De antwoorden op eerdere Kamervragen inzake de detentie van dhr. Romano van der Dussen |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Raymond Knops (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat u op eerdere vragen antwoordde dat u «het zeer zou betreuren indien de heer Van der D. of andere gedetineerden in Nederland en het buitenland onschuldig zouden zijn, maar toch veroordeeld en gedetineerd.»?1
Ja.
Wanneer was u voor het eerst op de hoogte van het feit dat het enige DNA materiaal gevonden op een van de drie slachtoffers van het seksueel geweld waarvoor Romano van der Dussen veroordeeld is, al in 2006 door de Britse autoriteiten gematched is met het DNA materiaal van de Brit Mark D. die in Groot-Brittannië een levenslange straf uitzit voor moord?
Zie mijn antwoorden van 27 augustus 2015 op de vragen van de leden Omtzigt en Knops met kenmerk 2015Z14411. Aanvullend hierop geldt dat vanaf zomer 2012 de Stichting PrisonLAW zich in de zaak heeft verdiept. De Stichting PrisonLAW informeerde het Ministerie van Buitenlandse Zaken in mei 2015 dat er zekerheid was over deze DNA-match.
Heeft u zich de afgelopen maanden verdiept in de casus van de heer van der Dussen?
Ja, net als daarvoor.
Bent u van mening dat de heer Van der Dussen op adequate wijze bijstand is verleend door Nederland sinds zijn arrestatie in 2003? Zo nee, wat had beter gedaan kunnen worden?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat de regering van mening is dat «als bepaalde inlichtingen moeten worden verstrekt op basis van de Wet Openbaarheid Bestuur, zij zeker aan de Kamer moeten worden verstrekt op basis van artikel 68 van de Grondwet»?2
Ja.
Kunt u alle stukken die over de zaak Van der Dussen gaan bij de rijksoverheid (inclusief de diplomatieke dienst) aan de Kamer doen toekomen, inclusief mails, brieven en memo’s? Kunt u dit zoveel mogelijk openbaar doen, maar waar nodig stukken vertrouwelijk ter inzage leggen bij de Tweede Kamer?
Ik doe u hierbij een chronologisch overzicht toekomen van de consulaire bijstand aan de heer R. van der D. gebaseerd op de stukken zoals die beschikbaar zijn op dit ministerie. Het dossier over de consulaire bijstand aan R. van der D. bestaat in grote mate uit persoonlijke gespreksverslagen die deels zijn opgesteld door derden. Dit zijn bijvoorbeeld vrijwillige gedetineerdenbegeleiders die mogen verwachten dat hun verslagen vertrouwelijk worden behandeld. Ook bevat het dossier veel bijzondere persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens zoals gegevens over de gezondheid. Vanwege dit sterke individuele persoonlijke karakter van het dossier en de vele stukken en opvattingen van derden beperk ik mij tot het verstrekken van voornoemde inlichtingen en niet tot het overleggen van de documenten zelf.
Op welke dagen is de heer Van der Dussen fysiek bezocht door (vertegenwoordigers van) de Nederlandse ambassade in 2012, 2013, 2014 en 2015? Kunt u de precieze data geven en deze vraag niet ontwijken zoals u deed bij de eerdere vragen?
Deze informatie treft u aan in het overzicht waarnaar wordt verwezen in het antwoord op vraag 6. Consulaire bijstand aan gedetineerden is een samenstel van activiteiten zoals bezoeken, telefoongesprekken en informatieverschaffing. De contacten betreffen zowel de gedetineerden, de contactpersonen van gedetineerden in Nederland, advocaten als vrijwilligers van Reclassering Nederland. Van der D. is in detentie bezocht door onder meer medewerkers van de Nederlandse ambassade in Madrid, honorair consulaten in Spanje en vrijwilligers van Reclassering Nederland en Stichting Epafras.
Kunt u een reactie geven op het artikel «BuZa liegt over zaak Romano van der Dussen»?3
Zie mijn antwoord van 10 september 2015 op de schriftelijke vragen van de leden Van Klaveren en Bontes van 1 september 2015 (2015Z15375) die aan dit artikel refereerden.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden en ze een voor een beantwoorden?
De antwoorden zijn zo spoedig mogelijk toegezonden.
Het bericht “EU Squeezed $7.8 Billion Greek Bridge Loan Via ESM Loophole” |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «EU Squeezed $ 7.8 Billion Greek Bridge Loan Via ESM Loophole»? Klopt het dat de bruglening, die Griekenland deze zomer ontving in aanloop naar het derde pakket, op de wijze is vormgegeven zoals weergegeven in het artikel?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit artikel.
Op 17 juli heeft de Raad van Ministers besloten om 7,16 miljard euro brugfinanciering van het European Financial Stabilisation Mechanism (EFSM) toe te kennen aan Griekenland. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd per brief (kenmerk BFB 2015–88M). In deze brief is nader toegelicht welke voorwaarden hierbij gelden en hoe het risico voor de brugfinanciering is afgedekt. Hierbij geldt dat Griekenland zelf uiteindelijk het risico draagt doordat het gekort zal worden op uitkeringen uit EU fondsen als er onverhoopt wanbetaling zou optreden.
In het kader van een EFSM-programma kan de Europese Commissie vervolgens, zoals is vastgelegd in art. 2 van Council Regulation 407/2010, zelf kapitaal ophalen op de kapitaalmarkt of bij financiële instituties om dit programma te financieren. Zoals vermeld in het artikel van Bloomberg heeft de Commissie in dit geval het benodigde kapitaal verkregen door een belegging van het ESM. Het ESM heeft dit gedaan als onderdeel van het reguliere beleggingsbeleid. Zoals bekend heeft de Europese Commissie een zeer hoge kredietwaardigheid (zie ook het antwoord op vraag 2).
Heeft het ESM dus eigenlijk gewoon € 7 miljard aan Griekenland geleend en dat via het EFSM laten lopen in een periode dat het ESM niet aan Griekenland mocht lenen omdat er geen overeenstemming was?2
Nee. Het ESM heeft een lening verstrekt aan de Europese Commissie, had dus een vordering op de Commissie en is verder geen partij bij de bestemming die de Europese Commissie kiest voor het geleende geld. Het gaat hier uitdrukkelijk om een transactie die onderdeel uitmaakt van de beleggingsstrategie van het ESM en niet om financiële steun aan een lidstaat.
Het ESM plaatst voortdurend kapitaal bij andere instellingen en banken om de doelstellingen zoals verwoord in de ESM Guidelines on Investment Policy 3 te behalen. Dit document is met de Tweede Kamer gedeeld op 1 oktober 2012 (zie Kamerbrief met kenmerk BFB 2012–16719M).4 Eén van de beleggingsdoelstellingen van het ESM is om de waarde van het ESM kapitaal te behouden. Om dit te bereiken belegt het ESM in instellingen met minimaal een AA kredietrating. De EU is met een AAA rating bij Moody’s en Fitch en een AA+ rating bij Standard & Poor’s één van de instellingen waar het ESM kapitaal plaatst.
Heeft de Board of Governors van het ESM deze lening aan Griekenland op enig moment besproken en goedgekeurd? Zo ja, kunt u de notulen dan aan de Kamer doen toekomen?
De Raad van gouverneurs van het ESM heeft niet gesproken over de lening van het ESM aan de Commissie. De ESM Risk Board, een subcomité van de ESM Raad van bewind, is op de hoogte gesteld door het ESM Management over het voornemen om in de EU te beleggen en is toegelicht dat deze belegging past binnen het beleggingsbeleid van het ESM en voldoet aan de vastgelegde regels. De ESM Risk Board is op de hoogte gesteld omdat het ging om een grote belegging in één instelling. De ESM Risk Board hoeft geen toestemming te geven voor beleggingstransacties maar wordt wel vaker geïnformeerd over individuele beleggingstransacties als de aard of omvang van een transactie daar aanleiding toe geven.
Kunt u precies aangeven van welke wettelijke mogelijkheden er gebruik gemaakt is door het ESM bij deze bruglening?
Het ESM is geen partij bij de bruglening door het EFSM aan Griekenland.
In artikel 5 van het ESM-Verdrag is bepaald dat de uitvoering van het beleggingsbeleid van het ESM onder de verantwoordelijkheid van de Managing Director van het ESM valt. Het ESM verdrag is op 9 februari 2012 met de Tweede Kamer gedeeld (zie Kamerbrief met kenmerk BFB2012- 1304M) en op 24 mei 2012 heeft de Tweede Kamer goedkeuring verleend aan het ESM-verdrag. De ESM Guidelines on Investment Policy bepalen vervolgens de randvoorwaarden van het beleggingsbeleid. Zo zijn de beleggingsdoelen (art. 1) en de eisen aan de structuur van de beleggingsportefeuille (art. 4) vastgelegd. Ten slotte is in de zogenaamde Eligible Asset List (zie annex 1 van de Guidelines on Investment Policy) te vinden waar het ESM in kan beleggen. Hierin staan eisen m.b.t. tot de kredietrating van instellingen waarin geïnvesteerd wordt (minimaal AA rating), het type transactie (bijvoorbeeld kopen van obligaties of geldmarkttransacties) en het type instelling waarin belegd wordt (o.a. centrale banken en supranationale instellingen). De transactie met de EU voldoet aan deze eisen, het ging immers om een geldmarkttransactie met een voldoende kredietwaardige supranationale instelling.
Kunt u aangeven of er nog meer sluipwegen in het ESM zitten, waarmee de unanimiteit en het informatieprotocol aangaande (ESM-gerelateerde) crisismaatregelen in de eurozone omzeild kunnen worden en er toch direct of indirect geleend kan worden aan landen en/of instellingen in nood, maar dan zonder de waarborgen van het ESM-verdrag?
Er is geen sprake van sluipwegen, noch is het informatieprotocol omzeild. De Tweede Kamer is uitgebreid geïnformeerd over de brugfinanciering uit het EFSM en de daarbij behorende risico’s en voorwaarden. Over transacties op de kapitaalmarkt wordt door de Europese Commissie jaarlijks gerapporteerd aan de Raad van Ministers en het Europees parlement.5 Het ESM legt verantwoording af middels het jaarverslag, op 7 juli 2015 is het verslag over 2014 gedeeld met de Tweede Kamer (zie Kamerbrief met kenmerk BFB 2015–1512M). Ook is toen het jaarverslag van het ESM auditcomité vertrouwelijk met de Tweede Kamer gedeeld.
Zoals reeds aangegeven gaat het om een transactie die onderdeel uitmaakt van de beleggingsstrategie van het ESM. Het ESM kan alleen beleggen in instellingen of landen met minimaal een kredietrating van AA en de belegging moet passen binnen de richtlijnen en doelen die hiervoor vastgesteld zijn door de ESM Raad van bewind. Hieruit volgt dat het ESM het beleggingsbeleid niet kan gebruiken voor financiële (nood)steun aan landen.
Als een lidstaat een aanvraag voor financiële steun vanuit het ESM doet dan gelden daarvoor de gebruikelijke procedures voor een steunaanvraag. In ieder geval is instemming van de Raad van gouverneurs nodig en wordt het informatieprotocol zoals afgesproken met de Tweede Kamer gevolgd.
Waarom is niet vermeld dat de aflossing van de bruglening aan het EFSM door het ESM eigenlijk gewoon een kasrondje was dat begon en eindigde bij het ESM? Ofwel een aflossing van een lening aan het ESM door het ESM?3
De uitkering van een eerste tranche aan Griekenland als onderdeel van het ESM-programma staat los van de transactie tussen het ESM en de Europese Commissie. Ook zonder nieuw steunprogramma voor Griekenland zou het ESM gewoon volgens afspraak door de Commissie terugbetaald moeten worden. Het ging immers om een lening van het ESM aan de Europese Commissie en Griekenland was hier geen partij bij. Het is wel zo dat de uitkering van een eerste tranche uit het ESM-programma aan Griekenland de terugbetaling van Griekenland aan de Europese Commissie mogelijk maakte.
De vrijstelling in de erfbelasting en het mantelzorgcompliment, dat sinds 1 januari 2015 door de gemeenten wordt uitgevoerd |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Mona Keijzer (CDA) |
|
|
|
![]() |
Herinnert u zich nog dat u aan de Kamer geschreven heeft: «Mantelzorgcompliment De heer Omtzigt vraagt of ik – gelet op het vervallen van het mantelzorgcompliment ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 – bereid ben om de partnervrijstelling op een andere wijze voor mantelzorgers te laten voortbestaan. Voorts vraagt hij of het klopt dat een mantelzorgcompliment uit 2014 nog te gebruiken is bij erfenissen in 2015. Met de inwerkingtreding van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en het nog in behandeling zijnde wetsvoorstel Wet langdurige zorg op 1 januari 2015 vervalt de grondslag voor het mantelzorgcompliment en daarmee vervalt inderdaad ook de grondslag voor de daaraan gekoppelde regeling in de Successiewet 1956. Het betreft een regeling waarbij sommige ouders en kinderen – onder bepaalde voorwaarden – voor de erfbelasting als elkaars partner kunnen worden aangemerkt en daardoor in aanmerking kunnen komen voor de zogenoemde partnervrijstelling in die belasting. Hetgeen de heer Omtzigt vraagt, klopt inderdaad. Als een mantelzorgcompliment is verkregen in 2014 kan de partnervrijstelling in de Successiewet 1956 (uiteraard alleen als is voldaan aan alle voorwaarden) van toepassing zijn bij overlijdens in het kalenderjaar 2015. Naar de gevolgen van het vervallen van het mantelzorgcompliment voor de Successiewet 1956 wordt nog gekeken. Op dit punt kom ik op korte termijn terug bij uw Kamer»?1
Deelt u de mening dat het nu wel urgent wordt om uw plannen bekend te maken, omdat veel mensen willen weten waar ze aan toe zijn en hoe zij om moeten gaan met het mantelzorgcompliment en dat de erfbelastingvrijstelling ook een factor kan zijn in het kiezen wie een gemeentelijk compliment krijgt?
Bent u ervan op de hoogte dat je in sommige gemeentes een mantelzorgcompliment over 2015 tot en met 1 oktober 2015 kunt aanvragen?2
Bent u bereid om voor 12 september aan de Kamer uw plannen voor de toekomst van de erfvrijstelling en het mantelzorgcompliment aan de Kamer mee te delen?
Hoe gaat u om met mensen die wonen in een gemeente die geen mantelzorgcompliment toekennen?
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van Rechtbank Zeeland – West-Brabant?3
Heeft de Belastingdienst hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak?
Betekent deze uitspraak het einde van het uitgangspunt dat je voor toepassing van de Successiewet 1956 maar één partner kan hebben? Zo nee, waarom niet?
De verhuizing van de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) van Enschede naar Utrecht |
|
Michel Rog (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat u in antwoord op eerdere vragen stelde u dat het landelijke spreidingsbeleid van werkgelegenheid nog steeds staand beleid is en dat de stichting leerplanontwikkeling (SLO) om die reden naar Enschede is gekomen?1 Is dit niet slechts een papieren werkelijkheid, als het kabinet zich op geen enkele wijze sterk maakt voor het behoud van echte banen bij SLO in Enschede?
Ik heb aangegeven dat dit streven destijds heeft bijgedragen aan de vestiging van de SLO in één van de oorspronkelijke regio’s en dat daarbij gekozen is voor Enschede. Gezien de wijze waarop het Kabinet op dit moment serieus uitvoering geeft aan de motie de Vries (Kamerstukken II, 31 490, nr. 126) is de aandacht voor de spreiding van werkgelegenheid geen papieren werkelijkheid.
Bent u ervan op de hoogte dat de directeur/bestuurder, mede namens de Raad van Toezicht op 12 mei 2015 een adviesaanvraag aan de ondernemingsraad gestuurd heeft, waarin hij stelt: «OCW, als centrale opdrachtgever en financier van SLO, is sterk voorstander van verhuizing van SLO naar Utrecht. Ook OCW ziet het strategische belang en benut zelf graag de veel gemakkelijker contacten vanwege de nabijheid Utrecht-Den Haag. Herhaaldelijk (ook nog zeer recent) heeft OCW die wens over locatie Utrecht nadrukkelijk uitgesproken. Bovendien heeft OCW de toezegging gedaan dat SLO een deel van de reserves mag aanwenden voor transitiekosten.»?2
De bij uw vragen gevoegde adviesvraag van de directeur/bestuurder aan de ondernemingsraad van de SLO heb ik gelezen. Het bestuur van SLO kan naar eigen inzicht de eigen algemene reserve aanwenden ten behoeve van het uitoefenen van de wettelijke taken. De voorgenomen verhuizing is een keuze van SLO. SLO heeft OCW laten weten dat de verhuizing gepaard zal gaan met transitiekosten maar niet zal leiden tot structureel hogere huisvestingslasten.
Zoals ik in mijn eerdere antwoorden op Kamervragen over de voorgenomen verhuizing van de SLO heb aangegeven, heb ik recent begrip getoond voor de strategische argumenten van de SLO om een nieuwe vestigingsplaats te kiezen die de landelijk coördinerende, beleidsondersteunende taak en netwerkrol die de SLO in de Wet SLOA 2013 heeft gekregen ondersteunt. Ik heb geen wens uitgesproken voor de keuze voor de stad Utrecht als nieuwe vestigingslocatie. Dat is geheel aan de bestuurder van de SLO.
Is er in de afgelopen jaren op enige wijze vanuit uw ministerie de wens uitgesproken voor de locatie Utrecht? Zo ja, door wie, wanneer en waarom? Zo nee, deelt u de mening dat de directeur/bestuurder de Ondernemingsraad op dit punt onjuist heeft geïnformeerd?
De directeur/bestuurder heeft mij, zoals ook uiteengezet in de adviesvraag aan de Ondernemingsraad, de praktische en strategische overwegingen meegedeeld die ten grondslag liggen aan het besluit. Het besluit om te kiezen voor Utrecht is een zaak van de bestuurder. Ik heb geen voorkeur voor Utrecht uitgesproken omdat zoals eerder geantwoord over dit onderwerp, ik daar niet over ga. Wel heb ik na de mededeling dat de Raad van Toezicht in maart 2015 een besluit had genomen, aangegeven dat gezien de nabijheid van de samenwerkingspartners van de SLO in Utrecht dit een logische locatie is. Met deze keuze bouwt de SLO voort op de gunstige ervaringen van de SLO met een dependance in Utrecht.
De bestuurder heeft het begrip mijnerzijds voor de strategische en praktische argumenten als één van de vele voordelen geformuleerd in zijn adviesaanvraag aan de Ondernemingsraad. In de context van de uitgebreide beschrijving in de adviesvraag van de argumenten die aan het besluit ten grondslag liggen had de bestuurder mijn reactie genuanceerder kunnen beschrijven.
