De exportkredietverzekering voor het LNG-project in Mozambique |
|
Christine Teunissen (PvdD), Tom van der Lee (GL), Daniëlle Hirsch (GL), Marieke Koekkoek (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD), Reinette Klever (PVV) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met de beantwoording van onze schriftelijke vragen over de exportkredietverzekering voor het LNG-project in Mozambique door uw voorganger, waarvan het antwoord ontvangen is op 1 juli jl.?
Ja.
Kunt u in detail uitleggen hoe het herbeoordelingsproces eruitziet vanaf de start van de herbeoordeling tot eventuele goed- of afkeuring? Welke overwegingen spelen momenteel voor de ministeries om het project opnieuw goed- of niet goed te keuren?
Zoals mijn voorganger heeft aangegeven in zijn brief van 15 december 2023 zullen ekv-uitvoerder Atradius Dutch State Business (ADSB) en de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Financiën het project opnieuw integraal beoordelen, waaronder op het gebied van veiligheid, maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) en compliance.1 ADSB toetst of het project voldoet aan nationale en internationale standaarden.2 Hiervoor maakt ADSB gebruik van de analyses en adviezen van de onafhankelijke consultants die werken in opdracht van de betrokken internationale exportkredietverzekeraars (ECA’s) en financiers. Daarnaast betrekt ADSB inzichten van de ambassade en ngo’s. Als onderdeel van de herbeoordeling heeft ADSB in februari jl. de projectlocatie bezocht.
Daarnaast zijn de aanbevelingen van het Proximities rapport integraal opgevolgd. Dat betekent dat deze aanbevelingen volledig onderdeel zijn van de herbeoordeling. Zo heeft ADSB een eigen veiligheidsconsultant ingeschakeld om de onafhankelijke informatiepositie te versterken. Zie voorts ook het antwoord op vraag 23.
Op grond van dit onderzoek adviseert ADSB de ministeries die vervolgens een besluit nemen.
Hoe luidt het eerste advies dat Atradius heeft gegeven op 15 maart jl als startpunt voor de beoordeling door de ministeries? Is er sinds het advies extra onderzoek gedaan door Atradius of de ministeries?
Het herbeoordelingsproces is nog niet afgerond. Zolang het beoordelingsproces loopt, kan ik geen uitspraken doen over de inhoud daarvan om zo een zorgvuldig proces te borgen. Zowel ADSB als de betrokken ministeries blijven de ontwikkelingen in Mozambique volgen.
Zodra een besluit genomen is, zal ik uw Kamer hierover informeren. In de tussentijd zal ik uw Kamer zo goed mogelijk, binnen de kaders van wat juridisch mogelijk is, blijven informeren over het project en de lopende herbeoordeling.
Wanneer verwacht u een definitief besluit over de verstrekking van de exportkredietverzekering te nemen?
Het valt op dit moment niet te zeggen wanneer een besluit wordt genomen. Gelet op de complexiteit van het project hecht ik er aan om een zorgvuldig besluitvormingsproces te doorlopen, waarbij aspecten op het gebied van veiligheid, maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo), compliance en financiële aangelegenheden grondig worden beoordeeld. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 zal ik uw Kamer zo goed mogelijk, binnen de kaders van wat juridisch mogelijk is, blijven informeren over het project en de lopende herbeoordeling.
Naar welke externe onafhankelijke bronnen refereert u bij het antwoord op vraag 15, die Atradius helpen bij het vormen van een oordeel over de veiligheidssituatie rondom het project? Kunt u de namen van de organisaties specifiek benoemen? Hoe komen die organisaties aan hun informatie?
ADSB heeft samen met de andere betrokken exportkredietverzekeraars de beschikking over een onafhankelijke veiligheidsconsultant (ADIT) die periodiek rapporteert over de veiligheidssituatie. Daarnaast heeft ADSB ondersteuning gehad van Clingendael bij het beoordelen van de veiligheidsinformatie en de rapporten van deze onafhankelijke veiligheidsconsultant ADIT.
Zowel de onafhankelijke veiligheidsadviseur als Clingendael zijn experts op het gebied van veiligheidsrisico’s. Zij beschikken over eigen expertise en over een uitgebreid partnernetwerk. Clingendael heeft, in aanvulling op haar eigen expertise, gebruik gemaakt van lokale bronnen en heeft haar lokale netwerk ingeschakeld. Voorts maakt ADSB gebruik van de diensten van de Nederlandse ambassade in Mozambique. Deze ambassade heeft een breed netwerk van lokale stakeholders, zoals partijen uit het maatschappelijk middenveld en internationale organisaties (waaronder VN-organisaties), onafhankelijke onderzoeksinstituten, nieuwszenders en journalisten, de private sector en verscheidene ngo’s. ADSB spreekt zelf ook geregeld met (lokale) ngo’s over het project.
Wordt er in de beoordeling door Atradius ook aandacht besteed aan het feit dat Total trainingen en uitrusting voor Mozambikaanse militairen heeft gefinancierd en daardoor betrokken is in het conflict? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is het herbeoordelingsproces nog niet afgerond. Zolang het beoordelingsproces loopt, kan ik geen uitspraken doen over de details daarvan. Wel kan ik bevestigen dat ADSB in haar risicobeoordeling ingaat op de VPSHR trainingen die worden gevolgd door de Mozambikaanse strijdkrachten en het beveiligingspersoneel van de projectlocatie. Total, de projecteigenaar, geeft deze trainingen. VPSHR staat voor «Voluntary Principles on Security and Human Rights». Deze principes zijn opgesteld door een internationaal platform van overheden, bedrijven en ngo’s. Deze principes fungeren als een gedragscode op het gebied van veiligheid en mensenrechten in de context van de uitvoering van industriële en infrastructurele projecten wereldwijd. Het doel van de trainingen is om de kennis en het bewustzijn van de militairen en beveiligers op dit thema te vergroten opdat de schending van rechten van de lokale burgerbevolking (zoveel mogelijk) wordt voorkomen.
ADSB maakt in de risicobeoordeling geen melding van het financieren van uitrustingen door Total. ADSB is hier ook niet mee bekend.
Hoe verifieert u dat de militairen in de regio primair optreden om burgers te beschermen en met respect voor mensenrechten in plaats van om het project van Total te beschermen?
Zoals onder meer aangegeven bij het antwoord op vraag 5, raadplegen ADSB en de ministeries een breed scala aan informatiebronnen. In aanvulling op de informatiebronnen die worden genoemd in het antwoord op vraag 5, brieft de leiding van de EU Trainingsmissie (EUTM) met regelmaat ook een groep EU- lidstaten over hun bevindingen in Mozambique. EUTM ondersteunt de Mozambikaanse strijdkrachten in het beheersen van de situatie in Cabo Delgado in overeenstemming met de mensenrechtenwetgeving en het internationale humanitaire recht.
Hoe zijn de veiligheidsprotocollen van Total verbeterd ten opzichte van 2021 ten tijde van de Palma Attacks?
De toetsing van veiligheidsaspecten, waaronder de veiligheidsprotocollen van projecteigenaar Total, vormen een integraal onderdeel van de herbeoordeling van zowel de projecteigenaar Total als die van ADSB en de Nederlandse staat. Total heeft op verschillende terreinen nieuwe veiligheidsprotocollen ingesteld. Concrete informatie daarover kan ik omwille van veiligheidsredenen niet openbaar delen.
Wat zou er gebeuren met de Nederlandse steun aan het project indien de Franse autoriteiten besluiten Total te vervolgen voor dood door schuld vanwege hun optreden tijdens de Palma Attacks van 2021?
In de herbeoordeling wordt alle beschikbare informatie gewogen. Het kabinet beschikt niet over de inhoudelijke informatie uit het Franse vooronderzoek. Het Franse OM moet dit onderzoek in alle onafhankelijkheid kunnen afronden. Daarbij past niet dat de Nederlandse staat al vooruitloopt op mogelijke uitkomsten daarvan.
Kunt u de meest recente informatie delen die de Nederlandse ambassade in Mozambique heeft gegeven over de veiligheidssituatie in het projectgebied?
De ambassade meldt een afname van het aantal geweldsincidenten tussen strijdgroepen en het leger, en geeft aan dat er geen specifieke dreigingen zijn gericht op het project. Het valt op dit moment echter niet uit te sluiten dat dit in de toekomst zal veranderen. Het reisadvies voor de regio Cabo Delgado, waar het project plaatsvindt, blijft ook onverminderd rood.
Daarnaast heeft de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur tijdens een bezoek aan Mozambique van 26 mei tot en met 30 mei jl. opgemerkt dat de mensenrechtenwetgeving kwalitatief goed is en dat het land meerdere relevante verdragen heeft geratificeerd. De implementatie en handhaving daarvan door de autoriteiten laat evenwel te wensen over, wat in Cabo Delgado in het bijzonder de mensenrechten- en humanitaire situatie van vrouwen en meisjes parten speelt. De Mensenrechtenambassadeur bezocht in Cabo Delgado Pemba en Metuge en niet het LNG-projectgebied.
Op dit moment is het beoordelingsproces nog niet afgerond. ADSB, de ambassade en de betrokken ministeries blijven daarom alert op de (veiligheids)situatie en ontwikkelingen op dit gebied worden kritisch getoetst.
Naar welke belangengroepen wordt gerefereerd in antwoord 5 als u zegt dat Atradius betrouwbare informatie heeft verzameld van belangengroepen in Mozambique?
Voor de herbeoordeling maakt ADSB gebruik van onafhankelijke partijen. ADSB heeft samen met de andere betrokken exportkredietverzekeraars de beschikking over een onafhankelijke veiligheidsconsultant (ADIT) die periodiek rapporteert over de veiligheidssituatie. Daarnaast heeft ADSB ondersteuning gehad van Clingendael bij het beoordelen van de veiligheidsinformatie en de rapporten van de onafhankelijke veiligheidsconsultant ADIT. Zowel de onafhankelijke veiligheidsadviseur als Clingendael zijn experts op het gebied van veiligheidsrisico’s. Zij beschikken over eigen expertise en over een uitgebreid partnernetwerk. Clingendael heeft, in aanvulling op haar eigen expertise, gebruik gemaakt van lokale bronnen en heeft haar lokale netwerk ingeschakeld.
ADSB spreekt ook zelf met lokale partijen, waaronder het zogenoemde Palma Platform. Hierin zijn lokale belangengroepen en ngo’s verenigd. Ook de Nederlandse ambassade spreekt met lokale partijen en ADSB heeft vervolgens weer regelmatig contact met de ambassade. De ambassade heeft geregeld contact met verschillende lokale ngo’s die onder meer actief zijn in het projectgebied. Ook heeft de ambassade contact met andere relevante instanties die opereren in het projectgebied, zoals bedrijven. ADSB wordt eveneens regelmatig door ngo’s Both Ends en Milieudefensie op de hoogte gehouden van de geluiden die zij uit het veld krijgen via hun partners. Dit gaat via bijeenkomsten en schriftelijke communicatie.
Daarnaast onderzoekt ADSB of de projecteigenaar goede stakeholder engagement uitvoert, conform internationale IFC Performance maatstaven (IFC staat voor International Finance Corporation, onderdeel van de Wereldbank groep). De projecteigenaar heeft regelmatig op diverse manieren contact met lokale vertegenwoordigers. ADSB is in februari jl. ook zelf op bezoek gegaan bij het project. Tijdens dit bezoek heeft ADSB met Total twee projectbijeenkomsten bijgewoond met lokale vertegenwoordigers. Onder deze vertegenwoordigers vanuit het maatschappelijk middenveld waren zowel voor- als tegenstanders van het project.
Kunt u een lijst maken van bijeenkomsten met lokale vertegenwoordigers in Mozambique om hun perspectief te krijgen op de huidige situatie? Kunt u voor elk van die bijeenkomsten ook aangeven of vertegenwoordigers van Atradius aanwezig waren en of vertegenwoordigers van Total aanwezig waren?
Zie antwoord vraag 11.
Heeft Atradius DSB buiten de genoemde bijeenkomsten ook contact onderhouden met deze organisaties? Zijn lokale organisaties geconsulteerd volgens internationale normen voor gedegen consultatie? Zo ja, kunt u vertellen op welke manier deze zijn toegepast?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vragen 11 en 12 heeft ADSB buiten de genoemde bijeenkomsten ook contacten met lokale organisaties, hetzij direct, hetzij indirect via bijvoorbeeld de lokale ambassade. ADSB toetst daarnaast of het stakeholder management van de projecteigenaar conform de IFC Performance Standards wordt uitgevoerd. Een consultant, die onafhankelijk van de projecteigenaar werkt, is onder meer ingehuurd om dit (ter plekke) te beoordelen. De uitkomsten daarvan waren positief.
Heeft u kennisgenomen van de verklaring van Bothends en Milieudefensie1 waarin zij stellen dat er slechts één bijeenkomst is geweest tussen Atradius en maatschappelijke organisaties in Palma? Wat vindt u van het feit dat Total tijdens deze bijeenkomst aanwezig was en bovendien zorgde voor de vertaling? Hoe moeten maatschappelijke organisaties volgens u onbelemmerd hun zorgen over het project van Total uiten in deze samenstelling?
Die verklaring is bekend. Zoals aangegeven bij het antwoord op vragen 11 en 12 zijn er in februari van dit jaar twee bijeenkomsten geweest met lokale vertegenwoordigers. Hierbij werd ADSB vergezeld door een onafhankelijke partij die de lokale taal machtig was en de vertaling kon controleren. Onder de lokale vertegenwoordigers waren zowel voor- als tegenstanders van het project.
Wat vindt u van het feit dat maatschappelijke organisaties uit Palma verder aangeven dat zij pas heel kort van tevoren uitgenodigd werden voor deze bijeenkomst, er geen agenda gedeeld was, voor de meesten onduidelijk was met wie de bijeenkomst überhaupt was en vragen van de organisaties niet werden beantwoord? Geeft dit voor u het idee dat hun inbreng serieus werd genomen? Zo ja, waarop baseert u dit?
Er was volgens ADSB een grote opkomst bij beide bijeenkomsten. Aan het begin van de bijeenkomst is duidelijk uitgelegd wie de deelnemers waren en is het doel van de bijeenkomst uitgelegd. Bij één van de bijeenkomsten was er vanwege de grote inbreng van de lokale partijen geen gelegenheid om op alle vragen te beantwoorden. ADSB heeft het project verzocht dat na afloop alsnog te doen. Tijdens de andere bijeenkomst was er voldoende tijd voor vragen en de beantwoording daarvan. Zowel de internationale deelnemers als de lokale vertegenwoordigers hebben vragen kunnen stellen en antwoorden gekregen. Onder deze vertegenwoordigers waren zowel voor- als tegenstanders van het project. ADSB heeft alle input van de lokale vertegenwoordigers genoteerd en meegenomen in de herbeoordeling.
Erkent u dat het zorgwekkend is dat Total de partij was die de informatie moest aanleveren na twijfels over de veiligheidssituatie, terwijl zij een duidelijk commercieel belang hebben bij goedkeuring?
Nee. Het is aan Total, als projecteigenaar, om bepaalde veiligheidsmaatregelen te nemen. Het is daarom logisch dat Total als een van de betrokken partijen informatie aanlevert.
Is het gebruikelijk dat een bedrijf wat zelf geen verzekeringsaanvraag heeft ingediend, maar wel grote commerciele belangen heeft bij de toekenning ervan, rechtstreeks contact heeft met Atradius kort voor de deadline om erop aan te dringen dat er spoedig een besluit wordt genomen zoals uw voorganger beschrijft in het antwoord op vraag 19? Zo ja, hoe wenselijk vindt u dit?
Rechtstreeks contact tussen een projecteigenaar (in dit geval Total) en de kredietverzekeraar, voorafgaand aan de totstandkoming van de financiering en de afgifte van de verzekering, is gebruikelijk en ook noodzakelijk om de benodigde informatie te verkrijgen.
Werd Total tijdens het lopende herbeoordelingsproces ook door Atradius of door de ministeries om input gevraagd? Zo ja, hoe luidt deze input?
Ja, zie ook het antwoord op vraag 17. ADSB onderhoudt frequent contact met het project. Het project (in het bijzonder projecteigenaar Total) is een essentiële bron van informatie. Rechtstreeks contact met het project is onontbeerlijk voor de beoordeling van de projectrisico’s en voor de onderhandeling over de voorwaarden van de projectfinanciering. De door Total verstrekte informatie betreft onder meer de technische, contractuele, commerciële, financiële, mvo- en veiligheidsaspecten van het project.
Kunt u bevestigen dat voldoen aan de IFC Performance Standards wel een voorwaarde om de polis opnieuw te activeren?
Ja.
Gegeven de woorden van uw voorganger dat de situatie zich begin 2021 anders heeft ontwikkeld dan uw voorganger had voorzien en met de kennis van nu dit project waarschijnlijk niet zou zijn verzekerd, waarom heeft u nu wel het vertrouwen dat Atradius deze inschatting beter maakt bij de herbeoordeling?
Alle aanbevelingen van het Proximities rapport zijn opgevolgd. Dat betekent onder meer het volgende:
Ik heb vertrouwen dat ADSB de Staat op deze manier van een compleet en goed geïnformeerd advies kan voorzien.
Wanneer is de laatste keer dat onderzoekers van Clingendael in het projectgebied zijn geweest? Hoe komen zij aan inzichten in de meest recente veiligheidssituatie in het gebied als een veldbezoek geen onderdeel uitmaakte van de opdracht die hen gegeven is? Welke aanbevelingen heeft Clingendael gedaan aan Atradius?
Clingendael heeft, in aanvulling op haar eigen expertise, gebruik gemaakt van lokale bronnen en heeft haar lokale netwerk ingeschakeld bij de uitvoering van de opdracht.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 4 is het herbeoordelingsproces nog niet afgerond. Zolang het beoordelingsproces loopt, kan ik in de openbaarheid geen uitspraken doen over de inhoud hiervan.
Bent u het ermee eens dat er een verhoogd risico is dat er in de toekomst geweld in het project gebied zal plaatsvinden? Ziet u ook risico’s dat door een nadruk op de bescherming van het project-gebied, de rest van de regio juist minder bescherming heeft en dat het mogelijk is dat daardoor het geweld juist op andere plekken kan plaatsvinden? Kunt u uw analyse hiervan toelichten?
Op basis van de beschikbare informatie ontstaat niet het beeld dat op dit moment sprake is van een specifieke dreiging gericht op het project. ADSB, de ambassade en de betrokken ministeries blijven alert op de veiligheidssituatie en ontwikkelingen op dit gebied worden kritisch getoetst.
Het herstellen van de veiligheid en stabiliteit in de regio Cabo Delgado is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de Mozambikaanse overheid. De situatie rond het projectgebied kan niet los gezien worden van de veiligheidscontext van de regio. De inzet van de Mozambikaanse overheid richt zich daarom op de gehele provincie Cabo Delgado. De overheid acht militaire aanwezigheid, ook van omliggende landen, van belang voor het herstellen en handhaven van de stabiliteit en veiligheid. Recentelijk rondde de regionale troepenmacht SAMIM haar aanwezigheid in Cabo Delgado af. Inmiddels heeft Rwanda extra militairen en politie gestuurd en zijn er afspraken met Tanzania over grensbewaking. De militaire missie van de EU wordt per 1 september a.s. voor twee jaar verlengd onder de noemer EU Military Assistance Mission. Voor stabiliteit en veiligheid op de lange termijn is het ook belangrijk de grondoorzaken van de instabiliteit aan te pakken. Hiervoor is economische ontwikkeling van de provincie en de toegang voor de bewoners tot publieke diensten (zoals gezondheidszorg, onderwijs, water en energie) vereist.
Herinnert u zich het antwoord van 1 juli 2024 dat het kabinet de aanbevelingen van het Proximities rapport integraal heeft overgenomen en geïmplementeerd in het beoordelingsproces? Kunt u concreet aangeven welke veranderingen er in de procedure van Atradius hebben plaatsgevonden na de aanbevelingen in het Proximities rapport?
Zoals eerder aangegeven zijn alle aanbevelingen uit het Proximities-rapport opgevolgd. Dat betekent concreet onder meer het volgende:
Gegeven het antwoord van uw voorganger op vraag 17 dat er al op 24 maart signalen waren dat er een gewelddadig incident begon in Palma, waarom is er destijds niet gewacht met het activeren van de polis totdat er meer duidelijkheid was over de situatie?
Het besluit om een dekkingstoezegging uit te reiken is in juni 2020 genomen. Met een dekkingstoezegging gaat de Staat een juridische verplichting aan om een verzekeringspolis te verstrekken wanneer onderliggende exportcontracten en/of leningsovereenkomsten definitief worden en er aan de voorwaarden van de dekkingstoezegging voldaan is. Dat was op 24 maart 2021 het geval, waardoor een juridische verplichting ontstond om de dekkingstoezegging om te zetten naar een polis. Zoals aangegeven door mijn voorganger op eerdere Kamervragen hierover, werden de omvang en gevolgen van de aanval pas na het weekend van 27 maart 2021 duidelijk.
Is er een onafhankelijke toezichthouder die zorg draagt voor de deugdelijke uitvoering door Atradius van de beoordeling van aanvragen voor exportkredietverzekeringen? Zo nee, hoe ziet u de rol van de Kamer hierin?
In de uitvoering van de ekv zijn verschillende controlemechanismen ingebouwd. Zo heeft ADSB een intern Risk Comitéen worden grote of risicovolle transacties altijd voorgelegd aan de Ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken. ADSB voert de ekv-faciliteit uit in naam en voor rekening van de Nederlandse staat. De uitvoering is daarmee onderdeel van de reguliere begroting- en verantwoordingscyclus en onderdeel van zowel interne- als externe controles door o.a. de Audit Dienst Rijk. Recentelijk is de gehele ekv-faciliteit nog geëvalueerd in de beleidsdoorlichting van artikel 5 van de Financiën begroting.4
Verzekeringsaanvragen dienen te voldoen aan de vooraf vastgestelde beleidskaders, deze zijn onder andere gebaseerd op internationale wet- en regelgeving (waaronder OESO-regelgeving, zoals de Arrangement en Common Approaches). Zo worden aanvragen onder meer getoetst conform het mvo-beleidskader. Wanneer een ekv-aanvraag niet aan de vooraf vastgestelde acceptatiecriteria voldoet, of dit onvoldoende kan onderbouwen, zal deze worden afgewezen. Het beleid voor de ekv wordt daarnaast op specifieke onderdelen regelmatig geëvalueerd door externe, onafhankelijke partijen. Recente evaluaties, waaronder de mvo-beleidsevaluatie uit 2021, onderschrijven dat het mvo-beleid kort gezegd goed functioneert.
Tenslotte informeert het kabinet de Kamer nader over de uitvoering middels brieven, waaronder de jaarlijkse ekv-monitor, de beantwoording van Kamervragen en tijdens debatten. Het kabinet is van mening dat er voldoende controlemechanismen zijn om toe te zien op een ordentelijke uitvoering van de ekv conform de vastgestelde kaders.
