Zou u willen reageren op elk van de bevindingen in het artikel ««Zie de mens, niet het getal». Senioren lopen aan tegen «discriminatie op basis van leeftijd», ouderenorganisatie luidt noodklok»?1
Wat vindt u van het feit dat maar liefst een op de drie 65-plussers in Nederland te maken heeft gehad met discriminatie op basis van hun leeftijd?
Hoe brengt u discriminatie op basis van leeftijd in kaart? Welke onderzoeken zijn er gedaan naar discriminatie op basis van leeftijd? Welke onderzoeken naar discriminatie op basis van leeftijd zijn nu gaande?
Zou u inzicht willen geven in de bij u al bekende cijfers op het gebied van discriminatie op basis van leeftijd?
Zou u op elk van de in het aangehaalde nieuwsartikel genoemde voorbeelden en aspecten van discriminatie op basis van leeftijd willen reflecteren en daarbij willen ingaan op de vraag waarom het hier discriminatie op basis van leeftijd betreft, wat de impact van die vorm van discriminatie op basis van leeftijd is in het leven van mensen en waarom dit aspect van discriminatie op basis van leeftijd aangepakt zou moeten worden?
Welke actieplannen zijn er om discriminatie op basis van leeftijd in het financiële domein aan te pakken?
Bent u bekend met discriminatie op basis van leeftijd op het gebied van de limitieten van creditcards? Zo nee, zou u dit in kaart willen laten brengen? Zo ja, zou u deze informatie willen delen met de Kamer?
Zou u bij de voorgaande vraag ook willen ingaan op wat u concreet gaat doen om dit tegen te gaan?
Zou u bij de voorgaande twee vragen ook willen ingaan op welke verantwoordelijkheid banken en creditcardbedrijven op dit gebied hebben?
Hoe reflecteert u op het gegeven dat discriminatie op basis van leeftijd plaatsvindt in een sociale context waarbij mensen wellicht discriminatie kunnen ervaren, terwijl degene die dit overbrengt dit niet bedoeld heeft als discrimininatie op basis van leeftijd?
Hoe beziet u in het licht van de vorige vraag de discussie over discriminatie op basis van leeftijd binnen het terrein van werksituaties en arbeidsverhoudingen, zoals het bewust of onbewust doen van aannames over inzetbaarheid, promotiemogelijkheden, etcetera?
Welke actieplannen zijn er om discriminatie binnen werksituaties en op de arbeidsmarkt aan te pakken?
Bent u bekend met discriminatie op het gebied van leeftijd bij de verhuur van voertuigen? Zo nee, zou u dit in kaart willen brengen? Zo ja, zou u mogelijke maatregelen willen opsommen om dit tegen te gaan?
Zou u bij de voorgaande vraag ook willen aangeven welke van deze maatregelen u gaat uitvoeren?
Welke actieplannen zijn er om juist in te zetten op de meerwaarde die senioriteit met zich meebrengt, zoals wijsheid en levenservaring?
Hoe reflecteert u in het licht van de voorgaande drie vragen op discriminiatie op basis van leeftijd bij bijvoorbeeld autoverhuurbedrijven, waarbij senioriteit meer dan eens juist ruimere rijervaring betekent?
Hoe beziet u discriminatie op basis van leeftijd in het licht van de toenemende vergrijzing?
Zou u voorgaande vraag ook willen beantwoorden in het licht van het feit dat toenemende vergrijzing zorgt voor een noodzaak dat in veel sectoren juist extra mensen, in het bijzonder ook mensen op gevorderde leeftijd, nodig zijn in de economie, en dat discriminatie op basis van leeftijd mensen juist zal afhouden van doorwerken op latere leeftijd?
Zijn er cijfers en onderzoeken bekend van de economische impact van discriminatie op basis van leeftijd? Zo ja, zou u die met de Kamer willen delen, welke conclusies trekt u daaruit en welke acties bent u van plan om uit te voeren? Zo nee, zou u deze impact willen laten onderzoeken?
Zou u willen reageren op het onderzoek naar leeftijdsdiscriminatie van ANBO-PCOB en zou u daarbij op elk van de conclusies en aanbevelingen afzonderlijk willen ingaan?2
Zou u bij de beantwoording van voorgaande vraag ook per conclusie en aanbeveling willen ingaan op welke acties u aan die conclusie of aanbeveling verbindt?
Zou u willen reflecteren op welke rol gemeenten, als overheid die het dichtst bij inwoners staat, maar ook wijkteams en organisaties binnen het sociaal domein, kunnen spelen bij het signaleren en het aanpakken van discriminatie op basis van leeftijd?
Zou u op een rij willen zetten welke acties en maatregelen er worden genomen om andere vormen van discrimininatie tegen te gaan, en daarbij willen aangeven welke mogelijkheden er zijn om die acties en maatregelen ook toe te passen om discriminiatie op basis van leeftijd tegen te gaan?
Deelt u de analyse dat de Rijksoverheid juist veel ambitie zou moeten hebben op het gebied inzetten op de kracht van mensen op gevorderde leeftijd en de kansen die hier liggen? Zo ja, welke acties koppelt u hieraan?
Wat is in het licht van de voorgaande vraag de stand van zaken van het Pact voor de Ouderenzorg, waarin het niet alleen draait om het verbeteren van de kwaliteit van zorg, maar juist ook om de vergroting van waardering voor ouderen?
Welke acties heeft u voor ogen om de ambities uit het Pact voor ouderenzorg nieuw leven in te blazen?
Deelt u de opvatting dat in het licht van de vorige vraag ook de in het verleden opgezette actieagenda Eén tegen Eenzaamheid een weg vooruit biedt om de problematiek van discriminatie op het gebied van leeftijd te voorkomen?
Zo ja, welke plannen heeft u om de actieagenda Eén tegen Eenzaamheid verder uit te voeren, te versterken en uit te bouwen?
Zou u willen reflecteren op de vraag hoe het voorkomen van discriminatie op basis van leeftijd samenhangt met investeren in gemeenschapszin, sociale samenhang en het mensen in staat stellen voor het omkijken naar de ander?
Hoe beziet u in het licht van voorgaande vraag ook de samenhang met de voornemens om mensen langer thuis te laten wonen, zoals het Programma «Langer Thuis»?
Zou u in het licht van de voorgaande zeven vragen willen reflecteren op de vraag hoe de aanpak van discriminiatie op basis van leeftijd samenhangt met gemeenschapszin en de rol van verenigingen, vrijwilligerswerk, maatschappelijke organisaties en kerken, maar ook met initiatieven als de maatschappelijke diensttijd?
Deelt u de opvatting dat vooroordelen over en discriminiatie op basis van leeftijd onder andere voorkomen kunnen worden door de bekendheid en affiniteit met de belevingswereld van mensen van gevorderde leeftijd te vergroten? Zo ja, welke acties koppelt u hieraan?
Hoe beziet u in het licht van de voorgaande vraag maatschappelijke stages en de maatschappelijke diensttijd, die door jongeren onder andere wordt uitgevoerd in de ouderenzorg en bij hulp aan ouderen, en daarmee middelen zijn om jongeren kennis te laten maken met de genoemde belevingswereld?
Welke actieplannen zijn er om discriminatie op basis van leeftijd bij vrijwilligerswerk, vrijwilligersorganisaties, verenigingen en stichtingen aan te pakken?
De uitzending De onmisbaren: Huisartsen |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitzending De onmisbaren: Huisartsen?1
Ja, ik ben bekend met de uitzending De onmisbaren: Huisartsen. Het is belangrijk om de huisartsenzorg toekomstbestendig vorm te geven, omdat ik deze ook als onmisbaar zie in het Nederlandse zorgstelsel. Ik vind het belangrijk dat iedere inwoner van Nederland zich kan inschrijven bij een huisarts in de buurt. Om dit te bereiken is het belangrijk dat meer huisartsen met een vaste patiëntenpopulatie gaan werken. Op dit moment werk ik, zoals aangegeven in eerdere brieven aan uw Kamer, aan de concrete invulling van deze, in het hoofdlijnenakkoord en regeerprogramma opgenomen, ambitie. Met partijen spreek ik in de gesprekken over het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord onder andere over de arbeidsmarkt van de huisartsenzorg, en hoe we het doel «Iedereen een vaste huisarts» kunnen bereiken.
Kunt u aangeven hoeveel procent van de Nederlanders momenteel geen vaste huisarts heeft?
In mijn brief aan uw Kamer over de versterking van de eerstelijnszorg heb ik u geïnformeerd over het onderzoek van Nivel naar het aantal Nederlanders dat niet staat ingeschreven bij een huisartsenpraktijk2. Op basis van dit onderzoek3 schat Nivel dat 0,3% van de volwassen inwoners (36.800 mensen) van Nederland ongewenst niet staat ingeschreven bij een huisartsenpraktijk. Omdat sommige groepen ondervertegenwoordigd zijn in de steekproef is het daadwerkelijk aantal naar verwachting nog iets hoger.
Kunt u inzicht geven in het aantal huisartsen in Nederland per jaar over de afgelopen tien jaar?
Zoals door mijn voorganger is aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen van het lid Dijk (SP)4, waren er 8.600 werkzame huisartsen in het jaar 2000. Dit aantal is opgelopen tot 13.400 werkzame huisartsen in 2021 (zie ook figuur 1). Het aantal huisartsen is daarmee zowel absoluut als relatief toegenomen de afgelopen jaren. Ik hanteer hierbij het Nivel als bron en heb hiervan nog geen recentere cijfers.
Figuur 1. Aantal werkzame huisartsen in Nederland per type dienstverband in de periode 2000–2021.
Kunt u aangeven in welke specifieke regio’s van Nederland dit probleem speelt en hierbij een prognose geven van de komende vijf tot tien jaar?
De huisartsendichtheid per regio verschilt (zie figuur 2)5. Onder andere de regio’s Zuid-Limburg, Utrecht en Amsterdam hebben een hogere huisartsendichtheid dan andere regio’s, zoals West-Brabant.
Figuur 2. Huisartsendichtheid naar Regioplus-arbeidsmarktregio in 2020 (links) en 2022 (rechts).
Over de spreiding van het aantal mensen zonder vaste huisarts is op basis van het Nivel-onderzoek, uit mijn antwoord op vraag 2, geen uitspraak te doen. De monitor toegankelijkheid van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) geeft hier (beperkt) inzicht in6. Deze monitor laat zien dat Enschede, Leeuwarden, Hendrik-Ido-Ambacht, Vlissingen, Goes en Bergen op Zoom de gemeenten zijn met het hoogste aantal wachtenden voor een huisarts dat zich bij de zorgverzekeraars heeft gemeld. In vervolg op het onderzoek naar mensen die ongewenst niet staan ingeschreven, doet het Nivel ook onderzoek naar patiëntenstops bij huisartsenpraktijken. In dit onderzoek zal naar verwachting meer inzicht worden gegeven over de regionale spreiding van patiëntenstops. Ik verwacht uw Kamer hier spoedig over te kunnen informeren.
Verschillende rapporten hebben de afgelopen jaren prognoses gegeven over de arbeidsmarkt voor huisartsen7. Afhankelijk van de methodiek en de aannames komen daar verschillende beelden uit, waarbij veelal geen regionale uitsplitsing wordt gemaakt. Het meest recente onderzoek met een prognose per regio is een Nivel-onderzoek uit 20188. Meer recent heeft Nivel de arbeidsmarkt voor de huisartsenzorg per regio in beeld gebracht, inclusief de door huisartsenpraktijken zelf verwachte tekorten9. In de regio’s Haaglanden, Nieuwe Waterweg Noord, Rijnstreek en Zuidwest Nederland zijn er relatief de meeste huisartsenpraktijken die aangeven de komende 12 maanden een tekort aan huisartsen te verwachten. In Groningen, Friesland, Drenthe en Zuidwest Nederland geven de meeste praktijken aan problemen te hebben met het vinden van associés en/of praktijkopvolgers. Naar verwachting publiceert het Nivel dit voorjaar een nieuw onderzoek naar de arbeidsmarkt van de huisartsen.
Wat is het gemiddelde aantal patiënten per huisarts en per huisartsenpraktijk, en verschillen deze aantallen per regio?
De verantwoording van de tarieven in de huisartsenzorg 2025 van de NZa laat zien dat gemiddeld, op basis van de steekproef van de NZa, per fte praktijkhoudende huisarts 2.439 gerealiseerde inschrijvingen waren in 2022.
Per praktijk waren er gemiddeld 4.477 gerealiseerde inschrijvingen in 202210. Op basis van de steekproef kunnen geen uitspraken gedaan worden over regionale verschillen.
Het staat huisartsen vrij om zelf te bepalen hoeveel patiënten zij inschrijven. Afhankelijk van de zorgzwaarte van een patiëntenpopulatie kan een huisarts zelf bepalen of zij meer, of minder patiënten van goede kwalitatieve zorg kunnen voorzien en dus kunnen inschrijven.
Kunt u aangeven hoeveel procent van de huidige huisartsenpraktijken problemen ervaart in het vinden van beschikbaarheid van geschikte praktijkruimte?
Ik heb uw Kamer hier recent over geïnformeerd in de Kamerbrief over het PwC rapport en de Nivel factsheet, waarin de (financiële) knelpunten bij huisvesting van huisartsen en gezondheidscentra worden toegelicht11. In deze brief lichtte ik toe dat ongeveer de helft van de ondervraagde huisartsenpraktijken kampt met een gebrek aan geschikte huisvesting. De oorzaken van het ruimtegebrek zijn divers, waaronder het ontbreken aan uitbreidingsmogelijkheden in het huidige pand (75% van de praktijken met ruimtegebrek) en budgettaire redenen (28% van de praktijken met ruimtegebrek).
Kunt u inzicht geven in wat de belangrijkste obstakels zijn bij het vinden van geschikte huisvesting voor huisartsenpraktijken?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe worden huisartsenpraktijken gefinancierd in termen van vastgoed, en wat zijn de gevolgen van hoge vastgoedkosten voor huisartsenpraktijken?
In de beantwoording van Kamervragen van de leden Jansen en Welzijn (NSC) heeft mijn voorganger hier een toelichting op gegeven12. De NZa stelt periodiek de maximumtarieven voor de huisartsenzorg vast met een kostprijsonderzoek. In deze tarieven zitten de huisvestingskosten verdisconteerd. Deze tarieven worden jaarlijks geïndexeerd en het kostprijsonderzoek wordt periodiek herhaald. Op deze manier houdt de NZa met de tarieven rekening met de ontwikkelingen van inkomsten en uitgaven van huisartsenpraktijken, waaronder die voor huisvesting.
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten huisvesting voor huisartsen wordt meegenomen als onderdeel van nieuwbouwprojecten?
In de handreiking Huisvesting huisartsen en gezondheidscentra heb ik afspraken gemaakt met landelijke partijen, waaronder de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), over de rollen en verantwoordelijkheden van partijen als een huisarts met huisvestingsproblemen kampt13. De gemeenten hebben de maatschappelijke verantwoordelijkheid om mee te denken met zorgverzekeraars, regionale huisartsenorganisaties en huisartsen bij huisvestingsproblematiek. Handelingsperspectieven voor de gemeente zijn bijvoorbeeld eerstelijnszorg in omgevingsplannen opnemen, afspraken maken met woningbouwcorporaties over de bouw en beheer van buurtgezondheidscentra, of eerstelijnszorg opnemen in gemeentelijk vastgoedbeleid. Ik zie het niet als mijn taak om te monitoren of gemeenten huisvesting voor huisartsen meenemen in hun nieuwbouwprojecten. In de Verzamelbrief Eerstelijnszorg heb ik uw Kamer laten weten dat de betrokken partijen, waaronder de VNG, een uitvraag onder hun leden hebben gedaan om het effect van de Handreiking huisvestingsproblematiek inzichtelijk te maken14. De partijen laten weten dat een groot deel van de (ondervraagde) leden bekend is met de handreiking en dat zij zich blijven inzetten om de bekendheid van de handreiking onder hun leden te vergroten. In de praktijk zie ik ook steeds vaker gemeenten die rekening houden met huisvesting voor huisartsen, bijvoorbeeld als onderdeel van nieuwbouwprojecten.
Kunt u toelichten hoe de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)-tarieven voor huisartsen zijn vastgesteld en in hoeverre deze tarieven bijdragen aan het aantrekken en behouden van huisartsen, vooral in regio's met tekorten?
In mijn beantwoording van de vragen inzake het schriftelijk overleg over private equity in de zorg op 19 augustus jl. ben ik uitgebreid ingegaan op de wijze waarop de NZa tarieven in de huisartsenzorg vaststelt15. Kort samengevat stelt de NZa landelijk kostendekkende tarieven vast voor de huisartsenzorg, op basis van een periodiek kostprijsonderzoek. Als onderdeel daarvan stelt de NZa normatief vast wat een praktijkhouder zou moeten ontvangen voor eigen arbeidskosten, overeenkomend met de functiezwaarte (de «normatieve arbeidskosten component»). In de tussenliggende jaren indexeert de NZa jaarlijks de tarieven op basis van de verwachte, toekomstige loon- en prijsontwikkeling. De bekostiging van de huisartsenzorg biedt ook veel mogelijkheden om aanvullende maatwerkafspraken te maken tussen huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars. Dit kunnen bijvoorbeeld specifieke regionale afspraken zijn over het borgen van de toegankelijkheid van zorg in een regio.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel huisartsen in Nederland werkzaam zijn, en deze opsplitsen waarnemers, artsen in loondienst en praktijkhouders?
Zoals benoemd in mijn antwoorden op vraag 3 en 4 waren er in 2021 ruim 13.000 werkzame huisartsen16. Van hen werkte 21% van de huisartsen als wisselend waarnemer, 28% van de huisartsen in loondienst of als vaste waarnemer en 51% als zelfstandig gevestigde huisarts. Zie ook figuur 1. Over recentere cijfers beschik ik nog niet.
Kunt u aangeven hoeveel jaar gemiddeld verstrijken tussen het afronden van de huisartsenopleiding en het moment waarop huisartsen kiezen voor praktijkhouderschap?
De resultaten van de LOVAH-enquête laten zien dat 83% van de HAIOS binnen 10 jaar zichzelf al praktijkhoudend huisarts ziet17. Cijfers van het Nivel laten zien dat de leeftijd waarop de gemiddelde huisarts zich bindt aan een vaste populatie (praktijkhouder, loondienst of vaste waarnemer) 39 jaar was in 202218. Ik heb geen inzicht in hoeveel jaar er gemiddeld overheen gaan tussen het afronden van de huisartsenopleiding en het praktijkhouderschap.
Kunt u inzicht geven in welke factoren ertoe leiden dat steeds meer huisartsen kiezen voor waarnemerschap in plaats van het praktijkhouderschap?
De LOHAV-enquête geeft ook inzicht in de redenen waarom huisartsen niet (direct) kiezen voor het praktijkhouderschap. Redenen die worden gegeven zijn onder andere administratieve lasten, moeite om waarnemers te vinden, minder flexibiliteit, het aantal werkuren en de verantwoordelijkheid voor patiënten, personeel en praktijk. Onderzoek van het Nivel uit 2018 laat vergelijkbare resultaten zien19.
Welke voordelen en uitdagingen ziet u in huisartsen die kiezen voor duo-praktijkhouderschap?
Huisartsen bepalen zelf hoe zij hun praktijkhouderschap inrichten en of ze dus voor een duo-praktijkhouderschap kiezen. De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) heeft op de LHV website een aantal voordelen per praktijkvorm opgesomd om startende praktijkhouders te ondersteunen in het vinden van een praktijk die bij de huisarts zelf past.20
Kunt u aangeven op welke wijze er aandacht besteed wordt aan het praktijkhouderschap in huisartsenopleidingen?
In 2021 is de urgentie voor meer praktijkmanagement in de huisartsopleiding vastgesteld door de opleidingsinstituten. Dat heeft geleid tot een landelijk onderwijsprogramma praktijkmanagement, waarin het onderwerp praktijkhouderschap, naast andere organisatievormen, een nadrukkelijke plaats heeft.
Kunt u inzicht geven hoe vaak tools zoalsthuisarts.nl en moetiknaardedokter.nl geraadpleegd worden door patiënten en hoeveel huisartsenpraktijken deze aanraden aan hun patiënten?
Thuisarts.nl heeft mij laten weten dat in 2024 de website Thuisarts.nl 72 miljoen keer is bezocht. Thuisarts.nl houdt geen persoonsgegevens bij van bezoekers. Er is dus geen onderscheid te maken tussen verschillende typen bezoekers, zoals patiënten of zorgverleners. Huisartsen gebruiken Thuisarts.nl ter ondersteuning bij de diagnostiek en behandeling van aandoeningen die in de huisartsenpraktijk voorkomen. Het gebruik van Thuisarts.nl onder huisartsen is hoog. Uit een ledenpeiling van het Nederlands Huisartsengenootschap (NHG), in de begin periode van Thuisarts.nl, blijkt dat in 2018 reeds 98% van de huisartsen Thuisarts.nl gebruikt. Dit doen zij voornamelijk om patiënten informatie te bieden; 85% adviseert de patiënt om Thuisarts.nl thuis te gebruiken voor aanvullende informatie; 81% kijkt samen in de spreekkamer met de patiënt op de website21. Ik beschik niet over gegevens van moetiknaardedokter.nl.
NAVO-verplichtingen. |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Waarom kunnen de briefings1 die kabinetsleden hebben ontvangen over de NAVO-verplichtingen «vanwege de rubricering» niet met de Kamer worden gedeeld?
Wat voor rubricering hebben deze presentaties ontvangen en waarom?
Wie bepaalt de rubricering? De regering of de NAVO?
Is de regering in staat (bereid) de briefings op verzoek van de Kamer vrij te geven? Zo nee, waarom niet?
Waarom vonden de briefings plaats op het Ministerie van Algemene Zaken? Klopt het dat de briefings werden gegeven in het kader van de NAVO-verplichtingen (Ministerie van Defensie, Ministerie van Buitenlandse Zaken) door de AIVD (Ministerie van Binnenlandse Zaken) en de NCTV (Ministerie van Justitie)?
Heeft het Ministerie van Algemene Zaken wellicht een coördinerende rol gehad? Zo ja, waarom?
Zijn de briefings wellicht op initiatief van het Ministerie van Algemene Zaken georganiseerd? Zo ja, waarom?
Heeft de Minister-President zelf wellicht het initiatief genomen voor deze briefings? Zo ja, waarom? Was dit misschien op verzoek van zijn voorganger, voormalig Minister-President Rutte?
Hoeveel briefings (in het kader van de NAVO-verplichtingen) hebben de bewindslieden in totaal ontvangen?
Kan de Kamer een compleet overzicht ontvangen van alle briefings (in het kader van de NAVO-verplichtingen) die bewindslieden na hun aantreden hebben ontvangen, inclusief de namen van de bewindslieden die bij deze briefings aanwezig waren, de locatie waar de briefings plaats hebben gevonden, de instanties (AIVD of NCTV bijvoorbeeld) die de briefings hebben verzorgd en de rubricering van de briefings?
Herinnert u zich uw eerdere uitspraken, onder andere gedaan tijdens de plenaire vergadering van 24 oktober 2024, waarin u herhaaldelijk heeft gesproken over «NAVO-verplichtingen» waar we «aan gehouden zijn» (citaat uit dit debat: «NAVO-verplichtingen, daar zijn we aan gehouden»)? U herhaalde dit recent tijdens een interview met Ongehoord Nederland toen u over deze NAVO-verplichtingen zei «De oud-premier heeft deze afspraken getekend en wij houden ons daaraan»2, tegelijkertijd laat u in de schriftelijke beantwoording aan de Kamer echter weten dat deze afspraken «niet juridisch bindend» zouden zijn, is dit niet onderling tegenstrijdig aan elkaar? Zo nee, waarom niet? Is de regering nu wel of niet aan deze (door de voormalig Minister-President getekende) getekende afspraken/verplichtingen gebonden?
In beantwoording op vraag 9 wordt gesteld dat de weerbaarheidsdoelstellingen zouden zijn terug te vinden in de «Vilnius Summit Communiqué», waar exact zijn deze doelstellingen dan terug te vinden in dit Communiqué? Kunt u de Kamer deze doelstellingen (in plaats van een verwijzing) toesturen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het, zoals gesteld door journalist Eric van der Beek die beweert op basis van het antwoord dat hij hierover heeft ontvangen van de NAVO3, dat deze (weerbaarheids)doelstellingen helemaal niet omschreven staan in het Vilnius Summit Communiqué omdat ze volgens de NAVO «classified» zijn?
Zo nee, waarom niet en waarom schrijft de NAVO dit dan zelf in antwoord op de vraag van een journalist? Heeft de NAVO zich wellicht vergist?
Indien deze bewering van de NAVO wel correct is, waarom heeft u in antwoord op vragen naar deze doelstellingen dan verwezen naar het Vilnius Summit Communiqué waar deze dus niet in (kunnen) staan omdat ze volgens de NAVO «classified» zijn?
Kunt u een definitie geven van «weerbaarheid» en hier wellicht enkele concrete voorbeelden van geven?
U schrijft in de beantwoording dat Nederland zich gecommitteerd heeft aan de NAVO-brede Resilience Objectives, heeft de Kamer hiermee ook ingestemd?
Waarom is de huidige regering ook aan deze weerbaarheidsdoelen gecommitteerd? Waarom is de huidige regering gebonden aan een (juridisch niet bindende)afspraak («commitment») die is gemaakt door een voormalig Minister-President die bovendien is afgestraft bij de vorige verkiezingen?
U spreekt in dit verband, in antwoord op vraag 9, over «nationale doelen», welke nationale doelen zijn dit?
Worden deze doelen wellicht nog bijgesteld nu we lijken toe te bewegen, onder leiding van Trump, naar vrede met Rusland? Zo nee, waarom niet?
U spreekt ook over «implementatieplannen», kan de Kamer deze plannen ontvangen?
In uw antwoord op vraag 11 stelt u dat het «weerbaarheidsbeleid bestaat uit verschillende beleidsterreinen», welke beleidsterreinen zijn dit? Kan de Kamer een lijst ontvangen met alle beleidsterreinen waarvoor het «weerbaarheidsbeleid» van toepassing is?
Welke bewindslieden, behalve uzelf, zijn nog meer gebonden aan de «NAVO-doelstellingen»?
Kunt u deze vragen (in ieder geval) afzonderlijk en het liefst binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Het bericht ‘Minister Fleur Agema (PVV) past haar bezuinigingsplannen voor de zorg voor onverzekerden aan na kritiek op haar uitspraken in Zembla’ |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Klopt het bericht vanuit Zembla dat u voornemens bent de bezuiniging op de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV) in te vullen door de vergoeding voor artsen die deze hulp bieden te verlagen?1
In mijn brief2 van 18 december 2024 heb ik aangegeven dat ik de taakstelling van € 40 mln. betrek bij mijn ambitie om de onverzekerden problematiek aan te pakken en daarmee deze zorgkosten (onder de SOV) zoveel mogelijk wil voorkomen. Mede daarom werk ik aan een nieuwe wettelijke regeling voor de kosten van zorg aan onverzekerden en onverzekerbare vreemdelingen. Op advies van het CAK zullen de subsidieregeling medisch noodzakelijke aan onverzekerden (SOV) en de regeling onverzekerbare vreemdelingen (OVV) worden samengevoegd tot één wettelijke regeling. Deze regelingen bevatten nu verschillende vergoedingspercentages.
