Wapenleveranties aan Oekraïne |
|
Jasper van Dijk |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Wat heeft Kiëv aan Nederlands materieel»?1
Ik heb kennisgenomen van dit bericht. Zoals in het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken (20 januari 2022) aangegeven, wordt zorgvuldig beoordeeld of de eventueel te leveren militaire goederen voldoen aan de EU wapenexportcriteria.
Wat voor verzoek voor militaire ondersteuning heeft Oekraïne aan u gedaan? Deelt u de mening dat hierover in het kader van parlementaire controle absolute transparantie moet bestaan?
Over de aard van het Oekraïense ondersteuningsverzoek kan ik geen uitspraken doen. Het is niet aan de Nederlandse overheid om de specifieke behoeften van Oekraïne openbaar te maken. Dergelijke openbaarheid voorafgaand aan eventuele ondersteuning geeft immers ook informatie over eventuele kwetsbaarheden die van strategisch belang kunnen zijn.
Mocht Nederland overgaan tot het leveren van militaire goederen aan Oekraïne dan is het kabinet graag bereid om de Kamer hierover versneld per brief te informeren. Dat doen we normaliter conform bestaande afspraken met de Kamer wanneer er sprake is van nieuwe, definitieve uitvoer van volledige systemen met een waarde van meer dan 2 miljoen euro.2 In deze uitzonderlijke situatie is het kabinet bereid eerder dan gebruikelijk transparantie over de eventuele Nederlandse militaire uitvoer te bieden.
Gaat het tijdens uw bezoek volgende week (1-2 februari) aan Kiëv over wapenleveranties? Zo nee, wat staat er op de agenda? Kunt u de Kamer hierover nauwgezet informeren?
Het Oekraïense verzoek tot levering van militaire goederen was een van de onderwerpen die aan bod zijn gekomen tijdens het bezoek van de Minister-President en mijzelf.
Erkent u dat Nederland betrokken kan raken bij een militair conflict als u wapens en/of militair personeel aan Oekraïne gaat leveren?
Het Oekraïense verzoek betreft geen troepensteun, maar omvat de eventuele levering van militaire goederen. Het kabinet hecht er aan te benadrukken dat het Oekraïense steunverzoek voortkomt uit een snel toenemende dreiging als gevolg van Russische troepenopbouw aan de Oekraïens-Russische grens. Eventuele bilaterale steun zal erop gericht zijn Oekraïne in staat te stellen invulling te kunnen geven aan het legitieme recht op zelfverdediging. Daarbij zullen de eventuele transacties zorgvuldig worden getoetst aan de EU wapenexportcriteria en alleen doorgang vinden wanneer ze die toetsing doorstaan.
Deelt u de mening dat de levering van wapens aan Oekraïne in strijd zou zijn met de criteria voor wapenexport (geen wapens naar conflictgebieden, etc)?
Over de toepassing van dit beleid specifiek ten aanzien van Oekraïne is de Tweede Kamer in antwoorden op schriftelijke vragen al eerder (oktober 2018) geïnformeerd (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 409.
Er geldt geen wapenembargo voor Oekraïne op basis waarvan export van militaire goederen naar Oekraïne per definitie uitgesloten is. Alle vergunningaanvragen voor uitvoer van militaire goederen worden op individuele basis zorgvuldig getoetst aan de acht criteria uit het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Dit beleid verbiedt niet bij voorbaat alle militaire uitvoer naar instabiele regio’s, maar vereist per transactie een zorgvuldige analyse van de mogelijke effecten op de regionale stabiliteit. Op basis van, onder meer, de aard van de goederen, de beoogde inzet, en de actuele context wordt een eindafweging gemaakt over de risico’s en het al dan niet verlenen van een vergunning voor de desbetreffende transactie. Vanwege het conflict in het oosten van het land en de actuele spanningen aan de Oekraïens-Russische grens wordt bij de toetsing van aanvragen die betrekking hebben op Oekraïne extra aandacht besteed aan criteria 3 en 4, die respectievelijk gaan over interne conflicten en het effect op de regionale stabiliteit. Zie overigens ook het antwoord op vraag 7.
Bent u het ermee eens dat het onderscheid tussen defensieve en offensieve wapens zeer betrekkelijk is? Zo nee, hoe maakt u het onderscheid?
Het onderscheid tussen defensief en offensief is in een aantal gevallen wel, maar niet in alle gevallen helder te maken. Zo sluit een defensieve taakstelling van een militair goed het offensief gebruik ervan niet per se uit (en vice versa). Nederland maakt in het wapenexportcontrolebeleid geen onderscheid tussen offensieve en defensieve goederen. Alle transacties worden op individuele basis getoetst op basis van de acht criteria uit het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Hierbij wordt gekeken naar de aard van de goederen, de eindgebruiker en het (beoogd) eindgebruik in de op dat moment geldende context.
Waarom bent u van standpunt veranderd, aangezien het kabinet in december nog van mening was dat wapenleveranties niet bijdragen aan een vreedzame oplossing?
Het kabinet blijft zich internationaal in de eerste plaats inzetten voor een diplomatieke oplossing en schaart zich achter de vele initiatieven die daartoe via de NAVO, EU, OVSE, het Normandië-format en de bilaterale initiatieven van individuele landen lopen.
Tegelijkertijd heeft Oekraïne een legitieme veiligheidsbehoefte en het recht zijn territoriale integriteit te beschermen. Dit werd ook in antwoord op schriftelijke vragen in oktober 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 409) al met de Tweede Kamer gedeeld. In deze beantwoording stelde het kabinet ook dat verscherpte tegenstellingen op het Europese continent eerst en vooral veroorzaakt worden door Russisch optreden ten aanzien van Oekraïne. Deze situatie duurt tot op heden voort en heeft zich sinds december 2021 in hoog tempo in negatieve zin ontwikkeld. Aan herhaaldelijke oproepen tot meer transparantie over en afschaling van zijn militaire presentie in het grensgebied heeft Moskou vooralsnog geen gehoor gegeven. Integendeel, er is in toenemende mate sprake van een serieuze dreiging van Russische militaire inzet tegen Oekraïne in enige vorm.
In deze context wil het kabinet parallel aan eerder genoemde diplomatieke inspanningen bijdragen aan de Oekraïense capaciteit om zich te kunnen verdedigen, waarbij vooropstaat dat dergelijke steun niet moet bijdragen aan verdere escalatie. Nu er binnen deze gewijzigde veiligheidscontext een Oekraïens verzoek tot bilaterale steun van militaire aard is gedaan, staat het kabinet daar in de huidige, substantieel gewijzigde situatie welwillend tegenover.
Waarom trekt u niet samen op met Duitsland, een land dat ook geen wapens levert aan Oekraïne?
Er is grote eensgezindheid tussen Nederland en Duitsland op dit dossier, zoals andermaal bleek tijdens mijn gesprek met mijn Duitse ambtgenoot Baerbock in Berlijn woensdag 26 januari jl. evenals uit de contacten die de Minister van Defensie en de Minister-President in de afgelopen periode met hun Duitse ambtsgenoten hebben gehad. Voorts is het niet aan het kabinet om een appreciatie te geven van de details van het Duitse wapenexportbeleid ten aanzien van Oekraïne.
In de meest recente vergadering (24 januari 2022) van de Raad Buitenlandse Zaken is ook uitgebreid gesproken over de situatie ten aanzien van Oekraïne om zo te komen tot een gezamenlijke politieke lijn. Tijdens deze vergadering zijn raadsconclusies aangenomen die het belang van dialoog nogmaals benoemen.3
Bent u het ermee eens dat de Russische agressie richting Oekraïne onacceptabel is, maar dat een kostbare wapenwedloop geen oplossing biedt?
Zoals in het antwoord op vraag 7 genoemd, blijft het kabinet zich internationaal, via verschillende gremia, inzetten voor een diplomatieke oplossing. Parallel aan eerder genoemde diplomatieke inspanningen, is het kabinet bereid bij te dragen aan de Oekraïense capaciteit om zich te kunnen verdedigen en staat het kabinet daarom in de huidige situatie welwillend tegenover het leveren van militaire goederen aan Oekraïne, mits beschikbaar en passend binnen de criteria.
Geeft u met mij ten allen tijde de voorkeur aan een politieke oplossing in plaats van escalatie, bewapening en een nieuwe (koude) oorlog? Zo ja, wilt u afzien van wapenleveranties aan Oekraïne?
Zie antwoorden op vragen 7 en 9 en mijn eerdere brief van 20 januari jl. (Kamerstuk 35 925-V, nr. 65).
Bent u bereid om in Europees verband te werken aan afspraken (in lijn met eerdere verdragen zoals de Helsinki Akkoorden en het Handvest van Parijs) over wapen- en conflictbeheersing? Zo nee, hoe wordt volgens u een duurzame oplossing bereikt?
Nederland benadrukt in NAVO-, EU- en OVSE-verband dat afschrikking en verdediging hand-in-hand moeten gaan met wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie. Dit sluit aan bij het huidige kabinetsbeleid, dat de lopende diplomatieke initiatieven in deze fora ondersteunt.
Zo hebben de Verenigde Staten en NAVO voorstellen gedaan voor het bespreken van onder andere wapenbeheersing, conflictpreventie en risicovermindering in de zogeheten Strategic Stability Dialogue tussen de VS en Rusland, en in de NAVO-Rusland Raad.
In EU-verband zijn tijdens de meest recente Raad Buitenlandse Zaken (24/1 jl.)
raadsconclusies aangenomen die het belang van dialoog nogmaals benoemen en stellen dat de EU actief en substantieel bijdraagt aan discussies in bestaande formats.4
De huidige voorzitter van de OVSE, Polen, heeft een voorstel gedaan voor een informele dialoog over Europese veiligheid. Het idee kan op brede steun rekenen, ook van Nederland. De invulling van het proces behoeft nog nadere uitwerking. De Russische delegatie heeft nog niet op het voorstel gereageerd.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat over Oekraïne op 3 februari?
Ja
Soumaya Sahla |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft de wegens lidmaatschap van de terroristische organisatie de Hofstadgroep en wegens illegaal wapenbezit veroordeelde Soumaya Sahla wel eens adviezen gegeven aan de AIVD, de directeur-generaal AIVD, medewerkers van de AIVD en/of de NCTV?
De AIVD voert haar taakstelling uit op basis van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv 2017). De AIVD kan in het openbaar niet ingaan op concrete vragen over haar handelen.
De NCTV doet als nationaal coördinator terrorismebestrijding kennis op bij veel relevante organisaties en personen. Persoonlijke ervaringen kunnen waardevolle inzichten bieden over het radicaliseringsproces en over de gang van zaken binnen extremistische groepen.
Tegen deze achtergrond is er door experts van de NCTV enkele keren gesproken met mevrouw S. Sahla. Er is geen betrokkenheid geweest van mevrouw S. Sahla bij het maken van analyses van de NCTV of het vormgeven van beleid.
Kunt u deze vragen over uw partijgenoot nog heden beantwoorden?
Nee, de vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht dat de vandalen van de coronarellen het betalen van aangerichte schade ontlopen |
|
Michiel van Nispen |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
Wat is uw reactie op de berichten «Vandalen coronarellen ontlopen betalen van aangerichte schade» en «Veel vandalen hoeven forse schade coronarellen niet te vergoeden»?1 2
De rellen in januari 2021 gingen gepaard met volstrekt onacceptabel en strafbaar gedrag, zoals vandalisme, plunderingen en geweld tegen de politie. Dat was niet alleen een grove aantasting van de rechtsorde, maar maakte ook moedwillig medeburgers, waaronder reeds door corona zwaar getroffen ondernemers, tot slachtoffer. Voor slachtoffers is het verhalen van schade van groot belang. Niet alleen omdat dit zorgt voor materieel herstel, maar ook omdat dit zorgt een vorm van erkenning van het aangedane leed. Dat de dader de door hem aangerichte schade moet betalen, staat hierbij uiteraard voorop. Iedereen is in beginsel verantwoordelijk voor de gevolgen van zijn of haar handelen en dus ook voor het vergoeden van veroorzaakte schade.
Na de betreffende rellen stond in de eerste plaats het opsporen en berechten van de daders centraal. Ten aanzien van de toegebrachte schade heeft mijn ambtsvoorganger in debat met uw Kamer3 toegezegd dat de getroffen ondernemers schadeloos gesteld zouden worden voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van de rellen voor zover dit niet door een verzekering of anderszins gedekt wordt. Het algemene beeld is dat de daarvoor in aanmerking komende ondernemers inderdaad zijn gecompenseerd voor hun schade.
Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat het de inzet was dat de daders van de rellen zoveel als mogelijk zouden opdraaien voor de schade die zij hebben veroorzaakt. Het verhalen van de schade op de daders verloopt via verschillende routes, namelijk via het strafproces en via het vorderen op daders van vanuit de Regeling bedrijvenschade coronarellen uitgekeerde schade. Dit is ten dele en met name via het strafproces succesvol geweest. De afwikkeling daarvan is nog niet afgerond, zodat het nog te vroeg is voor een eindoordeel over de mate waarin het verhaal op daders is gelukt. Ik kan u echter verzekeren dat het mijn ambitie is om daders zoveel als mogelijk te laten betalen voor de aangerichte schade.
Kloppen de in de artikelen genoemde getallen? Hoeveel mensen zijn nu precies veroordeeld voor deze rellen, hoe vaak is de dader veroordeeld voor het vergoeden van de schade, om welke bedragen gaat dit en in welk deel van de gevallen is dit reeds betaald of verhaald?
Op basis van cijfers van het OM, de Rechtspraak en het CJIB kan ik u het volgende meedelen over hetgeen tot nu toe is verhaald aan schade op daders.4 Wat betreft verhaal via het strafproces heeft het OM 404 verdachten van de betreffende rellen geregistreerd, waarvan 312 verdachten zijn gedagvaard of opgeroepen. Hierbij ging het om diverse strafbare gedragingen, ook om delicten waarbij geen sprake was van schade. In een aantal zaken heeft zich een benadeelde partij gevoegd. Bij het CJIB zijn van 55 daders vonnissen bekend waarbij een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. Hiermee is een totaal schadebedrag van ruim € 551.000,– gemoeid. Deze schadevergoedingen komen ten goede aan 70 benadeelde partijen. Op het moment dat de vonnissen bij het CJIB binnenkomen, begint het CJIB direct met het innen van de schadevergoedingsmaatregelen. Op 19 januari 2022 was ruim € 36.700,– geïnd. Aan de inning van het resterende geld wordt volop gewerkt. Daarnaast zijn er nog 180 strafzaken waarin door de rechter een straf is opgelegd, maar die nog moeten worden aangeleverd aan het CJIB. Hierbij zitten mogelijk ook vonnissen waarin een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.
Vanuit de Regeling bedrijvenschade coronarellen is aan 36 ondernemers in totaal een bedrag van € 228.150,– aan schade vergoed. Op dit moment wordt onderzocht of en op welke wijze de uit de Regeling vergoede schade op de daders kan worden verhaald. Ik verwijs u op dit punt verder naar de beantwoording van vraag 7.
Wat zijn uw verklaringen voor het feit dat slechts zo weinig schade op de daders kan worden verhaald, waardoor niet de daders maar de gemeenten, rijksoverheid, verzekeraars, bedrijven en particulieren opdraaien voor de schade?
Daders van strafbare feiten moeten de schade die het gevolg is van die strafbare feiten vergoeden. Dat is het uitgangspunt van het stelsel van schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten. Dat uitgangspunt geldt dus ook voor de schade die vorig jaar door ondernemers is geleden als gevolg van vernielingen tijdens de rellen. Echter, bij deze schade was op het moment zelf van nog groter belang dat de door corona al zwaar getroffen ondernemers in eerste instantie een beroep zouden kunnen doen op hun verzekeraar voor snel schadeherstel, zodat de vernielde winkels weer snel open zouden kunnen. Daartoe is ook, vooruitlopend op de totstandkoming van de Regeling Bedrijvenschade, nauw overleg gevoerd met het Verbond van Verzekeraars.
Het merendeel van de ondernemers was, zoals mijn voorganger in zijn brief van 9 februari 2021 heeft aangegeven5, verzekerd tegen dit soort schade en verzekeraars keren in de regel snel uit bij meldingen van materiële schade.
De totale verzekerde schade als gevolg van de rellen wordt door het Verbond van Verzekeraars geschat op € 1 mln. Verzekeraars kunnen vervolgens via subrogatie in de rechten van het slachtoffer treden, waarbij zij in een civiele procedure de schade kunnen verhalen op de daders. In hoeverre verzekeraars van deze mogelijkheid gebruik maken is een keuze die aan de verzekeraars is. Ik sta in contact met het Verbond van Verzekeraars om te vernemen hoe dit verloopt.
Bij rellen zoals deze gaat het in de regel om onoverzichtelijke, chaotische situaties. Het vergt daardoor uitvoerig onderzoek om te kunnen achterhalen of veroorzaakte schade aan een dader kan worden toegerekend. Politie en openbaar ministerie hebben hier veel tijd in gestoken. Als uit camerabeelden, getuigenverklaringen of processen-verbaal van aanwezige politieambtenaren niet kan worden vastgesteld of een relschopper schade heeft veroorzaakt, is het eisen en opleggen van het vergoeden van de schade niet mogelijk.
Gelet op het bedrag van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en de strafzaken die nog moeten worden aangeleverd bij het CJIB zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2, kan nog geen eindoordeel kan worden gegeven over de mate waarin het verhaal op daders is gelukt. Ik kan u echter verzekeren dat het mijn ambitie is om daders zoveel als mogelijk te laten betalen voor de aangerichte schade.
Is ook een van de redenen dat relschoppers veroordeeld zijn tot het storten van geldbedragen in een schadefonds, maar dat er nooit een cent in het fonds is gestort omdat dit fonds door Justitie nooit is opgericht? Hoe kan dat?
Specifiek voor de betreffende rellen heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd te komen met zoiets als een fonds om getroffen ondernemers schadeloos te stellen voor de schade die zij niet vergoed krijgen van de verzekering. Deze toezegging heeft uiteindelijk vorm gekregen in een Regeling die is uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zoals bij brief aan Uw Kamer is gemeld6 en in de Staatscourant is gepubliceerd7. Er zijn in het kader van deze rellen voor zover mij bekend geen strafzaken waarbij een rechter tot veroordeling van storting van een geldbedrag in een fonds is overgegaan.
In antwoord op het geweld tijdens de Museumpleinrellen in Amsterdam, die over een langere periode hebben plaatsgevonden, heeft de rechter als bijzondere voorwaarde opgelegd dat de veroordeelde een geldbedrag moet betalen op het moment dat er een fonds wordt opgericht ter vergoeding van schade aan gedupeerden/de gemeente Amsterdam. Anders dan bij de rellen waarvoor de regeling gold ging het hier niet om schade aan ondernemingen, maar om schade aan bijvoorbeeld wegdek van de gemeente en politievoertuigen. Van deze 37 zaken waren er op 19 januari 2022 13 zaken bij het CJIB aangeleverd met een totaalbedrag van € 5.200,–. Inmiddels is gebleken dat in twee zaken daarvan de bijzondere voorwaarde tot storting in een op te richten fonds in hoger beroep niet meer is opgelegd. Momenteel wordt in overleg met het OM, het CJIB en de gemeente Amsterdam bekeken op welke wijze deze bijzondere voorwaarde het beste ten uitvoer gelegd kan worden, bijvoorbeeld in de vorm van een lokaal fonds.
Klopt het dat er grote verschillen zijn tussen de regio’s, en dat bijvoorbeeld in Oost-Brabant veel meer schade verhaald wordt op de daders dan bijvoorbeeld in de regio Rotterdam? Wat is uw verklaring hiervoor en wat kan hiervan geleerd worden?
Cijfers rondom het strafrechtelijk vorderen van de schademaatregelen worden niet geregistreerd. Hierdoor kan niet inzichtelijk worden gemaakt of er grote verschillen zijn tussen de regio’s.
In meer algemene zin is bij de aanpak na de rellen ervaren dat het grote aantal personen dat kon worden berecht en bestraft, behaald is door nauwe samenwerking tussen OM en politie en het direct na de rellen inrichten van gezamenlijke werkprocessen.
Is het toepassen van snelrecht in dit soort gevallen wel zo’n goed idee, of is dat soms ook belemmerend voor het bewijzen en uiteindelijk veroordelen tot schadevergoeding?
Het snelrecht is geschikt voor strafzaken waarbij de bewijsvoering voor een delict binnen enkele dagen rond kan zijn. Bij rellen als hier aan de orde is doorgaans sprake van onoverzichtelijke situaties waarbij meer tijd nodig is om – bijvoorbeeld aan de hand van camerabeelden – het bewijs rond te krijgen en te kunnen vaststellen welke schade door verdachten is veroorzaakt. Bij de rellen is snelrecht ingezet in de zaken waar dat naar het oordeel van het OM mogelijk was.
Wat zijn de mogelijkheden om alsnog, bijvoorbeeld via civiele weg, de schade te verhalen op de daders? Wordt dit ook gedaan?
Bij de vormgeving van de Regeling Bedrijvenschade is opgenomen dat de ondernemers die via de RVO een beroep doen op deze regeling daarmee automatisch hun vordering op een (eventuele) dader overdragen aan de overheid. Dit is gebeurd via een zogenaamde akte van cessie. De achterliggende gedachte was dat zodoende de schade waarvoor een uitkering was verstrekt alsnog op de daders kan worden verhaald. Het is mijn intentie om dit ook zoveel mogelijk te doen, vanuit de gedachte dat als iemand schade veroorzaakt deze er ook voor moet opdraaien. Tegelijkertijd ben ik mij ervan bewust dat dit een complexe aangelegenheid is, onder meer vanwege de privacywetgeving. Op dit moment bekijk ik daarom samen met het OM of en zo ja op welke wijze de schade waarvoor een tegemoetkoming is gegeven gekoppeld kan worden aan een dader. Ik verwacht uw Kamer hierover voor de zomer nader te kunnen berichten.
Herinnert u zich dat uw voorganger stevige taal sprak, namelijk dat alles op alles gezet zou worden om de schade «tot de laatste cent» te verhalen op «dat tuig»? Wat vindt u zelf dat daar van terecht is gekomen?
Mijn ambtsvoorganger heeft in het debat van 27 januari 2021 over de rellen en de daaropvolgende brief van 9 februari 2021 aangegeven dat hij het van groot belang vond dat de getroffen ondernemers hun schade vergoed zouden krijgen. Hiervoor is de Regeling Bedrijvenschade ingesteld die op 1 april 2021 in werking trad.
Daarnaast heeft hij aangegeven het belangrijk te vinden dat de schade tijdens de rellen zoveel als mogelijk op de daders wordt verhaald. Ook ik vind het belangrijk dat daders zoveel mogelijk de door hen aangerichte schade betalen. Zoals in het bovenstaande is aangegeven is dit via verschillende wegen ook gebeurd. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven is een significant bedrag aan schade ook daadwerkelijk gevorderd bij de daders. Er is door verschillende organisaties veel tijd en energie gestoken om dit voor elkaar te krijgen. Daarnaast lopen er nog diverse strafzaken die nog tot veroordelingen tot het vergoeden van schade kunnen leiden.
