Het bericht ‘Als de politie alle Amsterdamse taxi’s aan de kant zet, dan heb je de grootste drugsvangst ooit’ |
|
Derk Boswijk (CDA), Harmen Krul (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Als de politie alle Amsterdamse taxi’s aan de kant zet, dan heb je de grootste drugsvangst ooit»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de Amsterdamse politie nauwelijks zicht heeft op wat voor criminele praktijken er soms in de taxiwereld plaatsvinden?
De stelling dat de Amsterdamse politie nauwelijks zicht heeft op criminele praktijken in de taxiwereld is onjuist. De politie is bekend met de signalen over betrokkenheid van (Amsterdamse) taxichauffeurs bij de activiteiten van georganiseerde drugscriminaliteit. Om meer zicht te krijgen op de criminele activiteiten worden er, naast diverse controles (zie antwoord op vraag 5), in Amsterdam diverse rechercheonderzoeken uitgevoerd naar malafide taxibedrijven waarbij vervoer en/of een andere faciliterende rol bij de handel in verdovende middelen een rol speelt. In het verlengde van de aanpak door de politie heeft de gemeente Amsterdam afspraken gemaakt over de kwaliteit van taxivervoer middels Toegelaten Taxi Ondernemingen. Door de samenwerking, kwaliteitseisen en toezicht is de criminaliteit binnen deze ondernemingen sterk verminderd.
Deelt u de mening dat het op zijn minst zorgwekkend is dat taxi’s kunnen dienen als dekmantel voor misdaad, en dat dit ook een aantasting is op de veiligheid van de passagiers en andere betrokkenen?
Georganiseerde criminaliteit komt op veel plekken in onze samenleving voor, zo ook in de taxibranche. Het is niet nieuw dat criminele netwerken voortdurend naar manier blijven zoeken om hun activiteiten voort te blijven zetten. Dat is zeer zorgwekkend en vormt, in het algemeen, inderdaad een dreiging voor de veiligheid van burgers.
Wat is volgens u de reden dat de taxiwereld nu gevaarlijker en crimineler is dan 25 jaar geleden?
Bureau Beke deed in 2021 een onderzoek naar criminaliteit in de taxibranche op verzoek van Regionale Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) Amsterdam Amstelland. Uit dit onderzoek bleek dat de taxibranche een kwetsbare branche is die vatbaar is voor criminaliteit en interessant is voor criminelen. Het is belangrijk om daarbij te vermelden dat het (on)bewuste aandeel van taxichauffeurs betrokken bij georganiseerde drugscriminaliteit destijds hoogstwaarschijnlijk relatief klein was. Hoe deze cijfers zich echter concreet verhouden tot de situatie van 25 jaar geleden, is lastig in te schatten. Daarom kunnen er geen gegronde uitspraken worden gedaan over of de taxiwereld crimineler zou zijn dan 25 jaar geleden.
Hoe vaak worden taxi-auto’s door de politie gecontroleerd op verboden middelen en verboden (drugs)handel?
Dagelijks worden door Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte, een afdeling van de gemeente Amsterdam, en de politie gerichte en aselectieve controles uitgevoerd bij taxi’s. Maandelijks voert de politie samen met de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de gemeente Amsterdam een integrale controle uit op het taxivervoer. Minimaal vier keer per jaar worden er grootschalige controles uitgevoerd met als thema «Drugs uit taxi» waarbij zowel op vervoer als op gebruik door de taxichauffeur wordt gecontroleerd en eenmaal per kwartaal wordt een grootscheepse taxicontrole georganiseerd binnen de Eenheid Amsterdam.
Wat zijn precies de eisen om aan een taxivergunning te kunnen komen en hoeveel mensen komen hier jaarlijks voor in aanmerking? Wordt hierbij ook gekeken naar een eventueel strafblad?
Om als taxichauffeur te mogen werken, is een chauffeurskaart nodig. De eisen hiervoor zijn:
Taxichauffeurs mogen enkel werken in een als taxi goedgekeurd en geregistreerd voertuig met een boordcomputer en een blauw kenteken. Om als taxichauffeur te mogen werken, moet degene tevens aangesloten zijn bij een taxiondernemer met een ondernemersvergunning.
Bij het aanvragen van een VOG wordt onder andere gekeken naar een eventueel strafblad. Het afgelopen jaar kwamen rond de 3.500 personen in aanmerking voor een chauffeurskaart. In totaal zijn er op dit moment ruim 58 duizend personen met een chauffeurskaart.
Voor taxichauffeurs geldt dat zij doorlopend gescreend worden door Dienst Justis. Dit houdt in dat elke verandering in de justitiële documentatie van chauffeurs wordt doorgegeven aan Dienst Justis. Indien blijkt dat een chauffeur een overtreding heeft begaan die leidt tot het oordeel dat hij of zij niet langer in aanmerking komt voor een VOG, dan geeft Dienst Justis dit door aan de ILT. De ILT verzoekt de chauffeur dan een nieuwe VOG aan te leveren. Als een chauffeur dat niet doet, wordt de chauffeurskaart ingetrokken. De ILT kan chauffeurs ook verzoeken een nieuwe VOG aan te leveren naar aanleiding van een proces-verbaal door de politie.
Voor een ondernemersvergunning taxi gelden de volgende eisen:
Iedere vijf jaar wordt gecontroleerd of een taxiondernemer nog aan de geldende eisen voldoet. Er zijn momenteel ruim 14 duizend taxiondernemingen.
Hoeveel taxichauffeurs verliezen er jaarlijks hun vergunning door illegale praktijken, zoals het fungeren als drugskoeriers of meewerken aan drugshandel?
In 2023 zijn er 182 chauffeurskaarten ingetrokken. Dit is voor feiten als rijden onder invloed (alcohol of drugs), ernstige snelheidsovertredingen, het veroorzaken van een (dodelijk) ongeval of handel in drugs.
Welke maatregelen gaat u nemen om misstanden in de taxibranche als het gaat om criminaliteit zo snel en effectief mogelijk in de kiem te smoren?
In 2022 heeft mijn voorganger in de beantwoording van Kamervragen die Kamerlid Kathmann (GroenLinks-PvdA) had gesteld, mede namens de toenmalige Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat benadrukt dat wordt ingezet op het voorkomen van de georganiseerde drugscriminaliteit in deze branche en welke maatregelen verder getroffen worden om de weerbaarheid van deze sector te vergroten.2
In overleg met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Regionale Informatie en Expertise Centrum Amsterdam-Amstelland zijn en worden gesprekken gevoerd over de mogelijkheden voor maatregelen toegespitst op de Amsterdamse problematiek.
Daarnaast zal ik met betrokken partners bezien in hoeverre deze branche mee kan als één van de geprioriteerde branches in een aanstaand project van Platform Veilig Ondernemen-Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland aangaande het weerbaar maken van branches. Dat project wordt momenteel nog opgezet en een selectie van branches moet nog worden gemaakt. Medewerking vanuit de branche, in dit geval de taxibranche, is daarvoor een vereiste. Dat moet nog worden verkend.
Bent u bereid om te onderzoeken of naast Amsterdam ook op andere plekken sprake is van criminaliteit in de taxisector?
De problematiek per regio heeft onze continue aandacht. Hierbij worden de behorende maatregelen getroffen. Daarom is er op dit moment geen aanleiding om een breed onderzoek te starten in andere steden.
Welke maatregelen heeft u genomen sinds het opzienbarende onderzoek «Taxi! Malafide activiteiten en (ondermijnende) criminaliteit in de Amsterdamse taxibranche» uit 2021?
Zie antwoord op vraag 8.
Kunt u reflecteren op de vraag hoe de genoemde criminaliteit samenhangt met de invoering en het functioneren met de Wet personenvervoer 2000?
Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de in het artikel genoemde criminaliteit samenhangt met de inwerkingtreding of het functioneren van de taxiwet- en regelgeving in de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000).
Met de inwerkingtreding van de Wp2000 is de taximarkt geliberaliseerd. Concreet betekent dit dat het decentrale capaciteitsbeleid is afgeschaft, wat inhoudt dat het aantal taxivergunningen per vervoersgebied niet langer is beperkt. De tweede verandering is dat ondernemers met de inwerkingtreding de mogelijkheid hebben gekregen om hun tarieven naar eigen inzicht vast te stellen. Op de opstapmarkt moeten deze wel onder het landelijk vastgesteld maximum blijven. Met de inwerkingtreding van de Wp2000 zijn dus het capaciteits- en tarievenbeleid gedereguleerd; de eisen om als taxichauffeur te mogen werken zijn met de inwerkingtreding van de Wp2000 niet versoepeld.
Het functioneren van de taxiwet- en regelgeving in de Wp2000 is afgelopen jaar geëvalueerd, over de uitkomsten is uw Kamer 11 maart jl. geïnformeerd.3 In de evaluatie wordt geconcludeerd dat de taxiwet- en regelgeving in de Wp2000 over het algemeen naar behoren werkt en dat het taxivervoer in Nederland over het algemeen veilig, betrouwbaar, beschikbaar, en betaalbaar is. Wel constateren de onderzoekers dat de effectiviteit van de reguleringsopties die gemeenten binnen de Wp2000 hebben door het toenemende gebruik van de platforms daalt en zijn er knelpunten in de handhaving (zie antwoord 12).
Zou u willen inventariseren welke wijzigingen van de Wet personenvervoer 2000 er mogelijk zijn om de in het nieuwsartikel genoemde ontwikkelingen tegen te gaan?
De Wp2000 is bedoeld om de kwaliteit van het taxivervoer in Nederland te borgen. Het tegengaan van criminaliteit in de sector vraagt dan ook een andere aanpak dan het wijzigen van de Wp2000 (zie het antwoord op vraag 8).
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat verkent daarnaast de aankomende tijd aan de hand van het evaluatierapport verschillende beleidsopties om de kwaliteit van het taxivervoer verder te verbeteren, eventueel via een wijziging van de Wp2000. Hierbij worden naast het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ook de Ministeries van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betrokken. Samen met de ILT en andere handhavingspartijen wordt verkend hoe de handhaving verbeterd kan worden.
Het bericht ‘Universiteit: anderhalf miljoen euro schade na studentenprotesten’ |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Universiteit: anderhalf miljoen euro schade na studentenprotesten»?1
Voor een antwoord hierop verwijs ik u naar bijlage 2 van het Eerste Halfjaarbericht politie 2023, waarin ik inga op deze motie.9 In aanvulling hierop merk ik op dat ik samen met de Minister van Binnenlandse Zaken recent aankondigde de mogelijkheden voor een versteviging van het handelingsperspectief en voor de bestendigheid van het wettelijke kader bij protestacties te laten onderzoeken.10
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat relschoppers tijdens deze demonstraties vernielingenaanrichten, schade veroorzaken en geweld gebruiken tegen hulpverleners?
Die mening deel ik zeker. De protestacties gingen gepaard met volstrekt onacceptabel en strafbaar gedrag. Demonstraties dienen vreedzaam te zijn en te verlopen conform de geldende wet- en regelgeving. Daar was zeker niet op elk moment sprake van.
Wat is de totale omvang van de schade aan de verschillende universiteitsgebouwen die de afgelopen tijd te maken hebben gehad met rellen en demonstraties?
De schade van de protesten verschilt per universiteit. De Universiteit van Amsterdam heeft op haar website laten weten dat het schadebedrag van de protesten op 7 en 8 mei wordt geschat op anderhalf miljoen euro.2 Hierbij is de latere ontstane schade op een andere locatie van de Universiteit van Amsterdam nog niet meegerekend. De Erasmus Universiteit schat dat de kosten voor de vernielingen boven de 100.000 euro uitkomen.3 De Universiteit Utrecht geeft op haar website aan dat de schade door de bezittingen beperkt is gebleven.4 De koepelorganisatie van Universiteiten heeft mij laten weten dat de totale omvang van de schade op alle universiteiten op dit moment nog niet in te schatten is, omdat deze uiteen valt in verschillende elementen. Zo zijn er vanwege het bekladden of het vernielen van inboedel (personeels)kosten gemaakt voor bijvoorbeeld het weghalen van verf of het herstellen van sloten.
Hoeveel demonstranten zijn er aangehouden door de politie naar aanleiding van de rellen bij de universiteitenen hoeveel van de aangehouden demonstranten worden of zijn door het Openbaar Ministerie vervolgd?
Het is niet mogelijk om betrouwbare landelijke cijfers te geven van het aantal aangehouden of vervolgde personen naar aanleiding van de rellen bij de universiteiten. Bij de politie en het OM wordt geregistreerd op delict, zoals brandstichting, mishandeling, vernieling, bedreiging, huisvredebreuk en niet op een label zoals universiteitsprotest. De gedragingen bij de universiteiten kunnen vanwege verschillende omstandigheden van het geval onder verschillende delictsomschrijvingen worden geregistreerd. Hierdoor kunnen de politie en het OM niet geautomatiseerd en nauwkeurig de gevraagde landelijke aantallen aanleveren.
Er zijn wel cijfers beschikbaar over het aantal aangehouden en vervolgde personen naar aanleiding van de studentenprotesten in Amsterdam. De burgemeester van Amsterdam heeft bij brief van 10 mei 2024 namens de driehoek de gemeenteraad van Amsterdam geïnformeerd over onder andere het aantal aanhoudingen door de politie: op 6 mei zijn er 164 personen aangehouden en op 7 en 8 mei zijn er 36 mensen aangehouden.5 Het OM heeft mij op 3 juni 2024 laten weten dat er op dat moment in totaal 22 verdachten waren voorgeleid bij de rechter-commissaris en dat er nog onderzoeken liepen naar aanleiding van de gebeurtenissen tijdens deze demonstraties.
Is het snelrecht ingezet bij relschoppers die de wet hebben overtreden tijdens de demonstraties en zo ja, in hoeveel gevallen?
Het OM heeft mij laten weten dat het waar mogelijk overweegt om snelrecht in te zetten in zaken die voortkomen uit de protesten bij universiteiten. In een aantal van deze zaken heeft het OM reeds snelrecht ingezet. Het inzetten van snelrecht is in dit type zaken niet altijd mogelijk. In het geval van snelrecht komt een verdachte binnen 17 dagen voor de rechter voor een vergrijp. In sommige van de zaken die voortkomen uit de protesten bij universiteit neemt aanvullend onderzoek door de politie of onderbouwing van een vordering tot schadevergoeding door een slachtoffer meer tijd in beslag.
Klopt het dat van verschillende verwijderde demonstranten geen gegevens zijn genoteerd door de politie en zo ja, waarom niet?
Het klopt dat niet altijd van alle verwijderde demonstranten gegevens kunnen worden genoteerd. Het noteren van gegevens kost tijd en capaciteit en het lokale gezag kan de keuze maken om – bijvoorbeeld in gevallen waarin sprake is van relatief minder zware feiten – de capaciteit anders in te zetten.
Op welke manier(en) kan de schade worden verhaald op individuele relschoppers, zodat de universiteiten er niet zelf voor op te hoeven draaien?
Schade kan op verschillende manieren worden verhaald. In de eerste plaats kan mogelijk een beroep worden gedaan op verzekeraars indien de betreffende universiteiten een polis hebben afgesloten. Verzekeraars kunnen vervolgens een civiele procedure starten om zo te proberen het door hen uitgekeerde bedrag te verhalen op de dader via het zogenaamde regresrecht.
Een vordering tot schadevergoeding kan ook tussen veroorzaker en gedupeerde onderling worden afgehandeld. Een civielrechtelijke procedure kan worden gestart als partijen er onderling niet uitkomen. Als de dader strafrechtelijk wordt vervolgd, kan een benadeelde partij zich met zijn schade voegen in het strafproces. De strafrechter beslist dan over de ingediende schadevordering.
Voorwaarde voor het verhalen van schade is in alle gevallen dat duidelijk is wie welke schade heeft aangebracht.
Kunnen deze personen hoofdelijk aansprakelijk gesteld worden via een civielrechtelijke procedure, zodat zij zelf de schade moeten vergoeden?
Als meerdere personen verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor toegebrachte schade, kan iedere deelnemer van die groep voor de hele schade aansprakelijk worden gesteld.
Welke maatregelen gaat u nemen om het verhalen van schade bij individuele relschoppers beter vorm te geven, om te voorkomen dat net zoals bij de coronarellen veel schade na lange tijd nog steeds niet is vergoed?
Naar aanleiding van de motie van de leden Van Nispen en Knops voor de oprichting van een landelijk fonds waarin veroordeelden geld zouden moeten storten ter vergoeding van schade aan gedupeerden, ben ik bezig met een verkenning naar de mogelijkheden.6 Zie hierover bijlage 2 van het Eerste Halfjaarbericht politie 2023.7
Staat het delen van (persoons)gegevens in de weg om een relschopper civielrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen van veroorzaakte schade tijdens wanordelijkheden?
Voorwaarde voor het kunnen verhalen van schade op de dader, is dat de dader bekend is. Ik heb geen signalen dat het delen van (persoons)gegevens in de weg staat aan aansprakelijkstelling. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven, kan een benadeelde partij zich voegen in het strafproces om schade te verhalen als de dader strafrechtelijk wordt vervolgd. Dit is een eenvoudige en laagdrempelige procedure. Een partij kan er ook voor kiezen om schade te verhalen via de civiele rechter. Zowel voor de politie als het OM is er een wettelijke grondslag om onder omstandigheden over te gaan tot het delen van beperkte informatie met derden buiten de strafrechtketen ten behoeve van deze civiele procedure.8
Welke concrete acties heeft de regering ondernomen om de pakkans van daders bij rellen te vergroten, in lijn met de aangenomen motie-Knops/Michon-Derkzen uit 2022 (Kamerstuk 29 628, nr. 1148)?
Kunt u bovenstaande vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Strafrechtelijke onderwerpen op 18 juni 2024?
De Kamervragen zijn helaas niet binnen de gebruikelijke termijn beantwoord, doordat het ophalen van alle benodigde informatie lang duurde. Ik heb mijn best gedaan om de Kamervragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Mogelijkheden om bevroren Russische tegoeden te gebruiken voor hulp aan Oekraïne |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Derk Boswijk (CDA), Kati Piri (PvdA), Jan Paternotte (D66), Caspar Veldkamp (NSC) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u ermee bekend dat het parlement van Estland een wet aangenomen heeft waarmee het mogelijk wordt gemaakt om bevroren Russische tegoeden te gebruiken voor hulp aan Oekraïne?1
Ja, deze wet gaat specifiek over het nationaal mogelijk maken om private tegoeden van Russische gesanctioneerde entiteiten voor Oekraïne in te zetten.
In het artikel wordt erop gewezen dat er de afgelopen zes maanden, in aanloop naar deze wetgeving, door meerdere internationale bondgenoten en organisaties is gewerkt aan het wegwerken van mogelijke juridische knelpunten, kunt u aangeven welke landen en internationale organisaties hierbij betrokken waren?
Estland heeft bilateraal contact gehad met verschillende landen van de G7 en de EU die een dergelijke wet overwegen. Ook de Europese Commissie was betrokken bij het proces.
De wet is voorbereid in samenwerking tussen het Estse Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Justitie. Ook het Estse parlement heeft verschillende juristen, academici en voormalige Kanseliers van Justitie gehoord in zowel open als gesloten sessies.
Inmiddels heeft de Estse President de wet ondertekend en zal deze in werking treden 10 dagen na publicatie in de State Gazette. De Kanselier van Justitie heeft de mogelijkheid om een grondwettelijke toets uit te voeren.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek in internationaal verband naar de mogelijkheden voor het inzetten van het onderliggende vermogen van geïmmobiliseerde tegoeden ten behoeve van Oekraïne?2
Er lopen verschillende initiatieven, met name in EU- en G7-verband. Vooralsnog is er geen internationale overeenstemming over of er een internationaalrechtelijke basis bestaat voor het gebruik van het onderliggende vermogen. Daarnaast zijn er zorgen omtrent de financieel-economische risico’s van het gebruik van onderliggend vermogen. Ondertussen wordt er gekeken wat er op korte termijn al wel mogelijk is. Het kabinet is positief over de stappen die de EU nu al zet en blijft ambitieus in het verkennen van verdergaande stappen.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Brekelmans c.s. waarin verzocht wordt een voortrekkersrol te nemen in de EU voor een plan om bevroren Russische tegoeden in te zetten als onderpand voor financiële steun aan Oekraïne?3
Nederland is ambitieus als het gaat om het verkennen van verregaander mogelijkheden voor gebruik en probeert aan te sluiten bij initiatieven in G7-verband. Daarnaast zet het kabinet actief in om het ambitieniveau in de EU te verhogen, zoals ook aan uw Kamer is gecommuniceerd in het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken op 27 mei 2024.
Vindt u dat we moeten streven naar het invoeren van een zogenoemde «Navalny Act» zoals voorgesteld door Bill Browder, die eerder voor de «Magnitsky Act» lobbyde?4
Linksom of rechtsom, voor het kabinet staat vast dat Rusland moet betalen voor de schade die het aanricht in Oekraïne. Daarvoor worden verschillende paden en middelen verkend. Momenteel vindt er geen discussie plaats over de naamgeving van eventuele maatregelen.
Kunt u aangeven in hoeverre de wet die door het parlement van Estland is aangenomen, een basis zou kunnen vormen voor soortgelijke wetgeving in Nederland en/of in de Europese Unie (EU)?