Klopt het bericht vanuit Zembla dat u voornemens bent om artsen inkomsten te laten terugverdienen als zij de taak op zich nemen om mensen te begeleiden naar een zorgverzekering of hun thuisland?
In mijn brief van 18 december 2024 heb ik aangegeven dat de SOV op dit moment een vergoeding van 100% van de hoger gelegen passantentarieven biedt voor alle zorg uit het basispakket, terwijl de OVV een vergoeding biedt van 80% tot 100% van de passantentarieven, afhankelijk van het type zorg en het wel of niet hebben van een overeenkomst met het CAK. De passantentarieven worden door de NZa vastgesteld en liggen hoger dan de tarieven die zorgverzekeraars en zorgverleners afspreken (contractprijzen).
Ik heb aangegeven dat ik bij de uitwerking van de nieuwe regeling rekening wil houden met de inspanningen die sommige zorgaanbieders plegen om naast medische zorg ook andere hulp te bieden aan onverzekerden. Zo hebben op dit moment straatartsen vaak contact met de gemeente om de dakloze persoon te helpen aan een briefadres en een zorgverzekering. Dankzij deze inspanningen wordt de onverzekerdheid verminderd en daarmee ook de zorgkosten die ten laste komen van de SOV. Ik wil verkennen of het uitvoerbaar is om deze zorgaanbieders een hoger vergoedingspercentages te geven, zodat dit werk kan worden voortgezet. Voor zorgaanbieders die uitsluitend zorg bieden vind ik het redelijk om een ander percentage van het passantentarief te vergoeden.
Kunt u toelichten welke plannen u exact heeft om de bezuiniging op de SOV vorm te geven?
Ik wil de taakstelling vooral bereiken door te werken aan maatregelen die leiden tot minder onverzekerden. In mijn brief van 18 december 2024 heb ik dit nader toegelicht. Daarnaast wil ik werken aan een doelmatigere regeling ter vervanging van de twee bestaande regelingen; SOV en OVV. De komende periode worden de plannen verder uitgewerkt.
In mijn brief van 18 december 2024 heb ik ook aangegeven dat het Ministerie van VWS in gesprek is met de gemeente Rotterdam en de straatartsen in Rotterdam om een onderzoekstraject uit te voeren in 2025 en 2026. In dit onderzoek zal worden onderzocht hoe de zorg aan verzekerbare onverzekerden en onverzekerbare vreemdelingen doelmatiger kan worden gefinancierd vanuit één geharmoniseerde verbeterde regeling. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de te verstrekken zorg in internationaal perspectief, andere financieringsstromen die zorgverleners ontvangen en maatregelen om de onverzekerden problematiek te verminderen.
Kunt u toelichten waarom u ervoor heeft gekozen uw plannen met de pers te delen, terwijl de Kamer hierover nog altijd niet geïnformeerd is? Deelt u de mening dat de Kamer als eerste geïnformeerd dient worden?
Ik heb mijn plannen toegelicht in mijn brief van 18 december 2024. Ik heb geen andere plannen dan deze gedeeld met de pers.
Kunt u toelichten op welke wijze u verwacht dat artsen onverzekerden zouden moeten begeleiden naar hun thuisland?
Ik zie mooie voorbeelden van lokale samenwerkingsverbanden, waarbij zorgverleners, de gemeente en stichtingen samenwerken. Bijvoorbeeld in Rotterdam werken de straatartsen, de gemeente en stichting Barka samen om een groeiende groep Oost-Europese dakloze personen te helpen. De uitkomst van deze hulp kan ook een warme terugkeer naar het land van herkomst betekenen. Dit is soms lastig, omdat werkloze arbeidsmigranten soms te maken hebben met gezondheidsproblemen en niet meer staan ingeschreven in het land van herkomst. Hierdoor kunnen zij bij terugkomst in het land van herkomst niet direct gebruikmaken van de sociale zekerheid van dat land.
Kunt u toelichten op welke wijze u verwacht dat artsen onverzekerden, die doorgaans geen mogelijkheid hebben om een zorgverzekering af te sluiten wegens verschillende redenen, zouden moeten begeleiden naar een zorgverzekering?
De hulp die zorgaanbieders kunnen bieden verschilt. In veel gemeenten werken zorgaanbieders samen met de gemeente, door bijvoorbeeld melding te maken van onder andere onverzekerdheid. De gemeente pakt het dan verder over. In de grote steden zijn vaak straatartsen actief. Zij bieden samen met hulpverleners soms aanvullende hulp bij het verkrijgen van een briefadres, het afsluiten van een zorgverzekering, et cetera. Ik vind het positief dat vanuit deze lokale samenwerkingsverbanden medische - en sociale hulp wordt geboden.
Kunt u aangeven of u onderschrijft dat onverzekerden recht hebben op gezondheidszorg?
Ik heb nooit aangegeven, of de suggestie willen wekken, dat dit niet het geval zou zijn. Ik vind het wel belangrijk dat zorgaanbieders, net als zorgaanbieders in andere EU-landen, kritisch kijken of zorgverlening medisch noodzakelijk is gegeven het tijdelijke verblijf van een vreemdeling.
Deelt u de mening dat het geven van een financiële prikkel aan artsen om onverzekerden zorg te weigeren ingaat tegen de beroepscodes en de eed die zij hebben afgelegd, namelijk dat iedere zorgvrager recht heeft op zorg en deze volgens het non-discriminatiebeginsel en gelijkheidsbeginsel behandelt wordt? . Kunt u aangeven of de verlaging van de vergoeding voor artsen geldt bij het bieden van hulp aan iedere onverzekerde, of enkel voor «artsen die onverzekerde arbeidsmigranten helpen» zoals in de berichtgeving van Zembla wordt gesuggereerd?
Zeker, en dat is wat ik doe.
Kunt u aangeven wat de verwachting is ten aanzien van de impact van de nieuwe vormgeving van de bezuiniging op de SOV op het aantal zieken?
In mijn brief van 18 december 2024 heb ik aangegeven dat ik bij de uitwerking van de nieuwe regeling rekening wil houden met de inspanningen die sommige zorgaanbieders plegen om naast medische zorg ook andere hulp te bieden aan onverzekerden. Voor zorgaanbieders die uitsluitend zorg bieden vind ik het redelijk om een ander percentage van het hogere passantentarief te vergoeden. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen onverzekerde personen. Op advies van het CAK zal de nieuwe regeling geen verschil maken tussen de vergoeding van zorg aan onverzekerden en onverzekerbare vreemdelingen. Dit verschil bestaat nu wel.
Kunt u aangeven wat de verwachting is ten aanzien van de impact van de nieuwe vormgeving van de bezuiniging op de SOV op het bieden van acute medische hulp aan onverzekerden?
Het is mijn inzet dat met de aanpak van onverzekerdheid de toegang tot de zorg wordt verbeterd voor onverzekerden en dat daarmee gezondheidsproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit voorkomt ook zorgkosten. De mate en wijze waarop de structurele taakstelling van € 40 miljoen wordt ingevuld met de in mijn brief genoemde maatregelen en de nieuwe regeling moet nog nader worden verkend.
Kunt u aangeven wat de verwachting is ten aanzien van de impact van de nieuwe vormgeving van de bezuiniging op de SOV op de zorgkosten voor onverzekerden?
Iedereen in Nederland die acute medische hulp nodig heeft ontvangt deze hulp. Het is aan de zorgaanbieders om te bepalen of deze zorg noodzakelijk is en welke zorg dan dient te worden gegeven. Dit verandert niet door deze plannen.
Kunt u aangeven of u heeft geïnventariseerd hoe de zorg voor onverzekerden internationaal geregeld is? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
In mijn brief van 18 december 2024 heb ik aangegeven dat ik wil werken aan maatregelen om de onverzekerdenproblematiek aan te pakken. Ik wil de taakstelling vooral betrekken bij deze ambitie, omdat daarmee zorgkosten worden voorkomen. Ik realiseer mij dat dit een lastige opgave is gegeven de afhankelijkheden. Bijvoorbeeld ten aanzien van de aanpak van misstanden met arbeidsmigranten en het verstrekken van briefadressen. Het is randvoorwaardelijk voor de invulling van de taakstelling dat op deze opgaven ook stappen worden gezet. Parallel werk ik aan een nieuwe regeling voor de kosten van zorg aan onverzekerden en onverzekerbare vreemdelingen. Mede vanwege het aflopen van de SOV per maart 2027. Voor de vormgeving van deze nieuwe regeling sta ik in goed contact met het CAK en veldpartijen.
Kunt u aangeven hoeveel onverzekerden momenteel medische hulp is geboden middels de SOV, uitgesplitst per groep (arbeidsmigranten, daklozen etc.)?
In mijn brief van 18 december 2024 heb ik aangegeven dat ik wil kijken hoe andere EU landen de zorg voor onverzekerden hebben vormgegeven. Ik betrek dit bij het onderzoektraject waarover ik in gesprek ben met de gemeente Rotterdam en de straatartsen in Rotterdam.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo snel als mogelijk, in ieder geval voor de sluiting van de inbreng van het schriftelijke overleg over deze bezuiniging, beantwoorden?
In mijn brief van 18 december 2024 heb ik, zoals verzocht in de motie Krul3, alle kwantitatieve gegevens met betrekking tot de subgroepen gegeven die op dit moment beschikbaar zijn. In de bijlage bij die brief heb ik tevens een kwantitatieve analyse van het CAK opgenomen. Ik wil u voor deze cijfers verwijzen naar die brief.
Bent u bekend met het bericht dat de genderpoli van het Amsterdam UMC voorlopig geen nieuwe volwassenen in behandeling neemt vanwege overbelasting?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de wachttijd voor een intakegesprek bij volwassenen inmiddels is opgelopen tot ruim 4,5 jaar?
Het Kennis & Zorgcentrum Genderdysforie (KZcG) van het Amsterdam UMC heeft geen patiëntenstop. Cliënten kunnen nog steeds naar het KZcG worden doorverwezen. Wel staan de wachttijden onder druk, waardoor er is besloten om tijdelijk geen nieuwe volwassen cliënten van de wachtlijst op te roepen voor een intake. Kinderen en adolescenten worden nog wel opgeroepen. Het KZcG heeft net als in heel Nederland te maken met een tekort aan psychologen. Door dit tekort staat de doorstroom van cliënten momenteel onder druk. Daarom is de keuze gemaakt om minder mensen in te laten stromen, om zo de interne wachtlijst zo veel mogelijk te beperken.
Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de algehele duur van de wachttijd. Het zorgtraject verschilt per individu en daardoor ook de wachttijd. Bovendien staan veel mensen bij verschillende zorgaanbieders op de wachtlijst. Het komt ook voor dat wachtenden op het moment van oproepen geen zorgvraag meer hebben, omdat ze inmiddels elders al in behandeling zijn. Door al deze factoren is het moeilijk te voorspellen wat de precieze duur van de wachttijd is. Momenteel is de genderkliniek van Amsterdam UMC bezig de zorgvraag van alle wachtenden uit te vragen. Op dit moment ziet het Amsterdam UMC in de praktijk dat ruim de helft van de volwassenen die gebeld is, al elders een vorm van zorg te hebben gehad.
Welke concrete stappen heeft u de afgelopen jaren ondernomen om de structurele tekorten in de genderzorg – zoals het tekort aan psychologen – aan te pakken?
Helaas zijn de wachttijden niet alleen in de psychologische transgenderzorg, maar ook in de bredere ggz op dit moment lang: met een groeiende zorgvraag aan de ene kant en groeiende personele schaarste aan de andere kant staat de sector onder druk. Het terugdringen van de wachttijden in de ggz is één van de doelen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA). Zo zijn afspraken gemaakt over het vergroten van behandelcapaciteit en het borgen van voldoende (zeer) complexe psychische zorg (cruciale ggz). De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport is voornemens om aanvullende maatregelen te treffen om de toegankelijkheid van de ggz te vergroten.2 In het voorjaar van 2025 zal de Staatssecretaris de Kamer uitgebreider informeren over zijn inzet. Daarnaast wordt een coördinerend platform transgenderzorg ingericht. Het platform zal zich onder andere bezighouden met het bevorderen van de uitbreiding van het zorgaanbod, onder andere door de samenwerking te versterken en de zorg daar waar mogelijk efficiënter in te richten.
Kunt u aangeven wat er tijdens het overleg tussen het Ministerie van VWS, zorgverzekeraars, ziekenhuizen, ggz-instellingen en patiëntenorganisaties is besproken en welke oplossingen hiervoor op korte en lange termijn in uitvoering zijn of komen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 3. Binnenkort gaat het landelijk platform transgenderzorg van start. Het is de bedoeling dat dit platform ook gaat zorgen voor meer samenwerking en spreiding van zorg.
Bent u bereid om op korte termijn aanvullende financiële middelen beschikbaar te stellen om de capaciteit van genderzorg (psychologen) te verhogen, bijvoorbeeld door de samenwerking tussen ziekenhuizen, ggz-instellingen en huisartsen te versterken? Zo nee, waarom niet?
Voor 2025 en 2026 is 30 miljoen toegevoegd aan het macrokader ggz ten behoeve van het terugdringen van de wachttijden in de ggz als geheel. Van deze middelen kan extra zorg geleverd worden.
Erkent u dat de (lange) wachttijden bij het Amsterdam UMC en andere genderpoli’s vaak schadelijke gevolgen hebben voor de mentale gezondheid van mensen op de wachtlijsten?
Ja. Het wachten op medische zorg bij een uitgebreide zorgvraag kan leiden tot levensjaren die verloren gaan en gevolgen voor de mentale gezondheid. Transvisie besteedt hier op haar website aandacht aan. Eerder hebben de UMC’s aangegeven dat er meer klinieken voor genderzorg nodig zijn in Nederland. Het is aan zorgverzekeraars om, daar waar goede zorg beschikbaar is, deze ook in te kopen voor haar verzekerden. Uiteraard moet er dan wel personeel beschikbaar zijn om deze zorg te leveren.
Hoe waarborgt u dat mensen die vanwege de zeer beperkte capaciteit in Nederland geen zorg kunnen krijgen, niet worden gedwongen om ongewenst en mogelijk risicovol uit te wijken naar alternatieven (in het buitenland)?
Zorgverzekeraars hebben zorgplicht. Daardoor zijn zorgverzekeraars verplicht om voldoende zorg in te kopen dan wel te vergoeden. Als er sprake is van een wachttijd die langer is dan de Treeknorm dan kan de verzekerde om zorgbemiddeling vragen bij de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar bekijkt dan waar de verzekerde snel(ler) terecht kan. Als dat niet lukt, kan de zorgverzekeraar ook de zorg van (bepaalde) niet-gecontracteerde aanbieders (in Nederland of een ander EU-land) vergoeden alsof er een contract is, om aan zijn zorgplicht te voldoen. Uiteraard is het een keuze van de betrokkene zelf of de zorgaanvraag in andere EU-lidstaten zich voor deze specifieke medische behandelingen leent.
Deelt u de stelling dat hier niet wordt voldaan aan de wettelijke zorgplicht? Zo ja, hoe gaat u de zorgverzekeraars hierop aanspreken?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u van mening dat het schrappen van de vereiste psychologische diagnose als voorwaarde voor toegang tot somatische transgenderzorg kan bijdragen aan het verlagen van de werkdruk onder psychologen en daarmee de wachttijden in de genderzorg kan verminderen? Zo nee, waarom niet?
Zorgverleners gaan over de manier waarop zij zorg verlenen voor zover het medisch inhoudelijke overwegingen betreft. Het is aan veldpartijen om hier gezamenlijk, in professionele standaarden en richtlijnen, invulling aan te geven. Op dit moment is de herziening van de Kwaliteitsstandaard in gang gezet. Hierbij wordt ook gekeken naar de module organisatie van zorg. De uiterste opleverdatum voor de herziene Kwaliteitsstandaard staat gepland voor september 20253.
Het bericht ‘Hoe zorginstellingen diplomafraude bestrijden: ‘Kwaadwillenden gaan ingenieus te werk’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Hoe zorginstellingen diplomafraude bestrijden: «Kwaadwillenden gaan ingenieus te werk»»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat diplomafraude vaak gepaard gaat met financieel misbruik van zorggeld, met onveiligheid voor patiënten en cliënten én gerelateerd is aan criminelen? Herkent u ook dat deze vormen van zorgfraude toenemen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer uw aanpak hiertegen verwachten?
Ik herken het beeld dat diplomafraude vaak gepaard gaat met misbruik van zorggeld, dat het raakt aan veiligheid en kwaliteit van zorg en een mate van verwevenheid heeft met criminaliteit. Dit is verschrikkelijk. Zorggeld moet gaan naar de zorg, en uiteindelijk naar de mensen voor wie er gezorgd moet worden.
Uw Kamer is op 27 juni 2024 geïnformeerd over de verkenning van de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) naar mogelijke misstanden in het opleiden in de zorgsector en de eventuele verbanden tussen deze mogelijke misstanden en de risico’s voor de zorg.2 Uit de verkenning blijkt dat de Inspecties een toenemende verwevenheid zien van zorg met criminaliteit en fraudenetwerken. In navolging van de verkenning van de Inspecties wordt gewerkt aan vervolgacties. Dit is in samenwerking met onder andere de betrokken ministeries, gemeenten, toezichthouders, opsporingsdiensten, zorgkantoren, zorgverzekeraars en opleiders.
Het doel van de aanpak is om het zo onaantrekkelijk mogelijk te maken voor criminelen om in het zorgdomein actief te zijn en om de zorgsector weerbaarder te maken tegen criminelen. Er wordt op drie speerpunten ingezet om dit doel te bereiken. Het gaat om (1) het opwerpen van barrières, (2) het vergroten van de weerbaarheid en (3) het verstevigen van toezicht, handhaving en opsporing. Uw Kamer wordt op korte termijn per brief over deze aanpak geïnformeerd.
Wat verwacht u van de verplichting (vanaf 1 januari jl.) om signalen van fraude bij het Informatieknooppunt Zorgfraude te melden? Op welke wijze gaat deze verplichting leiden tot meer signalen en wat gaat u hiermee doen? Bent u bereid om voor de zomer een eerste meldingenoverzicht met de Kamer te delen?
De Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) is per 1 januari 2025 in werking getreden. De mogelijkheden voor het uitwisselen van gegevens tussen de in de wet genoemde instanties in het zorgdomein zijn door deze wet vereenvoudigd, verbeterd en uitgebreid. Deze instanties worden beter in staat gesteld fraude te voorkomen en aan te pakken.
Stichting IKZ levert jaarlijks een rapportage op met daarin een overzicht van de signalen die het afgelopen jaar zijn ontvangen. De jaarrapportage wordt voor de zomer gepubliceerd en gedeeld met uw Kamer. Stichting IKZ is sinds 1 januari 2025 een zelfstandige juridische entiteit met een wettelijke taak en vervangt het samenwerkingsverband. Stichting IKZ bevindt zich momenteel in de overgangsfase van samenwerkingsverband naar stichting. Voor wat betreft het delen van een eerste meldingenoverzicht kan ik toezeggen dat ik in gesprek ga met Stichting IKZ om te kijken in hoeverre dit al mogelijk is voor de zomer, en anders later dit jaar zodra de stichting geheel zelfstandig operationeel is.
Op welke wijze verwacht u dat het Informatieknooppunt Zorgfraude met meer effectiviteit aan de slag kan om fraudesignalen op te volgen, fraude op te sporen en te sanctioneren? Is dit wat u betreft voldoende en zo nee, wat gaat u daaraan doen?
De inwerkingtreding van de Wbsrz zorgt ervoor dat problemen rondom het uitwisselen van gegevens bij het bestrijden van zorgfraude worden opgelost. Stichting IKZ kan een door instanties verstrekt signaal verrijken en vervolgens verstrekken aan de meest geëigende instantie(s). Instanties kunnen zo effectiever aan de slag om binnen hun taken en bevoegdheden opvolging te geven aan een signaal van zorgfraude. Deze instantie of instanties kunnen met het door Stichting IKZ verrijkte signaal fraude voorkomen, opsporen of sanctioneren. Stichting IKZ doet geen eigenstandig opsporingsonderzoek en heeft geen handhavende, toezichthoudende of opsporende functie, taken of bevoegdheden. Deze taken en bevoegdheden zijn belegd bij de controle-, toezicht-, en opsporingsinstanties.
Deelt u de mening dat het niet mogelijk zou moeten zijn voor zorgfraudeurs om opnieuw in de zorg aan de slag te gaan? Op welke manier gaat u een dergelijk beroepsverbod voor zorgfraudeurs mogelijk maken?
Samen met uw Kamer deel ik het standpunt dat het onwenselijk is dat zorgfraudeurs zomaar weer actief kunnen worden in de zorg. In aanvulling op de bestuurs- en beroepsverboden die al mogelijk zijn, zijn gerichte maatregelen getroffen om te voorkomen dat zorgfraudeurs (opnieuw) aan de slag kunnen gaan. Ik noem een aantal voorbeelden. In het kader van de vergunningplicht op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) kan naar het verleden van de dagelijkse leiding of de interne toezichthouders worden gekeken door een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te vragen of door een integriteitsonderzoek op grond van de Wet Bibob. De doelgroep voor de vergunningplicht is per 1 januari 2025 uitgebreid. Alle zorginstellingen moeten nu beschikken over een toelatingsvergunning, ook de kleinere zorginstellingen met 10 of minder zorgverleners.
Een andere belangrijke maatregel is de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) die per 1 januari 2025 in werking is getreden. Deze wet regelt onder meer een zogenoemd Waarschuwingsregister zorgfraude, waarin gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren zorgfraudeurs kunnen registreren. Het Waarschuwingsregister kan hiermee voorkomen dat fraudeurs in een andere gemeente of in een ander zorgdomein een doorstart maken.
Tot slot noem ik de Proeftuinen aanpak zorgfraude, waarvoor ik subsidie heb verleend. In de regio’s Twente en Hart van Brabant worden beproefde werkwijzen ontwikkeld, zoals een structurele inzet van de Wet Bibob bij de contractering van aanbieders. De VNG zorgt ervoor dat de resultaten van de proeftuinen met alle gemeenten worden gedeeld.
Heeft inmiddels uw eerdere toegezegde2 gesprek met de Minister van Justitie en Veiligheid over uitbreiding van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) tegen zorgfraude, plaatsgehad? Zo ja, wat heeft u afgesproken gezamenlijk te gaan doen tegen zorgfraude?
Er heeft ambtelijk een eerste verkennend gesprek plaatsgevonden met het Ministerie van J&V. Aan dit gesprek wordt op korte termijn vervolg gegeven door gezamenlijk te kijken, ook met het CIBG, zorgkantoren en gemeenten, hoe de Wet Bibob nog beter kan worden ingezet.
Bent u bereid om een overzicht te maken van uw beleid, uw beoogde wetsvoorstellen en handhavingsaanpak tegen zorgfraude en deze met de Kamer te delen, inclusief beoogde resultaten? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer die verwachten? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij vraag 2 wordt uw Kamer op korte termijn geïnformeerd over de aanpak om zorgfraude en zorgcriminaliteit zorg tegen te gaan. Ook ontvangt uw Kamer dit voorjaar een reactie op de signaleringsparagraaf uit de jaarbrief van de Taskforce Integriteit Zorgsector (TIZ).4
Het bericht ‘Studenten boos om uitblijven loon bij stages in zorg’ |
|
Jimmy Dijk , Sarah Dobbe |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Studenten boos om uitblijven loon bij stages in zorg»?1
Ik heb er begrip voor dat studenten boos zijn over het niet ontvangen van een stagevergoeding en er verschil van inzicht is over de interpretatie van de cao op dit punt. De verantwoordelijkheid voor de uitleg, handhaving en naleving van de cao ligt bij cao-partijen. Ik heb begrepen dat er overleg plaats vindt tussen de NFU en vakbonden over deze kwestie.
Deelt u de analyse van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb) dat de beslissing van de UMC’s om stagiairs van bepaalde opleidingen uit te sluiten van stagevergoedingen in strijd is met de cao?
Het is aan sociale partners om uit te leggen hoe deze afspraken geïnterpreteerd moeten worden. Ik wil en mag mij daar niet in mengen.
Is het toegestaan om op deze manier eenzijdig besluiten te nemen die tegen de cao ingaan? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
De verantwoordelijkheid voor de uitleg, handhaving en naleving van de cao ligt bij cao-partijen. Ik heb begrepen dat er overleg plaats vindt tussen de NFU en vakbonden over de uitleg van de cao. Indien partijen er onderling niet uitkomen, kunnen ze naar de rechter stappen. Hopelijk is dat in dit geval niet nodig.
Deelt u de analyse dat het onwenselijk is als stagiairs in de zorg geen stagevergoeding ontvangen, aangezien zij hier vaak niet naast kunnen werken en dit zorgopleidingen minder aantrekkelijk maakt?
Het is aan sociale partners om afspraken te maken in de cao over eventuele stagevergoedingen. Ik mag mij op grond van internationale verdragen hier niet in mengen.
Bent u van plan om de UMC’s aan te spreken op het niet uitvoeren van de cao? Zo ja, welke stappen gaat u daartoe zetten? Zo nee, wie moet er dan voor zorgen dat de cao wordt nageleefd?
Nee. Als Minister van VWS ben ik geen partij aan de cao-tafel. De verantwoordelijkheid voor de handhaving en naleving van de cao ligt bij cao-partijen zelf. Indien partijen er onderling niet uitkomen, dan kunnen ze via de rechter naleving van de cao vorderen.
Welke stappen kunt u zetten om ervoor te zorgen dat studenten die nu ten onrechte geen stagevergoeding krijgen deze alsnog met terugwerkende kracht krijgen?
De cao-partijen gaan zelf over de uitleg van de cao en de naleving. Ik ben hierin geen partij.
Het bericht van apotheker Daan Boellen over het door Coöperatie VGZ aanwijzen van het dure Molaxole als het preferente merk voor macrogol |
|
Daniëlle Jansen (NSC) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het bericht van deze apotheker op LinkedIn?1
Ja, ik ben op de hoogte.
In welke gevallen of situaties is het volgens u gerechtvaardigd dat een zorgverzekeraar kiest voor een duurder medicijn als preferent middel, terwijl er goedkopere generieke alternatieven beschikbaar zijn?
Zorgverzekeraars voeren voorkeursbeleid op geneesmiddelen die onderling uitwisselbaar zijn. Dit wordt het preferentiebeleid genoemd. Dat betekent dat verzekerden in principe aanspraak hebben vanuit hun zorgverzekering op het door de zorgverzekeraar als preferent aangewezen geneesmiddel. Binnen dit beleid wijzen zorgverzekeraars een preferent middel aan op basis van een (onderhands) offertetraject. Daarbij worden leveranciers in de gelegenheid gesteld om onder geheimhouding (formeel gezegd: «onder couvert») een prijs aan te bieden voor een door hen te leveren geneesmiddel dat onder de openbare lijstprijs (apotheekinkoopprijs, AIP) ligt. De leveranciers geven daarbij ook aan hoeveel korting de zorgverzekeraar krijgt ten opzichte van de lijstprijs. Deze couvertprijs is dus vertrouwelijk. Alle leveranciers doen dit en de zorgverzekeraar besluit welk middel van welke leverancier als preferent wordt aangewezen. Het geneesmiddel van de leverancier die de laagste couvertprijs biedt, wordt in de regel gekozen als preferent geneesmiddel. Daarnaast wordt door de betreffende zorgverzekeraar ook gekeken hoe goed de leverancier in het verleden het geneesmiddel heeft geleverd.
