Kunt u uiteenzetten wat uw beweegredenen zijn om het als «serieuze optie» te zien de JWF-kazerne in Assen te sluiten?1
Zoals ik in mijn begeleidende brief aangeef is Defensie gestart met een interne verkenning naar een gezonde, toekomstbestendige en duurzame vastgoedportefeuille, langs de lijnen van concentreren, verduurzamen en vernieuwen. Bij deze verkenning neemt Defensie al haar vastgoed in Nederland onder de loep en kijkt daarbij naar verschillende factoren. Voor Drenthe kan het concentreren van ons vastgoed betekenen dat Defensie haar aanwezigheid concentreert in Havelte. Het is mijn streven om de werkgelegenheid in de regio zo veel als mogelijk te behouden. Dit geldt voor alle regio’s waar concentratie mogelijk aan de orde komt.
Bent u ermee bekend dat mogelijk duizenden arbeidsplaatsen direct of indirect verloren kunnen gaan als gevolg van de sluiting en verhuizing?
Defensie heeft op dit moment ongeveer 1.000 arbeidsplaatsen in Assen. Onderdeel van de verkenning is de optie dat Defensie in Drenthe haar vastgoed concentreert in Havelte. De verkenning gaat niet uit van een reductie in arbeidsplaatsen. Zoals hierboven uiteengezet is het mijn streven om in alle regio’s waar concentratie mogelijk zal plaatsvinden, en dus ook in Drenthe, de regionale werkgelegenheid zo veel als mogelijk te behouden.
Wat is volgens u de regionale impact van het sluiten van de JWF-kazerne in Assen?
Bij de uitwerking van het nieuwe strategische vastgoedplan heeft Defensie oog voor de regionale impact. Dat gebeurt enerzijds door te streven naar het behoud van regionale werkgelegenheid. Anderzijds bieden vrijkomende locaties kansen voor maatschappelijke vraagstukken als woningbouw en verduurzaming.
Dit vraagt om een zorgvuldig proces en nauwe afstemming met medeoverheden, op Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau. Ik ben me ervan bewust dat toekomstige keuzes desondanks op regionaal niveau impact kunnen hebben. Dat betekent dat we als kabinet in gesprek gaan met de regionale partners over de opgaven die er liggen en samen kijken hoe we regionale belangen kunnen meenemen in de besluitvorming. Dit om als rijksoverheid aanspreekbaar te zijn op eventuele regionale effecten en mogelijke toekomstige kansen op huidige defensie-locaties.
Bent u van mening dat het sluiten van de JWF-kazerne in strijd is met de prioriteiten van het kabinet Rutte-IV wat betreft de zinsnede: «oog te hebben voor de regionale impact»?2
Nee. In het regeerakkoord staat dat Defensie overbodig vastgoed afstoot en benodigd vastgoed moderniseert en verduurzaamt met oog voor regionale impact. Defensie bevindt zich in de verkenningsfase die wordt uitgevoerd in lijn met deze opdracht. Om de impact voor de regio te onderzoeken heeft Defensie het initiatief genomen om in de verkennende fase te spreken met regionale bestuurders en hen uit te nodigen daarover mee te denken. Zo is er gesproken met de bestuurders in Drenthe en is hen gevraagd met ons mee te denken.
Is het volgens u nog mogelijk de verouderde gebouwen in de kazerne te verduurzamen, zodat de sluiting gestaakt kan worden? Zo nee, waarom niet?
Verduurzaming is een van de factoren die worden bekeken in de verkenning, maar niet de enige, zoals ik ook in mijn begeleidende brief beschrijf. Er spelen verschillende factoren, bijvoorbeeld met betrekking tot de operationele gereedstelling, bedrijfsvoering, werving en behoud van personeel en het financieel in balans brengen van de portefeuille. Alle factoren dienen tegen elkaar te worden afgewogen om tot een integraal, samenhangend nieuw strategisch vastgoedplan te komen.
Bent u van mening dat – in het licht van een eerdere dreiging van sluiting in 2013 – een sluiting van de JWF-kazerne de inwoners van Assen weinig vertrouwen geeft in «behoorlijk bestuur»?
De afstoting van vastgoed vraagt om een zorgvuldig proces en nauwe afstemming met medeoverheden. We verkennen nu de mogelijkheden en zullen daar vroegtijdig – nog voordat er besluiten zijn genomen – over in gesprek gaan met de regio.
Bent u ervan op de hoogte dat de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DVO) van Justitie verrast is dat de kazerne in Assen met sluiting wordt bedreigd?3
De samenwerking met DVO verloopt naar volle tevredenheid. Het is logisch dat de sluiting impact zal hebben op DVO. Defensie zal de DJI en DVO daarom meenemen bij de uitwerking van de verkenning.
Bent u ervan op de hoogte dat de DVO ruim zes miljoen euro heeft geïnvesteerd in de kazerne?
DVO heeft 4,5 miljoen euro geïnvesteerd in de JWF kazerne.
Heeft u het voorgenomen besluit met de DVO overlegd en zijn daaruit signalen ontvangen dat het zowel financieel als qua personeelsbeleid voor de DVO erg ongelegen komt? Zo ja, kunt u uiteenzetten wat er besproken is?
Defensie heeft een contractuele verplichting met DVO tot 2027. Defensie zal de DJI en DVO meenemen bij de uitwerking van de plannen.
Acht u het, gelet op een aantal tussen 2017 en 2020 plaatsgevonden verbouwingen (sportaccommodaties, kantoren en slaapvertrekken) op de JWF-kazerne, onlogisch een kazerne jarenlang te verbouwen, toekomstbestendig te maken om deze vervolgens te sluiten wegens modernisering en verduurzaming van vastgoed?
Defensie heeft de afgelopen jaren overwegend geïnvesteerd in het naleven van wettelijke verplichtingen en veiligheidsmaatregelen. Het vastgoed is hiermee nog niet toekomstbestendig en duurzaam geworden. De hoge en toenemende instandhoudingskosten zijn kenmerkend voor de gehele vastgoedportefeuille, zoals het IBO Vastgoed ook onderkent. Ingrijpender maatregelen zijn daarom noodzakelijk.
Kunt u garanderen dat er met de verhuizing naar Havelte onder de streep geen afname plaatsvindt wat betreft werkgelegenheid? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Door het vastgoed te concentreren, verduurzamen en vernieuwen wil ik het personeel een veilige werkomgeving bieden, een nog aantrekkelijkere werkgever worden en de operationele inzetbaarheid vergroten. Defensie heeft nu veel vacatures die ik graag wil vullen. Bij de uitwerking van de plannen zet ik in op behoud van regionale werkgelegenheid. Defensie werkt ook nog aan de Defensienota waarin zal worden ingegaan op andere transformatieopgaven. Het is daarom te vroeg om aan te geven wat dit allemaal onder de streep voor de regio zal betekenen.
In het geval dat u in de Kamer een meerderheid voor uw voornemen verkrijgt, wat zijn dan op hoofdlijnen de ingrediënten waarmee u Assen gaat compenseren?
Defensie bevindt zich nog in de verkenningsfase van het concentreren, verduurzamen en vernieuwen van het vastgoed en er zijn nog geen besluiten genomen.
Kunt u elke vraag afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Zelfs milieuminister hoeft in Nederland niet elektrisch te rijden’. |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Zelfs een milieuminister hoeft in Nederland niet elektrisch te rijden»1 en «Voor een «groen» kabinet rijdt het nog erg smerig»?2
Ja.
Klopt het dat slechts 2 van de 31 dienstauto’s volledig elektrisch aangedreven zijn?
Dat klopt. Momenteel worden twee bewindspersonen gereden in een zero-emissie dienstauto. Daarnaast worden 20 semi-elektrische (combinatie benzine- en elektromotor) voertuigen ingezet voor het vervoer van bewindslieden.
Klopt het dat de richtlijnen voor het laatst zijn aangescherpt in 2015? Bent u bereid deze drastisch aan te scherpen?
In het Klimaatakkoord heeft de rijksoverheid het doel gesteld dat het civiele wagenpark in 2028 volledig zero-emissie is. Op weg hier naartoe, is een ontwikkeling naar een duurzamer wagenpark in gang gezet. Een steeds groter aantal ministeries voert het «zero-emissie, tenzij» beleid, waardoor in 2021 meer dan de helft van de bestellingen voor nieuwe dienstauto’s zero-emissie was. In de verduurzamingsopgave van het Rijkswagenpark moet wel rekening gehouden worden met lopende contracten voor het wagenpark en doelmatige besteding van middelen. Gelet op het voorgaande zie ik voor het aanscherpen van de richtlijnen op dit moment geen aanleiding.
Kun u zich herinneren dat voormalig Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu Dijksma begin 2016 al aangaf «ik vind dat de overheid het goede voorbeeld moet geven als het om het milieu gaat (...) we hebben afgesproken, ook na het historische akkoord in Parijs, dat we het wagenpark van de overheid gaan vernieuwen daar waar dat kan en zo milieuvriendelijk mogelijk maken en dan moeten we zelf het goede voorbeeld geven»3
Ja. Aan deze afspraak heeft de rijksoverheid verder invulling gegeven in het Klimaatakkoord. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bent u van menig dat dit zes jaar na dato gelukt is? Zo nee, waarom is dit niet gelukt?
Het omschakelen van een fossiel aangedreven wagenpark naar een zero-emissie wagenpark, zoals toegezegd in het Klimaatakkoord, is een omvangrijke operatie. In de verduurzamingsopgave van het Rijkswagenpark moet immers rekening worden gehouden met lopende contracten voor het wagenpark, doelmatige besteding van middelen, het aanleggen van de bijbehorende laadinfrastructuur en de beschikbaarheid van vergelijkbare zero-emissie modellen op de automarkt. Zo is de verduurzaming van bestel- en werkauto’s, zoals 4x4 voertuigen en cellenbussen, op dit moment lastiger dan die van personenauto’s. Het aanbod van de zero-emissie bestel- en werkauto’s is nog zeer beperkt, waardoor een passend alternatief naar verwachting pas later richting 2028 voorhanden zal zijn.
Eind 2021 bestond het civiele wagenpark van de rijksoverheid uit 17 procent (2.330 van de 13.900 personen- en bestelauto’s) zero-emissie voertuigen. Daarbij moet opgemerkt worden dat er eind 2021 nog 1.365 zero-emissie voertuigen in bestelling stonden. Het Ministerie van Defensie (goed voor 45 procent van het Rijkswagenpark) heeft een grote spreiding door Nederland met beperkte mogelijkheden in de infrastructuur. Zoals in het coalitieakkoord benoemd, wordt er rekening gehouden worden met de bijzondere positie van Defensie. Defensie vervangt het civiele wagenpark stapsgewijs met zero-emissie voertuigen. Ongeveer 40 procent van het wagenpark van Defensie wordt ingezet voor operationele taakstelling. Vanwege de eisen waaraan deze voertuigen moeten voldoen, zoals rijden over zwaar begaanbaar terrein, met hoge snelheid lange afstanden afleggen en 24/7 inzetbaar zijn, kunnen deze op korte termijn niet worden vervangen door zero-emissie voertuigen. Wanneer het civiele wagenpark van dit ministerie buiten beschouwing wordt gelaten, dan bedraagt het aandeel zero-emissie voertuigen niet 17 maar 30 procent.
Kunt u zich herinneren dat voormalig Minister Kamp in 2016 zei nog niet over te willen stappen op geheel elektrisch, omdat hij regelmatig grotere afstanden moet rijden? Kunt u aangeven welke rit een bewindspersoon tegenwoordig zou moeten maken die niet te berijden is met de huidige elektrische auto’s?4
Gezien het marktaanbod was dat destijds een begrijpelijke opvatting. Sindsdien is zowel het aanbod van elektrische personenauto’s, als de actieradius van de gemiddelde zero-emissie auto enorm gegroeid. Steeds meer ministeries hanteren inmiddels het «zero-emissie, tenzij» principe bij de aanschaf van nieuwe auto’s.
In de voertuigklasse waarmee bewindspersonen mogen rijden is praktisch elke rit binnen Nederland te berijden met een zero-emissievoertuig. Echter, zoals ook in eerdere beantwoording op vragen uit uw Kamer is aangegeven5, dient de dienstauto van een bewindspersoon naast vervoermiddel ook als werkplek. De voorschriften van de arbeidsomstandighedenwetgeving, zoals die van toepassing zijn op werknemers, gelden ook voor bewindspersonen. Volgens de Arbeidsomstandighedenwet dient iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt, te worden aangemerkt als arbeidsplaats in de zin van die wet. De inrichting van de werkplekken moet zoveel mogelijk aan de persoonlijke eigenschappen van werknemers worden aangepast en worden ingericht volgens ergonomische beginselen. Het aanbod op de markt van zero-emissie auto’s die aan de gewenste inrichting voldoen (zoals voldoende been- en hoofdruimte en een ergonomisch aan te passen zitplek), is op dit moment nog beperkt.
Daarnaast spelen ook de veiligheidsmaatregelen rondom een bewindspersoon een rol bij de keuze van dienstauto. Zo moet onder alle omstandigheden een dienstauto direct weg kunnen rijden van de locatie waar de bewindspersoon zich op dat moment bevindt. Daardoor is een grote batterij met hoge laadsnelheden noodzakelijk. Ook de eventuele toepassing van beveiligingsvoorzieningen (bijvoorbeeld bepantsering) aan auto’s speelt een rol. Deze toepassingen leiden tot een verhoging van het gewicht van de auto. Daardoor is een groter motorvermogen of ander motortype of -aandrijving noodzakelijk om dezelfde prestaties te kunnen leveren.
Waarom kan de ene bewindspersoon wel volledig elektrisch rondgereden worden en de andere niet?
Inmiddels rijden twee bewindspersonen zero-emissie en 20 bewindspersonen semi-elektrisch, dus met een combinatie benzine- en elektromotor. Daar waar 100% zero-emissie wordt gereden, gebeurt dat naar tevredenheid.
Een aantal nieuw aangetreden bewindspersonen heeft aangegeven zero-emissie te willen rijden. In beginsel krijgen bewindspersonen de dienstauto van hun voorganger als het contract daarvan nog niet is verstreken. Ten behoeve van de veiligheid van bewindspersonen in algemene zin kunnen in geval van dreiging en risico veiligheidsmaatregelen worden getroffen. Deze kunnen ook het vervoer van de bewindspersoon betreffen. Veiligheidsmaatregelen kunnen eventueel een belemmering vormen voor zero-emissie rijden. Er kan dan gekozen worden om semi-elektrisch te rijden.
Bent u ermee bekend dat in 2016 al demonstratief werd aangetoond dat ook een lange werkdag met veel reizen voor een bewindspersoon gewoon mogelijk was met een elektrische auto?5
Ja.
Kunt u zich herinneren dat mijn collega Wassenberg (PvdD) in 2019 nog vroeg naar de vergroening van het rijkswagenpark?6
Ja.
Kunt u zich herinneren dat destijds werd aangegeven: «hybride is een tussenstap totdat geschikte elektrische auto’s beschikbaar komen»? Bent u van mening dat er nog altijd geen geschikte elektrische auto’s zijn? Zo nee, waarom rijdt nog niet iedereen elektrisch?
Zie het antwoord op vraag 7.
Kunt u een update geven van het percentage elektrische auto’s in het rijkswagenpark (toen slechts 2%)?
Zie het antwoord op vraag 5.
Is de uitspraak uit 2019 van uw voorganger dat de ontwikkeling naar een duurzamer wagenpark de afgelopen jaren rijksbreed te langzaam is gegaan, dat er nog flinke slagen moeten worden gemaakt, dat de overheid juist het goede voorbeeld wil geven, en dat zij zich hier samen met haar collega’s actief op inzet, uitgevoerd? En zo ja, hoe?
Zoals in voorgenoemde antwoorden toegelicht, is de ontwikkeling naar een duurzamer wagenpark in gang gezet. Het omschakelen van een fossiel aangedreven wagenpark naar een zero-emissie wagenpark, zoals toegezegd in het Klimaatakkoord, is echter een omvangrijke operatie. Zie voorts de antwoorden op vraag 3 en vraag 5.
Bent u tevreden met de voortgang die sindsdien is gemaakt?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wat denkt u dat het doet met het draagvlak onder burgers wanneer blijkt dat de overheid zelf niet kiest voor een duurzamere optie?
Het kabinet zet vol in op verduurzaming en is zich bewust van zijn voorbeeldrol. Zie ook de antwoorden op de vragen 5 en 7.
Zijn uitspraak dat een boostervaccin een 30x lagere kans op een ziekenhuisopname geeft. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met uw uitspraak dat een boostervaccin een 30 keer lagere kans op ziekenhuisopname geeft?1
Ja, daar ben ik mee bekend. Ik heb aangegeven dat deze kans ruim 30 keer lager is op basis van de op dat moment meest actuele cijfers over vaccineffectiviteit. Het RIVM rapporteerde 2 februari jl.2 dat de kans op ziekenhuisopnames na een boostvaccinatie 33 keer kleiner is ten opzichte van niet-gevaccineerd zijn. Deze kans had betrekking op de periode van 1 december 2021 tot en met 25 januari 2022, waarin de meeste opnames werden veroorzaakt door de deltavariant.
Ten opzichte van wie of wat geldt deze 30 keer lagere kans?
De 33 keer kleinere kans om in het ziekenhuis opgenomen te worden als gevolg van COVID-19 na een boostvaccinatie is ten opzichte van mensen die niet gevaccineerd zijn.
Geldt deze 30 keer lagere kans voor een driemaal gevaccineerde ten opzichte van een ongevaccineerde? Zo nee, hoeveel kleiner is deze kans dan?
De 33 keer kleinere kans om in het ziekenhuis te worden opgenomen geldt voor mensen die de basisserie hebben afgerond en een boostvaccin hebben ontvangen. Een basisserie is dosis van de vaccins van AstraZeneca, Moderna of BioNTech/Pfizer, of één dosis van het Janssen-vaccin. Daarom geldt deze ruim 30 keer lagere kans voor mensen die driemaal of tweemaal zijn gevaccineerd. Mensen die via doorgemaakte COVID-19 en één prik hun basisserie hebben afgerond kunnen niet worden onderscheiden in de CIMS-gegevens van mensen die één prik hebben gehad zonder SARS-CoV-2-infectie, omdat in CIMS geen informatie over eerdere infectie is opgenomen.
Geldt deze 30 keer lagere kans voor een driemaal gevaccineerde ten opzichte van een ongevaccineerde die een natuurlijke infectie met corona doormaakte? Zo nee, hoeveel kleiner is deze kans dan?
Van de groep mensen die niet is gevaccineerd, zal een deel als gevolg van een SARS-CoV-2-infectie immuniteit hebben opgebouwd. Het is echter niet mogelijk om op basis van de verrijking van de opnamegegevens van stichting NICE met de vaccinatiegegevens in CIMS een onderscheid te maken tussen ongevaccineerde mensen met een doorgemaakte infectie versus ongevaccineerde mensen zonder doorgemaakte infectie. De ruim 30 keer lagere kans is dus ten opzichte van ongevaccineerden met zowel doorgemaakte COVID als zonder doorgemaakte COVID.
Geldt deze 30 keer lagere kans voor een driemaal gevaccineerde ten opzichte van een tweemaal gevaccineerde? Zo nee, hoeveel kleiner is deze kans dan?
Het RIVM rapporteerde op 2 februari jl. dat de kans om in het ziekenhuis opgenomen te worden in de periode van 1 december 2021 tot en met 25 januari 2022 vijf keer kleiner was voor mensen die een boostvaccinatie hadden ontvangen, dan voor mensen die wel de basisserie hadden afgerond maar geen boostvaccinatie hadden ontvangen. In deze periode werden de meeste opnames veroorzaakt door de deltavariant.
Als dit geldt voor een driemaal gevaccineerde ten opzichte van een ongevaccineerde, dan is deze generaliserende uitspraak toch niet proportioneel als meer dan 86 procent van de volwassen Nederlanders tweemaal gevaccineerd is?
In de analyse van het RIVM naar de vaccineffectiviteit tegen ziekenhuis- en IC-opname, worden zowel ongevaccineerde mensen als mensen die hun basisserie hebben afgerond maar geen boostvaccinatie hebben ontvangen als referentiegroep gebruikt. De verminderde kans ten opzichte van mensen die niet zijn gevaccineerd geeft met name een beeld van de kans op individueel niveau om te worden opgenomen. Het is geen graadmeter voor de impact op populatieniveau.
Het klopt toch dat niet voor alle leeftijdsgroepen een 30 keer lagere kans op ziekenhuisopname geldt?
De ruim 30 keer lagere kans op ziekenhuisopname is voor de gehele populatie, rekening houdend met het aantal personen in een leeftijdsgroep. In de analyses van het RIVM naar vaccineffectiviteit tegen ziekenhuis- en IC-opname worden ook schattingen per leeftijdsgroep gegeven. Zie mijn antwoorden op vragen 8 en 9.
Kunt u alstublieft in een tabel de verminderde kans op ziekenhuisopname voor verschillende leeftijdsgroepen geven, te weten voor de leeftijdscategorieën 12–49 jaar, 50–69 jaar, en boven de 70 jaar?
Onderstaande tabel geeft de verminderde kans op ziekenhuisopname weer voor respectievelijk mensen met een afgeronde basisserie en mensen die een boostvaccinatie hebben ontvangen ten opzichte van ongevaccineerden in de periode 11 juli 2021 tot en met 25 januari 2022.
