Omgang met explosieven door overheden |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Vliegtuigbom uit Tweede Wereldoorlog ontploft op strand Wassenaar»?1
Ja.
Kunt u schetsen welke stappen welke overheidsinstanties en andere betrokken actoren in deze casus en in soortgelijke gevallen doorlopen om een explosief uiteindelijk onschadelijk te maken?
Vliegtuigbommen en andere conventionele explosieven, ook wel ontplofbare oorlogsresten genoemd, worden met name gevonden door civiele bedrijven die gecertificeerd zijn om hiernaar te zoeken. Deze bedrijven informeren hun opdrachtgever die vervolgens de gemeente inlicht. Binnen de gemeente is de politie het aanspreekpunt voor explosieven. De politie heeft direct contact met het meldingsbureau van de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD). De EODD maakt een inschatting van de urgentie en plant vervolgens op welke termijn het explosief moet worden geruimd. Ter plekke voert de EODD de definitieve identificatie van het explosief uit, maakt in overleg met de betrokken partijen een plan voor de ruiming en verzorgt de ruiming.
Onder het begrip «ruimen» vallen alle mogelijke manieren om explosieve stoffen en voorwerpen definitief te vernietigen. Meestal houdt dit in: demonteren of gecontroleerd tot ontploffing brengen. De ruiming vindt in eerste aanleg ter plekke plaats, omdat dit de minste risico’s met zich meebrengt.
Bij elke ruiming wordt samen met de gemeente, de politie en eventueel andere partners een plan gemaakt. Hierbij is de veiligheid van ruimers van de EODD, de omwonenden, belanghebbenden, levende have, milieu en infrastructuur maatgevend voor de oplossing.
In het geval het niet veilig is het explosief ter plekke te ruimen en de EODD het explosief moet verplaatsen, vervoert zij het explosief naar de locatie waar de EODD dit wel veilig kan doen. In principe is het explosief een gemeentelijke verantwoordelijkheid en blijft het explosief binnen de gemeente. Mocht door omstandigheden de keuze voor de locatie van de ruiming vallen op een plek in een andere gemeente, dan worden betrokken gemeenten geïnformeerd door de gemeente waar het explosief is aangetroffen. De politie begeleidt het transport van het explosief.
Voordat de EODD het explosief ruimt stelt zij zeker dat dit veilig kan plaatsvinden. De EODD doet dit door restricties die mogelijk afgegeven moeten worden voor weg- lucht- en/of scheepsverkeer door te spreken met de politie, de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en indien de locatie dicht bij zee ligt de Kustwacht Nederland. De politie zorgt daarnaast voor een cordon op een veilige afstand van het springpunt.
Na afronding van de ruiming evalueren alle betrokken partijen het doorlopen proces en wordt de melding gearchiveerd bij de EODD en de politie.
Betreffende de casus waarnaar verwezen wordt onder vraag 1 is de vliegtuigbom gevonden door een gecertificeerd civiel opsporingsbedrijf. De hierboven beschreven procedure voor ruimen op een door de gemeente aangewezen locatie is doorlopen. Naast de actoren die standaard betrokken worden, is in deze casus de Kustwacht Nederland geraadpleegd, omdat de vliegtuigbom op het strand is geruimd.
Wat zijn op dit moment voor de rijksoverheid, uitvoeringsinstanties en decentrale overheden de precieze (beleids)kaders, procedures en protocollen voor het omgaan met «klasse 1-goederen» (goederen en stoffen die per definitie onder de categorie «explosieven» vallen)?2
Klasse 1-goederen zijn ontplofbare stoffen en goederen, zoals vuurwerk, vuurpijlen, munitie en wapentuigen en bommen. De term «klasse 1-goederen» heeft betrekking op voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Deze voorschriften staan in een Europese overeenkomst, het Accord Européen relatief au transport international de marchandises Dangereuses par Route (ADR). Het ADR is onderdeel van de Nederlandse Regeling Vervoer over Land van Gevaarlijke stoffen (VLG), een onderdeel van de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs). De Minister van Infrastructuur en Waterstaat is beleidsverantwoordelijk voor de Wvgs.
Onder de Wvgs gelden verschillende uitvoeringsprotocollen en procedures voor het vervoer van bepaalde type goederen alsmede eisen aan verpakking en documentatie. Het voert te ver om deze hier uitputtend te noemen. Nadere informatie kunt u vinden op de website van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT): https://www.ilent.nl/onderwerpen/gevaarlijke-stoffen-weg. De ILT is belast met het toezicht op de naleving van de Wvgs.
Op welke wijze wordt kennisdeling en coördinatie op dit thema vormgegeven door en tussen de betrokken departementen en instanties, waaronder de Ministeries van Defensie, Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en Infrastructuur en Waterstaat?
Kennisdeling en coördinatie op de omgang met explosieven in den brede, door de overheid, is afhankelijk van de problematiek die aan de orde is.
De beleidskaders die van toepassing zijn op ontplofbare oorlogsresten, zijn in het antwoord op vraag 2 beschreven. Naar andere protocollen en procedures is verwezen onder vraag 3.
Om gemeenten te helpen om hun taak te vervullen ten aanzien van specifiek ontplofbare oorlogsresten is het Kenniscentrum Ontplofbare Oorlogsresten (Kenniscentrum OO) opgericht. Het Kenniscentrum OO heeft drie kerntaken: het is ten eerste een vraagbaak voor gemeenten en biedt onder andere antwoord op vragen over het proces van opsporing, het Kenniscentrum stelt verder een afwegingskader op voor gemeenten en is verantwoordelijk voor de oprichting en uitvoering van een onderzoeksprogramma.
De oprichting van het Kenniscentrum OO is een gezamenlijk besluit geweest van partijen die een verantwoordelijkheid hebben op het gebied van ontplofbare oorlogsresten of die op een andere manier betrokken zijn bij het onderwerp.
Er is een programmaraad onder leiding van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) die tot doel heeft ervoor te zorgen dat de gezamenlijke verantwoordelijkheid van diverse betrokkenen voor het beleidsveld zo optimaal mogelijk vorm krijgt. In de programmaraad hebben naast het Ministerie van BZK zitting Rijkswaterstaat (verantwoordelijk voor de uitvoering van het Kenniscentrum) en de Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Defensie, Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de politie en het Instituut Fysieke Veiligheid.
Deelt u de mening dat binnen de rijksoverheid en decentrale overheden in de loop der jaren aanzienlijke versplintering is ontstaan van verantwoordelijkheden, taken en kennis op het gebied van omgang met explosieven? Hoe wordt deze versnippering weggenomen?
Onder vraag 2 en 3 zijn de verantwoordelijkheden, taken en kennis uiteengezet. In praktische zin raakt de omgang met explosieven aan verschillende overheidsorganisaties, waaronder begrepen departementen en decentrale overheden. De kwalificatie versnippering achten wij niet van toepassing op deze thematiek.
Klopt de veronderstelling dat omgang met explosieven breder is dan opruiming van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog, zoals zwaar (illegaal) vuurwerk, en dat ook op dat vlak nog steeds sprake is van versnippering van kennis en expertise binnen de overheid?
Wij delen uw veronderstelling dat omgang met explosieven breder is dan opruiming van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Zoals eerder aangegeven is de omgang met explosieven veelomvattend en zijn daarbij verschillende overheidsdiensten betrokken. Wij herkennen ons niet in de kwalificatie versnippering die in de vraag genoemd wordt.
Wat zijn de bevoegdheden en taken van het Kenniscentrum Conventionele Explosieven (KCE)?
Het Kenniscentrum OO – oorspronkelijk was de naam KCE in gebruik, maar sinds de officiële oprichting in 2021 is de naam Kenniscentrum OO – ondersteunt gemeenten met kennis opdat werkzaamheden in de bodem veilig kunnen worden uitgevoerd.
Het Kenniscentrum OO heeft als doel kennisverspreiding. Zie ook het antwoord op vraag 4. Het is aan de gemeenten om het beleid vast te stellen over hoe om te gaan met explosieven.
In hoeverre ziet u nut of noodzaak in de oprichting van een (alternatieve) centrale autoriteit, wellicht onder regie van Defensie en/of van Justitie en Veiligheid, waar alle kennis en kunde op het vlak van klasse 1 goederen beheerd wordt ten behoeve van (andere) overheidspartijen die hierom vragen?
Daar waar de verschillende verantwoordelijkheden en beleidskaders elkaar raken weten de betrokken overheidsinstanties en departementen elkaar te vinden en vindt de nodige afstemming plaats. Wij zien dan ook geen nut in en noodzaak tot de oprichting van een centrale autoriteit.
Wat zijn op dit moment de jaarlijkse kosten voor de rijksoverheid en decentrale overheden als het gaat om omgang met explosieve goederen, zoals bijvoorbeeld het verwijderen van bommen en explosieven uit de Tweede Wereldoorlog tijdens infrastructuurprojecten? Deelt u de mening dat verdere coördinatie en centralisatie deze kosten zou kunnen reduceren?
In de afgelopen jaren zijn er jaarlijks circa 2.000 ruimingen door de EODD gedaan. Het exacte aantal per jaar wordt vermeld in het Jaarverslag Defensie. De kosten voor de ruimingen vallen binnen de kaders van de Financiering Nationale Inzet Krijgsmacht (FNIK) en bedragen jaarlijks € 0,5 tot € 1 miljoen. Conform het FNIK-convenant krijgt Defensie jaarlijks € 3,1 miljoen tot haar beschikking voor het verlenen van alle militaire bijstand. Verdere coördinatie en centralisatie leidt niet tot doelmatiger beleid, en daarmee dus niet tot reductie van kosten.
Gemeenten kunnen via het gemeentefonds in aanmerking komen voor een bijdrage in de gemaakte kosten voor het opsporen en ruimen van ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Het totaal aan gemaakte kosten waarvoor gemeenten een bijdrage aanvragen ligt de laatste jaren rond de € 40 miljoen per jaar.
Bent u ook bereid andere expertorganisaties te consulteren over verbetering van de samenhang, efficiëntie, effectiviteit en veiligheid van het beleid rond klasse 1-goederen?
Daar waar de verschillende beleidskaders elkaar raken weten de betrokken organisaties en departementen elkaar te vinden en vindt de nodige afstemming plaats. Dit houdt in dat, indien daar aanleiding toe is, ook andere expertorganisaties geconsulteerd worden. Maar zoals uit de beantwoording van voorgaande vragen volgt, is er geen aanleiding om expertorganisaties op dit moment te consulteren over verbetering van de samenhang, efficiëntie, effectiviteit en veiligheid van het beleid rond klasse 1-goederen.
Het bericht ‘Moordenaar broer kroongetuige gaf tot moord Peter R. lezingen in gevangenis’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Moordenaar broer kroongetuige gaf tot moord Peter R. lezingen in gevangenis»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een tot 28 jaar celstraf veroordeelde moordenaar, die volgens het gerechtshof als «kil, berekend en genadeloos» werd omgeschreven, lezingen mag geven in de gevangenis?
Als eerste wil ik opmerken dat ik mij zeer goed kan voorstellen dat de berichtgeving verbazing heeft gewekt bij en pijnlijk was voor de nabestaanden. Dat betreur ik zeer. Terugkijkend is door DJI geconcludeerd dat er bij de besluitvorming over deze activiteit voor deze gedetineerde onvoldoende rekening is gehouden met de maatschappelijke impact van het delict waarvoor betrokkene is veroordeeld en de belangen van de nabestaanden.
Binnen het gevangeniswezen werken mensen aan een veilige re-integratie van alle gedetineerden. Dat geldt ook voor gedetineerden die tot een lange straf zijn veroordeeld en die op deze wijze door de rechter zijn omschreven.
Voor iedere gedetineerde wordt een persoonlijk Detentie en Re-integratieplan (D&R-plan) opgesteld. Het uitgangspunt is dat de tijd in detentie zinvol wordt benut. In het D&R-plan wordt beschreven hoe – met inachtneming van veiligheidsrisico’s, gedrag van de gedetineerde en slachtofferbelang – stappen gezet kunnen worden die bijdragen aan een veilige terugkeer. Het D&R-plan wordt tussentijds geëvalueerd en indien nodig aangepast. Voor langgestraften wordt bekeken welk traject wanneer kan worden ingezet. Als de straf nog lang duurt, gaat het om afgewogen, kleine stapjes, zoals activiteiten met een volstrekt intern karakter en met toezicht door medewerkers van de gevangenis. De keuze over toekennen van vrijheden tijdens detentie of wanneer re-integratieactiviteiten worden aangeboden, wordt altijd afgewogen op basis van de drie genoemde criteria: veiligheidsrisico’s, gedrag en slachtofferbelangen. In deze casus zijn in het kader van re-integratie groepsgesprekken opgezet. Deze gesprekken zijn tevens bedoeld als preventie-activiteit door andere gedetineerden er bewust van te maken van het feit dat in zeer ernstige zaken ook zeer zware straffen worden opgelegd. Deze groepsgesprekken vonden plaats met toezicht en met vooraf door de inrichting geselecteerde gedetineerden.
Nadat tweemaal een groepsgesprek met negen gedetineerden per gesprek had plaatsgevonden, vond de aanslag op Peter R. de Vries plaats. Deze gebeurtenis gaf aanleiding om terug te komen op het eerdere besluit om toestemming te geven voor de gesprekken. De moord op Peter R. de Vries deed inzien dat bij de besluitvorming te weinig rekening was gehouden met de maatschappelijke context van het delict waarvoor deze gedetineerde is veroordeeld en dat het effect van deze activiteit op de nabestaanden niet juist is ingeschat.
Waarom kan iemand die op deze wijze is omschreven door de rechter lezingen geven over resocialisatie?
Zie antwoord vraag 2.
Welke criteria worden gehanteerd bij het selecteren van gedetineerden die in het kader van resocialisatie lezingen of andersoortige activiteiten voor medegedetineerden mogen organiseren?
Het D&R-plan is leidend bij het mogen uitvoeren van activiteiten in het kader van re-integratie. Het opstellen van het D&R-plan is maatwerk. Daarbij worden telkens veiligheidsrisico’s, het gedrag van de gedetineerde en slachtofferbelangen gewogen. Voor een onderdeel als dit is ook van belang dat de activiteit ten goede komt aan het inzicht van betrokkene in zijn handelen, dat hij tot inkeer komt en dat zijn motivatie geloofwaardig wordt geacht.
Waarom worden meerdere gedetineerden uit de Top 600 bij elkaar gezet, die nota bene gekozen werden door Shurandy S., tijdens een dergelijke activiteit?
Er waren geen gedetineerden uit de top 600 bij de groepsgesprekken aanwezig.
Hoe denkt u dat deze gang van zaken overkomt op de nabestaanden van de vermoorde Reduan B. en op slachtoffers in het algemeen?
Zoals ik bij het antwoord op vraag 2 heb opgemerkt betreur ik de gang van zaken zeer en kan ik me goed voorstellen dat deze gebeurtenis en de berichten in de media grote impact hebben op nabestaanden en op slachtoffers in het algemeen. Ik sta pal voor het beschermen van slachtofferbelangen en hecht aan het welbevinden van slachtoffers en nabestaanden. Daarom wordt er in het gevangeniswezen veel aandacht besteed aan slachtofferzorg en activiteiten als herstelbemiddeling.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat gewetenloze moordenaars zoals Shurandy S. geen invloed kunnen uitoefenen op andere gedetineerden en ervoor te zorgen dat de selectie bij resocialisatieprojecten in de gevangenis zorgvuldig zal plaatsvinden?
Ook voor de zwaarste categorie gedetineerden wordt een D&R-plan vastgesteld met zorgvuldig geselecteerde activiteiten. Tijdens de uitvoering van het traject wordt de gedetineerde gemonitord om te voorkomen dat andere gedetineerden negatief kunnen worden beïnvloed. Ervaringen uit deze casus worden gebruikt om de afwegingen die worden gemaakt tijdens het traject verder te verbeteren. Door te leren van deze gebeurtenis zal de weging van de maatschappelijke context en slachtofferbelangen steeds beter tot zijn recht komen bij de keuzes die gemaakt worden binnen de inrichting.
De Kamerbrief van 20 december 2021 ‘Toekomstige organisatie van zorg voor patiënten met aangeboren hartafwijkingen’ |
|
Caroline van der Plas (BBB), Nicki Pouw-Verweij (JA21) |
|
Kuipers |
|
![]() ![]() |
Hoe verhoudt het besluit tot concentratie van hoogcomplexe zorg bij aangeboren hartafwijkingen (AHA) in twee centra zich tot de inschatting van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) dat het aantal volwassenen met AHA in de komende 30 jaar zal verdubbelen?
In het besluit is rekening gehouden met de verwachte toename van het aantal volwassen patiënten met een aangeboren hartafwijking door uitsluitend de hoogcomplexe interventies bij volwassenen te concentreren in de twee interventiecentra. Dit is een klein deel van het totale aantal interventies bij volwassenen. De matig en laagcomplexe interventies bij volwassenen kunnen in de toekomst nog steeds worden verricht in de hartcentra van de andere umc’s en algemene ziekenhuizen, zoals nu al het geval is.
Daarbij wil ik benadrukken dat de concentratie alleen betrekking heeft op de interventies, niet op alle overige zorg. Een groot deel van de cardiologische zorg, waaronder de periodieke controles, diagnostiek, onderzoek en voor- en nazorg bij een interventie, kunnen straks nog steeds in het eigen ziekenhuis worden geboden. Voor patiënten blijft de poliklinische zorg dus dichtbij. Er wordt dus een heel specifiek en in omvang beperkt deel van de zorg verplaatst naar de twee interventiecentra.
Heeft u deze toekomstverwachting meegenomen in uw beslissing?
Zie antwoord vraag 1.
Is de kwetsbaarheid van zorg meegenomen bij dit besluit, aangezien bij een calamiteit in één van de twee centra alle zorg terechtkomt bij het overgebleven centrum? Welke consequenties kan dit hebben en zijn die meegenomen?
In het besluit is rekening gehouden met de robuustheid van het toekomstige zorgnetwerk, door de interventies niet in één maar in twee centra onder te brengen. De beroepsgroep heeft in het eerdergenoemde visierapport aangegeven dat een zorgnetwerk met één interventiecentrum inderdaad kwetsbaar is, omdat uitval of calamiteiten niet kunnen worden opgevangen in een ander centrum. In een systeem met twee interventiecentra is die back up wel aanwezig en voorziet de beroepsgroep op dit punt geen knelpunten.
Erkent u dat de IGJ aangeeft dat alle huidige centra de nodige kwaliteit in zorg kunnen leveren?
Zoals mijn ambtsvoorganger in de Kamerbrief van 20 december1 heeft aangegeven, beoordeelt de inspectie de huidige kwaliteit van zorg in de centra als goed. Het besluit om de interventies te concentreren heeft dan ook niet zozeer te maken met de huidige prestaties van de centra, maar met de risico’s en knelpunten die de beroepsgroep voorziet voor de kwaliteit en continuïteit van zorg in de nabije toekomst. De capaciteit voor (kinder)hartchirurgie is bijvoorbeeld te klein om de dienstroosters in alle centra te kunnen vullen, waarbij uitval of uitstroom van specialisten niet kan worden opgevangen en de dienstbelasting van zorgprofessionals te hoog is. Dergelijke knelpunten kunnen binnen de huidige structuur met vier centra en vijf behandellocaties niet worden opgelost. Ook toekomstige generaties kinderen die geboren worden met een aangeboren hartafwijking moeten verzekerd zijn van optimale kwaliteit van zorg. Concentratie van de interventies is daarbij noodzakelijk, zoals de beroepsgroep zelf ook aangeeft.
Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Zo ja, wat is dan de reden om niet naar geografische spreiding van locaties te kijken?
Natuurlijk moeten patiënten in heel Nederland toegang hebben tot goede zorg. Ten aanzien van de interventies bij aangeboren hartafwijkingen is in de besluitvorming een afweging gemaakt tussen de kwaliteit en continuïteit van zorg, ten opzichte van de eenvoudige bereikbaarheid voor patiënten in heel Nederland. De geografische spreiding is daarbij niet van doorslaggevend belang, zoals de beroepsgroep bij het Ministerie van VWS heeft aangegeven. Hartinterventies bij kinderen en zeker bij volwassenen zijn vaak planbare zorg. In situaties dat patiënten acute zorg nodig hebben, kunnen zij terecht bij de dichtstbijzijnde spoedopvang of rechtstreeks worden verwezen naar een interventiecentrum. Bovendien gaat bij deze concentratie alleen om de interventies, niet om alle (kinder)cardiologische zorg voor patiënten met aangeboren hartafwijkingen. Een groot deel van de zorg kan straks nog steeds in het eigen ziekenhuis in de regio worden geboden, bijvoorbeeld de diagnostiek, onderzoeken, poliklinische controles en voor- en nazorg bij een interventie. Deze zorg blijft voor patiënten dus dichtbij beschikbaar.