De wet die nu is aangenomen in Estland is alleen toepasbaar binnen de Estse nationale wetgeving en context. Voor Nederland geldt dat het Nederlandse sanctie-instrumentarium, gericht op buitenlandpolitieke doelstellingen en als bestuursrechtelijke, tijdelijke maatregel, zich niet leent voor gebruik van private tegoeden van gesanctioneerde entiteiten.
Op dit moment voorziet Nederlandse wetgeving niet in mogelijkheden voor confiscatie op basis van ingestelde sancties, zoals de wet die nu is aangenomen in Estland voorziet. Confiscatie van private tegoeden is in Nederland enkel mogelijk als een uitkomst van een strafrechtelijk proces. Zonder dit strafrechtelijk kader roept het overgaan tot confiscatie op basis van sancties serieuze vragen op omtrent de waarborg van individuele rechten zoals het eigendomsrecht. Bovendien zouden nationale sanctiemaatregelen de werking van de interne markt kunnen aantasten, het vrije verkeer beperken en een concurrentieverstorend effect hebben. Wel geeft Nederland – via Nederlandse wetgeving – uitvoering aan alle VN- en EU-sancties.
Om Rusland te laten betalen voor de schade die het aanricht, is het kabinet ambitieus in het verkennen van alle opties samen met internationale partners. Nederland pleit voor een actieve verkenning van verdergaande mogelijkheden ten aanzien van de geïmmobiliseerde tegoeden van de Russische Centrale Bank, hetgeen niet gaat over confiscatie van private tegoeden buiten de strafrechtketen om. Op dit moment is er echter internationaal gezien geen overeenstemming over een dergelijke stap. Mocht dat er wel komen dan zal Nederland daar uitvoering aan geven.
Bent u bereid om een voorstel te ontwikkelen om soortgelijke wetgeving in Nederland in te voeren? Zo nee, waarom niet?
De dreigende sluiting van het Walaardt Sacré Kamp in Huis ter Heide |
|
Kati Piri (PvdA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u op de hoogte van de voorgenomen sluiting van het Walaardt Sacré Kamp in Huis ter Heide, dat sinds de zomer 2021 fungeert als opvanglocatie voor Afghaanse vluchtelingen en hun gezinsleden?1
Het Walaardt Sacré Kamp (WSK) zal niet worden gesloten, maar wordt in september 2024 weer volledig in gebruik genomen door Defensie.
Kunt u een stand van zaken geven wat betreft de invulling van het Walaardt Sacré Kamp na 1 juli 2024?
Het COA en het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn in het voorjaar van 2024 met Defensie een geleidelijke afbouw van WSK als opvanglocatie voor asielzoekers richting september 2024 overeengekomen. Het COA en de gemeente hadden graag de locatie behouden voor de opvang, maar Defensie gaat de kazerne in 2024 weer gereed maken voor de groeiende, eigen organisatie. De kazerne maakt onderdeel uit van de transformatie van het vastgoed van Defensie, het programma dat is opgezet voor de uitvoering van het Strategisch Vastgoedplan (SVP) 2022. Met dit programma gaat Defensie de operationele gereedstelling verhogen en de werk- en woonomstandigheden op kazernes verbeteren.
Klopt het dat na 1 juli 2024 er geen ruimte meer is voor de verlening van de asielopvang in het Walaardt Sacré Kamp? Zo ja, kunt u toelichten hoe u tot dit besluit bent gekomen?
Zoals aangegeven in de beantwoording op Kamervragen (2023Z19973 d.d. 12 december 2023) was vanaf het begin duidelijk dat de opvang op de locatie van tijdelijke aard zou zijn, Defensie heeft deze locatie immers nodig voor legering, training en logistieke ondersteuning.
In samenspraak met de gemeente Zeist is de opvanglocatie op het WSK in augustus 2021 geopend voor het opvangen van Afghaanse asielzoekers. De meeste bewoners hebben inmiddels een vluchtelingenstatus en zijn in afwachting van definitieve huisvesting in een gemeente in Nederland. Het is de verwachting dat voor deze personen in 2024 huisvesting zal worden gerealiseerd en dat de bezetting daarmee snel afneemt.
Is er vervangende huisvesting, medische zorg en onderwijs voor de Afghaanse vluchtelingen gevonden die nu verblijven in het Walaardt Sacré Kamp? Zo ja, betreft dit een permanente oplossing?
De Afghaanse vluchtelingen zijn ondergebracht op andere locaties in het land. Op deze locaties is toegang tot medische zorg. Bij de overplaatsing wordt rekening gehouden met schoolgaande kinderen zodat zij onderwijs kunnen blijven volgen.
Welke gesprekken en bestuurlijke overleggen hebben er plaatsgevonden inzake de ingebruikname van het Walaardt Sacré Kamp tot nu toe en wat waren de resultaten van die gesprekken?
Defensie, provincie Utrecht, gemeenten Amersfoort, Leusden, Soest en Zeist, Utrecht en de waterschappen (Vallei en Veluwe/ het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden) zijn met elkaar in overleg om te komen tot een samenwerking met betrekking tot het toekomstig gebruik van het gebied. De vastgoedontwikkelingen van Defensie in de omgeving van Soesterberg (inclusief Camp New Amsterdam (CNA) en Walaardt Sacré Kamp (WSK)) zijn onderdeel van deze samenwerking.
Momenteel wordt gewerkt aan een bestuurlijk akkoord waarin de gebiedspartners met elkaar vastleggen dat zij door middel van een ontwerpend onderzoek toewerken naar een gezamenlijk gebiedsperspectief, waarin de verschillende opgaven in samenhang worden uitgewerkt. Ter voorbereiding op dit akkoord zijn de raads- en statenleden recent rondgeleid op de verschillende defensielocaties, waaronder ook op CNA.
Welke onderzoeken heeft u uitgevoerd naar de mogelijkheden van het verlengen van de asielopvang op het Walaardt Sacré Kamp? Heeft u bijvoorbeeld gekeken naar de mogelijkheid om een deel van het terrein beschikbaar te stellen voor de asielopvang of de mogelijkheid om de kinderen het schooljaar af te laten maken? Zo nee, waarom niet?
Defensie heeft de asielopvang op het Walaardt Sacré Kamp meerdere malen verlengd. Daarbij is telkens gekeken naar de mogelijkheden die er zijn om tijdelijk te ondersteunen. Dit heeft niet geleid tot een oplossing waarbij de asielopvang langdurig op deze locatie kan worden verlengd, vanwege de opgave die Defensie zelf heeft op het gebied van gereedstellen.
Hoe staat het met de uitbreiding van de werkzaamheden op het naastgelegen Camp New Amsterdam, waardoor het Walaardt Sacré Kamp nodig is voor legering, facilitaire en andere ondersteunende functies?
In de afgelopen jaren heeft Defensie het gebruik van CNA geïntensiveerd. Dit wordt in de komende periode voortgezet. Het naastgelegen WSK is benodigd voor legering, training en logistieke ondersteuning van de eenheden die op het CNA zijn gehuisvest. Verdere toekomstige uitbreidingen van CNA en ontwikkelingen ten aanzien van WSK, zijn tevens afhankelijk van de uitkomsten van het hiervoor genoemde ontwerpend onderzoek.
Hoe beoordeelt u in het licht van de opvangcrisis het terugtrekken van deze Rijksgronden en daarmee van honderden plekken in een goed functionerende en in de omgeving ingebedde opvang?
Defensie heeft de kazerne nodig voor de eigen groeiende organisatie. In een tijd van toenemende dreiging is het van belang dat Defensie haar taken kan blijven uitvoeren en intensiveren. Daarbij zou deze locatie in eerste instantie al per 1 januari 2024 gesloten worden. Op 21 december jl. is door uw Kamer een motie aangenomen waarin u het kabinet verzoekt om te onderzoeken of er een mogelijkheid is om de locatie langer open te houden, of om het afbouwpad naar sluiting te verlengen.2 Deze wens werd ook gedeeld door het COA en de gemeente Zeist. In het verlengde van deze motie zijn het COA en Justitie en Veiligheid met Defensie een geleidelijke afbouw richting juli 2024 overeengekomen. Later is dit verlengd tot medio augustus, waarna dit nogmaals is verlengd tot begin september. Inmiddels vinden op het WSK werkzaamheden plaats om de locatie weer door Defensie in gebruik te nemen.
Defensie streeft ernaar de ruimte die Defensie heeft zo optimaal mogelijk te benutten. Defensie kijkt samen met JenV naar mogelijkheden om, binnen die ruimte, tijdelijke opvanglocaties te realiseren.
De humanitaire crisis in Oost-Congo |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht van het International Non-Governmental Organizations Forum in the Democratic Republic of Congo (FONGI-RDC): «Emergency Situation in Displaced Persons Camps and Sites in Goma»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de huidige humanitaire en veiligheidssituatie in Oost-Congo? Wordt er door de internationale gemeenschap voldoende gedaan om de humanitaire noden te lenigen? Zo niet, waarom niet?
De humanitaire en veiligheidssituatie in Oost-DRC is zeer zorgelijk. Het geweld in Oost-DRC is het gevolg van een langslepend, ingewikkeld en gelaagd conflict met betrokkenheid van vele verschillende statelijke en niet-statelijke actoren en een verscheidenheid aan oorzaken. Meerdere gewapende groepen, deels met buitenlandse steun, zijn actief in het gebied. Op dit ogenblik komt de grootste dreiging voor stabiliteit vanuit de door Rwanda militair en materieel gesteunde M23. Het conflict tussen DRC en de door Rwanda gesteunde rebellengroep M23 leidt tot grote aantallen ontheemden. In totaal zijn in DRC 7,2 miljoen mensen intern ontheemd (UNHCR). Ontheemdenkampen kunnen de grote aantallen niet aan, vooral niet rond de provinciehoofdstad Goma. De humanitaire situatie is schrijnend en verslechtert in rap tempo verder.
De internationale gemeenschap spant zich in om de humanitaire noden te verlichten. VN organisaties, NGOs, het Rode Kruis en andere humanitaire actoren doen wat ze kunnen op verschillende locaties in Oost-DRC, al blijft toegang tot gebieden waar gewapende groepen de dienst uitmaken moeilijk. Ook het feit dat de gevechten tussen de strijdende partijen ook plaatsvinden in ontheemdenkampen zelf, maakt de situatie er niet makkelijker op. Nederland en andere humanitaire donoren dringen er bij de Congolese autoriteiten op aan om humanitaire toegang niet te belemmeren, land vrij te maken waar ontheemden kunnen worden opgevangen en de militarisering van ontheemdenkampen tegen te gaan.
Financiering voor het humanitaire respons plan 2024 blijft achter: tot nu toe is 12% van de benodigde USD 2,12 miljard toegezegd. Dit hangt samen met het grote aantal intensiverende conflicten en de daarmee gepaard gaande enorme noden wereldwijd, waardoor humanitaire fondsen steeds minder toereikend zijn.
Hoe beoordeelt u de rol van Rwanda en de militaire rebellengroep M23 bij het steeds verder aanwakkerende geweld in Oost-Congo?
De rol die Rwanda speelt in het ondersteunen van rebellengroep M23 op Congolees grondgebied is zorgelijk en onwenselijk. In bilateraal contact met Rwanda roept Nederland dan ook op de steun aan M23 te staken en de Rwandese troepen van DRC grondgebied terug te trekken. Dit gebeurde ook tijdens ontmoetingen tussen beide Ministers van Buitenlandse Zaken in november 2023 en april 2024.
DRC en Rwanda dragen beide verantwoordelijkheid voor de opgelopen spanningen, de escalerende veiligheidssituatie en de humanitaire noden. Naast het aanspreken van Rwanda roept Nederland daarom ook de Congolese autoriteiten op om steun aan gewapende groeperingen, inclusief FDLR (voortkomend uit betrokkenen bij de genocide tegen de Tutsi in 1994), te staken en etnische hate speech aan te pakken. Dit is ook de positie van de EU, zoals recentelijk ook uitgedragen in een gezamenlijke EU-verklaring. Nederland heeft zich ingespannen voor de totstandkoming van deze gezamenlijke verklaring.
Hoe is Nederland zelf betrokken bij het verlichten van de humanitaire noden in Oost-Congo, en ziet u mogelijkheden deze rol te vergroten in 2024? Kunt u daarbij ook specifiek ingaan op de rol die Nederland speelt in het helpen van slachtoffers van seksueel en gender-gerelateerd geweld, dat in Oost-Congo schrikbarend hoog is?
Nederland draagt bij aan verlichting van de humanitaire noden (voedselonzekerheid, stijgende aantal ontheemden) door middel van financiële bijdragen aan verschillende fondsen en humanitaire programma’s. Zo draagt Nederland bij aan humanitaire programma’s in Oost-DRC via de Dutch Relief Alliance (DRA) en via het Humanitaire Fonds voor DRC. De DRA ontvangt in Oost-DRC financiering voor de meerjarige joint response (2024–2026) van jaarlijks zo’n EUR 5,5 miljoen. Nederland draagt in 2.024 EUR 10 miljoen bij aan het Humanitaire Fonds voor DRC. Daarnaast draagt Nederland financieel bij aan de VN en andere humanitaire organisaties met ongeoormerkte middelen. Zo is Nederland met EUR 55 miljoen een van de grootse donoren van het CERF (Central Emergency Response Fund) van de VN. In 2024 is er tot nu toe USD 26 miljoen via CERF gealloceerd aan de DRC. Ook de afgelopen jaren zijn er aanzienlijke bedragen vanuit CERF naar DRC zijn gegaan: USD 51 miljoen in 2022 en USD 46 miljoen in 2023.
De humanitaire inzet wordt gekoppeld aan andere activiteiten die bijdragen aan stabiliteit en weerbaarheid, capaciteit van gemeenschappen om met conflicten om te gaan, en om relaties op te bouwen tussen gemeenschappen en lokale overheden. Daarnaast ligt de focus op lokalisering, het versterken van de synergie op humanitaire, ontwikkelings- en vredesprogrammering en op het verlenen van geestelijke gezondheidszorg en psychosociale steun (MHPSS).
Naast humanitaire hulp draagt Nederland ook bij aan de aanpak van grondoorzaken van het conflict, door middel van een regionaal programma van EUR 37,5 miljoen per jaar dat zich richt op veiligheid en stabiliteit in Oost-DRC en de bredere Grote Merenregio. In Oost-DRC richt dit programma zich op het verbeteren van veiligheid en stabiliteit, het aanpakken van grondoorzaken van conflict en het verzachten van de effecten van conflict voor de bevolking. Het programma ziet ook toe op de stijgende noden van slachtoffers van seksueel en gender-gerelateerd geweld. Zo financiert Nederland een project dat slachtoffers van seksueel geweld medische, juridische, psychosociale en financiële hulp geeft. Ook steunt Nederland een project dat werkt aan verbetering van de toegang tot seksuele gezondheidzorg in kampen voor ontheemden. In samenwerking met lokale gezondheidscentra wordt de hulpverlening aan slachtoffers van seksueel geweld beter toegankelijk.
Welke maatregelen kunnen door de internationale gemeenschap, en de EU in het bijzonder, worden genomen om de veiligheid van het enorme aantal ontheemden en ook de humanitaire hulpverleners in de kampen te verbeteren?
In beginsel moeten vluchtelingen worden opgevangen op plekken waar het veilig voor hen is. In het geval van Oost-DRC is de situatie in ontheemdenkampen momenteel niet veilig genoeg. Zo werd begin mei een tweetal vluchtelingenkampen nabij provinciehoofstad Goma gebombardeerd waarbij minstens 14 doden vielen. Nederland en de EU zijn in constant overleg met de Congolese autoriteiten over de opvang van de hoge aantallen ontheemden, met name rond Goma. De autoriteiten hebben plekken voor ontheemdenkampen gecreëerd, maar die plekken zijn niet altijd goed bewaakt en voorzien van basisvoorzieningen.
De internationale gemeenschap zal dan ook blijven benadrukken dat Internationaal Humanitair Recht door strijdende partijen moet worden gerespecteerd en dat burgers en humanitaire hulpverleners moeten worden beschermd. Dit werd recent nog in EU verband gedaan in een verklaring als reactie op de aanval op de vluchtelingenkampen rond Goma. Ook de aan te treden EU Speciaal Vertegenwoordiger voor de Grote Meren regio (zie verder vraag 7) zal als taakstelling hebben om naleving van Internationaal Humanitair Recht bij de strijdende partijen te blijven benadrukken.
Welke diplomatieke initiatieven, zowel vanuit buurlanden, de Afrikaanse Unie als vanuit de bredere internationale gemeenschap, lopen er om de sterk geëscaleerde situatie te mitigeren?
Nederland is in doorlopende dialoog met zowel autoriteiten in DRC als Rwanda over het conflict in Oost-DRC. De Minister van Buitenlandse Zaken sprak zowel in november 2023 als in april 2024 met de Rwandese ambtsgenoot over de situatie in Oost-DRC. Daarbij wijst de Minister van Buitenlandse Zaken ook op de noodzaak tot het staken van steun aan rebellengroep M23 en het terugtrekken van Rwandese troepen van DRC grondgebied. Ook in gesprekken met de Afrikaanse Unie wordt gesproken over de zorgelijke situatie in Oost-DRC. Zo sprak de Minister van Buitenlandse Zaken in april dit jaar met AU-Commissaris Bankole over de regionaal geleide vredesinitiatieven als het Luanda-proces en het Nairobi proces.
In multilateraal verband spant Nederland zich in om dit soms «vergeten conflict» op de agenda te houden: zo nam Nederland begin dit jaar het initiatief tot een EU-27 verklaring om in EU-verband zorgen te uiten over de escalatie van geweld en de humanitaire situatie en op te roepen tot de-escalatie en terugkeer naar de regionaal geleide vredesprocessen. Ook speelde Nederland een actieve rol in het aanstellen van een EU Speciaal Vertegenwoordiger voor de regio (zie ook het antwoord op vraag 7).
Ook is Nederland, zowel bilateraal als in multilateraal verband, in contact met andere landen in de regio als Burundi, Oeganda, Angola, Zuid-Afrika en Kenia om te bespreken hoe regionaal geleide vredesinitiatieven kunnen worden ondersteund. Zo reisde een Nederlandse vertegenwoordiger in maart dit jaar af naar zowel DRC als Rwanda als onderdeel van een internationale missie van VS, VK, EU, Frankrijk, België, de VN en de Afrikaanse Unie. Nederland deed dit in de hoedanigheid als voorzitter van de International Contact Group, een informeel samenwerkingsverband van gelijkgezinde partners om informatie uit te wisselen en inspanningen om vredesinitiatieven te ondersteunen te coördineren.
Daarnaast draagt Nederland bij aan de inspanningen van de VN Speciaal Gezant voor de Grote Meren regio en steunt Nederland de International Conference for the Great Lakes, een intergouvernementele organisatie van landen in de Grote Meren regio, die zich bezig houdt met de bevordering van regionale ontwikkeling en duurzame vrede.
Wat is de status van de aan te stellen EU Speciale Gezant voor het Grote Merengebied? Deelt u de mening dat deze persoon zo snel mogelijk ter plekke zou moeten zijn? Kunt u die urgentie adresseren tijdens de eerstvolgende Raad Buitenlandse Zaken in Brussel?
De Europese Commissie is in de afrondende fase van de aanstelling van een EU Speciaal Vertegenwoordiger voor de Grote Meren regio. Nederland heeft zich sterk ingespannen voor de instelling van deze functie door dit, in samenwerking met andere lidstaten, consistent onder de aandacht te brengen in Brussel. Inmiddels is de Europese Commissie bezig met de afronding van de selectieprocedure, en is er reeds overeenstemming bereikt over het mandaat van de Speciaal Vertegenwoordiger. Gezien de voorgenoemde ontwikkelingen acht ik het niet nodig dat Nederland dit tijdens de eerstvolgende Raad Buitenlandse Zaken agendeert.
Het artikel ‘Russia plotting sabotage across Europe, intelligence agencies warn’. |
|
Henri Bontenbal (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Russia plotting sabotage across Europe, intelligence agencies warn»1?
Ja.
Herkent u de waarschuwingen die door verschillende Europese inlichtingendiensten worden gegeven over een significant grotere dreiging voor gewelddadige sabotageacties door Rusland binnen Europa?
Ik herken de waarschuwingen. In algemene zin is er sprake van een toegenomen dreiging sinds de grootschalige invasie van Oekraïne in februari 2022. Zoals in het jaarverslag van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) vermeld kan bijvoorbeeld de vitale maritieme infrastructuur in het Nederlandse deel van de Noordzee kwetsbaar zijn voor sabotage. We zien dat Rusland deze infrastructuur heimelijk in kaart brengt en activiteiten onderneemt die mogelijk duiden op spionage en voorbereidingshandelingen voor verstoring en sabotage.
In hoeverre is deze dreiging voor gewelddadige sabotageacties ook op Nederlands grondgebied toegenomen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat deze dreiging serieus genomen moet worden en dat de waarschuwing van Europese inlichtingendiensten ook in Nederland zou moeten leiden tot hogere waakzaamheid?
Deze mening deel ik. De MIVD en Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) zijn zeer waakzaam ten aanzien van de Russische intenties tegen Nederland. De diensten hebben hierover gerapporteerd in de onlangs verschenen jaarverslagen en staan hierover in contact met partnerdiensten.
Heeft u goed in beeld wat de mogelijke doelwitten van Russische sabotageacties in ons land kunnen zijn? In hoeverre is het identificeren van deze potentiële doelwitten een continu proces?