Leeftijd
Basisserie afgerond
Boostvaccinatie ontvangen
12–49
12,5 keer kleinere kans
16,7 keer kleinere kans
50–69
10,0 keer kleinere kans
50,0 keer kleinere kans
70+
4,5 keer kleinere kans
25,0 keer kleinere kans
Onderstaande tabel geeft de verminderde kans op ziekenhuisopname weer voor respectievelijk mensen met een afgeronde basisserie en mensen die een boostvaccinatie hebben ontvangen ten opzichte van ongevaccineerden in de periode 1 december 2021 tot en met 25 januari 2022. Het RIVM geeft aan deze data alleen voor de leeftijdsgroepen 12–69 en 70+ te hebben in verband met de herleidbaarheid van deze privacygevoelige gegevens.
Leeftijd
Basisserie afgerond
Boostvaccinatie ontvangen
12–69
7,7 keer kleinere kans
50 keer kleinere kans
70+
3,8 keer kleinere kans
20 keer kleinere kans
Kunt u in een tabel ook een onderverdeling geven tussen ongevaccineerden, tweemaal gevaccineerden en driemaal gevaccineerden?
Het is niet mogelijk om op één gegeven peildatum de verdeling per vaccinatiestatus te bepalen in Nederland en deze vervolgens te betrekken op een periode zoals ook in vraag 8 is geformuleerd. De onderverdeling aan de start van deze periode verschilt ten opzichte van de verdeling aan het einde. Een vergelijking maken tussen incidentie over de hele periode en de verdeling op één peildatum zou derhalve scheef zijn. Bij de berekening van de vaccineffectiviteit wordt daarom per dag de vaccinatiestatus bepaald.
Kunt u in een tabel ook een onderverdeling geven tussen ziekenhuisopname en ic-opname voor ongevaccineerden, tweemaal gevaccineerden en driemaal gevaccineerden?
In het rapport van het RIVM van 2 februari jl. wordt onderstaande tabel getoond, met daarin de onderverdeling tussen ziekenhuis- en IC-opnames voor niet gevaccineerde mensen, mensen die de basisserie hebben afgerond en mensen die een boostvaccinatie hebben ontvangen.
Wordt er in deze berekening gerekend met een lagere kans op transmissie van het virus door tweemaal gevaccineerden ten opzichte van ongevaccineerden? Zo ja, waarom?
Nee. De berekeningen zoals in het rapport over vaccineffectiviteit van het RIVM zijn specifiek gericht op de effectiviteit tegen ziekenhuis- en IC-opnames. De vaccinatiegraad van mensen die zijn opgenomen wegens COVID-19 wordt vergeleken met de vaccinatiegraad in de bevolking.
Wordt er in deze berekening gerekend met een lagere kans op transmissie van het virus door driemaal gevaccineerden ten opzichte van tweemaal gevaccineerden? Zo ja, waarom?
Nee. De berekeningen zoals in het rapport over vaccineffectiviteit van het RIVM zijn specifiek gericht op de effectiviteit tegen ziekenhuis- en IC-opnames. De boostvaccinatiegraad van mensen die zijn opgenomen wegens COVID-19 wordt vergeleken met de boostvaccinatiegraad in de bevolking.
Het bericht dat universiteiten een maximum willen op het aantal internationale studenten vanwege overvolle collegezalen en overwerkte docenten |
|
Jasper van Dijk |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Universiteiten willen maximum op internationale studenten tegen overvolle collegezalen en overwerkte docenten»?1
Signalen rondom capaciteitsbeperkingen bij een aantal instellingen, en opleidingen, zijn mij bekend. Ook in hun brief (9 februari 2021)2 heeft UNL aangegeven dat instellingen naast het inrichten van een internationale onderwijsomgeving eveneens inspanningen leveren voor het beheersbaar maken van de internationale instroom. Hierbij wordt aangegeven dat instellingen graag de mogelijkheid krijgen voor het instellen van een capaciteitsfixus op een anderstalig traject binnen een opleiding.
Ik verwijs u daarnaast graag naar de brief die ik heb toegezegd tijdens het commissiedebat internationalisering en kennisveiligheid op 9 februari 2022 en die ik binnenkort naar uw Kamer zal sturen. In deze brief geef ik een reactie op het onderwerp internationale instroom en het wetsvoorstel taal en toegankelijkheid.
Bent u het met het bestuur van de Universiteit van Amsterdam eens dat universiteiten de hoeveelheid internationale studenten niet meer aan kunnen en daardoor uit hun voegen barsten?
Het aantal internationale studenten varieert sterk per instelling, en meer in het bijzonder per opleiding. Het is aan de instelling om aan te geven of er sprake van een dreigend of een bestaand capaciteitsgebrek is. Op stelselniveau is er momenteel geen sprake van ontoereikende capaciteit.
Erkent u dat dit probleem al jaren speelt (zie mijn Kamervragen uit 2011) en dat het tijd wordt om «internationalisering» als geloofsartikel te schrappen?2
Ik verwijs u hiervoor graag naar de brief die ik heb toegezegd tijdens het commissiedebat internationalisering en kennisveiligheid op 9 februari 2022 en die ik binnenkort naar uw Kamer zal sturen. In deze brief geef ik een reactie op het onderwerp internationale instroom en het wetsvoorstel taal en toegankelijkheid.
Welke maatregelen gaat u nemen om de instroom van internationale studenten beheersbaar te maken?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de wijze waarop universiteiten bekostigd worden (hoe meer studenten, hoe meer financiering) een perverse prikkel is? Zo nee, waarom niet?
Universiteiten worden deels bekostigd op basis van studentenaantallen (inschrijvingen en diploma’s) en deels op basis van vaste bedragen. Beide elementen zijn van belang. Bekostiging op basis van studentenaantallen motiveert instellingen om een aantrekkelijk aanbod neer te zetten voor studenten en hen naar een diploma te leiden en zorgt ervoor dat de totale Rijksbijdrage van een universiteit meebeweegt met studentenaantallen. Vaste bekostiging geeft universiteiten zekerheid en stabiliteit die bijvoorbeeld van belang is bij het doen van lange termijn investeringen. De balans tussen vaste en variabele financiering is van belang en heeft mijn aandacht.
In 2020 zijn reeds belangrijke stappen gezet richting meer vaste en minder variabele bekostiging.4 Tevens is in het Coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst» opgenomen dat het Kabinet de voorspelbaarheid van de bekostiging vergroot door het weghalen van de perverse prikkel op hogere instroom, de vaste voet te herzien en te verhogen, en door een betere balans tussen de eerste en tweede geldstroom.
Ik ben op dit moment bezig met de uitwerking van de plannen voor de extra middelen uit het coalitieakkoord. Ook hierbij zal ik aandacht hebben voor de verhouding tussen vaste en variabele bekostiging.
Bent u bereid het aantal Engelstalige opleidingen drastisch te verminderen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u hiervoor graag naar de brief die ik heb toegezegd tijdens het commissiedebat internationalisering en kennisveiligheid op 9 februari 2022 en die ik binnenkort naar uw Kamer zal sturen. In deze brief geef ik een reactie op het onderwerp internationale instroom en het wetsvoorstel taal en toegankelijkheid.
Wanneer wordt de Wet Taal en Toegankelijkheid in de Eerste Kamer behandeld?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘The Rights Forum legt absurde eis op tafel’. |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «The Rights Forum legt absurde eis op tafel»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat Nederlandse organisaties en hun medewerkers die zich richten op de bestrijding van antisemitisme onderdeel zijn van een verzoek met het oog op de aan Israël toegeschreven «stelselmatige onderdrukking, discriminatie, onteigening en uitsluiting van Palestijnen»? Onderkent u dat deze handelwijze kan kwalificeren als antisemitisme volgens de internationaal aanvaarde werkdefinitie van antisemitisme?2
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat er in de Nederlandse samenleving nooit enige ruimte mag zijn voor verwerpelijke zaken zoals antisemitisme. De vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid beschouwt het kabinet als essentiële onderdelen van de democratische rechtsstaat; daarom is het belangrijk dat universiteiten en academici hun ideeën en inzichten ongehinderd kunnen uitwisselen. In algemene zin begrijpt het kabinet de zorgen die Israëlische en Joodse organisaties alsook academici en de Nederlandse universiteiten hebben bij een dergelijk informatieverzoek.
Uiteraard heeft de stichting The Rights Forum het recht om bij een bestuursorgaan een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) in te dienen. Transparantie bij de uitvoering van publieke taken wordt ook gezien als een essentieel onderdeel van de democratische rechtsstaat. Het is aan het instellingsbestuur van de universiteit dit verzoek langs de lijnen van de wet verder te behandelen. Hiervoor verwijs ik u naar de reeds afgegeven verklaring van 21 februari jl. vanuit de vereniging Universiteiten van Nederland. De werkdefinitie van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) en bijbehorende indicatoren kunnen helpen om alert te zijn op feiten en omstandigheden die een indicatie kunnen vormen van antisemitisme.
Kunt u zich voorstellen dat medewerkers van de instellingen en de organisaties die in het verzoek genoemd worden zich onveilig voelen door de aard en inhoud van dergelijke Wob-verzoeken? Welke mogelijkheden hebben instellingen om de veiligheid en privacy van medewerkers en derden te beschermen in hun reactie op Wob-verzoeken?
Ik kan mij voorstellen dat de behandeling en verspreiding van het informatieverzoek binnen de universiteiten heeft geleid tot gevoelens van onrust en onveiligheid. Een zorgvuldige beoordeling van het verzoek door de universiteiten is dan ook nodig. De Woo kent verschillende gronden om informatie niet te openbaren. Een voorbeeld hiervan is de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 5.1, tweede lid, onderdeel e, Woo) om de privacy van betrokkenen te waarborgen. Het is aan het betreffende bestuursorgaan om te beoordelen of in deze concrete casus sprake is van deze en/of andere uitzonderingsgronden.
Welke verantwoordelijkheid ziet u zelf om instellingen te ondersteunen in het zoveel mogelijk tegengaan van antisemitisme en onveiligheid als gevolg van Wob-verzoeken? Ben u bereid hierover in gesprek te gaan met de koepelorganisaties van de instellingen?
Er is contact tussen het Ministerie van OCW en de Universiteiten van Nederland over het informatieverzoek. De universiteiten zijn bekend met de gronden die de Woo kent om informatie niet openbaar te maken.
Kunt u aangeven welke mogelijkheden een instelling heeft om informatie te weigeren voor zover daarmee uitwerking gegeven zou worden aan laakbare of zelfs strafbare gedragingen, zoals antisemitisme? Bent u bereid de instellingen hiervan op de hoogte te stellen?
Een Woo-verzoeker hoeft geen belang te stellen voor het verzoek om informatie en de Woo stelt ook geen grenzen aan de onderwerpen waarover informatie mag worden gevraagd, anders dan dat het moet gaan om publieke informatie neergelegd in documenten. Wel moet de informatie, zoals ook aangegeven bij de beantwoording op de vragen 3 en 4, beoordeeld worden aan de hand van de verschillende uitzonderingsgronden die in de Woo zijn opgenomen ter bescherming van andere belangen. De universiteiten zijn hiervan op de hoogte.
Vindt u het ook wenselijk om instellingen zoveel mogelijk te beschermen tegen de administratieve lasten van Wob-verzoeken die niet primair te maken hebben met de taak van de instelling, in dit geval informatie die valt buiten de banden met Israëlische universiteiten, instituties en bedrijven? In hoeverre biedt artikel 3, vierde lid, van de Wet openbaarheid van bestuur grond om algemene verzoeken van lobbyorganisaties die buiten de taak van de instelling vallen nader af te bakenen en in hoeverre is in zulke situaties sprake van een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de Wob?
Het behandelen van een verzoek om informatie op basis van de Woo valt binnen de reguliere, publieke taak van een universiteit. Op basis van een ontvangen verzoek verzamelt een universiteit de bij haar berustende informatie voor zover die betrekking heeft op publieke informatie neergelegd in documenten. Het gaat dan om documenten over het beleid van de universiteit als bestuursorgaan en de voorbereiding en uitvoering daarvan. Documenten die louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen en geen betrekking hebben op de bestuursvoering van de universiteit, vallen hier niet onder3. Artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo bepaalt echter wel dat wanneer een Woo-verzoek te algemeen is geformuleerd, dat de verzoeker dan kan worden gevraagd het verzoek nader te specificeren. Of een dergelijke situatie zich voordoet is ter beoordeling van het bestuursorgaan dat het Woo-verzoek ontvangt.
Het bericht dat de noodklok wordt geluid door het gevaar op N-wegen. |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Noodklok om gevaar N-wegen: «Klein foutje direct fataal»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Het bericht maakt duidelijk welk menselijk leed er schuilgaat achter verkeersveiligheidscijfers. Het doet eveneens suggesties om de verkeersveiligheid op N-wegen te verbeteren. Verkeersveiligheid is een van de prioriteiten voor deze Kabinetsperiode en er zijn middelen beschikbaar om aan de slag te gaan met N-wegen. Daartoe wordt geïnvesteerd in N-wegen die in beheer zijn van het Rijk. Hiervoor is de komende jaren € 200 miljoen beschikbaar. Voor N-wegen in beheer van provincies zijn betreffende wegbeheerders primair aan zet. Vanuit de rijksoverheid wordt het verbeteren van verkeersveiligheid op provinciale N-wegen op verschillende manieren gestimuleerd, bijvoorbeeld via cofinanciering. Hierop wordt in de beantwoording van vraag 4 nader ingegaan.
Klopt het dat 25% van de dodelijke verkeersongelukken plaatsvindt op N-wegen, terwijl slechts 7.813 km van de 140.000 km wegen een N-weg is?
Nee, dit klopt niet. De getalswaarden van de genoemde cijfers worden weliswaar herkend in externe bronnen, maar dan voor andere categorieën dan de in de vraag genoemde. De SWOV noemt een aandeel van 25% voor verkeersdoden op provinciale wegen in het Bestand geRegistreerde Ongevallen in Nederland (BRON) in 20202. Het aantal en aandeel verkeersdoden is echter niet gelijk aan het aantal en aandeel dodelijke verkeersongelukken; bij een dodelijk verkeersongeval kunnen immers één of meerdere verkeersdoden vallen. Daarnaast zijn niet alle N-wegen provinciale wegen en niet alle provinciale wegen zijn N-wegen. Het aantal van 7.813 km wordt door CBS gepubliceerd als de weglengte van rijbanen in beheer van de provincie in 20193. De totale lengte van de daar weergegeven rijbanen is echter niet gelijk aan de totale weglengte van provinciale wegen, omdat door het CBS bij de rijbanen de fiets- en voetpaden uitgezonderd zijn.
Daarbij zijn deze cijfers over verkeersdoden en weglengte ook met gewijzigde omschrijvingen (provinciale wegen in plaats van N-wegenen verkeersdoden in plaats van dodelijke verkeersongelukken) niet goed met elkaar te vergelijken. Dit komt omdat bij de cijfers in BRON ook slachtoffers op fiets- en voetpaden zijn opgenomen, terwijl deze wegen niet zijn opgenomen in de genoemde weglengte (7.813 km) die betrekking heeft op uitsluitend provinciale rijbanen.
Het aantal slachtoffers en de weglengte op N-wegen ziet op wegen van alle soorten wegbeheerders in Nederland. In beginsel zijn wegbeheerders primair zelf verantwoordelijk voor rapportages over ongevallen op de wegen in hun beheer. Het Rijk publiceert jaarlijks rapportages over de verkeersongevallen op al haar wegen, waaronder de Rijks-N-wegen in onder andere de monitor Veilig over Rijkswegen4 en de jaarlijkse dieptestudie naar dodelijke verkeersongevallen op Rijkswegen door de SWOV5. Het precieze aantal en aandeel dodelijke verkeersongevallen en verkeersdoden op alle N-wegen van de verschillende wegbeheerders zal worden meegenomen in het benodigde onderzoek voor de uitwerking van de motie-Madlener6. In deze motie is namelijk verzocht om een overzicht in het MIRT op te nemen van de top tien N-wegen waar de meeste ongevallen plaatsvinden. Dat geldt eveneens voor het gevraagde overzicht in vraag 9.
Wat is uw reactie op het plan van Veilig Verkeer Nederland voor het veiliger maken van N-wegen?
Het is goed dat VVN in de media aandacht vraagt voor de verkeersveiligheid van N-wegen. VVN geeft aan nog te werken aan het genoemde plan.
Voor de verkeersveiligheid van N-wegen in beheer van provincies zijn de betreffende wegbeheerders primair verantwoordelijk. Het verkeersveiliger maken van provinciale N-wegen wordt vanuit de rijksoverheid op verschillende manieren gestimuleerd. Zo is er € 25 miljoen beschikbaar gesteld om te investeren in bermmaatregelen op provinciale N-wegen (25% cofinanciering van het Rijk). Hiermee zijn ongeveer 750 km aan bermen van provinciale N-wegen verkeersveiliger gemaakt. Daarnaast kunnen provincies – naast gemeenten en waterschappen – ook een beroep doen op de investeringsimpuls verkeersveiligheid. In de 1e tranche in 2020 ad € 165 miljoen is circa € 38,5 miljoen gegaan naar 80 km/u en 100 km/u wegen. Op dit moment wordt gewerkt aan de opzet van de tweede tranche van de investeringsimpuls verkeersveiligheid. De tweede tranche van de investeringsimpuls verkeersveiligheid komt dit jaar beschikbaar. Ook dan kunnen medeoverheden een rijksbijdrage (op basis van cofinanciering) aanvragen voor maatregelen die N-wegen verkeersveiliger maken.
Naast de € 25 miljoen die beschikbaar is gesteld om te investeren in bermmaatregelen op provinciale N-wegen, wordt ook € 25 miljoen geïnvesteerd in bermmaatregelen op Rijks-N-wegen. Hier wordt in de beantwoording van vraag 6 nader op ingegaan. Voor de komende jaren is daar bovenop € 200 miljoen beschikbaar gesteld voor het verder verbeteren van de verkeersveiligheid op Rijks-N-wegen. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld7, worden de komende tijd prioriteringsopties nader uitgewerkt, waarna besluitvorming plaatsvindt over de concrete inzet van de beschikbare € 200 miljoen. U wordt hierover medio dit jaar nader geïnformeerd.
Herinnert u zich de brief Verkeersveiligheid Rijks-N-wegen?2
Ja, hiervan heb ik kennisgenomen.
Wat is de stand van zaken van het veiliger maken van de genoemde N-wegen die een verhoogd risico op verkeersongelukken hebben: N7, N14, N31, N33, N35, N36 en N48?
Op de genoemde wegen wordt gewerkt aan het veiliger maken van de berminrichting, op basis van de € 25 miljoen die het vorige Kabinet voor Rijks-N-wegen beschikbaar heeft gesteld. Voor iedere N-weg en iedere locatie is dat maatwerk. In de meeste gevallen worden onveilige obstakels verwijderd. Waar dat nodig of gewenst is (zoals bij monumentale bomen) wordt als dat mogelijk is een afscherming aangebracht. De uitvoering van de maatregelen is ondergebracht in bestaande onderhoudscontracten en onderhoudswerken die bij Rijkswaterstaat al liepen. Dit bespaart kosten, is efficiënter en leidt tot de minste hinder voor het verkeer. De realisatie van de eerste bermmaatregelen is dit jaar gestart en loopt door tot het jaar 2024. De werkzaamheden op de wegen N36 en N7 zullen nog dit jaar worden afgerond. In 2023 volgt het werk aan de N33. In 2024 volgt het werk aan de N14, N31, N35 en N48.
Kunt u een overzicht sturen van het aantal verkeersongelukken en verkeersdoden per genoemde N-weg?
Hieronder treft u de gevraagde overzichten voor de genoemde Rijks-N-wegen voor de periode 2015–2020. Deze selectie is tot stand gekomen door koppeling van BRON aan het Nationaal Wegen Bestand (NWB).
Welke maatregelen worden er genomen voor het veiliger maken van de genoemde N-wegen? In hoeverre wordt er voor de genoemde N-wegen ingezet op het verbreden van de rijbanen, het scheiden van de rijbanen, het aanbrengen van middengeleiders, het verharden en het verbreden van bermen en het weghalen van bomen in bochten?
Zoals in de beantwoording van vraag 6 aangegeven, worden betreffende N-wegen op basis van de door het vorige Kabinet beschikbaar gestelde € 25 miljoen aangepakt door het verbeteren van de bermveiligheid. Eventuele aanvullende maatregelen op deze wegen zijn afhankelijk van besluitvorming over de inzet van de € 200 miljoen die door het huidige Kabinet beschikbaar gesteld voor het verder verbeteren van de verkeersveiligheid op Rijks-N-wegen. U wordt hierover medio dit jaar nader geïnformeerd.
Kunt u een overzicht sturen van het aantal verkeersongelukken en verkeersdoden op N-wegen per provincie?
Zie het antwoord op vraag 3.
Welke afspraken worden er gemaakt met provincies voor het nemen van maatregelen om N-wegen veiliger te maken?
Zie het antwoord op vraag 4.