Voor het verhalen van de schade die via de Regeling Bedrijvenschade is uitgekeerd laat ik op dit moment onderzoeken of verhaal op basis van de akte van cessie mogelijk is (zie vraag 7). Op dit moment is het beeld dat ondernemers zijn gecompenseerd voor hun schade en dat diverse daders zijn veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, maar dat lang niet alle schade aan daders gekoppeld en dus op hen verhaald zal kunnen worden.
Wat doet volgens u met het vertrouwen, als dit soort beloftes loze woorden blijken te zijn, of in ieder geval niet waargemaakt kunnen worden?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe gaat u er voor zorgen dat in de toekomst meer schade op de daders verhaald kan en zal gaan worden? Wat is daar volgens u voor nodig?
Ook de Commissie «Onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten» benadrukt in haar rapport8 het uitgangspunt dat de dader aansprakelijk is voor de schade die hij veroorzaakt heeft. In het verlengde daarvan doet de commissie voorstellen om de mogelijkheden om de dader te verplichten tot een financiële schadevergoeding te bevorderen en te verruimen, ook wanneer dit niet rechtstreeks vertaald wordt in een vergoeding voor de schade van het slachtoffer. Op dit moment wordt samen met de betrokken ketenpartners gesproken over de inhoud van het rapport. De voorstellen worden gezamenlijk uitgewerkt, waarbij de consequenties, uitvoerbaarheid en kosten in kaart worden gebracht. De Minister voor Rechtsbescherming zal uw Kamer voor het einde van het jaar middels een inhoudelijke beleidsreactie op het advies nader informeren.
Het artikelen ‘Bedrijf ademtest eist miljoenen van staat’ en ‘De teloorgang van de elektronische neus’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikelen «Bedrijf ademtest eist miljoenen van staat» en «De teloorgang van de elektronische neus» uit dagblad Trouw van 20 januari j.l.?
Ja, ik ben bekend met deze artikelen.
Waarom ging het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in zee met het bedrijf Breathomix?
De aanleiding om in het begin van 2021 met Breathomix in zee te gaan was het niet-invasieve en snelle karakter van de testmethode in combinatie met de goede resultaten die werden gepresenteerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de test. Het doel was de test te gebruiken als voortest om met een hoge nauwkeurigheid vast te stellen dat iemand niet besmet was met het coronavirus.
Klopt het dat Breathomix niet zelf heeft aangeboden haar technologie in te zetten voor het testen op corona, maar dat dit door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is gevraagd?
Zowel door het RIVM als door mijn ministerie wordt dit verhaal niet herkend. Breathomix heeft zelf aangeboden haar technologie voor testen op corona in te zetten.
Klopt het dat Breathomix onder grote tijdsdruk een testmodule voor corona moest ontwikkelen, waarbij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport meerdere keren het bedrijf aanspoorde om de ontwikkeling te versnellen?
Dit beeld wordt door mij en mijn ministerie niet herkend.
Klopt het dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport capaciteit voor bijna tien miljoen tests, en daarvoor 1800 apparaten bij Breathomix heeft besteld?
Het Ministerie van VWS is met Breathomix een overeenkomst aangegaan voor de lease van 1800 apparaten tot 1 juli 2022 om in te zetten in GGD teststraten en in vergelijkbare settings. In potentie konden hier inderdaad miljoenen tests mee uitgevoerd worden gedurende de looptijd van de leaseovereenkomst.
Was er op moment van bestellen twijfel bij de u over de geschiktheid van de test?
Er was op het moment van bestellen geen twijfel over de prestaties van de test op grond van de gepresenteerde validatiegegevens.
Klopt het dat de ademtest met succes is ingezet in de eerste validatietests bij de Gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD), tijdens het Eurovisie Songfestival en bij een bedrijf in de Botlek?
Nee, dit klopt niet. In de brief Stand van zaken Covid-19 van 23 februari 2021 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het feit dat de ademtest medio februari tijdelijk is stopgezet naar aanleiding van een aantal mogelijke foute uitslagen.
Op welke gronden heeft u besloten toch het contract met Breathomix eenzijdig op te zeggen?
Breathomix is diverse verplichtingen uit de overeenkomst niet nagekomen. Zo is uit de robuuste verificatie gebleken dat de afgesproken sensitiviteit niet werd behaald. Ook op de specificiteit bleef de ademtest achter. Het Outbreak Management Team heeft de resultaten van de robuuste verificatie op 6 september 2021 beoordeeld en geadviseerd om de ademtest in de huidige vorm niet in te zetten in de in de overeenkomst beoogde gebruiksomgeving.
Hoeveel covid-testen zijn in totaal met de SpiroNose afgenomen in de periode tussen de eerste contacten tussen RIVM en Breathomix en het opzeggen van het contract door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport? Hoeveel van deze tests heeft u daadwerkelijk en met zekerheid als vals-negatief kunnen classificeren?
Ik ben niet bekend met het totaal aantal afgenomen testen met de SpiroNose. Breathomix beschikt over de data. Aan Breathomix is herhaaldelijk gevraagd om alle beschikbare data te delen, maar deze heeft Breathomix niet verstrekt.
Bent u op de hoogte van de gesprekken die GGD Amsterdam met Breathomix voerde over een geldelijke vergoeding voor het aandeel van GGD Amsterdam bij de ontwikkeling van de test?
Ja, hier ben ik mee bekend.
Is het gebruikelijk dat een overheidsinstelling als de GGD in dergelijke gevallen om vergoedingen vraagt?
Het is niet ongebruikelijk dat wanneer een methode (mede) met publieke middelen ontwikkeld wordt, een deel van de opbrengsten weer naar de publieke zaak terugvloeien. Ook is het niet ongebruikelijk dat een publieke organisatie, zoals de GGD daar aandacht voor vraagt in het licht van door haar gemaakte kosten c.q. ingezette manuren voor de hulp bij de ontwikkeling van de methode.
Klopt het dat de GGD Amsterdam te kennen heeft gegeven aan Breathomix dat indien zij niet zou meedelen, de ademtest niet zou worden ingezet?
Dit beeld wordt niet door mij en mijn ministerie herkend.
Hoeveel tijd na de afwijzing van Breathomix, die uiteindelijk geen vergoeding heeft toegezegd, rapporteerde GGD Amsterdam problemen met de test?
De vraagstelling suggereert dat er een relatie is tussen een discussie over een vergoeding en de problemen met de prestaties van de ademtest. Deze relatie herken ik niet.
Is het zo dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport al langer twijfelde aan de capaciteiten van de GGD om de ademtest correct te implementeren?
De GGD’en hebben de afgelopen 2 jaar een prestatie van formaat geleverd op het gebied van testen, zowel in absolute zin met het creëren van voldoende testcapaciteit als in kwalitatieve zin met het implementeren van verschillende testmethoden. Ik heb daarom geen enkele twijfel over de capaciteiten bij de GGD om een nieuwe testmethode te implementeren.
Klopt het dat met het bedrijf was afgesproken dat rapportages vanuit de tweede ronde validatietesten aan expertteam altijd in samenspraak zouden worden opgesteld, waarbij ook Breathomix haar input op die rapportages kon leveren?
U verwijst hier naar afspraken die gemaakt zijn binnen het projectteam dat de doorstart van de ademtest begeleidde. Dit projectteam was ook verantwoordelijk voor het opstellen van de rapportages die door het expertteam en het OMT beoordeeld zijn. VWS was niet betrokken bij die afspraken.
Heeft Breathomix te allen tijde haar input op die rapportages kunnen leveren?
Voor zover bij mij bekend is Breathomix, net als de andere betrokken partijen, voortdurend gelegenheid geboden om de resultaten van de ademtest in de robuuste verificatie te onderzoeken en zich daarover uit te laten.
Bent u op de hoogte van het feit dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van mening is dat Breathomix onvoldoende de kans heeft gekregen haar zienswijze toe te voegen aan de rapportages over de ademtest aan het «expertteam» en ook onvoldoende directe toegang had tot het expertteam?
U verwijst naar een brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Aanleiding voor deze brief was onderzoek naar een specifiek incident gedurende de robuuste verificatie. De conclusie van de IGJ had betrekking op dit incident en niet op het gehele proces.
Is het mogelijk dat het expertteam en Outbreak Management Team (OMT), vanwege onvolledige rapportage, tot een verkeerd oordeel is gekomen over de ademtest?
Dit beeld wordt niet door mij en mijn ministerie herkend.
Waarom heeft u het contract met Breathomix eenzijdig opgezegd?
In antwoord op vraag 8 heb ik toegelicht dat de overeenkomst met Breathomix is opgezegd omdat Breathomix diverse verplichten uit de overeenkomst niet is nagekomen.
Heeft u voldaan aan alle contractueel overeengekomen bepalingen ten aanzien het bespreken en oplossen van eventuele tekortkomingen van de test, voordat het contract werd opgezegd?
Ik ben van mening dat betrokken partijen zich ontzettend hard hebben ingespannen om van de ademtest een succes te maken. Gedurende het proces van robuuste verificatie is dagelijks gesproken over geconstateerde tekortkomingen en oplossingen. Helaas heeft dit niet geleid tot significante verbeteringen in de prestaties van de ademtest. Het Ministerie van VWS heeft op basis van de uitkomsten van de robuuste verificatie, en adviezen van het OMT en het expertteam hierover, helaas moeten concluderen dat de ademtest in de huidige vorm niet geschikt is om in de beoogde GGD-setting of vergelijkbare setting toe te passen. Hierover is Uw Kamer op 14 september 2021 geïnformeerd.
Klopt het, dat er van alle innovatieve tests die het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij GGD heeft gepoogd te laten implementeren, er niet één met succes is geïmplementeerd, en dat nog steeds alleen moleculaire tests (zoals PCR) worden uitgevoerd?
Nee, dit is niet correct. Het Ministerie van VWS is in het najaar van 2020 gestart met een validatieprogramma sneltesten. Mede dankzij dit validatieprogramma is het testlandschap sindsdien radicaal veranderd, zowel kwantitatief als kwalitatief. Op dat moment was er een testcapaciteit van enkele tienduizenden testen per dag. Inmiddels is de PCR-capaciteit bij de GGD’en 150.000 testen per dag, zijn er teststraten van Stichting Open Nederland (SON) met een sneltest-capaciteit van 600.000 testen per dag en zijn zelftesten gemeengoed geworden.
Welke huidige of voormalige leden van het OMT hebben of hadden zakelijke banden met labs die de PCR-tests uitvoeren en profiteren of profiteerden derhalve persoonlijk van de grote afname van deze tests?
OMT-leden geven onafhankelijk advies. Elk OMT-lid vult een belangenverklaring in om belangen transparant te maken en belangenverstrengeling te voorkomen. De belangenverklaringen van individuele OMT-leden zijn op de website van het RIVM publiek beschikbaar gemaakt (https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/omt).
Hoeveel duurder of goedkoper is de PCR-test versus de Ademtest met de SpiroNose, per afgenomen en geanalyseerde test, bij vijf miljoen afgenomen tests?
De voornaamste redenen om de ademtest te implementeren waren het minder invasieve karakter van de test en de snelheid waarmee mensen een testuitslag konden krijgen, niet een beoogde kostenreductie.
In hoeverre een kostenreductie bereikt wordt is ook niet eenvoudig vast te stellen.
De beoogde inzet van de ademtest was als voortest. De ademtest leek goed in staat om met een hoge nauwkeurigheid vast te stellen dat iemand niet besmet is. Indien dit niet vastgesteld kan worden is een vervolgtest nodig, bijvoorbeeld een PCR-test.
In hoeverre de kosten van het testen afnemen met de ademtest is onder meer afhankelijk van hoeveel testen er maandelijks afgenomen worden en hoeveel mensen een vervolgtest nodig hebben. Dit laatste hangt samen met de specificiteit van de test die, zoals aangegeven in antwoord op vraag 8, merkbaar achterbleef bij de validatiegegevens.
Bent u bereid om opnieuw de SpiroNose en andere tests in overweging te nemen als alternatieven voor de PCR-test, aangezien de labs de enorme vraag naar PCR-tests niet meer aankunnen?
Er worden op dit moment ook al andere testen ingezet behalve de PCR-test. De GGD’en hebben op dit moment een maximale testcapaciteit van 150.000 PCR-testen per dag. Indien nodig kunnen de teststraten van SON ondersteuning bieden, waarmee de testcapaciteit stijgt naar 200.000 testen per dag. De teststraten van SON maken gebruik van antigeentesten.
Waarom heeft u het nu laten aankomen op een rechtszaak tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Breathomix en is er niet tot een redelijke schikking besloten? 26. Kunt u een inschatting geven van het financiële risico dat de overheid loopt met betrekking tot de eventuele schadevergoeding die mogelijk aan Breathomix moet worden betaald?
Het Ministerie van VWS heeft geprobeerd om met Breathomix tot een minnelijke afwikkeling te komen. Breathomix heeft het besluit genomen om de stap naar de rechter te maken.
Het bericht 'Tata vervuilender dan gedacht: een gat in de administratie' |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u ook zo geschrokken van het bericht «Tata vervuilender dan gedacht: een gat in de administratie», waaruit blijkt dat een deel van de vervuiling die van het terrein van Tata Steel in IJmuiden in de omgeving terechtkomt, niet in het milieujaarverslag en in de emissieregistratie staat?1
Uit metingen van het RIVM blijkt dat er meer metalen en PAK in de lucht zitten in de regio IJmond dan men op basis van berekeningen uit de Emissieregistratie zou verwachten. Deze conclusie baart mij zorgen. Ik vind het belangrijk dat er zo snel mogelijk naar de rapportage van de emissies van het terrein van Tata Steel en de achterliggende systematiek wordt gekeken om het verschil tussen gemeten emissies van Tata Steel en de door RIVM berekende emissies te verklaren. De provincie Noord-Holland gaat hier als bevoegd gezag mee aan de slag. Vervolgens zal bekeken moeten worden wat dit betekent voor de rapportage van de emissies. Ik zal daarover met de provincie in overleg gaan, zoals de provincie mij ook per brief heeft verzocht.
Kan het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) gebruikt worden op weg naar de instelling van een monitoringsprogramma, waarbij de depositie van vervuilende stoffen in de omgeving van Tata Steel continu gemonitord wordt en de resultaten openbaar gemaakt worden, zoals gevraagd in de motie-Grinwis c.s. van 16 september 2021 (Kamerstuk 32 813, nr. 834)?
Zoals gesteld in antwoord op vraag 1 is het allereerst van belang om het verschil tussen de gemeten en berekende emissies te verklaren. Een beter inzicht daarin is nodig om de gehele monitoring te verbeteren.
Het RIVM beveelt ook aan om gedurende enkele jaren de hoeveelheid depositie van PAK en metalen in de IJmond te meten. De provincie Noord-Holland heeft aangegeven deze aanbeveling over te willen nemen. IenW geeft samen met de provincie aan het RIVM de opdracht om in 2022 twee keer een depositieonderzoek uit te voeren. Dit is een onderdeel van monitoring in de omgeving van Tata Steel. Resultaten van deze depositie onderzoeken zullen openbaar worden gemaakt.
Bent u bereid het bevoegd gezag op te roepen tot directe handhaving van de verleende vergunning van Tata Steel?
Het RIVM constateert verschillen tussen de meetresultaten van het luchtmeetnet en de rapportageverplichtingen in het kader van het elektronisch Milieujaarverslag (eMJV). Voor het eMJV is wettelijk2 vastgesteld op welke stoffen moet worden gerapporteerd, het is niet een document dat alle uitstoot bevat. Het verschil tussen de meetresultaten van het RIVM en de rapportageverplichtingen hoeft niet te betekenen dat Tata Steel niet voldoet aan de vergunning en ook niet dat het bedrijf de rapportageverplichtingen niet nakomt. De provincie houdt toezicht op de naleving van de vergunning en op de registratieverplichtingen van het eMJV. Pas als duidelijk is dat Tata Steel niet voldoet aan haar verplichtingen, kan sprake zijn van handhavend optreden.
Deelt u de vrees dat naast Tata Steel IJmuiden veel meer bedrijven niet volledig zijn in de registratie van hun uitstoot en dus illegaal uitstoten met schadelijke gevolgen voor menselijke gezondheid en milieu? Bent u bereid een gelijksoortig monitoringsprogramma op te stellen voor andere grote uitstoters, waaronder bijvoorbeeld Shell en Chemours?
Ik wil de uitkomsten afwachten van het overleg tussen het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland, de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, Tata Steel en het RIVM over wat er nodig is om het verschil tussen metingen en rapportages bij Tata Steel te verklaren. Dan ga ik kijken wat we daarvan leren en wat dit zou kunnen betekenen voor de situatie bij andere bedrijven. Ook bij andere grote uitstoters zijn er monitoringsprogramma’s en zijn er voorschriften welke stoffen geregistreerd moeten worden. Bevoegde gezagen controleren daarbij of de gegevens die de bedrijven aanleveren kloppen. Ik heb nu geen aanleiding te veronderstellen dat de situatie daar vergelijkbaar is met die bij Tata Steel.
Betrekt u deze nieuwe zorgwekkende feiten bij de overleggen over de ambitieuze groene transitieplannen die Tata Steel vorig jaar heeft gepresenteerd?
Voorlopig houden de betrokken overheden, waaronder het Rijk, Tata Steel in ieder geval aan de gedane beloftes over uitstootvermindering op basis van de eigen rapportages van het bedrijf, ervan uitgaande dat deze kloppen. Daartoe is Tata Steel Nederland al begonnen met de implementatie van de Roadmap+ maatregelen. Daar waar mogelijk zullen maatregelen versneld worden. Daarover is het Rijk in gesprek met Tata Steel Nederland.
Ook gaan we door met de acties en maatregelen in het Plan van Aanpak van 1 december 2021. Deze zijn hoe dan ook goed voor de leefomgeving. Dit geldt ook voor de plannen die het bedrijf heeft voor de toekomst, wanneer het staal wil gaan maken met waterstof en groene stroom. Een onafhankelijke derde partij beoordeelt nog dit jaar de impact van deze groene transitieplannen op de leefomgeving en gezondheid van omwonenden.
De inzet van alle partijen is om zo snel als mogelijk een toekomstbestendige, duurzame en schone staalfabriek in de IJmond te realiseren.
Het bericht dat de ouders van Gio (4) het stilzwijgen verbreken na een dodelijk ongeluk met voetballer Vloet |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Ouders overleden Gio (4) verbreken stilzwijgen: We hebben nooit iets gehoord van voetballer Vloet»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Ik leef zeer mee met het verlies van de familie. Verder ga ik niet in op deze specifieke situatie gezien de zaak nog in onderzoek is.
Deelt u de mening dat een voetbalclub een maatschappelijke rol heeft?
Voetbalclubs hebben zeker een maatschappelijke rol. De KNVB ziet voetbal als een bindmiddel om samen te werken aan een gezonde, sociale en duurzame samenleving. Van kleins af aan worden kinderen meegenomen in de spelregels en sportief gedrag.
Verder leveren veel clubs in het (betaalde) voetbal een bijdrage aan verschillende maatschappelijke projecten op gebied van participatie, educatie, gezondheid en re-integratie op de arbeidsmarkt.
Hoe vindt u dat Heracles Almelo zijn maatschappelijk rol voor verkeersveiligheid heeft opgepakt na het dodelijk ongeluk met voetballer Vloet?
Heracles Almelo heeft zelf keuzes gemaakt na het dodelijk ongeluk. Het is niet aan mij om die te beoordelen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met voetbalclubs om hun maatschappelijke rol op te pakken voor verkeersveiligheid?
De wijze waarop voetbalclubs omgaan met hun maatschappelijke rol is aan de clubs zelf. Zij maken een afweging in hun rol als werkgever, als bedrijf en als club als het gaat om de wijze waarop zij hun maatschappelijke rol invullen. Vanuit het Rijk worden met diverse stakeholders campagnes geïnitieerd om aandacht te vragen voor verkeersveiligheid, zoals de BOB-campagne tegen rijden onder invloed van alcohol. Er is ook een BOB-campagne die is gericht is op sportkantines en sportevenementen waar ook professionele voetbalclubs aandacht voor hebben gevraagd.
Deelt u de mening dat een voetballer een publieke voorbeeldfunctie heeft?
Iedere verkeersdeelnemer heeft een voorbeeldfunctie en verantwoordelijkheid in het verkeer. Iedereen, ook voetballers, moet zich aan de verkeersregels houden om weer veilig thuis te (laten-) komen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met voetballers om hun publieke voorbeeldfunctie op te pakken voor verkeersveiligheid?
Ik verwijs u hiervoor naar antwoord 5.
Welke publieke campagnes lopen er nu tegen extreem te hard rijden en alcohol in het verkeer? In hoeverre zijn deze campagnes succesvol? In hoeverre zorgen deze campagnes voor een daling van extreem te hard rijden en alcohol in het verkeer?
Met betrekking tot alcohol in het verkeer loopt al lange tijd de eerdergenoemde BOB-campagne. Inmiddels weet 99% van de automobilisten dat de BOB nuchter blijft en vindt 84% dat je geen alcohol moet drinken als je nog moet autorijden. Daarnaast is er een campagne tegen te hard rijden: «Hou je aan de snelheidslimiet». Deze campagne is erop gericht dat bestuurders zich aan de snelheid houden. IenW plaatst tijdens de campagneperiode (mei-juni) borden langs de snelwegen en biedt een toolkit aan met diverse middelen aan medeoverheden en maatschappelijke partners.
Als het gaat om gedragsverandering bij zware overtreders zijn campagnes niet voldoende. Voor deze groep zijn handhaving en gedragsinterventies, zoals de bestuursrechtelijke Educatieve Maatregel Gedrag (EMG) of Educatieve Maatregel Alcohol (EMA), het meest passend. Ongewenst verkeersgedrag dient integraal te worden aangepakt (infrastructurele aanpassingen, gedragsbeïnvloeding en handhaving). Dit voorjaar wordt de Kamer geïnformeerd over mijn plannen voor een verbeterde integrale aanpak van rijden onder invloed.
Wat is de strafmaat nu voor extreem te hard rijden en alcohol in het verkeer? In hoeverre is deze strafmaat voldoende? In hoeverre zorgt deze strafmaat voor een daling van extreem te hard rijden en alcohol in het verkeer?
Onder extreem te hard rijden versta ik in het kader van de beantwoording van deze vraag het zodanig boven de geldende maximumsnelheid rijden dat deze onder het strafrecht wordt afgedaan. Snelheidsovertredingen tot 30 km/u te hard in het algemeen en tot 40 km/u op de snelweg vallen onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Grovere snelheidsovertredingen vallen onder het strafrecht.
De maximumstraf voor te hard rijden op de autosnelweg is een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van € 4.500 en daarbij kan een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van ten hoogste 2 jaren worden opgelegd (art 177 lid 2 onder d van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994)). De maximumstraf voor rijden onder invloed is een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van € 22.500 en daarbij kan een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van ten hoogste 5 jaren worden opgelegd (artikel 8 jo. 176, lid 2 WVW 1994).