Dit neemt niet weg dat een deel van de patiënten voor een interventie straks verder zal moeten reizen. Ik begrijp dat dit voor patiënten en hun families belastend kan zijn. Een verandering in de organisatie van deze zorg is echter nodig als we de kwaliteit en continuïteit ook in de toekomst willen verzekeren. Het gaat hier dus ook om de belangen van jonge kinderen en zelfs van kinderen die nog geboren zullen worden met een aangeboren hartafwijking. Uit het advies dat de betrokken patiëntenorganisaties op verzoek van de Minister hebben opgesteld, blijkt evenwel dat patiënten in ruime meerderheid bereid zijn om verder te reizen als dat betekent dat zij optimale zorg krijgen.
Bent u bekend met het feit dat patiënten die hoogcomplexe zorg bij AHA nodig hebben, maar beperkt belastbaar zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Is de belastbaarheid van patiënten die hoogcomplexe zorg bij AHA nodig hebben een onderdeel van de afweging geweest?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat zorg in heel Nederland toegankelijk en bereikbaar moet zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Onderkent u dat het weghalen van hoogcomplexe zorg voor aangeboren hartafwijkingen ook invloed heeft op de houdbaarheid van andere onderdelen van de zorg (zoals kinderlongchirurgie en -transplantaties, kinder pulmonale hypertensiezorg die al landelijk zijn gecentraliseerd en acute kinder Intensive Care (IC)-zorg)?
Ik onderken inderdaad dat er samenhang is tussen de hoogcomplexe zorg voor patiënten met aangeboren hartafwijkingen en andere, aanverwante vormen van hoogcomplexe medisch specialistische zorg. Het is echter niet zo dat een kinderhartcentrum verdwijnt als een UMC op termijn zelf geen hartinterventies meer uitvoert. Een groot deel van de kindercardiologische zorg blijft beschikbaar in de UMC’s die straks een functie gaan vervullen als shared care centrum binnen een landelijke netwerkstructuur van zorg voor patiënten met aangeboren hartafwijkingen.
Daarbij geldt dat de kennis en expertise van het UMC Groningen op het gebied van pulmonale hypertensie behouden kan blijven in het betreffende kinderhartcentrum. Het gaat hier hoofdzakelijk om poliklinische zorg die door kindercardiologen kan worden geboden. Indien er in het kader van de behandeling van pulmonale hypertensie invasieve metingen moeten worden uitgevoerd via een hartkatheterisatie, zal dit mogelijk wel in een interventiecentrum moeten plaatsvinden. Dit komt bij kinderen relatief weinig voor, gemiddeld tussen de tien en twintig keer per jaar.
Ik zal ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vragen een impactanalyse uit te voeren en nog voor het zomerreces de gevolgen van de keuze voor deze twee locaties in kaart te brengen. Specifieke aandachtspunten voor deze impactanalyse zijn onder meer de acute zorg, de neonatale, kinder- en volwassen ic-zorg, en het waarborgen van unieke medisch specialistische functies die nu bij verschillende UMC’s zijn ondergebracht (denk aan foetale interventies, transplantatiezorg voor kinderen en zorg voor kinderen met pulmonale hypertensie).
Hoe denkt u ziekenhuizen te ondersteunen bij het op peil houden van deze overige zorg?
Zie antwoord vraag 10.
Waarom is het zogenaamde DC3-plan door uw ministerie afgewezen?
In de Kamerbrief van 20 december is aangegeven dat het Ministerie van VWS de voorzitters van de umc’s in november heeft gevraagd om te komen tot een unaniem gedragen voorstel voor de landelijke verdeling van de twee interventiecentra.2 Hiermee werd niet gedoeld op het DC3 plan dat in juni 2021 door een deel van de umc’s is opgesteld.
Het Ministerie van VWS heeft bij de beoordeling van het DC3 plan geconcludeerd dat een landelijke netwerkstructuur met drie interventiecentra niet voldoet aan de randvoorwaarden voor goede kwaliteit van zorg. In dit model worden de interventies bij kinderen verdeeld over drie centra. Aangezien de behandelvolumes vooral bij pasgeborenen en jonge kinderen te klein zijn om in drie centra te kunnen voldoen aan de volumenormen uit de kwaliteitsrichtlijnen van de beroepsgroep, zullen er altijd centra zijn die niet aan de kwaliteitseisen voldoen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (inspectie) heeft dit in haar advies ook bevestigd en geadviseerd om toe te gaan naar een netwerkstructuur met twee interventiecentra.3 Om deze reden is besloten om de interventies te gaan concentreren in twee interventiecentra en is het DC3-plan geen optie.
Waarom vermeldt u in uw brief dat er geen voorstel vanuit de Universitair Medisch Centra (UMC’s) zelf lag (gesteund door zes van zeven UMC’s) terwijl drie UMC’s gezamenlijk tot het DC3-plan zijn gekomen?
Zie antwoord vraag 12.
Waarom vindt u levensloopzorg alleen van belang bij hoogcomplexe hartafwijkingen en niet bij andere hartafwijkingen?
Het besluit om niet alle interventies bij volwassenen te concentreren, is ingegeven door de verwachte volumegroei in deze patiëntengroep, in combinatie met de overweging dat niet alle ingrepen bij volwassenen specifiek zijn voor een aangeboren hartafwijking of heel complex. Een beperkt aantal operaties bij volwassenen is dermate complex en specifiek gerelateerd aan de aangeboren hartafwijking, zodat deze operaties omwille van de kwaliteit van de ingreep moeten worden uitgevoerd door een hartchirurg die specifieke expertise heeft op dat gebied. Op dit moment is het al zo dat de laag- en matig complexe interventies bij volwassenen ook worden uitgevoerd in andere hartcentra, zoals het St. Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein. Daarbij worden de indicatiestelling en het behandelplan wel in samenwerking met een interventiecentrum voor aangeboren hartafwijkingen bepaald. Dit leidt tot goede behandelresultaten en tevreden patiënten. Gezien de verwachte groei van de patiëntengroep wil ik dat deze vorm van netwerkzorg bij de volwassenenzorg ook in de toekomst mogelijk blijft.
Kunt u aangeven waarom u bij volwassenen alleen de zeer complexe interventies wil concentreren en u in uw advies afwijkt van het advies in het visierapport van de (drie) beroepsgroepen, om alle interventies van aangeboren hartafwijkingen van alle patiënten te concentreren in twee of drie centra, vanuit het principe van levensloopzorg?
Zie antwoord vraag 14.
Is concentratie van zorg niet voor alle interventies van aangeboren hartafwijkingen van belang en waar legt u dan de grens?
Zie antwoord vraag 14.
Beseft u dat door uw huidige voorstel het enige centrum in Nederland dat zich bezighoudt met Pulmonale Hypertensie bij kinderen, gesloten gaat worden? Heeft u de gevolgen hiervan in beeld en hoe heeft u dit meegewogen in uw beslissing?
Ik verwijs u naar mijn eerdere antwoord op de vragen 10 en 11.
Beseft u dat het weghalen van planbare hartzorg voorbijgaat aan de noodzaak om snel en goed bereikbare acute zorg te kunnen verlenen in de regio?
Natuurlijk moet de acute zorg voor alle patiënten in Nederland gewaarborgd zijn. We beschikken in Nederland over een uitstekend landelijk netwerk voor traumazorg, met normen voor de beschikbaarheid van de zorg. In acute situaties kunnen patiënten met aangeboren hartafwijkingen straks nog steeds terecht bij de spoedopvang in het nabijgelegen ziekenhuis.
Het is ook niet zo dat de (kinder)hartcentra die straks geen interventies meer uitvoeren zullen sluiten. Deze centra blijven een belangrijke rol vervullen als shared care centra binnen een landelijke netwerkstructuur van zorg voor patiënten met aangeboren hartafwijkingen. In dit netwerk zullen de shared care centra en de interventiecentra zowel onderling als op landelijk niveau nauw moeten samenwerken. De kinderhartcentra die straks geen kinderhartchirurgie meer uitvoeren, blijven als gezegd beschikbaar voor poliklinische controles, diagnostiek, onderzoek en voor- en nazorg na een interventie. Voor patiënten blijft een groot deel van de zorg daarmee dichtbij beschikbaar in het eigen ziekenhuis in de regio.
De beruchte bocht bij de afrit A1 richting snelweg A30 bij Barneveld. |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Barneveld wil opnieuw in gesprek met Rijkswaterstaat over «botsbocht» bij A1/A30»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Kunt u aangeven wat er op dit moment bekend is waarom er veel ongelukken gebeuren bij de bocht bij de afrit A1 richting snelweg A30 bij Barneveld?
Kunt u aangeven in welke maanden, weekdagen en tijdstippen van 2021 de 15 ongelukken bij deze bocht plaatsvonden? Gebeurde de ongelukken met name in bepaalde maanden, dagen en op een bepaald tijdstip of redelijk verspreid?
Meerdere van de ongevallen in 2021 vonden plaats buiten de spits, in de rustige uren op de weg en waren enkelvoudig (één betrokken personenauto). Het beeld rond de ongevallen in het jaar 2021 wijkt daarmee niet sterk af van de jaren ervoor. Voor een betrouwbaarder beeld van de oorzaken heeft Rijkswaterstaat de ongevallen van de afgelopen 5 jaar vergeleken:
Is er informatie bekend hoe hard de personen hebben gereden bij ongelukken in de afgelopen jaren? Zo ja, speelde te hard rijden hierbij vaak een rol?
In de bewuste bocht liggen geen meetlussen. De snelheid waarbij ongelukken plaatsvonden kan daarom niet exact worden aangegeven. Onderzoek door de politie moet duidelijk maken of er te snel gereden is ten tijde van een ongeval.
Kunt u aangeven welke maatregelen er de afgelopen jaren zijn genomen om de kans op ongelukken bij de scherpe bocht te voorkomen? En welke maatregelen zijn overwogen maar niet doorgevoerd?
In de zomer van 2019 is aanvullende bebording geplaatst om de weggebruiker te attenderen op de verkeerssituatie ter plaatse. Het gaat dan om een waarschuwingsbord (met een gele achtergrond) voor een scherpe bocht en een bord met een adviessnelheid van 30 kilometer per uur. In mei 2021 zijn daarnaast de pijlen op de bewegwijzering vervangen (nu twee hoekige afbuigende pijlen) om de situatie nog duidelijker te maken. Ook is door mijn ambtsvoorganger in 2021 het voorkeursalternatief voor het project A1/A30 Barneveld vastgesteld, waarin deze situatie wordt gewijzigd. Grootschaliger maatregelen bij de afrit worden nu niet overwogen met het oog op de toekomstige reconstructie van het knooppunt.
Bent u bereid om samen met de betrokken partijen te bezien hoe het kan dat ondanks de aanvullende maatregelen door Rijkswaterstaat nog steeds geregeld ongelukken plaatsvinden?
Er zijn maatregelen uitgevoerd waarbij de weggebruiker geattendeerd wordt op de verkeerssituatie. Ook is bij het opstellen het voorkeursalternatief A1/A30 Barneveld samen met de betrokken partijen (provincie Gelderland, gemeente Barneveld, regio Foodvalley en overige belanghebbenden) gekeken naar de verkeerssituatie. De huidige uitgevoerde maatregelen, waarbij voor de realisatie geen grootschalige werkzaamheden nodig waren, zouden op dit moment in principe moeten volstaan. Ik ben uiteraard bereid om in gesprek te gaan met de betrokken partijen over de vraag waarom er ondanks de waarschuwingsborden nog steeds ongevallen plaatsvinden.
Bent u bereid om samen met de betrokken partijen te bezien of extra maatregelen kunnen helpen om de kans op ongelukken te verkleinen?
Zie antwoord vraag 6.
In welke fase is het proces van geplande reconstructie knooppunt A1/A30? Welke stappen moeten nog worden doorlopen? Wanneer verwacht u de daadwerkelijke opdracht voor reconstructie te kunnen gaan geven?
In 2021 is het Voorkeursalternatief A1/A30 Barneveld vastgesteld en de bestuursovereenkomst met regionale partijen getekend. Het projectgebied overlapt 2,5 km met het projectgebied A28/A1 Knooppunt Hoevelaken. Uitgangspunt in het vastgestelde Voorkeursalternatief A1/A30 Barneveld is een gerealiseerd project Knooppunt Hoevelaken; wijzigingen in de planning van één van deze projecten kan dus effect hebben op de voortgang in het andere project.
December 2021 heeft mijn ambtsvoorganger u via de voortgangsbrief MIRT-projecten en moties en toezeggingen (Kamerstuk 35 925 A, nr. 24) geïnformeerd over de consequenties van het besluit van het kabinet om bij stikstofberekeningen voor alle emissiebronnen een maximale rekenafstand van 25 km te hanteren. Door de maximale rekenafstand van 25 km moeten voor meerdere projecten nieuwe stikstofberekeningen en beoordelingen worden gedaan. De beschikbare capaciteit aan deskundigen om stikstofberekeningen uit te voeren, mogelijke stikstofeffecten te kunnen beoordelen en eventuele mitigerende maatregelen voor te bereiden, is beperkt. Hierdoor kunnen niet alle projecten tegelijk van deze capaciteit gebruikmaken. Het streven is om de prioritering van de MIRT projecten, waaronder de projecten A1/ A30 en Knooppunt Hoevelaken, in relatie tot de beschikbare capaciteit aan stikstofdeskundigen begin 2022 met uw Kamer te delen.
Rijtestlocatie terugbrengen naar Terneuzen |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de open brief die de Top/Gemeentebelangen en SP uit de gemeente Terneuzen hebben verstuurd aan de Tweede Kamerleden, met als onderwerp Rijvaardigheidstesten CBR in Zeeuws-Vlaanderen?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat 75-plussers uit Zeeuws-Vlaanderen en andere mensen die een rijvaardigheidstest moeten doen, sinds het verdwijnen van de rijvaardigheidstestlocatie uit Terneuzen en de overplaatsing naar Goes, nu veel verder moeten reizen en verplicht tol moeten betalen om de reis naar de CBR-locatie naar Goes te maken en weer terug?
Ja.
Bent u van mening dat dit rechtsongelijkheid ten gevolg heeft voor de 75-plussers in Zeeuws-Vlaanderen? Zo nee, waarom niet?
In 2016 is door het CBR een uitvoerige evaluatie uitgevoerd met betrekking tot het locatiebeleid voor het afnemen van rijtesten. Aanleiding daarvoor was onder andere de constatering dat de vraag naar rijtesten op bepaalde locaties dusdanig laag was dat het in termen van bedrijfsvoering een uitdaging was om deze dienstverlening op alle 53 locaties in stand te houden. Een rijtest wordt immers door een specialist (een zogenaamde Deskundige Praktische Rijgeschiktheid, DPR) uitgevoerd en niet door een examinator. Ter illustratie: in Terneuzen werden ten tijde van de evaluatie in 2016, jaarlijks gemiddeld 111 rijtesten afgenomen (circa twee per week). Dat was het laagste aantal rijtesten van alle 53 locaties.
Op basis van de evaluatie in 2016 is besloten de rijtest minder fijnmazig aan te bieden en te concentreren op 30 locaties (in plaats van 53). Een belangrijk uitgangspunt bij de keuze voor de locaties die overbleven was dat de afstand tot een locatie in termen van aanrijdtijd acceptabel zou blijven en voor alle burgers niet boven de 60 minuten zou mogen komen. Dit werd mede ingegeven op basis van klantonderzoek. Dit uitgangspunt is vervolgens landelijk toegepast voor alle locaties. In deze heroverweging is uiteindelijk de keuze gemaakt de rijtesten die afgenomen werden in Terneuzen te concentreren op de locatie Goes. Ook op 22 andere locaties is het afnemen van de rijtest verplaatst naar een nabijgelegen locatie. De concentratie van 53 naar 30 locaties is in 2017 geëffectueerd.
Vervolgens is in 2018 de sluiting van de 22 locaties geëvalueerd middels een enquête onder klanten en rijopleiders die in de eerste drie kwartalen een rijtest hadden gedaan. Op basis van de resultaten van deze enquête en na overleg met de brancheverenigingen BOVAG, FAM en VRB is besloten om de locatie Winschoten te heropenen voor rijtesten gelet op de geografische ligging en het relatief hoge volume rijtesten op deze locatie (gemiddeld 341 per jaar, circa 7 rijtesten per week, ruim driemaal zoveel als in Terneuzen). Het aantal locaties waar rijtesten worden afgenomen komt daarmee op 31.
Bent u ervan op de hoogte dat ouderen, of men nu wel of geen extra rijlessen neemt bij een erkend rijschoolhouder, of wel/niet slaagt voor de rijtest, dan ook nog ruim 300 euro kwijt zijn aan medische keuringen en legeskosten? Vindt u dat een acceptabel bedrag, gezien het feit dat veel ouderen afhankelijk zijn van de AOW en in sommige gevallen slechts een klein pensioen erbij krijgen?
Het klopt dat er kosten verbonden zijn aan een medische beoordeling ten behoeve van het rijbewijs. Het is in het belang van de verkeersveiligheid dat onderzocht wordt of bestuurders nog rijgeschikt zijn. Dit wordt gedaan door een BIG-geregistreerd arts. Ook kan eventueel aanvullend medisch onderzoek nodig zijn. De gemaakte kosten worden hierbij doorgerekend aan de rijbewijshouder. Voor rijbewijskeuringen door artsen en medisch specialisten geldt een basisprestatie met een maximumtarief van € 114,14 (inclusief BTW). Dit staat voor een keuring van een kwartier directe tijd (de keuring zelf) en een kwartier indirecte tijd (voorbereiding en opstellen rapport). De directe tijd mag per kwartier dat de keuring langer duurt door middel van een toeslag in rekening worden gebracht. Enkel neurologen en psychiaters mogen twee extra toeslagen in rekening brengen voor indirecte tijd. De NZa stelt deze tarieven en prestaties vast en houdt hier toezicht op.
Naar aanleiding van eerdere signalen over de hoge kosten van de medische keuring, heb ik uw Kamer toegezegd hierover in 2021 in gesprek te gaan met de NZa. De uitkomst van dit gesprek, is dat de NZa heeft laten weten een verbetertraject te zijn gestart naar de prestaties en tarieven van de medische keuring. Daarnaast vindt er herijking plaats van onder andere de tarieven van de medische keuring. Ik zal uw Kamer conform het verzoek van het lid de Hoop tijdens de regeling van werkzaamheden van 1 februari op korte termijn nader informeren over de medische keuringen voor rijgeschiktheid.
De medische keuring draagt bij aan het uitsluiten van risico’s voor de verkeersveiligheid. Helaas gaat ouderdom vaak gepaard met verminderd zicht en cognitieve achteruitgang. Daarom is er een 75+ keuring. De kosten daarvan bestaan uit het invullen van de Gezondheidsverklaring (€ 41,50 euro), de 75+ keuring zelf door een keurend arts (doorgaans circa € 55 euro) en de kosten van eventuele vervolgonderzoeken door een medisch specialist. Aan het afnemen van een rijtest zijn geen kosten verbonden. Wel dient voor de duur van de rijtest het gebruik van een lesauto bekostigd te worden door de betrokkene, indien door het CBR vanwege de veiligheid wordt gevraagd om een auto met dubbele bediening. Indien dit niet het geval is, kan de kandidaat met een eigen auto naar de rijtest komen.
In hoeverre specialistische vervolgonderzoeken al dan niet nodig zijn om de rijgeschiktheid te kunnen bepalen, verschilt per individu. Dit kan in sommige gevallen een opstapeling van kosten betekenen die de rijbewijshouder zelf dient te betalen.
Ook zijn er kosten voor de verlenging van het rijbewijs bij de gemeente (maximaal € 41,60 voor een normale (niet-spoed) aanvraagprocedure). Dit tarief dient ter dekking van de kosten voor de aanvraag, de productie en de afgifte van het rijbewijsdocument. Het tarief wordt jaarlijks vastgesteld per ministeriële regeling.
Waarom kunnen er in Terneuzen nog wel rijexamens worden afgenomen bij het Service Examen Centrum van het CBR en geen rijvaardigheidstesten meer?
Het aantal rijexamens dat wordt afgenomen in Terneuzen is veel hoger dan het aantal rijtesten. In de periode tot 2016 werden in Terneuzen gemiddeld slechts 111 rijtesten afgenomen (circa 2 per week). Dat maakt het lastig om een kwalitatieve, betrouwbare en klantgerichte dienstverlening te borgen. Het lage aantal rijtesten was een van de redenen om deze dienstverlening te concentreren in Goes. Het aantal praktijkexamens dat wordt afgenomen in Terneuzen is vele malen hoger (circa 3.600 per jaar) en rechtvaardigt dat het CBR deze dienstverlening in Terneuzen continueert.
Bent u bereid om met het CBR te bespreken om één of twee dagen per week/maand de rijtesten voor de Zeeuws-Vlamingen terug in Terneuzen te brengen, door de aanvragen van ouderen de clusteren en de medische rijinstructeur van het CBR de test te laten afnemen? Zo nee, waarom niet?
