Het onderzoek naar de MH17 |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Welke landen zijn om dit moment lid van het Joint InvestigationTeam (JIT) dat onderzoek doet naar de MH17?
Naast Nederland zijn Australië, België en Oekraïne lid van het JIT. Met Maleisië wordt samengewerkt in het JIT en inmiddels is overeengekomen dat Maleisië als lid toetreedt.
Kent u het bericht «Vetorecht Oekraïne in strafonderzoek MH17»?1
Ja.
Kunt u aangeven of en welk vetorecht Oekraïne heeft in het onderzoek en/of de vervolging?
De JIT-deelnemers hebben elkaar toegezegd terughoudend te zijn met het verstrekken van opsporingsinformatie naar anderen dan deelnemers aan het onderzoek, tenzij er consensus over bestaat dat informatie naar buiten kan worden gebracht zonder dat het onderzoek daardoor wordt geschaad. Consensus onder de JIT-partners is iets anders dan een vetorecht van een van hen.
Kent u de berichten «Malaysia joins Dutch-led probe of MH17»?2 en «MH17: Malaysia to join criminal investigation team»3, van begin november in de pers in Malaysia, waarin duidelijk staat dat dat land volwaardig lid van het JIT zal worden?
Ja.
Heeft Maleisië een formele relatie met het JIT, zoals lidmaatschap of een soort tweederangs-lidmaatschap? Zo ja, wanneer is die tot stand gekomen en welke vorm heeft die aangenomen?
Maleisië neemt reeds formeel deel aan het JIT en zal toetreden als lid.
Hoe is de samenwerking tussen de landen in het JIT en met Maleisië?
De samenwerking is goed. Zie overigens ook het antwoord op vraag 5.
Kunt u zich herinneren dat op 15 oktober meerdere Kamerleden tijdens het Algemeen overleg expliciet gevraagd hebben of er non-disclosure agreements in het JIT zitten?
Ja.
Bent u bereid zeer precies te vertellen of er afspraken in het JIT gemaakt zijn om bepaalde informatie niet te publiceren of niet te gebruiken in het onderzoek of de vervolgingsfase, indien één van de deelnemende landen daarop staat? Bent u bereid om betreffende passages van het JIT openbaar te maken? Zo nee, kunt u dan heel precies de afspraken omschrijven?
De landen die het JIT hebben gevormd, spraken bij de oprichting daarvan af dat terughoudendheid wordt betracht bij het naar buiten brengen van informatie met betrekking tot het onderzoek. Dit is vastgelegd in de JIT-overeenkomst. Dit document richt zich alleen op het onderzoek en niet op de vervolgingsfase. Zoals wij al eerder aan uw Kamer hebben gemeld, leent de JIT-overeenkomst zich niet voor openbaarmaking omdat deze operationele afspraken bevat over een lopend strafrechtelijk onderzoek. Nederland hecht er vanzelfsprekend aan dat het onderzoek niet wordt geschaad en dit in alle vertrouwelijkheid kan plaatsvinden. De overeenkomst met betrekking tot het JIT kunnen wij daarom niet openbaar maken.
Indien er sprake is van enige non-disclosure afspraak, kunt u dan aangeven of
Zie antwoord vraag 8.
Welke rechtshandelingen van Oekraïne erkent Nederland automatisch onder het JIT en is zij gehouden 100% hieraan mee te werken en deze te accepteren?
Alle JIT-landen opereren op eigen grondgebied overeenkomstig hun eigen, nationale rechtsregels. Dat is voor Oekraïne niet anders. Aangezien Oekraïne net zoals Nederland partij is bij de internationale verdragen op basis waarvan in het strafrechtelijk onderzoek wordt samengewerkt, geldt tussen de verschillende samenwerkende landen het beginsel dat er vertrouwen dient te bestaan in elkaars rechtssysteem.
Is het onderzoek in het licht van het bovenstaande volledig en onafhankelijk, zoals gevraagd in VN-Veiligheidsraad resolutie 2166?
Ja.
Kunt u de toegezegde lijst met neergeschoten vliegtuigen en helikopters in Oost-Oekraïne zo spoedig mogelijk aan de Kamer doen toekomen?
In de Stand van Zaken brief MH 17 van 18 december (Kamerstuk 33 997, nr. 26) aan uw Kamer gaan we in op de toezegging te rapporteren over het aantal neergeschoten helikopters en vliegtuigen boven Oost-Oekraïens grondgebied voorafgaand aan de ramp op 17 juli 2014.
Wie doet op dit moment onderzoek naar de vliegroutes, de keuze om over Oost-Oekraïne te vliegen (terwijl andere maatschappijen daar niet vlogen) en de besluiten die geleid hebben tot het laten vliegen over het conflictgebied?
Momenteel doet de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) in het kader van de MH17 ramp onderzoek naar de besluitvorming over vliegroutes en de risico-afweging die is gemaakt bij de keuze voor de vliegroute over Oost-Oekraïne. De OVV blikt daarbij niet alleen terug maar bekijkt ook het systeem in den brede met het doel lessen voor de toekomst te trekken.
Kan uit het onderzoek naar de vliegroutes een aansprakelijkheid voortvloeien?
De OVV doet geen uitspraken over schuld of aansprakelijkheid.
Het bericht ‘Overheid sluit deal voor behoud pinautomaten’ |
|
Agnes Mulder (CDA), Pieter Omtzigt (CDA), Sander de Rouwe (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Overheid sluit deal voor behoud pinautomaten»?1
Ja
Waarom hebt u niet meteen afspraken gemaakt met alle banken om pinautomaten en andere bancaire voorzieningen in dunbevolkte regio’s te behouden?
Met de RegioBank zijn in de intentieverklaring afspraken gemaakt gericht op het versterken van de leefbaarheid in krimp- en anticipeergebieden. Dit door het leggen van verbindingen tussen partijen, een dienstenaanbod ter ondersteuning de financiële zelfredzaamheid van buurtbewoners en het bieden financieel-economische expertise en educatie voor bijvoorbeeld het verenigingsleven en initiatieven in het dorp.
De intentieverklaring richt zich niet op het behoud van geldautomaten en andere bancaire voorzieningen. Indien andere banken dan Regiobank bij BZK aangeven zich te willen inzetten op enigerlei wijze voor de leefbaarheid in krimpregio’s, dan kan met deze banken ook een vergelijkbare intentieverklaring overeengekomen worden. Het is belangrijk dat naast overheden ook het bedrijfsleven hierin een rol oppakt en een bijdrage levert aan de leefbaarheid.
Heeft de Autoriteit Consument en Markt, gezien de deal met maar één bank, toestemming gegeven voor de deal waarover in het bericht wordt gesproken?
De intentieverklaring is geen «deal» tussen het BZK en de RegioBank gericht op plaatsen van pinautomaten, maar richt zich op het actief bijdragen aan de leefbaarheid van de buurt, regio en/of het dorp waar een RegioBank-filiaal/adviseur is gevestigd. In de zomer van 2013 is de RegioBank al zelfstandig met een pilot gestart om op vijf plekken een pinautomaat terug te brengen samen met lokale partijen. Hier is BZK niet bij betrokken geweest. Voor een beoordeling op grond van de Mededingingswet door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) bestaat dan ook geen aanleiding.
Hoe zijn de afspraken die de Minister voor Wonen en Rijksdienst nu heeft gemaakt met SNS Regiobank te rijmen met de pilot die de Minister van Financiën heeft aangekondigd over afspraken tussen banken om zogeheten «witte vlekken» in het aanbod van pinautomaten in Nederland te voorkomen?
De intentieverklaring van de Minister voor Wonen en Rijksdienst en de RegioBank, is gericht op het versterken van de leefbaarheid in krimp- en anticipeergebieden door het leggen van verbindingen tussen partijen. Deze intentieverklaring is, zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht niet gericht op het behoud van geldautomaten in krimpregio’s. Mocht Regiobank besluiten om in enkele krimpregio’s bankvestigingen of geldautomaten te plaatsen dan kan dit uiteraard wel bijdragen aan een betere bereikbaarheid van contant geld in die regio. Daarmee zijn echter de witte vlekken die geconstateerd zijn in het rapport «Bereikbaarheid van geldautomaten», opgesteld door het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer niet direct verdwenen (Kamerstukken II, 2013–2014, 27 863, nr. 57). Tot op heden heeft Regiobank enkele geldautomaten geplaatst.
De pilot waaraan in de vraag gerefereerd wordt, is er speciaal op gericht om door middel van coördinatie van de spreiding van geldautomaten witte vlekken te voorkomen dan wel te verminderen.
Was de Minister van Financiën op de hoogte van de deal die de Minister voor Wonen en Rijksdienst heeft gemaakt? Zo ja, op welke manier is de pilot van de Minister van Financiën een onderdeel van deze deal? Zo nee, hoe apprecieert de Minister van Financiën dit?
De intentieverklaring is geen «deal» waar vooraf contact over is geweest met het Ministerie van Financiën. De intentieverklaring is gericht op de leefbaarheid in het algemeen in krimp- en anticipeergebieden. De Minister van Financiën legt evenals het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer de focus op de bereikbaarheid van contant geld voor alle deelnemers aan het betalingsverkeer, ongeacht of deze deelnemers in krimpregio’s wonen of in andere gebieden. De pilot is er dan ook op gericht dat inwoners van Nederland binnen 5 kilometer contant geld kunnen opnemen. Hoewel het daarbij niet ter zake doet of er sprake is van een krimpregio of niet, kunnen krimpregio’s er profijt van hebben.
Kunt u weergeven hoe de stand van zaken is van de pilot die de Minister van Financiën heeft aangekondigd naar het voorkomen van «witte vlekken» als het gaat om de beschikbaarheid van pinautomaten binnen een straal van vijf kilometer?
De pilot is door de betrokken partijen uitgewerkt. Over de verenigbaarheid van deze uitwerking met het mededingingsrecht wordt momenteel gesproken met de ACM.
De goudclaim van Nederland op Zwitserland en het bericht dat DNB Nederlands goud uit het buitenland naar Nederland heeft gehaald |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het Zwitsers referendum op 30 november 2014 «Red ons Zwitsers Goud»?1
Ja.
Deelt u de mening van de schrijver van het boek «Fout Goud», Roel Janssen, dat bij het aannemen van het in het referendum voorliggende voorstel een extra probleem ontstaat bij het eventueel terugkomen van Zwitsers roofgoud naar Nederland, omdat de Zwitserse overheid dan volgens de wet geen goud in het bezit van Zwitserland meer aan het buitenland mag geven of verkopen?2
Het Zwitserse referendum van 30 november 2014 is afgewezen. Het referendum, ook voordat bekend werd dat die is afgewezen, is voor mij echter niet relevant voor de goudclaim die Nederland lange tijd had op Zwitserland. In mijn beantwoording van eerdere Kamervragen over dit onderwerp heb ik namelijk aangegeven dat er onvoldoende juridische grond is voor die claim en dat, ook op dit punt, de conclusies van de Contactgroep Tegoeden WO II (commissie-Van Kemenade) zijn overgenomen.
In de beantwoording van eerdere vragen geeft u aan dat «in het geval er onverwacht nieuw gestolen «oorlogsgoud» opduikt», Nederland opnieuw zal bekijken op welke wijze Nederland aanspraak kan maken op dat goud; kunt u in het licht van het Zwitserse referendum aangeven welke gevolgen dit heeft voor uw eerdere antwoord?3
Zie antwoord vraag 2.
Welke juridische adviezen heeft de Nederlandse regering de afgelopen twintig jaar ingewonnen over deze goudclaim? Wat was de strekking van deze adviezen en kunt u deze ter inzage aan de Kamer zenden?
In de afgelopen twintig jaar is de Nederlandse regering enkel door de commissie-Van Kemenade formeel geadviseerd over de goudclaim van Nederland op Zwitserland. Zoals in mijn beantwoording van eerdere Kamervragen over dit onderwerp te lezen is concludeerde de commissie-Van Kemenade dat «de claim van Nederland op de resterende 73.829 kg [...] juridisch/volkenrechtelijk niet meer staande te houden [is]» en dat «bilaterale juridische stappen tegen landen waarin geroofd goud is terechtgekomen [waaronder Zwitserland] evenmin haalbaar [zijn] en [dan] ook niet aanbevolen [worden]». De conclusies van de commissie-Van Kemenade zijn integraal overgenomen door de Nederlandse regering.
Het advies van hoogleraar Frits Kalshoven, uit de bijlage van het rapport van de commissie-Van Kemenade, brengt dit niet in een ander daglicht. Hij concludeert namelijk dat Nederland «niet over harde volkenrechtelijke argumenten beschikt waarmee het [het Akkoord van Washington] zou kunnen openbreken». De kans van slagen van een arbitrale procedure is volgens prof. Kalshoven dan ook zeer gering. Hij suggereert dat eerder een procedure op grond van «rede en billijkheid» in aanmerking kan komen; zie hiervoor ook mijn antwoord op vragen 6 en 7.
Kunt u aangeven waarom de toenmalige Minister van Financiën én het kabinet in 2000 heeft afgezien van het vasthouden aan de claim op Zwitserland van 73.829 kg Nederlands oorlogsgoud? Wat waren de dwingende juridische redenen hiervoor?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening van hoogleraar volkenrecht Frits Kalfshoven dat «het in de oorlog willens en wetens aannemen van roofgoud» immoreel is en dat het akkoord van Washington uit 1946, waarin claims op het goud door de Zwitsers zijn afgekocht, op onderdelen juridisch onhoudbaar is?4
Ik deel de mening van hoogleraar Frits Kalshoven zeer zeker dat «het in de oorlog willens en wetens aannemen van roofgoud» immoreel is. In het kader van «rede en billijkheid» heeft de Nederlandse regering in het verleden ook meerdere pogingen ondernomen om bilateraal met Zwitserland afspraken te maken. Die pogingen stuitten echter keer op keer op de verbindende kracht van het Akkoord van Washington. In het rapport van de commissie-Van Kemenade is te lezen dat de Nederlandse regering in 1955 de Zwitserse bondsraad in een geheim memorandum meedeelde van verdere stappen ter zake af te zien. Ik ben niet van plan om op die aangelegenheid terug te komen.
Wat is de reden geweest dat het advies van hoogleraar Kalfshoven in 1999, om toch juridische mogelijkheden te zoeken om het goud terug te halen, zijn genegeerd?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u van mening dat de beweegredenen voor het terughalen van Nederlands goud uit het buitenland, zoals een positief vertrouwenseffect bij het publiek en een evenwichtiger spreiding van de goudvoorraad, extra aanleiding zijn om de zaak van het Nederlandse oorlogsgoud in Zwitserse handen opnieuw te bekijken? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen aanleiding om mijn standpunt over de goudclaim te heroverwegen. Nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van goud, waaronder het besluit van de Nederlandsche Bank om een deel van de goudvoorraad terug te halen uit New York of een Zwitsers referendum dat een verbod op goudverkopen zou plaatsen, doen daar niets aan af. Zoals ik in mijn vorige antwoorden aangaf zullen er geen verdere juridische stappen worden genomen tegen landen waarin geroofd goud is terechtgekomen, tenzij zich op dat terrein bepaalde omstandigheden voordoen. Ik zal bijvoorbeeld de situatie herzien indien er onverwachts nieuw gestolen «oorlogsgoud» opduikt. Zonder een dergelijke directe aanleiding zal ik niet om extra «legal opinions» vragen.
Bent u bereid om via bijvoorbeeld een «legal opinion» door een aantal vooraanstaande juristen de hele zaak van het Zwitserse oorlogsgoud op een rij te zetten om te bezien of er nog mogelijkheden zijn om het akkoord van 1946 open te breken en zo onderhandelingen aan te gaan om nog een deel van het Nederlands goud naar Nederland te halen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Het transport bij COAX en bij glasvezel door Caiway |
|
Agnes Mulder (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Is het waar dat Caiway per 01-01-2015 bij coax- en glasvezelkabel zowel zorgt voor het transport als ook voor alle diensten? Wordt op de coaxkabel hiermee concurrentie niet effectief voorkomen doordat Caiway als transporteur van diensten bepaalt wie wel of geen diensten aan mag bieden?1
Cogas Kabel Infra B.V. (Cogas) is de eigenaar van het coaxnetwerk en het nieuwe glasvezelnetwerk (in opbouw). Cogas heeft op grond van het ex-ante telecomkader geen verplichting om andere dienstenaanbieders toe te laten op zijn netwerk. Dat betekent dat Cogas zelf kan bepalen welk bedrijf diensten aanbiedt over het coaxnetwerk. Cogas heeft er voor gekozen zijn kabelnetwerk open te stellen voor een andere dienstenaanbieder. Dat is op dit moment nog Ziggo.
Vanaf 1 januari 2015 tot 1 maart 2015 wordt per wijk de dienstverlening van Ziggo over het coaxnetwerk beëindigd. Cogas heeft een overeenkomst gesloten met dienstenaanbieder Caiway. Dat betekent dat Caiway vanaf 1 januari 2015 het transport en de diensten over het netwerk van Cogas verzorgt.
Het aan te leggen glasvezelnetwerk van Cogas bestaat uit twee glasvezels per aansluiting. Cogas stelt de tweede glasvezel open voor andere aanbieders. Dat maakt het mogelijk dat per aansluiting ook een andere aanbieder het transport van diensten gaat verzorgen en er op die wijze keuze ontstaat voor eindgebruikers. Of dat gebeurt moet nog blijken. Daarnaast stelt Caiway de glasvezels die zij gebruikt open voor alternatieve aanbieders. Inmiddels is bekend geworden dat er naast Caiway, ten minste drie andere dienstenaanbieders beschikbaar komen op het glasvezelnetwerk.
Is het waar dat ADSL maar over een beperkte afstand kan worden getransporteerd? Zo ja, klopt het dat voor sommige inwoners in de regio Twente ADSL daarom geen redelijk alternatief is en daarom per 01-01-2015 min of meer verplicht bij Caiway terechtkomen?
ADSL kent beperkingen. Naarmate de afstand tot de telefooncentrale groter is, neemt de snelheid van de internetverbinding af. Voor het afnemen van televisiediensten over DSL gaat de regel op dat als de afstand tot de telefooncentrale groter is dan ongeveer 2,5 km het lastiger wordt kwalitatief goede televisiediensten aan te bieden. De ACM heeft in de regio Twente een controle per postcodegebied uitgevoerd. Uit die controle blijkt dat in de meeste wijken waar het netwerk van Cogas ligt, ADSL kan worden afgenomen met voldoende snelheid voor TV-diensten. In gebieden met lange kabelafstanden geldt dat soms geen snelle internetverbinding mogelijk is over het bestaande kopernetwerk. In die gebieden zijn de inwoners voor hun televisiediensten aangewezen op de diensten van Caiway, een satellietaanbieder of televisie via de digitale ether. Voor snel internet zijn die eindgebruikers aangewezen op internetdiensten die Caiway levert over het coaxnetwerk. Zodra het glasvezelnetwerk door Cogas is aangelegd, ontstaat volgens Cogas keuze uit meerdere aanbieders.