Naast de specifieke strafbaarstellingen voor te hard rijden of rijden onder invloed van alcohol, kunnen deze feiten ook op basis van andere artikelen uit de Wegenverkeerswet worden afgedaan. Dit kan op basis van artikel 5 WVW 1994 (veroorzaken gevaar op de weg), artikel 5a WVW 1994 (roekeloos rijden zonder gevolgen) of artikel 6 WVW 1994 (veroorzaken van een ongeval door schuld/roekeloosheid met letsel of de dood tot gevolg). De maximumstraf voor het veroorzaken van een dodelijk ongeval in het verkeer, is een gevangenisstraf van ten hoogste 9 jaren of een geldboete van ten hoogste € 90.000 en daarbij kan een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van ten hoogste 5 jaren worden opgelegd (artikel 6 jo. 175 WVW1994).
In 2017 is wetenschappelijk onderzocht in hoeverre de bestraffing van ernstige verkeersdelicten afdoende is. Hieruit bleek dat in zijn algemeenheid kan worden geconcludeerd dat naarmate de ernst van de verkeersfout toeneemt en de mate van letsel toeneemt, ook de duur van de straf en de zwaarte van de gekozen strafmodaliteit toeneemt. Het algemene strafbeeld komt dus overeen met hetgeen de wetgever heeft beoogd met het stelsel van sancties. Verder was de conclusie in het onderzoek dat het strafniveau voor ernstige verkeersdelicten over het geheel adequaat is. Wel was er draagvlak voor onder andere een verhoging van de strafmaat voor een aantal specifieke feiten zoals het rijden onder invloed. Met inwerkingtreding van de wet aanscherping strafrechtelijke afdoening ernstige verkeersdelicten op 1 januari 2020 is aan de aanbevelingen uit dit onderzoek uitvoering gegeven. Zo is bijvoorbeeld de maximumstraf voor rijden onder invloed verhoogd van drie maanden naar één jaar.
In hoeverre de strafmaat zorgt voor een daling van (extreem) te hard rijden en rijden onder invloed van alcohol is niet specifiek te bepalen. Dit hangt samen met een veelheid aan andere factoren. In algemene zin kan wel worden gezegd dat een adequate strafmaat zowel een specifieke als algemene preventieve werking heeft.
Welke profielen zijn er van iemand die extreem te hard rijdt? In hoeverre voelt zo’n iemand zich onaantastbaar en boven de wet staan? Welke gerichte aanpakken op deze profielen zijn er mogelijk?
Bestuurders die extreem hard rijden kunnen zowel via het strafrecht (strafvervolging) als via het bestuursrecht (gedragsinterventie/onderzoek) worden aangepakt. Volgens de wet moet de politie een melding bij het CBR doen. Het CBR kan vervolgens de bestuurder een Educatieve Maatregel Gedrag (EMG) opleggen. Uit het recidive-onderzoek van het WODC blijkt dat veel van de EMG-deelnemers bekend zijn bij justitie en dat zij vaak ook op andere terreinen moeite hebben met verantwoord gedrag.2 Uit dit rapport blijkt dat meer dan driekwart van de EMG-deelnemers één of meer eerdere strafzaken op hun naam heeft staan (gemiddeld 5 strafzaken, op meerdere terreinen). Dat maakt het ingewikkeld om deze groep aan te pakken onder de noemer van uitsluitend verkeersveiligheid. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Justitie en Veiligheid verkennen met een expertgroep de mogelijkheden om deze groep beter aan te kunnen pakken. Eén van de richtingen die op dit moment wordt onderzocht betreft de inzet van technische middelen.
Op welke autosnelwegen rijdt iemand relatief vaak extreem te hard? Welke gerichte flitscontroles op autosnelwegen en extreem te hard rijden zijn er mogelijk?
Er wordt niet specifiek geregistreerd op welke snelwegen vaak extreem te hard wordt gereden. De inzet is gericht op het voorkomen van te hard rijden in het algemeen. Snelheidshandhaving is een belangrijke pijler van de Nederlandse verkeershandhaving. Er zijn dan ook relatief veel handhavingsmiddelen beschikbaar als het gaat om het tegengaan van (extreem) te hard rijden op snelwegen. Het betreft dan trajectcontroles, mobiele radarcontrole en videoauto’s. Bij de meeste handhavingsvarianten gebeurt het verbaliseringsproces op kenteken, terwijl bij de inzet van videoauto’s bij voorkeur staandehoudingen plaatsvinden. De handhavingsinzet van de politie wordt risicogericht bepaald zodat deze inzet zoveel mogelijk bijdraagt aan het voorkomen van ongevallen. Dit betekent dat meer inzet wordt gepleegd op wegvakken met een hoog overtredingsgedrag en een hoog risico op ongevallen en slachtoffers. De risicogestuurde inzet van de handhavingsmiddelen wordt in samenwerking tussen het OM, de politie en de wegbeheerder bepaald.
Het Paul Ehrlich Institute en de kwaliteit van de Pfizer vaccins |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Is het correct dat het Paul Ehrlich Institute, dat voor Nederland de kwaliteit van de Pfizer vaccins controleert, zoals het instituut zelf op zijn website schrijft, geen gebruikmaakt van random steekproeven maar uitsluitend de kwaliteit controleert van batches die Pfizer zélf aanlevert?
Voor vaccins geldt de wettelijke plicht dat alle partijen die op de Europese markt verkocht worden, vrijgegeven moeten zijn door een onafhankelijk nationaal controlelaboratorium. Het Paul Ehrlich Institut is daar één van. Deze verplichting geldt ook voor COVID-19-vaccins. Voor de kwaliteitscontrole door een dergelijk onafhankelijk nationaal controlelaboratorium (Official Control Authority Batch Release) wordt gebruikt gemaakt van monsters die, door middel van een steekproef, uit elke partij door de fabrikant worden genomen en bij het controlelaboratorium afgeleverd. Op deze manier worden er monsters gecontroleerd uit élke partij die bestemd is voor de Europese markt. Er is geen sprake van selectie van partijen door de fabrikant.
Waarom worden de batches niet steekproefgewijs (random) door het Paul Ehrlich Institute geselecteerd en getest? Vindt u het niet vreemd dat Pfizer zélf de steekproeven kan nemen en aanleveren? Hoe weet het Paul Ehrlich Institute zeker dat de steekproeven die door Pfizer zélf worden aangeleverd representatief zijn voor de vaccinbatches waar ze uit zouden komen?
Zoals in het antwoord op vraag 1 gesteld, worden monsters uit alle partijen die bestemd zijn voor de Europese markt gecontroleerd. Het testen van vaccins door de overheid (Official Control Authority Batch Release) is niet het enige toezicht op fabrikanten dat door de overheid wordt uitgeoefend. Naast een beoordeling van het registratiedossier door de EMA, en namens Nederland door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), houden ook de Europese inspectiediensten doorlopend toezicht op de fabrikanten. In Nederland is dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Tijdens de hele keten van inspecties wordt beoordeeld of de procedures en werkzaamheden voldoen aan de daarvoor geldende eisen. Het nemen van representatieve steekproeven uit de partijen is ook één van de werkzaamheden waar toezicht op gehouden wordt. Door het fijnmazige toezicht op de productie, is er voldoende vertrouwen dat er representatieve steekproeven worden genomen.
Kunt u ons de testresultaten sturen van het Paul Ehrlich Institute met betrekking tot de kwaliteit van de Pfizer batches die aan Nederland zijn geleverd? Zo nee, waarom niet?
Het systeem van Official Control Authority Batch Release (OCABR) gaat uit van een wederzijdse erkenning van nationale vrijgifte. Wanneer het Paul Ehrlich Institut een OCABR-certificaat afgeeft, wordt dit erkend door de andere Europese lidstaten zonder dat er resultaten gedeeld worden. Het feit dat het Paul Ehrlich Institut een OCABR-certificaat heeft afgegeven voor de Pfizer-batches aan Nederland betekent dat alle testresultaten voldeden aan de specificaties zoals die in het registratiedossier van het vaccin zijn vastgelegd.
Het verplichten van een snelheidsbegrenzer in nieuwe auto’s. |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel dat verschenen is in onder andere het AD?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de kritische reacties van Acea en de Vereniging Zakelijke Rijders in het artikel?
De ACEA geeft terecht aan dat de systemen betrouwbaar genoeg moeten zijn zodat bestuurders ze ook aan laten staan. Daarom is in Europees verband afgesproken dat deze Intelligente Snelheidsassistent (ISA) tenminste in 90% van de tijd een juiste snelheid aan moet geven en bij de juiste snelheid waarschuwt bij overschrijding (het systeem begrenst dus niet de snelheid van het voertuig). Het is aan de industrie om te bepalen of zij dit realiseren met camera’s en softwarematige bordenherkenning, een digitale snelhedenkaart of een combinatie van beiden. Wegbeheerders in Nederland zijn verplicht actuele snelheidslimieten per wegvak beschikbaar te stellen in een nationale snelhedenkaart. Nederland werkt daarom aan een verdere verbetering van digitale reisinformatie via het Nationaal Toegangspunt Mobiliteitdata. Producenten kunnen deze gebruiken of kaarten van derden gebruiken. Deze waarschuwende ISA zit al in veel auto’s en in navigatiesystemen.
Wat eventuele vervolgstappen worden als het om ISA gaat zal afhangen van de ervaringen met deze verplichting. De producenten zijn goed vertegenwoordigd bij de discussies over dergelijke systemen en daar is ACEA een belangrijke partij bij.
De Verenging Zakelijke Rijders (VZR) heeft gelijk dat mensen aan nieuwe systemen moeten wennen. Dat geldt voor alle nieuwe Advanced Driver Assistance Systems (ADAS) en Automatic Driving Systemen (ADS) in voertuigen. Binnenkort start er daarom een ADAS campagne om kopers en verkopers van voertuigen bewust te maken van deze nieuwe toepassingen.
Wat zijn de gevolgen ten aanzien van de privacy voor het verwerken van onder andere GPS data in nieuwe voertuigen?
Op 9 maart 2021 bracht de European Data Protection Board (EDPB) richtsnoeren uit, onder andere om te zorgen voor een consequente toepassing van de AVG specifiek in relatie tot voertuigdata. Er is specifieke aandacht voor individuele locatiegegevens.
Voor de Snelheidsassistent geldt dat er geen data worden opgeslagen. De snelheid van het voertuig wordt vergeleken met de snelheid die je volgens de assistent daar mag rijden. Er is geen derde partij die data krijgt en er wordt niks opgeslagen in het voertuig.
In de Event Data Recorder (EDR) die in Europa wordt ingevoerd, worden geen GPS data of andere identificerende gegevens opgeslagen. Wel technische zaken zoals snelheid, remkracht, activering van de airbags en toestand van de veiligheidssystemen bij een botsing. De geanonimiseerde EDR-gegevens zullen worden gebruikt voor ongevallenonderzoek en -analyse. Het «Onboard Fuel Consumption Monitoring» systeem registreert het Voertuigidentificatienummer (VIN), brandstofverbruik en gereden kilometers. Deze moeten door fabrikanten, of zijn erkende handelaar of erkende reparateur, regelmatig worden uitgelezen en vervolgens aan de Europese Commissie worden geleverd. Deze informatie moet zodanig worden geaggregeerd dat deze niet te herleiden is naar een persoon. In alle gevallen kan de bestuurder altijd aangeven dat hij/zij niet wil dat deze gegevens worden uitgelezen.
Wie krijgt straks al deze voertuigdata en wat gaat daarmee gebeuren?
Zie antwoord op vraag 3.
Kunnen verzekeraars straks hun premie baseren op de verzamelde data en is dat een wenselijke situatie?
Dat is op basis van dit ISA-systeem niet mogelijk. Wel zijn er diverse verzekeraars die een zogenaamde dongel aanbieden die het rijgedrag monitoren. Die dongel dient achteraf gemonteerd te worden in de auto en verzekerden kunnen daarmee een korting op hun premie of aanbiedingen krijgen. Verzekerden kiezen hier expliciet voor.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens geconsulteerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is hun oordeel?
Alle regelgeving in Europa moet voldoen aan de horizontale General Data Protection Regulation, zo ook betreffende regelgeving over ISA en EDR. De Europese Commissie heeft hiervoor de EDPB (European Data Protection Board) geconsulteerd, de Europese moederpartij van de Autoriteit Persoonsgegevens.
Kan het systeem permanent uitgeschakeld worden? Zo nee, waarom niet?
Voor de ISA geldt dat het systeem bij iedere keer starten van de auto, aan staat. Het kan dan wel uitgezet worden voor de rest van die rit. Door het systeem standaard aan te zetten, wordt de kans vergroot dat mensen het systeem gebruiken. Dit komt de verkeersveiligheid ten goede.
De EDR kan niet worden uitgeschakeld omdat deze bijdraagt aan het kunnen uitvoeren van ongevalsanalyses of verkeersveiligheidsanalyses.
Kan de GPS-tracker permanent uitgeschakeld worden? Zo nee, waarom niet?
Een GPS tracker is geen verplicht onderdeel van een voertuig, en er is geen aparte regelgeving voor. Wel moet iedere partij die de GPS data wil gebruiken een goede doelbinding hebben (conform de General Data Protection Regulation).
Bent u van mening dat het excessief verzamelen van data, door de overheid, een beangstigend gevoel bij de automobilist kan opwekken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daar aan doen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u garanderen dat er geen systeem wordt ingevoerd waarbij er belasting betaald gaat worden per uitgestoten gram CO2?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven, wordt er bij ISA of EDR geen informatie vastgelegd die belastingheffing mogelijk maakt. Dit is dus niet aan de orde.
Het bericht dat ieder jaar 3 miljard euro zorggeld verdwijnt in de zakken van mensen die mensen leveren die zorg leveren |
|
Maarten Hijink |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Kuipers , Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat ieder jaar 3 miljard euro zorggeld verdwijnt in de zakken van mensen die mensen leveren die zorg leveren?1
In de aangehaalde column in de Volkskrant van 19 januari staat dat zorginstellingen jaarlijks een bedrag van € 3 miljard overmaken naar de verschillende typen bureaus (verder: bemiddelings- en uitzendbureaus). Uit gegevens van het CBS blijkt voor 2019 voor de vier grootste zorgsectoren cumulatief eenzelfde bedrag aan kosten voor personeel niet in loondienst.2 Daaruit volgt dat ongeveer 8,5% van de totale loonkosten in de zorg wordt besteed aan personeel niet in loondienst.
Het is zeker niet zo dat dit volledige bedrag een jaarlijkse winstmarge is voor de bemiddelings- en uitzendbureaus. Deze bemiddelings- en uitzendbureaus hebben medewerkers in de zorg in loondienst. Het bedrag van € 3 miljard is voor verreweg het grootste deel om de salarissen, loonbelasting, sociale verzekeringen en onkosten van personeel niet in loondienst bij zorginstellingen (maar dus wel in loondienst bij deze bureaus, dan wel bemiddeld via hen) te betalen.
Klopt het dat er jaarlijks 3 miljard euro aan zorggeld gaat naar bemiddelaars, recruiters, uitzend- en detacheringsbureaus?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat er voor elke 100 procent die een ingehuurde zorgprofessional verdient, een zorginstelling 250 procent moet betalen?
De ingehuurde medewerker in de zorg verdient zijn brutosalaris. Net zoals zorginstellingen hebben de bemiddelings- en uitzendbureaus bovenop dit brutosalaris aanvullende werkgeverslasten voor hun personeel in loondienst. Ook voor zorgmedewerkers die in dienst zijn van een bemiddelings- of uitzendbureau dient de werkgever de diverse werkgeverslasten (o.a. bijdrage werknemersverzekeringen, zorgverzekeringswet, bijdrage premie voor pensioen en arbeidsongeschiktheid, doorbetaling bij vakantie en ziekte etc.) te betalen.
Naast deze «standaard werkgeverslasten» berekenen de bemiddelings- en uitzendbureaus een opslag op het totaaltarief van bemiddelde medewerkers. Deze opslag is ter dekking van hun eigen overhead en winstmarge, en tevens ter dekking van het eventuele risico van non-declarabele uren van te bemiddelen of uit te zenden werknemers. Tot slot dient het bemiddelings- of uitzendbureau, indien de betreffende medewerker bij hen in loondienst is, over het geheel 21% btw in rekening te brengen en af te dragen aan de Belastingdienst. Dit deel van de kosten is dus ook geen opbrengst voor het bureau.
Rekening houdend met deze aspecten is bij een te betalen totaaltarief bij bemiddeling of uitzending tot ongeveer 200 procent ten opzichte van het bruto uurloon nog geen sprake van een winstmarge. Waarschijnlijk ligt dit zelfs iets hoger. Een exact antwoord is hierin niet te geven, daar dit afhankelijk is van hoe bemiddelings- en uitzendbureaus hun interne processen hebben vormgegeven.
Het aanvullende percentage tot 250 ten opzichte van het brutoloon dient overigens gerelateerd te worden aan de totale kosten om een daadwerkelijke winstmarge te berekenen. Dit impliceert een winstmarge van ongeveer 10 tot 20%. De uiteindelijke winst van het bemiddelings- of uitzendbureau is overigens nog belast met vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting.
Wat vindt u ervan dat commerciële bedrijven zoveel winst maken met zorggeld?
Het gaat hier vooral om de vraag in hoeverre bemiddelings- of uitzendbureaus, gegeven de krapte op de arbeidsmarkt in de zorg, hun winstmarge kunnen verhogen boven de reguliere marges voor de totale bemiddelings- en uitzendbranche. Zoals in antwoord op vraag 2 en 3 beschreven, is slechts een beperkt deel van de totale loonkosten voor medewerkers niet in loondienst bij zorginstellingen te betitelen als winstmarge voor commerciële bemiddelings- en uitzendbureaus.
Het beeld dat de betaling van kosten voor personeel niet in loondienst voor de bemiddelings- en uitzendbureaus resulteert in een jaarlijkse winst van € 3 miljard, is in ieder geval onjuist.
Verder is relevant in welke mate de medewerkers in de zorg, die in loondienst zijn bij bemiddelings- of uitzendbureaus, vanwege de krapte op de arbeidsmarkt een hoger salaris krijgen dan op grond van de relevante zorg-CAO gangbaar zou zijn. Dit aanvullende bedrag komt overigens volledig ten goede aan de betrokken medewerkers in de zorg. Hier geldt dat op dit moment geen betrouwbare inschatting is te maken hoeveel flexwerkers in de zorg meer verdienen dan medewerkers die in dienst zijn bij een zorginstelling.
Bent u bereid om deze enorme verspilling van zorggeld aan te pakken? Zo ja, welke acties gaat u hiertoe ondernemen?
In de brief aan de Tweede Kamer van februari 2020 zijn de belangrijkste oorzaken van de flexibilisering van de arbeidsmarkt in de zorg beschreven.3 In deze zelfde brief is een aantal acties opgenomen, die inmiddels voor een belangrijk deel zijn omgezet in concrete projecten.
Zorginstellingen hebben zelf de verantwoordelijkheid om «piek en ziek» op te kunnen vangen via een flexibele schil. Dit kan met interne flexibel inzetbare medewerkers, maar ook met bijvoorbeeld zzp’ers. Vanwege de krapte en het verzuimpercentage moeten zorginstellingen meer en eerder externe flexibele krachten inzetten. De laatste tijd zijn er steeds meer signalen dat de kosten van de inhuur stijgen.
Vanuit het Ministerie van VWS worden zorginstellingen daarom al enkele jaren gestimuleerd om in samenwerking hun (interne) flexibele schil te vergroten en de afhankelijkheid van intermediairs te verminderen.
Dit varieert per regio in omvang en verschijningsvorm. Voorbeelden (soms ook in combinatie) zijn een gezamenlijke flexibele pool (van eigen medewerkers), gezamenlijke roostering, gezamenlijk werkgeverschap, het gebruik van een flex-app, het delen van elkaars netwerk, het opzetten van een platform waar vraag en aanbod samen komen. Uitgangspunten zijn de waarden en drijfveren van de medewerkers om zo de bestaande onvrede over het werken in loondienst te verminderen.
Een voorbeeld van een dergelijke regionale samenwerking is de pilot «Op weg naar FLEXplus». De wens is om via ondernemend werknemerschap flexibel te kunnen werken bij alle acht ziekenhuizen in de regio Rotterdam-Rijnmond. Er zijn nu veel zzp’ers actief bij deze ziekenhuizen. Met deze hybride vorm van werknemerschap wil men een aantrekkelijk alternatief voor het zzp-schap bieden.
In de brief van 16 december 20214 heeft de toenmalig Staatssecretaris van VWS beschreven dat in januari 2022 binnen de ggz een traject is gestart gericht op gezamenlijke werkafspraken. Dat gebeurt door de zorgprofessionals, medewerkers in loondienst en zzp’ers, met elkaar in gesprek te laten gaan over ervaren knelpunten rondom de organisatie van zorg. Hen wordt gevraagd om, vanuit het perspectief van duurzame kwaliteit en continuïteit van zorg, te komen tot gezamenlijke werkafspraken.
Tevens is in relatie tot modern werkgeverschap recent een werkgroep gestart die vijf regionale initiatieven vergelijkt. Deze vijf initiatieven hebben tot doel bij te dragen aan een flexibelere invulling van het loondienstverband.
Belangrijk sluitstuk bij de inzet van zzp’ers is de gewenste duidelijkheid in het kader van de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (wet DBA). Deze wet heeft betrekking op de voorwaarden waaronder zzp’ers ingezet kunnen worden. De door de Belastingdienst ingezette sectorspecifieke benadering ziekenhuizen en zelfstandige klinieken zal meer duidelijkheid kunnen verschaffen over wanneer de inzet van zzp’ers past binnen het wettelijke kader. Die duidelijkheid is essentieel bij de uitwerking van (branchespecifieke) werkafspraken en regionale initiatieven gericht op samenwerking.
Gezien de toename van het aantal flexwerkers (uitzendkrachten, gedetacheerden en zzp’ers) en de signalen over de ontwikkeling van de tarieven zal ik binnenkort in gesprek gaan met de koepels van de bemiddelings- en uitzendbureaus over de vraag hoe zij strategisch kunnen blijven bijdragen aan een duurzame kwaliteit, continuïteit en betaalbaarheid van de zorg.
Bent u bereid om te kijken naar betere bestedingen van dit geld? Hoeveel procent extra salarisverhoging zouden we zorgverleners bijvoorbeeld kunnen bieden als we deze 3 miljard euro aan hen zouden besteden? Welke bezuinigingen op de zorg zou u kunnen schrappen als deze verspilling zou stoppen?
Uit de antwoorden op de vragen 2, 3 en 4 volgt dat het bedrag van € 3 miljard niet vrijvalt als bemiddelings- en uitzendbureaus in de zorg geen rol zouden hebben. Zoals in deze antwoorden beschreven komt het overgrote deel van dit bedrag ten goede aan medewerkers in de zorg. Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat medewerkers in de zorg er om uiteenlopende redenen voor hebben gekozen om niet langer in loondienst te willen zijn bij een zorginstelling, maar bij een bemiddelings- of uitzendbureau. Via een vervolg op het programma Werken in de zorg blijven we aandacht besteden aan deze redenen voor onvrede.
In het antwoord op vraag 5 is uitvoerig beschreven welke acties lopen om de balans te verbeteren omtrent de flexibilisering van de arbeidsmarkt in de zorg.