Er is naar aanleiding van de hierboven genoemde signalen overleg geweest met het CBR. Het CBR heeft de verplaatsing van rijtesten van Terneuzen naar Goes vervolgens nogmaals bekeken. Daarbij is geconcludeerd dat de evaluatie van het locatiebeleid voor de rijtesten in 2016 zeer zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Daarbij is ook onderzoek onder klanten gedaan. Om een kwalitatieve, betrouwbare en klantgerichte dienstverlening te kunnen borgen is het volume van het aantal rijtesten van belang. De verplaatsing van de rijtesten naar Goes betekent dat op die locatie een groter volume aan rijtesten ontstaat waardoor deze dienstverlening op meer dagen aangeboden kan worden. Hierdoor hebben klanten meer keuze in de dag waarop zij de rijtest willen doen en zijn zij over het algemeen sneller aan de beurt. Daarnaast is in 2018 de concentratie naar 30 locaties geëvalueerd onder klanten en rijopleiders. Dat gaf geen aanleiding het besluit omtrent Terneuzen te herzien. Conform de huidige prognose van het CBR is de verwachting dat voor 2022 het aantal kandidaten voor een rijtest afkomstig uit Zeeuws-Vlaanderen circa 100 betreft. Het organiseren en plannen van rijtesten in Terneuzen voor een dusdanig kleine groep kent veel haken en ogen in de uitvoering, onder meer omdat er voor het afnemen van rijtesten een aparte specialist (Deskundige Praktische Rijgeschiktheid, DPR) naar de locatie moet komen en nog een extra DPR achter de hand moet worden gehouden voor het geval de eerste DPR uitvalt door ziekte. Dat maakt het lastig om te plannen en daarbij voldoende rekening te houden met de wensen van de klant.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat veel Zeeuws-Vlaamse ouderen nu hun rijbewijs laten verlopen, omdat het voor hun een onoverkomelijk bezwaar is om de rijtest in Goes af te leggen en zij hierdoor veel minder mobiel worden en in hun bewegingsvrijheid worden beperkt? Zo nee, waarom niet?
Het CBR herkent het signaal niet dat veel ouderen hun rijbewijs laten verlopen vanwege het feit dat zij daarvoor naar Goes moeten.
Bent u het ermee eens dat het voor de ouderen en voor mensen met een beperking belangrijk is dat zij zoveel mogelijk de regie kunnen houden over hun leven en zelfstandig kunnen blijven functioneren? Zo ja, kunt u aangeven hoe dat rijmt met de onmogelijkheid voor deze Zeeuws-Vlamingen om een rijtest te doen in Terneuzen?
Ja, het is belangrijk dat iedereen regie over zijn eigen leven kan houden en zo lang mogelijk zelfstandig kan blijven. Het blijft voor iedereen mogelijk een rijtest te doen bij het CBR. Dat kan alleen sinds 2017 niet meer vanaf de locatie Terneuzen. Ook op 21 andere locaties is deze dienstverlening verplaatst naar een nabijgelegen locatie. De reistijd (enkele reis) naar Goes is circa 25 minuten langer. De rijtest zelf wordt door het CBR niet in rekening gebracht.
Bent u het ermee eens dat rijtesten weer mogelijk maken in Terneuzen kostenbesparend is voor overheden omdat ouderen anders een beroep moeten doen op de collectieve voorzieningen van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van hun gemeente, indien het voor hun niet haalbaar is om de rijtest in Goes af te leggen? Zo nee, kunt u duiden waarom niet?
Het is mij niet bekend in hoeverre er een beroep wordt gedaan op de WMO door mensen uit Zeeuws-Vlaanderen voor wie het niet haalbaar is om de rijtest in Goes af te leggen. Daarnaast geldt ook dat het afnemen van rijtesten op 53 locaties aanzienlijk meer kosten met zich meebrengt dan op 31 locaties. Deze kosten moeten ook maatschappelijk worden opgebracht. Een rijtest wordt immers niet in rekening gebracht door het CBR.
Bent u het ermee eens dat inwoners van Zeeuws-Vlaanderen in een achterstandspositie verkeren ten opzichte van andere inwoners van Zeeland, gelet op de langere reistijd en hogere kosten? Zo nee waarom niet?
Het CBR hanteert landelijk dezelfde uitgangspunten voor het locatiebeleid ten aanzien van het afnemen van rijtesten. Er is dus geen sprake van een andere behandeling voor inwoners van Zeeuws-Vlaanderen of Zeeland. Daarmee is er geen sprake van een achterstandspositie.
Bent u het ermee eens dat de menselijke maat leidend moet zijn in overheidsbeleid en de regels niet belangrijker mogen zijn dan het centraal stellen van de behoefte van de burger, ofwel: de overheid is er voor burgers en niet andersom (ook uitgesproken door de Nationale ombudsman)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dat in dit specifieke geval in de praktijk brengen?
Het toepassen van de menselijke maat is een belangrijk aandachtspunt bij de inrichting van de dienstverlening van overheden. Daarbij hoort een juiste en volledige belangenafweging. Dit houdt in dat gekeken moet worden naar het knelpunt dat de burger ervaart afgezet tegen de uitvoerbaarheid en kosten van mogelijke alternatieven. In dit geval heeft er voorafgaand aan de verplaatsing van de dienstverlening van Terneuzen naar Goes een zorgvuldige evaluatie plaatsgevonden, zijn er landelijk dezelfde criteria gehanteerd in termen van maximale aanrijdtijden, past het alternatief (ruimschoots) binnen deze criteria en levert het alternatief om eenmaal per maand rijtesten vanuit Terneuzen te organiseren andere knelpunten in de uitvoering op. Vanuit het belang van de borging van een kwalitatieve, betrouwbare en klantgerichte dienstverlening is het CBR van mening dat de gehanteerde criteria in 2016 nog steeds valide zijn.
Bent u het ermee eens dat Zeeuws-Vlaanderen door de overheid nog steeds niet wordt gezien als een volwaardige regio, maar elke keer weer wordt benadeeld, (zie ook het verdwijnen de geestelijke gezondheidszorg (GGD), het UWV, de Rechtbank sector kanton van locatie Terneuzen, de douane, een volwaardig belastingkantoor en het CBR)? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft nadrukkelijk aandacht voor de positie van alle regio’s in Nederland. Hierbij spelen allerlei aspecten een rol: maatschappelijk, sociaal, economisch en ruimtelijk. Ook voor Zeeland heeft het Kabinet volop aandacht: er zijn twee Regio Deals, één NOVI gebied en het pakket Wind in de Zeilen. Wat betreft rijksdiensten en rijkswerkgelegenheid hecht het kabinet aan een evenwichtige spreiding. Daarbij kan er spanning zijn tussen de noodzaak van een efficiënte bedrijfsvoering en de wens om rijksdiensten in een bepaalde regio in stand te houden. Besluitvorming hierover vindt plaats na een zorgvuldig proces, waarbij er met meerdere belangen rekening wordt gehouden.
Wanneer gaat u Zeeuws-Vlaanderen en zijn inwoners erkennen als een volwaardige regio, met dezelfde behoeftes en noden als alle andere regio’s in Nederland?
Het Rijk heeft veel aandacht voor de regionale vraagstukken en kansen in Zeeland en in het bijzonder Zeeuws-Vlaanderen. Daarom is er een sterke Rijk-regio samenwerking in Zeeland en Zeeuws-Vlaanderen om de kansen in de regio optimaal te benutten. Deze samenwerking uit zich in twee Regio Deals, het NOVI gebied North Sea Port District en het pakket Wind in de Zeilen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat UWV op illegale wijze wachtlijsten wegwerkt: uitkeringen worden verstrekt zonder de beoordeling van een arts. |
|
Bart Smals (VVD), Daan de Kort (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Het UWV werkt wachtlijsten op illegale wijze weg: uitkering verstrekt zonder beoordeling arts»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk en onwettig is dat Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)-kantoren arbeidsongeschiktheidsuitkeringen hebben toegekend zonder keuringen toe te passen?
Ik vind het onwenselijk dat dergelijke proeven zonder mijn medeweten en dat van uw Kamer worden gestart. De Raad van Bestuur van UWV heeft geconstateerd dat het besluitvormingsproces niet op de juiste manier is verlopen en heeft aangegeven dat te betreuren.
Naar aanleiding van vragen van RTL Nieuws heeft UWV laten weten dat in het district Zwolle een kleinschalige proef is uitgevoerd met een andere wijze van claimbeoordeling voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) voor een specifieke doelgroep. In Hengelo was er sprake van een plan dat niet is uitgevoerd. In Zwolle heeft een arbeidsdeskundige bij een groep van dertig zieke werknemers van zestig jaar en ouder een (plausibiliteits-)beoordeling gedaan. In negentien gevallen is een WIA-uitkering (WGA 80–100) toegekend gekregen zonder beoordeling door een verzekeringsarts. Daarmee is UWV afgeweken van artikel 6, eerste lid, van de WIA. In dit artikel is bepaald dat de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, gebaseerd wordt op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Ik deel de mening dat deze proef niet conform de wet is geweest.
Vindt u dat het mogelijk moet zijn om buitenwettelijke pilots en experimenten uit te voeren om wachtlijsten weg te werken?
Ja. Uitgangspunt is en blijft dat beleid wordt uitgevoerd binnen de wettelijke kaders. In bijzondere situaties kunnen er legitieme redenen zijn voor buitenwettelijke pilots en experimenten. Er gelden strikte kaders voor het afwijken van vigerende wetgeving. Zo is het belangrijk dat er een goede belangenafweging heeft plaatsgevonden, het buitenwettelijk beleid begunstigend is, beperkt is in tijd en dat de Tweede Kamer geïnformeerd is. Zie ook mijn antwoord op vraag 4 en 5 van het lid Stoffer over hetzelfde onderwerp.
Is bij u bekend of ook andere UWV-kantoren dezelfde werkwijze toepassen?
UWV heeft laten weten dat deze proef eenmalig was en op één kantoor heeft plaatsgevonden.
Als reden voor het verstrekken van uitkeringen zonder keuring, wordt in het artikel genoemd dat het gaat om het wegwerken van wachtlijsten, zijn er nog andere acties ondernomen om de wachtlijsten weg te werken? Zo ja, welke zijn dat, en passen deze binnen de wet?
Bij brief van 9 april 2021 is uw Kamer geïnformeerd over het knelpunt bij sociaal-medische beoordelingen en over de maatregelen die – binnen de wettelijke kaders- in gang zijn gezet.2 Ik noem hier de omslag naar een regiemodel voor sociaal-medische dienstverlening en een effectievere inzet van de verzekeringsarts in de Ziektewet. Dit knelpunt zorgt voor wachttijden en (financiële) onzekerheid bij werknemers en werkgevers. Lange wachttijden kunnen ook tot gevolg hebben dat de re-integratie later begint, waardoor de werkhervattingskansen van mensen mogelijk afnemen. De nood is hoog, en daarmee de noodzaak om nieuwe werkwijzen te bezien. In dit perspectief zie ik de pilots in Zwolle en Hengelo.
Gelet op de ingrijpende effecten die nieuwe manieren van werken met zich mee kunnen brengen, ben ik, samen met UWV en de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde (NVVG), in overleg met de sociale partners hoe we de consequenties van verschillende opties om het knelpunt bij sociaal-medische beoordelingen te verkleinen, met elkaar wegen. Zoals aangegeven in de Stand van de Uitvoering van december vorig jaar, zal ik de Tweede Kamer zo snel mogelijk, maar uiterlijk in het voorjaar, informeren over de uitkomsten.3
Over (andere) acties die het wettelijk kader (mogelijk) te buiten gaan, heeft UWV mij niet geïnformeerd. Ik heb UWV verzocht de vraag of er andere buitenwettelijke acties zijn ondernomen te betrekken bij de evaluatie van de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de pilot, die UWV laat uitvoeren. De uitkomsten hiervan deel ik uiterlijk in het voorjaar met uw Kamer.
Welke oplossingsrichtingen ziet u nog meer voor het verder wegwerken van de wachtlijsten en welke wetswijzigingen zijn daar voor nodig?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 5, ben ik hierover in gesprek met UWV, NVVG en de sociale partners. Daarbij heb ik toegezegd uw Kamer uiterlijk in het voorjaar te informeren over de uitkomsten van dit traject.
Bent u op de hoogte van het feit of eenzelfde werkwijze is toegepast bij andere uitkeringen, zoals bijvoorbeeld de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)?
Nee. UWV heeft laten weten dat eenzelfde werkwijze alleen is toegepast bij de beoordeling van WIA-aanvragen. Naar aanleiding van de bij vraag 5 genoemde evaluatie ga ik nader in gesprek met UWV over de vraag of eenzelfde werkwijze ook buiten de WIA is toegepast.
Hoe gaat u voorkomen dat in het vervolg arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden toegekend zonder dat er vooraf een keuring plaatsvindt?
UWV heeft in reactie op de berichtgeving aangeven dat deze pilot niet hadden mogen gebeuren en dat het besluitvormingsproces niet op de juiste manier is verlopen. Ik vertrouw erop dat UWV lessen trekt uit de evaluatie die het laat doen en ik blijf hierover in gesprek met UWV.
De uitzending van de Keuringsdienst van Waarde over 'Bij-vriendelijke planten' |
|
Laura Bromet (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Henk Staghouwer (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitzending van de Keuringsdienst van Waarde over «Bij-vriendelijke planten» op 6 september 2021 en 13 januari 2022?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de stelling van de programmamakers klopt dat er op grote schaal met insectengif bespoten planten als «bij-vriendelijk» aan consumenten worden verkocht? Zo nee, bent u bereid dit te (laten) onderzoeken?
In de uitzending van de Keuringsdienst van Waarde wordt gemeld dat er residuen van gewasbeschermingsmiddelen op verschillende sierteeltproducten met bij-vriendelijke labels gevonden zijn. Gezien de teruggang van de Nederlandse insectenpopulaties begrijp ik goed dat de uitzending uw zorgen wekt. Gewasbeschermingsmiddelen worden in Nederland alleen toegelaten als uit een wetenschappelijke risicobeoordeling van het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden blijkt dat ze volgens de voorschriften veilig zijn voor mens, dier en milieu. Een onderdeel van de risicobeoordeling is ook het effect op insecten zoals bijen. In deze risicobeoordeling wordt rekening gehouden met de mogelijke sporen van (werkzame) stoffen die achterblijven op het product. Daarom zie ik geen aanleiding voor verder onderzoek.
Klopt de suggestie dat consumenten die sierplanten kopen, onder andere om bijen en vlinders een handje te helpen, met hun aankoop mogelijk bijdragen aan de verdere achteruitgang van de insectenpopulatie? Wat vindt u hiervan?
In mijn antwoord op vraag 2 gaf ik u aan dat gewasbeschermingsmiddelen alleen worden toegelaten als uit wetenschappelijke risicobeoordeling blijkt dat ze veilig zijn voor mens, dier en milieu. Dat is inclusief een beoordeling van effecten op insecten zoals bijen. Daarom heb ik geen reden om aan te nemen dat bijen of andere (bestuivende) insecten last hebben van (werkzame) stoffen die op de sierplanten achterblijven of dat welwillende consumenten met hun aankoop bijdragen aan de verdere achteruitgang van de insectenpopulatie.
Bent u het met eens met de stelling dat het als bij-vriendelijk labelen en verkopen van planten waar insecticiden op zitten of bij de kweek zijn gebruikt, misleiding is? Bent u het eens met de stelling dat dit in strijd is met het consumentenrecht? Welke middelen heeft u om dit tegen te gaan?
Het is in dit soort gevallen aan de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) om te beoordelen of er sprake is van misleiding. Burgers kunnen in het geval van klachten terecht bij de ACM door meldingen te doen. Klachten over misleidende reclame kunnen bij de Reclame Code Commissie worden gemeld.
Bent u het met de stelling eens dat alle sierplanten waarvoor bij de kweek bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt, gelabeld zouden moeten worden met een waarschuwingsstikker «Deze plant is bespoten met voor bijen en vlinders schadelijk gif» of een vergelijkbare waarschuwing? Bent u bereid om hier regelgeving voor te maken? Zo nee, hoe zouden consumenten dan wel goed voorgelicht moeten worden? Hoe gaat u dit handhaven?
Ik zou het net als u zeer onwenselijk vinden als bijen of andere bestuivende insecten last ondervinden van (werkzame) stoffen die op sierplanten van consumenten achterblijven. Het waarschuwen of voorlichten van consumenten over residuen van gewasbeschermingsmiddelen op sierplanten is, gezien mijn antwoorden op vragen 2 en 3, echter niet nodig.
De bescherming van deelnemers van tv programma’s zoals the Voice of Holland. |
|
Lucille Werner (CDA) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «RTL legt the Voice stil na beschuldigingen seksueel grensoverschrijdend gedrag»?1
Ja.
In hoeverre is het Ministerie van OCW door RTL op de hoogte gesteld van de beschuldigingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en machtsmisbruik bij The Voice of Holland? Kunt u aangeven of het ministerie wordt betrokken bij het vervolg van dit proces en zo ja, op welke wijze?
Allereerst wil ik kenbaar maken dat de verhalen van de vrouwen die in de uitzending van het BNNVARA programma BOOS aan bod kwamen ronduit verschrikkelijk en misselijkmakend zijn en mij hebben aangegrepen. Mensen die slachtoffer zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag verdienen onze steun en aandacht. Zij die zich grensoverschrijdend gedragen moeten worden aangesproken en aangepakt.
Net als uw Kamer hebben de eerste berichtgevingen rond grensoverschrijdend gedrag bij The Voice of Holland mij via de verschillende mediakanalen bereikt. Naar aanleiding van deze berichtgeving en de uitzending van BOOS, heb ik contact opgenomen met zowel RTL, Talpa alsook de NPO. Het waren eerste verkennende gesprekken waarbij inzet is om alle vormen van grensoverschrijdend gedrag zoveel mogelijk te voorkomen of op tijd te signaleren. Voor dergelijke praktijken mag in de samenleving als geheel en dus ook in de culturele en creatieve sector geen ruimte zijn.
In mijn rol als Staatssecretaris zet ik in op een drietal interventies. Ten eerste ga ik met de sector in gesprek, zij zijn als werkgevers en opdrachtgevers in eerste instantie aan zet. Ik zie het als mijn taak om partijen bij elkaar te brengen. Daartoe organiseer ik op korte termijn een rondetafelgesprek met stakeholders uit de sector. Daarbij zal ik ook experts op het gebied van gedrag en sociale veiligheid betrekken. Het startpunt van die gesprekken is dat er geen cultuur mag zijn waarin seksueel grensoverschrijdend gedrag kan plaatsvinden en in stand wordt gehouden. Preventie is hierin belangrijk. Hiermee wil ik de organisaties binnen de mediasector aanmoedigen om met een gezamenlijke aanpak te komen die leidt tot een daadwerkelijk veiliger werkklimaat.
Ten tweede blijf ik het meldpunt mores.online dit jaar ondersteunen. Dit is een eigen meldpunt van de culturele en creatieve sector (waaronder de televisie-sector) dat melders adviseert over welke weg zij het beste kunnen bewandelen. Mores.online ontvangt subsidie vanuit het Rijk (de zes Rijkscultuurfondsen). Ook hen nodig ik uit voor de ronde tafel.
Tot slot is de Raad voor Cultuur eerder gevraagd om advies uit te brengen met als doel zicht te krijgen op wat er nu speelt met betrekking tot grensoverschrijdend gedrag in de culturele en creatieve sector. Op het terrein van voorkoming, signalering, stoppen en het tijdig bieden van passende hulp aan slachtoffers. Centrale vragen zijn daarbij: hoe kan de sector (koepels, werkgevers, opdrachtgevers) haar verantwoordelijkheid goed vormgeven? Wat zou de sector anders kunnen doen? En hoe kan het ministerie dit ondersteunen? De zaak rond The Voice zal de Raad hierbij ook betrekken, zoals ook andere casussen van grensoverschrijdend gedrag in de sector. Dit advies, dat ik begin deze zomer verwacht, zal ik gebruiken om te kijken hoe we de rol van het ministerie verder kunnen optimaliseren. Ik informeer uw Kamer hier zo spoedig als mogelijk over.
Kunt u aangeven of het klopt dat kandidaten van The Voice of Holland strenge contracten moeten tekenen, maar in het contract geen afspraken worden opgenomen over het beschermen van de kandidaat in de werkrelatie tussen het jurylid en de kandidaat? Zo ja, waarom is dat? Zo nee, welke afspraken zijn er dan opgenomen?
ITV, de producent van The Voice, heeft mij laten weten dat kandidaten van The Voice een contract tekenen waarin over en weer verplichtingen zijn opgenomen die verband houden met deelname aan het format. Het contract bevat bepalingen over muziekrechten, rechten van intellectueel eigendom en een geheimhoudingsclausule. Dit zijn afspraken die in de muziek- en entertainmentindustrie niet ongebruikelijk zijn. Omdat deelname aan een talentenjachtprogramma gepaard gaat met (fysiek en mentaal) intensieve activiteiten en veel media-aandacht die als belastend kunnen worden ervaren, is in het contract medische/psychologische ondersteuning van de kandidaten opgenomen.
ITV heeft mij laten weten dat ter bescherming van kandidaten de afgelopen jaren wordt gewerkt met een vertrouwenspersoon waartoe kandidaten zich kunnen wenden om op vertrouwelijke basis te spreken over eventuele problemen waar de kandidaat tegenaan loopt.