Gelet op de wettelijke plicht tot geheimhouding wordt er in het openbaar niet ingegaan op de werkwijze dan wel het actuele kennisniveau van de diensten. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten rapporteren hierover via de geëigende kanalen. In algemene zin geldt dat de diensten indien nodig andere partijen, zoals bedrijven in de vitale infrastructuur, informeren, zodat zij in staat worden gesteld om passende maatregelen te nemen. Daarnaast is in november 2023 het Rijksbreed Responskader (RBRK) vastgesteld omdat Nederland en partners/bondgenoten geconfronteerd worden met een groeiende hybride dreiging die uitgaat van statelijke actoren. Bij de opzet van dit kader zijn alle departementen betrokken zodat een breed beeld ontstaat over de activiteiten van statelijke actoren.
Welke maatregelen neemt u om de mogelijke dreiging van gewelddadige Russische sabotageacties in Nederland nog beter in kaart te brengen en om deze informatie continu up-to-date te houden?
Zie antwoord vraag 5.
Herinnert u zich de Kamermotie uit november 2021 waarin de regering werd verzocht om samen met andere landen een strategie te ontwikkelen voor de bescherming van cruciale infrastructuur in de Noordzee2?
Ja. Onlangs heeft Nederland een intentieverklaring getekend met België, Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Denemarken en Noorwegen om gezamenlijk te werken aan een verhoogde bescherming van de Noordzee infrastructuur.
Is de financiering van het actieplan voor de Strategie ter bescherming van de Noordzee Infrastructuur inmiddels rond3? Zo nee, waarom niet?
Om uitvoering te kunnen geven aan het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee Infrastructuur heeft het kabinet besloten voor de jaren 2024 en 2025 financiële middelen beschikbaar te stellen, zodat verder kan worden gewerkt aan de bescherming van de infrastructuur op de Noordzee. Specifiek worden de middelen in 2024 en 2025 ingezet voor o.a. het opschalen van sensorcapaciteit, investeringen in ICT hardware en software, het maken van een gezamenlijk opleidings, -trainings en oefenprogramma en de ontwikkeling van een responssysteem. Met deze financiële middelen voor 2024 en 2025 worden geen onomkeerbare stappen gemaakt en wordt door het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) een projectmatige aanpak gehanteerd. Het is aan het volgende kabinet om vast te stellen hoe na 2025 invulling wordt gegeven aan de financiering van het programma.
Op welke termijn verwacht u het actieplan voor de Strategie ter bescherming van de Noordzee Infrastructuur met de Kamer te kunnen delen?
De Kamerbrief inclusief het actieplan Strategie ter bescherming Noordzee Infrastructuur is op 10 juni aan de Kamer verstuurd.
Welke aanknopingspunten biedt dit actieplan voor de eventuele ontwikkeling van een breder actieplan ter bescherming van andere cruciale en/of kwetsbare infrastructuur? Wordt daar al over nagedacht en/of aan gewerkt?
Om de vitale infrastructuur te beschermen heeft dit kabinet geïnvesteerd in een aanpak Vitaal.4 Met de maatregelen in deze aanpak wordt de weerbaarheid van de vitale infrastructuur integraal en structureel versterkt. Het actieplan Bescherming Noordzee Infrastructuur sluit hierop aan.
Daarnaast vraagt de bescherming van de vitale infrastructuur op de Noordzee ook om een speciale aanpak, gezien de aard van de dreiging en dit type infrastructuur. Zo gelden er op de Noordzee andere wet- en regelgeving en andere geografische en fysieke omstandigheden dan op het vasteland. Ook de transnationale aard van de pijpleidingen en datakabels op de Noordzee betekent dat de vereiste maatregelen zo veel mogelijk moeten worden ingericht in afstemming met bondgenoten rondom de Noordzee. Het actieplan is toegespitst op deze specifieke omstandigheden en eigenschappen.
In het kader van de bescherming van onderzeese elektriciteitskabels wijs ik u ook op de 1e nota van wijziging bij de Energiewet die de Minister voor Klimaat en Energie recent met uw kamer heeft gedeeld5. Onder andere vanuit het oogpunt van de nationale veiligheid wordt in deze nota van wijziging voorgesteld om het staatseigendom van op zichzelf staande interconnectorsystemen (bijvoorbeeld onderzeese interconnectoren voor elektriciteit) te borgen.6 Deze keuze sluit ook bij eerdere keuzes om elektriciteitsinfrastructuur op land en op zee in publieke handen te hebben.
Wat is uw reactie op de uitspraak van één van de in het artikel geciteerde beambten van een inlichtingendienst dat Putin zich momenteel «aangemoedigd» voelt en de grenzen opzoekt met betrekking tot Russische activiteiten in Europa zoals het verspreiden van desinformatie, sabotageacties en hacken?
De dreiging van desinformatie, sabotage en hacks vanuit Rusland is niet nieuw. In hun jaarverslagen rapporteren de AIVD en de MIVD al langere tijd over Russische heimelijke beïnvloeding op het gebied van onder andere desinformatie, maar ook over sabotage en cyberdreigingen. Recentelijk hebben NAVO bondgenoten, waaronder Nederland, hun diepe bezorgdheid uitgesproken over hybride dreigingen van Rusland die een gevaar vormen voor de bondgenootschappelijke veiligheid.7
Hoe kijkt u naar de volgende uitspraak van de tevens in het artikel geciteerde expert Keir Giles van Chatham House? «These pinprick attacks we’ve seen so far are of course to create disruption, but they can also be used for disinformation. And then there is what Russia learns from these attacks if they want to immobilise Europe for real... They’re practice runs.»
Zoals blijkt uit de jaarverslagen over 2023 van de MIVD en de AIVD zien zij, vooral sinds de grootschalige invasie van Rusland in Oekraïne, meerdere dreigingen vanuit Rusland. Het gaat hierbij voornamelijk om cyberspionage en -sabotage, maar ook om het verzamelen van informatie over onze kritieke infrastructuur. Het gaat Rusland ook, zo kunt u in het AIVD jaarverslag lezen, om beïnvloeding van de publieke opinie en politieke besluitvorming over de steun aan Oekraïne. Naar aanleiding van de recentelijk bekend gemaakte incidenten, spreekt de NAVO van een intensiverende campagne van activiteiten, zoals sabotage, cyberaanvallen en desinformatiecampagnes, op bondgenootschappelijk grondgebied.8 De recente incidenten moeten worden bezien als onderdeel van een bredere campagne van in dit geval Rusland waarbij dit land opportunistisch optreedt om zijn doelstellingen te behalen. Het valt niet uit te sluiten dat het hierbij ook gaat om het verzamelen van informatie over de wijze waarop en de snelheid waarmee een land reageert.
Hoewel sabotage-activiteiten tot dusver zijn gesignaleerd bij andere Europese bondgenoten, is het belangrijk te vermelden dat onze veiligheid nauw is verweven met de internationale omgeving. Sabotage in het buitenland kan door ketenafhankelijkheid ook impact hebben op Nederlandse belangen. Andersom is dit ook het geval. Mogelijke sabotage acties door andere staten tegen vitale processen in Nederland zoals energie en logistiek kunnen gevolgen hebben voor onze bondgenoten en partners.
Deelt u de inschatting dat de tot nu toe geïdentificeerde Russische sabotageacties in Europa deels kunnen worden gezien als «oefeningen»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat betekent dat dan voor de stappen die ook Nederland moet zetten om beter voorbereid te zijn op het voorkomen van grootschaligere sabotage en het vergroten van de weerbaarheid tegen Russische sabotageacties?
Het is al langer bekend dat Rusland verschillende middelen inzet als machtsmiddel. Het gaat dan onder andere om het verspreiden van desinformatie, digitale spionage en pre-positionering voor sabotage in vitale infrastructuur. Met de aanpak statelijke dreigingen wordt ingezet op het beschermen van publieke belangen en het versterken van het vermogen om dreigingen te detecteren, aan te pakken en waar nodig te voorzien van een reactie9.
Ook de specifieke dreiging ten aanzien van de vitale infrastructuur op zee wordt al langer onderkend. De MIVD, AIVD en NCTV stellen dat Rusland deze infrastructuur heimelijk in kaart brengt en activiteiten onderneemt die duiden op spionage en voorbereidingshandelingen voor verstoring en sabotage. Het kabinet heeft hierop besloten om in te zetten op een betere bescherming van de infrastructuur op de Noordzee. De hiervoor vereiste maatregelen zijn samengevat in het actieplan Bescherming Noordzee Infrastructuur, dat op maandag 10 juni jl. naar de Kamer is verstuurd.
Welke rol ziet u voor Europese samenwerking bij het vergroten van de weerbaarheid en de waakzaamheid voor mogelijke gewelddadige sabotageacties? In hoeverre is/wordt het Europese overleg en samenwerking op dit thema geïntensiveerd?
De Europese Unie heeft het bevorderen van de weerbaarheid van vitale infrastructuur duidelijk op het netvlies staan. Zo zijn in december 2022 de zogeheten CER-richtlijn en NIS2-richtlijn vastgesteld. Hiermee is een geharmoniseerd beschermingskader opgesteld met betrekking tot alle relevante risico's die negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor de vitale infrastructuur, zoals hybride dreigingen of andere antagonistische dreigingen, waaronder sabotage. Een belangrijk onderdeel van de richtlijnen is samenwerking en informatie-uitwisseling, ook op Europees niveau. Het kabinet werkt momenteel aan de implementatie van voornoemde richtlijnen in nationale wet- en regelgeving.
Verder is, mede door aandringen van Nederland, de bescherming van maritieme infrastructuur een belangrijk thema binnen de recentelijk hernieuwde EU Maritieme Veiligheidsstrategie en bijbehorend Actieplan. Het kabinet is positief over de ambities van de strategie en zet in op nadere invulling van deze plannen op EU-niveau. Ondertussen werkt het kabinet de acties op lidstaatniveau verder uit. Daarnaast zet Nederland zich actief in voor een verbetering van de samenwerking tussen de EU en de NAVO met de nadruk op complementariteit.
Het bericht ‘U.S. expected to sanction IDF unit for human rights violations in West Bank’ |
|
Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «U.S. expected to sanction IDF unit for human rights violations in West Bank» waarin het voornemen wordt beschreven aan het Netzah Yehuda bataljon, een specifiek politiek-religieus bataljon van de Israëlische strijdkrachten, sancties op te leggen voor structurele mensenrechtenschendingen op de West Bank, waaronder de dood door kneveling van een 80-jarige Palestijnse Amerikaan?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het optreden van dit specifieke bataljon van de IDF op basis van de onderzoeken van het Amerikaanse State Department en berichten over hun optreden, zoals onder andere beschreven in het artikel «Lies, Violence and Far-right Ideology: The West Bank Militia Formed Inside the Israeli Army»?2
De berichten over het optreden van dit bataljon zijn zeer zorgelijk. De aanwezigheid van de nederzettingen en de kolonisten in de bezette Palestijnse Gebieden zijn schendingen van het bezettingsrecht. Op Israël rust de (internationaal-)rechtelijke plicht om geweldsgebruik door zowel kolonisten als Israëlisch overheidspersoneel, onder wie personeel van het Israëlische leger (Israel Defense Forces (IDF)), zoveel mogelijk te voorkomen en hiertegen handhavend op te treden.
Heeft u contact met uw Amerikaanse ambtsgenoot over het optreden van dit bataljon op de West Bank?
Over de maatregel die de VS heeft ingesteld tegen dit specifieke bataljon is contact geweest.
Deelt u de mening dat gewelddadig optreden door kolonisten op de West Bank en/of deze legereenheid tegen ongewapende Palestijnen het risico op escalatie en onschuldige slachtoffers in de Palestijnse gebieden vergroot?
Ja. Zoals hierboven beschreven is het aan de IDF om Palestijnse burgers actief te beschermen tegen geweld van kolonisten, maar komt het regelmatig voor dat dit niet gebeurt en dat de IDF actief deelneemt of ondersteuning biedt aan dit geweld. Mijn ambtsvoorganger heeft in haar contacten met haar Israëlische ambtsgenoot de Israëlische regering steevast opgeroepen om hiertegen op te treden.
Bent u bereid om, in navolging van de Amerikanen, u in de Raad Buitenlandse Zaken van 22 april en in andere relevante gremia ervoor in te zetten om Netzah Yehuda te sanctioneren, in lijn met de aangenomen motie Piri c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2870) die vraagt de sanctielijsten voor gewelddadige kolonisten met de VS gelijk te trekken? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
De door de VS aangekondigde maatregel betreft geen sanctie, maar behelst het toepassen van de Leahy Law uit 1977. Deze wet verbiedt de Amerikaanse regering om goederen, diensten en trainingen te leveren aan eenheden van buitenlandse veiligheidstroepen die betrokken zijn bij grove mensenrechtenschendingen. De individuen van het Netzah Yehudabataljon zijn niet aan financiële sancties of inreisverboden onderhevig.
De Nederlandse krijgsmacht werkt niet samen met de Israëlische strijdkrachten op of met betrekking tot de bezette Westelijke Jordaanoever. Zoals meermaals met uw Kamer is gedeeld, zet het kabinet zich conform motie Piri c.s. – aangenomen met steun van de fracties van GroenLinks-PvdA, VVD, NSC, D66, CDA, SP, DENK, PvdD en Volt – in voor het uitbreiden van de sancties tegen Israëlische gewelddadige kolonisten die recent in EU-verband zijn aangenomen. Daarbij zetten we in op hetzelfde ambitieniveau als de VS en het VK ten aanzien van het sanctioneren van individuele kolonisten en daaraan gelieerde entiteiten. Omdat Nederland alleen met Israël binnen de internationaal erkende grenzen van 1967 samenwerkt, Nederland geen relatie met het Netzah Yehudabataljon heeft en er geen sprake is van een sanctie in de zin van inreisverboden of tegoedbevriezingen, volgt Nederland het Amerikaanse voorbeeld niet.
De mogelijkheden voor aanvullende leveringen van luchtafweersystemen aan Oekraïne |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat tijdens het debat over de Buitengewone Europese Top op 16 april door meerdere Kamerleden werd opgeroepen de maximale pijngrens op te zoeken als het gaat om het leveren van meer Patriot-systemen aan Oekraïne?
Ja.
Op welke wijze zal Nederland gebruikmaken van de ruimte die door NAVO-chef Stoltenberg wordt geboden waardoor landen tijdelijk onder de NAVO-ondergrenzen voor de wapenvoorraden mogen komen?1
Nederland heeft het voortouw genomen om een internationale coalitie bijeen te brengen voor de levering van aanvullende Patriot capaciteit aan Oekraïne. Inmiddels zijn de benodigde onderdelen voor een volledig Patriotsysteem verzameld. Nederland stelt zelf drie lanceerinstallaties en een radar beschikbaar, de overige benodigde kerncomponenten worden door een bondgenoot geleverd. De uitspraken van SG NAVO onderstreept de urgente Oekraïense behoefte aan luchtverdedigingssystemen en munitie en de prioriteit die steun aan Oekraïne heeft: «Ik heb duidelijk aangegeven dat, als het niet behalen van de capaciteitsdoelstellingen de enige manier is om Oekraïne te ondersteunen, dit het juiste is om te doen. [..] Dit onderstreept het belang van verhoging van productie omdat de voorraden ook weer aangevuld moeten worden.»2. Ik beaam de boodschap van de SG NAVO en benadruk dat het essentieel is om op korte termijn de aanvulling van voorraden verder te intensiveren.
Verder draagt Nederland € 150 miljoen bij aan het Duitse Immediate Action on Air Defense initiatief en € 60 miljoen ten behoeve van korte afstand luchtverdediging. Nederland heeft eerder twee Patriot-lanceerinrichtingen geleverd. Ook heeft Nederland verschillende type raketten, mobiele luchtdoelkanonnen, Stingerraketten en radars geleverd. Via de levering van F-16’s, als co-lead van de Air Force Capabilty Coalition, en als lid van de Integrated Air and Missile Defence (IAMD) Capability Coalition draagt Nederland bij aan de ontwikkeling van de huidige en toekomstige Oekraïense geïntegreerde luchtverdediging. Nederland spoort bondgenoten en internationale partners actief aan dit ook te doen.
De situatie in Oekraïne laat duidelijk het belang van een sterke Europese luchtverdediging en defensie industrie zien. Daarom onderzoekt Nederland hoe meer militaire goederen in Nederland en Europa geproduceerd kunnen worden. Conform de oproep van de SG NAVO zet Nederland zich actief in voor de uitbreiding van de bestaande productiecapaciteit van onder andere Patriot-raketten. Deze inzet is in lijn met de motie van het Lid Brekelmans (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2878 van 18 april 2024). Zo heeft Nederland bijgedragen aan het tot stand komen van de vraagbundeling en Europese productie van Patriot-raketten.
Bent u bereid opnieuw te bezien wat we zo spoedig mogelijk aan Patriot-systemen kunnen leveren aan Oekraïne, nu deze ruimte om onder de NAVO-ondergrenzen voor de wapenvoorraden te komen is geboden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid zich in te zetten voor meer gezamenlijke oefeningen binnen de NAVO, zodat daarmee wellicht ook veel meer capaciteiten vrijgespeeld kunnen worden?
De Nederlandse krijgsmacht oefent reeds veelvuldig gezamenlijk in NAVO-verband. Het kabinet blijft zich hiervoor inzetten. Dit heeft tot op heden niet geleid tot het vrijspelen van capaciteiten.
De Tent of Nations in de buurt van Bethlehem |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Jan Paternotte (D66), Kati Piri (PvdA), Caspar Veldkamp (NSC), Christine Teunissen (PvdD), Derk Boswijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met de zorgelijke situatie rond de educatieve boerderij met het vredesproject «Tent of Nations» in Bethlehem?1 2
Ja.
Herinnert u zich dat de Tweede Kamer in het verleden vaker aandacht heeft gevraagd voor deze zaak?3 4
Ja.
Klopt het dat het Israëlische Hooggerechtshof in 2006 de uitspraak deed dat de familie Nassar hun herregistratie van het land kon gaan regelen? Klopt het tevens dat de familie Nassar aan alle vereisten hiervoor heeft voldaan, maar dat desondanks tot op de dag van vandaag procedures voortdurend vertraagd worden door de Israëlische autoriteiten?
Ja. Het klopt dat de herregistratiezaak van eigendom al jaren loopt. Volgens de familie Nassar en hun advocaat voldoen ze aan alle vereisten. Tot de dag van vandaag heeft dit nog niet tot erkenning geleid van het eigendom door de Israëlische autoriteiten.
Klopt het dat er juridisch gezien geen land mag worden ingenomen terwijl het herregistratieproces lopende is? Zo nee, waarom zou dat volgens u niet het geval zijn?
Zie het antwoord op vraag 5.
Indien juridisch gezien inderdaad geen land mag worden ingenomen, hoe oordeelt u dan over de aanleg van een weg en de voorbereidingen voor de aanleg van een tweede weg op het land van de familie Nassar? Deelt u de mening dat er direct gestopt moet worden met de aanleg van deze wegen? Zo nee, waarom niet?
Het humanitair oorlogsrecht verbiedt de confiscatie van privébezit in bezet gebied, tenzij de inbeslagname door dwingende militaire noodzaak wordt vereist. Daar is in dit geval geen sprake van. Ingebruikname van het land van de familie Nassar en aanleg van een weg zijn dan ook illegaal onder het internationaal recht en dienen direct te worden gestopt.
Klopt het dat de toegang tot de boerderij vanaf Road 60 naar Tent of Nations recent is afgesloten omdat het nu een «gesloten militair gebied» zou zijn? Zo ja, deelt u de mening dat de toegang tot de boerderij weer geopend zou moeten worden?
Navraag heeft geen bevestiging opgeleverd dat het officieel tot militair gebied is verklaard. Vanaf road 60 is de toegangsweg voor auto’s al enkele jaren afgesloten. Daar is recentelijk de versperring verhoogd waardoor de boerderij nu te voet ook moeilijk te bereiken is. Toegang tot de boerderij is nu beperkt tot één kant die alleen via een omweg te bereiken is.
Deelt u de mening dat er geen enkele rechtvaardiging is voor het belemmeren van de toegang tot het eigen land van de familie Nassar en/of het intimideren en het plegen van vernielingen op het land van de familie Nassar?
Ja, er lijkt in dit geval geen rechtvaardiging voor de belemmering van de toegang tot het land van de familie Nassar. Intimidatie en het plegen van vernielingen zijn in geen enkel geval gerechtvaardigd.
Bent u bereid bij de Israëlische autoriteiten om opheldering te vragen over deze zaak en dit terug te koppelen aan de Tweede Kamer?
De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah vraagt, al dan niet samen met gelijkgezinde landen, regelmatig aandacht voor de situatie bij Tent of Nations.
De Israëlische autoriteiten (COGAT) meldden naar aanleiding van Nederlandse vragen te hebben geconstateerd dat er werkzaamheden op het gebied van Tent of Nations hebben plaatsgevonden en dat deze werkzaamheden niet in opdracht van het leger of de Israëlische autoriteiten plaatsvinden. Zij meldden dat het aanleggen van de weg niet is toegestaan en dat zij hierop zullen handhaven. Nederland zal hier op blijven aandringen. Het Israëlische Supreme Court heeft op 21 april jl. bevolen dat de staat tot nader order geen verandering in de staat van het land van Tent of Nations mag aanbrengen. Deze order ziet niet toe op veranderingen die om redenen van veiligheid of urgente gevechtsbelangen noodzakelijk zijn.
Bent u bereid zich in te zetten voor een oplossing in deze zaak? Zo ja, op welke manier zult u dit doen?