Bent u, in tegenstelling tot uw voorganger (zie vraagnummer 2023Z18548), bereid de aangenomen motie Thijssen wel uit te voeren en de beslissing over het verstrekken van een exportkredietverzekering voor het LNG-project van Total in Mozambique uit te stellen tot de uitkomsten van het herbeoordelingsproces duidelijk zijn en zijn besproken in de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet wenst vast te houden aan de gangbare procedure waarbij het achteraf parlementaire verantwoording aflegt over uitvoering van de ekv ten einde de voorspelbaarheid en rechtszekerheid voor de gebruikers en overige stakeholders te borgen. Wel zal het kabinet de Kamer, binnen de geldende juridische randvoorwaarden, blijven informeren over het project en de lopende herbeoordeling.
Erkent u dat er verschillende Woo-verzoeken zijn gedaan waarbij het u niet lukt uw ministerie aan de afgesproken tijdslijnen te houden doordat er bedrijfsgevoelige informatie is opgevraagd? Erkent u ook dat dit de overheid geld kost aan boetes? Erkent u dat dit onwenselijk is?
Diverse partijen hebben Woo-verzoeken ingediend over het verstrekken van een exportkredietverzekering voor het LNG-project in Mozambique. Door de omvang en complexiteit van de verzoeken zijn de voorgeschreven termijnen niet haalbaar gebleken en was er meer tijd nodig voor de gedegen en correcte verwerking van deze Woo-verzoeken. De complexiteit zit met name in de hoeveelheid te betrekken (internationale) partijen die om een zienswijze moeten worden gevraagd. De reactie van deze partijen moet vervolgens juridisch getoetst worden.
Er zijn dwangsommen verbeurd doordat de termijnen niet zijn gehaald. Het ministerie streeft naar een verantwoordelijke en zo tijdig mogelijke behandeling van alle Woo-verzoeken. Het verbeuren van dwangsommen vind ik daarom uiteraard onwenselijk. De verantwoordelijke ministeries en het kabinet blijven inzetten op spoedige afronding van deze verzoeken.
Kunt u deze vragen individueel en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Door de benodigde afstemming met betrokken partijen is dat niet gelukt.
Ernstig dierenleed bij de training en inzet van politiehonden |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Wiersma , van Weel |
|
![]() |
Kent u de berichten «Agent schiet op politiehond tijdens arrestatie van verwarde man» en «Politiehond die zich tegen arrestatieteam in Dalfsen keerde overleden»?1 2
Ja.
Wat ging er door u heen toen u vernam dat een politiehond is overleden nadat die is neergeschoten door een politieagent?
Het is een tragisch incident en heel pijnlijk dat een politiehond bij een inzet om het leven komt.
Kunt u bevestigen dat met de nieuwe «Koers voor Politiehonden» juist werd ingezet op honden die minder snel bijten?
Ja.
Hoe verklaart u dan dat deze politiehond zelfs een van de eigen agenten heeft gebeten?
De politiehond heeft tijdens de inzet geen politiemedewerker gebeten.
Kunt u aangegeven of de hond is neergeschoten door de begeleider of door een andere agent?
De politiehond is door een andere agent neergeschoten en niet door de hondengeleider.
Kunt u aangeven welke stappen zijn ondernomen vlak nadat de hond werd neergeschoten?
Nadat de hondengeleider kennis kreeg van het feit dat zijn hond was neergeschoten, is de hond zo veel mogelijk medisch gestabiliseerd. Hierna is de hond direct met een dienstvoertuig overgebracht naar de dichtstbijzijnde dierenarts. In het veterinair hospitaal heeft verdere behandeling plaatsgevonden.
Is er een onderzoek ingesteld naar de inzet van de hond in deze casus, wat er mis is gegaan, waarom de hond zich «tegen de leden van het arrestatieteam keerde» en of de hond niet overhaast is neergeschoten? Zo ja, kunt u deze resultaten met de Kamer delen? Zo nee, bent u alsnog bereid om een dergelijk onderzoek te starten?
Conform het beleid is het gebruik van geweld en/of een geweldsmiddel door de politie bij deze inzet onderzocht en beoordeeld door de hulpofficier van justitie. Ook is de betreffende actie direct en uitgebreid geëvalueerd, zoals bij iedere inzet van de Dienst Speciale Interventies gebeurt. Op dit moment wordt nog onderzocht welke omstandigheden hebben geleid tot het neerschieten van de politiehond. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitlatingen te doen over individuele gevallen en evenmin over uiteindelijke resultaten van intern politieonderzoek naar een concreet incident.
Kunt u aangeven hoe vaak er in de afgelopen vijf jaar politiehonden gewond zijn geraakt bij de inzet?
Hoe vaak er in de afgelopen vijf jaar politiehonden gewond zijn geraakt bij de inzet wordt niet centraal geregistreerd. Van elke politiehond wordt in iedere politie-eenheid een apart medisch dossier bijgehouden. De politie kan hier derhalve geen betrouwbare gegevens over aanleveren.
Kunt u aangeven hoe vaak er in de afgelopen vijf jaar agenten, arrestanten of omstanders gewond zijn geraakt door de inzet van politiehonden?
De politie registreert niet het aantal politiemedewerkers, arrestanten of omstanders dat gewond is geraakt door een inzet van politiehonden. Hierover kan de politie geen betrouwbare gegevens aanleveren.
Kunt u bevestigen dat er op 25 maart 2024 een hondentraining van GHSV Schiedam is stilgelegd door de politie na meldingen van dierenmishandeling en gebruik van illegale trainingsmiddelen?3
Het klopt dat de politie op die dag bij een hondenvereniging in Schiedam een training heeft stilgelegd. Dit was niet bij GHSV Schiedam, maar bij een andere hondenvereniging die gebruik maakte van het terrein van GHSV Schiedam. Er zijn voorwerpen inbeslaggenomen die nader worden onderzocht.
Deelt u de mening dat hondenscholen een voorbeeldfunctie hebben en dat het zeer ernstig is dat bij hondentrainingen dieren worden mishandeld?
Laat ik vooropstellen dat elke vorm van dierenmishandeling onaanvaardbaar is. Dierenmishandeling betreft dan ook een misdrijf waartegen door de overheid strafrechtelijk kan worden opgetreden (artikel 2.1 en artikel 8.11 van de Wet dieren). Op dit moment is er een opsporingsonderzoek gaande en er worden meerdere verdachten gehoord. Het is uiteindelijk aan een rechter om in een concreet geval te beoordelen of sprake is geweest van strafbare gedragingen en of daarop een sanctie moet volgen. Een eventuele beslissing tot het sluiten van een pand of lokaal komt toe aan de burgemeester.
Deelt u de mening dat een hondenschool waar ernstige dierenmishandeling heeft plaatsgevonden, vanwege deze voorbeeldfunctie, permanent moet worden gesloten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u aangeven welke stappen zijn ondernomen tegen deze betreffende hondenschool?
Zie antwoord vraag 11.
Is of was deze trainingsschool aangesloten bij de Koninklijke Nederlandse Politiehonden Vereniging (KNPV)?
Het is mij niet bekend of de betreffende hondenvereniging op het terrein van GHSV Schiedam is aangesloten bij de Koninklijke Nederlandse Politiehonden Vereniging (KNPV). Hierbij wil ik benadrukken dat de KNPV een zelfstandige, private vereniging is die niet gelieerd is aan de politie.
Kunt u uitsluiten dat er door de politie, douane, Dienst Justitiële Inrichtingen, Defensie of Koninklijke Marechaussee honden zijn aangekocht die zijn getraind bij deze trainingsschool? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik hiervoor aangaf vond het incident weliswaar plaats op het terrein van GSHV Schiedam, maar deze hondenvereniging was niet betrokken bij het voorval. Uit het opsporingsonderzoek dat op dit moment loopt, zal moeten blijken of sprake is geweest van strafbare gedragingen en welke individuen en eventueel vereniging hierbij betrokken zijn geweest.
Voor de aankoop van honden doet de politie geen zaken met verenigingen, maar met particuliere verkopers. Bovendien stelt de politie daarbij als voorwaarde dat de aan te kopen politiehond niet getraind mag zijn met ongeoorloofde («aversieve») middelen.
Kunt u zich de aflevering van Rambam van 18 januari 2018 herinneren, waarin te zien was dat bij een tiental hondenscholen op grote schaal honden werden mishandeld, waar attributen als slipkettingen, prik- en stroombanden werden gebruikt, en waar honden werden geslagen met flessen die met grind waren gevuld?
Ja.
Wat vindt u ervan dat er ruim zes jaar later nog steeds hondenscholen zijn waar honden ernstig worden mishandeld?
Iedere vorm van dierenmishandeling is er een te veel. Als er signalen zijn dat honden ernstig worden mishandeld op hondenscholen, zal dit uiteraard worden onderzocht. Indien daarvoor aanwijzingen zijn, kan dit leiden tot strafrechtelijk onderzoek en uiteindelijk sanctionering.
Bent u bereid het toezicht op en handhaving bij hondenscholen te intensiveren? Zo nee, waarom niet?
De afweging aangaande nut en noodzaak voor het organiseren en al dan niet intensiveren van toezicht en handhaving vindt vooral lokaal plaats op basis van de signalen die de politie bereiken. Ik moedig iedereen die getuige is van dierenmishandeling aan dit te melden, ongeacht of dit hondentrainers, politiemensen of anderen zijn. Dit kan bij het meldpunt 144 voor dierenleed.
Bent u bereid hondentrainer (kynologisch instructeur) een erkend beroep te maken en regels op te stellen voor de wijze waarop honden getraind worden? Zo nee, waarom niet?
Het beroep van kynologisch instructeur is weliswaar geen erkend beroep, maar er is daarvoor wel een opleiding voorhanden. Daarnaast geldt dat ook voor het trainen van honden alleen die methoden toegepast mogen worden die voldoen aan artikel 2.1 van de Wet dieren en is een aantal handelingen expliciet opgenomen als verboden handeling in artikel 1.3 van het Besluit houders van dieren. Op het moment dat er sprake lijkt te zijn van het uitvoeren van een verboden handeling, is er mogelijk sprake van dierenmishandeling en dus van een strafbaar feit. Bij een melding of aangifte van dierenmishandeling kan de politie een onderzoek starten.
Bent u bereid toe te werken naar een gezamenlijke trainingsschool voor overheidshonden, zodat de honden niet meer hoeven te worden aangekocht bij particuliere trainingsscholen waar geen of weinig toezicht op is? Zo nee, waarom niet?
De politie en Defensie zijn actief bezig met dit onderwerp. Een samenwerking in de vorm van een gezamenlijke trainingsschool voor overheidshonden is echter nog niet gerealiseerd. Wel hebben er gesprekken tussen Defensie, politie en Douane plaatsgevonden om tot andere vormen van samenwerking te komen, bijvoorbeeld over aanschaf en huisvesting van werkhonden4. De politie werkt bovendien aan landelijke uniformering van opleiding en training. Ook wordt gewerkt aan het herontwerpen van het leerlandschap, waarbij opleidingen worden vastgesteld voor hondengeleider, instructeur en leidinggevende.
Erkent u dat de inzet van politiehonden altijd gepaard zal blijven gaan met dierenleed of -mishandeling? Zo nee, op welke manier kunt u dit uitsluiten?
Aandacht voor dierenwelzijn is één van de drie pijlers van de Koers Politiehonden.
Dit thema komt integraal terug in de onderwerpen verwerving van honden,
selectie van geleiders en binnen het nieuwe leerlandschap voor hondengeleiders5.
Dierenwelzijn staat dan ook voorop tijdens de training en verzorging van politiehonden. Tijdens operationele inzetten wordt zo veilig mogelijk gewerkt. Indien inzet van de politiehond niet verantwoord is, worden andere tactische keuzes gemaakt. Tegelijkertijd kan dierenleed nooit volledig worden uitgesloten. Net als medewerkers van de politie lopen politiehonden en hun geleiders bij een inzet risico om blootgesteld te worden aan geweld.
Bent u bereid om vanwege dit leed met een plan te komen voor de afbouw en uitfasering van het gebruik van politiehonden? Zo nee, waarom niet?
Politiehonden leveren een onvervangbare bijdrage aan het politiewerk, zowel in de opsporing als in de handhaving van de openbare orde. Uitfasering van het gebruik van politiehonden is vooralsnog niet aan de orde. Vanuit de Koers Politiehonden wordt, samen met wetenschappelijke instituten als de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Aeres, enerzijds gewerkt aan het optimaliseren van het dierenwelzijn en anderzijds aan het professionaliseren van de operationele inzetten middels landelijke standaarden. Dit alles met als doel om het gebruik van de politiehond toekomstbestendig te maken.
De brief 'Stand van zaken openstelling SDE++ 2024 en resultaten SDE++ 2023' |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
![]() |
Waarom wordt in de Kamerbrief over de stand van zaken openstelling SDE++ 2024 en resultaten SDE++ 2023 (kamerstuk 31 239, nr. 398) alleen geschreven dat nieuwe Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie-beschikkingen (SDE++-beschikkingen) voor de productie van bio-energie aan de eisen van de Renewable Energy Directive (RED-III) moeten voldoen, aangezien lidstaten expliciet de ruimte hebben gekregen om hun biomassabeleid (zowel binnen RED-II als nu RED-III) aan te scherpen? Waarom wordt dit ruimere kader niet vermeld?
Bij de implementatie van de REDIII in Nederland (en de andere maatregelen die voortkomen uit het Fit for 55-pakket) is er conform de Aanwijzingen voor de regelgeving als uitgangspunt gekozen voor zuivere implementatie. Dat betekent dat bij de implementatie geen andere regels worden opgenomen dan voor de implementatie noodzakelijk. Dit uitgangspunt houdt ook in dat voor eventuele aanvullende nationale maatregelen een separaat wetgevingsproces wordt gevolgd. Dit wordt vermeld in het wetgevingsprogramma Klimaat van 26 april 2023 (bijlage bij Kamerstuk 32 813, nr. 1230) en in de Klimaatnota van 26 oktober 2023 (Kamerstuk 32 813, nr. 1307).
Is hier overwogen om de mogelijkheid tot aanscherping mee te nemen in de besluitvorming? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de afwegingen om hier geen gebruik van te maken?
Dit is niet meegenomen in de besluitvorming, omdat is gekozen voor zuivere implementatie. Zie voor de toelichting mijn antwoord op vraag 1. De Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu is samen met mij voornemens om in het najaar de Kamer te informeren over de beleidsontwikkelingen rond het duurzaamheidskader biogrondstoffen. Hierin zullen wij onder andere ingaan op de implementatie van de duurzaamheidscriteria voor biogrondstoffen en hoe deze zich verhouden tot de RED implementatie.
Welke aanbevelingen heeft u meegekregen van de Minister voor Klimaat en Energie over beleidsontwikkelingen rondom de duurzaamheidscriteria voor biogrondstoffen?
De voormalig Minister voor Klimaat en Energie heeft mij geen specifieke aanbevelingen meegegeven over beleidsontwikkelingen rond de duurzaamheidscriteria voor biogrondstoffen. De komende tijd gaan de Staatssecretaris en ik aan de slag met het verder uitwerken van het duurzaamheidskader biogrondstoffen, waaronder de implementatie van de duurzaamheidscriteria voor biogrondstoffen en het verder inrichten van toezicht binnen het duurzaamheidskader biogrondstoffen.
Op welk wetenschappelijk bewijs is de bewering dat Bio-Energy with Carbon Capture Storage (BECCS) een manier is om negatieve emissies te bereiken gebaseerd?
Conform de rekenmethodiek van de Europese Commissie (volgend uit de RED-III) is BECCS een van de manieren om negatieve emissies te bereiken. Dit wordt ondersteund door rapportages van o.a. IPCC, PBL, IEA en CE Delft (zie ook verwijzingen verderop bij de beantwoording van vraag 5 en 6). Om tot negatieve emissies te komen, is het belangrijk de duurzaamheid van de gebruikte biogrondstoffen te borgen. Dit doen we in de SDE++ 2024 door aan te sluiten bij de Europese eisen voor duurzaamheid vanuit de RED-III en door het duurzaamheidskader biogrondstoffen.
Wat gaat u doen om de klimaatdoelen te halen als blijkt dat negatieve emissies op deze wijze niet mogelijk zijn, aangezien u zelf ook aangeeft dat de ontwikkeling van negatieve emissies in Nederland nog in de kinderschoenen staat, terwijl een belangrijk deel van de Nederlandse klimaatdoelen wel is gebaseerd op negatieve emissies?
Het klopt dat de ontwikkeling van negatieve emissies in Nederland nog aan de start staat. Daarom maakt het kabinet met de categorie voor CO2-afvang en opslag bij biomassa-energie-installaties onder 100 MWe in de SDE++ 2024 een (ingekaderde) start met negatieve emissies in Nederland. Dit is onderdeel van de uitwerking van de afspraak uit het klimaatpakket van de Voorjaarsnota 2023 om in Nederland in 2030 1,5 Megaton negatieve emissies te bewerkstelligen. Negatieve emissies zijn ook, en zelfs in toenemende mate, nodig na 2030. Ze zullen een belangrijk onderdeel vormen van de beleidsmix om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Dat bevestigen ook PBL1 en CE Delft2. Een aandachtspunt daarbij blijft dat realisatie van negatieve emissies zo min mogelijk ten koste moet gaan van de inzet op emissiereductie. In de komende decennia zullen bestaande en nieuwe technieken om negatieve emissies te bereiken, doorontwikkelen. Hierdoor kan er richting 2050 een breder scala aan technieken worden benut dan nu richting 2030 nog mogelijk is. Het kabinet komt met een biogrondstoffenstrategie ter uitwerking van het NPE en begin 2025 met een bredere visie op koolstofverwijdering en de routekaart koolstofverwijdering.
Waar is de opmerking op gebaseerd dat koolstofverwijdering op korte termijn kan worden gerealiseerd «onder andere door in te zetten op carbon capture and storage (CCS) bij biomassa-energiecentrales»? Uit welk onderzoek blijkt dat dit op korte termijn mogelijk is?
Dit blijkt uit signalen uit de markt, die zijn meegenomen bij het opstellen van het Eindadvies voor de SDE++ 20243 van PBL. In het Eindadvies is de bedoelde categorie voor CCS bij biomassa-energiecentrale doorgerekend door het PBL, op basis van input vanuit de marktconsultatie. Een van de voorwaarden voor een positief advies is dat de techniek voldoende uitontwikkeld is. Ook de PBL-rapportage over negatieve emissies in Nederland gaat in op het potentieel dat BECCS in Nederland heeft4. Hierin geeft PBL aan dat afvang en opslag van CO2 bij onder andere biomassa-energiecentrales (BECCS) een potentiële bron voor negatieve emissies is. Dit volgt ook uit het rapport van CE Delft.
Kunt u de berekening van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) voor de SDE++ van het basisbedrag voor CCS bij (relatief kleinschalige) biomassa-energiecentrales, waar in de brief naar wordt verwezen, delen met de Kamer?
De berekening van de basisbedragen zijn door PBL gepubliceerd in het rapport Eindadvies basisbedragen SDE++ 20245. Dit rapport is op 1 maart jl. aan de Kamer verzonden bij de Kamerbrief Openstelling SDE++ 2024 (Kamerstuk 31 239, nr. 387).
Als er inderdaad bij de herziening van het European Union Emissions Trading System (ETS) een waardering voor negatieve emissies, bijvoorbeeld door certificaten, zou komen, worden dan de SDE++-subsidies voor deze categorie verder beperkt?
Ja. De waarde van de certificaten wordt dan verrekend met het subsidiebedrag, waardoor het subsidiebedrag omlaag gaat. Dit zal op dezelfde manier werken als voor de CCS-categorieën in de SDE++ waar een ETS-correctie wordt toegepast.
Waar wordt naar gerefereerd in het verzoek aan het PBL om in de marktconsultatie voor de SDE++ 2025 breed te kijken naar «biogene emissies en mogelijkheden tot afvang»?
Op verzoek van KGG onderzoekt PBL voor de advisering over de basisbedragen van CCS de afvang van zowel fossiele als biogene emissies. Dit betekent dat door PBL in de marktconsultatie een uitvraag wordt gedaan naar andere mogelijkheden voor het realiseren van negatieve emissies dan via CCS van biogene emissies bij energiecentrales. Dit kan bijvoorbeeld gaan om CCS van biogene emissies die vrijkomen bij biobrandstoffenproductie. In de Wijzigingsnotitie SDE++ 20256, die PBL voorafgaand aan de marktconsultatie in maart heeft gepubliceerd, stelt PBL op pagina 44 twee vragen aan de markt: «Wat zijn de plannen van de markt voor de afvang en opslag van biogene CO2? Is er volgens de markt behoefte aan aparte subcategorieën voor processen met CO2 van biogene oorsprong?»
Welke andere technieken voor negatieve emissies worden onderzocht? Wat is de status van dit onderzoek en wie voert de inventarisatie uit?
Indien marktpartijen op basis van de in vraag 9 genoemde uitvraag concrete projectplannen voor negatieve emissies met PBL deelt, kan PBL deze verder onderzoeken en overwegen om categorieën op te nemen in het Eindadvies basisbedragen SDE++ 2025. Dit rapport wordt in het eerste kwartaal van 2025 gepubliceerd.
Bent u bereid onderzoek naar de langetermijnvisie op negatieve emissies uit te laten voeren door een wetenschappelijk instituut zoals bijvoorbeeld European Academies Science Advisory Council (EASAC), Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), Joint Research Centre (JRC), Sociaal-Economische Raad (SER) in plaats van het PBL? Zo nee, waarom niet?
De Wetenschappelijke Klimaatraad heeft recent een adviesrapport gepubliceerd over koolstofverwijdering, welke is gebaseerd op een zeer uitvoerige beschouwing van de beschikbare literatuur en wetenschap op dit vlak.7 Momenteel wordt gewerkt aan de routekaart koolstofverwijdering. Deze wordt gebaseerd op alle beschikbare wetenschappelijke kennis op dit onderwerp zoals onder andere opgenomen in het adviesrapport van de WKR.
Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken om de bekostiging van negatieve emissies zoals BECCS door het ETS in elk geval niet op biomassaverbranding te richten? Zo nee, waarom niet?
In 2026 zal er gekeken worden naar een volgende herziening van de ETS-Richtlijn. Hierbij wordt ook gekeken naar het creëren van een financiële prikkel voor het opschalen van technieken voor koolstofverwijdering. De Europese Commissie heeft aangegeven in de Mededeling over de EU-strategie voor industrieel koolstofbeheer dat het ETS een solide basis kan vormen voor de business case van technieken van koolstofverwijdering. Hierbij is het voor mij van belang dat verwijdering niet ten koste gaat van emissiereductie. Daarnaast zullen de Staatssecretaris en ik hierbij ook aandacht hebben voor het borgen van de duurzaamheid bij het gebruik van biogrondstoffen en de cascadering van biogrondstoffen conform het Duurzaamheidskader. Ik wil hierbij echter geen technieken volledig uitsluiten.
Gezien de hoge kosten voor BECCS in de praktijk, hoe effectief lijkt het u om dit te laten financieren door het ETS?