Het is dus in bepaalde situaties logisch wanneer zorgverzekeraars een middel met een hogere openbare lijstprijs als preferent middel aanwijzen, terwijl er alternatieven met een lagere openbare lijstprijs beschikbaar zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de leverancier van een middel met een hogere openbare lijstprijs een lagere couvertprijs aanbiedt dan de leveranciers van de andere middelen met een lagere openbare lijstprijs. In die situatie is het ogenschijnlijk duurdere medicijn in werkelijkheid goedkoper voor de zorgverzekeraar, en dus voor de premiebetaler, dan de alternatieven.
De door zorgverzekeraars met het preferentiebeleid behaalde kortingen dragen bij aan een betaalbare zorg. Er komt geld beschikbaar om andere zorg te betalen of om de zorgpremie te dempen.
Hoe verklaart u in dit specifieke geval de aanwijzing van Molaxole als preferent geneesmiddel (en tevens niet c.q. moeilijk leverbaar), gezien het aanzienlijke prijsverschil met goedkopere generieke alternatieven?
In het geval van macrogol, de werkzame stof van Molaxole, lijkt het zo te zijn dat het preferent aangewezen geneesmiddel duurder is dan de macrogol van andere leveranciers, omdat de openbare lijstprijs hoger is. Maar, zorgverzekeraar VGZ heeft mij laten weten dat de couvertprijs die is afgesproken met de leverancier lager is dan de lijstprijs van de alternatieven. De zorgverzekeraar, en dus de premiebetaler, betaalt juist minder.
Daarnaast heeft zorgverzekeraar VGZ aangegeven het signaal dat de Molaxole niet of moeilijk leverbaar is, niet te herkennen. Zij heeft hierover direct contact gehad met de leverancier. Molaxole is op dit moment volgens de leverancier gewoon leverbaar en ook voldoende op voorraad. Het CBG heeft mij laten weten dat er ook bij haar geen meldingen zijn gedaan van tekorten of leveringsonderbrekingen van Molaxole.
Indien het (tijdelijk) niet beschikbaar zijn van een goedkoper medicijn volgens u rechtvaardigt dat de zorgverzekeraar kiest voor een duurder medicijn als preferent middel, kunt u dan aantonen dat de goedkopere alternatieven van Molaxole (generieke merken macrogol) niet beschikbaar zijn/waren?
Dit is niet van toepassing. Zoals aangegeven door zorgverzekeraar VGZ is de Molaxole leverbaar en is deze voor hen ook niet duurder dan de alternatieve macrogol geneesmiddelen vanwege de (vertrouwelijke) couvertprijs die zij betalen.
Zijn er bij u meer signalen gekomen of bekend waaruit blijkt dat zorgverzekeraars duurdere merkmedicijnen aanwijzen zonder duidelijke meerwaarde? Zo ja, kunt u de meest recente signalen opsommen? Heeft u op deze signalen ook actie ondernomen?
Het geneesmiddel van de leverancier die de laagste couvertprijs biedt, wordt in de regel gekozen als preferent geneesmiddel. Het is dus in bepaalde situaties logisch wanneer zorgverzekeraars een middel met een hogere openbare lijstprijs als preferent middel aanwijzen terwijl er alternatieven met een lagere openbare lijstprijs beschikbaar zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de leverancier van een middel met een hogere lijstprijs een lagere couvertprijs aanbiedt dan de leveranciers van andere middelen. In die situatie is het ogenschijnlijk duurdere medicijn in werkelijkheid goedkoper voor de zorgverzekeraar dan de alternatieven.
De openbare lijstprijzen zijn dus niet de prijzen die de zorgverzekeraars betalen. De afgesproken prijzen zijn vertrouwelijk en ik heb dan ook geen inzicht in de prijzen. Wel kan ik aangeven dat ik geen signalen heb gekregen dat zorgverzekeraars in situaties zonder een couvertafspraak middelen met een hogere lijstprijs aanwijzen.
Kunt u toelichten hoe en door wie toezicht wordt gehouden op de keuzes van zorgverzekeraars binnen het preferentiebeleid? Zijn signalen bij u binnengekomen via de toezichthouder?
Het Besluit Zorgverzekering (artikel 2.8) biedt zorgverzekeraars de bevoegdheid om te bepalen welk geneesmiddel binnen een groep van geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof tot de aanspraak van de verzekerde behoort. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) controleert of zorgverzekeraars zich houden aan de regels die in het Besluit Zorgverzekering zijn gesteld voor het toepassen van het preferentiebeleid. Er zijn geen signalen bij mij binnengekomen via de toezichthouder.
Bent u op de hoogte van prijsafspraken tussen zorgverzekeraars in het algemeen en VGZ in het bijzonder, en de fabrikant van Molaxole? Zo ja, waarom zijn deze afspraken niet transparant?
Ik ben ervan op de hoogte dat zorgverzekeraars prijsafspraken maken met leveranciers als onderdeel van hun inkoopbeleid. Ik heb zorgverzekeraar VGZ gevraagd of zij prijsafspraken hebben met de leverancier van Molaxole. Daarop heeft zorgverzekeraar VGZ bevestigend geantwoord.
Dergelijke prijsafspraken zijn niet transparant, omdat leveranciers vanwege nationale en internationale concurrentiële nadelen niet willen dat de prijzen die de zorgverzekeraars betalen bekend worden gemaakt. Het is ook niet in het belang van de premiebetaler dat de couvertprijzen bekend worden gemaakt. De systematiek met couvertprijzen zorgt voor aanzienlijke besparingen en draagt daarmee mee aan de betaalbaarheid van de zorg.
Bent u op de hoogte van prijsafspraken tussen zorgverzekeraars en fabrikanten rondom andere geneesmiddelen? Zo ja, welke?
Voor preferent aangewezen producten geldt in het algemeen dat er een prijsafspraak gemaakt wordt. Ook voor sommige andere (vooral intramurale) producten maken zorgverzekeraars prijsafspraken. De kortingen die zorgverzekeraars met leveranciers afspreken zijn over het algemeen vertrouwelijk. Het gaat namelijk om concurrentiegevoelige gegevens. Zorgverzekeraars delen de kortingen met geen enkele partij, ook niet met het Ministerie van VWS.
Welke stappen heeft u ondernomen om geheime prijsafspraken tussen zorgverzekeraars en farmaceutische bedrijven te voorkomen?
Het is in het belang van de premiebetaler en de betaalbaarheid van zorg dat zorgverzekeraars de ruimte hebben om couvertprijzen af te spreken met leveranciers. De systematiek met couvertprijzen zorgt voor aanzienlijke besparingen en draagt daarmee bij aan de betaalbaarheid van de zorg. Ik zie dan ook geen reden om stappen te nemen.
Welke afspraken zijn er omtrent het preferentiebeleid van zorgverzekeraars en het openbaar maken van de onderliggende financiële afspraken met fabrikanten?
De fabrikanten bepalen zelf voor welke prijs zij hun product aanbieden in de inkoopprocedure. Vervolgens worden deze prijzen door de zorgverzekeraar niet openbaar gemaakt. Dit vanwege het concurrentiële nadeel. Wel maken zorgverzekeraars uiteraard tijdig bekend welke middelen zij preferent hebben aangewezen, zodat groothandels, apotheken en verzekerden daar rekening mee kunnen houden.
Indien afspraken over transparantie ontbreken, overweegt u om zorgverzekeraars te verplichten hun preferentiebeleid en de onderliggende financiële afspraken openbaar te maken? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat overweeg ik niet. De vertrouwelijke couvertprijzen maken het mogelijk dat fabrikanten hun producten tegen lagere prijzen kunnen aanbieden dan de openbare prijzen. Het preferentiebeleid en de couvertprijzen dragen op deze manier bij aan de betaalbaarheid van de zorg.
Indien de korting niet geheim zou zijn, zouden fabrikanten niet langer deze lagere prijzen aanbieden en zouden de kosten voor geneesmiddelen stijgen. Deze stijging ontstaat doordat dan de openbare prijzen door zorgverzekeraars betaald zullen moeten worden, en niet de lagere couvertprijzen.
Kunt u bevestigen dat door te kiezen voor een duurder merkmedicijn, zorgverzekeraars geneesmiddelen niet doelmatig inkopen?
Nee dat kan ik niet bevestigen. Zie daarvoor ook mijn eerder gegeven antwoorden. De openbare prijs is niet gelijk aan de couvertprijs, vanwege de daarbij aangeboden kortingen van de fabrikant. De vertrouwelijke couvertprijs is lager dan de openbare lijstprijs. In sommige gevallen is het aanwijzen van een merkmedicijn dus doelmatiger.
Deelt u de mening dat het preferentiebeleid op deze manier tot hogere zorgkosten leidt in plaats van lagere?
Nee, met het preferentiebeleid kunnen zorgverzekeraars geneesmiddelen doelmatig inkopen. Dit zorgt ervoor dat zorgverzekeraars een afname kunnen garanderen, waardoor zij kortingen kunnen krijgen bij de inkoop. Dit helpt juist om de zorg in Nederland betaalbaar te houden.
Kunt u aangeven in hoeveel gevallen de kosten van deze geheime prijsafspraken, waardoor de zorgverzekeraar minder betaalt voor een medicijn dan dat hij ervoor ontvangt via het eigen risico van de patiënt, terechtkomen bij de verzekerde zolang deze nog niet door het eigen risico heen is?
Zorgverzekeraars hebben de mogelijkheid om vormen van zorg vrij te stellen van het verplicht en vrijwillig eigen risico voor hun verzekerden. Verschillende zorgverzekeraars, waaronder zorgverzekeraar VGZ, stellen in dat kader preferente geneesmiddelen vrij van het eigen risico. Dus voor verzekerden van deze zorgverzekeraars heeft het preferentiebeleid naast de kostenbesparing op de premie ook nog het voordeel dat er voor de preferent aangewezen geneesmiddelen helemaal geen eigen risico in rekening wordt gebracht.
Ik heb geen inzicht in het aantal gevallen waarin verzekerden wel het eigen risico hebben betaald voor preferent aangewezen middelen bij zorgverzekeraars die ervoor kiezen deze kosten niet vrij te stellen van het eigen risico.
Hoe gaat u voorkomen dat verzekerden de dupe worden van hogere kosten van generieke medicijnen door dergelijke beslissingen?
Er is in deze casus geen sprake van een beslissing die heeft geleid tot hogere kosten voor verzekerden. Het preferentiebeleid heeft de afgelopen jaren voor besparingen gezorgd, wat resulteert in lagere zorgkosten.
Zorgverzekeraars hebben, zoals ik hierboven aangaf, zelf de mogelijkheid om vormen van zorg uit te sluiten van het eigen risico. Dit is één van de manieren waarop zorgverzekeraars zich van elkaar kunnen onderscheiden. Verschillende zorgverzekeraars maken van deze mogelijkheid gebruik door preferent aangewezen geneesmiddelen vrij te stellen van het eigen risico. Burgers kunnen dit meenemen bij de keuze van een zorgverzekeraar. Gezien de keuzevrijheid die burgers hiermee hebben zie ik geen aanleiding tot ander beleid.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de zorgkosten niet hoger worden door dergelijke beslissingen?
Er is in deze casus geen sprake van hogere zorgkosten. Het preferentiebeleid heeft de afgelopen jaren voor besparingen gezorgd. Dat resulteert in lagere zorgkosten. De geheime prijsafspraken van zorgverzekeraars met leveranciers dragen daaraan bij.
Wat zijn de consequenties voor zorgverzekeraars die keuzes maken die niet in lijn zijn met het doel van kostenbeheersing?
Ik wil voor de volledigheid ook hier opmerken dat er in deze casus geen sprake is van ondoelmatigheid of hogere zorgkosten. In het algemeen geldt dat zorgverzekeraars de taak hebben om geneesmiddelen doelmatig in te kopen. Daarvoor hebben zij onder andere de mogelijkheid om preferentiebeleid te voeren. De NZa controleert of zorgverzekeraars zich houden aan de regels in het Besluit Zorgverzekering bij het toepassen van het preferentiebeleid. Bij het niet naleven van de wettelijke regels kan de NZa handhaven en passende toezichtinterventies bepalen.
Kunt u deze vragen één voor één binnen drie weken beantwoorden?
Ik heb deze vragen één voor één beantwoord. Vanwege onder andere de voor de beantwoording van uw vragen noodzakelijke afstemming is beantwoording binnen drie weken helaas niet mogelijk gebleken.
Het personeelstekort in de kraamzorg |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het recente bericht dat gezinnen de prijs betalen van het personeelstekort in de kraamzorg?1
Ja, hier ben ik van op de hoogte. In de kraamzorg spelen al langere tijd capaciteitsproblemen, met name in de zomer. De oorzaak hiervan is een tekort aan kraamverzorgenden, de vakantie periode, een piek in de bevallingen in de zomer en ziekteverzuim. Het aanpakken van de personeelstekorten is een speerpunt van mijn beleid.
Kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars onderkennen het tekort en vinden het van cruciaal belang om moeder en kind de benodigde zorg te bieden. Daarom hebben Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Bo Geboortezorg voor een toekomstbestendige sector:
Ik waardeer de verantwoordelijkheid die beide partijen nemen en steun deze inspanningen, onder meer via kwaliteitsgelden voor de kraamzorg.
Kunt u de omvang van dit probleem aangeven? Hoe vaak komt het voor dat gezinnen niet het volledig aantal uren (standaard 49 uur) kraamzorg krijgen, slechts het wettelijk minimum van 24 uur of zelfs minder dan dat?
Ik vind het van belang dat de continuïteit en kwaliteit van zorg zoveel als mogelijk geborgd is. Hiervoor zijn zorgaanbieders en verzekeraars in eerste instantie verantwoordelijk. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ziet toe op de toegankelijkheid en zorgplicht van de zorgverzekeraars. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van zorg. Exacte aantallen zijn bij mij, ook na navraag bij de NZa en IGJ, niet bekend.
Is bekend in welke plaatsen en/of regio’s het personeelstekort het grootst is en dus het aantal uren kraamzorg het laagst?
Het is bekend in welke regio de problematiek het grootst is. Uitvraag bij ZN leert dat dit voornamelijk delen van de randstad en het zuiden van het land betreft. ZN en Bo Geboortezorg werken aan het verder inzichtelijk maken en duiden van de cijfers. Zo betreffen bijvoorbeeld de huidige cijfers alle gevallen waarbij er minder dan 24 uur kraamzorg geleverd is, ook in de situatie waarbij gezinnen er zelf voor kiezen om minder kraamzorg af te nemen, omdat zij deze zorg niet nodig achten. Om een gedetailleerder beeld te krijgen van de regio’s waar de problematiek het grootst is, is aanvullende informatie van belang.
Kunt u aangeven hoe zorgverzekeraars invulling geven aan hun zorgplicht als gezinnen minder dan het wettelijk minimum van 24 uur kraamzorg krijgen? Ziet de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)hier actief op toe?
Allereerst wordt er gewerkt aan een structurele oplossing, zoals in antwoord 1 aangegeven. Zorgverzekeraars en kraamzorgaanbieders zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de continuïteit en toegankelijkheid van kraamzorg. De zorgverzekeraar heeft zorgplicht, de NZa ziet hierop toe en onderzoekt specifieke regionale casuïstiek. Zorgverzekeraars en kraamzorgaanbieders stellen alles in het werk, om in ieder geval conform het convenant, het minimale aantal uren te leveren aan elke kraamvrouw die dat wenst.
In het Normenkader4 zijn afspraken gemaakt over de te nemen stappen wanneer het wettelijk minimum van 24 uur kraamzorg niet gegarandeerd kan worden. De preferente zorgverzekeraar(s) monitort dit samen met de betreffende regio.
Kunt u aangeven hoe groot het probleem van zorgmijding is vanwege de verplichte eigen bijdrage voor kraamzorg? Hoe vaak komt het voor dat (kwetsbare) gezinnen geen of minder kraamzorg willen omdat zij de eigen bijdrage niet kunnen betalen?
Uit de Monitor Kansrijke Start 20235 blijkt dat 4,8% van de gezinnen in 2022 geen kraamzorg heeft ontvangen. Voor gezinnen die te maken hebben met een kwetsbare situatie ligt dit percentage hoger (8,1%). De monitor toont aan dat gezinnen zonder kraamzorg vaker een laag inkomen hebben, maar geeft geen inzicht in waarom mensen afzien van kraamzorg.
Uit eerder onderzoek blijkt dat financiële overwegingen hierbij een rol spelen, maar niet de enige factor zijn. Onvoldoende toegespitste informatie over kraamzorg en eigen bijdrage kan ook van invloed zijn, vooral voor kwetsbare doelgroepen6. En de tekorten zijn ook een mogelijke factor.
Om te komen tot passende kraamzorg hebben Bo Geboortezorg en ZN een gezamenlijk visie en versnellingsagenda ontwikkeld. Hierin willen zij ook aandacht besteden aan de eigen bijdrage. Ik volg dit proces nauwgezet en houd vinger aan de pols.
Zijn er mogelijkheden om in specifieke gevallen, bijvoorbeeld bij kwetsbare gezinnen, geen eigen bijdrage te vragen, bijvoorbeeld via een hardheidsclausule?
De Zorgverzekeringswet (Zvw) biedt deze mogelijkheid niet. Er zijn wel andere maatregelen die verzekerden tegemoet komen in het betalen van de eigen bijdrage, zoals aanvullende verzekeringen die de eigen bijdrage dekken en gemeentepolissen voor minima. Daarnaast bieden zorgverzekeraars de mogelijkheid om de nota’s in delen te betalen.
Bij de afweging of het opnemen van een hardheidsclausule voor de eigen bijdrage in de Zvw mogelijk en wenselijk is, zijn er een aantal belangrijke overwegingen en uitdagingen, bijvoorbeeld op het gebied van administratieve lasten en privacy. Zie ook de Kamerbrief over een hardheidsclausule voor het eigen risico in de Zorgverzekeringswet7. Bovendien zijn er andere maatregelen beschikbaar. Om deze redenen ben ik geen voorstander van het onderzoeken van de mogelijkheden voor en het eventueel invoeren van een hardheidsclausule.
Kunt u aangeven hoe de huidige indicatiestelling van het aantal kraamzorguren zich verhoudt tot de beweging naar passende zorg? Hoe kan meer recht gedaan worden aan de verschillende zorgbehoeften van gezinnen?
Om meer passende kraamzorg te kunnen bieden, werkt de sector aan een nieuwe indicatiesystematiek, de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek (KLIM). Het verder uitwerken van de KLIM is onderdeel van de versnellingsagenda van Bo Geboortezorg en ZN.
Vanwege de schaarste wordt op dit moment ook met de huidige systematiek van indicatiestelling (Landelijk Indicatieprotocol (LIP)) al gekeken hoe de zorguren het beste verdeeld kunnen worden over de cliënten die zorg nodig hebben. De huidige indicatiestelling (LIP, KLIM pilot én Normenkader bij schaarste) blijft de manier van werken totdat de nieuwe indicatiesystematiek gereed is. Dit vergt tijd, maar met de komst van deze nieuwe indicatiestelling wordt de zorgbehoefte nauwkeuriger ingeschat. Daarmee krijgt de beweging naar passende zorg structureel vorm.
Kunt u bewerkstelligen dat de tarieven voor de kraamzorg reëel en kostendekkend zijn, waardoor de kraamzorgorganisaties financieel gezonde bedrijven worden en ruimte hebben om te investeren in de transitie van kraamzorg naar passende zorg?
De NZa voert kostprijsonderzoeken uit om tarieven vast te stellen, die jaarlijks worden geïndexeerd op basis van de door VWS aangeleverde percentages. Deze tarieven zijn kostendekkend en worden aangevuld met toeslagen voor de Vergoeding Gederfd Rendement Eigen Vermogen (VGREV), zodat zorgaanbieders ruimte hebben voor investeringen. Beleidswijzigingen worden elke 8 weken besproken en kunnen leiden tot structuur- en/of tariefwijzigingen. Daarnaast kunnen normatieve elementen, mits deze goed onderbouwd zijn, meegenomen worden.
Voor de eerstelijns kraamzorg en eerstelijns verloskunde zijn de kostprijsonderzoeken recent gestart. In het kostprijsonderzoek van de eerstelijns kraamzorg wordt aanvullend onderzoek gedaan naar normatieve kostenstijgingen in de jaren volgend (2024/2025) op het onderzoeksjaar (2023) om te bepalen of deze kosten in de nieuwe maximumtarieven eerstelijns kraamzorg van 2026 verwerkt moeten worden. Beide kostprijsonderzoeken worden in het tweede kwartaal van 2025 voltooid om tijdig de nieuwe maximumtarieven te kunnen vaststellen voor boekjaar 2026.
Bent u bereid om extra middelen ter beschikking te stellen aan de kraamzorgsector om de noodzakelijke transitie die in de toekomstvisie van de kraamzorg is opgenomen uit te kunnen voeren?
Ik vind het belangrijk dat kraamvrouwen, hun pasgeborene(n) en gezin de zorg krijgen die zij nodig hebben en dat kinderen een goede start maken. Ik ben daarom blij dat Bo Geboortezorg en ZN hun verantwoordelijkheid hebben genomen en werken aan een toekomstbestendige sector. Een aantal van de ontwikkellijnen uit de versnellingsagenda, kan gerealiseerd worden vanuit de kwaliteitsgelden voor de kraamzorg, waarvoor ik jaarlijks € 500.000 via ZonMw beschikbaar stel. Verder loopt er een aanvraag voor transformatiemiddelen (IZA) en zijn er vanuit het ZonMw programma Zwangerschap & Geboorte III middelen beschikbaar voor onderzoek.
Erkent u dat het vak van kraamverzorgenden aantrekkelijker gemaakt moet worden door een beter passende beloning voor kraamverzorgenden te realiseren (onder meer de loonkloof dichten en een hogere vergoeding voor wachtdiensten)?
De aantrekkelijkheid van werken in de zorg is niet enkel afhankelijk van het salaris. Zaken als professionele autonomie, zeggenschap en ontwikkelmogelijkheden spelen ook een grote rol in de keuze om wel of niet in de zorg te (blijven) werken. Ik stel ieder jaar extra marktconforme arbeidsvoorwaardenruimte (ova) beschikbaar via ophoging van de financiële kaders en de gereguleerde tarieven. Zo ook voor de kraamzorg. Het is aan sociale partners om op basis hiervan te komen tot passende cao-afspraken.
Daarnaast heb ik van Bo Geboortezorg meegekregen dat door vergrijzing en personeelstekorten de uitstroom in de kraamzorg groter is dan de instroom. Daarnaast is ook de werk-privébalans door zorgverdeling en een toename in het aantal zzp’ers, verder onder druk komen te staan. Dit laat zien dat de oorzaak én oplossing niet (enkel) financieel is. De versnellingsagenda bevat acties om de instroom van personeel, de werk-privébalans en de balans tussen zzp'ers en kraamverzorgenden in loondienst te verbeteren.
Kan het opleidingsfonds dat in 2024 beschikbaar was voor het opleiden van extra kraamverzorgenden gecontinueerd worden?
Navraag bij ZN leert dat het opleidingsfonds en de effecten daarvan tot in ieder geval 2026 doorlopen. Het is de bedoeling dat hiermee maximaal 400 extra opleidingsplekken gevuld worden die daarna zelfstandig hun vak kunnen uitoefenen. Naar verwachting zullen de effecten hiervan de komende 2 jaar zichtbaar worden.
Het bericht dat gezinnen de prijs betalen voor structurele tekorten in de kraamzorg |
|
Sarah Dobbe |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat gezinnen de prijs betalen voor structurele tekorten in de kraamzorg?1
Ik vind het belangrijk dat zwangeren en hun partners de zorg krijgen die zij nodig hebben en dat kinderen een goede start hebben, en dat kinderen een goede start in het leven maken. Helaas is de krapte op de arbeidsmarkt een zorgbreed probleem, dat ook de kraamzorg raakt. De afgelopen tijd hebben zorgverzekeraars en kraamzorgaanbieders zich ingespannen om iedere kraamvrouw die dat wil te voorzien van kraamzorg. Ik vind het vervelend dat het ondanks al deze inspanningen nog niet altijd lukt om iedere zwangere die dit wil, van kraamzorg te voorzien. Het blijft een gezamenlijke opdracht om de krapte in de kraamzorg te verminderen en passende zorg beschikbaar te houden voor alle zwangeren en hun gezinnen.
Met oog op het werken aan een toekomstbestendige sector hebben Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Bo Geboortezorg een convenant2 afgesloten. Hierin zijn onder andere afspraken gemaakt over het opleiden van extra kraamverzorgenden en het waarborgen van het minimaal aantal uren kraamzorg voor elke kraamvrouw. Daarnaast hebben ZN en Bo Geboortezorg een gezamenlijke toekomstvisie opgesteld, die verder wordt uitgewerkt in een versnellingsagenda kraamzorg. Voor de korte termijn zijn er aanvullende afspraken gemaakt over de zorglevering in 2025. Ik waardeer dat beide partijen hun verantwoordelijkheid hebben genomen en werken aan een toekomstbestendige sector. Het Ministerie van VWS ondersteunt deze inspanningen onder meer via kwaliteitsgelden voor de kraamzorg.
Hoe reageert u op de signalen dat steeds meer gezinnen aangeven de eigen bijdrage voor kraamzorg niet te kunnen betalen en dat het aantal gezinnen dat minder kraamzorg krijgt vanwege de kosten in drie jaar is verdriedubbeld? Hoe verhoudt dit zich tot het belang dat het kabinet hecht aan de eerste 1.000 dagen van kinderen?
Ik vind het belangrijk dat zorg terecht komt bij de gezinnen die dit het hardst nodig hebben en dat kinderen een goede start maken. Ik vind het daarom zorgwekkend dat steeds meer gezinnen ervoor kiezen af te zien van kraamzorg.
Op landelijk niveau zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal mensen en de exacte reden waarom zij afzien van kraamzorg. Wel blijkt uit onderzoek3 dat niet alleen financiële overwegingen reden zijn voor het minder of niet gebruiken van kraamzorg. Dit ligt genuanceerder. In sommige gevallen is bijvoorbeeld de informatie over de kraamzorg en de eigen bijdrage onvoldoende toegespitst op kwetsbare doelgroepen, waardoor zij afzien van kraamzorg. Ook kunnen de tekorten in de sector een rol spelen bij de verminderde afname van kraamzorg.
Om passende kraamzorg te realiseren is er door Bo Geboortezorg en ZN een gezamenlijk visie en versnellingsagenda voor de kraamzorg ontwikkeld4. De twee partijen willen hierin ook aandacht besteden aan de eigen bijdrage. Ik volg dit proces nauwgezet en houd vinger aan de pols.
Deelt u de mening dat het idee van gelijke kansen een keiharde leugen blijkt op het moment dat u mensen vanaf dag één beboet door het opleggen van een eigen bijdrage als ze hun kind een goede start willen geven? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Ik vind het belangrijk dat kraamvrouwen, hun pasgeborene(n) en gezin de zorg krijgen die zij nodig hebben en dat kinderen een goede start maken. Vanuit het Ministerie van VWS wordt dit bijvoorbeeld ondersteund door middel van het landelijk actieprogramma Kansrijke Start. Ook worden gemeentepolissen voor minima aangeboden voor het dekken van de eigen bijdrage.