Nederland zet zich actief in voor de problemen van Tent of Nations. Recentelijk nog organiseerde de Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah een bezoek voor enkele EU-lidstaten aan de Tent of Nations en werd navraag gedaan bij COGAT over het al dan niet verklaren tot militair gebied. Nederland neemt bilateraal en in EU-verband altijd duidelijk stelling tegen landonteigening en het nederzettingenbeleid in de bezette Palestijnse Gebieden. Dit zal Nederland blijven doen. Daarnaast zet Nederland zich in EU-verband in voor het aannemen van sancties tegen gewelddadige kolonisten. Hier gaat een belangrijke signaalwerking vanuit dat kolonistengeweld voor Nederland onacceptabel is en dat het moet stoppen.
In hoeverre acht u de betreffende kwestie typerend voor de situatie van Palestijnse boeren in (area C van) de Westelijke Jordaanoever en kunt u aangeven hoe deze zich heeft ontwikkeld sinds de terreurdaden door Hamas van 7 oktober jl.?
In veel opzichten is dit exemplarisch voor wat Palestijnse bewoners in area C meemaken. Palestijnse boeren in dit gebied worden al jaren bedreigd in hun activiteiten door Israël, bijvoorbeeld door landonteigening, het wijzigen van bestemmingsplannen of het verklaren van «staatsgrond». Organisaties als «Peace Now» en «B'Tselem» hebben uitgebreid gepubliceerd over de methoden die Israël gebruikt om controle te krijgen over land voor de bouw van illegale nederzettingen.
Het uitroepen van «staatsgrond» is een van de belangrijkste methoden waarmee Israël probeert controle te krijgen over land op de Westelijke Jordaanoever. Land dat is uitgeroepen tot staatsgrond wordt door Israël niet langer beschouwd als privébezit van Palestijnen. Israël verhuurt staatsgrond uitsluitend aan Israëliërs.
Volgens de organisatie Peace Now heeft Israël in 2024 de grootste hoeveelheid land ooit op de Westelijke Jordaanoever tot «staatsgrond» uitgeroepen. Dit lijkt te duiden op een toename sinds de terreurdaden van 7 oktober jl.
Het bericht ‘Zijn rechtszaken over misbruik straks niet meer openbaar?’ |
|
Harmen Krul (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Zijn rechtszaken over misbruik straks niet meer openbaar?»?1
Ja.
Klopt het dat een slachtoffer aan de rechter kan verzoeken om een strafzitting achter gesloten deuren te laten behandelen, en zo ja, in welke gevallen wordt dit verzoek doorgaans toegewezen?
Ja, dat klopt. Een slachtoffer kan als procesdeelnemer aan de rechter verzoeken om een bevel te geven dat het onderzoek ter terechtzitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren wordt behandeld. Dit is vastgelegd in artikel 269, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Of dit verzoek wordt toegewezen is afhankelijk van de (belangen)afweging van de rechter. Het gaat daarbij altijd om maatwerk, waardoor er geen algemeen antwoord kan worden gegeven op de vraag wanneer het verzoek doorgaans wordt toegewezen. De rechter bekijkt van geval tot geval of een zaak achter gesloten deuren moet worden behandeld.
Klopt het dat wanneer sprake is van een minderjarig slachtoffer en een meerderjarige dader, de zitting in beginsel in het openbaar wordt behandeld?
Ja, dat klopt. Volgens artikel 121 van de Grondwet zijn zittingen in beginsel openbaar. De openbaarheid maakt publieke controle op de berechting mogelijk. Verder wordt door de openbaarheid zichtbaar dat de overheid optreedt als strafbare feiten worden gepleegd. Het strafproces krijgt daarmee een preventieve en normbevestigende werking. De overheid dient zich bij het vervolgen van strafbare feiten aan de wet te houden en de rechten van burgers te respecteren. De openbaarheid versterkt daarmee het vertrouwen in de strafrechtspleging.
Artikel 269, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dan ook dat het onderzoek ter terechtzitting in het openbaar geschiedt. Op deze bepaling bestaat een uitzondering. De rechter kan op vordering van het Openbaar Ministerie of op verzoek van de verdachte of andere procesdeelnemers bevelen om een zaak geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren te behandelen. Gronden hiervoor zijn: het belang van de goede zeden, de openbare orde, de veiligheid van de staat, alsmede indien de belangen van minderjarigen, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Ook indien de openbaarheid naar het oordeel van de rechter het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden, kan de rechter een dergelijk bevel gegeven.
De rechter geeft het bevel nadat het Openbaar Ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers, zo nodig achter gesloten deuren, hierover zijn gehoord. Het blijft dus altijd een belangenafweging.
Hoe vaak wordt een verzoek door een slachtoffer tot behandeling van de zitting achter gesloten deuren toegewezen?
Zowel bij het Openbaar Ministerie als bij de rechterlijke macht zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal toegewezen verzoeken.
Onder welke voorwaarden wordt een verzoek tot een zitting achter gesloten deuren doorgaans afgewezen wanneer sprake is van een slachtoffer van een seksueel (gewelds)misdrijf of seksuele uitbuiting?
Nu het al dan niet toewijzen van een verzoek tot zitting achter gesloten deuren van geval tot geval wordt beoordeeld, is er geen algemeen antwoord te geven op de vraag over wanneer het verzoek doorgaans wordt afgewezen. Zie ook mijn antwoorden op vragen 1 en 2.
Bent u het met de stelling eens dat het schrijnend is dat zowel meerderjarige als minderjarige slachtoffers van een seksueel misdrijf of seksuele uitbuiting soms vrezen voor een openbare behandeling van een strafzitting, bijvoorbeeld omdat er (gevoelige) details over seksueel misbruik tijdens de zitting gedeeld worden in het openbaar?
Ik ben mij ervan bewust dat er slachtoffers zijn die vrezen voor de openbare behandeling van de strafzitting waar gevoelige details worden besproken. De rechter heeft echter voldoende mogelijkheden om rekening te houden met de belangen van slachtoffers.
Zo is op 1 april 2017 is het Besluit slachtoffers van strafbare feiten in werking getreden (Stb. 2016, 310). In dit besluit zijn maatregelen opgenomen voor de bescherming van slachtoffers tijdens het voorbereidend onderzoek en het onderzoek op de terechtzitting.
Op grond van dit besluit zijn opsporingsambtenaren verplicht om tijdig en individueel te beoordelen of slachtoffers specifieke beschermingsbehoeften hebben. Daarbij moeten zij bepalen of en in welke mate het slachtoffer tijdens het strafproces en de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen van bijzondere maatregelen gebruik moet kunnen maken. Dit vanwege de bijzondere kwetsbaarheid van slachtoffers voor secundaire en herhaalde victimisatie, voor intimidatie en voor vergelding. Ook regelt dit besluit de bijzondere maatregelen die kunnen worden genomen als blijkt dat het slachtoffer specifieke beschermingsbehoeften heeft. Als die behoeften zijn vastgesteld dan kan tijdens het onderzoek ter terechtzitting een aantal maatregelen worden genomen. Een van die maatregelen is dat de rechter een behandeling achter gesloten deuren kan bevelen overeenkomstig artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Het besluit regelt dat minderjarige slachtoffers worden beschouwd als slachtoffers met specifieke beschermingsbehoeften. Ook bij minderjarige slachtoffers wordt aan de hand van een individuele beoordeling bepaald of en in welke mate zij in aanmerking komen voor bijzondere maatregelen. Als de leeftijd van een slachtoffer niet vaststaat en er voldoende reden is om aan te nemen dat het slachtoffer minderjarig is, wordt het slachtoffer voor de toepassing van dit besluit verondersteld minderjarig te zijn.
Naast de maatregelen die zijn neergelegd in het Besluit slachtoffers van strafbare feiten kunnen (andere) maatregelen worden toegepast ter bescherming van de identiteit van het slachtoffer en – in meer algemene zin – van de persoonlijke levenssfeer. Zo is het in de praktijk bij de behandeling van een grote zedenzaak voorgekomen dat het Openbaar Ministerie de namen van minderjarige slachtoffers in de dagvaarding heeft gecodeerd in cijfers. Op die manier werd hun anonimiteit tijdens de openbare zittingen gewaarborgd.
Tot slot bereiden de slachtofferadvocatuur en Slachtofferhulp Nederland het slachtoffer zo veel mogelijk voor op een zitting. Het Openbaar Ministerie zal voor de zomer 2024 een tweetal informatieproducten op hun website ter beschikking stellen zodat (minderjarige) slachtoffers en nabestaanden een beter beeld hebben en inzicht krijgen hoe een zitting verloopt en wat hen te wachten staat.
Wat is de reden dat zittingen waarbij intieme en gevoelige details van een slachtoffer van een seksueel misdrijf worden besproken standaard openbaar worden gehouden, ook als het gaat om een minderjarig slachtoffer?
Het uitgangspunt van de openbaarheid van de terechtzitting is toegelicht in mijn antwoord op vraag 3. Daar heb ik toegelicht dat de rechter, bijvoorbeeld in het belang van het slachtoffer, kan bevelen dat de zaak achter gesloten deuren wordt behandeld. In mijn antwoord op vraag 6 heb ik uitgewerkt op welke manier de belangen van het slachtoffer worden gewaarborgd.
Ziet u belang bij de mogelijkheid tot het behandelen van een zitting achter gesloten deuren wanneer specifieke details en gevoeligheden over een seksueel misdrijf worden besproken, die gevolgen kunnen hebben voor de privéomstandigheden van het (minderjarige) slachtoffer?
Ja, ik zie het belang van zittingen in sommige gevallen achter gesloten deuren behandelen. Het (wettelijk) stelsel voorziet daar ook voldoende in. Het is aan de deskundigheid van de rechter om af te wegen of een zaak openbaar moet worden behandeld of niet. De rechter dient niet alleen de belangen van het slachtoffer mee te wegen, maar ook die van andere procesdeelnemers en van het publiek. Dit geldt dus ook voor zittingen waarbij gevoelige details van een slachtoffer van een seksueel misdrijf worden besproken.
Bent u bekend met de wet die in België is ingediend, waarin wordt voorgesteld om de behandeling van de zaak achter gesloten deuren bij seksuele misdrijven vast te leggen in de wet?2 Zo ja, wat is uw reactie op dit voorstel?
Ja, daar ben ik mee bekend. Zie verder mijn antwoord op vraag 10.
Bent u bereid om te onderzoeken of het mogelijk is, onder andere ten opzichte van Europese wet- en regelgeving, om de voorwaarden die gelden voor een zitting achter gesloten deuren uit te breiden naar zaken van seksuele misdrijven en seksuele uitbuiting ter bescherming van zowel meerderjarige als minderjarige slachtoffers? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het voorgaande is geantwoord bestaat de mogelijkheid om een zitting achter gesloten deuren te bevelen al, ook bij zaken die seksuele misdrijven en seksuele uitbuiting betreffen.
Ik zie geen aanleiding om het huidige wettelijk systeem aan te passen. Als zaken waarbij sprake is van een verdenking van seksueel misbruik van een minderjarig slachtoffer standaard achter gesloten deuren worden behandeld, wordt dit type delict uitgesloten van de openbaarheid. Het in zijn algemeenheid uitsluiten van delicten voor openbare behandeling acht ik niet wenselijk. Ook bij delicten als seksueel misbruik is openbaarheid het uitgangspunt, zodat publieke controle mogelijk is. Als de belangen van het minderjarige slachtoffer in een specifieke zaak toch zwaarder moeten wegen is er, binnen de bestaande wettelijke mogelijkheden, voldoende ruimte om de zaak achter gesloten deuren te behandelen. Ik vertrouw daarbij op de deskundigheid van de rechter om daarin een afweging in te maken waarbij rekening wordt gehouden met het voorkomen van victimisatie, intimidatie en vergelding.
Overigens wordt in Unieverband een voorstel behandeld voor de herziening van de richtlijn bestrijding van seksueel kindermisbruik en materiaal betreffende seksueel kindermisbruik. Het BNC-fiche ten aanzien van dit voorstel werd op 15 maart 2024 aan de Tweede Kamer gestuurd. Deze richtlijn ziet ook op maatregelen voor de strafprocedure. Maatregelen die verzekeren dat in strafprocedures, tijdens het onderzoek op de terechtzitting, bij bepaalde delicten kan worden bevolen dat minderjarigen worden gehoord zonder aanwezigheid van publiek. Ook kan het minderjarige slachtoffer worden gehoord zonder aanwezig te zijn in de zittingszaal. Dit kan door middel van het gebruik van geschikte communicatietechnologie. De Nederlandse wetgeving kent deze voorzieningen al.
Luchtverdediging voor Oekraïne |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het verzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken van Oekraïne om meer luchtverdedigingssystemen te leveren?1
Nederland heeft het voortouw genomen om een internationale coalitie bijeen te brengen voor de levering van aanvullende Patriot capaciteit aan Oekraïne. Inmiddels zijn de benodigde onderdelen voor een volledig Patriotsysteem verzameld. Nederland stelt zelf drie lanceerinstallaties en een radar beschikbaar, de overige benodigde kerncomponenten worden door een bondgenoot geleverd. Oekraïne heeft een urgente behoefte aan luchtverdedigingssystemen en munitie. Het leveren van luchtverdedigingssystemen blijft één van de prioriteiten ten aanzien van de internationale militaire steun aan Oekraïne. Nederland heeft tot op heden Patriot lanceerinstellingen, raketten, mobiele luchtdoelkanonnen, Stingerraketten en radars geleverd. Via de levering van F-16’s, als co-lead van de Air Force Capabilty Coalition, en als lid van de Integrated Air and Missile Defence (IAMD) Capability Coalition draagt Nederland bij aan de ontwikkeling van de huidige en toekomstige Oekraïense geïntegreerde luchtverdediging. Nederland blijft ook de komende periode luchtverdedigingscapaciteiten aan Oekraïne leveren, bijvoorbeeld door middel van een bijdrage van € 150 miljoen aan het Duitse Immediate Action on Air Defense initiatief en € 60 miljoen ten behoeve van korte afstand luchtverdediging. Het kabinet spoort haar internationale partners actief aan om dit ook te doen.
Op welke wijze wordt uitvoering gegeven aan de afspraak in de bilaterale veiligheidsovereenkomst dat er op korte termijn samen met andere partners met prioriteit wordt gewerkt aan de verstrekking van luchtverdediging?2
Op het gebied van luchtverdediging worden de in de veiligheidsovereenkomst vastgelegde afspraken op zowel korte als lange termijn geïmplementeerd via bilaterale en multilaterale initiatieven zoals de Capability Coalitions IAMD- en Air Force en een door het Verenigd Koninkrijk geleid initiatief ten behoeve van luchtverdedigingsmiddelen.
Klopt het dat Duitsland tijdens de NAVO-bijeenkomst van afgelopen week heeft aangegeven onmiddellijk een analyse uit te gaan voeren van alle beschikbare patriotsystemen wereldwijd? Zo ja, op welke wijze helpt Nederland hierbij?3
Duitsland heeft, als coördinator van de IAMD Capability Coalition, publiekelijk bondgenoten en internationale partners opgeroepen meer bij te dragen aan luchtverdediging. Nederland heeft informatie aan Duitsland verstrekt en spoort, waar mogelijk, actief internationale partners aan om meer middelen te leveren.
Kan Nederland, net als eerder bij de levering van houwitsers, tanks en de F-16’s, opnieuw het voortouw nemen in het leveren van luchtverdediging waaronder patriotssystemen, al dan niet samen met bijvoorbeeld Duitsland?
Het Patriot-systeem is een schaarse capaciteit voor Nederland en binnen de NAVO. Desalniettemin stelt Nederland zelf drie lanceerinstallaties en een radar beschikbaar, de overige benodigde kerncomponenten worden door een bondgenoot geleverd. Verder onderzoekt Nederland momenteel wat de uitspraken van de SG van de NAVO over de NAVO capaciteitsdoelstellingen betekenen voor de Nederlandse militaire steun aan Oekraïne. Hierbij wordt in de afweging kritisch gekeken naar de gevolgen op de operationele gereedheid, internationale verplichtingen, en de mogelijkheid om Nederlandse militairen te blijven trainen. Het kabinet acht het belang van luchtverdedigingssteun dermate belangrijk dat het een actieve rol voor zich ziet in het overtuigen van andere partners van het leveren van materieel. Het kabinet kaart dit aan in bilateraal verband, tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van de EU en in NAVO-bijeenkomsten.
Bent u bereid om ook te bekijken of en wat Nederland aan patriotssystemen nog zou kunnen leveren, wel met het oog op het getraind kunnen houden van onze eigen eenheden?
Zie antwoord vraag 4.
De vervolging van enkele hulpverleners in Letland |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Klopt het dat in Letland het onderscheid tussen hulpverlener en mensensmokkelaar minder duidelijk is vastgelegd dan in Nederland? Klopt het dat daardoor hulpverleners die in Letland hulpverlenen aan vluchtelingen aldaar vervolgd kunnen worden?1
Het Letse strafrecht kent geen speciale status voor hulpverleners. Mensen die irreguliere migranten assisteren in illegaal oversteken van landsgrenzen kunnen daarvoor berecht worden volgens het Letse strafrecht. Op 20 oktober 2023 zijn de straffen hiervoor aangescherpt, en kunnen variëren van 2 tot 8 jaar.
Ook in Nederland is het onderscheid tussen hulpverlener en mensensmokkelaar niet expliciet in de strafbepaling van mensensmokkel (artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht) vastgelegd.
Het kabinet is daarmee niet voor het strafbaar stellen van hulp aan mensen in nood door organisaties, maar wil de strafrechtelijke aansprakelijkheid niet principieel expliciet bij wet uitsluiten.
Tenslotte hangt het van de individuele omstandigheden van een geval af of vervolging aangewezen is. Indien in voorkomend geval wordt vastgesteld dat de betrokkene heeft gehandeld op humanitaire gronden kan worden besloten om niet over te gaan tot strafvervolging. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat humanitaire hulpverlenging onder omstandigheden op grond van een algemene strafuitsluitingsgrond in de weg kan staan aan de strafbaarheid van de in artikel 197a Sr omschreven mensensmokkel of van de dader daarvan. De Hoge Raad wijst, mede op grond van de wetsgeschiedenis, op situaties waarin een beroep op een dergelijke strafuitsluitingsgrond kan worden aanvaard, in het bijzonder op «gevallen van humanitaire bijstand zonder enig oogmerk van eigen bevoordeling aan een vreemdeling van wie aannemelijk is dat hij in een zijn leven of veiligheid bedreigende noodsituatie verkeert en aan wie bij zijn vlucht redelijkerwijze niet op andere wijze hulp kan worden geboden dan door hem wederrechtelijk over de grens met Nederland te brengen of in Nederland verder te brengen» (ECLI:NL:HR:2017:888).
Bent u ervan op de hoogte dat de Commissaris voor de Rechten van de Mens van de Raad van Europa vorig jaar protest heeft aangetekend tegen het feit dat individuen en organisaties die vitale hulp aan vluchtelingen bieden worden gecriminaliseerd in Letland?2
Ik ben bekend met de brief van de Commissaris voor de Rechten van de Mens aan de voormalig Minister van Binnenlandse Zaken van Letland, Māris Kučinskis. In deze brief, d.d. 27 januari 2023, uitte de Commissaris haar zorgen over het strafrechtelijk onderzoek dat destijds is gestart naar twee medewerkers van de Letse NGO «I want to help refugees». Het onderzoek naar een van de medewerkers is inmiddels gestaakt. Het andere onderzoek loopt nog en is overgedragen aan de Letse rechter. Bij een rechtszaak in een andere EU-lidstaat is het oordeel aan de desbetreffende rechter. Nederland mengt zich niet in de rechtsgang van andere landen.
Kunt u uiteenzetten wat de status van deze kritiek van de Commissaris voor de Rechten van de Mens is en hoe de regering van Letland met deze kritiek tot nu toe om is gegaan?
Op 3 februari 2023 heeft de voormalig Letse Minister van Binnenlandse Zaken een reactie gestuurd op de brief van de Mensenrechtencommissaris.3 In deze brief beargumenteert de Minister dat de kritiek van de Mensenrechtencommissaris in Letse ogen niet gegrond is. Zo stelt hij dat de Letse regering handelt (ook t.a.v. voorgestelde wetsamendementen) in volledige overeenstemming met de rechten en plichten van een staat, het beginsel van non-refoulement en met in achtneming van mensenrechten (bijvoorbeeld met betrekking tot de gezondheid van individuen en medische hulp).
Op 21 juni 2023 bracht de Mensenrechtencommissaris een verklaring4 uit, waarin ze haar zorgen uitte over de amendementen, omdat ze in de praktijk zouden leiden tot het legaliseren van pushbacks en mishandeling van personen die internationale bescherming nodig hebben. De Mensenrechtencommissaris deed daarbij een oproep om de amendementen te verwerpen. Het Lets parlement heeft op 12 oktober 2023 de amendementen aangenomen. De Mensenrechtencommissaris heeft hier geen reactie op geleverd.
Bent u ervan op de hoogte dat momenteel ook twee Nederlanders in Letland vervolgd worden voor het helpen van een groep vluchtelingen?3
Het ministerie is met de zaak van beide Nederlanders bekend, volgt deze nauwgezet en verleent waar gevraagd en mogelijk consulaire bijstand.