Kunt u het grote verschil tussen uw antwoord, dat SLO wil verhuizen naar Utrecht en het antwoord van SLO, dat u wilt dat zij naar Utrecht willen verhuizen, verklaren?
Bent u bereid een brief te sturen naar het bestuur van SLO, hun Raad van Toezicht en de Ondernemingsraad, waarin u verklaart dat het voor u niet uitmaakt waar SLO gevestigd is en dat u geen bemoeienis met de locatie wilt hebben? Zo nee, waarom niet?
De SLO is een privaatrechtelijke organisatie die haar eigen huishouden regelt. Ik treed niet in dit soort organisatiebeslissingen en zal de SLO dan ook niet verzoeken op haar voorgenomen besluit terug te komen. Ik constateer wel dat de bestuurder de opvatting van OCW genuanceerder had kunnen beschrijven.
Bent u bereid om SLO alsnog te vragen, in het kader van de spreiding van werkgelegenheid, haar hoofdvestiging in Enschede te houden en bent u dus bereid om een goedkeuring aan een statutenwijziging over een wijziging van de vestigingsplaats, niet te geven?
In artikel 33 van de Regeling OCW-subsidies is artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard. In dit artikel is geregeld dat de subsidieverstrekker toestemming moet geven voor een statutenwijziging. OCW kan toestemming onthouden voor een statutenwijziging wanneer zij denkt dat dit de consistente en correcte uitvoering van de wettelijke taak in gevaar brengt. Dat is bij een eventuele statutenwijziging vanwege de voorgenomen verhuizing naar Utrecht niet aan de orde. Er is daardoor geen basis om goedkeuring van een eventuele statutenwijziging op dit punt te onthouden.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden, aangezien deze onduidelijkheid onmiddellijk uit de wereld geholpen moet worden en er geen onnodige kosten gemaakt moeten worden voor een verhuizing van SLO op basis van onjuiste argumenten van de directeur/bestuurder en u voor de vorige vragen meer dan zeven weken nodig had?
Ja.
Het bericht dat de rechtbank in Almelo compleet wordt uitgekleed |
|
Peter Oskam (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Rechtbank compleet uitgekleed»?1
Ja.
Klopt hetgeen de woordvoerder gezegd heeft, dat alle 32 locaties ooit zijn vastgelegd om een eerlijke toegang tot het recht voor alle burgers te garanderen? Hoort bij een eerlijke toegang tot het recht ook toegang tot het strafrecht (inclusief zwaardere zaken), het civiel recht en het familierecht in Almelo?
Nederland kent sinds de herziening van de gerechtelijke kaart 32 bij algemene maatregelen van bestuur aangewezen zittingsplaatsen die de geografische toegankelijkheid van rechtspraak waarborgen. Bij de keuze voor de 32 rechtspraaklocaties is onder andere rekening gehouden met een goede toegankelijkheid van rechtspraak en het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht. De zittingsplaatsen zijn gelijkwaardig, maar dit betekent niet dat het aanbod van type zaken (zaakspakket) in de zittingsplaatsen identiek is. De wet biedt ruimte voor differentiatie in de zaakspakketten van de zittingsplaatsen binnen een arrondissement.
Herinnert u zich de motie-Teeven/Heerts dat de arrondissementsrechtbank Almelo en het arrondissementsparket Almelo zelfstandig moeten blijven bestaan en de regering verzocht werd dienovereenkomstig te handelen?2
De motie Teeven/Heerts is op 4 december 2007 voorgesteld en dateert daarmee van ruim vóór de herziening van de gerechtelijke kaart. De motie is met de invoering van de wet herziening gerechtelijke kaart op 1 januari 2013, achterhaald.
Herinnert u zich dat bij de herziening van de gerechtelijke kaart Almelo gehandhaafd is en deelt u de mening dat er geen enkele reden is om twee jaar later een ingrijpende wijziging door te voeren?
Bij de herziening van de gerechtelijke kaart is de rechtbank Almelo, samen met het Zwolse deel van de rechtbank Zwolle-Lelystad, opgegaan in de nieuwe rechtbank Overijssel. Daarbij is Almelo een zittingsplaats van de rechtbank Overijssel geworden.
Aanleiding voor de voorgenomen aanpassingen in het locatiebeleid van de rechtspraak is aanzienlijke leegstand in gerechtsgebouwen, die door de modernisering en digitalisering van rechtspraak naar verwachting oploopt tot ruim 130.000 m2 in de komende jaren. Een dergelijke leegstand, mede bezien in het licht van de taakstelling op de begroting van de rechtspraak, vind ik een valide reden voor de rechtspraak om aanpassingen in de huisvesting van gerechten, die in de periode 2018–2021 hun beslag zouden moeten krijgen, te overwegen.
Herinnert u zich dat het huidige kabinet de voorgenomen sluiting van de penitentiaire inrichting De Karelskamp in Almelo twee jaar geleden heeft teruggedraaid en dat een van de hoofdredenen de combinatie rechtbank met strafrecht en penitentiaire inrichting was?
In het herziene Masterplan DJI 2013–2018 zoals op 19 juni 2013 aan de Tweede Kamer aangeboden (TK 24 587, nr. 535), noemde mijn ambtsvoorganger vier overwegingen die in zijn algemeenheid leidend waren geweest bij de beslissing waar de capaciteitsreductie te realiseren: regionale arbeidsmarkt, bedrijfsvoering en kostenniveau, resocialisatie (waaronder aansluiting bij politieregio’s) en (landelijke spreiding van) specialismen van inrichtingen. Inzake het openhouden van de PI Almelo heeft mijn ambtsvoorganger tijdens het debat met de Tweede Kamer over het herziene Masterplan op 27 juni 2013 overwegingen genoemd van regionale spreiding en het ontzien van kwetsbare regio’s (TK 101, nr. 14).
Herinnert u zich dat u de vraag of het uit elkaar trekken van rechtbank en penitentiaire inrichting 10 miljoen extra vervoerskosten per jaar zou opleveren, onbeantwoord en onweersproken liet en daarmee aangaf dat dat wel eens zeer dicht bij de waarheid zou kunnen liggen?3
Het feit dat mijn ambtsvoorganger in genoemd schriftelijk overleg niet expliciet is ingegaan op de suggestie dat het uit elkaar trekken van rechtbank en penitentiaire inrichting € 10 mln. extra vervoerskosten per jaar zou opleveren, betekent niet dat hij daarmee heeft aangegeven dat dat bedrag wel eens zeer dicht bij de waarheid zou kunnen liggen. Bij het eerdergenoemd voortgezet debat in de Tweede Kamer over het Masterplan DJI op 6 juni 2013 heeft de toenmalige Staatssecretaris over het alternatieve plan van burgemeester en wethouders van Almelo inzake de PI Karelskamp onder meer aangegeven dat dit volgens dat plan een besparing op vervoerskosten zou betekenen van ongeveer € 1 mln. Mogelijk was sprake van verwarring met de toename van vervoerskosten als gevolg van alle voorziene maatregelen in de eerste versie van het Masterplan, dat op 22 maart 2013 aan de Tweede Kamer is aangeboden (TK 24 587, nr. 490). Deze bedroegen uiteindelijk € 10 mln. In de herziene versie van het Masterplan waren de structurele meerkosten voor vervoer van alle maatregelen teruggebracht tot € 4 mln.
Is de enige reden om het cluster gevangenis/rechtbank met strafrecht in Almelo overeind te laten, vervallen in de afgelopen twee jaar? Zo ja, welke reden is dat dan?
De penitentiaire landkaart is niet louter gebaseerd op het locatiebeleid van de rechtspraak. Omgekeerd is het locatiebeleid van de rechtspraak niet uitsluitend gebaseerd op de penitentiaire landkaart.
Bent op u de hoogte van het feit dat uw ambtsvoorganger op 16 februari 2012 een brief gestuurd heeft met de belofte dat de vestiging van het parket in Almelo blijft, met uitzndering van niet-lokale en context gebonden taken, een volwaardig takenpakket houden? Acht u zich gebonden aan toezeggingen van uw ambtsvoorganger?
Ik ken de door u genoemde brief van mijn ambtsvoorganger. Deze dateert van vóór de behandeling van de wet herziening gerechtelijke kaart in de Eerste Kamer en ging nog uit van de situatie dat de rechtbank Almelo zou opgaan in de rechtbank Oost-Nederland. Almelo zou dan een van de zeven zittingsplaatsen van die rechtbank worden. Mijn ambtsvoorganger heeft – mede namens de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie – uw Kamer per brief van 14 december 2012 geïnformeerd over de verschillende locatiekeuzes voor de politie, meldkamers, rechtspraak en het openbaar ministerie (TK 29 628, nr. 348). Daarin staat vermeld dat het openbaar ministerie een huisvestingsplan had opgesteld, dat voorziet in de concentratie van kantoorfuncties op tien hoofdlocaties. Over de sluiting van de overige locaties van arrondissementsparketten – waaronder de locatie Almelo – is vervolgens gedebatteerd met uw Kamer. Met daaropvolgende besluitvorming is het gestelde in de brief van 16 februari 2012 van mijn ambtsvoorganger achterhaald.
Bent u ervan op de hoogte dat uw ambtsvoorganger, onder andere over Almelo in de Kamer zei dat het in de kern goede, volwaardige zittingsplaatsen moeten zijn voor de burger?4 Deelt u die mening?
De door uw Kamer aangehaalde passage is onderdeel van het debat dat mijn ambtsvoorganger in het kader van het wetgevingsoverleg over het wetsvoorstel herziening gerechtelijke kaart met uw Kamer heeft gehad op 28 november 2011. Het betreft een reactie op zorgen die er toen bestonden ten aanzien van de omvang van de rechtbank Oost-Nederland, waarvan Almelo een zittingsplaats zou zijn. Zoals bekend, is de rechtbank Oost-Nederland op 1 april 2013 gesplitst in de rechtbanken Gelderland en Overijssel. Daarbij is Almelo een zittingsplaats van de rechtbank Overijssel geworden. Uitkomst van het debat over de herziening van de gerechtelijke kaart is geweest dat Nederland 32 bij algemene maatregelen van bestuur aangewezen zittingsplaatsen kent die de geografische toegankelijkheid van de rechtspraak waarborgen. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 2.
Wat zijn de totale huisvestingskosten van de rechtbank Almelo en de rechtbank Zwolle over 2014? Hoeveel medewerkers heeft elk van de vestigingen?
De Raad heeft mij ten aanzien van de zittingsplaats Almelo van de rechtbank Overijssel laten weten dat de huurkosten voor de rechtspraak over het jaar 2014 € 2,5 mln. bedroegen en dat er 190 fte in Almelo werken. Voor de zittingsplaats Zwolle bedragen de huurkosten voor de rechtspraak circa € 6 mln. per jaar en werken er 240 fte.
Is er een berekening gemaakt of er een besparing zou optreden indien de rechtbank Almelo zou worden uitgekleed? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen?
Onderdeel van het voorgenomen MJP is dat de leegstand van huisvesting door de modernisering en digitalisering van rechtspraak oploopt tot ruim 130.000 m2 in de komende jaren. Het vermijden van deze leegstand leidt tot een structurele besparing.
Hoeveel heeft de nieuwe extra beveiligde bunker in Almelo gekost, die twee jaar geleden geopend is? Is de bunker niet langer nodig of wordt nu elders een vergelijkbare nieuwe bunker gebouwd?
Er is in de zittingsplaats Almelo geen extra beveiligde bunker gebouwd. Wel is er bij de uitbreiding van het gerechtsgebouw in 2011 van de gelegenheid gebruik gemaakt om, als pilot, een digitale zittingzaal te bouwen. Die zaal is eind 2012 in gebruik genomen. Bij dit project is bewust afgezien van een uitbreiding van de kantoorvoorziening; een lokale wens die destijds op tafel lag. De investering bedroeg in totaal € 7 mln.
Bent u ervan op de hoogte dat de reistijd van Enschede naar Zwolle ruim een uur bedraagt, zowel per trein als per auto, en dat voor delen van het platteland van Twente – een gebied met meer dan 600.000 inwoners – de reistijd per openbaar vervoer naar Zwolle twee uur bedraagt? Kent u enig andere plek in Nederland die zo ver zou moeten reizen voor toegang tot bijvoorbeeld familierecht en handelsrecht?
Over het MJP heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden. Pas na besluitvorming over de zaaksverdeling in het arrondissement Overijssel is duidelijk waar bijvoorbeeld zaken op het gebied van familierecht worden behandeld. Bij de zaaksverdeling moet steeds de kwaliteit en toegankelijkheid van rechtspraak en de goede bedrijfsvoering van gerechten tegen elkaar worden afgewogen. Uitkomst daarvan kan zijn dat tegenover meer gespecialiseerde, kwalitatief hoogwaardige rechtspraak een grotere reisafstand voor de rechtzoekende staat.
Herinnert u zich de motie-Groot/Schouten, die de regering verzoekt, in het kader van de reorganisatie van de belastingdienst, voorrang te geven aan het behoud van banen in regio’s die te maken hebben met krimp en lage werkgelegenheid?5
Ja.
Hoe hoog is de werkloosheid in Almelo? Deelt u de mening dat je daadwerkelijk kunt spreken van lage werkgelegenheid in Almelo?
Het werkeloosheidspercentage in Almelo bedroeg blijkens cijfers van de provincie Overijssel (gebaseerd op cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek) 9,9% in 20146. Dat is hoger dan het landelijk gemiddelde van 8% eind 20147.
Kunt u aangeven wanneer het bestuur van de rechtbank Overijssel conform artikel 21 van de Wet op de rechtelijke organisatie een zaakverdelingsreglement heeft vastgesteld?
Dat is voor het laatst gebeurd op 17 december 2013 (Stcrt. 2013, nr. 36562).
Kunt u aangeven welke kaders er zijn voor het zaaksverdelingsreglement dat wordt vastgesteld door het bestuur, waarin per zittingsplaats wordt bepaald voor welke categorieën van zaken in die zittingsplaats zittingen worden gehouden, waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van een goede toegankelijkheid van rechtspraak? Zijn er maximum reistijden vastgesteld of is toegankelijkheid van de rechtspraak een niet duidelijk gedefinieerd begrip?
Het kader voor het zaaksverdelingsreglement bestaat in eerste instantie uit de wet op de rechterlijke organisatie. Uit artikel 21 lid 1 van deze wet volgt dat het gerechtsbestuur bij de vaststelling van het zaaksverdelingsreglement in ieder geval rekening houdt met het belang van een goede toegankelijkheid van rechtspraak. Uw Kamer heeft dit kader aangevuld door, naar aanleiding van het wetgevingsoverleg over het wetsvoorstel herziening gerechtelijke kaart, in een drietal moties aan te nemen, namelijk de motie-Helder (TK 32 891, nr. 12), de motie-Çörüz (TK 32 891, nr. 13) en de motie-Recourt (TK 32 891, nr. 19). De Raad beziet de vastgestelde zaaksverdelingsreglement, alvorens ermee in te stemmen, aan de hand van drie criteria. Het betreft de kwaliteit en toegankelijkheid van rechtspraak en aan de goede bedrijfsvoering van gerechten. Er zijn geen concrete, maximum reistijden door de rechtspraak geformuleerd.
Kunt u aangeven of de adviezen in artikel 21, tweede en derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie inzake een eventuele wijziging in Overijssel gegeven zijn? Zo ja, wanneer en kunt u ze openbaar maken?
De adviezen waarop u doelt, behoeft het bestuur van rechtbank Overijssel pas in te winnen als de voorgenomen plannen uiteindelijk leiden tot een aanpassing van het zaaksverdelingsreglement. Dat is nu niet aan de orde.
Wanneer wordt het huisvestingsplan naar de Kamer gestuurd en met de Kamer besproken?
Zoals ik tijdens het algemeen overleg over de rechtspraak van 1 april 2015 heb toegezegd, zend ik het MJP waar het locatiebeleid van de rechtspraak onderdeel van is, na vaststelling ervan, aan uw Kamer. Het oordeel over een eventuele agendering van het MJP laat ik aan uw Kamer.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat er een besluit genomen wordt over het uitkleden van de rechtbank in Almelo, dus voor 31 augustus 2015 als op die dag de Raad voor de rechtspraak hierover een besluit neemt?
Ik heb uw Kamer met mijn brief van 31 augustus 2015 voorlopig geïnformeerd over het voorgenomen MJP en daarmee een deel van de in dit verband gestelde Kamervragen beantwoord. Het MJP is nog niet vastgesteld door de rechtspraak.
Het aftreden van de Griekse premier |
|
Sybrand van Haersma Buma (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Was het kabinet vóór het sluiten van het steunpakket op 19 augustus jl. op de hoogte van het voornemen van de Griekse premier om op 20 augustus af te treden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven?1
Nee.
Zo ja, waarom heeft u dit dan niet in antwoord op mijn vragen over deze mogelijkheid in het debat gezegd?
Minister Dijsselbloem is, als voorzitter van de Eurogroep, donderdagmiddag gebeld door de Griekse Minister Tsakalotos om hem te informeren dat premier Tsipras waarschijnlijk later op de dag een speech zou houden waarbij hij zou aansturen op nieuwe verkiezingen. Een besluit tot vervroegde verkiezingen is een soeverein besluit van Griekenland.
Zo nee, wat vindt u van de handelwijze van premier Tsipras om dit voornemen niet vooraf met de Eurogroep te delen?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat dit opnieuw een deuk in het vertrouwen is ten aanzien van de Griekse regering?
Vast staat dat met Griekenland afspraken zijn gemaakt en dat Griekenland de aangegane verplichtingen moet nakomen. Het houden van vervroegde verkiezingen is niet in strijd met de overeenkomst tussen de Eurozone-landen. Het derde steunpakket is met brede steun door het Griekse parlement aangenomen: 222 van de 300 parlementariërs stemden voor. Daarbij zijn al drie pakketten met hervormingsmaatregelen door het Griekse parlement aangenomen. Uitkering van vervolg tranches vindt pas plaats nadat verdere stappen zijn gezet.
Wat zijn de consequenties voor de uitvoering van het steunpakket nu na het ontslag van Tsipras met een interim-regering zonder politiek mandaat moet worden samengewerkt?
Als in Griekenland een regering aftreedt binnen 12 maanden sinds de laatste verkiezingen, wat hier het geval is, dient de president volgens de Griekse Grondwet de op één- en twee na grootste partijen de gelegenheid te bieden om een regering te vormen. Elk van deze partijen heeft daarvoor maximaal drie dagen. Als dat niet lukt zal de president naar verwachting het parlement ontbinden en nieuwe verkiezingen uitschrijven. Die moeten gehouden worden in de periode tussen 22 en 30 dagen nadat het parlement is ontbonden.