Kunt u aangegeven op welke wijze kandidaten bij tv-programma’s, zoals bijvoorbeeld the Voice of Holland, worden beschermd tegen seksueel overschrijdend gedrag en machtsmisbruik? Hoe zou er meer toezicht kunnen worden gehouden bij dergelijke werkrelaties?
Grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer moet in de sector en organisaties zelf worden aangepakt. In de Arbowet is vastgelegd dat de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen van ongewenst gedrag op de werkvloer bij de werkgever ligt. De werkgever moet concrete maatregelen treffen om seksuele intimidatie op de werkvloer te voorkomen en aan te pakken. De Arbowet is van toepassing op werknemers, zzp-ers die onder gezag werken en vrijwilligers. Alleen als er een gezagsrelatie is tussen de werkgever en kandidaten is de Arbowet op kandidaten van toepassing; dit hangt af van het contract en de feitelijke omstandigheden. Dit kan door onderzoek door de Nederlandse Arbeidsinspectie worden vastgesteld. De Nederlandse Arbeidsinspectie is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Arbowet en werkt daarbij programmatisch en risicogericht. Het arbeidsrecht biedt mogelijkheden voor werkgevers om op te treden tegen werknemers die zich tegenover kandidaten van een programma schuldig maken aan grensoverschrijdend gedrag. Veel cao’s kennen bepalingen over disciplinaire sancties, zoals berisping of schorsing, in geval van verwijtbare gedragingen van werknemers. In geval van ernstige misdraging kan ontslag (op staande voet) worden gegeven. Daarnaast kan het strafrecht van toepassing zijn wanneer sprake is van grensoverschrijdend gedrag. Kandidaten kunnen aangifte doen vanwege bijvoorbeeld aanranding of verkrachting, wat een aantal kandidaten inmiddels lijkt te hebben gedaan.
Tegelijkertijd laten de recente onthullingen zien dat extra inzet noodzakelijk is om mensen te beschermen tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag en machtsmisbruik. Dit is een probleem dat zich niet beperkt tot de mediasector of de werkvloer maar helaas in de hele samenleving voorkomt. Daarom wordt onder onze centrale regie toegewerkt naar een integrale en gecoördineerde aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag of geweld. Wij zullen het huidige pakket aan maatregelen bezien en waar nodig (opnieuw) onder de aandacht brengen, versterken, versnellen en aanvullen met nieuwe maatregelen. Er is in de samenleving een brede groep die het verschil kan maken, maar behoefte heeft aan duidelijkheid en handvatten om goed te handelen bij ongewenst gedrag. Denk aan duidelijke normen, kaders en informatie. Hier ligt een kans voor het verbeteren van de informatievoorziening en het voeren van het maatschappelijk debat via bijvoorbeeld branches en sectoren. Dit vraagt een rijksoverheid die bewustwording creëert, faciliteert, normeert, handvatten biedt en waar nodig sanctioneert. Ter ondersteuning en versterking van deze inzet heeft het kabinet een onafhankelijke regeringscommissaris aangesteld die de beoogde afname van grensoverschrijdend gedrag kan aanjagen en richting kan geven aan het maatschappelijk debat2.
Bent u het ermee eens dat bij tv-programma’s waar kinderen kandidaat zijn, zij extra beschermd dienen te worden, zoals deelnemers van The Voice of Holland Kids? Zo ja, op welke wijze gebeurt dit en op welke wijze kan dit volgens u worden verbeterd?
Ja. In het algemeen geldt, dat waar het gaat om minderjarigen ter bescherming van hun veiligheid en welzijn extra waakzaamheid is geboden gezien hun kwetsbare positie. De Arbowet en de Arbeidstijdenwet voorzien in specifieke beschermende bepalingen die betrekking hebben op werksituaties waarbij minderjarigen zijn betrokken. Kinderen tot 13 jaar mogen pas deelnemen aan een tv-programma als het programma voor hen een ontheffing van het verbod op kinderarbeid heeft gekregen. De Nederlandse Arbeidsinspectie geeft alleen een ontheffing als de werkgever maatregelen heeft getroffen om het kind te beschermen zoals benoemd in de Beleidsregel inzake ontheffing verbod van kinderarbeid 2016. Wat wel en wat niet mag ten aanzien van oudere kinderen, staat in de Nadere Regeling Kinderarbeid (NRK). Deze regeling beschermt kinderen tegen te lang, te vaak of te zwaar werk. De regeling heeft specifieke artikelen voor het meewerken in uitvoeringen in de culturele sector, zoals het optreden in musicals of het spelen in films en televisieseries.
Wat betreft The Voice Kids, heeft ITV mij laten weten dat er meerdere specifieke regels en voorzorgen gelden. Zo worden de minderjarige deelnemers tijdens de voorbereidingen op en de opnames zelf altijd begeleid door kinderbegeleiders. Er is een externe kinderpsycholoog voor hen aanwezig die de kinderen begeleidt en workshops geeft. Ook is een VOG vereist voor alle productiemedewerkers die verantwoordelijk zijn voor het aansturen op en rondom de set van de minderjarige deelnemers en de leden van het redactieteam. Op de werkvloer gelden specifieke regels met betrekking tot lichamelijk contact o.a. bij het aanbrengen van zenders en bij de styling. Ouders worden intensief betrokken bij de gang van zaken rondom de productie. En in geval van eventuele klachten, kunnen deze worden gemeld aan een specifiek aangewezen vertrouwenspersoon en/of de kinderpsycholoog.
Wat vindt u in algemeen van het feit dat kandidaten van tv-programma’s zeer strenge contracten moeten tekenen met boetes die vaak als buitenproportioneel worden ervaren? Kan dit volgens u in de hand werken dat kandidaten overschrijdend gedrag minder durven te melden?
Over het algemeen kan ik begrijpen dat ter bescherming van het programmaformat gebruik wordt gemaakt van contracten waarin concrete waarborgen en voorwaarden zijn opgenomen. De inhoud van dit contract moet wel proportioneel zijn. Wanneer strenge contracten zodanig worden opgevat dat dit ertoe leidt of kan leiden dat het melden van grensoverschrijdend gedrag wordt belemmerd, is dit onwenselijk. Ik verwacht dat alle relevante issues in het gesprek aan de orde mogen komen tijdens de ronde tafel en daarmee ook dit onderwerp.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de verschillende publieke en commerciële partijen om te onderzoeken of dit soort beschuldigingen breder spelen bij tv-programma’s en te bespreken hoe kandidaten in de toekomst beter kunnen worden beschermd? Zo ja, wanneer bent u dit van plan te doen en hoe wordt de Kamer hierover op te hoogte gehouden?
Zie antwoord 2.
Bersiap |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Rijksmuseum: toch aandacht voor term Bersiap»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat geprobeerd is om de genocide op landgenoten en andere niet-inlanders, die vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog plaatsvond in voormalig Nederlands-Indië, onder het tapijt te schuiven?
Dit is geen weergave van de feiten. Het Rijksmuseum heeft laten weten dat het museum de term Bersiap niet schrapt, maar zal uitleggen en voorzien van historische context.
Deelt u de mening dat we niet mogen vergeten dat er in de Bersiap-periode op grote schaal werd gemarteld, verkracht en vermoord? Zo ja, heeft u de bereidheid om, in samenspraak met de stichting Nationaal Monument slachtoffers Bersiap, te onderzoeken of er in Den Haag (de Weduwe van Indië) een Nationaal Bersiap-monument kan komen ter nagedachtenis aan de slachtoffers en ter voorkoming van het vervalsen van de geschiedenis?
Ik hecht aan aandacht voor onze gezamenlijke geschiedenis, inclusief de zwarte bladzijden daarin. Daarom waardeer ik de inzet van musea om historische onderwerpen toegankelijk te maken voor het publiek, gebaseerd op gedegen historisch onderzoek. Ik zie op dit moment geen aanleiding om de oprichting van een Nationaal Bersiap-monument te onderzoeken.
Werkgevers zetten personeel onder druk om quarantaineregels te ontwijken |
|
Gijs van Dijk (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «FNV: werkgevers zetten personeel onder druk om quarantaineregels te ontwijken»1?
Ja.
Vindt u het ook zorgwekkend dat werkgevers hun personeel onder druk zetten om, ondanks dat zij in quarantaine moeten, toch gedwongen naar het werk te komen?
Ik onderschrijf het belang van het naleven van de regels met betrekking tot quarantaine en isolatie. Quarantaine is een voorzorgsmaatregel indien er nauw contact geweest is met een besmet persoon, maar er nog geen besmetting is vastgesteld. Isolatie is aan de orde wanneer er sprake is van een positieve testuitslag. De maatregelen ten aanzien van quarantaine zijn inmiddels aanzienlijk versoepeld en ook de isolatieperiode is ingekort, desondanks is het van groot belang dat werkgevers deze maatregelen correct naleven. De werkgever is verplicht zorg te dragen voor een veilige en gezonde werkomgeving. Naleving van de quarantainemaatregelen hoort daarbij. Werknemers in strijd met deze maatregelen toch dwingen te komen werken is ongewenst.
Bent u ook bezorgd dat er hierdoor meer besmettingen zullen plaatsvinden op de werkvloer?
Ik begrijp dat het voor werkgevers gezien de huidige besmettingsaantallen een grote uitdaging is voldoende bezetting te realiseren en roosters rond te krijgen. Dat neemt niet weg dat naleving van de maatregelen zeer belangrijk is. Wanneer de regels niet worden nageleefd, kan dat leiden tot verdere verspreiding van het virus op de werkvloer. Dat zal de continuïteit van de bedrijfsprocessen ook niet ten goede komen.
Bent u bovendien ook bekend met het feit dat werknemers, die in quarantaine moeten, door de werkgever gedwongen worden om vakantiedagen op te nemen?
Werknemers die in quarantaine moeten en om die reden niet kunnen werken hebben recht op loon voor de afgesproken arbeidsduur, zolang de arbeidsovereenkomst duurt. Het is niet toegestaan dat de werkgever voor die periode vakantiedagen afschrijft. Is het voor een werknemer mogelijk om gedurende de periode van quarantaine thuis te werken, dan geldt dat de werknemer gedurende de quarantaine thuis werkt en om die reden uiteraard ook recht heeft op loon. Ook ten aanzien van isolatie geldt dat de werkgever loon moet doorbetalen en de werknemer niet mag vragen om vakantiedagen op te nemen. Zie verder mijn antwoord op vraag 7 over uitzonderingen op quarantaine in geval van essentiële bedrijfsprocessen.
Bent u het eens dat het ongewenst is dat werknemers voor hun quarantaineperiode vakantiedagen moeten opnemen?
Ja, daar ben ik het mee eens. Als een werknemer in quarantaine gaat en kan thuiswerken, dan moet de werknemer dat doen. Kan dat niet, dan mag een werkgever geen verlofuren aftrekken, tenzij dat in overleg met de werknemer gebeurt. De werkgever moet het salaris van de werknemer doorbetalen, ook als de werknemer gedurende de quarantaineperiode niet kan werken. Hetzelfde geldt ten aanzien van isolatie.
Klopt het dat als werknemers in quarantaine moeten dit onder een ziekmelding dient te vallen? Zo ja, kunt u dit toelichten hoe dit wettelijk is geregeld?
Zoals aangegeven is quarantaine niet hetzelfde als isolatie. Quarantaine is uit voorzorg, bijvoorbeeld als de werknemer in contact is geweest met iemand die corona heeft en er nog geen besmetting is vastgesteld bij de werknemer zelf. Een werknemer die positief getest is op corona gaat in isolatie. In dat geval kan ook sprake zijn van ziekte. Vooropgesteld wordt dat een werknemer zich ziek kan melden wanneer die werknemer als gevolg van de ziekte niet in staat is zijn werkzaamheden te verrichten. In dat geval heeft de werknemer recht op loondoorbetaling bij ziekte op grond van 7:629 van het Burgerlijk Wetboek. Als een werknemer in isolatie gaat maar geen klachten heeft en dus ook niet ziek is, bestaat er recht op loon op grond van artikel 7:628 van het Burgerlijk Wetboek. Als een werknemer tijdens quarantaine of isolatie in staat is om thuis te werken, bestaat er uiteraard recht op loon omdat de werknemer zijn werkzaamheden uitvoert. In aanvulling hierop heeft het kabinet, gegeven het urgente belang voor de volksgezondheid, met het UWV afgesproken dat vangnetters (zoals uitzendkrachten en eindedienstverbanders) die vanwege de quarantaine of isolatie niet kunnen werken, aanspraak kunnen maken op een ziektewetuitkering.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat werkgevers hun personeel niet naar het werk laten komen of vakantiedagen laten opnemen als zij in quarantaine moeten?
Vooropgesteld wordt dat het van groot belang is dat werkgevers en werknemer de maatregelen omtrent quarantaine en isolatie naleven. De werkgever is verplicht te zorgen voor een veilige en gezonde werkomgeving. Daar hoort naleving van de maatregelen ter voorkoming van verspreiding van het virus op de werkvloer bij. Als een werknemer in quarantaine of isolatie moet, dient de werkgever het loon door te betalen, zonder dat daarvoor vakantiedagen moeten worden opgenomen.
Daarbij wordt echter opgemerkt dat uitzonderingen van kracht zijn, gezien de aanzienlijke toename van het aantal besmettingen en de ontwrichtende werking daarvan op de maatschappij.
Op basis van het 138e OMT-advies heeft het kabinet met ingang van 15 januari 2022 het advies omtrent quarantaine en isolatie versoepeld voor personen die langer dan een week geleden een booster hebben gehad en voor personen die vanaf 1 januari 2022 positief zijn getest op corona. Voorts adviseerde het OMT een uitzondering te maken op de quarantaineregels voor werknemers in essentiële bedrijfsprocessen. Het kabinet heeft dit advies overgenomen en een handreiking uitgewerkt na gesprekken met de sociale partners.
Werkgevers kunnen een uitzondering maken op de quarantaineregels, als aan de volgende voorwaarden is voldaan. Het moet gaan om een quarantaineadvies bij nauw contact met iemand die besmet is met corona en niet in geval van isolatie na een positieve test of ziekte. Er is sprake van een functie die cruciaal is voor de continuïteit van de organisatie (de bedrijfsvoering wordt ernstig belemmerd bij het wegvallen van de specifieke werknemer). De werkzaamheden die de betreffende werknemer verricht, kunnen niet op een andere wijze worden verricht (bijvoorbeeld thuiswerken). De werknemer kan niet vervangen worden. Als laatste voorwaarde geldt dat de werkgever met de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering bepaalt welke functies cruciaal zijn voor de bedrijfsvoering.
Bent u bereid om hierover met de vakbeweging in overleg te gaan en bij signalen over deze misstanden de Nederlandse Arbeidsinspectie op deze bedrijven af te sturen?
Ik ben regelmatig in gesprek met vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers over de naleving van de maatregelen op de werkvloer. In deze overleggen benadruk ik dat de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) een loket heeft waar klachten en signalen over risico’s van corona op de werkplek kunnen worden gemeld. En dit gebeurt ook. De NLA kan een onderzoek instellen als er op basis van de verkregen informatie een vermoeden is van een overtreding van de Arbowetgeving. De werkgever moet zorgen voor een veilige en gezonde arbeidsplaats. Het niet naleven van de adviezen omtrent quarantaine en isolatie door de werkgever kan erop duiden dat de werkgever hiervoor onvoldoende zorg draagt.
Bent u verder ook bezorgd dat, in sectoren waarbij er wachtdagen zijn bij ziekte, personeel, terwijl zij in quarantaine moeten, toch naar het werk komen omdat zij het inkomen niet kunnen missen?
De wet staat werkgevers en werknemers toe 1 of 2 wachtdagen overeen te komen in geval van ziekte. De wachtdagen zijn daarmee alleen relevant voor werknemers die na een positieve testuitslag in isolatie moeten. Wachtdagen kunnen worden afgesproken in de arbeidsovereenkomst of in de cao. Wachtdagen kunnen een onwenselijke prikkel geven om bij ziekte toch aan het werk te gaan. De overheid kan echter niet zomaar inbreken in die afspraken tussen werkgever en werknemer. De Stichting van de Arbeid heeft op 1 april 2020 ook een oproep gedaan aan decentrale cao-partijen. In die context heeft het kabinet met sociale partners gesproken over het betrachten van coulance bij het toepassen van deze wachtdagen bij ziekte.
Bent u bereid om te onderzoeken of er een oplossing kan komen voor compensatie voor werkgevers indien werknemers in quarantaine moeten?
Het kabinet heeft al eerder uitgebreid verkend welke mogelijkheden er zijn om de (financiële) gevolgen van quarantaine of isolatie voor werkgevers en werkenden te beperken. In de brief van 9 december 20202 is de Kamer geïnformeerd dat een compensatie van ondervonden financiële gevolgen geen haalbare route is gebleken: het is niet mogelijk te komen tot een regeling die zowel gericht als uitvoerbaar is. Een regeling die de juiste groep mensen bereikt is immers per definitie complex, en in algemene zin geldt dat het toevoegen van nog een complexe regeling de continuïteit van de al zwaarbelaste uitvoeringsorganisaties in gevaar kan brengen, met alle risico’s van dien.
De actuele veiligheidsrisico’s voor Nederlanders in Oekraïne |
|
Daniel Koerhuis (VVD), Jeroen van Wijngaarden (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u de actuele veiligheidsrisico’s voor Nederlanders in Oekraïne?
De Russische troepenopbouw in het grensgebied met Oekraïne past niet in het reguliere beeld. Deze opbouw leidt tot onrust en brengt het risico van incidenten mee. Het kabinet blijft de ontwikkelingen nauwlettend volgen via de sporen van de EU, NAVO, OVSE, en via bilaterale contacten. Op dit moment hebben wij geen aanleiding om te spreken van een dreigende situatie voor Nederlanders in Oekraïne.
Bent u ermee bekend dat het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken het reisadvies voor heel Oekraïne heeft aangemerkt als niveau 4 «Do not travel», het hoogste waarschuwingsniveau?
Ja.
Bent u voornemens het reisadvies voor heel Oekraïne aan te scherpen van oranje naar rood. Zo nee, waarom niet?
Het reisadvies voor Oekraïne is voor het grootste deel oranje en is rood voor de provincies Donetsk, Loegansk (Donbas regio) en de Krim om veiligheidsredenen. Daarmee is aan Nederlandse burgers het advies gegeven alleen strikt noodzakelijke reizen te maken naar de «oranje» gebieden in Oekraïne. T.a.v. de provincies waarvoor het rode reisadvies geldt, is het advies niet naar die gebieden te reizen omdat het er te gevaarlijk is. Dit rode reisadvies geldt al sinds de illegale annexatie van de Krim in 2014.
Bent u ermee bekend dat de Verenigde Staten haar burgers adviseert om iedere reis naar Oekraïne te heroverwegen vanwege de militaire dreiging vanuit Rusland?
Ja.
Bent u voornemens om het reisadvies voor Oekraïne aan te scherpen vanwege de actuele militaire dreiging door Rusland?
De Russische troepenopbouw aan de grens is reeds in het reisadvies opgenomen. Daarnaast is de waarschuwing opgenomen dat gebeurtenissen in Oekraïne snel gaan en men klaar moet zijn om plannen op korte termijn te veranderen. Ook wordt aangegeven dat militaire actie de mogelijkheden tot consulaire ondersteuning van de ambassade in Kiev kan verhinderen. Het reisadvies zal opnieuw worden bijgewerkt wanneer de actuele ontwikkelingen daartoe aanleiding geven. De reisadviezen van Frankrijk, Duitsland en het VK zijn in lijn met het Nederlandse reisadvies.
Heeft u een goed beeld van het aantal Nederlanders in Oekraïne, ook van degenen die zich niet bij de ambassade hebben geregistreerd?
Nederlanders worden herhaaldelijk opgeroepen zich aan te melden bij de informatieservice van Buitenlandse Zaken. Alleen door aanmelden bij de informatieservice heeft BZ een beeld van welke Nederlanders in Oekraïne zijn, waar ze precies zijn en hoe we hen kunnen bereiken als dat nodig is. Op dit moment hebben zich ongeveer 74 Nederlanders aangemeld. Dat getal hoeft niet per se representatief te zijn voor het daadwerkelijke aantal Nederlanders in Oekraïne, omdat er geen registratieplicht is voor Nederlanders in het buitenland (vanwege privacy). Daarom is niet aan te geven hoeveel Nederlanders er in Oekraïne zitten die zich niet hebben aangemeld.
Welk contact heeft u met Nederlandse burgers en bedrijven in Oekraïne over de Russische militaire dreiging?
Op de website en sociale media van de ambassade is aandacht gegeven aan het gewijzigde reisadvies voor Oekraïne, waarbij de ambassade Nederlanders eveneens opriep om zich aan te melden bij de informatieservice. In het geval van een crisis kan er via de informatieservice van het Ministerie van Buitenlandse Zaken gecommuniceerd worden met de Nederlanders die zich geregistreerd hebben.