Heeft u of heeft enige andere Nederlandse organisatie voor zover u weet contact met de in vraag 4 genoemde Nederlanders en/of met de Letse autoriteiten over deze zaak?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken verleent de twee Nederlanders consulaire bijstand. Medewerkers van de Nederlandse ambassade hebben contact gehad met betrokkenen en er is regelmatig contact geweest met familie van betrokkenen. In het kader van de consulaire bijstand aan betrokkenen heeft de Nederlandse ambassade in Riga gedurende de periode van detentie meermaals contact gehad met de Letse autoriteiten. Daarbij dient rekening gehouden te worden met het gegeven dat Nederland zich niet mag en kan mengen in de strafrechtsgang van een Nederlandse burger in een andere staat.
Met het oog op privacy van de betrokkenen deelt het ministerie geen informatie over consulaire zaken met derden. Het staat de betrokkenen vrij om andere (Nederlandse) organisaties te informeren over hun zaak en desgewenst te betrekken.
Welke mogelijkheden zijn er om eventueel ondersteuning te bieden aan de in vraag 4 genoemde Nederlanders? Bent u bereid hen voor zover mogelijk deze ondersteuning te bieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De prognose dat dit jaar een kwart van alle in Europa verkochte elektrische auto’s uit China afkomstig zullen zijn |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Gerrit van Leeuwen |
|
![]() |
Heeft u er kennis van genomen dat uit een prognose van het Europese klimaatbureau «Transport & Environment» blijkt dat dit jaar uit China afkomstige elektrische auto’s tot wel een kwart van de verkoopcijfers zouden kunnen opeisen?1
Ja.
Deelt u de mening dat Europa niet te eenzijdig afhankelijk van China moet worden voor grondstoffen en producten, aangezien China eerder heeft aangetoond bereid te zijn om deze afhankelijkheden geopolitiek in te zetten?
Het kabinet is zich bewust van de risico’s die strategische afhankelijkheden met zich mee kunnen brengen. Het ontstaan van dit soort risicovolle strategische afhankelijkheden van derde landen moet zoveel mogelijk voorkomen worden.
Op nationaal niveau draagt de interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden bij aan het in kaart brengen en mitigeren van risicovolle strategische afhankelijkheden. In de Kamerbrieven over de kabinetsaanpak voor risicovolle strategische afhankelijkheden van 12 mei en 21 december 2023 licht het kabinet nader toe hoe het zich hiervoor inzet, zowel op nationaal als op Europees niveau.2
Voor kritieke en strategische grondstoffen, zoals verwerkt in elektrische voertuigen, zet het kabinet zich via de Nationale Grondstoffenstrategie (NGS) in om de leveringszekerheid te vergroten en risicovolle strategische afhankelijkheden hieromtrent af te bouwen.3 Het kabinet verwelkomt in dat kader ook de Europese Critical Raw Materials Act (CRMA). Deze zet, net als de NGS, erop in om de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen voor heel Europa te vergroten. Dit gebeurt onder andere via het afsluiten van internationale strategische partnerschappen en het monitoren van risicovolle strategische afhankelijkheden. Voorts worden via de CRMA circulariteit en substitutie van kritieke en strategische grondstoffen gestimuleerd. Het kabinet steunt tevens het Europese beleid dat inzet op de-risking en diversificatie van handelsketens.
Deelt u de mening dat daarom voorkomen moet worden dat de Europese auto-industrie wordt weggeconcurreerd door goedkope Chinese import, met als gevolg dat Europa uiteindelijk te eenzijdig afhankelijk wordt van China op dit gebied? Zo nee, waarom niet?
Ja, gelet op de hoge maatschappelijke kosten bij het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden verdient het de voorkeur om in te zetten op het waar mogelijk voorkomen van dit soort afhankelijkheden. De automobielindustrie in Europa is zelf hoogstaand en heeft niet alleen een direct positief economisch effect, maar ook een positief indirect effect op verschillende high-tech toeleverketens, zoals de batterij-sector, chips industrie en mechatronica, waar Nederland ook in voorop loopt en deze positie verder wil uitbreiden.4 In de EU is de gehele automobielsector goed voor 7% van het Europees Bruto Binnenlands Product. 13,8 miljoen Europese banen en 31% van de R&D-investeringen komen uit deze sector.5 De EU is op dit moment wereldwijd, na China, de tweede speler op de automarkt.6 Dankzij dit «multiplier effect» is de Europese auto-industrie een belangrijk onderdeel van de Europese economie en welvaart.
De Europese automarkt staat op dit moment niet alleen onder druk vanwege concurrentie uit derde landen, zoals China, maar ook door de complexiteit en hoge investeringskosten van de overgang naar elektrisch rijden en tegenvallende verkoopcijfers. In dit kader is het van groot belang dat bedrijven binnen de industrie op gelijke voet met elkaar kunnen concurreren. Eerlijke internationale concurrentie stimuleert innovatie en kosteneffectiviteit, en kan zo de toegang tot betaalbare elektrische voertuigen vergroten. Met toegenomen eerlijke concurrentie zal het bedrijfsleven tijdig stappen moeten ondernemen om de eigen marktpositie te behouden.
Zoals aangegeven in de brief over eerlijke concurrentie en gelijk speelveld industriële subsidies die op 2 april jl. met uw kamer is gedeeld, zet het kabinet zich op meerdere manieren in voor behoud en versterking van een Europees en mondiaal gelijk speelveld. In de EU staan hiervoor verschillende instrumenten tot onze beschikking, zowel van handelsdefensieve als handelsbevorderende aard. Aan de handelsdefensieve kant wordt door de Europese Commissie reeds actie genomen door middel van het ingestelde anti-subsidieonderzoek naar elektrische auto’s uit China. Tegelijkertijd verkent Nederland momenteel bij andere EU lidstaten die onderdeel zijn van de toeleveringsketen, of zelf een sterke auto-industrie hebben, wat hun positie ten aanzien van het vraagstuk is hoe de Europese sector beter in positie gebracht zou kunnen worden om met aanbieders uit derde landen te concurreren. Nationaal wordt het innovatie- en concurrentievermogen van de automobielsector direct en indirect versterkt via meerdere Groeifondsprojecten (NXTGEN Hightech, 450 miljoen euro; Circular Batteries & Materials Independence, 296 miljoen euro; Charging Energy Hubs, 58 miljoen euro) en de Green Transport Delta projecten voortvloeiend uit de coronaregeling R&D Mobiliteitssectoren.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van het onderzoek dat de Europese Commissie in oktober 2023 is gestart naar de vraag of er geen marktverstoring plaatsvindt door Chinese subsidies op elektrische auto’s? Op welke termijn verwacht u resultaten van dit onderzoek?2
Het onderzoek is nog in volle gang. De Europese Commissie kan uiterlijk 4 juli 2024 voorlopige antisubsidiemaatregelen nemen. Een beslissing over definitieve maatregelen volgt uiterlijk 2 november 2024. Vanwege de toegenomen invoer na de start van het antisubsidieonderzoek, heeft de Europese Commissie de nationale douane autoriteiten opdracht gegeven om met ingang van 7 maart 2024 de import van elektrische auto’s te registreren.8 Dit geeft de mogelijkheid om de antisubsidieheffingen met ingang van de datum van registratie (met terugwerkende kracht) op te leggen, als uit het onderzoek blijkt dat er sprake was van massale invoer van gesubsidieerde voertuigen die ernstige schade aan de EU-industrie heeft berokkend.
Welke maatregelen zouden wat u betreft genomen kunnen worden voor de bescherming van de Europese auto-industrie, als bijvoorbeeld blijkt dat er marktverstoring plaatsvindt? Vindt u hogere importtarieven of quota’s in dat geval gerechtvaardigd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet hecht groot belang aan een gelijk speelveld. Vanuit dat perspectief verwelkomt het kabinet het antisubsidieonderzoek naar de import van elektrische auto’s uit China. Antisubsidiemaatregelen kunnen worden opgelegd als uit het onderzoek van de Commissie blijkt dat er sprake is van marktverstorende subsidiëring, dat dit schade veroorzaakt aan de EU-industrie, en dat het opleggen van maatregelen in het belang van de Unie is. Hierbij moet worden gekeken naar de mogelijke impact van maatregelen op de EU-industrie, gebruikers en consumenten. Mocht dat het geval zijn, dan zijn maatregelen geoorloofd en kan de EU maatregelen instellen tegen elektrische auto’s uit China die worden geïmporteerd, of op invoer van elektrische auto’s afkomstig van specifieke bedrijven. Maatregelen in het kader van anti-subsidieonderzoeken kunnen de vorm aannemen van een aanvullende heffing als percentage van de invoerwaarde van een product, een vaste heffing per product, een minimum importprijs, of een zogenaamde price undertaking, waarbij een exporteur zich verbindt aan het verkopen van het product boven een minimumprijs.
Deelt u tevens de zorgen dat veel Nederlanders niet beseffen dat hun data – zoals wat, waar en wanneer je rijdt – mogelijk in China terecht komen? Zijn er wat u betreft bepaalde doelgroepen die aangeraden zouden moeten worden geen Chinese elektrische auto’s te gebruiken? Zo nee, waarom niet?3
De zorgen die u schetst deel ik. Het dreigingsbeeld Statelijke Actoren 2 schetst deze zorgen ook, en stelt vast dat er mogelijkheid bestaat dat statelijke actoren de grootschalige verzameling van persoonsgegevens gebruiken voor gerichte beïnvloedingsdoeleinden om bijvoorbeeld tegenstanders van een regime in diskrediet te brengen, of sociale spanningen te vergroten door polarisatie aan te wakkeren.
Tegelijkertijd hebben individuen en organisaties eigen verantwoordelijkheid voor hun aankopen. Binnen de Europese Unie worden kaders en regelgeving opgesteld die eisen stellen aan producten die op de EU markt komen, zoals voertuigen. De EU stelt onder andere strenge eisen aan de (cyber)veiligheid van het voertuig. Wanneer een voertuig op de Europese markt wordt geïntroduceerd, moet aan Europese typegoedkeuringseisen worden voldaan, ongeacht uit welk land het voertuig komt. Zo moeten fabrikanten maatregelen beschrijven en nemen om de cyberveiligheid van het voertuig(systeem) te garanderen. Dit wordt vervolgens gecontroleerd door een typegoedkeuringsautoriteit, zoals de RDW, voordat het voertuig de markt op gaat.
Sommige voertuigsystemen zijn verplicht, en kunnen niet functioneren zonder het verzamelen van data. Huidige wettelijke kaders daarbij zijn o.a. de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Dataverordening. Dat betekent dat voertuigfabrikanten zich moeten houden aan principes zoals dataminimalisatie en doelbinding.
Als China zo actief de Europese automarkt weet te betreden, kan u dan ook toelichten welke vooruitgang er wordt geboekt in gesprekken met de Chinezen ten aanzien van onze markttoegang in China? Voor welke sectoren die voor Nederland van belang zijn, wilt u snel vooruitgang zien in de Europese dialoog met China?
De Europese Unie heeft regelmatig overleg met China over markttoegang en eerlijke concurrentie met als doel de toegang tot de Chinese markt voor Europese bedrijven te vergroten. Ook in bilaterale gesprekken wordt gesproken met China over markttoegang en handelsbelemmeringen. Daarbij wordt regelmatig voortgang geboekt; zo werd recentelijk de markttoegang voor enkele agrarische producten versoepeld. Tijdens het recente bezoek van leden van het kabinet aan China is o.a. met de Minister van handel gesproken over handelsbelemmeringen en gewezen op het jaarlijkse rapport van de Europese Kamer van Koophandel in China. Daarin staat een groot aantal aanbevelingen om markttoegang te verbeteren.
De toegenomen export van landbouwmachines en diervaccins naar Rusland |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Klopt het bericht dat Nederland meer agrarisch gerelateerde producten, zoals diervaccins, broed- en landbouwmachines exporteert naar Rusland dan voor 24 februari 2022?1
In het aan het bericht ten grondslag liggende rapport («de Nederlandse agrarische sector in internationaal verband, editie 2024») staat inderdaad dat de Nederlandse uitvoerwaarde van landbouwgerelateerde goederen2 naar Rusland toenam van EUR 184 miljoen in 2021 naar EUR 239 miljoen in 2022 (overigens daalde deze uitvoerwaarde in 2023 weer naar EUR 193 miljoen3). Het rapport geeft inzicht in alle mondiale, landbouwgerelateerde handelsstromen met ons land en wordt jaarlijkse gepubliceerd door Wageningen Economic Research i.s.m. het Centraal Bureau voor de Statistiek in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het rapport werd op 4 maart jl. aan uw Kamer verzonden ter informatie. Deze machines vallen, tot nu toe, niet onder sancties.
Klopt het dat het hierbij vooral gaat om handelswaar waarmee de opbrengst per hectare landbouwgrond in Rusland toeneemt?
Voor een deel van de exportgoederen geldt dit mogelijk wel (o.a. oogst- en dorsmachines), maar voor een ander deel niet of minder (bijv. dierenvaccins die een preventieve werking hebben bij dierziektes en de verspreiding daarvan).
Deelt u de mening dat deze Nederlandse export daarmee bijdraagt aan de autarkische koers van Rusland, zoals onlangs nog door Poetin geaccentueerd in zijn jaarlijkse toespraak tot de Doema en de Federatieraad? Zo nee, waarom niet?2
Het is aannemelijk dat de Nederlandse export van landbouwgerelateerde goederen op deelterreinen individuele bedrijven in de Russische land- en tuinbouwsector beter in staat stelt tot (voedsel)productie in Rusland zelf. In hoeverre dit ook bijdraagt aan meer autarkie is niet met zekerheid te zeggen.
Hoe beoordeelt u de woorden van oud-president Medvedev dat de eigen, steeds meer zelfvoorzienende agrarische sector een «stil wapen» is waarmee «vijanden» gestraft worden en waarvan «vrienden» mogen profiteren?
Het kabinet is van mening dat voedsel en voedselvoorziening nooit gebruikt mogen worden als een «stil wapen».
Deelt u de mening dat het terecht is dat de sancties tegen Rusland geen belemmering voor de uitvoer van levensmiddelen en landbouwproducten mogen vormen, opdat de Europese Unie (EU) geen verantwoordelijkheid draagt voor de wereldwijde voedselcrisis?
De Europese sancties zijn erop gericht om een hoge prijs te verbinden aan de Russische aanvalsoorlog, consequenties te verbinden aan schending van het internationaal recht en de Russische oorlogscapaciteit technisch, financieel en economisch zo veel mogelijk in te perken. De Russische agressie tegen Oekraïne heeft geleid tot enorme schade aan Oekraïense infrastructuur, de landbouw en economie als geheel en een blokkade van havens. Dat is de oorzaak dat graan uit Oekraïne de wereldmarkt niet bereikte en daaruit voortvloeiende problemen t.a.v. voedselzekerheid. Het kabinet weegt bij voorgestelde nieuwe sanctiemaatregelen steeds of deze ongewenste neveneffecten zouden hebben, waaronder op het gebied van voedselzekerheid. Op de sancties geldt, zoals bekend, een reeks uitzonderingen, juist om humanitaire hulp te faciliteren en als extra garantie voor voedselzekerheid. Zo kunnen bedrijven en personen tegen wie sancties gelden in aanmerking komen voor vrijstelling voor transacties die van belang zijn voor de wereldwijde voedselzekerheid.
Bent u van mening dat agrarisch gerelateerde producten die expliciet gebruikt worden om Rusland zelfvoorzienend – en daarmee ook sanctiebestendig – te maken mogelijk wel gesanctioneerd kunnen worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, onder welke voorwaarden zouden dergelijke sancties wat u betreft ingesteld kunnen worden?
Het is de inzet van het kabinet om in EU-kader de druk op Rusland op te blijven voeren met aanvullende sanctiemaatregelen, waarbij voor het kabinet alle opties op tafel (blijven) liggen. Zwaarwegende humanitaire belangen, zoals de wereldwijde voedselzekerheid, zijn hierbij wel steeds een randvoorwaarde. Daarom toetst het kabinet bij potentiële nieuwe maatregelen of deze geen ongewenste gevolgen hebben voor de voedselzekerheid. Het kabinet verstrekt geen informatie over mogelijke toekomstige sanctiemaatregelen, daar het de effectiviteit van het sanctie-instrument ondermijnt.
Vrouwen in de krijgsmacht |
|
Derk Boswijk (CDA), Gijs Tuinman (BBB), Tjebbe van Oostenbruggen (NSC), Laurens Dassen (Volt), Jimme Nordkamp (PvdA), Sarah Dobbe , Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Wat ziet u als de grootstebottlenecks bij de verschillende krijgsmachtdelen ten aanzien van het doorgroeien van vrouwen naar leidinggevende posities?
Alle leidinggevende functies staan open voor zowel vrouwen als mannen. Tegelijkertijd zien we dat het aantal vrouwen in topfuncties nog onvoldoende en niet representatief is. Dit stijgt wel gestaag. Op 1 januari 2024 was 15% van het totaal aantal topfunctionarissen (militair vanaf brigadegeneraal, burger vanaf schaal 16) vrouw (meer dan verdubbeld, in 2020 was dit nog 7.6%). Die groei moeten we bestendigen en dat kost tijd. Dit hangt ook samen met het feit dat het totaal aantal vrouwen dat binnen de krijgsmacht werkzaam is, nog steeds beperkt is (op 1 januari 2024 was 12.4% van de militairen vrouw). Hoe meer vrouwen er bij Defensie werken, hoe groter de vijver waaruit de doorstroom gerealiseerd kan worden.
Deelname aan uitzendingen is niet voorwaardelijk om door te groeien in rang. De kennis en ervaringen die militairen opdoen tijdens een missie en voorbereiding op operationele inzet zijn van onschatbare waarde voor militairen. Dit geldt voor alle militairen, vrouwen en mannen. Een groot aantal functies vereist dan ook operationele kennis en ervaring. Die operationele ervaring kan opgedaan worden tijdens een uitzending of door geplaatst te worden bij een operationele eenheid. Dit gebeurt in samenspraak met de P&O-organisatie, om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de wensen en behoeften van het personeel.
Voor operationele functies geldt vaker dat de druk om fulltime te werken hoger is, de optie voor deeltijdwerken staat dan onder druk. Dit wordt, met name door vrouwen maar ook steeds meer door mannen, als een uitdaging gezien in de combinatie met bijvoorbeeld ouderschap of zorgtaken. Hier wordt, indien mogelijk, rekening mee gehouden door vroegtijdig met elkaar in gesprek te gaan en afspraken te maken over inzet op (varende) operationele functies of een uitzending.
In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2024, zoals hieronder verder beschreven in antwoord op vraag 4, is daarom overeengekomen dat er een aanvullende variant van deeltijdverlof voor militairen wordt geïntroduceerd, waarbij voor een bepaalde (vooraf vastgestelde) periode wordt afgesproken dat de commandant geen gebruik zal maken van de mogelijkheid om het deeltijdverlof op te schorten. Ik ben ervan overtuigd dat het verbeteren van de mogelijkheden voor militairen om in deeltijd te werken Defensie tot een aantrekkelijker werkgever maakt voor vrouwen én mannen. Ook draagt het bij aan een goede werk-privé balans en een meer diverse beeldvorming over wat het betekent om militair te zijn.
Klopt het dat voor bepaalde rangen in bepaalde krijgsmachtdelen het deelnemen aan uitzendingen voorwaardelijk is? Kunt u zich voorstellen dat vrouwen en mannen er hierdoor vaker voor kiezen de krijgsmacht te verlaten, omdat dit niet (meer) past bij hun levensfase? Wat wordt hier op dit moment aan gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Wat wordt op dit moment verder gedaan om doorstroming van vrouwen naar leidinggevende posities in de krijgsmacht te bevorderen?
Het is voor Defensie belangrijk om als uitgangspunt gelijke kansen te creëren, talentgerichte ontwikkeling te stimuleren en te faciliteren, op alle niveaus. Dat geldt niet alleen voor vrouwen maar voor alle (potentiële) medewerkers. Echter, het is duidelijk dat versterkte inzet nodig blijft om het aantal vrouwen bij Defensie, inclusief in leidinggevende posities, te vergroten. Dit doen Defensieonderdelen door het in beeld hebben en ontwikkelen van leidinggevend talent, het aanbieden van loopbaanbegeleiding en talent(ontwikkel)programma’s. Daarnaast zet Defensie in op het verbeteren van de zichtbaarheid naar buiten toe door D&I actief te integreren in arbeidsmarktcommunicatie met als doel een positieve trend te realiseren in de instroom van onder andere vrouwelijke medewerkers.
Alleen inzetten op instroom is niet voldoende, behoud van vrouwelijk personeel is minstens zo belangrijk. Daarom zetten Defensieonderdelen tijdens informatiebijeenkomsten specifiek in op het interesseren van vrouwen in leidinggevende functies op alle niveaus, bijvoorbeeld ook bij onderofficieren. Daarnaast worden bijvoorbeeld de Middelbare Defensievorming (MDV) en Hogere Defensievorming (HDV) inmiddels in modulaire vorm aangeboden. Dit biedt deelnemers meer flexibiliteit om de opleiding te volgen en dit aan te passen aan de persoonlijke situatie, of dit beter te kunnen combineren met ouderschap. Ook wordt ingezet op het schrijven van vacatureteksten die een bredere doelgroep aanspreken.
Op welke wijze wordt de mogelijkheid tot meer parttime werken door de krijgsmacht gefaciliteerd? Klopt het dat dit bij sommige krijgsmachtdelen of in sommige functies alleen kan als militairen zelf zorgen voor iemand die bereid is een functie gezamenlijk fulltime te vervullen? Zo ja: wat kan er vanuit Defensie worden gedaan om dit eenvoudiger te maken?