Als de oppositiepartijen geen nieuwe regering kunnen vormen, wat momenteel de verwachting is, wordt een nieuwe interim-premier aangewezen door de president, waarbij hij volgens de Grondwet kiest tussen de voorzitter van de Raad van State, de beide Hooggerechtshoven of de Rekenkamer. Het is nog onduidelijk welke ministers in een interim-kabinet zouden komen.
Conform de Griekse Grondwet kan de interim-regering tot aan de vorming van een nieuw kabinet geen wettelijk bindende beslissingen nemen. De president kan dit eventueel wel doen bij voorlopig presidentieel decreet, dat later door het parlement met terugwerkende kracht moet worden goedgekeurd. De interim-regering kan uiteraard wel de inmiddels door het zittende parlement aangenomen «prior actions» uitvoeren, evenals aan het steunpakket gelieerde wetgeving voorbereiden die vervolgens aan het nieuw gekozen parlement wordt voorgelegd. Zie het antwoord op vraag vier voor eventuele consequenties voor de uitkering van financiële steun uit het steunpakket indien niet aan de vereiste voorwaarden is voldaan.
Bent u bereid de voorzitter van de Eurogroep een spoedvergadering te laten beleggen om de consequenties van deze stap voor het programma te bespreken?
De eerstvolgende vergadering van de Eurogroep zal op 12 september plaatsvinden.
Bent u bereid deze vragen vóór vrijdag 21 augustus om 12:00 uur te beantwoorden?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Dubbele belasting voor Nederlanders met de Amerikaanse nationaliteit |
|
Helma Neppérus (VVD), Wouter Koolmees (D66), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Belasting betalen? Prima, maar niet tweemaal»1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat belastingplichtigen met de Amerikaanse nationaliteit in de Verenigde Staten belasting verschuldigd zijn over Britse kinderbijslag? Geldt dit ook voor Nederlandse kinderbijslag en andere tegemoetkomingen van de overheid? Zo ja, voor welke tegemoetkomingen en uitkeringen?
De Verenigde Staten (hierna: VS) hanteert bij de belastingheffing het nationaliteitsbeginsel. Dat betekent dat Amerikaanse onderdanen voor hun wereldinkomen zijn onderworpen aan de Amerikaanse belastingheffing, ongeacht waar zij wonen. Dat doet de VS al decennialang en zij past dit nationaliteitsbeginsel wereldwijd toe. Bij het OESO modelverdrag, het modelverdrag waar de belastingverdragen van (onder andere) de VS en Nederland op gebaseerd zijn, heeft de VS een voorbehoud gemaakt om het nationaliteitsbeginsel te waarborgen, zodat de VS het heffingsrecht over inkomen van Amerikaanse onderdanen behoudt. In het tussen Nederland en de VS gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van 1992 hebben beide landen in verband met dit nationaliteitsbeginsel specifieke afspraken gemaakt ter voorkoming van dubbele belastingheffing. Ik heb geen invloed op het Amerikaanse belastingstelsel, maar de afspraken in het belastingverdrag zorgen er voor dat mede als gevolg van verschillen in belastingstelsels geen dubbele belastingheffing optreedt.
Ik ben niet bekend met de situatie dat de VS Britse kinderbijslag die wordt ontvangen door onderdanen die woonachtig zijn in het buitenland in de belastingheffing betrekt. Voor wat betreft Nederlandse sociale zekerheidsuitkeringen betaald aan een onderdaan van de VS die in Nederland woonachtig is, is op basis van het belastingverdrag het heffingsrecht exclusief aan Nederland toegewezen. Hieronder valt mijns inziens tevens de kinderbijslag.
Bent u bekend met het feit dat Nederlanders met de Amerikaanse nationaliteit in de Verenigde Staten belasting zijn verschuldigd over de verkoopwinst bij verkoop van een eigen woning, terwijl in Nederland al overdrachtsbelasting is betaald?
De VS kent een «capital gains tax», een vermogenswinstbelasting, als onderdeel van de inkomstenbelasting. Ook de eigen woning valt in de VS onder de capital gains tax, waardoor zowel de gerealiseerde winst als het verlies bij de belastingheffing in aanmerking wordt genomen. Nederland heft niet over de verkoopwinst van een eigen woning. Als de VS belasting heft over de verkoopwinst van een eigen woning van inwoners van Nederland met de Amerikaanse nationaliteit, dan wordt er één keer belasting geheven over de verkoopwinst en is er naar mijn opvatting geen sprake van dubbele belastingheffing.
De Nederlandse overdrachtsbelasting is een indirecte belasting die wordt geheven over de verkrijging van een onroerende zaak en geen belasting naar het inkomen. Om die reden valt de overdrachtsbelasting niet onder de reikwijdte van de belastingverdragen, dus ook niet onder het tussen Nederland en de VS gesloten belastingverdrag.
Bent u bekend met het feit dat Nederlanders met de Amerikaanse nationaliteit in de Verenigde Staten belasting zijn verschuldigd over geld dat van de eigen BV geleend wordt? Onder welke voorwaarden is hier sprake van verschuldigdheid?
Mij zijn geen dergelijke gevallen bekend maar ik kan niet uitsluiten dat deze heel specifieke situatie onder de Amerikaanse belastingheffing valt.
Zijn er nog meer inkomstenbronnen die bij Nederlanders met de Amerikaanse nationaliteit tot dubbele belastingheffing leiden?
Ik heb geen signalen van concrete gevallen van dubbele belastingheffing bij Nederlanders met de Amerikaanse nationaliteit.
In het belastingverdrag tussen Nederland en de VS zijn afspraken gemaakt hoe dubbele belastingheffing wordt voorkomen voor Nederlanders met de Amerikaanse nationaliteit. De VS geeft een verrekening voor de in Nederland betaalde belasting over Nederlandse inkomensbronnen die in de VS ook belast zijn. Er zijn eveneens afspraken gemaakt over de verrekening of vrijstelling van belasting over inkomsten uit Amerikaanse bronnen die op grond van het verdrag aan Nederland zijn toegewezen. Ook voor deze inkomensbestanddelen kan een in Nederland woonachtige Amerikaans staatsburger in de VS een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting claimen.
Bent u bekend met het feit dat Nederlanders met de Amerikaanse nationaliteit niet mogen beleggen in beleggingsfondsen die niet onder toezicht staan van de Securities and Exchange Commission en dus geen beleggingshypotheek mogen hebben?
Het is mij bekend dat sommige financiële instellingen ervoor hebben gekozen bepaalde beleggingsproducten niet aan te bieden aan Nederlandse inwoners die ook de Amerikaanse nationaliteit hebben. De aanleiding voor de keuze is gelegen in strenge Amerikaanse beschermingsregels. Het betreft een complex stelsel van Amerikaanse wet- en regelgeving inzake beleggingen (securities) op federaal en statelijk niveau, onder andere de Securities Act of 1933, Securities Exchange Act of 1934 en de Investment Advisers Act of 1940. Wanneer financiële instellingen beleggingsdiensten aanbieden aan cliënten met de Amerikaanse nationaliteit, behoren zij ook aan deze Amerikaanse regels te voldoen. Indien zij zich niet aan deze verplichtingen houden, kan dit leiden tot boetes. Deze situaties zien op beleid omtrent beleggingsdienstverlening. Ik verwijs in dat verband naar mijn opmerkingen in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het Foreign Account tax Compliance Act (FATCA)-verdrag.2
Zoals ik bij de behandeling in de Eerste Kamer van het goedkeuringswetsvoorstel FATCA heb aangegeven en mede in reactie op de motie Neppérus3, heb ik deze problematiek voorgelegd aan de AFM en de NVB. Op basis van de informatie die ik ontvangen heb van AFM en de NVB, heb ik toen aangegeven dat voor Nederlandse inwoners die ook Amerikaans staatsburger zijn, passende dienstverlening beschikbaar is en er voldoende aanbieders zijn voor beleggingsdiensten.4
Deelt u de mening dat het onrechtvaardig is dat Nederlanders met de Amerikaanse nationaliteit geconfronteerd worden met dubbele belastingheffing puur en alleen vanwege hun geboorteplaats of de nationaliteit van hun ouders?
De VS betrekt reeds decennialang Amerikaans staatsburgers in de belastingheffing.
Elk land is soeverein in de keuzes ten aanzien van de inrichting van het belastingstelsel. Ik heb geen concrete signalen dat er nu opeens sprake zou zijn van dubbele belastingheffing.
Deelt u de mening dat het ongewenst dat een andere staat belasting mag heffen over Nederlandse uitkeringen en dat Nederlands belastinggeld zo naar een buitenlandse fiscus vloeit?
Zie antwoord vraag 2.
Ziet u mogelijkheden om in het bilaterale verdrag met de Verenigde Staten de dubbele belastingheffing te beperken? Bent u bereid de dubbele belastingheffing zoals bedoeld in de vragen 2, 3, 4 en 5 in relatie tot het belastingverdrag Nederland-VS bij de Verenigde Staten onder de aandacht te brengen op gelijke wijze als met betrekking tot de knelpunten bij de FATCA-wetgeving door uw ambtsvoorganger is toegezegd?2
Zie mijn antwoorden op de vragen 2, 3, 4 en 5. Ik heb geen concrete signalen dat er sprake is van dubbele belastingheffing onder het belastingverdrag tussen Nederland en de VS.
Bent u bereid om deze dubbele belastingheffing in OESO-verband te agenderen?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe beoordeelt u de sancties van de Internal Revenue Service (IRS) die kunnen oplopen tot 10.000 dollar voor het in onwetendheid niet doen van aangifte voor Nederlanders die niet eens wisten dat ze de Amerikaanse nationaliteit hebben, bijvoorbeeld omdat ze nooit in Amerika gewoond of gewerkt hebben? Acht u ook deze Nederlanders «een beetje stout», omdat ze «iets gedaan hebben wat eigenlijk tegen hun eigen wet is»?3
Het is aan de VS om een nationaal systeem van boetes en sancties in te richten, net zoals het aan Nederland is een eigen systeem in te richten zodat wet- en regelgeving wordt nageleefd. Over een soevereine aangelegenheid van een andere Staat heb ik geen oordeel. Ik kan mij voorstellen dat het voor komt dat er Nederlanders zijn met het Amerikaans staatsburgerschap die niet volledig op de hoogte zijn van hun verplichtingen die het Amerikaans staatsburgerschap met zich brengt. Door de ontwikkelingen op het gebied van de FATCA is men in elk geval bewust geworden dat er verplichtingen samenhangen met het Amerikaans staatsburgerschap.
Is fiduciair beheer door pensioenfondsen toegestaan en de openheid in beleggingen, kosten en beheer die pensioenfondsen dienen te communiceren met deelnemers |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de documentaires «Zwarte Zwanen, deel 2 en 3» die Omroep Max heeft uitgezonden?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat veel pensioenfondsen de afgelopen jaren het beleggingsbeleid uitbesteed hebben aan een zogenaamde «fiduciair beheerder»?
Ja. In mijn brief aan uw Kamer van 17 januari 2014 sta ik stil bij het feit dat veel diensten, waaronder diensten rond vermogensbeheer, worden uitbesteed door pensioenfondsen.1
Klopt het dat de Nederlandsche Bank (DNB) in haar rapport «Risico’s in de Uitbestedingsrelatie» (RUR) in 2013 tekortkomingen gevonden heeft in de helft van de onderzochte uitbestedingsrelaties, waarbij honderden miljarden pensioengeld zijn ondergebracht?
Een van de bevindingen in het DNB onderzoek naar «Risico’s in de uitbestedingsrelatie» (2013) was dat ongeveer de helft van de onderzochte pensioenfondsen alle aspecten van uitbesteding goed geregeld heeft, van beleid tot monitoring en evaluatie. Bij de overige fondsen is verbetering te boeken, bij sommige meer dan bij andere. Bij een deel van de fondsen die nog niet alles conform de wettelijke norm geregeld heeft, bleek als oorzaak mee te spelen dat de wetsbepalingen verschillend werden uitgelegd. Daarom heeft DNB in 2013 en 2014 guidance uitgebracht.2 DNB heeft overigens onderzoek gedaan naar uitbesteding van de pensioenadministratie en naar de uitbesteding van vermogensbeheer.
Heeft een fiduciair beheerder een zorgplicht richting het pensioenfonds voor wie hij belegt? Of kan het vermogensbeheercontract ook bepalen dat aansprakelijkheden geheel of gedeeltelijke zijn uitgesloten?
Op een fiduciair vermogensbeheerder rust een zorgplicht in verband met de dienstverlening aan cliënten. Deze zorgplicht volgt uit het nationale civiele recht, maar voor diensten die worden verleend door fiduciair vermogensbeheerders die in Europa zijn gevestigd, zijn ook bepalingen van toepassing uit de Europese richtlijn markten voor financiële instrumenten (MiFID).3 In alle Europese lidstaten zijn de MiFID-regels in de nationale toezichtwetgeving verankerd. In Nederland is de publiekrechtelijke zorgplicht uit de MiFID neergelegd in de Wet op het financieel toezicht (Wft).
Naast publiekrechtelijke zorgplichten uit hoofde van de MiFID kan sprake zijn van publiekrechtelijke zorgplichten uit hoofde van de richtlijn inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen4 of de (herziene) richtlijn inzake instellingen voor collectieve belegging in effecten.5 Deze zorgplichten zijn in Nederland eveneens verankerd in de Wft en zijn relevant wanneer bij beleggingen gebruik wordt gemaakt van in Europa gevestigde beleggingsfondsen.
Voor fiduciair managers en beleggingsfondsen gevestigd in andere niet-EU landen, zoals de VS, wordt de reikwijdte van de civielrechtelijke en publiekrechtelijke zorgplicht bepaald op basis van het lokale recht (wet en rechtspraak). Bij de invulling van deze zorgplicht wordt veelal uitdrukkelijk rekening gehouden met internationale standaarden, zoals de principes inzake beleggingsadvies en vermogensbeheer die zijn vastgesteld door IOSCO6, de organisatie waarin toezichthouders op de financiële markten uit meer dan 100 landen samenwerken. De meeste fiduciair managers uit derde landen, zoals de VS, verlenen hun diensten echter via een dochteronderneming in de EU die beschikt over een MiFID-vergunning.
De reikwijdte van publiekrechtelijke zorgplichten kan niet contractueel worden ingeperkt. Professionele partijen, zoals pensioenfondsen en fiduciair vermogensbeheerders, kunnen over het algemeen de civielrechtelijke zorgplicht wel contractueel beperken. Of en in welke mate de civielrechtelijke zorgplicht contractueel kan worden beperkt verschilt per jurisdictie.
Pensioenwet- en regelgeving bevat specifieke regels met betrekking tot uitbesteding en overeenkomsten tot uitbesteding van vermogensbeheer. Pensioenfondsen behoren in het kader van hun uitbesteding in de contractsonderhandeling met de fiduciair beheerder aandacht te besteden aan de omvang van de zorgplicht van de vermogensbeheerder en het toepasselijk recht.
Heeft een deelnemer aan een pensioenregeling recht op inzage in het vermogensbheheerscontract dat het pensioenfonds afsluit met de fiduciair beheerder? Zo nee, waarom zou hij dan geen inzagerecht hebben terwijl er behoorlijke kosten in rekening gebracht kunnen worden, die de deelnemer uiteindelijk betaalt?
Nee, een individu heeft dat recht niet. Wel is in de Code Pensioenfondsen bepaald dat het pensioenfondsbestuur jaarlijks en op kritische wijze, de kwaliteit van de uitvoering en de gemaakte kosten van de gecontracteerde dienstverleners, inclusief de fiduciair beheerders, evalueert en deze aanspreekt als deze afspraken uit het vermogensbeheerscontract, bijvoorbeeld over in rekening gebrachte kosten, niet of onvoldoende nakomt. De resultaten van de evaluatie worden ook besproken met het verantwoordingsorgaan, en daarin zitten onder andere de vertegenwoordigers van de deelnemers. De raad van toezicht en de visitatiecommissie, ofwel het interne toezicht van het pensioenfonds, zorgt dat de Code Pensioenfondsen wordt nageleefd.
Heeft een deelnemer het recht om de investeringen te kennen, inclusief de derivatenpositie van een pensioenfonds, die het rechtstreeks dan wel middels een vermogensbeheerder aanhoudt?
Deelnemers worden in het jaarverslag van hun pensioenfonds geïnformeerd over het beleggingsbeleid van het fonds, de samenstelling van de portefeuille naar beleggingscategorie (aandelen, vastrentende waarden, vastgoed etc.) en de beleggingsrisico’s. Over het beleggingsbeleid legt het pensioenfondsbestuur verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan. Omdat het niet in het belang is van de strategische beleggingspositie van het pensioenfonds, wordt de actuele beleggingspositie van het fonds niet gerapporteerd; fondsen kiezen er in voorkomende gevallen voor om de beleggingspositie openbaar te maken met een vertraging van enkele kwartalen.
Mag een pensioenfonds een derivatencontract aangaan met geheimhoudingsclausules en/of toezichtsbelemmerende bepalingen, nu die laatste nu verboden zijn voor bijvoorbeeld woningbouwcorperaties?
Zowel het pensioenfonds als een derde waaraan werkzaamheden worden uitbesteed, dienen informatie ter beschikking te stellen waar de toezichthouder ter uitvoering van zijn wettelijke taak om vraagt. Dit volgt uit artikel 168 Pensioenwet en artikel 13, tweede lid onder d Besluit Uitvoering Pensioenwet. Indien nodig kan het hierbij ook gaan om informatie over een derivatencontract, bijvoorbeeld in het kader van een beleggingsonderzoek. Deze wettelijke verplichting kan niet worden ingeperkt middels een geheimhoudingsclausule.
Heeft DNB inzicht in de omvang van derivatencontracten met toezichtsbelemmerende bepalingen? Zo ja, kunt u dat inzicht delen?
Zie antwoord vraag 7.
Mag een fiduciair vermogensbeheerder eigendommen uit eigen bestand (zoals bijvoorbeeld vastgoed) verkopen aan een pensioenfonds? Welke waarborgen zijn er dat de prijs van zo’n transactie op de juiste wijze wordt vastgesteld?
Een fiduciair vermogensbeheerder mag adviseren dat een beleggingsproduct (bijvoorbeeld een beleggingsfonds, rente- of valutaderivaat of een obligatie) wordt aangekocht van of door bemiddeling van een financiële onderneming die tot dezelfde groep als de vermogensbeheerder wordt gerekend. Voornoemde beleggingsproducten worden verhandeld op de financiële markten, waardoor een marktprijs is vast te stellen. Bij illiquide beleggingen zoals vastgoed en infrastructuur is een faire marktprijs moeilijker te bepalen.