Kunt u aangeven of het bericht van Caiway, waarin zij aangeven dat in het tweede kwartaal van 2015 klanten meer keuze hebben op het glasvezelnetwerk van Caiway, waar is? Indien dit in het tweede kwartaal van 2015 niet het geval blijkt te zijn, zou dit aanleiding voor de Autoriteit Consument en Markt kunnen zijn om een onderzoek in te stellen of het belang van de klant wordt geschaad?
Caiway biedt andere partijen de mogelijkheid om over het door haar van Cogas gehuurde glasvezelnetwerk diensten aan te bieden. Caiway heeft onlangs bekend gemaakt dat vanaf 1 januari 2015 naast Caiway nog drie aanbieders hun diensten zullen leveren via de vezel die Caiway huurt. Vanaf 1 april 2015 komt daar nog een vierde aanbieder bij. Het gaat om twee aanbieders voor de consumentenmarkt en twee aanbieders voor de zakelijke markt. Daarnaast biedt Cogas per aansluiting toegang tot de tweede glasvezel. Bedrijf Fiber heeft zich aangediend als potentieel geïnteresseerde partij en onderzoekt nu of er voldoende vraag is bij consumenten. Er zal dus sprake zijn van concurrentie tussen meerdere aanbieders en keuze voor gebruikers. Daardoor is er op dit moment geen aanleiding voor de ACM om een onderzoek in te stellen.
Kunt u aangeven of nieuwe abonnementen van Caiway niet duurder zullen zijn dan de bestaande abonnementen van Ziggo als wordt gekeken naar gelijke diensten?
Caiway heeft ernaar gestreefd haar dienstverlening zoveel mogelijk gelijk te maken aan die van Ziggo. De prijzen voor de televisie-, internet- en telefoniepakketten heeft Caiway gelijk getrokken met die van Ziggo. Het aanbod is niet identiek. Of het aanbod van Caiway beter of slechter uitvalt voor eindgebruikers, hangt af van het gebruikersprofiel. Caiway biedt bijvoorbeeld geen mobiele telefonie aan in haar bundels. Ziggo klanten konden ook een mobiel abonnement afnemen met 10 euro korting per maand. Caiway biedt tevens geen tweede telefoonlijn aan klanten, wat Ziggo wel deed. Caiway biedt daarentegen haar basispakket ongecodeerd aan, waardoor geen smartcard nodig is.
Welke alarmeringsdiensten kunnen na de overgang van Ziggo naar Caiway geen gebruik meer maken van het kabelnetwerk, aangezien Caiway stelt dat vrijwel de meeste alarmeringsdiensten gebruik kunnen blijven maken van het kabelnetwerk? Kan dit tot problemen leiden voor de veiligheid van de inwoners in de regio Twente?
Alarmeringsdiensten die een tweede telefoonlijn nodig hebben, kunnen geen gebruik meer maken van het kabelnetwerk. Caiway heeft de techniek die daarvoor nodig is niet beschikbaar. Overige alarmdiensten zullen gewoon blijven werken. Als een tweede telefoonlijn vereist is, dan kan men een telefoondienst afnemen over het kopernetwerk van KPN. Dankzij de beschikbaarheid van dit alternatief hoeft de overgang van Ziggo naar Caiway niet tot problemen voor de veiligheid te leiden.
Is er sprake van e-mailretentie? Zo ja, wie gaan de kosten van e-mailretentie betalen?
Onder e-mailretentie wordt de mogelijkheid verstaan om via internet nog bij de webmail te kunnen komen voor een bepaalde periode. In de overstapafspraken die marktpartijen onderling hebben gemaakt, is vastgelegd dat de oude aanbieder minstens 1 maand gratis e-mailretentie aanbiedt. Ziggo biedt een dergelijke e-mailretentiedienst vooralsnog niet aan. De ACM spreekt Ziggo in marktoverleggen over overstapdrempels hierop aan. ACM kan echter niet handhavend optreden, daar het hier om zelfregulering gaat.
Neemt u de problemen omtrent voldoende concurrentie inzake de kabel in de regio Twente mee in uw betoog bij de Europese Commissie om de urgentie van openstelling van de kabel in Nederland te bepleiten?
Ja.
De vestiging van een moskee/islamitisch centrum in Gouda |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Raymond Knops (CDA), Peter Oskam (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de vestiging van een «mega-moskee» annex islamitisch centrum in Gouda?1 2
Ja. Het betreft de gezamenlijke huisvesting van een school voor speciaal onderwijs, een medisch kinderdagverblijf en een islamitisch centrum in de voormalige administratieve Prins Willem Alexander kazerne in Gouda. Door de gezamenlijk huisvesting krijgt de moskee een omvang van 1.500 plekken en geen 4.500 plekken zoals in één van de aangehaalde artikelen genoemd.
Klopt het dat de rijksoverheid door tussenkomst van de gemeente Gouda een kazerne met atoombunker mogelijk zal doorverkopen aan de Vereniging van Goudse moskeeën en een school voor speciaal onderwijs?
Nee. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Op basis van welke beweegredenen verkoopt het Rijk de kazerne volgens de gekozen ABC-constructie aan de gemeente Gouda door en welke eisen stelt het Rijk hierbij aan het toekomstig gebruik van het kazerneterrein en de atoombunker?
Bij de verkoop van de voormalige Prins Willem Alexander Kazerne zijn twee trajecten te onderscheiden. Het eerste traject ziet op de verkoop van de voormalige kazerne tussen het Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en de gemeente Gouda. Het tweede traject ziet op de gedeeltelijke doorverkoop tussen de gemeente Gouda en drie lokale partijen.
Het eerste traject houdt in dat bij het verkopen van onroerende zaken van het Rijk, het Rijksvastgoedbedrijf de reallocatieprocedure hanteert. Deze houdt in dat indien een departement een onroerende zaak niet meer nodig heeft, dit departement de onroerende zaak aanbiedt aan het Rijksvastgoedbedrijf van BZK, die vervolgens bij andere departementen en decentrale overheden nagaat of aan deze zaak een andere bestemming in de publieke sfeer kan worden gegeven. Als departementen en decentrale overheden geen interesse hebben, wordt de onroerende zaak openbaar verkocht.
Bij de Prins Willem Alexander Kazerne heeft de gemeente Gouda interesse voor verwerving getoond. De gemeente Gouda zou vervolgens de Prins Willem Alexander Kazerne in zijn geheel doorverkopen ten behoeve van onder andere de vestiging van een speciale school (in het kader van een herbestemming in de publieke sfeer) en een kinderdagcentrum voor gehandicapte kinderen. Vandaar is in eerste instantie gekozen voor de ABC-constructie. Deze is overigens, blijkens een mededeling van de gemeente Gouda, niet meer aan de orde. Bij de verkoop stelt het Rijksvastgoedbedrijf geen bijzondere eisen aan het toekomstig gebruik van het voormalige kazerneterrein en de bunker, anders dan de gebruikelijke eisen bij verkoop van rijksvastgoed.
De gemeente Gouda heeft nog steeds interesse voor verwerving, maar wil nu – zo mogelijk – een deel doorverkopen. De gemeente verkent momenteel met drie partijen de mogelijkheden van gezamenlijke huisvesting. Alleen wanneer blijkt dat bij partijen voldoende draagvlak is, zal de gemeente tot aankoop overgaan en een deel doorverkopen. In het bestemmingsplan van de gemeente Gouda geldt voor deze locatie de bestemming «maatschappelijk». Bij verkoop geldt dat de gemeente Gouda heeft aangegeven de gehele bunker te gaan slopen.
Waren of zijn er ook alternatieve kopers en om welke redenen zijn deze kopers afgevallen?
Nee, zie het antwoord op vraag 3. Omdat gemeente Gouda gebruik heeft gemaakt van zijn voorkeurspositie, is openbare verkoop (nog) niet aan de orde.
Is bekend, indien de kazerne wordt verkocht aan onder andere de Vereniging van Moskeeën, waar het geld (€ 2,5 miljoen) dat voor de mega-moskee wordt opgebracht, vandaan komt? Vindt hiernaar onderzoek plaats of is er slechts sprake van een algemene toets? Op welke manier is er inzicht gegeven in en verantwoording afgelegd over de financieringsstromen / liquiditeit van partijen in de abc-constructie? Werkt het Rijk hierin samen met de gemeente Gouda?
Het Rijksvastgoedbedrijf onderhandelt met de gemeente Gouda over verkoop en niet met anderen.
Momenteel laat de gemeente Gouda onderzoek doen naar de herkomst van het geld. Bij het onderzoek wordt ook gebruik gemaakt van eventuele informatie beschikbaar bij het Rijk.
Krijgt de koper van de voormalige kazerne de atoombunker hierbij inbegrepen en heeft deze koper dan vrij toegang tot en beschikking over de atoombunker? Zo nee, wiens eigendom is de bunker dan? Op welke wijze wordt er omgegaan met de atoombunker onder het kazernecomplex? Wordt deze onbruikbaar gemaakt en wie is daar (financieel) voor verantwoordelijk? Zo ja, welke risico's ziet u in dit kader, wanneer bijvoorbeeld mogelijk extremistische moslims toegang hebben tot de atoombunker, en hoe wordt met deze risico's omgegaan?
Ja, de bunker behoort in principe tot de te verkopen onroerende zaak. De gemeente Gouda heeft aangegeven dat als de plannen voor gezamenlijke huisvesting doorgaan en de gemeente het complex aankoopt de bunker gesloopt gaat worden. De gezamenlijke moskeeën hebben overigens ook vanaf het begin aangegeven de bunker te willen slopen.
In hoeverre vertegenwoordigt de Vereniging van Moskeeën daadwerkelijk een representatief deel van de moslims in Gouda?
De gemeente Gouda heeft aangegeven dat De Vereniging van Moskeeën een substantieel deel van de moslims in Gouda vertegenwoordigt.
Acht u het waarschijnlijk dat een substantieel deel van de € 2,5 miljoen vanuit het buitenland gefinancierd wordt? In hoeverre past de ingeroepen hulp van Tarik Ibn Ali als fondsenwerver uit het Midden-Oosten, binnen de geldende wettelijke kaders?
Momenteel laat de gemeente Gouda onderzoek doen naar de herkomst van het geld.
Hoe beoordeelt u de bewering dat Tarik Ibn Ali onder meer in Spanje, Noorwegen en Duitsland veel geld heeft opgehaald voor salafistische moskeeën?
Klopt het dat Tarik Ibn Ali samen met de radicale Hilversumse prediker Abou Hafs geld heeft opgehaald voor het World Wide Relief Fund, ook in de Nour-moskee in Gouda? Is het waar dat beide radicale predikers met die opbrengst onder meer naar Syrië gegaan zijn teneinde «humanitaire hulp te bieden»?
Hoe beoordeelt u de bewering dat Tarik Ibn Ali een belangrijke facilitator en financier is van Europese jihadisten in Syrië, en banden zou onderhouden met de radicaal-islamitische beweging Dawa FFM, die volgens de Duitse autoriteiten actief is in het rekruteren van strijders voor de jihad in Syrië?3
Deelt u de zorgen van professionele terrorismebestrijders dat nieuwbouw van moskeeën vaak een «kantelpunt» is, waarbij salafistische groeperingen hun slag proberen te slaan? In hoeverre speelt dit ook bij het islamitisch centrum in Gouda?
Hoe verhoudt de beoogde bouw van de mega-moskee zich tot de waarschuwing van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) dat de bufferzone van het salafisme voor de overstap van geradicaliseerde moslims naar de jihad is verdwenen, en het salafisme weer een kweekvijver is geworden voor jihadisme?4
In tegenstelling tot wat bovenstaande vraag suggereert, stelt de AIVD niet dat de bufferzone van het (dawa-)salafisme tegen jihadisme is verdwenen. De AIVD stelt dat als gevolg van ontwikkelingen het Nederlandse dawa-salafisme veel minder dan een aantal jaren geleden een buffer vormt tegen het jihadisme en weer sterker een kweekvijver ervoor is geworden. Dit laat onverlet dat moslims in Gouda het recht hebben een moskee te bouwen, zolang betrokkenen zich aan de wet houden.
Welke van de maatregelen uit uw actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme bent u van plan in te zetten in de gemeente Gouda?
Net als sommige andere gemeenten kampt Gouda met betrokkenheid van individuen bij het jihadisme. Dit staat los van de kwestie van de moskeebouw. De aanpak van het jihadisme betreft een gezamenlijke verantwoordelijkheid waartoe alle beschikbare middelen bij de landelijke en lokale partners worden aangewend. Juist het Actieprogramma is erop gericht kennis bij betrokkenen te vergroten en instrumenten te creëren die inzetbaar zijn bij de aanpak van jihadisten, ook voor gemeenten. Onder coördinatie van de NCTV wordt doorlopend stevig geïnvesteerd in de lokale aanpak. In alle relevante gemeenten, waaronder Gouda, worden maatwerkinterventies afgesproken in multidisciplinaire casusoverleggen. Hierin werken de betrokken landelijke en lokale partijen, onder andere gemeente, politie, OM, GGZ, Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming, intensief samen. De casusoverleggen dragen binnen gemeenten bij aan een integraal beeld van de jihadisten door het uitwisselen van informatie, teneinde een pakket met de meest passende maatregelen samen te stellen.
Verder wordt er in buurten in Nederland waar de problemen op het gebied van radicalisering het grootst zijn ingezet op herstel van de sociale infrastructuur en van netwerken. Hierop wordt aangestuurd vanuit het Rijk, samen met de betrokken gemeenten en lokale instanties. Momenteel wordt deze aanpak via pilots op diverse plekken verkend. Indien blijkt dat deze gebiedsgerichte aanpak ook in Gouda noodzakelijk en wenselijk is, dan kijken Rijk en de gemeente naar welke acties uit deze gebiedsgerichte aanpak specifiek in Gouda moeten worden ingezet. Om hier zicht op te krijgen en de lopende en in ontwikkeling zijnde maatregelen uit het Actieprogramma zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij het beleid en de mogelijkheden van de gemeenten, is er contact met betrokken gemeenten, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters.
Beschikt u over aanwijzingen dat er onder de leden van de moskeeën jihadgangers zijn, die onlangs naar Syrië zijn getrokken?
Ik ga in het openbaar niet in op individuele gevallen.
Bent u bereid te bedingen dat de te verkopen Prins-Willem Alexanderkazerne in Gouda een andere bestemming krijgt dan de mega-moskee? Zo nee, waarom niet?
De bestemming is een verantwoordelijkheid van de gemeente Gouda. De huidige bestemming van de voormalige Prins Willem Alexander Kazerne is «maatschappelijk». Wanneer de verkoop aan de gemeente Gouda doorgaat, blijft de bestemming maatschappelijk. Scholen voor speciaal onderwijs vallen daaronder, net zoals een moskee.
Hoe lang kan de gemeente Gouda als eerste koper voor de PWA Kazerne opteren? Zijn er kosten verbonden aan dit recht? Is er een risico dat, in het geval van een abc-constructie, de kazerne onder de marktprijs wordt verkocht? Indien er een risico is, vindt u dit risico acceptabel en op basis van welke beweegredenen? Wie draait er op voor de kosten indien er asbest in het gebouw wordt gevonden?
Op 31 december 2014 verliep de termijn waarbinnen de eigendomsoverdracht aan de gemeente moest plaatsvinden. Na 31 december 2014 heeft het Rijkvastgoedbedrijf voorgesteld een reserveringsvergoeding te betalen. De gemeente Gouda heeft hierop nog niet gereageerd. Indien de gemeente niet koopt, zal de kazerne openbaar worden verkocht. Er is geen risico dat de kazerne onder de marktprijs wordt verkocht. Het RVB is eraan gehouden om tegen de marktprijs te verkopen. Indien asbest in het gebouw wordt gevonden, dan worden over de kosten van het verwijderen van het asbest nadere afspraken tussen de koper en verkoper gemaakt.
De fundamentele kritiek die de Europese Rekenkamer geuit heeft op de bni-statistieken, die de aanleiding waren voor een extra betaling van 642 miljoen euro aan de Europese Unie |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Wanneer heeft u kennisgenomen van het rapport «Op weg naar correcte gegevens over het bruto nationaal inkomen (BNI): een meer gestructureerde en gerichte aanpak zou de doeltreffendheid van de verificatie door de commissie verbeteren», dat is uitgebracht door de Europese Rekenkamer (Speciaal verslag nr. 11/2013)?1
Ik heb na publicatie kennisgenomen van dit rapport van de Europese Rekenkamer. Ik merk hierbij op dat het rapport betrekking heeft op de verificatie door de Europese Commissie van de voor de vaststelling van de eigen middelen gebruikte BNI-gegevens over de jaren 2002–2007. De aanbevelingen van de Europese Rekenkamer in het rapport zijn gericht aan de Commissie en Eurostat en niet aan de Raad van de Europese Unie, de lidstaten of de nationale statistiekbureau’s.
Welke acties heeft de Europese Unie naar aanleiding van dit rapport ondernomen?
In het antwoord van de Europese Commissie op het rapport van de Europese Rekenkamer (opgenomen in het rapport, zie pag 72–81) is uitgebreid ingegaan op de afzonderlijke punten van kritiek en de negen aanbevelingen van de Europese Rekenkamer. Ik verwijs u naar deze reactie waarin gedetailleerd beschreven staat welke verbeteringen in het verificatieproces de Commissie zal doorvoeren.
De Raad van de Europese Unie heeft op 14 april 2014 raadsconclusies aangenomen over dit rapport van de Europese Rekenkamer. In deze conclusies neemt de Raad kennis van dit rapport en verwelkomt de Raad dat veel elementen van het rapport worden opgepakt en geimplementeerd2. Het kabinet onderschrijft deze Raadsconclusies. Zie tevens antwoord op vraag 1.
Welke acties heeft de Nederlandse regering naar aanleiding van dit rapport ondernomen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de conclusie (nummer VII): «De Rekenkamer heeft bij haar controle gevallen van materiele niet-naleving van het ESR-95 of van de gebrekkige kwaliteit van de BNI-schattingen vanuit het oogpunt van betrouwbaarheid, vergelijkbaarheid en volledigheid aangetroffen die de Commissie niet had ontdekt»?
Ik heb kennisgenomen van deze bevinding van de Europese Rekenkamer. Ik wijs in dit verband op het antwoord van de Commissie op deze specifieke bevinding in de samenvatting: «De Commissie heeft iedere in het verslag vermelde zaak nauwkeurig onderzocht en is het niet eens met een aantal bevindingen van de Rekenkamer.»(zie pag 73 van het rapport).
Betekent dit dat de BNI-afdrachten in de jaren dat dit betrof, waarschijnlijk niet accuraat zijn gedaan en dat sommige landen teveel en sommige landen te weinig betaald hebben?