Welke publieke campagnes lopen er nu om menselijke fouten in het verkeer op N-wegen te verminderen? In hoeverre zijn deze campagnes succevol? In hoeverre zorgen deze campagnes voor een vermindering van het aantal verkeersongelukken?
De campagne «N36=»9 wordt momenteel uitgevoerd door Rijkswaterstaat. De gedragscampagne is samen met de provincie Overijssel, de gemeenten Almelo, Wierden, Twenterand, Hardenberg, Ommen en de politie Oost-Nederland tot stand gekomen. De campagne is gericht op de gewenste gedragingen, zoals: voldoende afstand houden, aandacht en ogen op de weg houden, elkaar de ruimte geven en rekening houden met elkaar.
De campagne zet in op het verhogen van het bewustzijn van de weggebruiker over het gewenste gedrag en beoogt daarmee een verbetering in het weggedrag. Gedurende de looptijd van de campagne worden de ervaringen en beleving van weggebruikers gemonitord door vragenlijstonderzoeken. In de evaluatie wordt het effect van de gedragscampagne in beeld gebracht.
Daarnaast zijn er de landelijke campagnes zoals BOB, MONO en Hou je aan de Snelheid. In welke mate deze voor minder ongevallen zorgen is niet meetbaar, maar ze zorgen wel voor bewustzijn, normstelling en bieden draagvlak voor anders interventies, zoals handhaving, interventies op scholen of bij werkgevers. Deze campagnes worden jaarlijks geëvalueerd en bijgesteld om de effectiviteit zo groot mogelijk te maken. Ook worden deze campagnes uitgedragen door partners zoals Veilig Verkeer Nederland, TeamAlert, ANWB, provincies en gemeenten. Daarbij worden uitingen ook op het onderliggend weggennet geplaatst. Ook wordt er tijdens deze campagnes gehandhaafd door de politie.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de provincies om provinciale afspraken te maken voor het veiliger maken van N-wegen?
Ik ben in gesprek met medeoverheden waaronder provincies over de implementatie van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid. Een van de afspraken is onder meer dat medeoverheden risicoanalyses en uitvoeringsagenda’s opstellen om de grootste risico’s op het eigen wegennet aan te pakken. Alle provincies beschikken inmiddels over deze plannen.
Herinnert u zich de beantwoording op de Kamervragen over de verkeersveiligheid op de N36?3
Ja, hiervan heb ik kennisgenomen.
In hoeverre heeft u sindsdien gewerkt aan het gelijk en breder maken van de baanbreedte op de N36?
Rijkswaterstaat heeft tussen 2015 en 2018 verschillende werkzaamheden uitgevoerd om de veiligheid op de weg te verbeteren. Zo is de rijbaan over een lengte van 16 kilometer verbreed. Er zijn over de hele N36 ribbelmarkering, reflectoren en hectometerborden met snelheidsaanduiding aangebracht. In 2022 worden op het gedeelte tussen Mariënberg – Witte Paal de bermen veilig ingericht en later in 2022 zijn er werkzaamheden om extra uitwijkruimte (redresseerruimte) te creëren. Op die manier geraken weggebruikers minder snel in de buitenberm en maken daardoor minder abrupte stuurbewegingen. In totaal is € 10 miljoen uitgetrokken voor veilige bermen langs de N36.
Welke inpassingsvraagstukken moet u hiervoor nog oplossen? Welke maatregelen neemt u om deze inpassingsvraagstukken op te lossen?
Er is geen inpassingvraagstuk bij het creëren van extra uitwijkruimte aan de buitenbermzijde zoals nu is gepland op het gedeelte tussen Mariënberg – Witte Paal. Verbreding van de middenstrook (as) van de weg is niet mogelijk zonder diverse kunstwerken over de N36 de verbreden of te vervangen. Om deze reden is er eerder over de hele N36 ribbelmarkering aangebracht. Deze markering geeft een waarschuwing als auto’s met de banden over de markering rijden en naast de rijstrook dreigen te komen.
Deelt u de mening dat een wisselend rijwegprofiel op de N36 een verhoogd risico op verkeersongelukken geeft?
Na aanpassing van het gedeelte Mariënberg – Witte Paal is enkel op het deel tussen Aadorp en Almelo-Noord de redresseerstrook smaller. Daarmee is na afronding van betreffende werkzaamheden geen sprake meer van een sterk wisselend wegprofiel. Wel vragen de weg en het verkeer veel aandacht van de weggebruikers zelf. Door de snelheidsverschillen tussen het vele vracht- en personenverkeer en door weinig inhaalmogelijkheden, zijn er bijvoorbeeld situaties waarin automobilisten lang achter dezelfde vrachtwagen rijden. Het gedrag van weggebruikers speelt een grote rol in de verkeersveiligheid op de Nederlandse wegen. Daarom is Rijkswaterstaat samen met regionale partners de campagne «N36=» gestart om het weggedrag positief te beïnvloeden, zoals reeds benoemd onder de beantwoording van vraag 11.
Het bericht dat het onderzoek naar fraude bij de landsadvocaat onvolledig en niet onafhankelijk genoeg was. |
|
Pieter Omtzigt (Omtzigt), Michiel van Nispen |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
Heeft u kennisgenomen van de conclusies van het College van Toezicht Advocatuur (CvT) inzake het onderzoek dat door de deken is uitgevoerd naar de fraude bij het kantoor van de landsadvocaat; namelijk dat dit onderzoek onvolledig en onvoldoende onafhankelijk was?1
Ja, ik heb hiervan kennis genomen.
Bent u geschrokken van de conclusies van het CvT, dat stelt dat de effectiviteit en professionaliteit van het toezicht tekortschieten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit toezicht zo snel mogelijk te verbeteren?
Het CvT fungeert als systeemtoezichthouder als blik van buiten de advocatuur. Het is de taak van het CvT om te onderzoeken hoe het toezicht op advocaten functioneert. De conclusies van het CvT hebben betrekking op het functioneren van het toezicht op de advocatuurlijke tak van Pels Rijcken.2 Er ligt een kritisch rapport met conclusies en aanbevelingen. Gelet op de onafhankelijkheid van de advocatuur en het toezicht daarop ben ik terughoudend met het reageren op een individuele casus, zo ook deze.
Voor wat betreft mijn visie in zijn algemeenheid op het toezicht op de advocatuur, het volgende. In 2020 is het toezicht op de advocatuur geëvalueerd.3 Op 29 oktober 2021 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd over de opvolging van de aanbevelingen uit het evaluatierapport.4 Uitgangspunt daarbij is dat het toezicht binnen de advocatuur wordt versterkt door de oprichting van één landelijke toezichthouder op alle advocaten. Deze landelijke toezichthouder moet daarbij onder meer beschikken over adequate bevoegdheden en adequate landelijke ondersteuning. Consequentie daarvan is dat de 11 lokale dekens niet meer eindverantwoordelijk zullen zijn voor het toezicht in het eigen arrondissement, maar ook dat de ondersteuning van het toezicht niet meer lokaal zal plaatsvinden. In de brief van 29 oktober 2021 en in de brief van 22 november 20215 is door mijn ambtsvoorganger tevens aangekondigd met de Nederlandse orde van advocaten (hierna: NOvA) in gesprek te gaan om te bezien of het niet verstandiger is om het toezicht wat verder weg van de deken te organiseren. Die gesprekken lopen nu en over de uitkomsten van die gesprekken zal ik uw Kamer dit voorjaar informeren. De algemene conclusies uit het bovengenoemde rapport over het toezicht op de advocatuur zal ik in deze gesprekken meenemen.
Hoe verklaart u dat zelfs in het laatste jaarverslag (toen de fraude bij Pels Rijcken al bekend was) de deken het toezicht in het Haagse arrondissement «in hoge mate effectief», noemde?
Zoals ik ook al in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven ben ik terughoudend met het oordelen over het toezicht in een individuele casus. In zijn algemeenheid geldt dat de deken jaarlijks verslag doet van de stand van het toezicht in het eigen arrondissement. Deze verslaglegging is de verantwoordelijkheid van de deken en is van belang voor de transparantie van het toezicht en het vertrouwen dat de samenleving in dat toezicht en de beroepsgroep moet hebben. Het CvT ziet als systeemtoezichthouder toe op de werking van het toezicht en kan in dat kader ook oordelen over de effectiviteit van het toezicht.
Hoe verklaart u dat bij het dekentoezicht op Pels Rijcken geen onderzoek is gedaan naar naleving van antiwitwaswetgeving (Wwft)? Ziet u ook in dat dit uiterst opmerkelijk is gezien het gegeven dat er voor miljoenen is gefraudeerd bij Pels Rijcken en niet kan worden uitgesloten dat er mogelijk ook sprake is van het witwassen van gelden?
Gelet op de onafhankelijkheid van het toezicht op de advocatuur past ook hier terughoudendheid. In zijn algemeenheid geldt dat de deken sinds 2015 zowel toezichthouder is op de naleving door advocaten van het bepaalde bij of krachtens de Advocatenwet als de Wwft. Het is aan de deken als toezichthouder om bij het doen van onderzoek naar mogelijke misstanden bij advocaten, de opzet en omvang van het onderzoek te bepalen.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat er op korte termijn grondig onafhankelijk onderzoek gedaan wordt naar naleving van antiwitwaswetgeving bij Pels Rijcken? Wilt u daarvoor een voorstel doen?
Nee, het is niet aan mij om beide toezichthouders opdracht te geven een onderzoek te starten. Het toezicht op de naleving van de antiwitwaswetgeving door advocaten is belegd bij de deken, en bij het Bureau Financieel Toezicht (BFT) voor wat betreft de notarissen van het kantoor. Om een dergelijk onderzoek bij geheimhouders te kunnen uitvoeren, zijn wettelijke bevoegdheden nodig. Betrokken toezichthoudende instanties hebben dergelijke bevoegdheden tot hun beschikking.
Wat vindt u ervan dat door het gebrek aan medewerking van de dekens nu in de lucht blijft hangen hoe het toezicht rond Pels Rijcken er precies uitzag terwijl Frank Oranje zijn miljoenenfraude pleegde? Op welke wijze gaat u bevorderen dat er absolute helderheid komt?
In de antwoorden op de vragen 2 tot en met 5 heb ik aangegeven dat ik omwille van de onafhankelijkheid van de advocatuur en het toezicht daarop niet treed in de beoordeling van een individuele casus.
Los van deze individuele casus heb ik bij de beantwoording van vraag 2 verwezen naar de brieven van mijn ambtsvoorganger aan uw Kamer. Op dit moment vinden er gesprekken plaats met de NOvA over de inrichting en ondersteuning van de landelijke toezichthouder op de advocatuur. Deze landelijk toezichthouder wordt zoals eerder aangegeven eindverantwoordelijk voor het toezicht op alle advocaten. Belangrijk onderwerp van gesprek daarbij zijn de uitgangspunten voor een wettelijke regeling van het toezicht op de juridische beroepen zoals die zijn verwoord in 2010.6 Deze uitgangspunten gelden voor mij nog steeds en vormen voor mij de leidraad bij het toezicht op de juridische beroepen. Het toezicht moet onafhankelijkheid, transparant, uniform, preventief en effectief zijn. Het streven naar de vorming van één landelijk toezichthouder binnen de advocatuur die landelijk wordt ondersteund draagt daar aan bij. Voor de advocatuur geldt specifiek nog dat het toezicht, gelet op de onafhankelijke rol en positie van advocaten ten opzichte van de Staat, binnen de beroepsgroep zelf moet worden uitgeoefend.
Bent u bereid maatregelen te nemen zodat medewerking door dekens aan toezicht van het CvT wél wordt afgedwongen? Zo ja, welke maatregelen precies en zo nee, waarom niet?
De Advocatenwet biedt de mogelijkheid om maatregelen te nemen in het geval een deken niet mee wil werken aan het toezicht door het CvT. Op grond van artikel 45i, tweede lid, Advocatenwet verstrekt de deken alle informatie die het CvT redelijkerwijs nodig heeft voor de uitoefening van zijn taken. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de lokale deken gehouden is om ten behoeve van het systeemtoezicht aan het CvT de voor diens taakuitoefening noodzakelijke informatie te verschaffen. Als het CvT die informatie niet krijgt dan kan de lokale deken een aanwijzing krijgen om die informatie te verstrekken (artikel 45b Advocatenwet). Een dergelijke aanwijzing is niet vrijblijvend. De deken is gehouden die aanwijzing op te volgen, doet hij dat niet dan handelt de deken in strijd met de Advocatenwet.7 Zoals ik in vraag 2 heb aangegeven ben ik in gesprek met de NOvA of het niet verstandiger is om het toezicht wat verder weg van de deken te organiseren. Afhankelijk van de uitkomsten van de gesprekken zal ook gekeken worden naar het noodzakelijke instrumentarium.
Wat zegt het in het algemeen over het toezicht op advocatenkantoren, dat zelfs bij een kantoor wat al flink onder vuur ligt, het toezicht alsnog, naar nu blijkt, flink tekortschiet?
In het evaluatierapport uit 2020 is aangegeven dat het toezicht en de toezichtcultuur zich in de jaren vanaf inwerkingtreding van de Wet positie en toezicht advocatuur op 1 januari 2015 in positieve zin hebben ontwikkeld, maar dat verdere verbeteringen mogelijk en noodzakelijk zijn. Met de verdere verbetering van de inrichting van het toezicht op de advocatuur is mijn ambtsvoorganger gestart en die verdere verbetering werk ik nader uit. Dat doe ik zoveel mogelijk in samenwerking en samenspraak met de NOvA. Daarover lopen nu gesprekken.
De mogelijke verbeteringen zien niet alleen op wijziging van wet- en regelgeving maar juist ook op aanpassingen in de uitvoering daarvan.8 Een voorbeeld is dat bij de feitelijke toezichtuitoefening door dekens doorgaans gebruik wordt gemaakt van de inzet van andere leden van de raad van de orde. De huidige regeling van het toezicht in de Advocatenwet gaat echter niet uit van de gelijkwaardigheid tussen de deken en de raad van de orde. De deken is sinds 2015 de enige toezichthouder op de naleving van de Advocatenwet en de Wwft door de advocaten in zijn arrondissement en kan in dat kader bijvoorbeeld ook bestuursrechtelijk handhaven.
Ik constateer dat er met name bij de dekens verschillende inzichten bestaan over de uitvoering van de regeling van het toezicht, waaronder het betrekken van de raad van de orde bij het toezicht. De gesprekken met de verschillende gremia binnen de NOvA zijn nuttig en noodzakelijk om te achterhalen waar overeenkomsten en verschillen zitten in de beleidsvoornemens, wetgeving en de uitvoering.
Klopt het dat grote advocatenkantoren gemiddeld genomen slecht één keer in de tien jaar worden bezocht ter controle, zoals het CvT meldt? Zo ja, acht u dit voldoende om adequaat en effectief toezicht te kunnen houden op grote advocatenkantoren?
Zoals door mijn ambtsvoorganger eerder aan uw Kamer gemeld, hebben de dekens als toezichthouder met elkaar afgesproken dat jaarlijks ten minste 10 procent van alle advocatenkantoren, ongeacht de kantoorgrootte, wordt bezocht.9 Daarnaast gebruiken dekens verschillende andere instrumenten om informatie te verzamelen over de naleving door advocaten van de wet- en regelgeving, bijvoorbeeld het jaarlijks opvragen van financiële kengetallen bij alle kantoren in het arrondissement.10 Het is de toezichthouder die bepaalt op welke wijze het toezicht wordt vormgegeven en of het jaarlijks bezoeken van 10 procent van de kantoren hem in staat stelt om adequaat en effectief toezicht uit te oefenen.
Van de dekens heb ik vernomen dat het dekenberaad sinds 2022 een portefeuillehouder heeft die specifiek belast is met de grote kantoren. Daarnaast voeren de dekens in 2022 een thematisch onderzoek uit naar het gebruik van derdengelden bij grote kantoren en hebben zij ook bijzondere aandacht voor de cultuur en integriteit binnen de grote kantoren.
Bent u het er mee eens dat er meer mogelijkheden nodig zijn om controles te houden bij gemengde kantoren met zowel een notaris- als een advocatentak, omdat met de huidige regels dekens zich enkel op de advocaten mogen richten? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
De deken is op grond van artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet de bevoegde toezichthouder op advocaten en het Bureau Financieel Toezicht (BFT) is op grond van artikel 110 van de Wet op het notarisambt de bevoegde toezichthouder op notarissen. Met inachtneming van de huidige regelingen in de Advocatenwet, de Wet op het notarisambt en de Wwft kunnen controles worden gehouden bij kantoren waar zowel advocaten als notarissen werkzaam zijn. De dekens en het BFT kunnen gezien artikel 22a Wwft geen vertrouwelijke informatie in het kader van de naleving van de Wwft met elkaar uitwisselen. Op dit moment vindt in het kader van het toezicht op de Wwft overleg plaats tussen de dekens en het BFT over de wijze waarop generieke informatie, trends en kennis wel met elkaar kan worden gedeeld. In het kader van de versterking van het toezicht op de advocatuur zal ook gekeken worden welke extra informatie de landelijk toezichthouder op de advocatuur in de toekomst zou moeten kunnen delen met andere toezichthouders, waaronder het BFT.
Is er wel genoeg zelfreinigend vermogen binnen de advocatuur om effectief en onafhankelijk toezicht te houden als iemand met flinke banden met het te onderzoeken kantoor, zelf het onderzoek mag leiden? Bent u het er mee eens dat hierdoor in ieder geval de schijn van belangenverstrengeling heeft kunnen ontstaan? Hoe gaat u er, beter nog dan nu, voor zorgen dat toezicht door dekens boven elke vorm van belangenverstrengeling/partijdigheid verheven zal zijn?
De zorg van de leden over de schijn van belangenverstrengeling deel ik. De deken is advocaat, en vervult daarnaast onder meer de rol bestuurder van de lokale orde, komt met zijn raad op voor de rechten en belangen van de advocaten in het eigen arrondissement en is ook, samen met de raad, verantwoordelijk voor de toetreding tot de advocatuur en stage-aangelegenheden. De deken geeft daarnaast voorlichting over de praktijkuitoefening, bemiddelt bij geschillen tussen advocaten, behandelt klachten over advocaten en fungeert regelmatig als vertrouwenspersoon voor advocaten (al dan niet omdat de Verordening of de Gedragsregels dat voorschrijven). Sinds 2015 is de deken ook de enige bevoegde toezichthouder in het eigen arrondissement. Met de komst van een landelijke toezichthouder, waarin volgens het evaluatierapport uit 2020 de dekens deel van zouden gaan uitmaken, is de vraag gerechtvaardigd hoe die verschillende rollen zich tot elkaar verhouden. Deze vraag is onderwerp van gesprek met de NOvA.
In de brief van mijn ambtsvoorganger van 29 oktober 2021 is aangegeven dat het doel is van het versterken van het toezicht is om te komen tot een stelsel dat modern, evenwichtig en toekomstbestendig is. Een stelsel waarbinnen alle actoren opereren met eenduidige, duidelijk afgebakende taken, rollen en bevoegdheden en het toezicht onafhankelijk, transparant, uniform en effectief is. Ik onderschrijf dit doel en zal dat ook als uitgangspunt nemen bij het nader uitwerken van de plannen om het toezicht op de advocatuur te versterken.
Neemt het Openbaar Ministerie (OM) de conclusies van het CvT mee in haar onderzoek naar de misstanden bij Pels Rijcken?
Zoals te doen gebruikelijk is neemt het Openbaar Ministerie alle voor het strafrechtelijk onderzoek relevante gegevens mee in het onderzoek.
Bent u bereid het contract met Pels Rijcken, waarop een opzegtermijn van een jaar zit, te ontbinden? Zo nee, waarom niet?
Er is geen overeenkomst met het kantoor Pels Rijcken. De Staat heeft een contractuele verhouding met een advocaat die optreedt als Landsadvocaat. Sinds 1969 zijn dit advocaten geweest die waren verbonden aan het kantoor Pels Rijcken. Zoals eerder aan uw kamer gemeld, zal het kabinet een commissie van deskundigen instellen om advies uit te brengen over zowel de mogelijke positionering en vormgeving als de inhoudelijke reikwijdte van de advocatuurlijke dienstverlening aan de rijksoverheid.11 Ik acht het niet verstandig om in afwachting van het advies van de commissie onomkeerbare stappen te nemen waarmee de opties op de langere termijn zouden kunnen worden beperkt, of die onnodige risico´s met zich mee brengen voor de continuïteit van de juridische bijstand aan de Staat.
Vindt u het ook wenselijk dat er verdere waarborgen en checks and balances in onder meer de financiering van het toezicht door lokale dekens worden aangebracht? Zo ja, zijn er al voornemens om verdere waarborgen in te voeren? Zo nee, waarom niet?
In het kader van een onafhankelijk, transparant, uniform, proactief en effectief toezicht zijn stevige waarborgen voor checks and balances in de financiering van het toezicht noodzakelijk. Dit vormt een belangrijk onderdeel in de gesprekken met de NOvA over de inrichting van een landelijke toezichthouder en een landelijke ondersteuning van die toezichthouder. Zodra daar meer duidelijkheid over is zal ik uw Kamer informeren (zie ook het antwoord op vraag 2).
Op welke manier vraagt u, in uw contacten met instanties binnen de Nederlandse Orde van Advocaten, aandacht voor het versterken van de expertise en onafhankelijkheid van lokale dekens en het dekenberaad?