Welk advies heeft u voor Nederlanders in Oekraïne om zich voor te bereiden op een eventuele militaire escalatie? Adviseert u hen (indien mogelijk) het land uit voorzorg te verlaten?
Buitenlandse Zaken adviseert Nederlanders in Oekraïne om de actuele ontwikkelingen te volgen en het reisadvies in de gaten te houden en alleen naar oranje gebieden te reizen indien strikt noodzakelijk.
Hoe adviseert u Nederlanders Oekraïne te verlaten in het geval van militaire escalatie en een mogelijke aanval op de Oekraïense luchtverdediging? Heeft u voorbereidingen getroffen om een eventuele evacuatie te ondersteunen?
Vooropgesteld geldt dat Nederlanders op dit moment verschillende opties hebben om het land te verlaten, waaronder met een lijnvlucht van een commerciële luchtvaartmaatschappij. Het evacueren van staatsburgers door Nederland vindt slechts in zeer uitzonderlijke situaties plaats, te weten wanneer er geen enkele andere mogelijkheid is om zelfstandig een bepaald gebied veilig te verlaten en Nederland daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om staatsburgers uit het gebied te evacueren. Vanzelfsprekend zijn verschillende opties om het land te verlaten in kaart gebracht. Op dit moment is er geen reden voor Nederland om over te gaan tot het daadwerkelijk organiseren van een evacuatie van Nederlanders uit Oekraïne.
Beschouwt u gezien de huidige Russische dreiging delen van het Oekraïense en Russische luchtruim als onveilig? Vindt u dat de Europese Commissie een ad hoc Common EU Risk Assessment moet uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Voor het luchtruim boven Oost- en Zuid-Oekraïne is een door EASA gepubliceerde Conflict Zone Information Bulletin (CZIB) van kracht.
Het luchtruim in Oost-Oekraïne, onderdeel van het vluchtinformatiegebied Dnipropetrovsk, is gesloten. In het luchtruim boven Zuid-Oekraïne, nabij de Krim en het zuidelijk deel van de Zwarte Zee, onderdeel van het vluchtinformatiegebied Simferopol, kan alleen via bepaalde luchtwegen (corridors) worden gevlogen.
Voor het luchtruim in het midden (waarin Kiev ligt) en westen van Oekraïne gelden geen restricties voor internationale luchtvaartmaatschappijen.
Deze maatregelen zijn mede het resultaat van reguliere en ad hoc uitgevoerde integrated risk assessments van de EU. Vanwege de aanhoudende gespannen situatie worden de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten gehouden door de Nederlandse, Europese en overige buitenlandse overheidsinstanties, waaronder de Amerikaanse FAA, die elkaar met grote regelmaat op de hoogte houden.
Indien de situatie daarom vraagt, wordt op nationaal en internationaal niveau bijeengekomen om de situatie opnieuw te beoordelen.
Welke lessen uit de aanslag op MH-17 en het desbetreffende rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid neemt u mee voor het tijdig al dan niet onveilig verklaren van delen van het Oekraïense en/of Russische luchtruim?
Sinds het neerhalen van vlucht MH17 in 2014 delen nationale en internationale overheden sneller en beter informatie met elkaar ten aanzien van risicobeheersing met betrekking tot vliegen over en nabij conflictgebieden. Op nationaal niveau is hiertoe het convenant deling dreigingsinformatie burgerluchtvaart afgesloten. Op Europees niveau heeft de Europese Unie het integrated risk assessment systeem ingesteld. Daarnaast zijn diverse internationale expertgroepen inzake risicobeheersing met betrekking tot vliegen over en nabij conflictgebieden opgericht. De in de beantwoording van vraag 10 genoemde maatregelen voor de luchtruimen boven Oost- en Zuid-Oekraïne zijn op basis van deze informatie-uitwisseling tot stand gekomen.
De OVV heeft in 2019 geconcludeerd dat deze veranderingen hebben geleid tot een impuls voor een betere beheersing van de risico’s voor het vliegen over en nabij conflictgebieden. Ook heeft de risicobeheersing met betrekking tot vliegen over conflictgebieden een concrete plek gekregen in de risicobeoordelingen van de luchtvaartsector, zowel in Nederland als wereldwijd.
Op de aanbevelingen die de OVV in zijn recente rapport (2021, veilige vliegroutes) heeft gedaan voor verdere verbeteringen heeft uw Kamer een uitgebreide Kabinetsreactie ontvangen op 26 november jl.1
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden, in ieder geval voor het RBZ-debat deze week?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De afvalwaterinjectie in Twente |
|
Pieter Omtzigt (Omtzigt) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken) (D66) |
|
|
Herinnert u zich dat de motie-Agnes Mulder c.s. op 16 december 2021 is aangenomen en dat die motie de regering verzocht om zo snel mogelijk een besluit te nemen over een alternatieve wijze van verwerking van het afvalwater en om de afvalwaterinjectie, in afwachting van een besluit naar aanleiding van de evaluatie over de verwerking van afval- water uit Schoonebeek, per direct op te schorten?1
Ja.
Herinnert u zich dat het Kamerlid Vijlbrief deze motie gesteund heeft, net als de CDA-, D66- en ChristenUnie-Kamerleden die zijn toegetreden tot het kabinet, zoals de heer Hoekstra, mevrouw Kaag en mevrouw Schouten, de drie vicepremiers van het kabinet-Rutte IV?
Ja.
Op welke wijze zult u de motie, die door de Kamer is aangenomen en die door u persoonlijk ook gesteund is, uitvoeren?
Ik geeft uitvoering aan de motie door NAM een kortere termijn te stellen voor het opleveren van de herevaluatie en zelf daarna zo snel mogelijk een besluit te nemen. Ik heb NAM de termijn gesteld om de herevaluatie voor 1 juli bij mij in te dienen. Voor de herevaluatie kijkt NAM met een brede blik naar alternatieve verwerkingswijzen van het productiewater van de oliewinning in Schoonebeek. Ik heb begrepen dat er kansrijke alternatieven zijn waarbij het productiewater wordt teruggebracht in delen van het Schoonebeek veld. Hierbij wordt het productiewater gezuiverd zodat het water opnieuw gebruikt kan worden en zal een restroom geïnjecteerd worden in de ondergrond. Als NAM de herevaluatie heeft ingediend zal ik zo snel mogelijk een besluit nemen over de waterinjectie in Twente. Ik overweeg daarbij een methode voor de schrijven waarbij een zuiveringstechniek wordt toegepast. Tot die tijd houdt het Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM) toezicht op de waterinjectie. Indien er sprake is van een overtreding van de vergunning of er een onveilige situatie ontstaat, zal SodM maatregelen opleggen, zoals het indien nodig stilleggen van de injectie. Het stilleggen van de waterinjectie is alleen op deze gronden mogelijk.
Klopt het dat de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) zelf de injectie tijdelijk heeft stopgezet, omdat er meer van het giftige tolueen in het geïnjecteerde afvalwater zit dan toegestaan?2
Ja, NAM heeft de oliewinning en daarmee de waterinjectie tijdelijk stil gelegd, omdat de concentraties van de stoffen tolueen en CO2 in het productiewater de norm overschreden. NAM voert technische aanpassingen uit om deze stoffen beperken. Daarna zal NAM naar verwachting het proces weer opstarten.
Kunt u alle vergunningen voor de afvalwaterinjectie in Twente, zoals ze nu van kracht zijn, aan de Kamer doen toekomen?
De vergunningen zijn op 14 september 2016 naar uw Kamer verzonden.3
Kunt u alle overtredingen van de vergunning, die de NAM sinds 2011 zelf geconstateerd heeft, opsommen en aan aan de Kamer doen toekomen? Kunt u deze opsomming uitsplitsen per datum, per overtreding en per stof of andere overtreding?
Ik kan de informatie delen waarover de toezichthouder beschikt. In het geval dat er een incident of overtreding van de regelgeving of vergunningvoorschriften voorkomt, maakt NAM hiervan een melding bij de toezichthouder. Het doen van een dergelijke melding is vastgelegd in de huidige wetgeving en in werkafspraken tussen de toezichthouder en mijnbouwbedrijven. Het is verder aan NAM om een overzicht van zelf geconstateerde overtredingen te publiceren en van duiding te voorzien.
Kunt u alle door het toezicht geconstateerde overtredingen van de vergunningvoorwaarden sinds 2011 op een rij zetten en aan de Kamer doen toekomen? Kunt u deze rij uitsplitsen per datum, per overtreding en per stof of andere overtreding?
SodM heeft een overzicht opgesteld van alle inspecties die de toezichthouder sinds 2011 heeft uitgevoerd bij de olieproductie in Schoonebeek, de waterinjectie in Twente en de transportleiding en de overtredingen die hierbij zijn geconstateerd. Het overzicht vindt u als bijlage bij deze brief.
Kunt u deze vragen een voor en binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Het toezicht van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) op de waterinjectie in Twente kenmerkt zich als een vorm van ketentoezicht, waarbij zowel bij de olieproductie in Schoonebeek wordt geïnspecteerd als de waterinjectie Twente. Daarbij hanteert SodM een systematiek van jaarlijkse toetsing en beoordeling van jaarrapportages (kantoorinspecties) gecombineerd met veldinspecties op locatie. Tevens vond toezicht plaats op de transportleiding. In totaal zijn er sinds 2011 30 kantoorinspecties uitgevoerd en 68 veldinspecties. Daarbij is getoetst op naleving van de Omgevingsvergunning, Mijnbouwwetgeving en arbeidsomstandighedenwetgeving.
NAM heeft in voorgaande jaren voor de stoffen tolueen en opgelost CO2 hogere waardes gerapporteerd dan de vergunde maximale waardes. In het onderstaande overzicht van overtredingen staan deze overschrijdingen voor 2020 niet als overtreding genoemd. De reden hiervoor is als volgt. Bij de vergunningsaanvraag heeft de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) een verwachting van de maximale waarde van deze stoffen doorgegeven. In de vergunningen voor waterinjectie in Twente is deze verwachting opgenomen als norm. Doorgaans wordt enige marge gehanteerd en wordt de vergunde norm vastgesteld boven de verwachte maximale waarde.
SodM heeft de jaarrapportages van NAM beoordeeld. Daarbij is sinds 2014 de waarneming dat in de loop van een kalenderjaar gehalte voor CO2 en voor tolueen fluctueert en soms de gestelde norm overschrijdt. Er is geen stijgende trend waargenomen. SodM heeft de gevolgen voor het milieu van de overschrijding van de norm beoordeeld als «verwaarloosbaar klein». Gezien de uitzonderlijke situatie in deze vergunning, waarbij er geen marge in de vergunning is gehanteerd, gecombineerd met de kwalificatie van het effect van de overschrijding als verwaarloosbaar klein, heeft SodM de overschrijding voor 2020 niet aangemerkt als overtreding. Nadat in 2021 de jaarrapportage over 2020 is beoordeeld, is in het kader van het verscherpte toezicht op de waterinjectie Twente NAM in oktober 2021 met een waarschuwingsbrief aangeschreven op het feit dat de overschrijdingen blijvend ongedaan moeten worden gemaakt. Eind maart 2022 dient NAM bij SodM haar jaarrapportage over 2021 in te dienen.
Kenmerk inspectie
Soort inspectie
Overtreding locatie Rossum-Weerselo centraal
Norm
INS-7925
Jaar 2021
Veldinspectie: waterinjectielocaties Twente tijdens onderhoudsstop
ROW-C: Niet melden van de start van de werkzaamheden.
Vergunningsvoorwaarden
INS-7561
Jaar 2021
Veldinspectie: Schoonebeek OBI en waterinjectielocaties Twente
Geen
14/I/0067
Jaar 2014
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project
«Wabo 2014»
Geen
13/I/0500
Jaar 2013
Veldinspectie: in het kader van het project «Opleveringsinspecties» en «Wabo 2013»
Geen
Kenmerk inspectie
Soort inspectie
Overtreding locatie Rossum-Weerselo 2
Norm
INS-8168
Jaar 2022
Kantoorinspectie: geactualiseerde jaarrapportage
Geen
INS-8040
Jaar 2021
Veldinspectie: NAM werkzaamheden put ROW-7
Geen
INS-7949 (open)
Jaar 2021
Kantoorinspectie:
NAM ROW-2 vervolgvragen incidentrapport feitenrelaas
INS-7925
Jaar 2021
Veldinspectie: waterinjectielocaties Twente tijdens onderhoudsstop
Geen
INS-7808
Jaar 2021
Kantoorinspectie: jaarrapportage waterinjectie
Overschrijding tolueen en CO2; niet rapporteren vergelijking kwaliteit injectiewater met voorgaande jaren.
Vergunningsvoorwaarden
INS-7644
Jaar 2021
Kantoorinspectie: Scheur in casing ROW-2 rootcause rapport
Put ROW-2 Controleren, registreren en tijdig melden van afwijkingen bij annulaire drukken.
Mijnbouwregeling
INS-7561
Jaar 2021
Veldinspectie: Schoonebeek OBI en waterinjectielocaties Twente
Geen
INS-7493
Jaar 2021
Kantoorinspectie: NAM 6-jaarlijkse technische evaluatie injectieputten
Geen
INS-7338
Jaar 2020
Kantoorinspectie: Kennisgeving / NAM ROW-02 workover 2020
Geen
INS-893
Jaar 2020
Veldinspectie:
Rossum-Weerselo waterinjectielocaties
Geen
INS-749
Jaar 2019
Veldinspectie: waterinjectieputten Rossum-Weerselo (2,3,5)
Geen
17/I/0347
Jaar 2017
Veldinspectie:
PIRI-inspecties op NAM-waterinjectie mijnbouwwerken
Geen
16/I/0443
Jaar 2016
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2016»
Geen
16/I/0136 (nr 2)
Jaar 2016
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2016»
Geen
15/I/0095
Jaar 2015
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2015»
ROW-7A: Op de locatie Rossum-Weerselo 2 borrelt gas uit de kelder van put R0W-7A. Ten tijde van de inspectie was de oorzaak en herkomst hiervan niet bekend.
Mijnbouwbesluit
12/I/0143
Jaar 2012
Veldinspectie:
In het kader van het project Wabo
Twee vluchtdeuren zijn anders geplaatst dan op de plattegrondtekening op Rossum-Weerselo 2.
Wabo; Vergunningsvoorwaarden; Arbo
Kenmerk inspectie
Soort inspectie
Overtreding locatie Rossum-Weerselo 3
Norm
INS-8168
Jaar 2022
Kantoorinspectie geactualiseerde jaarrapportage
Geen
INS-7925
Jaar 2021
Veldinspectie: waterinjectielocaties Twente tijdens onderhoudsstop
Geen
INS-7808
Jaar 2021
Kantoorinspectie: jaarrapportage waterinjectie
Overschrijding tolueen en CO2; niet rapporteren vergelijking kwaliteit injectiewater met voorgaande jaren.
Vergunningsvoorwaarden
INS-7561
Jaar 2021
Veldinspectie: Schoonebeek OBI en waterinjectielocaties Twente
Geen
INS-893
Jaar 2020
Veldinspectie:
Rossum-Weerselo waterinjectielocaties
Geen
INS-749
Jaar 2019
Veldinspectie: waterinjectieputten Rossum-Weerselo (2,3,5)
Geen
17/I/0347
Jaar 2017
Veldinspectie:
PIRI-inspecties op NAM-waterinjectie mijnbouwwerken
Geen
16/I/0443
Jaar 2016
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2016»
Geen
16/I/0136 (nr 2)
Jaar 2016
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2016»
Geen
15/I/0095
Jaar 2015
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2015»
Geen
12/I/0143
Jaar 2012
Veldinspectie:
In het kader van het project Wabo
Geen
Kenmerk inspectie
Soort inspectie
Overtreding locatie Rossum-Weerselo 5
Norm
INS-8168
Jaar 2022
Kantoorinspectie geactualiseerde jaarrapportage
Geen
INS-7925
Jaar 2021
Veldinspectie: waterinectielocaties Twente tijdens onderhoudsstop
Geen
INS-7808
Jaar 2021
Kantoorinspectie: jaarrapportage waterinjectie
Overschrijding tolueen en CO2; niet rapporteren vergelijking kwaliteit injectiewater met voorgaande jaren.
Vergunningsvoorwaarden
INS-7561
Jaar 2021
Veldinspectie: Schoonebeek OBI en waterinjectielocaties Twente
Niet-gekeurd ademluchtmasker op Rossum-Weerselo 5.
Arbeidsomstandigheden besluit
INS-893
Jaar 2020
Veldinspectie:
Rossum-Weerselo waterinjectielocaties
Geen
INS-749
Jaar 2019
Veldinspectie: waterinjectieputten Rossum-Weerselo (2,3,5)
Geen
17/I/0347
Jaar 2017
Veldinspectie:
PIRI-inspecties op NAM-waterinjectie mijnbouwwerken
Geen
16/I/0443
Jaar 2016
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2016»
Geen
16/I/0136 (nr 2)
Jaar 2016
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2016»
Geen
15/I/0095
Jaar 2015
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2015»
Geen
12/I/0143
Jaar 2012
Veldinspectie:
In het kader van het project Wabo
Valgevaar door te kort rooster over de goot voor de vluchtpoort op Rossum-Weerselo 5;
Bedrading van de kathodische bescherming hangt los bij de ragerinstallatie op Rossum-Weerselo 5;
Er ontbreekt een peilbuis op Rossum-Weerselo 5.
Wabo; Arbo
Wabo; Vergunningsvoorwaarden; Arbo
Wabo; Vergunningsvoorwaarden
Kenmerk inspectie
Soort inspectie
Overtreding locatie Rossum-Weerselo 6
Norm
INS-8168
Jaar 2022
Kantoorinspectie geactualiseerde jaarrapportage
Geen
INS-7808
Jaar 2021
Kantoorinspectie: jaarrapportage waterinjectie
Overschrijding tolueen en CO2; niet rapporteren vergelijking kwaliteit injectiewater met voorgaande jaren.
Vergunningsvoorwaarden
INS-7561
Jaar 2021
Veldinspectie: Schoonebeek OBI en waterinjectielocaties Twente
Geen
INS-7493
Jaar 2021
Kantoorinspectie: NAM 6-jaarlijkse technische evaluatie injectieputten
Geen
INS-893
Jaar 2020
Veldinspectie:
Rossum-Weerselo waterinjectielocaties
Geen
17/I/0347
Jaar 2017
Veldinspectie:
PIRI-inspecties op NAM-waterinjectie mijnbouwwerken
Geen
16/I/0136 (nr 2)
Jaar 2016
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2016»
Geen
15/I/0095
Jaar 2015
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2015»
Geen
12/I/0143
Jaar 2012
Veldinspectie:
In het kader van het project Wabo
Valgevaar bij de roosters op de putschacht op Rossum-Weerselo 6;
Er ontbreken twee peilbuizen op Rossum-Weerselo 6;
Op de plattegrondtekening staan drie in plaats van een ragerinstallatie getekend op Rossum-Weerselo 6.
Wabo; Arbo
Wabo; Vergunningsvoorwaarden
Wabo; Vergunningsvoorwaarden
Kenmerk inspectie
Soort inspectie
Overtreding locatie Tubbergen 7
Norm
INS-8168
Jaar 2022
Kantoorinspectie geactualiseerde jaarrapportage
Geen
INS-7808
Jaar 2021
Kantoorinspectie: jaarrapportage waterinjectie
Overschrijding tolueen en CO2; niet rapporteren vergelijking kwaliteit injectiewater met voorgaande jaren.
Vergunningsvoorwaarden
INS-7561
Jaar 2021
Veldinspectie: Schoonebeek OBI en waterinjectielocaties Twente
Geen
INS-7493
Jaar 2021
Kantoorinspectie: NAM 6-jaarlijkse technische evaluatie injectieputten
Geen
18/I/0217
Jaar 2018
Veldinspectie:
Diverse mijnbouwwerken in het kader van het thema «PIRI inspecties»
Geen
17/I/0347
Jaar 2017
Veldinspectie:
PIRI-inspecties op NAM-waterinjectie mijnbouwwerken
Tegenstrijdige etikettering productiewater met gevaar symbolen in tegenstelling tot gevuld met stikstof bij Tubbergen 7.
Arboregeling
16/I/0136 (nr 2)
Jaar 2016
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2016»
Geen
15/I/0095
Jaar 2015
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2015»
Put TUB-9: twee manometers geïnstalleerd op de A-annulus, met onderling verschillende aanwijzing (10 resp. O bar). In het registratiesysteem is afwisselend 10 bar resp.0 bar ingevoerd.
Mijnbouwbesluit; Mijnbouwregeling
12/I/0143
Jaar 2012
Veldinspectie:
In het kader van de Wabo
Geen
Kenmerk inspectie
Soort inspectie
Overtreding locatie Tubbergen-Mander 1
Norm
INS-8168
Jaar 2022
Kantoorinspectie geactualiseerde jaarrapportage
Geen
INS-7844
Kantoorinspectie:
Beoordeling documentatie buiten gebruik stellen
Geen
INS-7808
Jaar 2021
Kantoorinspectie: jaarrapportage waterinjectie
Overschrijding tolueen en CO2; niet rapporteren vergelijking kwaliteit injectiewater met voorgaande jaren.