Op 11 november 2014 heb ik de Kamer geïnformeerd over de nadere informatie die ik van Eurostat heb ontvangen aangaande de onderbouwing van de naheffing EU-afdrachten (zie Kamerstuk 21 501-07, nr. 1186). De opinie van het BNI-comité zoals vastgesteld in de vergadering van het comité op 22-23 oktober 2014 maakte deel uit van deze informatie. Het BNI-comité heeft geoordeeld dat de door de nationale statistiekbureau’s aangeleverde BNI-cijfers geschikt zijn voor de vaststelling van de eigen middelen vanuit het oogpunt van betrouwbaarheid, vergelijkbaarheid en uitputtendheid. Echter, voor alle BNI cijfers voor de afdracht geldt vanaf het verslagjaar 2010 een algemeen voorbehoud dat van kracht is zolang de cijfers nog niet in detail zijn gecontroleerd door Eurostat.
Wat vindt u van de conclusie (nummer V) «de ingrijpende herzieningen die de Lidstaten tussen 2008 en 2011 hebben doorgevoerd, zijn door de Commissie onvoldoende onderzocht»?
Ik heb kennisgenomen van deze bevinding van de Europese Rekenkamer. Ik wijs in dit verband op het antwoord van de Commissie op deze specifieke bevinding in de samenvatting: «Het controlesysteem van de Commissie is ook robuust genoeg om regelmatige en ingrijpende herzieningen, zoals de integratie van wijzigingen in de bronnen van basisgegevens en nieuwe schattingsmethoden, op te vangen.»(pag. 72 van het rapport).
Op welke wijze is de ingrijpende herziening die Nederland net afgerond heeft onderzocht en is dat in de ogen van de Nederlandse regering voldoende gebeurd?
Het CBS heeft op 6 maart 2014 de gereviseerde cijfers van de nationale rekeningen over het verslagjaar 2010 gepubliceerd. Op 25 juni 2014 zijn de bijbehorende tijdreeksen gepubliceerd voor de periode 2001–2013. Conform internationale verplichtingen zijn de cijfers voor de periode 1995–2013 in september 2014 geleverd aan Eurostat. Op 22 september heeft de levering plaatsgevonden die betrekking heeft op het BNI voor de afdracht. Bij de aanlevering vindt een eerste controle plaats door Eurostat op plausibiliteit en consistentie. Op grond van deze eerste en voorlopige controle zijn de cijfers geaccordeerd om te dienen als grondslag voor de berekening van de afdracht. Echter, voor alle BNI cijfers voor de afdracht geldt vanaf het verslagjaar 2010 een algemeen voorbehoud dat van kracht is zolang de cijfers nog niet in detail zijn gecontroleerd door Eurostat. Deze controle vindt plaats in een zogenaamde verificatiecyclus die nog moet beginnen. De verificatiecyclus start eind 2015 als alle lidstaten, conform verplichting, een uitvoerige beschrijving hebben opgesteld van de ramingen over het verslagjaar 2010. Dit wordt vastgelegd in een zogenaamde BNI inventory waarin de gebruikte bronnen, de bewerkingen en toegepaste methoden worden beschreven. De verificatie door Eurostat start met de bestudering van de inventories, vervolgens worden schriftelijke vragen gesteld, en tot slot worden alle lidstaten een of meermalen bezocht. Daarbij wordt ter plekke onderzoek verricht naar de kwaliteit van de ramingen van een lidstaat. Ook de Europese Rekenkamer is betrokken bij de verificatie. Uiteindelijk kunnen op grond van de bevindingen specifieke voorbehouden aan de lidstaten worden opgelegd. Dit zijn bijvoorbeeld punten waarvan de commissie vindt dat de gebruikte methoden en/of bronnen verbeterd moeten worden. Op deze punten dienen de lidstaten de BNI cijfers aan te passen binnen een gegeven deadline. Nadat alle aanpassingen zijn doorgevoerd en akkoord bevonden en alle voorbehouden zijn opgeheven is het betreffende BNI cijfer definitief voor de berekening van de afdracht. De gehele controle cyclus neemt een aantal jaren in beslag.
Heeft u kennisgenomen van aanbeveling C, «De beoordelingsverslagen inzake het BNI van de lidstaten een vollediger, transparanter en een consistenter overzicht bieden van de resultaten van de verificaties door de commissies; dat de jaarlijkse adviezen van het BNI-comité i) een duidelijke beoordeling bevatten van de vraag of de BNI-gegevens van de lidstaten geschikt zijn voor de vaststelling van de eigen middelen, ii) voldoen aan de eisen van de BNI-verordening, en iii) naar behoren in de begrotingsprocedures worden gebruikt overeenkomstig de verordening eigen middelen; dat de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG Begroting en Eurostat een getrouw beeld geven van de verificatie van de BNI-gegevens van de lidstaten en van het beheer van de eigen middelen die op het BNI zijn gebaseerd»?
Ja.
Kunt u aangeven welke kwaliteitsrapporten en verificaties nu openbaar zijn?
De samenvattingen van de kwaliteitsrapporten over de BNI’s van de individuele lidstaten zijn op 11 november door Eurostat openbaar gemaakt. Op diezelfde dag heb ik de Kamer deze samenvattingen toegestuurd. Het onderliggende uitgebreide kwaliteitsrapport over de Nederlandse statistieken zoals opgesteld door het CBS is openbaar en gepubliceerd op de website van het CBS. Op 13 november 2014 heb ik de Kamer hierover schriftelijk geïnformeerd.
Acht u de BNI-cijfers op dit moment voldoende vergelijkbaar zodat Nederland het hele bedrag dient over te maken, zonder aanvullende actie van andere landen of van de Commissie te eisen?
Dat onafhankelijke oordeel komt toe aan Eurostat. De wijze waarop Eurostat dat controleert en vaststelt staat beschreven in het antwoord op vraag 7. Op basis van de openbaar gemaakte cijfers en Eurostat regelgeving is Nederland gehouden de naheffing te betalen.
Op welke wijze zult u ervoor zorgen dat de verbeterslag die Nederland gemaakt heeft in de statistieken ook door andere landen wordt uitgevoerd, zodat de cijfers vergelijkbaar zijn en de contributie eerlijk?
Zoals ik de Kamer op 11 november 2014 heb laten weten heeft het BNI-comité geoordeeld dat de door de nationale statistiekbureaus aangeleverde BNI-cijfers geschikt zijn voor de vaststelling van de eigen middelen vanuit het oogpunt van betrouwbaarheid, vergelijkbaarheid en uitputtendheid (zie Kamerstuk 21 501-07, nr. 1186). Zoals ook in het rondetafelgesprek van de Kamer op 12 november 2014 met onder andere Eurostat en het CBS naar voren kwam, dateert de voorlaatste bronnenrevisie van het CBS van 2005. In de periode 2005–2014 heeft een aantal lidstaten reeds bronnenrevisies doorgevoerd.
De positie van Pakistaanse minderheden |
|
Han ten Broeke (VVD), Kees van der Staaij (SGP), Pieter Omtzigt (CDA), Harry van Bommel , Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «meute lyncht Pakistaanse christenen»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel incidenten er in het afgelopen jaar hebben plaatsgevonden waarbij religieuze minderheden in Pakistan het slachtoffer zijn geworden?
Het is moeilijk om volledig inzicht te krijgen in het precieze aantal incidenten dat het afgelopen jaar heeft plaatsgevonden. Wel kan worden gesteld dat de positie van minderheden in Pakistan al geruime tijd onder druk staat. Het op 20 november jl. gepubliceerde ambtsbericht voor Pakistaanse minderheden vermeldt dat volgens verschillende bronnen het geweld tegen religieuze minderheden in Pakistan is toegenomen. Ook het rapport «Vrijheid van Godsdienst in de Wereld 2014» van Kerk in Nood geeft dit aan.
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Vrijheid van Godsdienst in de Wereld 2014» van Kerk in Nood waarin wordt aangegeven dat de situatie in Pakistan op het gebied van godsdienstvrijheid wederom ernstig is verslechterd?
Ja.
Wat voor invloed heeft de verkiezing van Pakistan in de VN-mensenrechtenraad op de geloofwaardigheid van dit VN-orgaan?
De waarde van de VN-mensenrechtenraad is juist dat alle lidstaten de dialoog met elkaar aangaan. Alle VN-lidstaten hebben inspraak bij de onderhandelingen over resoluties en kunnen interveniëren bij plenaire vergaderingen van de Mensenrechtenraad (MRR) en bij het Universal Periodic Review (UPR) proces. De leden van de VN Mensenrechtenraad hebben daarnaast ook stemrecht.
Heeft u bovendien kennisgenomen van de foto's die circuleren op social media waarin de Pakistaanse rechter Shaukat Aziz Siddiqui de moordenaar van voormalig gouverneur Salmaan Taseer innig omhelst? Wat is uw beoordeling van het Pakistaanse rechtssysteem, mede ook naar aanleiding van de recente veroordeling van Asia Bibi in hoger beroep?
Ja, ik heb kennisgenomen van de foto’s.
Artikel 295-C stelt het beledigen van de profeet Mohammed strafbaar. De straf hierop is de doodstraf of een levenslange gevangenisstraf. In december 2013 herbevestigde het Federal Sharia Courtnog eens dat de doodstraf de enige juiste straf voor blasfemie is. Deze wetsartikelen over blasfemie staan echter op gespannen voet met internationale mensenrechtenverdragen. De onnauwkeurige bewoording in de artikelen, de minimale bewijslast en het ontbreken van sancties op valse beschuldigingen maken misbruik mogelijk. De Pakistaanse regering staat desalniettemin onder druk van conservatieve islamitische groeperingen om de blasfemiebepalingen ongewijzigd in stand te houden, zoals ook is aangegeven in het thematisch ambtsbericht over minderheden in Pakistan. In veel gevallen laten de autoriteiten (politie/rechtbank) na om religieuze minderheden te beschermen tegen religieus geweld.
Zijn er acties ondernomen of voorgenomen om Pakistan te wijzen op de verantwoordelijkheid om minderheden effectief te beschermen?
Nederland wijst in bilateraal en multilateraal verband op de verantwoordelijkheid van de Pakistaanse autoriteiten om minderheden te beschermen en op het feit dat de blasfemiewetgeving op gespannen voet staat met internationale mensenrechtenverdragen. Onlangs nog is vanuit de EU tijdens het bezoek van EUSR voor Mensenrechten Lambrinidis (26–29 oktober) opgeroepen het moratorium op de doodstraf niet op te heffen, nationale mensenrechteninstituties te versterken en mensenrechtenverplichtingen na te leven.
Naar aanleiding van de situatie zoals beschreven in het artikel «meute lyncht Pakistaanse Christenen», wordt nu binnen de EU gekeken naar verdere mogelijkheden om bij de Pakistaanse autoriteiten deze problematiek aan de orde te stellen. Ook heeft NL reeds samen met een aantal gelijkgezinde landen (niet alleen EU listaten) een gesprek bij de Pakistaanse autoriteiten aangevraagd om de situatie rondom de vrijheid van godsdienst te bespreken.
Wanneer komt het nieuwe thematische ambtsbericht voor Pakistaanse minderheden uit? Bent u bereid om in afwachting daarvan Pakistaanse christenen aan te merken als risicogroep zoals u voorheen ook voor Pakistaanse Ahmadi’s hebt gedaan? Zo nee, waarom niet?
Op 20 november jl. is het thematisch ambtsbericht voor Pakistaanse minderheden gepubliceerd. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zal bezien of de informatie in het thematisch ambtsbericht aanleiding geeft tot aanpassingen in het huidige asielbeleid voor Pakistaanse christenen en, indien dit het geval is, uw Kamer daarover informeren.
De naheffing |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Wanneer heeft Eurostat voorbehouden gemaakt, wat hielden deze voorbehouden in en wanneer is de Tweede Kamer over deze voorbehouden – die nu 127 miljoen kosten – geïnformeerd?
Ik heb u hierover op 3 november geïnformeerd bij de beantwoording van de Kamervragen over de gevolgen van de macro-economische revisies voor de EU-afdrachten.
Kunt u aangeven wie in Den Haag allemaal op de hoogte waren van de naheffing en op welk moment? In welke vergaderingen en gremia is er over de naheffing gesproken?
Ik heb u hierover op 3 november geïnformeerd bij de beantwoording van de Kamervragen over de gevolgen van de macro-economische revisies voor de EU-afdrachten.
Heeft één van de ambtenaren van het Ministerie van Algemene Zaken of van het Ministerie van Financiën of heeft de Minister van Financiën op enig moment vóór 23 oktober 2014 de Minister-President gewezen op de mogelijkheid van een naheffing? Zo ja, wanneer en op welke wijze?
Ik heb u hierover op 3 november geïnformeerd bij de beantwoording van de Kamervragen over de gevolgen van de macro-economische revisies voor de EU-afdrachten.
Op welk moment en op welke wijze is het Ministerie van Algemene Zaken ingelicht over de naheffing en over de brief van 17 oktober 2014?
Ik heb u hierover op 3 november geïnformeerd bij de beantwoording van de Kamervragen over de gevolgen van de macro-economische revisies voor de EU-afdrachten.
Wanneer en door wie zijn de raadsadviseurs voor Europese Zaken, Financiën en Buitenlandse Zaken op de hoogte gesteld van de naheffing?
Ik heb u hierover op 3 november geïnformeerd bij de beantwoording van de Kamervragen over de gevolgen van de macro-economische revisies voor de EU-afdrachten.
Met welke raadsadviseurs en wanneer heeft de Minister-President de Europese top van 23 en 24 oktober voorbereid?
Ik heb u hierover op 3 november geïnformeerd bij de beantwoording van de Kamervragen over de gevolgen van de macro-economische revisies voor de EU-afdrachten.
Kunt u het verslag van de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de Europese Unie van 17 oktober 2014 dat voor het eerst melding maakt de mogelijkheid van een naheffing van 642,7 miljoen euro, aan de Kamer doen toekomen en meedelen wie dit allemaal ontvangen heeft op 17 oktober 2014?
Ik heb u bij brief van 28 oktober en met de beantwoording van de aanvullende Kamervragen over de gevolgen van de macro-economische revisies voor de EU-afdrachten op 3 november geïnformeerd over de achtergronden van de naheffing. Tevens is tijdens het vragenuurtje op 29 oktober en tijdens het AO ecofin op 5 november en het VAO op 6 november gesproken over de naheffing. De weerslag van dit verslag is daarbij volledig betrokken.
Kunt u alle correspondentie met de Europese Commissie over de naheffing van de afgelopen twee weken met de Kamer delen?
Ik heb u bij brief van 28 oktober en met de beantwoording van de aanvullende Kamervragen over de gevolgen van de macro-economische revisies voor de EU-afdrachten op 3 november geïnformeerd over de achtergronden van de naheffing. Tevens is tijdens het vragenuurtje op 29 oktober en tijdens het AO ecofin op 5 november en het VAO op 6 november gesproken over de naheffing. De weerslag van de correspondentie met de Europese Commissie is daarbij volledig betrokken.
Is er op enig moment de afgelopen jaren overleg geweest tussen het ministerie en/of het kabinet met het CBS over de herziening van de nationale rekeningen? Zo ja, wanneer en wat hebben partijen daar aan de orde gesteld?
Er is regulier overleg tussen het CBS en het ministerie. Over de herziening van de nationale rekeningen bent u geïnformeerd onder meer bij de Kamerbrief van 20 februari 2014 over «Kabinetsreactie op artikel in Volkskrant over berekeningswijze bbp», de Kamerbrief van 6 maart 2014 over «Nadere informatie revisie CBS» en de Kamerbrief van 25 juni 2014 over «Revisie cijfers nationale rekeningen»1. De weerslag van de besprekingen met het CBS is hierin betrokken
Heeft u voldoende informatie ontvangen over andere Lidstaten om de berekeningen te kunnen verifiëren? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen?
Zie voor beantwoording van deze vraag het verslag van de Ecofin Raad van 7 november.
Herkent u de eerste zes vragen als reeds gesteld en begrijpt u de opvatting dat ze niet of niet volledig beantwoord zijn? (bron: Kamervragen inzake macro-economische revisies voor EU afdrachten)
Ja, ik herken de vragen. De beantwoording van deze vragen zijn ook betrokken bij het Algemeen Overleg Ecofin Raad van 5 november. Bij dit overleg ben ik uitgebreid ingegaan op (vervolg)vragen van diverse fracties naar aanleiding van de beantwoording van deze vragen. Vervolgens heeft er een Voortgezet Algemeen Overleg plaatsgevonden over dit onderwerp op 6 november. Ik verwijs u naar mijn beantwoording tijdens deze overleggen.
Wilt u deze vragen één voor één en voor woensdag 12 november 2014 om 17.00 uur beantwoorden in verband met het plenaire debat over dit onderwerp op donderdag 13 november?
Ja.
De demonstratie tegen de plaatsing van het herdenkingsmonument voor de Armeense genocide op het privé terrein van de Armeens Apostolische Kerk in Almelo |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Kees van der Staaij (SGP), Raymond de Roon (PVV), Joël Voordewind (CU), Harry van Bommel |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Wat vindt u van het feit dat:
Hoe heeft de Nederlandse regering getracht de berichten te verifiëren over de bijeenkomst bij de Turkse Consul Generaal en over de oproep voor moskeeën in het vrijdagmiddaggebed om te demonstreren, welke berichten volgens de antwoorden op de eerdere vragen wel bekend zijn, maar niet te verifiëren zouden zijn? Is hierbij ook informatie gevraagd bij de verschillende Turkse organisatie of bij de Turkse Consul-Generaal zelf of bij het Inspraakorgaan Turken (IOT)?
Welke Turkse autoriteiten (ambassadeur, consul, consul-generaal, Turkse regering etc.) hebben aan de Nederlandse autoriteiten (zoals de regering, ministers, burgermeesters van o.a. Almelo en Enschede, de Nederlandse diplomaten in Turkije) opheldering gevraagd over het herdenkingsmonument voor de Armeense Genocide respectievelijk over het Nederlandse standpunt over de Armeense Genocide, tussen 1 maart en 20 oktober 2014? Kunt u een uitputtende lijst geven wie dit onderwerp aan de orde gesteld hebben en met welk resultaat?
Is het gebruikelijk en wenselijk dat buitenlandse mogendheden zich rechtstreeks met plaatselijke autoriteiten verstaan over dergelijke aangelegen onderwerpen?
Hebben de Nederlandse autoriteiten bij één van bovenstaande gelegenheden of op enig ander moment ook van de Turkse autoriteiten vernomen dan wel hen gevraagd of en op welke manier zij betrokken waren bij de organisatie van de demonstratie op 1 juni? Zo, ja wanneer en wat was het antwoord?
Bent u bereid aan de Turkse ambassadeur te vragen welke rol Turkije en organisaties van en gelieerd aan de Turkse overheid, gespeeld hebben bij de voorbereiding en de organisatie van deze demonstratie?
Bij verschillende gelegenheden en op verschillende niveaus is de zaak met de Turkse autoriteiten besproken en is Turkije opgeroepen hier verantwoordelijk mee om te gaan, ook met het oog op de herdenking in 2015.