Zoals aangegeven bij vraag 2, zijn financiële overwegingen niet de enige reden om af te zien van kraamzorg. Ook informatievoorziening en de tekorten in de sector spelen hierin een rol.
Ik ben blij dat Bo Geboortezorg en ZN werken aan een toekomstbestendige sector en passende kraamzorg. Ik acht het van groot belang dat zij uitvoering geven aan de versnellingsagenda en de komende maanden betekenisvolle stappen zetten. Het Ministerie van VWS ondersteunt deze transitie onder andere via kwaliteitsgelden voor de kraamzorg en aanvullende onderzoeksmiddelen via het ZonMw programma Zwangerschap en geboorte III.
Bent u bereid om de eigen bijdrage voor kraamzorg af te schaffen, zodat kraamzorg niet langer ontoegankelijk wordt gemaakt voor ouders met een lager inkomen?
Het afschaffen van de eigen bijdrage voor de kraamzorg kost circa 25 miljoen. Ik heb daar geen dekking voor. De kraamzorg is wel uitgezonderd van het eigen risico.
In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat met ingang van 2027 het eigen risico meer dan gehalveerd wordt door deze te verlagen naar € 165,–. Daarnaast wordt vanaf 2027 het eigen risico voor de medisch specialistische zorg met de tranchering gemaximeerd op € 50,– per behandeling. Deze maatregelen zorgen voor een gelijkwaardigere toegang van zorg voor alle verzekerden.
Hoe verhoudt de vergoeding van wachtdiensten bij kraamverzorgenden zich tot de vergoedingen voor wachtdiensten in andere (deel)sectoren? Kunt u dit met een tabel inzichtelijk maken?
De afspraken over de vergoeding van bereikbaarheidsdiensten verschillen per cao en zijn lastig te vergelijken. Weergave in een tabel is daarom niet mogelijk. In sommige cao’s gaat het om een vergoeding per dienst, in andere cao’s om een vergoeding per uur. Ook kan er sprake zijn van een vergoeding in vrije tijd. Op basis van een aantal cao’s beschik ik over onderstaande informatie. Het uitleggen van de cao-afspraken is echter aan sociale partners.
In de Cao Kraamzorg is voor maandag t/m vrijdag per blok van maximaal 8 uur een bruto vergoeding van € 11,44 opgenomen. Zaterdag, zondag en feestdagen is de bruto vergoeding per blok van maximaal 8 uur € 17,16. Indien de werknemer tijdens het «wachtdienstblok» niet is opgeroepen voor het verlenen van partusassistentie of ingezet voor een verzorging, ontvangt de werknemer 150% van de vergoeding van dát «wachtdienstblok».
Ter vergelijking: in de Cao VVT is de vergoeding voor bereikbaarheids- of consignatiedienst van maandag t/m vrijdag tussen 06.00 en 00.00 uur € 3,50 per uur. Voor bereikbaarheids- of consignatiedienst op zaterdag, zondag, feestdag en in de nacht is dat € 7,00 per uur. In de Cao Ziekenhuizen is de vergoeding per bereikbaarheidsdienst van 12 uur op feestdagen € 162,50, op zaterdagen en zondagen € 137,50 en op overige dagen € 87,50. In de Cao Gehandicaptenzorg ontvangen medewerkers voor de uren doorgebracht in bereikbaarheids-, consignatie- en consultatiedienst een compensatie in vrije tijd, namelijk per uur 3/18 op erkende feestdagen, 2/18 op zaterdagen en zondagen en 1/18 op overige dagen.
Deelt u de analyse dat de slechte betaling van wachtdiensten verbeterd moet worden om het tekort aan kraamverzorgenden aan te pakken?
Nee, deze analyse deel ik niet. Bijna alle sectoren in de economie hebben namelijk te maken met personeelstekorten. Ook deelsectoren met hogere vergoedingen voor bereikbaarheidsdiensten, zoals bijvoorbeeld de ziekenhuizen, hebben last van personeelstekorten. De aantrekkelijkheid van werken in de zorg is niet enkel afhankelijk van het salaris. Zaken als professionele autonomie, zeggenschap en ontwikkelmogelijkheden spelen ook een grote rol in de keuze om wel of niet in de zorg te (blijven) werken. Het uitstroomonderzoek van RegioPlus5 laat zien dat arbeidsvoorwaarden niet bij de eerste 5 redenen staat om te vertrekken bij een werkgever. Om personeel te behouden zijn in eerste instantie werkgevers aan zet. Via de leidraad vakmanschap en werkplezier – die ik als bijlage bij het aanvullend zorg en welzijnsakkoord naar uw Kamer zal sturen – zal ik op basis van voorlopers handvatten bieden aan werkgevers om hier verder mee aan de slag te gaan.
Tot slot wil ik benadrukken dat sociale partners in de zorg besluiten en afspraken maken over de arbeidsvoorwaarden en daarmee ook over de vergoeding van wachtdiensten. Ik ben geen partij aan de cao-tafel en mag mij hier op grond van internationale verdragen ook niet in mengen.
Bent u bereid om via de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (OVA)-middelen voldoende budget beschikbaar te stellen om een betere vergoeding van wachtdiensten mogelijk te maken?
Ik stel ieder jaar extra marktconforme arbeidsvoorwaardenruimte (ova) beschikbaar via ophoging van de financiële kaders en de gereguleerde tarieven. Zo ook voor de kraamzorg. Het is aan sociale partners om op basis hiervan te komen tot passende cao-afspraken. De beloning en invulling van wachtdiensten maken daar ook onderdeel vanuit. VWS is geen partij aan deze cao-tafel en mag zich op grond van internationale verdragen ook niet met deze afspraken bemoeien. Uiteraard dienen de afspraken over wachtdiensten en de toepassing daarvan in de praktijk -daarbij wel in lijn te zijn met wet- en regelgeving, zoals de Arbeidstijdenwet en de Wet Minimumloon.
Als u meer budget beschikbaar wil stellen, heeft u daar dekking voor nodig.
De pandemische paraatheid van Nederland in het licht van recente internationale ontwikkelingen en aangekondigde bezuinigingen. |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Wieke Paulusma (D66) |
|
Fleur Agema (PVV), Wiersma |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Virus maakt opmars in China, beelden van volle ziekenhuizen»?1
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Eyeing Potential Bird Flu Outbreak, Biden Administration Ramps Up Preparedness»?2
Ja.
Kunt u reageren op de beslissing van de Verenigde Staten om extra geld toe te wijden aan pandemische paraatheid, in het licht van recente virusuitbraken?
Het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid, het US Department of Health and Human Services (HHS), heeft 17 januari jl. bekend gemaakt dat het 590 miljoen dollar zal investeren in de ontwikkeling van een mRNA-gebaseerd vaccin van het farmaceutische bedrijf Moderna voor de mogelijke inzet tegen pandemische influenza, waaronder ook ten behoeve van een H5N1 mRNA vaccin tegen de vogelgriep. Deze investering komt bovenop eerdere steun van de Amerikaanse overheid aan het bedrijf in 2023 om een mRNA vaccin te ontwikkelen tegen pandemische influenza. De ontwikkeling van nieuwe vaccins is een belangrijk onderdeel van de paraatheid en respons tegen toekomstige grootschalige uitbraken van infectieziekten. In die zin juich ik dergelijke investeringen toe, ook omdat in de Verenigde Staten op dit moment een uitbraak van vogelgriep onder melkkoeien plaatsvindt.
Een vaccin wordt pas ingezet als er een uitbraak van een virus als vogelgriep is. Ik ben van mening dat het erg belangrijk is om ook aan de preventieve kant de monitoring en surveillance systemen optimaal in te zetten en maatregelen te treffen om een uitbraak zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Op Europees niveau zijn in de afgelopen jaren gezamenlijke aanbestedingen gedaan in beschikbaarheidscontracten voor de productie van pandemische griepvaccins, om in tijd van crisis snel te kunnen beschikken over grote hoeveelheden vaccins, en in noodvoorraden en productiecapaciteit voor op eiwit gebaseerde vaccins tegen de in de EU vigerende variant van de vogelgriep. Ons land neemt aan deze contracten deel. Ten slotte heeft de Europese Commissie beschikbaarheidscontracten afgesloten met een aantal Europese fabrikanten voor de productie van ruim 325 miljoen vaccins, waaronder eiwit gebaseerde vaccins, vector gebaseerde vaccins en ook mRNA vaccins. Ten slotte investeert de Europese Unie ook in belangrijke mate in de ontwikkeling van EU-samenwerking rondom en in de ontwikkeling van nieuwe vaccins. Hiervoor was in 2024 ruim 149 miljoen euro beschikbaar.3
Kunt u aangeven of en hoe er overleg plaatsvindt met uw Europese collega’s over deze mondiale pandemische ontwikkelingen?
Na de Covid-19 pandemie is er op Europees niveau een uitbreiding van wet- en regelgeving en instrumenten geweest. Zo is in 2022 de verordening Ernstige Grensoverschrijdende Gezondheidsbedreigingen (EU-verordening EU/2022/2371) aangenomen, met daarin een versterking van instrumenten, structuren en mechanismen op het vlak van preventie, paraatheid en respons, met name ook rondom infectieziekten en een mogelijke pandemie. Ook is er een Europees noodkader vastgesteld door de Raad (Raadsverordening EU/2022/2372), met daarin opschalingsmogelijkheden om de beschikbaarheid van medische producten te borgen in crisistijd. De EU heeft daarmee aanvullende, coördinerende en ondersteunende bevoegdheden gekregen, waarmee zij ook de lidstaten in de gelegenheid stelt om samenwerking waar dat wenselijk wordt geacht te versterken.
Onder de EU-verordening is ook het EU-gezondheidsbeveiligingscomité operationeel dat meerdere keren per maand overlegt over gezondheidsbedreigingen binnen de EU, maar ook daarbuiten zoals over de verspreiding van de vogelgriep in de Verenigde Staten, en infectieziekten als mpox en Marburg in Afrika. Het Ministerie van VWS neemt hieraan deel. Daarbij wordt informatie gedeeld door EU-agentschappen zoals het Europees Centrum voor Ziektepreventie en -Bestrijding (ECDC), het Europees geneesmiddelenbureau (EMA) en de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA). Ook de EU-autoriteit voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied (DG HERA) draagt hieraan bij en wordt er nauw samengewerkt met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Waar nodig kunnen er via opinies en aanbevelingen op EU-niveau acties ondernomen worden.
Op deze wijze houdt het Ministerie van VWS samen met internationale collega’s een vinger aan de pols. Wanneer nodig kan er op Raadsniveau worden opgeschaald, zowel binnen de EU-gezondheidsraad als via het geïntegreerde politieke crisisrespons mechanisme van de Raad (IPCR).
Wat zijn volgens u momenteek de belangrijkste knelpunten in de pandemische paraatheid van Nederland en welke maatregelen gaat u nemen om deze aan te pakken?
De COVID-19-pandemie leerde ons dat we beter voorbereid moeten zijn op potentiële pandemieën. Daarom heeft het Ministerie van VWS het beleidsprogramma pandemische paraatheid gestart waarin ook de lessen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV), die hebben aangegeven waar de belangrijkste knelpunten zaten, zijn betrokken. In de afgelopen jaren is hard ingezet op het versterken van onze paraatheid, zoals te lezen in de voortgangsbrief over het programma4 en in de reactie op de rapporten van de OVV.5 Hier zijn het ministerie en verschillende veldpartijen nog volop mee bezig. Tegelijkertijd moeten wij paraat staan voor ander onheil dat op ons afkomt, zoals hybride conflicten, een natuurramp of een nieuwe pandemie. Deze dreigingen vragen om versterking van de weerbaarheid van onze zorg. Doel is om ten tijde van crisis, ontwrichting en conflict de publieke, curatieve en langdurige gezondheidszorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk te houden, met een daarbij passende kwaliteit. Het kabinetsbrede weerbaarheidsbeleid, waar uw Kamer op 6 december jl. per brief over is geïnformeerd, wordt in de komende maanden verder uitgewerkt onder regie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en het Ministerie van Defensie. In dit traject wordt ook de weerbaarheidsopgave voor de zorg nader geconcretiseerd. De maatregelen die bijdragen aan pandemische paraatheid, fungeren tevens als fundament voor basis noodzorg bij crisis en conflict en zullen hier dan ook bij worden betrokken.
Herkent u de zorgen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) dat Nederland niet voorbereid is op een volgende pandemie? Zo ja, welke zorgen deelt u? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS herkent de zorgen van de OVV. Welke ramp zich ook voordoet: we moeten in alle gevallen paraat en weerbaar zijn. We leven in een tijd waarin we worden geconfronteerd met allerlei dreigingen die ook onze gezondheid en toegang tot zorg kunnen raken. Denk aan dreigingen van conflicten, natuurrampen of pandemieën. Het is belangrijk dat we voor crises paraat en weerbaar zijn. Daarbij staat centraal dat – wat er ook gebeurt – zoveel mogelijk patiënten zo lang mogelijk zorg blijven krijgen van passende kwaliteit. Het kabinetsbrede weerbaarheidsbeleid wordt in de komende maanden verder uitgewerkt. De zorg speelt daarin een belangrijke rol.
Het streven is om de maatregelen die zijn gestart in het kader van pandemische paraatheid en even noodzakelijk zijn in voor basisnoodzorg in het kader van weerbaarheid, voort te zetten. Zoals eerder aangegeven wordt er gezocht naar middelen hiervoor. Daar is tijd voor nodig. Het Ministerie van VWS verwacht medio 2025 meer duidelijkheid te kunnen geven over de middelen voor 2026 en verder.
Kunt u inzicht geven in de concrete stappen die u heeft gezet om alternatieve financiering te vinden voor de Nederlandse pandemische paraatheid gezien de eerder aangekondigde bezuiniging van 300 miljoen euro en welke opties worden momenteel overwogen?
De bezuinigingen op pandemische paraatheid lopen de komende jaren op en zullen in 2029 het volledige bedrag van 300 miljoen omvatten. De 50 miljoen die in 2025 moest worden bezuinigd op pandemische paraatheid, is ingevuld door een aantal beleidsvoornemens die in 2025 zouden starten «on hold» te zetten. Oftewel: er start in 2025 geen nieuw beleid, maar al het beleid dat al loopt, gaat gewoon door. Het Ministerie van VWS verwacht u na de voorjaarsnota, medio 2025, meer duidelijkheid te kunnen geven over de middelen voor 2026 en verder. U kunt ervan op aan dat deze opgave de volle aandacht heeft.
Hoe verhoudt de bezuiniging op zorgstages zich tot de noodzaak van voldoende zorgpersoneel voor een goede pandemische paraatheid?
Het Stagefonds is bedoeld om meer stageplekken te creëren en hiermee de instroom in de zorg te vergroten. Daarmee is het ook van invloed op de beschikbaarheid van zorgpersoneel bij een crisis, zoals een pandemie. De Algemene Rekenkamer heeft in haar Verantwoordingsonderzoek 2022 geconcludeerd dat het stopzetten van de subsidie via het Stagefonds waarschijnlijk geen directe gevolgen zal hebben voor het aantal stageplaatsen in de zorg. Zorginstellingen hechten voor zichzelf en voor het brede maatschappelijk belang waarde aan het aanbieden van stageplaatsen voor werving van personeel. Daarmee is het aanbieden van stages onderdeel van het strategische personeelsbeleid van zorginstellingen en niet primair afhankelijk van de subsidie. Uit het onderzoek blijkt dat de subsidie niet nauw verbonden is aan het aantal stageplaatsen. De grootste uitdaging bij het creëren van meer stageplekken is niet het gebrek aan financiële middelen, maar een tekort aan stagebegeleiders. Extra geld vanuit het Stagefonds zou dit structurele probleem niet oplossen. Daarmee draagt het Stagefonds te weinig bij aan het aan het beschikbaar hebben van voldoende zorgpersoneel voor het leveren van goede reguliere zorg, maar ook voor het leveren van zorg ten tijde van crises.
Kunt u aangeven welke stappen u onderneemt om de vaccinatiebereidheid in Nederland te vergroten als onderdeel van de pandemische paraatheid?
In het licht van de gedaalde vaccinatiegraden zet de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in op het vergroten van het vertrouwen in vaccinaties. Bijvoorbeeld door voorlichting over vaccinaties beter te laten aansluiten op de behoeften van doelgroepen die op dit moment minder goed worden bereikt.
Hiertoe wordt, onder voorbehoud van goedkeuring van de VWS-begroting door de Eerste Kamer, met de G4-gemeenten een pilot opgezet voor het intensiveren van de wijkgerichte aanpak en het landelijk verspreiden van geleerde lessen.6 Omdat het in een mogelijke volgende pandemie opnieuw nodig kan zijn om in korte tijd veel mensen te vaccineren, draagt het versterken van het vertrouwen in vaccinaties ook bij aan de pandemische paraatheid.
Ten aanzien van de vaccinatiebereidheid geven experts aan dat succesvol vaccineren tijds-en arbeidsintensief is, hoe verhoudt dit zich tot de bezuinigingen op onder andere de gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD)?
Het kabinet zet volop in op preventie om de gezondheid van alle Nederlanders te beschermen en te bevorderen. Vaccinatie is hier een belangrijk onderdeel van. Op de uitvoering van vaccinatieprogramma’s wordt door het kabinet niet bezuinigd. Sterker nog, er wordt – indien de VWS-begroting wordt goedgekeurd door de Eerste Kamer – dit jaar meer geïnvesteerd.
Kunt u reageren op het advies van experts, zoals de regionaal directeur van WHO Europa, om maatregelen te nemen tegen luchtwegvirussen zoals thuisblijven bij verkoudheidsklachten en het dragen van mondkapjes op drukke plekken?
Deze adviezen komen in grote lijnen overeen met het advies dat ook door het RIVM wordt gegeven en zijn dus herkenbaar. Het RIVM-advies luidt als volgt:
Kunt u aangeven of recent pandemiestimulaties zijn uitgevoerd om de paraatheid van zorginstellingen te testen en zo ja, welke lessen zijn hieruit getrokken?
Zorgorganisaties zijn zelf verantwoordelijk voor hun voorbereiding op crises omstandigheden, inclusief het opstellen van hun opleidings-, trainings- en oefen- (OTO) programma en het bepalen van scenario’s voor oefeningen binnen de eigen organisatie. In algemene zin wordt er gewerkt aan het versterken van samenwerking en kennisdeling om de pandemische paraatheid verder te verbeteren. Voorbeelden van recente trainingen en oefeningen met een pandemisch scenario zijn het scholen van medewerkers van de High Level Isolation Unit in het Radboudumc, het oefenen van de inzet van de isolatieboxen van het Calamiteitenhospitaal, (boven) regionale oefeningen van GGD-organisaties in verschillende regio’s, de ondersteuning bij de ontwikkeling van een leermodule infectieziektebestrijding en een ketenoefening op basis van Viraal Hemoragisch Koorts (VHK) in Noord-Nederland. Binnen veel zorginstellingen is infectiepreventie een vast onderdeel van standaard scholingen voor medewerkers, denk hierbij bijvoorbeeld aan het gebruik van persoonlijke beschermende maatregelen. Komende tijd wordt er regionaal en landelijk verder gewerkt aan het actualiseren en generiek maken van plannen voor coördinatie en samenwerking in onder andere een pandemisch scenario. In het najaar van 2025 staat een landelijke oefening gepland om het landelijke plan te oefenen. Ook regionaal zijn er oefeningen gepland die gericht zijn op (keten) samenwerking.
Wat is de stand van zaken met de vogelgriepuitbraak in Nederland?
Na bijna een jaar zijn sinds 18 november weer drie besmettingen met het hoogpathogene vogelgriepvirus geconstateerd. De Deskundigengroep Dierziekten heeft op 29 januari 2025 een nieuwe risicobeoordeling uitgevoerd, waarin wordt aangegeven dat de kans dat een pluimveebedrijf besmet raakt, op dit moment hoog is. Daarbij is de mate van onzekerheid groot. Het blijft daarom van belang dat we ons blijven voorbereiden op mogelijke uitbraken van vogelgriep en maatregelen nemen om de kans op een uitbraak te verkleinen.
Is het risico op een (dodelijke) vogelgriepbesmetting voor Nederlandse pluim- en rundveehouders vergelijkbaar met dat van pluim- en rundveehouders in de Verenigigde Staten? Zo ja, Kunt u toelichten of u naar aanleiding van het bericht uit Louisiana, over het eerste dodelijke slachtoffer van de vogelgriep door contact met pluimvee3, van plan bent extra maatregelen te nemen?
In Nederland heb ik geen aanwijzingen voor vogelgriep bij runderen (Kamerstuk 28 807, nr. 303). Het risico voor Nederlandse rundveehouders is daarom niet vergelijkbaar met rundveehouders in de Verenigde Staten (VS). Onder pluimvee zijn er nog af en toe uitbraken in Nederland. Het is lastig te beoordelen of het risico voor Nederlandse pluimveehouders vergelijkbaar is met die van pluimveehouders uit de VS. Dit is onder andere afhankelijk van het type virus, de infectiedruk en de mate van blootstelling. De H5N1-variant die in de VS rondgaat komt in Nederland, en in de rest van Europa, op dit moment niet voor. Daarnaast wordt in Nederland met de monitoring en Early Warning systematiek hoogpathogene vogelgriep (HPAI) in pluimvee snel opgespoord en wordt het besmette pluimvee vaak binnen een dag geruimd door de NVWA om de kans op verspreiding zo klein mogelijk te houden. Het Ministerie van LVVN blijft in samenwerking met het Ministerie van VWS de ontwikkelingen hieromtrent volgen.
De casus waarnaar u verwijst betreft een persoon met een leeftijd boven de 65 jaar met een onderliggende ziekte. Deze persoon was blootgesteld geweest aan besmette wilde vogels en hobby pluimvee. Er waren geen aanwijzingen voor mens-op-mens transmissie. Deze casus is besproken in het Signaleringsoverleg-Zoönosen en de experts hebben geen aanleiding gezien om aanvullende veterinaire of volksgezondheidsmaatregelen te adviseren.
Welke stappen neemt u om te zorgen dat pluimveebedrijven zich niet in de buurt van waterrijke gebieden vestigen, om zo besmettingen en uitbraken te minimaliseren?
In het Intensiveringsplan preventie vogelgriep (Kamerstuk 28 807, nr. 291) is door het vorige kabinet opgenomen dat er een impactanalyse wordt uitgevoerd naar mogelijke structuurmaatregelen: een verbod op nieuwvestiging en/of een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en in waterrijke gebieden. Experts van Wageningen Economic Research (WEcR) voeren momenteel een analyse uit naar de impact van deze maatregelen op de pluimveesector. Daarna zullen andere experts een inschatting maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid. Dit soort structuurmaatregelen zijn ingrijpend. Met deze impactanalyse en een juridische analyse zal een zorgvuldige weging worden gemaakt op basis van proportionaliteit, geschiktheid en noodzaak.
Erkent u dat een hoge veedichtheid het risico op het ontstaan en verspreiden van zoönose, zoals de vogelgriep, vergroot? Zo ja, kunt u afzonderlijk antwoord geven op de vragen 17, 18 en 19?
In 2023 is het rapport «Preventie van efficiënte transmissie van zoönotische ziektekiemen tussen veehouderijen» aan de Kamer gestuurd (Kamerstuk 29 683, nr. 273). Dit rapport is opgesteld door een expertgroep onder leiding van de voorzitter van het Netherlands Centre for One Health. De experts geven aan dat het algemene beeld is dat een hoge bedrijfsdichtheid de kans op tussenbedrijfstransmissie vergroot. In dit rapport wordt met modellering wetenschappelijk onderbouwd dat een hogere bedrijfsdichtheid van pluimveebedrijven de kans op tussenbedrijfstransmissie van het vogelgriepvirus vergroot. Vanwege dit verhoogde risico worden bij (dreigende) uitbraken aanvullende maatregelen getroffen in deze gebieden.
Welke stappen neemt u om te zorgen dat de pluimveedichtheid in een gebied op een dusdanig niveau is dat de kans op besmetting tussen bedrijven gering is?
Pluimveehouders zijn zich erg bewust van de risico’s op vogelgriep, zeker in gebieden met een hoge concentratie van bedrijven. Het algemene beeld is dat pluimveehouders en dierenartsen alert zijn en verdenkingen snel melden. De NVWA handelt ook zeer snel bij verdenkingen van vogelgriep. Bij een besmetting wordt direct geruimd. Dit beperkt de risico’s op verspreiding van vogelgriep tussen bedrijven aanzienlijk. Zoals in het antwoord op vraag 15 is beschreven, wordt daarnaast momenteel een impactanalyse uitgevoerd naar structuurmaatregelen in waterrijke gebieden en pluimveedichte gebieden. Dat betreft een eventueel verbod op nieuwvestiging en/of uitbreiding van pluimveebedrijven in deze gebieden. Daarnaast hebben 245 pluimveehouders zich aangemeld voor de landelijke subsidieregelingen voor vrijwillige bedrijfsbeëindiging (Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv en de Lbv-plus)). Dit kan ertoe leiden dat het aantal pluimveebedrijven in deze gebieden afneemt, wat er weer toe kan leiden dat de kans op uitbraken met en verspreiding van vogelgriep afneemt. Het is op voorhand moeilijk te voorspellen hoe groot het effect hiervan zal zijn; dat hangt onder meer af van aan hoeveel en welke pluimveehouders de subsidie wordt verleend.
Welke stappen neemt u om te zorgen dat gemengde bedrijven extra maatregelen nemen om intersoortelijke transmissies te voorkomen?
Ten algemene geldt dat het niet mogelijk is om verspreiding van zoönosen en dierziekten volledig te voorkomen. Het beleid is er wel op gericht om het risico op uitbraken en verspreiding zoveel mogelijk te verlagen. Bij een uitbraak van vogelgriep onder het pluimvee op een bedrijf waar ook varkens en/of rundvee wordt gehouden, wordt ook standaard onderzoek naar vogelgriep gedaan bij de varkens en/of het rundvee op het bedrijf. Tot nu toe is nog nooit vogelgriep bij varkens en runderen vastgesteld in Nederland.
Voor pluimveebedrijven wordt op korte termijn een verplicht bioveiligheidsplan ingevoerd. Daarin zijn specifieke aandachtspunten opgenomen voor gemengde bedrijven. Op termijn wordt het bioveiligheidsplan ook voor andere sectoren uitgerold.
De landelijke subsidieregelingen voor vrijwillige bedrijfsbeëindiging kunnen er ook toe leiden dat gemengde bedrijven stoppen. Het is vooraf moeilijk te voorspellen wat het effect hiervan zal zijn op het aantal gemengde bedrijven.
Welke stappen neemt u om te zorgen dat veebedrijven, zoals pluimvee en rundvee, een laag risico hebben elkaars dieren te besmetten? Kijkt u daarbij naar mogelijkheden om te zorgen dat veebedrijven zich niet dicht bij elkaar vestigen, en zo de veedichtheid van verschillende soorten te verkleinen?
We hebben in Nederland een goed monitoringsysteem waarmee signalen van infectieziekten bij dieren vroegtijdig kunnen worden opgespoord en opgevolgd. Sinds 2003 is de basismonitoring (uitgevoerd door Royal GD) operationeel, met als doel het opsporen van uitbraken van bekende en onbekende ziekteverwekkers of aandoeningen bij landbouwhuisdieren. Nieuwe verschijnselen en veranderende trends worden door de basismonitoring opgemerkt en zorgvuldig geanalyseerd.
