesparende maatregelen staat op de lijst Doelmatig Beheer en Onderhoud.4 Momenteel worden de EML geactualiseerd op basis van de huidige stand van de techniek en energieprijzen. Hierbij zal een duidelijkere koppeling gemaakt worden tussen de energiebesparende maatregel en het juist inregelen daarvan. Met de campagne «zet ook de knop om» zal ik mij op korte termijn inzetten om bedrijven en instellingen te motiveren om installaties beter in te regelen en zo minder energie te verspillen.
Met VNO/NCW en MKB-NL ben ik daarnaast in overleg om ondernemers verder te ontzorgen bij het treffen van energiebesparende maatregelen. Naast het aanbieden van digitale informatie en energieloketten wil ik daarbij ook expliciet kijken of het inzetten van actieteams richting bedrijven doelmatig kan zijn.
Op welke manieren kan het Nationale Isolatieprogramma naar voren worden gehaald?
Voor de uitvoering van het Nationaal Isolatieprogramma is in totaal ongeveer 4 miljard euro aan Rijksbijdrage beschikbaar tot en met 2030. In het Coalitieakkoord is een oplopende reeks opgenomen. Er zijn in het najaar van 2021 extra middelen vrijgemaakt om kwetsbare huishoudens (in huur en koopwoningen) te ondersteunen. Onder alle gemeenten is een bijdrage van 150 miljoen euro verdeeld om kwetsbare mensen op korte termijn te ondersteunen bij het nemen van energiebesparende maatregelen om zo hun energierekening te verlagen. Het kabinet heeft besloten om boven op de middelen die begin 2022 zijn uitgekeerd aan gemeenten, middelen die in het Coalitieakkoord zijn gereserveerd voor energiebesparing, sneller in te zetten. Dit betekent dat er dit jaar nog eens 150 miljoen euro versneld wordt ingezet via gemeenten voor het ondersteunen van mensen bij het nemen van energiebesparende maatregelen en verdergaande isolatie.
Hoe kunnen de energiebesparingsverplichtingen die in de afgelopen Miljoenennota werd aangekondigd voor de industrie al worden ingevoerd? Bent u hiertoe bereid?
Het uitbreiden van de doelgroep en het aantal maatregelen dat onder deze verplichting valt vergt een wijziging van een algemene maatregel van bestuur (AMvB) en verschillende wijzigingen van een ministeriële regeling. Deze moeten het daarbij behorende wetgevingsproces volgen en de AMvB wordt na een consultatie aan uw Kamer voorgelegd. Wanneer uw Kamer instemt met de wetgeving is 2023 de vroegst haalbare inwerkingtreding. Ook vergt deze verplichting het inrichten van een online loket voor het indienen van de energiebesparingsonderzoeken en rapportages in het kader van de informatieplicht energiebesparing. De planning en benodigde doorlooptijd hierbij is al strak.
Hoe kunnen de bestaande energiebesparingsverplichtingen voortkomend uit de wet Milieubeheer op korte termijn beter worden gehandhaafd?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Op welke manieren kan de opwek van duurzame energie nog dit jaar worden versneld? Kan de SDE++-regeling extra worden opengesteld zodat de zaken die bij de afgelopen ronde buiten de boot vielen vanwege de enorme beschikkingen naar Carbon Capture and Storage (CCS) projecten alsnog doorgang kunnen vinden?
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is nog bezig met de beoordeling van de aanvragen uit de SDE++-openstelling van 2021. Hiermee kunnen op korte termijn nog projecten een subsidiebeschikking uit deze ronde krijgen. Doordat aanvragen tijdens de beoordeling kunnen worden afgewezen, is het op voorhand niet te zeggen of en zo ja, welke projecten er buiten de boot vallen. In ieder geval wordt de SDE++ in 2022 voor de zomer (opnieuw) opengesteld. Het budget voor deze openstellingsronde ligt flink hoger dan in de laatste jaren het geval was, onder meer door extra geld dat in de Miljoenennota voor klimaatregelen is gereserveerd (Kamerstuk 35 925, nr. 1). Ik informeer uw Kamer nog deze maand meer gedetailleerd over deze openstellingsronde.
Bent u van mening dat het onwenselijk is dat Nederlandse gemeenten, bedrijven en organisaties een zakelijk energiecontract hebben met Gazprom en zo bijdragen aan de Russische staatskas?
Het is onwenselijk dat we als Europese landen op deze manier bijdragen aan de Russische staatskas. We moeten de afhankelijkheid van energie uit Rusland daarom zo snel mogelijk afbouwen in Europa. In het 5e sanctiepakket van de EU hebben de lidstaten afgesproken dat het verboden is voor aanbestedende diensten en speciale sectorbedrijven om nieuweopdrachten te gunnen aan Russische partijen gevestigd in de Russische Federatie, met inbegrip van dochters in de EU gevestigd die door deze partijen worden gecontroleerd of aangestuurd. Ook moeten bestaande lopende contracten met Russische partijen die zijn afgesloten vóór 9 april 2022 voor 10 oktober 2022 zijn beëindigd / afgewikkeld. Dit geldt ook voor opdrachten waarbij de opdrachtnemer een deel van de opdracht aan zo’n Russische partij heeft uitbesteed voor een waarde van meer dan 10% van de hoofdopdracht. Dit verbod geldt in principe ook voor energiecontracten die aanbestedende diensten of speciale sectorbedrijven hebben gesloten. De relevante sanctieverordening biedt bescherming voor de aanbestedende diensten en speciale sectorbedrijven tegen boetes, schadeclaims en schadevergoedingen als ze de opdrachten en overeenkomsten overeenkomstig deze verordening beëindigen of aanpassen (zie artikel 11 van Verordening (EU) nr. 833/2014).
EZK spoort aanbestedende diensten en speciale sectorbedrijven aan om de afhankelijkheid zo snel als mogelijk af te bouwen. Wel zijn er mogelijkheden om een ontheffing aan te vragen voor dit verbod. De bevoegde autoriteit kan op verzoek per geval bepalen of er een ontheffing wordt gegeven voor bv. de aankoop van aardgas, aardolie of andere brandstoffen. Bij toepassing moet het de Europese Commissie hiervan op de hoogte stellen. Het kabinet moet nog het beleid bepalen hoe zij de ontheffingsbevoegdheid zal toepassen in overeenstemming met de sanctieverordening, in het bijzonder voor energiecontracten.
Is het mogelijk de Nederlandse gemeenten aan te sporen dan wel te dwingen over te stappen naar een andere energieleverancier? Bent u hiertoe bereid?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u in kaart brengen welke activiteiten Gazprom in Nederland uitvoert?
In Nederland is het bedrijf Gazprom Energy, een onderdeel van de Gazprom Group, actief en levert energie (elektriciteit en gas) aan de zakelijke markt en (semi-)publieke instellingen. Daarnaast levert Gazprom gas op de Title Transfer Facility, de Nederlandse gashandelsplaats. Verder heeft Gazprom betrokkenheid bij de gasopslag Bergermeer. Als onderdeel van de totstandkoming van deze gasopslag is een overeenkomst met Gazprom gesloten voor aanlevering van het kussengas. Dit kussengas is nodig om de druk in de gasopslag op peil te houden zodat gas geïnjecteerd en er uit gehaald kan worden. In ruil daarvoor, kan Gazprom 19,6 van de totale 48,2 TWh (Terawattuur) van de opslagcapaciteit gebruiken en heeft Gazprom bepaalde zeggenschapsrechten over de wijze waarop de berging wordt geopereerd.
Daarnaast heeft Wintershall Noordzee B.V., een onderneming waarin Gazprom 50% van de aandelen houdt, vergunningen voor de opsporing en winning van koolwaterstoffen op het Nederlandse deel van het continentaal plat. Bij één van deze vergunningen is Gazprom EP International medevergunninghouder.
Kunnen de activiteiten van Gazprom Energy, Wingas en Wintershall Noordzee in Nederland, dan wel dividenduitkeringen van deze bedrijven aan de Russische staat, stilgelegd worden? Bent u bereid hiertoe stappen te zetten?
Zolang (rechts)personen niet op de sanctielijsten van de EU zijn vermeld (zie in het bijzonder de bijlage bij Besluit 2014/145/GBVB van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen) is er geen juridische grondslag om de activiteiten van deze (rechts)personen stil te leggen. Dit is alleen anders indien de betrokken (rechts)personen onder controle of overwegende zeggenschap staan van personen of entiteiten die vermeld zijn op de sanctielijst.
Indien achterliggende investeerders een percentage aandelen of ander economisch belang heeft in de betrokken rechtspersonen, geldt dat alle rechten en inkomsten verbonden aan het percentage aandelen of aan het economisch belang bevroren zijn. Er kunnen dan ook geen dividenden of uitkeringen uit de reserves plaatsvinden naar deze aandeelhouders of rechthebbenden die op de sanctielijst zijn vermeld. Ook informatie-, vergader- en stemrechten zijn bevroren en kunnen niet worden uitgeoefend. Het is primair aan het bestuur van de betrokken rechtspersonen evenals hun financiële en juridische dienstverleners om hiervoor zorg te dragen. Indien de sancties niet worden nagekomen, zal via toezicht door de rijksoverheid handhavend worden opgetreden.
Bent u van mening dat het onwenselijk is dat Gazprom Energy zich presenteert als duurzame en sociale onderneming met «aandacht voor People, Planet en Profit»? Bent u bereid stappen te ondernemen om greenwashing door Gazprom tegen te gaan?
De Nederlandse overheid verwacht van bedrijven dat zij maatschappelijk verantwoord ondernemen en hier transparant over rapporteren. Gazprom is hierop geen uitzondering.
De overheid onderneemt momenteel stappen om greenwashing tegen te gaan. Zo heeft Nederland op 24 februari jl. in de EU Raad Concurrentievermogen ingestemd met het voorstel voor de nieuwe Europese Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD). Deze richtlijn verplicht een groot aantal bedrijven, inclusief Gazprom, om nauwkeurig te rapporteren over hun duurzaamheidsinspanningen aan de hand van tevoren vastgestelde criteria. Deze rapporten moeten vervolgens worden goedgekeurd door een accountant. Hiermee wordt greenwashing tegengegaan.
Hun openbare agenda |
|
Joost Sneller (D66), Laura Bromet (GL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken) (D66), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), van der Ch. Wal-Zeggelink , Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Kuipers , Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Henk Staghouwer (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() ![]() |
Op welke manier is de motie-Sneller/Bromet over de openbare agenda van bewindspersonen in uw herinnering aan de orde gesteld tijdens het constituerend beraad?1
De formateur heeft in het constituerend beraad gewezen op de openbare agenda van de bewindslieden.
Bent u bereid deze motie onverkort uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Ja. In aanloop naar het aantreden van het kabinet-Rutte IV is de openbare agenda van de bewindslieden meermaals onderwerp van gesprek geweest in de Voorlichtingsraad. Het overleg van de secretarissen-generaal heeft begin januari ingestemd met de VoRa-notitie «Openbare agenda bewindslieden». In deze notitie is een aantal adviezen opgenomen dat moet bijdragen aan een gebruiksvriendelijkere openbare agenda die tegemoet komt aan de motie van de leden Sneller en Bromet. Zo streven we ernaar contactgegevens op te nemen bij de agenda-items en een korte beschrijving te geven van het onderwerp van het betreffende agenda-item. Ook worden de agenda-items, conform de motie-Sneller/Bromet, op rijksoverheid.nl gecategoriseerd. Zo kan er worden gezocht op trefwoord, bijvoorbeeld «gesprek», «ontvangst», «werkbezoek» of «evenement». Ook kan op bewindspersoon worden gezocht of op de voltallige kabinetsploeg.
Bent u bekend met de Notitie van de Rijksvoorlichtingsdienst over de Openbare agenda bewindspersonen (d.d. 3 januari 2022)? Onderschrijft u de zeven afspraken die daarin beschreven worden en bent u bereid deze nauwgezet na te leven?
Ja, ik ben bekend met deze notitie. Ik onderschrijf de zeven afspraken uit de notitie en streef ernaar dat de afspraken nauwgezet worden nageleefd.
Hoe beoordeelt u de uitkomsten van het onderzoek van Open State Foundation dat slechts 14% van de afspraken die zijn opgenomen in de openbare agenda’s de informatie bevat die conform de Uitvoeringsrichtlijn openbare agenda bewindspersonen vereist is (terwijl de opgenomen afspraken slechts een deel zijn van diegene die daar volgens de Uitvoeringsrichtlijn in hadden moeten staan en de afspraken die wel aan de normen voldoen uitsluitend bij de Ministeries van LNV en Financiën voorkomen)?2 3 Welke concrete doelstelling voor de mate van naleving van de bestaande afspraken heeft u zichzelf voor de rest van deze kabinetsperiode gesteld?
Ik houd mijn agenda op dit moment al zoveel mogelijk bij conform de afspraken uit de notitie «Openbare agenda bewindslieden» en zal dit ook voor de rest van deze kabinetsperiode blijven doen.
Herkent u het beeld uit het artikel «Over mooie voornemens en agenda’s die tekort schieten» uit de Volkskrant van 23 februari 2022 dat naleving van de beslispunten uit deze notitie tot nog toe onvoldoende is, laat staan de motie die daarbovenop bijvoorbeeld om «zoveel mogelijk realtime» openbaarmaking in plaats van achteraf over de afgelopen week?
Mijn openbare agenda is, zoals ook uit het artikel blijkt, reeds cf. de afspraken bijgewerkt.
Bent u bereid om uw openbare agenda met terugwerkende kracht tot het moment van uw aantreden bij te werken zodat deze alsnog voldoet aan genoemde afspraken?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke wijze bent u voornemens verbetering aan te brengen in de naleving van de normen uit de genoemde motie en notitie voor toekomstige afspraken?
Zoals aangegeven leef ik de normen reeds na. Ik hou hier ook in de toekomst aandacht voor.
In het licht van de nadruk die de premier tijdens het debat over de begroting Algemene Zaken op 14 oktober 2021 legde op «het principe van de individuele ministeriële verantwoordelijkheid in ons staatsbestel»: kunnen alle bewindspersonen deze vragen individueel beantwoorden?
Ja.
De top 100 stikstof bronnen |
|
Laura Bromet (GL) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Kunt u de Kamer een lijst doen toekomen van de top 100 stikstofbronnen (bedrijven/vergunningen)?
Bij de beantwoording van deze vragen is uitgegaan van een aparte top 100 voor stikstofoxiden (NOx, als NO2; bijlage 1)1 en een aparte top 100 voor ammoniak (NH3; bijlage 2)2. Gezien het verschil in o.a. de verspreiding van deze twee stikstofverbindingen is ervoor gekozen om de lijsten gesplitst weer te geven. Het betreft gegevens afkomstig uit de Emissieregistratie (www.emissieregistratie.nl) over het meest recente jaar (2019). In de Emissieregistratie zijn – in verband met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) – geen namen opgenomen van agrarische bedrijven. Omdat de bedrijfscode die in plaats van de bedrijfsnaam gebruikt wordt bij meerdere organisaties bekend is, is die ook niet ontsloten. In die kolom is aangegeven dat het een veehouderij betreft. Voor de veehouderijen betreft het alleen de stalemissies.
Kunt u deze lijst sorteren/specificeren naar sector en naar regio/gemeente, waarbij privéadressen niet nodig zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bij deze bedrijven/vergunningen aangeven wat de vergunde en de werkelijke uitstoot is (latente ruimte)?
Er is geen zicht op de latente ruimte in de vergunningen. De uitstoot is weliswaar geregistreerd in de emissieregistratie, maar de vergunde uitstoot wordt niet centraal geregistreerd. Dit geldt voor zowel de vergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als die op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb). Daar komt bij dat Wnb-vergunningen worden verleend voor activiteiten en niet voor uitstoot.
Kunt u bij deze bedrijven/vergunningen aangeven welke natuurgebieden het meest direct geraakt worden door de depositie?
Er wordt op dit moment gewerkt aan het op orde krijgen van informatie met betrekking tot depositie op specifieke Natura 2000-gebieden. Daarvoor wordt een methode gehanteerd die leidt tot het inzicht in de totale depositie en de ontwikkeling daarvan per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Per gebied kan vervolgens worden nagegaan wat de opgave is ten aanzien van depositiereductie en kan een koppeling gemaakt worden met de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Provincies werken daarom met stikstofanalyses die inzicht geven in de totale depositie op habitattypen en leefgebieden in de Natura 2000-gebieden en de ontwikkeling daarvan. Die informatie wordt gebruikt in de natuurdoelanalyses die inzichtelijk maken in hoeverre per Natura 2000-gebied voldaan wordt aan de vereisten uit de Habitatrichtlijn en wat de resterende opgave is voor het bereiken van instandhoudingsdoelstellingen. Dit vormt de basis voor samenhang tussen bron- en natuurmaatregelen en is input voor de gebiedsplannen die in 1 juli 2023 gereed zijn. Bij het vormgeven van een gebiedsgerichte aanpak wordt bekeken welke bronmaatregelen het meest passend zijn.
Kunt u bij elk van deze vergunningen aangeven wanneer de vergunning voor het laatst is herzien volgens de richtlijnen voor de beste beschikbare technieken (BBT/BREF) en tot hoeveel minder uitstoot dat heeft geleid?
De richtlijnen voor beste beschikbare technieken (BBT en BREF) leiden niet tot een aanpassing van de Wnb-vergunning, maar wel tot een aanpassing van milieuvergunningen. Veel van de bedrijven uit bijlage I en II – in het bijzonder de industriële bedrijven, maar ook grote varkens- en pluimveehouderijen – vallen onder de werkingssfeer van de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU). Op grond van artikel 5.10 lid 1 van het Besluit omgevingsrecht geldt voor deze bedrijven een actualisatieplicht van de milieuvergunning (waarbij vergunning en bedrijf binnen 4 jaar na publicatie van het relevante BBT-referentiedocument aangepast moeten zijn). Deze actualisatie gebeurt door het bevoegd gezag en ik heb daarom geen inzicht in de vraag tot hoeveel minder uitstoot dit leidt.
Kunt u bij deze bedrijven aangeven hoeveel directe werkgelegenheid hiermee is gemoeid?