De invoering van een snelheidsbegrenzer in nieuwe personenauto’s |
|
Nicki Pouw-Verweij (JA21) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Is de Nederlandse regering betrokken geweest bij de invoering van een wettelijk verplichte «intelligente snelheidsassistent» (ISA) voor nieuwe auto’s en zo ja, welke inbreng heeft Nederland gehad over de doordenking van de gevolgen hiervan voor de wijze waarop het Nederlandse wegverkeer wordt gereguleerd en voor de privacy?1 2
Ja, Nederland is hierbij betrokken geweest. De inbreng van Nederland betrof vooral de eis dat het systeem betrouwbaar en veilig moet zijn zodat bestuurders er in voldoende mate op kunnen vertrouwen en het ook zullen gebruiken. Het is een systeem dat de bestuurder informeert over de lokale limiet en waarschuwt wanneer deze overschreden dreigt te worden. Deze staat standaard aan bij iedere rit maar kan ook uitgezet worden voor die rit. Met het gebruik van de ISA wordt het aantal bestuurders dat (ongemerkt) te hard rijdt vermindert en dit is daarmee gunstig voor de verkeersveiligheid. Wat betreft de privacy worden er geen gegevens vastgelegd, noch van de persoon, noch van de rit.
Garandeert u dat (enige vorm van) een ISA niet verplicht wordt voor auto’s die nu nog niet van dit systeem zijn voorzien?
Het ligt niet voor de hand dat ISA in de toekomst verplicht zal worden op voertuigen die nu niet van dit systeem zijn voorzien.
Bent u het met de stelling eens dat een snelheidsbegrenzer voor ongelukken kan zorgen doordat tijdelijke tempoversnelling, wat nodig kan zijn in onvoorziene situaties, moeilijker wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, niet met deze variant omdat deze ISA alleen waarschuwt en niet fysiek begrenst. De bestuurder bepaalt zelf de snelheid. Als een fabrikant ervoor kiest om een stap verder te gaan, en bijvoorbeeld een gaspedaal te gebruiken dat tegendruk geeft bij het bereiken van de limiet, dan moet de bestuurder altijd zelf kunnen ingrijpen.
Kunt u reageren op bezwaren van de overkoepelende organisatie van autofabrikanten Acea die een groot risico in verkeersborden ziet die ISA niet goed herkennen, bijvoorbeeld doordat ze slecht afleesbaar zijn, waardoor het systeem de plank kan misslaan?
Samen met de industrie is gesteld dat ISA voor tenminste 90% van de tijd de juiste limiet moet hanteren. Het is aan de industrie om te bepalen of zij dit realiseren met camera’s en softwarematige bordenherkenning, een digitale snelhedenkaart of een combinatie daarvan. Wegbeheerders zijn verplicht actuele snelheidslimieten per wegvak beschikbaar te stellen in een nationale snelhedenkaart. Producenten kunnen deze gebruiken of kaarten van derden gebruiken. In Nederland werken we aan het verbeteren van de digitale snelhedenkaart als onderdeel van het Nationaal Toegangspunt Mobiliteitsdata.
Bent u het eens met de stelling dat een foutmarge van 5 procent als het gaat om bijvoorbeeld de «leesbaarheid» van de verkeersborden (naar inschatting van de EU) een onaanvaardbaar risico betekent voor de veiligheid, zodat moet worden geconstateerd dat ISA pas verantwoord kan worden ingevoerd zodra het totaalplaatje (dus ook de herkenning door verkeersborden) in orde is, wat nu nog niet het geval is?
Omdat het systeem de snelheid niet fysiek begrenst, zijn de risico’s gering. De bestuurder kan harder rijden en is altijd zelf verantwoordelijk voor de keuze van de snelheid. Deze ISA geen begrenzer maar een hulpmiddel voor de bestuurder.
Welke consequenties heeft de invoering van ISA voor de wijze waarop in Nederland verkeersstromen met (elektronische) bebording worden gereguleerd?
De invoering van ISA heeft geen consequenties voor de regulering omdat het ISA-systeem informatie geeft over de snelheidslimiet en waarschuwt bij overschrijding, de beslissingen voor de rijtaak worden door de bestuurder genomen. Om de digitalisering van verkeersmanagement, ADAS en ADS functies en navigatiesystemen in goede banen te leiden is het wel nodig om goede digitale reisinformatie op orde te hebben. Om dat te ondersteunen wordt het Nationaal Toegangspunt Mobiliteistdata opgericht en maken we in EU-verband afspraken over de digitale ontsluiting van verkeersinformatie.
Wat kunt u nog ondernemen om ervoor te zorgen dat ISA pas actief wordt wanneer de foutmarge met betrekking tot het herkennen van verkeersborden is teruggebracht tot een minimum, dat in ieder geval een stuk lager is dan de 5 procent die de EU nu nog inschat?
Zie antwoord 5.
Welke stappen gaat u ondernemen om de anonimiteit van gebruikersgegevens van ISA in alle omstandigheden te garanderen?
Hiervoor zijn geen stappen nodig. ISA legt geen gegevens vast over de rit danwel over de bestuurder. Door positiebepaling weet het systeem hoe snel je rijdt en waar je rijdt.
Als u niet van plan bent om anonimiteit van gebruikersgegevens te garanderen, wat zijn a) de randvoorwaarden waaronder b) welke diensten inzage mogen krijgen in ISA-data?
Zie antwoord 8.
Kunt u de Tweede Kamer een overzicht sturen welke gegevens de EU krijgt (en welke instanties of diensten het betreft) en welke gegevens de Nederlandse overheid krijgt (en welke instanties of diensten het betreft) uit installaties die verbruiksgegevens van auto’s opslaan en doorsturen?
Deze «Onboard Fuel Consumption Monitoring» systemen registreren het verbruik van het voertuig in de praktijk. Het doel hiervan is om afwijkingen van uitstoot in praktijk ten opzichte van de waarden bij de typegoedkeuring te monitoren. Hiervoor worden het Voertuig Identificatie Nummer (VIN), brandstofverbruik en aantal gereden kilometers geregistreerd. Deze moeten door de fabrikant of erkende handelaar of reparateur regelmatig worden uitgelezen en aan de Europese Commissie worden geleverd. Deze informatie moet zodanig worden geaggregeerd dat deze niet te herleiden is naar een persoon. In alle gevallen kan de bestuurder aangeven dat hij/zij niet wil dat deze gegevens worden uitgelezen.
Kunt u de garantie geven dat ISA alleen wordt ingezet voor veiligheid tijdens het autorijden en niet voor andere doelen, zoals bijvoorbeeld een vorm van belastingheffing op grond van meetgegevens die mede aan de hand van dit systeem worden aangeleverd?
De ISA inzetten voor belasting is niet aan de orde. ISA legt geen data vast dus leent zich ook niet voor.
De politieke gevangenen in Turkije |
|
Jasper van Dijk |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
Bent u op de hoogte van het aantal politieke gevangenen dat momenteel in de gevangenis in Turkije zit? Heeft u informatie dat het aantal politieke gevangenen afneemt? Wat is uw beleid ten aanzien van politieke gevangenen in Turkije?
Nederland blijft zich grote zorgen maken over de rechtsstaat en de mensenrechtensituatie in Turkije. Het kabinet kan echter niet met zekerheid vaststellen hoeveel personen om politieke redenen vastzitten en wat hierbij de trend is. Betrouwbare cijfers daarover zijn niet beschikbaar. Mensenrechten, waaronder het recht op vrijheid van meningsuiting en recht op een eerlijke rechtsgang, vormen de hoeksteen van het Nederlands buitenlandbeleid. Dit draagt Nederland internationaal uit, in multilaterale fora en in bilaterale gesprekken, zo ook in gesprekken met de Turkse autoriteiten, op ambtelijk en politiek niveau.
Heeft de Nederlandse regering in het geval van de bekende politieke gevangene Osman Kavala bezwaar gemaakt bij de Turkse autoriteiten vanwege de verlenging van zijn gevangenschap? Zo nee, waarom niet?1
Nederland hecht er sterk aan dat lidstaten van de Raad van Europa, ook Turkije, hun verplichting nakomen om uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) na te leven. In de zaak van dhr. Kavala ligt er een duidelijke uitspraak waarin het Hof Turkije oproept dhr. Kavala onmiddellijk vrij te laten. In de Raad van Europa (RvE), die toeziet op naleving van deze uitspraak, is hier consequent door Nederland met gelijkstemden landen toe opgeroepen. Op 2 februari 2022 besloot het Comité van Ministers van de RvE tot het starten van een inbreukprocedure tegen Turkije vanwege de detentie van dhr. Kavala. Nederland steunt de verklaring van de EU-woordvoerder van de Hoge Vertegenwoordiger, Joseph Borrell, waarin wordt betreurd dat de Turkse autoriteiten zich niet houden aan de uitspraak van het EHRM.2 In de verklaring worden ook de verplichtingen onderstreept die Turkije heeft als verdragspartij van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarnaast woont Nederland, met gelijkgestemde landen, zittingen bij in de rechtszaak tegen dhr. Kavala, en stelt NL deze zorgen regelmatig aan de orde in bilateraal en multilateraal verband.
Klopt het dat er zo’n 1600 gevangenen (waaronder politieke gevangenen) in Turkije ziek zijn en niet adequaat verzorgd worden? Zo nee, wat zijn dan de cijfers?
Gelijkluidend aan de beantwoording op vraag 1 kan het kabinet niet met zekerheid vaststellen hoeveel gedetineerden in Turkije ziek zijn en mogelijkerwijs niet adequaat verzorgd worden. Eigenstandige, onafhankelijke cijfers hierover zijn niet beschikbaar.
Klopt het dat doodzieke gevangenen ook niet de gelegenheid krijgen naar huis te gaan om daar te sterven? Zo nee, wat is dan de situatie volgens uw informatie?
Zoals aangegeven in het algemeen ambtsbericht Turkije van maart 2021 is het kabinet er mee bekend dat gevangenen beperkte toegang hebben tot gezondheidszorg en persoonlijke hygiëne. Het kabinet beschikt niet over eigenstandige dan wel onafhankelijke, betrouwbare informatie waaruit blijkt dat zieke gedetineerden geen gelegenheid krijgen om thuis te sterven.
Bent u op de hoogte van het feit dat oud-parlementslid Aysel Tuğluk, ziek en gevangen is, sinds december 2016, en niet wordt vrijgelaten, zelfs niet ondanks haar ernstige ziekte?2
Het kabinet is bekend met de situatie van mevr. Tuğluk en deze wordt door de ambassade in Ankara gemonitord. Volgens de laatste berichtgeving die bekend is bij het kabinet, wordt haar gezondheidssituatie onderzocht door de relevante instituties, en is door advocaten van mevr. Tuğluk verzocht om een aanvullend gezondheidsonderzoek door een derde partij. Nederland kaart zorgen over de mensenrechtensituatie in Turkije regelmatig en op alle niveaus aan en zal dit blijven doen, ook in Europees en internationaal verband. Zoals aangegeven in antwoord 4 is het kabinet er bekend mee dat gevangenen beperkte toegang hebben tot gezondheidszorg in Turkije. Nederland onderschrijft de doelstellingen uit het EU actieplan Mensenrechten en Democratie uit 2020 waarin expliciet de verbetering van de omstandigheden voor gedetineerden in derde landen wordt genoemd. In dat kader zet Nederland in op het verbeteren van detentieomstandigheden in Turkije middels een project van de Raad van Europa dat zich richt op de versterking van extern toezicht op penitentiaire inrichtingen.
Bent u bereid er bij de Turkse autoriteiten op aan te dringen zieke gevangenen, waaronder politieke gevangene Aysel Tuğluk, over te brengen voor verdere verpleging in een ziekenhuis of de gelegenheid te geven thuis te overlijden?
Zie antwoord vraag 5.
Oekraïne |
|
Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat u op 24 januari 2022 heeft aangegeven geen familie van ambassadepersoneel of niet-essentieel ambassadepersoneel uit Oekraïne weg te halen?
Ja. Daarbij heb ik tevens aangegeven dat de situatie zorgelijk en moeilijk te voorspellen is. Het terughalen van ambassadepersoneel of niet-essentieel ambassadepersoneel is in dit soort situaties een dilemma. Natuurlijk moet worden voorkomen dat mensen in gevaar komen door te laat handelen. Tegelijkertijd zou te vroeg weghalen van ambassadepersoneel kunnen bijdragen aan instabiliteit en onrust, terwijl spanningen al hoog zijn. Daarom heb ik de mogelijkheid geboden aan ambassademedewerkers en familieleden die zich onveilig voelen, om terug te keren naar Nederland. Nederland, Duitsland en Oostenrijk zijn op dit moment de enige EU-landen die deze stap hebben gezet. De situatie blijft onvoorspelbaar en daarom blijven we de veiligheidssituatie actief en nauwgezet monitoren, ook in nauw contact met EU-partners en andere landen.
Hoe beoordeelt u de veiligheidsrisico’s voor ambassadepersoneel en familieleden in Oekraïne?
De situatie in Kiev is over het algemeen rustig. Op dit moment kunnen ambassademedewerkers veilig hun werk doen. Uiteraard heeft de veiligheid van ambassadepersoneel onze continue aandacht. Ook worden alle benodigde voorbereidingen getroffen voor het geval de veiligheidssituatie verslechtert.
Kunt aangeven waarom de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië een deel van hun ambassadestaf en familieleden terugtrekken uit Oekraïne?
Alhoewel ik geen inzicht heb in alle overwegingen van deze landen, zal in belangrijke mate meespelen dat bijv. de Verenigde Staten enkele honderden medewerkers en familieleden heeft gestationeerd in Kiev. De Nederlandse ambassade in Kiev heeft veel minder medewerkers, die mogelijkerwijs zullen moeten worden geëvacueerd over de weg. De ambassades van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië in Kiev zijn overigens operationeel.
Heeft u contact gehad met deze landen over welke risicoanalyse hieraan ten grondslag ligt? Zo ja, hoe beoordeelt u die analyse? Zo nee, bent u bereid alsnog navraag te doen?
Van deze landen heb ik geen volledige inzage gekregen in hun risicoanalyse, dat is ook niet gebruikelijk. Met deze landen is voortdurend contact over de zorgelijke situatie in Oekraïne. Gelet op het vertrouwelijk karakter kan deze informatie niet gedeeld worden. De dreigingen die Nederlandse ambassademedewerkers en hun familieleden lopen in Kiev zijn in kaart gebracht, tevens zijn maatregelen getroffen om de geïdentificeerde dreigingen zoveel mogelijk te mitigeren. Ik hecht eraan te benadrukken dat geen enkele EU-lidstaat ambassademedewerkers uit Kiev heeft teruggehaald. Het beleid dat Nederland voert is vergelijkbaar met het beleid van andere EU-lidstaten, waarbij ernaar wordt gestreefd zoveel mogelijk in EU-verband op te trekken.
In hoeverre wijkt de risicoanalyse van Nederland af van de risicoanalyses van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië?
Zie antwoord vraag 4.
Neemt Nederland bewust meer risico dan bovengenoemde drie landen? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe is het dan mogelijk dat Nederland een ander beleid voert ten aanzien van familieleden en niet-essentieel personeel?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat bovengenoemde drie landen niet alleen familieleden en niet-essentieel personeel de vrijwillige keuze geven om al dan niet te vertrekken, maar expliciet beleid hebben om hun presentie af te schalen?
Ja.
Bent u van mening dat het aan individuen overlaten van de vertrekkeuze kan leiden tot meer risico voor ambassadepersoneel, indien zij (bijvoorbeeld uit plichtsbesef) druk voelen om te blijven?
Nee. Hierover is ook nauw contact met de ambassade.
In welke situatie wordt er alsnog besloten ambassadepersoneel terug te trekken? Is er een plan voor evacuatie in noodsituaties?
Indien ambassademedewerkers niet langer in staat zijn hun werkzaamheden in veiligheid uit te voeren en het nemen van mitigerende- en beveiligingsmaatregelen niet langer mogelijk is. Dit is overigens conform het verzoek van de Kamer, om naar alle ambassades te communiceren dat
ambassades altijd open moeten blijven tot het laatst mogelijke moment1. Daarbij merk ik op dat in voorkomende gevallen vooruitlopende daarop niet-essentiële medewerkers en hun familieleden verplicht kunnen worden terug gehaald naar NL. Dit om het aantal uitgezonden medewerkers die mogelijkerwijs uiteindelijk zullen moeten worden geëvacueerd zo klein mogelijk te maken. Vanzelfsprekend zijn verschillende opties om het land te verlaten in kaart gebracht.
Waarom adviseert het reisadvies voor Oekraïne reizen uit te stellen, en raadt het reizen naar Oekraïne niet expliciet af? Waarom is het reisadvies voor het grootste deel van Oekraïne nog oranje en niet rood?
Tijdens het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken deed ik de toezegging om te kijken naar de tekst van het reisadvies voor Oekraïne. De tekst in het reisadvies is inmiddels aangescherpt met een duidelijke boodschap om reizen uit te stellen en het verblijf te heroverwegen. Het reisadvies voor Oekraïne is oranje en deels rood voor de gebieden Donetsk, Loegansk, de Krim en het grensgebied met Rusland en Belarus. Ons reisadvies is hiermee in lijn met de reisadviezen van andere EU-landen. Daarnaast worden Nederlanders in Oekraïne opgeroepen zich te registreren bij de BZ informatieservice opdat zij bereikbaar zijn voor communicatie vanuit de ambassade voor noodsituaties. Verder wordt in het reisadvies verwezen naar een crisispagina op nederlandwereldwijd.nl met informatie over stappen die mensen kunnen nemen bij een dreigende crisis waarbij ook wordt ingegaan op het belang van een tijdig besluit over vertrek. Uiteraard worden de ontwikkelingen aan de grens tussen Oekraïne en Rusland voortdurend en nauwlettend gemonitord en zal indien nodig het reisadvies verder aangepast worden.
Waarom zegt het reisadvies voor Rusland niks over de expliciete risico’s in het grensgebied met Oekraïne? Bent u bereid om de tekst van het reisadvies op dit punt aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?
De reisadviezen voor Rusland en Belarus zijn inmiddels aangepast met een vermelding van de Russische troepenopbouw langs de grens met Oekraïne. Voor Belarus gaat dit ook om troepenopbouw langs de grens met Polen. Het advies is om niet te reizen binnen 10 km van deze grenzen. Deze grensstreken hebben in de betreffende reisadviezen een rode kleur gekregen. Ook aan Oekraïense kant geldt hetzelfde advies. De grensstrook van Oekraïne met Belarus en Rusland tot 10 km landinwaarts is in het reisadvies voor Oekraïne ook rood.
Bent u gezien de acute dreiging en snelheid van alle ontwikkelingen bereid om deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden, bij voorkeur nog deze week?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht dat de CCS-installatie bij een waterstofproject van Shell meer broeikasgassen uitstoot dan het afvangt. |
|
Christine Teunissen (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Kent u het rapport «Hydrogen’s Hidden Emissions»?1
Ik heb kennisgenomen van het rapport.
Klopt het dat de betreffende Carbon Capture and storage-installatie (CCS), gekoppeld aan de productie van fossiele (blauwe) waterstof, meer broeikasgassen uitstoot dan het afvangt? Zo nee, hoe zit het dan?
Nee, dat klopt niet. Het artikel refereert aan een specifiek project, waarbij de CO2 die vrijkomt bij de productie van waterstof wordt afgevangen. Deze waterstof wordt gemaakt uit aardgas, waarbij CO2 vrijkomt. De waterstof wordt toegepast in de opwerking van de olie. Dit gebeurt in een «upgrader». Het artikel van Global Witness verklaart dat de Scotford Upgrader meer CO2 uitstoot dan het afvangt. Dat is correct. Echter, de waterstofproductie veroorzaakt 35% van de totale CO2-uitstoot van de gehele upgrader. De uitstoot bij de waterstofproductie is dus maar een deel van de totale uitstoot van de Scotford Upgrader. De overige CO2 op deze locatie wordt door andere productieprocessen veroorzaakt. Het is dus niet zo dat de CCS-installatie, gekoppeld aan de productie van (blauwe) waterstof, meer CO2 uitstoot dan het afvangt. In totaal wordt er 1,1 Mton per jaar afgevangen, waarbij 0,9 MtCO2 aan emissies wordt vermeden. Dit verschil heeft te maken met het feit dat bij de productie van de benodigde energie voor het CCS-proces ook emissies vrijkomen. Hier wordt dus voor gecorrigeerd.
Erkent u dat CCS-installaties die meer uitstoten dan ze afvangen de klimaatcrisis alleen maar verergeren en zodoende volstrekt onwenselijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Indien er installaties zijn die meer uitstoten dan dat zij afvangen, dan zou dat inderdaad zeer onwenselijk zijn. Dat is hier echter niet het geval. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Bestaan er bij bepaalde waterstofprojecten extra risico’s op het falen van de CCS-techniek? Zo ja, welke?
Nee, niet dat mij bekend is. CCS wordt al decennialang wereldwijd succesvol toegepast in verscheidene grootschalige fossiele waterstofprojecten, waarbij de CO2 permanent ondergronds wordt opgeslagen. Ook in Nederland wordt al jarenlang CO2 afgevangen van waterstoffabrieken. Deze afgevangen CO2 wordt gebruikt voor o.a. levering aan de glastuinbouw.
Wat betekenen de bevindingen in dit rapport voor de plannen van dit kabinet op het gebied van CCS en waterstof?
Dit rapport brengt geen veranderingen in deze plannen omdat ik de conclusies die geschetst worden niet deel.
Kunt u uitsluiten dat de door dit kabinet voorgenomen CCS-projecten, al dan niet gekoppeld aan de productie van waterstof, meer zullen uitstoten dan ze zullen afvangen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft voor de SDE++ berekend wat de netto emissiereductie is per ton (bruto) afgevangen en opgeslagen CO2. Daarnaast heeft een partij geen prikkel om CO2 af te vangen en ondergronds op te slaan, wanneer dit gepaard gaat met een hogere CO2-uitstoot. Over deze uitstoot moeten immers CO2-emissierechten betaald worden, en dat is juist de reden waarom een partij de CO2 afvangt. Ook wordt in de SDE++ gecorrigeerd voor de emissies die vrijkomen bij de opwek van energie die nodig is voor afvang en transport (scope 2 emissies).
Kunt u aantonen dat de door dit kabinet voorgenomen CCS-projecten, al dan niet gekoppeld aan de productie van waterstof, meer zullen afvangen dan ze zullen uitstoten? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Ja. Zie antwoord op vraag 6. Daarbij is het belangrijk om te beseffen dat de CO2-afvang wordt toegepast op een specifiek gedeelte van het totale productieproces.
Erkent u dat CCS vooralsnog een techniek is waarbij vroeg of laat reële risico’s bestaan op het weglekken van broeikasgassen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De Mijnbouwwet bepaalt dat vergunningen voor CO2-opslag alleen worden verleend indien de risico’s van CO2-opslag – zoals het weglekken van CO2 – te verwaarlozen zijn. Voorts zullen de opslaglocaties tot 50 jaar na de sluiting op mogelijke lekkage worden gecontroleerd. Indien er toch lekkage optreedt, zullen de activiteiten worden stopgezet en/of zullen er corrigerende maatregelen worden genomen. Eventuele lekkage moet worden gecompenseerd met ETS-emissierechten.