Daarnaast worden bij iedere uitbraak van vogelgriep op een pluimveebedrijf waar ook herkauwers en/of varkens aanwezig zijn, de herkauwers en/of varkens gescreend op vogelgriep. Ook is het verplicht om een positieve laboratoriumuitslag van vogelgriep bij zoogdieren te melden bij de NVWA.
Bij verdenkingen of uitbraken van dierziekten waarbij meerdere diersoorten gevoelig zijn voor de ziekteverwekker, kunnen (preventieve) maatregelen getroffen worden die toezien op alle gevoelige diersoorten, bijvoorbeeld een bezoekersverbod, hygiënemaatregelen of een vervoersverbod.
In het antwoord op vraag 15 en 17 is aangegeven dat er nu een impactanalyse wordt uitgevoerd naar structuurmaatregelen voor pluimveebedrijven in o.a. pluimveedichte gebieden. Dergelijke maatregelen zijn ingrijpend en vergen een stevige onderbouwing en nieuwe wettelijke bevoegdheden. Er worden geen vergelijkbare ruimtelijke maatregelen verkend voor andere veehouderijen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en zo snel mogelijk gezien de actuele en mondiale pandemische ontwikkelingen te beantwoorden?
Ja.
De mogelijke sluiting van Gezondheidscentrum Kanaleneiland |
|
Jimmy Dijk |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Heeft u de berichten gelezen over de mogelijke sluiting van het gezondheidscentrum in Kanaleneiland en wat is uw reactie hierop?1
Ja, ik heb het bericht over de mogelijke sluiting van het gezondheidscentrum in Kanaleneiland gelezen. Ik vind het belangrijk dat iedere inwoner van Nederland toegang heeft tot huisartsenzorg in de buurt. Hiervoor is passende huisvesting een belangrijke randvoorwaarde. Huisvestingsproblematiek bij huisartsen en gezondheidscentra is een complex vraagstuk. Samen met betrokken landelijke partijen werk ik hard aan concrete oplossingen hiervoor. De huisarts is primair verantwoordelijk voor het vinden van geschikte huisvesting. Wanneer dit niet lukt, moet deze zo spoedig mogelijk aan de bel trekken bij de regionale huisartsenorganisatie (RHO) en zorgverzekeraar. Wanneer huisvestingsproblematiek leidt tot problemen in de continuïteit van zorg, dan heeft de zorgverzekeraar een belangrijke verantwoordelijkheid. Deze heeft immers zorgplicht voor zijn verzekerden.2 Dat betekent niet dat de zorgverzekeraar het probleem alleen kan oplossen. Zeker als er sprake is van ruimtegebrek in een wijk, heeft ook de gemeente een belangrijke rol om met huisartsen en zorgverzekeraars mee te denken. De gemeente kan bijvoorbeeld eerstelijnszorg in omgevingsplannen opnemen, afspraken maken met woningbouwcorporaties over de bouw en beheer van buurtgezondheidscentra, of eerstelijnszorg opnemen in gemeentelijk vastgoedbeleid.3 Gemeenten hebben ook bevestigd dat zij de maatschappelijke verantwoordelijkheid voelen om te zorgen dat in elke wijk toegang is tot eerstelijnszorg voor hun inwoners.4
Huisvestingsvraagstukken zijn veelal afhankelijk van de lokale situatie. Oplossingen kunnen alleen gevonden worden als lokale betrokken partijen goed samenwerken. Met landelijke afspraken in de handreiking Huisvesting huisartsen en gezondheidscentra5 ondersteun ik lokale partijen hierbij. Het is echter niet mijn rol om mij te mengen in specifieke casuïstiek, zoals de kwestie bij het gezondheidscentrum in Kanaleneiland. Uit contacten met de betreffende partijen weet ik dat er op lokaal niveau goed samengewerkt wordt. Dat is positief. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit vraagstuk daarmee niet direct is opgelost.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat de huisartsenpraktijk in Kanaleneiland zou verdwijnen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen heeft u al gezet om dit te voorkomen?
Ik vind het belangrijk dat iedereen toegang heeft tot een vaste huisarts in de buurt, zodat de continuïteit van de huisartsenzorg gewaarborgd wordt. Als de toegankelijkheid van de huisartsenzorg in het geding komt (mede) door huisvestingsproblematiek, vind ik dat onwenselijk. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 ondersteun ik lokale en regionale partijen bij het vinden van oplossingen door landelijke afspraken te maken.
Heeft u gesproken met de zorgverleners die bijdragen aan en de patiënten die afhankelijk zijn van de zorg van Gezondheidscentrum Kanaleneiland? Zo ja, wanneer en met wie? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van berichtgeving over deze casus heb ik het afgelopen jaar, zoals vaker gebeurt, contact gehad met de bij deze casus betrokken partijen. Ik heb verschillende partijen gesproken waaronder de betreffende huisarts, de regionale huisartsen organisatie, de zorgverzekeraar en de gemeente. Ik heb geconstateerd dat alle partijen zich actief inzetten om het gezondheidscentrum Kanaleneiland te behouden en actief op zoek zijn naar een passende oplossing.
Wat vindt u ervan dat vastgoedondernemer Urban Interest kan bepalen dat de toegankelijkheid tot zorg afneemt, vindt u dit acceptabel? Zo nee, wat gaat u doen om dit in deze situatie en in de toekomst te voorkomen?
Urban Interest draagt geen verantwoordelijkheid met betrekking tot de zorg. De huisarts sluit als zelfstandig ondernemer een huurcontract af met de verhuurder voor de betreffende locatie. In dit contract kunnen de voorwaarden voor het beëindigen van de overeenkomst worden vastgelegd. Wanneer de verhuurder, in dit geval Urban Interest, besluit de locatie een ander doel te geven en het contract te beëindigen of niet te verlengen, is het belangrijk dat de huisarts zo tijdig mogelijk in overleg treedt met de RHO, zorgverzekeraars, en gemeenten. In het faciliteren van dit contact heeft de RHO een belangrijke rol. Ik verwacht dat partijen bij huisvestingsproblematiek acteren volgens de handelingsperspectieven die landelijk zijn afgesproken in de handreiking Huisvesting huisartsen en gezondheidscentra.6
Bij welke partij of instantie vindt u dat de verantwoordelijkheid ligt om te zorgen voor de toegankelijkheid van zorg door het behouden van het Gezondheidscentrum Kanaleneiland?
Als de continuïteit van zorg in het geding komt, ligt er zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 een belangrijke rol voor de zorgverzekeraar. Huisvestingsproblematiek binnen de huisartsenzorg is een complex vraagstuk en voor de oplossing is goede samenwerking tussen verschillende partijen noodzakelijk. In deze casus zijn alle benodigde partijen nauw betrokken. Ik ondersteun lokale en regionale partijen, zoals aangegeven, met landelijke afspraken die zijn opgenomen in de handreiking. De handreiking is eind 2023 opgeleverd, maar daarmee is mijn werk nog niet klaar.
Mijn rol zie ik binnen dit dossier op drie punten. Ten eerste verken ik op basis van het in mijn opdracht uitgevoerde onderzoek van PwC hoe financiële knelpunten bij huisvestingsproblematiek kunnen worden opgelost.7 Ten tweede zorg ik dat er dit voorjaar een nieuwe versie van de handreiking komt, die ook aangeeft hoe partijen financiële problematiek kunnen oplossen. Ten derde spreek ik in de gesprekken over het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord met betrokken landelijke partijen. Onderdeel van deze gesprekken is de handreiking. Met bovenstaande acties draag ik eraan bij dat huisartsen beter ondersteund en geholpen worden wanneer zij huisvestingsproblematiek ervaren. Dat wil echter niet zeggen dat alle problemen snel kunnen worden opgelost. Het blijft een complex probleem.
Hoe gaat u voorkomen dat zorgverzekeraars, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZA) en de gemeenten naar elkaar blijven wijzen om dit probleem op te lossen? Welke rol ziet u weggelegd voor u als Minister hierin?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u ingaan op de zorgplicht die zorgverzekeraars hebben om te zorgen voor goede zorg in deze buurt en de daarbij behorende locatie?
Zoals aangegeven, hebben zorgverzekeraars vanuit hun zorgplicht de rol om te voorzien in toegankelijke huisartsenzorg voor hun eigen verzekerden. Voor toegankelijke huisartsenzorg is passende huisvesting een belangrijke randvoorwaarde. Als de toegankelijkheid in het geding komt door huisvestingsproblematiek bij huisartsen, verwacht ik dat zorgverzekeraars actief bijdragen aan het oplossen van het huisvestingsprobleem, bijvoorbeeld door het bieden van (financieel) maatwerk. De bekostiging van de huisartsenzorg biedt hier ook ruimte voor. Ik wil hierbij wel benadrukken dat dit maatwerk niet in alle gevallen betekent dat alle wensen van een huisarts ten aanzien van de huisvesting gerealiseerd kunnen worden. Het is immers ook de taak van zorgverzekeraars om te zorgen dat premiegeld zorgvuldig en doelmatig wordt uitgegeven. Ook is het belangrijk dat de zorgverzekeraar tijdig bij het vraagstuk betrokken wordt, zodat deze al vanaf het begin kan meedenken over passende oplossingen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met alle partijen om het gezondheidscentrum te behouden en over de mogelijke uitbreiding van dit centrum? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer hiervan op de hoogte houden?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 heb ik contact gehad met de betrokken partijen bij deze casus. Als Minister ga ik mij niet verder in deze gesprekken mengen en ik vind het ook niet mijn rol om de Kamer over deze individuele casus te informeren. Wel ben ik altijd bereid om vanuit het ministerie met lokale partijen mee te denken of hen van informatie te voorzien. Partijen in Utrecht weten de ambtenaren van VWS ook te vinden wanneer dit nodig is.
Welk plan heeft u klaarliggen op uw ministerie zodra bekend wordt dat het gezondheidscentrum gaat sluiten en 9.000 patiënten geen toegang meer hebben tot een huisarts in de buurt?
De verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de toegankelijkheid van de huisartsenzorg ligt middels de zorgplicht bij de zorgverzekeraars. Zoals aangegeven is de grootste zorgverzekeraar nauw betrokken bij het vraagstuk in Kanaleneiland. Ik heb er vertrouwen in dat partijen gezamenlijk tot een goede oplossing komen en dat de zorgverzekeraars daarbij ook verantwoordelijkheid nemen.
Kunt u onderzoeken wat de mogelijkheden zijn in dit soort situaties om huisartsenpraktijken te behouden, bijvoorbeeld door het verplicht afstoten van het pand als een eigenaar van de zorgfunctie af wil? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het onwenselijk om te verkennen of er mogelijkheden zijn tot het verplicht afstoten van panden, omdat de uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet is overgelaten aan de gemeente. Ik vind het wel belangrijk dat gemeenten handelingsopties hebben om ervoor te zorgen dat er in elke wijk voldoende vastgoed is voor zorg. Deze handelingsopties bestaan al en staan beschreven in de Handreiking Huisvesting huisartsen en gezondheidscentra.8 Hoewel dat bij bestaande bouw lastiger te realiseren is, bestaan er wel mogelijkheden.
Op welke manier bent u van plan om deze goede vorm van samenwerking – waar zorgverleners vanuit verschillende disciplines op één locatie zitten om gemakkelijk naar elkaar door te kunnen verwijzen – beter te ondersteunen zodat zorgverleners patiënten sneller en beter kunnen helpen?
Ik vind een goede onderlinge samenwerking tussen (eerstelijns)zorgverleners belangrijk ten behoeve van goede zorg voor hun patiëntenpopulatie. Dat kan in één pand, maar hoeft natuurlijk niet en dat is ook niet overal mogelijk. Zorgverleners weten elkaar vaak ook goed te vinden zonder dat zij in hetzelfde pand praktijk houden. Met de Visie eerstelijnszorg 2030 zet ik, samen met de eerstelijnspartijen, in op hechte wijkverbanden, die een sterke(re) samenwerking beoogt tussen tenminste huisartsen, wijkverpleegkundigen, apothekers en professionals uit het sociaal domein. Zij worden daarin ondersteund door regionale samenwerkingsverbanden die ze taken uit handen nemen zoals administratieve lasten en organisatorische taken. Huisvesting in één pand in de wijk kan daarbij een pré zijn, maar is geen vereiste. De afweging welke vorm van huisvesting passend en realistisch is, blijft een lokale en regionale afweging waarover zorgverleners, zorgverzekeraars en gemeenten met elkaar het gesprek moeten voeren.
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie Dijk over een Noodplan Huisartsenpraktijken, en wanneer kunnen we de uitwerking hiervan verwachten in de Tweede Kamer en welke plannen staan hierin?
Ik ben bezig met aanvullende afspraken over huisvesting die terugkomen in de Handreiking Huisvesting 2.0. Daarnaast spreek ik met de landelijk betrokken partijen in het kader van het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord. Onderdeel van deze gesprekken is de handreiking. Op die manier geef ik ook uitvoering aan de motie Dijk.
Het bericht ‘Zorg Spoedeisende hulp loopt vast door ouderen, maar terug naar huis is vaak ook geen optie’ |
|
Judith Tielen (VVD), Harry Bevers (VVD) |
|
Vicky Maeijer (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Zorg Spoedeisende hulp loopt vast door ouderen, maar terug naar huis is vaak ook geen optie»1?
Ja.
In hoeverre verwacht u dat de nu al stijgende aantallen patiënten die noodgedwongen in een ziekenhuis moeten overnachten, verder zullen stijgen, met het oog op de dubbele vergrijzing2? Kunt u dat met cijfers aangeven?
De meest recente NZa monitor acute zorg3 laat zien dat het aantal bezoeken aan de acute zorg door 75+»ers daalt. Daar waar in 2017 en 2018 het aantal patiënten van 75+ dat in de avond, nacht of het weekend huisartsenzorg nodig had nog boven de 400 per 1.000 inwoners lag is dat cijfer in de jaren erna gedaald naar in 2021 ruim onder de 400 per 1.000 inwoners. Ook is het aantal SEH-bezoeken per 1.000 65+»ers in 2022 lager dan in 2017. We zien dus dat de groep ouderen in de samenleving groeit maar het aantal bezoeken aan de acute zorg niet evenredig meegroeit.
Nadat de financiering van de verzorgingshuizen is gestopt per 2013/2014 is het ELV (eerstelijnsverblijf) de plek geworden waar (veelal) ouderen tijdelijk opgenomen kunnen worden voordat ze weer naar huis gaan. Het ELV, en andere kortdurende zorg bedden, kunnen we op dit moment niet voldoende inzetten om te zorgen dat ouderen niet noodgedwongen in het ziekenhuis moeten blijven. Het liefste zou ik willen dat ze niet op de SEH terecht komen. Onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat toegang tot intramurale zorg de kans op een ziekenhuisopname binnen één jaar met negen procentpunt verlaagt.4 Dit wijst mogelijk op positieve gezondheidseffecten van de verpleeghuiszorg, maar het is ook mogelijk dat een deel van de ziekenhuiszorg wordt overgenomen door de zorginstelling. Om dit in kaart te brengen heb ik in het regeerprogramma opgenomen dat er een nadere doorrekening zal plaatsvinden naar de mogelijke terugkeer van de verzorgingshuizen.
Om de huidige druk op de zorg na een bezoek aan de acute zorg door een kwetsbare ouderen nu al te ontlasten zetten we hier met o.a. bestaande afspraken in het IZA en mogelijk aanvullende afspraken beleid op in.
Hoe staan deze cijfers in verhouding tot de afspraken gemaakt in het Integraal Zorgakkoord (IZA)? Wat is de verwachting van de impact van het IZA op de in het artikel genoemde problemen, zowel in kwaliteit als in cijfers?
We vinden het belangrijk dat, in lijn met IZA, onnodige SEH/ziekenhuisopnames voorkomen worden. De in het IZA afgesproken versterking van de eerstelijnszorg en zorgcoördinatie moeten hieraan bijdragen. Binnen zorgcoördinatie kijken triagisten met een brede blik naar een zorgvraag, zodat zij zorg kunnen inzetten die het best aansluit bij de persoonlijke context van de patiënt. Daarnaast is het van belang dat er goede alternatieven zoals kortdurend verblijf beschikbaar zijn.
We werken samen met partijen aan het versterken van de eerstelijnszorg om gelijkwaardigere toegang van zorg dichtbij te realiseren. Hierbij werken we aan het inrichten van hechte wijkverbanden waarin de belangrijkste zorgverleners in de wijk nauw met elkaar samenwerken. De samenwerking in de wijkverpleging is hier een belangrijk aandachtspunt.
Ook ondersteunen we de zorgverleners in de wijk door ze op regionaal niveau taken uit handen te nemen bijvoorbeeld met administratieve en ICT ondersteuning.
Daarnaast ondersteunen we de beweging die regio’s maken naar zorgcoördinatie. Hierbij werken onder andere huisartsenposten, de ambulancezorg via de meldkamer 112, de regionale coördinatiepunten eerstelijnsverblijf en de acute ggz samen om telefonische triage zo in te richten dat direct de meest geschikte zorg kan worden ingezet. Ook als dit zorg buiten de SEH is, kan zorgcoördinatie vervolgens door inzicht in actueel beschikbare zorgcapaciteit en goede samenwerkingsafspraken tussen zorgaanbieders bijdragen aan het sneller vinden van een locatie waar deze zorg beschikbaar is. Zo kan een patiënt snel de zorg ontvangen die past bij hun behoefte en wat op dat moment nodig is. We stimuleren initiatieven binnen de kortdurende zorg zoals de wijkkliniek, een vorm van tijdelijk verblijf waar samenwerking tussen de 1e en 2e lijn centraal staat, om zorg te bieden voor patiënten die niet thuis kunnen blijven, maar ook niet in het ziekenhuis op hun plek zijn. In opdracht van ons werkt het programma Beter Thuis II van ZonMW aan het ontwikkelen van de kwaliteit van zorg binnen de kortdurende herstelgerichte zorg. Hierbij is inzicht in effectiviteit van innovaties onderdeel.
Deelt u de mening dat een ziekenhuisopname voor (kwetsbare) ouderen eigenlijk altijd risicovol is en dat deze zoveel mogelijk moeten worden voorkomen? Zo ja, op welke manier wordt dit nu effectief aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Ja, we delen de mening dat een ziekenhuisopname voor (kwetsbare) ouderen vaak risicovol is. Kwetsbare ouderen verdienen een veilige en fijne plek om te herstellen, zonder de stress van een ziekenhuisomgeving. Tijdens een ziekenhuisopname lopen zij verhoogde risico’s op functieverlies, infecties, en verwardheid (delier).
Om onnodige ziekenhuisopnames te voorkomen richten wij ons op het versterken van de eerstelijnszorg en de uitbreiding en verbetering van kortdurende zorg, zoals een goede toegang tot eerstelijnsverblijfbedden.
De tarieven voor het eerstelijnsverblijf zijn per 1 januari jongstleden verhoogd, naar aanleiding van een kostenonderzoek van de NZa. Dit zal het aanbieden van deze zorg aantrekkelijk maken voor instellingen. De tarieven moeten kostendekkend zijn. Daarnaast moet de manier waarop dit betaald wordt makkelijker en duidelijker worden. We gaan de NZa vragen om een experiment uit te voeren naar de beste bekostiging voor het tijdelijk verblijf in de Zvw.
De aanwijzing hiervoor wordt op korte termijn aan de Kamer voorgelegd. Ook moeten de afspraken over wie recht heeft op deze zorg duidelijker zijn. We hebben hiervoor het Zorginstituut om advies gevraagd.
In hoeverre blijft het voorkomen van deze onnodige ziekenhuisopnames bij ouderen onderdeel van het aanvullend zorg en welzijnsakkoord? Wordt deze doelstelling ook opgenomen in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg waar momenteel aan gewerkt wordt?
Het Hoofdlijnenakkoord Ouderzorg (HLO) wordt naar verwachting op korte termijn afgesloten. Dit akkoord spitst zich voor de periode 2025–2028 toe op de Wet langdurige zorg. De onderwerpen die in dit akkoord staan kunnen voor de lange termijn, waar wordt ingezet op een vereenvoudiging van het totale stelsel van zorg en ondersteuning voor ouderen, bijdragen aan de vermindering van onnodige ziekenhuisopnames.
Daarnaast is in het regeerprogramma opgenomen dat er een nadere doorrekening zal worden uitgevoerd naar de terugkeer van de verzorgingshuizen. Naar verwachting kan het onderzoek binnenkort starten en in september 2025 worden afgerond. De terugkeer van verzorgingshuizen kan een bijdrage leveren aan de invulling van de woon-zorgvraag van ouderen en mogelijk het beroep op spoedeisende hulp verminderen.
Wat zijn de te verwachten effecten van de maatregelen aangekondigd in de brief over de versterking van de eerstelijnszorg3 op het aantal (onnodige) ziekenhuisopnames van ouderen? Kunt u dat met cijfers aangeven?
Op basis van eerdere Nederlandse studies en metingen wordt geschat dat ongeveer 20% van alle SEH-bezoeken bij ouderen vermijdbaar zijn door eerder in te grijpen.6 Het is op voorhand echter niet met cijfers aan te geven welk effect het beter inrichten van de proactieve zorg thuis precies heeft voor het aantal (onnodige) ziekenhuisopnames onder ouderen.
De versterking van de eerstelijnszorg focust op verbetering van de toegankelijkheid en continuïteit van zorg, door een betere samenwerking van verschillende zorgverleners in hechte wijkverbanden. Deze wijksamenwerking, tussen in ieder geval huisarts, wijkverpleging, apotheker en sociaal domein, wordt ondersteund door regionale eerstelijns samenwerkingsverbanden. Deze zorgen voor het ontlasten van de zorgprofessionals door bijvoorbeeld afspraken te maken over samenwerking met de ziekenhuizen of de GGZ en ook administratieve taken uit handen te nemen.
Zorg- en hulpverlening in de wijk die beter in samenhang kan worden geboden zorgt ervoor dat de zorg- en hulpverleners zicht hebben op de kwetsbare mensen in de wijk. Door zicht te hebben op deze mensen kan vroegtijdig hulp geboden worden wat (onnodige) ziekenhuisopnames kan voorkomen. In een rapport over acute ouderenzorg is aangetoond dat de meeste acute zorgvragen ontstaan bij thuiswonende ouderen met een verhoogde kwetsbaarheid.
Kunt u een overzicht geven van regionale samenwerkingsafspraken over gezondheidsbevordering voor ouderen met valrisico zoals opgenomen in het IZA? Wat is de verwachting van de (kwantitatieve) effecten van deze afspraken? Welke andere preventieafspraken zijn in regio’s gemaakt?
In het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) hebben het Ministerie van VWS, zorgverzekeraars en gemeenten de volgende afspraken gemaakt over de te behalen landelijke resultaten voor valpreventie:
Regio’s maken zelf plannen hoe ze deze resultaten gaan behalen en volgen hierin de ketenaanpak valpreventie. Voor een effectieve aanpak is goede samenwerking tussen medisch en sociaal domein essentieel. In de eerste fase van deze samenwerking, waarin veel regio’s nog zitten, wordt vooral tijd besteed aan het vormgeven van deze afspraken en dus het inrichten van de ketenaanpak. Jaarlijks monitort het RIVM de voortgang, zowel op het samenwerkingsproces als op de uiteindelijk te bereiken doelen. Afgelopen december heeft het RIVM de resultaten van de monitor Valpreventie (over de periode 2023 en eerste half jaar 2024) gepubliceerd op haar website. Hieruit blijkt dat in elk geval 82% van de gemeenten is gestart met de inrichting van de (keten)aanpak. Bijna al deze gemeenten gaven aan samen te werken met tenminste fysiotherapeuten (96%) en buurtsportcoaches (83%). Van de zorgverzekeraars geeft de helft aan samenwerkingsafspraken te hebben gemaakt met gemeenten.
Het RIVM brengt ook per regio afzonderlijk in beeld wat voortgang is op de implementatie en uitvoering van de ketenaanpak Valpreventie (Monitor Valpreventie | Regiobeeld).
In het IZA en GALA zijn diverse afspraken gemaakt over de inzet van met name gemeenten en zorgverzekeraars op gezondheidsbevordering en preventie. Het is in principe aan deze partijen om de landelijke afspraken regionaal en lokaal concreet vorm te geven. In december 2024 is een eerste voortgangsrapportage van het RIVM over de voortgang op de afspraken uit het GALA naar uw Kamer gezonden. Dit geeft een eerste beeld van de inzet van partijen op gezondheidsbevordering en preventie.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de IZA-doelstelling dat in 2025 20% minder ouderen met een kwetsbare gezondheid onnodig opgenomen worden op de spoedeisende hulp (SEH)? Deelt u de mening dat het bericht over de spoedeisende hulp laat zien dat deze doelstelling nog wel heel ver weg lijkt?
Het IZA wordt gemonitord via verschillende routes. Een van die monitors gaat over de uitkomsten voor verschillende doelgroepen, waarvan een van de doelgroepen kwetsbare ouderen betreft. Deze informatie wordt op regiokantoor niveau ontsloten op www.regiobeeld.nl. Na de 1-meting van de monitor die einde voorjaar 2025 is voorzien, kunnen we uw Kamer informeren over de stand van zaken op de uitkomsten van de monitor.
In hoeverre worden patiënten met meerdere aandoeningen (multimorbide) meegenomen in de akkoorden? Wat voor effect heeft het «nogmaals onder de aandacht van de relevantie IZA-partijen brengen van de noodzaak voor goede organisatie rond de multimorbide patiënt' gehad, zoals u antwoordde op eerdere vragen van het lid Tielen4?
Het IZA is een integraal akkoord voor alle patiëntgroepen, zo ook patiënten met meerdere aandoeningen en alle ouderen. Daarbij vinden we het voor alle patiënten belangrijk dat de urgentie leidend is.
Het is belangrijk dat deze patiënten goed geholpen worden en kwalitatief goede zorg ontvangen. Het beleid dat is ingezet, onder andere in het kader van passende zorg, draagt hier aan bij. We vinden het daarom belangrijk dat binnen en tussen de ziekenhuizen en zorgaanbieders meer wordt samengewerkt. Met de afspraken in het IZA zijn de eerste stappen gezet voor de benodigde transitie naar meer samenwerking, netwerkzorg en meer digitale en hybride zorg. Daarbij vinden we het voor alle patiënten belangrijk dat de urgentie leidend is.
Hoeveel initiatieven zijn gericht op het vinden van de juiste plek voor een patiënt zodat deze niet hoeft te worden opgenomen, zoals Het Regionaal Transferpunt Salland, het Zorgplein-Gooi en het Centraal Aanmeldpunt Verplaatsingen in Zeeland? Wat doet u om ervoor te zorgen dat er in het hele land (meer) gebruik wordt gemaakt van al bestaande samenwerkingen?
Er is een landelijk dekkend netwerk van regionale coördinatiefuncties eerstelijnsverblijf (ELV) ingericht om zorgverleners te helpen bij het vinden van een geschikt en beschikbaar eerstelijnsverblijfbed. Deze al bestaande ELV-coördinatiefuncties vormen een belangrijk deel van de basis van het onderdeel inzicht in capaciteit binnen de implementatie en doorontwikkeling van zorgcoördinatie die momenteel in alle regio’s plaatsvindt. Binnen de plannen voor zorgcoördinatie wordt de samenwerking tussen ELV-coördinatiefuncties onderling en met andere zorgpartijen verder uitgebreid, zodat zorgverleners op één punt terecht kunnen voor het vinden van een geschikte plek of extramurale zorgverlener voor hun patiënt.