Een vergunning in het kader van de Wnb wordt afgegeven op activiteitsniveau. Soms betreft een activiteit een heel bedrijf, vaker een onderdeel van wijziging van een bedrijf. Er zijn ook bedrijven die – omdat zij al activiteiten ontplooiden voordat Natura2000-gebieden werden aangewezen – geen Wnb-vergunning voor (een deel van hun bedrijf) hoeven te hebben. De depositie van een bedrijf is dus niet rechtstreeks gecorreleerd aan de vergunningsstatus. Het is daarnaast voor een bedrijf ook mogelijk om één activiteit niet meer uit te voeren. Daarmee is geen uitspraak te doen over de directe werkgelegenheid die hiermee is gemoeid.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Stikstofproblematiek van 31 maart?
U heeft de beantwoording ontvangen voor het hoofdlijnendebat van 6 april jl. en binnen de geldende termijn voor de beantwoording van schriftelijke vragen (met inbegrip van het gevraagde uitstel).
PFAS in de Westerschelde |
|
Laura Bromet (GL), Bouchallikh |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Welke stappen heeft u ondernomen sinds in december 2021 bleek dat het PFAS-gehalte (poly- en perfluoralkylstoffen) in vis uit Westerschelde gigantisch is en tot wel 812 keer meer schadelijke stoffen bevatten dan de grenswaarde? Wat heeft u gedaan met het nadrukkelijke advies aan burgers om geen vis en zeegroenten uit het oostelijke deel van de Westerschelde te eten1? Worden burgers in Zeeland hier actief over geïnformeerd?
Naar aanleiding van onderzoek in België naar de blootstelling van omwonenden van de fabriek van 3M in Zwijndrecht en het rapport van Rijkswaterstaat naar PFAS begin april 2021, heeft de Provincie Zeeland het voortouw genomen om te onderzoeken wat de consequenties daarvan kunnen zijn voor mensen op en rond de Westerschelde. Over de invulling van het onderzoek is overleg geweest met vertegenwoordigers van de Ministeries van IenW, LNV en VWS. Het artikel in de PZC waarnaar u verwijst, is bij dit onderzoek betrokken. Daarnaast neemt Rijkswaterstaat PFAS mee in de metingen voor drie representatieve zwemwaterlocaties langs de Westerschelde.
De rijksoverheid heeft middelen beschikbaar gesteld voor onderzoek naar PFAS-gehalten in diverse bronnen, waaronder eetbare dieren en planten. Het onderzoek is inmiddels gestart en zal naar verwachting in het voorjaar van 2022 opgeleverd worden. De eerste resultaten van dit onderzoek laten zien dat de consumptie van zelfgevangen bot en garnalen afkomstig uit het oostelijk deel van Westerschelde al bij zeer lage consumptiehoeveelheden zou kunnen leiden tot een overschrijding van de gezondheidskundige grenswaarde van PFAS. De grenswaarde betreft de maximale hoeveelheid PFAS waaraan iemand mag worden blootgesteld, zonder dat gevolgen voor de gezondheid worden verwacht. In het definitieve onderzoeksrapport worden de data van meer monsters benut afkomstig uit de gehele Westerschelde en komen er gegevens van andere vissoorten en lamsoor bij.
Op basis van de eerste beelden, waaronder de resultaten van het onderzoek dat genoemd is in de PZC, heeft GGD Zeeland op 15 december 2021 een voorzorgsadvies gegeven om geen zelf gevangen vis uit de Westerschelde te eten. Dit voorzorgsadvies is op 24 februari 2022 aangevuld om ook geen zelf gevangen garnalen te eten. Daarnaast adviseert de GGD om de consumptie van zelf geraapte mosselen en oesters uit de Westerschelde te beperken tot niet meer dan tien keer per jaar. Dit advies is in aanvulling op het algemene geldende advies van het Voedingscentrum om niet regelmatig zelf gevangen zoetwatervis te eten uit Nederlandse wateren. Zowel door de Provincie Zeeland als de GGD Zeeland is dit besluit actief gecommuniceerd.2
Waarom wordt er überhaupt niet actief gecommuniceerd over het advies van de overheid om «niet te veel zelf gevangen vis» te eten, zoals u schreef in uw brief van 13 december 20212? Bent u voornemens om een publiekscampagne hierover op te zetten om op deze manier de gezondheid van burgers te beschermen?
Voedingsadviezen van de rijksoverheid worden gegeven door het Voedingscentrum. Het advies om niet regelmatig zelf gevangen vis te eten, is in hun berichtgeving en de website van het Voedingscentrum terug te vinden.4 Daarnaast heeft de GGD op 15 december 2021 een consumptieadvies uitgedaan.5
In het algemeen geldt dat de overheid geen toezicht heeft op zelf gevangen, geteeld, geplukt en geraapt voedsel. Een deel van de mensen in Nederland kiest ervoor om op die manier in (een deel van) hun dieet te voorzien en niet of minder gebruik te maken van commercieel aangeboden voedsel. Dat betekent ook dat er een grotere verantwoordelijkheid bij henzelf ligt om zich goed te informeren. Het Rijk is voornemens om samen met lokale en regionale overheden te blijven zorgen voor goede beschikbaarheid van informatie over bekende risico’s van zelf gevangen, geteeld, geplukt en geraapt voedsel.
Kunt u garanderen dat het wel veilig is om commercieel gevangen zoetwatervis te eten als u die garantie niet kunt geven voor zelf gevangen vis? Zo ja, hoe kunt u dit garanderen? Zo nee, wordt dit vraagstuk meegenomen in het onderzoek naar PFAS-gehaltes in levensmiddelen? Wanneer worden de resultaten van dit onderzoek verwacht?
Het onderzoek waar u in uw vragen aan refereert, heeft betrekking op een kleinschalig onderzoek naar de recreatief gevangen vissoort bot in de Westerschelde. De resultaten van dit onderzoek worden voor begin april verwacht. Dit heeft betrekking op vis uit het zoute water. Bedrijven die vis in de handel brengen, uit zoet of zout water, dienen er voor te zorgen dat die vis voldoet aan de wettelijke eisen, onder andere met betrekking tot contaminanten. Monitoring daarop vindt jaarlijks plaats.6
Omtrent PFAS loopt op dit moment een Europees traject voor het vaststellen van Maximum Limieten (MLs) voor o.a. vis. In Europees verband zijn hiervoor data verzameld en in dit traject zijn ook de zoetwatersoorten meegenomen.
In 2021 is onderzoek gestart naar PFAS-gehaltes in levensmiddelen. Dit onderzoek is bedoeld om een inschatting te kunnen maken van de blootstelling van de consumenten van PFAS via voedsel. Hiervoor is gekozen om PFAS te meten in levensmiddelen die vaak worden geconsumeerd, waarbij o.a. zoet- en zoutwater vis zijn inbegrepen.
Neemt het Rijk op dit moment extra maatregelen waardoor bedreigingen, als gevolg van PFAS, voor de volksgezondheid en het gehele Natura2000-gebied (Westerschelde) worden weggenomen of verminderd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden genomen
Ja, Nederland werkt sinds 2020 samen met Duitsland, Denemarken, Zweden en Noorwegen aan een Europees verbod op het gebruik van PFAS. Het beoogde doel van dit restrictievoorstel op basis van de Europese verordening REACH is dat alle PFAS, zo’n 6.000 in totaal, in één keer verboden gaan worden.
Vorig jaar heeft de toenmalige Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij haar Vlaamse collega aangedrongen op het verminderen van emissies van PFAS naar de Westerschelde. Eind oktober vorig jaar hebben de Vlaamse autoriteiten de productieprocessen bij 3M waar PFAS vrijkomt stilgelegd totdat er een nieuwe vergunning is. Op 25 maart vindt een kennismakingsgesprek plaats tussen de Minister van IenW en zijn Vlaamse collega Demir. In dit gesprek zal opnieuw aangedrongen worden op het verminderen van emissies van PFAS naar de Westerschelde.
Daarnaast is een onderzoek gestart naar actuele PFAS-waarden in veel geconsumeerde voedselproducten in Nederland. We verwachten de resultaten van dat onderzoek in de tweede helft van 2022.
Zoals de Minister van IenW en de Staatssecretaris van VWS in de vorige kabinetsperiode aan de Tweede Kamer hebben gemeld, wordt met het RIVM gewerkt aan de opzet voor een onderzoeksprogramma naar de beste wijze waarop we de blootstelling van mensen aan PFAS kunnen terugdringen. PFAS zijn zeer persistente stoffen die moeilijk uit het milieu gehaald kunnen worden en dat betekent dat het ook moeilijk is om de blootstelling van mensen aan PFAS terug te dringen. We moeten daarom op zoek naar een goede en duurzame aanpak.
Deelt u de opvatting dat tijdige en volledige informatie over alles wat met de complexe materie van PFAS in de Westerschelde te maken heeft van groot belang is? Is er voldoende afstemming en overleg tussen de Vlaamse en Nederlandse overheden, betrokken instanties, belanghebbenden en de volksvertegenwoordigers? Kunt u toezeggen dat de communicatie tussen alle geledingen hierover telkens tijdig en volledig zal plaatsvinden?
Wij delen die opvatting. Daarom zetten we ons in om de communicatie tussen de betrokken partijen te versterken. Op dit moment vindt dat bijvoorbeeld al plaats via reguliere kanalen, zoals de Internationale Schelde Commissie en de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie. In die context worden ook extra overleggen en acties ingezet. Daarnaast en in toenemende mate zijn de Nederlandse en Vlaamse overheden in contact en stemmen bilateraal af over de aanpak op PFAS voor grensoverschrijdende vergunningen. Het gesprek op 25 maart tussen de Minister van IenW en Minister Demir van Vlaanderen wordt hier ook voor benut.
Waarom heeft u besloten dat het ontpolderingstraject in de Hedwigepolder doorgang kan vinden? Klopt het dat de Hedwigepolder alsnog vervuild zal raken met PFAS-houdend slib, ondanks het nieuws dat de hoeveelheid onder de norm valt?3 Moet de verspreiding van PFAS niet alsnog voorkomen worden?
In de Kamerbrief over gevolgen PFAS voor ontpoldering van de Hedwigepolder van 5 oktober 20218 en in de in de beantwoording van Kamervragen over gevolgen van PFAS-concentraties Westerschelde voor de Hedwigepolder van 16 november 20219 hebben de Minister en Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aangegeven dat de PFAS-concentraties in zwevend stof hoger zijn dan de concentraties die zich op dit moment op de bodem van de Hedwigepolder bevinden, maar zijn niet dusdanig hoog dat deze in strijd zijn met de zorgplichtbepaling uit de Waterwet. Vele onderzoeken en adviezen benadrukken de noodzaak van deze natuurontwikkeling voor de internationale biodiversiteit. De eerdere ingebrekestelling door de Europese Commissie onderstreept de urgentie om dit project uit te voeren. Om de verspreiding van PFAS te voorkomen is het vooral van belang in Europees verband de productie en toepassing van PFAS te verbieden. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat maakt zich hiervoor in Europees verband met vier andere lidstaten hard. Tegelijkertijd wordt druk op Vlaanderen uitgeoefend om de emissie van PFAS terug te dringen en de vergunningvoorwaarden voor vervuilende bedrijven aan te scherpen.
Is er voldoende duidelijk over de mate waarmee het met PFAS vervuilde water een bedreiging vormt voor de bodem, flora en fauna in het betreffende gebied?
Het water dat straks de Hedwigepolder zal instromen, heeft dezelfde kwaliteit als het water van de Westerschelde. Voor de op termijn te verwachten kwaliteit van de waterbodem zijn de PFAS-gehalten in zwevend stof de beste indicatie. Deze zwevend stofdeeltjes zullen immers bezinken. Het zijn dan ook díe metingen die worden gehanteerd bij het bepalen van de verwachte kwaliteit van de waterbodem. De PFAS-concentraties in zwevend stof zijn lager dan de PFAS-concentraties in het water van de Westerschelde. Zoals aangegeven, passen deze waarden binnen de milieuhygiënische vereisten vanuit de zorgplicht in de Waterwet. Daarmee is er geen reden om dit project niet voort te zetten.
Hebben de PFAS-concentraties invloed op de te vormen natuur en de ecologische kwaliteit? Wordt een snelle afname van de concentraties in water en slib verwacht waardoor uitstel van de ontpoldering «besmetting» kan verminderen, of maakt dat niet uit?
Zoals bij de vorige vraag geschetst, zijn de gemeten PFAS-concentraties in water en zwevend stof geen reden om deze natuurontwikkeling niet te laten plaatsvinden. De PFAS-problematiek staat sinds vorig jaar zomer ook in Vlaanderen op de kaart. Vlaanderen brengt de bronnen van PFAS in beeld en scherpt vergunningvoorwaarden voor vervuilende bedrijven aan. De verwachting is dat door de vermindering van emissies bovenstrooms de PFAS-concentraties in de Westerschelde zullen dalen. Deze lagere concentraties zullen er op termijn ook voor zorgen dat zich minder PFAS aan slib en waterbodem zullen hechten.
Bent u bereid om een PFAS-coördinator aan te stellen – waar het dagelijks provinciebestuur van Zeeland ook al naar gevraagd heeft – voor de complete PFAS-problematiek in en rond de Westerschelde opdat er sneller de juiste maatregelen kunnen worden genomen door het Rijk, Rijkswaterstaat en/of de provincie in aansluiting op en in samenhang met die van de Vlaamse autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
In reactie op de brief van gedeputeerde staten van Zeeland heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangegeven bij zowel de rijksoverheid als de provincie Zeeland op hoogambtelijk niveau een coördinator te willen aanwijzen, die overzicht en samenhang moet brengen in alle acties die al zijn uitgezet. Over de uitwerking hiervan gaat de Minister met GS van Zeeland in gesprek. Overigens heeft zijn voorganger naar aanleiding van een brief van GS van Zeeland in augustus al coördinatie vanuit het Rijk aangeboden en wordt sindsdien tussen de verschillende partijen intensief samengewerkt.
De voorgenomen kap van/in het Sterrebos in Born ten behoeve van de geplande uitbreiding van een autofabriek |
|
Laura Bromet (GL) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Heeft u zicht op de voorgenomen kap van/in het Sterrebos in Born ten behoeve van de geplande uitbreiding van een autofabriek en het protest ertegen?
Ja.
Klopt het dat hier eeuwenoude en daarmee praktisch onvervangbare bomen gekapt dreigen te worden?
Het klopt dat veel van de bomen in het Sterrebos zo’n tweehonderd jaar oud zijn en daarmee niet vervangbaar zijn. In het aangrenzende populierenbos dat inmiddels gekapt is, liggen de leeftijden een stuk lager. Zo’n 55 bomen uit het Sterrebos met een doorsnede van 40 centimeter of meer zullen verplaatst worden naar een compensatielocatie. Daarmee wordt ongeveer een kwart van de grotere bomen behouden. Daarnaast blijft een stuk van het Sterrebos sowieso behouden. Omdat een groot deel van het gekapte bos voor Nederlandse begrippen relatief bijzonder is, zijn diverse maatregelen voorzien. Zo beslaat de compensatieopgave 30 hectare aan nieuwe natuur, driemaal de oppervlakte die gekapt wordt.
Klopt het dat dit bos een habitat is voor diverse en/of bedreigde beschermde soorten? Zo ja, hoe is dit verenigbaar met kap? Zijn de gevolgen voor habitat en soorten voldoende onderzocht en zijn hier alle benodigde vergunningen en ontheffingen voor verleend?
Dat klopt. Op grond van de Wet Natuurbescherming zijn hier dan ook de verplichte mitigerende maatregelen voor getroffen. Voor zover ik dat kan overzien, heeft de provincie Limburg als bevoegd gezag alle benodigde vergunningen en ontheffingen verleend.
Nadat op 9 februari jl. bij een voorgeschreven inspectie door ecologen in een nog te kappen boom aan de rand van het bos een nest met eieren van de bosuil werd gevonden, heeft de provincie met het bedrijf de afspraak gemaakt dat deze boom en alle bomen in een straal van 75 meter eromheen voorlopig niet worden gekapt. De vondst van dit nest, en de daarop volgende handelingen, laten zien dat het ecologisch werkprotocol werkt en wordt nageleefd.
Zijn het verlenen van vergunningen en toezicht hierop alleen een aangelegenheid van lokale en provinciale overheden of heeft het Rijk een rol?
Het Rijk heeft bij het verlenen van vergunningen en het toezicht, wanneer de provincie bevoegd gezag is, geen rol. Alleen in het uiterste geval dat medeoverheden hun taak niet uitvoeren, kan het Rijk ingrijpen. Daar is hier geen sprake van. LNV is het bevoegd gezag in een aantal specifieke gevallen, als bepaald in de Wet Natuurbescherming, zoals bij rijkswegen of het spoor.
Hoe verhoudt het verdwijnen van dit bos zich tot de nationale bossenstrategie?
Het doel van de Bossenstrategie is uiteraard om er voor te zorgen dat Nederland in 2030 meer bos heeft, niet minder. Bovendien moeten die bossen rijker en robuuster worden. In de strategie is dan ook aangegeven dat Rijk en provincies het omvormen van bossen naar ander landgebruik zoveel mogelijk willen voorkomen én dat er 37.000 hectare bos netto bij moet komen. Ook erkent de strategie uiteraard dat er wel degelijk zwaarwegende redenen kunnen zijn om wel bos om te vormen tot een ander landgebruik, maar daarbij moet altijd sprake zijn van compensatie. Met het schrappen van de uitzonderingsmogelijkheid om binnen Natura2000 beheerplannen bos te kappen, zonder dat hiertegenover een compensatieplicht staat, wordt de laatste juridische mogelijkheid tot netto ontbossing weggenomen. In dit geval wordt het bos ruimschoots gecompenseerd door 30 hectare bos aan te leggen om de 10 hectare die verloren gaat te compenseren.
Hoe kijkt u aan tegen het behoud van volwassen bossen versus de maakbaarheid en ecologische kwaliteit van nieuw aangeplant compensatiebos?
Omdat zeldzame oude bossen niet dezelfde maatschappelijke en natuurlijke waarden hebben als nieuwe bossen, kijkt de Bossenstrategie ook naar manieren om oude bossen en zeldzame wilde bomen meer bescherming te bieden. Het behouden van oude bomen is cruciaal, voor de gezondheid van het bos zelf en voor de diversiteit aan leven binnen het bos. De nakomelingen van écht oude bomen zijn vaak goed in staat om met een veranderend klimaat om te gaan. Ook zijn zeer oude bomen vaker van «wilde» of autochtone herkomst, waarmee hun voorouders zich gedurende millennia aan de Nederlandse klimatologische omstandigheden hebben aangepast, in tegenstelling tot gekweekte boomsoorten uit andere delen van Europa die in de 20e en 21e eeuw veel geplant zijn. Dat aanpassingsvermogen blijkt ook voor de toekomst belangrijk voor de gezondheid van het bos.