Voor beide situaties gelden in Europa regels die moeten waarborgen dat de belegger een faire prijs krijgt. Zo stelt de MiFID-richtlijn7 eisen aan een optimale uitvoering van beleggingsorders en volgen uit de richtlijnen UCITS8 en AIFMD9 eisen aan de waardering van activa waarin wordt belegd (waaronder vastgoed) en van de rechten van deelneming die beleggers (zoals pensioenfondsen) verwerven. Zo moeten de activa ten minste jaarlijks worden gewaardeerd en moeten beleggers in kennis worden gesteld van dergelijke waarderingen.
Het pensioenfonds en zijn tegenpartij bij een transactie moeten onderling afspraken maken over de prijs. Het pensioenfonds kan daarbij gebruik maken van wettelijk verplicht te verstrekken informatie over deze beleggingen, zoals prospectussen en jaarverslagen, of een due diligence uitvoeren. Ook kan het pensioenfonds een taxateur of expert inschakelen om een opinie te geven over de waardering.
Daarnaast dient een pensioenfonds procedures en maatregelen te hebben met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van de belangen van het fonds met de privébelangen van onder meer werknemers of andere personen die in opdracht van het fonds op structurele basis werkzaamheden voor het fonds verrichten (artikel 20 Besluit FTK). Dit geldt ook voor de invulling en uitvoering van het beleggingsbeleid. Ook is het fonds gehouden aan onafhankelijk risicobeheer (artikel 18 Besluit FTK). Dat houdt in ieder geval in dat commerciële of andere belangen van bij het beleggingsbeleid betrokken personen of partijen (zowel intern als extern, waaronder beleidsbepalers, uitvoerders en adviseurs) expliciet bekend zijn bij het pensioenfondsbestuur en de risicobeheersing niet ongunstig beïnvloeden.
Op grond van deze regelgeving is het in de eerste plaats van belang dat het fonds afspreekt met de (fiduciair) vermogensbeheerder of het überhaupt mogelijk is te beleggen in producten of vehikels waar deze partij een commercieel belang bij heeft, zoals bijvoorbeeld in-house beleggingsfondsen. Zo ja, dan moeten er dusdanige procedures en maatregelen worden afgesproken dat wordt gewaarborgd dat het geselecteerde product/fonds dezelfde toegevoegde waarde heeft als een vergelijkbaar product/fonds met een andere beheerder. Het gaat dan om afspraken over selectie, monitoring en evaluatie, eventueel met hulp van een derde partij.
Indien een pensioenfonds veel hogere kosten maakt dan het in zijn jaarverslag vermeldt (zoals het pensioenfonds koopvaardij deed), wie kunnen de deelnemers van het fonds dan aansprakelijk stellen voor het feit dat zij misleid zijn, dat er geld van hen is uitgegeven uit het fonds waaraan zij verplicht deelnemen?
In de vraagstelling wordt uitgegaan van misleiding. In de huidige Pensioenwet gelden er geen wettelijke normen met betrekking tot communicatie-uitingen. Vanaf 1 juli jl. is in de nieuwe Pensioenwet wél de communicatienorm opgenomen van onder andere «correctheid» en «evenwichtigheid» van de verstrekte (kosten)informatie. Wanneer er sprake zou zijn van «bewezen» misleiding, dan is het pensioenfondsbestuur daarvoor verantwoordelijk en – per potentiële casus te beoordelen – aansprakelijk. Het is vooral van belang dat het in- en externe toezicht functioneert. De wet voorziet in veel controlemechanismes, intern en extern toezicht, zoals onder andere uitgeoefend door De Nederlandsche Bank (DNB), de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de controlerende accountant. Wanneer deelnemers menen onterecht met kosten geconfronteerd te worden, kunnen zij contact opnemen met de vertegenwoordigers in het pensioenfondsbestuur, die eventueel vragen kunnen stellen aan de intern toezichthoudende governanceorganen en zonodig de controlerende accountant, waarbij opgemerkt dat deze laatste vooral de jaarrekening en de toelichting daarop in het jaarverslag beoordeelt en een consistentietoets doet tussen jaarrekening en «bestuursverslag». Ook kan de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants worden benaderd. De AFM heeft op haar website overigens een indicatieve kostenspiegel gepubliceerd, waar interne governanceorganen en deelnemers de beleggingskosten van hun pensioenfonds kunnen spiegelen aan de mediane kostenniveau’s van qua omvang vergelijkbare collega-pensioenfondsen, gegeven hun beleggingsmix en fondsomvang.10 Als het gespiegelde kostenniveau veel lager is dan de werkelijke kosten, kan dat aanleiding zijn om aan het pensioenfonds en interne governanceorganen vragen te stellen.
Zijn pensioenfondsen op dit moment voldoende in control over hun beleggingen en hebben zij 100% controle over hun eigen vermogen, ook indien er plotseling een nieuwe zeer grote storm over de financiële markten woedt?
Pensioenfondsen die een uitkeringsovereenkomst uitvoeren met een indexatie-ambitie zullen beleggen in zakelijke waarden om deze indexatie-ambitie te kunnen financieren. Door de rendementen op zakelijke waarden kan een geïndexeerd pensioen tegen aanvaardbare kosten worden gerealiseerd. Daar staat tegenover dat beleggen in zakelijke waarden gepaard gaat met risico’s en de balans van het pensioenfonds daardoor gevoelig wordt voor ontwikkelingen op financiële markten. Op grond van de Pensioenwet zijn er echter diverse regels van belang voor de invulling en uitvoering van het beleggingsbeleid van pensioenfondsen om te waarborgen dat het fondsbestuur voldoende in control is over de beleggingen. Dit betreft regels, zoals de prudent person regel en vereisten ter zake van beheerste en integere uitvoering en uitbesteding. Op grond van de governance vereisten is voorts geborgd dat vertegenwoordigers van deelnemers betrokken zijn bij de vaststelling van de mate waarin het fonds beleggingsrisico neemt (risicohouding) en dat het fonds bij hen verantwoording aflegt. Tot slot bevat het financieel toetsingskader ook eisen die pensioenfondsen helpen om financiële schokken te doorstaan en nadelige effecten hiervan te beperken, zoals de buffervereisten. Zodoende is wettelijk geborgd dat zowel bestuur als (vertegenwoordigers van) deelnemers controle hebben over hun beleggingen.
Kunt u deze vragen voor het algemeen overleg over pensioenen op 3 september beantwoorden?
Ja.
De dood van een Nederlandse activist in Oost-Timor, Indonesië |
|
Joël Voordewind (CU), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennis genomen van het artikel «Killing o Mauk Moruk a state sanctioned killing» van de Australische journalist Ted McDonnell?1 Heeft u tevens kennis genomen van de verklaring van de overheid van Oost-Timor?2
Ja.
Klopt het dat Paulino Gama, een Nederlands staatsburger, op 8 augustus jl. is omgekomen?
Ja.
Wat is uw reactie op de strekking van het artikel? Deelt u de mening dat de mogelijke betrokkenheid van de overheid van Oost-Timor onderzocht moet worden? Op welke wijze heeft u reeds uw zorgen over deze zaak overgebracht aan uw ambtsgenoot?
Het onderzoek naar de dood van de heer Gama is de verantwoordelijkheid van de Oost-Timorese regering. De Nederlandse regering heeft navraag gedaan naar de instelling van een onderzoek, is in afwachting van de reactie daarop en blijft de zaak nauwlettend volgen.
Bent u bereid aan te dringen op een internationaal onderzoek en een onafhankelijke autopsie naar de omstandigheden rondom zijn overlijden? Heeft u vertrouwen in de onafhankelijkheid van het lokale rechtssysteem? Bent u bereid om aan te dringen op een Nederlandse bijdrage aan het justitieel onderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
Staat de Nederlandse ambassade in Indonesië in contact met de directe nabestaanden? Op welke wijze worden zij bijgestaan?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft na het overlijden van de heer Paulino Gama contact gehad met zijn nabestaanden. Zij wonen in Nederland. De heer Gama is eerder enige tijd in Oost-Timor gedetineerd geweest en in december 2014 vrijgelaten. Hij ontving tijdens zijn detentie consulaire bijstand. Het ministerie was tijdens zijn detentie met zijn familie in contact en hield hen op de hoogte van de ontwikkelingen. Het ministerie is geïnformeerd dat de familie na het overlijden van de heer Gama naar Oost-Timor is afgereisd en heeft contact hierover gehad met zijn dochter. De familie heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod om contact op te nemen met de Nederlandse ambassade en is inmiddels weer terug in Nederland.
De douane van Turkije |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Klopt het dat de EU (één van haar rechtsvoorgangers, de EEG) en de republiek Turkije in 1963 een associatieverdrag getekend hebben dat voorziet in de invoering van een volledige douane-unie?
Ja.
Klopt het dat de definitieve fase van deze douane-unie in werking getreden is op 31 december 1995, vanaf welke datum BESLUIT Nr. 1/95 VAN DE ASSOCIATIERAAD EG-TURKIJE van 22 december 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie (96/142/EG) van kracht was?
Ja.
Klopt het dat de douane-unie van toepassing is op zowel goederen die in de Gemeenschap of Turkije zijn voortgebracht, met inbegrip van goederen die geheel of gedeeltelijk zijn verkregen uit produkten uit derde landen die zich in de Gemeenschap of Turkije in het vrije verkeer bevinden, als op goederen uit derde landen die zich in de Gemeenschap of Turkije in het vrije verkeer bevinden (artikel 3 van BESLUIT Nr. 1/95 VAN DE ASSOCIATIERAAD EG-TURKIJE)?
Ja. De douane-unie voorziet in vrij verkeer van goederen en een gemeenschappelijk douanetarief, maar beperkt zich tot industriële producten en verwerkte landbouwproducten. Er gelden bijzondere bepalingen voor niet-verwerkte landbouwproducten.
Klopt het dat artikel 4 van dit besluit bepaalt dat «...de Gemeenschap en Turkije zich vanaf die datum onthouden van nieuwe in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking in te voeren. Deze bepalingen gelden eveneens voor de douanerechten van fiscale aard»?
Ja.
Heeft u kennis genomen van het feit dat sinds het begin van dit jaar Turkije is begonnen met het rekenen van importheffingen, waardoor de export van produkten als schoenen, kleding, medicijnen en vleeswaren duurder is geworden?1
Een volledige lijst met nieuwe additionele douaneheffingen is bekend bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarbij gaat het om additionele invoerrechten op schoeisel, ijzer en staal, handgereedschap, tapijten, meubels, lampen, bepaalde huishoudelijke apparaten, handtassen en koffers. De lijst is bijgevoegd in Annex I. De Turkse Minister van Economische Zaken heeft ook aangekondigd dat er nieuwe maatregelen genomen zullen worden voor andere producten, waaronder elektronische apparaten en chemicaliën.
Deze additionele invoerrechten gelden alleen voor producten die hun oorsprong in derde landen hebben en niet voor producten met hun oorsprong in de EU, of landen waarmee Turkije een vrijhandelsakkoord heeft. De Turkse maatregelen leiden ertoe dat Nederlandse bedrijven die hun producten invoeren uit derde landen en naar Turkije exporteren, extra tarieven betalen. Naast additionele douaneheffingen is het zeer aannemelijk dat Europese exporteurs worden geconfronteerd met extra grensformaliteiten. Daarmee wordt de Europese en Nederlandse export geraakt.
Voor zover bekend worden er geen additionele heffingen geheven op medicijnen en vleeswaren. Landbouwproducten, waaronder vlees en groentezaden en polymeren vallen buiten de douane-unie, waardoor Turkije importheffingen mag toepassen.
De Europese Unie is exclusief bevoegd op het gebied van de douane-unie. De Europese Commissie onderzoekt de door Turkije ingevoerde maatregelen en heeft in verschillende fora haar zorgen hierover geuit.
Heeft u precies inzicht in de nieuwe douaneheffingen van Turkije en is Turkije in overtreding van bepalingen van de douane-unie? Kunt u dit inzicht met de Kamer delen? Kunt u daarin precies ingaan op de problemen die exporteurs van de eerder genoemde producten, maar ook van groentezaden en polymeren hebben vanwege extra belemmerende administratieve procedures?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om in overleg te treden met Nederlandse transporteurs om inzage te krijgen in de omvang van het probleem?
Ik vind het belangrijk om inzage te krijgen in de omvang van het probleem en treed graag in overleg met de Nederlandse transporteurs.
Welke stappen (zoals aankaarten bij de associatieraad en arbitrage) zult u ondernemen bij een gevonden overtreding? Of klopt het dat het verdrag een zeer groot hiaat bevat?2
De Nederlandse ambassade in Ankara heeft de toenemende heffingen aangekaart in een gesprek op 10 juli bij het Turkse Ministerie van Economische Zaken.
Ook de Europese Commissie heeft de situatie aangekaart bij de Turkse autoriteiten in het Gemengd Comité van de douane-unie. Dit Comité dient als overlegorgaan voor de goede werking van de douane-unie. Daarnaast is er door de Europese Commissie en het Turkse Ministerie van Economische Zaken een hoog ambtelijke werkgroep opgezet om te verkennen hoe de handelsrelatie tussen EU en Turkije verbeterd kan worden. Naar aanleiding van een rapport van deze werkgroep willen de Europese Commissie en Turkije een proces starten om de huidige douane-unie te moderniseren. Deze heffingen zullen daarbij ook worden aangekaart. De modernisering beoogt het functioneren van de douane-unie te verbreden en verdiepen.
De rol van Turkije in de strijd tegen PKK en ISIS |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Raymond Knops (CDA) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u de berichtgeving over een massieve, onverwachte luchtaanval door Turkije op de Koerden in Irak, die slechts 10 minuten van te voren gemeld werd aan de Amerikanen en coalitiepartners in de strijd tegen ISIS?1
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie over de omstandigheden van de Turkse luchtoperaties en de daaraan verbonden risico’s voor Amerikaanse militairen. Inmiddels zijn de besprekingen tussen Turkije en de Verenigde Staten, om Turkse militaire operaties tegen ISIS in de coalitie in te bedden, afgerond. Deconflictie tussen Turkse nationale operaties en het optreden van de coalitie maakt deel uit van de afspraken waarmee situaties zoals hierboven genoemd worden voorkomen.
Klopt het dat de Amerikanen nauwelijks genoeg tijd hadden om hun eigen militairen in de buurt van de aanval in veiligheid te brengen en dat er bij de bewuste aanval een groot risico bestond op «friendly fire»?
Zie antwoord vraag 1.
Indien u deze berichtgeving niet eigenstandig kunt verifiëren, bent u bereid hierover contact op te nemen met de Verenigde Staten?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er inmiddels meer van dit soort voorvallen geweest? Zo ja, welke en hoeveel?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre lopen Nederlandse militairen in Irak risico’s door dit soort aanvallen? Bent u bereid dit te adresseren in de richting van de coalitie tegen ISIS, alsmede bilateraal richting Turkije, en aan te dringen op (betere) coördinatie?
De Turkse luchtaanvallen hebben tot dusver geen gevolgen gehad voor de veiligheid van de Nederlandse militairen in Noord-Irak. De ontwikkelingen worden, zoals altijd, nauwlettend in de gaten gehouden. Nederland zal, waar nodig, deze bespreken met betrokken partijen.
Hoe beoordeelt u de beschuldiging van Amnesty International dat Turkije onrechtmatige luchtaanvallen heeft uitgevoerd op het dorp Zergele in Iraaks Koerdistan?2
De Turkse autoriteiten hebben laten weten dat zij een onderzoek instellen naar berichten over burgerslachtoffers bij een luchtaanval op Zergele en dat zij hierbij zullen samenwerken met de Iraakse Kurdish Regional Government. Zij hebben ook gemeld dat zij de bevindingen van dit onderzoek openbaar zullen maken.
Klopt het dat er géén militair doelwit aanwezig was ten tijde van de bombardementen, en dat er acht dorpsbewoners omgekomen zijn, die geen banden hadden met de PKK? Klopt het dat onder hen Peshmerga strijders waren, die nota bene deelnemen aan de strijd tegen ISIS?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid opheldering te eisen van Turkije? Steunt u de oproep van Amnesty aan Turkije om een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek in te stellen naar deze luchtaanvallen, en de uitkomsten van dit onderzoek openbaar te maken?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat Turkije tot dusver slechts één aanval heeft uitgevoerd op ISIS, gebaseerd op eigen, nationale inlichtingen, en deze aanval niet gecoördineerd heeft met de VS dan wel de anti-ISIS coalitie?3 Hoe beoordeelt u dit? Bent u bereid navraag te doen bij de VS?
Nederland beschikt niet over specifieke informatie over de nationaal uitgevoerde Turkse luchtoperaties tegen ISIS en de PKK. Inmiddels zijn de besprekingen tussen Turkije en de Verenigde Staten, om in het kader van de coalitie Turkse militaire operaties tegen ISIS uit te gaan voeren, afgerond.
In hoeverre komt Turkije zijn belofte richting de VS waar om actief deel te nemen aan de luchtaanvallen van de coalitie tegen ISIS?
Voor de onderlinge coördinatie van de luchtaanvallen tegen ISIS hebben Turkije en de Verenigde Staten wederzijds personeel uitgewisseld. In de planning van de luchtoperaties van de coalitie wordt gebruik gemaakt van Turkse militaire vliegvelden en wordt het Turkse luchtruim gebruikt voor de refuelling van coalitievliegtuigen. De Verenigde Staten zijn inmiddels begonnen met luchtoperaties tegen ISIS vanaf de Turkse luchtmachtsbasis Inçirlik en op 28 augustus vonden de eerste gezamenlijke Turks-Amerikaanse luchtoperaties tegen ISIS plaats.
Steunt u de waarschuwing die president Obama aan Turkije heeft gegeven om de strijd tegen ISIS niet te misbruiken om oorlog te voeren tegen de PKK?4 Deelt u de vrees dat dit scenario zich aan het voltrekken is?
Turkije is al langere tijd actief in de aanpak van ISIS, onder meer als lid van de anti-ISIS coalitie. Turkije maakt deel uit van enkele coalitie werkgroepen en is lid van de Small Group van meest betrokken landen. Turkije is met Nederland, co-voorzitter van de werkgroep over de aanpak van foreign terrorist fighters. De intensiteit van de aanpak van ISIS door Turkije is sinds eind juli vergroot.