Voor militairen is in deeltijd werken wettelijk geregeld door het verlenen van deeltijdverlof. Militairen kunnen deeltijdverlof aanvragen in de vorm van onbetaald verlof. Dit hoeft niet in combinatie met een andere militair die deeltijd werkt. Bij deze vorm van parttime werken bestaat de mogelijkheid tot afwijzing en het opschorten van het verlof, bijvoorbeeld in overweging van operationele redenen. Ik ben me ervan bewust dat de onzekerheid die de huidige regeling met zich meebrengt de werk-privé balans negatief kan beïnvloeden. In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2024 is daarom overeengekomen dat er een aanvullende variant van deeltijdverlof voor militairen wordt geïntroduceerd, waarbij voor een bepaalde (vooraf vastgestelde) periode wordt afgesproken dat de commandant geen gebruik zal maken van de mogelijkheid om het deeltijdverlof op te schorten. Hiermee heeft de militair gedurende een periode van maximaal zes jaar, die op te splitsen is in meerdere periodes van 1 jaar, dus zekerheid over het werken in deeltijd. Deze vorm van deeltijdverlof wordt gedurende de looptijd van het arbeidsvoorwaardenakkoord 2024 ingevoerd.
Medewerkers kunnen daarnaast ouderschapsverlof opnemen totdat het kind de leeftijd van acht jaar bereikt. Het opnemen van het ouderschapsverlof kan voor maximaal 26 keer de arbeidsduur per week. Hiervan krijgt de medewerker de eerste 13 weken salaris (75% van het inkomen) en de laatste 13 weken niet. Het ouderschapsverlof kan flexibel worden opgenomen voor bijvoorbeeld een aantal uren per week voor een bepaalde periode. Opnemen in meerdere periodes is ook mogelijk.
Op welke wijze wordt op dit moment kinderopvang voor kinderen van medewerkers van Defensie gefaciliteerd – op dagelijkse basis, maar ook waar het gaat om opvang gerelateerd aan de unieke uitdagingen van defensiepersoneel, zoals tijdens uitzendingen? Wat kan er op dit vlak meer worden gedaan?
Defensie faciliteert op dit moment geen kinderopvang. De omstandigheid dat militairen periodiek van functie wisselen, hetgeen regelmatig wijziging van de werklocatie betekent, maakt dat militairen kiezen voor een kinderopvang in de nabijheid van hun woonomgeving en sociale vangnet. Om die reden is Defensie in het verleden dan ook gestopt met het aanbieden van kinderopvanglocaties op de werkplek van de militair.
Bij uitzendingen worden vrouwelijke militairen niet ingezet tot het kind de leeftijd van één jaar heeft bereikt. Voor vrouwelijke en alleenstaande mannelijke militairen met kinderen, geldt dat zij op aanvraag niet hoeven worden ingezet tot het kind de leeftijd van vijf jaar bereikt. Ik ben me er van bewust dat hier een bepaalde mate van ongewenste ongelijkheid in zit en Defensie beschouwt welke mogelijkheden er zijn om dit gelijkwaardig te maken. Hierbij is het belangrijk mee te nemen dat de operationele inzetbaarheid van de eenheid gewaarborgd blijft.
Tot slot biedt Defensie ouders met jonge kinderen tot de leeftijd van vijf jaar en militairen met zorgtaken voor kinderen en/of de partnerkinderen gedurende de uitzending een financiële tegemoetkoming van maximaal € 150 netto per maand.
Wordt er binnen Defensie actief gekeken op welke wijze de balans tussen werk en privé kan worden verbeterd – met inachtneming van het unieke werk van Defensie? Op welke wijze worden hierover gesprekken met vrouwen en mannen in de krijgsmacht gevoerd, wordt maatwerk mogelijk gemaakt en hoe worden goede voorbeelden gedeeld en breder toegepast?
De leidinggevende draagt in samenspraak met de medewerker zorg voor een goede werk-privé balans tijdens uitoefening van de functie, bijvoorbeeld door afspraken te maken over hybride werken. Dit is een belangrijk bespreekpunt bij functioneringsgesprekken. Loopbaanbegeleiding bespreekt de balans tussen toekomstige functies en privé. Er wordt actief gezocht naar functies die voor beide partijen goed passen of naar mogelijkheden om bepaalde operationele functies op een ander moment te plannen. Ook wordt bij partners bij Defensie gekeken of operationele plaatsingen niet (of juist wel) tegelijk plaatsvinden, afhankelijk van de behoefte.
Daarnaast worden er binnen de organisatie meerdere mogelijkheden aangeboden om medewerkers te ondersteunen bij hun eigen inzetbaarheid, zoals workshops, trainingen en yoga en verscheidene gesprekspartners, waaronder leefstijl- en collega-coaching, bedrijfsmaatschappelijk werk en geestelijke verzorging. Ook de rol en verantwoordelijkheid van de leidinggevende in werk-privé balans van de medewerker wordt uitgelicht in verschillende leiderschapsopleidingen.
Als gevolg van de HR-Vernieuwing zullen de mogelijkheden om maatwerk te kunnen leveren verder toenemen, onder meer door de invoering van strategisch talentmanagement, strategische personeelsplanning en meer flexibiliteit in aanstellings- en contractvormen.
Bent u bereid de Kamer periodiek (bijvoorbeeld in de staat van Defensie) te informeren over de voortgang ten aanzien van de aanpassing van uniformen, materieel en uitrusting welke deze meer geschikt moet maken voor vrouwen in de krijgsmacht, zodat zij hun werk effectiever, veiliger (bij voorbeeld in relatie tot ballistiek en vesten) en met meer trots (pasvorm) kunnen vervullen?
We vinden het belangrijk om, meer dan we tot nu toe hebben gedaan, rekening te houden met verschillende behoeften op het gebied van materieel en uitrusting. We spannen ons er dan ook voor in hier om in de toekomst rekening mee te houden bij aanbestedingen. Een eerste stap hebben we hierbij gezet rondom het aanbestedingstraject voor het Defensie Operationeel Kleding Systeem (DOKS) (Kamerstuk 27 830, nr. 429, 28 maart 2024). Met dit project is een kledingsysteem ontwikkeld en verworven dat het gevechtstenue voor de Nederlandse krijgsmacht en het huidige boordtenue van de Nederlandse en Belgische marine vervangt. Defensie toetste DOKS niet alleen op kwalitatieve aspecten, maar ook op basis van waardering vanuit de gebruikers, waaronder vrouwelijke collega’s.
Binnen project DOKS staan bescherming, individuele veiligheid en draagcomfort centraal. Hiermee zorgt Defensie ervoor dat iedere militair de juiste en passende kleding krijgt. Er wordt rekening gehouden met lichaamsvormen, bewegingsbereik, mogelijkheden tot aanpassing, uiterlijke kenmerken en comfort. Om DOKS voor al het defensiepersoneel passend te maken, maakt het systeem daarom gebruik van voorvorming, diverse materiaalsoorten op specifieke plekken en wordt verstellen op verschillende plekken mogelijk. Daarmee wordt het nieuwe kledingsysteem geschikt voor alle militairen ongeacht geslacht, lengte of lichaamstype.
Daarnaast is binnen de innovatieomgeving van het Centrum voor Mens en Luchtvaart de zoektocht naar een scherfvest voor vrouwen gestart. De ontwikkelingen op dit gebied zijn op dit moment nog beperkt. We zijn wel blij dat we hiermee weer een stap zetten in de goede richting.
De Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van het DOKS-project via de begroting van het Defensiematerieel-begrotingsfonds, het jaarverslag en het Defensie Projectenoverzicht. Over andere initiatieven word u via deze weg ook geïnformeerd.
Kunt u de Kamer informeren over de maatregelen die u reeds genomen heeft ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen Defensie? Kunt u de Kamer informeren over de aantallen en aard van de klachten? Welke mogelijkheden ziet u om de situatie van vrouwen, met name die in lagere rangen, te verbeteren daar waar het gaat om (seksueel) grensoverschrijdend gedrag?
Het integriteitsbeleid van Defensie richt zich op het bevorderen van gewenst gedrag en het tegengaan van ongewenst gedrag – waaronder seksueel grensoverschrijdend gedrag – voor alle defensiemedewerkers, ongeacht rang of stand. Zo komt integriteit in opleidingen terug en beschikt Defensie over een groot netwerk van vertrouwenspersonen en andere ondersteuners die laagdrempelig benaderbaar zijn. Daarnaast voeren wij periodieke metingen uit naar verschillende onderdelen van het beleid, zoals het gebruik van de Gedragscode en de meldingsbereidheid. Op dit moment ontwikkelt Defensie een communicatiecampagne, gericht op aanspreken en met elkaar in gesprek gaan, om zo bewustwording bij medewerkers te vergroten. Hierbij wordt waar mogelijk en nuttig aangesloten bij Rijksbrede initiatieven.
Specifiek voor het tegengaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) een kennisgroep met specialisten. Deze draagt zorg voor kennisuitwisseling en het ontwikkelen van een betere aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Zo geven de groepsleden trainingen voor onder meer de vertrouwenspersonen en verzorgen zij lezingen op symposia en landelijke bijeenkomsten binnen Defensie. Eind 2023 heeft de kennisgroep een leidraad voor leidinggevenden uitgebracht. Leidinggevenden kunnen deze gebruiken wanneer zij te maken krijgen met een signaal of melding over seksueel grensoverschrijdend gedrag in hun team.
Het aantal meldingen rondom seksuele intimidatie wordt centraal geregistreerd door de COID. De cijfers hierover worden opgenomen in het Jaarverslag Integriteit Defensie, dat elk jaar in mei op Verantwoordingsdag aan uw Kamer wordt verzonden. Het aantal meldingen van «seksuele intimidatie» in de afgelopen jaren is als volgt: 34 in 2021, 58 in 2022 en 43 in 2023. Voorzichtigheid is geboden bij het interpreteren van deze cijfers. In het Jaarverslag wordt uitgebreider ingegaan op de context van de aantallen.
Kunt u specifiek ingaan op de wijze waarop het ministerie omgaat met de bijzondere rol van vrouwen in de frontlinie en de impact die dat kan hebben op enerzijds militaire gevechtseenheden en anderzijds de dynamiek van vrouwen in de frontlinie op het conflict, de-escalatie en representatie van vrouwen in de lokale bevolking in een conflictgebied?
Defensie zet in missiegebieden vrouwen en mannen in diverse functies en rollen in en werkt met het Defensie Actieplan (DAP) 1325, waarvan de uitvoering wordt geleid door twee genderadviseurs. Het DAP 1325 draagt bij aan de implementatie van de Women, Peace and Security (WPS) agenda. Binnen Defensie werken we aan het versterken van het gender-perspectief bij het plannen, uitvoeren en evalueren van operaties en activiteiten. Er wordt zoveel mogelijk gestreefd naar optreden in gemengde teams. Gemengde teams zijn sterkere teams omdat het diversiteit in denkkracht met zich meebrengt. Onze militairen kunnen in gemengde teams beter in contact komen met mannen én vrouwen die deel uitmaken van de lokale bevolking. Dat versterkt onze informatiepositie en daarnaast is het de taak van onze militairen om te luisteren naar de lokale vrouwen, naar hun ervaringen, uitdagingen en veiligheidsbehoeftes zodat Defensie daar de operaties/activiteiten beter op kan afstemmen.
Vrouwelijke militairen worden vaak door de lokale bevolking gezien als makkelijker benaderbaar, zowel door mannen als vrouwen. Een ander positief effect is dat vrouwelijke militairen vaak worden gezien als rolmodel. Binnen de eigen eenheden brengen gemengde teams een andere, vaak minder masculiene dynamiek teweeg. Defensie streeft dus naar een grotere variatie van kwaliteiten en perspectieven. Daar ben ik blij mee omdat ik ervan overtuigd ben dat dit Defensie sterker maakt.
Herkent u het beeld uit Brits onderzoek, waarin wordt geschetst dat vrouwen zich over het algemeen minder herkennen in het beeld van «de veteraan», dat zij zich minder herkend en erkend voelen als veteraan en dat zij gemiddeld minder gebruik maken van dienstverlening (nazorg) gericht op veteranen? Bent u bereid in samenwerking met het veteraneninstituut onderzoek te doen naar de Nederlandse situatie en wat er gedaan kan worden om dit te verbeteren?
In Groot-Brittannië wordt een andere definitie gehanteerd als het gaat over veteranen, hetgeen het moeilijk maakt om de resultaten van het onderzoek direct te vertalen naar de situatie in Nederland. Ondanks het verschil in definitie worden wel overeenkomsten gezien met de uitkomsten van het Brits onderzoek. Onderzoek door het Nederlands Veteraneninstituut (NLVi) onder Nederlandse veteranen laat ook zien dat vrouwen zich minder veteraan lijken te voelen dan mannen. Het meerjarig onderzoek «Zorgbehoeften van vrouwelijke en mannelijke veteranen», uitgevoerd door de Nederlandse Defensieacademie en waarvan in het tweede kwartaal 2024 het onderzoeksrapport wordt gepresenteerd, besteedt ook aandacht aan de identificatie als veteraan van zowel mannen als vrouwen. Daarnaast wordt ingegaan op de zorgvragen van mannen en vrouwen en de verschillen die mogelijk bestaan. Dit onderzoek wordt toegelicht in de Veteranennota 2023/2024, die begin juni aan de Kamer wordt aangeboden. Indien nodig, zal Defensie opvolging geven aan de resultaten.
Maakt Defensie gebruik vanbest practices uit andere landen ten aanzien van de positie van vrouwen in de krijgsmacht? Zo ja, kunt u aangeven wat hiervan wordt geleerd en geïmplementeerd in de Nederlandse krijgsmacht?
Defensie werkt op verschillende terreinen aangaande diversiteit en inclusie samen met andere overheden, bedrijven en kennisinstituten om kennis te delen en innovatie toe te passen. Waar mogelijk en relevant gebeurt dit ook internationaal. Nederland draagt bijvoorbeeld sinds oktober 2015 structureel bij aan het werk van het Nordic Centre for Gender in Military Operations (NCGM), wat tevens fungeert als het NAVO expertise centrum voor dit onderwerp. Vanuit project DOKS is ook contact met Scandinavische landen (Nordic Combat Uniform), België (Belgium Defence Clothing System) en Duitsland. De koers die de Scandinavische landen hebben gekozen komt erg overeen met de koers van Nederland, namelijk een focus op een systeemgedachte en intensief testen met gebruikers. In 2023 hebben daarnaast twee buitenlandse delegaties van het Noorse en Japanse leger een werkbezoek gebracht aan de Centrale Organisatie Integriteit Defensie. Tijdens deze bezoeken werden ervaringen uitgewisseld over (beleid rondom) sociale veiligheid, opvolging van meldingen van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag, hoe om te gaan met cultuurverandering en diversiteit en inclusie. Op 8 maart 2024, internationale vrouwendag, zijn tenslotte digitaal ervaringen uitgewisseld met vrouwelijke militairen in Oekraïne. Hierbij was aandacht voor het integreren van een genderperspectief in de operationele realiteit van Oekraïne en hoe om wordt gegaan met (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Dergelijke uitwisselingen zijn waardevol, zowel voor de Nederlandse krijgsmacht als voor partners, en zullen daarom ook blijvend aandacht krijgen.
Het bericht ‘Luchtalarm verdwijnt eind volgend jaar en wordt vervangen door NL-Alert’ |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Luchtalarm verdwijnt eind volgend jaar en wordt vervangen door NL-Alert»?1
Ja.
Wat is de reden dat u nu het besluit heeft genomen om het luchtalarm volledig te vervangen door de NL-Alert, juist in tijden dat rampen en crises steeds meer reëel worden?
De onderhoudscontracten van het Waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) lopen eind 2025 af en het systeem is daarnaast sterk verouderd. Het is end-of-life. Nederland heeft ondertussen een ander primair en effectiever alerteringsmiddel tot haar beschikking bij rampen en crises, namelijk NL-Alert. Het gebruik van NL-Alert is sterk toegenomen, het heeft een groter en breder bereik, het geeft informatie mee, waaronder een handelingsperspectief, en het heeft de mogelijkheid om de techniek verder te ontwikkelen. Overigens functioneert het WAS niet landelijk, maar wordt het decentraal aangestuurd. Dit in tegenstelling tot NL-Alert, dat ook landelijk uitgestuurd kan worden.
Mede naar aanleiding van de motie Eerdmans zijn er twee onderzoeken uitgezet. In nauwe samenwerking met het Ministerie van Defensie, wordt onderzocht wat een scenario van hybride oorlogsvoering voor alertering in Nederland betekent en of NL-Alert in dat geval volstaat. Tevens wordt onderzocht wat er nodig is op zogenaamde hoog risicolocaties, waarvan we weten dat er extra aandacht nodig is. Deze onderzoeken zijn reeds gestart danwel gaan op korte termijn starten.
Na de zomer is een bredere weerbaarheidsbrief voorzien. In die brief hoop ik u ook nader te informeren over de omgang met de motie ten aanzien van het WAS.
Bent u in de besluitvorming voor het afschaffen van het luchtalarm in overleg getreden met de Veiligheidsregio’s? Zo ja, wat waren de signalen uit de verschillende regio’s over dit voorgenomen besluit? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op meerdere momenten met de Veiligheidsregio’s in gesprek (geweest), waaronder via het Veiligheidsberaad. Een ruime meerderheid van de veiligheidsregio’s is voor afschaffen van de WAS palen. Ook zijn diverse werkbezoeken afgelegd door mijn ministerie. Bepaalde Veiligheidsregio’s hebben zorgen geuit ten aanzien van het – toen nog voorgenomen – besluit, vanwege de aanwezigheid van hoog risicolocaties in hun regio, zoals chemische industrie. Deze zorgen neem ik serieus en heb ik daarom een plek gegeven in mijn besluit. Er is een traject gestart om in kaart te brengen hoe lokaal maatwerk kan worden geboden.
Wat is op dit moment het risico van cyberaanvallen, storingen of haperingen op de NL-Alert-app?
Als Minister van Justitie en Veiligheid zet ik mij samen met alle partners in voor een robuust en betrouwbaar stelsel dat de burger alarmeert bij rampen en crises. NL-Alert is daarom in 2023 nog versterkt met een nieuwe NL-Alert «broker», ofwel de centrale software. Die is beter bestand tegen eventuele cyberaanvallen. Er zijn vele maatregelen genomen voor (informatie)beveiliging; dit is ook met audits gecontroleerd. Het vraagstuk rondom (informatie)beveiliging van NL-Alert en de NL-Alert app is overigens nooit «afgerond». Mijn ministerie is continu bezig om de beveiliging op orde te houden, en waar nodig extra maatregelen te nemen.
Bent u het met het eens met de stelling dat het juist risicovol is om het luchtalarm in zijn geheel te vervangen voor een online bericht, terwijl het ook mogelijk is dat mensen hun telefoon niet continu bij zich hebben, deze leeg of kapot is, of simpelweg geen smartphone in bezit hebben?
Het bereik van NL-Alert neemt steeds verder toe. Uit het laatste NL-Alert testbericht van begin juni 2024 blijkt dat 93% van de Nederlanders het testbericht heeft ontvangen. Ten opzichte van het bereik van enkele jaren terug is dit een aanzienlijke stijging (rond de 10%). Dit laat zien dat onder andere de publiekscampagnes, waaronder de 75+ campagne, haar vruchten afwerpen. Wij zetten ons de komende jaren in om het bereik van NL-Alert en de bekendheid met andere crisiscommunicatiemiddelen verder te vergroten.
De sirenes bereiken in een gunstig scenario nog maar 75% van de mensen.
NL-Alert wordt niet alleen via de mobiele telefoon verspreid, maar ook via andere kanalen, zoals de NL-Alert-app, reisinformatieschermen in het openbaar vervoer en digitale reclamezuilen in straten en langs wegen. Naast het NL-Alert gaat het om websites, sociale media, landelijke televisie, berichtgeving via de regionale publieke omroepen, e.d. Aan burgers wordt daarnaast gevraagd om te kijken naar hun naasten en hen te informeren. Ook beschikken de veiligheidsregio’s over een uitgebreid pakket van middelen om de bevolking te alarmeren en informeren bij rampen en crises.
Zoals naar voren komt in de beantwoording van vraag 2 zijn er twee onderzoeken uitgezet. In nauwe samenwerking met het Ministerie van Defensie, wordt onderzocht wat een scenario van hybride oorlogsvoering voor alertering in Nederland betekent en of NL-Alert in dat geval volstaat. Tevens wordt onderzocht wat er nodig is op zogenaamde hoog risicolocaties, waarvan we weten dat er extra aandacht nodig is. Deze onderzoeken zijn reeds gestart danwel gaan op korte termijn starten.
Op welke manier wordt volgens u de 8% van de Nederlanders van 12 jaar en ouder die niet door NL-Alert worden bereikt, geïnformeerd over een ramp of crisis als het luchtalarm verdwijnt?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe houdt u met het nieuwe alarmsysteem de minder digitaalvaardige generatie aangehaakt in tijden van rampen en crises, en op welke manier krijgen zij toegang tot voldoende informatie?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de reden dat niet gekozen wordt voor een combinatie van verschillende alarmsystemen, bijvoorbeeld zowel een NL-Alert als het luchtalarm, om er zeker van te zijn dat het alarm iedereen kan bereiken?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met de bezorgdheid van de directeur van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, die stelt dat voor een regio met een hoog risicoprofiel het onverantwoord is om het luchtalarm af te schaffen? Wat is uw reactie hierop?