Kunt u een lijst met de bij u bekende voorbeelden geven van probleemloze CCS-installaties die hebben geleid tot een aantoonbare en blijvende afname van de uitstoot van broeikasgassen?
Er zijn meerdere voorbeelden van operationele CCS-installaties die hebben geleid tot een aantoonbare en blijvende afname, waaronder:
Kunt u een lijst met de bij u bekende voorbeelden geven van problematische CCS-installaties waarbij bijvoorbeeld sprake was van toenemende uitstoot en/of het weglekken van eerder afgevangen broeikasgassen?
Er zijn mij geen CCS-projecten bekend die geleid hebben tot een toenemende uitstoot en/of het weglekken van eerder afgevangen broeikasgassen.
Deelt u de mening dat er geen overheidssubsidie zou moeten worden uitgegeven aan als duurzaam verkochte projecten die in de werkelijkheid de uitstoot van broeikasgassen niet doen afnemen? Zo nee, waarom niet?
Indien projecten daadwerkelijk meer CO2 uitstoten dan dat er wordt vermeden, dan zou overheidssubsidie inderdaad niet op zijn plaats zijn, indien deze subsidie tot doel heeft de CO2-emissies te reduceren.
Welke mogelijkheden ziet u om overheidssubsidies terug te vorderen, indien blijkt dat de gesubsidieerde CCS-projecten niet leiden tot een afnemende uitstoot van broeikasgassen of indien er sprake is van het in een later stadium alsnog weglekken van eerder afgevangen broeikasgassen?
Pas als een bedrijf de CO2 daadwerkelijk afvangt en opslaat, krijgt het daarvoor subsidie. Indien er sprake is van lekkage, wordt deze vrijgekomen CO2 gecompenseerd door de aankoop van EU-ETS emissierechten (zie het antwoord op vraag 8). Tevens zijn er op grond van de geldende wetgeving mogelijkheden om subsidie terug te vorderen.
Erkent u dat de (voorgenomen) CCS-subsidies voornamelijk ten gunste komen van grote vervuilers, die in het verleden veel geld hebben verdiend met het uitstoten van broeikasgassen? Zo nee, waarom niet?
Afvang en opslag van CO2 is een kostenefficiënte techniek om CO2 te reduceren, met name wanneer deze kan worden ingezet daar waar er grote volumes CO2 vrijkomen. De kosten voor afvang verschillen per productieproces. Zo is de afvang van CO2 die vrijkomt bij de productie van bijvoorbeeld waterstof of ammoniak veel eenvoudiger, goedkoper en energie efficiënter dan de afvang uit rookgassen bij verbranding zoals het geval is bij verbrandingsprocessen. De CCS-subsidies komen daardoor inderdaad voor een groot deel bij de grotere industriële bedrijven terecht. De subsidie dekt echter alleen de onrendabel top af van de toepassing van de techniek. De daadwerkelijk uitgekeerde subsidie is afhankelijk van de ETS-prijs. Hoe hoger de ETS-prijs, hoe minder subsidie er wordt uitbetaald.
Erkent u dat de beschikbaarheid van CCS ertoe leidt dat fossiele energie langer kan worden blijven opgewekt dan wanneer CCS niet beschikbaar zou zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wilt u, middenin de energietransitie, de opwek van fossiele energie blijven stimuleren?
De subsidie voor CCS wordt gegeven om de CO2 welke vrijkomt bij productieprocessen in de industrie te reduceren, niet ter verduurzaming van de (fossiele) energieproductie. Fossiele grondstoffen vormen een grote basis van onze primaire maakindustrie in Nederland (waterstof, ammoniak, kunstmest, chemie, petrochemie). Met generieke èn maatwerkafspraken wordt gewerkt aan de verduurzaming van deze sector. CCS is hier één van en is als tijdelijke maatregel nodig om de doelen tijdig te bereiken
Erkent u dat de inzet op CCS verbloemt dat bepaalde grote vervuilers veel te laat begonnen zijn met verduurzamen en nog steeds niet of nauwelijks iets willen doen aan hun vervuilende verdienmodel? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze conclusie is zo niet te trekken. Het is een gegeven dat bedrijven uit zichzelf minder in onderzoek en ontwikkeling investeren dan maatschappelijk gezien optimaal is. Dit komt omdat ze niet alle positieve effecten op de maatschappij meenemen in hun investeringsbeslissingen. Het is daarom belangrijk dat externe effecten worden beprijsd, zoals het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) doet. Omdat onderzoek per definitie onzeker en risicovol is, stimuleren overheden daarom wetenschap, onderzoek en innovatie. Ondanks al deze inzet op onderzoek en innovatie is het geen gegeven dat er ook daadwerkelijk technologische oplossingen worden gevonden of betaalbaar grootschalig uitgerold kunnen worden. CCS kan nodig zijn omdat er technologisch nog geen goede alternatieve oplossingen beschikbaar zijn voor de industrie om aan de klimaatvereisten te voldoen. In Nederland wordt grootschalig geïnvesteerd in CCS omdat Nederland aanzienlijk strenger is voor de industrie dan ander landen (met de nationale CO2-heffing) en een relatief grote industrie heeft.
Deelt u de mening dat het rechtvaardiger zou zijn om, volgens het principe dat «de vervuiler betaalt», de grote vervuilende bedrijven de door hun beoogde CCS-installaties zelf te laten betalen in plaats van miljarden aan belastinggeld uit te geven aan een onbewezen techniek die niet of nauwelijks iets verandert aan het fossiele verdienmodel van deze bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Nee deze mening deel ik niet. Het uitgangspunt van het Klimaatakkoord, dat de vervuiler betaalt, wordt toegepast. Zo betaalt de industrie voor het recht op uitstoot via het EU-ETS. Bij de uitkering van de SDE++-subsidie voor CCS wordt jaarlijks voor de ETS-prijs gecorrigeerd. De ETS-prijs is afgelopen jaren aanzienlijk gestegen. Daarom is het realistischer dat maar een beperkt deel van de totale subsidiebeschikking zal worden uitbetaald.
Ook is de verdeling van Opslag Duurzame Energie en Klimaattransitie (ODE) tussen huishoudens en bedrijven aangepast. De tarieven in de twee hoogste schijven zijn verhoogd waardoor de bijdrage van de industrie oploopt naar circa € 550 miljoen in 2030, zodat de sector hetzelfde betaalt voor het beroep dat zij dan doet op de SDE++ in 2030. Daarnaast is er ook nog de CO2-heffing voor de industrie die als stok achter de deur functioneert en de industrie laat betalen als de beoogde reductieopgave niet wordt gehaald. Tevens wordt met deze CO2-heffing de industrieopgave geborgd.
Erkent u dat er, gelet op de bovenstaande nadelen, geen logische redenen meer zijn om CCS uit belastinggeld te financieren, aangezien CCS juist kan zorgen voor meer uitstoot in plaats van minder en bovendien bedrijven juist niet prikkelt om over te stappen op duurzame energie en juist wel prikkelt om fossiele energie te blijven gebruiken? Zo ja, bent u bereid om publieke financiering van CCS te stoppen? Zo nee, wat zijn volgens u logische redenen om, midden in de energietransitie, uit belastinggeld een fossiele lock-in te creëren?
Nee, in voorgaande antwoorden heb ik aangegeven wat de redenen zijn voor de overheid om CCS te ondersteunen. Publieke ondersteuning blijft noodzakelijk zolang de ETS-prijs nog onvoldoende prikkel geeft. Middels de jaarlijkse toets op alternatieven («de Zeef») wordt geborgd dat publieke financiering wordt gestopt zodra deze beschikbaar zijn. Naar verwachting is CCS ook op de langere termijn nog noodzakelijk om klimaatdoelen te halen. Daarnaast deel ik de door u genoemde nadelen van CCS, zoals deze ook in het artikel naar voren worden gebracht, niet.
De wijze waarop de stikstofdepositie berekend wordt en de vergelijking met de kritische depositiewaarden |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Kunt u aangeven wat de wetenschappelijke onderbouwing is van de keuze om de terreinruwheid op een schaal van 6,25 hectare te bepalen en mee te nemen, en niet op een lagere dan wel hogere schaal? In hoeverre zijn metingen gedaan naar het verband tussen de mate van turbulentie en depositie en de afstand tot de bosrand?
De 6,25 hectare komt overeen met een oppervlakte van 250x250 m, wat overeenkomt met de minimale ruimtelijke schaal voor de «bovenwindse ruimtelijke geschiedenis». Dit bepaalt daarmee de minimale schaal voor het afleiden van de ruwheidslengte (zie de antwoorden op eerdere vragen over dit onderwerp; Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 3999, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 487 en Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1082). In de notitie «Relevante ruimtelijke schaal van de droge depositiemodellering in het kader van de PAS»1 wordt dit verder toegelicht.
Er zijn in het verleden metingen in bosranden gedaan waarbij een relatie is afgeleid tussen de verhoging van de depositie (ten opzichte van de gemiddelde depositie in het bos) en de afstand tot de bosrand. Een overzicht van verschillende studies naar deze relatie is opgenomen in o.a. De Schrijver e.a. (2007)2.
Kunt u precies aangeven of en hoe in het Operationele Prioritaire Stoffen (OPS)/AERIUS-model rekening wordt gehouden met het bosrandeffect ofwel verhoogde depositie in de bosrand?1
Het OPS-model houdt rekening met verschillende ruwheden van het landschap (heide, bos, etc.). Het hier bedoelde bosrandeffect wordt niet meegenomen in de berekeningen, omdat dit ingewikkelde berekeningen vergt in een model met een hoge resolutie dat de horizontale stroming van lucht modelleert. Technisch zou dit op zich wel inpasbaar zijn, maar het zou hoge eisen stellen aan het kaartmateriaal en de interpretatie van de lokale situatie én heel veel rekentijd vergen. Voor eenmalige lokale berekeningen is dat haalbaar, maar voor een landelijke toepassing in AERIUS niet, omdat dit zou vergen dat in alle gebieden alle bosranden afzonderlijk zouden moeten worden gemodelleerd én afzonderlijk op een specifieke (tijdrovende) wijze berekend.
Kunt u aangeven of en hoe het optreden van verlaagde depositie op open terrein aan de lijzijde van een bosrand is meegenomen in OPS/AERIUS?2
Dat is niet het geval, zie het antwoord op vraag 2. Het is in dit verband goed om te beseffen dat «de lijzijde van een bosrand» afhangt van de windrichting op een bepaald moment. Die windrichting is door het jaar heen heel verschillend. Dat betekent dus dat er tijdelijk een lagere depositie zal optreden in open terrein achter de bosrand als dat op dat moment de lijzijde is, maar op een ander moment – met een andere windrichting – zal het juist hoger zijn. Dat is een belangrijke oorzaak waarom de modellering ingewikkeld is.
Is de veronderstelling juist dat bij het berekenen van de droge depositie op hexagoonniveau alleen de aerodynamische weerstand op een schaal van 250x250 meter wordt bepaald en meegenomen bij het berekenen van de depositiesnelheid en dat de laminaire grenslaagweerstand en de gewasweerstand op een lager gridniveau worden bepaald en meegenomen?
Nee. Alle drie de genoemde weerstanden (aerodynamische weerstand, laminaire weerstand en de gewasweerstand) worden berekend op basis van de ruwheidslengte, die voor een schaal van een oppervlakte van 6,25 hectare is bepaald. Voor de gewasweerstand worden tevens de bijdragen van verschillende landgebruikstypen gewogen meegenomen. Voor meer informatie hierover, zie de OPS-documentatie5.
Is de veronderstelling juist dat het OPS-model nog steeds vooral geschikt is voor uitspraken voor open terrein en minder voor locaties binnen een bos en langs bosranden? Zo nee, welke aanpassingen zijn hiervoor gedaan?3
Het OPS-model is geschikt voor zowel open terrein als bos, maar houdt – zoals blijkt uit bovenstaande antwoorden – geen rekening met het lokale effect van bosranden.
Uit de antwoorden op de vragen 2 en 3 blijkt dat de daadwerkelijke depositie in de bosrand hoger kan zijn dan met OPS (AERIUS) wordt berekend voor het bos als geheel. En dat de daadwerkelijke depositie op lage vegetaties langs een bosrand een deel van het jaar – afhankelijk van de windrichting – minder zal zijn en een deel van het jaar meer. Dit betreft zeer lokaal optredende afwijkingen van wat met de huidige methode wordt berekend, waarbij de omvang van het effect per locatie nog sterk zal verschillen, afhankelijk van de specifieke ruimtelijke opbouw van het landschap. Omdat een andere modellering en berekening niet goed inpasbaar is in AERIUS (gezien de benodigde landsdekkendheid en snelheid van berekenen) in combinatie met de inschatting dat de verwachte verbetering van de berekening niet groot zal, is de conclusie dat er voor het bosrandeffect geen aanpassing zal worden aangebracht in AERIUS.
Is de veronderstelling juist dat bij het bepalen van het percentage areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden waarop de kritische depositiewaarde niet wordt overschreden (in het kader van de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, artikel 1.12a van de Wet natuurbescherming) gerekend wordt op hexagoonniveau en dat de mate waarin de hexagonen de genoemde habitats overlappen niet meegewogen wordt?
Die veronderstelling is niet juist: de reële oppervlakte is de basis voor de berekening van het percentage. Als slechts een deel van een hexagoon uit stikstofgevoelig habitat bestaat, wordt alleen dat gedeelte meegerekend.
Is de veronderstelling juist dat de relatief hogere deposities en de bijbehorende kans op overschrijding van de kritische depositiewaarde wat betreft heide-, veen,- en graslandschappen vooral gevonden worden in de zones langs bosranden, dat de betreffende hexagonen verhoudingsgewijs echter veel minder overlap hebben met de stikstofgevoelige habitats in deze landschappen dan de hexagonen die verder van de bosrand vandaan liggen, en dat derhalve sprake is van onderschatting van het percentage areaal waarop de kritische depositiewaarde niet wordt overschreden als de mate van overlapping niet meegewogen wordt?
Die veronderstelling is niet juist, omdat de verhoogde depositie op lage vegetaties die in de buurt van bos voorkomen, een reëel effect is (zie de eerder gegeven antwoorden, genoemd bij het antwoord op vraag 1). Slechts een deel van de tijd kan dat voor een deel minder zijn als gevolg van het bosrandeffect, namelijk op het moment dat de lage vegetatie zich niet aan de loef- maar aan de lijzijde bevindt (afhankelijk van de windrichting van dat moment).
Terwijl de mate van overlapping wordt meegewogen (zie het antwoord op vraag 6), wordt de verhóging van de depositie in de bosrand – ten gevolge van het bosrandeffect – niet meegenomen. Daardoor kan er dus juist een hoger percentage zijn van het areaal bos waarop de kritische depositiewaarde wordt overschreden dan nu met AERIUS wordt berekend. Nader onderzoek zou uit moeten wijzen in welke mate hiervan daadwerkelijk sprake is.
Bent u voornemens, indien voornoemde twee veronderstellingen juist zijn, hiervoor te corrigeren?
Omdat de veronderstelling deels juist is, zou hier in theorie voor gecorrigeerd kunnen worden. Zie echter het antwoord op vraag 2 en 5.
Deelt u de analyse dat verhoogde stikstofdepositie in de bosrand vooral depositie in de bosrand zelf betekent en in veel mindere mate depositie in de zone direct naast het bos?4
Nee. Het bosrandeffect is een combinatie van verhoogde rechtstreekse invang van een stof in de bosrand en een grotere verticale menging door turbulentie. Met name door die verhoogde turbulentie zal er ook sprake zijn van een verhoging van de depositie direct naast het bos.
Op welke termijn wordt het verwerkt in het Nationaal Georegister en AERIUS als delen van een bos gekapt worden en het landgebruik en de terreinruwheid onder een bepaald hexagoon hierdoor veranderen?
Wanneer delen van een bos worden gekapt, zal dat op den duur via de landgebruikskaarten terugkomen in AERIUS. Het actualiseren van de terreinkenmerken van de LGN7 naar LGN2020 vindt op dit moment plaats en zal in AERIUS Calculator en Monitor 2022 terugkomen. De actualiteit van de daarin opgenomen gegevens verschilt van plaats tot plaats, afhankelijk van de in LGN2020 gebruikte brongegevens.
Hoe kunt u verklaren dat op de meeste hexagonen met (ingetekende) jeneverbesstruwelen (H5130) in Natura 2000-gebied Borkeld met name naaldbos voorkomt met bijbehorende inherent hoge depositie, terwijl in het profielendocument wordt aangegeven dat naaldbossen met jeneverbesstruiken in de ondergroei niet tot het habitattype gerekend worden?5
Op de habitatkaart van Borkeld, die voor AERIUS is gebruikt, staat het habitattype Jeneverbesstruwelen (H5130) alleen daar ingetekend waar aan de definitie wordt voldaan, dus niet op locaties waar jeneverbesstruiken onderdeel zijn van een dennenbos. Op topografische kaarten worden jeneverbesstruwelen tot naaldbossen gerekend, maar ter plaatse betreft het dus struwelen die geheel uit jeneverbessen bestaan. Overigens kan in hetzelfde hexagoon ook een naaldbos (met grove dennen) voorkomen, maar dan wel ruimtelijk gescheiden.
Was op de datum van aanwijzing van het Natura 2000-gebied op de genoemde hexagonen het volwaardige habitattype jeneverbesstruwelen zonder naaldbos aanwezig?
Ja.
Is het de bedoeling om genoemde naaldbossen te kappen en/of bent u bereid (bij blijvende aanwezigheid van naaldbos en bijbehorende inherent hogere depositie) bij deze hexagonen de kritische depositiewaarde voor jeneverbesstruwelen niet toe te passen?
Naaldbos kan worden gekapt als dat nodig is voor het duurzame behoud van bijvoorbeeld naastgelegen jeneverbesstruweel, maar het is aan de terreinbeheerder en de provincie om te bepalen of dat noodzakelijk is.
Het niet toepassen van de KDW is niet mogelijk, want dan zou er niet meer getoetst kunnen worden op de effecten van stikstofdepositie.
Het Nederlandse vestigingsklimaat |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u van mening dat het vestigingsklimaat in Nederland de afgelopen jaren is bevorderd of verslechterd ten opzichte van andere landen?
Uit een onderzoek van Dialogic, dat in mei 2021 met uw Kamer is gedeeld1, komt naar voren dat het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat er in algemene zin relatief goed voor staat. Zoals ook in de begeleidende Kamerbrief aangegeven, is dit onderzoek voornamelijk gebaseerd op verschillende internationale ranglijsten. Deze ranglijsten komen tot stand op basis van metingen uit het verleden en kijken dus per definitie terug en niet vooruit. Recente ontwikkelingen en de impact daarvan op het toekomstige vestigingsklimaat zijn dan ook niet meegenomen in dit onderzoek.
Daarvoor zijn er natuurlijk wel indicatoren. Zo zie ik enerzijds dat nog steeds veel internationale bedrijven kiezen voor een investering in Nederland. Anderzijds hoor ik ook signalen van partijen uit het veld dat zij zich in toenemende mate zorgen maken over hoe het vestigingsklimaat zich ontwikkelt.2 Zoals in het Coalitieakkoord is aangegeven hecht het kabinet aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat en dus neem ik deze signalen serieus. Ik zal uw Kamer nog in het eerste kwartaal van dit jaar verder informeren over hoe ik werk wil maken van het vestigingsklimaat.
Hoe bent u voornemens het Nederlandse vestigingsklimaat deze kabinetsperiode te verbeteren?
In de brief met de hoofdlijnen van mijn beleid heb ik aangegeven een aantrekkelijk vestigings- en investeringsklimaat van belang te vinden.3 Daarbij heb ik enkele factoren genoemd die ik belangrijk vind, zoals de stabiliteit en voorspelbaarheid van beleid, de beschikbaarheid van talent, het fiscale stelsel en de randvoorwaarden voor specifieke investeringen die bijdragen aan maatschappelijke transities. Zoals reeds in antwoord op vraag 1 aangegeven zal ik uw Kamer in dit kwartaal hierover verder informeren. Ook streef ik ernaar om in het derde kwartaal van dit jaar een meer concrete aanpak met uw Kamer te delen.
Hoe verklaart u het vertrek van het hoofdkantoor van Shell uit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk?
Het is primair aan Shell zelf om te communiceren over de redenen waarom ervoor is gekozen om het hoofdkantoor naar het Verenigd Koninkrijk te verplaatsen. Shell heeft aangegeven dat deze verplaatsing voortkomt uit de wens van het bedrijf om zijn structuur te versimpelen. Het was al langer bekend dat Shell haar aandelenstructuur wilde versimpelen, omdat deze vereenvoudiging onder meer het uitgeven en inkopen van aandelen en het doen van overnames vergemakkelijkt. Shell heeft daarbij aangegeven dat de extra snelheid en flexibiliteit die deze vereenvoudiging oplevert nodig is met het oog op de opgave in de energietransitie, ook in Nederland. Als onderdeel van deze vereenvoudiging is de fiscale thuisbasis van Shell samengevoegd met de juridische thuisbasis in het Verenigd Koninkrijk en is het hoofdkantoor naar het Verenigd Koninkrijk verplaatst.
CEO Van Beurden heeft aangegeven dat dit besluit geen vestigingsklimaataangelegenheid is, maar dat met de versimpeling van de aandelenstructuur wel het nadeel van het risico voor de aandeelhouders op dubbele belastingheffing wordt opgelost.4 De Nederlandse dividendbelasting vormde namelijk een (extra) last voor (buitenlandse) aandeelhouders indien zij de dividendbelasting niet geheel kunnen verrekenen, wat bijvoorbeeld het geval kan zijn in het Verenigd Koninkrijk.
Bent u van mening dat de Milieudefensie-uitspraak enig effect heeft gehad op het besluit van Shell om diens hoofdkantoor naar het Verenigd Koninkrijk te verhuizen?
Het is niet aan mij om hierover te speculeren. Shell CEO Van Beurden heeft in het eerder genoemde interview5, vlak na de aankondiging dat Shell voornemens was haar hoofdkantoor te verhuizen, aangegeven dat deze beslissing niet is beïnvloed door het vonnis omdat Shell nog steeds een uitvoeringsverplichting heeft.
Bent u van mening dat de Milieudefensie-uitspraak het Nederlandse vestigingsklimaat heeft bevorderd of verslechterd?
De uitspraak van de rechter heeft alleen betrekking op het bedrijf Shell en raakt dus niet direct andere bedrijven. Wel ontvang ik signalen van bedrijven die zich afvragen of dit vonnis naar de toekomst toe ook mogelijke opvolging zal krijgen voor meer Nederlandse bedrijven. Zoals aangegeven in een Kamerbrief van mijn ambtsvoorganger met een analyse van het Shell-vonnis6, zijn er mondiaal diverse klimaatzaken tegen bedrijven. Het Shell-vonnis is wel uniek omdat, voor zover mij bekend, dit de eerste uitspraak is waarbij een bedrijf een specifieke CO2-reductieverplichting krijgt opgelegd door een rechter. Zie verder ook het antwoord op vraag 9.