De militaire inzet van Turkije tegen de PKK heeft vooralsnog geen gevolgen voor de strijd van de coalitie tegen ISIS. Met betrekking tot de Turkse maatregelen tegen de terroristische dreigingen van de PKK is het kabinet van oordeel dat deze proportioneel dienen te zijn. Verdere escalatie in de regio moet worden voorkomen. Nederland en andere Europese landen hebben Turkije en Koerdische organisaties opgeroepen het vredesproces voort te zetten en het staakt-het-vuren in acht te blijven nemen. Dit is in het belang van de veiligheidssituatie in de regio en de rol die diverse Koerdische groeperingen in de strijd tegen ISIS spelen. Zie verder ook het antwoord op vraag 20.
Hoe beoordeelt u de analyse dat Turkije in totaal slechts drie aanvallen op ISIS heeft uitgevoerd, en tot dusver naar schatting ongeveer 300 aanvallen op de PKK, waaronder met houwitsers?5
Zie antwoord vraag 9.
Klopt het dat tanks van het Turkse leger aanvallen hebben uitgevoerd op eenheden van de Koerdische YPG (Koerdische Volksbeschermingseenheden) in Syrië, om deze ervan te weerhouden de door Turkije in Syrië afgekondigde «veiligheidszone» te betreden?
Turkije voert acties uit tegen stellingen van de PKK. Bekend is dat de YPG, de militaire tak van de Syrische PYD en gelieerd aan de PKK, beweert in Jarablus en Tel Abyad, op Syrisch grondgebied, te zijn beschoten door Turkije. Het kabinet is bekend met de beschuldiging, maar kan deze niet bevestigen. Turkije ontkent de beschuldiging.
Vindt u het ook bizar dat Syrische Koerden, die strijden tegen ISIS, op Syrisch grondgebied worden beschoten door het Turkse leger? Bent u bereid opheldering te vragen en protest aan te tekenen?
Zie antwoord vraag 13.
Klopt het dat Turkije unilateraal een veiligheidszone heeft afgekondigd in het noorden van Syrië, en deze verboden terrein heeft verklaard voor Koerdische strijders en zich het recht voorbehoudt om unilateraal militair in te grijpen in dit gebied? Zo ja, wat vind u hiervan? Deelt u de mening dat er geen rechtsgrond in het internationaal recht is voor deze veiligheidszone en het gebruik van geweld om deze te handhaven?
Het kabinet hecht eraan dat ook bij de inzet tegen ISIS het internationaal recht wordt gerespecteerd. Het afdwingen van een «bufferzone» met geweld vereist een volkenrechtelijke rechtsgrondslag. Erkende rechtsgrondslagen zijn het recht op (individuele of collectieve) zelfverdediging, instemming van de staat waar de bufferzone wordt voorzien en een resolutie van de VN Veiligheidsraad op basis van hoofdstuk 7 van het VN Handvest.
Turkije heeft niet eenzijdig een bufferzone afgekondigd in Noord-Syrië. Wel is Turkije in gesprek met de Verenigde Staten over de mogelijkheid om in een deel van Noord-Syrië een ISIS-vrije zone te creëren. Dit idee is niet besproken in de NAVO-Raad.
Welke mandaat heeft een land nodig om een dergelijke bufferzone in te stellen? Is dat besproken in de NAVO raad? Is de veiligheidszone ter sprake gekomen binnen de NAVO? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Zie antwoord vraag 15.
Is er sprake van overeenstemming tussen de VS en Turkije over de veiligheidszone? Zo ja, bent u bereid de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 15.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Turkse Minister van Buitenlandse Zaken dat Turkije de inzet van grondtroepen in de veiligheidszone «als optie op tafel ligt»?6
Zie antwoord vraag 15.
Bent u bereid zich hard en openlijk uit te spreken tegen de mogelijke inzet van grondtroepen door Turkije in de zelf afgekondigde «veiligheidszone»? Bent u bereid dit te adresseren in de NAVO?
Zie antwoord vraag 15.
In hoeverre heeft Turkije zich gehouden aan hetgeen onder meer Nederland gesteld heeft in de NAVO Raad van 28 juli 2015, namelijk dat de maatregelen van de Turkse regering tegen terroristische bedreigingen, inclusief als die uitgaan van de PKK, proportioneel dienen te zijn, mede om verdere escalatie in de regio te voorkomen? Vindt u het gebruik van geweld door Turkije proportioneel?
Nederland erkent het recht van Turkije om zich te verdedigen tegen terroristische aanslagen. Zoals in het antwoord op de vragen 9 en 12 is aangegeven, beschikt het kabinet niet over specifieke informatie over de Turkse luchtoperaties tegen de PKK, en daarom kan het kabinet moeilijk de proportionaliteit daarvan beoordelen. Met de oproep tot proportionaliteit geeft Nederland, net als andere partners, vooral uitdrukking aan zorgen om het Koerdisch vredesproces. Het is van belang dat beide betrokken partijen de vredesonderhandelingen weer oppakken.
Deelt u de mening dat de oorlog van Turkije tegen de PKK de strijd tegen ISIS bemoeilijkt? Bent u bereid op te roepen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid alsnog te pleiten voor onafhankelijk internationaal onderzoek naar directe of indirecte steun van Turkije aan ISIS? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennis genomen van diverse berichten over steun vanuit Turkije aan extremistische groeperingen in Syrië. Het kabinet kan evenwel niet bevestigen dat de Turkse regering steun levert aan ISIS. Het kabinet ziet geen noodzaak voor een onafhankelijk internationaal onderzoek naar directe of indirecte steun van Turkije aan ISIS.
Bent u bereid de eerdere schriftelijke vragen d.d. 27 juli 2015 van het lid Knops met spoed te beantwoorden?7
Ja.
Het onderzoek dat gedaan is naar de gang van zaken rond de presentatie van een professor m.b.t. de ramp met de MH17 |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Kunt u het politieonderzoek, waarop de brief van 10 juni van de korpschef van de nationale politie, de heer Bouman gebaseerd is, openbaar maken en aan de Kamer doen toekomen?
Mede naar aanleiding van uw vragen en vier verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), die inmiddels zijn ontvangen, heeft de politie de mogelijke openbaarmaking van het onderzoek bezien. De politie ziet geen bezwaren tegen openbaarmaking van grote delen van het onderzoek. Enkele onderdelen kunnen niet openbaar worden gemaakt in verband met de bescherming van persoonsgegevens van personen die bij het onderzoek zijn betrokken. Verder zullen foto’s uit het onderzoek niet openbaar worden gemaakt onder andere ter voorkoming van de onevenredige benadeling van de bij de aangelegenheid betrokken personen, zoals nabestaanden. Momenteel beziet de politie de stukken op deze onderdelen. Zodra dit is afgerond, deel ik met u het geanonimiseerde feitenonderzoek.
Indien dit onderzoek – dat geen strafrechtelijk onderzoek is en ook nooit zo bedoeld is – niet openbaar wordt, kunt u dan aangeven waarom het in het belang van de staat zou zijn ingevolge artikel 68 van de Grondwet, om het niet openbaar te maken?
Zie antwoord vraag 1.
In welke andere staten, behalve Noord Korea, is het gebruikelijk onderzoek naar iemand te doen voor iets dat een relatie heeft met het werk, en de persoon in kwestie te weigeren inzage te geven in het rapport? Wilt u professor Maat onmiddellijk inzage geven in het rapport en hem daarbij geen geheimhouding opleggen?
Het feitenonderzoek is uitgevoerd door de politie. De politie zal professor Maat inzage verstrekken in het feitenonderzoek en hem daarbij geen geheimhouding opleggen. Bij de verstrekking van het feitenonderzoek aan professor Maat kan overigens geen inzage in die gegevens worden geboden die betrekking hebben op persoonsgegevens van andere betrokkenen in het onderzoek, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1 en 2. Op 4 september jongstleden heeft ook een gesprek plaatsgevonden tussen de politiechef van de Landelijke Eenheid en de heer Maat over het feitenonderzoek.
Onderschrijft de leiding van het Landelijk Team Forensische Opsporing (LTFO) de conclusies van het onderzoek?
Het LTFO valt in de Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden (SGBO) MH17 onder de verantwoordelijkheid van de Algemeen Commandanten. Op basis van het feitenonderzoek heeft de Algemeen Commandant het feitenrelaas opgesteld. De korpschef heeft vervolgens na interne beraadslagingen en op basis van het eerdergenoemde feitenrelaas vanuit zijn verantwoordelijkheid conclusies getrokken. Die heeft hij aan mij per brief op 10 juni 2015 kenbaar gemaakt (deze brief is al in uw bezit).
Wat waren de conclusies van het politieonderzoek? Kunt u die openbaar maken en wie heeft die conclusies getrokken? Werden die conclusies gedragen door het LTFO? Zo ja, op welke datum?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke datum is het politieonderzoek, waarop de heer Bouman zich baseert in zijn brief op 10 juni, 2015, afgerond en aan hem aangeboden?
De politie heeft mij als volgt geïnformeerd: Het intern feitenonderzoek is afgerond op 4 juni 2015. Op 5 juni 2015 heeft de leiding van het onderzoeksteam het feitenonderzoek overhandigd aan de Algemeen Commandanten SGBO MH17. Op basis van dit onderzoek hebben de Algemeen Commandanten een feitenrelaas opgesteld. Dit relaas heeft de politiechef Landelijke Eenheid op 9 juni 2015 naar de korpsleiding gestuurd. De korpschef heeft mij per brief van 10 juni op de hoogte gesteld van zijn conclusies.
Klopt het dat het politieonderzoek gebaseerd is op getekende verklaringen van mensen die in het kader van dit onderzoek gehoord zijn? Zo ja, wie heeft recht op inzage in de getekende verklaringen?
Het intern feitenonderzoek is opgebouwd uit afzonderlijke rapporten. Een deel van deze rapporten bevat verslagen van gesprekken met getuigen. Deze gespreksverslagen zijn in de vorm van verklaringen in het intern feitenonderzoek opgenomen. Deze verklaringen zijn, als onderdeel van het feitenonderzoek, op 5 juni overhandigd aan de Algemeen Commandanten SGBO MH17. De betrokkenen hebben recht op inzage in hun eigenverklaring en dit bij gelegenheid van de ondertekening gehad. Daarnaast zullen grote delen van het feitenonderzoek (inclusief alle verklaringen) geanonimiseerd openbaar worden gemaakt. Zie ook het antwoord op vraag 1, 2 en 8.
Kunt u, indien mogelijk met naam en/of functie, aangeven wie er gehoord zijn door de onderzoekers en wanneer? Kunt u per persoon aangeven wanneer ieder haar/zijn verklaring getekend heeft?
Op 4 juni zijn alle verklaringen voorgelegd ter ondertekening aan de personen die in het onderzoek gehoord zijn. Die verklaringen zijn op latere momenten getekend. Onderstaand treft u per gehoorde functionaris gedetailleerde informatie aan:
Hoeveel en welke verklaringen zijn pas getekend (en mogelijk aangevuld en veranderd) nadat de heer Bouman een brief over het rapport geschreven had?
De verklaringen zijn op 4 juni 2015 door de onderzoekers aan de getuigen verstrekt met het verzoek deze te ondertekenen. Alle verklaringen zijn later, na overhandiging van het intern feitenonderzoek aan de Algemeen Commandanten en na het opmaken van het feitenrelaas door de Algemeen Commandanten, door de getuigen ondertekend en voorzien van eventuele opmerkingen en aanvullingen.
De Algemeen Commandanten besloten om, gelet op het belang om op korte termijn helderheid te geven over deze zaak, het feitenrelaas naar de korpsleiding te sturen voordat de verklaringen waren getekend. De opmerkingen en aanvullingen waren echter niet van dusdanige aard dat het feitenrelaas en de conclusies moesten worden herzien.
Is het afleggen van een valse verklaring strafbaar in dit soort onderzoek? Zo ja, op basis van welke wet en welke straf staat daar op?
Het afleggen van een valse verklaring is als zodanig niet strafbaar. Het onder ede opzettelijk onjuist verklaren is wel strafbaar (artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht). In het onderhavige geval betrof het een intern feitenonderzoek waarbij niet onder ede werd verklaard.
Hoeveel mensen hebben hun verklaring getekend nadat de heer Bouman zijn brief geschreven had en hebben nog wijzigingen aangebracht in hun concept-verklaring?
Alle getuigen hebben opmerkingen of aanvullingen gegeven op de gespreksverslagen. Zie ook het antwoord op vraag 8. Hoewel de verklaringen zijn getekend na 10 juni, waren deze opmerkingen of aanmerkingen niet van dusdanige aard dat deze tot een herziening van de conclusies van de korpschef noopten.
Herinnert u zich dat u in het plenaire debat op 23 april aan de Kamer meedeelde dat met externe deskundigen afspraken zijn gemaakt over het delen van informatie met derden, dat toelaatbaar is geacht dat men met vakgenoten vanuit professioneel perspectief informatie mag delen over vakinhoudelijke kwesties, maar dat men zich daarbij onthoudt van zaken die buiten de eigen expertise liggen en dat dit ook ten tijde van het onderzoek naar de ramp met de MH17 stellig is benadrukt?
Ja.
Hoe verhoudt voorgaande bewering zich tot de conclusie uit het politieonderzoek dat er geen afspraken waren?
Zoals ik in het debat van 23 april 2015 aangaf, heeft de politie afspraken gemaakt met externe LTFO-deskundigen. Uit het feitenonderzoek is gebleken dat deze afspraken alleen voor de groep odontologen zijn opgesteld. Wel zijn zowel de interne als externe LTFO-medewerkers mondeling gebrieft over het gebruik van beeldmateriaal, voorafgaand aan de werkzaamheden in Hilversum.
Zoals bleek uit de brief van de korpschef aan mij van 10 juni 2015 ontbreekt het binnen het LTFO aan duidelijke kaders, afspraken en criteria met betrekking tot het geven van lezingen en het vrijgeven en gebruik van (beeld)materiaal afkomstig uit de werkprocessen van het LTFO. Het is in de jarenlange gegroeide werkprocessen en gewoonten van het LTFO gebruikelijk om aan vakgenoten lezingen te geven.
Naar aanleiding van het onderzoek heeft de korpschef opdracht gegeven aan het LTFO om formele afspraken te maken over de samenwerking met derden ten behoeve van het LTFO, het geven van presentaties en het gebruiken van foto’s van rampen en slachtoffers voor vakgenoten met een leerdoel. Voor een ieder moet voortaan volstrekt helder zijn wat wel en niet is toegestaan.
Daarnaast dient een expliciete afweging gemaakt te worden tussen het belang van de slachtoffers en nabestaanden enerzijds en het belang van educatie en doorontwikkeling van deze voor het werk van het LTFO belangrijke vakgebieden anderzijds. Daarbij moet ook de vraag aan de orde zijn in welke gevallen toestemming van de nabestaanden verkregen dient te zijn alvorens bepaald materiaal gebruikt kan worden.
Wie heeft u wanneer meegedeeld dat er afspraken gemaakt zijn met deskundigen en dat die ten tijde van het onderzoek naar de ramp met de MH17 stellig benadrukt zijn?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven welke afspraken ten tijde van het onderzoek naar de ramp met de MH17 stellig zijn benadrukt, wanneer dat gebeurd is en ten overstaan van wie?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u voor elk van de presentaties, die in de brief van de heer Bouman genoemd worden, aangeven, wanneer zij gegeven zijn, wie er in het publiek zat, wie de presentatie gaf (eventueel alleen de functie van de persoon), of er toestemming gevraagd was en verkregen en of er bij afwezigheid van toestemming, ook een sanctie is opgelegd aan de persoon, die de presentatie gaf?
Er zijn diverse presentaties gegeven naar aanleiding van de ramp met vlucht MH17. In de brief van de korpschef worden er zeven genoemd. In het intern feitenonderzoek hebben getuigen in totaal elf presentaties genoemd. Van deze presentaties kan op basis van het intern feitenonderzoek niet in alle gevallen worden vastgesteld wanneer ze zijn gegeven en hoeveel en welke toehoorders bij deze presentaties aanwezig waren.
De heer Maat heeft zes presentaties gegeven over het identificatieproces MH17. Voor deze presentaties heeft de heer Maat geen toestemming gevraagd.
Een vakgenoot (forensisch antropoloog), als forensische expert werkzaam binnen het MH17 onderzoek, heeft met toestemming van het hoofd LTFO begin februari 2015 in een besloten vergadering een presentatie over het identificatieproces gegeven aan ca. 30 leden van de Nederlandse Vereniging van Fysische Antropologie.
Een tandarts, als odontoloog werkzaam binnen het MH17 onderzoek, heeft drie presentaties gegeven over het identificatieproces MH17 aan vakgenoten. Op basis van het intern feitenonderzoek is niet bekend of hier toestemming voor is gevraagd. Het betreft:
In het feitenonderzoek heeft het operationeel hoofd LTFO verklaard dat hij meerdere presentaties over het identificatieproces MH17 heeft gegeven, waarvan hij er twee concreet benoemt:
Zijn er ook andere presentaties gegeven, bijvoorbeeld na de presentatie in Maastricht?
Zie antwoord vraag 16.
Wie heeft de foto’s van de presentatie van professor Maat aan hem gegeven?
De foto’s zijn voor een deel afkomstig van een presentatie van een collega-forensisch expert en voor een ander deel afkomstig van een SD-card die door het LTFO ter beschikking is gesteld aan de heer Maat voor educatieve en identificatie doeleinden.
Dit is niet zorgvuldig uitgevoerd. Dat is de reden dat de politie heeft besloten om formele afspraken te maken over het geven van presentaties en het gebruiken van foto’s van rampen en slachtoffers voor vakgenoten met een leerdoel.
Waren de foto’s, die aan professor Maat ter beschikking gesteld zijn, geanonimiseerd?
De foto’s die aan professor Maat beschikbaar zijn gesteld, waren niet geanonimiseerd. Op de foto’s die hij voor zijn presentatie gebruikte, heeft de heer Maat specifieke onderdelen onzichtbaar gemaakt, zoals de zogenaamde Post Mortem-nummers (PM-nummers). In enkele gevallen was het PM-nummer nog wel leesbaar, maar deze specifieke nummers waren niet herleidbaar tot slachtoffers.
Was identificatie van het enige identificeerbare slachtoffer mogelijk vanwege herkenning of omdat er een nummer staat, dat slechts via een vertrouwelijke en beschermde database gekoppeld kan worden aan de naam van een slachtoffer?
Identificatie was – achteraf en alleen door onderzoekers van het LTFO – mogelijk door vergelijking van de gepresenteerde foto met de originele foto. Deze foto kon gekoppeld worden aan de naam van een slachtoffer via een vertrouwelijke en beschermde database die alleen toegankelijk is voor de onderzoekers van het LTFO.