Dat is afhankelijk van de vormgeving van een eventuele opname van waardering voor negatieve emissies in het ETS. Omdat deze op zijn vroegst in 2026 helderder wordt, is wachten op het ETS geen optie voor de jaren 2024 en 2025 gezien het doel voor 1,5 Mton negatieve emissies in 2030 (rekening houdende met onder andere de realisatietijd van afvang- en opslaginstallaties). Op het moment dat er vanuit de SDE++ 2024 beschikkingen worden gegeven voor CCS bij biomassa-energiecentrales, zullen inkomsten uit het ETS in mindering worden gebracht op de uit te keren subsidie, zodra negatieve emissies in het ETS worden opgenomen. Hierdoor is al wel geanticipeerd op eventuele verwaarding op Europees niveau en wordt oversubsidiëring voorkomen.
Kunt u aangeven naar welk afbouwpad wordt gerefereerd in het hoofdlijnenakkoord (Kamerstuk 36 471, nr. 37) van de aanstaande regering als er staat dat «er zo snel mogelijk wordt gestopt met het subsidiëren van bio-energie gecombineerd met CO2-opvang en opslag (BECCS) en biomassacentrales, conform het eerder afgesproken afbouwpad»?
Het afbouwpad waarnaar gerefereerd wordt, is het afbouwpad zoals opgenomen in de Kamerbrief over het duurzaamheidkader biogrondstoffen van 22 april 2022 (Kamerstuk 32 813, nr. 1039). Parallel wordt de opbouw voor hoogwaardige toepassingen van biogrondstoffen vormgegeven. Hier komt de Staatssecretaris samen met mij op terug bij de voortgangsbrief over het duurzaamheidskader biogrondstoffen in het najaar.
Bent u, in lijn met het hoofdlijnenakkoord, voornemens om de subsidies voor de SDE-ronde van 2025 voor biomassacentrales te schrappen, ondanks dat deze voor de ronde van 2024 nog wel zijn gegeven?
De SDE++ staat reeds niet meer open voor de productie van elektriciteit door de verbranding van biogrondstoffen en de inzet van houtige biomassa voor de opwek van lagetemperatuurwarmte. Het kabinet houdt vast aan de bestaande afspraken voor klimaat en energie, waaronder de 1,5 Mton negatieve emissies in Nederland in 2030. Er wordt daarom vastgehouden aan de openstelling in de SDE++ 2024 van de categorie voor CCS bij bio-energiecentrales. Het PBL doet in de marktconsultatie voor de SDE++ 2025 onderzoek naar het potentieel in de markt voor toepassing van CCS bij bredere biogene processen. Mede op basis hiervan en het PBL-advies zal ik volgend jaar de SDE++ 2025 vormgeven. Ik verwacht de Kamer in het eerste kwartaal van 2025 te informeren over de 2025-openstellingsronde van de SDE++. Verder komt het kabinet hier op terug bij de voortgangsbrief over het duurzaamheidskader biogrondstoffen in het najaar.
Het gebruik van dwangmiddelen bij begeleide terugkeer |
|
Marieke Koekkoek (D66), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de gedwongen terugkeer van een Syrische vluchteling naar Bulgarije op 20 mei 2024, op basis van de Dublinverordening?
Ja.
Het is van belang op te merken dat in deze zaak die een asielzoeker (Dublinclaimant) betreft geen sprake was van gedwongen terugkeer naar het land van herkomst, maar van een overdracht aan Bulgarije op basis van de Dublin-verordening. Omdat de betreffende vreemdeling van tevoren had aangegeven geen medewerking te verlenen aan de overdracht is besloten de vreemdeling tijdens de vlucht te laten begeleiden door escorts van de Koninklijke Marechaussee (KMar).
Kunt u bevestigen of ontkennen dat er tijdens de gedwongen terugkeer van de vluchteling gebruik is gemaakt van dwangmiddelen, zoals een bodycuff, tiewraps of andere middelen van fixatie?
Bij een uitzetting kunnen hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting gebruikt worden om de vreemdeling in zijn bewegingsvrijheid te beperken. Dat kan nodig zijn bij een gevaar voor de veiligheid van de vreemdeling, KMar-escorts of anderen. KMar-escorts zijn speciaal opgeleide medewerkers. Zij zijn getraind om een vreemdeling op een humane, professionele, diplomatieke en de-escalerende wijze te begeleiden. Daarnaast zijn ze uitgebreid getraind met het toepassen van de genoemde hulpmiddelen. De ambtenaar die ten aanzien van een vreemdeling die wordt uitgezet gebruik heeft gemaakt van een hulpmiddel ten behoeve van uitzetting dan wel gebruik heeft gemaakt van geweld, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de hulpofficier van justitie, onder vermelding van de aard van het hulpmiddel en/of geweld, de redenen die tot het gebruik hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen.1Het Openbaar Ministerie houdt toezicht op de inzet van hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting en op het gebruik van geweld. Ook de Inspectie Justitie en Veiligheid ziet toe op een goede uitvoering van deze KMar-taak en ontvangt van elke gedwongen uitzetting een terugkeerverslag van de KMar. Het terugkeerverslag bevat onder andere of er gebruik is gemaakt van hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting.
Indien de KMar uitvoering geeft aan een met escorts begeleide overdracht, wordt altijd vooraf een risicoschatting gemaakt. Indien na deze risicoschatting redenen bestaan om aan te nemen dat de te begeleiden vreemdeling fysiek verzet kan gaan plegen, kan door de escortcommandant ervoor gekozen worden om gedurende het begeleidingsproces gebruik te maken van hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting, om indien nodig de vreemdeling onder controle te brengen en te houden. Verzet kan zich op verschillende manieren uiten, waaronder obstructie (bijvoorbeeld het verscheuren van een ticket), het dreigen met of toepassen van fysiek geweld tegen de escorts, ordeverstoring door verbaal geweld, zelfverwonding of het dreigen met zelfmoord
In de genoemde casus is op basis van de vooraf gemaakte risicoschatting, besloten om gedurende de begeleiding gebruik te maken van de volgende hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting: de body-cuff en tiewraps.
Zijn er tijdens de gedwongen terugkeer van deze vluchteling incidenten voorgevallen die het gebruik van geweld noodzakelijk maakten? Zo ja, waarom was geweld noodzakelijk, gebeurde dit conform de geldende protocollen en waren alle alternatieven onderzocht?
Indien een vreemdeling tijdens de begeleide overdracht fysiek verzet pleegt kunnen de KMar-escorts proportioneel geweld toepassen om de vreemdeling onder controle te brengen en te houden. De escortcommandant dient vooraf toestemming te krijgen van de gezagvoerder om, mits de situatie dit vereist, aan boord van een vliegtuig controletechnieken toe te mogen passen jegens de vreemdeling. Alvorens het daadwerkelijke vertrek wordt deze toestemming door een escortcommandant van de KMar met de gezagvoerder besproken. In deze casus had de gezagvoerder vooraf toestemming gegeven voor de toegepaste procedures en hulpmiddelen.
Door de betrokken vreemdeling is fysiek verzet gepleegd tijdens de begeleiding. Nadat de vreemdeling in het vliegtuig plaatsnam, begon hij fysiek verzet te plegen door in zijn vliegtuigstoel tegen de KMar-escorts aan heftig op en neer te bewegen. Daarnaast schreeuwde de vreemdeling en riep de vreemdeling onder andere; «Allah Akbar». Ook weigerde hij de aanwijzingen van de KMar-escorts op te volgen. Door het fysieke verzet en het geschreeuw verstoorde de vreemdeling de orde aan boord van het vliegtuig. Hierop hebben de KMar-escorts verschillende controletechnieken toegepast conform de ambtsinstructie.
Was er tijdens of na de gedwongen terugkeer sprake van medische noodzaak bij de vluchteling? Zo ja, op welke manier is hierop gereageerd en welke zorg is er verleend?
Als er twijfels zijn over de gezondheid van een vreemdeling, dan geeft de KMar daar uiteraard de hoogste prioriteit aan. Indien er vooraf blijk is van medische indicaties kan de vreemdeling eveneens begeleid worden door een medische escort. In deze casus gaf de medische achtergrond van de vreemdeling hier aanleiding toe. De medische escort heeft toezicht gehouden op de medische toestand van de vreemdeling. Gedurende de begeleiding en de eerste poging tot uitzetting werden hierbij geen bijzonderheden geconstateerd. Nadat de vlucht werd verstoord door enkele passagiers die zich tegen de uitzetting keerden is de eerste poging afgebroken. Er was geen medische aanleiding om daarna niet alsnog te vertrekken. Echter, door het intensieve verzet van de vreemdeling en zijn krachtinspanningen werd het tijdens de tweede poging voor de medische escort moeilijk om de medische waarden van de vreemdeling te kunnen controleren. Toen het bewustzijn van de vreemdeling naar oordeel van de medische escort achteruit leek te gaan, is door de medische escort aangegeven dat het niet mogelijk was vast te stellen of dit een medische reden had of werd geveinsd. Hierop is de uitzetting afgebroken en is de vreemdeling ter controle overgebracht naar het ziekenhuis, alwaar geen bijzonderheden werden geconstateerd. De vreemdeling is dan ook dezelfde dag nog ontslagen uit het ziekenhuis.
Deelt u de mening dat er een onafhankelijk onderzoek moet worden ingesteld naar de toedracht van de gedwongen terugkeer van de vluchteling, met inbegrip van het gebruik van dwangmiddelen, het geweld dat mogelijk is toegepast en de medische noodzaak die mogelijk is ontstaan?
Nee. De voorbereiding, de uitvoering en de afloop van deze casus geven geen aanleiding om een onafhankelijk onderzoek te laten starten. De melding geweldsaanwending en het gebruik van de hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting zijn conform artikel 17 juncto artikel 23b van de Ambtsinstructie, onverwijld gemeld aan de hulpofficier van justitie. Er zijn in de inzet van de hulpmiddelen en de toepassing van geweld geen onregelmatigheden geconstateerd. Ditzelfde geldt voor de medische toestand. De uitzetting is immers afgebroken om de vreemdeling de juiste en adequate zorg te kunnen verlenen en hierbij zijn geen bijzonderheden geconstateerd.
Het begeleidingsproces door de KMar staat onder regulier toezicht van de Inspectie Justitie en Veiligheid. Dit gebeurt zowel door incidentele fysieke aanwezigheid bij de begeleidingen en door middel van volledig inzicht in de rapportages. In deze casus was er geen fysieke aanwezigheid van de Inspectie Justitie en Veiligheid. De Inspectie Justitie en Veiligheid ontvangt van elke gedwongen uitzetting een terugkeerverslag van de KMar, dat is ook hier gebeurd.
Zo ja, wanneer zult u dit onderzoek starten en de resultaten daarvan met de Kamer delen? Zo nee, kunt u toelichten waarom u het niet noodzakelijk acht om een onafhankelijk onderzoek in te stellen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe vaak en op basis van welke gronden worden er dwangmiddelen ingezet bij vrijwillige en gedwongen terugkeer? Welke dwangmiddelen zijn dit precies?
In het geval van vrijwillige terugkeer wordt er nooit gebruikt gemaakt van deze hulpmiddelen. Voor een toelichting van het gebruik van de hulpmiddelen bij gedwongen vertrek verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Uit de gegevens van de KMar over 2023 blijkt dat er 6.488 gedwongen uitzettingen (zowel gedwongen terugkeer als overdrachten naar EU-lidstaten in het kader van de Dublin-verordening) plaatsvonden. Dit betreft zowel begeleide als onbegeleide vluchten. In 1.000 van de 6.488 gedwongen uitzettingen vond begeleiding door KMar-escorts plaats. Bij de overgrote meerderheid van de gedwongen uitzettingen, waarbij de KMar de vreemdeling begeleidde, zijn geen hulpmiddelen en is geen geweld ten behoeve van gedwongen uitzetting gebruikt.
Brondata van de KMar geven geen inzicht in hoe vaak een combinatie van hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting in een jaar zijn toegepast. Er kan een overlap van meerdere hulpmiddelen per casus tegelijkertijd zijn. In de praktijk zal in nagenoeg alle gevallen de bodycuff als basis hebben gediend, waarna deze is uitgebreid met toepassing van aanvullende hulpmiddelen.
In 2023 is tijdens 101 gedwongen uitzettingen de toepassing van een bodycuff geregistreerd, tijdens 91 gedwongen uitzettingen de toepassing van een beenband (klittenband), tijdens 65 gedwongen uitzettingen de toepassing van tiewraps, tijdens 60 gedwongen uitzettingen de inzet van andere klittenbanden, tijdens 5 gedwongen uitzettingen de toepassing van handboeien en tijdens 5 gedwongen uitzettingen de toepassing van een spuugmasker.
Hoeveel medische noodgevallen vonden er plaats tijdens vrijwillige en gedwongen terugkeer in de afgelopen jaren? Zijn er specifieke richtlijnen of protocollen voor de omgang met kwetsbare vreemdelingen, zoals zwangere vrouwen, kinderen of mensen met psychische aandoeningen, tijdens het terugkeerproces?
Sinds 1 januari 2024 zijn, enkel uit uiterste voorzorg, twee vreemdelingen, die werden begeleid in het kader van gedwongen uitzetting, aangeboden in een ziekenhuis voor een somatische beoordeling.
Indien er bij de KMar medische noodgevallen met vreemdelingen ontstaan gedurende de gedwongen uitzettingen wordt er altijd gebruik gemaakt van adequate medische zorg, wat prevaleert boven het belang van de uitzetting. Bij de KMar zijn geen voorbeelden bekend van gevallen waarbij een gedwongen uitzetting is doorgegaan, terwijl er een medisch noodgeval plaatsvond. Daarnaast zijn er geen gevallen bij de KMar bekend, waarbij er een medisch noodgeval is ontstaan tijdens het terugkeerproces als gevolg van het handelen van de KMar.
Indien er sprake is van medische bijzonderheden bij een vreemdeling die op korte termijn vertrekt, laat de DT&V via een onafhankelijke arts een Fit to fly check uitvoeren. Dit is een gezondheidscheck waarbij wordt nagegaan of de vreemdeling kan reizen zonder een risico voor zijn of haar gezondheid. Op basis hiervan wordt besloten of het vertrek doorgang kan vinden. Indien nodig reist een medisch escort mee. Ook kan de KMar alvorens de vlucht in te plannen, op basis van gegevens uit het dossier van de vreemdeling ook zelf bepalen om alsnog een medische escort toe te voegen. Sinds januari 2024 maakt de DT&V gebruik van de diensten van Dutch Medical Group (DMG) voor medische begeleiding tijdens vertrek. In algemene zin werkt DMG volgens de professionele standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap(NHG-richtlijnen) aangevuld met bijgaande eigen protocollen. In de werkinstructie staat ook het werkproces van DMG beschreven waar het specifiek kwetsbare personen betreft. DMG houdt een registratie bij van noodgevallen tijdens een begeleid vertrek.
Bij zwangere vrouwen wordt er niet standaard een medische escort toegevoegd, maar enkel op indicatie of vanwege het aantal weken dat de zwangerschap onderweg is. Daarnaast draagt de KMar er vanuit haar eigen processen zorg voor dat er in die gevallen een vrouwelijk escort wordt ingezet. De KMar is daarnaast specifiek voorbereid op het begeleiden van gezinnen met minderjarige kinderen, waarbij het eveneens kan helpen als er vrouwelijke escorts van de KMar worden ingezet. Voor kinderen jonger dan 12 jaar geldt dat er geen hulpmiddelen worden aangelegd. De KMar voert deze werkzaamheden altijd uit aan de hand van haar kernwaarden voor het verwijderproces: humaan, professioneel, diplomatiek en de-escalerend.
Vindt er structureel onderzoek plaats naar de toepassing van dwangmiddelen en de naleving van rechten van mensen tijdens gedwongen terugkeer? Zo ja, kunt u de rapportages van dit onderzoek met de Kamer delen?
De Inspectie Justitie en Veiligheid inspecteert op basis van risicoanalyse de door de DT&V gemelde uitzettingen en door de KMar uitgevoerde terugkeeroperaties. Verder ontvangt de Inspectie van elke uitgevoerde gedwongen uitzetting een terugkoppeling in de vorm van een verslag van de betrokken diensten en neemt deze mee in haar jaarlijkse rapportages.2
Bij het inspecteren van terugkeeroperaties kijkt de Inspectie of het toepassen van hulpmiddelen conform wet- en regelgeving en de werkinstructies van de KMar en de DV&O plaatsvindt. Daarbij wordt beoordeeld of hulpmiddelen noodzakelijk en proportioneel toegepast worden. In het algemeen stelt de Inspectie bij de beoordeling van de kwaliteit van de taakuitvoering in de terugkeerketen de aspecten van veiligheid, zorgvuldigheid en menswaardigheid centraal.
Waarom is het gebruik van dwangmiddelen door de Koninklijke Marechaussee (KMar) bij gedwongen uitzettingen in 2022 verdriedubbeld van 5% naar 15%?
In 2021 was er sprake van vele covid-restricties, waardoor veel minder gedwongen uitzettingen konden plaatsvinden dan in de jaren ervoor en erna. Immers was er in alle gevallen een negatieve Covid-19 NAAT testuitslag vereist om te kunnen vliegen en was het enkel weigeren van deze test al voldoende om een uitzetting te frustreren. Omdat het voorafgaand aan een begeleide vlucht al duidelijk was dat het uitzetproces geen doorgang kon vinden – aangezien de vreemdeling de test weigerde – zijn veel gedwongen uitzettingen in de periode dat testuitslagen vereist waren om te kunnen vliegen, niet gestart. Niet-meewerkende vreemdelingen konden in de covid-periode dus succesvol voorkomen dat ze werden uitgezet. De KMar moest dus in 2021 minder vaak niet-meewerkende vreemdelingen begeleiden dan in de jaren ervoor en erna.
Meewerkende vreemdelingen die worden begeleid plegen in de regel geen verzet. Omdat er in de covid-periode voornamelijk nog vreemdelingen die meewerken aan hun uitzetting werden begeleid op vluchten – elke vreemdeling kon een uitzetting immers frustreren door een covid-test te weigeren – hoefde de KMar ook minder vaak hulpmiddelen toe te passen tijdens de begeleiding.
In 2022 en 2023, toen veel van de covid-restricties werden opgeheven, konden ook weer meer gedwongen uitzettingen plaatsvinden met begeleiding van de KMar. Hierdoor was er ook weer een procentuele toename te zien van verzet door vreemdelingen bij aanvang of tijdens de vlucht. Daardoor werden er ook in 2022 vaker hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting gebruikt door de KMar dan in 2021.
Daarnaast moet opgemerkt worden dat de mate van verzet erg af kan hangen van de reisroutes die open staan voor gedwongen uitzetting. Het (her)openen van een gedwongen vertrekmogelijkheid kan een procentuele toename van verzet betekenen. Verschillende open of gesloten terugkeermogelijkheden kunnen de percentages dus doen fluctueren. Ook speelt de Uiterste Overdrachts Datum (UOD) in het kader van Dublin-overdrachten een rol. Gedwongen vertrek dat op of vlak voor deze UOD plaatsvindt kan voor de vreemdeling extra motivatie betekenen om de uitzetting te frustreren, om zo toegang te krijgen tot een beoordeling van de asielaanvraag in Nederland.
Waarom is het gebruik van dwangmiddelen door de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) bij het vervoer van vreemdelingen naar Schiphol in 2022 gedaald van 60% naar 24%?
De DV&O maakt gebruik van vrijheidsbeperkende middelen zoals; handboeien, boeikoppel en bodycuff. De DV&O maakt geen gebruik van tiewraps. De DV&O zet deze middelen in op basis van bijzonderheden behorende bij de DT&V-aanvraag, een interne DV&O-database die eerdere ervaringen bevat van voorgaande transporten, informatie over voorvallen op de verblijfslocatie van de vreemdeling (de zogenaamde risicoanalyse die de DV&O uitvoert). Daarnaast beoordelen DV&O-beveiligers ter plaatse de situatie aangaande de vreemdeling als het transport aanvangt, bijvoorbeeld zijn of haar gedrag of emoties. In alle gevallen van het vervoer van vreemdelingen is sprake van maatwerk.
Het kabinet herkent de genoemde percentages in de vraagstelling niet. In de Jaarbrief Terugkeer Vreemdelingen 2021 is over het gebruik van vrijheidsbeperkende middelen3 de volgende passage opgenomen:
«Uit de DV&O-rapportages blijkt dat medewerkers van de DV&O bij 28% van de uitgezette vreemdelingen gebruik maakten van hulpmiddelen, zoals koppelboeien.»4 Er is in 2022 aldus een daling van 4% te zien in het gebruik van vrijheidsbeperkende middelen bij vervoer van vreemdelingen naar Schiphol.
Is er een toename van verzet tegen uitzettingen door vreemdelingen? Zo ja, hoe verklaart u deze toename?
Zie antwoord vraag 10.
Welke richtlijnen gelden er voor het gebruik van dwangmiddelen bij uitzettingen? Hoe wordt er gecontroleerd of deze richtlijnen worden nageleefd?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het gegeven antwoord op vragen 2 en 8.
Zijn er meldingen van onrechtmatig inzetten van dwangmiddelen door de KMar of DV&O? Zo ja, over hoeveel meldingen gaat het en wat waren de consequenties van deze onrechtmatige inzet?
De KMar verantwoordt per geval de inzet van middelen ten behoeve van gedwongen uitzetting en het gebruik van geweld. Deze verantwoording wordt, conform vigerende wet- en regelgeving, beoordeeld door een hulpofficier van justitie. Op basis daarvan zijn er in ieder geval sinds 2020 geen onrechtmatige geweldaanwendingen en geen onrechtmatige inzet van middelen ten behoeve van gedwongen uitzetting geconstateerd.
Ten aanzien van DV&O geldt dat er van januari 2024 tot en met heden geen meldingen zijn ontvangen over de al dan niet onrechtmatige inzet van vrijheidsbeperkende middelen.
Alle inzet van vrijheidsbeperkende middelen wordt conform regelgeving verantwoord met een dagrapportage. Bij signalen over oneigenlijke inzet van middelen volgt onderzoek.5
Wat zijn de redenen voor het aanhoudende verschil in gebruik van dwangmiddelen door de DV&O en KMar, ondanks de eerdere aandacht van de inspectie in 2021?
De DV&O en de KMar voeren verschillende taken uit binnen het terugkeerproces. De DV&O-medewerkers en de KMar-medewerkers maken altijd een gedegen individuele afweging bij de inzet van hulpmiddelen, zowel voorafgaand aan het vervoer van de vreemdeling op basis van de op dat moment beschikbare informatie, als tijdens het vervoer. In alle gevallen is sprake van maatwerk.
Kan de informatie over het gebruik van dwangmiddelen (handboeien e.d.) worden gespecificeerd per type terugkeer (gedwongen vs. vrijwillig)?
Vrijwillig vertrekkende vreemdelingen worden niet begeleid door de KMar. Er vindt dan ook geen gebruik van hulpmiddelen plaats bij vrijwillige terugkeer.
Bij gedwongen terugkeer kan de KMar gebruik maken van hulpmiddelen ten behoeve van gedwongen uitzetting op basis van een risicobeoordeling. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Was u bekend met de berichten over geweld tegen asielzoekers in Bulgarije, inclusief opsluiting in kooien?1
Ja.
Is het kabinet van mening dat de beoordeling van Bulgarije als «veilig» land moet worden herzien in het licht van deze nieuwe informatie?