Dat volgens deskundigen nog slechts 3 tot 8% van de bomen in Nederland van autochtone herkomst zijn, geeft tegelijkertijd de urgentie aan om bij nieuwe aanplant voor dit «wilde» plantmateriaal te kiezen. Deze aanplant van nieuw bos uit «wild» materiaal kan daarmee dan ook voor een welkome aanvulling zorgen van deze nakomelingen van autochtone bomen.
Het lot van de Afghaanse ambassadebewakers |
|
Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA), Jasper van Dijk , Sylvana Simons (BIJ1), Christine Teunissen (PvdD), Tunahan Kuzu (DENK), Laura Bromet (GL), Caroline van der Plas (BBB) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Klopt het dat alle Afghaanse oud-medewerkers van de Nederlandse ambassade zijn geëvacueerd behalve de Afghaanse ambassadebewakers? Zo nee, welke groep is er nog meer niet geëvacueerd die voor de ambassade werkte?
Op enkelen die niet geëvacueerd wilden worden na, zijn alle Afghaanse medewerkers in dienst van de Nederlandse ambassade geëvacueerd. Dat is inclusief enkele bewakers die rechtstreeks in dienst waren van de ambassade. Er zijn geen personen die rechtstreeks bij de ambassade in dienst waren, die niet voor evacuatie in aanmerking kwamen. De meeste bewakers bij de ambassade waren echter geen medewerkers van de ambassade, maar waren in dienst van een externe dienstverlener.
Kunt u precies laten weten op welke datum na het aannemen van motie Belhaj op 18 augustus jl.1 het ministerie het verzoek van de externe dienstverlener om de bewakers te evacueren, heeft ontvangen? Kunt u dit verzoek de Kamer doen toekomen?
De externe dienstverlener heeft op 15 augustus 2021 via e-mail een schriftelijk verzoek om evacuatie van zijn mensen gestuurd aan de Minister van Buitenlandse Zaken. Dit was voorafgaand aan het debat van 17 augustus en kort voordat de evacuaties begonnen. Eerder al had hij eenzelfde verzoek mondeling aan de ambassade gedaan. Over het oorspronkelijke verzoek van 15 augustus werd door de dienstverlener per e-mail gerappelleerd op 25 september en op 4 oktober. Het verzoek van 15 augustus en beide rappels worden op vertrouwelijke basis met u gedeeld.2
Kunt u bevestigen dat de breed aangenomen motie-Belhaj niet aangeeft dat medewerkers die voor de Nederlandse missie hebben gewerkt, moeten worden uitgesloten omdat ze niet rechtstreeks onder contract stonden van Nederland?
De motie-Belhaj definieert de te evacueren doelgroepen in brede zin als «medewerkers die de Nederlandse overheid hebben bijgestaan» en bevat geen uitsluitende voorwaarden. In antwoorden op eerdere vragen van uw Kamer van 16 december jl.3 is uitgelegd waarom het kabinet van mening is dat deze groep van ongeveer 200 (aantal genoemd in hulpverzoek van 15 augustus 2021) bewakers en ander servicepersoneel, die in dienst was bij de externe dienstverlener, niet behoort tot de groep van medewerkers die voor overbrenging in aanmerking komen.
Kunt u bevestigen dat in de Kamerbrief inzake de uitvoering van de motie-Belhaj van 11 oktober jl.2 niet is opgenomen dat personen rechtstreeks in dienst van Nederland moeten zijn geweest om in aanmerking te komen voor evacuatie? Kunt u daarnaast bevestigen dat er niet in de motie-Belhaj staat dat ambassadebewakers die officiële vertegenwoordigingen van staten bewaken, moeten worden uitgesloten?
De verdere uitvoering van de motie-Belhaj na afloop van de evacuatiefase, zoals uiteengezet in de brief van 11 oktober 2021, beperkt zich tot drie specifieke groepen. Allereerst degenen die in augustus al opgeroepen waren voor vertrek op basis van de motie-Belhaj, maar die niet meer tijdig konden uitreizen of de luchthaven niet op tijd konden bereiken. En daarnaast twee bijzondere groepen die vallen onder de speciale voorziening die het kabinet heeft getroffen en die in de brief van 11 oktober worden toegelicht.5 De bewakers bij de ambassade die in dienst waren van de externe dienstverlener vallen niet binnen de criteria voor een van deze drie groepen. Zie met betrekking tot wat er in de motie-Belhaj staat het eerdere antwoord op vraag 3.
Kunt u bevestigen dat in de motie-Belhaj – aangenomen daags na de val van Kabul op 15 augustus jl. – het kabinet wordt verzocht additionele groepen te evacueren die vóór het aannemen van de motie niet in aanmerking kwamen voor evacuatie? Zo ja, waarom baseert u uw besluit om de ambassademedewerkers niet te evacueren op een besluit dat vóór de motie-Belhaj is genomen, terwijl u dat bij andere groepen ook niet doet?
Het klopt dat met de uitvoering van de motie-Belhaj van 18 augustus 2021 tijdens de acute evacuatiefase groepen in aanmerking zijn gebracht voor evacuatie die voorheen niet in aanmerking kwamen. Overwegingen die ten grondslag lagen aan het besluit dat de medewerkers van de externe dienstverlener die hebben gewerkt als bewakers bij de Nederlandse ambassade niet voor overbrenging in aanmerking kwamen, waren ten eerste dat zij niet in dienst waren van de ambassade maar bij een particulier bedrijf en ten tweede dat zij geen (militaire) objecten van buitenlandse strijdkrachten bewaakten, maar officiële vertegenwoordigingen van andere staten, waarmee de Taliban officiële contacten nastreeft. Zoals eerder gemeld aan uw Kamer in de brief van 24 november 20216 vormen zij vanwege deze overwegingen een duidelijk andere groep dan de groepen die wel voor evacuatie in aanmerking kwamen zoals uiteengezet in de brief van 11 oktober 2021. De omvang van deze groep bewakers zou potentieel, inclusief de kerngezinsleden, 800 tot 1000 personen kunnen zijn.
Klopt het dat de externe dienstverlener die het verzoek tot evacuatie van de ambassadebewakers heeft gedaan na het aannemen van de motie Belhaj, tot op heden niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld van het besluit de bewakers niet te evacueren? Zo ja, hoe verklaart u dit? Zo nee, kunt u alle correspondentie of gespreksverslagen van telefoongesprekken na het aannemen van de motie-Belhaj waarin dit besluit is meegedeeld aan de dienstverlener, de Kamer doen toekomen?
De externe dienstverlener was, uit zijn regelmatige contacten met de ambassade, reeds vanaf begin 2021 bekend met het feit dat zijn werknemers niet door Nederland geëvacueerd zouden worden. In mondelinge contacten is tegenover hem herhaald dat het niet te verwachten was dat dit standpunt zou veranderen. Van deze gesprekken is geen verslag opgetekend. Op 14 augustus is in een gesprek op de ambassade in Kaboel tegenover de supervisor van deze groep en een aantal van de medewerkers van de dienstverlener bevestigd dat voor deze groep een andere situatie geldt dan voor het ambassadepersoneel, dat zij niet binnen de door het ministerie in Den Haag vastgestelde kaders vallen, en dat uiteindelijk de werkgever voor hun veiligheid verantwoordelijk is.
Het e-mailverzoek dat de externe dienstverlener op 15 augustus aan de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken stuurde is op eenzelfde wijze behandeld als de vele andere hulpverzoeken die via diverse mailadressen, ook die van bewindspersonen en individuele ambtenaren of van directies, bij Buitenlandse Zaken binnenkwamen. Al deze verzoeken zijn doorgeleid naar de mailbox kabul@minbuza.nl. Behoudens degenen die in de acute evacuatiefase uit deze mailbox zijn gelicht met een oproep om naar de luchthaven te komen, is op geen van die andere verzoeken ingegaan; het ging zoals bekend in die eerste periode om tienduizenden e-mails.
Met de externe dienstverlener is voornamelijk mondeling (telefonisch) en soms via whatsapp gecommuniceerd. In deze communicatie is niet gereageerd op zijn verzoek aan de Minister, noch is een specifiek nieuw standpunt ten aanzien van zijn groep ingenomen of aan hem medegedeeld. In een berichtenuitwisseling op 23-24 augustus laat de ambassadeur hem via whatsapp weten niet te verwachten dat het standpunt over de groep zou veranderen. De app-uitwisseling wordt op vertrouwelijke basis met u gedeeld.7 In een telefonische uitwisseling op 25 en 26 augustus met een medewerker van het BZ-crisisteam werd hem verzocht om een namenlijst toe te sturen (zie ook het antwoord op vraag 7) maar is niet met hem over het evacuatieverzoek of een eventuele aanpassing van het standpunt ten aanzien van de groep gesproken. Toen de dienstverlener de lijst op 26 augustus toezond was er net een einde gekomen aan de evacuaties omdat de luchthaven was gesloten.
Gedurende september is, onder meer met uw Kamer, intensief gesproken over hoe om te gaan met de vele verzoeken en met de vele mensen die vanuit Afghanistan nog op hulp wachtten. Besluitvorming is met uw Kamer gedeeld per brief van 11 oktober 2021. Achteraf bezien is het spijtig dat aan de dienstverlener in die periode, anders dan een ontvangstbevestiging op 26 augustus 2021 voor de lijst, geen schriftelijk antwoord op het evacuatieverzoek meer is gestuurd.
Net als de vele anderen die in de acute evacuatiefase een hulpverzoek instuurden heeft ook de externe dienstverlener in oktober een standaardantwoord ontvangen, dat vanuit een «no reply»-mailbox is verzonden. In dat bericht (zie bijlage)8 is aan hem en aan alle anderen onder meer medegedeeld dat «the possibilities for support are unfortunately limited at this time». Daarna zijn reguliere werkcontacten voortgezet, onder meer over het afsluiten van een nieuw bewakingscontract voor het terrein waar eigendommen van de ambassade momenteel zijn opgeslagen.
Klopt het dat de externe dienstverlener eind augustus een namenlijst heeft aangedragen met personen die langer dan tien jaar als ambassademedewerker voor Nederland hebben gewerkt? Zo ja, kunt u bevestigen of de dienstverlener dit op verzoek van het ministerie heeft gedaan? Kunt u daarnaast exact aangeven wat er met deze namenlijst is gebeurd en kunt u alle correspondentie tussen het ministerie en de externe dienstverlener inzake deze namenlijst de Kamer doen toekomen?
Het klopt dat de dienstverlener op 26 augustus 2021, op verzoek van het crisisteam een dag eerder, een namenlijst van zijn medewerkers heeft aangedragen met daarop 179 namen. In zijn korte aanbiedingsmail schrijft hij dat het personen betreft die 10 jaar of langer bij de ambassade hebben gewerkt. Op deze lijst staan geen lengten van dienstverbanden vermeld en daar was ook niet specifiek om verzocht.
De reden waarom het crisisteam de lijst op 25 augustus telefonisch bij het bedrijf opvroeg is omdat bij het hulpverzoek geen overzicht zat van wie dit betrof. Op dat moment werden voor alle hulpverzoeken in de kabul-mailbox de ontbrekende namen en gegevens voor zover mogelijk alsnog opgevraagd door het crisisteam. De ambassade zat middenin de evacuatieoperatie en kon de lijst niet verstrekken. Het crisisteam wilde de namen op de lijst tevens kunnen cross-checken met binnengekomen individuele verzoeken in de kabul-mailbox, teneinde te kunnen vaststellen of het bij verzoeken van mensen die aangaven beveiliger te zijn of te zijn geweest al dan niet om personen ging die rechtstreeks in dienst waren (geweest) van de ambassade.
Op het moment dat de lijst op 26 augustus werd ontvangen sloot de luchthaven en kwam de evacuatie tot een einde. De lijst als zodanig is daarna niet meer gebruikt. Het crisisteam stuurde nog wel een ontvangstbevestiging aan het bedrijf en gaf daarin aan dat de lijst zou worden doorgegeven aan «teams die namenlijsten opstellen van personen die voor Nederland of de ambassade gewerkt hebben» met daaronder het advies dat op dat moment aan iedereen in Kaboel werd gegeven, om niet meer naar de luchthaven te gaan. Kopie van deze mailwisseling wordt eveneens vertrouwelijk met u gedeeld.3) De namenlijsten kunnen om privacy-redenen niet gedeeld worden.
Begin september deelt de ambassade, inmiddels tijdelijk gevestigd in Qatar, ook een lijst met namen van medewerkers van de externe dienstverlener met het crisisteam die dateert van 8 juni 2021. Daar staan 146 namen op, waarvan er 129 ook op de lijst van 26 augustus staan. Op deze lijst van 8 juni met 146 namen staat de duur van het dienstverband wel vermeld en staan 59 personen met een dienstverband van 10 jaar of langer.
Hoeveel ambassadebewakers die in dienst stonden van deze dienstverlener zijn er uiteindelijk per 31 december jl. ontslagen? Hoeveel van deze personen zijn er inmiddels door Nederland via deze dienstverlener weer in dienst genomen? Wat is er bij u bekend over het lot van de ontslagen personen die niet weer in dienst zijn genomen?
De externe dienstverlener heeft nog tot eind 2021 beveiligingswerkzaamheden bij de voormalige Nederlandse ambassade uitgevoerd. Ons zijn geen berichten bekend dat zijn medewerkers daarbij in problemen zijn gekomen. Van de externe dienstverlener is vernomen dat op basis van de lijst met 179 namen inmiddels 149 medewerkers per 31 december 2021 zijn ontslagen. De overige 30 personen staan nog onder contract bij het bedrijf. Het ontslag was het gevolg van het opzeggen van de Nederlandse ambassadecontracten, zoals gesteld in antwoord op eerdere vragen van uw Kamer.9
Er is met deze externe dienstverlener inmiddels een nieuw contract afgesloten voor bewaking van een terrein in de voormalige groene zone waar op dit moment de achtergebleven Nederlandse eigendommen worden bewaard. Onder dit nieuwe contract worden nog elf medewerkers van de dienstverlener ingezet voor de beveiliging van de ambassade op de nieuwe locatie.
Zoals bekend is de economische situatie in Afghanistan erg slecht en voor mensen die in deze omstandigheden hun baan verliezen nog slechter. Daarom heeft mijn voorganger op 19 november 2021 besloten om aan de werknemers die zouden worden ontslagen via de werkgever een financiële tegemoetkoming ter hoogte van vier maandsalarissen (ongeacht de duur van het dienstverband) beschikbaar te stellen, om hen te helpen in deze moeilijke tijden. Deze tegemoetkoming is overgemaakt aan de werkgever en wordt door hem momenteel uitbetaald aan betrokkenen.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en uw antwoorden voor het aankomende plenaire debat over de huidige stand van zaken inzake de evacuatie-operatie aan de Kamer doen toekomen?
Ja.
Bijlage: bij antwoord op vraag 6: «Bericht van de Nederlandse regering» (als bulk-mail verzonden in week 11–15 okt 2021)
De uitzending van de Keuringsdienst van Waarde over 'Bij-vriendelijke planten' |
|
Laura Bromet (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Henk Staghouwer (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitzending van de Keuringsdienst van Waarde over «Bij-vriendelijke planten» op 6 september 2021 en 13 januari 2022?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de stelling van de programmamakers klopt dat er op grote schaal met insectengif bespoten planten als «bij-vriendelijk» aan consumenten worden verkocht? Zo nee, bent u bereid dit te (laten) onderzoeken?
In de uitzending van de Keuringsdienst van Waarde wordt gemeld dat er residuen van gewasbeschermingsmiddelen op verschillende sierteeltproducten met bij-vriendelijke labels gevonden zijn. Gezien de teruggang van de Nederlandse insectenpopulaties begrijp ik goed dat de uitzending uw zorgen wekt. Gewasbeschermingsmiddelen worden in Nederland alleen toegelaten als uit een wetenschappelijke risicobeoordeling van het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden blijkt dat ze volgens de voorschriften veilig zijn voor mens, dier en milieu. Een onderdeel van de risicobeoordeling is ook het effect op insecten zoals bijen. In deze risicobeoordeling wordt rekening gehouden met de mogelijke sporen van (werkzame) stoffen die achterblijven op het product. Daarom zie ik geen aanleiding voor verder onderzoek.
Klopt de suggestie dat consumenten die sierplanten kopen, onder andere om bijen en vlinders een handje te helpen, met hun aankoop mogelijk bijdragen aan de verdere achteruitgang van de insectenpopulatie? Wat vindt u hiervan?
In mijn antwoord op vraag 2 gaf ik u aan dat gewasbeschermingsmiddelen alleen worden toegelaten als uit wetenschappelijke risicobeoordeling blijkt dat ze veilig zijn voor mens, dier en milieu. Dat is inclusief een beoordeling van effecten op insecten zoals bijen. Daarom heb ik geen reden om aan te nemen dat bijen of andere (bestuivende) insecten last hebben van (werkzame) stoffen die op de sierplanten achterblijven of dat welwillende consumenten met hun aankoop bijdragen aan de verdere achteruitgang van de insectenpopulatie.
Bent u het met eens met de stelling dat het als bij-vriendelijk labelen en verkopen van planten waar insecticiden op zitten of bij de kweek zijn gebruikt, misleiding is? Bent u het eens met de stelling dat dit in strijd is met het consumentenrecht? Welke middelen heeft u om dit tegen te gaan?
Het is in dit soort gevallen aan de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) om te beoordelen of er sprake is van misleiding. Burgers kunnen in het geval van klachten terecht bij de ACM door meldingen te doen. Klachten over misleidende reclame kunnen bij de Reclame Code Commissie worden gemeld.
Bent u het met de stelling eens dat alle sierplanten waarvoor bij de kweek bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt, gelabeld zouden moeten worden met een waarschuwingsstikker «Deze plant is bespoten met voor bijen en vlinders schadelijk gif» of een vergelijkbare waarschuwing? Bent u bereid om hier regelgeving voor te maken? Zo nee, hoe zouden consumenten dan wel goed voorgelicht moeten worden? Hoe gaat u dit handhaven?