Ik heb zowel afzonderlijk als gezamenlijke gesprekken met de diverse organen van de NOvA over de instelling van één landelijke toezichthouder met één landelijke ondersteuning. Ik ben van mening dat een landelijk georganiseerd toezicht ten goede komt aan de onafhankelijkheid en de versterking van de expertise van het toezicht.
Bent u bereid om deze vragen binnen drie weken, een voor een, te beantwoorden?
De vragen zijn één voor één en zo snel als mogelijk beantwoord.
Een Wob- verzoek met een intimiderend karakter dat als antisemitisch wordt ervaren. |
|
Ulysse Ellian (VVD), Gert-Jan Segers (CU) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het Wob-verzoek dat The Rights Forum heeft gericht aan Nederlandse universiteiten?
Ja.
Wat vindt u van het feit dat via een Wob-verzoek aan (semi)overheidsinstellingen gevraagd wordt om alle contacten te openbaren die ook maar enigszins te maken hebben met de Joodse gemeenschap of Israël?
Daar waar ik er normaal gesproken naar streef om alle vragen separaat te beantwoorden, beantwoord ik deze vragen nu gebundeld. Dit is omdat deze terechte vragen zeer in elkaars verlengde liggen.
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat er in de Nederlandse samenleving nooit enige ruimte mag zijn voor verwerpelijke zaken zoals antisemitisme. De vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid beschouwt het kabinet als essentiële onderdelen van de democratische rechtsstaat, daarom is het belangrijk dat universiteiten en academici hun ideeën en inzichten ongehinderd kunnen uitwisselen. In algemene zin begrijpt het kabinet de zorgen die Israëlische en Joodse organisaties alsook academici en de Nederlandse universiteiten hebben bij een dergelijk informatieverzoek.
De stichting The Rights Forum heeft net als ieder ander het recht om bij een bestuursorgaan een verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (sinds 1 mei Wet open overheid – Woo) in te dienen. Transparantie bij de uitvoering van publieke taken wordt ook gezien als een essentieel onderdeel van de democratische rechtsstaat. Het is aan het instellingsbestuur van de universiteit dit verzoek langs de lijnen van de wet verder te behandelen. De veertien universiteiten die – in tegenstelling tot de bijzondere universiteiten – als openbaar bestuursorgaan op grond van de wet openbaarheid van bestuur verplicht zijn om het verzoek in behandeling te nemen, hebben aangegeven op delen van het verzoek niet in te zullen gaan.
Wat vindt u van het feit dat middels dit Wob-verzoek zelfs verzocht wordt om alle contacten met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding, International Holocaust Remembrance Alliance en Simon Wiesenthal Center te openbaren?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat dit Wob-verzoek feitelijk neerkomt op het bekendmaken of (semi)overheidstellingen contacten hebben met Joden en organisaties van en voor Joden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid zich te laten informeren door vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap over de mate waarin dit Wob-verzoek als antisemitisch en intimiderend is ervaren?
Ik heb zelf reeds vele reacties uit Joodse gemeenschap over deze zaak ontvangen. De Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding staat doorlopend in contact met (vertegenwoordigers van) de Joodse gemeenschap. Mij is daarom bekend dat het betreffende verzoek door velen in de gemeenschap als zodanig wordt ervaren.
Vindt u dit soort Wob-verzoeken met dit intimiderende karakter en deze antisemitische connotatie toelaatbaar?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid – eventueel samen met uw collega, de Minister van OCW – Nederlandse universiteiten te laten weten dat zij de vragen van dit Wob-verzoek niet hoeven en moeten beantwoorden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid The Rights Forum te laten weten dat zij zich moeten onthouden van het stellen van dit soort irrelevante en tegelijk intimiderende vragen over contacten met Joden?
Zie antwoord vraag 2.
De laatste ontwikkelingen in Oekraïne |
|
Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken Amerikanen in Oekraïne verzocht heeft om het land direct te verlaten?
Ja.
Hoe beoordeelt u de actuele veiligheidsrisico’s voor Nederlandse burgers in Oekraïne en in hoeverre wijkt dit af van de risicoanalyse van de Verenigde Staten?
Vrijdagavond 11 februari werd duidelijk dat het risico op een acute verslechtering van de veiligheidssituatie is toegenomen. Op 12 februari is het reisadvies gewijzigd naar rood voor heel Oekraïne. Nederlanders worden opgeroepen om het land te verlaten. Ons reisadvies is daarmee in lijn met het reisadvies voor Oekraïne van de Verenigde Staten en een aantal Europese landen.
In welke situatie wordt er besloten om Nederlandse burgers te vragen om Oekraïne zo snel mogelijk te verlaten? Waarom zijn Nederlanders tot op heden nog niet verzocht om Oekraïne te verlaten?
Vanwege het risico op een acute verslechtering van de veiligheidssituatie in Oekraïne is het reisadvies voor heel Oekraïne naar rood aangepast op 12 februari. Nederlanders in Oekraïne zijn opgeroepen om zo snel mogelijk het land te verlaten, en niet meer naar Oekraïne te reizen.
Bent u ervan op de hoogte dat het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse zaken heeft aangegeven dat het onmogelijk is om haar burgers te evacueren in het geval van een Russische militaire actie (waar dan ook in Oekraïne)?
Ja.
Geldt ook voor Nederland dat het onmogelijk is om haar burgers te evacueren in het geval van een Russische militaire actie?
Op 11 februari jl. heeft de ambassade in Kyiv een online informatiebijeenkomst gehouden met Nederlanders in Oekraïne die hiervoor waren uitgenodigd via de registratielijst en sociale media van de ambassade. Doel van de bijeenkomst was om Nederlanders in Oekraïne te informeren over de veiligheidssituatie en duidelijk te maken wat ze van de overheid kunnen verwachten als de situatie verslechtert. Nederlanders zijn geïnformeerd dat als ze besluiten te blijven en de situatie zou verslechteren er geen door de overheid georganiseerde evacuatie zal plaatsvinden. Men zal met eigen vervoer over de weg moeten vertrekken, als men niet wil blijven. In de reisadviezen wordt al langere tijd aangegeven dat rekening moet worden gehouden met een situatie waarin het Ministerie van Buitenlandse Zaken in oranje of rode gebieden niet of niet volledige hulp kan bieden.
Zijn Nederlanders in Oekraïne ervan op de hoogte gebracht dat evacuatie wellicht niet mogelijk is bij een Russische aanval?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u een beeld van waar Nederlanders in Oekraïne zich hoofdzakelijk bevinden? Om hoeveel Nederlanders gaat het en waar bevinden zij zich hoofdzakelijk?
Nederlanders worden herhaaldelijk opgeroepen zich aan te melden bij de informatieservice van Buitenlandse Zaken. Alleen door aanmeldingen bij de informatieservice heeft Buitenlandse Zaken een beeld van de Nederlanders die in Oekraïne zijn en hoe ze kunnen worden bereikt, als dat nodig is. Registratie bij de BZ informatie is niet verplicht vanwege privacy-overwegingen. Ook het afmelden bij vertrek is niet verplicht. Op 14 februari jl. zijn er 147 Nederlanders in Oekraïne geregistreerd bij de informatieservice van Buitenlandse Zaken. De verwachting is niet dat een compleet beeld kan worden verkregen van hoeveel Nederlanders zich nog in Oekraïne bevinden en waar.
Herinnert u zich dat u in het Kamerdebat van 3 februari 2022 over de situatie in Oekraïne zei dat Nederlanders ter plaatse zich onder andere moeten afvragen «Maar ben je dan in staat om snelwegen te gebruiken? Heb je dan vervoer?»?
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel snelwegen er lopen vanaf respectievelijk Kiev, Charkov en Odessa naar een directe grens met een lidstaat van de Europese Unie, hoeveel rijbanen deze snelwegen bevatten, en hoe lang de route is?
Er zijn drie hoofdwegen van Kyiv naar het westen (via Liviv naar Polen of Slowakije). Deze route is ongeveer 600–800 kilometer lang en in 8 tot 10 uur te rijden. Daarnaast zijn er drie hoofdwegen van Odessa naar Roemenië. Deze route is ongeveer 50 tot 100 kilometer lang en 1 à 2 uur rijden. Er is een hoofdweg van Kharkiv naar Kyiv van ongeveer 500 kilometer lang, 6 uur rijden. Aansluitend kan men via de westelijke grensovergangen naar Polen of Slowakije. Ook is er een hoofdweg van Kharkiv via Odessa naar de Roemeense grens. Deze route is in 11 uur te rijden en is ongeveer 750 kilometer lang. De wegen hebben 2 tot 4 rijstroken.
Hoe beoordeelt u het risico dat deze snelwegen kort na het begin van gevechtshandelingen door grote stromen mensen die op de vlucht slaan, verstopt raken?
Als de situatie verslechtert, is er een grote kans dat grote stromen mensen op de vlucht slaan. Het dringende advies aan Nederlanders in Oekraïne is daarom om in dit stadium het land zo snel mogelijk te verlaten. Tijdens de informatiebijeenkomst voor geregistreerde Nederlanders van 11 februari jl. is verder aangegeven dat men er rekening mee moeten houden dat het in een noodsituatie druk kan zijn aan de grens, waardoor er lange wachttijden kunnen ontstaan. Het advies is gegeven dat het verstandig is voldoende dekens, eten, drinken en brandstof mee te nemen.
Bent u gezien de acute dreiging en snelheid van alle ontwikkelingen bereid om deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden, in ieder geval voor het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken van aanstaande woensdag 16 februari 2022?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Overlast door windmolens |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Hoe verloopt de besluitvorming met betrekking tot afstandsnormen voor de bouw van nieuwe windmolens? Wanneer verwacht u nieuwe normen vast te stellen?
Er wordt momenteel gewerkt aan de plan-milieueffectrapportage (plan-mer) voor het vaststellen van nieuwe algemene milieuregels voor windturbines. Op 23 december 2021 is hiervoor de participatie gestart met de publicatie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) door de Staatssecretaris van IenW. Gedurende acht weken kon een ieder hierop een zienswijze indienen. Na definitieve vaststelling van de NRD kan de plan-m.e.r. worden uitgevoerd. Volgens planning is het milieueffectrapport medio 2022 gereed en kan er dan een zorgvuldige afweging worden gemaakt betreffende relevante milieuaspecten. Verder worden nieuwe algemene milieuregels voor windturbineparken opgesteld met toepassing van de reguliere AMvB-procedure. Er zal inspraak mogelijk zijn voor een ieder op zowel het milieueffectrapport als de concept-AMvB via de internetconsultatie. Voorhang in het parlement zal naar verwachting in het laatste kwartaal van 2022 kunnen plaatsvinden. Uitgaande van deze procedure met brede participatie, (internet)consultatie, toetsen, advies van de Commissie m.e.r., voorhang en advies van de Raad van State wordt verwacht dat de nieuwe regels vanaf medio 2023 in werking kunnen treden.
Hoe zijn de huidige normen voor windmolens op land ten opzichte van andere zaken die overlast kunnen veroorzaken zoals vliegtuigen, wegverkeer of treinen?
Het risico op overlast is gelijkwaardig aan dat bij andere mogelijke bronnen van overlast, zoals transportgeluid. Er is aangetoond dat geluid van windmolens als relatief hinderlijker wordt ervaren dan verkeersgeluid. Daarmee is reeds rekening gehouden doordat er een lagere geluidbelasting (in decibellen) van toepassing is voor windmolens dan voor verkeersbronnen, om hetzelfde ervaren beschermingsniveau te bieden. Bij weg- en railverkeer geldt daarbij ook een streefwaarde, met de mogelijkheid om hier beargumenteerd van af te wijken tot aan een hogere grenswaarde. Voor geluid van vliegtuigen gelden geen individuele beschermingsniveaus, maar is de systematiek gericht op het beperken van het totaal aantal ernstig gehinderden.
Hoe gaat u participatie van omwonenden stimuleren om het draagvlak te versterken, zoals voorgenomen in het coalitieakkoord?
In het Klimaatakkoord zijn er afspraken gemaakt over de participatie door omwonenden van windparken en andere projecten voor hernieuwbare energie (zowel procesparticipatie als financiële participatie). Hierbij is ook een algemeen streven naar 50% lokaal eigendom opgenomen. In het coalitieakkoord is afgesproken dat (financiële) participatie wordt gestimuleerd om het draagvlak te versterken. De RES’en spelen een belangrijke rol bij de participatie rond nieuwe zon- en windprojecten. De RES-regio’s geven op dit moment het proces vorm richting de RES 2.0 (oplevering 1 juli 2023). Hiervoor is een permanente dialoog met burgers op proces en project, waaronder lokaal eigendom, een belangrijk onderdeel.
Welke mogelijkheden hebben gemeentes om de overlast van bestaande windparken te beperken?
Gemeentes hebben de bevoegdheid om de vergunningen te handhaven. Ze kunnen bijvoorbeeld de gegevens van het afgelopen jaar opvragen bij de exploitant. Daaruit dient dan te blijken dat de betreffende windturbines voldoen aan de geluidsnormen en slagschaduwnormen. Er kunnen ook geluidsmetingen worden verricht, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen tonaal geluid, laagfrequent geluid en overig geluid. Ook kan er een app worden ingezet (bijv. geluidsverwachting.nl), waarbij de te verwachten geluids- en slagschaduwbelasting voor de komende uren wordt aangegeven en omwonenden, in het kader van participatie, kunnen aangeven wanneer zij hinder ondervinden. Hier kan de exploitant van de windturbine vervolgens rekening mee houden. Ook het toevoegen van «serrated edges» (uilenveren) kan de geluidsproductie verminderen; deze zijn vaak al aanwezig bij moderne windturbines. De overlast door obstakelverlichting kan ook als onprettig worden ervaren door omwonenden. Om de hinder te beperken kan onder voorwaarden vast brandende verlichting worden toegepast in plaats van knipperende verlichting. Ook kan bij goed zicht de intensiteit van de verlichting tot 30% of zelfs 10% worden verlaagd ten opzichte van de gebruikelijke lichtintensiteit. Ten slotte kan het principe van naderingsdetectie sinds kort worden toegepast, na goedkeuring van de ILT. Hierbij hoeft de obstakelverlichting alleen nog aan als er een luchtvaartuig zich in de nabije omgeving bevindt.
Daarnaast wordt er zoals eerder aangegeven gewerkt aan de plan-milieueffectrapportage (plan-mer) voor het vaststellen van nieuwe algemene milieuregels voor windturbines. Dit is een onderzoek waarin de overlast van omwonenden wordt meegenomen. Nieuwe algemene milieuregels voor windturbineparken worden vervolgens opgesteld met toepassing van de reguliere AMvB-procedure. Er zal inspraak mogelijk zijn voor een ieder op zowel het milieueffectrapport als de concept-AMvB via de internetconsultatie.
Bent u het eens met de uitspraak van de heer Breugelmans (GGD) tijdens de technische briefing aan de Kamer over dit onderwerp op 2 februari 2022 dat er meer onderzoek nodig is naar mogelijkheden om overlast voor omwonenden te verminderen? Zo ja, bent u bereid hier meer onderzoek naar te doen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid specifiek te onderzoeken in welke mate (subsidies voor) woningisolatie kan helpen om overlast van windmolens te beperken?
Via de ISDE (Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing) werken we aan het verduurzamen van woningen in Nederland. Maatregelen die o.a. onder deze subsidie vallen zijn: dakisolatie, gevelisolatie en spouwmuurisolatie. Deze maatregelen richten zich primair op het verminderen van energieverbruik, maar in de praktijk verhoogt thermische isolatie ook de geluidsisolatie van een woning. Daarnaast kunnen middelen uit het gebiedsfonds ook beschikbaar worden gesteld voor geluidsisolerende maatregelen.
Ziet u mogelijkheden om windmolens die zich in een testfase begeven en nog niet zijn opgeleverd, zoals dit het geval is in Borger-Odoorn en Aa en Hunze, ’s nachts uit te laten schakelen indien omwonenden slaapproblemen ondervinden?
Voor de realisatie en exploitatie van een windpark zijn onherroepelijke besluiten tot stand gekomen, op basis waarvan de exploitant het windpark in gebruik mag nemen. Bij de totstandkoming van die besluiten is rekening gehouden met het mogelijk optreden van geluidshinder waarbij, voor de nacht in de voorheen geldende landelijke normen, sprake was van een strengere normstelling van 5dB in de avonduren en 10dB in de nachtperiode. Het bouwproces van een windturbine kent vervolgens een aantal fasen, waaronder een fase van testen en inregelen. In deze fase wordt een turbine correct ingeregeld en wordt door de exploitant getoetst of de windturbine voldoet aan de specificaties die met de turbineleverancier overeen zijn gekomen. Zo wordt bijvoorbeeld gekeken of de geluidsproductie van de windturbines in verschillende omstandigheden overeenkomt met hetgeen is afgesproken met de leverancier en voldoet aan de juridische kaders. Meerdere iteraties in dit proces zijn mogelijk. Het bouwproces wordt afgesloten met een zogenaamde «take-over» waarbij het beheer van de turbine overgaat van leverancier naar eigenaar / exploitant. De exploitant dient een afschrift van het take-over certificaat aan te leveren bij het bevoegd gezag. Tijdens deze testfase gelden de meegegeven juridische kaders voor de milieueffecten ook al. Het bevoegd gezag kan daarom ook tijdens deze fase toetsen of wordt voldaan aan deze kaders voor de milieueffecten. Er geldt dus voor de windturbines in de testfase geen andere of extra regeling en deze is mijn inziens ook niet nodig. Er geldt hetzelfde beschermingsniveau als voor de al bestaande windturbines.
Het bericht dat het kabinet overweegt de Johan Willem Frisokazerne te sluiten. |
|
Agnes Mulder (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht: «Staatssecretaris Defensie: kazerne Assen dicht, militairen verhuizen naar Havelte»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er nog geen formeel besluit is genomen over het sluiten van de Johan WillemFrisokazerne?
Ja.
Op basis van welke argumenten bent u voornemens de Johan Willem Frisokazerne te sluiten?
Zoals ik in mijn begeleidende brief aangeef is Defensie gestart met een interne verkenning naar een gezonde, toekomstbestendige en duurzame vastgoedportefeuille, langs de lijnen van concentreren, verduurzamen en vernieuwen. Bij deze verkenning neemt Defensie al haar vastgoed in Nederland onder de loep en kijkt daarbij naar verschillende factoren. Het is dus te kort door de bocht om te stellen dat ik voornemens ben de Johan Willem Frisokazerne te sluiten, maar deze kazerne maakt wel onderdeel uit van deze verkenning. Voor Drenthe kan het concentreren van ons vastgoed betekenen dat Defensie haar aanwezigheid concentreert in Havelte. Het is mijn streven om bij de uiteindelijke keuzes die worden gemaakt de werkgelegenheid in de regio zo veel als mogelijk te behouden. Dit geldt voor alle regio’s waar ons plan uiteindelijk gevolgen zal hebben.
Hoeveel geld is er de afgelopen jaren geïnvesteerd in de Johan Willem Frisokazerne?
Er is in totaal 15,5 miljoen euro geïnvesteerd in de Johan Willem Frisokazerne, waarvan 4,5 miljoen euro door de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DVO) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en 11 miljoen euro door Defensie. Deze investeringen waren noodzakelijk om aan wettelijke verplichtingen te voldoen en het personeel een veilige werk- en leefomgeving te bieden. Ondanks deze investeringen is de kazerne nog niet voldoende toekomstbestendig en duurzaam.
Welk plan omtrent de toekomst van het Defensievastgoed ligt er ten grondslag aan het beoogde besluit om de Johan Willem Frisokazerne te sluiten? Kunt u deze delen met de Kamer? Welk ander Defensievastgoed bent u voornemens op de korte termijn af te stoten?
Zoals ik in mijn begeleidende brief heb gesteld, ben ik voornemens in april een brief te sturen waarin ik de contouren van de huidige verkenning met uw Kamer deel. Verder streef ik ernaar om uw Kamer rond de zomer wederom te informeren met een verdieping hierop. Ik kan nu nog geen inzicht geven in welk vastgoed als gevolg van onze plannen zou moeten worden afgestoten.
In hoeverre valt de beoogde sluiting van de Johan Willem Frisokazerne te rijmen met het gegeven dat Defensie de regionale impact mee moet wegen bij het afstoten van vastgoed?
Bij de uitwerking van de opgave heeft Defensie oog voor de regionale impact. Dat gebeurt enerzijds door te streven naar het behoud van regionale werkgelegenheid. Anderzijds bieden vrijkomende locaties kansen voor maatschappelijke vraagstukken als woningbouw en verduurzaming. Dit vraagt om een zorgvuldig proces en nauwe afstemming met medeoverheden, op Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau. Ik ben me ervan bewust dat toekomstige keuzes desondanks op regionaal niveau impact kunnen hebben. Zoals gesteld bevindt Defensie zich nog in de verkenningsfase en zullen regio’s worden uitgenodigd daarover mee te denken.
Bent u het met de CDA-fractie eens dat de beoogde sluiting van de Johan Willem Frisokazerne grote impact heeft voor de regio? Is de impact voor de regio in kaart gebracht? Zo ja, kunt u deze analyse delen met de Kamer? Zo nee, kunt u deze analyse alsnog maken en delen met de Kamer?