Het betreft hier geen nieuwe informatie, doch berichtgeving van december 2022. Op 16 augustus 2023 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak hierover en oordeelde dat hoewel aan de buitengrens van Bulgarije pushbacks plaatsvinden, uit de beschikbare informatie niet blijkt dat vreemdelingen die op grond van de Dublinverordening aan Bulgarije worden overgedragen, ook een risico lopen om het slachtoffer te worden van pushbacks. Dublinclaimanten hebben na de feitelijke overdracht aan Bulgarije bovendien toegang tot de opvang. De Minister mag er daarom op basis van het zogenoemde interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat de Bulgaarse autoriteiten de vreemdelingen niet in strijd met de mensenrechten zullen behandelen. Hij mag vreemdelingen dan ook op grond van de Europese Dublinverordening blijven overdragen aan Bulgarije, zo oordeelde de Afdeling. Ik zie, mede gelet op deze uitspraak, geen reden om Dublin-overdrachten aan Bulgarije te staken.
Kunt u iedere vraag afzonderlijk beantwoorden?
Bij de beantwoording van uw vragen is gestreefd naar de meest spoedige en zorgvuldige beantwoording. Derhalve zijn de antwoorden op een aantal vragen samengevoegd.
Financiering van de vee-industrie door de Rabobank |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onlangs gepubliceerde rapport «Blocking a better world altogether – Rabobank’s bogus policy about animal welfare and sustainable agriculture»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de uitspraak van World Animal Protection NL dat de Rabobank één van de drijvende krachten is geweest van het huidige agrarische model van industrialisering in Nederland, maar ook in het buitenland, waaronder Brazilië?
De intensivering en schaalvergroting van de landbouw, zowel in Nederland als daarbuiten, is het gevolg geweest van meerdere factoren, waaronder technologische vooruitgang, overheidsbeleid en economische wetmatigheden, waarbij alle ketenpartijen een rol hebben gespeeld. De verduurzaming van het landbouw- en voedselsysteem is een opgave die voortkomt uit deze gedeelde verantwoordelijkheid en moet daarom ook als gezamenlijke opgave aangepakt worden. Ik vind het daarom van groot belang dat ook financiële instellingen een proactieve rol spelen in deze transitie. Verschillende instellingen hebben ook aangegeven die rol te willen pakken.
Hoe reflecteert u op de uitspraak van World Animal Protection NL dat de Rabobank, door diens financiering van de intensivering en het financieel stimuleren van melkveehouders tot schaalvergroting na het loslaten van de melkquota, medeverantwoordelijk is voor de huidige stikstofcrises?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich de schriftelijke vragen2 van mijn fractie over de rol van JBS in grootschalige ontbossing, gigantische CO2-uitstoot, het veroorzaken van ernstig dierenleed, veroordeling voor corruptie, betrokkenheid bij kinderarbeid en schendingen van mensenrechten, alsmede belastingontwijking?
Ja.
Steunt u de oproep van World Animal Protection NL aan de Rabobank om op korte termijn de banden met JBS te verbreken? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van financiële instellingen, net als van andere partijen in de keten, dat zij hun rol pakken in de transitie van het landbouw- en voedselsysteem. Ook verwacht ik van Nederlandse bedrijven, waaronder financiële instellingen, dat zij handelen conform de internationale standaarden voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen, de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Daarnaast hebben financiële instellingen zelf hun ambities rondom maatschappelijk verantwoord ondernemen. Tot slot dienen financiële instellingen financiële risico’s, waaronder biodiversiteitsrisico’s, om prudentiële redenen adequaat te beheersen.
Gelet hierop verwacht ik van een financiële instelling dat zij het handelen van een bedrijf in het licht van de benodigde landbouwtransitie, de OESO-richtlijnen, financiële duurzaamheidsrisico’s en hun eigen IMVO-beleid, meewegen in hun financieringsbeslissingen en daar vervolgens consequenties aan verbinden als dit blijkt te botsen. Zo geeft Rabobank in haar dierenwelzijnsbeleid onder andere aan dat ze van klanten verwacht er proactief zorg voor te dragen dat bepaalde kernprincipes van dierenwelzijn geëerbiedigd worden.
Het is aan Rabobank zelf om het onderhouden van een klantrelatie met JBS in dit licht te wegen. Alhoewel uit het genoemde onderzoek niet duidelijk wordt of er een directe link is tussen financiering van de Rabobank van JBL en mogelijke misstanden van dit bedrijf ten aanzien van dierenwelzijn, roept het rapport in algemene zin de vraag op in hoeverre een partij als JBS de door Rabobank benoemde kernprincipes van dierenwelzijn proactief waarborgt. Ik vind het dan ook opvallend dat de Rabobank in een reactie aangeeft wat betreft dierenwelzijn in de praktijk voor niet-Europese financieringen andere standaarden te hanteren dan voor Europese, hoewel ze in haar beleid een dergelijk onderscheid niet lijkt te maken. Tot slot geeft Rabobank in een reactie aan geen direct lid te zijn van de National Pork Producers Council (NPCC), maar wel met leden van de NPPC samen te werken. Ook ten aanzien hiervan verwacht ik dat de hiervoor omschreven kaders door een financiële instelling zoals Rabobank worden meegewogen.
Wat vindt u van het feit dat de Rabobank geld investeert in de National Pork Producers Council, een coalitie van private bedrijven en stakeholders met een belang in de vee-industrie, die naar de Surpreme Court is gegaan om dierenwelzijnswetgeving te blokkeren?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de verduurzaming van de financiële sector, het gegeven dat Nederlandse banken met een internationale tak investeren in bedrijven die bijdragen aan de vernietiging van biodiversiteit, het versnellen van klimaatverandering en mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten?
Het verduurzamen van de financiële sector vereist dat financiële instellingen de duurzaamheid van een bedrijf meewegen in haar financiersingsbeslissingen. Onder andere op grond van de eerder genoemde OESO-richtlijnen, moeten financiële instellingen risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op bijdragen aan de vernietiging van biodiversiteit, identificeren en aanpakken. Ook moet een financiële instelling volgens de OESO-richtlijnen, afhankelijk van de mate van betrokkenheid bij de schade, bijdragen aan herstel of zijn invloed aanwenden om nadelige gevolgen te beperken. Bovendien heeft een groot aantal Nederlandse financiële instellingen het Commitment Financiële Sector Klimaatakkoord (CFSK) ondertekend. Via het CFSK verbindt de financiële sector zich eraan om haar financieringen in lijn te brengen met de doelstellingen van het Parijsakkoord. Het CFSK richt zich primair op klimaat, maar kan ook positieve effecten hebben voor andere vormen van duurzaamheid, omdat verschillende aspecten van duurzaamheid met elkaar samenhangen. Tot slot zal vanuit de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD), waarover uw Kamer op 12 april jl. is geïnformeerd3, een verplichting volgen voor financiële instellingen om gepaste zorgvuldigheid toe te passen in hun financieringen.
Daarnaast zijn banken er ook aan gehouden om de relevante (financiële) risico’s die zijzelf lopen, van onder meer klimaatverandering, te monitoren en adequaat te beheersen. Keuzes en investeringen moeten ook vanuit dat opzicht te verantwoorden zijn. De Europese Centrale Bank en De Nederlandsche Bank houden daar toezicht op.
Het kabinet is van mening dat de financiële sector een belangrijke rol kan vervullen bij het tegengaan van misstanden in en het verder verduurzamen van waardeketens. Het lijkt mij evident dat financiële instellingen nagaan in welke mate bedrijven die zij financieren betrokken zijn bij ontbossing, en/of het versnellen van klimaatverandering, en indien blijkt dat dit het geval is, zij daar consequenties aan verbinden, bijvoorbeeld middels het verbreken van de klantrelatie.
Bent u het eens met de fractie van de Partij voor de Dieren dat er niet alleen aandacht moet zijn voor groene financieringen maar dat het ook noodzakelijk is om bestaande niet-duurzame financieringen af te bouwen? Zo nee, waarom niet?
Ja, hier ben ik het mee eens. Niet-duurzame financieringen zijn op termijn niet houdbaar. Het succesvol implementeren van de door de financiële sector zelf opgelegde doelen uit het CFSK vraagt daarom ook om het op termijn terugdringen van niet-duurzame financieringen. De vraag hoe financiële instellingen via engagementhun klanten kunnen bewegen tot verduurzaming is daar een belangrijk onderdeel van, omdat voorkomen moet worden dat financiële instellingen enkel hun eigen vervuilende investeringen afstoten, zonder dat er daadwerkelijke verduurzaming in de reële economie gerealiseerd wordt. Ook in Europees verband vraagt het kabinet daarom continu aandacht voor het belang van transitionele investeringen.
Maakt de afbouw van financiering van industriële grootschalige veehouderijsystemen en vleesgiganten onderdeel uit van de gesprekken die u voert met financiële instellingen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik spreek financiële instellingen regelmatig over hun rol in de transitie naar een duurzame economie en naar een toekomstbestendige vorm van landbouw. Daarbij gaat het zowel over de kansen en verantwoordelijkheden die dit biedt voor de financiële sector, als de manier waarop de overheid de inspanningen van de sector kan bespoedigen. De proactieve houding die de Minister van Landbouw, de Minister van Natuur en Stikstof en ik van financiële instellingen verwachten ten aanzien van hun bijdrage aan de landbouw- en voedseltransitie is ook onderdeel van deze gesprekken.
Welke rol ziet u voor banken in de Nederlandse transitie naar een «dierwaardige veehouderij»?
De wijziging van de Wet dieren is dit voorjaar in de Tweede en Eerste Kamer behandeld en de gewijzigde wet zal per 1 juli 2024 in werking treden. Binnen 1 jaar na inwerkingtreding zal voor vier veehouderijsectoren (varkens, pluimvee, melkvee en kalveren) in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) worden vastgelegd hoe voor deze sectoren dierwaardige veehouderij er in 2040 uit zal zien. De beweging naar dierwaardige veehouderij vindt plaats binnen de gestelde natuur-, water,- milieu-, lucht en klimaatkaders en doelen. Uit een quick scan4 die de Minister van LNV heeft laten uitvoeren blijkt de forse financiële impact van deze transitie. Overheid, financiers en markt- en ketenpartijen zullen tijdig en in voldoende mate moeten gaan inspelen op het lange termijn perspectief en ze moeten elkaar waar nodig hier op aanspreken. Ik verwacht dat banken hun beleid inrichten op deze ontwikkeling en daarmee vanuit hun rol deze transitie mogelijk maken.
Het bericht ‘Yesilgöz haalt uit naar Tim Hofman na X-bericht over ME’ |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Christine Teunissen (PvdD), Marieke Koekkoek (D66), Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de volgende publicaties ten aanzien van uw ongepaste uithaal richting journalist en programmamaker Tim Hofman: «Yeşilgöz haalt uit naar Tim Hofman na X-bericht over ME», «Tim Hofman houdt Minister Yeşilgöz verantwoordelijk voor «horde aan intimidaties»», en «Valt Yeşilgöz de persvrijheid aan? Haar collega Gräper vindt van wel»?1
Ik heb kennisgenomen van de publicaties.
Bent u het ermee eens dat uw uiting op X en de bijkomende negatieve gevolgen voor journalisten, de persvrijheid en Hofman haaks staan op uw eerdere uitingen omtrent persvrijheid en veiligheid en de berichtgeving daarover op de overheidswebsite Persvrijheid bewaken | Media en publieke omroep | rijksoverheid.nl?2 Zo niet, waarom niet?
Bent u zich ervan bewust dat uw bericht op X en soortgelijke berichten vanuit uw positie de veiligheid van individuele journalisten, journalisten in het algemeen en de persvrijheid negatief kunnen beïnvloeden en kunt u daarop reflecteren?
Bent u het ermee eens dat de uitingen in uw bericht op X niet passen bij uw rol als Minister van Justitie en Veiligheid en dat deze uitingen het vertrouwen in uw rol schaden?
Zo niet, kunt u toelichten waarom niet? En kunt u daarbij in het bijzonder ingaan op de scheiding der machten, uw rol als Minister van Justitie en Veiligheid en de mogelijke chilling effects van uw bericht?
Bent u van mening dat Hofman andere vragen had moeten stellen, zoals u zelf in uw bericht stelt? Zo ja, bent u van mening dat u daarover gaat? Zo niet, waarom doet u deze suggestie dan?
Bent u van oordeel dat de vrije media geen legitieme instanties zijn waar mensen zich zouden moeten kunnen melden in het geval zij te maken krijgen met excessief politiegeweld of andere vormen van geweld en onrechtmatig handelen vanuit de overheid?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat een Minister die ook verantwoordelijk is voor de veiligheid van journalisten, de veiligheid van hen ondermijnt?
Hoe denkt u over de reactie van Hofman en anderen dat uw bericht een horde aan intimidaties legitimeerde, en kunt u daarbij ingaan op de concrete bedreigingen die Hofman als gevolg van uw bericht heeft ontvangen?3
Kunt u ingaan op het commentaar dat u ontving van uw collega Gräper, de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die stelde dat journalisten vrij hun werk moeten doen, te weten: «Persvrijheid is een groot goed. Journalisten moeten vrij hun werk kunnen doen en alle vragen kunnen stellen die zij willen. Ik zal daar altijd voor opkomen»?4
Deelt u de oproep van de Nederlandse Vereniging van Journalisten dat u zich terughoudend moet opstellen en persvrijheid niet in de weg moet zitten? Zo niet, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit in de toekomst doen en bent u bereid uw uitingen terug te nemen?5
Het bericht dat de schade van weerextremen in 2023 in Europa 13,4 miljard euro bedroeg |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de boodschap van de Europese klimaatdienst Copernicus en de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) die de kosten van weer- en klimaatgerelateerde verliezen in 2023 in Europa schatten op 13,4 miljard euro?1
Ja.
Bent u het eens met de volgende uitspraak van Celeste Saulo, secretaris generaal van het WMO: «De klimaatcrisis is de grootste uitdaging van onze generatie. De kosten van klimaatactie lijken misschien wel hoog, maar de kosten van niets doen zijn veel hoger.»?2 Zo nee, hoe ziet u dit dan?
Ja, deze uitspraak onderschrijf ik.
Hoeveel geld is per jaar gereserveerd in de meerjarenbegroting voor schade als gevolg van weersextremen? Denkt u dat dit voldoende zal zijn, ook rekening houdende met de steeds extremere weersituaties?
In Nederland hebben we de afgelopen jaren steeds vaker te maken met weersextremen, waaronder ook de waterschade in Limburg en delen van Noord-Brabant in juli 2021. Het is de verantwoordelijkheid van particulieren en bedrijven om zich te verzekeren tegen het risico van schade door weersextremen. Indien er sprake is van een ramp in de zin van artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s kan het kabinet de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) toepassen voor schade die niet verhaalbaar, niet vermijdbaar en niet redelijkerwijs verzekerbaar is. Voor de Wts is geen structureel budget gereserveerd.
De Wts is toegepast vanwege de wateroverlast in Limburg en delen van Noord-Brabant in juli 2021. Toen is er incidenteel budget gereserveerd. Voor de afwikkeling van deze regeling resteert nog 5 miljoen euro op de begroting. Bij de Voorjaarsnota 2024 is daarnaast in totaal 21,8 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast juli 2021. Op grond van deze beleidsregel kan door de Minister van Justitie en Veiligheid een financiële verstrekking worden gedaan aan particulieren die de herstelkosten van de woning of de noodzakelijke dubbele woonlasten die zijn ontstaan door de wateroverlast in juli 2021, niet kunnen betalen dan wel hiervoor een schuld zijn aangegaan en daardoor in financiële nood zijn.
Momenteel wordt, in opdracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, de Wts geëvalueerd. Dit moet inzicht bieden of de Wts voldoende toekomstbestendig is, mede gelet op de verzekeringsmogelijkheden met betrekking tot de gevolgen van klimaatverandering.
Hoeveel extra geld is per jaar ook beschikbaar voor de meer indirecte effecten van klimaatverandering, zoals meer mensen met een slechtere gezondheid door meer luchtvervuiling?
Er is geen geoormerkt budget beschikbaar voor indirecte effecten van klimaatveranderingen. Eventuele gezondheidsschade door klimaatverandering is wel onderdeel van de reguliere zorgkosten. Vanuit het Ministerie van VWS wordt de komende drie jaar 2,1 miljoen euro beschikbaar gesteld voor onderzoek naar de gezondheidseffecten van klimaatverandering. Zo gaat het RIVM de effecten van klimaatverandering op de gezondheid beter in kaart brengen.
Deelt u de mening dat investeren in klimaat en natuur, en daarmee het voorkomen van steeds meer schade uit weersextremen, de voorkeur zou moeten hebben boven het elk jaar weer repareren van schade door weersextremen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de mening dat investeren in klimaat en natuur de voorkeur heeft boven het repareren van de schade door weersextremen. Fysieke klimaatrisico’s kunnen nu en in de toekomst leiden tot forse maatschappelijke en economische schade. De economische schade van de overstromingen in de zomer van 2021 bedroeg 44 miljard euro voor Nederland, België en Duitsland gezamenlijk.3 Ook afgelopen jaar zagen we in Europa dat de weercondities extreem kunnen zijn met de hittegolven, overstromingen, bosbranden en droogte. Het Copernicus-rapport geeft ook aan dat, naast de gezamenlijke kosten van 13,4 miljard, ongeveer 1,6 miljoen mensen in Europa hier gevolgen aan ondervonden. Het IMF verwacht dat de klimaatschade tussen 2018 en 2050, zonder aanvullend adaptief klimaatbeleid, tussen de 0,2 en 0,5 procent van het bbp is.4 Bij het investeren in klimaat en natuur is het van belang om subsidiërende, normerende en beprijzende maatregelen tegen elkaar af te wegen, om een zo efficiënt mogelijk klimaatbeleid te voeren.
Gezien het feit dat de kosten van niets doen hoger zijn dan de uitgaven aan klimaatbeleid, bent u bereid om met een voorstel te komen om deze kosten zoveel mogelijk te voorkomen en de overgebleven voorziene kosten te begroten? Zo nee, hoe wilt u hier dan mee omgaan?
Ik ben het met u eens dat de kosten van niets doen hoger zijn dan de uitgaven aan het klimaatbeleid, zoals genoemd in het antwoord op vraag 5. Het demissionaire kabinet heeft een ambitieus klimaatbeleid opgesteld met een evenwichtige beleidsmix om daarmee invulling te geven aan het 2030-klimaatdoel. Aanvullend klimaatbeleid is op dit moment aan het volgende kabinet.
De verdubbeling van Europese subsidies voor vleesreclames |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat de Europese Unie eind 2023 in haar jaarlijkse subsidieronde 46 miljoen euro toekende aan reclamecampagnes voor vlees en zuivel?1
Ik ben bekend met de analyse waarop deze bedragen zijn gebaseerd.
Bent u bekend met het feit dat alleen al voor eet-meer-vlees-campagnes bijna 29 miljoen euro wordt uitgetrokken – meer dan het dubbele van 2022 en het hoogste bedrag sinds 2021?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u, in lijn met het IPCC, dat de EU alleen aan het Klimaatakkoord van Parijs kan voldoen als zij inzet op flinke vermindering van de vlees- en zuivelconsumptie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe rijmt u deze conclusie dan met de exorbitante bedragen die de EU aan vlees- en zuivelcampagnes uitgeeft?
Zoals de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in het schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 29 april 20242 al kenbaar heeft gemaakt, is het kabinet voorstander van het afschaffen van het EU-Promotiebeleid voor reguliere landbouwproducten. Ook is het kabinet in lijn met de motie Wassenberg/Van Raan (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1565) van mening dat subsidie uit het EU-Promotiebeleid voor promotie van vleesproducten niet mogelijk moet zijn. Ik acht dit mede van belang omdat het belangrijk is om in te zetten op een vermindering van de vlees- en zuivelconsumptie om de klimaatdoelen te behalen waar de EU zich aan heeft gecommitteerd. Daarbij vind ik het in het licht van de eiwittransitie eveneens teleurstellend dat een deel van het budget wordt besteed aan de promotie van vlees. Zolang het EU-Promotiebeleid echter bestaat, is het kabinet van mening dat dit beleid volledig in lijn moet zijn met ander EU-beleid en dat alleen duurzaam geproduceerde en gezonde producten gebruik zouden moeten kunnen maken van subsidie uit het EU-Promotiebeleid.
Deelt u de mening dat deze subsidiëring van vleesreclames rechtstreeks ingaat tegen het voornemen van het kabinet om het aandeel plantaardige eiwitten in ons dieet te verhogen, ook in het belang van het klimaat?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met de aangenomen motie-Wassenberg en Van Raan (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1565) die de regering oproept zich in Europa actief te verzetten tegen Europese subsidies voor de vleespromotie?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met het feit dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) zich al actief uitspreekt tegen subsidiering van vleesreclames, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het Verslag van de Landbouw- en Visserijraad op 21 februari 2022, waarin hij schrijft dat Nederland sinds 2014 in Europese overleggremia uitdraagt dat het geen voorstander is van de Promotie-verordening? (21 501-32, nr. 1381)
Wanneer de mogelijkheid zich aandient, ben ik bereid om mij actief uit te spreken, net als de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Bent u bereid zich in Europees verband, net als de Minister van LNV al doet, in het belang van het klimaat actief uit te spreken over de onwenselijkheid van subsidiering door de Europese Unie van reclames voor vlees en zuivel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘U.S. expected to sanction IDF unit for human rights violations in West Bank’ |
|
Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «U.S. expected to sanction IDF unit for human rights violations in West Bank» waarin het voornemen wordt beschreven aan het Netzah Yehuda bataljon, een specifiek politiek-religieus bataljon van de Israëlische strijdkrachten, sancties op te leggen voor structurele mensenrechtenschendingen op de West Bank, waaronder de dood door kneveling van een 80-jarige Palestijnse Amerikaan?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het optreden van dit specifieke bataljon van de IDF op basis van de onderzoeken van het Amerikaanse State Department en berichten over hun optreden, zoals onder andere beschreven in het artikel «Lies, Violence and Far-right Ideology: The West Bank Militia Formed Inside the Israeli Army»?2
De berichten over het optreden van dit bataljon zijn zeer zorgelijk. De aanwezigheid van de nederzettingen en de kolonisten in de bezette Palestijnse Gebieden zijn schendingen van het bezettingsrecht. Op Israël rust de (internationaal-)rechtelijke plicht om geweldsgebruik door zowel kolonisten als Israëlisch overheidspersoneel, onder wie personeel van het Israëlische leger (Israel Defense Forces (IDF)), zoveel mogelijk te voorkomen en hiertegen handhavend op te treden.
Heeft u contact met uw Amerikaanse ambtsgenoot over het optreden van dit bataljon op de West Bank?
Over de maatregel die de VS heeft ingesteld tegen dit specifieke bataljon is contact geweest.
Deelt u de mening dat gewelddadig optreden door kolonisten op de West Bank en/of deze legereenheid tegen ongewapende Palestijnen het risico op escalatie en onschuldige slachtoffers in de Palestijnse gebieden vergroot?