Ik zou het net als u zeer onwenselijk vinden als bijen of andere bestuivende insecten last ondervinden van (werkzame) stoffen die op sierplanten van consumenten achterblijven. Het waarschuwen of voorlichten van consumenten over residuen van gewasbeschermingsmiddelen op sierplanten is, gezien mijn antwoorden op vragen 2 en 3, echter niet nodig.
Het bericht ‘Stop op boorvergunningen moet einde tijdperk olie en gas inluiden’ |
|
Laura Bromet (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Stef Blok (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Stop op boorvergunningen moet einde tijdperk olie en gas inluiden»?1
Ja.
Klopt het dat het Nederlandse kabinet samen met Duitsland en Denemarken in 2022 nieuwe afspraken moet maken voor het beheer van de Waddenzee als UNESCO Werelderfgoed?
De samenwerking tussen de drie Waddenzeelanden Denemarken, Duitsland en Nederland bestaat sinds 1978. Deze samenwerking wordt om de drie à vier jaar bekrachtigd door middel van een Trilaterale Regeringsconferentie. De komende 14de Trilaterale Regeringsconferentie over de Bescherming van de Waddenzee vindt eind 2022 plaats in Wilhelmshaven (Duitsland). Het is de intentie om samen met de verantwoordelijke bewindspersonen van Denemarken en Duitsland een gezamenlijke verklaring te ondertekenen. Hiermee onderstrepen wij ons gezamenlijke belang van een goede bescherming van de Waddenzee.
Hoe wordt daarin de recente brief van UNESCO aan het Nederlandse kabinet meegenomen in de voorbereidingen?
Sinds de zomer zijn er een paar overleggen geweest waarin is gesproken over de te maken afspraken. De laatste ontwikkelingen, bijvoorbeeld ten aanzien van mijnbouw en wind op zee, worden daarin ook meegenomen.
Heeft Nederland overleg met Duitsland en Denemarken naar aanleiding van de ontvangen UNESCO brief? Stemt het Nederlandse kabinet haar antwoord op de vragen vanuit UNESCO af met de Deense en Duitse regering?
Er is samen met Duitsland en Denemarken een werkgroep die gaat over de bescherming van het Werelderfgoed. Het concept-antwoord aan UNESCO is voorafgaand aan het versturen met de leden van deze werkgroep afgestemd.
Is het Nederlandse kabinet of de ambassade in Kopenhagen al benaderd met het verzoek af te zien van nieuwe aardgaswinning onder de Waddenzee?
We zijn niet benaderd door de Deense overheid met een verzoek om af te zien van nieuwe aardgaswinning onder Waddenzee.
Is er eerder gesproken over een gezamenlijk besluit (samen met Duitsland en Denemarken) om geen fossiele energie meer te winnen in de Waddenzee? Bent u bereid hierop in te gaan, als dit ter tafel komt?
Nederland, Duitsland en Denemarken delen een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het trilaterale Werelderfgoed Waddenzee. De wijze waarop wij omgaan met mijnbouw is uitgebreid opgenomen in het nominatiedossier op basis waarvan de Werelderfgoedstatus is verkregen. Ik ben bereid om samen met Duitsland en Denemarken te verkennen of de ambitie uit het coalitieakkoord2 om na afronding van de procedure voor Ternaard geen nieuwe vergunningen voor gaswinning onder de Waddenzee af te geven ook kan gelden voor de trilaterale Waddenzee.
Het bericht ‘Treinverkeer in Nederland heeft last van slappe bodem’ |
|
Laura Bromet (GL), Bouchallikh |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU), Steven van Weyenberg (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Treinverkeer in Nederland heeft last van slappe bodem»1?
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat grote ambities op het gebied van spoor niet waargemaakt kunnen worden als de funderingen van spoorlijnen niet sterk genoeg zijn? Zo nee, waarom niet?
Het vraagstuk baanstabiliteit heeft nadrukkelijk de aandacht van zowel ProRail als mijzelf. ProRail onderzoekt voor specifieke, beoogde frequentieverhogingen of deze mogelijk zijn voor het baanlichaam. Dit doet ProRail bijvoorbeeld voor het traject Delft-Schiedam waarover mijn voorganger u begin dit jaar heeft geïnformeerd.2
Naast deze specifieke aanpak voor individuele productstappen, pakt ProRail dit vraagstuk ook op voor het gehele spoorsysteem. Dit om ons spoor steeds intensiever te kunnen benutten met behoud van het huidige hoge veiligheidsniveau. Mijn voorganger heeft uw Kamer op 20 december 2019 dan ook geïnformeerd dat ProRail de kwaliteit van alle baanlichamen nauwkeurig in kaart brengt.3 Bij dit onderzoek werkt ProRail samen met vier gespecialiseerde ingenieursbureaus. De resultaten van dat onderzoek zijn naar verwachting eind 2022 beschikbaar. Daarnaast werkt ProRail samen met externe kennisinstituten zoals Deltares en de TU Delft om meer kennis te ontwikkelen over dit onderwerp voor de lange termijn.
Daarbij benadruk ik dat het aanpakken van baanstabiliteit op zichzelf nietbetekent dat er meteen meer, langere of zwaardere treinen kunnen rijden. Voor nieuwe productstappen zijn in veel gevallen ook andere typen investeringen nodig in bijvoorbeeld tractie-energievoorziening, overwegveiligheid en capaciteit van stations. Deze integrale benadering – mede op basis van de bovengenoemde onderzoeksuitkomsten over de baanlichamen – is de basis voor verdere besluitvorming.
Heeft u dit probleem zien aankomen aangezien dergelijke problemen al in 2017 speelden rondom het zogenaamde Kamperlijntje?
Zie mijn antwoord op vraag 2. Dit probleem speelt al langer en op meerdere plekken. Zo is uw Kamer in juli 2018 geïnformeerd dat op een groot deel van de corridor Leiden-Utrecht extra maatregelen moeten worden getroffen vanwege de baanstabiliteit om frequentieverhoging mogelijk te maken.4 In de brief over de Staat van de hoofdspoorweginfrastructuur van mei 2019 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over het bredere vraagstuk.5
Hoe gaat u voorkomen dat de bodemgesteldheid op drukke delen van het spoor nog meer gaat leiden tot langzamere treinen of zelfs het schrappen van treinen?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Staat het onderhoud van het spoor en diens funderingen hoog op de agenda, bijvoorbeeld door veengronden te stabiliseren met sterkere grondsoorten als grind en zand? Zo nee, waarom niet?
Het onderhoud van het spoor is van groot belang. Wat betreft het spoor in veengebieden: het veen klinkt in als gevolg van droogte en ontwatering, de veenbodem daalt, de spoorbaan daalt mee. Bruggen en andere kunstwerken zijn onderheid (ze staan op palen) en dalen niet. Dit kan leiden tot hinderlijke ongelijkheid in de spoorbaan als een trein een brug op en af rijdt. Hierdoor kan bijvoorbeeld een snelheidsbeperking op zo’n traject in veengebied noodzakelijk zijn totdat een structurele oplossing is gerealiseerd. In het eerder genoemde onderzoek naar baanstabiliteit zal ProRail ingaan op mogelijke, structurelere oplossingen voor de baanstabiliteitsproblematiek. Daarbij onderzoekt ProRail verschillende manieren om veengronden te stabiliseren.
Kijkt u naar de mogelijkheden om in overleg met NS te kijken of er lichter materieel kan worden ingezet op «zwakke» trajecten?
Als het rijden met zwaar materieel op een traject een risico is voor de baanstabiliteit, verken ik samen met ProRail en de betreffende vervoerder(s), de mogelijkheden van alternatieve materieelinzet. Dit is bijvoorbeeld gebeurd op het traject Leiden-Utrecht. Dit is maatwerk per corridor en moet ook passen in de «puzzel» welk materieel op welk moment waar rijdt.
Wat vindt u ervan dat het spoor op dit moment niet klimaatbestendig genoeg is, omdat hevige regen en hitte nu en in de toekomst tot grote gevolgen leiden?
Het klimaatbestendig maken van het spoor heeft mijn nadrukkelijke aandacht. Naast het bovengenoemde onderzoeksprogramma voor baanstabiliteit, brengt ProRail ook de gevoeligheid van het spoornetwerk voor klimaatverandering, de risico’s en mogelijke oplossingen daarvoor in kaart. Dit zal uitmonden in een Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Spoor. Naar verwachting zal in de loop van 2022 een eerste versie van die uitvoeringsagenda beschikbaar zijn. Ik bewaak hierbij de aansluiting met de besluitvorming over baanstabiliteit later dit jaar.
Is het extra geld voor onderhoud van het spoor dat in 2020 gereserveerd werd ook bestemd voor het klimaatbestendig maken van het spoornetwerk? Zo nee, bent u voornemens om flink te investeren in klimaatadaptatie om het Nederlandse spoornetwerk klimaatbestendig te maken?
Binnen de huidige beschikbare middelen voor het spooronderhoud is nog geen budget opgenomen voor het klimaatbestendig maken van het spoor. Hierover specifiek hebben mijn voorgangers uw Kamer in eerdere brieven over instandhouding geïnformeerd.6 Na afronding van de onderzoeken naar baanstabiliteit en klimaatadaptatie zal beter inzichtelijk zijn wat er nodig is om het spoor meer klimaatadaptief te maken.
Welke stappen heeft u ondernomen na de noodkreet van ProRail in januari 20202 dat dergelijke investeringen in klimaatadaptatie cruciaal zijn?
Zie het antwoord op vraag 7.
Was u zich ervan bewust dat deze problemen zich vooral afspelen in veengebieden? Hebben de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit contact hierover?
Infrastructuur in veengebieden vraagt om bijzondere aandacht. Zie ook het antwoord bij vraag 5. De Ministeries van LNV en IenW zijn hierover in overleg. Zie ook het antwoord op vraag 11.
In hoeverre wordt de veenweideproblematiek op dit moment integraal aangepakt? Worden de verzakkingen in het landelijk gebied, het stedelijk gebied én met betrekking tot infrastructuur gelijktijdig aangepakt?
Er zijn twee belangrijke oorzaken van daling van slappe bodems. Ten eerste door lage grondwaterstanden waarbij slappe bodems inklinken en het veen onder invloed van zuurstof wordt afgebroken. Ten tweede daalt de bodem door belasting met zware ophoog- en bouwmaterialen en gebruik van zware machines. Daarmee verschilt de problematiek van bodemdaling afhankelijk van de specifieke situatie. Ook verschillen daardoor de mogelijke oplossingsrichtingen om de problemen aan te pakken of te voorkomen.
Daar waar problemen en oplossingsrichtingen samenvallen worden die ook integraal aangepakt. Via bijvoorbeeld de Regiodeal Bodemdaling Groene Hart en onderzoek via het Nationaal Kennisprogramma Bodemdaling ontwikkelen overheden en bedrijfsleven toepassingsgerichte kennis.8 Hiermee kunnen ze burgers en bedrijven op een goede manier handelingsperspectief geven in het voorkomen van en omgaan met de gevolgen van bodemdaling in zowel het landelijke als het stedelijke gebied. Ook opgaven met betrekking tot kabels en leidingen en andere infrastructuurvoorzieningen in de openbare ruimte hebben daar aandacht.
De uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant m.b.t. de kolencentrale Geertruidenberg en MOB |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant met betrekking tot de kolencentrale Geertruidenberg en Mobilisation for the Environment (MOB)?1
Ja, hier ben ik bekend mee.
Kunt u reageren op de uitspraak van de rechtbank dat het gebruik blijven maken van bestaande rechten «dweilen met de kraan open» is? Deelt u die conclusie?
Ik acht het niet opportuun om commentaar te leveren op de uitspraak in deze specifieke zaak, waartegen de provincie Noord-Brabant hoger beroep heeft ingesteld. Ik ben als Minister voor Natuur en Stikstof geen partij in deze zaak. Wel ondersteun ik de provincie in het hoger beroep.
Overigens verken ik samen met de provincies en andere rijkspartijen wat de gevolgen kunnen zijn van ingebruikname van latente ruimte in vergunningen en op welke wijze feitelijke toenames van emissies en daarmee deposities kunnen worden tegengegaan.2 Ik verwacht deze verkenning na de zomer met uw Kamer te kunnen delen.
Als de rechtbank hiermee een impliciete houdbaarheidsdatum voor bestaande stikstofrechten afkondigt, wat zijn hier de gevolgen van? Wat betekent dit voor het beleid? Is dit een kritiek op het functioneren van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering? Zo ja, trekt u zich deze kritiek aan?
Zie antwoord vraag 2.
Speelt de manier waarop de stikstofemissies in dit project werden gesaldeerd (met het reeds in 2015 gesloten deel van de centrale) op een vergelijkbare manier bij andere projecten? Zo ja, worden de vergunningen hiervan dan ook (mogelijk) vernietigd?
Er wordt momenteel geïnventariseerd of dit ook bij andere projecten speelt. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat deze uitspraak op een specifieke situatie ziet, waarbij de uitspraak zich richt op intern salderen met latente ruimte die niet eerder passend is beoordeeld en waarvoor voor het gebruik een nieuwe of gewijzigde omgevingsrechtelijke vergunning nodig is. Overigens is intern salderen sinds 1 januari 2020 niet langer vergunningplichtig omdat de verslechteringsvergunningplicht uit de Wet natuurbescherming is vervallen. Bovendien verbiedt de uitspraak salderen met dergelijke ruimte niet. De uitspraak eist een nadere motivering dat intrekking van die ruimte niet nodig is om verslechtering van de natuur in Natura 2000-gebieden te voorkomen. Het is daarom op basis van deze enkele uitspraak niet mogelijk om te zeggen wat voor gevolgen dit zou kunnen hebben voor andere vergunningen, ook omdat er hoger beroep tegen is ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling).
Deelt u de kritiek van de rechtbank dat de provincie de oude stikstofrechten, vergund voor het reeds in 2015 gesloten deel, niet heeft ingetrokken? Hoe lang blijven dergelijke latente rechten geldig? Hoe lang zouden die volgens u geldig moeten blijven? Blijven die ook geldig voor bedrijfsonderdelen die al jaren niet meer in werking zijn? Wanneer is een activiteit nieuw of moet deze volgens nieuwe regels worden beoordeeld?
Ik verwijs hier graag naar de beantwoording van de vragen 2 en 3, waar ik heb aangegeven waarom ik het niet opportuun acht om commentaar te leveren op de uitspraak in deze specifieke zaak.
De vragen die u stelt over de wenselijkheid van de geldigheid van latente ruimte maken onderdeel uit van de verkenning die ik samen met de provincies en andere rijkspartijen uitvoer naar de gevolgen van ingebruikname van latente ruimte voor het realiseren van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding van stikstofgevoelige soorten en habitats onder de Vogel- en Habitatrichtlijn, en op welke wijze feitelijke toenames van emissies, en daarmee deposities, kunnen worden tegengegaan.
Wat zijn de bredere gevolgen van de uitspraak van de rechtbank dat alleen mag worden gesaldeerd als de provincie duidelijk maakt hoe vervolgens met andere passende maatregelen de depositie in natuurgebieden gecompenseerd wordt? Is daarmee een einde gekomen aan het heersende idee dat salderen «gratis» of «bestaande» stikstofruimte is? Is de provincie nu verantwoordelijk voor het salderen van de «stikstofschuld» die ontstaat bij intern salderen?
Ik verwijs hier graag naar de beantwoording van vraag 4, waar ik de mogelijke gevolgen van de uitspraak heb geschetst. De uitspraak brengt een nuancering aan op de vaste jurisprudentie van de Afdeling die ervan uitgaat dat gesaldeerd mag worden met de volledige vergunde ruimte.
De feitelijke betekenis van deze uitspraak wordt momenteel bestudeerd. De provincie Noord-Brabant heeft hoger beroep ingediend tegen de uitspraak. Dit hoger beroep zal moeten uitwijzen of de Afdeling de nuancering van de rechtbank overneemt.
Kunt u reageren op de conclusie van de rechtbank dat het niet de bedoeling is dat met niet passend beoordeelde emissieruimte tot in de lengte der dagen gesaldeerd kan worden? Wat zijn hier de gevolgen van?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Is deze uitspraak relevant voor het plan van Schiphol om geclaimde latente ruimte voor Lelystad Airport te gebruiken?
De vergunningprocedure voor Schiphol loopt nog. Uiteraard betrek ik bij de besluitvorming zorgvuldig alle jurisprudentie op dit vlak. Bovendien is hier sprake van een uitspraak van de rechtbank waartegen hoger beroep bij de Afdeling openstaat. De uitspraak van de rechtbank wijkt af van de vaste jurisprudentie van de Afdeling. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en 3 heeft de provincie Noord-Brabant hoger beroep aangetekend tegen deze uitspraak.
Kunt u paragraaf 12.3 en 12.4 van de uitspraak duiden? Is de conclusie hieruit niet dat (voortaan) ook CO2-emissies van een project moeten worden meegenomen voor een passende beoordeling, aangezien CO2 leidt tot klimaatverandering en klimaatverandering tot negatieve gevolgen voor diverse Natura 2000-gebieden?
Ik verwijs hier graag naar de beantwoording van de vragen 2 en 3 over het hoger beroep dat wordt ingesteld tegen deze uitspraak. Het is om die reden nog niet bekend of de Afdeling het standpunt van de rechtbank in deze specifieke situatie in stand zal laten.
Welke hoeveelheid CO2 zou in dit kader significant zijn? Kan dit van belang worden voor andere projecten, zoals andere energiecentrales, wegverbredingen, woonwijken of koeienstallen?
Ik verwijs hier graag naar de beantwoording van de vragen 2 en 3 over het hoger beroep dat wordt ingesteld tegen deze uitspraak. Het is nog niet duidelijk of de Afdeling het standpunt van de rechtbank in deze specifieke situatie in stand zal laten.
Gaat dit dan ook gelden voor alle klimaatgerelateerde activiteiten, bijvoorbeeld methaan- en lachgasemissies en vliegvelduitbreidingen die leiden tot klimaatschadelijke emissies buiten Nederland?
Ik verwijs hier graag naar de beantwoording van de vragen 2 en 3 over het hoger beroep dat is ingesteld tegen deze uitspraak. Het is nog niet duidelijk of de Afdeling het standpunt van de rechtbank in deze specifieke situatie in stand zal laten.
Eventuele gaswinning onder het wad |
|
Joris Thijssen (PvdA), Laura Bromet (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Barbara Visser (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stef Blok (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Klopt het dat de UNESCO recent een brief heeft gestuurd aan Nederland met betrekking tot de bescherming van de Waddenzee en eventuele gaswinning onder het wad? Zo ja, kunt u deze brief delen met de Kamer en deze dan vergezellen van een kabinetsappreciatie?