Als kabinet kijken wij naar de regionale impact van de keuzes die worden gemaakt. Ik heb in mijn begeleidende brief aangegeven hoe ik het proces op hoofdlijnen voor de komende maanden voor mij zie, in de Kamerbrief die ik u in april zal sturen ga ik hier verder op in.
In hoeverre is in kaart gebracht wat de totale effecten zijn van de beoogde sluiting van de Johan Willem Frisokazerne, de afbouw van de NAM en het sluiten van delen van ziekenhuizen in de regio op de werkgelegenheid in en leefbaarheid van Assen en omstreken? Zo ja, kunt u deze informatie met de Kamer delen?
Defensie bevindt zich nog in de verkenningsfase en er is daarom nog geen analyse van de totale effecten van de diverse ontwikkelingen rond Assen. De regio’s zullen worden uitgenodigd om hierover in gesprek te gaan en mee te denken. Op grond daarvan kan ik met mijn collega’s in het kabinet op zoek gaan naar mogelijke oplossingen.
Klopt het dat het nog niet helder is of er in de toekomst onderdelen vanuit Havelte gaan verdwijnen? En hoe rijmt u dit met uw uitspraak: «Als je kijkt naar de groeimogelijkheden, het bij elkaar brengen van oefenterreinen en disciplines én waar we grootschalig kunnen vernieuwen, dan is Havelte geschikt. Daar kunnen we nog jaren vooruit en is de werkgelegenheid in de regio verzekerd»?2
Defensie bevindt zich nu nog in de verkenningsfase om de opdracht uit het coalitieakkoord uit te voeren. In de verkenning wordt onder meer onderzocht waar Defensie regionaal verder kan concentreren. Het concentreren van eenheden in Havelte is daarbij een optie, mede vanwege de ruimtelijke mogelijkheden, en ook om onze aanwezigheid in Noord-Nederland te behouden. In april wil ik uw Kamer meenemen in de eerste contouren van de interne verkenning.
Klopt het dat u bij de aankomende gesprekken met de provincie en de gemeente over de kennelijk beoogde sluiting van de kazerne ook rijksbrede perspectieven gaat schetsen voor de gemeente Assen en de provincie Drenthe?3 Zo ja, kunt u deze rijksbrede perspectieven met de Kamer delen?
Het is nog niet mogelijk om rijksbrede perspectieven met de Kamer te delen omdat we dat stadium nog niet hebben bereikt. Ik kan niet vooruitlopen op de inhoud van gesprekken die ik eerst met de regio wil voeren. Daarnaast heb ik de regio opgeroepen met ons mee te denken over wat CVV kan betekenen voor de regio en mee te denken over mogelijkheden.
Deelt u de mening dat er rijksbrede coördinatie plaats moet vinden met betrekking tot de gecombineerde impact van besluiten van verschillende ministeries inbepaalde regio’s? Zo ja, hoe bent u van plan hier in samenwerking met uw collega’s invulling aan te geven?
Defensie zet in op rijksbrede coördinatie waar dat van toepassing is. Voor sommige regio’s zal de concentratie van vastgoed positief zijn en de mate van samenhang met andere opgaven kan per regio verschillen. Daar waar de concentratie gepaard gaat met moeilijke keuzes, vraagt dit om een zorgvuldig proces en nauwe afstemming met medeoverheden. Dat betekent dat we als kabinet in gesprek gaan met de regionale partners over de opgaven die er liggen en samen kijken hoe we regionale belangen kunnen meenemen in de besluitvorming. Dit om als rijksoverheid aanspreekbaar te zijn op eventuele regionale effecten en mogelijke toekomstige kansen op huidige defensie-locaties. We zitten nu in de verkenningsfase om de opdracht van het coalitieakkoord uit te voeren en nodigen de regio’s uit daarover met ons mee te denken.
De groep mensen die hun coronatoegangsbewijs verliezen |
|
Maarten Hijink |
|
Kuipers |
|
Hoe snel groeit de groep mensen van wie het coronatoegangsbewijs (CTB) op basis van vaccinatie of herstel verloopt, als gevolg van de recente wijzigingen in de geldigheidsduur van het CTB?
De geldigheidsduur van het 3G-coronatoegangsbewijs is gelijkgetrokken met die van het DCC. Beiden vervallen bij mensen die de basisserie afgerond hebben en niet binnen 9 maanden na de bassiserie een boostvaccinatie halen, of bij hen die hersteld zijn van een COVID-19-besmetting en niet (volledig) gevaccineerd zijn 180 dagen na de besmetting. Er vervallen dagelijks 3G-ctb’s en het is niet mogelijk om hier een vast aantal per dag voor te geven. Dit hangt namelijk af van verschillende factoren zoals het aantal gezette vaccinaties per dag, doorgemaakte COVID-19-besmettingen en de overlap hiertussen.
De inzet van het 3G-ctb is per 25 februari vervallen, waardoor er geen ctb’s meer gebruikt worden op basis van vaccinatie of herstel. Vanaf 25 februari kan met een coronatoegangsbewijs toegang worden verkregen op basis van een negatief testbewijs (1G). De inzet hiervan is beperkt tot locaties waar meer dan 500 bezoekers ongeplaceerd per binnenruimte aanwezig (kunnen) zijn. Vanaf 23 maart vervalt ook het 1G-coronatoegangsbewijs voor deze locaties. Het vervallen van het ctb op basis van vaccinatie of herstel heeft dus sinds 25 februari geen consequenties voor het verkrijgen van toegang tot plaatsen binnen Nederland.
Hoeveel mensen zullen op 15 februari aanstaande hun CTB op basis van de basisvaccinatiereeks zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, uitgaande van de huidige boostergraad?
De antwoorden op onderstaande vragen (tot en met vraag 12) zijn door het RIVM berekend op basis van GGD-data. Hierbij is vaccinatiedata gekoppeld aan besmettingsdata. De peildatum van deze data is 3 maart 2022. Het is daarbij mogelijk dat vervallen ctb’s weer geactiveerd zijn, omdat er alsnog een boostprik gehaald is. Daarnaast is het ook mogelijk dat iemand voor de vervaldatum in de toekomst alsnog een boostprik haalt of een COVID-besmetting doormaakt, deze zal dan uit de dataset vallen. De cijfers in navolgende antwoorden zijn dus indicatief. De cijfers in de antwoorden op de vragen 4, 5, 6, 9, 10, 11 en 12 hebben in verband met het vervallen van 3G geen feitelijke betekenis.
De data is op persoonsniveau voor Nederlanders van 18 jaar en ouder. Hierbij is rekening gehouden met het ctb met de langste duur. Als bijvoorbeeld een vaccinatiebewijs zou verlopen op 1 maart, maar er nog een herstelbewijs actief is tot 15 april, is deze meegenomen bij 15 april.
Al voor het inkorten van de geldigheid was voor circa 87.000 personen het herstelbewijs van 365 dagen verlopen. Op 15 februari jl. was bij circa 258.000 mensen hun ctb op basis van de basisvaccinatiereeks verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur.
Hoeveel mensen zullen op 1 maart aanstaande hun CTB op basis van de basisvaccinatiereeks zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 1 maart is naar schatting van nog eens circa 116.000 mensen hun ctb op basis van de basisvaccinatiereeks verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur.
Hoeveel mensen zullen op 15 maart aanstaande hun CTB op basis van de basisvaccinatiereeks zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 15 maart zal bij naar schatting van nog eens circa 152.000 mensen hun ctb op basis van de basisvaccinatiereeks verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur als zij geen boostprik gaan halen.
Hoeveel mensen zullen op 1 april aanstaande hun CTB op basis van de basisvaccinatiereeks zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 1 april zal bij naar schatting van nog eens circa 255.000 mensen hun ctb op basis van de basisvaccinatiereeks verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur als zij geen boostprik gaan halen.
Hoeveel mensen zullen op 15 april aanstaande hun CTB op basis van de basisvaccinatiereeks zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 15 april zal bij naar schatting van nog eens circa 254.000 mensen hun ctb op basis van de basisvaccinatiereeks verlopen, als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur als zij geen boostprik gaan halen.
Hoe groot was de groep waarvan het CTB op basis van herstel verliep, als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur naar 180 dagen, op het moment dat deze wijziging in werking trad?
Op 8 februari jl. zijn naar schatting circa 95.000 mensen hun ctb op basis van herstel verloren door de inkorting van de geldigheidsduur van het herstelbewijs naar 180 dagen.
Hoeveel mensen zullen op 15 februari aanstaande hun CTB op basis van herstel zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, die zonder deze wijziging nog wel een CTB zouden hebben, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 15 februari is bij naar schatting van nog eens circa 100.000 mensen hun ctb op basis van herstel verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur.
Hoeveel mensen zullen op 1 maart aanstaande hun CTB op basis van herstel zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, die zonder deze wijziging nog wel een CTB zouden hebben, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 1 maart is bij naar schatting van nog eens circa 10.000 mensen hun ctb op basis van herstel verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur.
Hoeveel mensen zullen op 15 maart aanstaande hun CTB op basis van herstel zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, die zonder deze wijziging nog wel een CTB zouden hebben, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 15 maart zal bij naar schatting van nog eens circa 9.000 mensen hun ctb op basis van herstel verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur als zij niet voor die tijd een (boost)vaccinatie halen.
Hoeveel mensen zullen op 1 april aanstaande hun CTB op basis van herstel zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, die zonder deze wijziging nog wel een CTB zouden hebben, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 1 april zal bij naar schatting van nog eens circa 8.000 mensen hun CTB op basis van herstel verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur als zij niet voor die tijd een (boost)vaccinatie halen.
Hoeveel mensen zullen op 15 april aanstaande hun CTB op basis van herstel zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, die zonder deze wijziging nog wel een CTB zouden hebben, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 15 april zal bij naar schatting van nog eens circa 13.000 mensen hun CTB op basis van herstel verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur als zij niet voor die tijd een (boost)vaccinatie halen.
Bent u nog steeds van mening dat de inkorting van de geldigheid van het CTB een proportionele maatregel was?
Het ctb wordt alleen ingezet zolang het proportioneel en epidemiologisch noodzakelijk is. Daarom is er ook voor gekozen om het 3G-ctb per 25 februari te laten vervallen en het 1G-ctb met ingang van 23 maart te laten vervallen.
De epidemiologische situatie is eind december 2021 sterk veranderd door de introductie van de inmiddels dominante omikronvariant. De effectiviteit van de primaire vaccinatieserie tegen ziekenhuisopname, besmetting en infectie neemt af naarmate het moment van vaccineren langer geleden is. Ook naarmate iemand langer geleden hersteld is van een infectie, neemt de kans op herinfectie toe. Dit effect is bovendien versterkt door de intrede van de omikronvariant. De reeds opgebouwde immuniteit kan door nieuwe varianten makkelijker worden omzeild1.
Het doel van het ctb is om de samenleving voor iedereen eerder te heropenen en langer open te houden. Dat doel kan alleen worden bereikt als bewijzen op basis van vaccins en doorgemaakte infecties in voldoende mate bescherming tegen transmissie en ziekenhuisopnames. Gegeven dat doel, en de afnemende mate van bescherming naarmate de tijd vordert, vind ik het proportioneel om de geldigheidsduur voor bewijzen op basis van herstel en vaccinatie aan te passen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden en deze antwoorden voor het eerstvolgende debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus naar de Kamer te sturen?
Ik heb er naar gestreefd uw vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Stikstof en extern salderen |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Overijssel stopt als eerste provincie met uitgifte bouwvergunningen op basis van stikstofhandel»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u van mening dat de «stikstofhandel» voortgezet moet worden in Nederland?
Extern salderen is een nuttig instrument om natuurvergunningverlening mogelijk te maken. Bij extern salderen wordt een bestaande vergunning geheel of gedeeltelijk ingetrokken, ten behoeve van de verlening van de vergunning voor een ander project dat tot stikstofdepositie zal leiden op basis van de Wet natuurbescherming. De niet-gerealiseerde capaciteit in de vergunning van de saldogever komt bij het intrekken van de vergunning te vervallen. De partij die de ruimte op basis van de feitelijk gerealiseerde capaciteit voor stikstofemissies overneemt, mag maximaal 70% van de depositie benutten voor zijn eigen project. Deze keuze is gemaakt om feitelijke toenames van stikstofemissie zoveel mogelijk te voorkomen.
Daarnaast wordt er onderzoek uitgevoerd naar de omvang en de effecten van extern salderen met veehouderijbedrijven. Hierbij wordt ook gekeken naar onbedoelde negatieve effecten zoals speculatie, prijsopdrijving of verloedering van het landschap. Ik verwacht uw Kamer voor de zomer over de resultaten te kunnen informeren.
Bent u van mening dat het extern salderen van stikstofrechten cruciaal is om bouwprojecten voort te kunnen zetten?
Voor woningbouwprojecten in Nederland geldt dat een behoorlijk deel niet te maken heeft met stikstofbeperkingen vanwege de omvang en/of de afstand tot stikstofgevoelige natuurgebieden. Ook de bouwvrijstelling draagt daaraan bij. Daarnaast zijn er woningbouwprojecten die kunnen volstaan met intern salderen. Er resteert daarnaast nog steeds een aanzienlijk deel van de projecten in alle sectoren (woningbouw inclusief benodigde ontsluiting en verkeersaantrekkende werking, maar ook de energietransitie, infrastructuur, industrie etc.) dat afhankelijk is van de mogelijkheid tot extern te salderen. Extern salderen is voor deze projecten cruciaal voor de voortgang.
Waarom bent u van mening dat het besluit van de provincie Overijssel om te stoppen met de stikstofhandel voor bouwvergunningen «géén precedent vormt» voor andere provincies om ook de stikstofhandel te stoppen?2
Momenteel zijn voor zover mij bekend Overijssel en Flevoland, voor zover het gaat om depositie op Natura 2000-gebieden in Overijssel, de enige provincies waar extern salderen tijdelijk «on hold» staat voor projecten waar de provincie bevoegd gezag is, tot het moment dat Overijssel de aanvullende onderbouwing ten behoeve van extern salderen gereed heeft. De onderbouwing ten behoeve van extern salderen is provincie- en gebiedspecifiek, omdat de specifieke omstandigheden per provincie en Natura 2000-gebied verschillen, alsmede de effectiviteit van maatregelen om stikstofdepositie te reduceren.
Bent u er bekend mee dat de Brabantse Milieufederatie samen met andere natuurorganisaties naar de Raad van State is gestapt tegen de stikstofhandel die de komst van het Tilburgse bedrijfsterrein Wijkevoort mogelijk moet maken?3
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat zijn volgens u de effecten voor Noord-Brabant en de rest van Nederland op het moment dat de Brabantse Milieufederatie de rechtszaak over de stikstofhandel zou winnen?
Deze zaak is momenteel onder de rechter. Ik wil niet op de uitkomst daarvan vooruitlopen. Zodra de rechter uitspraak heeft gedaan, zal ik zorgvuldig bestuderen wat de gevolgen hiervan zijn.
Bent u van mening dat een stop door de rechter op de handel in stikstofrechten betekent dat de Nederlandse bouw stil zou komen te liggen?
Er resteert nog steeds een aanzienlijk deel van de projecten in alle sectoren (woningbouw inclusief benodigde ontsluiting en verkeersaantrekkende werking, maar ook de energietransitie, infrastructuur, industrie etc.) dat afhankelijk is van de mogelijkheid tot extern te salderen. Extern salderen is voor deze projecten cruciaal voor de voortgang.
Wat zijn volgens u de effecten van het stoppen van de stikstofhandel voor de bouw- en landbouwsector in de provincie Overijssel?
De provincie Overijssel heeft extern salderen tijdelijk opgeschort en werkt ondertussen aan een nadere onderbouwing voor het gebruik van dit instrument. Voor partijen die betrokken zijn bij initiatieven met extern salderen (saldogevers en -ontvangers) betekent dit dat hun initiatieven vertraging kunnen oplopen. Tegelijkertijd verwacht ik dat de nadere onderbouwing van de provincie Overijssel ertoe leidt dat additionaliteit beter aangetoond kan worden en dat dit kan leiden tot meer zekerheid voor initiatiefnemers op het moment dat ze wel een vergunning krijgen. In de hoofdlijnenbrief heb ik mijn beleid nader toegelicht. Hierin ben ik ook op de houdbaarheid van toestemmingverlening ingegaan.
Kunt u een effecten-analyse tonen met daarin het effect op de bouw-, landbouw- en vliegsector in het scenario dat alle Nederlandse provincies besluiten de stikstofhandel te stoppen, bijvoorbeeld onder druk van een uitspraak van de Raad van State?
Extern salderen met ruimte uit bestaande vergunningen is een in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State4 geaccepteerde wijze van mitigatie van effecten bij het toestaan van projecten op basis van een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.
Er is geen effectenanalyse uitgevoerd naar het effect op de bouw-, landbouw- en vliegsector in het scenario dat alle Nederlandse provincies besluiten om de mogelijkheid van extern salderen niet meer toe te staan. Daarbij wil ik benadrukken dat de provincie Overijssel extern salderen niet definitief heeft stopgezet, maar tijdelijk opgeschort, totdat zij een aanvullende onderbouwing heeft. Verder zij erop gewezen dat voor woningbouwprojecten in Nederland geldt dat een behoorlijk deel niet te maken heeft met stikstofbeperkingen vanwege de omvang en/of de afstand tot stikstofgevoelige natuurgebieden. Ook de bouwvrijstelling draagt daaraan bij. Daarnaast zijn er woningbouwprojecten die kunnen volstaan met intern salderen.
Kunt u verklaren waarom u nog niet beschikt over «een databank waaruit blijkt in welke natuurgebieden (waaronder Natura 2000-gebieden) de afgelopen dertig jaar regelmatig bodemonderzoeken zijn gedaan»?4
Er is geen aanleiding geweest om een dergelijke databank op te zetten. Via het landelijk meetnet flora6 wordt geanalyseerd hoe het met de milieuomstandigheden in de natuurgebieden gaat. Plantensoorten fungeren namelijk als bioindicator voor bodem en water. Bodemonderzoeken kunnen benut worden om dit meetinstrument te ijken. Er is dan geen aanleiding om daar een databank voor op te zetten.
Bent u voornemens om op korte termijn de bodems van alle Natura 2000-gebieden te laten onderzoeken zodat er inzicht ontstaat in de staat van de bosbodems? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Momenteel wordt uitgewerkt welke doorontwikkeling van de monitoring nodig is om de wettelijk voorgeschreven monitoringsrapportages met betrekking tot de stikstofaanpak op te kunnen stellen. Daarbij wordt, in het kader van de beoordeling van de omvang en de kwaliteit van habitattypen, ook nagegaan welke eventuele aanvullende gegevens nodig zijn om voldoende inzicht te krijgen in de drukfactor stikstof in relatie tot andere drukfactoren. Metingen van bodemcondities zouden hier mogelijk onderdeel van uit kunnen maken, in aanvulling op de informatie over de bodem vanuit het landelijk meetnet flora.
Betekent de constatering van het Planbureau voor de Leefomgeving dat specifieke gegevens over het stikstofgevoelige deel van het leefgebied tot 2026 niet beschikbaar zijn, volgens u dat tot 2026 Nederland geen beschikking heeft over bodemmetingen en over de staat van instandhouding van en Habitatrichtlijnsoorten en -habitattypen? Kunt u uw antwoord beginnen met ja/nee?5
Nee, op landelijk niveau wordt iedere zes jaar de staat van instandhouding bepaald van de habitattypen en soorten van bijlage 2 van de Habitatrichtlijn. Hierover wordt aan de Europese Commissie gerapporteerd, de artikel 17-rapportage. De meest recente rapportage is in 2019 ingediend. Een oordeel over het leefgebied als geheel is één van de aspecten waaruit de beoordeling van de staat van instandhouding van de Habitatrichtlijnsoorten is opgebouwd, een afzonderlijk oordeel over het stikstofgevoelige deel van het leefgebied is daar geen onderdeel van. Bovendien wordt de monitoring verder doorontwikkeld. Onderdeel hiervan is het verkrijgen van gegevens op grond waarvan een scherper beeld kan worden verkregen over het stikstofgevoelige deel van leefgebieden.
Betekent dit volgens u dat Nederlandse bedrijven tot 2026 niet kunnen bewijzen of zij een positief of negatief effect hebben op de stikstofdepositie en instandhoudingsdoelstellingen aangezien er geen bodemmetingen in natuurgebieden worden verricht om dit effect te bewijzen of ontkrachten? Kunt u uw antwoord beginnen met ja/nee?
Nee, bij de toets van het bevoegd gezag of een natuurvergunning door het bevoegd gezag kan worden verleend, moet de zekerheid zijn verkregen dat het voorgenomen project de natuurlijke kenmerken van de betreffende Natura 2000-gebieden niet aantast. De bevindingen over de gevolgen van het project moeten gebaseerd zijn op de best beschikbare wetenschappelijke kennis op dat moment. De aanvrager moet daar ook vanuit gaan bij zijn aanvraag. Het ontbreken van bodemmetingen betekent bovendien niet dat Nederland geen beschikking heeft over de staat van instandhouding van Habitatrichtlijnsoorten en -habitattypen. Op landelijk niveau wordt iedere zes jaar de staat van instandhouding bepaald van de habitattypen en soorten van bijlage 2 van de Habitatrichtlijn. Hierover wordt aan de Europese Commissie gerapporteerd, de artikel 17-rapportage. De meest recente rapportage is in 2019 ingediend. Een oordeel over het leefgebied als geheel is één van de aspecten waaruit de beoordeling van de staat van instandhouding van de Habitatrichtlijnsoorten is opgebouwd, een afzonderlijk oordeel over het stikstofgevoelige deel van het leefgebied is daar geen onderdeel van. Bovendien wordt de monitoring verder doorontwikkeld. Onderdeel hiervan is het verkrijgen van gegevens op grond waarvan een scherper beeld kan worden verkregen over het stikstofgevoelige deel van leefgebieden.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken te beantwoorden?