Ja. Zoals hierboven beschreven is het aan de IDF om Palestijnse burgers actief te beschermen tegen geweld van kolonisten, maar komt het regelmatig voor dat dit niet gebeurt en dat de IDF actief deelneemt of ondersteuning biedt aan dit geweld. Mijn ambtsvoorganger heeft in haar contacten met haar Israëlische ambtsgenoot de Israëlische regering steevast opgeroepen om hiertegen op te treden.
Bent u bereid om, in navolging van de Amerikanen, u in de Raad Buitenlandse Zaken van 22 april en in andere relevante gremia ervoor in te zetten om Netzah Yehuda te sanctioneren, in lijn met de aangenomen motie Piri c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2870) die vraagt de sanctielijsten voor gewelddadige kolonisten met de VS gelijk te trekken? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
De door de VS aangekondigde maatregel betreft geen sanctie, maar behelst het toepassen van de Leahy Law uit 1977. Deze wet verbiedt de Amerikaanse regering om goederen, diensten en trainingen te leveren aan eenheden van buitenlandse veiligheidstroepen die betrokken zijn bij grove mensenrechtenschendingen. De individuen van het Netzah Yehudabataljon zijn niet aan financiële sancties of inreisverboden onderhevig.
De Nederlandse krijgsmacht werkt niet samen met de Israëlische strijdkrachten op of met betrekking tot de bezette Westelijke Jordaanoever. Zoals meermaals met uw Kamer is gedeeld, zet het kabinet zich conform motie Piri c.s. – aangenomen met steun van de fracties van GroenLinks-PvdA, VVD, NSC, D66, CDA, SP, DENK, PvdD en Volt – in voor het uitbreiden van de sancties tegen Israëlische gewelddadige kolonisten die recent in EU-verband zijn aangenomen. Daarbij zetten we in op hetzelfde ambitieniveau als de VS en het VK ten aanzien van het sanctioneren van individuele kolonisten en daaraan gelieerde entiteiten. Omdat Nederland alleen met Israël binnen de internationaal erkende grenzen van 1967 samenwerkt, Nederland geen relatie met het Netzah Yehudabataljon heeft en er geen sprake is van een sanctie in de zin van inreisverboden of tegoedbevriezingen, volgt Nederland het Amerikaanse voorbeeld niet.
De Tent of Nations in de buurt van Bethlehem |
|
Jan Paternotte (D66), Ruben Brekelmans (VVD), Kati Piri (PvdA), Caspar Veldkamp (NSC), Christine Teunissen (PvdD), Derk Boswijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met de zorgelijke situatie rond de educatieve boerderij met het vredesproject «Tent of Nations» in Bethlehem?1 2
Ja.
Herinnert u zich dat de Tweede Kamer in het verleden vaker aandacht heeft gevraagd voor deze zaak?3 4
Ja.
Klopt het dat het Israëlische Hooggerechtshof in 2006 de uitspraak deed dat de familie Nassar hun herregistratie van het land kon gaan regelen? Klopt het tevens dat de familie Nassar aan alle vereisten hiervoor heeft voldaan, maar dat desondanks tot op de dag van vandaag procedures voortdurend vertraagd worden door de Israëlische autoriteiten?
Ja. Het klopt dat de herregistratiezaak van eigendom al jaren loopt. Volgens de familie Nassar en hun advocaat voldoen ze aan alle vereisten. Tot de dag van vandaag heeft dit nog niet tot erkenning geleid van het eigendom door de Israëlische autoriteiten.
Klopt het dat er juridisch gezien geen land mag worden ingenomen terwijl het herregistratieproces lopende is? Zo nee, waarom zou dat volgens u niet het geval zijn?
Zie het antwoord op vraag 5.
Indien juridisch gezien inderdaad geen land mag worden ingenomen, hoe oordeelt u dan over de aanleg van een weg en de voorbereidingen voor de aanleg van een tweede weg op het land van de familie Nassar? Deelt u de mening dat er direct gestopt moet worden met de aanleg van deze wegen? Zo nee, waarom niet?
Het humanitair oorlogsrecht verbiedt de confiscatie van privébezit in bezet gebied, tenzij de inbeslagname door dwingende militaire noodzaak wordt vereist. Daar is in dit geval geen sprake van. Ingebruikname van het land van de familie Nassar en aanleg van een weg zijn dan ook illegaal onder het internationaal recht en dienen direct te worden gestopt.
Klopt het dat de toegang tot de boerderij vanaf Road 60 naar Tent of Nations recent is afgesloten omdat het nu een «gesloten militair gebied» zou zijn? Zo ja, deelt u de mening dat de toegang tot de boerderij weer geopend zou moeten worden?
Navraag heeft geen bevestiging opgeleverd dat het officieel tot militair gebied is verklaard. Vanaf road 60 is de toegangsweg voor auto’s al enkele jaren afgesloten. Daar is recentelijk de versperring verhoogd waardoor de boerderij nu te voet ook moeilijk te bereiken is. Toegang tot de boerderij is nu beperkt tot één kant die alleen via een omweg te bereiken is.
Deelt u de mening dat er geen enkele rechtvaardiging is voor het belemmeren van de toegang tot het eigen land van de familie Nassar en/of het intimideren en het plegen van vernielingen op het land van de familie Nassar?
Ja, er lijkt in dit geval geen rechtvaardiging voor de belemmering van de toegang tot het land van de familie Nassar. Intimidatie en het plegen van vernielingen zijn in geen enkel geval gerechtvaardigd.
Bent u bereid bij de Israëlische autoriteiten om opheldering te vragen over deze zaak en dit terug te koppelen aan de Tweede Kamer?
De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah vraagt, al dan niet samen met gelijkgezinde landen, regelmatig aandacht voor de situatie bij Tent of Nations.
De Israëlische autoriteiten (COGAT) meldden naar aanleiding van Nederlandse vragen te hebben geconstateerd dat er werkzaamheden op het gebied van Tent of Nations hebben plaatsgevonden en dat deze werkzaamheden niet in opdracht van het leger of de Israëlische autoriteiten plaatsvinden. Zij meldden dat het aanleggen van de weg niet is toegestaan en dat zij hierop zullen handhaven. Nederland zal hier op blijven aandringen. Het Israëlische Supreme Court heeft op 21 april jl. bevolen dat de staat tot nader order geen verandering in de staat van het land van Tent of Nations mag aanbrengen. Deze order ziet niet toe op veranderingen die om redenen van veiligheid of urgente gevechtsbelangen noodzakelijk zijn.
Bent u bereid zich in te zetten voor een oplossing in deze zaak? Zo ja, op welke manier zult u dit doen?
Nederland zet zich actief in voor de problemen van Tent of Nations. Recentelijk nog organiseerde de Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah een bezoek voor enkele EU-lidstaten aan de Tent of Nations en werd navraag gedaan bij COGAT over het al dan niet verklaren tot militair gebied. Nederland neemt bilateraal en in EU-verband altijd duidelijk stelling tegen landonteigening en het nederzettingenbeleid in de bezette Palestijnse Gebieden. Dit zal Nederland blijven doen. Daarnaast zet Nederland zich in EU-verband in voor het aannemen van sancties tegen gewelddadige kolonisten. Hier gaat een belangrijke signaalwerking vanuit dat kolonistengeweld voor Nederland onacceptabel is en dat het moet stoppen.
In hoeverre acht u de betreffende kwestie typerend voor de situatie van Palestijnse boeren in (area C van) de Westelijke Jordaanoever en kunt u aangeven hoe deze zich heeft ontwikkeld sinds de terreurdaden door Hamas van 7 oktober jl.?
In veel opzichten is dit exemplarisch voor wat Palestijnse bewoners in area C meemaken. Palestijnse boeren in dit gebied worden al jaren bedreigd in hun activiteiten door Israël, bijvoorbeeld door landonteigening, het wijzigen van bestemmingsplannen of het verklaren van «staatsgrond». Organisaties als «Peace Now» en «B'Tselem» hebben uitgebreid gepubliceerd over de methoden die Israël gebruikt om controle te krijgen over land voor de bouw van illegale nederzettingen.
Het uitroepen van «staatsgrond» is een van de belangrijkste methoden waarmee Israël probeert controle te krijgen over land op de Westelijke Jordaanoever. Land dat is uitgeroepen tot staatsgrond wordt door Israël niet langer beschouwd als privébezit van Palestijnen. Israël verhuurt staatsgrond uitsluitend aan Israëliërs.
Volgens de organisatie Peace Now heeft Israël in 2024 de grootste hoeveelheid land ooit op de Westelijke Jordaanoever tot «staatsgrond» uitgeroepen. Dit lijkt te duiden op een toename sinds de terreurdaden van 7 oktober jl.
Het gebruik van onnodig geweld tegen vreedzame klimaatdemonstranten |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat op zaterdag 6 april jl. bij een vreedzame klimaatdemonstratie de elleboog van een demonstrant is gebroken door een poltieagent?1 Zo ja, vindt u dit optreden tegen vreedzame demonstranten proportioneel?
Klopt het dat bij dezelfde demonstratie een vrouwelijke demonstrant bij haar borst is vastgepakt door een agent en dat een andere agent opmerkte «dat vind je vast wel lekker»?2 Zo ja, wat vindt u van het op deze wijze betasten van een vrouwelijke demonstrant, alsmede van het maken van een opmerking tegen deze demonstrant? Heeft de politie hier volgens u correct gehandeld?
Bent u ervan op de hoogte dat meerdere demonstranten melden dat de politie onnodig veel geweld heeft gebruikt bij de demonstratie, zoals een demonstrant die meldt dat ondanks dat hij zou hebben aangegeven mee te willen lopen met de agent, met beide handen door die agent bij de keel is gegrepen, hem de keel is afgeknepen en de demonstrant met de handen nog op de keel omhoog is getrokken en het publiek in is geduwd?3 Wat is uw reactie op deze signalen? In hoeverre past het optreden van de politie tijdens deze demonstratie volgens u binnen de wettelijke kaders van het demonstratierecht en mensenrechtenverdragen?
In welke situaties exact is het bovengenoemde handelen van de politie proportioneel en geoorloofd? Wanneer mag een agent een demonstrant bij de keel grijpen en zijn keel afknijpen?
Bent u ervan op de hoogte dat de Nederlandse Vereniging voor Journalisten het optreden van de politie jegens journalisten tijdens de genoemde demonstratie heeft veroordeeld wegens het onmogelijk maken van journalisitiek werk?4 Wat vindt u ervan dat de politie volgens aanwezige journalisten het journalistieke werk onmogelijk heeft gemaakt?
Ja, ik ben hiermee bekend. Allereerst wil ik benadrukken dat journalistieke vrijheid een groot goed is. Vanuit het kabinet wordt er met volle toewijding ingezet op de bescherming van journalistieke vrijheid, ook gedurende demonstraties. Daarnaast maakt de politie gebruik van interne aanwijzingen om de vrijheden en rechten van journalisten te borgen.
Journalisten kunnen onder meer een (politie)perskaart aanvragen, die hen extra rechten en vrijheden toekent, zoals bijvoorbeeld het verkrijgen van toegang tot een door de politie afgezet gebied. Op de dag van de demonstratie kunnen journalisten hun aanwezigheid bij de politie kenbaar maken, zodat de politie een inschatting kan maken van het risico en de journalisten kan adviseren over hoe zij hun werk zo veilig als mogelijk kunnen uitvoeren. Daarbij kan de politie ten allen tijde aanwezige journalisten aanwijzingen geven, zodat de politie haar werkzaamheden veilig kan blijven uitvoeren. Aanwezige journalisten dienen deze aanwijzingen op te volgen.
Bent u bekend met het rapport «State repression of environmental protest and civil disobedience: a major threat to human rights and democracy» van Michel Forst, speciaal rapporteur van de Verenige Naties (VN), dat op 28 februari jl. gepubliceerd is5?
Ja.
Hoe reflecteert u op de conclusie van dit rapport dat de repressie waar vreedzame klimaat- en milieuactivisten op dit moment mee te maken hebben in Europa, inclusief in Nederland, een grote bedreiging vormt voor de democratie en mensenrechten?
In het genoemde rapport worden diverse casussen van klimaat- en milieudemonstraties genoemd in verschillende Europese landen en de uiteenlopende reacties daarop van de autoriteiten. Over de in het rapport genoemde Nederlandse voorbeelden over het gebruik van waterkanonnen en het afnemen van DNA bij veroordeling tot een misdrijf heeft het kabinet vragen van de Special Rapporteur inzake milieumensenrechtenverdedigers bij het Verdrag van Aarhus beantwoord.7
In de Nederlandse democratische rechtsstaat is het demonstratierecht een groot goed, mijn ambtsgenoot de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik pal achter staan. Het demonstratierecht wordt beschermd door de Grondwet en diverse verdragen, en wordt nader gereguleerd in de Wet openbare manifestaties. Het demonstratierecht is echter niet absoluut; onder omstandigheden kan hierop een beperking worden gemaakt. Dit is nader toegelicht in de brief over het demonstratierecht van 19 april jl.8 Het lokale gezag, dat verantwoordelijk is voor het faciliteren van demonstraties en de handhaving van de openbare orde, gaat zorgvuldig om met het beperken of in het uiterste geval verbieden van een demonstratie. Uiteindelijk is het aan de rechter om te oordelen of een eventuele beperking of een verbod in een concrete casus terecht was. Dit wettelijke kader is conform mensenrechtenverdragen die voor Nederland juridisch bindend zijn. Het wettelijk kader voor het opleggen van beperkingen aan demonstraties is bedoeld om ervoor te zorgen dat beslissingen over eventuele beperkingen zorgvuldig en in overeenstemming met mensenrechtenverdragen worden genomen, juist om te voorkomen dat demonstranten worden gecriminaliseerd. Bij het faciliteren van demonstraties en de handhaving van de openbare orde doet het doel waarvoor gedemonstreerd wordt er niet toe; het lokale gezag mag de inhoud van een demonstratie niet meewegen in de beoordeling van de noodzaak tot handhaving van wanordelijkheden. Voor alle demonstranten gelden dezelfde regels, ongeacht de boodschap die tijdens een demonstratie wordt uitgedragen.
Bent u het eens met de constatering van de speciaal rapporteur dat de ecologische noodsituatie waarmee we collectief worden geconfronteerd niet kan worden aangepakt als degenen die vreedzaam alarm slaan en actie eisen, daarvoor worden gecriminaliseerd? Zo nee, waar baseert u dit op?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u bevestigen dat de overheid de plicht heeft om het recht op elke vorm van vreedzaam demonstreren, inclusief burgerlijke ongehoorzaamheid, te respecteren én te beschermen, ongeacht de eventuele tijdelijke overlast of het ongemak die deze demonstraties kunnen veroorzaken? Zo nee, hoe ziet u dit dan?
Het recht op demonstreren en de vrijheid van meningsuiting zijn in Nederland een groot goed. Het is van wezenlijk belang dat de overheid deze rechten beschermt en respecteert. In de brief die op 19 april jl.9 aan de Kamer is gezonden is de reikwijdte van het demonstratierecht uitgebreid uiteengezet en staat het uitgangspunt dat de overheid zich altijd inspant om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren. De burgemeester kan evenwel op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) voorschriften en beperkingen stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De politie heeft een belangrijke rol bij het in goede banen leiden van demonstraties onder het gezag van de burgemeester. Indien de politie optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde gebeurt dit onder het gezag van de officier van justitie. Bij de besluiten van het lokale gezag en het optreden van de politie dat hieronder plaatsvindt, mag de inhoud van de demonstratie geen rol spelen.
In de brief van 19 april jl. is door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mij geconstateerd dat net als in veel landen om ons heen we ook in Nederland zien dat demonstranten de grenzen van het recht opzoeken of die grens zelfs bewust overschrijden, met als doel maximale publieke aandacht te generen en/of besluitvorming af te dwingen. Naar aanleiding van zorgen in de Kamer over het handelingsperspectief bij ontwrichtende demonstraties is in deze brief een onderzoek daarnaar aangekondigd. Bij dit onderzoek wordt bekeken hoe andere landen met dergelijke demonstraties omgaan en staat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) centraal.
Kunt u bevestigen dat internationale en Europese verdragen de overheid verplichten de uitoefening van fundamentele rechten tijdens dergelijke acties maximaal te faciliteren en te beschermen, in plaats van deze te beperken of te onderdrukken? Hoe rijmt u dit met het politie-optreden tegen klimaatdemonstranten van de afgelopen jaren?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat vreedzame klimaatbewegingen op geen enkele wijze neergezet kunnen worden als een criminele organisaties? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om een oordeel te vellen over of sprake is van het strafbare feit deelname aan een criminele organisatie. Het OM heeft een eigenstandige bevoegdheid om te beslissen in welke zaken vervolging wordt ingesteld. In zaken die voor de rechter komen is het aan de rechter om te bepalen of iemand wordt veroordeeld, en zo ja tot welke straf. Zie hierover ook de brief over het demonstratierecht van 19 april jl.10
Hoe verenigt u het optreden van politie en justitie tegen klimaatdemonstranten met Artikel 3, lid 8, van het Verdrag van Aarhus, welke een een juridisch bindende verplichting oplegt aan landen die partij zijn bij het Verdrag om ervoor te zorgen dat personen die hun rechten uit hoofde van het Verdrag uitoefenen, niet worden gestraft, vervolgd of lastig gevallen?
De bescherming van het uitoefenen van rechten uit hoofde van het Verdrag van Aarhus betekent niet dat demonstranten zich bij het uitoefenen van hun demonstratierecht niet aan de wet hoeven te houden, of dat politie en justitie niet mogen handhaven. Politie en justitie zijn verantwoordelijk voor de mogelijke strafrechtelijke handhaving bij demonstraties. Als door een of meer actievoerders tijdens een demonstratie strafbare feiten worden begaan, brengt dat op zichzelf niet mee dat de demonstratie niet (langer) valt onder de reikwijdte van het demonstratierecht.11 Er kan dan mogelijk wel strafrechtelijk worden opgetreden tegen de individuen die strafbare feiten begaan.
Voorwaarde voor een beperking van het demonstratierecht is dat een interventie van de overheid in een democratische samenleving noodzakelijk en proportioneel is. Deze eis is neergelegd in artikel 11 EVRM. Gegeven de bescherming die het demonstratierecht biedt, hangen de mogelijkheden van strafrechtelijk optreden tegen individuele demonstranten onder andere af van de ernst van het strafbare feit. Daarbij is irrelevant waarvoor een demonstrant demonstreert; de inhoud van een demonstratie speelt geen rol bij de handhaving. Het OM gaat zeer zorgvuldig om met de afweging of personen worden vervolgd voor strafbare feiten tijdens demonstraties en hanteert daarbij mensenrechtenverdragen als kader. Daarbij is een belangrijk gegeven dat het strafrechtelijke optreden, waaronder ook de bestraffing, niet zo ingrijpend mag zijn dat mensen hierdoor worden afgeschrikt of ontmoedigd om gebruik te maken van hun demonstratierecht (het zogenaamde chilling effect). Door het hanteren van dit criterium bij strafrechtelijk optreden wordt voldaan aan het vereiste van artikel 3, lid 8, van het Verdrag van Aarhus dat personen die hun rechten uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van dat verdrag niet worden gestraft, vervolgd of op enige wijze gehinderd wegens hun betrokkenheid.
Ben u het met de speciaal rapporteur van de VN eens dat door klimaat- en milieuactivisten zowel in de politiek als in verschillende media continu in een kwaad daglicht te stellen, een giftig debat kan ontstaan dat het functioneren van de democratie kan schaden en kan aanzetten tot steeds verdergaande repressie van vreedzame demonstranten? Zo nee, op welk onderzoek berust uw mening hierover?
Politici en media dienen zich binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting vrij uit te kunnen spreken. Uitspraken in de politiek of media spelen bovendien geen rol in beslissingen van autoriteiten bij de handhaving van demonstraties. Voor zover het in een kwaad daglicht stellen van klimaat- en milieuactivisten hen afschrikt of ontmoedigt om gebruik te maken van hun demonstratierecht, herken ik het gebruik van het discours waar de Speciaal Rapporteur inzake milieumensenrechtenverdedigers bij het Verdrag van Aarhus naar verwijst niet in de Nederlandse context.
Realiseert u zich dat u ook bijdraagt aan steeds verdere polarisatie door het te hebben over «illegale acties», «misbruik van het demonstratierecht» en een «verdienmodel»? Zo ja, waarom gebruikt u deze termen dan toch? Zo nee, kunt u toezeggen te stoppen met het gebruiken van deze termen in het debat over klimaatdemonstranten?
De genoemde bewoordingen zijn geuit tegen een achtergrond van een toename van demonstraties waarbij doelbewust en met regelmaat de regels worden overtreden en de belangen van anderen worden aangetast. Als we hiervoor weg kijken, lopen we het risico dat het draagvlak voor het demonstratierecht onder druk komt te staan. Dat heeft ook negatieve gevolgen voor anderen die van het recht om te demonstreren gebruikmaken. Eventuele beperkingen die aan demonstraties worden opgelegd dienen wel in overeenstemming te zijn met artikel 11 EVRM en artikel 9 Grondwet. Samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heb ik dan ook een onafhankelijk onderzoek aangekondigd naar demonstraties waarbij demonstranten de grenzen van het recht opzoeken of zelfs overschrijden, met als doel maximale publieke aandacht te generen en/of besluitvorming af te dwingen. Het onderzoek doelt de mogelijkheden te onderzoeken voor een versteviging van het handelingsperspectief van alle betrokkenen en voor de bestendigheid van het wettelijke kader.
Kunt u aangeven hoe vaak de volgende overtredingen zijn geconstateerd gedurende de afgelopen 24 maanden bij resp. de blokkades van de A12 door Extincion Rebellion en de boerenprotesten; gebruik van geweld tegen politie of omstanders, brandstichting, verbranden van giftige materialen zoals asbest, storten van vuil of puin, intimidatie van bestuurders en afsteken van vuurwerk? Wilt u elk van deze onderwerpen afzonderlijk beantwoorden, zowel voor de snelwegblokkades van Extinction Rebellion als voor de boerenprotesten?
Bij de politie en het OM wordt geregistreerd op delict, zoals brandstichting, mishandeling, vernieling, bedreiging, etc. De gedragingen waarnaar wordt gevraagd kunnen vanwege verschillende omstandigheden van het geval onder verschillende delictsomschrijvingen worden geregistreerd. Daarnaast omvat een registratie van bijvoorbeeld brandstichting meer feiten dan enkel gedragingen die tijdens een demonstratie of protest hebben plaatsgevonden. De door u gevraagde cijfers kunnen dan ook niet worden aangeleverd.
Deelt u de mening dat er een wezenlijk verschil is tussen de vreedzame en geweldloze demonstraties van Extinction Rebellion en de boerenprotesten in Nederland en Brussel waarbij puin op de wegen werd gestort, bestuurders werden geïntimideerd, hooibalen in brand werden gestoken, illegaal vuurwerk werd afgestoken en zelfs asbest werd verbrand? Zo nee, waarom niet?