Het klopt inderdaad dat UNESCO op 7 mei 2021 en 30 november 2021 op basis van door derden geuite zorgen een brief heeft gestuurd aan de Nederlandse regering met een verzoek om informatie met betrekking tot de voorgenomen gaswinning Ternaard en de aanlanding van Wind op Zee ten noorden van de Wadden. Beide vindt u bijgevoegd1.
Op basis van paragraaf 172 van de Operational Guidelines for the Implementation of the World Heritage Convention2 moeten nieuwe activiteiten die plaatsvinden in het Werelderfgoedgebied gemeld worden bij UNESCO. De lopende procedure voor de voorgenomen gaswinning Ternaard ziet op het vergunnen van de productieboring en de winning vanuit het Ternaard-gasveld op basis van de bestaande winningsvergunning Noord-Friesland uit 1969. De Waddenzee is in 2009 door UNESCO op basis van het huidige beschermingsregime opgenomen op de Werelderfgoedlijst. De Waddenzee is bij UNESCO voorgedragen met alle activiteiten die destijds al plaatsvonden, inclusief de gaswinning onder de Waddenzee op basis van het «hand aan de kraan»-principe. Dit betekent dat boringen en de impact daarvan strikt worden gemonitord opdat er geen impact op de natuur van de Waddenzee plaatsvindt. In het nominatiedossier bij inschrijving op de Werelderfgoedlijst is aangegeven dat nieuwe boringen binnen het Werelderfgoedgebied niet zijn toegestaan. Wel daarbuiten, mits het UNESCO Werelderfgoed niet wordt aangetast. De voorgenomen gaswinning Ternaard wordt conform deze principes beoordeeld en vormgegeven. De Nederlandse UNESCO Commissie heeft een zienswijze3 ingediend op de voor de zomer ter inzage gelegde ontwerpbesluiten. Deze zienswijze zal worden betrokken bij de definitieve besluitvorming die is voorzien in maart 20224.
In juni 2020 is UNESCO geïnformeerd over de aanlanding van Wind op Zee ten noorden van de Wadden. In de ruimtelijke procedures zal ook aandacht zijn voor de impact op de Outstanding Universal Value van de Waddenzee. De Staatssecretaris van EZK heeft uw Kamer op 2 december 2021 per brief5 over de Verkenning aanlanding wind op zee 2030 (VAWOZ) geïnformeerd.
Het kabinet is voornemens om in januari 2022 een brief te sturen aan UNESCO met een reactie.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Wadden van 7 december?
Ja.
Het bericht ‘Buitenlandse Zaken weigert Afghaanse bewakers ambassade Kabul te evacueren’ |
|
Jasper van Dijk , Laurens Dassen (Volt), Christine Teunissen (PvdD), Laura Bromet (GL), Tunahan Kuzu (DENK), Sylvana Simons (BIJ1), Pieter Omtzigt (Omtzigt), Kati Piri (PvdA), Caroline van der Plas (BBB) |
|
Henk Kamp (minister defensie) (VVD), Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Buitenlandse Zaken weigert Afghaanse bewakers ambassade Kabul te evacueren»?1
Ja.
Vanaf wanneer was het verzoek van lokale beveiligers die via een «subcontractor» voor de Nederlandse ambassade in Kabul werkten, om geëvacueerd te worden bekend bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Waarom zijn deze beveiligers toentertijd niet opgeroepen voor evacuatie, terwijl Hongaarse beveiligers die via een «subcontractor» uit Dubai werkten wel zijn geëvacueerd?
De eigenaar van het private bedrijf dat diensten verleent aan de Nederlandse ambassade in Kaboel, inclusief beveiliging, heeft op verschillende momenten tijdens de evacuatiemissie en erna via verschillende lijnen verzocht dat zijn werknemers naar Nederland worden overgebracht. Het aantal personen op de lijsten aangebracht door de eigenaar van het bedrijf varieerde. Een door het ministerie geaggregeerde lijst bevat 195 namen, onder wie 122 bewakers, 66 «service personnel», 4 technici, 2 Human Resources en 1 Finance. Inclusief kerngezinnen zou dit om ongeveer 1.000 personen gaan.
Sinds begin dit jaar heeft de ambassade bij verschillende gelegenheden duidelijk gecommuniceerd aan het bedrijf dat diegenen die voor een externe dienstverlener werken in een andere positie verkeren dan mensen met een dienstverband met de ambassade – de lokale medewerkers –, voor wie Nederland als werkgever een speciale verantwoordelijkheid heeft en die ook zijn geëvacueerd.
De Hongaarse beveiligers zijn door speciale eenheden van een partnerland naar het vliegveld gebracht en uiteindelijk door een partnerland gerepatrieerd naar hun eigen land. Hierover waren voorafgaand aan de evacuatieperiode al afspraken gemaakt.
Kunt u bevestigen dat er in de evacuatie-operatie geen onderscheid is gemaakt tussen individuen die rechtstreeks voor de Nederlandse missie in Afghanistan werkten en individuen die via «subcontractors» in dienst waren? Zo nee, om welke reden en op basis waarvan is dit onderscheid gemaakt?
Tijdens de evacuatie zijn de criteria gehanteerd conform de motie Belhaj (kamerstuk 27 925, nr. 788). Dat wil zeggen dat beveiligers die voor Nederland werkzaam waren in het kader van een internationale militaire of politiemissie tijdens de evacuatie in aanmerking konden komen om te worden overgebracht naar Nederland.
Voor de volledigheid wil het kabinet vermelden dat het bij de bewakers van de ambassade om een andere groep personen gaat die onder andere omstandigheden andersoortige werkzaamheden hebben verricht dan de Afghaanse beveiligers die militaire objecten bewaakten van buitenlandse strijdkrachten die door tenminste van een deel van de bevolking – en in ieder geval door de Taliban – als vijand werden beschouwd.
Ambassadebewakers houden zich op bij civiele objecten, officiële vertegenwoordigingen van andere staten, waarmee de Taliban officiële contacten nastreeft. Hoewel dit bewakingsbedrijf door Nederland was ingehuurd, vallen de werkzaamheden van dit type bewakers, anders dan die van de hierboven genoemde militaire beveiligers, onder de verantwoordelijkheden van een gastland. Dat moet namelijk de veiligheid van ambassades waarborgen. Ook dat maakt dat dit een bijzondere groep is met werkzaamheden van een andere aard.
Op welk moment en specifiek op welke wijze heeft u de Kamer meegedeeld dat er een nieuw criterium geldt, te weten dat individuen een rechtstreeks dienstverband moeten hebben om in aanmerking te komen voor evacuatie?
Er is geen sprake van een nieuw criterium. Zoals in het antwoord op vraag 2 gesteld is er een onderscheid tussen mensen die voor en bij de ambassade werken met een direct dienstverband en hen die dat niet hebben.
Voor personen met een directe arbeidsrelatie voelt de ambassade als werkgever een speciale verantwoordelijkheid.
Dat is ook de reden dat uiteindelijk is besloten de lokale werknemers, die een arbeidscontract hadden met de ambassade, te evacueren.
Voor mensen die dat niet hadden, zoals de bewakers, geldt dat niet. De werkgever is voor hen verantwoordelijk. Dat is ook duidelijk met hen en de werkgever gecommuniceerd.
Bent u op de hoogte van het feit dat andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk en Australië, ambassadebewakers die via «subcontractors» voor hen werkten wel hebben geëvacueerd of van plan zijn te gaan evacueren? Zo ja, waarom vormt Nederland hierin een uitzondering?
Procedures voor evacuatie verschillen van land tot land; verschillende landen hebben verschillende groepen personen geëvacueerd. Bij een aantal Westerse ambassades waren overigens niet-Afghaanse bewakers werkzaam, ofwel in directe dienst, ofwel ingehuurd. Deze hebben uiteraard een andere positie dan Afghaanse bewakers.
Zijn er afspraken gemaakt met het bedrijf of de bedrijven die de bewakers in dienst hebben? Zo ja, welke afspraken zijn er gemaakt, wanneer zijn deze gemaakt en met wie?
Vanaf begin van 2021 is aan de eigenaar van het bedrijf waarbij de bewakers in dienst zijn, duidelijk kenbaar gemaakt dat zijn werknemers niet door Nederland geëvacueerd zouden worden. De algemene verantwoordelijkheid, inclusief voor hun veiligheid, ligt bij de werkgever; dat is ook door hem erkend.
Hoeveel oud-medewerkers van het Ministerie van Defensie (zowel die rechtstreeks of via een «subcontractor» in dienst waren) die zich hadden gemeld voor evacuatie, komen met de nieuwe criteria zoals vastgelegd door de regering in de Kamerbrief2 van 11 oktober niet meer in aanmerking voor evacuatie?
De criteria waarover de Tweede Kamer is geïnformeerd in de brief van 11 oktober zijn zoals gezegd alleen van toepassing op een afgebakende groep aanmeldingen zoals bekend bij het Ministerie van Defensie op 11 oktober jl.
Wordt er door het Ministerie van Defensie momenteel onderscheid gemaakt tussen tolken, beveiligers, en ander personeel die rechtstreeks in dienst waren, en zij die waren ingehuurd via «subcontractors» of via andere derde landen voor de Nederlandse missie werkten? Zo ja, op welke manier en met welke onderbouwing?
Het Ministerie van Defensie hanteert, net als de andere betrokken departementen, de criteria zoals die zijn genoemd in de Kamerbrieven van 11 oktober 2021 (Kamerstuk 27 925 nr. 860) en 16 november 2021 (Kamerstuk 27 925 nr. 872).
In deze brieven staat dat een Afghaan nog steeds in aanmerking komt voor overbrenging naar Nederland indien hij of zij voor Nederland heeft gewerkt in het kader van een internationale militaire of politiemissie als tolk. Het gaat bij tolken om de uitgevoerde werkzaamheden en niet om de contractvorm. Een persoon komt niet in aanmerking als hij of zij in dienst was van de Afghaanse overheid.
Voor een niet-tolk geldt dat een afgebakende groep aanmeldingen zoals bekend bij Defensie bij het verzenden van de Kamerbrief van 11 oktober jl. wordt bekeken op de in deze brief genoemde criteria, namelijk dat deze persoon, gedurende minimaal één jaar, voor Nederland moeten hebben gewerkt in het kader van een internationale militaire of politiemissie in een voor het publiek zichtbare functie. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de uitgevoerde werkzaamheden en de werkrelatie met Nederland. Tevens moet de Afghaanse nationaliteit worden vastgesteld.
Kunt u bevestigen dat oud-defensiemedewerkers die akkoord hebben gekregen van het Ministerie van Defensie om geëvacueerd te worden, maar nog niet waren opgeroepen, alsnog hiervoor in aanmerking komen?
Indien de aanmeldingen van Afghaanse medewerkers die voor Nederland hebben gewerkt in het kader van een internationale militaire of politiemissie voldoen aan de criteria, zoals gesteld in de Kamerbrieven van 11 oktober 2021 (Kamerstuk 27 925 nr. 860) en 16 november 2021 (Kamerstuk 27 925 nr. 872), komen zij in aanmerking om naar Nederland overgebracht te worden.
Hoeveel tolken (die voor Defensie en de politiemissie hebben gewerkt) bevinden zich momenteel nog steeds in Afghanistan?
Voor zover eind november bekend bevinden zich in Afghanistan nog 160 personen die een beroep kunnen doen op de tolkenregeling: 40 Defensietolken (inclusief kerngezinnen 122 personen) en 10 EUPOL tolken in Afghanistan (inclusief kerngezinnen 38 personen). Zoals bekend betreft het hier een open einde regeling: dit aantal is derhalve niet definitief.
Kunt u een overzicht van hoeveel Afghanen met eindbestemming Nederland nog vastzitten in een derde land en in welke landen zij verblijven? Wat zijn de omstandigheden waaronder zij vastzitten en waarom het zo lang duurt voor ze naar Nederland worden overgebracht?
Op dit moment zijn er voor zover bekend 89 Afghanen in Hongarije die voor het Provincial Reconstruction Team in Baghlan hebben gewerkt. Dit aantal is inclusief gezinsleden. Voor deze groep wordt gekeken naar een manier om hen zo snel mogelijk over te brengen naar Nederland. Hun omstandigheden zijn niet precies bekend, omdat zij op verschillende locaties in Hongarije verblijven. De ministeries van Defensie en BZ zijn met de IND en de ambassade bezig zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen over de status van deze personen en de mensen die daarvoor in aanmerking komen op zo kort mogelijke termijn over te brengen naar Nederland.
Daarnaast zijn er 25 lokale medewerkers van de NAVO die recentelijk een aanbod om naar Nederland te komen hebben geaccepteerd en die we voor het einde van het jaar proberen over te brengen. Verder zijn er enkele families in Pakistan en Iran die voor overbrenging naar Nederland in aanmerking komen; met hen wordt door de ambassades in Islamabad en Teheran contact onderhouden. De Nederlandse ambassades in deze landen faciliteren hun onderdak; in Pakistan geschiedt dat via IOM.
Zijn er op dit moment andere NAVO-landen die (wel) laissez-passers of andere nooddocumenten afgeven in Afghanistan? Zo ja, welke landen en op wat voor manier? En wat zijn de bezwaren van het kabinet om dit niet te doen?
Vooropgesteld zij dat de Taliban van Afghanen een paspoort eisen als zij het land willen verlaten; noodreisdocumenten worden door hen niet geaccepteerd. Voor zover bekend worden door andere (NAVO) landen formeel geen noodreisdocumenten in Afghanistan verstrekt aan Afghaanse burgers. De Nederlandse wetgeving verzet zich tegen de verstrekking van geldige Nederlandse reisdocumenten aan burgers in het land waarvan zij de nationaliteit bezitten. Het toch verstrekken van geldige noodreisdocumenten aan Afghaanse burgers in Afghanistan mist niet alleen een wettelijke grondslag maar wordt internationaal gezien als een inmenging in een binnenlandse aangelegenheid. Aan Nederlanders die zonder geldige reisdocumenten in Afghanistan verblijven, kunnen wel nooddocumenten worden afgegeven.
Op welke manier geeft het kabinet uitvoering aan de motie-Piri c.s. over de opvang van Afghaanse evacuees in Nederland?3
Het kabinet wil het liefst dat iedereen wordt opgevangen in reguliere COA-locaties. Alle reguliere opvanglocaties zitten op het moment echter vol, daarom zijn de tijdelijke noodlocaties nu hard nodig. Het is namelijk belangrijk dat iedereen met recht op opvang dat kan krijgen. Het COA stelt echter alles in het werk om zo veel mogelijk de mate van opvang en begeleiding te bieden op de noodopvanglocaties zoals deze ook geboden wordt op reguliere locaties. Het kabinet vindt het belangrijk dat de Afghaanse evacués snel duidelijk krijgen over hun toekomst. Daarom beslist de IND ook voortvarend in de procedures van de evacués, waardoor snel duidelijkheid komt over de verblijfsstatus van deze groep. Het COA voert inmiddels ook huisvestingsgesprekken op de locaties waar Afghaanse evacués verblijven zodat zij zo snel mogelijk kunnen doorstromen naar gemeenten en hun leven in Nederland kunnen opbouwen. Daarenboven wordt bij de Afghaanse evacués ingezet op contacten met de opleidings- en universitaire wereld, zoals UAF; en op andere initiatieven zoals oriëntatie op de arbeidsmarkt. Het kabinet zal via een separate brief de Kamer nog informeren over de uitwerking van de motie.
Met welke regelmaat wordt er contact gehouden met mensen die in aanmerking komen voor evacuatie?
Er wordt regelmatig contact gehouden met mensen die in aanmerking komen voor overbrenging naar Nederland. De frequentie waarmee dat gebeurt, verschilt van geval tot geval.
Kunt u aangeven op welke manier uit de motie-Belhaj c.s.4 blijkt of, en op welke manier er met de Kamer sinds het begin van de evacuatieoperatie is gecommuniceerd, dat ambassademedewerkers die via een externe dienstverlener voor de Nederlandse missie werkten, niet in aanmerking komen voor evacuatie?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 4 is er geen sprake van een nieuw criterium. De bewakers vallen niet binnen de criteria van de speciale voorziening die het kabinet heeft aangekondigd in de Kamerbrief van 11 oktober (Kamerstuk 27 925, nr. 860) om de overkomst naar Nederland van twee bijzondere groepen te faciliteren.
Kunt u aangeven voor hoeveel medewerkers die voorheen via een externe dienstverlener voor de Nederlandse missie werkten, er na 31 december geen plaats meer zal zijn?
Van de externe dienstverlener is vernomen dat 149 medewerkers per 31 december worden ontslagen n.a.v. het opzeggen van de Nederlandse ambassadecontracten. Er is met deze zelfde externe dienstverlener inmiddels een nieuw contract afgesloten voor bewaking van een terrein in de voormalige groene zone waarop op dit moment de achtergebleven Nederlandse eigendommen worden bewaard.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en uw antwoorden voor het aankomende plenaire debat over de huidige stand van zaken inzake de evacuatie-operatie aan de Kamer doen toekomen?
Ja.
Het Predicaat Koninklijk |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u aangeven wat de precieze criteria zijn om als onderneming in aanmerking te komen voor het Predicaat Koninklijk en kunt u ook aangeven wanneer het Predicaat Koninklijk van een onderneming wordt afgenomen?
Het predicaat Koninklijk is een reeds lang bestaande traditie. Het is een onderscheiding die kan worden verleend aan verenigingen, stichtingen, instellingen of grote ondernemingen. Een predicaat wordt enkel toegekend aan bedrijven die reeds honderd jaar bestaan en in die lange periode een goede reputatie hebben opgebouwd. Het symboliseert het respect, de waardering en het vertrouwen van de Koning tegenover de ontvanger en wil niet zeggen dat het betrokken bedrijf leverancier is of een andere relatie heeft met het Koninklijk Huis.
De richtlijnen voor het verkrijgen en die voor het intrekken van een Koninklijk predicaat, en de bijzondere voorwaarden welke aan een gerechtigde tot het voeren van het predicaat Koninklijk worden gesteld, zijn beschreven in de Koninklijke Beschikking van 15 augustus 1988 nummer 33, respectievelijk nr. 34. Deze beschikkingen zijn later aangevuld met de Koninklijke Beschikkingen van 8 december 2004, nr. 9, 26 maart 2010, nr. 2 en 17 december 2020, nr. 3.