Vergunningsvoorwaarden
INS-7561
Jaar 2021
Veldinspectie: Schoonebeek OBI en waterinjectielocaties Twente
Geen
18/I/0217
Jaar 2018
Veldinspectie:
Diverse mijnbouwwerken in het kader van het thema «PIRI inspecties»
Geen
17/I/0347
Jaar 2017
Veldinspectie:
PIRI-inspecties op NAM-waterinjectie mijnbouwwerken
Geen
16/I/0136 (nr 2)
Jaar 2016
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2016»
Geen
15/I/0095
Jaar 2015
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2015»
TUM-1: niet duidelijk of de druk van de C-annulus wordt geregistreerd.
Mijnbouwbesluit; Mijnbouwregeling
12/I/0143
Jaar 2012
Veldinspectie:
In het kader van de Wabo
Geen
Kenmerk inspectie
Soort inspectie
Overtreding Tubbergen-Mander 2
Norm
INS-8168
Jaar 2022
Kantoorinspectie geactualiseerde jaarrapportage
Geen
INS-7845
Kantoorinspectie:
Beoordeling documentatie buiten gebruik stellen
Geen
INS-7808
Jaar 2021
Kantoorinspectie: jaarrapportage waterinjectie
Overschrijding tolueen en CO2; niet rapporteren vergelijking kwaliteit injectiewater met voorgaande jaren.
Vergunningsvoorwaarden
INS-7561
Jaar 2021
Veldinspectie: Schoonebeek OBI en waterinjectielocaties Twente
Geen
INS-7217
Jaar 2021
Kantoorinspectie: Werkprogramma / NAM TUM-03-S5 abandonment
Geen
18/I/0217
Jaar 2018
Veldinspectie:
Diverse mijnbouwwerken in het kader van het thema «PIRI inspecties»
Geen
17/I/0347
Jaar 2017
Veldinspectie:
PIRI-inspecties op NAM-waterinjectie mijnbouwwerken
Geen
16/I/0136 (nr 2)
Jaar 2016
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2016»
Geen
15/I/0095
Jaar 2015
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2015»
Geen
12/I/0143
Jaar 2012
Veldinspectie:
In het kader van de Wabo
Geen
Kenmerk inspectie
Soort inspectie
Overtreding Schoonebeek OBI
Norm
INS-7912; Jaar2021
Veldinspectie:
ongevalsonderzoek
Geen
INS-7561;
Jaar2021
Veldinspectie: Schoonebeek OBI en waterinjectielocaties Twente
Geen
INS-7312;
Jaar 2020
Veldinspectie:
PIRI-inspectie op Schoonebeek OBI
Twee niet gekeurd vluchtmasker op OBI.
Vervangen voor einde inspectie.
Artikel 3.2 lid 2 van het Arbobesluit
INS-921;
Jaar 2020
Veldinspectie:
PIRI-inspectie op Schoonebeek OBI
Geen
INS-540;
Jaar 2019
Veldinspectie:
PIRI-inspectie op Schoonebeek OBI
Geen
17/I/0055;
Jaar 2017
Veldinspectie:
PIRI-inspectie op Schoonebeek OBI
I
Betreft B-bevindingen:
B1: op het mijnbouwwerk Schoonebeek WKC/OBI/CTF wordt niet aan vergunningsvoorschrift C14 voldaan.
Toelichting:
De emissies van het (geproduceerde) gas dat in de fakkel is verbrand zijn niet opgenomen in het jaaroverzicht 2016. Hierdoor is het milieu jaarverslag niet correct.
B2: Het is niet duidelijk of op het mijnbouwwerk Schoonebeek WKC/OBI/CTF aan vergunningvoorschrift F5 wordt voldaan, t.a.v. de maximale geluidsbelasting van niet meer dan 50dB(a) aan de gevel van de dichtstbijzijnde woning.
B3: Op mijnbouwwerk Schoonebeek WKC/OBI/CTF is een wijziging doorgevoerd nabij trafo 9001. Nabij deze trafo 9001 is een zeecontainerwand geplaatst. De plaatsing van deze zeecontainers is niet gemeld aan SodM.
Artikel 2.3 sub a onder 1 van Wabo
16/I/0550;
Jaar 2016
Veldinspectie:
Diverse mijnbouwwerken in het kader van Integrale reguliere inspectie
Geen
15/I/0473;
Jaar 2015
Veldinspectie:
Diverse mijnbouwwerken in het kader van Integrale reguliere inspectie
Geen
14/I/0503;
Jaar 2014
Veldinspectie:
Diverse mijnbouwwerken in het kader van Integrale reguliere inspectie
Geen
13/I/0099;
Jaar 2013
Veldinspectie:
Diverse mijnbouwwerken in het kader van Integrale reguliere inspectie
Geen
12/I/0494;
Jaar 2012
Veldinspectie:
Diverse mijnbouwwerken in het kader van Integrale reguliere inspectie
Geen
Kenmerk inspectie
Soort inspectie
Overtreding
De Hulte KNP
Norm
14/I/0630
Jaar 2014
Veldinspectie: diverse mijnbouwwerken in het kader van het project «Wabo 2014»
Geen
Kenmerk inspectie
Soort inspectie
Overtreding
Norm
INS-7876
Jaar 2021
Kantoorinspectie Pipeline integrity management system Twente (PIMS):
Waterinjectie leidingen Twente
Geen
INS-7664
Jaar 2021
Kantoorinspectie:
Beoordeling Seismisch risicobeheersplan Waterinjectie Twente velden
Geen
INS-7588
Jaar 2021
Kantoorinspectie:
waterpassing Twente 2020
Geen
INS-137
Jaar 2019 en 2020
Kantoor inspectie:
putintegriteit NAM
Geen
Brief met kenmerk
17167141 2 juli 2018
Kantoorinspectie actualisatie waterinjectiemanagement plan n.a.v. 6 jaarlijkse evaluatie en risicoanalyse
Geen
Het artikel 'Warmtewet laat nog minstens een jaar op zich wachten' |
|
Raoul Boucke (D66), Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Warmtewet laat nog minstens een jaar op zich wachten»?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat in de Warmtewet is vastgelegd dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) jaarlijks het maximale leveringstarief voor warmte moet vaststellen op de basis van de gasprijs en dat doordat de gasprijzen nu zo hoog zijn de warmtetarieven ook hard stijgen? Hoe apprecieert u dit?
Ja, in artikel 5, tweede lid van de Warmtewet is bepaald dat de door de ACM jaarlijks vast te stellen maximumprijs voor warmte gebaseerd moet zijn op de integrale kosten die een verbruiker zou moeten maken voor het verkrijgen van dezelfde hoeveelheid warmte bij het gebruik van gas als energiebron. Deze koppeling heeft er inderdaad toe geleid dat de gestegen gasprijzen hebben doorgewerkt in een aanmerkelijk hogere door de ACM voor 2022 vastgestelde maximum warmteprijs. Om de effecten van de stijging van de energierekening te compenseren zijn eind vorig jaar maatregelen getroffen die ook voor warmte-afnemers gelden. Het kabinet houdt ook de komende tijd vinger aan de pols, met name voor financieel kwetsbare huishoudens.
Het is evident dat de warmtetarieven moeten worden losgekoppeld van de gasprijs. De tarieven moeten gebaseerd worden op de onderliggende kosten van warmte. Dat biedt consumenten de zekerheid dat ze niet meer betalen dan de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de warmte die ze afnemen. Anderzijds krijgen warmtebedrijven daarmee de zekerheid dat efficiënte kosten die zij moeten maken voor de uitvoering van hun taak kunnen worden terugverdiend, inclusief een redelijk rendement. Dit laatste is ook van belang voor de borging van de leveringszekerheid van het systeem. De nieuwe Wet collectieve warmtevoorziening die ik op dit moment in voorbereiding heb bevat bepalingen die de overstap naar op kosten gebaseerde tarieven regelt. Ik heb versnelling aangebracht in de voorbereiding van deze nieuwe wet. Het wetsvoorstel gaat voor de zomer naar de Raad van State en ik verwacht het voorstel eind 2022 aan te kunnen bieden aan de Tweede Kamer. Vooruitlopend daarop heeft de ACM onlangs de bevoegdheid gekregen om onderzoek te doen naar de rendementen van een individuele leverancier, en het tarief voor de betreffende leverancier te corrigeren indien blijkt dat het door deze leverancier behaalde rendement hoger is dan een door de ACM vast te stellen redelijk rendement. ACM is op dit moment hard bezig met de implementatie van deze nieuwe bevoegdheden. Onderdeel daarvan is het transparant maken van gedetailleerde kosteninformatie van warmtebedrijven. Met deze nieuwe bevoegdheden is dan ook een belangrijke stap gezet naar de nieuwe tariefsystematiek op basis van de onderliggende kosten. Immers, zonder de beschikking over deze gedetailleerde kosteninformatie kan ACM geen op kosten gebaseerde tarieven vaststellen.
Kunt u de daadwerkelijke stijging van de warmtetarieven inzichtelijk maken? Kunt u daarbij ook een indicatie geven van wat de stijging zou zijn geweest als de koppeling met de gasprijzen er niet was?
De grote warmteleveranciers2 hebben hun warmtetarieven voor 2022 bekend gemaakt. Daaruit blijkt dat kosten bij een gemiddeld jaarverbruik van 35 GJ bij deze leveranciers tussen de 18 en 25% lager liggen dan wanneer zou worden uitgegaan van het door de ACM vastgestelde maximum tarief. Ten opzichte van de tarieven die deze leveranciers in 2021 in rekening brachten is er wel sprake van een flinke stijging. Bij het genoemde gemiddelde jaarverbruik van 35 GJ gaat om stijgingen tussen 30 en 54%. Dit ligt eveneens lager dan de stijging wanneer zou worden uitgegaan van het door de ACM vastgestelde maximum tarief. Laatstgenoemde stijging is 67%. De warmteleveranciers hebben aangegeven dat zij genoodzaakt zijn om hun daadwerkelijke warmtetarieven te verhogen omdat de kosten van warmtelevering direct en indirect gekoppeld zijn aan de gasprijzen. In haar brief van 1 november 20223 heeft mijn ambtsvoorganger hierover al aangegeven dat de stijgende gasprijzen invloed hebben op de onderliggende kosten voor warmtebedrijven, omdat aardgas direct (gas als warmtebron of back-up warmtebron) en indirect (bijv. via subsidiebedrag in de SDE++ en koppeling van warmtecontracten aan de prijs van aardgas) een rol speelt als warmtebron voor warmtenetten.
Bij het loslaten van de koppeling tussen het maximum tarief en de gasprijzen zullen de maximum tarieven geleidelijk steeds meer worden gebaseerd op de werkelijke kosten van warmte. Ik kan nu niet aangeven wat het effect daarvan zou zijn geweest op de hoogte van het maximum tarief, maar gelet op het voorgaande kan niet zondermeer worden verondersteld dat dit zou hebben geleid tot lagere tarieven.
Wat betekent de stijging van de warmtetarieven concreet voor de consument? Om hoeveel geld gaat het per huishouden? Op welke manier wordt hierop toezicht gehouden door de overheid?
Bij de in het antwoord op vraag 3 genoemde grote warmteleveranciers leidt de stijging van hun warmtetarieven bij een gemiddeld verbruik van 35 GJ tot een stijging van de jaarkosten tussen € 430 en € 728. Hierbij is geen rekening gehouden met de effecten van de bij vraag 2 genoemde compenserende maatregelen. Zoals ik in mijn antwoorden op vraag 2 en 3 heb aangegeven liggen de daadwerkelijke tarieven van de grote warmteleveranciers onder het door de ACM vastgestelde maximum tarief.
Op grond van de huidige Warmtewet wordt er op drie manieren toezicht gehouden op de warmtetarieven. Allereerst door te toetsen of de daadwerkelijke tarieven zich onder het toegestane maximum tarief bevinden. Ten tweede, voert ACM tweejaarlijks een rendementsmonitor uit waarbij zij de ontwikkeling van de rendementen in de warmteleveringsmarkt monitort. En tot slot, heeft ACM, zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, recent nieuwe bevoegdheden verkregen waarmee zij onderzoek kan doen naar de rendementen van een individuele leverancier, en het tarief voor de betreffende leverancier kan corrigeren indien blijkt dat deze leverancier een rendement behaalde dat hoger is dan een door de ACM vast te stellen redelijk rendement.
Consumenten die gebruik maken van een warmtenet kunnen niet veranderen van leverancier; wat doet u om te voorkomen dat warmteleveranciers onredelijke tarieven in rekening brengen dan wel misbruik maken van hun marktmacht nu de warmtetarieven hard stijgen?
Zie het antwoord op vraag 2. Uit de meest recente rendementsmonitor4 blijkt overigens dat de gemiddelde rendementen van de warmteleveranciers zijn gedaald. Dat wijst er niet op dat warmteleveranciers gemiddeld gesproken onredelijke tarieven in rekening brengen.
In de voorgestelde nieuwe warmtewet worden de warmtetarieven losgekoppeld van de gasprijzen, maar vanwege het uitstel laat dit langer op zich wachten; ziet u mogelijkheid om de warmtetarieven al eerder (tijdelijk) los te koppelen van de gastarieven? Indien ja, vanaf wanneer en hoe zou dat kunnen? Indien nee, bent u bereid om alvast te beginnen met het voorbereiden van de overgang naar een nieuw systeem voor het bepalen van de warmtetarieven, zodat er nadat de wet in werking treed snel kan worden gestart met het loskoppelen van de warmtetarieven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het in de huidige Warmtewet vastgelegde uitgangspunt van de gasreferentie biedt mij geen mogelijkheid om zonder wetswijziging de koppeling van het maximum tarief aan de gemiddelde kosten van een verbruiker van aardgas los te laten. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 heb ik het wetsvoorstel dat een op kosten gebaseerde tariefregulering mogelijk maakt reeds in voorbereiding en verwacht ik dit voorstel eind 2022 aan te kunnen bieden aan de Kamer. De overgang naar een nieuw op kosten gebaseerd systeem is reeds in gang gezet doordat de in het antwoord op vraag 2 genoemde recente aanvullende bevoegdheden de ACM de mogelijkheid geeft om gedetailleerde kosteninformatie bij warmtebedrijven op te vragen. Daarnaast heb ik op dit moment een extern onderzoek in voorbereiding naar de nadere uitwerking van de op kosten gebaseerde tariefregulering onder de nieuwe Wet collectieve warmtevoorziening.
Ik verwacht dat dit onderzoek kort na de zomer wordt afgerond zodat ik daarna duidelijkheid kan scheppen en concreter in gesprek kan gaan met betrokkenen over de transitie naar de op kosten gebaseerde tariefregulering.
R.A.A. Jetten
Minister voor Klimaat en Energie
De weigering van het Erasmus Medisch Centrum om gegevens over proefdierengebruik te delen met de toezichthouder |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Klopt het dat het Erasmus Medisch Centrum (MC) Rotterdam geen gegevens over uitgevoerde dierproeven in 2020 heeft verstrekt aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) zoals de inhoudelijke afwezigheid van tabel 23 in Zo Doende 2020 stelt? Zo ja, overtreedt het Erasmus MC Rotterdam met deze weigering artikel 8, lid 3 van de Dierproevenregeling?1 2
Het Erasmus Medisch Centrum (MC) heeft aan de wettelijk verplichte eisen over de registratie van uitgevoerde dierproeven en proefdieren 2020 voldaan. De specifieke tabel in «Zo doende 2020. Jaaroverzicht dierproeven en proefdieren van de NVWA» betreft een uitwerking op instellingsniveau waarvoor geen wettelijke verplichting geldt zoals omschreven in hoofdstuk 4.1 van het rapport.
Is het in Nederland eerder voorgekomen dat een vergunninghouder Wet op de dierproeven weigerde om informatie te delen met de toezichthouder?
Ook eerder hebben de instellingsvergunninghouders standaard voldaan aan de wettelijke vereiste om informatie over de registratie dierproeven en proefdieren met de toezichthouder te delen. Om de publicatie van «Zo Doende 2020» te versnellen, is het proces rondom de publicatie van de tabellen op instellingsniveau gewijzigd. In het verleden maakte de NVWA deze tabellen zelf op, gebaseerd op de aangeleverde jaarregistratie. Bij het opstellen van «Zo Doende 2020» heeft de NVWA de betrokken instellingsvergunninghouders verzocht om een door de NVWA aangeleverd format ingevuld aan te leveren voor integrale publicatie. Ik betreur dat het Erasmus MC geen uitwerking op instellingsniveau heeft ingestuurd.
Hoe vaak heeft de NVWA het Erasmus MC verzocht om de gegevens over het dierproevengebruik met deze toezichthouder te delen?
De NVWA heeft op 13 september 2021 een brief aan alle betrokken instellingsvergunninghouders gestuurd met de nieuwe werkwijze omtrent de uitwerking van de tabellen op instellingsniveau, met het verzoek hieraan te voldoen. Op dezelfde datum is een afschrift van deze brief naar alle betrokken Instanties voor Dierenwelzijn gestuurd. Op 18 oktober 2021 heeft de NVWA een reminder gestuurd aan alle betrokken Instanties voor Dierenwelzijn. Op 25 november 2021 heeft de NVWA een reminder aan de Instantie voor Dierenwelzijn van het Erasmus MC gestuurd met het verzoek de gevraagde gegevens alsnog aan te leveren. Zie ook mijn antwoord op vraag 1 en 2.
Welke redenen gaf het Erasmus MC om niet mee te werken aan de wettelijke verplichting zoals opgenomen in artikel 8, lid 3 van het Dierproevenbesluit?
De NVWA heeft geen reactie van het Erasmus MC ontvangen op de in antwoord 3 genoemde correspondentie. Deze correspondentie betrof een verzoek om een uitwerking op instellingsniveau waarvoor geen wettelijke verplichting geldt. Het Erasmus MC heeft naar aanleiding de publicatie van «Zo Doende 2020» op de eigen website een artikel3 geplaatst. In dit artikel worden de cijfers op instellingsniveau toegelicht. Daarnaast bevat het artikel een motivering waarom geen separate tabel is aangeleverd voor publicatie in «Zo Doende 2020». De uitwerking op instellingsniveau voor het Erasmus MC ontbreekt in «Zo Doende 2020». Desondanks is het belang van transparantie gediend nu het Erasmus MC deze informatie eigenstandig op zijn website beschikbaar heeft gesteld.
Bent u bereid om de correspondentie over de weigering tussen het Erasmus MC en de NVWA met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
De NVWA heeft geen reactie van het Erasmus MC ontvangen op de in antwoord 3 genoemde correspondentie; deze kan ik derhalve niet delen. Zie ook mijn antwoord op vraag 1 en 2.
Welke consequenties verbindt u aan de weigering van het Erasmus MC om mee te werken aan de wettelijk verplichte registratie van de uitgevoerde dierproeven? Bent u bereid daar bestuursrechtelijke sancties aan te verbinden? Zo ja, welke?
Er heeft geen weigering plaatsgevonden om mee te werken aan wettelijk verplichte eisen.
Betekent de weigering van het Erasmus MC om de gegevens over de uitgevoerde dierproeven met de toezichthouder te delen dat het totaaloverzicht van dierproeven die in Nederland zijn uitgevoerd onvolledig is en dat het werkelijke aantal dierproeven hoger is dan Zo Doende 2020 vermeldt?
Nee, het totaaloverzicht van dierproeven die in Nederland zijn uitgevoerd is volledig; de registratiegegevens van het Erasmus MC over 2020 zijn hierin opgenomen. De specifieke tabel waarnaar in vraag 1 wordt verwezen betreft een uitwerking op instellingsniveau.
De aanrijtijden van ambulances in Gelderland |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Kent u het bericht over ambulances die onveranderd vaak te laat zijn in Zaltbommel1 en kent u ook de signalen vanuit de gemeenteraad in Zaltbommel, dat nog steeds de norm van 15 minuten aanrijtijd voor ambulances in delen van Gelderland niet wordt gehaald?2 Zo ja, welke acties zijn genomen om de aanrijtijden in de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid te verbeteren?
Ja, ik ken dit bericht. De streefnorm3 die in de Regeling Ambulancezorgvoorzieningen is opgenomen geldt echter voor de gehele Veiligheidsregio en niet voor afzonderlijke locaties of gemeenten. Deze streefnorm houdt in dat bij een A1-melding in 95% van de gevallen binnen 15 minuten een ambulance ter plaatse is. Voor Gelderland-Zuid was dit in 2020 inderdaad niet het geval. Uw Kamer is in september per brief4 geïnformeerd over de constatering van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) dat in 2020 slechts 6 van de 25 Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s) aan deze streefnorm van 95% voldeden of deze benaderden, met daarbij nadere uitleg over de oorzaken hiervoor. In deze brief werd daarbij de belangrijke kanttekening geplaatst dat de streefnorm weliswaar niet overal werd gehaald, maar dat er volgens zowel de zorgverzekeraars als de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op basis van de bij hen beschikbare informatie geen aanwijzingen zijn dat dit tot een risico heeft geleid voor de toegankelijkheid of kwaliteit van zorg.