Er zijn verschillen tussen protestacties aan te wijzen die van belang kunnen zijn voor de werking van het demonstratierecht. Dit is ter beoordeling aan het lokaal gezag en in voorkomend geval uiteindelijk aan de rechter. In de brief die op 19 april jl. is gestuurd12 over het demonstratierecht is uiteengezet dat bij verdenking van lichtere strafbare feiten bij demonstraties het OM – en indien tot vervolging wordt overgegaan de rechter – zich zal afvragen of de inzet van het strafrecht gerechtvaardigd is. Voor het plegen van misdrijven, zoals vernieling, bedreiging, (groeps)belediging, discriminatie of brandstichting, vindt in beginsel strafvervolging plaats.
Waarom kiest u ervoor om in uw beantwoording van mondelinge vragen protesten en in het nieuwsbericht, dat u op 7 februari jl naar buiten bracht naar naar aanleiding van een overleg tussen u, de politie en het Openbaar Ministerie (OM) over boerenprotesten, blokkades door Extinction Rebellion en andere protesten6, twee groepen demonstranten, die qua opzet en aard totaal van elkaar verschillen, op één hoop te gooien?
In het bedoelde bericht is in het algemeen opgemerkt dat sprake is geweest van illegale acties, zoals het demonstreren op door de burgemeester verboden plekken, en misdrijven, zoals het stichten van brand en het lozen van asbest. De beoordeling, handhaving en in voorkomende gevallen aanhouding en vervolging bij dergelijke acties is aan het lokaal gezag, het openbaar ministerie en in voorkomend geval uiteindelijk aan de rechter. Zoals in de brief over het demonstratierecht van 19 april jl.14 uiteen is gezet, onderschrijf ik het belang van het demonstratierecht en de reikwijdte van dit recht zoals geformuleerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Wat betreft EHRM-jurisprudentie geldt dat door het Hof inderdaad is geoordeeld dat vreedzame, tijdelijke verkeersblokkades onder het demonstratierecht vallen. Hierbij heeft het Hof echter tevens geoordeeld dat het stellen van beperkingen aan deze demonstratie gerechtvaardigd kan zijn. Het is aan het lokale gezag om te beoordelen of het stellen van beperkingen of in het uiterste geval het opleggen van een verbod noodzakelijk is op grond van de Wet openbare manifestaties.15
Kunt u bevestigen dat in algemene zin een demonstratie alleen door het demonstratierecht beschermd wordt indien de demonstratie vreedzaam is? Geldt in algemene zin ook dat bij een gewelddadig protest geen sprake is van een door het demonstratierecht beschermde demonstratie, maar van een misdrijf tegen de openbare orde zoals bedoeld in Artikel 141 Wetboek van Strafrecht?
Het klopt dat enkel een vreedzame demonstratie valt binnen de reikwijdte van het demonstratierecht en beschermd wordt door dit recht. De reikwijdte van het demonstratierecht is wel breed, zoals toegelicht is in de brief over het demonstratierecht van 19 april jl. Van een niet-vreedzame demonstratie is pas sprake indien organisatoren en deelnemers van de demonstratie gewelddadige intenties hebben, oproepen tot geweld of anderszins de grondslagen van een democratische samenleving verwerpen. Of daadwerkelijk vervolgd wordt voor artikel 141 Wetboek van Strafrecht bij een gewelddadig protest is aan het OM. Indien wordt overgegaan tot vervolging, bepaalt een rechter of een veroordeling volgt.
Het hiervoor genoemde nieuwsbericht over boerenprotesten, demonstraties van XR en «protesten waarbij verwerpelijke leuzen worden gescandeerd» opent met de zin «De maat is vol: dit is geen demonstreren, dit zijn geen protesten, dit zijn illegale acties of zelfs het plegen van misdrijven», welke grondslag gebruikt u of uw ministerie om hier te beoordelen of hier (i) sprake is van demonstreren of protesteren, (ii) sprake is van illegale acties en (iii) sprake is van het plegen van misdrijven? Graag elk onderdeel individueel beantwoorden.
Zie antwoord vraag 17.
Hoe rijmt u uw opmerking in dit nieuwsbericht, welke ook betrekking heeft op demonstraties van XR, met het feit dat het Europees Hof van de Rechten van de Mens vreedzame, tijdelijke verkeersblokkades heeft aangemerkt als een vorm van demonstreren, waarbij voor de overheid de plicht voorop staat om uitoefening van het demonstratierecht mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 17.
Hoe gaat u de vijf oproepen tot actie uit het rapport van de speciaal rapporteur omzetten in beleid?
Het kabinet werkt aan het halen van de doelen van de Overeenkomst van Parijs met beleid, plannen en programma’s en regelgeving. Daarbij vormen de beginselen van het Verdrag van Aarhus een basisvoorwaarde voor betrokkenheid van het publiek. Op het gebied van handhaving van de openbare orde en het voorkomen en bestrijden van wanordelijkheden tijdens demonstraties geldt dat u hierover een brief heeft ontvangen op 19 april jl.16 Daarnaast is op 17 april in een antwoordbrief aan de Speciaal Rapporteur inzake milieumensenrechtenverdedigers bij het Verdrag van Aarhus specifiek ingegaan op de Nederlandse verplichtingen ten aanzien van het demonstratierecht in het licht het Verdrag van Aarhus (zie antwoord op vraag 7 en 8). Verder wordt door de Rijksuniversiteit van Groningen een landelijke website ontwikkeld waarop iedereen gratis informatie over het demonstratierecht kan inwinnen en een online adviestool kan raadplegen. Op deze manier kunnen zowel overheidsinstanties als demonstranten en andere betrokken partijen online demonstratierechtelijke vragen beantwoord krijgen.
Ik zie geen aanleiding om andere stappen te zetten op dit onderwerp.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de verantwoordelijke partijen (OM, burgemeesters, politie, etc.) per direct in lijn met internationale mensenrechtenverdragen gaan acteren?
De suggestie dat er momenteel in strijd wordt gehandeld met mensenrechtenverdragen herken ik niet. Het is mogelijk dat in de praktijk incidenteel sprake is van een onjuiste afweging, maar dat kan altijd aan de rechter worden voorgelegd, die daar dan een oordeel over zal vellen. Het is niet aan mij als Minister om daar in te treden.
Het steeds verder naar voren schuiven van de Nederlandse Earth Overshoot Day |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het feit dat de Nederlandse Earth Overshoot Day, de dag waarop we de natuurlijke grondstoffencapaciteit van de Aarde overschrijden, dit jaar al op 1 april plaats heeft gevonden?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja, ik ben mij ervan bewust dat de datum van Earth Overshoot Day steeds verder naar voren schuift. Dit illustreert dat de voetafdruk van ons Nederlands leefpatroon te hoog is voor een duurzaam behoud van de biodiversiteit en een goede leefomgeving en voor de draagkracht van onze planeet. De methodiek van Earth Overshoot Day gaat uit van een combinatie van de hoeveelheid ruimte die nodig is voor de productie van biogrondstoffen (voedsel, vezels, hout), hoeveel van zulke ruimte wij uit productie nemen voor bijvoorbeeld de aanleg van infrastructuur, en het ruimtegebruik voor de vastlegging in bos van de CO2-voetafdruk van een land. Hierbij wordt gekeken naar de impact van binnenlandse productie/gebruik plus import minus export. De binnenlandse CO2-emissies zijn gedaald, net als de CO2-emissies van onze consumptievoetafdruk tot 2020, het laatst bekende jaar7. De CO2-voetafdruk van de toeleveringsketen van de Nederlandse productie is echter tot 2020 gestegen (latere cijfers zijn niet bekend). Dit wordt mogelijk verklaard door een groei van de import, en de emissie-intensiteit van die import, voor producten die daarna weer worden geëxporteerd. Een verklaring voor de groei van het ruimtegebruik voor biogrondstoffen zou kunnen zijn dat wij relatief meer van zulke grondstoffen zijn gaan importeren, en biogrondstoffen die relatief meer ruimte gebruiken.
Bent u zich er bewust van dat deze datum steeds verder naar voren schuift – van 3 mei in 20202, 27 april in 20213, 12 april in 20224 en 20235, tot 1 april dit jaar – en dat de Nederlandse Overshoot Day de afgelopen vijf jaar dus al met meer dan een maand is vervroegd? Wat is uw reactie hierop?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u zich er bewust van dat Nederland het vergeleken met andere landen steeds slechter doet in de ranglijst van landelijke Overshoot Days, aangezien de World Overshoot Day na decennia verslechtering sinds 2010 blijft hangen rond begin augustus6 – wat ook bij lange na nog niet genoeg is –, terwijl deze dag in Nederland steeds eerder valt? Wat is uw verklaring voor dat Nederland het steeds slechter doet in vergelijking met andere landen?
Zie antwoord vraag 1.
Welke maatregelen worden er nu door u ondernomen om de Nederlandse voetafdruk te verminderen, zodat ook Nederland kan bijdragen aan het verkleinen van de mondiale ecologische voetafdruk?
Onze samenleving staat voor de opgave om die voetafdruk substantieel terug te dringen. Mede in het licht van het feit dat biodiversiteit en klimaat wereldwijd onder druk staan zet het kabinet zich daarvoor in. In 2019 is door het kabinet het streefdoel gesteld om de Nederlandse ecologische voetafdruk in 2050 te halveren8. In het Nationale Biodiversiteit Strategie en Actie Plan (NBSAP) van Nederland, dat later dit jaar met uw Kamer gedeeld zal worden, zullen de maatregelen die genomen worden om de Nederlandse voetafdruk te verminderen genoemd worden.
Erkent u dat meer vergaande maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de druk op de natuur en het klimaat verder toeneemt? Zo ja, hoe ziet u erop toe dat er een integrale oplossing komt, waarbij niet alleen uitstoot van CO2, maar ook landgebruik, biodiversiteit, andersoortige vervuiling, et cetera, wordt meegenomen? Zo nee, waarom niet?
Ik erken dat vergaande maatregelen nodig zijn om de druk op de natuur en het klimaat te verkleinen. Het kabinet zet in op onderlinge coherentie van beleid om de impact te vergroten en om stapeling van regelgeving voor bedrijven zoveel mogelijk te beperken. Dit is bijvoorbeeld beschreven in het Actieplan Beleidscoherentie voor ontwikkeling (Kamerstuk 36 180, nr. 29). De coherentie komt ook aan de orde in het eerdergenoemde NBSAP. In het Klimaatplan zal eveneens worden ingegaan op de samenhang tussen transities.
Bent u bereid om actief beleid te voeren op het stimuleren van consuminderen zodat de druk op natuur en klimaat vermindert?
Het kabinet voert reeds actief beleid om consumentengedrag te beïnvloeden om eraan bij te dragen dat de druk op natuur en klimaat vermindert. Zo heeft het kabinet voedselbeleid waarin ambities zijn opgenomen die bijdragen aan het verminderen van onze voetafdruk. Ten eerste om in 2030 de voedselverspilling bij de consument en de keten gehalveerd te hebben ten opzichte van 2015 en dat de voedselverliezen in de keten verminderd zijn. Ten tweede dat in 2030 het gemiddelde eetpatroon in Nederland gezond en duurzaam is en meer Nederlanders eten volgens de Schijf van Vijf. Daarbinnen verschuift de verhouding tussen dierlijke en plantaardige eiwitten naar minimaal 50% plantaardige eiwitconsumptie in 2030. Tot slot dat ieder jaar het marktaandeel van duurzaam geproduceerd voedsel toeneemt (op dit moment herkenbaar aan een duurzaamheidskeurmerk – waaronder biologisch) en dat daarbinnen het aandeel dat in Nederland is geproduceerd vergroot. Binnen het CE-beleid wordt ingezet op het stimuleren en faciliteren van het gewenste circulaire gedrag van burgers zoals beschreven in de gedragsstrategie Burgers en circulaire economie (Kamerstuk 2024D04268). Hiermee richt het kabinet zich op het motiveren van consumenten tot duurzamere keuzes, onder andere door deze keuzes makkelijk, logisch en eerlijk te maken. Ook is in de brief Contouren Klimaatplan 2024 (Kamerstuk 32 813, nr. 1311) aangekondigd dat in het Klimaatplan de contouren voor een brede leefstijlaanpak zullen worden geschetst vanuit de optiek dat verandering van onze leefstijl significant kan bijdragen aan de druk op het klimaat.
Het toepassen van de Wet aanpak dierenmishandeling |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing per 1 januari 2024 de rechtspraak extra instrumenten heeft, waaronder het opleggen van een zelfstandig (levenslang) houdverbod?
Ja, dit klopt.
Kunt u bevestigen dat sinds de inwerkingtreding van deze wet de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) nieuwe instrumenten heeft, waaronder de bevoegdheid om een bedrijf te sluiten vanwege dierenwelzijn?
Ja.
Kunt u bevestigen dat sinds de inwerkingtreding van deze wet de officier van de justitie (OvJ) een gedragsaanwijzing kan opleggen waardoor een verdachte tot aan de zitting geen of minder dieren mag houden?
Ja, dit kan ik bevestigen.
Kunt u bevestigen dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) sinds de inwerkingtreding van deze wet extra instrumenten heeft, waaronder het opleggen van een educatieve maatregel en het geheel of gedeeltelijk sluiten van bedrijven, inrichtingen en locaties waar dierenwelzijn wordt geschaad?
Ja, waarbij de wijziging van de Wet dieren die het mogelijk maakt om een educatieve maatregel op te leggen op 1 juli 2024 in werking is getreden. Echter, kan deze maatregel nog niet opgelegd worden. Om de maatregel toe te kunnen passen, moeten er goede cursusmogelijkheden zijn om op te leggen aan de overtreder. In de praktijk blijken die er nog onvoldoende te zijn. Dit wordt momenteel nader uitgewerkt door het Ministerie van LVVN, RVO en de NVWA. Pas wanneer deze uitvoeringsaspecten duidelijk zijn, kan RVO hier uitvoering aan geven. Mijn ambtsgenoot de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zal dit ook op termijn middels een Kamerbrief aan u mededelen.
Kunt u aangeven hoe vaak er een zelfstandig houdverbod is opgelegd sinds de inwerkingtreding van de wet?
In de periode 1 januari t/m 15 april 2024 is in de eerste aanleg in minder dan 10 zaken een zelfstandig houdverbod opgelegd.
Kunt u aangeven hoe vaak er een levenslang houdverbod is opgelegd?
In de periode 1 januari t/m 15 april 2024 is in de eerste aanleg in minder dan 5 zaken een levenslang houdverbod opgelegd. Het betreft houdverbod als zelfstandige maatregel, er is voor zover te zien in de management informatiesystemen van de Rechtspraak geen levenslang houdverbod opgelegd als extra maatregel bij een voorwaardelijke straf.
Kunt u aangeven hoe vaak de NVWA een bedrijf heeft stilgelegd of gesloten vanwege dierenwelzijn?
Sinds de inwerkingtreding van deze wet heeft de NVWA twee bedrijven stilgelegd of gesloten. Dit na een voorgeschiedenis van een groot aantal overtredingen waarbij eerder de toegepaste interventies niet bleken te hebben geleid tot naleving.
De Inspecteur-Generaal van de NVWA geeft aan dat het stilleggen of sluiten van bedrijven een welkome aanvulling is op het instrumentarium dat de NVWA beschikbaar heeft bij ernstige inbreuken op het dierenwelzijn. Afhankelijk van de aard en ernst van de constateringen zal de NVWA, naast het stilleggen of sluiten van bedrijven, ook de eerder reeds beschikbare sancties en maatregelen blijven inzetten om slagvaardig op te treden bij overtredingen van het dierenwelzijn.
Kunt u aangeven hoe vaak de OvJ een gedragsaanwijzing heeft opgelegd waardoor een verdachte geen of minder dieren mag houden?
Uit de registratie van het OM is niet op te maken hoe vaak door een OvJ een houdverbod is opgelegd. Daarbij verdient opmerking dat de wet sinds 1 januari 2024 inwerking is getreden en alleen geldig is voor gevallen die na deze datum zijn gepleegd. Door de korte periode tussen inwerkingtreding en uw vragen is het effect en gebruik van deze maatregel nog niet goed meetbaar.
Kunt u aangeven hoe vaak de RVO een educatieve maatregel heeft opgelegd?
De RVO heeft de educatieve maatregel nog niet opgelegd. Ik verwijs u voor de verdere uitleg hierover naar het antwoord op vraag vier.
Kunt u aangeven hoe vaak de RvO een bedrijf, inrichting en/of locatie heeft stilgelegd of gesloten vanwege dierenwelzijn?
De RVO heeft deze maatregel nog niet opgelegd.
Hoe heeft u ervoor gezorgd dat deze instanties voldoende op de hoogte zijn van de extra bevoegdheden en instrumenten sinds de inwerkingtreding van de wet?
Er hebben op ambtelijk niveau meerdere overleggen plaatsgevonden met de RVO en NVWA in aanloop naar inwerkingtreding van de wet, waarin de uitvoeringsaspecten van deze extra bevoegdheden en instrumenten zijn besproken.
Heeft het aangekondigde gesprek met het Openbaar Ministerie (OM) en de rechtspraak over hoe de kennis over dierenwelzijnszaken kan worden geborgd, inmiddels plaatsgevonden? Zo ja, kunt u een terugkoppeling geven van dit gesprek? Zo nee, wanneer gaat dit gesprek plaatsvinden?
Er hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden welke hebben geresulteerd in een nieuwe, aangescherpte, richtlijn voor strafvordering. Deze richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling, dierendoding, dierenverwaarlozing, bijtincidenten en overtreding houdverbod dieren (2023R010) is per 1 januari 2024 in werking getreden.
In deze strafvorderingsrichtlijn zijn hogere strafeisen en de mogelijkheid tot het opleggen van een zelfstandig houdverbod opgenomen. Mijn ambtsgenoot de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zal dit ook op termijn middels een Kamerbrief aan u mededelen.
Kunt u bevestigen dat de NVWA onlangs een inspectie heeft gedaan bij een varkenshouderij in Twente, waarbij varkens met botbreuken en grote aantallen dode varkens zijn aangetroffen? Kunt u bevestigen dat de dieren nauwelijks licht hadden en de waterleiding was afgesloten?1
De NVWA heeft onlangs deelgenomen aan een inspectie bij een varkensbedrijf in Twente, in samenwerking met politie en de Arbeidsinspectie. De NVWA doet geen uitspraken over haar inspectiebevindingen bij individuele bedrijven. Wel kan ik u melden dat de NVWA het in uw vraag geschetste beeld over dit bedrijf niet herkent.
Kunt u bevestigen dat er naar aanleiding van deze inspectie een proces-verbaal is geschreven?
Zie mijn antwoord op vraag 13.
Kunt u verklaren waarom de NVWA er in dit geval, waarbij ernstige dierenmishandeling en dierverwaarlozing is aangetroffen, niet voor heeft gekozen om gebruik te maken van hun nieuwe bevoegdheid en het bedrijf stil te leggen of te sluiten vanwege gebrekkig dierenwelzijn en de dieren in beslag te nemen?
Zie mijn antwoord op vraag 13.
Bent u bereid om (opnieuw) in gesprek te gaan met de NVWA, de RVO, het OM en rechtspraak over de extra bevoegdheden en instrumenten die zij hebben om op te treden bij dierenmishandeling en dierverwaarlozing? Zo nee, waarom niet?
De Minister en Staatssecretaris van LVVN en ik houden vinger aan de pols en hebben regelmatig overleg met de NVWA, de RVO, het OM en rechtspraak om te bekijken of nieuwe instrumenten of bevoegdheden nodig zijn om op te treden bij dierenmishandeling en dierverwaarlozing. De Minister en Staatssecretaris van LVVN informeren de Kamer als er nieuwe ontwikkelingen zijn.
Bent u bereid om in dit gesprek aan te kaarten om de extra bevoegdheden en instrumenten een (belangrijker) onderdeel te maken van de relevante opleidingen, zoals de opleiding tot OvJ? Zo nee, waarom niet?
Binnen het Openbaar Ministerie zijn er specifieke opleidingen en cursussen voor medewerkers van het OM. Specifiek voor milieucriminaliteit, waar dierenmishandeling onderdeel van is, is er bijvoorbeeld de cursus «Wet Dieren» en is er een specifieke cursus m.bt. dierwelzijnszaken met gezelschapsdieren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Er is zo zorgvuldig mogelijk getracht uw vragen te beantwoorden, echter heeft dit door de afstemming met diverse partijen helaas langer geduurd dan wij graag hadden gewild.
Exportkredietverzekeringen voor de baggersector |
|
Christine Teunissen (PvdD), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Gerrit van Leeuwen |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het op 25 maart 2024 gepubliceerde rapport «Dredging destruction» van Both Ends1?
Ja.
Uw ministeries en Atradius DSB schrijven in reactie op het rapport zich niet te herkennen in de conclusie van het rapport, herkent u zich wel in de feiten? Erkent u dat er in Brazilië, Egypte, de Filipijnen, de Malediven, Mozambique en Indonesië vissers en boeren hun bestaan hebben verloren en het milieu is aangetast door de via de overheid verzekerde baggerprojecten van Boskalis en Van Oord? Zo nee, waarom niet?
Grootschalige infrastructuur- en baggerprojecten kunnen negatieve effecten voor mens, dier en milieu opleveren. De Nederlandse staat verzekert geen transacties met onaanvaardbare gevolgen voor mens, dier en milieu. Negatieve neveneffecten moeten worden voorkomen, beperkt of gecompenseerd. Het kabinet verwacht ook van Nederlandse bedrijven dat zij deze werkwijze zoals beschreven in de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen toepassen. Aanvragers van een exportkredietverzekering (ekv) tekenen daarom een inspanningsverklaring. Afgifte van een ekv bij hoog risico projecten is daarnaast alleen mogelijk nadat een uitgebreide milieu- en sociale beoordeling heeft plaatsgevonden en de projecten voldoen aan internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo).2 Sinds 1 januari 2022 monitort Atradius Dutch State Business (ADSB) de hoogste risico projecten gedurende de looptijd van de polis. Vaak wordt dan een onafhankelijke consultant ingezet en wordt samengewerkt binnen een consortium van banken, internationale instellingen en buitenlandse exportkredietverzekeraars.
Als er in projecten milieu wordt aangetast of het levensonderhoud van belanghebbenden wordt getroffen, dan moet volgens de internationale standaarden eerst onderzocht worden of dit in voldoende mate voorkomen kan worden, gemitigeerd kan worden en in het uiterste geval worden gecompenseerd. Compensatie dient zo te worden uitgevoerd dat het levensonderhoud van de belanghebbenden hetzelfde of beter wordt dan de situatie voor de start van een project. Dit kan door middel van bijvoorbeeld alternatieve werkgelegenheid, vervangende woonruimte en/of financiële compensatie. Compensatie voor milieuschade kan bijvoorbeeld worden bereikt door de aanleg van nieuwe natuur.
Uit de milieu- en sociale beoordelingen door ADSB blijkt dat de projecteigenaren van de in het rapport besproken projecten deze vereisten onder de internationale maatstaven goed hebben toegepast. Om die reden herkent het kabinet zich niet in het geschetste beeld van het rapport. Het kabinet benadrukt dat ook in de wereld van grootschalige baggerprojecten en het verzekeren daarvan de ontwikkeling van kennis en techniek niet stilstaat. Zo kunnen steeds vaker oude technieken op het terrein van baggeren worden vervangen met een zogenoemde «buillding with nature» aanpak en ook op dit terrein beweegt de wereld van de exportkredietverzekering mee om dit soort nieuwe meer duurzame technologieën te kunnen verzekeren.