Op de website van het Koninklijk Huis staat de procedure voor aanvraag van het predicaat omschreven: https://www.koninklijkhuis.nl/onderwerpen/onderscheidingen/predicaat-koninklijk/aanvragen
De verlening, bestendiging en heroverweging van het predicaat Koninklijk valt onder mijn ministeriële verantwoordelijkheid en vindt plaats volgens de onder andere in de Koninklijke Beschikkingen opgenomen voorwaarden en procedures. Het gaat onder andere om de nationaliteit van het bedrijf, de financiële gezondheid, vooraanstaandheid – ook in termen van maatschappelijk verantwoord ondernemen – en (economische) zelfstandigheid. Het betreft een zorgvuldig proces via burgemeester, commissaris van de Koning en adviezen van ministeries en (inspectie)diensten die relevant zijn voor de beoordeling.
Klopt het dat Shell bij verhuizing van het hoofdkantoor naar een locatie buiten het Koninkrijk der Nederlanden niet meer voldoet aan de vereisten om het Predicaat Koninklijk te mogen dragen? Zo neen, waarom niet?
Het predicaat Koninklijk werd van oudsher alleen toegekend aan Nederlandse bedrijven. De internationalisering van het Nederlandse bedrijfsleven heeft ertoe geleid dat het eigendom van steeds meer Nederlandse ondernemingen geheel of gedeeltelijk in buitenlandse handen is overgegaan. Bij de verlenging van het predicaat Koninklijk voor een Nederlands bedrijf dat (deels) in buitenlandse handen is overgegaan, moet duidelijk zijn of een bedrijf na overname door buitenlandse belangen zich blijvend als een Nederlandse onderneming wenst te manifesteren.
Met het besluit het hoofdkantoor te verplaatsen naar het buitenland, loopt een bedrijf het risico dat het zich niet meer manifesteert als Nederlandse onderneming. Shell heeft recent de naam van de vennootschap gewijzigd van Royal Dutch Shell plc in Shell plc.
Kunt u de zinsnede «De bedrijfsvoering dient onberispelijk te zijn» nader toelichten en in welke situaties wanneer vragen rijzen omtrent de onberispelijkheid kan het Predicaat Koninklijk worden ingetrokken? Kunt u hierbij specifiek ook ingaan op de situatie waarin een onderneming in binnen- of buitenland onherroepelijk veroordeeld wordt door een rechter vanwege overtreding van milieu of arbeidsregels en of dat van invloed kan zijn op de vraag of een onderneming nog een onberispelijke bedrijfsvoering heeft?1
In de Koninklijke Beschikking van 8 december 2004, nr. 9 staan de bepalingen om een predicaat in te trekken. Bij het proces over een eventuele intrekking van het predicaat heeft de commissaris van de Koning een coördinerende en adviserende rol. Als er voldoende aanleiding toe is, dan kan en zal een predicaat heroverwogen worden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij wijzigingen in de juridische structuur of wanneer de reputatie ernstig in het geding is, zoals bijvoorbeeld bij een strafrechtelijke veroordeling. Een bedrijf zal in het tweede geval eerst gevraagd worden een toelichting te geven op de ontwikkelingen en uit te leggen wat wordt ondernomen om die reputatie te herstellen en herhaling te voorkomen. Daarna kan op enig moment, mede op basis van de adviezen van de betrokken departementen, besloten worden over het al dan niet behouden of clausuleren van het recht een predicaat te voeren.
Daarbij zij opgemerkt dat niet-bestendigen en a fortiori het intrekken van het predicaat een voor het betreffende bedrijf ingrijpend middel is, waarvoor voldoende grond moet zijn en dat proportioneel moet zijn met het oog op de feitelijke situatie.
De onberispelijkheid van een bedrijf is een dynamisch begrip, waarvan de betekenis door de tijd heen kan veranderen, zoals ook maatschappelijke opvattingen hierover veranderen. In de verlening, bestendiging en heroverweging van het predicaat Koninklijk kunnen nieuwe inzichten inzake onberispelijkheid worden betrokken.
Zijn er voorbeelden te noemen van ondernemingen waarvan het predicaat is ingetrokken omwille van het feit dat zij niet meer voldoen aan het criterium van een onberispelijke bedrijfsvoering?
Het is verschillende keren voorgekomen dat het recht tot het voeren van het predicaat Koninklijk aan een bedrijf is ingetrokken. De redenen voor intrekking variëren. Deels was dit het geval voor omstandigheden zoals beschreven in artikel 6 van de Koninklijke Beschikking van 15 augustus 1988, nr. 34, zoals bijvoorbeeld een wijziging van de juridische structuur van een bedrijf. Ook is het voorgekomen dat een bedrijf niet meer voldeed aan de voorwaarden zoals bijvoorbeeld het niet meer voldoen aan de vereiste zelfstandigheid ten aanzien van de bepaling van de beleidsstrategie en het financiële beleid.
Het bericht ‘NAM wil alle olie- en gasproductie in Nederland verkopen’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Stef Blok (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «NAM wil alle olie- en gasproductie in Nederland verkopen»?1
Ja, dat bericht ken ik.
Welke invloed heeft de regering op deze verkoop?
Zie hiervoor ook mijn beantwoording op vragen van het lid Nijboer (PvdA) (zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 874). Voor de verkoop van een bv die een winningsvergunning houdt, is vereist dat die vergunning wordt overgedragen op de overnemende partij. Op grond van de Mijnbouwwet is mijn toestemming vereist voor deze overdracht. De gronden waarop ik mijn toestemming aan een voorgenomen overdracht kan onthouden, zijn opgenomen in de Mijnbouwwet en komen overeen met de gronden waarop een vergunningsaanvraag kan worden geweigerd. Hiervoor worden de technische en financiële capaciteiten van de overnemende partij getoetst, alsmede de manier waarop de overnemende partij de activiteiten wil gaan voortzetten en efficiëntie en verantwoordelijkheidszin (inclusief maatschappelijke verantwoordelijkheidszin, waarvan is gebleken bij uitvoering van andere mijnbouwactiviteiten) van de overnemende partij. De uitkomst van deze toetsing kan reden zijn om geen toestemming te verlenen voor overdracht van een vergunning.
Welke invloed heeft Nederland op welke partij straks de olie- en gasrechten en infrastructuur in handen krijgt? Kan Nederland bepaalde partijen weren of vetoën? Is het mogelijk dat bijvoorbeeld Gazprom of anderen bedrijven met een bedenkelijke reputatie het monopolie in Nederland krijgen?
Een voorgenomen overname zal altijd worden getoetst op grond van de aspecten zoals beschreven in het antwoord op vraag 2. Bij de beoordeling van dergelijke overnames wordt uiteraard ook gekeken of dergelijke transacties niet in strijd zijn met geldende sanctieregimes. Blokkering van een overname op basis van de nationaliteit van de bestuurder of het bedrijf is niet mogelijk op grond van WTO-regels en bilaterale handelsakkoorden tussen de EU en derde landen.
Betekent de verkoop van de olie- en gasproductie het feitelijke einde van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM)? Wat zijn hier de gevolgen van?
Nee. De NAM heeft aangegeven dat het Groningenveld en de ondergrondse opslagen in Norg en Grijpskerk geen onderdeel vormen van de herstructurering en integraal onderdeel blijven van NAM BV.
Wat zijn de (mogelijke) gevolgen voor de schadebetalingen en versterkingsoperatie in Groningen?
Zie ook mijn beantwoording op de vragen van het lid Nijboer (PvdA) (zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 874). Het verkopen van de kleine velden heeft geen gevolgen voor het nakomen door de NAM van de verplichtingen ten aanzien van de schadeafhandeling en de versterking in Groningen. De NAM wil haar kleine velden verkopen maar het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk blijven van de NAM. Het Groningenveld behoort niet tot de kleine velden. De verkoopopbrengst van de kleine velden komt volgens de NAM ten goede aan de NAM en dus niet aan haar aandeelhouders. Gedurende de afbouw van de winning uit het Groningenveld heeft de NAM nog inkomsten en daarnaast heeft de NAM voorzieningen getroffen voor kosten die voortvloeien uit het afhandelen van schade en de nodige versterking van gebouwen als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld.
Op grond van het Akkoord op Hoofdlijnen hebben Shell en ExxonMobil garanties verstrekt voor het aandeel van de NAM in de verplichtingen ten aanzien van betalingen voor de schadeafhandeling en de versterkingsopgave. Deze garanties gelden tot het beëindigen van de gaswinning uit het Groningenveld.
In het Akkoord op Hoofdlijnen is verder vastgelegd dat voorafgaand aan het vervallen van deze garanties, door Shell en ExxonMobil passende zekerheden zullen worden verstrekt voor de periode na beëindiging van de gaswinning.
Shell en ExxonMobil zijn contractueel verplicht om passende zekerheden te bieden. Voor de Staat is van belang dat de NAM al haar huidige en toekomstige verplichtingen ten aanzien van schade, versterken en opruimen nakomt en dat Shell en ExxonMobil daarvoor in staan. Hierover ga ik in gesprek met Shell en ExxonMobil.
Wordt een nieuwe eigenaar ook verantwoordelijk voor het saneren van de winningslocaties als de winning ten einde komt?
Bij een eventuele overdracht van winningsvergunningen zullen ook de verplichtingen overgaan ten aanzien van het verwijderen van de desbetreffende locaties vallend onder die winningsvergunningen (zoals ook opgenomen in de artikelen 44 en 45 van de Mijnbouwwet). Bij de toetsing van een overnemende partij alvorens wel of geen toestemming wordt verleend, zoals eerder beschreven in antwoord 2, zal bij de financiële toets ook gekeken worden of de nieuwe eigenaar voldoende middelen heeft om aan de verwijderingsplicht te kunnen voldoen.
Om in alle gevallen op structurele en uniforme wijze te waarborgen dat financiële risico’s, zowel voor mijnbouwondernemingen onderling als voor de Staat zijn afgedekt, is er een nieuwe garantiesystematiek ontwikkeld om de financiering van de opruimverplichting van de Nederlandse olie- en gasassets te waarborgen (ook wel Decommissioning Security Agreement; de DSA). Sinds 2019 wordt deze financiële zekerheid al gesteld voor activiteiten op zee en met de meest recente wijziging van de Mijnbouwwet zal deze per 1 januari 2022 ook gaan gelden voor de gaswinning op land.
In gevallen waarin er gerede twijfel is of de DSA adequaat wordt uitgevoerd of de gestelde zekerheden onvoldoende waarborgen bieden, kan ik uit hoofde van de artikelen 47 en 48 van de Mijnbouwwet toekomende zelfstandige bevoegdheden toepassen om financiële zekerheid van de vergunninghouder te verlangen. Daartoe zal ik besluiten als uit het advies van EBN blijkt dat er volgens de systematiek en het afwegingskader van de DSA geen goede balans is tussen de economische waarde van de bedrijfsmiddelen en de reserves in de onderneming en de financiële middelen waarover deze onderneming kan beschikken om zijn verwijderingsverplichtingen te kunnen nakomen.
De langetermijnverplichting voor het opruimen van de infrastructuur zal onderdeel zijn bij de verkoop van de boedel en dit is ook onderdeel van de toetsingscriteria zoals omschreven in het antwoord op vraag 2.
Is dit een poging van Shell en ExxonMobil om onder hun langetermijnverplichting voor het opruimen van alle oude fossiele infrastructuur uit te komen? Is er een mogelijkheid dat de Nederlandse staat achterblijft met ongesaneerde locaties en onbetaalde rekeningen? Is dit een vorm van faillissementsfraude in wording?
Zoals opgenomen in de artikelen 44 en 45 van de Mijnbouwwet heeft de houder van de winningsvergunning een verplichting ten aanzien van de verwijdering van de infrastructuur. Artikel 47 ziet vervolgens ook toe dat ik kan overgaan tot het stellen van zekerheden om aan de verplichting te kunnen voldoen. Deze verplichtingen uit hoofde van de DSA zijn verbonden aan de desbetreffende vergunning en zullen daarmee overgaan bij een eventuele overdracht. Totdat de overnemende partij afdoende zekerheid heeft gesteld, blijft de overdragende partij aansprakelijk voor zijn zekerheidsstelling als ware er geen overdracht. Zo nodig kan ik in geval van een overdracht ook gebruik maken van mijn bevoegdheid op grond van artikel 20, eerste lid, van de Mijnbouwwet om aan mijn toestemming voor overdracht van een vergunning voorschriften te verbinden of deze onder beperkingen te verlenen. Een voorwaarde kan zijn dat de toestemming voor de overdracht pas effectief is op het moment dat alle rechten en verplichtingen uit het onderhavige stelsel van financiële zekerheden zijn overgegaan op de overnemende partij.
Als de gas- en olievelden en de bijbehorende infrastructuur in handen komt van (kleine) olie-avonturiers die vervolgens failliet gaan, welke mogelijkheden heeft Nederland dan nog om het saneren van de winningslocaties en de langetermijnschade van de winning op Shell en ExxonMobil te verhalen?
De NAM heeft ervoor gekozen om een eventuele verkoop via vier grotere BV’s te laten verlopen en niet per veld. Vanwege de omvang van de portefeuille in iedere BV zullen alleen serieuze partijen zich melden, zo is de verwachting. Zoals gesteld in mijn antwoord op vraag 2 is bij een eventuele overdracht van winningsvergunningen mijn toestemming vereist en zal ik daarbij toetsen op verschillende criteria zoals technische en financiële capaciteiten van de overnemende partij. Daarnaast is er een systeem van financiële zekerheidsstelling dat toeziet op het bieden van voldoende waarborgen dat aan de opruimverplichting kan worden voldaan, ook in het geval van een eventueel faillissement. Zie hiervoor ook de beantwoording op de vragen 6 en 7.
Is het mogelijk om van Shell en ExxonMobil een garantie in de vorm van een fonds beheerd door een derde partij te eisen voor de sanering van de winningslocaties?
Deze garanties zijn reeds gesteld in de vorm van de financiële zekerheidsstelling zoals beschreven in de beantwoording op vragen 6 en 7.
Is het aannemelijk dat de potentiële kopers niet uit zijn op olie- en gaswinning, maar op planschade, speculerend op een verplichte afbouw van gas- en oliewinning in het kader van het klimaatbeleid en het verhogen van de natuurbeschermingseisen naar een redelijk niveau?
Ik heb als Minister de bevoegdheid om toestemming te verlenen of te onthouden op basis van de eerder genoemde aspecten in de beantwoording van vraag 2. Hierbij wordt onder andere getoetst op de manier waarop de overnemende partij de activiteiten wil gaan voortzetten.
Hoe duidt u de uitspraak van Shell dat er «bij Schoonebeek nog voor 30 jaar olie in de grond zit», wetende dat we in 2050 energieneutraal moeten zijn en we het grootste deel van de nu bekende voorraden fossiele energie in de grond moeten laten? Gaat u de potentiële kopers van deze velden actief informeren dat zij niet de gehele (technisch) winbare voorraad zullen kunnen winnen?
Shell zal deze uitspraak hebben gedaan op basis van de door hen bekende berekende olievoorraden. Het ingediende winningsplan uit 2008 spreekt over een verwachte einddatum van de productie in 2040 volgens de destijds geldende inzichten. De energietransitie naar een volledig duurzame energievoorziening zal waarschijnlijk nog geruime tijd in beslag nemen en tot die tijd geeft het Kabinet de voorkeur aan de binnenlandse productie van fossiele brandstoffen, waar dat veilig en verantwoord kan, boven de import hiervan.
Is het niet ook voor potentiële koper eerlijker om voorafgaande aan deze verkoop per locatie een einddatum voor de productie van olie en gas vast te stellen?
Het is niet altijd mogelijk om voor elke locatie precies aan te geven wat de precieze einddatum van productie zal zijn. Hier zijn namelijk verschillende factoren op van invloed zoals de olie- of gasprijs, het winbare volume en de duur van de nog geldende winningsvergunning.
De bevindingen van het Staatstoezicht op de Mijnen |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Stef Blok (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het de bevindingen van het Staatstoezicht op de Mijnen uit het Inspectierapport Nouryon Salt zoutwinning Ganzebosveld?1
Ja, ik ben daarmee bekend.
Hoe kan het dat zes afwijkingen van de winningsplannen niet zijn gemeld aan de toezichthouder?
Er bestaat geen algemene meldingsplicht voor bedrijven bij afwijking van een winningsplan. Alleen onvoorziene voorvallen die nadelige of mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu met zich meebrengen of situaties waarin de veiligheid in gevaar is, dienen zo spoedig mogelijk gemeld te worden. Dat de afwijkingen hier niet gemeld zijn, is gebaseerd op de inschatting van Nobian Salt dat de afwijkingen geen noemenswaardige nadelige gevolgen voor de stabiliteit van de cavernes, en daarmee voor het milieu of veiligheid met zich mee brengen. Nadere analyse van de ontstane overschrijdingen door SodM onderschrijft deze inschatting. De toezichthouder heeft met Nobian Salt afgesproken dat het bedrijf mogelijk toekomstige afwijkingen van het winningsplan zal melden.
Hoe kan het dat een melding uit 2018, dat twee zoutcavernes aan elkaar zijn gegroeid, niet openbaar is gemaakt?
Over het aan elkaar groeien van cavernes en het effect op de stabiliteit daarvan kan het volgende worden opgemerkt. Cavernes worden aangelegd in een rij. De dimensionering van moderne cavernes is zodanig dat als twee cavernes in een rij van cavernes aaneen groeien, de ontstane structuur ook in die situatie nog stabiel is.
De groei van de caverne wordt gestuurd, en conform voorschriften gecontroleerd, via sonarmetingen. SodM houdt hier toezicht op. Als SodM vindt dat er onvoldoende sprake is van een beheerste groei dan kan de toezichthouder handhavend optreden.
Ik neem aan dat u verwijst naar de melding van Nobian aan SodM van 29 oktober 2018. Deze melding betreft de zoutcavernes 533 en 534. Uit een door SodM beoordeelde analyse is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat deze cavernes aan elkaar zijn gegroeid. Er zijn dan ook geen gevolgen voor de stabiliteit van de cavernes en of voor het milieu of de veiligheid. Zodoende was er geen aanleiding om de melding openbaar te maken.
Bent u bereid een evaluatie aan het Staatstoezicht op de Mijnen te vragen van het verscherpte toezicht tot nu toe?