Kunt u uiteenzetten wat het bedrag is dat Milieudefensie aan inkomsten heeft gekregen van de overheid?
Onderstaande tabel geeft een zo compleet mogelijk overzicht van de bedragen die de Vereniging Milieudefensie (hierna: Milieudefensie) de afgelopen vijf jaar heeft ontvangen van onderdelen van de rijksoverheid die inhoudelijk de sterkste link hebben met deze organisatie. Het gaat hierbij om de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en Buitenlandse Zaken (BuZa). In de meeste gevallen gaat het om verstrekte subsidies. Een compleet overzicht van de verstrekte bedragen door de gehele rijksoverheid is gezien de separate administraties en de gewenste beantwoordingstermijn onhaalbaar.
Vereniging Milieudefensie
Subsidieverlening project Houdbare Melk1vs 2018
EZK/LNV
72.500
2018
Vereniging Milieudefensie
DSO Protection of the Atewa Forest Ghana
BuZa
498.563
2018–2019
Vereniging Milieudefensie
Subsidie en coördinatiekosten Milieudefensie als coördinerend partner van de Green Livelihoods Alliance voor de uitvoering van het «Forest for Equity» programma in landen met tropisch regenwoud gedurende de periode 2016–2020.
BuZa
15.381.501
2016–2020
Vereniging Milieudefensie
Subsidie en coördinatiekosten Milieudefensie als coördinerend partner van de Green Livelihoods Alliance voor de uitvoering van het «Forest for a Just Future» programma in landen met tropisch regenwoud voor de periode 2021–2025. Dit betreft een nog lopend programma. Bedragen zijn daarom onder voorbehoud.
BuZa
11.332.502
2021–2025
Kunt u hetzelfde voor Urgenda uiteenzetten?
Onderstaande tabel geeft een zo compleet mogelijk overzicht van de bedragen die Urgenda de afgelopen vijf jaar heeft ontvangen van onderdelen van de rijksoverheid die inhoudelijk de sterkste link hebben met deze organisatie. Het gaat hierbij om het Ministerie van LNV en de uitvoeringsorganisatie Rijksinstituut voor Ondernemend Nederland (RVO). In de meeste gevallen gaat het om verstrekte subsidies. Een compleet overzicht van de verstrekte bedragen door de gehele overheid is gezien de separate administraties en de gewenste beantwoordingstermijn onhaalbaar.
Stichting Urgenda
Jong Leren Eten-Duurzaam Door2
LNV (RVO)
7.500
2018
Stichting Urgenda
Opdrachtverlening grote boerenverplantactie
LNV
21.780
2021
Stichting Urgenda
Subsidie LNV hectare verdubbelaar, 1.001 hectare kruidenrijk/grasland bij melkveehouders
LNV
120.120
2021
Kunt u hetzelfde voor Natuurmonumenten uiteenzetten?
Onderstaande tabel geeft een zo compleet mogelijk overzicht van de bedragen die de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland (hierna: Natuurmonumenten) de afgelopen vijf jaar heeft ontvangen van onderdelen van de rijksoverheid die inhoudelijk de sterkste link hebben met deze organisatie. Het gaat hierbij om de Ministeries van EZK, LNV en Infrastructuur en Waterstaat (IenW), en uitvoeringsorganisaties RVO en Rijkswaterstaat (RWS). In de meeste gevallen gaat het om verstrekte subsidies. Een compleet overzicht van de verstrekte bedragen door de gehele overheid is gezien de separate administraties en de gewenste beantwoordingstermijn onhaalbaar.
Natuurmonumenten
Gebruik vergaderboerderij Ackerdijkse Plassen
EZK/LNV
3.438
2018
Natuurmonumenten
Directieuitje N&B van Economische Zaken in Kraggenburg
EZK/LNV
5.281
2018
Natuurmonumenten
Bezoek aan natuurgebied de wieden 12-9-2017
EZK/LNV
300
2018
Natuurmonumenten
Lunch Marker Wadden d.d. 07 maart 2019
LNV
203
2019
Natuurmonumenten
LNV AGRO Convenant
LNV (RVO)
249.100
2019
Natuurmonumenten
Subsidie New life for Dutch fens
EZK/LNV
642.632
2019
Natuurmonumenten
Met de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) kunnen zakelijke gebruikers in aanmerking komen voor subsidie voor een zonneboiler, een warmtepomp, aansluiting op een warmtenet en voor kleinschalige windturbines en zonnepanelen
EZK (RVO)
24.960
2020
Natuurmonumenten
Met de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) kunnen zakelijke gebruikers in aanmerking komen voor subsidie voor een zonneboiler, een warmtepomp, aansluiting op een warmtenet en voor kleinschalige windturbines en zonnepanelen
EZK (RVO)
24.960
2021
Natuurmonumenten
Tijdelijke Ondersteuning Nationale Parken
LNV (RVO)
87.200
2021
Natuurmonumenten
Regeling Versneld Natuurherstel
LNV (RVO)
4.465.319
2021
Natuurmonumenten
Inzet voor het programma Natuur
LNV
20.674
2021
Natuurmonumenten
Diverse beheerwerkzaamheden (o.a. vegetatiebeheer, overgangsbeheer en onderhoud), planvoorbereiding, excursies met gids en teamdagen
IenW (RWS)
233.917
2021
Natuurmonumenten
Subsidie voor het project Waddenmozaïek, voor het in kaart brengen van de onderwaternatuur van de Waddenzee en onderzoek naar duurzame herstelmaatregelen
IenW
125.000
2021
Natuurmonumenten
Excursie Afdeling Waterveiligheid
IenW
500
2021
Bent u van mening dat het ultimatum van Milieudefensie het Nederlandse vestigingsklimaat zal bevorderen of verslechteren?1
Bedrijven hechten bij het doen van investeringen aan voorspelbaarheid en betrouwbaarheid, omdat dit hen meer investeringszekerheid geeft. Daarom heb ik in mijn hoofdlijnenbrief ook aangegeven dat de stabiliteit en voorspelbaarheid van beleid een belangrijke factor is voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat.
Vanuit bedrijven ontvang ik verschillende signalen dat zij zich zorgen maken over deze voorspelbaarheid. Daarbij wordt soms ook verwezen naar de klimaatzaak tegen Shell en mogelijke volgende zaken tegen andere bedrijven. De overheid is geen partij in dergelijke zaken, daarom is het ook niet aan mij om daar een inhoudelijke uitspraak over te doen. Tegelijkertijd is het wel aan de overheid om de signalen over ervaren onzekerheid mee te nemen en te zorgen voor stabiel en betrouwbaar beleid, zodat bedrijven met zo veel mogelijk zekerheid kunnen investeren. Dit is ook een belangrijk uitgangspunt voor onder andere hoe om te gaan met de verduurzaming van de industrie. Ik zal u voor het zomerreces verder informeren over de invulling van dit strategisch industriebeleid.
Kunt u elke vraag afzonderlijk beantwoorden en binnen de gebruikelijke beantwoordingstermijn van drie weken?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Op 22 februari jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd dat beantwoording binnen drie weken niet haalbaar bleek omdat het verzamelen van informatie en de benodigde interdepartementale afstemming ten behoeve van de beantwoording meer tijd kostte. Ik heb deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Vandalen coronarellen ontlopen betalen van aangerichte schade' |
|
Hilde Palland (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht «Vandalen coronarellen ontlopen betalen van aangerichte schade»?1
De rellen in januari 2021 gingen gepaard met volstrekt onacceptabel en strafbaar gedrag, zoals vandalisme, plunderingen en geweld tegen de politie. Dat was niet alleen een grove aantasting van de rechtsorde, maar maakte ook moedwillig medeburgers tot slachtoffer waaronder reeds door corona zwaar getroffen ondernemers. Voor slachtoffers is het verhalen van schade van groot belang. Niet alleen omdat dit zorgt voor materieel herstel, maar ook omdat dit zorgt een vorm van erkenning van het aangedane leed. Dat de dader de door hem aangerichte schade moet betalen, staat hierbij uiteraard voorop. Iedereen is in beginsel verantwoordelijk voor de gevolgen van zijn of haar handelen en dus ook voor het vergoeden van veroorzaakte schade.
Na de betreffende rellen stond in de eerste plaats het opsporen en berechten van de daders centraal. Ten aanzien van de toegebrachte schade heeft mijn ambtsvoorganger in debat met uw Kamer2 toegezegd dat de getroffen ondernemers schadeloos gesteld zouden worden voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van de rellen voor zover dit niet door een verzekering of anderszins gedekt wordt. Het algemene beeld is dat de daarvoor in aanmerking komende ondernemers inderdaad zijn gecompenseerd voor hun schade.
Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat het de inzet was dat de daders van de rellen zoveel als mogelijk zouden opdraaien voor de schade die zij hebben veroorzaakt. Het verhalen van de schade op de daders verloopt via verschillende routes, namelijk via het strafproces en via het vorderen op daders van vanuit de Regeling bedrijvenschade coronarellen uitgekeerde schade. Dit is ten dele en met name via het strafproces succesvol geweest. De afwikkeling daarvan is nog niet afgerond, zodat het nog te vroeg is voor een eindoordeel over de mate waarin het verhaal op daders is gelukt. Ik kan u echter verzekeren dat het mijn ambitie is om daders zoveel als mogelijk te laten betalen voor de aangerichte schade.
Is het correct dat gemeenten, de overheid en verzekeraars opdraaien voor de miljoenenschade die vandalen een jaar geleden hebben aangericht bij de avondklokrellen in plaats van de vandalen zelf?
Het merendeel van de ondernemers was, zoals mijn voorganger in zijn brief van 9 februari 2021 heeft aangegeven3, verzekerd tegen dit soort schade en verzekeraars keren in de regel snel uit bij meldingen van materiële schade.
De totale verzekerde schade als gevolg van de rellen wordt door het Verbond van Verzekeraars geschat op € 1 mln. Verzekeraars kunnen vervolgens via subrogatie in de rechten van het slachtoffer treden, waarbij zij in een civiele procedure de schade kunnen verhalen op de daders. In hoeverre verzekeraars van deze mogelijkheid gebruik maken is een keuze die aan de verzekeraars is. Ik sta in contact met het Verbond van Verzekeraars om te vernemen hoe dit verloopt.
Bij rellen zoals deze gaat het in de regel om onoverzichtelijke, chaotische situaties. Het vergt daardoor uitvoerig onderzoek om te kunnen achterhalen of veroorzaakte schade aan een dader kan worden toegerekend. Politie en Openbaar Ministerie hebben hier veel tijd in gestoken. Als uit camerabeelden, getuigenverklaringen of processen-verbaal van aanwezige politieambtenaren niet kan worden vastgesteld of een relschopper bepaalde schade heeft veroorzaakt, is het eisen en opleggen van het vergoeden van deze schade niet mogelijk.
Op basis van cijfers van het OM, de Rechtspraak en het CJIB kan ik u het volgende meedelen over hetgeen tot nu toe is verhaald aan schade op daders.4 Wat betreft verhaal via het strafproces heeft het OM 404 verdachten van de betreffende rellen geregistreerd, waarvan 312 verdachten zijn gedagvaard of opgeroepen. Hierbij ging het om diverse strafbare gedragingen, ook om delicten waarbij geen sprake was van schade. In een aantal zaken heeft zich een benadeelde partij gevoegd. Bij het CJIB zijn van 55 daders vonnissen bekend waarbij een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. Hiermee is een totaal schadebedrag van ruim € 551.000,– gemoeid. Deze schadevergoedingen komen ten goede aan 70 benadeelde partijen. Op het moment dat de vonnissen bij het CJIB binnenkomen, begint het CJIB direct met het innen van de schadevergoedingsmaatregelen. Op 19 januari 2022 was ruim € 36.700,– geïnd. Aan de inning van het resterende geld wordt volop gewerkt. Daarnaast zijn er nog 180 strafzaken waarin door de rechter een straf is opgelegd, maar die nog moeten worden aangeleverd aan het CJIB. Hierbij zitten mogelijk ook vonnissen waarin een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.
Gelet op het bedrag van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en de strafzaken die nog moeten worden aangeleverd bij het CJIB, kan nog geen eindoordeel kan worden gegeven over de mate waarin het verhaal op daders is gelukt. Ik kan u echter verzekeren dat het mijn ambitie is om daders zoveel als mogelijk te laten betalen voor de aangerichte schade.
Vanuit de Regeling bedrijvenschade coronarellen is aan 36 ondernemers in totaal een bedrag van € 228.150,– aan schade vergoed. Op dit moment wordt onderzocht of en op welke wijze de uit de Regeling vergoede schade op de daders kan worden verhaald. Ik verwijs u op dit punt verder naar de beantwoording op vraag 5.
In welke mate is dit (het gestelde onder vraag2 te wijten aan fouten van justitie en het gebrek aan prioriteit?
Graag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2, waarin duidelijk wordt hoezeer de politie, het OM en de Rechtspraak hebben ingezet op het opsporen, vervolgen en berechten van geweldplegers en het vorderen van schadevergoedingen. Ik heb geen aanwijzingen dat het niet kunnen verhalen van schade op de dader te wijten is aan het tekortschieten van het justitiële apparaat.
Is het correct dat diverse relschoppers veroordeeld zijn tot het storten van geldbedragen in een schadefonds en dat dit schadefonds (bijvoorbeeld voor Amsterdam n.a.v. Museumpleinrellen), zou niet zijn opgericht vanwege wettelijke drempels? Welke wettelijke drempels liggen in de weg aan het oprichten van een schadefonds? Waarom is de Kamer daar niet eerder op gewezen dat er wettelijke drempels te slechten zijn voor het oprichten van een schadefonds? Bent u bezig met een wetsvoorstel om deze wettelijke drempels te slechten? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze verwachten? Zo nee, waarom niet?
Specifiek voor de betreffende rellen heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd te komen met zoiets als een fonds om getroffen ondernemers schadeloos te stellen voor de schade die zij niet vergoed krijgen van de verzekering. Deze toezegging heeft uiteindelijk vorm gekregen in een Regeling die is uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zoals bij brief aan Uw Kamer is gemeld6 en in de Staatscourant is gepubliceerd7. Er zijn in het kader van de rellen waarvoor de regeling gold, voor zover mij bekend, geen strafzaken waarbij een rechter tot veroordeling van storting van een geldbedrag in een fonds is overgegaan.
In antwoord op het geweld tijdens de Museumpleinrellen in Amsterdam, die over een langere periode hebben plaatsgevonden, heeft de rechter als bijzondere voorwaarde opgelegd dat de veroordeelde een geldbedrag moet betalen op het moment dat er een fonds wordt opgericht ter vergoeding van schade aan gedupeerden/de gemeente Amsterdam. Anders dan bij de rellen waarvoor de regeling gold ging het hier niet zozeer om schade aan ondernemingen, maar om schade aan bijvoorbeeld wegdek van de gemeente en politievoertuigen. Van deze 37 zaken waren er op 19 januari 2022 13 zaken bij het CJIB aangeleverd met een totaalbedrag van € 5.200,–. Inmiddels is gebleken dat in twee zaken daarvan de bijzondere voorwaarde tot storting in een op te richten fonds in hoger beroep niet meer is opgelegd. Momenteel wordt in overleg met het OM, het CJIIB en de gemeente Amsterdam bekeken op welke wijze deze bijzondere voorwaarde het beste ten uitvoer gelegd kan worden, bijvoorbeeld in de vorm van een lokaal fonds.
Hoe groot acht u de kans dat het geld dat door de overheid is uitbetaald via de «Regeling bedrijvenschade coronarellen» nog via civiele procedures op daders kan worden verhaald? Welke stappen onderneemt u hiertoe?
Bij de vormgeving van de Regeling Bedrijvenschade is opgenomen dat de ondernemers die via de RVO een beroep doen op deze regeling daarmee automatisch hun vordering op een (eventuele) dader overdragen aan de overheid. Dit is gebeurd via een zogenaamde akte van cessie. De achterliggende gedachte was dat zodoende de schade waarvoor een uitkering was verstrekt alsnog op de daders kan worden verhaald. Het is mijn intentie om dit ook zoveel mogelijk te doen, vanuit de gedachte dat als iemand schade veroorzaakt deze er ook voor moet opdraaien. Tegelijkertijd ben ik mij ervan bewust dat dit een complexe aangelegenheid is, onder meer vanwege de privacywetgeving. Op dit moment bekijk ik daarom samen met het OM of en zo ja op welke wijze de schade waarvoor een tegemoetkoming is gegeven gekoppeld kan worden aan een dader. Ik verwacht uw Kamer hierover voor de zomer nader te kunnen berichten.
Hoe beoordeelt u de uitspraken over het verhalen van schade op daders in Nederland van onderzoeker Arlette Schijns aan de VU Amsterdam «Het is eigenlijk het vijfde wiel aan de wagen bij strafzaken» en «Er wordt gewoon te weinig aandacht aan besteed»? Waarom is dat zo?
Bij een strafzaak staat de vervolging van de verdachte voor een strafbaar feit centraal. De afgelopen jaren hebben de rechten van slachtoffers, waaronder het verhalen van schade van het slachtoffer, een steeds belangrijker plek in het strafproces gekregen. Als voorbeeld wijs ik op de OM-Aanwijzing Slachtofferrechten8 waarin het beleid van het OM ten aanzien van schadeverhaal is opgenomen en dat inhoudt dat het OM het slachtoffer zo goed als mogelijk ondersteunt bij het verkrijgen van een vergoeding van diens materiële en immateriële schade. Tegelijkertijd heb ik ervaren dat de mogelijkheden om de schade op de daders te verhalen in de praktijk begrensd blijken te zijn en dat hier nog verbeteringen in mogelijk zijn, zoals ook de Commissie «Onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten» in haar rapport9 concludeert. De Commissie benadrukt hierin het uitgangspunt dat de dader aansprakelijk is voor de schade die het slachtoffer lijdt. In het verlengde daarvan doet de commissie voorstellen om de mogelijkheden om de dader te verplichten tot een financiële schadevergoeding te bevorderen en te verruimen. Op dit moment wordt samen met de betrokken ketenpartners gesproken over de inhoud van het rapport. De voorstellen worden gezamenlijk uitgewerkt, waarbij de consequenties, uitvoerbaarheid en kosten in kaart worden gebracht. De Minister voor Rechtsbescherming zal uw Kamer voor het einde van het jaar middels een inhoudelijke beleidsreactie op het advies nader informeren.
Is het ook uw beeld dat er grote regionale verschillen zijn in het verhalen van schade op relschoppers, zoals in het onderzoek van RTL Nieuws? Kunt u ons nader informeren over die regionale verschillen en eventuele onderliggende oorzaken van die verschillen?
Cijfers rondom het strafrechtelijk vorderen van de schademaatregelen worden niet geregistreerd. Hierdoor kan niet inzichtelijk worden gemaakt of er grote verschillen zijn tussen de regio’s.
In meer algemene zin is bij de aanpak na de rellen ervaren dat het grote aantal personen dat kon worden berecht en bestraft, behaald is door nauwe samenwerking tussen OM en politie en het direct na de rellen inrichten van gezamenlijke werkprocessen.
Is er een mogelijkheid dat het CJIB alsnog de geldbedragen waartoe relschoppers zijn of worden veroordeeld int en deze «parkeert» op een G-rekening om deze bedragen alsnog later uit te kunnen keren waar ze voor bedoeld zijn?
Graag verwijs ik u naar mijn beantwoording op vraag 4. Momenteel wordt in overleg met het OM, het CJIB en de gemeente Amsterdam bekeken op welke wijze deze bijzondere voorwaarde het beste geëxecuteerd kan worden.
Welke motivering ligt eraan ten grondslag dat in veel gevallen door het Openbaar Ministerie (OM) geen schadevergoeding geëist is van de relschoppers? Kan dit worden verholpen?
Graag verwijs ik u naar mijn beantwoording van vraag 2. Mijn Ministerie staat doorlopend in contact met het OM teneinde te bezien hoe eventuele praktische knelpunten kunnen worden opgelost.
Daarnaast heeft de Commissie «Onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten» in haar rapport ook voorstellen gedaan voor de situatie waarin de verantwoordelijkheid voor specifieke schade van een slachtoffer niet aan een dader kan worden toegerekend. In de beleidsreactie zal hierop nader worden ingegaan.
Welke motivering heeft de rechter erbij om in veel gevallen het opleggen van schadevergoeding af te wijzen?
De strafeis van de officier van justitie kan niet (geautomatiseerd) uit de informatiesystemen van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie worden afgeleid. Het is daarom niet mogelijk om na te gaan in welke strafzaken de rechter een van de strafeis afwijkende beslissing heeft genomen ten aanzien van de vordering benadeelde partij en welke motivering daaraan ten grondslag lag.
Ben u in gesprek of bent u bereid om in gesprek te gaan met OM en de rechterlijke macht om te verkennen of er praktische knelpunten liggen in het verhalen van schade op relschoppers en welke oplossingsmogelijkheden vanuit de praktijk van OM en rechterlijke macht daarin worden gezien?
Zie antwoord vraag 9.
Is het mogelijk en bent u voornemens om een «script» klaar te hebben liggen, zoals de suggestie van deskundige Arlette Schijns, hoe om te gaan met verhaal van schade na rellen op de relschoppers voor onverhoopte toekomstige situaties?
Wij zullen deze suggesties betrekken bij de in het antwoord op vraag 6 aangegeven gezamenlijke uitwerking van de voorstellen van de Commissie «Onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten».
Het feit dat advocatenkantoor Van Doorne N.V. door ITV is ingeschakeld om onderzoek te doen naar de ernstige situatie rondom de voormalig deelnemers van The Voice of Holland |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat advocatenkantoor Van Doorne N.V. door ITV is ingeschakeld om onderzoek te doen naar de ernstige situatie rondom de voormalig deelnemers van The Voice of Holland?1 2
Ja. Laat ik vooropstellen dat ik geschrokken ben van de ernstige situatie rondom de voormalig deelnemers van The Voice of Holland. Mij is bekend dat Van Doorne N.V. door ITV is ingeschakeld en dat er inmiddels meerdere aangiften zijn gedaan bij de politie. Het feit dat er in opdracht van ITV onderzoek wordt gedaan, doet niets af aan de eigenstandige afweging van het openbaar ministerie (OM) zelf strafrechtelijk onderzoek te doen. Het OM bekijkt per aangifte of er aanleiding is voor een strafrechtelijk onderzoek.
In hoeverre bent u van mening dat een advocaat, als zijnde partijdig zoals de kernwaarden van de advocatuur ook voorschrijven, «onafhankelijk extern onderzoek» kan doen naar mogelijke strafbare feiten en misstanden die plaatsvonden tijdens en rondom de productieactiviteiten van de opdrachtgever?
Onafhankelijkheid en partijdigheid zijn beide kernwaarden van de advocatuur.3 Dat de advocaat bij zijn beroepsuitoefening partijdig is, lijkt op het eerste gezicht op gespannen voet te staan met het vereiste van onafhankelijkheid. Partijdige belangenbehartiging en onafhankelijkheid zijn echter complementair aan elkaar.4 De advocaat is in zijn taakuitoefening onafhankelijk, niet alleen ten opzichte van bijvoorbeeld de overheid, maar ook ten opzichte van zijn cliënt. De advocaat is tevens partijdig en dient daarmee primair het belang van de cliënt, maar hij is en blijft daarbij kritisch en heeft ook oog voor de belangen van andere betrokkenen (zoals de wederpartij of derden).