Is Atradius DSB begonnen met de herbeoordeling van de exportkredietverzekering voor het Mozambique LNG project? Hoe kijkt u naar de huidige veiligheidssituatie van het Mozambique LNG project? Wat is de stand van zaken rondom de veiligheidssituatie en de analyse van Atradius DSB?
Ja, ADSB en de Staat zijn momenteel bezig met de herbeoordeling van de ekv voor dit project. Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 15 december jl.3 heeft Nederland het recht voorbehouden om het project opnieuw te beoordelen op financiële, milieu- en sociale en veiligheidsrisico’s. Dit betekent dat het project getoetst wordt aan nationale en internationale standaarden, waaronder de IFC Performance Standards en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights. Daarnaast worden de aanbevelingen uit het Proximities rapport inzake de veiligheid integraal meegenomen bij de herbeoordeling.
In de Kamerbrief van 15 december jl. is eveneens aangegeven dat het kabinet uw Kamer na de afronding van het herbeoordelingsproces, binnen de geldende juridische en commerciële randvoorwaarden, zo goed mogelijk informeert over de uitkomsten hiervan en de beslissing van het kabinet hierop. Daarbij zal ook worden ingegaan op de beoordeling van de veiligheidssituatie voor zover daarover in het openbaar kan worden gecommuniceerd.
Hoe staat het met de implementatie van de aanbevelingen van het door onderzoeksbureau Proximities Risk Consultancy opgeleverde rapport, waarover u op 19 juni 2023 de Kamer heeft geïnformeerd?2
Het kabinet heeft de aanbevelingen conform de beleidsreactie van 21 februari 2023 geïntegreerd in het beleid en de uitvoering van de ekv.5 De interne procedures zijn aangepast en er is een werkinstructie opgesteld voor de beoordeling van de veiligheidssituatie. De specifieke aanbevelingen uit het Proximities rapport voor het project in Mozambique maken integraal onderdeel uit van het herbeoordelingsproces voor dit project. Uw Kamer zal hierover na afronding van dit herbeoordelingsproces nader worden geïnformeerd.
Is er een concreet en effectief plan om te zorgen dat de vissers en boeren rondom het Mozambique LNG project weer kunnen vissen en oogsten?
Om in aanmerking te komen voor een ekv dienen negatieve economische effecten conform internationale standaarden voorkomen, gemitigeerd of gecompenseerd te worden. De acties vanuit het project voor deze groepen mensen zijn vastgelegd in het zogenoemde livelihood restoration program dat gepubliceerd is op de projectwebsite.6 Onderdeel van de herbeoordeling van het Mozambique LNG-project is of dat deze aanpak voldoet aan de internationale standaarden voor de ekv.
Hoe beoordeelde Atradius DSB de publieke consultatie van de milieustudie (IEA) in het kader van het Gulhifalhu project op de Malediven nadat deze voor slechts vijf dagen online open stond tijdens de COVID-19 lockdown? Hoe is de input van de slechts zeven respondenten meegewogen?
De milieustudie waar in de vraag naar wordt verwezen is een lokaal document dat was opgesteld op basis van de nationale wet- en regelgeving van de Malediven. Tijdens de due diligence fase voor dit project heeft ADSB bepaald dat voor een ekv sprake dient te zijn van een Environmental and Social Impact Assessment (ESIA) op basis van de internationale mvo-standaarden. Deze ESIA is vervolgens opgesteld en publiek beschikbaar op de projectwebsite.7
Conform de internationale standaarden zijn er meerdere consultatiemomenten geweest met stakeholders, waaronder vissers en duikscholen. Tijdens deze gesprekken hebben stakeholders aangegeven dat zij geen negatieve effecten op hun werkzaamheden verwachten vanuit onderhavig project, maar wel van andere projecten in de omgeving. Dit is ook bevestigd tijdens het laatste monitoringsbezoek van ADSB aan de projectlocatie in juni 2023.
Hoe beoordeelde Atradius DSB de te verwachten onomkeerbare milieuverwoesting in de Malediven en de gevolgen daarvan voor de lokale economie zoals toerisme en vissers?
Het project is door ADSB beoordeeld op het voorkomen, mitigeren of compenseren van nadelige gevolgen voor mens, dier en milieu. Onderdeel van deze beoordeling is een Environmental and Social Impact Assessment (ESIA) conform internationale standaarden. De ESIA is specifiek gericht op het identificeren van milieueffecten en de ontwikkeling van strategieën om deze te mitigeren of compenseren. Deze ESIA is publiek beschikbaar op de projectwebsite.8
Volgens de ESIA zijn er maatregelen gepland om negatieve milieueffecten te minimaliseren. Waar deze effecten niet volledig vermeden kunnen worden, is voorzien in compensatieplannen die overeenkomen met internationale standaarden. Deze plannen zijn beoordeeld en voldoende bevonden door een onafhankelijke consultant en zullen regelmatig worden gemonitord om de uitvoering te waarborgen.
Het project heeft meerdere consultatierondes gehouden met lokale stakeholders, zoals beschreven in het antwoord op vraag 6. ADSB blijft alert op mogelijke tegenstrijdige visies en zorgen die naar voren kunnen komen. Deze zorgen worden vervolgens gedeeld met het project en ADSB neemt dit mee in de monitoring van het project.
Bent u bekend met de ontvoering van activisten Jhed Tamano en Jonila Castro en de klacht bij de VN rapporteur?3 Hoe zijn uw ministeries en Atradius DSB omgegaan met het nieuws van de ontvoering? Is de veiligheid van activisten meegenomen in de afgifte van de exportkredietverzekering?
Op 15 september jl. publiceerde de Filipijnse Commission on Human Rights een publieke verklaring over deze kwestie en het kabinet is bekend met berichten over de ontvoering van deze activisten. De Nederlandse ambassade staat in contact met verschillende partijen in de Filipijnen over de mogelijke toedracht en achtergrond. De Nederlandse ambassade heeft contact opgenomen met de projecteigenaar van het luchthavenproject om het belang van het waarborgen van de veiligheid van actievoerders te benadrukken. Ook heeft de ambassadeur publiekelijk aandacht gevraagd voor de kwestie en de positie van mensenrechten in de Filipijnen in het algemeen op het platform X. De ambassade heeft daarnaast gesproken met de NGO Both ENDS over deze situatie. Tot slot heeft ADSB zich ingezet naar aanleiding van deze kwestie. Zo heeft ADSB de ontvoering geadresseerd bij de projecteigenaar en betrokken financiers en de onafhankelijke consultant.
Bent u bekend met de zeer repressieve wetgeving in de Filippijnen, waar mensenrechtenverdedigers aangemerkt worden als terroristen? Hoe heeft u deze realiteit meegewogen in uw beslissing over het afgeven van een exportkredietverzekering? Welke maatregelen neemt u om te zorgen dat er geen mensenrechtenschendingen plaatsvinden in de context van het project?
De Filipijnen kennen een complexe situatie als het gaat om de positie en bescherming van mensenrechtenverdedigers. Daarom monitort de ambassade de ontwikkelingen op het gebied van mensenrechten nauwgezet, inclusief het zogenoemde red-taggingvan activisten, en ondersteunt het lokale partners om deze situatie te verbeteren. Met gelijkgestemde partners, zoals de EU, zet de ambassade zich actief in om te zorgen dat mensenrechtenverdedigers hun werk kunnen doen. In het kader van de ekv-beoordeling voor het luchthavenproject is een human rights impact assessment uitgevoerd om projectgerelateerde risico’s op mensenrechtenterrein te identificeren en waar nodig maatregelen te nemen.
In welke gevallen kunt u een exportkredietverzekering intrekken? Kunt u toelichten of intrekking mogelijk is als de Nederlandse exporteur en/of de projecteigenaar mensenrechten schendt dan wel milieuschade veroorzaakt, dan wel daar aan bijdraagt, dan wel daarbij betrokken is?
Het kabinet overweegt niet om de exportkredietverzekeringen in te trekken voor deze projecten. Deze projecten zijn (of in het geval van de eventuele herstart van het LNG-project in Mozambique: worden) beoordeeld aan de hand van het vigerende beleidskader voor de ekv, o.a. op milieu- en sociale, financiële en compliance risico’s, en op basis daarvan is er ingestemd met de afgifte van een polis.
Het intrekken van afgegeven polissen is alleen mogelijk indien sprake is van verzuim, aantoonbare nalatigheid of fraude door de verzekerde partij. Schending van de polisvoorwaarden kan in het uiterste geval gevolgen hebben voor het recht op schade-uitkering onder de polis. Deze situatie is voor geen van de genoemde projecten aan de orde.
Overweegt u de exportkredietsteun voor de projecten in Mozambique, de Malediven en de Filipijnen stop te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe leest u dit rapport in het kader van de aangenomen motie van de leden Alkaya en Van Raan over geen exportkredietverzekeringen bij risico's op mensenrechtenschendingen of milieuschade uit 2018?4 Bent u het eens dat de uitvoering van deze motie tekort schiet? Kunt u uw antwoord toelichten?
De motie van de leden Alkaya en van Raan verzoekt de regering «er zorg voor te dragen dat iedere aanvraag voor een exportkredietverzekering waarbij de risico's op schending van mensenrechten of milieuschade te groot zijn, wordt afgekeurd ongeacht het zogenaamde gelijke speelveld en de gevolgen voor de aanvragende bedrijven». Zoals hierboven aangegeven verzekert de Nederlandse staat geen transacties met onaanvaardbare risico’s voor mens, dier en milieu. Zodanige risico’s dienen te worden voorkomen, gemitigeerd of te worden gecompenseerd. Dit conform het Nederlandse milieu en sociale beleid voor de ekv, dat in lijn is met de internationale mvo-standaarden. Het kabinet handelt daarmee conform de motie van de leden Alkaya en Van Raan.
Klopt het dat de zeven in het rapport beschreven projecten waaraan exportkredietsteun is geboden niet zijn meegenomen in de beleidsevaluatie van het mvo-beleid uit 2021?5 Waarom niet?
Bij de onafhankelijke evaluatie van het mvo-beleid voor de ekv-faciliteit uit 2021 is integraal gekeken naar het mvo-beleid dat gold vanaf 2018.12 Hierbij is gekeken naar vijf transacties/casestudies, waaronder ook twee projecten in de baggersector (één transactie van Van Oord in Angola en één transactie van Royal IHC in Argentinië). Bij de selectie van de vijf cases is door de onderzoekers gestreefd een evenwichtige selectie te maken uit verschillende sectoren en risicoclassificaties. De aanbevelingen uit de evaluatie zijn doorgevoerd in de laatste herziening van het mvo-beleid voor de ekv in 2023.13 De ekv-besluitvorming over projecten uit het rapport van Both ENDS et al. vond plaats vóór de mvo-beleidsherziening in 2018 of ná afronding van de evaluatie in januari 2021 en maakt om die reden geen onderdeel uit van de selectie die de onafhankelijke onderzoeker destijds heeft gemaakt, maar waarbij dus wel andere projecten uit de baggersector zijn geëvalueerd.
Bent u het ermee eens dat, in lijn met de OESO standaarden, UNGPs, SDGs en de Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework, alle relevante sociale, milieu en mensenrechten documentatie rondom de verzekerde projecten openbaar moet zijn? Bent u het ermee eens dat het mvo-beleid van Atradius DSB momenteel niet in deze eis voorziet?
De OESO Common Approaches zijn leidend op het terrein van standaarden voor transparantie bij exportkredietverzekeringen die verstrekt worden door OESO-landen.14 Daarnaast onderschrijft ADSB de OESO-richtlijnen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen. De OESO Common Approachesen OESO-richtlijnen bepalen dat partijen transparant dienen te zijn binnen de grenzen van bedrijfsvertrouwelijke- en concurrentieoverwegingen.
In de vraag wordt gesteld dat de daarin genoemde kaders verplichten tot openbaarmaking van de documentatie. Dat is niet het geval. Wel geven deze kaders aan dat gestreefd moet worden naar transparantie met inachtneming van commerciële, juridische en andere beperkingen.
Het kabinet is van oordeel dat ADSB de verplichtingen uit de bovengenoemde internationale kaders correct toepast en wordt daarbij gesterkt door de conclusies van de beleidsevaluatie van het mvo-beleid voor de ekv uit 2021 uitgevoerd door een externe partij.15 De evaluatie stelt op dit punt dat ADSB transparant is over het mvo-beleid en de uitgangspunten van die transparantie zijn vastgelegd in een expliciet transparantiebeleid, dat ook is gepubliceerd op de website.16 De evaluator merkt hierbij op dat exportkredietverzekeraars in andere landen minder transparant zijn over hun beleid en dat ADSB op dit punt dus verder lijkt te gaan dan hun evenknie in andere landen.
Zoals hierboven aangegeven dient ADSB op basis van de OESO Common Approaches bij het openbaar maken van documenten rekening te houden met onder meer de bedrijfsvertrouwelijkheid van documentatie. Van belang hierbij is dat ADSB in de meeste gevallen geen eigenaar is van (onderliggende) documentatie. ADSB moedigt projecteigenaren aan om zo transparant mogelijk te communiceren met stakeholders, bijvoorbeeld door het opzetten van een projectwebsite. Bij de lopende onderhandelingen over de herziening van de OESO Common Approaches zet Nederland in op het opnemen van een inspanningsverplichting voor projecteigenaren om transparantie te bevorderen. Dit is ook belangrijk voor een internationaal gelijk speelveld.
Waarom kan Atradius DSB het environmental social action plan (ESAP) niet delen met de (mogelijk) getroffen gemeenschappen en maatschappelijke organisaties? Bent u bereid om in de poliswaarden van Atradius DSB op te nemen dat de ESAP publiek gedeeld wordt? Zo nee, waarom niet?
Het Environmental and Social Action Plan (ESAP) is een contractdocument dat valt onder het juridische eigendom van de financierende partijen en de projecteigenaar. ADSB heeft niet de juridische bevoegdheid om dergelijke documenten zelfstandig openbaar te maken.
Zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 14 moedigt ADSB projecteigenaren aan om zo transparant mogelijk te communiceren met stakeholders, bijvoorbeeld door het opzetten van een projectwebsite. Het kabinet zet zich binnen de OESO in voor een inspanningsverplichting voor projecteigenaren om transparantie te bevorderen. Dit is ook belangrijk voor een internationaal gelijk speelveld.
Het rapport 'Death, Despair and Destitution: The Human Costs of the EU’s Migration Policies' van Artsen zonder Grenzen |
|
Christine Teunissen (PvdD), Marieke Koekkoek (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de inzichten uit het rapport «Death, Despair and Destitution: The Human Costs of the EU’s Migration Policies» van Artsen zonder Grenzen en kunt u hierop reflecteren?
Ja, het kabinet is bekend met het rapport.
Kunt u reageren op de bewijzen van Artsen zonder Grenzen, zoals het groeiend aantal gewonde asielzoekers, dat het externaliseren van Europees migratiebeleid naar derde landen heeft geleid tot een groei aan geweld en mensenrechtenschendingen in derde landen?
Het kabinet is bekend met de zorgelijke berichten van Artsen zonder Grenzen over de behandeling van migranten en vluchtelingen in verschillende derde landen en is van mening dat de behandeling van migranten en vluchtelingen te allen tijde in lijn moet zijn met internationaal recht en mensenrechten, inclusief het beginsel van non-refoulement. Daar zet het kabinet zich ook voor in middels het versterken van migratiesamenwerking met relevante derde landen langs voorname migratieroutes en het versterken van adequate opvang in de regio. Het kabinet zoekt samenwerking met deze landen over de volle breedte van de migratie-agenda, ook op het gebied van asiel en bescherming. In dat verband vindt het kabinet het belangrijk dat het migratie- en asielmanagement in desbetreffende landen beter wordt ingericht, in lijn met internationale standaarden. De gesprekken die het kabinet met verschillende partnerlanden voert vormen ook een platform om zorgen over behandeling van migranten en vluchtelingen aan te kaarten, en dat doet het kabinet ook.
Hoe verhoudt zich dit tot het feit dat Nederland respect voor mensenrechten benadrukt als essentieel onderdeel van elke samenwerking met derde landen?
Nederland en de EU zetten in op een brede samenwerking met derde landen die is gestoeld op gelijkwaardigheid en reciprociteit. Deze samenwerking is niet enkel gericht op migratie, maar behelst ook andere prioriteiten zoals economische samenwerking, de groene transitie en jongeren, onderwijs en werkgelegenheid. Deze samenwerking moet altijd in lijn zijn met Internationaal en Europees recht, waaronder ook mensenrechten vallen. Nederland zet zich ervoor in dat in de samenwerking van de EU met derde landen het respecteren van mensenrechten is geborgd en wordt gemonitord. Het kabinet benadrukt het belang van naleving en de monitoring van mensenrechten ook in Europese vergaderingen en gesprekken, zowel met de Commissie als lidstaten en partnerlanden. De dialogen die Nederland en de Unie voeren bieden hiervoor een platform. In het geval van Tunesië wordt bijvoorbeeld zowel vanuit Nederland als EU structureel de mensenrechtensituatie onder de aandacht gebracht bij de Tunesische autoriteiten. Dit betreft ook de verbetering van de opvang en bescherming van migranten en vluchtelingen. Hierin wordt ook samengewerkt met VN-partners.
Bent u bereid om de steun van Nederland voor dergelijke samenwerking op te zeggen zolang er sprake is van mensenrechtenschendingen?
Zoals in het antwoord op de vraag hierboven is beschreven, gebruiken Nederland en de EU brede partnerschappen om zorgen over de behandeling van vluchtelingen en migranten aan te kaarten en bij te dragen aan verbetering van de mensenrechtensituatie.
Kunt u reageren op de structurele signalen van buitensporig geweld, marteling, mensensmokkel en dwangarbeid in Libische detentiecentra?
Over dit onderwerp zijn op 21 februari jl. vragen gesteld door het lid Piri (GroenLinks-PvdA). Graag verwijst het kabinet naar de beantwoording op deze vragen voor een uitgebreide reactie over detentiecentra in Libië1.
Hoe verhoudt het door de EU-gefinancierde principe van pullbacks in landen als Libië en Tunesië zich tot het principe van non-refoulement?
Het beginsel van non-refoulement is één van de kernelementen in het VN-Vluchtelingenverdrag en onderdeel van het internationaal gewoonterecht. Dit beginsel wordt beschermd door verschillende internationale verdragen waar ook Nederland partij bij is, waaronder het VN-Antifolterverdrag, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
Ten aanzien van landen als Libië en Tunesië verleent de EU verschillende soorten steun aan diverse actoren, over een brede agenda onder andere in het kader van migratiesamenwerking met relevante derde landen langs voorname migratie routes. Dat betreft onder meer bescherming en opvang van migranten en vluchtelingen, migratie-management, waaronder steun aan kustwachtautoriteiten, op gebied van Search and Rescueen het verbeteren van de mensenrechtensituatie en versterking van de rechtstaat. De Europese steun aan de Tunesische en Libische kustwachtautoriteiten draagt bij aan de versterking van de Search and Rescue-capaciteit van de betreffende actoren.2 Dat is wenselijk, wat onverlet laat dat – zoals boven vermeld – handelingen van de kustwachtautoriteiten altijd in overeenstemming met internationaal recht, waaronder het beginsel van non-refoulement, moeten gebeuren. Indien daaromtrent zorgen bestaan, brengt het kabinet dat daar waar relevant op in gesprekken met autoriteiten en vraagt het ook de Europese Commissie dat te doen.
Hoe verhouden deze signalen zich tot artikel 21 van het Verdrag van de Europese Unie, waarin gesteld wordt al het EU externe beleid, waaronder migratiebeleid, dient te voldoen aan internationaal recht en het Handvest van de grondrechten van de EU?
Op grond van artikel 21, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) berust het internationaal optreden van de Unie op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen en is het daar ook op gericht. Onder deze beginselen valt ook het internationaal recht, zoals het Handvest van de Verenigde Naties. Hieruit volgt dat de Unie ernaar streeft betrekkingen te ontwikkelen en partnerschappen aan te gaan met derde landen die deze beginselen delen. Volgens het tweede lid bepaalt en voert de Unie een gemeenschappelijk beleid en optreden en beijvert het zich voor een hoge mate van samenwerking op alle gebieden van de internationale betrekkingen, met doelstellingen als consolidering en ondersteuning van de rechtsstaat en mensenrechten. Artikel 21, lid 3, VEU bepaalt dat de Unie de betreffende beginselen eerbiedigt en de genoemde doelstellingennastreeft bij de bepaling en de uitvoering van het externe optreden.
Zoals uit de beantwoording van de voorgaande vragen volgt is er in de samenwerking met derde landen uitdrukkelijk aandacht voor voornoemde doelstellingen en vormt de naleving van internationaal en Europees recht altijd het uitgangspunt in partnerschappen met derde landen.
Kunt u reflecteren op de bevindingen van Artsen zonder Grenzen waarbij een groot percentage van patiënten verwondingen hebben opgelopen als gevolg van grenshekken, prikkeldraad en grensmuren?
Het is zorgelijk dat migranten ernstige verwondingen oplopen als gevolg van grensbarrières.
EU-lidstaten en de Schengengeassocieerde landen (Schengenstaten) dienen op grond van de Schengengrenscode bij de bewaking en het beheer van de EU-buitengrenzen, ook in het voorkomen van onrechtmatige grensoverschrijdingen, volledig te handelen met inachtneming van het toepasselijke Unierecht, waaronder het Handvest van de Grondrechten en het toepasselijke Internationale recht. EU-regelgeving biedt Schengenstaten veel ruimte om te bepalen met welke maatregelen en instrumenten zij de buitengrens bewaken. Diverse Schengenstaten maken op delen van hun grenzen al geruime tijd gebruik van fysieke grensbarrières. De herziene Schengengrenscode biedt hiervoor een grondslag. De uitvoering van de grensbewaking door Schengenstaten wordt geëvalueerd volgens het Schengenevaluatiemechanisme, waar ook fundamentele rechten een onderdeel van zijn. Zie ook het antwoord op vragen 9 t/m 11.
Het kabinet heeft begrip voor de positie van Schengenstaten met lange, moeilijk te controleren buitengrenzen (bijvoorbeeld vanwege geografische kenmerken), om in voorkomende gevallen op delen van hun buitengrenzen gebruik te maken van fysieke grensbarrières. Voor effectief Europees buitengrensbeheer acht het kabinet een integraal pakket aan grensbeheermaatregelen noodzakelijk, waar grensbewaking, grenscontrole, innovatieve technieken, gebruik van informatie en risicoanalyse, en fysieke grensbarrières onderdeel van kunnen zijn.
In welke gevallen hebben monitoringsmechanismen aan de grens geleid tot effectieve monitoring en het ter verantwoording roepen van lidstaten of organisaties die geweld uitoefenen aan grensovergangen?