SodM evalueert jaarlijks het verscherpt toezicht op dit bedrijf en publiceert de uitkomsten daarvan op haar website2. Het verscherpt toezicht heeft zich toegespitst op de stabiliteitsrisico’s van de zoutcavernes. Nobian Salt B.V. heeft naar aanleiding van het hierboven genoemde inspectierapport3 haar bedrijfsvoering aangepast. Ik zie dan ook geen aanleiding om aan SodM een additionele evaluatie te vragen.
Hoeveel zoutcavernes in Nederland zijn inmiddels aan elkaar gegroeid?
In de periode voor 1975 was het gebruikelijk om zoutcavernes aan elkaar te laten groeien. Dit was destijds de wijze waarop het zout werd geproduceerd. Na 1975 is men op een andere manier zoutcavernes gaan aanleggen en is in Twente het over grote oppervlakten aaneengroeien van cavernes niet meer voorgekomen.
Bij Hengelo zijn twee actieve cavernes met elkaar in verbinding geraakt. Het betreft caverne 488 en caverne 487. Vermoedelijk is de verbinding ontstaan door het oplossen van een zoutlaag tussen beide cavernes. Uit sonarmetingen is gebleken dat deze cavernes niet over grote oppervlakten aaneen zijn gegroeid. De verbinding is aangetoond via drukmetingen.
In de concessie Barradeel, van Frisia Zout B.V. (nabij Harlingen), is in 2018 een vloeistofverbinding ontstaan tussen twee cavernes. Ook dit was het gevolg van het oplossen van een goed oplosbare zoutlaag tussen de cavernes. In 2019 is de caverne afgesloten en deze zal in de komende maanden worden verlaten. SodM houdt hier toezicht op.
In de concessie Veendam van Nedmag B.V. zijn door de winning van kalium-magnesiumzouten cavernes aan elkaar gegroeid tot één cluster. De toenmalige Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft op 30 april 2021 instemming verleend met het in 2018 ingediende winningsplan. Nedmag B.V. heeft in dit winningsplan aangegeven dat het niet wenselijk is om cavernes te laten samengroeien. Er zijn dan ook voorwaarden opgenomen om het maximale volume van de cavernes te begrenzen.
Welke gevolgen kan het aan elkaar groeien van eerder genoemde zoutcavernes hebben? Welke consequenties heeft het aan elkaar groeien van twee cavernes voor het in de toekomst stabiliseren/vullen van deze caverne(s)?
De toezichthouder geeft in het inspectierapport4 aan dat uit een analyse is gebleken dat het aan elkaar groeien van de hierboven genoemde cavernes geen impact heeft gehad op de stabiliteit van die cavernes en dientengevolge geen impact heeft op de veiligheid van de omgeving en het milieu. Voor deze cavernes is het stabiliseren en vullen niet aan de orde.
Is bekend hoeveel zoutcavernes in Nederland groter zijn dan opgenomen in de winningsplannen? Zo nee, bent u bereid de toezichthouder te vragen daartoe een onderzoek uit te laten voeren?
De groei van alle cavernes wordt gemonitord met behulp van sonarmetingen. Er zijn diverse zoutcavernes die op een bepaalde hoogte van de caverne de maximale diameter uit het winningsplan lokaal overschrijden. Deze situaties zijn bekend en SodM houdt hierop toezicht zoals uit het eerdergenoemde inspectierapport blijkt. SodM voert op dit moment een inventarisatie uit naar cavernes waar dit mogelijk ook zou kunnen spelen. De resultaten van deze inventarisatie worden volgend jaar gepubliceerd.
Wat zijn de vergunningsvereisten bij de nieuwe zoutwinning in Haaksbergen qua omvang van cavernes en pilaardikten?
Nobian Salt heeft vergunningsaanvragen ingediend voor de nieuwe zoutwinning in Haaksbergen. Deze vergunningsaanvragen heb ik in behandeling. Ik kan niet vooruit lopen op de vergunningsvoorwaarden omdat de vergunningsaanvragen nog in procedure zijn en de toetsing nog loopt. Het opnemen van voorschriften voor de omvang van cavernes en pilaardikten is in principe mogelijk binnen het wettelijk toetsingskader, uiteraard alleen als uit de toetsing blijkt dat deze moeten worden opgelegd.
Wat is de voortgang van de afspraken die de toezichthouder gemaakt heeft over het stabiliseren van instabiele zoutcavernes en over het toegankelijk maken van cavernes onder de afvalberg van Twence?2
Met Nobian Salt is de afspraak gemaakt om potentieel instabiele en niet inherent veilige cavernes versneld te stabiliseren. De volgorde van stabiliseren van deze cavernes is gebaseerd op het specifieke risico van die caverne.
Voor het beoordelen van de cavernes onder de afvalverwerker Twence moeten boringen worden verricht om sonarmetingen te kunnen uitvoeren. Deze boringen en sonarmetingen zullen volgens de huidige planning in het eerste kwartaal van 2022 worden uitgevoerd. Na analyse van de sonarmetingen zal over de opvulling van de cavernes en de termijn daarvan worden besloten. SodM ziet hierop toe.
Welk bedrijf is op dit moment eigenaar van de winvergunning in Twente, nu het zoutwinbedrijf dat actief is in Twente in de afgelopen jaren in hoog tempo meerdere keren van eigenaar en naam is gewisseld?
De vergunning houdende entiteit is op 1 oktober 2021 van naam gewijzigd en heet Nobian Salt.
Wanneer er nu schade ontstaat door de zoutwinning in Twente, welk bedrijf is of welke bedrijven zijn dan aansprakelijk? Hoe gaat het ministerie om met bovengenoemde wisselingen van eigenaren?
De (laatste) vergunninghouder is aansprakelijk. In dit geval is dat de entiteit Nouryon Salt B.V. dat sinds 1 oktober 2021 Nobian Salt heet. Op dit moment wordt het verzoek behandeld om de naam op de vergunning te wijzigen naar Nobian Salt. Mijn ministerie toetst of de financiële capaciteit van het bedrijf zodanig is dat aan de mogelijke verplichtingen kan worden voldaan. Zo nodig worden financiële garanties gevraagd. De eigenaars van Nobian Salt zijn The Carlyle Group6 en GIC7.
Moet de afstand tussen cavernes niet groter en de wanddikte dikker zijn om het samen groeien van cavernes te voorkomen? Zijn kleine smalle cavernes niet veiliger dan enkele grote? Hoe verhoudt zich dit tot het winningsplan bij Haaksbergen?
In algemeenheid kan niet gesteld worden dat een groot aantal kleinere cavernes veiliger zijn dan enkele cavernes met een groter volume. Er zijn meerdere factoren die van invloed zijn om te komen tot een veilig ontworpen caverne en caverneveld. Voorbeelden hiervan zijn: lokale zout specifieke parameters, de diepteligging en de boven liggende lagen.
De huidige winningsplannen bevatten veilige marges voor de cavernediameter en de onderlinge afstand. Het aan elkaar groeien van de bovengenoemde cavernes heeft geen invloed gehad op de veiligheid van mens en omgeving8.
In het winningsplan van Haaksbergen verwacht ik van Nobian Salt dat zij rekening zal houden met de nieuwste inzichten, ook ten aanzien van de cavernegrootte. Hierbij zal de volledige levenscyclus van een caverne worden beschouwd. Dit betreft het ontwerp van de caverne, de aanleg daarvan, de pekelproductie, het mogelijke hergebruik voor ondergrondse (energie)opslag en de wijze van verlaten van de caverne na de beëindiging van de winning of (energie)opslag.
Kunt u aangeven waar holle cavernes onder gebouwen en/of infrastructuur zitten?
Ja, dat is bekend. De vergunninghouder deelt jaarlijks een zogenoemde holruimtekaart met de toezichthouder.
De bestaande cavernes in Hengelo en Enschede liggen onder, of direct in de buurt van de zuidgrens van het industrieterrein Twentekanaal-Zuid, onder het industrieterrein Marssteden in Enschede. Er zijn ook cavernes onder het havengebied ten noorden van de N18 en ten oosten van de Auke Vleerstraat. Verder zijn er cavernes aanwezig onder de afvalverwerker Twence en gedeeltelijk onder de A35.
Het artikel ‘Nederlandse overheid moet doen wat ze belooft’ |
|
Tom van der Lee (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), de Th. Bruijn |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse overheid moet doen wat ze belooft»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse overheid op het congres van de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources (IUCN) niet voor de motie over ontbossing in de Amazone heeft gestemd?
Op het congres van de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources (IUCN) werden verschillende moties in stemming gebracht met betrekking tot het voorkomen van ontbossing, waaronder in de Amazone. De Nederlandse overheid heeft zijn steun uitgesproken voor een aantal moties die oproepen tot het stoppen van ontbossing en de bescherming van inheemse volkeren, lokale gemeenschappen en mensenrechtenverdedigers. Het klopt dat Nederland niet voor de motie specifiek over ontbossing in de Amazone heeft gestemd waaraan in het genoemde artikel wordt gerefereerd. Ik verwijs u daarvoor verder naar mijn antwoord op vraag 6.
Onderschrijft u de constatering dat de motie een mooie aanleiding was om uitvoering te geven aan het beleid zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 2020 hierover en recentelijk bevestigd in de gepubliceerde begroting van het Ministerie van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor 2022?2, 3
Ja.
Onderschrijft u de constatering dat, om de doelstelling in 2030 alle mondiale ontbossing te stoppen te halen, de doelstelling om 80% van de Amazone in 2025 te beschermen noodzakelijk is?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan de doelstelling om uiterlijk in 2030 alle mondiale ontbossing te stoppen en zich in Europees verband in te zetten om volledig duurzame en ontbossingsvrije waardeketens te realiseren (Kamerstuk 30 196, nr. 708). De doelstelling om 80% van de Amazone in 2025 te beschermen is één van de mogelijke tussenstappen die noodzakelijk zijn om de doelstelling, uiterlijk in 2030 alle mondiale ontbossing te stoppen, te behalen.
Bent u het met de motie eens dat de inheemse bevolking essentieel is voor een succesvolle bescherming van de Amazone?
Ja, inheemse volkeren vervullen een cruciale rol in de bescherming van de Amazone en andere bosgebieden. De ondersteuning van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen is daarom een belangrijke pijler van het internationale bossenbeleid. Tijdens de klimaattop ondersteunde Nederland in dat kader de Glasgow Leaders Declaration on Forest and Land Use en de Global Forest Finance Pledge, evenals twee sub-pledges over de bescherming van het Congobekken en de ondersteuning van inheemse groepen en lokale gemeenschappen.
Kunt u toelichten waarom dan niet voor de motie gestemd is?
Nederland heeft als stemgerechtigde, evenals verscheidene andere landen, een terughoudend beleid ten aanzien van het stemmen op resoluties vanwege de samenstelling van IUCN waarbij zowel natuurorganisaties als landen vertegenwoordigd zijn. In dat kader is voor aanvang van het IUCN congres bepaald welke moties zouden worden gesteund waaronder een aantal moties die oproepen tot het stoppen van ontbossing. De motie waaraan in het genoemde artikel wordt gerefereerd, was destijds nog niet bekend. Dit heeft er mede toe geleid dat de Nederlandse delegatie niet heeft gestemd voor deze motie. Was deze wel bekend geweest, dan had Nederland voorgestemd, omdat de motie inhoudelijk in lijn is met de Nederlandse doelstelling om uiterlijk in 2030 alle mondiale ontbossing te stoppen. Daarnaast was de inzet van de Nederlandse delegatie en klimaat- en watergezanten in het bijzonder gericht op een inhoudelijke bijdrage aan het programma van het IUCN congres vanwege de lopende onderhandelingen over het Global Biodiversity Framework in de context van de Convention on Biological Diversity.
De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 22 september m.b.t. 7 agrarische bedrijven en één slachterij |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 22 september met betrekking tot 17 agrarische bedrijven en één slachterij?1
Ik ken deze uitspraken.
Kunt u inhoudelijk reageren op het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vernietigde legalisaties van PAS-meldingen?
Rijk en provincies hebben al meerdere keren aangekondigd dat, gegeven het traject van legalisatie, handhavingsverzoeken jegens melders die voldoen aan de criteria worden afgewezen (Kamerstuk 35 334, nrs. 25, 82 en 160). Tegen die besluiten wordt van tijd tot tijd beroep ingesteld door natuurorganisaties en die beroepen zullen in sommige gevallen gegrond worden verklaard, omdat bijvoorbeeld beter moet worden gemotiveerd waarom niet wordt gehandhaafd. Dat was het geval in deze uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, waarin de rechter een besluit van de provincie Utrecht vernietigde, omdat er ten tijde van het besluit nog geen sprake was van het landelijk legalisatieprogramma zoals dat inmiddels is voorgeschreven in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering, zodat er geen sprake was van een concreet zicht op legalisatie. Dit laat zien dat het vaststellen van het legalisatieprogramma belangrijk is. Andere uitspraken bevestigen juist de lijn dat handhaving onevenredig is (ECLI:NL:RBDHA:2021:6327). Ik kan in ieder geval garanderen dat onverminderd hard wordt gewerkt aan het legaliseren van de melders, zodat ze minder risico lopen om te worden geconfronteerd met handhavingsverzoeken.
Kunt u inhoudelijk reageren op de kritiek van de rechtbank op de technische stalmaatregelen?
In de betrokken procedures ging het om het gebruik van Rav-emissiefactoren in het kader van een aanvraag van een Natura 2000-vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming voor de wijziging van een veehouderijbedrijf. De rechter ging – kort gezegd – vanwege onzekerheden ten aanzien van de werkelijke stikstofemissie zonder nadere onderbouwing niet mee in de stelling dat de wijziging in het veehouderijbedrijf ten opzichte van de bestaande situatie (toepassen emissiearme techniek en ontstane emissieruimte opvullen met meer dieren) niet kon leiden tot een toename van de stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig Natura 2000-gebied. Tegen deze uitspraken is hoger beroep ingesteld door de provincie Utrecht, ik ondersteun dit proces.
Zoals aangegeven in antwoord op eerdere vragen van het lid Geurts (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 2773) zijn de emissiefactoren voor ammoniak uit stallen in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) tot stand gekomen op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke meetmethode en beoordeling volgens een procedure die ook internationaal wordt toegepast. Ze zijn in internationale vergelijking goed, zoals is aangegeven in het advies van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof.
Emissiefactoren geven de te verwachten gemiddelde emissie per dierplaats van een staltechniek weer en komen tot stand op basis van beoordeling in praktijkstallen bij goed gebruik van die techniek. De factoren vormen de best beschikbare wetenschappelijke kennis ter zake. Als er duidelijke aanwijzingen zijn dat een emissiefactor onjuist is, wordt nader onderzoek gedaan dat kan leiden tot aanpassing van de emissiefactor. De factoren zijn door de Minister van IenW vastgesteld zodat het bevoegd gezag kan toetsen of een veehouderij voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting. Daarnaast worden de factoren gebruikt voor de toestemmingverlening om de depositie van stalsystemen te berekenen aan de hand van AERIUS.
Als er duidelijke aanwijzingen zijn dat een emissiefactor onjuist is, wordt nader onderzoek gedaan dat kan leiden tot aanpassing van de emissiefactor. Voorts is mijn brief aan uw Kamer van 13 oktober 2020, «Aanbieding en reactie op CDM-advies «Stikstofverliezen uit mest in stallen en mestopslagen'» (Kamerstuk 35 334, nr. 122) een onderzoek aangekondigd naar de effectiviteit van emissiearme stalsystemen in de praktijk. De resultaten daarvan komen naar verwachting in de eerste helft van 2022 beschikbaar. Het trekken van beleidsconclusies op basis van dit onderzoek is aan het nieuwe kabinet.
Ik onderschrijf het belang van een adequate handhaving, voor de goede werking van stalsystemen in de praktijk. In de uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord staan op blz. 57 reeds enkele acties die gericht zijn op verbetering van toezicht en handhaving bij emissiearme stalsystemen.
Kunt u reageren op de ferme kritiek van de rechtbank op regering en wetgever over het uitblijven van een oplossing voor de stikstofproblematiek?
De rechter heeft geoordeeld in acht individuele zaken, maar hier ook enkele overkoepelende bespiegelingen aan toegevoegd. Zo worden kabinet en wetgever opgeroepen om «met goed doordachte generieke maatregelen te komen waar natuurorganisaties, bedrijven, burgers en lokale overheden mee verder kunnen in concrete gevallen».
Ik begrijp en herken de oproep van de rechtbank. Het kabinet heeft belangrijke stappen gezet met de structurele aanpak stikstof en de wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Met deze wet is de structurele aanpak van de stikstofproblematiek verankerd, en zijn wettelijk vastgestelde resultaatsverplichtende doelstellingen voor de reductie van de stikstofbelasting van Natura 2000-gebieden vastgesteld. Ook bevat de Wsn de wettelijke opdracht om een programma met maatregelen vast te stellen om die doelstelling te realiseren, om de natuur in de Natura 2000-gebieden te verbeteren en wettelijke regels over monitoring en bijsturing. In de komende jaren zal dit programma met (bron)maatregelen moeten worden uitgevoerd en er moeten aanvullende maatregelen vastgesteld worden om de omgevingswaarden voor de langere termijn te waarborgen. Bij alle maatregelen staat de invloed op de gunstige staat van instandhouding centraal en daarvan afgeleid de robuustheid van toestemmingsverlening.
De voortgang van evacuaties uit Afghanistan |
|
Tom van der Lee (GL), Corinne Ellemeet (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Ank Bijleveld (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Welke mogelijkheid hebben mensen die onder de motie-Belhaj c.s. (Kamerstuk 27 925, nr. 788) vallen om contact op te nemen met de Nederlandse overheid, nu u heeft besloten om per 17 september het hiervoor ingerichte mailadres te sluiten?
Het kabinet blijft zich actief inspannen om ook de komende periode mensen die daarvoor in aanmerking komen uit Afghanistan of via de buurlanden naar Nederland over te brengen. Daarbij gaat het in eerste instantie om Nederlanders, personen die als tolk of in een andere functie hoog profiel werkzaamheden voor Nederland in een internationale militaire of politiemissie hebben uitgevoerd, en personen die al opgeroepen waren voor vertrek, maar niet meer tijdig konden uitreizen voordat het vliegveld van Kaboel sloot. Met personen uit deze groepen wordt frequent contact onderhouden indien hun contactgegevens bekend zijn.