Ik ben bekend met de bezorgdheid van de betreffende Veiligheidsregio. Deze zorgen neem ik serieus door in mijn besluit ruimte te laten voor lokaal maatwerk. Er zijn twee onderzoeken uitgezet. Zie de beantwoording bij vraag 2.
Wat zijn de kosten van het onderhoud van het luchtalarm door het hele land?
Zoals eerder benoemd is het WAS sterk verouderd en end-of-life. Dit blijkt ook uit het onderzoek van het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV).
Uit financiële analyses blijkt dat het volledig continueren van het WAS in huidige vorm inclusief investeringen minstens 160 miljoen euro kost. Deze kosten passen niet binnen de huidige financiële kaders. Het besluit tot uitfaseren van het WAS met de mogelijkheid tot maatwerk voor hoog risico locaties past wel binnen de financiële kaders.
Bent u het met het eens met de stelling dat het feit dat het luchtalarm sinds 1998 slechts 36 keer is ingezet, niet een van de redenen zou moeten zijn om het te schrappen, maar dat het juist een goed teken is dat het alarm niet vaak nodig is geweest?
Die stelling deel ik niet met u. NL-Alert heeft zich immers bewezen als primair alarmeringsmiddel bij rampen en crises. Dit vanwege het sterk toegenomen gebruik van NL-Alert, het bredere bereik, het meegeven van informatie waaronder een handelingsperspectief en de mogelijkheid om deze techniek verder te ontwikkelen. Het is breder inzetbaar ten opzichte van de sirenes. Zie ook de beantwoording bij vraag 2.
Wat betekent de mededeling dat in een aantal gebieden extra waarschuwingssystemen zullen blijven bestaan? Zijn dit bijvoorbeeld luchtalarmen en voor welke gebieden zou dit gelden?
Ik wil benadrukken dat een ruime meerderheid van de Veiligheidsregio’s voor uitfasering van het WAS is. Ik ben bekend met de bezorgdheid van enkele Veiligheidsregio’s. Die zorgen neem ik zeer serieus. Daarom wil ik graag samen met desbetreffende Veiligheidsregio’s bekijken wat lokaal nodig is om de bevolking te alarmeren tijdens rampen en crisis. Zoals benoemd in de beantwoording van vraag 2 zijn er twee onderzoeken uitgezet. Enerzijds wordt, in nauwe samenwerking met het Ministerie van Defensie, onderzocht wat een scenario van hybride oorlogsvoering voor alertering in Nederland betekent en of NL-Alert in dat geval volstaat. Tevens wordt onderzocht wat er nodig is op zogenaamde hoog risicolocaties, waarvan we weten dat er extra aandacht nodig is.
Het bericht ‘Kajsa Ollongren: mooi als VDL Nedcar militaire voertuigen gaat produceren’ |
|
Gijs Tuinman (BBB), Derk Boswijk (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() ![]() |
Bent u op de hoogte van het BNR-artikel «Kajsa Ollongren: mooi als VDL Nedcar militaire voertuigen gaat produceren» van 21 februari 2024?1
Ja.
In welk stadium bevinden de gesprekken van het ministerie met VDL zich op dit moment?
Het versterken van de Europese defensie-industrie alsook het opschalen van de productiecapaciteit en leveringszekerheid is cruciaal voor de gereedheid van de eigen krijgsmacht, de geloofwaardigheid van de Europese afschrikking en het voortzetten van de onverminderde steun aan Oekraïne tegen de Russische agressie.
De geopolitieke ontwikkelingen dwingen de Europese Unie (EU) en de NAVO om de strategische autonomie van Europa te versterken. Zoals vermeld moeten we aan de slag om onze technologische voorsprong te behouden en moeten we de militaire slagkracht vergroten. De defensiebudgetten binnen Europa zijn omhoog gegaan, de grote diversiteit aan wapensystemen moet omlaag en de samenwerking op het gebied van defensie en industrie moet verbeteren.
Daarom voert Defensie gesprekken met Nederlandse industrie waaronder VDL Groep. Defensie spreekt met VDL onder andere over de productie van technologieën en onderdelen voor Defensie die verder gaan dan ondersteunend materieel alleen, passend binnen de geldende vergunningseisen. Hierbij is het belangrijk te vermelden dat de capaciteit van de fabriek in Born op dit moment niet geschikt is voor de productie van de genoemde technologieën en onderdelen. Zowel VDL als Defensie zijn gemotiveerd om te onderzoeken op welke wijze deze locatie ingezet kan worden om bij te dragen aan productie-initiatieven.
Bij het in kaart brengen van kansen voor de versterking van de defensie-industrie zijn meerwaarde en snelheid leidend. Voor een vitale en robuuste sector is het zaak dat Nederland zoveel mogelijk blijft inzetten op vraagbundeling van internationale behoeftes en niet ontwikkelingen elders dupliceert.
Met betrekking tot het idee om in de gesloten autofabriek van VDL Nedcar in Born militaire voertuigen te laten produceren, bent u ook in gesprek met het Nederlandse bedrijfsleven dat militaire productie levert, zoals Defenture bijvoorbeeld, om op basis van Nederlandse licenties en design de autofabriek VDL Nedcar de productiecapaciteit van militair materieel in Nederland te vergroten?
Het kabinet werkt aan mogelijkheden voor diverse vormen van licentieproductie van munitie, en zet zich daarmee in voor het benutten van kansen die de productie- en leverzekerheid vergroten, zowel binnen Nederland als Europa. Op het gebied van licentieproductie informeerde Defensie de Kamer op 25 januari jl. over het streven naar meer productie van hoogtechnologische Battle Decisive Munitions (BDM) in Europa2.
We werken samen met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) actief aan verschillende mogelijkheden om de Nederlandse defensie-industrie te betrekken, onder meer door consortiumvorming en afspraken met betrekking tot industriële participatie. We nodigen het bedrijfsleven daarbij uit om met voorstellen te komen die inspelen op de stijgende behoefte aan BDM. Het kabinet zal uw Kamer nader informeren over de voortgang wanneer dat mogelijk is.
Gelet op de unieke en bijzondere competenties van hoog geautomatiseerde serieproductie, de dringende behoefte aan productiecapaciteit van militair materieel en het aanstaande ontslag van ervaren productiepersoneel, overweegt u gezien de dringende behoefte aan laag technologische en hoog volume militaire systemen, zoals terreinvoertuigen, drones, munitie en wapens een ultieme inspanning om de VDL-autofabriek in te passen binnen de Nederlandse Defensie Industrie Strategie?
Zoals eerder door het Ministerie van EZK op Kamervragen van JA21 (2023Z09410) gemeld, waren de faciliteiten op het VDL Nedcar terrein gericht op vergaand geautomatiseerde serieproductie van personenvoertuigen in grote volumes (capaciteit 200.000 auto’s per jaar). De specificaties voor militaire voertuigen of ander militair materieel wijken significant af van personenvoertuigen.
We blijven graag in gesprek, indien VDL of een andere marktpartij kansen zien om de assemblagehal in Born rendabel in te zetten voor assemblage of productie van materieel voor Defensie, zoals geschetst bij het antwoord op vraag 2 en 19. We hebben hierbij aan de eigenaren overgebracht dat we voorstander zijn van elke levensvatbare invulling die de defensie-industrie versterkt.
Bijzonder hoogleraar Frans Osinga stelt in het artikel de vraag die de Tweede Kamer u ook al vaker heeft gesteld, waarom kan de VDL-fabriek niet ingezet worden als munitie- of wapenfabriek, waarbij Defensie gelijk lange termijn orders plaatst?
Defensie voert zoals gezegd gesprekken met VDL.
Op 25 januari jl. is uw Kamer geïnformeerd over de plannen van het kabinet op het gebied van munitieproductie op de korte, middellange en lange termijn3. Dat doen we door bestaande Europese contracten maximaal uit te nutten en aanvullend voor gerichte munitiesoorten te kijken naar vraagbundeling.
Defensie voorziet binnen dit decennium geen vervanging van klein kaliber wapens. Wanneer de behoefte zich voor doet, ontvangt uw Kamer een A-brief hierover.
Is de «vier procent optie» een planningsscenario op het Ministerie van Defensie, gezien het feit dat u in het artikel stelt dat in het geval dat de Verenigde Staten uit de NAVO stappen het defensiebudget naar vier procent zal moeten stijgen en Nederland hierover moet gaan nadenken?
Ongeacht de uitkomst van de verkiezingen in de Verenigde Staten (VS) is de veiligheidssituatie in Europa ernstig verslechterd door de Russische agressie in Oekraïne. Daarom moet Europa meer verantwoordelijkheid voor de eigen veiligheid nemen en doen wat nodig is om de bondgenootschappelijke afschrikking en verdediging te versterken. Dat betekent investeren in de verhoging van de gereedheid, de gevechtskracht, het voortzettingsvermogen en de innovatie en modernisering van de Europese strijdkrachten. Het tegengaan van fragmentatie en bevorderen van standaardisatie alsook een robuuste Europese defensie-industrie versterkt de Europese zelfredzaamheid.
Zijn het hypothetische scenario van een NAVO zonder VS-ondersteuning en de stappen die de overige landen moeten nemen om de wegvallende capaciteiten, kennis en leiderschap in te vullen scenario's waarover wordt nagedacht binnen de NAVO? Zo ja, welke nieuwe capaciteiten verwacht u op te moeten richten in het geval de VS geen thuis meer geeft voor artikel 5 van de NAVO?
Zie antwoord vraag 6.
Bedoelt u vergaande taakspecialisatie wanneer u spreekt over een verdubbeling van het defensiebudget naar 21 miljard euro en het maken van keuzes over bepaalde systemen en over bepaalde krijgsmachtonderdelen?
Nederland moet doen wat nodig is om de krijgsmacht te versterken. Meerjarige financiële zekerheid is hierbij voor de krijgsmacht cruciaal. Binnen de beschikbare financiële ruimte wordt integraal gewogen welke investeringen het meeste effect sorteren en bijdragen aan een toekomstbestendige krijgsmacht die toegerust is voor haar taken. Dat betekent dat de krijgsmacht in alle militaire domeinen moet kunnen optreden en tegelijkertijd dat er in alle krijgsmachtonderdelen keuzes moeten worden gemaakt hoe die krijgsmacht van de toekomst vorm te geven. Hierbij is het militair advies leidend.
Ook samenwerking met partners is hierbij cruciaal. Interoperabiliteit, standaardisatie, pooling & sharing, gezamenlijke inkoop, training en onderhoud en uiteindelijk het delen of verdelen van capaciteiten zijn verschillende gradaties van samenwerking. Deze vormen van samenwerking dragen bij aan het versterken van onze eigen capaciteiten en die van onze bondgenoten.
Kunt u aangeven wat u bedoelt met het maken van keuzes over krijgsmacht onderdelen? Heeft u het hier over de Landmacht, Luchtmacht, Marine en Marechaussee?
Zie antwoord vraag 8.
Wat zal de impact van keuzes maken zijn voor specifieke krijgsmachtonderdelen op het gebied van opleiden, trainen, oefenen en het gereedstellen van Nederlandse militaire capaciteiten voor de NAVO, aangezien alle domeinen en de krijgsmachtonderdelen cruciaal zijn om militair vermogen te genereren in het kader van het nieuwe operationele concept «multidomein optreden»?
De krijgsmacht hanteert het operationele concept «multidomein optreden» als centraal gedachtegoed voor concept- en capaciteitsontwikkeling. Multidomein optreden vraagt om een gebalanceerde krijgsmacht die geïntegreerd moet kunnen optreden in alle militaire domeinen, gesynchroniseerd met niet-militaire activiteiten. Zoals gezegd, spelen alle krijgsmachtdelen een essentiële rol om hier nu en in de toekomst invulling aan te geven. Interoperabiliteit intern de krijgsmacht en met nationale en internationale partners is hierbij van groot belang, aangezien de krijgsmacht nooit alleen opereert. Nationale en bondgenootschappelijke doelstellingen en afspraken vormen niet alleen een belangrijke leidraad voor keuzes in investeringen, maar ook voor het opleiden, trainen, oefenen en gereedstellen van militaire capaciteiten in bondgenootschappelijk verband.
Doelt u met uw uitspraken over de formatie op het verder invulling geven aan de vereisten, en Nederlandse tekortkomingen, uit deNATO Defence Planning Process (NDPP) en/of deRegional Plansvoortkomend uit het NATO Force Model, aangezien u heeft gezegd «door uw oogharen» naar de komende jaren te kijken?
Nederland moet doen wat nodig en mogelijk is om de afschrikking en verdediging te versterken en de vereisten van de nieuwe NAVO militaire verdedigingsplannen in te vullen. Dat betekent investeren in een defensieorganisatie die beschikt over voldoende vermogen om gelijktijdig nationale en internationale taken uit te voeren tijdens een existentieel conflict in Europa. Voldoen aan de afspraken van de Defence Investment Pledge om structureel minimaal 2% van het bbp aan Defensie te besteden, is daarbij een essentiële randvoorwaarde. Het is aan het nieuwe kabinet om gelet op internationale afspraken en de huidige en toekomstige dreiging een integrale afweging te maken tussen ambities en middelen voor de komende kabinetsperiode.
Zo nee op de bovenstaande vraag, waar kijkt u dan naar «door uw oogharen»?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u op de hoogte van het BNR-artikel «20.000 extra manschappen nodig om krijgsmacht op niveau te krijgen» van de Commandant der Strijdkrachten (CDS) Onno Eichelsheim van 24 februari 2024?2
Ja.
Bent u het eens met de analyse van de CDS dat alle industrieën aan de slag moeten met het realiseren van de benodigde productiecapaciteit in Europa?
Om de Europese militaire slagkracht te versterken is het essentieel dat de productiecapaciteit van de Europese defensie-industrie wordt vergroot. Het kabinet zet zich daar met partners actief voor in. Onderdeel daarvan is de inzet om meer Nederlandse industriële bedrijven in staat te stellen om voor Defensie en onze bondgenoten te produceren.
Hierbij dragen de Europese Defensie Industrie Strategie (EDIS) en het Europese Defensie Industrie Programma (EDIP) bij aan effectieve opschaling van de productiecapaciteiten in Europa.
Bent u het eens met de opmerking van de CDS dat we in Europa heel snel productiecapaciteit nodig hebben voor Oekraïne?
Ja.
Bent u het eens met de opmerking van de CDS dat we productielijnen in stand moeten houden, ook al hebben we op een gegeven moment voldoende voorraden?
Ja. Zoals eerder gecommuniceerd aan uw Kamer5, is de geopolitieke context drastisch gewijzigd. Daarom moeten we de Europese voorraden snel op orde krijgen. Het Europese bedrijfsleven vraagt hierbij om een langjarig perspectief om de gewenste investeringen te realiseren. Daarom zet het kabinet binnen het Defense Production Action Plan (DPAP) van de NAVO en het EDIS en EDIP via de EU in op geaggregeerde vraagbundeling.
Het is hierbij van belang om de Nederlandse industrie in Europa te positioneren op high-end producten of diensten, zodat Nederland zijn sterke technologische positie kan behouden. In lijn met Motie Podt6 werkt Defensie de mogelijkheden van een garantiefonds en andere financieringsmogelijkheden voor in de defensie-industrie uit. De opgebouwde kennis en productiecapaciteit kan in toekomst benut worden voor civiele dual use toepassingen. Zo creëren we een duurzaam en flexibel productiesysteem dat zowel voor onze krijgsmacht, het bedrijfsleven, de samenleving als onze bondgenoten op de lange termijn doeltreffend en effectief is en bijdraagt aan de Europese veiligheid.
Bent u het eens met de opmerking van de CDS dat Noorwegen een verstandig besluit heeft genomen om een hele productielijn op te kopen? Waarom wel of niet?
De CDS refereert naar de steun aan een Noors staatsbedrijf, en het hiermee versterken van de strategische autonomie. Nederland beschikt niet over staatsbedrijven binnen de defensie-industrie. Echter, net als Noorwegen onderkent het kabinet de urgentie van een robuuste sector. In de veranderende veiligheidscontext is er geen enkel Europees land dat geheel zelfstandig voor zijn eigen veiligheid kan zorgen. Nederland zet daarom in op samenwerking met vertrouwde partners en in samenspraak met vertegenwoordigers van de NLDTIB en Europese Defensie Technologische en Industriële Basis (EDTIB). De inzet is onder andere gericht op het verstevigen van Nederlandse industriële sterktes. Zoals geschetst moeten we het bedrijfsleven hierbij een langjarig perspectief kunnen bieden.
Hoe legt u de opmerking van de CDS uit, waarin hij zegt dat in het geval de VS uit de NAVO stapt het defensiebudget flink omhoog moet om juist geen keuzes te hoeven maken in het zwaartepunt van de eigen krijgsmacht, terwijl u in het eerdere BNR-artikel «Kajsa Ollongren: mooi als VDL Nedcar militaire voertuigen gaat produceren» juist zegt dat we dat wel moeten doen?
Het is niet aan de orde dat de VS uit het NAVO bondgenootschap treedt. Ongeacht de hoogte van de defensiebegroting zal Defensie keuzes moeten maken. Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 6 en 7.
Bent u het eens met de stelling dat in het geval de VDL Nedcar fabriek in Born met haar unieke hoogwaardige serie productiecapaciteit en personeel kan worden omgezet tot een hoogwaardige productiefaciliteit voor munitie, drones, voertuigen en overig militair materieel, al dan niet op basis van licenties vanoriginal equipment manufacturer (OEM's), een grote boost geeft aan de noden voor Oekraïne en de geloofwaardigheid van de Europese afschrikking die noodzakelijk is om Rusland buiten Europa te houden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u de vragen zo spoedig mogelijk en een voor een beantwoorden, gezien de aard van de vragen en de snelle ontwikkelingen op het geopolitieke speelveld?
Ja, voor zover mogelijk. Er is tijd gestoken in een zorgvuldige beantwoording en om de leesbaarheid te vergroten zijn enkele antwoorden samengevoegd.
Het bericht ‘EU andRwanda sign a Memorandum of Understanding on SustainableRaw Materials Value Chains’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u het eens dat de Global Gateway een belangrijk instrument is van de Europese Unie (EU) om duurzame en gelijkwaardige partnerschappen te sluiten met Afrikaanse landen?
Ja.
Bent u bekend met de ondertekening van het «Memorandum of Understanding» tussen de EU en Rwanda? Was u hierover voorafgaand aan de ondertekening door de Eurocommissaris geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Ja. De lidstaten worden via een zogenaamde «niet-bindende instrumenten procedure» geconsulteerd over de grondstoffenpartnerschappen die de Europese Commissie aangaat met derde landen. Deze procedure is met betrekking tot Rwanda in maart 2023 gestart.
Kunt u uitleggen hoe de afspraken er precies uitzien en om welke grondstoffen het gaat? Kunt u daarbij ook aangeven waar deze grondstoffen worden gewonnen?
De afspraken hebben de vorm van een niet-bindend Memorandum of Understanding) tussen de Europese Unie en Rwanda (hierna: het MoU). De afspraken zullen nog worden uitgewerkt in een zogeheten «roadmap».
Dit MoU valt binnen de strategische Europese inzet in de Grote Merenregio, onder meer vastgelegd in de op 20 februari 2023 door de lidstaten aangenomen Raadsconclusies over de Grote Merenstrategie1. Ook ligt het MoU in het verlengde van het EU Actieplan Kritieke Grondstoffen (2020), de Europese Critical Raw Materials Act (2023), de Europese Conflictmineralenverordening (van kracht sinds 2021) en de bredere doelstellingen van de Europese Unie ten aanzien van de groene en digitale transities en de Global Gateway.
Het MoU stelt vijf terreinen voor samenwerking vast: (1) onderlinge integratie van waardeketens van duurzame mineralen en steun voor economische diversificatie, (2) mobiliseren van financiering voor infrastructuur o.a. door verbetering van het investeringsklimaat, (3) bewerkstelligen van duurzame en verantwoorde productie en inkoop (waaronder samenwerking aan traceerbaarheid van de grondstoffenketen, betrokkenheid van Rwanda bij het EITI2, strijd tegen illegale smokkel en witwassen, en verbinding met internationale duurzaamheidsstandaarden (ESG) en multilaterale afspraken), (4) onderzoek, innovatie en kennisdeling op het gebied van zowel exploratie, extractie, raffinage, verwerking, valorisatie en recycling van strategische en kritieke grondstoffen, substitutie van grondstoffen, afvalbeheer en monitoring van leveringsrisico’s, (5) capaciteitsopbouw voor effectieve handhaving van regels alsmede training en vaardigheden met betrekking tot de grondstoffenproductieketen.
In de overeenkomst is aangegeven dat de afspraken betrekking hebben op «grondstoffen die nodig zijn voor de groene en digitale transitie – exclusief energiedragers (zoals gas of olie) en landbouwgrondstoffen». De Europese Commissie verwijst in haar communicatie over het MoU daarbij naar de kritieke en strategische grondstoffen zoals gedefinieerd op de Europese lijst.3
Met de inzet op diversificatie (component 1) en duurzame en verantwoorde productie (component 3) van kritieke grondstoffen kan dit MoU bijdragen aan zowel de nationale grondstoffenstrategie als de Afrikastrategie, waarin het kabinet pleit voor gelijkwaardige bilaterale partnerschappen alsmede EU-partnerschappen met derde landen. Met samenwerking gericht op mobiliseren van financiering voor infrastructuur (component 2) kan dit MoU bijdragen aan het Global Gateway-initiatief, een belangrijk vehikel van de EU voor versterkt engagement met partnerlanden rond connectiviteit. Global Gateway sluit aan op de Nederlandse inzet om de positie van de EU als geopolitieke speler te versterken, onze ontwikkelingsimpact te vergroten via de EU en het Nederlands verdienvermogen in het buitenland te versterken.