Wat doen zorginstellingen en organisaties momenteel om te leren van bestaande initiatieven gericht op samenwerking binnen en buiten het ziekenhuis, zoals de Intensieve Samenwerking Afdeling van het Jeroen Bosch Ziekenhuis, het GEM-team in het Tergooi MC, de Herstelkliniek van Pantein en Spaarnelabs? Is dat wat u betreft voldoende? Zo ja, hoe is dat te zien in de voortgang op IZA-doelstellingen? Zo nee, hoe zorgt u ervoor dat zorginstellingen meer gebruik maken van elkaars ervaringen?
Het hele IZA is gericht op bevordering van samenwerking, in de regio en in netwerken. In iedere zorgkantoorregio wordt of is een overlegtafel ingericht voor het bevorderen van de regionale samenwerking. Ook de ROAZ-regio’s voeren overleg om samen de toegankelijkheid van zorg te verbeteren. Deze samenwerking wordt bevorderd door het maken van regio- en ROAZ-beelden en regio- en ROAZ-plannen. Door als ketenpartners samen de uitdagingen te formuleringen en de voorstellen om daar mee om te gaan en te komen tot transformatieplannen wordt de samenwerking bevorderd. Voor dergelijke plannen zijn middelen beschikbaar gesteld. Door informatie over goedgekeurde transformatieplannen en goede praktijkvoorbeelden te delen op www.dejuistezorgopdejuisteplek.nl stimuleren we dat zorgaanbieders en regio’s leren van elkaar.
Bent u bereid om zelf meer daadkracht te tonen jegens alle zorginstellingen om te voorkomen dat overal opnieuw geprobeerd wordt het wiel uit te vinden en er meer arbeidskracht wordt besteed aan praten en overleggen dan aan effectieve uitvoering? Zo ja, op welke termijn is daar effect van te verwachten? Zo nee, waarom niet?
We vinden het belangrijk dat succesvolle initiatieven worden opgeschaald, waarbij het uiteraard van belang is om rekening te houden met de lokale context. Daarom heb ik, Minister van VWS, onder andere een leidraad Vakmanschap en werkplezier in ontwikkeling die zorginstellingen concrete handvatten en inspirerende voorbeelden biedt om hiermee mee aan de slag te gaan. Zoals ik uw Kamer eerder heb toegezegd, zal ik na het verschijnen van het AZWA een zorgtop organiseren. Daar wil ik podium bieden aan effectieve initiatieven die een succesvolle bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van het arbeidsmarkttekort.
We moedigen alle zorginstellingen aan om hier hun voordeel mee te doen en optimaal gebruik te maken van de vele veelbelovende initiatieven die er al zijn. Dit geldt ook voor instellingen in het kader van zorg en ondersteuning voor ouderen. Daarnaast is binnen de ouderzorg ondersteuning mogelijk van individuele instellingen bij de verbetering van bedrijfsvoering via het Waardigheid en Trots initiatief. Meer dan 100 zorgbieders maken daar momenteel al gebruik van.
De effectiviteit van medische genderbehandelingen bij kinderen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Fleur Agema (PVV), Karremans |
|
![]() |
Kent u het artikel «Gender-affirming medical treatment for adolescents: a critical reflection on «effective» treatment outcomes» van vijf Amsterdamse wetenschappers, waaronder de hoofdbehandelaar van de genderkliniek van het Amsterdam UMC?1
Ik heb naar aanleiding van deze Kamervragen kennisgenomen van het bovenstaande artikel.
Wat vindt u van de volgende conclusie en stellingname van de onderzoekers: «Instead of solely focusing on substantiating the «effectiveness» of GAMT [gender-affirming medical treatment] with empirical evidence and justifying its provision by showing overall improvement, we should explore how to better support healthcare providers and TGD [trans and gender diverse individuals] in navigating negative feelings throughout and post-GAMT.»? Wat vindt u van hun suggestie dat aangetoonde verbeteringen met de betrekking tot de mentale gezondheid niet noodzakelijkerwijs vereist zijn om deze behandelingen voort te zetten?
In Nederland wordt pas na uitgebreide psychologische evaluatie en ondersteuning medische behandeling ingezet op gebied van transgenderzorg voor kinderen en jongeren. Kinderen en adolescenten die een medische behandeling ondergaan, worden gedurende het traject nauwlettend gemonitord om hen te ondersteunen, de voortgang te volgen en eventuele negatieve gevolgen van de behandeling tijdig te herkennen. Daarnaast wordt, in samenwerking met ouders/verzorgers en betrokken behandelaren regelmatig gereflecteerd op de voortgang van de behandeling. Ik verwijs hiervoor ook naar de brieven over dit onderwerp van juni en november 20242,3.
Het genoemde artikel onderzoekt ethisch de uitkomstmaten4 die in wetenschappelijk onderzoek worden gebruikt om de zorg voor transgender jongeren te rechtvaardigen, waarbij zowel de waarde van de huidige uitkomstmaten als de mogelijke kanttekeningen daarbij worden besproken. Het doel van het artikel is om te reflecteren op de verschillende uitkomstmaten die tot nu toe gebruikt zijn in wetenschappelijk onderzoek om een vollediger en meer genuanceerd beeld te krijgen van uitkomsten en effectiviteit van behandeling. Uw vraag over de suggestie dat aangetoonde verbeteringen in de mentale gezondheid niet noodzakelijk zijn voor het voortzetten van behandelingen, kan ik niet beoordelen. Er wordt in dit artikel nergens definitief stelling genomen of een antwoord geformuleerd op deze vraag.
Aangezien de onderzoekers een normatieve discussie willen starten over hoe de effectiviteit van genderbehandelingen bij minderjarigen gezien moet worden, wat is uw reactie op de vraag die zij opwerpen: «(…) if GAMT does not necessarily require demonstrating improvement to justify its provision, what should its objectives be? In other words, what ethical and philosophical justifications should underpin GAMT for adolescents, and what does good GAMT for adolescents entail?»
Het is een terechte vraag wat goede transgenderzorg voor kinderen inhoudt. De Gezondheidsraad is gevraagd de Nederlandse aanpak te vergelijken met de aanpak in andere landen met andere zorgstandaarden en geldende wet- en regelgeving. De Gezondheidsraad5 is verzocht om daarbij onder andere ook in kaart te brengen wat wetenschappelijk bekend is over de (langetermijn-) gevolgen van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen voor de fysieke en mentale gezondheid. Ik ga ervan uit dat het bovenstaande artikel ook wordt meegenomen in het nog uit te brengen advies.
Wat vindt u van de mogelijkheid die in het artikel wordt opgeworpen om, analoog aan bijvoorbeeld abortus of anticonceptie, genderbehandelingen bij minderjarigen te gaan bezien en rechtvaardigen vanuit persoonlijke wensen («personal desire») en autonomie? Hoe beoordeelt u deze suggestie vanuit het perspectief van de bescherming van de rechten van het kind en de professionele verantwoordelijkheid van artsen, waarbij onder meer een toets op noodzaak, zorgvuldigheid en het kiezen van de minst belastende, en zo mogelijk omkeerbare, ingreep een belangrijke plaats heeft?
Zie antwoord op vraag 2 en 3.
Deelt u de mening dat een dergelijke benadering haaks staat op de empirische benadering die in Nederland tot op heden geldt ten aanzien van de effectiviteit van medische behandelingen, zeker bij kinderen?
Het is aan de wetenschap en het zorgveld zelf om te werken aan kennis- en expertiseontwikkeling. In het veld vindt (inter)nationale samenwerking plaats op het gebied van kennis- en expertiseontwikkeling. Het is vervolgens aan veldpartijen om gezamenlijk richtlijnen op te stellen, die dienen als kwaliteitsstandaard of onderdeel van de professionele standaard, en daarin invulling te geven aan de vraag wat goede transgenderzorg is. Zorgaanbieders moeten deze richtlijnen vervolgens toepassen, zoals voor alle vormen van zorg in Nederland geldt, op grond van artikel 2 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz).
De zorg aan transgender personen staat beschreven in de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch6. Deze is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, medische praktijkervaring, input van patiënten en internationale richtlijnen.
Erkent u dat een dergelijke benadering gebaseerd op de persoonlijke wensen en autonomie van een kind risicovol is, gelet op de onomkeerbaarheid van bepaalde medische genderbehandelingen, de onduidelijkheid over effecten op de langere termijn en het voorkomen van transitiespijt?
De zorg aan transgender personen staat beschreven in de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch7. Deze is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, medische praktijkervaring, input van patiënten en internationale richtlijnen. Vanuit de expertisecentra wordt genderzorg zodanig ingericht dat het risico op transitiespijt, door een zorgvuldige en persoonlijke aanpak, zo veel mogelijk wordt geminimaliseerd.
Als een empirische onderbouwing voor de effectiviteit van medische genderbehandelingen ontbreekt, hoe verhoudt dit zich tot het kabinetsdoel (bijvoorbeeld vastgelegd in het Integraal Zorgakkoord) om passende zorg te bevorderen en niet-passende zorg tegen te gaan?
Passende zorg is waardegedreven. Dit betekent dat zorg op de eerste plaats effectief is, oftewel voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk, en daarmee meerwaarde heeft voor de patiënt. Daarnaast betekent het ook een doelmatige inzet van mensen, middelen en materialen. Empirische onderbouwing voor de effectiviteit van medische genderbehandelingen is daarbij uiteraard belangrijk. De stand van de wetenschap en praktijk is het wettelijke criterium dat bepaalt dat de te verzekeren zorg in voldoende mate bewezen effectief moet zijn. Naast de wetenschappelijke onderbouwing zijn ook de ervaringen uit de praktijk van zorgverleners en patiënten van grote waarde (Evidence-Based Medicine).
Zorgbreed geldt dat niet alle behandelingen met hoge bewijslast kunnen worden onderbouwd. Kennis van zorgverleners en patiënten is nodig om te bepalen of zorg klinische meerwaarde heeft. Het is wettelijk bepaald dat alle te verzekeren zorg in de Zorgverzekeringswet dient te voldoen aan het criterium «de stand van de wetenschap en praktijk». De Zorgverzekeringswet kent voor het grootste deel een open systeem van het basispakket. Geneeskundige zorg die bewezen effectief wordt geacht, stroomt automatisch in het te verzekeren pakket. Voor de open instroom van zorg geldt dat er een grote verantwoordelijkheid ligt bij het veld. Wetenschappelijke en beroepsverenigingen maken de effectiviteit van zorg inzichtelijk en of deze voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk. Genderincongruentie is opgenomen in de «International Classification of Diseases (ICD-11)». Volgens het internationaal verschenen rapport «Standards of Care for the Health of Transgender and Gender Diverse People, Version 8», bestaat voor een deel van deze transgender personen een medische noodzaak tot zorg. Nederland volgt deze internationale consensus. De individuele beoordeling van noodzakelijkheid gaat om de afweging of in het individuele geval de zorg, bijvoorbeeld een genderbevestigende operatie, het aangewezen middel is voor de verzekerde.
Kunt u toelichten aan welke criteria en/of normen medische genderbehandelingen bij minderjarigen op dit moment worden getoetst als het gaat om effectiviteit en passende zorg? Kunt u daarbij in ieder geval ingaan op het pakketcriterium «noodzakelijkheid» en de door Zorginstituut Nederland gehanteerde definitie van «effectiviteit»?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u aangeven wat de consequenties zijn, bijvoorbeeld voor de vergoeding vanuit de Zorgverzekeringswet, als medische genderbehandelingen bij kinderen niet blijken voldoen aan deze normen?
Voor het vergoeden van medische genderbehandelingen bij kinderen gelden dezelfde criteria/normen als bij elke andere vorm van medisch specialistische zorg. Zie hiervoor verder de beantwoording van vraag 8.
Wat is de status van het traject «Probleemanalyse psychologische zorg bij transgenderzorg» vanuit de Pakketagenda passende zorg 2023–2025 van Zorginstituut Nederland?
Een van de onderwerpen op de pakketagenda 2023–2025 is «Transgenderzorg afbakening».Samen met betrokken partijen kijkt het Zorginstituut welk deel van de psychologische zorg aan transgender personen valt onder de ggz-aanspraak en welk deel hoort bij het somatische traject. Het Zorginstituut voert op dit moment verkennende gesprekken met partijen in de transgenderzorg om de huidige situatie in kaart te brengen. De opleverdatum van het eindrapport is nog niet bekend. Dit is afhankelijk van diverse ontwikkelingen zoals de doorontwikkeling van de richtlijn transgenderzorg-somatisch en -psychisch en de oprichting van het Landelijk Platform Transgenderzorg.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat over medische ethiek (15 januari 2025)?
Ja.
Het beboeten van supermarkten vanwege te veel ongezond voedsel |
|
Jimmy Dijk |
|
Fleur Agema (PVV), Beljaarts , Eelco Heinen (VVD) |
|
Bent u op de hoogte van het bericht over het beboeten van supermarkten voor te veel ongezond voedsel en het advies van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) om dit te doen?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de RVS waarschuwt voor een groeiend aantal mensen met overgewicht? Vindt u dat supermarketen en de voedingsindustrie hierin een deel van de verantwoordelijkheid dragen?
Ik herken de problematiek van een groeiend aantal mensen met overgewicht en ben het eens met de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving dat supermarkten, vanwege de spilfunctie die zij hebben in onze dagelijkse voeding, een verantwoordelijkheid hebben, om de gezonde keuze makkelijker te maken.
Supermarkten hebben veel invloed op wat mensen eten en ze kunnen gezonde keuzes makkelijker maken voor hen. De verhouding van ongezonde en gezonde producten in de winkel is sturend en ook aanbiedingen en reclames voor ongezonde producten beïnvloeden consumenten. De consument kiest uiteindelijk zelf wat hij koopt en eet, maar deze keuze wordt (onbewust) zeer sterk beïnvloed door de inrichting en het aanbod van supermarkten.
Gezien de toenemende problematiek van het groeiend aantal mensen met overgewicht en of een ongezond voedingspatroon en ziektes die hierdoor veroorzaakt of verergerd worden, is het zaak dat supermarkten maatregelen nemen om hun aanbod en verkoop van gezonde producten te vergroten.
CBL en supermarkten geven aan te zien dat zij een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben om gezonde voeding een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven te maken en de verkopen meer in lijn te brengen met de «Schijf van Vijf». Ik zie dit als een mooi uitgangspunt om concrete afspraken te gaan maken met supermarkten over een betere balans in de verkoopverhouding gezond-ongezond.
Wist u dat 79 procent van het aanbod in de supermarkt buiten de schijf van 5 valt en dit aanbod vaak ook ultra bewerkt voedsel is? Kunt u een overzicht geven van de bestuurlijke, juridische en politieke middelen die er zijn om dit terug te dringen?
Ik weet op basis van het in opdracht van VWS uitgevoerde onderzoek van de WUR dat circa 80% van het aanbod in supermarkten bestaat uit producten buiten de Schijf van Vijf2.
Mijn streven is dat gezond voedsel de norm wordt. Dit is nodig om de doelstelling van dit kabinet voor een gezonde generatie in 2040 te halen. Dit vergt een gezamenlijke inspanning van alle betrokken partijen om de voedselomgeving te veranderen en ongezonde keuzes minder vanzelfsprekend te maken.
Zoals aangegeven in mijn antwoord bij vraag 2 wil ik concrete afspraken maken met supermarkten over het verkoopaandeel gezonde producten. Ik wil hiermee de afspraken versterken die in 2018 in het Nationaal Preventieakkoord zijn gemaakt, maar tot nog toe onvoldoende resultaat hebben gehad.
Daarnaast ga ik het verkoopaandeel gezonde producten van supermarkten monitoren en publiceren zodat er beter zicht ontstaat op de voortgang en partijen hierop indien nodig aangesproken kunnen worden.
Ook juridische maatregelen sluit ik niet uit. Hierbij is de uitdaging een maatregel zo te formuleren dat dit past binnen bestaande wetgeving met betrekking tot onder andere vrij verkeer van goederen en diensten en mededinging.
Wat vindt u er van dat 80 procent van de uitgaven aan reclame voor voedsel wordt uitgegeven aan reclames voor ongezonde voeding?2 Wat gaat u hieraan doen?
Vanzelfsprekend zou ik dit liever anders zien, namelijk dat deze uitgaven naar reclames voor gezonde voeding gaan. De wetgeving, waar ik op dit moment aan werk, om het verbod op marketing van ongezonde producten gericht op kinderen mogelijk te maken, zie ik als een belangrijke stap. Kinderen zijn namelijk extra gevoelig voor de verleiding van ongezond eten omdat het brein nog niet volledig is ontwikkeld. Hierdoor kunnen zij moeilijker weerstand bieden. Voor een algemeen reclameverbod op ongezonde producten ervaar ik echter geen draagvlak.
Welke middelen zijn er om reclame voor ongezonde voeding te verbieden? Kunt u een overzicht sturen van de landen die al volledige of gedeeltelijke verboden op reclame voor ongezonde voeding hebben ingevoerd?
Op dit moment vindt in Nederland de regulering van reclame voor voedingsmiddelen plaats via de Reclamecode voor Voedingsmiddelen, een vorm van zelfregulering. Om kinderen nog beter te beschermen bereid ik op dit moment wetgeving voor op het gebied van marketing gericht op kinderen van ongezonde voedingsmiddelen. Binnen en buiten Europa zijn er enkele landen die beperkingen
op reclame van ongezonde voeding wettelijk hebben ingevoerd, zoals Chili, Portugal en Engeland. De WHO rapporteert regelmatig over dit onderwerp met voorbeelden uit verschillende landen4. Er is mij geen volledig overzicht bekend van de landen met verboden op reclame voor ongezonde voeding.
Deelt u de mening van de RVS dat de situatie nu zo ernstig is dat de overheid verbeteringen moet afdwingen met financiële prikkels?
Ik deel de mening van de RVS dat de situatie die is ontstaan door ongezonde voeding ernstig is. Er is een groeiend aantal mensen met ziekten of overgewicht (mede) ten gevolge van ongezonde voeding.
In 2023 had 11,3% van de 4 tot 12 jarigen en 14,3% van de 12–18 jarigen overgewicht. Uit de nieuwste Volksgezondheid Toekomstverkenning (VTV) van het RIVM blijkt dat overgewicht het snelst toeneemt onder jongvolwassenen en dat mensen ook steeds jonger zijn wanneer overgewicht ontstaat.5 Dit kost gezonde levensjaren en leidt ook tot meer sterfte.
Het RIVM heeft berekend dat zonder extra maatregelen het percentage inwoners van Nederland met overgewicht zal oplopen tot 64 procent in 2050. Dit is zorgelijk, zeker omdat onder jongvolwassenen het overgewicht het snelste zal toenemen in de toekomst. Dit heeft grote persoonlijke en maatschappelijke consequenties.
Om de doelen voor een gezonde generatie in 2040 op het gebied van overgewicht te behalen is een lange adem en een samenhangende, effectieve aanpak nodig. Deze aanpak vraagt een combinatie van maatregelen, waar ook financiële prikkels onderdeel van zullen uitmaken.
Voor wat betreft het stimuleren van de gezonde keuze door supermarkten zet ik eerst in om op korte termijn concrete afspraken te maken en doelstellingen af te spreken met de supermarkten over de verkoopverhouding gezond/ongezonde producten.
Zoals aangegeven bij de aanbieding van het rapport van de RVS aan Uw Kamer zal ik nog met een inhoudelijke reactie komen op de aanbevelingen uit het rapport. Ten aanzien van de aanbeveling om een bonus-malussysteem voor supermarkten in te voeren ben ik terughoudend over de haalbaarheid ervan. Met name omdat een dergelijke regeling moet passen binnen de regels die gelden op het vlak van onder meer mededinging, staatssteun, de Europese dienstenrichtlijn en fiscale regelgeving. Ook voorzie ik een toename van regeldruk.
Omdat het keuzegedrag van consumenten ook wordt beïnvloed door de prijs, beraadt het kabinet zich momenteel op de omzetting van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken met een vlak tarief dat voor alle dranken hetzelfde is, naar een gedifferentieerde belasting op basis van het suikergehalte van de drank. Onder een gedifferentieerde belasting geldt dat alcoholvrije dranken die veel suiker bevatten lager belast worden en alcoholvrije dranken die minder suiker bevatten hoger belast worden.
Welke mogelijkheden zijn er om de productie van ongezond voedsel te normeren? Wat is uw standpunt ten opzichte van deze mogelijkheden?
Eén van de pijlers van het voedingsbeleid is gericht op het verbeteren van de samenstelling van bewerkte producten: minder zout, suiker en verzadigd vet en het verhogen van het vezelgehalte. Dit wordt ondersteund door de Nationale Aanpak Productverbetering (NAPV) dat onder regie van VWS wordt uitgevoerd. Doelstelling hiervan is dat in 2030 over de gehele breedte van productgroepen én in alle kanalen (naast supermarkten, ook out-of-home) verbetering is gerealiseerd in de samenstelling van bewerkte producten.
Verplichtende nationale voorschriften voor de samenstelling van voeding ter bevordering van de gezondheid zullen in lijn moeten zijn met het EU-recht. Voor het uitwerken van nationale voorschriften voor productverbetering binnen de Europese wettelijke kaders is advies gevraagd aan de landsadvocaat.6 Uit het advies blijkt dat als er maximumgehaltes voor zout, suiker en/of verzadigd vet worden vastgesteld, deze voorschriften, die het vrije verkeer beperken, enkel gerechtvaardigd zijn als ze geschikt, noodzakelijk en evenredig zijn om de volksgezondheid te beschermen. Een alternatieve optie is om in te zetten op geharmoniseerde Europese wetgeving. Van een dergelijke harmonisatie is op dit moment (vooralsnog) geen sprake.
Hoe gaat u striktere regelgeving inzetten om aanbod van ongezond voedsel in supermarkten tegen te gaan, zoals de RVS vraagt?
Het keuzegedrag van consumenten wordt beïnvloed door het aanbod, prijs en marketing. Om effectief preventiebeleid te voeren op voeding, zal aan al deze onderwerpen gewerkt moeten worden met een breed pakket aan wettelijke en niet-wettelijke maatregelen.
Dit voorjaar komt het kabinet met een nieuwe, samenhangende, effectieve preventiestrategie, waarbinnen ook (wettelijke) maatregelen op het gebied van het stimuleren van gezond eten een plek krijgen.
Eén van de prijsmaatregelen die het kabinet momenteel in overweging heeft, is het invoeren van een gedifferentieerde verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Daarnaast bereid ik regelgeving voor om kindermarketing te beperken.
Met betrekking tot meer aanbod en verkoop van gezonde producten zet ik in om op korte termijn concrete afspraken en doelstellingen met de supermarkten af te spreken over de verkoopverhouding gezonde/ongezonde producten.
Hoe reageert u op de stelling dat supermarkten veel te veel inzetten op winstmaximalisatie en daardoor ongezond voedsel blijven aanbieden?3
Supermarkten zijn bedrijven met vanzelfsprekend commerciële belangen. In de supermarktbranche speelt prijsconcurrentie een grote rol. Tegelijkertijd zie ik dat gezondheid een thema is waar supermarkten zich aan verbinden en doelen voor stellen net zoals voor andere maatschappelijke thema’s zoals de eiwittransitie en duurzaamheid waarover ze verplicht moeten rapporteren volgens de Corporate Sustainability Reporting Directive.
Concreet heeft de meerderheid van de supermarkten (Aldi, Dirk, Ekoplaza en Jumbo en Lidl) in 2023 een doelstelling op het vergroten van het aandeel Schijf van Vijf in de verkoop8. Daarnaast werken supermarkten vanuit hun gezondheidsbeleid aan de Nationale Aanpak Productverbetering en hebben ze Nutri-Score ingevoerd. Ik zie supermarkten daarmee als een belangrijke maatschappelijke partner voor mijn beleid om de gezonde keuze te stimuleren. Ik waardeer deze positieve houding van de supermarkten en ik denk dat hiermee een goede basis bestaat om verdergaande afspraken te maken over een betere verkoopverhouding gezond/ongezond.
Heeft u kennis genomen van de uitingen van supermarktbrancheorganisatie CBL die erkent dat het voedselaanbod gezonder moet? Wat gaat u doen om te dwingen om deze mooie woorden in daden om te zetten?4
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Wat vindt u van het idee om gezond voedsel goedkoper te maken omdat de huidige prijs hiervan voorkomt dat mensen gezondere keuzes kunnen maken?5 Welke rol ligt hier voor de overheid volgens u?
Prijs is één van de factoren die invloed heeft op de voedingskeuzes die we maken. Naast prijs spelen promotie, plaatsing in de winkel en het product dat aangeboden wordt een rol. Onze voedselomgeving, waarin we verleid worden tot het maken van ongezonde keuzes, is van grote invloed. Om effectief preventiebeleid te voeren op ongezonde voeding, zal aan al deze onderwerpen gewerkt moeten worden met een breed pakket aan maatregelen. Dit voorjaar komt het kabinet met een nieuwe, samenhangende, effectieve preventiestrategie waarbinnen ook maatregelen op het gebied van het stimuleren van gezond eten een plek krijgen. Zoals hierboven ook aangegeven heeft het kabinet momenteel in overweging om de huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken om te zetten naar een gedifferentieerde belasting op basis van het suikergehalte van de drank, waardoor dranken met meer suiker zwaarder belast zullen worden dan dranken met weinig suiker.
Kunt u een overzicht sturen in tabelvorm van de prijsstijgingen van gezonde producten in de schijf van vijf en van ongezonde producten voor de afgelopen vijf jaar per jaar?
Ik beschik niet over een dergelijk overzicht van de afgelopen vijf jaar. Wel heeft het CBS een uitgebreide analyse gemaakt van de prijsontwikkeling van gezondere en ongezondere voedingsmiddelen in de periode tussen 2010 en 2020.11 Voor de categorisering van producten is gebruik gemaakt van de kennis van het Voedingscentrum. Deze prijsontwikkeling van dranken en voedingsmiddelen staat weergegeven in onderstaande grafiek. Hiervoor is gebruik gemaakt van de gegevens van het CBS (Prijsontwikkeling van gezondere en ongezondere voedingsmiddelen, 2010-2020 | CBS). Daar is ook een tabel te vinden met de prijsindex van gezonde en ongezondere producten.
Wat zou het kosten om de btw op alle gezonde producten in de schijf van vijf af te schaffen?
Het is niet mogelijk om een exacte berekening te maken van de kosten van het verlagen van het btw-tarief op gezonde producten in de Schijf van Vijf. Dit komt doordat op dit moment niet op het detailniveau van de Schijf van Vijf data zijn over hoeveel er van welk product geconsumeerd wordt. Bovendien stuit een afbakening die aansluit bij de Schijf van Vijf zeer waarschijnlijk op het fiscale neutraliteitsbeginsel waardoor een onbekend aantal producten die niet in de Schijf van Vijf vallen ook binnen de reikwijdte worden getrokken. Hiermee is een dergelijke afbakening slecht juridisch houdbaar en moeilijk uitvoerbaar.
In de tabel hieronder wordt voor een aantal overkoepelende categorieën de kosten van het verlagen van de btw-tarieven weergegeven.