Bent u bereid de Turkse regering over te brengen dat de vastgestelde interventies van Turkse overheidorganisaties bij de demonstratie van 1 juni onwenselijk zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat speciaal onderzoek over deze episode een nuttige aanvulling is op het verrichte onderzoek inzake de parallelle gemeenschappen, daar het hier een zeer concreet en representatief voorbeeld betreft, waar uit voor Nederland lessen te leren zouden kunnen zijn (en omdat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zijn brief van 25 september over parallelle gemeenschappen aangaf dat enkel literatuuronderzoek een onvoldoende duidelijk beeld geeft)?2
Het kabinet acht speciaal onderzoek niet nodig. In genoemde brief is de Tweede Kamer toegezegd dat de betreffende Turkse organisaties rechtstreeks aangesproken worden in het licht van participatie in de Nederlandse samenleving en de daaraan verbonden kernwaarden. In de gespreksagenda met deze organisaties zal naast onder meer het functioneren van de eigen instellingen, het non-formeel onderwijs en subsidies en (buitenlandse) financiering, ook de omgang met de Armeense herdenking aan de orde komen.
Deelt u de mening dat de herdenking van100 jaar Armeense genocide (die ook de Syrisch-Orthodoxen en Pontische Grieken in het Ottomaanse rijk trof) ongestoord en waardig moet kunnen plaatsvinden in Nederland?
Het kabinet is van mening dat herdenken van de kwestie van de Armeense genocide waardig en met respect voor alle betrokken groeperingen moet kunnen plaatsvinden.
Op welke wijze zult u, gelet op de tot nu toe geslaagde acties vanuit Turkije, garanderen dat de Turkse overheid geen verdere invloed doet gelden op de wijze waarop in Nederland komend jaar de 100 jaar herdenking van Armeense genocide wordt herdacht?
Het kabinet zal de Turkse autoriteiten erop blijven wijzen dat de kwestie van de Armeense genocide gevoelig ligt en Turkije oproepen verantwoordelijk om te gaan met de situatie. Daarbij dringt het kabinet er geregeld bij de Turkse autoriteiten op aan om de gebeurtenissen van 1915 bespreekbaar te maken, zowel in EU-kader als in bilaterale contacten.
Waarom houdt de Nederlandse regering zich tot dusver steeds afzijdig met betrekking tot de discriminatie en genocideontkenning ten aanzien van Armeniërs, terwijl in andere gevallen met name door de Minister voor Integratiezaken, maar ook door andere bewindspersonen, terecht en direct stelling wordt genomen zodra dergelijke zaken zich in Nederland voordoen?
Het kabinet heeft uiteraard kennis genomen van het wetenschappelijke debat inzake deze gevoelige en ernstige kwestie. Het is aan wetenschappers om de historische feitelijkheden te duiden.
Waarom is vervolgens ook op de brief van de Federatie Armeense Organisaties in Nederland (FAON) aan de Tweede Kamer d.d. 23 juni, waarin duidelijk staat aangegeven dat de Armeense gemeenschap een afkeurende reactie van de regering op de gebeurtenissen van 1 juni sterk heeft gemist en deze alsnog vraagt, nog niet gereageerd, hoewel de regering hierop vanuit de Tweede Kamer een reactie is gevraagd? Kunt u zo spoedig mogelijk een reactie op die brief geven?
Een reactie op de brief van de FAON zal uw Kamer spoedig toegaan.
Waarom houdt de Nederlandse regering zich tot dusver afzijdig bij de herdenking van de Armeense genocide, terwijl ze altijd terecht en consequent aanwezig is bij herdenkingen zoals van de Holocaust en de Rwandese genocide en ook van andere aangelegen gebeurtenissen in de geschiedenis van de verschillende bevolkingsgroepen in Nederland.?
Het kabinet vindt dat de drie door u genoemde vreselijke gebeurtenissen elk een eigen karakter hebben met een eigen, historische achtergrond.
Het kabinet beziet eventuele betrokkenheid bij herdenkingen van de kwestie van de Armeense genocide steeds van geval tot geval.
Is de Nederlandse regering bereid tot een gelijkwaardige opstelling te komen ten aanzien van bevolkingsgroepen en ten aanzien van deze drie grote genocides, die aan het NIOD worden gedoceerd?3
Zie antwoord vraag 11.
Kan de regering garanderen dat ze zich niet afzijdig zal houden bij de herdenking van 100 jaar Armeense genocide, die de Armeense gemeenschap in Nederland het komend jaar organiseert en zoals die in Armenië en wereldwijd worden gehouden? Bent u bereid de herdenking van 100 jaar Armeense genocide in Nederland en/of Armenië bij te wonen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Wanneer zal het Openbaar Ministerie in staat zijn om maanden na het in het openbaar scanderen van deze leuzen door duizenden Turkse Nederlanders, zoals die genoemd in vraag 1 inzake het graf van de Armeniërs, een besluit over vervolging te nemen naar aanleiding van de gedane aangiftes?
Het openbaar ministerie heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie meegedeeld dat het nu geen uitsluitsel kan geven over het moment waarop de beoordeling van de aangifte zal zijn afgerond.
Kunt u deze vragen voor 11 november beantwoorden met het oog op het Algemeen overleg integratie?
Dit is helaas niet mogelijk gebleken.
De naheffing bij vijf miljoen Nederlanders |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u aangeven hoeveel geld vijf tot zes miljoen Nederlanders zullen moeten terugbetalen in 2015 over het belastingjaar 2014? Kunt u hierbij indicatieve bedragen geven? Om welk bedrag zal het in het totaal gaan?
Naar schatting krijgen tussen de 5 en 6 miljoen belastingplichtigen bij de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2014 te maken met een lagere teruggave van belasting of een (hogere) bijbetaling van gemiddeld € 150. Dit komt neer op in totaal circa € 800 miljoen. Dit wordt veroorzaakt doordat de afbouw van de inkomensafhankelijke heffingskortingen niet volledig verwerkt kon worden in de loonbelastingtabellen voor 2014 en in de voorlopige aanslag 2014.
De afbouw van de algemene heffingskorting en de verdergaande afbouw van de arbeidskorting volgen uit de motie Zijlstra/Samsom1 en was opgenomen in het Belastingplan 2014. Vervolgens is de afbouw van de algemene heffingskorting nog aangepast bij de Begrotingsafspraken 2014.2 De vertaling van de motie Zijlstra/Samsom had nog enige voeten in de aarde, mede doordat bij de uitwerking een juridisch vraagstuk speelde rondom de toerekening van de afbouw aan verschillende delen van de heffingskorting (de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, voor de AOW, voor de nabestaandenverzekering en voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten). De uitkomst daarvan was dat de afbouw pro rata wordt toegerekend aan alle delen van de heffingskorting. Voor belastingplichtigen boven de pensioengerechtigde leeftijd, die geen recht hebben op het AOW-deel van de heffingskorting omdat zij geen AOW-premie betalen, betekent dit bijvoorbeeld dat het afbouwpercentage van de heffingskortingen meer gematigd is. De precieze uitwerking van de afbouw van de inkomensafhankelijke heffingskortingen was daarmee in de zomer van 2013 duidelijk en kon toen worden uitgewerkt in wetgeving.
In dit kader is het van belang dat een verschil wordt gemaakt tussen wijzigingen in bestaande en nieuwe «knoppen». Wijzigingen van bestaande knoppen zoals bedragen en percentages kunnen tot in een vrij laat stadium worden aangepast. Voor het toevoegen van nieuwe knoppen (parameters) in de loonbelastingsystemen geldt een voorbereidingstijd van negen maanden, waarbij op 1 juli voorafgaand aan het nieuwe belastingjaar de laatste wijzigingen doorgegeven kunnen worden. Bestaande parameters kunnen nog wel worden aangepast in een later stadium. De afbouw van de inkomensafhankelijke heffingskortingen kon in de loonbelastingtabellen voor het reguliere loon nog wel worden meegenomen. De afbouw van de arbeidskorting was al verwerkt in parameters in die tabellen, die dus tijdig aangepast konden worden. Voor de afbouw van de algemene heffingskorting waren in het voorjaar van 2013 voorbereidingen getroffen, dus aanpassingen daarin konden ook tijdig worden meegenomen. Voor de bijzondere beloningen, zoals vakantiegeld, een dertiende maand of een bonus, wordt gebruik gemaakt van de tabel bijzondere beloningen. In die tabel werd en wordt tot en met 2014 geen rekening gehouden met de afbouw van heffingskortingen; per 1 januari 2015 worden hier wel parameters voor toegevoegd. De afbouw van de heffingskortingen zou voor deze tabel dus het toevoegen van nieuwe parameters betekenen, wat niet meer tijdig verwerkt kon worden toen de details van de maatregel bekend waren. Het opnemen van de marginale tarieven in die tabel voor 2014 om het effect van de afbouw van de heffingskortingen te simuleren was op dat moment ook niet meer mogelijk. Het op- en afbouwtraject van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting leiden namelijk tot verschillende marginale tarieven op verschillende delen van het inkomenstraject die afwijkt van de schijfgrenzen. Niet al deze stappen maakten onderdeel uit van de tabel bijzondere beloningen, die tot en met 2014 simpelweg aansluit bij de grenzen tussen de verschillende tariefschijven. Deze extra «knikpunten» in het inkomenstraject zouden een systeemwijziging met nieuwe parameters betekenen, en de deadline voor het verwerken daarvan was verstreken.
Voor de voorlopige aanslag geldt iets vergelijkbaars: het toevoegen van een nieuwe parameter daarin was ook niet meer mogelijk in de zomer van 2013. De afbouw van de arbeidskorting was al een parameter in de voorlopige aanslag, en de aanpassing daarin kon daarom wel worden verwerkt. De afbouw van de algemene heffingskorting was echter een nieuwe knop, en kon om die reden niet meer worden verwerkt in de voorlopige aanslag. Daarom is in de voorlopige aanslag voor alle belastingplichtigen uitgegaan van de maximale algemene heffingskorting van € 2.103.
Het feit dat de afbouw van de inkomensafhankelijke heffingskortingen niet meer volledig verwerkt kon worden in de loonbelastingtabellen voor 2014 en in de voorlopige aanslag 2014 heeft verschillende gevolgen voor verschillende situaties. Bij de hierna opgenomen voorbeelden is het in aanmerking genomen inkomen, het jaarinkomen in box 1 (het belastbaar inkomen uit werk en woning). Daarbij is verondersteld dat er geen aftrekposten zijn en geen hypotheekrenteaftrek. Deze variabelen verschillen van persoon tot persoon. Aftrekposten kunnen de bijbetaling wel beïnvloeden. De hieronder opgenomen effecten zullen kleiner zijn als de aftrekposten (voor een deel) in het afbouwtraject van de algemene heffingskorting vallen (van € 19.645 tot € 56.495). Als de aftrekposten en de renteaftrek tezamen meer bedragen dan het vakantiegeld en de bijzondere beloning kunnen die posten zelfs leiden tot een teruggave bij de definitieve aanslag inkomstenbelasting. Voor de arbeidskorting geldt dit niet, omdat daarvoor het inkomen uit arbeid de grondslag vormt, en daar hebben aftrekposten en de hypotheekrenteaftrek geen invloed op.
Voor belastingplichtigen in dienstbetrekking (waarbij dus loonbelasting wordt ingehouden) die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt, en die vakantiegeld ontvangen, maar geen andere bijzondere beloning, bedraagt de bijbetaling van inkomstenbelasting over 2014 maximaal € 74. In de hierna opgenomen tabel 1 is voor deze situatie een indicatief overzicht opgenomen van het bij te betalen bedrag bij een bepaald inkomen.
10.000
0
0
0
15.000
0
0
0
20.000
7
0
7
25.000
37
0
37
30.000
44
0
44
35.000
52
0
52
40.000
59
0
59
45.000
67
0
67
50.000
74
0
74
60.000
19
0
19
70.000
0
0
0
De hierna opgenomen tabel 2 bevat een indicatie van de bijbetaling of het terug te ontvangen bedrag in de inkomstenbelasting 2014 voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd waarbij loonbelasting wordt ingehouden en in het loon 8% vakantietoeslag én een bijzondere beloning ter grootte van een maandsalaris (zoals een dertiende maand) zitten.
10.000
0
–134
–134
15.000
0
–201
–201
20.000
7
–128
–121
25.000
70
0
70
30.000
84
0
84
35.000
98
0
98
40.000
112
0
112
45.000
126
129
255
50.000
140
143
283
56.495
159
162
321
60.000
98
172
270
70.000
0
201
201
80.000
0
229
229
90.000
0
17
17
Voor mensen met een loon tot circa € 20.000 geldt dat zij juist geld terug zullen krijgen doordat de afbouw van de inkomensafhankelijke heffingskortingen niet meer volledig verwerkt kon worden in de systemen. Deze belastingplichtigen zitten namelijk in het opbouwtraject van de arbeidskorting (dat eindigt bij € 19.253 in 2014), en de opbouw verloopt in 2014 steiler dan in 2013, omdat het maximum van de arbeidskorting in 2014 hoger is dan in 2013. Ook die wijziging kon niet meer tijdig worden verwerkt in de loonbelastingtabel voor bijzondere beloningen, waardoor deze belastingplichtigen bij de definitieve aanslag over 2014 in 2015 een teruggave van belasting krijgen.
Zoals te zien is in de tabel bedraagt de bijbetaling enkele tientjes bij modale inkomens oplopend tot enkele honderden euro’s bij twee keer modaal. Bij een hogere of lagere bijzondere beloning is de uitkomst anders. In uitzonderlijke situaties, zoals een in verhouding tot het loon heel hoge bijzondere beloning, kan het bedrag van de bijbetaling oplopen tot € 737. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een belastingplichtige met een vast salaris van € 20.000 en een bonus van € 40.000.
Voor mensen met verschillende inkomensbronnen (bijvoorbeeld twee werkgevers) geldt dat de loonbelasting nooit helemaal goed aansluit op de inkomstenbelasting, doordat de tariefprogressie pas bij de aangifte inkomstenbelasting tot uitdrukking komt. Dit was zo en dat verandert niet. Als er bijvoorbeeld twee werkgevers zijn, houden beide werkgevers over de eerste € 19.645 belasting in tegen het tarief in de eerste schijf, omdat zij niet weten hoe hoog het samengestelde loon is. Slechts een van de twee werkgevers houdt rekening met de heffingskortingen. Voor deze groep is geen goede indicatie te geven van het effect van het feit dat de afbouw van de inkomensafhankelijke heffingskortingen niet meer volledig verwerkt kon worden in de loonbelastingtabellen voor 2014 en in de voorlopige aanslag 2014, omdat dit van geval tot geval verschilt.
Voor belastingplichtigen boven de pensioengerechtigde leeftijd geldt dat hun heffingskortingen worden verrekend bij de AOW. Als deze belastingplichtigen daarnaast een aanvullend pensioen hebben, krijgen zij jaarlijks te maken met een verschil tussen de ingehouden loonbelasting en de te betalen inkomstenbelasting, doordat de progressie in de inkomstenbelasting door geen van beide inhoudingsplichtigen wordt meegenomen. Vaak maken ouderen daarom gebruik van een voorlopige aanslag, zodat het bij te betalen bedrag wordt gespreid over het jaar. Voor deze groep belastingplichtigen heeft het feit dat de afbouw van de algemene heffingskorting niet meer volledig verwerkt kon worden in de loonbelastingtabellen voor 2014 en in de voorlopige aanslag 20143 tot gevolg dat in de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2014 moet worden bijbetaald. Voor ouderen tot modaal bedraagt dit enkele tientjes tot maximaal 105 euro; voor ouderen met een aanvullend pensioen tot twee keer modaal bedraagt het maximale bedrag € 372. In onderstaande tabel is een indicatie opgenomen van het bij te betalen bedrag. Let wel: dit bedrag geldt dus voor ouderen die een voorlopige aanslag krijgen. Voor belastingplichtigen met een aanvullend pensioen die geen voorlopige aanslag aanvragen, hebben sowieso hebben sowieso te maken met een bijbetaling in de definitieve aanslag inkomstenbelasting.
20.000
4
25.000
54
30.000
105
35.000
155
40.000
206
45.000
257
50.000
307
60.000
372
70.000
372
Tot slot zijn er nog belastingplichtigen die geen loon uit dienstbetrekking hebben, maar een andere bron van inkomen (bijvoorbeeld winst uit onderneming). Als deze belastingplichtigen – ondanks het feit dat zij vaak wisselende inkomsten hebben – gebruikmaken van een voorlopige aanslag, kunnen zij te maken krijgen met een bijbetaling in de inkomstenbelasting. In de voorlopige aanslag is immers de gehele afbouw van de algemene heffingskorting niet verwerkt. De afbouw van de arbeidskorting is wel volledig verwerkt in de voorlopige aanslag. Voor deze groep kan het bij te betalen bedrag oplopen tot € 737, de maximale afbouw van de algemene heffingskorting. Hierbij moet in ogenschouw worden genomen dat het voor deze groep belastingplichtigen zelden zo zal zijn dat de voorlopige aanslag en de definitieve aanslag één op één op elkaar aansluiten vanwege de wisselende inkomsten en omstandigheden.
Voor alle hiervoor beschreven gevallen geldt dat het een eenmalige bijbetaling betreft, want per 1 januari 2015 worden de loonbelastingtabellen en de voorlopige aanslag dusdanig aangepast dat de afbouw van de heffingskortingen hier volledig in zijn verwerkt. Dat betekent natuurlijk niet dat er geen verschillen meer kunnen bestaan tussen de loonbelasting en de inkomstenbelasting, of tussen de voorlopige aanslag en de definitieve aanslag; dit effect treedt elk jaar op door wisselende inkomsten, aftrekposten, meerdere dienstbetrekkingen, enzovoorts.
Waarom heeft u die indicatieve bedragen niet gegeven bij uw schriftelijke antwoorden van 30 oktober jl. in het kader van de behandeling van het Belastingplan 2015 of bij eerdere gelegenheden waarin u slechts in een bijzin gemeld heeft dat het niet goed zat (bijvoorbeeld Aanhangsel Handelingen 2013/2014, nr. 889)?
De afbouw van de algemene heffingskorting en de verhoging van de afbouw van de arbeidskorting volgen uit de motie Zijlstra/Samsom. Deze motie is uitgewerkt in het Belastingplan 2014. Vervolgens is de afbouw van de algemene heffingskorting nog aangepast bij de Begrotingsafspraken 2014. Het wetsvoorstel Belastingplan 20144 en de tweede nota van wijziging op het Belastingplan 20145 zijn in de ministerraad aan de orde geweest. Bij de parlementaire behandeling van dat Belastingplan is duidelijk gemaakt dat de afbouw van deze heffingskortingen niet meer volledig in de voorlopige aanslag en in de loonbelastingtabellen verwerkt kon worden en dus zou gaan leiden tot een bijbetaling in de aangifte inkomstenbelasting over 2014. Zo is in de nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2014 van 21 oktober 2013 het volgende opgemerkt6:
Vervolgens is in de brief van 31 oktober 2013 met schriftelijke antwoorden naar aanleiding van het wetgevingsoverleg inzake het pakket Belastingplan 2014 op 28 oktober 2013 het volgende opgemerkt7:
In een brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de toenmalige Staatssecretaris van Financiën van 20 december 2013 inzake de evaluatie van de Wet uniformering loonbegrip is specifiek stilgestaan bij de gevolgen voor belastingplichtigen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt8:
Op meerdere momenten is derhalve gecommuniceerd over de indicatieve bedragen aan bijbetalingen (of lagere terug te krijgen bedragen) waarmee belastingplichtigen te maken kunnen krijgen. Vanaf het moment dat tot deze maatregel werd besloten was dus duidelijk dat de afbouw in 2014 zou leiden tot bijbetalingen of lagere teruggaven bij de definitieve aanslag in 2015 over 2014. Dat is sinds Prinsjesdag 2013 op verschillende momenten in Kamerstukken gemeld, en was bekend binnen het kabinet en bij de Kamer.