Hoe beoordeelt u de verklaring van de Veiligheidsregio op vragen uit de gemeenteraad in Zaltbommel, dat er extra middelen nodig zijn om de aanrijtijden te verkorten?3
Het RIVM maakt in opdracht van het Ministerie van VWS jaarlijks een berekening van de benodigde middelen per Regionale Ambulance Voorziening (RAV) in het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg. Dit rekenmodel is onder andere gebaseerd op de aanrijtijden en spreiding van de standplaatsen, zodat er voldoende middelen beschikbaar zijn om aan deze uitgangspunten te voldoen. Het referentiekader vormt de basis van de onderhandelingen tussen zorgverzekeraar en RAV. De NZa en de IGJ houden respectievelijk toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar en de kwaliteit van zorg, waarbij de streefnorm één van de factoren is waar zij hun toezicht op baseren. Of extra middelen noodzakelijk en effectief zijn in het kader van de zorgplicht en kwaliteit van zorg is aan de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder.
Bent u bereid om voor die extra middelen te gaan zorgen of op een andere manier tot een oplossing te komen voor de aanrijtijdenproblematiek van ambulances in Gelderland? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hiertoe? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de motie Ploumen en Geleijnse uit 2019 waarin al werd geconstateerd dat toentertijd slechts drie van de 24 regio’s de toen wettelijke 15-minutennorm haalden?4
Ja.
Wat heeft de invoering van de nieuwe Regeling ambulancezorgvoorzieningen betekent voor de 15-minutennorm in heel Nederland?
De (streef)norm van 15 minuten was al opgenomen in de Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg. De vervanging hiervan door de Regeling Ambulancezorgvoorzieningen heeft als zodanig geen effect op de realisatie van deze streefnorm.
Hoe wordt er nu gepresteerd in de 24 regio’s als het gaat om de 15-minutennorm? Kunt u de meest recente cijfers geven?
Ambulancezorg Nederland publiceert jaarlijks op hun website de landelijke en regionale cijfers van de 25 RAV-regio’s in het Sectorkompas.7
Welke verantwoordelijkheid draagt u bij het realiseren van korte aanrijtijden in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Verhoudt uw streven om de zorg te centraliseren zich wel tot het realiseren van korte aanrijtijden in heel Nederland? Zo ja, hoe dan? Zo nee, hoe gaat u zorgen dat de aanrijtijden binnen de wettelijke norm blijven als de spoedeisende hulp verder weg komt te liggen?
De streefnorm voor ambulancezorg luidt: de RAV streeft er naar dat in de veiligheidsregio binnen 15 minuten responstijd 95% van de inzetten met A1-urgentie ter plaatse is.8 Deze streefwaarde heeft betrekking op de rit van de standplaats naar de plaats waar de patiënt is, niet op het vervoer van de patiënt naar het ziekenhuis. Voor de spreiding en beschikbaarheid van acute zorg in ziekenhuizen geldt de 45-minutennorm. Dit is echter geen prestatienorm voor RAV’s, maar een norm op basis waarvan de bereikbaarheid van een spoedeisende hulp wordt berekend.
Het bericht ‘Meer verkeersongelukken in 2021, politie maakt zich zorgen’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Pieter Grinwis (CU) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Wat was uw reactie toen u kennisnam van het bericht: «Meer verkeersongelukken in 2021, politie maakt zich zorgen»?1 Maakt u zich evenals de politie zorgen om de verruwing in het gedrag van verkeersdeelnemers en een «ik-cultuur»? Zo ja, op welke manier hoopt u deze zeer ongewenste ontwikkeling te gaan bestrijden?
Risicovol gedrag in het verkeer is en blijft een belangrijk aandachtspunt. Onder andere met campagnes (zoals de BOB-campagne, MONO-campagne en campagnes tegen drugsgebruik in het verkeer en voor veilige snelheid en fietsverlichting) willen we de samenleving ervan bewust maken hoe belangrijk het is veilig deel te nemen aan het verkeer, voor jezelf en de ander.
Daarnaast kan het CBR bij gevaarlijk rijgedrag (zoals snelheidsovertredingen, bumperkleven, door rood rijden) een verplichte cursus opleggen (de Educatieve Maatregel Gedrag) of een onderzoek naar de rijvaardigheid doen (wanneer de politie de betrokkene meldt bij het CBR). Naast preventieve maatregelen wordt overtredend gedrag ook door verkeershandhaving aangepakt. Dit gebeurt met de bekende handhavingsmiddelen, zoals een staandehouding door de politie en de inzet van flitspalen, maar ook met innovatieve handhavingsmiddelen zoals camera’s die risicovolgedrag zoals handheld telefoongebruik kunnen detecteren.
In hoeverre hangt de stijging van het aantal gewonden met circa 8% tussen 2020 en 2021 samen met een (mogelijke) stijging van het aantal vervoerskilometers?
Een eventuele samenhang tussen de ontwikkeling van het aantal gewonden (ernstig verkeersgewonden) in 2020 en 2021 en de ontwikkeling van het aantal vervoerskilometers is nu nog niet vast te stellen. De benodigde data hiervoor is nog niet beschikbaar. De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) kan eind 2022 in de Staat van de Verkeersveiligheid inzicht geven in een mogelijke samenhang tussen deze ontwikkelingen.
Deelt u de zorgen van de politie over het toenemend gebruik van lachgas in het verkeer?
Ja, ik deel de zorgen van de politie over lachgasgebruik in het verkeer en de ingrijpende, en meer dan eens dodelijke, gevolgen die dit gedrag teweegbrengt. Het kabinet zet zich ervoor in om verkeersdeelname onder invloed van alle drugs, en ook specifiek van lachgas, terug te dringen. Die inzet richt zich zowel op preventie als op handhaving. Aan de preventiekant is in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat door TeamAlert een campagne ontwikkeld en uitgerold om lachgasgebruik in te perken onder de doelgroep. De campagne «Rij ballonvrij» is ingezet in 2020, 2021 en zal opnieuw uitgevoerd worden in 2022. Daarnaast zet het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in op preventie en voorlichting omtrent lachgas.2 Aan de kant van handhaving kan opname van lachgas in de Opiumwet – een gezamenlijke inspanning van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport – naar verwachting belangrijke winst opleveren om het gebruik van lachgas in het verkeer aan te pakken. Zoals ook gemeld in de beantwoording van het schriftelijk overleg over het ontwerpbesluit lachgas, is handhaving op rijden onder invloed van lachgas een uitdaging vanwege de bewijsvoering. Het effect van lachgas op de mens is namelijk van zeer korte duur en het gebruik ervan is niet aantoonbaar in bloed, urine, adem of speeksel bij de bestuurder.3 Plaatsing van lachgas op lijst II bij de Opiumwet maakt het mogelijk om ook op het bezit van lachgas te handhaven, bijvoorbeeld op de aanwezigheid van lachgas in de auto.
Bij hoeveel ongelukken per maand zijn gebruikers van lachgas betrokken? Hoeveel gewonden en doden vallen er maandelijks bij ongelukken waar gebruikers van lachgas bij betrokken zijn?
In de systemen van de politie zijn in 2019 101 ongevallen met letsel geregistreerd waarbij sprake was van een vermoeden van het gebruik van lachgas en 17 ongevallen met dodelijke afloop. Omdat lachgas niet aantoonbaar is in bloed, urine, adem of speeksel bij de bestuurder, betreft het incidenten waarbij feiten en omstandigheden, zoals de aanwezigheid van lachgasattributen op of bij de bestuurder, passagier of andere betrokkene zijn aangetroffen. In 2020 en 2021 ging het om 145 en 159 ongevallen met letsel en om 25 en 27 ongevallen met dodelijk afloop.
Wat is er nog voor nodig om het verbod op lachgas uiterlijk per 1 juli 2022 in te kunnen laten gaan?
De regering streeft er naar het verbod zo snel mogelijk in werking te laten treden. Tijdens de voorhangprocedure heeft uw Kamer verzocht geen onomkeerbare stappen te zetten in de voortgang van het Ontwerpbesluit om lachgas op lijst II bij de Opiumwet te plaatsen en de eigenlijke toepassingen van lachgas van het verbod uit te zonderen. Volgens goed gebruik betekent dit dat het traject stilligt in afwachting van de behandeling door uw Kamer. Tijdens de voorhangprocedure is een Verslag schriftelijk overleg aangekondigd. De vragen zijn 29 november 2021 ontvangen en 20 december 2021 vastgesteld.4 Uw Kamer heeft een nader Verslag schriftelijk overleg aangekondigd waarvan de beantwoording nu wordt voorbereid.
Met akkoord van uw Kamer zal het traject spoedig worden vervolgd. Volgens vaste procedure zal het ontwerpbesluit dan worden voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State en worden genotificeerd bij de Europese Commissie waarna over kan worden gegaan tot ondertekening en inwerkingtreding. In afwachting van de beoordeling van uw Kamer en gelet op de te volgen procedure is het echter niet mogelijk het verbod op 1 juli in werking te laten treden.
Welke (tussen)doelen voor wat betreft verkeersveiligheid wilt u op welke wijze binnen bereik brengen met de afspraken en middelen uit het coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst»? Wat zijn uw prioriteiten daarbij?
Op dit moment wordt gewerkt aan de uitvoering van de motie van het lid Geurts om een tussendoelstelling te gaan hanteren om een halvering van aantal verkeersslachtoffers te bewerkstelligen in 2030.5
Hiervoor is in januari jl. een ronde tafel georganiseerd met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Justitie en Veiligheid, wegbeheerders, kennispartners zoals SWOV en CROW en betrokken organisaties op het gebied van verkeersveiligheid zoals Veilig Verkeer Nederland (VVN), TeamAlert en ANWB. Met deze partijen wordt de komende periode geïnventariseerd welke maatregelen nodig zijn om de tussendoelstelling te behalen. De inzet is om deze maatregelen vervolgens ook door te laten rekenen op hun effect op de verkeersveiligheid. De resultaten worden met uw Kamer rond de zomer 2022 gedeeld.
Neemt u het veiliger maken van met name Rijks-N-wegen, zoals beschreven in het stappenplan2 ter uitvoering van de motie Grinwis/Stoffer3, snel ter hand nu in het coalitieakkoord de benodigde € 200 miljoen beschikbaar is gekomen voor het veiliger maken van de Rijks-N-wegen? Welke stappen bent u voornemens wanneer en hoe te zetten teneinde met name de (deels) te onveilig ingerichte N9, N14, N35, N36, N48, N50, N57, N59, N99 en N915 veiliger te maken?
Ja, dit jaar worden de nodige vervolgstappen in gang gezet om op basis van de beschikbare € 200 miljoen aan de slag te gaan met de verbetering van de verkeersveiligheid op de Rijks-N-wegen. Zoals gemeld in de brief van 14 januari jl.8, worden de komende tijd prioriteringsopties voor het verbeteren van de verkeersveiligheid op Rijks-N-wegen nader uitgewerkt. Dit gebeurt in lijn met de uitgangspunten uit het door u genoemde Stappenplan9. Hierbij zijn drie aandachtsgebieden onderscheiden: (1) een veilige en vergevingsgezinde berminrichting; (2) het toepassen van fysieke rijrichtingscheiding en (3) het aanpakken van resterende knelpunten, zoals bijvoorbeeld gevaarlijke gelijkvloerse kruisingen met het onderliggend wegennet. De door u genoemde trajecten zijn daarbij in beeld binnen het aandachtsgebied «toepassen van fysieke rijrichtingscheiding» vanwege bestaande risicocijfers en verwachtte risico’s in de toekomst. Op basis van de uitwerking van prioriteringsopties, vindt besluitvorming plaats over de concrete inzet van de beschikbare € 200 miljoen. Er wordt naar gestreefd om in 2023 te starten met de uitvoering van de eerste maatregelen. U wordt hierover medio dit jaar nader geïnformeerd.
Nederland als belastingparadijs |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Klopt het dat u heeft gezegd dat Nederland geen belastingparadijs is?1
Ja.
Hoe verhoudt dit zich tot het feit dat van ’s-werelds 100 grootste bedrijven er 55 via Nederland belasting ontwijken?2
Klopt het dat het gaat om bedrijven zoals Walmart, Starbucks, Uber, Tesco, Pfizer, Telefonica, Nike, Crocs, Ikea, Apple en Google? Zo nee, om welke bedrijven gaat het dan?
Klopt het dus dat Nederland voor multinationals wel degelijk een belastingparadijs is?
Waarom zouden deze multinationals anders zo extreem oververtegenwoordigd zijn in Nederland?
Ik hecht eraan te benadrukken dat Nederland een sterk ondernemingsklimaat heeft. Het Nederlands ondernemingsklimaat scoort over het algemeen bijvoorbeeld zeer goed in internationale rankings.6 Bedrijven kunnen daarom in Nederland een vestiging hebben voor het uitoefenen van reële economische activiteiten. Het kan ook zijn dat bedrijven zich in Nederland om niet-fiscale redenen vestigen zonder dat hier noodzakelijkerwijs productie- of andere fysieke activiteiten plaatsvinden. In het rapport van de Commissie Doorstroomvennootschappen7 wordt bijvoorbeeld gewezen op de goede juridische infrastructuur, de mogelijkheden om de rechtsvorm van een onderneming flexibel in te vullen en de door Nederland gesloten investeringsbeschermingsovereenkomsten (IBO’s) die ervoor zorgen dat investeerders in Nederland en in het buitenland minder risico lopen.
Klopt het deze 55 bedrijven in hun Nederlandse vennootschappen 774 miljard euro aan bezittingen hebben staan? Zo nee, hoeveel dan? Zo ja, waarom hebben zij hier zo extreem veel bezittingen? Welk doel dient dit?
Er is geen overzicht beschikbaar van de bezittingen van de genoemde 55 bedrijven in hun Nederlandse vennootschappen.
In algemene zin is duidelijk dat de bezittingen van in ieder geval de zogenoemde doorstroomvennootschappen in Nederland zeer omvangrijk zijn. Volgens het rapport van de Commissie Doorstroomvennootschappen8 is de balansomvang van deze vennootschappen meer dan € 4.000 miljard. Het grote bedrag aan buitenlandse investeringen kan met een veelheid van factoren te maken hebben. In dit verband wijst de Commissie Doorstroomvennootschappen op zowel fiscale als niet-fiscale factoren, waaronder het uitgebreide Nederlandse verdragennetwerk, het aantrekkelijke vestigingsklimaat en de onafhankelijke en efficiënte rechtspleging in Nederland. Zie in dit verband ook het laatste deel van het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat deze bedrijven veelal de rechtsvorm van een coöperatie hebben en er over uitgekeerde dividenden geen dividendbelasting of bronbelasting wordt betaald?
In een Kamerbrief uit 2016 is een analyse van de ontwikkeling van het gebruik van de coöperatie als rechtsvorm opgenomen.9 Tot de wetswijziging die houdster coöperaties inhoudingsplichtig maakte werd veelvuldig gebruik gemaakt van een Nederlandse coöperatie in internationale structuren. Van oudsher was de coöperatie niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting.10 Dat gold ook voor coöperaties die niet voor hun oorspronkelijke doel werden gebruikt, maar als houdstercoöperatie werden ingezet in internationale structuren om onder de heffing van dividendbelasting uit te komen. In 2018 is de wetgeving op dit punt aangepast.11 Sindsdien zijn gerechtigden met een kwalificerend lidmaatschapsrecht in een in Nederland gevestigde houdstercoöperatie onderworpen aan de dividendbelasting. Deze houdstercoöperaties zijn dus vanaf 1 januari 2018 inhoudingsplichtige voor de dividendbelasting. Het kabinet onderschrijft nog steeds dit onderscheid in de dividendbelasting tussen houdstercoöperaties en niet-houdstercoöperaties en ziet geen reden om de dividendbelasting op dit punt aan te passen. Uitgangspunt is namelijk (nog steeds) dat het reële coöperatieve bedrijfsleven (zoals bijvoorbeeld zuivelcoöperaties) niet moet worden geraakt.12
Om te voorkomen dat Nederland wordt gebruikt als toegangspoort naar laagbelastende jurisdicties en om het risico van belastingontwijking door het verschuiven van de (Nederlandse) belastinggrondslag naar laagbelastende jurisdicties te verkleinen heeft het vorige kabinet een bronbelasting ingevoerd. Als gevolg daarvan worden stromen vanuit Nederland naar laagbelastende jurisdicties zoveel mogelijk aan banden gelegd. Alle coöperaties zijn onderworpen aan die bronbelasting. De bronbelasting op renten en royalty’s die sinds 2021 wordt geheven en de aanvullende bronbelasting op dividenden – die per 1 januari 2024 in werking treedt – kennen het onderscheid tussen de niet-houdstercoöperaties en houdstercoöperaties dus niet. Elke coöperatie die binnen concernverband een rentebetaling, royaltybetaling of, vanaf 1 januari 2024, een winstuitkering doet aan een lichaam dat is gevestigd in een laagbelastende jurisdictie of in een niet-coöperatieve jurisdictie dient bronbelasting in te houden. Er is dan ook geen reden om de bronbelasting aan te passen.
Deelt u de mening dat deze omissie dient te worden gerepareerd en er wel dividendbelasting of bronbelasting dient te worden betaald?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het tegengaan van brievenbusfirma’s die in Nederland zijn gevestigd met (mede) als doel het ontwijken van belasting?
Het vorige kabinet heeft veel maatregelen genomen die ongewenste doorstroom in Nederland tegengaan. Het kabinet heeft ook op nationaal niveau maatregelen genomen om te voorkomen dat Nederland gebruikt wordt voor doorstroomactiviteiten. Zo heeft het vorige kabinet onder meer een conditionele bronbelasting op renten en royalty’s ingevoerd. Deze bronbelasting zorgt ervoor dat Nederland sinds begin 2021 25% bronbelasting heft op renten en royalty’s vanuit Nederland naar laagbelastende jurisdicties (en in misbruiksituaties). Vanaf 2022 is dit conform de verhoging in de vennootschapsbelasting 25,8%. Het kabinet verwacht dat door deze maatregel ook de rente- en royaltystromen die via doorstroomvennootschappen naar laagbelastende landen stromen nagenoeg zullen verdwijnen. Het CPB onderschrijft deze conclusie13. Bovendien heeft uw Kamer op 30 september jl. het wetsvoorstel Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden aangenomen.14 Door deze wet worden vanaf 2024 ook dividendstromen belast die onder de bestaande wetgeving binnen concernverband onbelast kunnen worden uitgekeerd aan lichamen die zijn gevestigd in laagbelastende jurisdicties. Daarnaast voorkomt de invoering van de Principal Purpose Test (PPT) dat van het uitgebreide Nederlandse verdragennetwerk oneigenlijk gebruik kan worden gemaakt. Als het verkrijgen van verdragsvoordelen een van de voornaamste doelen is van een structuur of transactie, dan voorkomt de PPT dat een verdragspartner van Nederland wordt beperkt in de heffingsbevoegdheid. Ongewenste doorstroomstructuren worden hierdoor beperkt. Het kabinet zal de effecten van de maatregelen tegen belastingontwijking zo goed mogelijk monitoren en hierover aan uw Kamer rapporteren15.
Ook op internationaal niveau worden belangrijke stappen gezet om onwenselijk gebruik van doorstroomvennootschappen tegen te gaan. Naast de herziening van het internationale belastingsysteem (pijler 1 & 2) heeft de Europese Commissie recentelijk een voorstel gepresenteerd om ongewenste doorstroom via doorstroomvennootschappen tegen te gaan. Het kabinet bestudeert dit voorstel en zal binnenkort in de vorm van een BNC-fiche een inhoudelijke reactie geven.
Hoeveel geld stroomt er door Nederland met als doel een eindheffing te vinden in een land met een laag belastingtarief? Klopt het dat tot voor kort een bedrag van 4000 miljard euro in dit kader werd genoemd?
Relevant voor de belastingheffing zijn in dit verband niet de balanstotalen, maar de inkomensstromen, bestaande uit renten, royalty’s en dividenden. Uit het rapport van de Commissie Doorstroomvennootschappen16 blijkt dat in de periode 2015–2019 in totaal jaarlijks circa € 170 miljard door doorstroomvennootschappen in Nederland stroomde. Daarvan stroomde naar schatting € 30 miljard naar laagbelastende jurisdicties. Door de conditionele bronbelasting zal deze laatstgenoemde stroom naar alle waarschijnlijkheid nagenoeg verdwijnen.
Hoeveel belasting is er inmiddels geheven middels de nieuwe wetgeving op bronbelasting op dividenden, royalties en rentes?
Het is op dit moment nog niet bekend hoeveel belasting er is geheven op basis van de Wet bronbelasting 2021. De bronbelasting op renten en royalty’s is op 1 januari 2021 in werking getreden. De aangiften over het jaar 2021 moeten binnen een maand na afloop van dit jaar zijn ingediend. Voor het jaar 2021 moeten de aangiften dus uiterlijk op 31 januari 2022 zijn ingediend bij de Belastingdienst. De bronbelasting op dividenden treedt in werking op 1 januari 2024. Er is om deze reden nog geen bronbelasting op dividenden geheven. Aangezien het doel van de wetgeving is om te voorkomen dat Nederland nog langer als toegangspoort naar laagbelastende jurisdicties wordt gebruikt, is overigens ook de verwachting dat er geen substantiële belasting geheven wordt op basis van deze wetgeving.