In antwoord op eerdere Kamervragen is door de toenmalig Minister van Justitie en Veiligheid aangegeven dat de geldende beroeps- en gedragsregels en het tuchtrecht voldoende mogelijkheden geven om een mogelijke spanning tussen partijdigheid en onafhankelijkheid het hoofd te kunnen bieden.5 Ik onderschrijf dat, evenals het uitgangspunt dat de positie en de rechten van slachtoffers van zedendelicten dienen te worden gerespecteerd.
Het is op zichzelf te prijzen dat ITV zelf onderzoek wil laten uitvoeren naar mogelijke misstanden bij het televisieprogramma The Voice of Holland. Een dergelijk onderzoek kan ook door een advocatenkantoor worden uitgevoerd, zolang is gewaarborgd dat de advocaat zelf of het onderzoeksteam waaraan hij leiding geeft of waarvan hij deel uitmaakt, over voldoende deskundigheid beschikt op het gebied van seksueel grensoverschrijdend gedrag. De advocaat is namelijk op grond van de eigen regelgeving van de NOvA verplicht om alleen zaken aan te nemen waarvoor hij de deskundigheid bezit dan wel waarvoor hij gebruik maakt van de deskundigheid van anderen.6
Onderschrijft u dat een onderzoek door ingeschakelde advocaten slechts kan dienen ter bepaling van de rechtspositie van de opdrachtgever en dus altijd tot het inkleuren van partijbelang zal leiden, zoals ook blijkt uit het standpunt van de Orde van Advocaten, en dus niet primair gericht is op waarheidsvinding? Zo ja/nee, waarom?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven is de advocaat een partijdige belangenbehartiger die in zijn werk onafhankelijk dient te opereren. Het feit dat de advocaat een partijdige belangenbehartiger is, maakt dat het onderzoek primair bedoeld is voor de bepaling van de rechtspositie van de cliënt. In de beantwoording op eerdere Kamervragen is reeds toegelicht dat het OM een onderzoek dat in opdracht van een bedrijf is verricht, kan betrekken bij het opsporingsonderzoek, bijvoorbeeld naar mogelijke financieel-economische delicten. In een dergelijk geval wordt het externe onderzoek door het OM gecontroleerd en geverifieerd op voldoende diepgang, volledigheid en juistheid.7
Hoe ziet u de relatie tussen ITV en de ingeschakelde advocaten en daarmee de status van het onderzoek juist in het licht van het feit dat de advocaten onderzoek doen ter bepaling van de rechtspositie van de opdrachtgever ITV?
Uit het persbericht van ITV blijkt dat ITV het advocatenkantoor Van Doorne heeft ingeschakeld om onderzoek te doen naar wat er gebeurd is bij het televisieprogramma The Voice of Holland. Dat maakt dat er sprake is van een advocaat-cliënt relatie tussen Van Doorne en ITV. Zoals bij vraag 2 en 3 is aangegeven, betekent dit dat Van Doorne de werkzaamheden uitvoert binnen de kernwaarden en andere beroeps- en gedragsregels die gelden voor advocaten.
Wat vindt u ervan dat ITV slachtoffers heeft opgeroepen zich te melden bij het door haar ingeschakelde advocatenkantoor Van Doorne?
Het klopt dat ITV iedereen die het slachtoffer is geworden of getuige is geweest van ongepast gedrag rond het televisieprogramma The Voice of Holland aanmoedigt om contact op te nemen met het ingeschakelde advocatenkantoor. Tegelijkertijd heeft ITV ten zeerste aangeraden dat slachtoffers of getuigen van strafbare feiten direct aangifte doen bij de politie. Ik vind dat een verstandig advies. De opsporing van strafbare feiten en de strafrechtelijke vervolging ervan zijn bevoegdheden van de politie en het OM.
Hoe groot is volgens u het risico dat de (rechts)positie van slachtoffers verslechtert, indien zij spreken met advocaten die namens de opdrachtgever onderzoek verrichten naar mogelijke strafbare feiten en misstanden die plaatsvonden tijdens en rondom de productieactiviteiten van de opdrachtgever?
Het belang van slachtoffers staat voorop. Het is van groot belang dat slachtofferrechten worden gerespecteerd, ook in de fase van onderzoek en opsporing. Een particulier onderzoek naar gebeurtenissen beperkt niet de rechten van slachtoffers en beperkt ook niet de mogelijkheden om een opsporingsonderzoek te starten. Slachtoffers zijn bovendien niet verplicht om medewerking te verlenen aan het onderzoek door het ingeschakelde advocatenkantoor.
In het kader van het onderzoek, dat nu in opdracht van ITV wordt uitgevoerd, wijzen de onderzoekers van het advocatenkantoor erop dat slachtoffers bij vermoedens van strafbare feiten daarvan melding doen bij de politie. Dit om te waarborgen dat verklaringen van slachtoffers bruikbaar zijn in het strafproces en te voorkomen dat hun rechtspositie verslechtert.
Deelt u de mening dat slachtoffers zich bij vermeende strafbare feiten altijd primair dienen te melden bij de politie en beschermd dienen te worden? Zo ja/nee, waarom?
Ja. Slachtoffers kunnen zich altijd rechtstreeks kunnen melden bij de politie, maar bijvoorbeeld ook bij Slachtofferhulp Nederland. Als een slachtoffer zich meldt bij de politie wordt een slachtoffer een persoonlijk en informatief gesprek aangeboden. Als blijkt dat er mogelijk iets strafbaars is gebeurd, dan kan het slachtoffer als deze dat wil, vervolgens aangifte doen bij de politie. Dat besluit is aan slachtoffers zelf. Daarnaast biedt de politie algemene voorlichting aan op de website www.politie.nl over het melden of doen van aangifte in zedenzaken.8
De politie kan na een eerste beoordeling van een aangifte en na besluitvorming door de officier van justitie een strafrechtelijk onderzoek starten. De belangen van slachtoffers wegen zwaar mee bij de afweging of en zo ja, hoe in een zedenzaak strafrechtelijk opgetreden moet worden.
Zowel de politie als het OM nemen zaken rondom seksueel misbruik buitengewoon serieus. Strafrechtelijke onderzoeken worden uitgevoerd door deskundige teams bestaand uit gespecialiseerde rechercheurs en officieren van justitie. Het verkrijgen van bewijs in zedenzaken is vaak lastig en kan veel tijd in beslag nemen. In zedenzaken is het daarom uiterst belangrijk dat zorgvuldig onderzocht en zo precies mogelijk vastgesteld wordt wat er is gebeurd. Dit stelt het OM vervolgens in staat om zorgvuldige vervolgingsbeslissing te kunnen nemen.
Hiervoor is het nodig dat aangevers en (andere) getuigen zoveel mogelijk afzonderlijk worden gehoord door de politie, zodat (ook onbewuste) beïnvloeding wordt voorkomen. Bij het voeren van gesprekken met anderen dan de professionals van de politie en het OM bestaat de kans dat dit een negatieve invloed heeft op het vervolg van een eventueel opsporingsonderzoek.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de NOvA en Slachtofferhulp Nederland over de ontstane ongewenste situatie en gaat u de ontwikkelingen in deze zaak betrekken bij het onderzoek dat het WODC nu verricht naar de voor- en nadelen van zelfonderzoek door advocaten? Zo ja/nee, waarom?
Ja, zowel met de NOvA als Slachtofferhulp Nederland heb ik regelmatig overleg. Ik zal bij hen aandacht blijven vragen voor de rechten en de positie van slachtoffers in zedenzaken. Het is van belang dat rechten van slachtoffers door een ieder worden gerespecteerd en dat er oog is voor hun kwetsbaarheid. Dat is niet alleen een verantwoordelijkheid van werkgevers, maar ook van ingeschakelde onderzoekers, advocaten of andere deskundigen.
Het onderzoek dat in opdracht van het WODC is gestart, richt zich op de voor- en nadelen van zelfonderzoek en zelfmeldingen door bedrijven specifiek in fraude- en corruptiezaken.9 De wet- en regelgeving, praktijkervaringen en de opsporing van fraude- en corruptiezaken is niet vergelijkbaar met die van zedenzaken. Dat betekent ook dat voor (onderzoek naar) fraude- en corruptiezaken of zedenzaken zeer verschillende expertise nodig is. Het is gelet op de uitvoering van dat onderzoek niet mogelijk om de focus op fraude- en corruptiezaken te wijzigen met het oog op zedenzaken. Ik zal uw Kamer informeren na afronding van het WODC-onderzoek en ik zal dan bezien of en zo ja, welke stappen dienen te worden genomen met betrekking tot de huidige werkwijze waarin bedrijven zelf onderzoek laten verrichten.
Op welke wijze gaat u verder toezien op de bescherming van de (rechts)positie van de slachtoffers in deze zaak?
Zoals in het antwoord op vraag 7 is toegelicht, neemt de politie alle meldingen en aangiften met aandacht op. Het borgen van de positie van het slachtoffer is een speerpunt van dit kabinet. In de afgelopen jaren zijn in wetgeving verbeteringen aangebracht om slachtoffers beter te beschermen en ook een prominentere rol te geven binnen het strafproces. Slachtoffers worden actiever gewezen op de rechten die zij hebben, zoals het recht op informatie, hulp, bescherming en het doen van een aangifte. Zo werd in 2021 de Wet uitbreiding slachtofferrechten aangenomen.10 Alle slachtoffers kunnen bovendien altijd bij Slachtofferhulp Nederland terecht voor kosteloze juridische hulp bij een strafproces en emotionele steun. Voor slachtoffers van zedenzaken geldt bovendien dat zij recht hebben op kosteloze rechtsbijstand als zij een advocaat willen inschakelen.
Het bericht 'Chinese douanescanners Schiphol en Rotterdamse haven onder vuur: 'Dit is onbegrijpelijk'' |
|
Hilde Palland (CDA), Inge van Dijk (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Chinese douanescanners Schiphol en Rotterdamse haven onder vuur: «Dit is onbegrijpelijk»»? Wat is hierop uw reactie?1
Ja, wij zijn bekend met dit bericht. Wij verwijzen u naar de antwoorden van 19 april 2021 van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatsecretaris van Financiën op de Kamervragen die hierover op 3 februari 2021, 4 februari 2021 en 15 februari 2021 zijn gesteld door, respectievelijk, de leden Yesilgöz-Zegerius en Lodders (VVD), Kuiken (PvdA) en Buitenweg (GroenLinks).2
Wat vindt u van de situatie dat 26 van de 27 EU-lidstaten apparaten hebben geïnstalleerd van het Chinese bedrijf Nuctech, waarmee zij data kunnen verzamelen en die onderdeel zijn van de grensbewaking van vrijwel de gehele EU? Bent u het ermee eens dat dit zorgwekkend is?
Elke lidstaat maakt hierin zijn eigen afweging. Voor Nederland geldt dat het staande inkoopbeleid is dat er per casus wordt bezien of er risico’s zijn voor de nationale veiligheid en zo ja, of en hoe deze beheersbaar kunnen worden gemaakt. De mogelijke veiligheidsrisico’s in verband met het gebruik van buitenlandse toeleveranciers in de scan- en detectieprocessen van de Douane zijn op dit moment onderwerp van onderzoek. In het antwoord op vraag 8 en 9 wordt daar nader op ingegaan. Inzichten uit andere landen worden waar relevant meegenomen in dit onderzoek.
Aan welke nationale en Europese eisen voor producten en diensten op het gebied van veiligheid en/of informatiedeling moeten deze systemen voldoen en voldoet de Nuctech-apparatuur hieraan? Welke instantie doet de certificering en de controle?
Apparatuur wordt door Douane aangeschaft via wettelijk voorgeschreven inkoopprocedures op grond van nationale aanbestedingswetgeving. In dat verband wordt getoetst of op een inschrijver wettelijke uitsluitingsgronden van toepassing zijn. Onderdeel daarvan is dat de leverancier bij het Ministerie van JenV een Gedragsverklaring aanbesteden (GVA) aanvraagt waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het gunnen van overheidsopdrachten aan de inschrijvende partij. De leverancier verstrekt die GVA vervolgens aan Douane. Daarnaast maakt Douane sinds 2021 bij aanbestedingen gebruik van het instrumentarium om – voorafgaand aan de aanbesteding – risico’s voor nationale veiligheid bij inkoop en aanbesteding te adresseren. Dit is toegepast in twee actuele aanbestedingstrajecten en heeft niet geleid tot het oordeel dat er sprake is van aan aanbesteding verbonden risico’s voor de nationale veiligheid. Dit instrumentarium wordt toegelicht in het antwoord op de vragen 8 en 9.
Ook kunnen er afhankelijk van het soort apparatuur andere voorschriften gelden waaraan moet worden voldaan. Zo moet voor alle scanapparatuur die Douane aanschaft een vergunning in het kader van de Kernenergiewet worden aangevraagd bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. In de situatie waarin de apparatuur moet worden beschermd door een gebouw, dient een bouwvergunning te worden aangevraagd. Bij de aanschaf van voertuigen dient een keuring door de RDW te worden afgegeven. Als er niet aan de eisen (kan) wordt voldaan, of als vergunningen niet worden verleend, wordt niet overgegaan tot gunning van de opdracht. Deze procedure geldt in relatie tot alle leveranciers, dus ook voor Nuctech.
Kunt u bevestigen dat Nuctech banden heeft met de Chinese overheid?
Zoals aangegeven in de antwoorden op Kamervragen van Buitenweg (GroenLinks)3 kan in algemene zin worden gesteld dat de Chinese overheid nauw betrokken is bij het Chinese bedrijfsleven, zowel via staatsbedrijven als private bedrijven, en dat er sprake is van nauwe verwevenheid tussen civiele en militaire sectoren in China. Dit wordt ook beschreven in de beleidsnotitie «Nederland-China: een nieuwe balans»4. Specifiek zien we dat het Chinese staatsbedrijf China National Nuclear Corporation (CNNC) een aandeel heeft van 21% in de voornaamste aandeelhouder van Nuctech (Tongfang Co. Ltd., met een aandeel van 76%). Het CNCC heeft daarmee dus indirect ca. 16% aan aandelen in Nuctech.
Kunt u bevestigen dat Nuctech zich bij aanbestedingen bedient van lage biedingen, goedkope onderhoudscontracten en gunstige (staats)leningen?
Nee, dat kunnen wij niet bevestigen. Aanbestedingen van Douane worden binnen de kaders van nationale aanbestedingswetgeving gegund op basis van een combinatie van prijs en kwaliteit, waarbij sinds 2021 het instrumentarium om risico’s voor nationale veiligheid bij inkoop en aanbesteding te adresseren wordt toegepast (zie ook de toelichting in het antwoord op vraag 8 en 9). In aanbestedingstrajecten is Nuctech in de meeste gevallen de aanbieder die de beste kwaliteit levert voor de meest aantrekkelijke prijs. Douane heeft geen inzicht in de basis voor een prijsinschrijving. U wordt hiervoor ook verwezen naar het antwoord op vraag 6.
Momenteel vinden onderhandelingen plaats over het Europese voorstel voor de Verordening buitenlandse subsidies.5 Dit voorstel biedt mogelijkheden om in te grijpen indien er sprake is van overheidssteun uit derde landen die de concurrentie op de interne markt verstoort. Het voorziet onder meer in een meldplicht voor subsidies bij inschrijving op een aanbesteding, indien de geraamde waarde van de aanbesteding boven de nog vast te stellen meldingsdrempel uitkomt. Vervolgens kan deze subsidie vooraf door de Commissie onderzocht worden. Met deze verordening wordt het daarmee in de toekomst mogelijk om een verstorende subsidie bij inschrijving op een aanbesteding te signaleren en aan te pakken.
Zijn de aanbiedingen van Nuctech bij aanbestedingen in Nederland getoetst op abnormaal lage aanbieding ex artikel 2.116 van de Aanbestedingswet? Indien ja, wat was de uitkomst daarbij? Indien nee, waarom was daar geen aanleiding toe? In hoeverre zijn hier strategische afwegingen gemaakt?
Bij inkomende aanbiedingen op aanbestedingen wordt bekeken of er aanleiding bestaat voor het oordeel dat het prijsdeel niet in verhouding staat tot de te verrichten werken, diensten of leveringen. Daarbij wordt vooral gekeken naar de verhouding tussen de uitvraag en de prijsinschrijving daarop. Wanneer bij een eerste beoordeling het vermoeden ontstaat dat voor de ingeschreven prijs het materiaal niet of nauwelijks geleverd kan worden of dat de prijsopbouw onduidelijk is, geldt de verplichting tot het doen van nader prijsonderzoek conform de procedure voor het afhandelen van abnormaal lage inschrijvingen, zoals bedoeld in artikel 2.116 van de Aanbestedingswet 2012. De prijsaanbiedingen van Nuctech hebben tot op heden geen aanleiding gegeven voor het oordeel dat die abnormaal laag zou zijn als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012.
Bent u bekend met het feit dat Nuctech in het verleden al eens door de Europese Commissie is bestraft voor dumping?2
Ja, het kabinet is bekend met de antidumpingmaatregelen die in de periode 2010 tot 2015 van toepassing waren.
Onderkent u het risico dat, ondanks het feit dat Nuctech aangeeft dat de scanners die in Nederland worden gebruikt «negen van de tien keer» zelfstandig werkend opereren en geen onderdeel vormen van een netwerk, apparatuur – zeker naar de toekomst toe – kan worden aangepast, zeker met alle ontwikkelingen rondom artificiële intelligentie (AI) en het «Internet of Things»?
Het kabinet kan hier geen garanties over geven. Douane besteedt structureel, onafhankelijk welke leverancier scanapparatuur levert, aandacht aan de bescherming en beveiliging van gegevens. Zo zijn de centrale netwerken voor scan en detectie gescheiden van het netwerk in gebruik bij Douane. Er wordt geen informatie over de controle of de bevindingen aan de scanbeelden toegevoegd. Een scan genereert geen andere informatie dan enkel een scanbeeld van de inhoud van een te scannen object.
Zoals eerder is aangegeven in de bovenbedoelde beantwoording van Kamervragen over Nuctech, bestaat er overheidsbeleid dat voorschrijft dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen bij de inkoop en aanbesteding van producten en diensten. Volgens dit beleid dient bij de aanschaf en implementatie van gevoelige apparatuur rekening gehouden te worden met zowel eventuele risico’s in relatie tot de leverancier, als met het concrete gebruik van de systemen, bijvoorbeeld waar het gaat om toegang tot systemen door derden. Ter ondersteuning van dit beleid is eind 2018 instrumentarium ontwikkeld (quick scan nationale veiligheid) dat organisaties bij inkoop en aanbesteding van diensten en producten handvatten biedt bij het maken van een risicoanalyse en het nemen van mitigerende maatregelen. Dit instrumentarium is ter beschikking gesteld binnen de rijksoverheid en medeoverheden, alsmede aan organisaties die onderdeel zijn van de vitale processen. Bij de aanbesteding van de huidige Nuctech scanners is het instrumentarium niet toegepast omdat het op dat moment nog niet geïmplementeerd was. Sinds 2021 past Douane dit instrumentarium in het kader van alle aanbestedingen echter wel toe.
Tevens heeft Douane een externe audit laten uitvoeren op de informatiebeveiliging rond scan- en detectiesystemen en daaraan gerelateerde IT-inrichting, om te verzekeren dat de scan- en detectieprocessen zo veilig mogelijk zijn ingericht. Het onderzoek is in september 2021 afgerond en in november 2021 – vertrouwelijk – aan uw Kamer aangeboden.7 Het onderzoek verschaft inzicht in het niveau van de informatiebeveiliging van de scan- en detectiesystemen en daaraan gerelateerde IT-inrichting. De aanbevelingen uit het onderzoek worden door de Douane opgepakt.
Daarnaast wordt op dit moment door een externe partij in samenspraak met andere relevante overheidspartijen aanvullend onderzoek uitgevoerd, waarin de resultaten van deze externe audit worden meegenomen. Dit vervolgonderzoek richt zich op de vraag welke onderdelen van de scan- en detectieinfrastructuur kwetsbaar zijn vanwege risico’s voor de nationale veiligheid. Daarbij wordt gekeken naar mogelijke dreigingen vanuit statelijke actoren. De toenmalig Staatssecretaris van Financiën heeft de onderzoekende partij verzocht om bij het lopende onderzoek naar genoemde risico’s de vraag te betrekken welke risico’s de Douane bij de scan- en detectieprocessen loopt bij mogelijk misbruik van scan- en detectiesystemen door niet-statelijke (criminele) actoren.
Welke garanties kunt u (laten) afgeven dat de Chinese overheid geen enkele toegang heeft tot de Nederlandse scanners of tot de data van die scanners?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u ervan op de hoogte dat Canada heeft afgezien van de aankoop van scanners van Nuctech voor haar ambassades, na het laten uitvoeren van een veiligheidsscan, en dat ook de Verenigde Staten risico’s zien in samenwerking met Nuctech en bondgenoten oproept geen zaken met Nuctech te doen4? Waarom hebt u het voorbeeld c.q. de oproep van deze twee bondgenoten niet gevolgd?3 4
Daar zijn wij van op de hoogte. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, maakt Nederland een zelfstandige afweging. Afhankelijk van de uitkomsten van het hierboven genoemde vervolgonderzoek en de uitkomst van de toepassing van het nationale veiligheidsinstrumentarium bij nieuwe aanbestedingen kan worden besloten tot aanvullende maatregelen.
Wat is uw reactie op cybersecurity expert Ronald Prins, die aangeeft dat de Chinese overheid geen toegang tot de apparatuur via «achterdeurtjes» nodig heeft en «ze zich helemaal wezenloos hacken»?
Digitale spionage is een belangrijke dreiging voor de nationale veiligheid, zoals onder andere beschreven in het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA)10. Uit onderzoeken blijkt dat staten als China, Rusland en Iran offensieve cyberprogramma’s hebben, gericht tegen Nederland. Daarbij beschrijft onder andere het Cybersecurity Beeld Nederland (CSBN)11 dat is geconstateerd dat een van de gebruikte technieken van statelijke actoren het misbruiken van producten van toeleveranciers is, waaronder het inbouwen van «achterdeurtjes» in software, als springplank naar doelwitten binnen de vitale infrastructuur. De AIVD heeft eerder gewezen op de risico’s verbonden aan onvoldoende beveiligingsmaatregelen met betrekking tot toeleveranciers12. Het is daarom van belang dat organisaties zich bewust zijn van deze risico’s en daar waar nodig maatregelen tegen nemen.