De omvang van de groep belastingplichtigen die met de bijbetaling te maken zal krijgen is vooraf – en ook nu nog niet – niet precies af te bakenen, omdat dit mede afhankelijk is van het inkomen in 2014 en in het bijzonder van het aandeel bijzondere beloningen (zoals een dertiende maand, tantièmes, gratificaties en bonussen) daarin. De indicatie van 5 tot 6 miljoen belastingplichtigen is dan ook niet meer dan dat: een schatting, gemaakt op basis van de aangiftegegevens over voorgaande jaren. De omvang van de bijbetaling per belastingplichtige is afhankelijk van de individuele situatie: de hoogte van het inkomen, de hoogte van de aftrekposten, enzovoorts. Het is dus niet mogelijk om de groep belastingplichtigen die te maken krijgt met een bijbetaling gericht aan te schrijven. Het eerder informeren van alle ruim 11 miljoen inkomstenbelastingplichtigen over een bijbetaling waar zij mogelijk in de toekomst mee te maken zouden kunnen krijgen, was daarom weinig zinvol. Daarom is ervoor gekozen, mede op basis van een ambtelijke adviesgroep die hier uitgebreid naar heeft gekeken, om belastingplichtigen in aanloop naar de aangifte inkomstenbelasting over 2014 extra te gaan informeren, waarbij wordt aangesloten bij bestaande «deurmatmomenten». Zie daarover ook het antwoord op vraag 6.
Wanneer was de Staatssecretaris van Financiën voor het eerst op de hoogte van de omvang van het probleem?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer was de Minister-President voor het eerst op de hoogte van de omvang van het probleem?
Zie antwoord vraag 2.
Sinds wanneer zijn de coalitiepartijen op de hoogte van het feit dat de afbouw van de heffingskortingen, een gevolg van de motie Zijlstra/Samsom1, zou leiden tot terugvorderingen van honderden euro's bij miljoenen Nederlanders?
Zie antwoord vraag 2.
Welke actie heeft u de afgelopen maanden ondernomen om de omvang van het probleem te beperken en belastingplichtigen te informeren (zoals publicatie van nieuwe tabellen, aanpassing van ICT-systemen, informeren van belastingplichtigen)?
Sinds het moment dat duidelijk was dat in het voorjaar van 2015 een groep belastingplichtigen geconfronteerd zou worden met een bijbetaling of een lagere teruggave in de inkomstenbelasting is de communicatie daarover naar de burger een aandachtspunt geweest. Een ambtelijke werkgroep heeft alle opties gewogen en geadviseerd om belastingplichtigen in aanloop naar de aangifte inkomstenbelasting 2014 (die wordt gedaan in voorjaar 2015) vooral aan te sluiten bij natuurlijke deurmatmomenten en gebruik te maken van reeds bestaande communicatiemiddelen. Dat advies is gevolgd. Sinds Prinsjesdag 2014 worden bezoekers van de website van de Belastingdienst geattendeerd op de mogelijk hogere definitieve aanslag over 2014, inclusief rekenvoorbeelden.9 Aanvullend is op Prinsjesdag 2014 een informatieblad online beschikbaar gesteld via de website van rijksoverheid.10 Ook daarin is al inzichtelijk gemaakt dat de bijbetaling in de meeste gevallen ligt tussen € 0 en € 300. Voorts zijn de Belastingtelefoon en de balies van de Belastingdienstkantoren voorbereid om vragen hierover te beantwoorden.
De komende maanden worden belastingplichtigen geïnformeerd over de gevolgen van de afbouw van de inkomensafhankelijke heffingskortingen op al bestaande communicatiemomenten. Zo zullen circa 5 miljoen belastingplichtigen in december 2014 en januari 2015 bericht krijgen over hun voorlopige aanslag 2015 waarbij een wijzigingswijzer gevoegd wordt waarin erop gewezen wordt dat mensen er rekening mee moeten houden dat ze over 2014 moeten bijbetalen of minder terug ontvangen. Vervolgens krijgen circa 7,6 miljoen belastingplichtigen (deels zijn dat dezelfde belastingplichtigen) medio februari 2015 een uitnodiging tot het doen van aangifte over 2014, waarbij zij worden geïnformeerd over de mogelijke bijbetaling. Hiermee worden de meeste belastingplichtigen die te maken krijgen met een bijbetaling geïnformeerd. Vanaf 1 maart 2015, als de vooringevulde aangifte klaarstaat en mensen hun aangifte invullen, zal de omvang van de bijbetaling voor hen duidelijk worden.
Er wordt aangesloten bij bestaande communicatiemomenten omdat – zoals is vermeld in het antwoord op vragen 2, 3, 4 en 5 – de doelgroep die hiermee te maken krijgt niet gericht te selecteren is en het weinig zinvol is om alle belastingplichtigen in Nederland een brief te schrijven waarin wordt meegedeeld dat men mogelijk geconfronteerd wordt met een bijbetaling in 2015 over 2014, zonder dat kan worden gezegd of die specifieke belastingplichtige inderdaad zal moeten bijbetalen en zo ja, hoe veel dan. Een afzonderlijke brief aan alle belastingplichtigen zou minstens de helft van hen onnodig in de veronderstelling brengen dat zij mogelijk bij moeten gaan betalen.
Met deze communicatie wordt het grootste deel van de groep belastingplichtigen bereikt die met de bijbetaling te maken zullen krijgen. Wel resteert nog een groep die niet eerder dan in de zomer van 2015 op de hoogte kan worden gesteld van de bijbetaling. Dat komt doordat zij in andere jaren geen verzoek voor een voorlopige aanslag of een aangifte inkomstenbelasting hebben gedaan omdat de loonbelasting voor hun gelijk is aan de inkomstenbelasting. Daarom krijgen zij eind 2014 geen bericht over de voorlopige aanslag 2015 en begin 2015 geen uitnodiging tot het doen van aangifte inkomstenbelasting over 2014. De omvang van deze groep is moeilijk in te schatten, maar het gaat naar verwachting om ongeveer een half miljoen belastingplichtigen. Hierover is in de brief van 31 oktober 2013 met schriftelijke antwoorden naar aanleiding van het wetgevingsoverleg inzake het pakket Belastingplan 2014 op 28 oktober 2013 het volgende opgemerkt11:
Tot slot wil ik nogmaals benadrukken dat de afbouw van de inkomensafhankelijke heffingskortingen vanaf 2015 wel in de voorlopige aanslag is verwerkt en dat de loonbelastingtabellen per 1 januari 2015 worden aangepast. De bijbetaling als gevolg van deze maatregel is daarom eenmalig; het bijbetalen als gevolg van de afbouw van de heffingskortingen doet zich alleen voor bij de definitieve aanslag over 2014.
Welke andere fouten, behalve het niet doorvoeren van de afbouw van de heffingskortingen, zitten er nog meer in de voorlopige teruggave? Kunt u een compleet overzicht hiervan geven?
Van de kwalificatie «fouten» wil ik afstand nemen. Ook is het niet zo dat het kabinet en de Belastingdienst de belastingregels niet kennen of niet kunnen uitvoeren. De bijbetaling in 2015 over het belastingjaar 2014 is het gevolg van wetswijzigingen die in de tweede helft van 2013 nog in het Belastingplan 2014 zijn opgenomen en die niet meer konden worden verwerkt in de voorlopige aanslag 2014 en in de loonbelastingtabellen voor 2014. Dit is dus geen fout van de Belastingdienst of van de systemen. Dit gegeven was bekend vanaf het moment dat tot de maatregelen werd besloten en ze werden uitgewerkt.
In het Belastingplan 2014 zaten, mede door de Begrotingsafspraken 2014 van oktober 2013, meerdere maatregelen die niet meer konden worden opgenomen in de voorlopige aanslag en daarom pas hun uitwerking krijgen bij de definitieve aanslag over 2014. Daarbij is ook benadrukt dat niet alle daarin opgenomen wijzigingen in de voorlopige aanslag konden worden verwerkt. Op 14 januari 2014 is door mijn ambtsvoorganger op een vraag daarover van het lid Omtzigt (CDA) het volgende gezegd12:
In de nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2014 van 21 oktober 2013 is nog het volgende vermeld13:
Het feit dat de Belastingdienst en de softwareleveranciers, die de software voor de inhoudingsplichtigen (werkgevers) moeten aanpassen, tijd nodig hebben voor (systeem)wijzigingen is een gegeven, is zeker niet nieuw en is bekend bij uw Kamer. Voor nieuwe parameters (nieuwe belastingen of nieuwe «knoppen» in bestaande belastingen), waaronder de afbouw van heffingskortingen, is de benodigde tijd om de automatiseringssystemen aan te passen minstens een half jaar en vaak nog langer. In verband daarmee kunnen alleen wijzigingen in percentages, bedragen en tarieven (het draaien aan «bestaande knoppen») uit het Belastingplan nog verwerkt worden in de voorlopige aanslagen en de loonbelastingtabellen voor het volgende jaar. Dit is eveneens in het antwoord op voornoemde Kamervragen gemeld.
Moet de belastingbetaler nu concluderen dat de Belastingdienst en het kabinet de eigen belastingregels niet kennen en niet correct kunnen uitvoeren?
Zie antwoord vraag 7.
Wilt u zelf een kwalificatie geven van de gang van zaken?
Allereerst is het voor de betrokken belastingplichtigen natuurlijk erg vervelend dat zij geconfronteerd worden met een bijbetaling of een lagere terugbetaling in de inkomstenbelasting. In het Nederlandse belastingstelsel sluiten de loonbelasting en de inkomstenbelasting in het algemeen op elkaar aan. Daarnaast wordt via de voorlopige aanslag nagestreefd dat belastingplichtigen bij de definitieve aanslag zo min mogelijk bij moeten betalen of terugkrijgen. De betaling van belasting sluit hierdoor zo veel mogelijk aan bij de periode waarin het inkomen wordt genoten. Belastingplichtigen kunnen hier zelf aan bijdragen door zelf wijzigingen in hun situatie of inkomen door te geven.
In dit kader zal de voorlopige aanslag 2015 beter aan gaan sluiten bij de definitieve aanslag over 2015 door bij die voorlopige aanslag uit te gaan van meer recente gegevens. Hierdoor krijgen mensen met een voorlopige aanslag mogelijk te maken met een ander bedrag dan ze gewend waren. Het te betalen of te ontvangen bedrag kan hoger of lager zijn in vergelijking met voorgaande jaren. Daarnaast is er een groep van naar schatting 1 miljoen belastingplichtigen die in 2015 een voorlopige aanslag krijgt, terwijl zij die in 2014 nog niet kregen. Door deze werkwijze zal de voorlopige aanslag over 2015 beter aan gaan sluiten bij de definitieve aanslag over 2015. De verversing van de gegevens waarvan wordt uitgegaan bij de voorlopige aanslag 2015 wordt vanaf november 2014 aan de belastingplichtigen gecommuniceerd.
Helaas is nooit helemaal te voorkomen dat de definitieve aanslag inkomstenbelasting afwijkt van de al ingehouden loonbelasting of van de al betaalde voorlopige aanslag. In dit geval betekent dit dat de bijbetaling in de inkomstenbelasting als gevolg van het feit dat de afbouw van de heffingskortingen niet volledig kon worden verwerkt in de systemen gemiddeld € 150 bedraagt. Vanaf 1 maart 2015 kunnen belastingplichtigen zelf de vooringevulde aangifte invullen en wordt duidelijk of men met een bijbetaling te maken krijgt. Het moment van betalen is dan nog ver weg. Eerst moet immers de aanslag worden opgelegd, waarmee naar verwachting vanaf medio mei 2015 een begin wordt gemaakt, en waarbij het streven is om de aanslag voor 1 juli te sturen. Vervolgens heeft men nog tot het einde van de betaalperiode (6 weken vanaf dagtekening aanslag) de tijd voordat de belasting moet worden betaald. Kortom: tussen het moment dat de hoogte van de bijbetaling bekend is en het moment dat de betaling plaats moet vinden zitten ten minste enkele maanden. Ik kijk nog in hoeverre de reguliere mogelijkheden om tot bijvoorbeeld uitstel van betaling te komen waar nodig uitkomst kunnen bieden.
Tot slot maakt deze bijbetaling inzichtelijk dat het belastingstelsel te ingewikkeld is geworden en teveel knoppen kent die allemaal met elkaar samenhangen en doorwerking hebben op elkaar. Dit onderstreept de noodzaak tot een stelselherziening.
Kunt u deze vragen voor maandag 3 november 2014, 09.00 uur beantwoorden, zodat de antwoorden ook betrokken kunnen worden bij het wetgevingsoverleg over het Belastingplan 2015?
Deze vragen zijn voor de eerste termijn regering van het wetgevingsoverleg over het Belastingplan 2014 naar uw Kamer verzonden.
MH17 |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Herinnert u zich dat de Minister-President in zijn inleiding tijdens de briefing in de Tweede Kamer, op 21 juli jl, de eerste keer dat er over de MH17 gesproken werd, zei: «Er zijn inmiddels sterke aanwijzingen over de toedracht van de ramp»?1
Ja.
Herinnert u zich dat u op 24 juli jl. aan de Kamer schreef «De verontwaardiging is des te groter nu de aanwijzingen zich opstapelen dat het vliegtuig met een raket is neergehaald»?2
Ja.
Welke aanwijzingen waren dat en op welke wijze zijn die aanwijzingen geverifieerd? Welke conclusies zijn nu, bijna 100 dagen later, getrokken?
Het onderzoek naar de toedracht door de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) en het strafrechtelijk onderzoek onder leiding van het OM worden met de grootst mogelijke zorgvuldigheid uitgevoerd. Het Kabinet kan niet vooruitlopen op de conclusies uit deze onafhankelijke, internationale onderzoeken door uitspraken te doen over aanwijzingen en de wijze van verificatie, anders dan te verwijzen naar het rapport van eerste bevindingen van de OVV waarin gesproken wordt over een impact met hoog energetisch materiaal.
Het OM heeft eerder aangegeven dat in het onderzoek sprake was van vier mogelijke scenario’s die nader onderzocht werden: een ongeluk, een terroristische aanslag van binnenuit het vliegtuig, een aanslag vanaf de grond dan wel een aanslag vanuit de lucht, waarbij de eerste twee reeds op voorhand niet waarschijnlijk leken en inmiddels niet meer waarschijnlijk zijn, zoals ik u reeds meldde in mijn brief van 28 oktober. Het leveren van onomstotelijk bewijs is het doel.
Is er ooit aan de strijdende partijen verzocht om een inventaris te geven van beschikbare BUK-raketten en andere raketten in de regio rond het neergeschoten vliegtuig? Zo ja, hoe en wanneer?
Het Kabinet kan in het belang van het onderzoek hierover geen specifieke mededelingen doen. Wel geldt, zoals te doen gebruikelijk, dat alle mogelijkheden worden benut die kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding.
Wanneer hebben de Onderzoeksraad voor de Veiligheid en het Nederlandse Openbaar Ministerie om de volgende zaken gevraagd en wanneer hebben ze deze in hun geheel gekregen:
De OVV kan in het belang van het onderzoek geen inzicht geven in de beschikbare onderzoeksinformatie en ook niet in het moment waarop deze informatie is opgevraagd en ontvangen.
Het OM heeft bij diverse landen een rechtshulpverzoek ingediend en bereidt ten aanzien van een aantal andere landen nog verzoeken voor. Gedetailleerde mededelingen over de informatievergaring door het OM zijn niet in het belang van het onderzoek.
Dit soort mededelingen kunnen bovendien de internationale betrekkingen beïnvloeden en afbreuk doen aan de rol van Nederland in de beide onderzoeken.
Hoeveel keer en wanneer heeft Nederland of Australië in de periode na 6 augustus tot heden de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) verzocht de omgeving van de MH17 crash site te bezoeken om de veiligheid aldaar te beoordelen? Wat was de beoordeling van de OVSE?
Op 6 augustus bleek de veiligheidssituatie op de rampplek te slecht om de repatriëringsmissie voort te kunnen zetten. Met dit besluit kwam geen einde aan de Nederlandse inspanningen. De interim-missie die achterbleef in Kharkiv en Kiev spande zich in om verder te werken aan alternatieve manieren voor onze inzet ten aanzien van de doelen van de missie: repatriëring, onderzoek naar toedracht en strafrechtelijk onderzoek.
De veiligheidssituatie wordt door Nederland continu gemonitord en er is nauw contact met de OVSE ter plaatse, zodat de repatriëringsmissie snel terug zou kunnen keren indien de veiligheidsomstandigheden dat voor langere periode toe zouden laten. Het Ministerie van Defensie heeft daarbij een leidende en coördinerende rol.
Na de ondertekening van het Minsk Protocol op 5 september leek zich op 12 september een mogelijkheid voor te doen voor terugkeer naar de rampplek en is de missie snel uitgebreid. Toen het helaas toch niet mogelijk bleek voor langere tijd met een grote groep mensen op de rampplek aan het werk te gaan is besloten het extra personeel weer terug te laten komen naar Nederland. U bent over de veiligheidssituatie geïnformeerd in de stand van zaken brieven van 14 en 27 augustus en 9 oktober 2014 (Kamerstuk 33 997, nrs. 10, 16 en 20).
De Ambassade in Kiev en de interim-missie onderhouden sinds de vliegramp op bijna dagelijkse basis contact met de OVSE, ook over de veiligheidssituatie op en rondom de rampplek. Dit gebeurde zowel voor als na 6 augustus. De veiligheidsinformatie en beoordeling daarvan door het Ministerie van Defensie is leidend in de afweging of terugkeer mogelijk is. Daarbij wordt gebruik gemaakt van alle relevante informatie, ook van de OVSE. In de dagelijkse rapportages die ook publiek beschikbaar zijn, maakt de OVSE melding van de waargenomen veiligheidssituatie in het gebied en wordt ook aangegeven wanneer monitors de dorpen nabij de rampplek hebben bezocht.
De afgelopen weken (31 oktober en 4, 5 en 6 november) is de rampplek een aantal keer bezocht, waarbij persoonlijke bezittingen zijn verzameld en ook stoffelijke resten zijn gevonden.