Hoe verhoudt de disciplinaire actie tegen professor Maat vanwege uitlatingen in een besloten omgeving zich tot de afwezigheid van soortgelijke maatregelen na publieke uitspraken van een voormalig Minister over een mondkapje in een publieke talkshow?
Nadat bekend werd dat professor Maat een presentatie had gegeven die toegankelijk was voor meer mensen dan de beoogde doelgroep, dat hij daarvoor beeldmateriaal van slachtoffers gebruikte en dat hij bovendien zaken heeft besproken die buiten het vakgebied van de forensische antropologie vallen, is de samenwerking met professor Maat in het onderzoek van MH17 door de politie opgeschort.
Na de uitkomsten van het interne onderzoek heeft de korpschef vervolgens bepaald dat de samenwerking met professor Maat in dit identificatieproces werd beëindigd.
Het effect van het handelen van professor Maat, de gevoelens van de nabestaanden en alle media-aandacht, leidde tot deze beëindiging.
Het neemt niet weg dat ik herhaal dat professor Maat een uitstekende staat van dienst heeft op het gebied van forensische antropologie. In de afgelopen vijftien jaar is hij met zijn uitzonderlijke expertise van grote waarde geweest bij complexe identificatieonderzoeken door het LTFO. Op 23 september aanstaande zit ik met de heer Maat om tafel. In voorkomende gevallen bij grootschalige en complexe identificaties wordt niet uitgesloten dat opnieuw een beroep zal worden gedaan op de expertise van professor Maat. Wij hopen dat hij dan bereid is om een bijdrage te leveren. Dit zal ik hem in ons gesprek ook overbrengen.
Kunt u deze vragen een voor een, precies en binnen de reguliere termijn van drie weken beantwoorden?
Nee. Het afstemmingsproces heeft meer tijd gevergd.
Het bericht “Verdere selectie van zakenbanken voor de voorgenomen beursintroductie van ABN AMRO” |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Erik Ronnes (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Verdere selectie van zakenbanken voor de voorgenomen beursintroductie van ABN AMRO», dat op de website van NL Financial Investments (NLFI)1 geplaatst is?
Ja.
Kunt u beschrijven welke rol u heeft bij de selectie van de banken die ABN AMRO naar de beurs brengen? Kende u de contractvoorwaarden en heeft u daarmee ingestemd?
Na de afronding van de bespreking in de Tweede Kamer van de voorgenomen beursgang van ABN AMRO heb ik goedgekeurd dat NLFI de selectie van de zakenbanken voor de voorgenomen beursgang van ABN AMRO zou uitvoeren (met inbegrip van de onderhandeling over contractvoorwaarden). NLFI heeft het Ministerie van Financiën geïnformeerd bij belangrijke stappen in het selectieproces.
Kunt u de contractvoorwaarden (zoveel mogelijk) openbaar maken?
Bij doorgang van de voorgenomen beursgang van ABN AMRO zullen de belangrijkste elementen van de contractvoorwaarden (onder meer zoals beschreven in de antwoorden onder vragen 4 en 5), zoals die zijn opgenomen in de zogenoemde underwriting agreement, worden vermeld in de prospectus en daarmee openbaar worden. De contractvoorwaarden zal ik vertrouwelijk ter inzage beschikbaar stellen.2
Zijn er naast de transactiekosten in het persbericht nog andere kosten die de bank of de staat betaalt aan de banken?
De prijsafspraken behelzen:
Zijn er andere tegenprestaties?
In het contract met de banken zijn verschillende afspraken vastgelegd, bijvoorbeeld over aansprakelijkheid en vrijwaringen. Er zijn geen andere tegenprestaties afgesproken dan genoemd in het antwoord onder 4.
Kunt u precies aangeven of de banken nog andere mogelijkheden krijgen in het contract waarmee zij geld verdienen of kunnen verdienen aan de deal, zoals bijvoorbeeld een green shoe? Zo ja, kunt u de details daarvan verschaffen?
Er zijn geen mogelijkheden in het contract waarmee de zakenbanken geld kunnen verdienen aan de deal. Zie voor eventuele winsten behaald bij stabilisatie eveneens het antwoord op vraag 4.
Zijn er afspraken gemaakt over de toedeling van aandelen? Mogen banken impliciet of expliciet een tegenprestatie vragen voor deze toewijzing?2 Zo nee, hoe is dat dan gegarandeerd?
NLFI/de staat stelt de toedeling vast, in samenspraak met ABN AMRO. De toedeling van aandelen zal plaatsvinden met inachtneming van een aantal vooraf vastgelegde uitgangspunten en criteria. Daarbij is in beginsel de geboden prijs leidend, maar ook andere criteria, zoals de kwaliteit van de investeerder en het tonen van interesse in een vroeg stadium, kunnen worden meegewogen.
De zakenbanken mogen zich uiteraard niet bedienen van onrechtmatige praktijken. Als extra waarborg is in de overeenkomst vastgelegd dat de banken zich bij (het voorstel voor) de toedeling van aandelen niet mogen bedienen van oneigenlijke praktijken. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toewijzing die zou worden gedaan voor het bevorderen van ongerelateerde fees of een toewijzing die voorwaardelijk zou zijn aan toekomstige orders of te verlenen diensten.
Op welke wijze wordt bevorderd dat een deel van de aandelen onderhands geplaatst wordt, bijvoorbeeld bij institutionele partijen in Nederland?
De zakenbanken zullen in overleg met NLFI institutionele beleggers benaderen, waaronder institutionele beleggers in Nederland. Het plaatsen van de certificaten bij Nederlandse institutionele partijen zal echter geen doel op zich zijn.
Het bericht “Voormalig NS-topman Huges spant kort geding aan om vergoeding” |
|
Jaco Geurts (CDA), Martijn van Helvert (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Klopt het dat de heer Huges, voormalig topman van de NS, een kort geding heeft aangespannen voor een forse ontslagvergoeding?1
De heer Huges heeft op 4 augustus een dagvaarding ingediend voor een kort geding. Nadien is NS tot een schikking gekomen met de heer Huges en is het dus niet tot een kort geding gekomen. Over deze schikking bent u op 6 augustus geïnformeerd.
Is de variabele beloning van de heer Huges over 2014 inmiddels teruggevorderd door de Raad van Commissarissen zoals u heeft aangekondigd? Zo nee, waarom niet en zo ja, wanneer?2
Het door de heer Huges terugbetalen van de variabele beloning over 2014 is onderdeel van de getroffen schikking. De schikking is inmiddels financieel afgehandeld, waarmee de variabele beloning feitelijk is terugbetaald.
Is de variabele beloning van de heer Huges over 2014 inmiddels terugbetaald? Zo nee, wanneer zal die terugbetaald worden?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de NS vrijwillig de Nederlandse corporate governance bepalingen naleeft en dat alle uitzonderingen in het jaarverslag vermeld staan?3
Ja dat klopt. Ondanks dat NS geen beursgenoteerde onderneming is, past NS de Nederlandse Corporate Governance Code toe. Indien wordt afgeweken van de Code wordt hierover een toelichting opgenomen in het jaarverslag.
Kunt u het renumeratierapport en het verslag van de Raad van Commissarissen over 2013 en 2014 aan de Kamer doen toekomen?
De jaarlijkse beloningen maken onderdeel uit van het jaarverslag. Op die manier wordt verantwoording afgelegd over de toegekende beloningen en of deze binnen het geldende bezoldigingsbeleid valt.
Heeft u als aandeelhouder van de NS kwijting verleend over het gevoerde beleid over 2014 aan de Raad van Commissarissen en aan de Raad van Bestuur? Zo ja, wanneer heeft u dat voor elk van deze gremia gedaan?
Door mij is tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders op 4 maart jongstleden kwijting/decharge verleend aan de Raad van Commissarissen en Raad van Bestuur voor het gevoerde beleid over boekjaar 2014.
Klopt het dat de NS in haar jaarverslag een eventuele ontslagpremie of een vergoeding in een vaststellingsovereenkomst aan de heer Huges moet vermelden en moet motiveren?
Ja, de uitkomst van de schikking met de heer Huges zal onderdeel uitmaken van het jaarverslag over 2015.
Kunt u, indien er een vaststellingsovereenkomst gesloten wordt, onmiddellijk openbaar maken hoeveel er betaald wordt aan de heer Huges en niet wachten tot het jaarverslag van volgend jaar?
In mijn brief aan de Kamer van 6 augustus heb ik de elementen van de schikking genoemd, alsmede het totale bedrag dat hiermee samenhangt. De vaststellingsovereenkomst zelf heb ik ter vertrouwelijke inzage gelegd.
De aanpassing in de Ultimate Forward Rate (UFR) voor pensioenfondsen |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Henk Krol (50PLUS), Paul Ulenbelt |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Herinnert u zich dat u in december 2014 aan de Eerste Kamer schreef: «Naar aanleiding van het debat met uw Kamer over het wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader heb ik De Nederlandsche Bank (DNB) verzocht om uitstel van de per 1 januari 2015 voorziene wijziging van de ultimate forward rate (ufr) voor pensioenfondsen, in verband met het aangekondigde onderzoek naar het stroomlijnen van deze ufr met de ufr die EIOPA naar verwachting in 2015 zal vaststellen voor Europese verzekeraars.»?1
Ja.
Kunt u DNB vragen dat onderzoek openbaar te maken en bij de antwoorden van deze vragen te voegen?
De uitkomsten van bedoeld onderzoek zijn verwoord in de onderbouwing van het besluit van DNB van 14 juli 2015, dat is meegezonden met mijn brief van 17 juli jl., waarmee ik u over dat besluit heb geïnformeerd. Voor de volledigheid heb ik dit besluit bijgevoegd.
Zowel de ufr voor verzekeraars als de ufr voor pensioenfondsen impliceert een rentevisie, waarin de DNB een input heeft; waarom verschillen deze twee rentevisies van elkaar?
Tussen pensioenfondsen en verzekeraars bestaat een verschil ten aanzien van de bevoegdheid om een ufr vast te stellen en de context waarin deze vaststelling plaatsvindt. De rekenrente voor pensioenfondsen komt op nationaal niveau tot stand, door DNB, terwijl de rekenrente voor verzekeraars op Europees niveau wordt bepaald, door EIOPA.
De ufr voor pensioenfondsen, een aanpassing van de rentecurve voor pensioenverplichtingen met een lange looptijd, dateert van september 2012. Mede naar aanleiding van debatten met uw Kamer was voorafgaand aan de invoering van de ufr voor pensioenfondsen reeds besloten om onafhankelijk advies in te winnen over een structureel realistische invulling. Hiervoor is in 2013 de Commissie UFR geïnstalleerd die in oktober heeft geadviseerd tot aanpassing van de ufr.
De commissie adviseerde – onder meer – de hoogte van de UFR vast te stellen op het voortschrijdend 120-maands gemiddelde van de 20-jaarsforward rente. De commissie geeft de voorkeur aan het baseren van de UFR op marktinformatie boven een inschatting van het evenwichtsniveau op basis van macro-economische overwegingen (een rentevisie). Een dergelijke inschatting is volgens de commissie met teveel onzekerheden omgeven en sluit daarom niet goed aan bij een zo realistisch mogelijke beprijzing van pensioenverplichtingen. Een zo realistisch mogelijke beprijzing is nodig om ervoor te zorgen dat pensioenfondsen genoeg geld in kas hebben om de nominale pensioenverplichtingen met een zo groot mogelijke zekerheid na te komen. Dit uitgangspunt wordt door het kabinet onderschreven.
Het besluit van DNB over de ufr is gebaseerd op het advies van de Commissie UFR. In haar advies geeft de commissie twee redenen om af te wijken van de destijds beoogde ufr voor verzekeraars. Ten eerste merkt de commissie op dat de ufr voor verzekeraars een integraal onderdeel is van het totale toezichtkader voor verzekeraars, Solvency II. Het solvabiliteitskader voor verzekeraars wijkt op veel aspecten af van het financieel toetsingskader voor pensioenfondsen, bijvoorbeeld ten aanzien van de hogere zekerheidsmaat (99,5%) en de kortere hersteltermijnen. De commissie acht het niet opportuun om losse elementen uit het kader voor verzekeraars te halen.
De tweede reden is dat er in 2013 nog onvoldoende duidelijkheid was wanneer Solvency II zou worden geïmplementeerd en hoe de definitieve vereisten er uit zouden komen te zien. Inmiddels is duidelijk dat Solvency II per 1 januari 2016 in werking treedt. DNB merkt in haar besluit op dat «de vormgeving van de definitieve UFR in het kader van Solvency II, zoals door EIOPA bekendgemaakt op 28 februari 2015, niet afwijkt van de specificaties die bekend waren ten tijde van het opstellen van de advies van de Commissie UFR». De inschatting op basis waarvan de Commissie UFR haar advies heeft uitgebracht, geldt daarom nog steeds.
Waarom moeten verzekeraars en pensioenfondsen nu verschillende rentevoeten hanteren om toekomstige pensioenverplichtingen te verdisconteren?
Zie antwoord vraag 3.
Welke gevolgen gaan de verschillende rentevoeten in de ufr hebben bij waardeoverdracht?
De gevolgen van de aanpassing van de ufr voor waardeoverdrachten zijn niet goed voorspelbaar. Bij waardeoverdracht van een uitkeringsovereenkomst geldt in het algemeen dat grotere verschillen tussen de disconteringsvoeten van de betrokken uitvoerders leiden tot grotere bijbetalingen tussen pensioenuitvoerders of werkgevers. Op de bijbetalingsproblematiek ben ik ingegaan in mijn brief van 24 juni 2015, naar aanleiding van de vragen over het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met aanpassing van de regels bij waardeoverdracht (Kamerstuk 32 043, nr. 261). Dat ontwerpbesluit voorziet in een maximering van die bijbetaling op € 15.000 voor alle werkgevers met ingang van 2015.
Hoeveel stijgen de totale pensioenverplichtingen van de Nederlandse pensioenfondsen door de wijziging in de ufr, wanneer die over een jaar helemaal is doorgevoerd?
De totale waarde van de verplichtingen van pensioenfondsen neemt door de wijziging van de ufr het komend jaar met ongeveer 2,8% toe. Deze toename verschilt van fonds tot fonds, afhankelijk van de gemiddelde leeftijd van het deelnemersbestand. Bij jonge fondsen is de toename hoger, bij meer vergrijsde fondsen is deze lager. Door de 12-maands middeling werkt de toename van de pensioenverplichtingen geleidelijk door in de beleidsdekkingsgraad van de pensioenfondsen.
Hoeveel stijgen de totale kostendekkende pensioenpremies als gevolg van de hogere ufr? Hoeveel stijgen de totale pensioenpremies?
Het effect van de aanpassing van de ufr op de kostendekkende pensioenpremie hangt af van de door het fonds gehanteerde premiesystematiek en van de gemiddelde leeftijd van de deelnemers. Voor fondsen die werken met een gedempte kostendekkende premie op basis van een voortschrijdend gemiddelde van de rente is het effect in 2016 minder groot dan voor fondsen die werken met een kostendekkende premie die gedempt wordt met een voortschrijdend gemiddelde van de rente of het verwacht rendement.
Ongeveer twee derde van de actieve deelnemers zit bij een fonds dat de kostendekkende premie baseert op het verwacht rendement.
Het effect op de feitelijke premies is op voorhand niet duidelijk. De feitelijke premie is bij veel fondsen hoger dan de kostendekkende premie. Deze fondsen kunnen (een deel van) de marge gebruiken om de stijging van de kostendekkende premie als gevolg van de aanpassing van de ufr op te vangen.
Is bij de vaststelling van de ufr rekening gehouden met het drukkend effect van Quantitative Easing op de rentecurve?
De kwantitatieve verruiming door de ECB heeft de marktrente verder verlaagd. De discrepantie tussen de «oude» ufr (4,2%) en de marktrente is hierdoor vergroot. DNB heeft dit effect meegewogen in haar besluit over de aanpassing van de ufr.
Welk effect heeft de aanpassing van de ufr op de netto lonen en inkomsten van gepensioneerden op korte en langere termijn? Kunt u dat (laten) uitwerken voor een aantal grote fondsen? Zo nee, waarom niet?
Een raming van de effecten van de aanpassing van de ufr op de netto lonen en de inkomsten van gepensioneerden is met veel onzekerheid omgeven. Veel factoren, zowel beleidsmatige (bijvoorbeeld arbeidsvoorwaardenonderhandelingen en fiscale maatregelen) als exogene (bijvoorbeeld toekomstige renteontwikkelingen en beleggingsrendementen) beïnvloeden de uitkomsten.
Het effect van de aanpassing van de ufr op de pensioenpremies werkt op termijn door in de lonen van werknemers. Hogere pensioenpremies beperken immers de ruimte voor arbeidsvoorwaardelijke onderhandelingen (loonruimte). De stijging van de kostendekkende pensioenpremie als gevolg van de aanpassing van de ufr is afhankelijk van de gekozen premiesystematiek. Zo is het effect voor fondsen die dempen met verwacht rendement minder groot dan voor fondsen die de kostendekkende premie baseren op de actuele wettelijke rentetermijnstructuur. Fondsen die een marge toepassen tussen de feitelijke pensioenpremie en de (gedempte) kostendekkende premie, kunnen een stijging van de kostendekkende pensioenpremie deels opvangen door verkleining van deze marge.
Het effect van de aanpassing van de ufr op de beleidsdekkingsgraden verschilt per fonds, bij oudere fondsen is het kleiner, bij jongere groter.
Kunt u in detail aangeven wat de gevolgen zijn voor herstelplannen die al lopen en voor herstelplannen die door wijziging van de ufr moeten worden ingediend?
Pensioenfondsen die hun herstelplan vóór 1 juli 2015 bij DNB hebben ingediend, hoeven dit plan naar aanleiding van de aanpassing van de ufr niet te wijzigen. Zij moeten de aangepaste ufr wel meenemen bij de toekomstige actualisatie van hun herstelplannen. De aanpassing van de ufr leidt tot een geleidelijke daling van de beleidsdekkingsgraad van pensioenfondsen. Hierdoor moeten naar verwachting meer pensioenfondsen een herstelplan indienen.
Op welke wijze zult u ervoor zorgen dat pensioenfondsen niet zwaar in de problemen komen bij een plots stijgende rente?
Bij een stijgende rente daalt niet alleen de waarde van de vastrentende beleggingen van pensioenfondsen, maar ook de waarde van hun pensioenverplichtingen. Het effect van een rentestijging op de pensioenverplichtingen is sterker dan het effect op de beleggingen. Een stijgende rente heeft een positief effect op de dekkingsgraden van de pensioenfondsen.