Veel spionageactiviteiten zijn momenteel al strafbaar volgens de Nederlandse wet. Maar ontwikkelingen, zoals de komst van nieuwe en steeds assertievere spelers op het wereldtoneel en de opkomst van digitale spionage, zijn aanleiding geweest om opnieuw te kijken naar de bestaande instrumenten om op te treden tegen spionage. Dit leidde ertoe dat op 28 februari jl. – als aanvulling op het bestaande instrumentarium – het wetsvoorstel uitbreiding strafbaarheid spionage in consultatie is gegaan die een nieuwe bepaling aan het Wetboek van Strafrecht toevoegt. Op grond van die bepaling wordt het verrichten van handelingen ten behoeve van een buitenlandse mogendheid strafbaar indien daardoor zwaarwegende Nederlandse belangen worden geschaad. Omdat spionageactiviteiten steeds vaker digitaal plaatsvinden, wordt met het wetsvoorstel eveneens de strafmaat van een aantal computerdelicten verhoogd wanneer deze zijn gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid.
Deel u onze mening dat we niet naïef moeten zijn in de mogelijkheden die we hiermee bieden voor onder andere dataverzameling door de Chinese overheid en voor bijvoorbeeld spionage?
Het is van groot belang dat we spionage- en beïnvloedingsactiviteiten van statelijke actoren tegengaan. Deze activiteiten kunnen onze nationale veiligheidsbelangen aantasten en daarmee impact hebben op het functioneren van de Nederlandse maatschappij. Daar moeten we inderdaad niet naïef in zijn. Om de weerbaarheid tegen deze dreiging te vergroten werken wij samen met partijen binnen en buiten de overheid aan de aanpak van statelijke dreigingen. Onderdeel van deze aanpak is dat zowel op nationaal als op EU-niveau maatregelen worden genomen om de weerbaarheid van de vitale infrastructuur te versterken. In het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren en de kabinetsreactie hierop wordt ingegaan op deze dreiging en de maatregelen die we hiertegen nemen13.
Wat zijn de juridische mogelijkheden om de deal met Nuctech te stoppen en/of terug te draaien? Kan Nederland dit zelf of moet dit via de Europese Commissie?
De apparatuur van Nuctech is reeds geleverd en wordt door Douane ingezet. Het opzeggen van de overeenkomst met Nuctech kan de overheid in principe eenzijdig doen. Het contract stelt daar nadere specifieke voorwaarden aan. Het eenzijdig opzeggen van de overeenkomst zonder een (in het contract genoemde) gegronde reden zal waarschijnlijk leiden tot onder meer een financiële claim van de opdrachtnemer wegens gederfde inkomsten of gedane investeringen.
Vindt u ook wij dat veiligheidsapparatuur in belangrijke, vitale sectoren zoveel mogelijk zou moeten worden gemaakt door Europese bedrijven? Indien ja, welke acties kan/gaat Nederland ondernemen? Bent u bekend met het feit dat er ook Nederlandse bedrijven zijn, onder andere startups (bijvoorbeeld Dynaxion), die een scansysteem ontwikkelen dat veel nauwkeuriger zou zijn dan de huidige x-ray systemen en daarmee ook nog steviger kan bijdragen aan het tegengaan van drugs gerelateerde ondermijning? Hoe geeft u invulling aan het principe dat investeringen met belastinggeld bij voorkeur ten goede komen aan (kennisontwikkeling, innovatie en werkgelegenheid bij) bedrijven in Nederland of Europa?
Een open economie en vrijhandel dragen sterk bij aan het Nederlandse verdienvermogen. Nederland heeft veel baat bij de kansen en mogelijkheden die open markten bieden. Toegang tot internationale markten zorgt er bovendien voor dat Nederland gebruik kan maken van hoogwaardige materialen, technologie en kennis die in het buitenland – waaronder in China – wordt ontwikkeld. Ook voor de vitale infrastructuur is het wenselijk dat gebruik wordt gemaakt van kwalitatief hoogwaardige producten en diensten. Nederland blijft dan ook op verantwoorde wijze gebruik maken van de voordelen van de internationale markt voor veiligheidsapparatuur, door per situatie de risico’s voor de nationale veiligheid in kaart te brengen en dat te laten meewegen in de selectie van de betreffende aanbieder.
Desondanks kunnen er redenen zijn om bepaalde producten en technologieën in Nederland of in Europa te willen kunnen ontwikkelen en beschikbaar te maken. Dit kan van belang zijn om de weerbaarheid van Nederland en de EU te vergroten, of om de EU het vereiste handelingsvermogen te geven om de eigen veiligheidsbelangen te vrijwaren. Dit kan via verschillende maatregelen: van handelsverdragen met gelijkgezinde landen, tot het direct stimuleren van de eigen industrie. Hierbij verwijzen wij ook graag naar de brief aan uw Kamer over onderzoek naar strategische afhankelijkheden en kwetsbaarheden in Nederland, waar dieper ingegaan wordt op de beleidsopties om onze weerbaarheid te versterken.14
Dynaxion is bekend bij de Douane. Douane heeft in de aanbestedingsprocedure iedere geschikte partij in de gelegenheid gesteld mee te dingen naar de opdracht. Die werd gegund op basis van de procedure als beschreven in het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze wilt u bij dit soort aanbestedingen een gelijk speelveld borgen en hoezeer zijn instrumenten als het Europese «International Procurement Instrument» (IPI) daarvoor voldoende?
Het is van groot belang dat op de Europese interne markt eerlijke concurrentie kan plaatsvinden tussen bedrijven in het kader van aanbestedingen door overheidsdiensten. De Europese aanbestedingsrichtlijnen bieden thans al mogelijkheden om deze problematiek te adresseren. Deze richtlijnen zijn in Nederland geïmplementeerd in de Aanbestedingswet 2012. Op basis van artikel 2.116 van deze wet – hieraan wordt in vraag 6 al gerefereerd – moeten aanbestedende diensten bij een inschrijving die abnormaal laag lijkt, nader onderzoek doen door de betreffende onderneming te vragen om uitleg over hoe de prijs tot stand is gekomen. Wanneer een inschrijver het lage niveau van de voorgestelde prijs niet goed kan onderbouwen met bewijsmateriaal, kan de aanbestedende dienst deze inschrijving ter zijde leggen. Abnormaal lage inschrijvingen als gevolg van niet-naleving van verplichtingen op het gebied van milieu, sociaal- en arbeidsrecht moeten door de aanbestedende dienst ter zijde worden gelegd. Dit geldt voor alle inschrijvingen, ongeacht het land van herkomst van de inschrijver. Dit draagt bij aan een gelijk speelveld voor ondernemers. Een andere manier om voor een gelijker speelveld te zorgen, is door het stellen van kwalitatieve gunningscriteria, zoals milieucriteria. Bovendien zijn Nederlandse – en andere Europese – aanbestedende diensten niet verplicht inschrijvingen toe te laten uit landen die niet aangesloten zijn bij de Government Procurement Agreement (zogenaamde «non-GPA landen»).
Naast deze bestaande mogelijkheden, zijn er twee Europese wetsvoorstellen in ontwikkeling die zich richten op een gelijk speelveld, zodat zowel binnen de Europese interne markt als daarbuiten Europese en niet-Europese ondernemingen onder vergelijkbare voorwaarden met elkaar kunnen concurreren. Het Internationaal Aanbestedingsinstrument (IPI) heeft als doel om wederkerigheid op de markt voor overheidsopdrachten af te dwingen, zodat EU-bedrijven betere toegang krijgen tot aanbestedingen in derde landen. Momenteel vinden hierover triloogonderhandelingen plaats tussen de Raad, het Europees parlement en de Europese Commissie. De inzet van het Franse voorzitterschap is om onderhandelingen gedurende zijn EU-voorzitterschap af te ronden. Het voorstel voor de Verordening buitenlandse subsidies heeft tot doel om concurrentieverstoringen op de interne markt als gevolg van buitenlandse subsidies beter aan te pakken (zie ook het BNC-fiche, Kamerstuk 22 112, nr. 3133). Momenteel vinden de onderhandelingen plaats in de betreffende Raadswerkgroep. Het Franse voorzitterschap streeft ernaar om in juni in de Raad tot een gemeenschappelijk standpunt te komen, waarna de triloogonderhandelingen kunnen beginnen. Deze voorstellen vormen belangrijke instrumenten voor het creëren een mondiaal gelijker speelveld voor Europese bedrijven.
Het rapport van de Europese Rekenkamer over de ineffectiviteit van Europese bestedingen richting de Balkan betreffende de rechtsstaat |
|
Jasper van Dijk |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
Bent u op de hoogte van het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer over de effectiviteit van Europese middelen richting kandidaat-lidstaten betreffende de rechtsstaat?1
Ja.
Wat vindt u van de conclusie dat de zevenhonderd miljoen euro die vanuit de Europese Unie aan deze landen is gespendeerd voor de rechtsstaat, amper effect heeft gehad?
De bevindingen van de Europese Rekenkamer (ERK) zijn zorgwekkend. Het kabinet is van mening dat een goed functionerende rechtsstaat essentieel is voor welvaart en stabiliteit op lange termijn. De aanbevelingen van de ERK adresseren de belangrijkste tekortkomingen t.a.v. de huidige inzet en sluiten goed aan bij de reeds bestaande Nederlandse inzet op het versterken van de rechtsstaat in kandidaat-lidstaten, met aandacht voor de rol van maatschappelijk middenveld en media en gebruikmakend van conditionaliteit. Het kabinet neemt de conclusies en aanbevelingen van de ERK zeer serieus en zal hier actief gebruik van maken bij de huidige en toekomstige EU- en bilaterale inzet op rechtsstaatshervormingen in de Westelijke Balkan.
Hoe leest u de kritiek dat vooral de risico’s op een duurzame verbetering van de rechtsstaat niet zijn uitgebannen?
In het ERK-rapport wordt geconcludeerd dat de meeste projecten uitgevoerd i.h.k.v. het Instrument voor Pretoetredingssteun (IPA) zich primair richten op operationele zaken. Trainingen, nieuwe reglementen en betere coördinatie hebben de justitiële efficiëntie en corruptiebestrijding wel degelijk op onderdelen verbeterd, zoals ook door de Nederlandse ambassades ter plaatse en het Nederlandse rechtsstatelijkheidsnetwerk wordt gemeld. Dit alles leidt echter niet direct tot een meer onafhankelijke rechtspraak of een versterking van de rechtsstaat. Hiervoor is politieke wil essentieel, zoals ook de ERK concludeert. Het kabinet vindt de conclusies zorgwekkend en zal de aankomende periode de conclusies en aanbevelingen van de ERK actief benutten om de belangrijkste tekortkomingen van de EU-inzet op rechtsstaatsterrein in de regio te adresseren.
Wat vindt u ervan dat sprake is van een grote willekeur in het handhaven van de voorwaarden voor financiële steun?
In het algemeen is het kabinet voorstander van consistente toepassing van conditionaliteit bij de toekenning van EU-fondsen. Het kabinet streeft dan ook naar het frequenter en consistenter inzetten van conditionaliteit bij de toekenning en tijdens de uitvoering van EU-fondsen ter bevordering van rechtsstaatshervormingen in de Westelijke Balkan, in lijn met de aanbevelingen van de ERK. De herziene uitbreidingsmethodologie biedt hier ook mogelijkheden toe.
Bent u het eens dat dit voornamelijk betekent dat de Europese Commissie helemaal niet goed controleert wat er met vele honderden miljoenen euro’s gebeurt?
Idealiter vindt een beoordeling van de doelmatigheid plaats voordat een project wordt uitgevoerd en zou een doelmatigheidscontrole dus onderdeel moeten zijn van de criteria voor goedkeuring van een project. Controles zoals de ERK die uitvoert op dit gebied zijn dan ook wenselijk om lidstaten en de Commissie kritischer te laten kijken naar de doelmatigheid voordat projecten worden goedgekeurd, zoals de ERK ook in zijn aanbevelingen noemt.
Waarom maakt de Europese Commissie zo weinig gebruik van de mogelijkheid om bijstand op te schorten op het moment dat er niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan?
Het opschorten of het in mindering brengen van IPA-steun kan zowel door de Commissie als door individuele lidstaten worden geopperd wanneer er sprake is van significante regressie of bij het aanhoudend uitblijven van voortgang. Hoe de besluitvorming tot stand komt is afhankelijk van het specifieke programma. Bij de inwerkingtreding van IPA III in 2021 zijn prestaties van de (potentiële) kandidaat-lidstaten centraler komen te staan. Dit ziet het kabinet als een positieve ontwikkeling. De toegang tot fondsen wordt nu gebaseerd op criteria zoals de verwachte impact en voortgang op het gebied van rechtsstaat, fundamentele rechten en openbaar bestuur. Dit is onder meer mogelijk door de focus te verleggen van landenenveloppen naar het behalen van thematische doelen. Op deze wijze kunnen (potentiële) kandidaat-lidstaten die goede resultaten boeken beloond worden met extra EU-steun en de landen die minder voortgang tonen juist minder EU-steun krijgen; het more for more, less for less principe. Het kabinet zal bij de discussie over de toekenning en/of continuering van deze fondsen inzetten op het verlenen van steun aan landen die hervormen en daarbij duurzame resultaten boeken. Wanneer gerechtvaardigd zal het kabinet tevens aandringen op opschorting/mindering van deze fondsen.
Kunt u zich voorstellen dat veel mensen dit rapport wederom als een bevestiging zien dat er veel geld wordt verspild in de Europese Unie?
Het kabinet vindt het belangrijk dat er strengere voorwaarden worden gesteld aan het ontvangen en uitgeven van middelen uit de EU-begroting. Op basis van dit rapport kan worden geconcludeerd dat de inzet van de EU heeft gezorgd voor operationele verbeteringen, zoals efficiëntere werkprocessen binnen de rechterlijke macht, of de ontwikkeling van nieuwe wetgeving. Deze verbeteringen hebben echter niet geleid tot een fundamentele versterking van de rechtsstaat, concludeert de ERK. Het kabinet zal zich er hard voor maken dat de EU zich in de toekomst meer richt op deze fundamentele versterking van de rechtsstaat, mede op basis van de aanbevelingen van de ERK.
Gaat u dit rapport en de bevindingen bespreken bij de eerstvolgende vergadering waar ook de rechtsstaat op de agenda staat? Zo nee, waarom niet?
Ja. De aanbevelingen van de ERK adresseren de belangrijkste tekortkomingen t.a.v. de huidige inzet en sluiten goed aan bij de reeds bestaande Nederlandse inzet op het versterken van de rechtsstaat, met aandacht voor de rol van maatschappelijk middenveld en media en gebruikmakend van conditionaliteit. Het kabinet kan zich ook goed vinden in de aanbeveling om de verslaglegging over en de monitoring van de projecten door de Commissie te verbeteren. Het kabinet zal daarom, mede op basis van het ERK rapport, bij zowel Commissie, EDEO als andere EU-lidstaten bepleiten dat prioriteit wordt gegeven aan de implementatie van de aanbevelingen.
Het bericht ‘De digitale knokploeg van Forum voor Democratie’ |
|
Hilde Palland (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De digitale knokploeg van Forum voor Democratie»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht.
Klopt het, dat aanhangers van Forum voor Democratie via de chatapp Telegram bedreigingen uiten richting politieke tegenstanders en adresgegevens delen?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om mij uit te spreken over dit specifieke geval. Het vaststellen of sprake is van strafbare gedragingen en het daarbij behorende feitencomplex is immers voorbehouden aan de rechter.
In algemene zin geldt dat het uiten van bedreigingen richting anderen die een andere (politieke) mening zijn toegedaan onacceptabel is in een democratische rechtsstaat, en daarom ook strafbaar is gesteld. Het delen van adresgegevens voor intimiderende doeleinden, ook wel «doxing» genoemd, is een betrekkelijk nieuw fenomeen, waarvoor een strafbaarstelling in voorbereiding is (zie ook de beantwoording van vraag2 omdat ook dit niet past in een democratische samenleving als de onze.
Klopt het, dat enkele prominente leden en politici van Forum voor Democratie zichtbaar actief zijn in de chatgroep «FvD Geluiden»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, dat de bedoelde acties van FvD(’ers) «levensgevaarlijk en ondermijnend voor onze democratische rechtstaat» zijn?
Het uiten van bedreigingen richting politici, bestuurders en ambtenaren en het ondermijnen van democratische instituties door het verspreiden van desinformatie en het aanwakkeren van sentimenten die de fundamentele rol van democratische instituties, de overheid, de journalistiek, het onderwijs, de zorg en de wetenschap in onze samenleving ter discussie stellen zijn volstrekt onacceptabel, zorgelijk en ontwrichtend. Door in te zetten op preventie, signalering, normering, opsporing, vervolging en stevig te straffen waar de grens van het betamelijke wordt overschreden pakken we dit aan. Dit vraagt om een weerbare samenleving. Dat begint op scholen, op de voetbalclub, in het dorpshuis en in het gezin. Vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt daarbij ingezet op normeren, reguleren en handhaven, zowel fysiek als online. Dat doen we zoveel mogelijk gezamenlijk met burgers en ondernemers: de bescherming van onze democratische rechtsstaat is een actieve opdracht aan ons allen.
Welke mogelijkheden heeft de politie om dit soort groepen te observeren en hierop actie te ondernemen?
De mogelijkheden die de politie heeft om online groepen te observeren waarbij een vermoeden bestaat dat sprake is van handelingen of uitingen die mogelijk strafbaar zijn, zijn afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Op grond van de algemene taakstellende bepalingen (art. 3 Politiewet en art. 141 Wetboek van Strafvordering (Sv)) kunnen opsporingsambtenaren zonder nadere uitdrukkelijke wettelijke grondslag in de digitale wereld kennisnemen van voor een ieder raadpleegbare informatie, dus ook van berichtenwisseling in publiek toegankelijke groepen. Ook kunnen opsporingsambtenaren, in geval van verdenking van een strafbaar feit, op basis van de algemene taakstellende bepalingen tot op zekere hoogte persoonsgegevens overnemen die kunnen worden verkregen uit publiek toegankelijke bronnen. Dit is in de rechtspraak bevestigd (zie ECLI:NL:GHSGR:2002:AF0684). Dit kan zolang de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die daarmee wordt gemaakt, beperkt is.
Zodra met het overnemen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van betrokkene ontstaat, is een uitdrukkelijke wettelijke grondslag vereist. Daar ligt het ingewikkelder, omdat de huidige bijzondere opsporingsbevoegdheden met betrekking tot stelselmatige observatie (126g Sv) en stelselmatige informatie-inwinning (126j Sv) niet op deze situatie zijn toegesneden. Stelselmatige observatie houdt in het waarnemen van de aanwezigheid of het gedrag van een persoon. Hoewel publiek toegankelijke bronnen indicaties kunnen bevatten voor de aanwezigheid of het gedrag van een persoon (bijvoorbeeld met foto’s of berichten op sociale media), neemt de opsporingsambtenaar niet zelf het gedrag of de aanwezigheid van de persoon waar.
In het kader van het moderniseren van het Wetboek van Strafvordering wordt een bepaling geïntroduceerd die hierop beter is toegesneden, namelijk de bevoegdheid van het stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen. Binnenkort ontvang ik het advies van de Raad van State over het wetsvoorstel.
Wat betreft online besloten groepen biedt het (huidige) Wetboek van Strafvordering in onder meer artikel 126j de wettelijke basis om, bij voldoende signalen dat sprake is van (de dreiging van) strafbare feiten, opsporingsonderzoek te doen naar die groepen. Het is daarom belangrijk dat burgers signalen over online groepen die strafbare feiten plegen of beramen met de politie delen. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 6.
Treden beheerders en/of providers en/of socialemediaplatforms hier ook daadwerkelijk tegen op c.q. kunnen die hierop worden aangesproken hun verantwoordelijkheid te nemen voor het feit dat politici op de Telegramgroep «FvD Geluiden» met de dood worden bedreigd?
Veel online platformen treden op grond van hun gebruikersvoorwaarden op tegen de verspreiding van illegale inhoud via hun diensten, en geven op hun platform geen ruimte aan handelingen die als strafbaar of onrechtmatig kunnen worden geclassificeerd, zoals bedreigingen. Zowel in nationaal als in Europees verband bestaan er gedragscodes waarbij platformen en andere internet tussenpersonen zich aan kunnen sluiten. Op grond van de bestaande richtlijn inzake elektronische handel, en de aanstaande herziening daarvan via de Digital Services Act, zijn platformen verplicht om actie te ondernemen wanneer zij kennis hebben van illegale inhoud in die openbare groepen. Die kennis kan bijvoorbeeld ontstaan door eigen onderzoek, of wanneer platformen een melding van illegale inhoud krijgen van een gebruiker, toezichthouder, of opsporingsinstantie.
Telegram is primair een interpersoonlijke communicatiedienst en geen platform; het bedrijf is op dit moment niet aangesloten bij een Europese of nationale gedragscode. De uitdagingen rond de rechtmatige toegang tot dit soort diensten is eerder met uw Kamer gedeeld.3 Tegelijkertijd biedt Telegram ook ondersteuning van openbare groepen die onderling berichten uit kunnen wisselen. Ten aanzien van deze dienst lijkt Telegram wèl aanspreekbaar als platform, en valt het onder de verplichtingen in het kader van de DSA.
Op welke wijze worden ondernemers gesteund die worden bedreigd als gevolg van berichten op «FvD Geluiden»?
Indien ondernemers slachtoffer zijn van bedreiging, dan kunnen zij daarvan aangifte of melding doen bij de politie. Bij de individuele beoordeling van de aangifte of de melding, wordt tevens beoordeeld of er sprake is van kwetsbaarheden die tot aanvullende beschermingsmaatregelen nopen.
Welke maatregelen neemt u om verspreiding van adressen van politici met foute bedoelingen tegen te gaan? Wanneer kan de Kamer het wetsvoorstel «doxing» tegemoet zien?
Met het Wetsvoorstel strafbaarstelling gebruik persoonsgegevens voor intimiderende doeleinden, ook wel aangeduid als «doxing» geeft het kabinet invulling aan het voornemen om stelling te nemen tegen de verspreiding van adressen met het doel om anderen vrees aan te jagen of te intimideren. Dit wetsvoorstel wordt binnenkort ter beoordeling aangeboden bij de Raad van State.
Hoe beoordeelt u de verhouding tussen de Telegramgroep en de partijtop van Forum voor Democratie?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om mij daarover uit te spreken.
Op welke wijze wordt in andere landen opgetreden tegen het gebruik van Telegram door criminelen en extremisten?
Met mijn collega’s in diverse andere EU-landen deel ik de zorgen over het gebruik van Telegram en andere online-diensten voor het verspreiden van extremistische uitingen. Recent (d.d. 12 januari 2022) heeft de Minister van Binnenlandse Zaken van Duitsland een discussie aangezwengeld over het verbieden van Telegram. Voor mij is een dergelijk verbod – in ieder geval op dit moment – een stap te ver.
Optreden tegen IT-bedrijven als Telegram heeft vooral zin in Europees verband. Zo kunnen op Europees niveau bepaalde diensten onder de werking van de Verordening Terroristische Online Inhoud worden gebracht die regels stelt om verspreiding van terroristische content tegen te gaan door onder andere het uitvaardigen van verwijderbevelen. Ook biedt het EU-internetforum, waarin ook Telegram participeert, een podium om in gesprek te komen. Binnen het EU-internetforum werken de Europese Commissie, EU-lidstaten en internetbedrijven vrijwillig samen om de verspreiding van onder meer extremistische en terroristische content op internet tegen te gaan.