Het kabinet wil daarnaast een speciale voorziening treffen voor twee bijzondere groepen om overkomst naar Nederland te faciliteren. Het gaat hierbij om medewerkers (en hun kerngezinnen) van een ten laste van de BZ/BHOS-begroting gefinancierd project op het gebied van sociale vooruitgang, vrede en veiligheid of duurzame ontwikkeling. Voor Defensie en JenV gaat het daarnaast om personen (en hun kerngezin) die in de afgelopen twintig jaar hebben gewerkt voor Defensie of EUPOL in Afghanistan in een voor het publiek zichtbare functie. De criteria en werkwijze voor deze groepen vindt u in de brief die de Kamer op 11 oktober toegekomen is.
Nu de acute evacuatiefase voorbij is, is het e-mailadres kabul@minbuza.nl gesloten. Alle personen die een bericht hebben gestuurd naar kabul@minbuza.nl zullen hierover per e-mail worden geïnformeerd. De gestuurde berichten zijn opgenomen in een database. Conform de motie-Belhaj c.s. worden de doelgroepen als beschreven in de motie aangemerkt als risicogroep binnen het Nederlands asielbeleid. Momenteel wordt de Vreemdelingencirculaire hierop aangepast. Bij een eventuele asielaanvraag in Nederland kan de IND op verzoek en met toestemming van de aanvrager toegang krijgen tot relevante informatie in die database.
Welke inspanningen verricht u de komende dagen en weken om alsnog mensen uit Afghanistan te evacueren?
Het kabinet blijft zich – zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 – actief inspannen om ook de komende periode mensen die daarvoor in aanmerking komen uit Afghanistan of via de buurlanden naar Nederland over te brengen. Het kabinet onderzoekt alle mogelijke opties om veilige uitreis van deze mensen onder de huidige complexe omstandigheden mogelijk te maken. Anders dan tijdens de evacuatiefase gaat dat in kleine groepjes en wanneer de gelegenheid zich voordoet, zoals via Doha met Nederlandse paspoorthouders uit Kaboel en vanuit andere plekken zoals Islamabad als mensen daar de ambassade benaderen voor hulp. Nederland staat hiervoor in nauw contact met landen in de regio. Ook wordt nauw samengewerkt met Europese en andere landen die zich eveneens sterk maken voor safe passage van hun burgers en ingezetenen en van Afghanen die voor hen hebben gewerkt en voor dezelfde uitdagingen staan als Nederland.
Wat verwacht u dat de VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) met aan deze organisaties doorgestuurde mails van Afghanen in nood precies kunnen doen?
Er zijn geen mails doorgestuurd naar deze organisaties. Wel heeft het kabinet, zoals in de Kamerbrief van 11 oktober 2021 uiteengezet de afgelopen weken meerdere gesprekken gevoerd met UNHCR en IOM om te bezien op welke wijze zij Nederland kunnen bijstaan bij het in veiligheid brengen van de mensen voor wie is vastgesteld dat zij in aanmerking komen voor overkomst naar Nederland. Voor nadere informatie hierover verwijst het kabinet u naar de brief die de Kamer op 11 oktober toegekomen is.
Is er aanleiding om te denken dat de Taliban in de nabije toekomst Afghanen zonder buitenlands paspoort uit zullen laten reizen?
Het belang van een veilige doorgang voor kwetsbare Afghanen blijft hoog op de agenda staan in internationale overleggen. Nederland staat hierover in nauw contact met gelijkgezinde landen om informatie en ervaringen te delen alsook te kijken of er onder de huidige complexe omstandigheden nog mogelijkheden zijn om veilige doorgang te bevorderen. Daar hoort ook bij dat het kabinet bereid is operationele contacten met de Taliban aan te gaan over veilige doorgang. Dergelijk contact betekent niet dat Nederland het Taliban bewind erkent als legitieme vertegenwoordiger van de bevolking van Afghanistan
Het beeld van de situatie in Afghanistan is diffuus. Van partnerlanden en -organisaties ontvangt het kabinet berichten dat Afghanen met een Afghaans reisdocument op dit moment in sommige gevallen wordt toegestaan het land te verlaten. Tegelijkertijd zijn er berichten dat er obstakels worden opgeworpen door de Taliban en dat het vertrek van mensen verhinderd wordt. Het is moeilijk te zeggen welke groepen wel hinder ondervinden en welke groepen niet.
Heeft u een beeld van de acties van de Taliban tegen de in de motie-Belhaj c.s. aangewezen groepen? Welke trends zijn waar te nemen?
Het is moeilijk een eenduidig beeld te krijgen van de situatie in Afghanistan en het handelen van de Taliban. Zoals in de Kamerbrief van 14 september jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 808) gesteld, is vanwege de sluiting van de Nederlandse ambassade in Kaboel en het droogvallen van informatienetwerken verminderd zicht op de situatie ter plaatse. De veiligheidssituatie in Afghanistan is in het algemeen onzeker. Daarbij baart de mensenrechtensituatie en vooral de positie van vrouwen en meisjes in Afghanistan ons zorgen. Nederland staat in nauw contact met gelijkgezinde landen en met landen in de regio die presentie in Kaboel hebben om zicht te krijgen op de situatie. Daarnaast onderzoekt het kabinet, samen met andere landen, de mogelijkheden voor presentie ter plekke. Voor eventuele toekomstige aanwezigheid in Kaboel geldt dat die afhankelijk is van de veiligheidssituatie en niet mag worden gezien als een erkenning van de Taliban als legitieme vertegenwoordiger van het Afghaanse volk.
Zijn de UNHCR, de IOM, of andere organisaties in staat om vervolgde Afghanen in relatieve veiligheid naar een buurland te begeleiden?
UNHCR en IOM kunnen alleen in Afghanistan opereren met toestemming van de Taliban. Zoals ook eerder aan de Kamer gemeld, staat de Taliban op dit moment slechts mondjesmaat toe dat personen met louter de Afghaanse nationaliteit Afghanistan verlaten. Daar komt bij dat UNHCR is gehouden aan het mandaat dat in principe alleen ziet op vluchtelingen, die zich dan per definitie buiten hun herkomstland bevinden.
Zijn er zover u weet inmiddels mensen die onder de motie-Belhaj c.s. vallen die een buurland van Afghanistan hebben bereikt? Zo ja, welke stappen onderneemt u om deze mensen naar Nederland te halen?
Er zijn circa 120 mensen die onder de motie-Belhaj vallen, die allen al opgeroepen waren voor vertrek, maar niet meer tijdig konden uitreizen voordat het vliegveld van Kaboel sloot. Van deze groep zijn enkele tientallen mensen al naar Nederland overgebracht. 42 mensen bevinden zich op dit moment reeds buiten Afghanistan, het merendeel (33) in Pakistan. Zij zijn in transit naar opvang in Nederland. Circa vijftig personen uit deze groep zijn nog in Afghanistan. Met deze personen wordt voor zover mogelijk frequent contact onderhouden. De ambassade in Islamabad en het Ministerie van Buitenlandse Zaken begeleiden deze mensen bij hun overkomst naar Nederland met zo nodig de afgifte van een noodreisdocument en een machtiging voor voorlopig verblijf (MVV).
Heeft u inmiddels, in lijn met de opdracht van de Kamer zoals vastgelegd in de motie-Bromet c.s. (Kamerstuk 27 925, nr. 792), samen met andere NAVO-landen afspraken gemaakt over de hervestiging van lokaal ingehuurd personeel en andere vluchtelingen uit de buurlanden van Afghanistan? Zo nee, waarom niet?
Zoals aan uw Kamer gemeld in de brief van 14 september jl. kunnen Afghaanse oud-werknemers en lokale dienstverleners van de NAVO en hun gezinsleden op vrijwillige basis hervestiging krijgen in NAVO-landen. Het lokale personeel dat geëvacueerd is en waar nog geen hervestiging voor geregeld is wordt opgevangen in tijdelijke opvanglocaties in Kosovo en Polen. Het kabinet is van mening dat ook Nederland zijn aandeel moet nemen en zal 42 lokale NAVO-medewerkers opnemen die momenteel worden opgevangen in Polen en Kosovo.
Voorts is het kabinet in nauw overleg met gelijkgezinde landen, zo ook de NAVO-landen, over de internationale inspanningen die nodig zijn om de landen in de regio te ondersteunen in de huidige situatie. Zo heeft Nederland 3,5 miljoen euro beschikbaar gesteld voor het Regional Refugee Preparedness Plan and Response Plan van UNHCR. Ten slotte heeft het kabinet – op verzoek van UNHCR – toegezegd zich flexibel op te willen stellen wat betreft urgente hervestigingsverzoeken voor individuele Afghanen die vanwege hun werk of achtergrond niet veilig zijn in buurlanden. Het gaat dan zowel om mensen die nieuw aankomen uit Afghanistan als om vluchtelingen die al in buurlanden verblijven.
Heeft u inmiddels scherp hoeveel van de tienduizenden mails die naar uw zeggen zijn binnengekomen op het mailadres kabul@minbuza.nl unieke gevallen betrof die vallen onder de motie-Belhaj c.s.? Zo ja, hoeveel unieke gevallen betrof dit? Zo nee, op welke termijn acht u uzelf in staat hier duidelijkheid over te scheppen?
Ongeveer 35.000 van de e-mails die zijn ontvangen op het e-mailadres kabul@minbuza.nl bleken na eerste lezing betrekking te hebben op de motie-Belhaj c.s. Teruggebracht naar unieke e-mailadressen gaat het om circa 20.000 adressen. Veel e-mails hebben betrekking op meerdere personen, vaak gaat het om gezinnen. De informatie in de e-mails is in veel gevallen dermate onvolledig dat het onmogelijk is het hulpverzoek op zijn merites te beoordelen of zelfs maar de identiteit van de afzender vast te stellen.
Waarom was het niet mogelijk om in samenspraak met in Afghanistan actieve Nederlandse NGO’s tot een limitatieve lijst te komen van aan hen verbonden Afghaanse mensenrechtenactivisten, journalisten en fixers?
In de evacuatiefase is nauw contact onderhouden met Nederlandse NGO’s die lijsten overlegden van medewerkers en contacten die met prioriteit geëvacueerd dienden te worden. Als gevolg daarvan zijn onder hoge tijdsdruk onder anderen circa veertig mensenrechtenverdedigers (onder wie enkele vrouwenrechtenverdedigers), circa 125 NGO-medewerkers en circa negentig personen die met Nederlandse media hadden gewerkt, geëvacueerd, zoals bericht in de Kamerbrief van 14 september (Kamerstuk 27 925, nr. 808). Voor de verdere samenwerking met hulporganisaties voor wat betreft de speciale regeling om overkomst naar Nederland te faciliteren voor een aantal bijzondere groepen verwijzen wij u naar de Kamerbrief die 11 oktober de Kamer toegegaan is.
Kunt u deze vragen, gelet op de acute nood van door de Taliban vervolgde Afghanen, zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja
Studentenhuisvesting |
|
Lisa Westerveld (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Horrorscenario wordt werkelijkheid: «Buitenlandse studenten slapen in bushokjes»»?1
Ja.
Bent u het met GroenLinks eens dat het onacceptabel is dat internationale studenten noodgedwongen in bushokjes de nacht moeten doorbrengen, omdat er onvoldoende studentenwoningen beschikbaar zijn?
Iedereen in Nederland heeft recht op een dak boven het hoofd. Ook internationale studenten. Situaties waarin zij geen onderdak hebben moeten inderdaad voorkomen worden. Ik vind het daarom belangrijk dat studiesteden noodopvang regelen, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. Wat betreft het genoemde voorbeeld in het bericht heeft de gemeente Groningen laten weten dat de georganiseerde piekopvang wel druk was, maar nog niet helemaal uitgeput.
Bent u in contact met initiatieven zoalsShelter Our Students om hen (financieel) te ondersteunen in hun werk? Zo nee, waarom niet?
Het is een lokale verantwoordelijkheid om te zorgen voor voldoende huisvesting. Nagenoeg alle studiesteden houden rekening met een piekvraag in september en nemen maatregelen om dit op te vangen. Zo wordt in Groningen tijdelijke opvang voor 150 bedden gerealiseerd, worden in Maastricht hotels en hostels benaderd voor extra plekken en plaatst Tilburg aankomende periode 150 tijdelijke woningen. Ook bieden enkele universiteiten ondersteuning aan internationale studenten om huisvesting te vinden.
Bent u in gesprek met hoteleigenaren en hostels om voor deze kwetsbare groep tijdelijk, urgente opvang te regelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de gemeente Groningen 25 euro per nacht vraagt voor de noodopvang? Zo ja, is het mogelijk om de kosten voor deze opvang tijdelijk op te schorten? Kunt u de gemeente hierin tegemoetkomen? Zo nee, waarom niet?
De prijzen voor piekopvang is een lokale aangelegenheid. Er worden verschillende prijzen gehanteerd, een kamer voor twee personen kost een student € 11,50 en op een grote slaapzaal is de eigen bijdrage € 6. De werkelijke kosten voor de gemeente en onderwijsinstellingen voor een bed liggen op € 20, dat wordt slechts deels goedgemaakt door de eigen bijdrage van studenten.
Er wordt actief opgeroepen om studenten (tijdelijk) in huis te nemen; is het mogelijk om een uitzondering te maken zodat huurders en mensen met een uitkering niet in problemen te komen met bijvoorbeeld huursubsidie of de kostendelersnorm?
Voor wat betreft de kostendelersnorm tellen niet alle huisgenoten hiervoor mee. Studenten die een opleiding volgen die recht kan geven op studiefinanciering of tegemoetkoming studiekosten (WTOS) en studenten die een Beroeps Begeleidende Leerweg volgen (BBL-studenten) zijn uitgezonderd. Ook tellen kamerhuurders bij een schriftelijke huurovereenkomst en tegen een commerciële prijs niet mee als kostendeler. De huuropbrengst heeft voor de verhuurder met een bijstandsuitkering gevolgen voor de hoogte van de uitkeringsnorm.
Voor de huurtoeslag wordt studiefinanciering niet meegeteld als inkomen en heeft dit dus geen effect op de hoogte van de toeslag. Als de inwonende student echter daarnaast nog een inkomen heeft kan dit wel meetellen. Het is in dat geval ook niet onlogisch dat de student bijdraagt aan de woonlasten. Dat kan op twee manieren. Voor tijdelijke situaties kan de huurtoeslagontvanger zelf afspraken maken met de student over een bijdrage in de huurlasten om te zorgen dat ze er financieel niet op achteruit gaan. Als de huurtoeslagontvangers structureel een student in huis wil nemen is het mogelijk om een kamer te onderverhuren. Dit moet dan officieel worden vastgelegd in een huurovereenkomst en de onderhuurder moet op het adres worden ingeschreven. Zodra de onderhuurder op het adres inschreven staat, moet de onderhuur telefonisch aan de Belastingdienst worden doorgegeven. Die bepaalt dan aan de hand van de huurovereenkomst en bankafschriften waaruit blijkt dat er huur wordt betaald of er sprake is van onderhuur. De inwonende student en diens inkomen tellen dan niet meer mee in de huurtoeslagberekening. De betaalde huur heeft meestal geen gevolg voor de aangifte inkomstenbelasting (kamerverhuurvrijstelling).
Vindt u het, tegen deze achtergrond, nog verantwoord om te stellen dat het aan een volgend kabinet is om de inzet inzake studentenhuisvesting te versterken?2 Wat hebben studenten die op dit moment geen huisvesting hebben aan dit voornemen?
De afgelopen jaren hebben we stappen gezet met het actieplan en met de regeling voor aandachtsgroepen. Zoals ik in de brief aan uw kamer hierover aangeef leken we vorig jaar het tekort voorzichtig in te lopen. Het beeld van dit jaar met de nieuwe ramingen is echter anders. Het is duidelijk dat er meer nodig is. Zoals ik in het Commissiedebat van 16 september jl. heb aangegeven blijf ik niet stil blijf zitten in afwachting van een nieuw kabinet maar ga ik met alle stakeholders op dit terrein in het Landelijk Platform Studentenhuisvesting spreken over een actualisatie van het Actieplan. Het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting is een gezamenlijk actieplan van het Ministerie van BZK, het Ministerie van OCW, studentenhuisvesters, onderwijsinstellingen, gemeenten en studenten. Tegelijkertijd zullen de huidige middelen vanuit het Rijk niet voldoende zijn, voor meer structurele oplossingen is dan ook een nieuw kabinet aan zet.
Wat heeft u sinds uw aantreden per studiejaar ondernomen om het tekort aan studentenwoningen op te lossen? Kunt u daarbij ook aangeven welke doelen u heeft gesteld en of deze doelen behaald zijn?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe worden internationale studenten geïnformeerd over de huisvestingssituatie in de stad waarin ze gaan studeren? Zijn onderwijsinstellingen verplicht aankomende internationale studenten te informeren over de woningnood onder studenten? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten, woningcorporaties en hoger onderwijsinstellingen verzorgen de informatievoorziening over studentenhuisvesting. De onderwijsinstellingen verwijzen hier vaak naar op hun websites. Dit is ook in lijn met het Actieplan Studentenhuisvesting 2018–2021. Ook bieden enkele universiteiten ondersteuning aan internationale studenten om huisvesting te vinden. Sommige instellingen geven aan dat zij internationale studenten waarschuwen om pas af te reizen zodra hun huisvesting geregeld is. Voorkomen moet worden dat er studenten hierheen gehaald worden, waar geen plaats voor is.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overlegt zeer geregeld met de verenigingen van universiteiten en hogescholen (VSNU en VH) over de verwachte instroom aan internationale studenten. Ook is met universiteiten gesproken over de voorlichtings- en wervingsactiviteiten voor internationale studenten: in de meeste gevallen is die voorlichting erop gericht om te waarschuwen voor grenzen aan de capaciteit, zowel bij de studie als voor wat betreft huisvesting. Desondanks komen internationale studenten toch naar Nederland. Hoger onderwijsinstellingen werken, zoals afgesproken in het Actieplan Studentenhuisvesting 2018–2021, reeds enkele jaren nauw samen met gemeenten en woningcorporaties rondom studentenhuisvesting, ook voor het huisvesten van internationale studenten.
Kunt u deze vragen binnen vijf dagen beantwoorden gezien de urgentie van de situatie? Zo nee, waarom niet?
Dit is helaas niet gelukt. Het is vooral een lokale verantwoordelijkheid om noodsituaties te voorkomen, daarover vindt contact plaats.