Kunt u de kennisgeving aan luchtvarenden (Notice to Airmen – NOTAM) waarnaar het Erratum in het rapport van de Onderzoeksraad verwijst, aan de Kamer doen toekomen?
De NOTAM die in het erratum van het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid wordt genoemd betreft de NOTAM van 14 juli 2014 met nummer A1492/14. Deze NOTAM stelde een tijdelijke luchtruimbeperking in tot een hoogte van 9,7 kilometer (flight level 320) binnen een gebied dat het oostelijke gedeelte bestreek van het eerder bij NOTAM (A1383/14) tijdelijk gereserveerde luchtruim boven de Oekraïne, behoudens voor Oekraïense staatsluchtvaartuigen (FIR Dnipropetrovsk). In het rapport constateert de OVV dat de MH17 hierboven vloog3. Daarnaast was op 14 juli 2014 NOTAM A1493/14 uitgegeven die het gebruik van bepaalde vliegroutes verbood binnen het gebied en/of leidend van/naar het gebied waarvoor de tijdelijke luchtruimbeperking van toepassing was (NOTAM A1492/14). De genoemde NOTAM’s zijn bijgevoegd4.
Wie heeft die NOTAM notificatie in Nederland ontvangen en gezien? Welke reactie is er ondernomen op de NOTAM notificatie?
Zoals aangegeven in de antwoorden die 28 oktober jl. aan de Kamer zijn gestuurd (Kamerstuk 33 997, nr. 22), worden NOTAM’s met betrekking tot het Europese en aangrenzende luchtruim verzameld bij Eurocontrol.
NOTAM’s kunnen door iedereen via een website worden ingezien. Luchtvaartmaatschappijen gebruiken deze informatie bij het opstellen van hun vluchtplannen. De NOTAM van 14 juli 2014 stelde een tijdelijke luchtruimbeperking in boven een deel van het oosten van de Oekraïne tot een hoogte van 9,7 kilometer. Luchtvaartmaatschappijen maakten daardoor geen gebruik meer van dat deel van het luchtruim. Eventuele vluchtplannen van luchtvaartmaatschappijen voor dit gesloten gebied zouden door Eurocontrol niet zijn geaccepteerd. Op deze wijze is geborgd dat de NOTAM wordt nageleefd.
Daarnaast kon de Oekraïense luchtverkeersleiding vanaf dat moment geen toestemming meer geven aan luchtvaartuigen om het gesloten gebied binnen te gaan, behoudens aan Oekraïense staatsluchtvaartuigen.
Welke strijdende partijen hebben de rampplek sinds juli 2014 beschoten? Op welk moment is aan welke strijdende partij verzocht de rampplek niet langer te beschieten?
De rampplek wordt door pro-Russische separatisten gecontroleerd en kan door artillerievuur van zowel Oekraïense kant als van de separatisten worden bestreken.
Ondanks het op 5 september overeengekomen staakt-het-vuren tussen Oekraïense autoriteiten en de pro-Russische separatisten en de afkondiging van een 30 kilometer brede bufferzone voor (zware) artillerie op 19 september, blijft de veiligheidssituaties in Oost-Oekraïne onoverzichtelijk en fragiel, ook rondom de rampplek. Hoewel sindsdien geen sprake meer is van grootschalige militaire operaties, wordt het bestand op dagelijkse basis geschonden. In de nabijheid van de rampplek vinden bijna dagelijks beschietingen plaats door beide partijen. De Permanente Raad van de OVSE nam op een 18 juli een verklaring aan die onder meer opriep tot de onmiddellijke en veilige toegang tot de rampplek.
De unaniem aangenomen VNVR resolutie 2166 van 21 juli 2014 riep op tot de onbeperkte en veilige toegang tot de plaats van de ramp en alle staten en actoren in de regio mee te werken aan een onafhankelijk internationaal onderzoek. De Raad van Buitenlandse Zaken op respectievelijk 22 juli, 15 augustus en 20 oktober jl. en de Europese Raad op 30 augustus en 23/24 oktober jl. riepen op onverwijld veilige en onbelemmerde toegang te verlenen.
Daarnaast is op alle mogelijke momenten door het Kabinet in fora als de VN(VR), de EU en de OVSE opgeroepen tot een veilige toegang tot de rampplek. Ook is op het hoogste niveau medewerking verzocht aan Oekraïne en Rusland, in het laatste geval om hun invloed aan te wenden op de separatisten die het rampgebied in handen hebben. Veilige toegang tot de rampplek is ook onderwerp van gesprek geweest bij de ontmoeting in Normandië-format en bij de Trilaterale Contactgroep.
Wanneer heeft u de Oekraïense State Emergency Services (SES) om de logboeken van de zoekactie verzocht en wanneer heeft u ze in handen gekregen?
Informatie die door de SES is gedocumenteerd over de initiële zoekactie is door tussenkomst van de OVSE aan ons overlegd. De informatie beschrijft de zoekactie in de eerste dagen na de ramp, hoe er is gezocht, waar is gezocht, met hoeveel mensen en met het soort en aantal middelen. De verslagen bevatten ook het kaartmateriaal zoals ontvangen op 31 augustus, dat wij eerder aan uw Kamer hebben overlegd. Dat geldt ook voor het rapport dat via RTL Nieuws is gepubliceerd.
Kunt u deze vragen uiterlijk 24 uur voor het volgende algemeen overleg over de MH17 beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Nederland beschikt over de satellietbeelden die laten zien wie verantwoordelijk is voor de aanslag op vlucht MH17 |
|
Bram van Ojik (GL), Pieter Omtzigt (CDA), Louis Bontes (GrBvK), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Deelt u de constatering dat kabinetten op belangrijke momenten politieke oordelen en politieke wegingen gaven aan buitenlandse en binnenlandse inlichtingen, zoals bijvoorbeeld:
De regering baseert zich bij politieke oordelen en besluitvorming op een veelheid van bronnen, waaronder inlichtingen.
Herinnert u zich de volgende uitspraak van de Minister-President van 21 juli 2014, waarin hij ten aanzien van de inlichtingen over de toedracht van de ramp zei: «Er zijn, zoals ik in mijn inleiding zei, sterke aanwijzingen over de toedracht van de ramp. Ik zeg erbij dat daar nog geen bevestiging van is bij onze diensten»?
Ja.
Is de verificatie van de Amerikaanse inlichtingen afgerond?
Over de verificatie van informatie van inlichtingendiensten van andere landen kan nooit in het openbaar mededeling worden gedaan.
Is de verificatie van de Duitse inlichtingen afgerond?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het kabinet met haar politieke oordeel ten aanzien van de toedracht van de ramp niet kan wachten tot de Onderzoeksraad voor Veiligheid en het Openbaar Ministerie klaar zijn met hun diepgaande onderzoeken, maar dat, als er eerder een politieke weging gemaakt kan worden over algemene conclusies, deze door het kabinet ook gemaakt moet worden?
Nederland leidt de internationale onderzoeken naar de toedracht van de ramp en het strafrechtelijke onderzoek. Het Kabinet kan geen conclusies trekken zonder de onafhankelijkheid van deze officiële onderzoeken aan te tasten. Daarom zal het Kabinet hangende het onderzoek geen oordeel vellen over de toedracht van de ramp.
Kunt u in het kader van voorgaande aangeven tot welk politiek oordeel u komt op basis van binnenlandse en buitenlandse inlichtingen ten aanzien van de toedracht van de ramp?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het algemeen overleg als vervolg op het algemeen overleg van 15 oktober jl?
Ja.
Conflicten over kinderalimentatie als gevolg van de Wet hervorming kindregelingen, waardoor een aftrekpost voor betaalde alimentatie per 1 januari 2015 vervalt |
|
Enneüs Heerma (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over conflicten over kinderalimentatie als gevolg van de Wet hervorming kindregelingen, waardoor een aftrekpost, LOK1, voor betaalde alimentatie per 1 januari 2015 vervalt?
Ja.
Herinnert u zich dat u in het plenaire debat over de hervorming van de kindregelingen heeft aangegeven:
Ja.
Op welke wijze komt u de toezegging na over de standaardisering van de aanvraag van wijziging?
De Wet hervorming kindregelingen kan gevolgen hebben voor de hoogte van kinderalimentatie. De Kamervragen zijn gericht op de gevolgen van het afschaffen van de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen (LOK). Dit is één van de wijzigingen die voortvloeit uit de Wet hervorming kindregelingen. Naast het afschaffen van de LOK zijn er ook belangrijke wijzigingen in het kindgebonden budget (met name de invoering van een alleenstaande ouderkop) en de kinderbijslag. Daarnaast worden de alleenstaande-ouderkorting en de ouderschapsverlofkorting afgeschaft. Deze maatregelen kunnen stuk voor stuk effect hebben op de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Draagkracht en behoefte zijn de wettelijke maatstaven voor de bepaling van het voor levensonderhoud verschuldigde bedrag. In het Rapport Alimentatienormen (te vinden op www.rechtspraak.nl)3 zijn aanbevelingen opgenomen voor een uniforme, praktische invulling van deze maatstaven. Dit rapport wordt regelmatig aangepast aan nieuwe ontwikkelingen in regelgeving en jurisprudentie. Naar ik heb vernomen, heeft de expertgroep alimentatienormen bekeken hoe de Wet hervorming kindregelingen tot wijziging van het rapport Alimentatienormen leidt en is conform hieraan het rapport aan het wijzigen. Het rapport zal naar verwachting in de tweede helft van december 2014 worden gepubliceerd.
Over de gevolgen van de Wet hervorming kindregelingen is uitgebreid gecommuniceerd. Zo is er bijvoorbeeld een tool Veranderingen kindregelingen opgenomen op www.rijksoverheid.nl. De gevolgen van de hervorming van de kindregelingen voor de hoogte van kinderalimentatie zijn hierin niet meegenomen. De hoogte van de kinderalimentatiebedragen en de eventuele wijziging daarvan ten gevolge van de Wet hervorming kindregelingen zijn immers afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Ouders kunnen hierover advies inwinnen bij het Juridisch Loket of bij een mediator of advocaat.
Het is belangrijk dat ouders op de hoogte zijn van de mogelijke consequenties van de Wet hervorming kindregelingen. Ouders zullen er daarom via publieksvoorlichting op gewezen worden dat de Wet hervorming kindregelingen van invloed kan zijn op de kinderalimentatie en gewezen worden waar verdere informatie te vinden is.
Herinnert u zich de aangenomen motie van het lid Pieter Heerma van 6 maart 20143, waarin de regering wordt verzocht om de Raad voor de Rechtspraak te vragen te komen met een standaardrekenregel voor de herziening van de alimentatieverplichtingen, ten einde pijnlijke rechtszaken te voorkomen? Deelt u de mening dat de oude alimentatieverplichtingen nog uitgingen van het bestaan van de LOK en dus dikwijls te hoog zijn vastgesteld?
Ja. Bij lopende alimentatieverplichtingen is uitgegaan van de op het moment van vaststelling geldende regelgeving en de op dat moment bestaande feiten en omstandigheden van het betreffende geval, zoals het toenmalige inkomen. Dit in aanmerking nemend kan niet gesteld worden dat de alimentatieverplichtingen toentertijd te hoog zijn vastgesteld. Het bestaan van de LOK is toen ook meegewogen in de alimentatiebepaling. Echter zijn er ook andere factoren meegewogen in de bepaling die de andere kant op kunnen werken, zoals dat de arbeidskorting op dit moment hoger is dan enkele jaren geleden. Dit verhoogt juist de draagkracht van de alimentatieplichtige en zou doen vermoeden dat de alimentatieverplichting op dit moment te laag is vastgesteld.
Dit laat onverlet dat als gevolg van de Wet hervorming kindregelingen wijzigingen in de behoefte of draagkracht kunnen optreden, die vervolgens kunnen leiden tot aanpassing van het kinderalimentatiebedrag.
Welke stappen heeft de regering sinds die aangenomen motie ondernomen om die rekenregel te (laten) vaststellen? Kunt u een tijdlijn geven?
Het verzoek in de motie om te komen tot een standaardrekenregel voor wijziging van het kinderalimentatiebedrag als gevolg van de Wet hervorming kindregelingen is neergelegd bij de Raad voor de rechtspraak. De Raad komt begin volgend jaar met een advies.
Wanneer en waar zal de rekenregel gepubliceerd worden?
Zie antwoord vraag 5.
Wat raadt u een alimentatie betalende ouder aan, die fors koopkrachtverlies leidt door de wijziging in de belastingwetgeving en er niet in slaagt om via een minnelijke weg tot een herziening van de kinderalimentatie te komen met de alimentatie ontvangende ouder? Moet hij of zij een rechtszaak starten, of kan hij of zij wachten op de rekenregel van dit kabinet en van de Raad voor de Rechtspraak?
De Wet hervorming kindregelingen heeft, zoals aangegeven, mogelijk effect op reeds vastgestelde kinderalimentatie. Zoals opgemerkt in het antwoord op vraag 3, zal hierop worden gewezen in de publieksvoorlichting. Het maken van afspraken over kinderalimentatie en het eventueel wijzigen daarvan is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij kunnen daarvoor het Juridisch Loket, een mediator of advocaat inschakelen. Komen de ouders niet tot overeenstemming over wijziging van het alimentatiebedrag, dan kan de rechter verzocht worden de alimentatie aan te passen.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden, aangezien grote groepen ouders acuut met dit probleem worden geconfronteerd?
Het is helaas niet gelukt om – zoals is verzocht – de vragen binnen twee weken te beantwoorden. Dit omdat interdepartementale afstemming meer tijd heeft gevergd.
Misbruik van de innovatiebox |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Het negatieve vennootschapsbelastingtarief»?1
Ja.
Deelt u de analyse van de auteur dat er een lek zit in de innovatiebox?
Naar mijn mening bevat de innovatiebox in de praktijk geen lek. In de situatie waar in de genoemde column op wordt gedoeld, kan wel sprake zijn van een onduidelijkheid over de toepassing van de innovatiebox. Om de onduidelijkheid en eventuele onwenselijke gevolgen van de toepassing van de innovatiebox in de beschreven situatie weg te nemen, zal ik in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2015 een voorstel tot aanpassing van de innovatiebox doen.
Klopt het dat bij een buitenlands belastingtarief van 10% (zoals in het Verenigd Koninkrijk) een Nederlands bedrijf 20% of 25% Nederlandse vennootschapsbelasting terugkrijgt als de in het buitenland ontwikkelde innovatie naar Nederland wordt overgebracht?
Onder de objectvrijstelling is bepaald dat de (wereld)winst van een belastingplichtige wordt verminderd met de positieve en negatieve bedragen van de winst uit de andere staat. Op deze manier wordt voorkomen dat winst die al in het buitenland belast is in Nederland voor een tweede maal belast wordt. Deze regeling resulteert er niet in dat Nederlandse vennootschapsbelasting wordt teruggegeven, maar voorkomt dubbele belastingheffing over het deel van de winst van een belastingplichtige dat niet toerekenbaar is aan het Nederlandse deel van de onderneming.
Klopt het dat met een investering van € 1 miljoen een belastingvoordeel van enkele tonnen behaald kan worden?2
In de situatie waar in de genoemde column op wordt gedoeld, wordt een immaterieel activum ontwikkeld in een vaste inrichting in het buitenland en wordt dit activum vervolgens overgebracht naar het hoofdhuis in Nederland. De toerekening van activiteiten en activa, zoals (de ontwikkeling van) een immaterieel activum, aan het hoofdhuis of een vaste inrichting is geen vrije keuze van de ondernemer. Een dergelijke toerekening vindt op basis van de zogenoemde authorized OECD approach plaats op objectieve gronden. Volgens deze benadering worden de activiteiten en activa toegerekend aan de aanwezigheid in verschillende landen op basis van de zogenoemde significant people functions.
De voor toerekening van (de ontwikkeling van) een immaterieel activum relevante functies zullen hierbij in de regel daar worden uitgeoefend waar het personeel aanwezig is dat bevoegd en in staat is tot het nemen van beslissingen met betrekking tot het aangaan en beheren van de risico’s die verband houden met (de ontwikkeling van) het immateriële activum. Het verplaatsen van deze functies en dus het verplaatsen van het immateriële activum zal daarmee in veel gevallen niet eenvoudig zijn en kan praktisch bezwaarlijk zijn. Er zijn mij dan ook geen gevallen bekend waarin bovenstaande constructie in de praktijk is toegepast.
Ingeval het toch mogelijk is om deze constructie toe te passen, kan er niet bij voorbaat van worden uitgegaan dat daarmee het in het rekenvoorbeeld geschetste resultaat wordt bereikt. Zo kan worden gesteld dat de waarde in het economische verkeer van het immateriële activum op het moment dat dit activum wordt overgebracht naar Nederland voor de innovatiebox moet worden aangemerkt als voortbrengingskosten, zodat de belastingplichtige geen voordeel heeft van de constructie.
Of er een voordeel behaald kan worden en de hoogte daarvan is dus afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waaronder ook de waardeontwikkeling van het activum en de belastingdruk in de vaste inrichting. De uitkomsten uit het voorbeeld zeggen daarom weinig over het werkelijk te behalen belastingvoordeel, mocht de constructie worden toegepast. Een eventueel voordeel zou voornamelijk afhankelijk zijn van de waarde van het activum in het economische verkeer op het moment van overdracht en niet zozeer van het investeringsbedrag.
Is het waar dat, ook al heeft de innovatie niet in Nederland plaatsgevonden, dit bedrijf vervolgens toch slechts 5% belasting betaalt over de opbrengsten?
Een belastingplichtige kan gebruikmaken van de innovatiebox als hij een immaterieel activum zelf heeft voortgebracht. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar de locatie waar de activiteiten plaatsvinden. Als de voordelen uit het activum worden toegerekend aan een buitenlandse vaste inrichting, zal de belastingplichtige evenwel per saldo geen voordeel genieten door de innovatiebox, omdat deze activiteiten niet in Nederland, maar in het buitenland aan belastingheffing zijn onderworpen. Als de winst in Nederland belast wordt en aan de voorwaarden van de innovatiebox is voldaan is het effectieve tarief 5% over het deel van de winst dat toerekenbaar is aan het innovatieve immateriële activum.
Klopt het dat het teruggekregen bedrag aan vennootschapsbelasting niet hoeft te worden ingehaald?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de innovatiebox op deze manier een prikkel vormt om innovatie en werkgelegenheid in het buitenland in plaats van in Nederland te stimuleren?
Innovatie is een bron voor duurzame economische groei en levert een belangrijke bijdrage aan de versterking van het concurrentievermogen. De innovatiebox speelt daarbij een belangrijke rol, omdat de innovatiebox innovatieve bedrijven aanzet tot het doen van meer onderzoek en ontwikkeling. Daarmee vormt de innovatiebox een stimulans voor innovatie en hoogwaardige werkgelegenheid in Nederland. Uit de praktijk blijkt niet dat de genoemde constructie voorkomt en deze leidt er dus op dit moment niet toe dat de innovatiebox een prikkel vormt om juist in het buitenland te innoveren.