Totaal voedingsmiddelen en dranken
6.728
Aardappelen, groenten en fruit
1.474
Vlees en vleesproducten
1.196
Vis
214
Zuivel, eieren, oliën en vetten
947
Brood, broodproducten, koekjes, gebak en banket
970
Kruidenierswaren
1.622
Alcoholvrije dranken
305
Deelt u de mening dat de btw op gezonde voeding zou moeten worden afgeschaft?
Nee die mening deel ik niet. In 2023 heeft SEO een onderzoeksrapport opgeleverd over mogelijke afbakeningsvarianten voor een btw-nultarief op groente en fruit. Hieruit blijkt dat de btw ten principale een ongeschikt instrument is om de consumptie van groente en fruit te stimuleren. Alle afbakeningsvarianten, waaronder de varianten die aanhaken bij de term onbewerkte groente en fruit, scoren slecht op juridische houdbaarheid, doelmatigheid, doeltreffendheid en uitvoerbaarheid. Gezonde voeding is niet beter af te bakenen dan groente en fruit. Een btw-nultarief op gezonde voeding zal dan ook slecht scoren op juridische houdbaarheid, doelmatigheid, doeltreffendheid en uitvoerbaarheid. Invoering van deze maatregel is bovendien zeer kostbaar; het invoeren van een btw-nultarief op gezonde voeding zou leiden tot een derving van enkele miljarden per jaar. Het kabinet heeft daarom op dit moment geen voornemen om een btw-nultarief op gezonde voeding in te voeren.
Het Project Nieuwbouw RIVM. |
|
Reinder Blaauw (PVV) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Wat houden de eisen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) precies in, zoals die in de brief worden gesteld over de derde geschillenprocedure over de toedeling van de opgelopen vertraging als gevolg van onder andere de wijzigingen die nodig waren door de nieuwe eisen van de WHO?1
Deze eisen betreffen internationale, wetenschappelijk onderbouwde, veiligheidsvoorschriften rondom het omgaan en bewaren van materiaal dat (potentieel) is geïnfecteerd met het poliovirus. Deze veiligheidsvoorschriften zijn opgenomen in het «WHO Global Action Plan to Minimize Poliovirus Facility-Associated Risk» (GAP).2
Waarom heeft de WHO invloed op in hoeverre dit project uitgevoerd wordt en hoe groot is die invloed?
De genoemde GAP-eisen komen voort uit het – door WHO-lidstaten breed gedragen – doel om polio wereldwijd uit te roeien (eradicatie). Nederland draagt bij aan de eradicatie van polio, onder andere door onderzoek dat plaatsvindt bij het RIVM. Een onderdeel van het eradicatieprogramma van de WHO betreft de veiligheidseisen die gelden voor het werken met uitgeroeide poliovirussen. Nederland heeft zich – net als de andere WHO-lidstaten – gecommitteerd aan de Resolutie die hieraan ten grondslag ligt3 en heeft de GAP-eisen vertaald naar een wijziging van de Wet publieke gezondheid. 4
Nadat het contract voor de RIVM-nieuwbouw op 14 juli 2014 werd getekend, werd het «WHO Global Action Plan to Minimize Poliovirus Facility-Associated Risk» (GAP) vastgesteld door de Wereldgezondheidsvergadering (WHA). Het ontwerp van het RIVM-pand in Utrecht moest hierop worden aangepast. Dit was noodzakelijk omdat het RIVM een polioreferentie-laboratorium is. Voldoen aan de veiligheidseisen is noodzakelijk voor de accreditatie van dit referentielaboratorium.
De WHO heeft geen directe invloed op of en in hoeverre dit project wordt uitgevoerd. Er is alleen sprake van doorwerking van veiligheidseisen vanuit het «WHO Global Action Plan to Minimize Poliovirus Facility-Associated Risk».
Zou het consequenties hebben gehad als de staat deze eisen van de WHO niet had opgevolgd?
Het RIVM is een nationaal en internationaal polioreferentie-laboratorium (een «Polio Essential Facility», ook wel PEF genaamd). Het is vanzelfsprekend dat het RIVM als referentielaboratorium aan de internationale veiligheidseisen voldoet. Als niet aan de GAP-eisen zou worden voldaan, zou het RIVM haar accreditatie kwijtraken en kunnen de werkzaamheden op dit gebied niet worden voortgezet.
In hoeverre zou het voorkomen kunnen worden dat de staat door de derde geschillenprocedure 40,6 miljoen euro aan MEET Strukton moet betalen?
De derde geschillenprocedure ging over de toedeling van de opgelopen vertraging door MEET Strukton zelf, de COVID 19-pandemie en o.a. GAP-eisen. De Staat heeft 15 van de 40 maanden vertraging toebedeeld gekregen, MEET Strukton de overige 25 maanden. De kosten die samenhangen met de vertraging toebedeeld aan de Staat zijn tussen MEET Strukton en de Staat overeengekomen in een vaststellingsovereenkomst voor in totaal 40,6 miljoen euro.
Het geschil is daarmee definitief afgedaan. Voorkomen van de betaling is dus niet van toepassing.
Gebeurt het vaker dat de WHO vergelijkbare eisen stelt bij vergelijkbare zaken en hoe vaak is dat al gebeurd?
De WHO geeft op het gebied van de volksgezondheid doorgaans algemene richtlijnen en adviezen (bijvoorbeeld over luchtkwaliteit en tabaksproducten). De WHO heeft daarmee geen (of een heel beperkte) invloed op bouwprojecten en/of vergelijkbare situaties. Het is immers aan de WHO-lidstaten zelf hoe zij dergelijke richtlijnen en adviezen vertalen naar de praktijk.
De uitzending van Radar 'De gevolgen van het verdwijnen van de restitutiepolis' van 16 december 2024 |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Kent u de uitzending van Radar van 16 december 2024? Zo ja, wat vindt u van hetgeen gezegd is over het verdwijnen van de restitutiepolis en de gevolgen daarvan?
Ik ken de uitzending en begrijp ook dat er zorgen zijn bij verzekerden over het verdwijnen van de restitutiepolis voor de wijkverpleging en ggz.
Ik betreur het dat zorgverzekeraars geen restitutiepolissen meer aanbieden voor de wijkverpleging en de ggz. Vanuit het perspectief van de toegankelijkheid van zorg blijven er voldoende natura- en combinatiepolissen over met een zeer ruime keuze voor zorgaanbieders, daarbij zijn zorgverzekeraars gehouden aan hun zorgplicht. Tegelijkertijd geldt dat zorgverzekeraars nog een overgangsperiode hanteren voor hun verzekerden voor 2025. Dit betekent dat verzekerden die in 2024 al een restitutiepolis hadden bij de betreffende zorgverzekeraar en in zorg zijn bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder in de wijkverpleging of ggz, in 2025 voor deze zorg nog op dezelfde vergoeding kunnen rekenen als in 2024.
Klopt het dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) negen zorgverzekeraars een aanwijzing geeft?
Het klopt niet dat de NZa aan negen zorgverzekeraars een aanwijzing heeft gegeven.
De Stichting Handhaving Vrije Artsenkeuze heeft in een handhavingsverzoek aan de NZa gevraagd om zorgverzekeraars een aanwijzing op te leggen omdat zij de regels over niet-gecontracteerde zorg onjuist zouden toepassen. Na onderzoek heeft de NZa vastgesteld dat acht zorgverzekeraars hun verzekerden beter moeten informeren als zij een hoge eigen bijdrage moeten betalen voor onverzekerde zorg: soms hebben mensen recht op een hogere vergoeding als de zorgkosten hoog zijn. Daarnaast heeft de NZa vastgesteld dat een zorgverzekeraar onterecht persoonlijke informatie opvraagt. Deze negen zorgverzekeraars overtraden hiermee de Regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten. De NZa heeft de zorgverzekeraars daarvoor een voorgenomen aanwijzing opgelegd. Alle negen zorgverzekeraars hebben gereageerd op het voornemen en daarbij aangegeven dat zij de problemen inmiddels opgelost hebben. De NZa heeft dit gecontroleerd en vastgesteld dat er geen reden meer is om verder onderzoek te doen1. Hiermee is een aanwijzing dus uiteindelijk niet opgelegd door de NZa.
Klopt het dat deze zorgverkeraars een aanwijzing krijgen omdat ze de vrije artsenkeuze overtreden?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u dat zorgverzekeraars duidelijk genoeg aan verzekerden kenbaar maken wat de verschillende opties zijn bij de keuzes voor een basisverzekering? Zo nee, hoe kan dit verduidelijkt worden?
Zorgverzekeraars hebben hun verzekerden via hun websites op uiterlijk 12 november geïnformeerd over de polissen die zij aanbieden. Verzekerden hebben daarnaast afhankelijk van hun communicatievoorkeur een brief of e-mail ontvangen over deze specifieke verandering van hun polis. Verzekerden die hebben gekozen voor communicatie per post, hebben uiterlijk 19 november het prolongatie-aanbod van hun huidige zorgverzekeraar per post ontvangen, dus ook de informatie over de wijzigingen die de huidige zorgverzekeraar doorvoert in zijn polissen. De NZa houdt toezicht op deze twee datums.
Vindt u dat deze onduidelijkheid ertoe leidt dat mensen met een smalle beurs een goedkoper type polis (moeten) kiezen die minder opties bevat?
Zoals in mijn antwoord op vraag 4 aangegeven hebben zorgverzekeraars hun verzekerden geïnformeerd over de eventuele veranderingen in hun polis.
Mensen die meer geld te besteden hebben kunnen de eigen betalingen voor niet-gecontracteerde zorgaanbieders beter dragen. Gecontracteerde zorgaanbieders worden volledig vergoed, en zorgverzekeraars bieden natura- en combinatiepolissen aan met een zeer ruime keuze aan zorgaanbieders. Ik werk aan het onafhankelijk indiceren van niet-gecontracteerde zorg om deze beter toegankelijk te maken.
Hoe verhoudt de zorgplicht van zorgverzekeraars, namelijk dat iedere verzekerde binnen een redelijke tijd en afstand de zorg krijgt die nodig is, zich tot het hinderpaalcriterium, gezien de oplopende wachtlijsten in de zorg?
De zorgplicht van de zorgverzekeraar staat, wat betekent dat de zorgverzekeraar ervoor moeten zorgen dat hun verzekerden met een naturapolis binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang hebben tot alle zorg uit het basispakket. Zorgverzekeraars moeten daarom voldoende zorg inkopen of vergoeden. Als iemand niet snel genoeg bij een zorgaanbieder terecht kan, moet de zorgverzekeraar bemiddelen naar een zorgaanbieder waar deze wel terecht kan. Als dat niet lukt, kan de zorgverzekeraar ook de zorg van (bepaalde) niet-gecontracteerde aanbieders vergoeden alsof er een contract is. Zie ook de Q&A van de NZA hierover https://www.nza.nl/documenten/vragen-en-antwoorden/de-wachttiiden-bii-qecontracteerde-zoraaanbieder-ziin-te-lang.-wat-moet-de-zoroverzekeraar-doen.
Contractering kan juist bijdragen aan een betere verdeling van middelen en capaciteit in de zorg. Zo kunnen zorgverzekeraars via de contractering sturen op het vermijden van niet-passende, ondoelmatige en daardoor onnodig dure zorg die een onnodig groot beroep doet op de schaarse tijd van zorgverleners.
Voor de verzekerde stond bij een restitutiepolis tegenover het voordeel van volledige vergoeding van alle zorg bij alle zorgaanbieders het nadeel dat de verzekeraar ten behoeve van de verzekerde minder goed op de kwaliteit en doelmatigheid van de zorg kan sturen, met als mogelijk gevolg hogere zorgkosten en een hogere premie en minder doelmatige inzet van schaarse zorgcapaciteit. Ik reken erop dat via contractering deze nadelen ondervangen kunnen worden en juist bijgedragen kan worden aan de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Door meer sturing op passende zorg kunnen zorgverzekeraars ook sturen op een verschuiving van zorgcapaciteit van laagcomplexe naar hoogcomplexe ggz zorg.
Via art. 13 Zvw is geborgd dat bij naturapolissen de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg niet zo laag mag zijn dat deze een hinderpaal is voor verzekerden; dat hinderpaalcriterium staat nog steeds.
Begrijpt u dat verzekerden zich gedwongen voelen om zich (soms tijdelijk) tot ongecontracteerde zorg te wenden, bijvoorbeeld gezien de zeer lange wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ)?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe wordt bepaald of 75% van de vergoeding van ongecontracteerde zorg een hinderpaal voor de verzekerde is of dat dit geen hinderpaal is?
Het hinderpaalcriterium ligt volgens de jurisprudentie besloten in artikel 13 Zvw. Uit de jurisprudentie vloeit voort dat de hoogte van de vergoeding geen feitelijke verhindering mag opleveren voor een gemiddelde («modale») verzekerde bij een gangbare omvang van de zorg.
Het is aan de zorgverzekeraar om de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg te bepalen en daarbij rekening te houden met het hinderpaalcriterium. De zorgverzekeraar legt de hoogte van de vergoeding vast in de polis van de verzekerde.
Indien verzekerden het niet eens zijn met de wijze waarop hun zorgverzekeraar het hinderpaalcriterium hanteert, dan kan de verzekerde een klacht indienen bij Geschillencommissie Zorgverzekeringen van de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen. Ook kan de verzekerde een zaak voorleggen aan de burgerlijk rechter. Verder houdt de NZa toezicht op de rechtmatige uitvoering van de Zvw door zorgverzekeraars. Dit toezicht omvat ook de wijze van hantering van het hinderpaalcriterium.
Wordt dit per behandeling bepaald of per duur van de behandeling, bijvoorbeeld in de GGZ?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel verzekerden zijn er naar Stichting klachten en geschillen zorgverzekeringen (SKGZ) gestapt om een klacht in te dienen tegen de hoogte van de bijdrage bij ongecontracteerde zorg in 2024? Is het aantal klachten gestegen of gedaald sinds 2023?
Deze vraag valt niet exact te beantwoorden omdat de SKGZ registreert op het hoofdaspect van een klacht, bijvoorbeeld «hoogte vergoeding». Vervolgens wordt geregistreerd of dit bijvoorbeeld komt omdat de zorg niet gecontracteerd was.
SKGZ heeft haar gegevens geanalyseerd en komt met enkele aannames tot de volgende resultaten. SKGZ ontving in totaal 43 klachten in 2024 die gingen over het gebruik van niet-gecontracteerde zorg in Nederland in samenhang met de hoogte van de vergoeding.
Dit is een lager aantal dan het jaar daarvoor (53 in 2023). Daarbinnen is het aandeel klachten in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) toegenomen, van 19 in 2023 naar 24 in 2024.
Zowel bij medisch specialistische zorg (msz) en ggz gaan veel klachten over de hoogte van de vergoeding voor zorg in het buitenland. Deze zorg is vaak niet gecontracteerd. De zaken met een buitenland component zijn niet meegenomen in de genoemde getallen omdat de SKGZ niet in beeld heeft of deze klachten betrekking had op het feit dat het hierbij om niet-gecontracteerde zorg ging.
Medisch specialistische zorg
11
20
– 9
– 45%
Geestelijke gezondheidszorg
24
19
+ 5
+ 26%
Wijkverpleging en verzorging
8
14
– 6
– 43%
Bron: SKGZ
Hoelang duurt het voordat een klacht behandeld is bij de geschillencommissie?
SKGZ heeft mij laten weten dat in meer dan 80% van de gevallen de klachten via bemiddeling van de Ombudsman Zorgverzekeringen kunnen worden opgelost. Gemiddeld duurt dat 2 tot 3 maanden.
In de overige gevallen wordt de klacht voorgelegd aan de Geschillencommissie. De doorlooptijd vanaf indiening, inclusief hoorzitting en indien nodig advies van het Zorginstituut, tot aan het bindende advies, bedraagt 3 tot 6 maanden.
Het bericht ‘Minister Agema 'heel erg bezorgd' over bezuinigingen zorg’ |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Kunt u aangeven op welke wijze u betrokken was bij de onderhandelingen over de dekking, namelijk de bezuinigingen op VWS, voor het amendement op de OCW-begroting?1
Voor de OCW-begrotingsbehandeling van 26 november jl. hebben ambtenaren van het Ministerie van VWS contact gehad over de dekkingsmaatregelen op VWS-terrein met ambtenaren van het Ministerie van OCW en het Ministerie van Financiën. Het betrof een appreciatie van de maatregelen op VWS-terrein over amendement onder Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 60 van het lid Stultiens en amendement onder Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 59 van het lid Jetten. De informatie die vanuit het Ministerie van Financiën aan de onderhandelende partijen is verstrekt, is op 12 december door de Minister van Financiën aan uw Kamer gestuurd.
Daarnaast circuleerden er in de week van 25 november berichten in de media dat de onderhandelende partijen in overweging hadden om een deel van de financiële dekking te zoeken bij medisch specialisten die niet in loondienst zijn. Naar aanleiding hiervan is op 28 november een ambtelijke appreciatie van dit voorstel opgesteld en met mij gedeeld.
Naar ik begrijp is er daarna pas vanaf 6 december gesproken over een dekking van amendement Bontenbal c.s. Op 10 december heb ik de fractievoorzitter van de PVV laten weten sowieso bestuurlijke afspraken te moeten maken met medisch specialisten. Dit vanwege een ruime Kamermeerderheid die de motie van het lid Dijk c.s. over uiterlijk voor het zomerreces van 2025 een voorstel naar de Kamer sturen om medisch specialisten in loondienst te brengen2 op 5 november jl. heeft aangenomen.
De maatregel als het gaat om medisch specialistische zorgopleidingen is op woensdagavond 12 december voor mij uit de lucht komen vallen. Ik heb dit ook al met uw Kamer gedeeld in het tweeminutendebat Integraal Zorgakkoord op 18 december en het commissiedebat Arbeidsmarktbeleid in de zorg van 19 december.
Kunt u toelichten met wie en op welk moment u contact heeft gehad over de dekking voor het OCW-amendement?
Zie antwoord op vraag 1.
Welke informatie heeft u ontvangen voor het sluiten van de «deal» met betrekking tot de dekking van het OCW-amendement?
Zie antwoord op vraag 1.
Welke informatie is aan de onderhandelende partijen verstrekt met betrekking tot de bezuinigingen op VWS vanuit het Ministerie van Financiën, respectievelijk het Ministerie van VWS?
Het Ministerie van VWS heeft geen informatie met betrekking tot de bezuinigingen verstrekt aan de onderhandelende partijen. De verstrekte informatie vanuit het Ministerie van Financiën heeft de Minister van Financiën op 12 december aan uw Kamer gestuurd.3
Kunt u aangeven hoe de ombuiging er precies uitziet en op welke delen van de verpleegkundige- en andere zorgprofessionals (vervolg)opleidingen bezuinigd gaat worden?
Op 19 december jl. is de motie van het lid Krul c.s.4 aangenomen. Deze motie vraagt mij een alternatieve invulling te vinden voor de ombuiging subsidie bij- en nascholing medisch specialisten van 165 miljoen euro binnen het domein van de begroting van VWS. De Kamer geeft mij hiermee breder de ruimte om naar een alternatieve invulling te zoeken. Ik zal uw Kamer hierover later in januari informeren, conform het verzoek uit de motie.
Bent u bereid om de antwoorden op deze vragen voor het commissiedebat Arbeidsmarktbeleid in de zorg te delen?
Uw vragen zijn mondeling beantwoord in het tweeminutendebat Integraal Zorgakkoord op 18 december en in het commissiedebat Arbeidsmarktbeleid in de zorg op 19 december en hierbij schriftelijk.
Twee onderzoeken van de Patiëntenfederatie en de FNV naar de problematiek rondom tekorten in de geboortezorg |
|
Sarah Dobbe |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Wat is uw reactie op het onderzoek «Ervaring met tekorten in de geboortezorg» van de Patiëntenfederatie?1
De ervaringen uit het rapport vind ik aangrijpend. Ik vind het belangrijk dat zwangeren en hun partners de zorg krijgen die zij nodig hebben, en dat kinderen een goede start in het leven hebben. Helaas is de krapte op de arbeidsmarkt een breed probleem binnen de zorg, dat ook de geboortezorg raakt. Dit vraagstuk heeft mijn volle aandacht, en ik zet mij in om deze tekorten aan te pakken en ervoor te zorgen dat de zorg terechtkomt bij degenen die dit het hardste nodig hebben.
Een belangrijke pijler binnen de geboortezorg is de samenwerking tussen gynaecologen, verloskundigen en kraamverzorgenden binnen de Verloskundige Samenwerkingsverbanden (VSV's). Deze samenwerking is cruciaal om de beschikbare capaciteit optimaal in te zetten en passende zorg te bieden. Het Ministerie van VWS stimuleert deze samenwerking via het ZonMw-programma Versterking Verloskundige Samenwerkingsverbanden.
Daarnaast werken de landelijke partijen in de geboortezorg actief samen om vanuit landelijke perspectief bij te dragen aan het zo goed mogelijk beheersen van de capaciteitsproblemen op regionaal niveau. Deze geboortezorgpartijen zijn met elkaar in gesprek hoe zij de capaciteitsvraagstukken nu en in de toekomst zo goed mogelijk het hoofd kunnen bieden. Zo wordt in de acute geboortezorg gewerkt aan de toegankelijkheid, samen met het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ), een netwerkorganisatie van de tien acute zorgnetwerken (ROAZ). In het ROAZ (Regionaal Overleg Acute Zorgketen) vindt overleg plaats om de benodigde geboortezorg in een regio te coördineren en de beschikbare capaciteit zo optimaal mogelijk in te zeten. In nagenoeg alle ROAZ-regio’s is het LPZ Geboortezorg dashboard geïmplementeerd. Dit dashboard is gekoppeld aan het ziekenhuisinformatiesysteem en geeft ook verloskundigen in de eerste lijn inzicht in de beddencapaciteit op de verloskamers, verblijfkamers en de neonatologie-afdelingen van de ziekenhuizen in de regio. De verloskundigen kunnen in één oogopslag zien – ook via hun mobiel of tablet – waar plek is voor de cliënt om te bevallen. Ook de PICU’s (Pediatric Intensive Care Unit) en de NICU’s (Neonatale Intensive Care Unit) zijn inmiddels op dit dashboard aangesloten.
Verder wordt in de kraamzorg gewerkt aan een nieuwe indicatiesystematiek om zorg beter af te stemmen op de behoeften van kraamvrouwen en hun gezinnen. Ook hebben Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Bo Geboortezorg (de koepel van kraamzorgorganisaties) een convenant afgesloten met het oog op een toekomstbestendige sector. Hierin zijn onder andere afspraken gemaakt over het opleiden van extra kraamverzorgenden en het waarborgen van minimaal het aantal uren kraamzorg voor elke kraamvrouw. Het Ministerie van VWS ondersteunt deze inspanningen, onder meer via kwaliteitsgelden voor de kraamzorg. Verder hebben ZN en Bo Geboortezorg een gezamenlijke toekomstvisie opgesteld, die verder wordt uitgewerkt in een versnellingsagenda kraamzorg. Voor de korte termijn zijn aanvullende afspraken gemaakt over de zorglevering in 2025.
Naast deze maatregelen wordt, in lijn met de aanbevelingen van het rapport, ingezet op innovatieve oplossingen, zoals kraamhotels en digitale zorg, en op gerichte en transparante communicatie. Deze initiatieven dragen bij aan het waarborgen van de toegankelijkheid en doelmatigheid van de geboortezorg op de lange termijn. Ik waardeer dat beide partijen hun verantwoordelijkheid hebben gepakt en werken aan een toekomstbestendige sector.
Het blijft een gezamenlijke opdracht om de krapte in de geboortezorg te verminderen en passende zorg beschikbaar te houden voor alle zwangeren en hun gezinnen.
Wat is uw reactie op het eerdere onderzoek van de FNV waarin 80% van de kraamverzorgenden aangaf dat minder aandacht en uren «gevaren kan opleveren voor de gezondheid en het welzijn van de kraamvrouw en/of baby»?2
De signalen uit het FNV-onderzoek onderstrepen de urgentie van de huidige problematiek in de kraamzorg. Elke situatie waarin de gezondheid en veiligheid van kraamvrouwen en baby's in het geding is, is er één te veel. Daarom blijft het verbeteren van de kwaliteit en beschikbaarheid van kraamzorg een prioriteit voor de overheid, zorgverzekeraars en kraamzorgaanbieders. Ik blijf de voortgang van de genomen maatregelen volgen en ben regelmatig in overleg met de toezichthouders en sector over de voortgang in aanpakken van deze problematiek. Het blijft van groot belang dat alle betrokkenen hun verantwoordelijkheid nemen, om risico's voor kraamvrouwen en baby's te beperken en de toegankelijkheid van de zorg te waarborgen.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat ouders naast de eigen bijdrage voor kraamzorg, met de personeelstekorten, nu met een tweede drempel voor noodzakelijke zorg te maken krijgen?
Ik deel de zorg dat iedere drempel voor noodzakelijke zorg onwenselijk is. Het is van groot belang dat zwangeren en hun partners de zorg ontvangen die zij nodig hebben. Zorgverzekeraars en kraamzorgaanbieders spelen hierin een centrale rol. Ik waardeer daarom de inspanningen die Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Bo Geboortezorg de afgelopen twee jaar hebben gedaan om de toegankelijkheid van zorg te borgen.
In 2023 hebben ZN en Bo Geboortezorg een eerste convenant afgesloten. Op 25 april 2024 hebben zij gezamenlijk een vervolgconvenant afgesloten. In dit convenant zijn inhoudelijke en financiële afspraken gemaakt voor 2024, een groot deel hiervan geldt ook voor 2025. Daarnaast is er eind vorig jaar door beiden partijen een gezamenlijke visie voor de kraamzorg ontwikkeld, waarbij partijen aan de slag gaan om de kraamzorg toekomstbestendiger te maken en de toegankelijkheidsproblematiek grotendeels op te lossen. De twee partijen willen hierin ook aandacht besteden aan de eigen bijdragen. Ik volg dit proces nauwgezet.
Deelt u de analyse dat de personeelstekorten niet los kunnen worden gezien van de salariskloof tussen de zorg en andere sectoren en het feit dat de lonen in de geboortezorg jarenlang nog veel verder achterliepen?
Nee, deze analyse deel ik niet. Bijna alle sectoren in de economie hebben namelijk te maken met personeelstekorten. Ook de umc’s – waar de beloning boven marktconform is – kampen met personeelstekorten. De aantrekkelijkheid van werken in de zorg is niet enkel afhankelijk van het salaris. Zaken als de werk-privé balans, professionele autonomie, zeggenschap en ontwikkelmogelijkheden spelen ook een grote rol in de keuze om wel of niet in de zorg te (blijven) werken. Het uitstroomonderzoek van RegioPlus3 laat zien dat arbeidsvoorwaarden niet bij de eerste 5 redenen staan om te vertrekken bij een werkgever. Om personeel te behouden zijn in eerste instantie werkgevers aan zet. Daarom zijn bijvoorbeeld met betrekking tot de kraamzorg, in de versnellingsagenda van Bo Geboortezorg en ZN, meerdere onderdelen opgenomen die moeten bijdragen aan het verbeteren van de genoemde arbeidsomstandigheden. Daarnaast zijn de personeelstekorten binnen de geboortezorg mede afhankelijk van de beschikbaarheid van personeel zorg- en welzijn breed. Via de leidraad vakmanschap en werkplezier – welke ik van plan ben om als bijlage bij het aanvullend zorg en welzijnsakkoord naar uw Kamer te sturen – zal ik op basis van voorlopers handvatten bieden aan werkgevers om hier verder mee aan de slag te gaan.