Kunt u uitsluiten dat u ooit zelf betrokken was bij het opzetten van of adviseren over een constructie die tot doel had belasting (legaal of illegaal) te ontwijken? Zo nee, waarbij was u precies betrokken? Hoeveel belastinginkomsten is de Staat hierdoor misgelopen?
Ik heb gedurende mijn carrière altijd gepleit voor het belang van maatschappelijke verantwoordelijkheid bij belastingadviseurs. Hierbij heb ik nooit advies gegeven dat ik zowel volgens de letter als de geest van de wet niet kon verantwoorden. Als Staatssecretaris zal ik mij inzetten om het gesprek en concrete acties op thema’s als ethisch handelen van belastingadviseurs en bedrijven verder te brengen. Tegen die achtergrond kan worden gedacht aan een Tax Governance Code.
Kent u de uitdrukking «ik takes a thief to catch a thief»?
Tijdens mijn carrière als belastingadviseur heb ik ervaren hoe de wet kan achterlopen op veranderende maatschappelijke opvattingen. Ik zie het als mijn taak als Staatssecretaris om belastingontwijking en -ontduiking tegen te gaan.
Herkent u zich in deze uitdrukking? Op welke manier kunt u uw fiscale kennis inzetten om belastingontwijking en belastingontduiking tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 13.
Het bericht ‘Aruba: ongevaccineerde ambtenaar krijgt geen loon tijdens verplichte quarantaine’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Aruba: ongevaccineerde ambtenaar krijgt geen loon tijdens verplichte quarantaine»?1
Ja.
Klopt het dat ambtenaren die niet gevaccineerd zijn hun vakantie- of ATV-dagen dan wel hun overuren moeten inzetten als zij verplicht in quarantaine gaan? Is dit een voorgenomen maatregel of is deze maatregel reeds van kracht?
Hoewel er aanvankelijk sprake van leek te zijn dat ongevaccineerde ambtenaren hun vakantie- of ATV, dan wel overuren moesten inzetten als zij in quarantaine zouden moeten, heeft Minister Oduber van Toerisme en Volksgezondheid aangegeven dat het genoemde beleid niet aan de orde is en dat ongevaccineerde ambtenaren worden doorbetaald tijdens hun quarantaineperiode.
Vindt u het ook onacceptabel om ambtenaren in hun basisbehoeften en arbeidsvoorwaarden aan te tasten omdat zij niet gevaccineerd zijn, terwijl zij juist de regels willen naleven en gevaccineerden bovendien ook het virus kunnen verspreiden? Kunt u aangeven hoe deze maatregel juridisch te rechtvaardigen is, gelet op de huidige kennis van (de verspreiding van) het virus?
Het is aan Aruba zelf om mitigerende maatregelen te nemen om COVID-19 te bestrijden, passend binnen de juridische kaders. Er zijn verschillende OMT-adviezen opgesteld om de bestuurders in de Caribische delen van het Koninkrijk te ondersteunen bij het bepalen van deze maatregelen.
Bent u van mening dat het creëren van een dergelijke tweederangs status van ambtenaren niet past binnen de verantwoordelijkheden die de landen van het Koninkrijk hebben en de minimumnormen die zij daarbij in acht moeten nemen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid in contact te treden met de verantwoordelijke bewindslieden van Aruba om hen te bewegen af te zien van deze maatregel? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Mogelijke belangenverstrengeling bij de sluiting van de kinderhartchirurgie in Groningen. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Sluiting kinderhartchirurgie UMCG achterkamertjespolitiek»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Wat is uw reactie op deze beschuldiging van belangenverstrengeling?
Van belangenverstrengeling is geen sprake en ik werp deze beschuldiging verre van mij. De voormalig Minister van VWS heeft op basis van diverse adviezen, rapporten en gevoerde gesprekken het besluit tot deze concentratie genomen. Zo zijn op ambtelijk niveau gesprekken gevoerd met de voorzitters van de Raden van Bestuur van de betrokken universitaire medische centra, de wetenschappelijke verenigingen van zorgprofessionals, namelijk de Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie (NVT), Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK), Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC), Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC), Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (VenVN) en de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NNVA), patiëntenorganisaties en wetenschapsfondsen en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Daarnaast heeft de voormalig Minister van VWS gesproken met de voorzitter en leden van de visiewerkgroep «Zorg voor patiënten met aangeboren hartafwijkingen» (ZPAH) en de voorzitters van de NVK, NVT en de NVVC, de voorzitters van de patiëntenorganisaties en wetenschapsfondsen en de IGJ.
Ik ben op geen enkele manier betrokken bij de inhoudelijke totstandkoming van het besluit van de voormalig Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de concentratie van de zorg voor aangeboren hartafwijkingen, anders dan als gesprekspartner op ambtelijk niveau in mijn functie van voorzitter van de Raad van Bestuur van het Erasmus MC.
Zijn er voor uw aanstelling als Minister op politiek niveau gesprekken gevoerd over de concentratie van zorg en in het bijzonder de concentratie van de kinderhartchirurgie? Zo ja, zijn daar notulen van en wilt u die openbaar maken?
Nee, zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven ben ik op geen enkele manier betrokken bij de inhoudelijke totstandkoming van het besluit van de voormalig Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de concentratie van de zorg voor aangeboren hartafwijkingen, anders dan als gesprekspartner op ambtelijk niveau in mijn functie van voorzitter van de Raad van Bestuur van het Erasmus MC.
Klopt het dat er eerst een plan lag voor het openhouden van drie centra voor kinderhartchirurgie en wel in Leiden/Amsterdam, Rotterdam en Groningen, waar uw eigen handtekening onder staat?
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 aangegeven heeft de voormalig Minister van VWS op basis diverse adviezen, rapporten en gesprekken het besluit tot deze concentratie genomen. Eén van deze documenten betreft een plan op initiatief van het Academisch Centrum voor Aangeboren Hartafwijkingen (ACAHA), het Centrum Aangeboren Hartafwijkingen Amsterdam – Leiden (CAHAL), en het Universitair Medisch Centrum Groningen – Centrum voor Congenitale Hartafwijkingen (UMCG-CCH) voor de toekomst van de congenitale hartzorg binnen Nederland.
De voormalig Minister heeft niet voor dit plan gekozen omdat dit plan niet werd gedragen door alle betrokken universitaire medische centra. Ook voldeed het plan inhoudelijk niet aan de randvoorwaarde voor goede kwaliteit van zorg. Drie centra zullen niet voor patiënten in alle leeftijdscategorieën kunnen voldoen aan de volumenormen uit kwaliteitsrichtlijnen, met name bij de meest kwetsbare groep van de neonaten tot 30 dagen. Dit heeft de inspectie in haar advies ook geconstateerd en op grond daarvan geadviseerd om de interventies te concentreren in twee interventiecentra.
Klopt het dat ten tijde van dit plan het UMC Utrecht niet voldeed aan de kwaliteitscriteria en wat was het standpunt van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hierover?
Dit is niet juist. De inspectie heeft bij de toenmalig Minister bevestigd dat de kwaliteit van de zorg in alle vier de centra goed is, dus ook in UMC Utrecht. Dit blijkt ook uit de kwaliteitsregistraties van de beroepsgroep.
Wat is er in de tussentijd gebeurd dat u van standpunt bent veranderd?
Ook in mijn bestuursfunctie als voorzitter van het Erasmus MC was ik nadrukkelijk voorstander van het concentreren van de hartinterventies bij patiënten met aangeboren hartafwijkingen. Mijn standpunt is hierin niet gewijzigd. Wel heb ik destijds vanuit een andere rol en een andere positie een andere afweging gemaakt over de vraag hoe de concentratie van zorg vorm zou moeten krijgen. In mijn huidige functie als Minister van VWS heb ik een bredere verantwoordelijk om vanuit een landelijk perspectief keuzes te maken over de inrichting van de zorg voor alle inwoners van Nederland. Vanuit dit perspectief ondersteun ik het besluit van mijn ambtsvoorganger om de interventies bij aangeboren hartafwijkingen te concentreren bij twee interventiecentra. Ik ben ervan overtuigd dat dit nodig is om de kwaliteit en de continuïteit van deze hoogcomplexe zorg nu en in de toekomst in Nederland te kunnen waarborgen. Met de huidige spreiding van zorg over vier centra en vijf behandellocaties is dat niet mogelijk. De discussie over verdere concentratie van de interventies bij aangeboren hartafwijkingen kent een lange geschiedenis en loopt al sinds het begin van de jaren ’90.
Er zijn vele adviezen en rapporten geschreven door de Gezondheidsraad, wetenschappelijke commissies en de inspectie. De rode draad in al deze adviezen is dat deze zorg verder geconcentreerd zou moeten worden. In het veld is er een brede consensus dat er een verandering in de inrichting van deze zorg noodzakelijk is. De voormalig Minister van VWS heeft de umc’s meermalen gevraagd met een gezamenlijk gedragen voorstel te komen. Helaas is dit niet gelukt. Het is ook een ingewikkelde vraag, omdat er voor ieder centrum personele, organisatorische en financiële gevolgen aan verbonden zijn voor zowel de organisatie als de zorgprofessionals. Gezien de onrust in het veld en het ontbreken van consensus over het toekomstperspectief, heeft de voormalig Minister van VWS deze afweging gemaakt over de toekomstige organisatie van de hartinterventies in Nederland. Concentratie betekent onherroepelijk dat sommige umc’s deze zorgfunctie in de toekomst niet meer zullen bieden. Ik begrijp dat dit voor alle betrokken zorginstellingen en zorgprofessionals, maar vooral ook voor patiënten en hun families een ingrijpende beslissing is. Een verandering in de organisatie van deze zorg is echter onontkoombaar. Zoals al eerder aangegeven is dit besluit geen eindpunt, maar de start van een fase waarin we met elkaar de kwaliteit van deze zorg naar een hoger plan tillen. Ik zal de partijen hier ondersteuning in bieden waar dat nodig en wenselijk is.
Heeft u de overlevingskansen van jonge drenkelingen meegewogen in uw besluit om de kinderhartchirurgie in Groningen te sluiten?
Voorop staat dat spoedzorg in alle regio’s gewaarborgd moet zijn. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de regio Groningen. De centra die niet zijn aangewezen als interventiecentrum blijven (kinder-)cardiologische zorg bieden en blijven dus beschikbaar voor diagnostiek, controles, onderzoeken, de voor- en nazorg en de spoedopvang.
Wat betreft de overlevingskansen van (jonge) drenkelingen geldt dat dit niet afhankelijk is van de aanwezigheid van kinderhartchirurgie in het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het meest bepalend voor de overlevingskansen is de vroegtijdige reanimatie van de patiënt buiten het ziekenhuis. Er zijn situaties dat een speciale hart-longmachine (extracorporale cardiopulmonale membraanoxygenatie of ECMO) moet worden ingezet. De inzet van een kinderhartchirurg is hierbij niet nodig. Er zijn weliswaar umc’s die de ECMO door een kinderhartchirurg laten aansluiten via het openen van de borstkas, maar in andere centra vindt aansluiting van de machine plaats op de bloedvaten in de hals of in de lies. Deze handeling kan na training door elke kinderchirurg uitgevoerd worden. Wel vraagt het mogelijk een verandering in de huidige werkwijze in de praktijk. Zoals gezegd zijn dit belangrijke aandachtspunten in de transitie.
Vindt u het verantwoord dat met de sluiting van de kinderhartchirurgie in Groningen ook de opgebouwde expertise voor heel Noord-Nederland verdwijnt, aangezien het immers logisch is dat de specialisten naar elders zullen vertrekken?
Ik wil nog eens benadrukken dat het hier alleen gaat om de concentratie van de interventies, oftewel de hartoperaties en hartkatheterisaties. Een groot deel van de zorg kan nog steeds in het eigen ziekenhuis worden geboden.
Het stoppen met interventies hoeft niet te betekenen dat kindercardiologen vertrekken. Het kinderhartcentrum in de regio kan blijven bestaan, maar voert alleen geen hartinterventies meer uit. Kinderen kunnen voor de diagnose, de controles, onderzoeken, de voor- en nazorg en de spoedopvang nog steeds terecht in het kinderhartcentrum in de eigen regio. Patiënten met een aangeboren hartafwijking en hun familie hebben een langdurige en intensieve band met hun kindercardioloog. Die blijft behouden. Enkel voor hartoperaties en katheterisaties (interventies) zullen patiënten soms verder moeten reizen naar centra met kinderhartchirurgie. Als de patiënt na de operatie stabiel is, dan kan vaak het volgende deel van het herstel na de operatie in het eigen ziekenhuis plaatsvinden.
Het bericht 'Aantal startende ondernemers 'nog steeds erg hoog'' |
|
Hülya Kat (D66), Romke de Jong (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Aantal startende ondernemers «nog steeds erg hoog»»?1
Ja.
Klopt het dat ook personen die onder Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP-)bewindvoering, schuldenbewind of curatele staan zich als ondernemer kunnen inschrijven bij de Kamer van Koophandel?
Ja. Iedereen kan in beginsel een onderneming starten en wanneer dit gebeurt, dient de onderneming te worden ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel.
Het is echter niet de bedoeling dat een schuldenaar buiten de bewindvoerder of de rechter-commissaris om als ondernemer start. Een schuldsanering is gericht op liquidatie van het vermogen en vereffening van de schulden en het zonder instemming inschrijven als ondernemer past daar niet bij.
Voor personen die onder beschermingsbewind staan, is het moeilijk om te starten als ondernemer, omdat de bewindvoerder de administratie en het beheer heeft.
Anders dan bij schuldsanering en onderbewindstelling leidt onder curatelestelling tot handelingsonbekwaamheid van de onder curatele gestelde. Voor het verrichten van rechtshandelingen is toestemming nodig van zijn curator. Indien er toch een onderneming wordt gestart zonder toestemming, dan zal de curator de nietigheid inroepen van alle daarop betrekking hebbende rechtshandelingen.
Hoeveel gevallen zijn er bekend van personen die onder WSNP-bewindvoering, schuldenbewind of curatele stonden en zich zonder toestemming van de bewindvoerder inschreven bij de Kamer van Koophandel?
Dergelijke gegevens worden niet bijgehouden, noch voor de schuldsaneringsprocedure, noch voor het beschermingsbewind of de curatele.
Bij de Kamer van Koophandel zijn een paar gevallen bekend waarbij een bewindvoerder melding heeft gedaan van een ondernemer die zich ondanks het bestaan van een onder Wsnp-bewindvoering, beschermingsbewind of ondercuratelestelling heeft ingeschreven.
Op welke wijze controleert de Kamer van Koophandel of personen die zich inschrijven onder WSNP-bewindvoering, schuldenbewind of curatele staat?
Bij een opgave voor een inschrijving controleert de Kamer van Koophandel de bevoegdheid van de aangever en de juistheid van de opgave.
Wanneer de aangever aan de balie zodanig warrig of onsamenhangend overkomt dat er bij de medewerker van de Kamer van Koophandel twijfel ontstaat aan de bevoegdheid tot opgave, zal door de Kamer van Koophandel nader onderzoek worden gedaan. In voorkomende gevallen wordt dan ook het Centraal curatele- en bewindregister gecontroleerd. Indien blijkt dat er sprake is van een Wsnp-bewindvoering, schuldenbewind of een ondercuratelestelling zal de Kamer van Koophandel verzoeken om bewijs van de toestemming van de bewindvoerder of de curator.
De bewindvoerder en de curator zijn verplicht een onder bewindstelling en een onder curatelestelling van een ondernemer ter registratie aan het Handelsregister op te geven.
Als dit niet wordt gecontroleerd, waarom niet?
De Kamer van Koophandel krijgt, mede in verhouding tot het jaarlijks grote aantal inschrijvingen dat in het Handelsregister wordt verwerkt, relatief weinig signalen dat een onderneming zonder medeweten van de curator of bewindvoerder is ingeschreven.
Een controle van het Centraal curatele- en bewindregister (en ook het Centraal Insolventieregister) is ook niet sluitend, omdat niet alle relevante gegevens daarin zijn opgenomen. Zo zijn beschermingsbewinden die voor 1 januari 2014 zijn uitgesproken meestal niet openbaar, tenzij de rechter anders heeft beslist.
Bent u van mening dat personen die onder WSNP-bewindvoering, schuldenbewind of curatele bewind staan extra voorlichting zouden moeten krijgen over de kosten en risico’s die zijn verbonden aan het starten van een onderneming en dat een controle op het Inzage Centraal Curatele- en bewindregister daarom gewenst is?
In een reeds geplande actualisatie van de voorlichting rondom het starten van een bedrijf en schulden zal de Kamer van Koophandel de situatie van personen in een financieel kwetsbare positie, zoals de situatie van een (WSNP-)bewindvoering, schuldenbewind of een ondercuratelestelling meenemen.
Vanuit de context van de desbetreffende regimes (te weten de WSNP, de onder bewindstelling of de onder curatele stelling) worden de desbetreffende personen door de rechter-commissaris, de Wsnp-bewindvoerder, de bewindvoerder of curator al gewezen dan wel geïnformeerd over welke rechten, bevoegdheden en/of verplichtingen ze hebben. Aanvullende maatregelen worden niet noodzakelijk geacht.
Welke voorlichting wordt er momenteel gegeven aan personen die zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel en in hoeverre wordt hierbij bijzondere aandacht besteed aan personen in een financieel kwetsbare positie?
Zie antwoord vraag 6.
Welke mogelijkheden zijn er om de kosten van een inschrijving bij de Kamer van Koophandel kwijt te schelden voor personen in een financieel kwetsbare positie, zoals personen die onder WSNP-bewindvoering, schuldenbewind of curatele bewind staan?
Iemand die in een schuldsaneringsregime zit en zelf kosten maakt voor een inschrijving, gaat gedurende die procedure een nieuwe schuld aan en die zal moeten worden voldaan vanuit het vrij te laten bedrag. De vordering kan namelijk niet ten koste gaan van de boedel die bestaat om de oude (bestaande) schuldeisers uit te voldoen. Het is aan de bewindvoerder om te bepalen of deze nieuwe schuld naar verwachting kan worden afgelost gedurende de looptijd of dat het een bovenmatige schuld is.
Voor een curatele geldt dat dit leidt tot handelingsonbekwaamheid van de onder curatele gestelde. Op grond van artikel 3:32 van het Burgerlijk Wetboek is een rechtshandeling van een onbekwame vernietigbaar. Voor beschermingsbewind geldt dat de bewindvoerder de ongeldigheid van een rechtshandeling, die ondanks het bewind door de onder bewind gestelde is verricht, aan de wederpartij kan tegenwerpen als deze wederpartij het bewind kende of behoorde te kennen.
Hoewel de Handelsregisterregelgeving geen expliciete bepaling kent voor kwijtschelding van gemaakte inschrijfkosten, kan de Kamer van Koophandel bij een Wsnp-traject of (een niet kenbaar) beschermingsbewind, in overleg met de bewindvoerder, bezien wat de mogelijkheden zijn. De Kamer van Koophandel zal in zo’n geval oog hebben voor de menselijke maat.
Mag de Kamer van Koophandel doorverwijzen naar de gemeentelijke schuldhulpverlening als de inschrijvingskosten over een lange periode niet zijn voldaan?
Op dit moment verstrekken schuldeisers betalingsachterstanden met betrekking tot huur, energie, drinkwater en zorgverzekering aan de gemeente. Extra signalen zijn zinvol als daarmee mensen met schulden beter en eerder kunnen worden bereikt door de schuldhulpverlening. Om dat te toetsen heeft de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening een experimenteerbepaling. Op 1 januari 2022 is een aantal gemeenten experimenten gestart met vroegsignalering van hypotheekachterstanden en gemeentelijke belastingschulden.
Betalingsachterstanden van inschrijvingskosten in het Handelsregister vallen thans niet onder deze experimenteerbepaling en de Kamer van Koophandel mag dan ook geen signalen van betalingsachterstanden verstrekken aan de gemeentelijke schuldhulpverlening. De Kamer van Koophandel wijst ondernemers wel op de mogelijkheden van schuldhulpverlening bij de gemeente.
Schuldeisers en gemeenten kunnen voorstellen voor nieuwe experimenten doen. Op voorhand lijkt een experiment met de Kamer van Koophandel niet kansrijk, omdat het om een relatief klein bedrag gaat en een beperkte doelgroep (ondernemers met schulden).
De jaarlijkse bijdrage aan de Kamer van Koophandel is afgeschaft in 2013. De enige vergoeding die een onderneming thans in verband met zijn inschrijving is verschuldigd, is de eenmalige inschrijfvergoeding van € 51,95.
Zo nee, hoe staat u er tegenover dit toe te voegen aan de wet Vroegsignalering gemeentelijke schuldhulpverlening?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden voor het nog in te plannen commissiedebat Armoede en Schulden?
Ja.