Desondanks ben ik het met de vraagsteller eens dat het ongewenst zou zijn als deze constructie inderdaad tot ongerechtvaardigde voordelen zou leiden. Daarom zal ik in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2015 een voorstel tot aanpassing van de innovatiebox doen, om onduidelijkheid en mogelijke onwenselijke gevolgen van de toepassing van de innovatiebox in de beschreven situatie weg te nemen.
Bent u bereid zo snel mogelijk – bijvoorbeeld door middel van een nota van wijziging op het Belastingplan 2015 – dit heffingslek te dichten of anders dit mee te nemen in de geplande evaluatie van de innovatiebox?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de beschuldiging van de Turkse oppositieleider Kılıçdaroğlu over wapenleveranties van Turkije aan terroristische organisaties, waaronder IS?1
Ja.
Klopt het dat Kılıçdaroğlu officiële schriftelijke verklaringen getoond heeft van de hoofdofficier van justitie in Adana en vrachtwagenchauffeurs die de wapens geleverd zouden hebben? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Oppositieleider Kılıçdaroğlu heeft naar verluidt dergelijke verklaringen getoond tijdens zijn wekelijkse, besloten, fractievergadering over deze kwestie die vorig jaar speelde. De Turkse regering ontkent de aantijgingen.
Zijn deze verklaringen, nota bene van de hoofdofficier van justitie in Adana, waar de Nederlandse Patriots gestationeerd zijn, voor u aanleiding om hierover opheldering te vragen bij de Turkse regering over de wapenleveranties? Zo nee, waarom niet?
Nee, de Turkse autoriteiten hebben deze aantijgingen altijd ontkend.
Bent u bereid contact op te nemen met de Turkse oppositie en de hoofdofficier van justitie in Adana?
Zie antwoord vraag 3.
Blijft u zelfs met deze bewijzen volhouden niet over «indicaties» te beschikken over steun van Turkije aan jihadisten in Syrië en Irak? Zo ja, waarom?
Het kabinet is net als de Kamer op de hoogte van deze berichten, maar kan, zoals ook in eerdere antwoorden op Kamervragen aangegeven, deze niet bevestigen. Daarnaast verwijst het kabinet naar de antwoorden op eerdere vragen van uw lid Omtzigt van 22 september over steun van Turkije aan Al Qaeda. Hierin wijst het kabinet er onder meer op dat Turkije ISIS op de lijst van terroristische organisaties heeft geplaatst en dat het zich bereid heeft verklaard de coalitie tegen ISIS militair en logistiek te steunen.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving in onder meer Newsweek2 en de New York Times3 dat IS rekruteringscentra opzet in Ankara en andere plekken in Turkije, zonder dat de Turkse regering daar iets tegen onderneemt?
De Turkse overheid heeft deze berichten en aantijgingen ontkend. Het kabinet heeft geen reden hieraan te twijfelen.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat Turkije een deal met IS gesloten heeft waarbij 180 IS-terroristen vrijgelaten zijn in ruil voor het door IS gevangen genomen personeel van het Turkse consulaat in Mosul?4
Het kabinet is bekend met de mediaberichtgeving hierover. Het kan deze berichten niet bevestigen en het ligt daarom niet voor de hand de Turkse regering om opheldering hierover te vragen.
Klopt het dat er onder deze 180 vrijgelaten terroristen ook EU-burgers zitten? Bent u net als de Britse regering bereid hierover opheldering te vragen bij de Turkse regering?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat de Turkse regering de vermeende leider van de Turkse vleugel van terreurgroep IS, Halis Bayancuk, heeft vrijgelaten? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Halis Bayancuk is voorwaardelijk vrijgelaten op last van de lokale rechtbank nadat de officier van justitie geen aanklacht tegen hem had ingediend. Er is geen nadere informatie beschikbaar waarom geen aanklacht is ingediend.
Hoeveel en welke signalen over mogelijke steun van Turkije aan IS hebben u de afgelopen twee maanden bereikt?
Het kabinet is bekend met de diverse mediaberichten die hierover in deze periode zijn verschenen. Het heeft geen eigenstandige informatie die deze berichten kan bevestigen, zie ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid alsnog te pleiten voor onafhankelijk internationaal onderzoek naar de mogelijke steun van Turkije aan jihadisten in Syrië en Irak?
Nee, het kabinet ziet daartoe geen noodzaak.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Hof in Pakistan het doodvonnis van Asia Bibi heeft bekrachtigd?1
Ja.
Hoe apprecieert u deze uitspraak? Welke beroepsmogelijkheden zijn er nu nog open?
Het kabinet betreurt ten zeerste het vonnis van de ter dood veroordeling van mevrouw Asia Bibi en is uitermate bezorgd over haar lot.
Binnen dertig dagen na de uitspraak door het Hof van 16 oktober 2014 dient beroep te worden aangetekend. Vervolgens zal de zaak voorkomen bij de Pakistaanse Hoge Raad.
Welke mogelijkheden hebben u en de internationale gemeenschap om het voltrekken van dit vonnis te voorkomen?
Nederland volgt de zaak tegen mevrouw Asia Bibi sinds 2009 nauw en sprak zich herhaaldelijk uit tegen het doodvonnis. Nederland drong eerder aan op een goede behandeling van mevrouw Bibi en op een eerlijk proces. De blasfemiewetgeving is ook opgebracht in de bilaterale politieke consultaties van Nederland met Pakistan die plaatsvonden in februari 2014. Ook in EU-verband spant Nederland zich in voor deze zaak. De EU sprak zich in een verklaring d.d. 17 oktober uit tegen het doodvonnis.
Nederland zal bij iedere voorkomende gelegenheid bij de Pakistaanse autoriteiten aandacht blijven vragen voor mevrouw Asia Bibi, de blasfemiewetgeving en de doodstraf, zowel bilateraal als in EU-verband. Het bezoek van EU Speciale Rapporteur voor Mensenrechten Stavros Lambrinidis, die van 26 tot 29 oktober 2014 Pakistan bezoekt, biedt een uitgelezen kans om de bezwaren tegen de ter dood veroordeling van mevrouw Asia Bibi over te brengen aan de Pakistaanse autoriteiten.
Bent u bereid om alles op alles te zetten om haar leven te beschermen, waar mogelijk ook in samenspraak met Amnesty International, Human Rights Watch en andere organisaties die zich voor haar lot inzetten?
Nederland blijft zich actief inzetten voor mevrouw Asia Bibi en zal daarbij optrekken met andere organisaties die zich voor haar lot inspannen. Direct na de uitspraak bezocht de Nederlandse ambassadeur in Islamabad de organisatie CLAAS (Centre for Legal Aid, Assistance and Settlement) in Lahore, die zich met financiële steun van de EU inzet voor vervolgde christenen in Pakistan. Ook bracht de ambassadeur de zaak op in een bilateraal gesprek bij het hoogste ambtelijke niveau op het Pakistaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken en had hij de gelegenheid er aandacht voor te vragen tijdens een bijeenkomst van de Buitenlandcommissie van het Pakistaanse parlement op 22 oktober jl. Over volgende stappen wordt nu overleg gevoerd binnen de EU en met andere gelijkgestemde landen.
Wilt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Transportbedrijven, bij welke massaal de WVA wordt teruggevorderd, waardoor zij financieel in de problemen komen |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Hoeveel bedrijven in de transportsector hebben een beroep gedaan op de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) in de jaren 2008–2013 en voor hoeveel geld? Bij hoeveel bedrijven wordt er nu teruggevorderd en voor welk bedrag?1
In de periode 2008 – 2013 hebben circa 1.100 bedrijven in de transportsector een beroep gedaan op de afdrachtvermindering onderwijs (AV Onderwijs), voor een totaalbedrag van circa € 53 miljoen. Bij 36 bedrijven heeft terugvordering van de AV onderwijs plaatsgevonden, voor een totaalbedrag van circa € 3,5 miljoen. Bij een vergelijkbaar aantal bedrijven in deze sector is het onderzoek nog onderhanden. De mogelijkheid bestaat om bedrijven met financiële problemen tegemoet te komen door hen binnen de grenzen van het gebruikelijke invorderingsbeleid van de Belastingdienst een betalingsregeling aan te bieden. Bedrijven kunnen zich hiervoor melden bij hun belastingkantoor.
Kunt u aangeven of terugvordering plaatsvindt bij alle belastingkantoren of dat het zich concentreert bij een aantal belastingkantoren? Indien de terugvorderingen zich concentreren bij een paar belastingkantoren, welke zijn dat dan en hoe komt dat?
De terugvorderingen zijn niet plaats- of regiogebonden, maar vinden gespreid over het land plaats.
Hoeveel bedrijven in de transportsector staan onder horizontaal toezicht en bij hoeveel van de bedrijven onder horizontaal toezicht wordt nu geld teruggevorderd?
In de transportsector vallen 570 bedrijven onder horizontaal toezicht. Bij 2 bedrijven heeft terugvordering van de AV- Onderwijs plaatsgevonden, bij 2 andere bedrijven is het onderzoek nog niet afgerond.
Bent u bekend met het feit dat er vanuit het bekostigd MBO-onderwijs een actief (commercieel) aanbod is gedaan aan diverse ondernemingen, o.a. in de sector Transport en Logistiek, om code 95 nascholing te combineren met een regulier MBO (BBL) traject, waarbij door de ROC's de garantie werd gegeven op subsidiegeld via WVA?
Nee, het is mij niet bekend dat er specifiek vanuit de bekostigde onderwijsinstellingen een actief commercieel wervingsbeleid heeft plaats gevonden.
Wie is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs dat gegeven wordt op een MBO-onderwijsinstelling voor bekostigd onderwijs?
De onderwijsinstelling is verantwoordelijk voor de kwaliteit van een opleiding. Als het een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) betreft, dan is de onderwijsinstelling samen met het bedrijfsleven verantwoordelijk voor zover het de beroepspraktijkvorming (bpv) betreft, aangezien het leerbedrijf de dagelijkse begeleiding verzorgt.
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) houdt toezicht op de kwaliteit van de opleiding dat is het onderwijs inclusief de beroepspraktijkvorming.
Door wie dient de inhoud van de hierboven omschreven onderwijsprogramma's te worden gecontroleerd? Is deze kwaliteit ook op adequate wijze gecontroleerd?
In eerste instantie is de onderwijsinstelling zelf verantwoordelijk voor de invulling van het onderwijsprogramma. De inspectie voert risicogericht onderzoek uit naar de kwaliteit van het onderwijs, ook wel een regulier onderzoek genoemd. De inspectie voert daarnaast op basis van signalen ook onderzoek uit, dan betreft het een specifiek onderzoek.
De inspectie controleert tijdens een regulier onderzoek of de kwaliteit, waaronder de programmering, voldoet. Daar waar de inspectie onderzoek heeft verricht is dat adequaat gebeurd.
Daarnaast kan de Belastingdienst bij het bedrijf toetsen of voldaan is aan de voorwaarden van de WVA. Zie ook de antwoorden op de vragen 8 en 10.
Hierbij gebruikt de Belastingdienst de «Handreiking WVA onderwijs», die in samenwerking met de inspectie is ontwikkeld. De Handreiking is gepubliceerd op de website www.rijksoverheid.nl.
Als uit de informatie van de Belastingdienst duidelijk wordt dat bijvoorbeeld een praktijkovereenkomst ontbreekt, dan wel geen beroepspraktijkvorming (bpv) wordt gevolgd, dan betrekt de Belastingdienst die informatie bij zijn oordeel of terecht van de AV-onderwijs gebruik wordt gemaakt.
In hoeverre kan de werkgever verantwoordelijk worden gehouden voor de inhoud van het onderwijs, als de opleiding te goeder trouw is aangegaan omdat deze gebaseerd is op een kwalificatiedossier, met een crebo-nummer dat door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is afgegeven?
De instelling is eindverantwoordelijk voor de inhoud, vorm en uitvoering van de opleiding. De bpv is een onderdeel van de opleiding. Afspraken over de bpv worden in de bpv-overeenkomst vastgelegd en mede ondertekend door het bedrijf waar de praktijkvorming wordt uitgevoerd en de onderwijsinstelling die de opleiding aanbiedt. Daarnaast behoort de werkgever de werknemer de gelegenheid te bieden om de opleiding ook naar behoren te kunnen volgen. Het crebonummer en het kwalificatiedossier zijn voor een opleiding leidend. Het beschrijft de eisen waaraan de opleiding moet voldoen. De werkgever kan zich daar zelf van op de hoogte stellen.
Is het uitgangspunt voor het rechtmatig toepassen van de afdrachtvermindering onderwijs dat de werknemer van de belastingplichtige de beroepsbegeleidende leerweg van een erkende MBO-opleiding volgt en dat deze opleiding is opgenomen in het Centraal Register Beroepsonderwijs?
De genoemde uitgangspunten gelden inderdaad voor de rechtmatige toepassing van de AV- onderwijs met dien verstande dat er sprake moet zijn van het volgen van het volledige onderwijsprogramma. Een enkele module volstaat niet.
In het Centraal Register Beroepsonderwijs zijn de erkende MBO-opleidingen vermeld; ook worden daar de deelkwalificaties van de betreffende MBO-opleiding genoemd; mag een inhoudingsplichtige erop vertrouwen dat een opleiding uit het Centraal Register Beroepsonderwijs, dan wel één of meerdere deelkwalificaties van die betreffende beroepsopleiding, zich kwalificeert om daarvoor de afdrachtvermindering onderwijs toe te passen?
Zie antwoord bij vraag 8, met die toevoeging, dat het CREBO-register nog enkele eindtermgerichte opleidingen kent die zijn opgebouwd uit deelkwalificaties. Op deze opleidingen kon tot 1 augustus 2012 worden ingeschreven.
Er is slechts sprake van een opleiding als deze alle deelkwalificaties omvat. Voor het afronden van de opleiding behoort aan alle deelkwalificaties te zijn voldaan.
Daarnaast zijn er sinds 2012 opleidingen, ook wel beroepsgerichte kwalificaties geregistreerd in het CREBO-register. Deze opleidingen kennen geen deelkwalificaties. Bij een enkele opleiding zijn certificaten vastgesteld en opgenomen in het kwalificatiedossier, maar dit is niet het geval voor de opleidingen in de Transport en Logistiek.
In de antwoorden op eerdere vragen2 is aangegeven dat de Belastingdienst niet de kwaliteit van de opleidingen beoordeelt en dat dat de verantwoordelijkheid van de Inspectie van het Onderwijs is; indien de Inspectie geen oordeel heeft gegeven over een opleiding mag de Belastingdienst dan stellen dat er geen beroepsopleiding is gevolgd of dat slechts een deel van de opleiding is gevolgd?
De Belastingdienst toetst of voldaan is aan de in de WVA neergelegde voorwaarden. Dit houdt ondermeer in of voldaan is aan een aantal formele vereisten, zoals de aanwezigheid van een rechtsgeldige praktijkovereenkomst die voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.2.8 van de WEB. Verder kan de Belastingdienst controleren of het gevolgde onderwijsprogramma overeenstemt met het volledige onderwijsprogramma zoals opgenomen in het officiële register, het CREBO-register.
De beoordeling voert de Belastingdienst zelfstandig uit, waarbij in voorkomende gevallen een advies kan worden gevraagd aan de inspectie.
Wanneer een leerling gedurende een MBO-opleiding afhaakt, een schoolverlater wordt of andere opleiding gaat volgen, volgt er dan terugvordering van en/of boete voor de afdrachtvermindering onderwijs bij de belastingplichtige?
Een voorwaarde voor het toepassen van de AV Onderwijs voor de beroepsbegeleidende leerweg is dat een werknemer de beroepspraktijkvorming van een diploma gerichte volledige beroepsopleiding volgt. Als de werknemer stopt met de opleiding wordt niet meer voldaan aan de voorwaarden en kan de werkgever vanaf dat moment de afdrachtvermindering niet meer toepassen. Voor de periode dat wel voldaan is aan de voorwaarden kan de afdrachtvermindering wel toegepast worden.
De Belastingdienst controleert de procedurele en administratieve vereisten die aan een opleiding worden gesteld; mag de Belastingdienst meer controleren dan de voorwaarden die gelden voor toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs? Zo ja, wat mag zij dan meer controleren en op welk wetsartikel is dat gebaseerd?
Zie antwoord bij vraag 10.
Er is een «Convenant Samenwerking Regionale Opleidingscentra Afdrachtvermindering Onderwijs» tussen een aantal ROC’s en de Belastingdienst gesloten; wat is het doel en de reikwijdte van dit convenant voor onderwijsinstellingen, voor de Belastingdienst en voor de cliënten van de onderwijsinstellingen?
In het convenant waar in de vraag naar wordt verwezen, zijn de uitgangspunten en de wijze waarop de Belastingdienst en de samenwerkende ROC’s met elkaar om wensen te gaan vastgelegd. Doelstelling van deze afspraken is het bevorderen van het op juiste wijze toepassen en optimaal gebruikmaken van de AV Onderwijs door de betrokken ondernemingen en/of non-profit organisaties. Het vanaf 1 januari 2008 geldende convenant is in 2011 voor onbepaalde tijd verlengd en is te vinden op de site van de Belastingdienst.
Indien de Inspectie heeft geoordeeld dat een opleiding niet voldoende is, heeft de betreffende onderwijsinstelling dan de kans gehad om alsnog de kwaliteitsvoordelen te realiseren en door te voeren? Kan het oordeel van de Inspectie een extrapolatie naar eerdere jaren, waarin de inhoudingsplichtige de afdrachtvermindering heeft toegepast, tot gevolg hebben?
Een herstelperiode is door de onderwijsinstelling niet met terugwerkende kracht uit te voeren. Het oordeel van de inspectie gaat over het uitgevoerde herstel nadat (ernstige) tekorten zijn geconstateerd en een waarschuwing eerder was afgegeven.
Indien de Inspectie heeft geoordeeld dat een opleiding niet voldoende is wat vindt u dan van het standpunt van Transport en Logistiek Nederland dat reparatie van het onderwijstraject mogelijk moet zijn, zodat de betreffende leerling zich alsnog kwalificeert als een opleiding waarvoor afdrachtvermindering toegepast kan worden?
Een onderwijsinstelling krijgt voor een opleiding die niet voldoet altijd een periode waarin ze de mogelijkheid heeft de opleiding te herstellen. Doel van de herstelperiode die de inspectie instelt, is niet om AV Onderwijs te kunnen toepassen door de werkgever, maar om een deelnemer op te leiden en te toetsen of de deelnemer (werknemer) aan alle eisen uit het kwalificatiedossier voldoet om zo een diploma te kunnen behalen. De Belastingdienst toets of de werkgever aan de voorwaarden uit de WVA heeft voldaan in het tijdvak dat deze de afdrachtvermindering heeft toegepast. Als bijvoorbeeld geen sprake is van het volgen van een opleiding maar slechts een onderdeel van een opleiding kan in die periode de afdrachtvermindering niet worden toegepast. Dit kan niet achteraf hersteld worden.