Rwanda speelt momenteel een rol in de waardeketen van onder andere goud, tin, tantaal, wolfraam en niobium en ambieert het om andere kritieke en strategische grondstoffen te winnen en/of verwerken. Er is echter een gebrek aan betrouwbare data rondom de daadwerkelijke Rwandese grondstoffenwinning. Het partnerschap beoogt onder andere bij te dragen aan transparantie, traceerbaarheid en het versterken van de strijd tegen de illegale handel in grondstoffen in de regio.
Hoe verklaart u dat Eurocommissaris Jutta Urpilainen in haar persverklaring spreekt over «Rwanda has rich natural resources» terwijl uit cijfers uit 2019 blijkt dat, op Tantalite na, de grondstoffenvoorraad in Rwanda kleinschalig is?
Het kabinet is op de hoogte van het beeld dat uit de formele export- en importdata ontstaat dat Rwanda op dit moment geen dominante positie inneemt op de wereldmarkt voor kritieke en strategische grondstoffen. In het MoU zelf is opgenomen dat de mijnbouwsector 3% van het Rwandese bbp uitmaakt.
Het kabinet – en de EU – is ermee bekend dat Rwanda beschikt over natuurlijke hulpbronnen, en de potentiële bijdrage van deze sector aan de Rwandese economie in de toekomst. Daarbij zij opgemerkt dat het MoU niet alleen gericht is op huidige actieve mijnbouw, maar ook op het ontwikkelen en verder exploreren van mogelijke toekomstige mijnbouw en verdere verwerking van grondstoffen. De ondergrond is op dit moment onvolledig in kaart gebracht en data over voorraden is sterk verouderd. Mogelijke winbare voorraden betreffen volgens de Europese Commissie bijvoorbeeld lithium en zeldzame aardmetalen.
Bent u bekend met het gegeven dat er al langer grote spanningen zijn tussen de Democratische Republiek Congo (DRC) en Rwanda waarbij de DRC Rwanda beschuldigt van diefstal en smokkel van Congolese grondstoffen? Zo ja, in hoeverre zijn deze beschuldigingen onderzocht en meegewogen bij het ondertekenen van het «Memorandum of Understanding» met Rwanda? Zo nee, ben u bereid om dit onderwerp op korte termijn ter sprake te brengen met de Eurocommissaris en de Kamer over de uitkomsten van dit gesprek te informeren?
Ja, hier ben ik mee bekend. Zoals aangegeven in de op 20 februari 2023 aangenomen EU Raadsconclusies over de Grote Merenstrategie zet de EU in op duurzaam hulpbronnenbeheer en de transformatie van illegale handel naar een legitieme, op handel gebaseerde economie. De huidige illegale exploitatie van natuurlijke hulpbronnen in het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC) is een belangrijke grondoorzaak van het aanhoudende geweld in de regio. Het stelt gewapende groeperingen in staat te blijven opereren en mensenrechtenschendingen te begaan. Ik ben bekend met de opgelopen spanningen tussen Rwanda en de DRC. Ik heb recent toegezegd uw Kamer daarover een Kamerbrief te doen toekomen. Daarin zal ik verder op de situatie in Oost-Congo ingaan.
Het MoU dat de Europese Unie heeft getekend met Rwanda ziet specifiek toe op het aanpakken van illegale handel en witwassen, inclusief het onderscheppen van gesmokkelde mineralen. Zie ook het antwoord op vraag 3 en 4.
Deelt u de mening dat de timing van het tekenen van deze Memorandum of Understanding ongelukkig is in het licht van de sterk toegenomen escalatie in de laatste weken waarbij naar verluidt Rwanda een aanjagende rol speelt in de activiteiten van de M23 rebellen in DRC?
Zie antwoord op vraag 5. De afspraken zetten specifiek in op het aanpakken van de grondoorzaken van het conflict in het oosten van de DRC en het engageren van de Rwandese autoriteiten hierbij. Nederland is initiatiefnemer van een EU verklaring om de zorgelijke ontwikkelingen in Oost-Congo te veroordelen en op te roepen tot de-escalatie.4
Deelt u de zorgen dat deze gang van zaken het al sterk aanwezig wantrouwen van de autoriteiten en de bevolking van de DRC richting de internationale gemeenschap, en de EU in het bijzonder, verder versterkt? Indien ja, welke diplomatieke activiteiten kan Nederland, al dan niet in EU-verband, ontplooien om dat wantrouwen te proberen weg te nemen?
Het MoU maakt deel uit van de bredere regionale aanpak. In oktober 2023 werd een MoU met DRC ondertekend. Het is belangrijk dat de EU en diens lidstaten, ook Nederland, met alle betrokken partijen in de regio communiceren over het doel van deze aanpak, die in het belang is van de landen in de regio en hun bevolking. Nederland heeft dit in bilaterale contacten met DRC reeds gedaan.
Daarnaast beoogt Nederland door middel van het regionale Grote Merenprogramma bij te dragen aan veiligheid en stabiliteit in deze door conflicten geplaagde regio. Het certificeren van conflictvrije mineralen maakt ook onderdeel uit van dit programma.
Het bericht dat bij de brandweer PTSS niet wordt herkend als beroepsziekte, in tegenstelling tot bij defensie en politie |
|
Songül Mutluer (PvdA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht dat bij de brandweer het posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) niet wordt herkend als beroepsziekte, in tegenstelling tot bij defensie en politie?1
Ja.
Klopt het dat PTSS geen erkende beroepsziekte is bij de brandweer, waardoor brandweerlieden zelf psychische hulp moeten opzoeken en uitgevallen medewerkers hierdoor gekort worden op hun salaris? Zo ja, wat is uw reactie daarop?
PTSS is op dit moment geen landelijk erkende beroepsziekte bij de brandweer in Nederland. De veiligheidsregio’s hebben mij recent aangegeven te werken aan een landelijke modelregeling PTSS. Het uitgangspunt hierbij is dat een dergelijke regeling moet gaan gelden voor zowel beroepskrachten als vrijwilligers. Zie voor een nadere toelichting over het erkennen van beroepsziekten het antwoord op vraag 3.
Op dit moment is het zo geregeld dat indien er brandweermensen (tijdelijk) arbeidsongeschikt raken, er waar nodig maatwerkafspraken gemaakt kunnen worden door veiligheidsregio’s. Het feit dat PTSS niet als landelijke beroepsziekte is erkend bij de brandweer, betekent niet dat individuele veiligheidsregio’s in individuele gevallen deze ziekte niet als beroepsziekte kunnen aanmerken. Op dit moment is het zo dat enkele veiligheidsregio’s een (tijdelijke) regeling hebben waarin PTSS door hen wordt erkend als beroepsziekte.
De veiligheidsregio’s geven aan dat als sprake is van een beroepsziekte, waarbij arbeidsongeschiktheid wordt gekwalificeerd als in en door de dienst, er de aanspraken volgen uit de rechtspositie, zoals volledige doorbetaling van het salaris, aanvulling op de WGA/IVA-uitkering en de vergoeding van geneeskundige kosten voor behandeling en verzorging. Voor brandweervrijwilligers is dit momenteel niet vastgelegd.
Voor een inhoudelijke toelichting op de inrichting van het opvang- en nazorgproces door veiligheidsregio’s bij de brandweer verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
In algemene zin ben ik van mening dat de brandweermensen die in- of door- brandweerwerk in de knel raken, hier tijdig hulp en adequate ondersteuning voor moeten krijgen. Ik vind het belangrijk dat de zorg voor PTSS bij de brandweer in Nederland op orde is.
Wat is de reden dat PTSS bij defensie en de politie wel wordt erkend als beroepsziekte, maar niet bij de brandweer?
PTSS kan worden veroorzaakt door één of meerdere ingrijpende gebeurtenissen. Wanneer deze zich in overwegende mate voordoen in het werk, kan er sprake zijn van een beroepsziekte.2 In het algemeen geldt, dat of er sprake is van een beroepsziekte, dit in individuele gevallen wordt vastgesteld door een bedrijfsarts.
Bij Politie en Defensie is PTSS (landelijk) erkend als beroepsziekte in juridische zin. Dit betekent dat Politie en Defensie de erkenning van PTSS vastgelegd hebben in de rechtspositie middels rechtspositionele regelingen. Dit zijn geldende afspraken tussen werkgevers en werknemers.
Daarbij is het in Nederland zo geregeld, dat bij zowel Politie als Defensie het werkgeverschap centraal is belegd. Anders dan bij Politie en Defensie ligt de werkgeversverantwoordelijkheid voor de brandweer bij de besturen van de 25 veiligheidsregio’s. Zo is ook de juridische erkenning van PTSS als beroepsziekte bij de brandweer binnen de veiligheidsregio’s aan de besturen van de individuele veiligheidsregio's voorbehouden.
Hoeveel brandweerlieden kampen naar schatting jaarlijks met een posttraumatische stressstoornis?
Er is op dit moment geen goed zicht op het aantal brandweermensen met PTSS in Nederland.
Deelt u de mening dat het aantal PTSS-gevallen bij de brandweer beter en centraal geregistreerd moet worden en zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen?
De werkgeversverantwoordelijkheid voor de brandweer ligt bij de besturen van de 25 veiligheidsregio’s. Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) is de werkgever verantwoordelijk voor een gezonde en veilige werkomgeving. De werkgever laat zich daarbij ondersteunen door een bedrijfsarts en andere Arbodeskundigen. Als een bedrijfsarts een beroepsziekte vaststelt, moet de bedrijfsarts dit melden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten3 (hierna: NCvB).
In het afgelopen Veiligheidsberaad is gesproken over de zorg rondom PTSS bij de brandweer. Als stelselverantwoordelijk Minister blijf ik in gesprek met de veiligheidsregio’s als werkgevers van de brandweer in Nederland, hierbij zal ik ook inzicht in de omvang meenemen.
Bent u het eens met de stelling dat het onbegrijpelijk is dat brandweerlieden onvoldoende hulp krijgen bij psychische problemen en dat de gegeven hulp per veiligheidsregio verschilt, terwijl zij zich dagelijks inzetten om mensen in nood te helpen en regelmatig worden blootgesteld aan traumatische gebeurtenissen?
In algemene zin ben ik van mening dat de brandweermensen die in- of door- brandweerwerk in de knel raken, hier zelf tijdig en adequate hulp moeten krijgen, Zeker in het geval van psychische problemen die te relateren zijn aan hun inzet bij de brandweer. Ik vind het belangrijk dat de zorg voor PTSS bij de brandweer in Nederland op orde is. De veiligheidsregio’s hebben als werkgevers van de brandweer de verantwoordelijkheid voor een gezonde en veilige werkomgeving op grond van de Arbowet.
Herkent u het beeld dat brandweerlieden niet goed voorbereid zouden worden op de impact van aangrijpende gebeurtenissen, zoals verdrinkingen en suïcides?
Uit de gesprekken met brandweermensen weet ik dat dit ingrijpende ervaringen zijn. Ik heb dit ook besproken met de burgemeesters in het Veiligheidsberaad van 18 maart jl.
Wat is op dit moment het protocol wanneer brandweerlieden aangeven met psychische klachten te kampen na een heftige gebeurtenis tijdens het werk en welke rol hebben de veiligheidsregio’s hierin?
De veiligheidsregio’s hebben als werkgevers van de brandweer een verantwoordelijkheid voor een gezonde en veilige werkomgeving op grond van de Arbowet.
Voor de inrichting van het opvang- en nazorgproces hanteren de veiligheidsregio's de Richtlijn Psychosociale Ondersteuning Geüniformeerden4. Deze Richtlijn is opgesteld in samenwerking met de verschillende hulpdiensten en wordt momenteel herzien. De Richtlijn Psychosociale ondersteuning is voor de veiligheidsregio’s vertaald naar een toolbox Psychosociale Ondersteuning5 en de Handreiking Opvang en Nazorg Brandweer6. De toolbox bevat eenduidige en uniforme handvatten voor de veiligheidsregio’s gericht op het goed
opvangen van medewerkers en het voorkomen van klachten en uitval. Daarbij is tevens aandacht voor klachten die zich later openbaren, of klachten die ontstaan als gevolg van een stapeling van stress en/of langdurige belasting. De toolbox is volgens de veiligheidsregio’s bedoeld voor alle medewerkers van de veiligheidsregio's, ongeacht of ze repressieve taken hebben of niet.
Na het bieden van hulp bij natuurlijk herstel na een schokkende gebeurtenis, kan georganiseerde collegiale ondersteuning nodig of gewenst zijn. Dit aanbod wordt gedaan door getrainde collega's van het Team Collegiale Opvang (TCO). De medewerker zelf, een leidinggevende of de meldkamer kan hierom verzoeken. De collegiale ondersteuning heeft een steunende, signalerende en adviserende functie. Bovendien volgt het TCO de medewerkers na ingrijpende gebeurtenissen actief. Als de gesprekken niet tot het gewenste effect leiden, wordt een advies voor verwijzing naar professionele hulpverlening gegeven.
Soms is een schokkende gebeurtenis zo ingrijpend, dat er verwerkingsproblemen ontstaan die het dagelijks functioneren en het welbevinden (ernstig) verstoren. In dat geval is doorverwijzing naar professionele psychische hulpverlening mogelijk. Dit kan op verschillende manieren georganiseerd worden en is veelal afhankelijk van de hulpvraag van de individuele collega.
Hebben de veiligheidsregio’s gespecialiseerde personen in dienst die brandweerlieden kunnen helpen bij ernstige psychische problemen, zoals een psycholoog, of beschikken zij over een loket waar brandweerlieden laagdrempelig terecht kunnen voor hulp en advies?
Er zijn enkele veiligheidsregio’s die een psycholoog, bedrijfsmaatschappelijk werker of geestelijk verzorger in dienst hebben. De meeste veiligheidsregio’s werken (daarnaast) samen met gespecialiseerde instituten. Enkele veiligheidsregio’s zijn aangesloten op het Steunpunt Brandweer7, andere veiligheidsregio’s maken gebruik van vergelijkbare aanbieders van psychosociale hulp voor medewerkers. Daarnaast zijn de collega's uit de collegiale ondersteuningsteams beschikbaar voor hulp en advies, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Wat is de rol van verzekeraars als het gaat om steun van brandweerlieden met PTSS en klopt het dat PTSS-claims als onverzekerbaar worden beschouwd? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Het Verbond van Verzekeraars en de veiligheidsregio’s geven aan dat PTSS in beginsel verzekerbaar is. Het is een beroepsziekte die vaker voorkomt en de beoordeling van aanspraken die daarop zijn gebaseerd, valt onder de dekking voor werkgeversaansprakelijkheid.
Bij gebleken aansprakelijkheid van de werkgever wordt de schade die een werknemer lijdt als gevolg van PTSS onder de aanwezige aansprakelijkheidsverzekering van de werkgever vergoed. Het Verbond van Verzekeraars en de veiligheidsregio’s geven aan dat behandelen van deze claims complex is, omdat de schade medisch en juridisch in causaal verband tot de PTSS moet staan.
De veiligheidsregio’s zijn de werkgevers van de brandweer. Zie voor een nadere toelichting op de huidige vastgelegde aanspraken voor brandweermensen mijn antwoord op vraag 2.
Is er een compensatieregeling voor de hoofdwerkgever van brandweervrijwilligers bij tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van PTSS en zo nee, zou die er volgens u moeten zijn?
Nee, een dergelijke regeling is er niet en het is een verantwoordelijkheid van werkgevers en vakbonden om hier naar te kijken.
Klopt het dat de veiligheidsregio’s een waarborgfonds hebben opgezet voor onverzekerbare claims waar PTSS niet onder valt? Wat vindt u daarvan?
Ja, er is een waarborgfonds door de veiligheidsregio’s opgericht om te voorzien in de financiering van onverzekerbare aanspraken na dienstongevallen. Volgens de veiligheidsregio’s is de insteek beperkt tot dienstongevallen waar fysiek letsel uit volgt.
Bent u bereid om onderzoek te doen naar de omvang van PTSS bij de brandweer in Nederland en in gesprek te gaan met de veiligheidsregio’s om PTSS te erkennen als beroepsziekte bij de brandweer?
Op 18 maart jl. heb ik gesproken met de voorzitters van de veiligheidsregio’s in het Veiligheidsberaad over de zorg rondom PTSS bij de brandweer. De veiligheidsregio’s hebben mij aangegeven te werken aan een landelijke modelregeling PTSS. Het uitgangspunt hierbij is volgens de veiligheidsregio’s dat een dergelijke regeling moet gaan gelden voor zowel beroepskrachten als vrijwilligers. Daarbij heb ik vernomen dat de gezamenlijke werkgeversvereniging van de 25 veiligheidsregio’s dit ook gaat agenderen voor overleg met de vakbonden.
Als stelselverantwoordelijk Minister blijf ik in gesprek met de veiligheidsregio’s als werkgevers van de brandweer in Nederland, hierbij zal ik ook inzicht in de omvang meenemen. Daarbij zal ik de voortgang nauwgezet volgen en breng ik uw Kamer hiervan ook op de hoogte.
Het bericht dat er een gebrek is aan beschikbare afspraken voor het vernieuwen van een Nederlands paspoort in het buitenland |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat er een urgent probleem is met vernieuwen van het paspoort in het buitenland?1
Ja.
Klopt het dat in meerdere landen de wachttijden voor het vernieuwen van het Nederlandse paspoort kunnen oplopen tot maanden – of dat er überhaupt nooit plek beschikbaar is?
Op een beperkt aantal locaties bij de diplomatieke posten in het buitenland zijn momenteel wachttijden. Deze zijn het gevolg van de «paspoortpiek» (een toenemende vraag naar vernieuwing van paspoorten omdat de in 2014 ingevoerde tien jaar geldigheidstermijn ervan verstrijkt). Dit jaar verwachten we een verdrievoudiging van het aantal aanvragen in het buitenland.
Het beeld dat wordt geschetst dat het onmogelijk zou zijn voor Nederlanders in het buitenland om een nieuw paspoort aan te vragen herken ik niet. Op dit moment zijn er op bijna alle aanvraaglocaties voldoende mogelijkheden om binnen enkele dagen of weken een afspraak te maken voor een paspoort aanvraag. Het kan voorkomen dat aanvragers binnen een stad naar een andere aanvraaglocatie moeten reizen, zoals bijvoorbeeld in Madrid, Kaapstad en Londen. Daar kan het zijn dat er geen of een beperkte afspraakmogelijkheid is op de Nederlandse vertegenwoordiging maar er wel mogelijkheden zijn bij de externe dienstverlener (VFS). Nederlanders in het buitenland kunnen ook een paspoort aanvragen of vernieuwen op Schiphol of bij een grensgemeente wanneer zij naar Nederland reizen.
In welke landen speelt deze problematiek?
Momenteel kan in ieder land een afspraak worden ingepland om binnen een termijn van 4 weken een reisdocumentaanvraag in te dienen. Dreigt deze termijn overschreden te worden, dan worden er maatregelen genomen door de Nederlandse vertegenwoordiging of externe dienstverlener om de capaciteit te verhogen. Wel kan het zijn dat naar een andere aanvraaglocatie moet worden gereisd.
Wat is de reden dat het in deze landen schijnbaar vrijwel onmogelijk is om een afspraak te maken bij de ambassade, het consulaat of bij het commerciële paspoortbureau van VFS Global voor het vernieuwen van het paspoort?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat Nederlanders in het buitenland niet de mogelijkheid hebben om hun paspoort binnen een schappelijke tijd te vernieuwen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe wordt dit probleem opgelost? Is het mogelijk om de capaciteit voor het vernieuwen van paspoorten van Nederlanders in het buitenland op te schalen?
De balietijden op ambassades, consulaten en bij de externe dienstverlener (VFS) zijn verruimd om de paspoortpiek zo goed mogelijk op te vangen. Ook in de backoffice is meer capaciteit gecreëerd. Er zijn daarnaast maatregelen getroffen om Nederlanders zo goed mogelijk te informeren. Zo roepen we Nederlanders in het buitenland al maanden op hun reisdocument tijdig te vernieuwen. Er loopt sinds augustus 2023 een sociale media campagne om Nederlanders erop te attenderen op tijd een afspraak te maken voor het vernieuwen van hun paspoort.
Klopt het dat er ook bij het maken van afspraken bij zogenaamde «pop-up»-locaties problemen optreden? Zo ja, wat is hiervan de reden?
Het is een keer voorgekomen dat Nederlanders in het buitenland geen afspraak konden maken door technische problemen. In dit specifieke geval in Spanje, was het behalve een volle afsprakenkalender extra ongelukkig dat er ook technische problemen met het afsprakensysteem waren. Het gaat hier om een incident.
De service, waarbij consulaire posten met mobiele aanvraagstations reizen naar regio’s waar veel Nederlanders wonen, is vooral bedoeld voor mensen voor wie het moeilijker is een eind te reizen, zoals bijvoorbeeld mensen boven de 67 jaar, kinderen onder de 5 jaar en mensen die slecht ter been zijn.