Het effect van een stijgende rente op de financiële positie van pensioenfondsen wordt meegenomen in het onderzoek dat DNB momenteel uitvoert naar de effecten van het renteafdekkingsbeleid van pensioenfondsen, naar aanleiding van de motie Vermeij c.s.2. Ik verwacht dat ik u eind september over de uitkomsten van dit onderzoek kan informeren.
Overigens sluit de ufr onder de nieuwe systematiek nauwer aan bij de marktrente en zullen veranderingen in de marktrente door de 120-maandsmiddeling zeer geleidelijk doorwerken in de ufr, wat de ufr voorspelbaarder maakt.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór 30 augustus a.s. en ze samen met het rapport naar de Kamer sturen, zodat ze bestudeerd kunnen worden voor het Algemeen overleg Pensioenen voorzien op 3 september a.s.?
Na mijn vakantie heb ik met verschillende partners overleg gevoerd waardoor de beantwoording helaas niet voor 30 augustus jl. naar uw Kamer kon worden gestuurd. Wel ben ik er in geslaagd de beantwoording voor het Algemeen Overleg van 3 september naar uw Kamer te verzenden.
Meetgegevens op het Nederlandse olie-en gasportaal |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Agnes Mulder (CDA), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het feit dat bij het veld Rossum-Weerselo-2 in oktober 2014 de in het wetenschappelijke onderzoek in Science genoemde kritische grens van 300.000 barrels injectie per maand overschreden is bij put ROW-2 en dat daar 60.407 m3 ofwel 379.918 barrels afvalwater geïnjecteerd zijn?1
In mijn antwoorden van 13 juli jl. op vragen over productiewaterinjectie heb ik verwezen naar de gemiddelde waterinjectievolumes per maand gebaseerd op het jaarvolume. Dit gemiddelde maandvolume ligt voor alle jaren dat injectie plaatsvindt beneden de 300.000 bbl per maand. Het is correct dat in 2014 in een aantal injectieputten het absolute injectievolume groter was dan 300.000 bbl per maand. Ik publiceer deze waarden maandelijks op www.nlog.nl.
Zoals ik in mijn antwoorden van 13 juli jl. heb aangegeven, is het in het artikel in Science aangehaalde niveau van 300.000 barrels per maand niet zomaar toepasbaar op de Nederlandse situatie. Ten eerste zijn de opbouw en eigenschappen van de Nederlandse ondergrond niet vergelijkbaar met de VS en ten tweede wordt in Nederland het water geïnjecteerd in reservoirs waaruit geproduceerd is. Deze reservoirs hebben een lagere druk. In de VS vindt het grootste deel van de waterinjectie plaats in waterlagen, die nog hun originele druk hebben. Ik heb naar aanleiding van het genoemde artikel in Science TNO en SodM gevraagd de relevantie van dit artikel te beoordelen voor de Nederlandse situatie. Ik verwacht uw Kamer hier eind september over te kunnen informeren.
Herinnert u zich dat u aan de Kamer schreef: «De injectie per put per maand varieerde tussen 160 bbl (25 m3) en 280.000 bbl (44.500 m3).» en dat dit wellicht geldt als je het gemiddelde neemt, maar niet wanneer je naar het maximum per maand kijkt?2
Zie antwoord vraag 1.
Ben u ervan op de hoogte dat de kritische grens van 300.000 barrels per maand een grens is die het maximum in enige maand betreft en niet het maandgemiddelde in een jaar?
Het desbetreffende artikel praat niet over een maximum, maar geeft aan dat dit niveau in de specifiek onderzochte omstandigheden in de Verenigde Staten een kritische grens zou zijn. Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 1 en 2 heb ik TNO en SodM gevraagd de relevantie van dit artikel in Science te beoordelen voor de Nederlandse situatie. Ik verwacht uw Kamer hier eind september over te kunnen informeren.
Herinnert u zich dat u aan de Kamer meedeelde dat het niveau van 300.000 bbl per maand in uw ogen niet van toepassing bij de Nederlandse wijze waarop productiewater wordt geïnjecteerd3
Zie het antwoord op de vragen 1 en 2.
Bent u ervan op de hoogte dat dit standpunt bestreden wordt door dr. J. Van Huisstede (Vrije Universiteit)?4
Dr. J. van Huisstede heeft in generieke termen in een artikel opmerkingen gemaakt over de relatie tussen waterinjectie en het mogelijke verhogen van aardbevingsrisico’s. Hij is daarbij niet ingegaan op de specifieke ondergrondse condities in Twente dan wel de voorwaarden die in Nederland aan waterinjectie gesteld worden.
Wanneer verwacht u een antwoord van TNO en Staatstoezicht op de Mijnen op de relevantie van dit artikel «High-rate injection is associated with the increase in U.S. mid-continent seismicity» voor de Nederlandse situatie? Wilt u dat antwoord met de Kamer delen?
Ik verwacht eind september een antwoord van SodM en TNO en zal uw Kamer hier dan over informeren.
Bent u ervan op de hoogte dat, in tegenstelling tot het antwoord van vraag 7 en 8, wel degelijk door inwoners in de nabije omgeving van put ROW2 meerdere keren trillingen zijn ervaren?5
Ja, daarvan ben ik op de hoogte. Ik acht het onwaarschijnlijk dat deze trillingen door bewegingen in de ondergrond zijn ontstaan. De aanwezige geofoons ten noorden en ten zuiden van Twente registreren alle trillingen met een kracht boven de 1,5 op de schaal van Richter, ook in Twente. Deze KNMI-geofoons zijn sinds 1974 en 1995 actief en hebben nog nooit trillingen gemeten.
Klopt het dat de dichtsbijzijnde echofoons zich op dit moment in de Achterhoek (Winterswijk) en in Salland (Hardenberg) bevinden, 40 kilometer van de putten, waarin water wordt geïnjecteerd?
Ja, dat is correct. Zoals ik uw Kamer al eerder heb laten weten zal het geofoonnetwerk in Twente in het komende halfjaar met zeven geofoons worden uitgebreid. Dit zal met name de nauwkeurigheid van de plaatsbepaling van een eventuele aardbeving verbeteren. Dat de geofoons zich op afstand van Twente bevinden, betekent niet dat zij geen trillingen kunnen waarnemen vanuit het gebied van de waterinjectie. Vanaf een magnitude van 1,5 op de schaal van Richter zijn de bevingen ook op die afstand meetbaar. Daarbij merk ik op dat bevingen met een magnitude kleiner dan 2,0 op de schaal van Richter volgens het KNMI doorgaans niet door mensen worden gevoeld.
Wat is de minimale aardbeving op put-2 in Weerselo die de ecofoons zouden kunnen waarnemen?
Het huidige geofoonnetwerk van het KNMI meet kleine bevingen met een magnitude vanaf 1,5 op de schaal van Richter in heel Twente, maar laat alleen geen accurate plaatsbepaling toe. Op basis hiervan is met zekerheid te stellen dat er sinds het begin van waterinjectie in Twente geen voelbare bevingen zijn geregistreerd. Om ook hele kleine bevingen (met een magnitude onder 1,5 op de schaal van Richter) te kunnen registreren en tot een betere plaatsbepaling te komen, wordt in de tweede helft van 2015 het netwerk uitgebreid van 2 naar 9 geofoonstations.
Deelt u de mening dat het in het kader van het voorzorgsprincipe verstandig is om de grens van 300.000 barrels per maand wel te hanteren totdat er meer duidelijkheid is over de Nederlandse situatie?
Het algemeen geldende voorzorgsprincipe dat wij voor waterinjectie in Nederland hanteren is dat de druk in het reservoir ten gevolge van waterinjectie beneden de originele druk moet blijven die het reservoir had voor het begin van de gas- of oliewinning. In de VS wordt geïnjecteerd in waterlagen, die nog op de originele druk zijn, en door de waterinjectie wordt deze originele druk direct overschreden. Zoals in het antwoord op de vragen 1 en 2 is aangegeven, is de situatie in Nederland en de VS niet zomaar vergelijkbaar. Ik zie vooralsnog dan ook geen reden om een ander voorzorgsprincipe te hanteren.
Kunt u alle risico’s schetsen die het injecteren van afvalwater in de grond kan hebben?
Ik heb de mogelijke risico’s weergegeven in mijn brief van 23 maart jl. aan uw Kamer en in mijn beantwoording van eerdere vragen van uw Kamer van 22 juni jl. (Aanhangsel van de Handelingen nr. 2894). Daarnaast zijn in de milieueffectrapportage Herontwikkeling olieveld Schoonebeek de verschillende risico’s en de daarbij horende mitigerende maatregelen geschetst. Kortheidshalve verwijs ik dan ook naar deze stukken.
De zaak van R. van der D. (vervolgvragen) |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Raymond Knops (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat u als antwoord op de vraag «Sinds wanneer bent u ervan op de hoogte dat het enige DNA materiaal op een van de drie slachtoffers al in 2006 gematched is met het DNA materiaal van een Brit die in Groot-Brittannië een levenslange straf uitzit voor moord?» antwoordde: «In mei 2015 heeft Stichting PrisonLaw het Ministerie van Buitenlandse Zaken op de hoogte gebracht dat er 100% zekerheid bestaat over deze DNA-match.»?1
Ja.
Klopt het dat u opdracht gaf tot een vertrouwensrapport (het rapport-Grimbrere) over deze zaak en dat rapport in januari 2010 ontving?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom weigerde u om dat rapport vertrouwelijk ter inzage te geven aan de leden van de Tweede Kamer?
Tot het inschakelen van een vertrouwensadvocaat kan worden beslist als het Ministerie van Buitenlandse Zaken de behoefte heeft aan nader advies over de gevolgde rechtsgang. De reden voor het inzetten van een vertrouwensadvocaat in de zaak van de heer Van der D. was om een appreciatie te krijgen hoe de rechtsgang in deze is verlopen. De heer van der D. is op de hoogte gebracht van de inhoud van het vertrouwensrapport. Het vertrouwensrapport bevat bijzondere persoonsgegevens (daar wordt onder verstaan: gezondheid en strafrechtelijke gegevens) zoals bedoeld in paragraaf 2, hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, die eraan in de weg staan om die informatie te delen. Het wel of niet openbaar maken is een keuze van de heer Van der D. zelf.
Wat was de precieze reden dat u opdracht gaf dit vertrouwensrapport op te stellen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat onder conclusies in het Grimbrere-rapport staat: «Toen het vonnis al onherroepelijk was en de beroepen (en het gratieverzoek en verzoek tot herziening) van de heer van der D. waren afgewezen, ontving het Juzgado de Instrucción no 3 van Fuengirola op 23 maart 2007 een rapport van het hoofd van het CBWA van het hoofdbureau van het gerechtelijk laboratorium. Hierin wordt gesteld dat inzake het forensisch rapport over biologische sporen met betrekking tot de aanranding van Asunción [C], waarin aangegeven wordt dat er een DNA-profiel is gevonden van een onbekende man, er belang bij is om een vergelijkend DNA-onderzoek te doen met het DNA van een Britse man, MARK PHILIP DIXIE, die volgens Interpol in Engeland vastzit voor een soortgelijk misdrijf. In dit rapport wordt verder beweerd dat het genetische profiel van de kam overeenkomt met dat van de genoemde Britse man, en daarom wordt er aan de rechtbank gevraagd om door middel van een vergelijking van het DNA- monster van MARK PHILIPS DXIE en van de bij Asuación [C] (slachtoffer van verkrachting) gevonden sporen deze overeenkomst te bevestigen."?
Ja, dit klopt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft mede naar aanleiding hiervan de heer Van der D. geadviseerd dit met zijn advocaat te bespreken.
Klopt het dat de eind-aanbevelingen in het rapport-Grimbere luiden:
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dus dat u in 2010 en wellicht daarvóór al op de hoogte was van de DNA-match met de veroordeelde Britse moordenaar Mark Dixie?
Vanaf het begin bestonden er bij de advocaten van de heer Van der D. twijfels over het DNA-materiaal en de DNA-match. Deze twijfels zijn regelmatig aan de orde geweest in gesprekken tussen de ambassade en de advocaten. Er bestond echter geen zekerheid over. In mei 2015 heeft de Stichting PrisonLaw het Ministerie van Buitenlandse Zaken op de hoogte gebracht dat er zekerheid was over de DNA-match. Deze match moest echter nog worden geverifieerd en bevestigd door de Spaanse forensische politie om daadwerkelijk in de herzieningszaak te kunnen worden ingebracht. Vanuit de Nederlandse Ambassade in Madrid is bij herhaling aangedrongen op een voortvarende opvolging hiervan. Aan deze voortvarende opvolging hecht ik veel belang. Er is geen aanleiding mijn antwoord van 16 juli te herzien.
Kunt u precies aangeven op welke wijze u de afgelopen 8 jaar informatie ontvangen heeft over de DNA-match?
Zie antwoord vraag 7.
Vindt u het antwoord2 dat u op 16 juli gaf, namelijk dat u in mei 2015 op de hoogte gebracht bent van de DNA-match, accuraat en volledig? Of wilt u dit antwoord bij nader inzien nog herzien?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat het rapport zeer zware kritiek bevat op de verdediging van de heer Van der D. en de kwaliteit van de verzoekschriften die na het vonnis zijn ingediend?
Zie ook antwoord op vragen 3 en 4.
Het doel van het rapport was niet om inzicht te krijgen op de (kwaliteit van de) verdediging van de heer van der D. De ambassade heeft op 15 april 2010 het rapport per brief aan de heer Van der D. aangeboden en hem geadviseerd over vervolgstappen. Hij is er daarbij op gewezen dat hij zelf moest bepalen welke stappen hij in de strafzaak nog verder wenste te maken. Ook is hem aangeraden duidelijke afspraken met zijn advocaat te maken.
Is er onderzoek gedaan naar de advocaten die destijds deze zaak hebben behartigt en welke resultaten zijn hier uitgekomen?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt het dat het rapport daarna aan de heer Van der D. en zijn verdediging is gegeven? Is de ambassade daarbij aanwezig geweest en heeft zij ondersteuning geboden bij de uitvoering van de aanbevelingen?
Zie antwoord vraag 10.
Welke acties heeft de Nederlandse regering ondernomen om te bevorderen dat er tussen 2007 (of 2010) en vandaag een officiele, in Spanje rechtsgeldige DNA-vergelijking gedaan is tussen het DNA gevonden op het lichaam van het slachtoffer en het DNA van de heer Mark Dixie?
Ik heb recent mijn Spaanse ambtgenoot om voortvarende behandeling verzocht. De Nederlandse ambassadeur in Madrid heeft hierover navraag gedaan bij de Directeur-Generaal van de Nationale politie in Spanje. Vanaf het moment dat twijfel ontstond over het DNA heeft de ambassade voortdurend navraag gedaan naar de stand van zaken bij de advocaat van de heer Van der D. Ook is er meermaals navraag gedaan naar de stand van zaken met betrekking tot het rechtshulpverzoek van Spanje aan het VK voor het verkrijgen van het DNA-materiaal. Het nieuwe DNA-materiaal is op 30 juli 2015 door de rechtbank in Fuengirola ontvangen en door de Spaanse forensische politie geverifieerd, waardoor het kan worden ingebracht bij een eventuele herzieningszaak. De Spaanse nationale politie heeft alle medewerking toegezegd voor een snelle afhandeling van de DNA-vergelijking. De Spaanse nationale politie heeft ook aangegeven volledige medewerking aan de Nederlandse ambassade te geven. De ambassade blijft de voortgang uiteraard nauwgezet volgen.
Hoe beoordeelt u het feit dat er nog steeds geen officieel Spaans testresultaat is van de vergelijking, terwijl dat er wel in Engeland en Nederland is?
Zie antwoord vraag 13.
Hoe gaat u eraan bijdragen dat die DNA-vergelijking zo spoedig mogelijk eindelijk plaatsvindt?
Zie antwoord vraag 13.
Op welke dagen is de heer Van der D. fysiek bezocht door (vertegenwoordigers van) de Nederlandse ambassade in 2012, 2013, 2014 en 2015?
Medewerkers van de ambassade en het honorair consulaat in Palma de Mallorca hebben de heer Van der D. gemiddeld twee keer per jaar bezocht. Ook vindt er regelmatig telefonisch contact tussen hem en de ambassade plaats. Daarnaast is hij in overleg met de ambassade regelmatig bezocht door de vrijwilliger van de Reclassering Nederland. Naast deze bezoeken kreeg de heer van der D. ook regelmatig bezoek van geestelijke verzorgers. Op 5 augustus 2015 heeft de plaatsvervangend ambassadeur een bezoek gebracht aan de heer Van der D.
De ambassade zal natuurlijk tijdens zijn detentie consulaire bijstand aan de heer Van der D. blijven verlenen.
Bent u ervan op de hoogte dat de heer Van der D. niet in staat is om een goed advocatenteam in te huren om zelf alles aan te vechten?
De heer van der D. heeft in onze contacten met hem (laatstelijk tijdens het bezoek op 5 augustus 2015) vertrouwen uitgesproken in de Spaanse advocaat die met zijn strafzaak en herziening daarvan is belast. Daarnaast stelt hij de inspanningen van de Stichting PrisonLaw op prijs. Stichting PrisonLaw ontvangt subsidie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Welke stappen en voorbereidingen worden ondernomen om ervoor te zorgen dat de heer Van der D., na zijn vrijlating, weer kan resocialiseren en kan terugkeren in de Nederlandse maatschappij?
Dit is aan de heer van der D. zelf waarbij hij hulp van de Reclassering kan krijgen. De heer Van der D. wordt bezocht door een vrijwilliger van de Reclassering Nederland, ter voorbereiding van een mogelijke terugkeer naar Nederland. Reclassering Nederland ontvangt subsidie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken om dit desgewenst op te kunnen pakken.
Herinnert u zich dat u geantwoord heeft: «Nederland treedt in principe niet in de rechtsgang van een ander land, als het gaat om de totstandkoming van een rechterlijk oordeel over de schuldvraag en de bepaling van de strafmaat.» (antwoord 8 op de eerdere Kamervragen)?
Ja.
Kunt u aangeven hoe vaak en in welke zaken Nederland in het afgelopen half jaar een oordeel heeft gegeven over de totstandkoming van een rechterlijk oordeel over de schuldvraag of de bepaling van de strafmaat in een ander land en waarom het in elk van die gevallen wel mogelijk was een oordeel te geven of de autoriteiten aan te spreken?