Een gedegen beantwoording van de vragen heeft meer tijd gekost en daardoor is het niet gelukt om de vragen binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden.
Zwerfkapjes |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Kuipers |
|
![]() |
Kent u de berichten «Zwerfvuil laat zien waar wel of niet een mondkapjesplicht is»1 en «Het mondkapje is het nieuwe plastic tasje. Hoe maak je ze afbreekbaar?»2?
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat het mondkapje tijdens de Landelijke Opschoondag afgelopen maart op nummer 7 stond van meest gevonden zwerfafval in Nederland en tijdens de World Cleanup Day afgelopen september op nummer 10 stond van meest gevonden zwerfafval in Nederland?
Alle zwerfafval is onwenselijk, dat geldt dus ook voor mondkapjes. Met de opkomst van corona worden mondkapjes vaker in het milieu gevonden. In de zwerfafvalmonitoring van Rijkswaterstaat wordt sinds mid-2020 ook corona-gerelateerd zwerfafval geregistreerd. Het merendeel van het corona-gerelateerd zwerfafval bestaat uit mondkapjes, terwijl handschoenen nog maar zelden worden gevonden. In figuur 1 is te zien welk aandeel corona-gerelateerd zwerfafval had in het totale zwerfafval (exclusief peuken en kauwgom) in 2020 en 2021. Over heel 2021 was dit gemiddeld 2,0%.
Dit bevestigt de bevindingen van de Landelijke Opschoondag en World Cleanup Day dat dit een aanzienlijke stroom in het zwerfafval is.
Figuur 1: aandeel mondkapjes en handschoenen in het zwerfafval (bron: RWS)
Voor hoeveel procent bestond het Nederlandse zwerfafval uit mondkapjes – de zogenaamde zwerfkapjes – in de verschillende fases van de coronacrisis? Kunt u hier een overzicht van verschaffen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ermee bekend dat er in 2020 wereldwijd naar schatting 1,6 miljard wegwerpmondkapjes in de oceanen belandden en dat mondkapjes samen met weggegooide plastic flessen en plastic zakken de grootste bedreiging zijn voor het milieu?
Ja, ik ben bekend met de schatting van de non-profitorganisatie OceansAsia, die wordt aangehaald in het artikel van het Financieel Dagblad.
Bent u zich bewust van de gevaren van mondkapjes in het zwerfafval, zoals: microplastics die in het milieu terechtkomen, dieren die erin verstrikt raken of ze binnenkrijgen en de eventuele besmetting die kan plaatsvinden wanneer mondkapjes worden opgeruimd?
Net als bij andere vormen van (plastic) zwerfafval kunnen mondkapjes afbreken tot microplastics en kunnen dieren hierin verstikt raken. Er zijn mij geen onderzoeken bekend naar besmettingen die kunnen plaatsvinden wanneer mondkapjes worden opgeruimd.
Professionals dragen bij het opruimen handschoenen of gebruiken een prikstok, of het opruimen gebeurt machinaal. Ook burgers rapen natuurlijk regelmatig zwerfafval op, hierbij kunnen ze ook een prikstok of handschoenen gebruiken, en moeten ze daarna goed de handen wassen.
Hebben de maatregelen die u tot nu toe heeft genomen om het probleem van mondkapjes in het zwerfafval tegen te gaan – voornamelijk gericht op voorlichting en communicatie – volgens u voldoende resultaat gehad? Zo ja, waar blijkt dit uit?
In Nederland gaan we uit van een brede aanpak van zwerfafval, waarbij verschillende partijen een rol spelen in het schoonmaken en schoonhouden van de openbare ruimte.
Het Ministerie van IenW zet daarbij primair in op preventie van zwerfafval, door maatregelen als statiegeld op flesjes en blikjes en de regelgeving voor wegwerpplastics en verder door middel van communicatie en voorlichting. Via communicatie van o.a. Milieu Centraal en de rijksoverheid zijn burgers (tot het advies kwam om uitsluitend medisch mondneusmasker type II of IIR te gebruiken) aangespoord herbruikbare mondkapjes te gebruiken en eenmalige mondkapjes in het restafval te gooien. Daarnaast ondersteunt IenW gebiedsbeheerders, zoals gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor het schoonhouden van de gebieden die onder hun beheer vallen. Met een aantal van deze instrumenten is een bijdrage geleverd aan het tegengaan van het mondkapjesprobleem.
Het plaatsen van extra prullenbakken is een overweging die lokaal door de gebiedsbeheerder gemaakt moet worden.
Met de aankondiging op 15 maart jl. dat de mondkapjesplicht in het openbaar vervoer per 23 maart wordt afgeschaft, is de verwachting dat het aandeel mondkapjes in het zwerfafval weer zal afnemen.
Heeft u andere opties overwogen om mondkapjes in het zwerfafval tegen te gaan, zoals het plaatsen van prullenbakken op plekken waar mensen hun mondkapjes afdoen of inzetten op recycling? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u van plan de inkoop van recyclebare mondkapjes te stimuleren, door bijvoorbeeld een importheffing in te voeren op niet-recyclebare mondkapjes? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet van plan een importheffing in te voeren voor niet-recyclebare mondkapjes, omdat dit het zwerfafvalprobleem niet oplost: recyclebare mondkapjes kunnen net zo goed in het zwerfafval eindigen als niet-recyclebare mondkapjes.
Hoeveel verwacht u dat het percentage van mondkapjes die terechtkomen in het zwerfafval zal toenemen, doordat nu wordt aangeraden om medische mondkapjes te dragen en wordt afgeraden om herbruikbare stoffen mondkapjes te dragen?
Op 15 maart jl. heeft het kabinet besloten om per 23 maart de resterende maatregelen en adviezen te laten vervallen, met uitzondering van de basismaatregelen. Ook de mondkapjesplicht in het openbaar vervoer komt te vervallen. Wel blijft het kabinet mondkapjes op drukke plaatsen adviseren. Ook blijft het dragen van een mondkapje op de luchthaven na de security en in het vliegtuig verplicht. De verwachting is dat het percentage mondkapjes in het zwerfafval daalt doordat er naar verwachting minder mondkapjes gedragen zullen worden.
Heeft u bij het nemen van het besluit om het dragen van herbruikbare mondkapjes af te raden een integrale afweging gemaakt, waarbij niet alleen wordt gekeken naar gezondheid maar ook naar de maatschappelijke gevolgen? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, waarom niet?
Bij de besluitvorming over de invoering, verlenging of afschaling van maatregelen, laat het kabinet zich adviseren door het OMT en wordt gebruik gemaakt van het epidemiologisch beeld. Daarnaast houdt het kabinet rekening met het maatschappelijk beeld volgens de inzichten van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), reflecties op de maatregelen volgens de inzichten van het SCP en de Ministeries van Financiën, Economische Zaken en Klimaat en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de «Trojka»).
Bij het nemen van het besluit in januari 2022 om medische mondneusmaskers van minimaal type II te gaan adviseren, is het gezondheidsaspect leidend geweest. Omikron bleek zeer besmettelijk; besmettelijker dan de deltavariant, onder andere omdat het virus in het bovenste deel van je keel zit. Het OMT geeft in zijn 137e en 138e advies aan dat niet-medische mondkapjes, zoals gemaakt van stof, doorgaans niet zijn gestandaardiseerd, van wisselende kwaliteit zijn en dat het onzeker is of ze effectief zijn om besmetting tegen te gaan. Daarom gold het advies om een medisch mondneusmasker type II of IIR te gebruiken, want daarvan is de kwaliteit gegarandeerd. Een medisch mondneusmasker type II houdt minimaal 98 procent van de uitgeademde druppels met bacteriën en virusdeeltjes tegen.
Naast het gezondheidsaspect zijn ook juist de maatschappelijke gevolgen meegenomen in de besluitvorming: meer besmettingen betekent meer maatschappelijke ontwrichting omdat meer mensen ziek of besmet thuis komen te zitten. Daarom is het besluit genomen om medische mondneusmaskers te gaan adviseren met als doel minder besmettingen en minder maatschappelijke ontwrichting.
Welke opties zijn er voor herbruikbare medische mondkapjes? Gaat u hierop inzetten? Zo nee, waarom niet?
Beschermingsmiddelen bieden veiligheid aan zorgmedewerkers, patiënten en burgers, maar kunnen tegelijkertijd schadelijke milieu- en duurzaamheidseffecten hebben. Het kabinet hecht aan duurzaamheid en daartoe zijn meerdere initiatieven opgestart.
Zoals gemeld in de antwoorden op de Kamervragen van GroenLinks op 3 september 2021, werken overheid, zorgorganisaties en marktpartijen binnen de Green Deal Duurzame Zorg3 samen aan het vergroenen van de zorg om de grote milieudruk van de zorg te verminderen. Het bevorderen van circulair werken en tegengaan van (rest)afval is één van de onderdelen daarvan. Dit omvat ook het terugdringen van eenmalig gebruik van medische hulpmiddelen. Hierop lopen meerdere acties zoals bijvoorbeeld de Groene OK en Groene IC, het NEN-platform duurzaamheid en medische hulpmiddelen. Recycling is hierbij slechts één van de manieren om mondmaskers en medische hulpmiddelen te verduurzamen; het gaat bijvoorbeeld ook om minder transport, hergebruik en herbruikbare producten en schonere productie.
In de coronacrisis, toen de vraag naar persoonlijke beschermingsmiddelen explodeerde en het aanbod tekortschoot, is waardevolle ervaring opgedaan met de productie van beschermingsmiddelen in Nederland. Het kabinet is van mening dat productie dichtbij huis in Nederland of de EU in de toekomst zich kan onderscheiden door innovatie gericht op duurzaamheid. Het kan bij duurzame productie onder meer gaan om circulair gebruik van grondstoffen, schonere en innovatieve productietechnologieën, hergebruik van medische hulpmiddelen of verminderde CO2-uitstoot doordat een innovatief productieproces efficiënter is of vanwege het verminderen van transport in de keten.
Om duurzame productie dichtbij huis te stimuleren heeft de toenmalige Minister voor Medische Zorg en Sport samen met de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken eind 2020 twee innovatiecompetities, zogenaamde Small Business Innovation Researchs (SBIRs), uitgeschreven. Daarin worden ondernemers uitgedaagd om respectievelijk duurzame mondneusmaskers en duurzame isolatiejassen te ontwikkelen. Beide competities zijn op dit moment in volle gang, het Ministerie van VWS is benieuwd naar de uitkomsten. In mei 2022 zullen deze beschikbaar komen. De bedoeling is dat deze producten daarna hun weg in de zorg zullen vinden, waar ook steeds meer belang aan duurzaamheid wordt gehecht.
Ook verkent de Gezondheidsraad in opdracht van het Ministerie van VWS welke belemmeringen er zijn in de zorg bij duurzamer gebruik van medische hulpmiddelen en hoe het duurzaam gebruik kan worden bevorderd. Het advies wordt verwacht in het derde kwartaal van 2022.
Bent u bereid het besluit om geen herbruikbare mondkapjes meer toe te staan terug te draaien en het gebruik ervan te stimuleren?
Bij het gebruik van mondkapjes staat voorop dat deze voldoende moeten bijdragen aan het beperken van besmettingen. Alleen mondkapjes die aantoonbaar voldoen aan die eis worden geadviseerd om te gebruiken.
Het kabinet heeft op 15 maart jl. besloten om per 23 maart de mondkapjesplicht in het openbaar vervoer te laten vervallen. De verwachting is dat het percentage mondkapjes in het zwerfafval daalt doordat er minder mondkapjes gedragen zullen worden.
Is het u bekend dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) alarm heeft geslagen over de enorme hoeveelheid medisch afval die zich heeft opgehoopt tijdens de coronapandemie3? Wat wordt er gedaan om ander corona-gerelateerd medisch afval, zoals testkits, lege vaccinflesjes en injectienaalden, zoveel mogelijk te voorkomen?
Ja, ik ken dit signaal van de WHO. Het Ministerie van VWS gaat met veldpartijen (gebruikers, industrie, inspectie) in gesprek om te kijken welke maatregelen er mogelijk zijn om de afvalberg te beperken en of er mogelijkheden zijn om afval te hergebruiken in plaats van te verbranden.
Het bericht ‘Friese mbo's verliezen deel van inburgeraars’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Kiki Hagen (D66) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Friese mbo’s verliezen deel van inburgeraars»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoe beoordeelt u dat Friese Poort en Friesland College zich niet hebben ingeschreven voor de B1-Route en de Z-route voor nieuwkomers met beperkt leervermogen omdat ze de vergoedingen niet kostendekkend achten?
Zoals ook in het artikel is opgenomen vinden de roc’s dat het beschikbare budget te laag is. De rechter heeft de roc’s daarin het ongelijk gesteld en heeft gesteld dat de gemeenten een uitvoerig en zorgvuldig traject doorlopen hebben waarbij de totstandkoming van de financiële bandbreedtes voldoende inzichtelijk is. Dat bandbreedtes mogelijk niet voor alle aanbieders kostendekkend zijn, betekent niet dat deze niet reëel zijn. In twee andere kort gedingen heeft de rechter dezelfde conclusie getrokken. Met het oog op deze uitspraken zie ik geen aanleiding om nadere maatregelen te treffen.
Bent u op de hoogte dat ook Vluchtelingenwerk afhaakt om dezelfde reden? Zo ja, vindt u deze reden gegrond?
Zie antwoord 2. Met het oog op de uitspraken van de kort gedingen zie ik geen aanleiding om nadere maatregelen te treffen.
Welke gevolgen heeft dit voor de inburgeraars in de desbetreffende regio?
Zoals in het artikel is te lezen, was de aanbesteding verlengd tot februari. Dat bandbreedtes mogelijk niet voor alle aanbieders kostendekkend zijn, betekent niet dat deze niet reëel zijn. Zo is het de regio gelukt om de aanbestedingsprocedure af te ronden. Er is in de regio Friesland een aanbod gecontracteerd voor zowel de B1-route als de Z-route. Dit betekent dat inburgeringsplichtigen kunnen instromen in een van deze routes en er dus geen sprake is van nadelige gevolgen voor deze doelgroep.
Hoe verhoudt dit zich tot het onderzoek naar de bekostiging van de onderwijsroute in het nieuwe inburgeringsstelsel?2
In mijn brief van 12 november 20213 en 29 juni jl.4 heb ik de Kamer geïnformeerd over de onderwijsroute en dan specifiek over de extra middelen voor de korte termijn om de onderwijsroute voor inburgeringsplichtigen mogelijk te maken.
Met de kortetermijnoplossing is € 24 mln. extra beschikbaar gesteld om de aanbestedingen voor in ieder geval 2022 vlot te trekken en is de tijdelijke financiering met cumulatief € 35 mln. voor de periode van 2023 t/m 2025 verlengd. Met dit budget is er sprake van meerjarige financiële duidelijkheid. De verwachting is dat, zo blijkt uit de meest recente gegevens vanuit Divosa, gemeenten en onderwijsinstellingen dit jaar nog tot gunning van de onderwijsroute overgaan.
Verder heb ik in het Commissiedebat Inburgering en Integratie van 6 juli jl. toegezegd samen met de Minister voor Primair en Voortgezet onderwijs, de opties voor een structurele borging uit te werken en in het najaar een bestuurlijk overleg met de betrokken veldpartijen te organiseren.
Deelt u de mening dat deze ontwikkeling tegen de doelstelling uit het coalitieakkoord ingaat, die stelt dat we «de roc’s versterken als regionale opleidingscentra, waarin ook volwassenen een leven lang leren en ook nieuwkomers – op basis van de nieuwe inburgeringswet – vanaf dag één leren en integreren»?
Ik begrijp dat deze ontwikkeling tot zorgen leidt en tot vragen in relatie tot het coalitieakkoord. In de eerdergenoemde verkenning rondom de continuïteit van de onderwijsroute wordt ook het versterken van de rol van roc’s meegenomen.
Zo ja, welke acties gaat u ondernemen om zorg te dragen dat er gespreid over het hele land voor alle inburgeraars afdoende aanbod is om opleidingen te volgen voor de B1-route en de Z-route, en dat Friese mbo’s de B1-route en Z-route behouden?
Naast de roc’s bestaan ook andere (private) taalinstellingen die een voorstel in kunnen dienen voor de aanbesteding voor de B1-route en de Z-route. Zoals ook blijkt uit deze casus in de regio Friesland is het gelukt om een aanbod voor de B1-route en de Z-route te realiseren met private partijen. Ik zie derhalve geen aanleiding om specifieke maatregelen te treffen om te stimuleren dat de B1-route en de Z-route wordt behouden bij de Friese MBO’s of andere roc’s.
Wanneer verwacht u de gesprekken af te ronden over de financiering van de onderwijsroute voor de komende jaren?
Zoals eerder genoemd heb ik naast de eerder toegezegde € 24 mln., ook voor de jaren 2023 t/m 2025 aanvullend budget voor de onderwijsroute beschikbaar gesteld. Daarnaast werk ik samen met mijn collega van Primair en Voortgezet onderwijs aan de structurele oplossing voor het vraagstuk van de onderwijsroute. De financiering van de onderwijsroute is uiteraard een onderdeel dit vraagstuk. In het Commissiedebat Inburgering en Integratie van 6 juli jl. heb ik toegezegd in het najaar een bestuurlijk overleg te houden over de toekomst van de onderwijsroute.
Hoe beoordeelt u de uitspraak uit het artikel «omdat het roc met een flexibele schil werkte, hoeven er geen mensen ontslagen te worden»?
De uitspraak biedt onvoldoende context om hier diep op in te gaan. Echter, het lijkt erop dat de bedrijfsvoering van het roc, ook met geen of minder instroom van inburgeraars, niet negatief wordt getroffen. Met betrekking tot de continuïteit van de onderwijsroute heeft het behoud van de infrastructuur van de roc’s mijn aandacht.
Het bericht ‘Straks kan Zeeland alleen nog een bordje naast de met PFAS-water gevulde Hedwigepolder zetten: ‘Geen vis eten!’’ |
|
Harry van der Molen (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Straks kan Zeeland alleen nog een bordje naast de met PFAS-water gevulde Hedwigepolder zetten: «Geen vis eten!»»?1
Ja.
Klopt het dat Vlaanderen, dat de Prosperpolder en de Hedwigepolder omvormt tot een getijdennatuurgebied, van plan is nog voor de volgende winter de dijken door te steken?
Ja.
Wat is er volgens Vlaanderen de oorzaak van dat er een jaar tijd is gewonnen in de procedure, zodat de werkzaamheden nu «ineens» kunnen starten?
Volgens de planning komt het water enkele maanden eerder in het gebied, namelijk niet begin 2023, maar eind 2022. De redenen hiervoor zijn dat de grond uit de dijk niet behoeft te worden afgevoerd vanwege toepassing in de Panoramaheuvel en dat het aantal werkbare dagen hoog is geweest vanwege gunstige weersomstandigheden.
Acht u het voor de beoogde natuurontwikkeling van belang om de resultaten van het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) naar PFAS in de Westerschelde af te wachten alvorens over te gaan tot het binnenlaten van water uit de Westerschelde in de Hedwigepolder?
In de Kamerbrief over gevolgen PFAS voor ontpoldering Hedwigepolder van 5 oktober 20212 en in de in de beantwoording van Kamervragen over gevolgen van PFAS-concentraties Westerschelde voor Hedwigepolder van 16 november 20213 hebben de Minister en Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aangegeven dat de resultaten van de metingen in zwevend stof de beste indicatie zijn voor de op termijn te verwachten kwaliteit van de waterbodem. Deze zwevend stofdeeltjes zullen immers bezinken. De PFAS-concentraties in zwevend stof zijn hoger dan de concentraties die zich op dit moment op de bodem van de Hedwigepolder bevinden, maar zijn niet dusdanig hoog dat deze in strijd zijn met de zorgplichtbepaling uit de Waterwet.
Het genoemde onderzoek van RIVM richt zich op PFAS-concentraties in vis, schaal- en schelpdieren en zeegroenten, die zich op dit moment al in de Westerschelde bevinden. Dit onderzoek zal niet leiden tot nieuwe inzichten over de verwachte water- en bodemkwaliteit van de ontpolderde Hedwigepolder.
Tegelijkertijd wordt druk op Vlaanderen uitgeoefend om de emissie van PFAS terug te dringen en de vergunningvoorwaarden voor vervuilende bedrijven aan te scherpen. Er is dan ook geen aanleiding tot het opschorten van het Hedwigeproject en de resultaten van het onderzoek van het RIVM af te wachten.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat in de Hedwigepolder vervuild slib neerslaat als gevolg van de vervuiling van de Westerschelde? Wat is uw verwachting op dit punt?