In hoeverre is de ova-bijdrage nu voldoende om de loonkloof tussen de zorg en andere sectoren in te lopen in het algemeen en specifiek voor de geboortezorg?
Ten eerste wil ik opmerken dat uit de beloningsonderzoeken die mijn voorganger in december 2023 naar uw Kamer heeft gestuurd4 bleek dat het uurloon van zorgmedewerkers redelijk vergelijkbaar is met dat van medewerkers in de marktsector, maar wat achter loopt ten opzichte van andere (semi-)publieke sectoren. Daarnaast bleek dat er een uiteenlopend beeld is wat betreft de marktconformheid van de salarissen tussen verschillende branches binnen zorg en welzijn, en ook tussen verschillende groepen binnen dezelfde branche. Zo zijn bijvoorbeeld de salarissen aan de bovenkant van het loongebouw binnen veel zorgbranches boven marktconform, terwijl de salarisbedragen in het midden van het loongebouw achterblijven bij andere sectoren.
De ova-bijdrage geeft ruimte voor marktconforme loonontwikkeling voor het gehele personeelsbestand. Dit biedt dus ook mogelijkheden om de beloning van groepen die te maken hebben met een beloningsachterstand binnen een bepaalde cao extra te verhogen, door groepen die een boven marktconform salaris krijgen wat minder loonsverhoging te geven. Welk deel van de beloningsachterstand hiermee kan worden ingelopen, verschilt per sector. Specifiek voor de kraamzorg hebben ZN en Bo Geboortezorg in 2023 gezamenlijk een onderzoek geïnitieerd. Dit onderzoek is op de website van Bo Geboortezorg5 te vinden. Dit en ander onderzoek geeft echter onvoldoende informatie om harde uitspraken te doen in hoeverre de ova-bijdrage voldoende is om de beloningsachterstand in te lopen.
In hoeverre speelt volgens u de gebrekkige werk-privé balans in de geboortezorg mee bij de personeelstekorten? Bent u bereid zich in te zetten om hierin verbeteringen aan te brengen? Zo ja, op welke manier gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?
In relatie tot de personeelstekorten in de kraamzorg heeft de sector het Prognosemodel Kraamzorg ontwikkeld. Volgens Bo Geboortezorg komt uit dit model naar voren dat de uitstroom van medewerkers groter is dan de instroom. Daarnaast komt uit dit model naar voren dat er sprake is van een hoge mate van vergrijzing onder de kraamverzorgenden. Door de benodigde afspraken met betrekking tot het verdelen van zorg en het spreiden van uren, is de werk-privé balans verder onder druk komen te staan. Om deze reden zijn er in de versnellingsagenda meerdere lijnen met acties opgenomen die zich richten op het herstellen van de werk-privé balans.
Welke stappen bent u van plan te zetten om de personeelstekorten in de geboortezorg tegen te gaan? Bent u bereid om voldoende budget voor fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden vrij te maken via de ova-bijdrage?
De personeelstekorten binnen de geboortezorg zijn mede afhankelijk van de beschikbaarheid van personeel zorg- en welzijn breed. Het aanpakken van de personeelskrapte in zorg en welzijn is mijn topprioriteit. Dit doe ik door inzet langs drie lijnen, namelijk 1) het halveren van de administratietijd, 2) de juiste inzet van medewerkers en 3) het vergroten van vakmanschap en werkplezier. Daarnaast werk ik momenteel met de zorgsector aan een aanvullend zorg- en welzijnsakkoord. Een belangrijk doel hiervan is dat de beweging naar de voorkant (van zorg naar gezondheid en van curatief naar preventief) versterkt wordt, zodat de behoefte aan personeel in zorg en ondersteuning de komende jaren minder hard groeit. Na het verschijnen van het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord organiseer ik een top specifiek over het afwenden van het onbeheersbaar arbeidsmarkttekort binnen zorg en welzijn. Op die top lanceer ik een platform met effectieve initiatieven die een succesvolle bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van het arbeidsmarkttekort. Dit levend platform zal voortdurend in ontwikkeling blijven en meebewegen met de tijd en ons inzicht bieden in het effect van die initiatieven op onder andere arbeidsproductiviteit en de formatie-inzet van zorgaanbieders.
Tot slot stelt Ministerie van VWS al ieder jaar extra marktconforme arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar. Voor 2025 gaat het om 3,6 miljard euro structureel extra. Specifiek met betrekking tot de geboortezorg zijn er door zorgverzekeraars extra middelen beschikbaar gesteld voor extra opleidingsplekken in de kraamzorg via een opleidingsfonds. Daarnaast zijn er in de versnellingsagenda meerdere onderdelen opgenomen die moeten bijdragen aan het verbeteren van de arbeidsomstandigheden.
De uitzending van het NOS journaal over vrouwelijke genitale verminking in Nederland |
|
Sarah Dobbe |
|
Fleur Agema (PVV), Eppo Bruins (CU) |
|
Wat is uw reactie op de uitzending van het NOS journaal van donderdag 12 december 2024 over toegenomen vrouwelijke genitale verminking in Nederland?
Het kabinet vindt vrouwelijke genitale verminking (vgv) een barbaarse en onaanvaardbare praktijk waartegen meisjes en vrouwen beschermd moeten worden. Vrouwelijke genitale verminking is een zeer ernstige vorm van huiselijk geweld en strafbaar in Nederland. Het is een schending van de mensenrechten en een ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen en meisjes. De veiligheid van vrouwen en meisjes is zeer belangrijk en wij zetten ons in om hen te beschermen tegen vgv. Onze interdepartementale aanpak richt zich op het voorkomen, stoppen en duurzaam oplossen van dit geweld. We zien vgv als onderdeel van schadelijke praktijken. Andere vormen van geweld die onder die noemer vallen zijn eergerelateerd geweld, huwelijksdwang, achterlating en huwelijkse gevangenschap. Om de aanpak kracht bij te zetten, heeft het kabinet in het Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma aangekondigd stevig in te zetten op de aanpak van schadelijke praktijken, waaronder vrouwelijke genitale verminking.
Wat is uw reactie op de waarschuwing van gynaecologen, verloskundigen en de GGD dat het aantal slachtoffers van vrouwelijke genitale verminking waarschijnlijk een stuk hoger ligt dan de schatting van 40.000 uit 2019?
De aanpak van vrouwelijke genitale verminking, als vorm van schadelijke praktijken, is voor dit kabinet een belangrijk thema. We vinden het daarom van belang om scherp zicht te hebben op het aantal slachtoffers van vrouwelijke genitale verminking. Ook voor het inzetten van effectieve interventies en het bieden van medische zorg is het noodzakelijk dat slachtoffers in beeld zijn. Tegelijkertijd is vrouwelijke genitale verminking een verborgen fenomeen, onder andere vanwege gevoelens van schaamte en de taboesfeer die nog te vaak heerst om over deze geweldsvorm te praten. Dit bemoeilijkt het vaststellen van de prevalentie. De waarschuwing van deze medische professionals zien wij als een extra aansporing om, door middel van een nieuw prevalentieonderzoek uitgevoerd door Pharos, zo goed mogelijk recente prevalentiecijfers in beeld te brengen (zie ook het antwoord op vraag 3).
Deelt u u mening dat nieuw onderzoek naar de schaal van vrouwelijke genitale verminking in Nederland nodig is, aangezien de cijfers uit 2019 waarschijnlijk zijn verouderd? Zo ja, bent u bereid dit onderzoek op korte termijn te laten uitvoeren en de Kamer over de resultaten te informeren? Zo nee, waarom niet?
Om inzicht te verkrijgen in de prevalentie van schadelijke praktijken, waaronder vrouwelijke genitale verminking, is het van belang om een nieuw onderzoek uit te voeren. Op dit moment voert Pharos, met subsidie van VWS, dit onderzoek uit. Het onderzoek is gericht op de omvang en risico’s van de verschillende vormen van schadelijke praktijken, waaronder vrouwelijke genitale verminking, en het brengt in beeld wat de bestaande sociale normen zijn die ten grondslag liggen aan deze problematiek. Naar verwachting worden de resultaten van dit onderzoek eind 2025 gepubliceerd en gepresenteerd in een afsluitend symposium door Pharos. De resultaten zullen ook met uw Kamer worden gedeeld.
Bent u bereid maatregelen tegen genitale verminking uit ons omringende landen te inventariseren en te onderzoeken of de in Nederland beschikbare maatregelen kunnen worden aangescherpt? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft in het Hoofdlijnenakkoord aangekondigd de aanpak van schadelijke praktijken, waaronder vrouwelijke genitale verminking te willen versterken. Op dit moment wordt verkend welke aanvullende maatregelen passend zijn, aansluitend op de uitvoeringspraktijk. In het onderzoek naar preventieve beschermingsbevelen dat op dit moment wordt uitgevoerd (zie antwoord vraag 5), worden ook internationale voorbeelden meegenomen.
Bent u bereid om de mogelijkheid te onderzoeken om een uitreisverbod via de rechter op te leggen aan minderjarige vrouwen indien er een groot risico op genitale verminking bestaat? Zo nee, waarom niet?
Dit wordt momenteel onderzocht. Het onafhankelijke onderzoeks- en adviesbureau Right to Rise voert dit onderzoek in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) uit. Het onderzoek is gericht op de mogelijkheden en de verbetering van preventieve beschermingsbevelen, zoals reisverboden. Hierbij wordt ook gekeken naar internationale voorbeelden, zoals die in het Verenigd Koninkrijk en Denemarken.
Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het uitreizen van een minderjarige vrouw te voorkomen via de rechter door middel van een (spoed)kinderbeschermingsmaatregel, al dan niet in combinatie met een schriftelijke aanwijzing die het reizen met de minderjarige verbiedt, indien dit noodzakelijk is om de dreiging voor het kind direct te kunnen beëindigen.1
Bent u bekend met de aanpak van het Verenigd Koninkrijk op het gebied van voorlichting op scholen als preventieve maatregel over onderwerpen zoals genitale verminking, menstruatiegezondheid, en huwelijksdwang en achterlating, en ziet u mogelijkheden om dit beleid over te nemen? Zo nee, waarom niet?
Wij zijn bekend met de «Female Genital Mutilation: Guidance for schools» van «The national FGM centre» in het Verenigd Koninkrijk. Deels komt dit overeen met het huidige beleid in Nederland. Er is in Nederland een e-learning over schadelijke praktijken met daarin informatie over vormen van vgv, de prevalentie van vgv en signalen die kunnen duiden op dreigende vgv.2 Deze e-learning is gratis beschikbaar en richt zich op onderwijs- en zorgprofessionals. Daarnaast heeft Pharos een website met informatie over vgv en zijn er verschillende infosheets ontwikkeld voor professionals. Met behulp van subsidie van VWS zet Pharos in op het onder de aandacht brengen van de e-learning. Ook wordt regelmatig aandacht gevraagd voor de bestaande materialen en de risico’s in aanloop naar vakanties, op korte termijn bijvoorbeeld via de nieuwsbrieven die het Ministerie van OCW voorafgaand aan de meivakantie naar scholen verstuurt.
In de huidige wettelijk verankerde kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs is aandacht vastgelegd voor thema’s die bijdragen aan bewustwording en preventie van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Scholen in het funderend onderwijs zijn verplicht om aandacht te besteden aan de kerndoelen. Ze mogen in het kader van de vrijheid van onderwijs zelf bepalen met welk lesmateriaal zij dat doen.
De kerndoelen worden op dit moment geactualiseerd. In diverse recent opgeleverde conceptkerndoelen is aandacht voor de in de vraag genoemde thema’s verwerkt. De conceptkerndoelen worden nu door scholen getest in de praktijk waarna ze nog verder worden aangescherpt.
Er zijn ook onderdelen van de «Female Genital Mutilation: Guidance for schools» die niet aansluiten bij het Nederlandse beleid. Zo past het verplichten van specifieke lessen over vgv niet bij de vrijheid van onderwijs (artikel 23, gw), zoals hierboven toegelicht.
Bent u bereid om te onderzoeken of een vergelijkbaar initiatief mogelijk is in Nederland als Operation Limelight die in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten wordt uitgevoerd, waarbij grenscontroles, voorlichting en preventieve gesprekken plaatsvinden op luchthavens tijdens risicomomenten zoals schoolvakanties? Zo ja, vanaf wanneer? Zo nee, waarom niet?
Operation Limelight is een initiatief van het Verenigd Koninkrijk, in samenwerking met de Verenigde Staten, om personen die risico lopen op vrouwelijke genitale verminking te identificeren en voorlichting te geven aan passagiers. Om de signalering door professionals op vliegvelden van dreigende vrouwelijke genitale verminking in Nederland verder te versterken, zijn er in het kader van de Actieagenda Schadelijke Praktijken (2020–2022) verschillende gesprekken gevoerd met betrokken partijen, waaronder luchthaven Schiphol, NIDOS en de Koninklijke Marechaussee. De Britse politie heeft hierin een ondersteunende rol gespeeld en de organisaties ook geïnformeerd over het Operation Limelight-initiatief. Tijdens deze gesprekken is het initiatief vergeleken met de Nederlandse aanpak en zijn de mogelijkheden voor toepassing op Nederlandse luchthavens besproken.
Op basis van deze gesprekken is afgesproken dat voor het grenspersoneel op de luchthavens grensgerelateerde signalen zouden worden opgesteld om mogelijke slachtoffers tijdig in het vizier te krijgen en (potentieel) slachtofferschap te voorkomen. Vanwege de specifieke inrichting van de beveiliging op Nederlandse luchthavens en de taken van het grenspersoneel is er echter bewust voor gekozen om niet volledig het Britse model te volgen. Dit betekent dat er geen extra waarschuwingssysteem wordt ingevoerd waarbij een actieve rol van het potentiële slachtoffer wordt gevraagd. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de Kamerbrief over de resultaten van de actieagenda Schadelijke Praktijken en de vervolginzet.3 In het antwoord op vraag 8 is de Nederlandse inzet op voorlichtingscampagnes tijdens risicomomenten, zoals schoolvakanties, toegelicht.
Bent u bereid om te onderzoeken of een vergelijkbare permanente voorlichtingscampagne op Schiphol mogelijk is zoals in het Verenigd Koninkrijk waarbij er permanente posters op treinstations en vliegvelden zijn om genitale verminking, huwelijksdwang, gedwongen achterlating en gedwongen isolement tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Er hebben diverse voorlichtingsactiviteiten op Schiphol plaatsgevonden, zoals informatie op beeldschermen bij gates van risicolanden ter voorkoming van vrouwelijke genitale verminking en een sociale mediacampagne gedurende een deel van de zomervakantie in 2024. Het doel van deze campagne was om potentiële slachtoffers van huwelijksdwang en achterlating te attenderen op de mogelijkheid voor hulp in het buitenland van de Nederlandse overheid. Er zijn momenteel geen voornemens voor structurele campagnes specifiek op Schiphol. Wel is vanuit het Ministerie van VWS opdracht gegeven aan Pharos om een campagne te ontwikkelen op sociale media over vrouwelijke genitale verminking, eergerelateerd geweld, huwelijksdwang en achterlating. Deze campagne, #Rechtopnee, is gericht op jongeren van 15 tot 25 jaar en de professionals die met hen werken. De campagne is in januari 2023 gelanceerd. De campagne is geëvalueerd en bleek zeer succesvol. Over een periode van ongeveer 6 maanden zijn meer dan 3.2 miljoen mensen bereikt. Ruim 16.000 jongeren hebben doorgeklikt naar de website. Dit is exclusief het organische bezoek aan de website (rechtopnee.nl). Gezien het succes van de campagne is ingezet op verlenging van deze campagne. De campagne is verder uitgebreid en de boodschap die erachter schuilgaat is verstevigd en verdiept. Ook is er een vijfde thema aan toegevoegd, namelijk huwelijkse gevangenschap.
Welke informatie wordt bij de asielintake verstrekt over het verbod op genitale verminking en andere schadelijke praktijken zoals huwelijksdwang en achterlating, en op welke manier wordt duidelijk gemaakt welke gevolgen schending van het verbod kan hebben?
Wanneer een vreemdeling afkomstig is uit een land waarvan uit de landeninformatie blijkt dat vrouwen risico lopen op verschillende vormen van schadelijke praktijken, dan wordt hier tijdens het asielgehoor expliciet naar gevraagd. Dit kan een reden zijn voor internationale bescherming. Tijdens het asielgehoor en gedurende de periode dat de vreemdeling in de opvang van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) verblijft, wordt erop gewezen dat verschillende vormen van schadelijke praktijken in Nederland strafbaar zijn, ook als deze praktijken buiten Nederland plaatsvinden, en waar bewoners terecht kunnen voor hulp en ondersteuning.
Op welke manier wordt aandacht besteed in asielzoekerscentra aan het tegengaan van genitale verminking en andere schadelijke praktijken zoals huwelijksdwang en achterlating?
Gedurende de periode dat een vreemdeling in de opvang van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) verblijft, wordt op verschillende manieren voorlichting en informatie gegeven over vrouwelijke genitale verminking, als vorm van schadelijke praktijken. Bewoners kunnen via MyCOA, het digitale platform met informatie voor bewoners, informatie vinden over huiselijk geweld, waaronder over de verschillende vormen van schadelijke praktijken (zoals vgv).
Ook kunnen bewoners terecht bij de zorgaanbieder voor asielzoekers, Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA), tijdens de spreekuren voor vragen gerelateerd aan vgv. In het kader van een structurele dialoog met vluchtelingenvrouwenorganisaties werkt het COA samen met ervaringsdeskundigen aan het uitbreiden van het voorlichtingsaanbod voor bewoners op deze thema’s, zowel door middel van informatie op de bewonerswebsite, als door fysieke voorlichtingsbijeenkomsten.
Medewerkers van het COA worden op verschillende manieren voorgelicht over vgv. Medewerkers kunnen meer informatie vinden over vgv op het intranet van het COA. Hier kunnen medewerkers informatie vinden over de Wet meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling, die ook van toepassing is op vgv. Verder bevat het intranet ook informatie over de mogelijkheid om voorlichting te organiseren over het onderwerp, dit gebeurt door de GGD, de vgv-spreekuren in de regio en de Nederlandse ketenaanpak tegen vgv.
Daarnaast leidt het COA-personeel op tot aandachtsfunctionaris voor de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. Deze voeren de regie over de meldcode en werken samen met Veilig Thuis. Bewoners en medewerkers kunnen bij deze persoon terecht met zorgen en vragen. Bij signalen van (dreigende) schadelijke praktijken zijn medewerkers verplicht deze te melden bij Veilig Thuis.
Wordt bij inburgeringslessen aandacht besteed aan het tegengaan van genitale verminking en andere schadelijke praktijken zoals huwelijksdwang en achterlating? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid te zorgen dat dit in het programma wordt opgenomen?
Er is in het inburgeringsprogramma breed aandacht voor het zelfbeschikkingsrecht als onderdeel van de kennisoverdracht over het vrijheidsrecht. Het zelfbeschikkingsrecht, het recht van het individu op eigen keuzes en zelfstandigheid, en het belang en betekenis van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, komen in de inburgering terug in de onderdelen «Kennis Nederlandse Maatschappij» en het «Participatieverklaringstraject».
In de zogenaamde eindtermen (dat wat inburgeraars moeten kennen en weten) van het inburgeringsexamen Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM) is het zelfbeschikkingsrecht expliciet opgenomen. De eindtermen zijn recent aangepast. Bij de eindtermen over de integriteit van het lichaam zijn expliciete voorbeelden van schadelijke praktijken zoals huiselijk geweld, besnijdenis van meisjes en eerwraak toegevoegd. Hierbij wordt benadrukt dat alle ongewenste intimiteit en geweld strafbaar is. De nieuwe eindtermen treden in werking per 1 juli 2025. Inburgeraars worden op deze kennis getoetst.
Ook in asielzoekerscentra leren asielstatushouders over zelfbeschikking. Dit vindt onder andere plaats via de voorbereiding op de inburgering. In de module «Democratie en rechtstaat» van het programma wordt ingegaan op vrouwen- en LHBTIQI+-rechten.
Is de juridische meldplicht voor zorg- en onderwijsprofessionals bij vrouwelijke genitale verminking, huwelijksdwang en achterlating en eergerelateerd geweld inmiddels ingevoerd? Zo ja, op welke manier? Zo nee, wanneer wordt het ingevoerd?
Het is van belang dat professionals signalen van verschillende vormen van schadelijke praktijken kunnen herkennen en weten waar zij terecht kunnen voor adviesvragen of melden. In het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling is vastgelegd dat professionals in het zorg- en onderwijsdomein moeten werken met deze meldcode. Hiervoor hebben de verschillende sectoren specifieke afwegingskaders opgesteld toegespitst op de eigen werkomgeving. Voor vrouwelijke genitale verminking, huwelijksdwang en achterlating en eergerelateerd geweld bestaat een aangepast meldcode stappenplan, dat past bij het specifieke karakter van deze geweldsvormen.4
In 2024 is in opdracht van de Ministeries van VWS en OCW een onderzoek uitgevoerd naar de uitvoerbaarheid, risico’s en meerwaarde van een adviesplicht voor zorg- en onderwijsprofessionals, bij vrouwelijke genitale verminking, huwelijksdwang en achterlating en eergerelateerd geweld. Ook uit het onlangs verschenen rapport van de Onderwijsinspectie over de mishandeling van het pleegmeisje in Vlaardingen komt naar voren dat aan te bevelen is altijd Veilig Thuis te raadplegen voor advies in geval van twijfel over hoe te handelen. Het Ministerie van VWS wil, in afstemming met OCW, eventuele onduidelijkheid over het advies vragen in geval van signalen wegnemen en heeft de wens om tot een adviesplicht te komen. Er wordt onderzocht hoe dit vorm kan krijgen, ook in relatie tot randvoorwaarden en de collegiale consultatie als onderdeel van stap 2 van de meldcode.
Bent u bereid om religieuze en andere organisaties en gemeenschappen uit risicolanden waar genitale verminking voorkomt actief te betrekken bij de bestrijding ervan? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werkt op dit moment al samen met organisaties die specifieke contacten en ingangen hebben bij deze gemeenschappen. Deze organisaties zijn onderdeel van het netwerkknooppunt dat met subsidie van VWS door Pharos wordt georganiseerd. Het netwerk zorgt voor het delen van informatie tussen relevantie organisaties en het versterken van samenwerking. Ook de betrokken departementen maken onderdeel uit van dit netwerk.
Met subsidie van VWS zetten Federatie Somalische Associaties Nederland (FSAN), Movisie, Inspraakorgaan Turken in Nederland (IOT), Turkse Arbeidersvereniging Nederland (HTIB), Kezban, Landelijke Werkgroep Mudawwanah (LWM), Vluchtelingen-Organisatie Nederland (VON) en Voices of all Women (VOAW) in op voorlichting van hun eigen achterban. Deze organisaties geven op verschillende innovatieve manieren vorm aan de voorlichting, onder andere met inzet van sleutelpersonen, en het effect hiervan wordt gemonitord. De resultaten worden gedeeld met gemeenten zodat zij deze kunnen gebruiken in de lokale aanpak, omdat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de preventie van vrouwelijke genitale verminking.
Daarnaast financiert het Ministerie van OCW de Alliantie verandering van binnenuit waarin verschillende zelforganisaties5 van gemeenschappen waar vgv voorkomt werken aan preventie van schadelijke praktijken. Hierbij wordt ingezet op het bevorderen van een normverandering «van binnenuit» in gesloten gemeenschappen, via getrainde «voortrekkers» die zelf hun wortels hebben in zulke gemeenschappen. Dit doen zij onder andere middels dialoogsessies, conferenties en lotgenotengroepen, die worden geleid door gespreksleiders die zelf onderdeel zijn van zulke gemeenschappen.
Welke ondersteuning wordt er geboden aan slachtoffers van genitale verminking, en waar en door wie vindt deze ondersteuning plaats?
Vrouwelijke genitale verminking (vgv) kan tot een groot en divers aantal lichamelijke en psychische klachten leiden. Om hulp en ondersteuning te kunnen bieden, is het van groot belang dat vrouwen met hun zorgverlener durven te praten over wat hun is aangedaan. Dit kan de zorgverlener helpen om de oorzaak van de klachten op waarde te schatten en door te verwijzen naar de juiste zorg of ondersteuning. Dit gebeurt op verschillende manieren. Zo wordt door de GGD gewerkt met speciale regionale vgv-nazorgspreekuren, waar met een specifiek daarvoor opgeleide verpleegkundige kan worden besproken welke klachten zij ervaren en welke hulp nodig is. Deze spreekuren worden vaak wekelijks georganiseerd.
In sommige gevallen kan ook een hersteloperatie uitkomst bieden voor het verminderen van klachten van besneden vrouwen. Omdat er verschillende vormen van vrouwelijke genitale verminking bestaan en de problematiek bij elke vrouw anders is, is ZonMw samen met het Universitair Medisch Centrum Amsterdam in 2024 het onderzoek «hersteloperaties bij besneden vrouwen, wat helpt bij wie?» gestart. Met dit onderzoek wordt over een periode van vijf jaar onderzocht bij welke vrouwen een hersteloperatie veilig en effectief kan zijn, en wat de toegevoegde waarde van psychische of seksuele hulp is.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Dobbe c.s. over hersteloperaties voor vrouwelijke genitale verminking uitzonderen van het eigen risico?1
Met de indieners van de motie vindt ook de Minister van VWS het onwenselijk als vrouwen die een hersteloperatie voor genitale verminking willen ondergaan een drempel ervaren door het eigen risico. De betrokken vrouwen is immers groot onrecht aangedaan en zouden geen belemmeringen moeten ervaren voor herstel.
De uitvoering van de motie hangt echter samen met de uitvoering van een amendement over hetzelfde onderwerp. Tijdens de begrotingsbehandeling van 2020 is een amendement van de leden Raemakers en Bergkamp aangenomen, waardoor eenmalig middelen beschikbaar zijn gesteld om – bij wijze van pilot – vrouwen die een hersteloperatie ondergaan in het geval van genitale verminking, uit te zonderen van het eigen risico.
Zoals de ambtsvoorganger van de Minister van VWS in mei 2024 heeft aangegeven, is het ingewikkeld dit amendement uit te voeren. Het is echter wel mogelijk om ervoor te zorgen dat de vrouwen feitelijk geen eigen risico betalen, hetgeen ook het doel is van de motie. De Minister is daarom voornemens om voor de zomer een bestaand onderzoek naar de veiligheid en effectiviteit van hersteloperaties bij genitale verminking uit te breiden. Hierbij zullen vrouwen die een hersteloperatie ondergaan worden uitgezonderd van het eigen risico, om zo inzichtelijk te krijgen of en in hoeverre het eigen risico, maar ook andere factoren zoals schaamte- en schuldgevoelens een drempel vormen om een hersteloperatie te ondergaan. Door deze inzichten kunnen vervolgens gepaste maatregelen worden getroffen om te zorgen dat deze vrouwen indien gewenst deze zorg kunnen krijgen. De verwachting is dat dit onderzoek tot in 2027 doorloopt. Daarmee geeft de Minister vooralsnog uitvoering aan de motie en kunnen de resultaten van het onderzoek worden benut voor een definitieve oplossing.