Kunt u deze vragen beantwoorden in samenhang met de afgesproken schriftelijke beantwoording van de vragen die in het wetgevingsoverleg over het Belastingplan 2015 voorzien op 27 oktober 2015 gesteld gaan worden?
Ja. De in het wetgevingsoverleg van 27 oktober jl. gestelde vragen zijn in de beantwoording van deze en de andere Kamervragen over dit onderwerp3 meegenomen.
De onderzoeken naar de aanslag op de MH17 |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Wanneer ontvangt de Tweede Kamer een voortgangsrapportage over de onderzoeken naar de MH17?
De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft op 9 september jl. een rapport van eerste bevindingen (preliminary report) gepubliceerd. De OvV streeft ernaar om het eindrapport in juli 2015 op te leveren.
Verder is uw Kamer bij brief 9 oktober 2014 opnieuw geïnformeerd over de nasleep van de ramp met Malaysia Airlines vlucht MH17 (Kamerstuk 33 997, nr. 20). Deze brief bevat tevens de meeste recente stand van zaken met betrekking tot de (voortgang van) het strafrechtelijk onderzoek.
Heeft u Oekraïne gevraagd om de overeenkomst tussen het Oekraïense National Bureau of Air Accident Investigation (NBAAI) en de Onderzoeksraad voor Veiligheid openbaar te maken en bent u bereid om deze overeenkomst onverwijld openbaar te maken?
De overeenkomst kan pas openbaar worden gemaakt als ook Oekraïne daarmee instemt. Het gesprek daarover tussen de OvV en Oekraine is nu gaande. Zodra en indien Oekraïne instemt met openbaar maken, zal de OvV de overeenkomst plaatsen op zijn website.
Heeft het Openbaar Ministerie de regering geïnformeerd en om toestemming gevraagd alvorens zij een geheime overeenkomst tekende met haar counterparts in Oekraïne, België, Australië en later Maleisië? Heeft de regering toestemming gegeven voor het ondertekenen van deze overeenkomst?
De overeenkomst waaraan de vraagsteller refereert betreft een afspraak tot het oprichten van een gemeenschappelijk onderzoeksteam. Het OM is tot het instellen van een dergelijk JIT (Joint Investigation Team) bevoegd en maakt van deze bevoegdheid met regelmaat gebruik in grensoverschrijdende strafrechtelijke onderzoeken. De ondertekening van het JIT inzake het onderzoek naar de ramp met vlucht MH17 vond plaats met medeweten en instemming van het kabinet.
Wanneer is de overeenkomst getekend en wanneer en hoe werd hij rechtsgeldig? Wat is de formele status van de overeenkomst?
Een overeenkomst tot het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (een JIT) heeft betrekking op de wijze en intensiteit van samenwerking in een strafrechtelijk onderzoek. De overeenkomst is rechtsgeldig sinds deze op 7 augustus jl. werd ondertekend. Sinds 19 augustus is ook Maleisië aangesloten bij het JIT. Binnen het JIT gelden voor alle landen voorwaarden met betrekking tot de wijze waarop informatie wordt verzameld, gedeeld en gebruikt. Dergelijke voorwaarden alsmede doelbinding zijn gebruikelijk bij internationale strafrechtelijke samenwerking. Deze overeenkomst is niet openbaar, aangezien het hier een document betreft met operationele werkafspraken in een lopend strafrechtelijk onderzoek.
Wanneer trad Maleisië toe tot de overeenkomst en was dat op dezelfde voorwaarden?
Zie antwoord vraag 4.
Nu het bestaan van de overeenkomst publiek is, kunt u deze overeenkomst publiek maken?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat de overeenkomst veto-rechten bevat voor landen? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er in of bij de overeenkomst afspraken gemaakt over het mogelijk vervolgen van landen die meedoen aan de afspraak?
Het JIT is beperkt tot de opsporingsfase en in het kader hiervan zijn geen afspraken over vervolging gemaakt.
Is de afspraak tussen de landen op enig moment voorgelegd aan het parlement of een aantal parlementsleden van één van de deelnemende landen (Oekraïne, België, Australië, Nederland, Maleisië)? Zo ja, aan wie en wanneer?
Het kabinet beschikt niet over informatie met betrekking tot de wijze waarop de goedkeuring van het JIT tot stand is gekomen in de andere deelnemende landen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Algemeen overleg over de MH17 op 15 oktober aanstaande?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Gaza met onmiddellijke ingang onder controle van Hamas en Fatah»?1
Ja.
Kunt u aangeven of de intensievere samenwerking tussen Hamas en Fatah, als gevolg van de eerder gesloten eenheidsregering, betekent dat Hamas en Fatah nu ook een gemeenschappelijke begroting onderhouden?
Dat is niet het geval. Het betreft een herbevestiging van beide partijen dat de technocratische regering, die bestaat uit onafhankelijke personen, ook Gaza gaat besturen.
Kunt u aangeven of het eerdere conflict tussen Hamas en Fatah over het uitbetalen van Hamas ambtenaren door de Palestijnse Autoriteit inmiddels is beslecht? Is het waar dat de salarissen van deze ambtenaren tijdelijk zijn uitbetaald door Qatar?
Qatar heeft geld beschikbaar gesteld aan de technocratische regering om eenmalig ambtenaren die geen deel uitmaken van het veiligheidsapparaat te betalen. Het is nadrukkelijk geen salaris en er zijn geen toezeggingen gedaan voor de toekomst. Alleen personen die niet op internationale sanctielijsten staan komen in aanmerking voor deze eenmalige uitkering.
Kunt u tevens aangeven of de Europese Unie nog altijd zo’n 65.000 ambtenaren in Gaza financieel ondersteunt die sinds 2007 niet hebben gewerkt, zoals bleek uit het rapport van de Europese Rekenkamer van vorig jaar? In hoeverre is die situatie sindsdien gewijzigd?
De EU betaalt via Pegase salarissen van 65.000 ambtenaren die voor de machtsovername van Hamas in dienst waren van de Palestijnse Autoriteit Een deel van deze ambtenaren heeft de afgelopen jaren doorgewerkt, onder meer in het onderwijs en de gezondheidszorg. De technocratische regering heeft de ambtenaren gevraagd weer aan het werk te gaan, maar niet alle ambtenaren hebben hier gevolg aan kunnen geven. Fatah en Hamas zijn overeengekomen dat een comité ingesteld gaat worden voor de integratie van de ambtenaren, waarbij ambtenaren beoordeeld worden op professionele en veiligheidsgronden.
Wat voor gevolgen heeft de bovengenoemde hernieuwde samenwerking voor de financiële steun vanuit Nederland en de Europese Unie aan de Palestijnse Autoriteit? Welke garanties heeft u dat Nederlandse steun niet ten goede komt van Hamas?
Het betreft geld van Qatar, niet van de EU of NL. De lijst van ambtenaren waarvoor de EU een bijdrage geeft is niet gewijzigd.
Kunt u tevens aangeven, met inachtneming van uw recente brief2, hoe de Higher National Commission for Prisoners and Detainees, een verbetering is ten opzichte van het eerdere systeem van betalingen aan gevangenen? Is de perverse prikkel «hoe langer de gevangenisstraf, hoe hoger de betaling» in dit systeem weggenomen? Kunt u bovendien aangeven of in dit systeem ook Hamas-gevangenen worden uitbetaald?
Met de overheveling naar de PLO is de PLO in principe ook verantwoordelijk voor de financiering van de betalingen aan gevangenen. De PLO zal voor de financiering Arabische donoren benaderen. Hiermee worden de financiële stromen nog duidelijker gescheiden. De stap is verwelkomd door de VS.
De regelgeving is echter niet veranderd, de duur van de detentie blijft bepalend voor de toelage. De regelgeving maakt geen onderscheid tussen gevangenen op basis van politieke affiliatie. Het kabinet zal samen met gelijkgezinde partners blijven wijzen op het belang van hervorming van het toelagen systeem.
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Zembla van 25 september 2014?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat andere landen zoals het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zelf schattingen publiceren van hun tax gap?
Ja. Ik verwijs hiervoor ook naar mijn brief van heden waarbij de vragen zijn beantwoord, gesteld op 18 september 2014 in het verslag van het schriftelijk overleg inzake de brief van 10 juli 2014. Onderzoek naar een macro-economische schatting van gemiste omzetbelasting (btw gap)2, in het bijzonder het antwoord op de vraag hoe de Staatssecretaris de Britse methode beoordeelt.
Deelt u de mening dat het uw taak is om de opgelegde belastingen ook te innen en constant te vechten tegen belastingontduiking, om daarmee de publieke voorzieningen te kunnen bekostigen en het draagvlak onder belastingheffing te handhaven?
Zoals ik in de 14e halfjaarsrapportage3, uw Kamer onlangs toegezonden, heb aangegeven, verricht de Belastingdienst zijn handhavende taken op basis van een doordachte handhavingstrategie. De Belastingdienst streeft er naar het nalevingsgedrag van burgers en bedrijven positief te beïnvloeden en niet-naleving te voorkomen. De Belastingdienst doet dat op verschillende manieren. De dienst wil de compliance versterken door voor burgers en bedrijven de naleving makkelijk te maken en vergissingen zoveel mogelijk te voorkomen, waar nodig het gedrag te corrigeren en fraudeurs op te sporen en te vervolgen. Afhankelijk van het gedrag van burgers en bedrijven kiest de Belastingdienst de mix van instrumenten die hem ter beschikking staan.
Kunt u een algemene appreciatie geven van de opmerkingen die over de tax gap gemaakt zijn in het programma Zembla, inclusief de wijze waarop de Belastingdienst reageert op suggesties van medewerkers om deze tax gap aan te pakken?
In mijn antwoorden op de vragen over de tax gap van het schriftelijk overleg, inzake de brief van 10 juli 2014 naar een macro-economische schatting van gemiste omzetbelasting4, heb ik in de inleiding de wijze geschetst waarop de tax gap kan worden benaderd. In mijn brief van 29 september jl. die ik naar uw Kamer heb gezonden u naar aanleiding van de uitzending van Zembla, heb ik aangegeven dat het onderzoek naar de btw gap laat zien welke beperkingen er kleven aan top down tax gap analyses.5 Een macro-economische schatting van de tax gap is een globale benadering van de gemiste belastingopbrengsten, die een algemene indruk geeft van de werking van het belastingstelsel.
In de uitzending ligt de nadruk op het feit dat de Belastingdienst menskracht te kort zou komen om alle misgelopen belastingopbrengsten binnen te halen. De inzet van capaciteit blijft een afweging waarin de Belastingdienst kiest voor een duurzame vergroting van de compliance om daarmee de verschuldigde belasting te innen. Dit betekent dat niet alleen de (extra) behaalde inkomsten worden beschouwd, maar ook de kosten worden betrokken. Daarbij wordt de beschikbare capaciteit daar ingezet waar deze naar verwachting, op basis van onder andere ervaringscijfers en steekproeven, de grootste compliantie oplevert. Dat kan betekenen dat gekozen wordt voor een lichte inzet op het ene terrein, om met de vrij gekomen capaciteit meer compliantie te realiseren op een ander terrein.
Heeft het kabinet ooit een interne schatting gemaakt van de tax gap? Zo ja, kunt u die naar de Kamer sturen?
Er is intern geen alles omvattende berekening van de gemiste belastingopbrengsten gemaakt.
Herinnert u zich de aangenomen motie Omtzigt c.s. (31 066, nr. 144) uit juli 2012, die verzocht «de regering, voor 1 oktober 2012 met een plan te komen om de tax gap te halveren, dan wel zo mogelijk nog verder te verkleinen, door met gerichte acties zowel op het gebied van handhaving als invordering de belastingopbrengst te vergroten;» en tevens de regering verzocht, «hierbij in kaart te brengen met welke gerichte investeringen de belastingopbrengst met een veelvoud vergroot kan worden.»?
Ja.
Herinnert u zich dat uw ambtsvoorganger in december 2012 aan de Kamer schreef: «Uitgaande van de opbrengsten die de Belastingdienst in het verleden heeft gerealiseerd in werkprocessen als aanslagregeling, boekenonderzoeken en invordering, is op basis van business cases becijferd welke meeropbrengsten door middel van de inzet van extra medewerkers kunnen worden gegenereerd»? (Kamerstuk 31 066, nr. 151)
Ja.
Kunt u alle businesscases die u onderzocht heeft aan de Kamer doen toekomen?
Bij brief van 10 december 2012 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de intensivering van het toezicht en de invordering.6 In deze brief zijn de uitkomsten van de businesscase Intensivering toezicht en invordering opgenomen. Als speerpunten voor de intensivering zijn genoemd: (1) eerder aanslagen opleggen, meer aangiften beoordelen; (2) meer boekenonderzoeken en verscherpen administratieve controles; (3) versterking opsporing; (4) intensiveren invordering. Dit met het doel om met extra investeringen (structureel € 157 mln) extra belastingopbrengsten (€ 663 mln) te realiseren. De businesscase die hieraan ten grondslag ligt bevat meer in detail op welke wijze de Belastingdienst de extra inkomsten verwacht binnen te halen. Deze informatie heeft een controlestrategisch karakter. Discussies over de controlestrategie schaden al snel de handhaving door de Belastingdienst en daarmee de belastingopbrengsten. Om deze reden is vaste lijn dat businesscases niet openbaar worden gemaakt. Die lijn – die ik onderschrijf – geldt ook in dit geval.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat uw ambtsvoorganger schreef: «tevens ben ik van zins de mogelijkheid te onderzoeken op zinvolle en methodisch verantwoorde wijze inzicht te verkrijgen in de gemiste inkomsten die met de tax gap verband houden. In 2013 bericht ik uw Kamer hier graag nader over.»? (Kamerstuk 31 066, nr. 151)
Ja.
Welke acties zijn allemaal ondernomen naar aanleiding van die belofte bijna twee jaar geleden?
Omdat de vraag van de Kamer zag op een omvattend beeld van de tax gap is het CBS benaderd om een macro-economisch onderzoek uit te voeren. Het CBS heeft met zijn Nationale rekeningen de beschikking over gegevens over uitgaven aan goederen en diensten. Als eerste belastingmiddel is gekozen voor de btw omdat het CBS voor dit middel het meeste zicht heeft op en ervaring heeft met schattingen van de toegerekende btw vanuit de productie. Bovendien doet de Europese Commissie periodiek vergelijkend onderzoek naar de btw gap in de EU-lidstaten. Het CBS heeft inzicht gegeven in zijn berekeningswijze van het zogenoemde btw-verschil (zijnde het verschil tussen de afgedragen btw en de berekende btw) in de Nationale rekeningen. De methode van het CBS is vergeleken met de methode van het onderzoeksbureau CASE dat in opdracht van de Europese Commissie het onderzoek doet. Verder heeft de Belastingdienst met een aantal EU landen die al ervaring hebben met schatting van de tax gap in hun land, een workshop gehouden om te kijken hoe de verschillende gehanteerde methodieken zich tot elkaar verhouden en om ervaringen uit te wisselen. Dit alles heeft geresulteerd in een rapport over de methodiek en macro-economische schatting van gemiste btw dat op 10 juli jl. naar de Kamer is gestuurd.7
Herinnert u zich dat u naar veel herhalingsverzoeken uit de Kamer in juli net na het begin van het zomerreces, met een onderzoek kwam dat louter ging over de btw gap en niet over de tax gap en ook geen aanbevelingen bevatte over hoe dit opgelost kon worden? (Kamerstuk 31 066, nr. 211)
Op 10 juli jl. heb ik uw Kamer het rapport over de berekening van de BTW_gap toegestuurd8. Ik hoop hier in het AO van 8 oktober nader met de commissie Financiën van gedachte te kunnen wisselen.
Bent u ervan op de hoogte dat de Europese Commissie al in 2009 een onderzoek publiceerde naar de btw gap in alle lidstaten inclusief Nederland en dat er dus iets weinig vernieuwends is gedaan?
Ja. Het onderzoek dat de Belastingdienst nu voor het eerst zelf in samenwerking met het CBS heeft uitgevoerd naar een macro-economische schatting van de btw-gap, heeft kennis en ervaring opgeleverd die nodig is om de berekening van de Europese Commissie (het onderzoeksbureau CASE) te kunnen beoordelen en over de verschillen in discussie te gaan. Door de contacten die er sindsdien zijn geweest tussen de Belastingdienst en CASE is de aanpak van Brussel inmiddels ook verfijnd. De nieuwe raming door CASE is uitgevoerd op een bestand dat veel sterker overeenkomt met de achterliggende Nationale rekeningen. Daardoor liggen de nieuwe percentages ook veel dichter bij die van het CBS.
Heeft u de inbreng gelezen van het schriftelijk overleg van 19 september 2014 over dit laatste Kamerstuk waarin onder andere gevraagd wordt: «De aangenomen motie van het lid Omtzigt c.s. over de verkleining van de tax gap (Kamerstuk 31 066, nr. 144) zag niet alleen op btw, maar met name op de directe belastingen. De leden van de CDA-fractie hebben met teleurstelling gezien dat het kabinet niet de tax gap in beeld brengt, maar de btw gap. Zij verzoeken de Staatssecretaris aan te geven wanneer hij de tax gap in de overige belastingen, waaronder de vennootschapsbelasting en de loon- en inkomstenbelasting gaat berekenen, zoals herhaaldelijk gevraagd in de Tweede Kamer.»?
Gelijk met deze antwoorden zijn ook de vragen gesteld in het schriftelijk overleg van 18 september 2014 beantwoord.
Waarom deed het kabinet in de begroting 2014 (hoofdstuk IX) of deze motie was afgedaan terwijl dit evident niet het geval was? Bent u bereid om deze motie weer op de lijst te plaatsen van niet afgedane moties, nu over deze motie nota bene nog een schriftelijke procedure loopt?
De motie is inderdaad met het sturen op 10 juli jl. van het onderzoek naar de macro-economische schatting van gemiste omzetbelasting (btw gap) bedoelde motie als zodanig van de lijst van openstaande moties & toezeggingen gehaald. Dit is gedaan omdat met het sturen van het rapport een volgende fase in de politieke discussie is ingegaan. De motie zal weer op de lijst worden geplaatst.
Wanneer kan de Kamer eindelijk een onderzoek naar de tax gap tegemoet zien, inclusief mogelijkheden om de tax gap te verkleinen?
In mijn brief waarbij ik het rapport over de btw gap heb aangeboden, heb ik gewezen op een aantal beperkingen van tax gap analyses. De centrale vraag is wat met de uitkomsten van tax gap onderzoek wordt beoogd (door de Tweede Kamer of de Belastingdienst). In zijn handhavingstrategie koppelt de Belastingdienst het binnenhalen van belastinggeld aan het beïnvloeden van gedrag en het oplossen van problemen. Dat moet er voor zorgen dat de belasting die verschuldigd is op basis van de wet niet alleen door correcties wordt vastgesteld maar ook daadwerkelijk binnenkomt. Hierover wil ik graag met uw Kamer op 8 oktober 2014 in gesprek gaan.