Over de schuldvraag of strafmaat opgelegd aan Nederlanders in het buitenland wordt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken geen uitspraak gedaan, dat is aan de buitenlandse rechter. Alleen in zaken waar sprake is van oplegging van de doodstraf worden autoriteiten door het Ministerie van Buitenlandse Zaken aangesproken over de totstandkoming van een rechterlijk oordeel en de strafmaat. Indien het Ministerie van Buitenlandse Zaken twijfels heeft over het verloop van een rechtsgang van een Nederlander in het buitenland kan worden beslist tot het inschakelen van een vertrouwensadvocaat om advies te vragen over de gevolgde rechtsgang. Indien het advies telt dat de rechtsgang niet goed is verlopen, dan kan het ministerie besluiten dit aan te kaarten bij de autoriteiten. Dit staat los van het gegeven dat ik het zeer zou betreuren indien de heer Van der D. of andere gedetineerden in Nederland en het buitenland onschuldig zouden zijn, maar toch veroordeeld en gedetineerd. Om die reden zet ik mij ook in om snel duidelijkheid in de zaak van de heer van der D. te kunnen krijgen.
Bent u in het bezit van een kopie van de onafhankelijke DNA-rapportage, de getuigenverklaring/schuldbekentenis van de heer Dixie, en twee andere getuigenverklaringen? Heeft u deze bewijsstukken overhandigd aan de Spaanse autoriteiten?
Het ministerie is in het bezit van kopieën van de documenten genoemd bij vraag 21. Het is aan de advocaat van de heer Van der D. om deze documenten beschikbaar te stellen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan dit niet doen omdat het ministerie geen partij is en geen contact kan onderhouden met de onafhankelijke rechterlijke macht in Spanje over deze zaak. Dat zou als inmenging in de rechtsgang kunnen worden ervaren en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor de zaak van Van der D.
Wel heeft de Nederlandse ambassade in Madrid navraag gedaan bij de Spaanse autoriteiten over het bewijsmateriaal en heeft de Spaanse autoriteiten verzocht om een spoedige afhandeling van de DNA-vergelijking zodat deze in de herzieningszaak kan worden ingebracht. De Nederlandse ambassade zal over de voortgang hiervan in contact blijven met de Spaanse autoriteiten.
Welke actie heeft u ondernomen met deze bewijsstukken en gaat u ondernemen?
Zie antwoord vraag 21.
De verkoop van Vivat (Reaal) aan Anbang |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Erik Ronnes (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Op welke gronden heeft De Nederlandsche Bank (DNB) de overname van Nationale Nederlanden door Anbang tegengehouden?1 Waarom is een overname van Vivat (Reaal) anders dan de overname van Nationale Nederlanden?
DNB heeft op grond van artikel 1:89 van de Wet op het financieel toezicht een geheimhoudingsplicht. Informatie over de beoordeling van een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar, zo die in het genoemde geval zou zijn ingediend, is toezichtvertrouwelijk. Ik beschik niet over die informatie.
Welke conclusie trekt u uit het feit dat ook de toestemming van de toezichthouders voor de verkoop van de Belgische tak van Delta Lloyd en de Belgische verzekeraar Fidea aan Anbang vertraging op heeft gelopen?
Geen. Ik heb geen informatie over die verkoopprocessen anders dan uit de media. Inmiddels heb ik begrepen dat de relevante toezichthouders hun toestemming hebben verleend.
Hebt u kennisgenomen van het bod dat Anbang op het Portugese Novo Banco heeft uitgebracht?
Ik heb deze geruchten in de media vernomen.
Is er overleg met de toezichthouders in bijvoorbeeld België en Portugal en de Europese toezichthouder?
Ja, DNB heeft regulier overleg met de andere Europese verzekeringstoezichthouders en binnen EIOPA.
Hoe beoordeelt u en/of DNB de overnamegolf van Anbang in Europa in het licht van de beoordeling of Anbang een stabiele partner is?
DNB heeft op 3 juli 2015 de benodigde verklaringen van geen bezwaar voor de overdracht van Vivat Verzekeringen verleend. Daaruit blijkt dat de toezichthouder geen aanleiding heeft gezien de overname door Anbang niet toe te staan. Inmiddels is de verkoop van Vivat Verzekeringen afgerond. Ik heb uw Kamer daarover bij brief van 26 juli 2015 geïnformeerd.
Snapt u de bezorgdheid onder klanten van Vivat (Reaal) over het verstrijken van de deadline voor de definitieve verkoop? Hoe kunt u hen geruststellen?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke manier is geborgd dat de pensioen- en verzekeringsrechten te allen tijde uitgekeerd worden en niet voor andere delen van het concern worden gebruikt?
De verzekeringsgroep Vivat en de individuele verzekeraars moeten voldoen aan de eisen uit alle relevante nationale (waaronder de Wet op het financieel toezicht, de Pensioenwet en de Wet bescherming persoonsgegevens) en Europese regelgeving. De Nederlandse toezichthouders, waaronder DNB, de AFM en het CBP zullen daarop toezicht (blijven) houden. Dit verandert niet nu Anbang de aandelen in Vivat verzekeringen heeft overgenomen van SNS REAAL.
Is de gegevensbescherming van de klantdata afdoende geregeld bij de overname door Anbang? Wordt dit door de Autoriteit Financiële Markten (AFM), DNB en het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) getoetst?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat tientallen miljoenen in de zorg aan onnodig fiscaal advies verspild zijn |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Tientallen miljoenen in zorg aan onnodig fiscaal advies verspild»?1
Ja.
Klopt het dat het oprichten van medisch specialistische bedrijven om te voorkomen dat medisch specialisten door veranderende declaratieregels hun ondernemersstatus zouden verliezen, achteraf bezien niet nodig is geweest?
In het hoofdlijnenakkoord medisch specialisten is afgesproken in de medisch specialistische zorg een systeem van integrale bekostiging in te voeren. Deze afspraak is in het Regeerakkoord bekrachtigd, in lijn met de zienswijze van de commissie Meurs. Met de invoering van integrale tarieven werd beoogd om de gelijkgerichtheid tussen ziekenhuizen en medisch specialisten te bevorderen. Door die wijziging is met ingang van 2015 onder andere het zelfstandig declaratierecht van de medisch specialisten bij de zorgverzekeraars komen te vervallen. Het Ministerie van Financiën is van mening dat met het vervallen van het zelfstandig declaratierecht en het daarmee verband houdende debiteurenrisico de voor de medisch specialisten resterende risico’s ceteris paribus in de regel van te geringe importantie zijn om tot fiscaal ondernemerschap te kunnen concluderen.
Integrale bekostiging houdt in dat het ziekenhuis de volledige vergoeding van de verzekeraar ontvangt voor het totaal van de geleverde zorgprestaties. De medisch specialistische zorg uitgevoerd door medisch specialisten die in loondienst bij het ziekenhuis zijn of door gecontracteerde vrijgevestigd medisch specialisten, maakt onderdeel uit van de totale zorgprestatie. Op welke wijze de zakelijke relatie tussen ziekenhuis en medisch specialist verder wordt vormgegeven, is overgelaten aan de sector. Daarbij heeft voor het kabinet steeds keuzevrijheid voorop gestaan: specialisten moeten een keuze hebben tussen werken in loondienst of in vrije vestiging. Voor een overstap naar werken in loondienst is een subsidieregeling in het leven geroepen die deze stap financieel ondersteunt.
Voor het blijven werken in vrije vestiging is zoals aangegeven het behoud van fiscaal ondernemerschap een relevant element. Mede om te voorkomen dat iedere specialist individueel duidelijkheid moet zoeken over de fiscale aspecten, maar eveneens om te voorkomen dat ieder ziekenhuis met elke maatschap individueel contractbesprekingen moest voeren, is op initiatief van de Federatie Medisch Specialisten (FMS), destijds nog de Orde van Medisch Specialisten, en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) een aantal organisatie- en besturingsmodellen ontwikkeld. De NVZ en de FMS hebben deze modellen vooraf bij het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst voorgelegd. Daarbij is besproken welke (fiscale) gevolgen daaraan zouden zijn verbonden. In het vooroverleg tijdens het tweede halfjaar van 2013 zijn door de veldpartijen modellen met een nadere uitwerking daarvan aangereikt op basis waarvan ziekenhuizen en medisch specialisten met inachtneming van hun wensen zelfstandig een modelkeuze kunnen maken. Men zocht zekerheid vooraf. Ik hecht eraan nadrukkelijk op te merken dat de Belastingdienst geen enkele druk op partijen heeft gezet om een bepaald model over te nemen.
In de gezamenlijke brief van NVZ en (toen nog) de Orde van Medisch Specialisten (OMS) van 17 december 2013 aan het Ministerie van Financiën zijn de diverse organisatie- en besturingsmodellen uitgebreid beschreven en nader uitgewerkt. Bij de »transparante» modellen gaat het erom dat de ondernemersrisico’s van voldoende substantie en gewicht zijn om het oordeel «fiscaal ondernemerschap» te kunnen dragen. Het Ministerie van Financiën is zoals reeds eerder vermeld van mening dat met het vervallen van het zelfstandig declaratierecht en het daarmee verband houdende debiteurenrisico de voor de medisch specialisten resterende risico’s ceteris paribus in de regel van te geringe importantie zijn om tot fiscaal ondernemerschap te kunnen concluderen. Dit standpunt is richting de betrokken partijen steeds toegelicht, en ook als uitgangspunt genomen in bovenvermelde brief van de NVZ en de OMS (zie hoofdstuk 1 van die brief).
In het krantenbericht waarnaar de vraagstellers verwijzen, wordt terecht erkend dat voor artsen die in één ziekenhuis werken, geen investeringen doen en geen personele kosten dragen, niets doen geen optie was. In deze gevallen zijn er namelijk na de wijziging in de bekostigingsstructuur onvoldoende risico’s om tot ondernemerschap te komen. Dat is in besprekingen met de veldpartijen zoals hiervoor al opgemerkt ook aangegeven en kon op hun instemming rekenen. Ik sluit aan de andere kant ook niet uit dat er in een enkel geval samenwerkingsverbanden kunnen bestaan waarbij ook na 1 januari 2015 sprake is van fiscaal ondernemerschap waarbij voorheen al voldoende ondernemersrisico’s werden gelopen. In een dergelijke situatie kan worden volstaan met noodzakelijke juridische aanpassingen voortvloeiend uit de gewijzigde juridische verhoudingen tussen ziekenhuis en vrijgevestigd medisch specialisten.
Als partijen er niet in slagen het verlies van het declaratierecht te compenseren, al dan niet binnen de bestaande organisatiestructuur (veelal een maatschapstructuur), kiezen zij in de meeste gevallen voor een niet-transparante structuur (een coöperatiemodel). Ik merk wellicht ten overvloede nog op dat voor het oordeel over het fiscaal ondernemerschap wordt gekeken naar het totaalbeeld dat ontstaat bij toetsing aan alle relevante criteria zoals die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld.
In onderdeel 2.1.1. van de hiervoorgenoemde brief van 17 december 2013 is een model beschreven waarbij ook na het vervallen van het zelfstandig declaratierecht de reeds eerder bestaande maatschap gewoon intact blijft. Oprichting van een nieuw Medisch Specialistisch Bedrijf (MSB) is niet noodzakelijk, mits de bestaande maatschap na het verlies van het zelfstandig declaratierecht en het daarmee verband houdende debiteurenrisico voldoende ondernemersrisico’s loopt zodat sprake is van fiscaal ondernemerschap.
Overigens merk ik op dat een MSB op basis van bedrijfseconomische en juridische aspecten, los van de fiscale aspecten, een zorgvuldige afweging moet maken voor het meest geschikte organisatiemodel in het kader van de integrale bekostiging. Het is aan de professionaliteit van partijen om hier op een adequate wijze invulling aan te geven. Ook op dit punt gold dat niets doen derhalve geen optie was. De suggestie als zou de wijziging van de organisatiestructuur – en de daarmee gepaard gaande kosten – louter en alleen zijn ingegeven door de fiscaliteit is derhalve onjuist. Het is verstandig dat veldpartijen zich goed hebben voorbereid op de invoering van integrale bekostiging, ook als het gaat om de fiscale consequenties. Het is niet aan mij om te oordelen of en in hoeverre zij daar externe partijen bij moesten inschakelen.
Klopt de stelling van Ivo Knotnerus uit het bericht dat «die veranderende declaratieregels irrelevant zijn voor de vraag of een medisch specialist kwalificeert als ondernemer of niet»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van Nika Stegeman uit het bericht dat er genoeg maatschappen zijn die al genoeg ondernemersrisico liepen of met minimale aanpassingen aan de eisen hadden kunnen voldoen en die zich nu onder druk in onnodig ingewikkelde fiscale constructies hebben gewrongen?
Zie antwoord vraag 2.
Is de Belastingdienst van mening dat vanwege het verdwijnen van het declaratierecht de medisch specialist moet compenseren op het gebied van inkomensrisico’s, investeringen in personeel en investeringen in materieel?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt artikel 3.5 Wet IB 2001 zich tot artikel 3.4 Wet IB 2001? Wordt aan artikel 3.5 Wet IB 2001 slechts toegekomen indien men niet voldoet aan de voorwaarden uit artikel 3.4 Wet IB 2001?
Bij de uitleg van het begrip «onderneming» wordt bij artikel 3.4 Wet IB 2001 door de wetgever aangesloten bij de definitie van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid waarmee wordt beoogd door deelneming aan het maatschappelijke productieproces winst te behalen. Vervolgens heeft de wetgever invulling van dit begrip bewust overgelaten aan de jurisprudentie. Bij het zelfstandig uitgeoefend beroep zoals bedoeld in artikel 3.5 Wet IB 2001 is het element «kapitaal» in de hiervoor vermelde definitie van minder importantie. Volgens de jurisprudentie, zowel die over artikel 3.4 als die over 3.5, is relevant dat er risico’s dienen te worden gelopen die verbonden zijn aan het ondernemerschap. Zoals opgemerkt, kan voor de aanwezigheid van een zelfstandig uitgeoefend beroep de inzet van «kapitaal» (waarbij kan worden gedacht aan het investeren in bedrijfsmiddelen) beperkt blijven.
Bij de te lopen risico’s tellen alle reële ondernemersrisico’s (personeel, investeringen, debiteuren, etc.) mee voor het oordeel omtrent het fiscaal ondernemerschap. Ik merk hierbij op dat in de praktijk enige onduidelijkheid is gerezen over de omvang van de te lopen personeelsrisico’s. De praktijk wijst uit dat dienstverbanden van personeel bij het ziekenhuis niet direct beëindigd kunnen worden en aansluitend weer worden aangevangen bij het MSB. Ik kan mij daarom – gelet op de juridische complicaties – voorstellen dat een meer economische benadering mogelijk is. Dat wil zeggen dat het MSB materieel volledig de werkgeversrisico’s draagt voor het bestaande personeel. Zoals hiervoor al is opgemerkt, gaat het er om of alle risico’s gezamenlijk voldoende gewicht in de schaal leggen.
Het valt niet in het algemeen aan te geven welke eisen specifiek voor de medisch specialisten gelden om als fiscaal ondernemer te worden aangemerkt. De relevante feiten en omstandigheden zijn doorslaggevend. Wel kan worden gezegd dat deze eisen voor iedereen gelijk zijn: medisch specialist of niet. De voor het ondernemerschap relevante aspecten zijn ontwikkeld in de jurisprudentie en staan opgesomd in de brief van 17 december 2013. In ieder geval geldt ook voor een zelfstandig beroepsbeoefenaar dat deze voldoende ondernemersrisico’s moet lopen wil hij fiscaal als ondernemer kunnen worden gekwalificeerd. De in diverse media verkondigde andersluidende opvatting (elke medisch specialist is reeds op grond van art. 3.5 Wet IB 2001 fiscaal ondernemer) is dan ook onjuist. In de besprekingen met de veldpartijen is dit standpunt door het Ministerie van Financiën ook altijd ingenomen.
Welke eisen gelden er voor de medisch specialist op grond van artikel 3.5 Wet IB 2001 om als ondernemer te worden aangemerkt?
Zie antwoord vraag 6.
Is bij de onderhandelingen tussen het Ministerie van Financiën, de Nederlandse Verenigng van Ziekenhuizen (NVZ) en de Orde van Medisch Specialisten (OMS) en een aantal grote belastingadvieskantoren tevens artikel 3.5 Wet IB 2001 aan de orde geweest? Zo ja, wat is daarover tijdens die overleggen geconcludeerd?
Zie antwoord vraag 6.
Kunnen medisch specialisten hun contract met een dan wel meerdere ziekenhuizen aan de Belastingdienst voorleggen op dezelfde wijze als de opdrachtgever en opdrachtnemer dat kunnen conform de Wet deregulering arbeidsrelaties? Zo ja, is het mogelijk dat een door de Belastingdienst goedgekeurde overeenkomst op de website van de Belastingdienst wordt gepubliceerd conform genoemde wet?
Ja, opdrachtgevers en opdrachtnemers kunnen ongeacht de sector waarin wordt gewerkt hun overeenkomst(en) aan de Belastingdienst voorleggen. Dit is voor medisch specialisten en voor ziekenhuizen niet anders. De Belastingdienst kan sectorale beoordeelde voorbeeldovereenkomsten en individueel beoordeelde overeenkomsten anoniem en na toestemming van de individuele belastingplichtige op zijn website plaatsen. Ik merk hierbij nog wel op dat binnen sommige sectoren, zoals die waarin een medisch specialist zijn werkzaamheden verricht, de besturings- en organisatiemodellen zodanig complex kunnen zijn dat ook de beoordeling van overeenkomsten vooraf erg feitelijk van aard is, waardoor de beoordeling maatwerk vereist.
De extra aandeelhoudersvergadering van de NS |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Farshad Bashir |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Klopt het dat er op 9 en 10 juli extra vergaderingen en aandeelhoudersvergaderingen van de NS gepland staan?1
Ja.
Kunt u de uitnodiging en het verslag van de aandeelhoudersvergaderingen aan de Kamer doen toekomen?
Bij de aandeelhoudersvergadering waren het Ministerie van Financien, NS en de heer Huges aanwezig. Het onderwerp van de aandeelhoudersvergadering was het voornemen om de heer Huges te ontslaan uit de functie van president-directeur van de N.V. Nederlandse Spoorwegen, voor het geval het door de heer Huges genomen ontslag van 5 juni en het door de aandeelhouder op 19 juni gegeven ontslag beide in rechte geen stand houden. Het verslag van de vergadering kan ik niet aan de Kamer sturen. Het ontslag is onderwerp in een juridische procedure. Openbaarmaking van het verslag kan de juridische positie van de staat schaden.
Kunt u ervoor zorgdragen dat indien er een vaststellingsovereenkomst gesloten wordt met de heer Huges, dat deze openbaar wordt (behalve natuurlijk de persoonlijke gegevens) en dat deze vastellingsovereenkomst in zijn geheel inzichtelijk is voor de leden van de Staten-Generaal, zodat zij hun controlerende taak kunnen uitoefenen?
Zie het antwoord op vraag 4 van het lid Bashir.