Het sedimentatieproces, waardoor de bodem in het nieuwe natuurgebied gevormd wordt, is een decennialang proces waarbij de laagjes steeds gevormd worden door het zwevend stof dat op dat moment in het water aanwezig is. Nieuwe natuurgebieden zullen (minimaal) dezelfde natuurkwaliteit en ontwikkelingsmogelijkheden hebben als bestaande natuur in de Westerschelde die is ontstaan door opslibbing. Het huidige slib dat zich afzet in de nieuwe natuurgebieden heeft een betere kwaliteit dan het slib dat in het verleden is afgezet. Er zijn PFAS-maatregelen aangekondigd om de waterkwaliteit te verbeteren. De dalende trend zal zich dus, zoals het er nu uitziet, doorzetten en hiervan zal ook de (dan ontpolderde) Hedwigepolder profiteren.
Deelt u de mening dat de Hedwigepolder niet onder water gezet dient te worden, zolang het onderzoek naar de vervuiling met PFAS niet is afgerond?
Zoals bij vraag 4 is aangegeven zal het huidige RIVM-onderzoek niet leiden tot andere inzichten over de verwachte water- en bodemkwaliteit van de ontpolderde Hedwigepolder. Rijkswaterstaat blijft de PFAS-gehalten in water en zwevend stof monitoren. Door alle ingezette acties, met name het beperken van de emissies in Vlaanderen, is de verwachting dat deze concentraties zullen dalen.
Klopt het dat de laatste eigenaar van de Hedwigepolder een procedure heeft aangespannen bij de Raad van State om de onteigening opnieuw aan te vechten? Zo ja, wat zijn daarvan de consequenties voor de voortgang van de ontpoldering?
De voormalige eigenaar van de Hedwigepolder heeft een herzieningsverzoek ingediend met betrekking tot het Rijksinpassingsplan en de uitvoeringsbesluiten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het indienen van dit verzoek heeft nu geen consequenties voor de voortgang. Dat zou alleen anders kunnen zijn indien de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak op dit verzoek dit zou bepalen, hetgeen ik niet verwacht.
Bent u bereid in gesprek te gaan met uw Belgische ambtgenoot over de Hedwigepolder in verband met de PFAS-lozingen op de Westerschelde? Zo ja, wat zal de insteek van dat gesprek zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja. Er vindt op 25 maart een kennismakingsgesprek plaats tussen de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en zijn Vlaamse collega Demir. In dit gesprek zal de Minister, net als zijn voorganger, blijven aandringen op het verminderen van emissies van PFAS naar de Westerschelde.
Bent u bereid een regisseur of opdrachthouder aan te stellen naar het voorbeeld van Vlaanderen, waar een «opdrachthouder voor de PFAS-problematiek» is aangesteld in de persoon van Karl Vrancken, zoals gedeputeerde staten van Zeeland vragen in hun brief aan u?2
In reactie op de brief van GedeputeerdeStaten van Zeeland heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangegeven bij zowel de rijksoverheid als de provincie Zeeland op hoogambtelijk niveau een coördinator te willen aanwijzen, die overzicht en samenhang moet brengen in alle acties die al zijn uitgezet. Over de uitwerking hiervan gaat de Minister met GS van Zeeland in gesprek. Overigens heeft zijn voorganger naar aanleiding van een brief van GS van Zeeland in augustus al coördinatie vanuit het Rijk aangeboden en wordt sindsdien tussen de verschillende partijen intensief samengewerkt.
Werken zonder loon en verdringing van betaalde arbeid bij WerkSaam |
|
Bart van Kent |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
Wat is uw reactie op het Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) rapport over misstanden, werken zonder loon en verdringing bij WerkSaam?1
Ik heb kennisgenomen van het rapport van FNV over sociaal ontwikkelbedrijf WerkSaam.
Ik heb van WerkSaam West-Friesland en de betrokken gemeenten die eigenaar zijn van WerkSaam begrepen dat zij zich niet herkennen in het beeld en afstand nemen van de conclusies. Het is vooral van belang dat FNV en WerkSaam het gesprek met elkaar aangaan en dat vervolgens de betrokken gemeenten hun verantwoordelijkheid nemen. Ik heb begrepen dat de gesprekken tussen WerkSaam en FNV hierover inmiddels gepland staan.
Colleges van burgemeesters en wethouders en gemeenteraden dragen de gedecentraliseerde verantwoordelijkheid voor een correcte uitvoering van de Participatiewet. Bij hen is ook het toezicht hierop belegd. Het is daarom aan de colleges van burgemeester en wethouders en gemeenteraden om uitspraken te doen over het functioneren van individuele sociaal ontwikkelbedrijven.
Wat vindt u ervan dat WerkSaam in drie jaar tijd 128.507 euro verdiend heeft op een uitzendconstructie met 84 uitkeringsgerechtigden?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat WerkSaam en de gemeenten en gerelateerde (Sociale Werkvoorziening (SW-))bedrijven een financieel belang hebben om bijstandsgerechtigden te laten werken zonder loon?
Vorig jaar heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen van het lid Van Kent. Deze motie riep het kabinet op om te onderzoeken in hoeverre sociaal ontwikkelbedrijven dan wel gemeentelijke re-integratiebedrijven financieel afhankelijk zijn van productiewerk in re-integratietrajecten (Kamerstuk 35 644, nr. 5). Zoals uw Kamer is gemeld is het onderzoek in handen gelegd van onderzoeksbureau Berenschot. De onderzoeksopzet van Berenschot heeft uw Kamer in oktober 2021 ontvangen (Kamerstuk 35 644, nr. 13).
Het onderzoek waar de motie om vroeg is afgerond en een definitieve rapportage ontvang ik binnenkort. Ik zal het onderzoek daarna naar uw Kamer te sturen. Zie ook het antwoord op vragen 1 en 2.
Wat gaat u doen om dergelijke trajecten met werken zonder loon en verdringing van bestaande arbeid tegen te gaan?
Verdringing van regulier werk met als gevolg oneerlijke concurrentie, moet worden vermeden. Onze wettelijke kaders zijn hier ook heel duidelijk over. Zo wordt voorgeschreven dat werken met behoud van uitkering altijd de kansen van mensen moet vergroten om regulier aan het werk te gaan. Ook moet het werken met behoud van uitkering altijd tijdelijk zijn.
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat gemeenten een grote mate van beleidsvrijheid hebben als het gaat om hun re-integratiebeleid. Dit is ook belangrijk omdat zij hierdoor in staat worden gesteld om maatwerk te leveren aan hun inwoners. Het is dan ook aan colleges van burgemeester en wethouders om te borgen dat de Participatiewet correct wordt uitgevoerd en aan de lokale gemeenteraden om het college hierover ter verantwoording te roepen.
Zoals hierboven aangegeven ontvang ik binnenkort het rapport van Berenschot. Ik ben voornemens dit rapport te bespreken met betrokken partijen.
Wat vindt u ervan dat de kans op een betaalde baan bij de WerkSaam constructies zeer laag blijken te zijn (153 van de 1482)?
Zie het antwoord op vragen 1 en 2.
Gaat u WerkSaam en de betrokken gemeenten aanspreken op werken zonder loon en verdringing van betaalde arbeid?
Ik ben voornemens de uitkomsten van het genoemde onderzoek (onder andere via VNG, Divosa en Cedris) bij gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven onder de aandacht te brengen. Zie verder het antwoord op vraag 1 en 2.
Welke rol heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie de afgelopen jaren gespeeld in het tegengaan van werken zonder loon en verdringing van betaalde arbeid? Welke concrete trajecten en resultaten zijn er geweest?
Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om oneigenlijk gebruik van werken zonder loon en verdringing van betaalde arbeid tegen te gaan. De Nederlandse Arbeidsinspectie houdt toezicht op de doeltreffendheid van de gemeentelijke uitvoering in het stelsel van werk en inkomen en kan hier onderzoek naar doen. Daarnaast kan de Nederlandse Arbeidsinspectie meer risicogericht in een sector of bij een bedrijf onderzoek instellen naar de naleving van de arbeidswetgeving. De Nederlandse Arbeidsinspectie doet geen mededelingen over onderzoek bij een specifiek bedrijf.
Gaat de Nederlandse Arbeidsinspectie de casus van WerkSaam onderzoeken?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe wilt u verdringing van betaald werk en oneerlijke concurrentie tegen gaan?
Verdringing van regulier werk op grond van oneerlijke concurrentie moet worden tegengegaan. De verantwoordelijkheid om hierop toe te zien ligt – als het gaat om mensen die vallen onder de Participatiewet – in de eerste plaats bij de gemeente. Het is dan ook logisch dat werkgevers en bijstandsgerechtigden zich in de eerste plaats bij de gemeente melden als zij signalen of klachten hebben over het verdringen van betaald werk en oneerlijke concurrentie. Natuurlijk kan ook bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) melding worden gedaan van oneerlijke concurrentie en behoort een gang naar de rechter tot de mogelijkheden.
Ik vind het belangrijk dat gemeenten zich bewust zijn van het risico op verdringing van betaald werk en oneerlijke concurrentie. Het is van belang dat zij in hun uitvoeringsprocessen op voorhand borgen dat er geen verdringing plaatsvindt, wanneer zij op grond van de Participatiewet instrumenten inzetten. Om gemeenten hierbij te helpen heeft Divosa in 2018 een handreiking gemaakt. Deze handreiking is nog steeds actueel en beschrijft voor de meest voorkomende instrumenten hoe gemeenten in hun uitvoeringsproces verdringing kunnen voorkomen. Mijn voorganger heeft via het Gemeentenieuws SZW van december 2018 aandacht gevraagd bij gemeenten voor deze handreiking. Ik zal dit binnenkort opnieuw doen.
Bent u bereid om de FNV in de klankbordgroep te laten plaatsnemen bij het onderzoek inzake de uitvoering van motie 35 644 nr. 5?
Zoals in het antwoord op vraag drie staat, is het onderzoek naar aanleiding van motie 35 644, nr. 5 afgerond. De klankbordgroep (met daarin vertegenwoordigers van Cedris, Divosa en de VNG) is inmiddels opgeheven. FNV is uitgenodigd om de uitkomsten van het onderzoek te bespreken. FNV heeft geen gebruik gemaakt van deze uitnodiging. De uitkomsten van het onderzoek worden (onder andere via VNG, Divosa en Cedris) verder bij gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven onder de aandacht gebracht.
Wordt de kans op het verkrijgen van een betaalde baan na een re-integratietraject ook meegenomen in het betreffende onderzoek? Zo nee: welke gegevens en onderzoeken zijn hier al over bekend?
Ja. In het onderzoeksrapport wordt ingegaan op de effectiviteit van re-integratietrajecten.
Bent u bereid om de betreffende onderzoekers te vragen om ook aandacht te hebben voor instanties die op dit vlak eerder de aandacht op zich gevestigd hebben gekregen zoals WerkSaam, Werkom, IJmond Werkt, Concern voor Werk en Voorne Putten Werkt?
Het onderzoek is afgerond. Binnen dit onderzoek is de representativiteit van de uitkomsten methodologisch geborgd.
Over onderzoek naar individuele organisaties verwijs ik u tenslotte graag naar mijn antwoorden op vragen één, twee, zeven en acht.
De ongekende invloed van Blackrock op de Europese klimaatplannen |
|
Jasper van Dijk , Renske Leijten |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
Wat vindt u van het rapport «Hijacked» van Reclaim Finance en Observatoire des Multinationales, waarin wordt aangegeven wat de invloed is van vermogensbeheerder Blackrock op het Europese beleid van duurzame financiën waar zij zelf een groot belang in hebben?1
Het rapport2 suggereert dat de financiële sector een grote invloed had op de hernieuwde duurzame financieringsstrategie van de Europese Commissie. De uitgaven van verschillende lobbyorganisaties van de financiële sector op het terrein van deze strategie schat het rapport tussen de 28,3 en 31,9 miljoen euro.
Wanneer het gaat om interacties tussen EU-instellingen en lobbyisten, zoals ook omschreven in het rapport, is het voor het kabinet van belang dat deze plaatsvinden volgens de bestaande regels, zoals bijvoorbeeld gedragscodes en het verplichte transparantieregister. Onder andere de Europese Ombudsman toetst deze regels en onderzoekt gevallen waarin een EU-instelling of -orgaan in strijd met de wet of goede bestuurspraktijken zou kunnen hebben gehandeld.
De Europese Commissie, die wetgeving initieert, maakt bij het voorstellen van nieuw beleid een afweging ten aanzien van de verschillende betrokken belangen. Zo vinden er voorafgaand aan elk wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie bijvoorbeeld ook publieke consultaties plaats, met als doel om daarmee breed in de samenleving perspectieven op te halen over een onderwerp. De Europese Commissie legt bij de publicatie van een voorstel ook verantwoording af over de uitkomsten van een publieke consultatie.
Kunt u ingaan op de bevinding dat Blackrock en de belangengroepen waar Blackrock bij hoort, op 22 publieke consultaties hebben gereageerd met als doel zich te verzetten tegen strenge regels omtrent duurzame financiën?
Publieke consultaties hebben als doel om breed in de samenleving perspectieven op te halen over een onderwerp. Het is aan de Europese Commissie om vervolgens af te wegen in hoeverre of op welke wijze de inbreng van specifieke organisaties meegenomen wordt bij het opstellen van nieuwe wetgeving.
Bent u op de hoogte van het feit dat Blackrock een van de minst klimaatvriendelijke partijen is op het gebied van duurzame financiën?
Het kabinet vindt het van groot belang dat de financiële sector haar verantwoordelijkheid neemt in de financiering van de duurzame transitie. De fondsen die vermogensbeheerders zoals BlackRock beheren, zijn cruciaal voor het bereiken van onze duurzame doelstellingen. Als financiële instellingen hun portfolio in lijn brengen met de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs, beperken zij daarnaast de aan duurzaamheid gerelateerde financiële risico’s waaraan zij blootstaan. Het kabinet zet zich daarom in voor de verduurzaming van de financiële sector. De financiële sector zelf brengt haar ambities tot uiting in het klimaatcommitment. In het klimaatcommitment hebben Nederlandse financiële instellingen afgesproken om actieplannen op te stellen om hun CO2-voetafdruk naar beneden te brengen. BlackRock Nederland is één van de ondertekenaars van het klimaatcommitment. Het kabinet verwacht dat de ondertekenaars van het klimaatcommitment, waaronder dus ook BlackRock Nederland, zich aan de gemaakte afspraken houden. De publicatie van de voortgangsrapportage van het klimaatcommitment dit najaar is hierin een belangrijk beoordelingsmoment. Het kabinet zal dan bezien waar de sector staat en of dat voldoende is.
Hoe valt het, wat u betreft, uit te leggen dat lobbybedrijven met een belang in gas tussen januari 2020 en juli 2021, 323 meetings hebben gehad, een toename van 9 naar 19 meetings per maand vergeleken met de periode hiervoor?2
Het staat individuele bedrijven vrij om te bepalen hoeveel vergaderingen zij organiseren en met wie. Voor interacties met de EU-instellingen is het van belang dat men zich daarbij houdt aan de regels omtrent het verplichte transparantieregister.4
Bent u tevens op de hoogte van het feit dat Blackrock een jaarlijks budget heeft van 30 miljoen euro om beleid, waaronder op het gebied van klimaat en taxonomie, te beïnvloeden?
Dit bedrag wordt genoemd in het door u aangehaalde rapport van Reclaim Finance. Ik heb hiervan kennisgenomen. Naast de conclusies van dit rapport heeft het kabinet hier verder geen informatie over.
Bent u het ermee eens dat dit geld niet jaarlijks zou worden uitgegeven, als het ook niet een positief effect heeft voor bedrijven als Blackrock, zoals het vaag houden van criteria en andere vormen van regelgeving op het gebied van duurzame financiën?
Het kabinet heeft geen inzicht in de overwegingen van een individueel bedrijf bij het vaststellen van zijn lobbybudget.
Kunt u betreffende deze lobbygesprekken nog specifiek ingaan op het opnemen van aardgas en kernenergie in de Europese voorstellen rondom taxonomie, aangezien uit het rapport blijkt dat Blackrock hiervoor met de Europese Commissie meermaals aan tafel heeft gezeten?
In het algemeen verwijst het kabinet met betrekking tot aardgas en kernenergie in de taxonomie naar de Kamerbrief van de Minister voor Klimaat en Energie van 26 januari jl.5 Het kabinet zal uw Kamer nog informeren over het kabinetsstandpunt ten aanzien van de definitieve gedelegeerde handeling van de Commissie.
Het kabinet is niet bekend met de inhoud van gesprekken tussen BlackRock en de Europese Commissie. Voor interacties met de EU-instellingen is het van belang dat men zich daarbij houdt aan de regels omtrent het verplichte transparantieregister.6
Vindt u ook dat dit belang van Blackrock lijnrecht staat tegenover het welzijn van mensen en het klimaat?
In algemene zin zijn financiële instellingen ook gebaat bij een bijdrage aan de energietransitie omdat dit ook duurzaamheidsrisico’s op de balansen van financiële instellingen beperkt. Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 3 met betrekking tot het klimaatcommitment van de financiële sector, waar BlackRock Nederland één van de ondertekenaars van is.
Kunt u ingaan op dit rapport in relatie tot het inhuren van Blackrock door de Europese Commissie als adviseur op het gebied van duurzame financiën?
Het rapport van Reclaim Finance noemt een aanbestedingsprocedure als voorbeeld van de invloed van de financiële sector op het Europese duurzame financieringenbeleid. Het gaat hierbij om de aanbestedingsprocedure voor advies over de mogelijke integratie van zogenaamde ecologische, sociale en governance (ESG)-factoren in het Europese toezichtraamwerk voor banken. Deze procedure werd in het voorjaar van 2020 gewonnen door BlackRock Investment Management.
In het najaar van 2020 heeft de Europese Ombudsman onderzoek gedaan naar mogelijke belangenverstrengeling in deze aanbestedingsprocedure.7 De Ombudsman concludeerde dat er geen sprake was van wanbestuur omdat de Europese Commissie aan de aanbestedingsregels had voldaan. Wel werden door de Europese Ombudsman zorgen geuit over de tweezijdige rol van BlackRock als enerzijds vermogensbeheerder en anderzijds adviseur op het terrein van duurzame financieringen. De Ombudsman concludeerde daarom dat de Europese Commissie de belangenverstrengeling strenger had kunnen beoordelen. Om dit te verbeteren adviseerde ze om de aanbestedingsprocedures te actualiseren. Het kabinet vindt dat de Ombudsman belangrijke adviezen aan de Commissie heeft gegeven naar aanleiding van dit onderzoek. Het is belangrijk dat de Europese Commissie een solide aanbestedingskader aanhoudt.
De Europese Commissie heeft in april 2021 op het onderzoek van de Ombudsman gereageerd. De Commissie onderschrijft het advies van de Ombudsman en overweegt een strengere beoordeling van belangenverstrengeling bij toekomstige aanbestedingsprocedures.8 De Commissie overweegt daarnaast de Financiële Verordening, de Europese regels voor aanbestedingen door de Europese Commissie, aan te passen. Over deze aanpassingen zal de Commissie ook een publieke consultatie organiseren. Het kabinet vindt het van belang dat er in de aanbestedingsprocedures voldoende aandacht is voor mogelijke belangenverstrengeling en onderschrijft daarom deze acties van de Europese Commissie.
Hoeveel gesprekken heeft Blackrock gehad met de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging in Brussel tussen 2020 en 2021 en over welke onderwerpen?
Tussen 2020 en 2021 heeft er geen afzonderlijk gesprek met Blackrock plaatsgevonden op de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de EU; Blackrock is niet geregistreerd als gesprekspartner op de intern bijgehouden gesprekkenlijst. Blackrock is wel vertegenwoordigd in brancheverenigingen waarmee de Permanente Vertegenwoordiging heeft gesproken, zoals TheCityUK en AFME. Voor zover bekend heeft er in de genoemde periode een (digitaal) gesprek plaatsgevonden over de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk, met deelname van TheCityUK, de City of London Corporation en vertegenwoordigers van de financiële en professionele dienstverleningssector in het VK, waarbij ook een vertegenwoordiger van BlackRock aanwezig was. Verder kan voor de volledigheid nog gemeld worden dat er vanuit ministeries contact is met een brede groep aan belanghebbenden op het thema duurzame financieringen, waaronder Blackrock.
Wat voor plannen kunnen wij deze nieuwe kabinetsperiode verwachten om de invloed van de bedrijvenlobby op het beleid in Brussel te beperken?
Het merendeel van nieuw beleid in Brussel wordt geïnitieerd door de Commissie. De Europese Commissie weegt bij het opstellen van nieuwe wetgeving de positie en achtergronden van de verschillende belanghebbenden. Daarnaast spelen het Europees Parlement en de Raad als medewetgevers een belangrijke rol bij de totstandkoming van Europees beleid. Om te zorgen dat vertegenwoordigers van verschillende EU-instellingen op een ethische en transparante wijze hun werk uitvoeren is het van belang dat men zich aan de geldende gedragscodes en ook aan het verplichte transparantieregister houdt. Op die wijze kunnen de verschillende belangen zorgvuldig gewogen worden bij de totstandkoming van nieuw beleid. Ook kan de Europese Ombudsman bij vermoedens van belangenverstrengeling onderzoek doen, zoals in dit voorbeeld ook is gedaan.
De zorgwekkende frisdrankconsumptie van jongeren. |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Drie keer per dag cola en dan nog een sapje; Amsterdamse jongere drinkt te veel frisdrank»?1
Ja
Bent u ook geschrokken van de uitkomsten van het onderzoek van de GGD Amsterdam naar de frisdrankconsumptie onder Amsterdamse jongeren?
Het is mij bekend dat onder andere jongeren (veel) meer frisdrank drinken dan geadviseerd wordt. Ik vind het wel ernstig dat kinderen en jongeren al zulke ongezonde gewoontes hebben omdat ongezond eten en drinken op jonge leeftijd vaak een voorbode is voor ongezondheid op latere leeftijd, bijvoorbeeld door overgewicht. Daarnaast is frequente consumptie van suikerhoudende dranken slecht voor de tanden.
Bent u bereid een vergelijkbaar landelijk onderzoek te doen naar de frisdrankconsumptie onder jongeren?
Nee, dat ben ik niet van plan. In opdracht van VWS voert het RIVM regelmatig voedselconsumptiepeilingen (VCP) uit onder de algemene bevolking van 1 tot 79 jaar. Met deze peiling worden gegevens verzameld over wat, wanneer en waar geconsumeerd wordt door verschillende leeftijdsgroepen. Uit de VCP komen landelijke cijfers over de frisdrankenconsumptie en hiermee kan bijvoorbeeld ook de bijdrage van de frisdrankconsumptie aan de totale consumptie van suikers in beeld worden gebracht. Dit najaar verwacht ik de publicatie van nieuwe cijfers van de meest recente peiling (2019–2021).
Resultaten van de VCP zijn te zien op www.wateetnederland.nl.
Wat doet u momenteel om de frisdrankconsumptie onder jongeren te verminderen?
Voor kinderen en jongeren werk ik aan een gezonde schoolomgeving waarin bijvoorbeeld het drinken van water wordt gestimuleerd en het gebruik van suikerhoudende frisdrank wordt ontmoedigd. Een voorbeeld is dat waterdrinken een bindend uitgangspunt is van de Gezonde School-aanpak2. Vanuit de subsidieregeling watertappunten hebben meer dan 900 scholen (po, vo en mbo) een watertappunt gerealiseerd.
Via het Akkoord Gezonde Voeding Op Scholen (2021–2025) werken JOGG en Voedingscentrum samen met aanbodbepalende partijen als cateraars, groothandels, voedselproducenten en leveranciers. Dit helpt scholen ook bij het bereiken van een Gezonde Schoolkantine.
Deze inzet heeft er toe bijgedragen dat het aanbod aan frisdrank op scholen de afgelopen jaren is veranderd. Dranken op scholen bevatten steeds minder suikers. Veel regular dranken zijn vervangen door calorie loze en light varianten.
De verschuiving in het frisdrankaanbod komt ook voort uit de toezegging in het preventieakkoord van de Nederlandse frisdranksector om de hoeveelheid calorieën (suiker) in het volume aan drank dat ze verkopen met 30% te verlagen in 2025 (ten opzichte van 2012). Dit doen ze onder andere door meer marketing voor calorie loze of light producten op de markt. Er zijn ook waters met een smaakje op de markt bijgekomen die weinig calorieën bevatten. Daarnaast hebben de Nederlandse frisdrankproducenten in het Nationaal Preventie Akkoord afgesproken per 2019 te stoppen met de verkoop van de traditionele, suikerhoudende frisdranken aan middelbare scholen en adviseren ze betreffende cateraars alleen nog water en laagcalorische en calorievrije frisdranken te verkopen.
In het Nationaal Preventieakkoord hebben partijen zich verbonden aan productverbetering. De nieuwe aanpak hiervoor heb ik recent aan uw Kamer gestuurd3. Het verbeteren van de samenstelling van frisdrank is onderdeel van deze nieuwe aanpak.
In het coalitieakkoord is hier bovenop aangekondigd dat de belasting op frisdranken wordt verhoogd.
Kunt u in gesprek gaan met het Voedingscentrum en eventueel andere betrokkenen om de voorlichting aan jongeren over de ongezonde eigenschappen van vruchtensap te verbeteren?
Educatie is een belangrijke pijler binnen de Gezonde School-aanpak. Erkende educatieprogramma’s die onderdeel van deze aanpak zijn, zoals Smaaklessen, leren kinderen wat gezonde en ongezonde dranken zijn. Er wordt bijvoorbeeld behandeld waarom water de beste dorstlesser is en wat de nadelen zijn van frisdrank.
Gaat de invoering van de Nutri-Score jongeren helpen om ongezonde vruchtensappen en frisdrank voortaan te laten staan?
Nutri-Score kan consumenten helpen om producten uit dezelfde productgroep met elkaar te vergelijken. Nutri-Score geeft aan mineraal- en bronwater een donker groene A. Suikerhoudende frisdranken én vruchtensap krijgen over het algemeen een Score C of lager. Nutri-Score maakt dus inzichtelijk wat de gezondere optie is en is daarmee een hulpmiddel, ook voor jongeren, om die gezondere keuze in de winkel of online te maken.
Wanneer verwacht u dat consumenten de Nutri-Score op alle verpakkingen terug kunnen vinden?
Het definitieve besluit over de invoering van Nutri-Score in Nederland heb ik nog niet genomen. Hiervoor wacht ik op de uitkomsten van de evaluatie van het algoritme van Nutri-Score die momenteel wordt uitgevoerd door een internationaal wetenschappelijk comité.
Als Nederland besluit tot invoering kunnen levensmiddelenfabrikanten en supermarkten vrijwillig kiezen om het logo te gebruiken. Op een aantal producten in het winkelschap zien we al het Nutri-Score logo. Het gaat in dit geval om producten die in buitenlandse bedrijven zijn geproduceerd en daarom met het logo legaal op de Nederlandse markt mogen worden afgezet (wederzijdse erkenning), of om pilots. De verwachting is dat het aantal verpakkingen met Nutri-Score snel en sterk zal toenemen zodra het besluit tot invoering van Nutri-Score in Nederland formeel is genomen.
Deelt u de aanbeveling van de GGD Amsterdam dat er een bredere beweging nodig is om tegen te gaan dat het normaal is om frisdrank te drinken, zoals dit ook is gebeurd bij de ontmoediging van tabak?
Ik deel de urgentie die de GGD schetst. Daarom is ook voortzetting en versterking van de preventieaanpak nodig die in gang is gezet met het Nationaal Preventieakkoord en komt er een belastingverhoging op frisdranken. Die urgentie zit hem wat mij betreft niet alleen in te hoge frisdrankconsumptie maar in meerdere factoren die ten grondslag liggen aan overgewicht en ongezonde voeding.
Bent u bereid de lessen en successen van de campagne voor een rookvrije generatie te betrekken bij de aanpak van het verminderen van frisdrankconsumptie onder jongeren?
Daar ben ik zeker toe bereid. In het coalitieakkoord is niet voor niks afgesproken dat we de doelen van het preventieakkoord doorzetten, met als doel een gezonde generatie in 2040 met een focus op de jeugd door sport, voeding en bewegen. Daarin werk ik onder andere samen met de Samenwerkende Gezondheidsfondsen (SGF) die ook een belangrijke partij zijn bij de beweging naar een rookvrije generatie. Zij nemen deze ervaring ook mee.
Bent u bereid werk te maken van sobere verpakkingen, gezonde alternatieven en een verbod op reclame en marketing voor frisdrank gericht op jongeren?
Aanvullende maatregelen op het preventieakkoord werk ik de komende tijd nog uit, waar mogelijk samen met de NPA tafel overgewicht en waar nodig daarbuiten. Om de dagelijkse voedselomgeving gezonder te maken, verken ik de wettelijke mogelijkheden om een gezonde voedselomgeving te bevorderen. Hiermee zouden we ook eventuele regels kunnen stellen met betrekking tot ongezonde drank-, snoep- en snackautomaten in bijvoorbeeld de schoolomgeving of beperken van marketing van ongezonde producten gericht op kinderen. Ik hoop uw Kamer voor de zomer te informeren over de aanvullende maatregelen.
Er zijn naast gewoon kraanwater al diverse gezonde alternatieven beschikbaar. Producenten zetten hier onder invloed van marktvraag en afspraken al op in. Ook bestaat er een Reclamecode voor Voedingsmiddelen met zelfreguleringsafspraken over marketing voor ongezonde producten gericht op kinderen.
Bent u bereid in overleg met het onderwijsveld ervoor te zorgen dat er geen frisdrank wordt verkocht op scholen en dat (flits)bezorgers niet worden toegestaan op het schoolplein?
Wat mij betreft moeten we erop alert zijn dat bepaalde maatregelen, zoals een verbod op (flits)bezorgers, er voor kunnen zorgen dat het probleem zich verplaatst naar buiten de schoolgrenzen. Een samenwerking tussen scholen, gemeenten, en voedselaanbieders rond scholen is daarom noodzakelijk. Dit is toegepast in de pilot Gezonde Schoolomgeving4. JOGG gaat deze pilot opschalen om meerdere gemeenten met deze aanpak te ondersteunen.
Daarnaast kijk ik in de verkenning die ik in antwoord 10 noem hoe ik gemeenten juridische handvatten kan bieden om de voedselomgeving, onder andere rond de school, gezonder te maken.
Wanneer kan de Kamer het voorstel om gemeenten meer instrumenten te geven voor het creëren van een gezonde voedselomgeving verwachten?2
Ik werk de komende tijd mijn aanpak op het gebied van overgewicht en voeding verder uit. Het gezonder maken van de voedselomgeving is daar een belangrijke pijler in. Het bieden van juridische handvatten aan gemeenten zie ik als een onderdeel hiervan. Ik hoop uw Kamer hier voor de zomer over te informeren.
Wanneer kan de Kamer het voorstel voor een belasting op suikerhoudende dranken verwachten?3
De aanpassing van de verbruiksbelasting op niet-alcoholische dranken zal meelopen in het pakket Belastingplan 2023 dat met Prinsjesdag aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.
Kunt u deze vragen een-voor-een en voorafgaand aan het commissiedebat over leefstijlpreventie op 24 maart 2022 aanstaande beantwoorden?
Ja.
Afstandsnormen voor windturbines |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Kunt u een heldere tijdslijn schetsen wanneer u verwacht dat de nieuwe afstandsnormen voor windturbines ingevoerd kunnen zijn? Klopt het dat:
Hoe voorkomt u dat lokale overheden, die hard aan de slag zijn gegaan met de Regionale Energiestrategieën en daartoe zijn opgeroepen door het Rijk, zolang de nieuwe afstandsnormen die zijn aangekondigd in het coalitieakkoord er nog niet zijn, gedemotiveerd raken?
In het Klimaatakkoord hebben we afgesproken dat de medeoverheden het voortouw nemen in het inpassen van de opwek van 35 TWh aan grootschalig hernieuwbaar op land (zon en wind) in de leefomgeving in 2030. Daarbij maken zij, in samenspraak met allerlei stakeholders waaronder het Rijk, een afweging tussen draagvlak, impact op het net, en ruimtelijke inpassing.
Het is belangrijk dat lokale overheden niet gedemotiveerd raken en het RES-proces geen vertraging oploopt. We hebben ons tenslotte allemaal gecommitteerd aan (internationale, Europese en nationale) klimaatdoelen, waar ook de RES onderdeel van is. Het planMER-traject loopt en zal leiden tot nieuwe normen. De medeoverheden, alle belanghebbenden en het parlement doen mee in de besluitvorming daarover. Totdat er nieuwe normen zijn vastgesteld, hebben de betrokken partijen met elkaar een verantwoordelijkheid om windturbines – die noodzakelijk zijn voor het halen van onze klimaatdoelen – op basis van een locatie-specifieke afweging zorgvuldig in te passen. Dit dient uiteraard te gebeuren met oog voor verschillende belangen en oog voor adequate milieubescherming.
Door de uitspraak van de Raad van State ligt er een belangrijke verantwoordelijkheid bij de lokale overheden: zij moeten nu zelf eigen, locatie-specifieke normen opstellen. Dit is complex en kan, zeker voor kleinere gemeenten, een extra werklast met zich meebrengen. Vanuit het Actieprogramma Verankering Milieubescherming na Nevele wordt dit gezien. Samen met NP RES, RVO, IPO en VNG wordt daarom ondersteuning geboden aan de decentrale overheden om een zorgvuldig proces in te richten voor locatie-specifieke normen, bijv. door het organiseren informatiebijeenkomsten, kennisdelingssessies en een helpdesk. Provincies en gemeenten geven aan dit te waarderen en zelf door te willen met de regionale energieopgave.
Daarnaast zal ik, zoals ik heb aangegeven in het debat op 17 februari jl. met uw Kamercommissie, in overleg treden met de medeoverheden om te spreken over gezamenlijke uitgangspunten voor de plaatsing van nieuwe windparken in de periode waarin er nog geen nieuwe landelijke windturbinenormen zijn.
Hoe gaat de tijdelijke overbruggingsregeling die bestaande windparken meer rechtszekerheid moet geven, eruit zien en wanneer verwacht u deze overbruggingsregeling te kunnen presenteren?
Met de ontwerpAMvB waarin een overbruggingsregeling voor bestaande, vergunde windturbineparken is opgenomen, wordt de bescherming geboden die voorheen met de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling werd geboden. Daarin is geen wijziging aangebracht. De ontwerpAMvB is voor advies aangeboden aan de Afdeling Advisering van de Raad van State. Afhankelijk van wanneer dat advies is gegeven en de inhoud van dat advies kan vervolgens besluitvorming plaatsvinden over de ontwerpAMvB en kan hier meer ruchtbaarheid aan worden gegeven.
Bent u van mening dat er ook een tijdelijke overbruggingsregeling moet komen voor nieuwe windprojecten zolang de nieuwe normen er nog niet zijn? Is het mogelijk om, zolang er geen nieuwe afstandsnormen zijn, met de Vereniging van Nederlandse Gemeentes (VNG) en het Inter-provinciaal overleg (IPO) afspraken te maken over de normen die in de tussentijd gehanteerd zullen worden? Kunnen de normen die medio 2022 in consultatie gaan daarvoor het uitgangspunt zijn?
De smb-richtlijn vereist een plan-mer voor algemene regels die kaderstellend zijn voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor windturbineparken. Er kan dus voor nieuwe windprojecten geen overbruggingsregeling met milieunormen worden vastgesteld. De overbruggingsregeling kan alleen worden vastgesteld voor windturbineparken die reeds beschikken over vergunningen voor het oprichten en exploiteren van het windpark. De overbruggingsregeling voorziet immers niet in een «kader voor de toekenning van toekomstige vergunningen». Omdat de overbruggingsregeling dus geen kader vormt voor toekomstige vergunningen hoeft daarvoor geen plan-mer te worden gemaakt.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 2 zal ik in overleg treden met de medeoverheden om te spreken over gezamenlijke uitgangspunten voor de plaatsing van nieuwe windparken in de periode waarin er nog geen nieuwe landelijke windturbinenormen zijn.
Kunt u een inschatting geven hoeveel vermogen aan wind op land nodig, haalbaar en wenselijk zou zijn in 2030 en 2050? Bent u van mening dat het vermogen van wind op land dat nodig is in 2050 zich bevindt ergens binnen de vier scenario’s die in rapport «Het Energiesysteem van de Toekomst – Integrale Infrastructuurverkenning 2030-2050» zijn geschetst, tussen de 10 GW (scenario’s regionaal en nationaal) en 20 GW (scenario’s Europees en Internationaal)?
De inschatting hoeveel vermogen wind op land nodig is, is afhankelijk van veel factoren. Dit geldt voor zowel 2030 als 2050, waarbij de onzekerheden richting 2050 groter zijn dan richting 2030. Om te beginnen is de vraag bepalend voor het benodigd aanbod. Het PBL schat de totale elektriciteitsvraag in 2030 op 119 TWh (KEV, 2021). Inmiddels weten we ook dat er additionele vraag te verwachten valt vanuit industrie (10–30 TWh), datacenters (5–15 TWh), mobiliteit/gebouwde omgeving/glastuinbouw (20 TWh). Voor al deze additionele prognoses geldt dat zij uitgaan van maximale extra vraag en met grote onzekerheden zijn omgeven. Zo maakt het veel verschil of een bedrijf haar emissies terugbrengt via CCS dan wel via een productieproces gebaseerd op waterstof. De ontwikkeling van de vraag kan dus niet als vast gegeven worden beschouwd en is afhankelijk van publieke en private beslissingen. Ten tweede is een inschatting van het benodigd vermogen dus mede afhankelijk van keuzes in verduurzaming die in verschillende sectoren gemaakt worden. En die keuzes zijn weer afhankelijk van het stimuleringskader, prijs van CO2 in ETS etc. Ten derde is de hoeveelheid wind op land afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden aan de aanbod kant. Momenteel werken we voor 2030 niet met een doelstelling voor vermogen aan wind op land, maar met een doelstelling van minimaal 35 TWh aan grootschalige productie uit wind en zon in 2030, waarbij de regio’s verantwoordelijk zijn voor het aanwijzen van zoekgebieden voor wind en zon. Wel is het zo dat het huidige beleid uitgaat van 49% CO2-reductie in 2030. Er is dus meer nodig, wat ook gevolgen kan hebben voor het aandeel hernieuwbare productie op land, en indirect daarmee voor het aandeel wind op land. In de Klimaatnota zullen beleidsmaatregelen staan die moeten optellen tot 60% CO2-reductie in 2030. Ik streef er naar een concept Klimaatnota tegelijkertijd met de Miljoenennota aan uw Kamer aan te bieden. Dit zal meer helderheid moeten verschaffen wat de opgave voor elektriciteit is in 2030 en wat daarin nodig, haalbaar en wenselijk is.
Zoals gezegd zijn de onzekerheden richting 2050 nog groter. Klimaatneutraliteit staat daarbij voorop, waarbij het formuleren van doelstellingen per techniek minder logisch is. Specifiek voor de elektriciteitssector is daarbij het voorstel van de Europese Commissie in het kader van Fit-for-55 van belang, dat uitgaat van een netto uitstoot van 0 in 2040. Ook zal de verdere uitwerking van het Coalitieakkoord ten aanzien van kernenergie bepalend zijn voor de ontwikkeling van wind op land na 2030. Voor 2050 is het heel goed mogelijk dat het vermogen wind op land tussen de bandbreedtes ligt van de scenario’s zoals opgesteld door de netbeheerders, maar het valt niet uit te sluiten dat het uiteindelijk meer of minder zal worden. Voor de zomer kom ik met de eerste opzet van een Nationaal plan voor het energiesysteem in 2050, dat uitgebreider zal ingaan op de samenstelling van onze energiemix in 2050.
Bent u bekend met het feit dat het onderliggende dosis-effectrelatie-onderzoek voor de Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving bijna 15 jaar oud is en gebaseerd is op toenmalige onderzoeken en windturbines? Bent u bereid dit onderzoek te actualiseren?
Ja, hiermee ben ik bekend. Het onderliggende onderzoek is gebaseerd op Europese studies en biedt daarmee de best beschikbare weergave van de te verwachten hinder bij een bepaalde geluidbelasting in de Europese context. Ook de WHO baseert het voorwaardelijk advies voor windturbinegeluid op grotendeels dezelfde studies. Ik hecht er aan om via het RIVM de kennisontwikkeling op dit gebied continue te volgen en waar nodig op peil te houden.
Bent u bereid in de nieuwe normen op te nemen dat stillere windturbines in het voordeel zijn of worden voorgeschreven?
De inzet op het vlak van de milieubescherming is er onder meer op gericht om te streven naar minder geluidhinder c.q. minder nadelige effecten op de gezondheid in relatie tot windturbines. Geluidsnormen voor windturbines kunnen daarbij de ontwikkeling van turbines die minder geluid produceren stimuleren. Ook is het voorschrijven van bepaalde technieken een optie als het gaat om de nieuwe normstelling. Het traject voor nieuwe milieunormen loopt nu en daarvoor wordt eerst een plan-mer gemaakt met de daarbij behorende brede participatie en de daarbij behorende afwegingen. Hierop kan niet worden vooruitgelopen.
Hoe beoordeelt u het advies van de WHO om een geluidsnorm van 45dB Lden te hanteren? Klopt het dat bij een windpark in lijnopstelling de 45 dB-contour circa 35 procent verder afligt van de turbines dan bij de 47 dB-contour?
De objectieve beoordeling van dit voorwaardelijke WHO-advies is belegd in het concept NRD voor de plan-MER voor nieuwe windturbinebepalingen. In de plan-MER worden de milieueffecten van een 45 dB Lden-norm via de MER-systematiek beoordeeld. Dit betekent dat er inzicht komt in de effecten van deze norm, als één van de varianten die wordt onderzocht. In de gepubliceerde concept-NRD van het plan-MER staat het hele beoordelingskader1. Na oplevering van het plan-MER volgt de besluitvorming over nieuwe normen door de Staatssecretaris van IenW.
Het klopt dat de 45 dB-contour circa 35% verder afligt van een gemiddelde turbine dan de 47 dB-contour, zoals ook aangegeven in eerdere antwoorden (Aanhangsel van de Handelingen, nr. 852).