Zoals in verschillende bovenstaande antwoorden is aangegeven, benadrukt het kabinet dat het beheer van de EU-buitengrenzen, dat onder verantwoordelijkheid van de Schengenstaten plaatsvindt, met inachtneming van het Europees en internationaal recht op het gebied van mensenrechten moet worden uitgevoerd. De Europese Commissie dient hier als hoedster van de EU-verdragen op toe te zien. Het kabinet vraagt hier in Europese en bilaterale gesprekken aandacht voor.
Het Europese kader kent reeds diverse monitoringsmechanismen. Zo worden alle Schengenstaten geëvalueerd op de toepassing van het Schengenacquis volgens het Schengenevaluatiemechanisme. Schengenstaten worden daarbij ook geëvalueerd op de waarborging van fundamentele rechten. Dit element is verstevigd in de nieuwe Schengenevaluatieverordening, die sinds 1 oktober 2022 van toepassing is.3 Schengenstaten dienen actie te ondernemen naar aanleiding van een aanbeveling. De Commissie en de Raad zien hierop toe. Indien een Schengenstaat een aanbeveling niet opvolgt, is verdere bespreking in de Raad mogelijk. Een tweede vorm van monitoring gebeurt door de grondrechtenadviseur van Frontex, waar het de inzet van het Agentschap betreft. Hij levert gevraagd en ongevraagd onafhankelijk advies over alle activiteiten van het Agentschap. Zijn activiteiten hebben er onder andere toe geleid dat de monitoring op het vlak van fundamentele rechten geïntensiveerd is en dat er met een aantal lidstaten verbetermaatregelen zijn genomen om te zorgen voor een betere waarborging van fundamentele rechten. Ten slotte verplichten de nog te implementeren screeningsverordening en de asielprocedureverordening bij inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact vanaf 2026 Schengenstaten te voorzien in een onafhankelijk monitorings- en toezichtmechanisme. Deze mechanismen moeten tijdens de screening en de grensprocedure toezien op de naleving van het Unierecht en het internationaal recht inzake de waarborging van een aantal belangrijke beginselen, zoals de toegang tot de asielprocedure. In de screeningsverordening worden de voorwaarden daarvoor nader uitgewerkt. Ook kunnen lidstaten het EU-grondrechtenagentschap verzoeken om hen te ondersteunen bij het ontwikkelen van een dergelijk mechanisme, inclusief de waarborgen voor de onafhankelijkheid van het mechanisme. Het kabinet juicht dat toe en ziet de implementatie van het Pact tegemoet.
Daarnaast is het kabinet er voorstander van dat lidstaten zelf een (nationaal) onafhankelijk monitoringsmechanisme ten aanzien van grensbeheer opzetten. De Europese Commissie, met steun van het kabinet, heeft daar de afgelopen jaren doorlopend op aangedrongen. Lidstaten als Bulgarije, Kroatië en Griekenland zetten, met betrokkenheid van de Commissie, reeds dergelijke mechanismen op of versterken deze. Het kabinet volgt de ontwikkelingen rondom deze mechanismen en hecht, conform de richtsnoeren van het Grondrechtenagentschap op dit vlak,4 aan een onafhankelijk monitoring- en toezichtmechanisme. Zo is eerder bijvoorbeeld met Kroatië gesproken over de opzet van het mechanisme en de opvolging van de aanbevelingen. Ook heeft het kabinet bij de appreciatie van de fact-finding missie in Bulgarije in november 2023, de verbetering van het onafhankelijk monitorings- en toezichtmechanisme op de waarborging van fundamentele rechten als aandachtspunt aangemerkt. De structurele opvolging van aanbevelingen verdient blijvende aandacht van de Bulgaarse autoriteiten. Het kabinet zal dit blijven volgen en zich hierover uitspreken.
Tot slot nam het kabinet het voorstel voor een nationaal onafhankelijk monitoringsmechanisme op in de non-paper over grensbeheer ten behoeve van de nieuwe Europese Commissie5. De voornoemde richtsnoeren van het Grondrechtenagentschap sluiten aan bij de inhoudelijke wens van het kabinet ten aanzien van de vormgeving daarvan.
Welke consequenties zijn hieraan verbonden?
Zie antwoord vraag 9.
Welke voorstellen gaat u doen om ervoor te zorgen dat de monitoringsmechanismen in alle gevallen leiden tot effectieve opvolging?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat er een zero-tolerance beleid zou moeten zijn voor ongeoorloofd geweld aan de Europese buitengrenzen? En zo ja, hoe gaat u dit afdwingen?
Zoals uiteengezet in voorgaande antwoorden benadrukt het kabinet dat het beheer van de EU-buitengrenzen, dat onder verantwoordelijkheid van de lidstaten plaatsvindt, met inachtneming van het Europees en internationaal recht op het gebied van mensenrechten moet worden uitgevoerd. De Europese Commissie dient hier als hoedster van de EU-verdragen op toe te zien. Het kabinet vraagt hier in Europese en bilaterale gesprekken doorlopend aandacht voor.
Klopt het dat in de lucht inzetbare middelen door Frontex worden ingezet om onderscheppingen van de Libische kustwacht te faciliteren?
Over dit onderwerp zijn op 21 februari jl. vragen gesteld door het lid Piri (GroenLinks-PvdA). Graag verwijst het kabinet naar de beantwoording op deze vragen voor een uitgebreide reactie ten aanzien van de rol van Frontex en het delen van informatie met Libië.6
Hoe verhoudt zich dit tot artikel 6 van de Articles on the Responsibility of States for Internationally Wrongful Acts (ARSIWA)?
Artikel 6 van de ARSIWA gaat over de aansprakelijkheid van de staat die een orgaan ter beschikking stelt aan een andere staat. Frontex is geen staat, maar een orgaan van de Europese Unie met eigen rechtspersoonlijkheid.7 Artikel 6 van de ARSIWA is daarom niet van toepassing op het handelen van Frontex.
Onder internationaal recht wordt het handelen van een (orgaan van een) internationale organisatie met eigen rechtspersoonlijkheid toegerekend aan die organisatie. Dat betekent dat het handelen van Frontex in eerste instantie aan de Europese Unie, en niet aan een lidstaat, toegerekend moet worden. Enkel het lidmaatschap van de Europese Unie maakt een staat nog niet juridisch verantwoordelijk. Voor zover de vraag ziet op de aansprakelijkheid voor organen van Nederland die ter beschikking gesteld worden aan Frontex, wordt dit geregeld in artikel 7 van de Artikelen inzake aansprakelijkheid van internationale organisaties. Op grond daarvan moet het handelen van een aan Frontex ter beschikking gesteld orgaan van Nederland toegerekend worden aan Frontex.
Voor meer details over de kwestie van aansprakelijkheid voor het handelen van Frontex verwijs ik naar mijn brief aan uw Kamer van 4 november 2022.8
Welke stappen gaat u nemen om Malta ter verantwoording te roepen met betrekking tot de signalen dat Malta gevaarlijke situaties op zee onder haar verantwoordelijkheid heeft genegeerd en daarbij moedwillig de levens van asielzoekers geriskeerd, alsook actief hulp geweigerd heeft?
Het kabinet wil voorkomen dat migranten de levensgevaarlijke routes over zee afleggen. Daar zet het kabinet zich voor in. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan door het ontwikkelen van brede migratiepartnerschappen, hervestiging van vluchtelingen via de UNHCR, het tegengaan van grondoorzaken van migratie en de aanpak van mensensmokkel.
Zoals hierboven gesteld is het de taak van de Commissie om als hoedster van de verdragen toe te zien op de naleving van het Unie recht en actie te ondernemen indien er sprake is van een schending van het recht. De Commissie heeft hiertoe, op basis van de EU-verdragen, diverse middelen tot haar beschikking. Het kabinet moedigt de Commissie doorlopend aan deze in te zetten waar het de naleving van Europees asiel- en migratierecht betreft. In bilaterale gesprekken benadrukt Nederland tevens het belang van respect voor fundamentele rechten.
Het kabinet heeft, gezien de aantallen migranten die de levensgevaarlijke oversteek naar de EU maken via zee, meermaals in EU-verband opgeroepen tot goede afspraken tussen alle betrokken partijen om verdrinkingen te voorkomen en tot een normalisatie van de ontschepingspraktijk op de Middellandse Zee te komen. Uitgangspunt is daarbij het versterken van Search and Rescue (SAR) met goed werkende kustwachten met voldoende capaciteit, en het duidelijk vaststellen van SAR-zones en veilige havens. Het kabinet verwelkomt de gesprekken die hierover gevoerd worden op Europees niveau, onder andere in de SAR-Contact Group onder leiding van de Europese Commissie. Hier wordt onder andere gesproken over het verbeteren van onderlinge samenwerking tussen landen in het Middellandse Zeegebied, alsook met Europese agentschappen, zoals Frontex en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid.
Waar het Italië betreft, is het aan de Commissie, als hoedster van de EU-verdragen, om erop toe te zien dat de wetgeving verenigbaar is met het Unierecht. In algemene zin is het kabinet van mening dat het internationaal recht staten, en daarmee kapiteins van een schip varend onder een vlag van een staat, verplicht onmiddellijk hulp te verlenen aan mensen in nood op zee. Voorts bepalen verdragen dat de staat in wiens opsporings- en reddingsgebied een drenkeling wordt gered de primaire verantwoordelijkheid heeft voor de coördinatie en samenwerking bij het vinden van een veilige haven. Staten dienen volgens het kabinet conform deze internationaalrechtelijke verplichtingen te handelen.
Voor een uitgebreidere uiteenzetting van het internationaalrechtelijk kader in geval van SAR en de Italiaanse wetgeving verwijst het kabinet graag naar beantwoording van schriftelijke vragen van het lid Kröger.9
Welke stappen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat Artsen zonder Grenzen haar werk mag doen en niet onnodig vertraagd wordt door bijvoorbeeld de Italiaanse maritieme autoriteiten, waarbij mensenlevens onnodig geriskeerd worden?
Zie antwoord vraag 15.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat situaties zoals met de schipbreuk van de Adriana, mede veroorzaakt door gevaarlijke tactieken van de Griekse kustwacht, niet opnieuw voorkomen?
Zie antwoord vraag 15.
Welke stappen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat hulpverleners van niet-gouvernementele organisaties (ngo's) door Europese lidstaten niet langer gecriminaliseerd en/of vervolgd worden?
Het kabinet benadrukt dat het tegengaan van het verlies van levens op zee en de internationaalrechtelijke plicht om mensenlevens op zee te redden te allen tijde het uitgangspunt moet blijven. Tegelijkertijd dienen activiteiten niet behulpzaam te zijn bij het in stand houden van criminele activiteiten van mensensmokkelaars die geregeld mensenlevens op het spel zetten. Het is aan de nationale (opsporings)autoriteiten hier onderzoek naar te doen en zo nodig over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Dat hangt af van nationale wetgeving in het desbetreffende land. In Nederland is deze bevoegdheid voorbehouden aan het openbaar ministerie.
Het kabinet is daarmee niet voor het strafbaar stellen van hulp aan mensen in nood door organisaties, zoals ngo’s, die handelen op basis van humanitaire gronden, maar wil de strafrechtelijke aansprakelijkheid niet principieel expliciet bij wet uitsluiten. Tenslotte hangt het van de individuele omstandigheden van een geval af of vervolging wenselijk is, en kan daarbij indien aan het licht komt dat de betrokkene heeft gehandeld op humanitaire gronden worden besloten om niet over te gaan tot strafvervolging. In Nederland kunnen de algemene strafuitsluitingsgronden in het Wetboek van Strafrecht in de weg staan aan strafbaarheid in gevallen van humanitaire hulp.
In Europees verband onderschrijft de regering deze benadering, ook in relatie tot het voorstel voor de nieuwe mensensmokkelrichtlijn dat zich tot doel stelt de strafrechtelijke benadering van mensensmokkel in de EU juist verder te harmoniseren. Nederland benoemde dan ook recent tijdens de JBZ-raad van 4 en 5 maart 2024 dat het van belang is dat zuivere humanitaire hulpverlening niet wordt vervolgd. Echter acht het kabinet in dit verband een expliciete humanitaire clausule in de operationele tekst van de richtlijn niet noodzakelijk of effectief. Het kabinet verwijst naar beantwoording van vragen van de Eerste Kamer over dit onderwerp voor een uitgebreidere toelichting op dit vraagstuk.10
Welke stappen neemt u om naast het bemoeilijken van de Middellandse zeeroute ook legale en veilige migratieroutes te faciliteren?
Er bestaan veel manieren om op een reguliere en veilige manier naar de Europese Unie te komen voor bijvoorbeeld gezin, studie of werk. Naast nationale regelingen van de verschillende EU-lidstaten bestaan er zeven EU-brede richtlijnen op het vlak van (reguliere) toelating en verblijf.
Het kabinet ziet arbeidsmigratie van buiten de EU, met uitzondering van kennismigratie, als sluitstuk voor de aanpak van tekorten op de arbeidsmarkt. Om de behoeftes van Lidstaten op legale migratie beter te matchen met aanbod uit derde landen, zet de Europese Commissie zich in om afspraken te maken met derde landen om behoeftes van Lidstaten op het gebied van legale migratie te matchen met aanbod uit derde landen via de zogeheten Talentpartnerschappen. Het kabinet ziet deze talentpartnerschappen niet op zichzelf als oplossing voor tekorten op de arbeidsmarkt11. Op dit moment wordt er gesproken vanuit de Commissie met Tunesië Marokko, Egypte, Bangladesh en Pakistan. Nederland sluit in de rol van observer aan bij de gesprekken met Marokko, Egypte en Tunesië voor zover dat vrijblijvend mogelijk is. Ook wordt in Raadsverband gesproken over een door de Europese Commissie voorgestelde verordening ter oprichting van een EU-Talentenpool, die de match tussen EU-werkgevers en (aspirant-)werknemers uit derde landen moet verbeteren. Het kabinet zet zich daarbij in de onderhandelingen over het voorstel wel actief in om het instrument zo vorm te geven dat de in het BNC-fiche genoemde bezwaren en vragen zo goed als mogelijk en adequaat worden geadresseerd.12 Een eventueel besluit tot daadwerkelijke deelname aan een talentpartnerschap of EU-talentpool is aan een volgend kabinet.
Daarnaast wordt met de EU verordening tot vaststelling van een Uniekader voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden (hervestigingsverordening), die deel uitmaakt van het Asiel- en Migratiepact, voorzien in een gemeenschappelijke aanpak voor het hervestigingsbeleid van lidstaten. Deze verordening kan bijdragen aan het vervullen van de mondiale behoeften aan hervestiging en humanitaire toelating, partnerschappen met derde landen versterken en bijdragen aan solidariteit. Daarnaast kan het de druk verlichten op landen in regio's die grote groepen vluchtelingen opvangen door het bevorderen en verbeteren van de capaciteit en de opvang- en beschermingsvoorwaarden en door het verminderen van irreguliere en gevaarlijke doorreizen van personen die internationale bescherming nodig hebben.
Hoeveel asielzoekers op de vlucht hebben ook daadwerkelijk in de praktijk toegang tot legale en veilige routes?
Het is niet mogelijk op voorhand uitspraken te doen over de toelaatbaarheid van een dergelijke grote en diverse groep.
Voor toelating op grond van hervestiging moeten mensen zich eerst melden bij UNHCR. UNHCR beoordeelt of iemand vluchteling is en vervolgens of iemand ook in aanmerking komt om te worden voorgedragen voor hervestiging. In de Projected Global Resettlement Needs noteert UNHCR jaarlijks de hervestigingsnoden. Wereldwijd dragen meerdere landen, waaronder Nederland, met uiteenlopende aantallen bij aan die hervestiging. Daarnaast kennen wereldwijd meerdere landen ook andere legale en veilige routes in de vorm van humanitaire toelating- of sponsorprogramma's voor personen die (internationale) bescherming nodig hebben.
Voor reguliere toelating, voor bijvoorbeeld werk of studie, geldt in de regel dat per aanvraag wordt beoordeeld of een vreemdeling voor een vergunning in aanmerking komt.
Bent u bereid om een onderzoek in te stellen naar welke barrières er zijn om legale en veilige routes toegankelijk te maken en deze barrières vervolgens weg te nemen?
Toegankelijkheid van «legale routes» hangt samen met onder meer quota voor hervestiging, inhoudelijke voorwaarden voor verblijfsvergunningen en, in elk geval in de Nederlandse context, het principe dat de machtiging tot voorlopig verblijf en de verblijfsvergunning in land van herkomst of land van bestendig verblijf dienen te worden aangevraagd. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding voor een nader onderzoek naar dit stelsel. Of dit mogelijk in de komende periode opportuun kan zijn is aan een volgend kabinet.
Bent u bereid om te onderzoeken welke effecten het vervangen van ontvangstcentra door detentiecentra heeft op het mentale welzijn van asielzoekers?
De asielgrensprocedure moet bij inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact vanaf 2026 verplicht worden toegepast als de aanvrager een nationaliteit van een land bezit waarbij het Europese gemiddelde inwilligingspercentage lager is dan 20%, er gronden zijn om de aanvrager te beschouwen als een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid, of als de aanvrager probeert de autoriteiten te misleiden.
Het is van belang dat personen die niet aan de voorwaarden voldoen om toegang te krijgen tot de EU, niet alsnog toegang krijgen. Waar mogelijk nemen lidstaten stappen om op andere wijze dan door detentie de verdere inreis te voorkomen. Daar komt bij dat bij inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact per 2026, de opvangrichtlijn, asielprocedureverordening en de grensterugkeerprocedureverordening bepalen dat het opleggen van grensdetentie een ultimum remedium is, dat enkel mag worden opgelegd wanneer een lichter middel niet doeltreffend is. Waar dit in de geografie van de EU-lidstaat niet anders kan om inreis te voorkomen, zal detentie aan de orde zijn. Grensdetentie wordt in Nederland aangevangen met een medische check door het personeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Daarnaast kan een vreemdeling altijd een verzoek indienen om een arts te consulteren. Waar nodig wordt zorg geboden. Wanneer er indicaties bestaan dat een vreemdeling kampt met complexe psychiatrische problemen, dan kan de vreemdeling worden overgeplaatst naar het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht. Hiermee is aandacht voor het mentale welzijn van de asielzoekers die naar een detentiecentrum gaan. Ik zie dan ook geen aanleiding om onderzoek te doen.
Hoe zal u garanderen dat asielzoekers in Nederland, maar ook in andere Europese landen, toegang blijven houden tot adequate fysieke en mentale gezondheidszorg?
Ieder land is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van het zorgstelsel in dat land. Dat geldt derhalve ook voor de toegang tot de fysieke en mentale gezondheidszorg. In Nederland maken asielzoekers gebruik van reguliere zorginstellingen en is de toegang tot medische zorg, zowel fysiek als mentaal, geborgd via de GezondheidsZorg Asielzoekers. Op nagenoeg alle asielzoekerscentra en op veel andere opvanglocaties is een huisartsenpraktijk aanwezig. Binnen die praktijk werkt ook een zogeheten Praktijkondersteuner GGZ. Ook hiermee is een laagdrempelige toegang tot zorg geborgd. Mocht het nodig zijn dan kan de huisarts doorverwijzen naar vervolgzorg. Ter verbetering van de mentale gezondheid worden ook programma’s aangeboden, zoals Bamboo, gericht op het herkennen en erkennen van mentale problematiek bij volwassen en jongeren en indien nodig het doorverwijzen naar specialistische zorg. Verder worden er door verschillende organisaties activiteiten aangeboden die zien op het mentale welzijn van kinderen en jongeren in de opvang. Ook niet-gouvernementele organisaties zoals Save the Children en WarChild, maar ook het Nederlandse Rode Kruis, bieden geregeld geestelijke en psychosociale steun aan asielzoekers in Nederland. Zij putten daarbij uit kennis en ervaring die zij elders in de wereld opdoen bij de integratie van MHPSS (Mental Health and Psychosocial Support, geestelijke gezondheid en psychosociale steun) in humanitaire respons en in hun werk met en voor vluchtelingen en gastgemeenschappen. Dit is een thema waarop het Ministerie van Buitenlandse Zaken internationaal actief: Nederland is internationaal aanjager van integratie van MHPSS in humanitaire actie, in vredesopbouw en in inspanningen gericht op ontheemden en gastgemeenschappen. Nederland werkt daarbij behalve met Nederlandse en internationale NGOs ook nauw samen met organisaties zoals UNICEF, UNHCR, IOM, en de Rode Kruis Rode Halve Maan Beweging. Een aantal van deze organisaties is ook binnen de Europese Unie actief.
Herkent u de signalen dat asielzoekers in bijvoorbeeld Griekenland en Italië onvoldoende toegang hebben tot een eerlijke procedure, voldoende informatie, ondersteuning en gezondheidszorg?
Ik herken dat in de asiel- en opvangstelsels van sommige lidstaten, op onderdelen, gebreken kunnen zitten of zaten. Die gebreken konden bijvoorbeeld ook aanleiding zijn om onder de Dublinverordening (tijdelijk) geen asielzoekers vanuit Nederland aan die lidstaten over te dragen. Met betrekking tot de in uw vraag genoemde lidstaten, oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat, hoewel de opvang en asielprocedure in Griekenland is verbeterd, een belangrijk aandachtspunt de zeer beperkte toegang van asielzoekers tot gratis rechtsbijstand tijdens hun beroepsprocedure is. In een uitspraak van 26 april 2023 leidde de Afdeling uit de berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten af dat er voor Dublinclaimanten in Italië geen opvangfaciliteiten beschikbaar zijn en ten gevolge tijdelijk geen asielzoekers onder de Dublinverordening overgedragen kunnen worden aan dat land.
Meer in het algemeen wil ik opmerken dat het taak is van de Europese Commissie om erop toe te zien dat de asielprocedures in de lidstaten in lijn zijn met de Europese asielrichtlijnen- en verordeningen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat overal in de EU asielzoekers aanspraak kunnen maken op een humane en eerlijke procedure, alsook toegang tot zorg?
Het is de eigen verantwoordelijkheid van iedere lidstaat om de nationale asiel- en opvangprocedure in te richten conform het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, d.w.z. het wetgevingspakket van de EU waarbij internationale bescherming is geregeld. In de EU asielwetgeving is ook geregeld dat lidstaten asielzoekers toegang moeten bieden tot de gezondheidszorg die zij nodig hebben. Daarbij is, zoals ook eerder aangegeven, het de taak van de Commissie om hierop toe te zien. Verder heeft het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA) tot taak de lidstaten te ondersteunen bij de uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel. Het Agentschap gaat ook toezicht houden op de nationale autoriteiten via een monitoringmechanisme. Dit mechanisme beoogt mogelijke tekortkomingen in de asiel- en opvangstelsels van lidstaten te voorkomen en identificeren.
Hoe gaat u in de toekomst voorkomen dat crisissituaties zoals in 2022 in Ter Apel opnieuw voorkomen, zeker nu het Rode Kruis hiervoor opnieuw waarschuwt?
Om te zorgen dat het COA aan iedereen een opvangplek kan blijven bieden, zijn verschillende maatregelen genomen. Het COA plaatst statushouders in hotels om extra asielopvangcapaciteit te realiseren. Voorts is middels de brief van 15 april jl.13 een uitvraag gedaan aan de commissarissen van de Koning om in totaal en op zeer korte termijn tijdelijke spoedopvang te realiseren en op termijn in iedere provincie een extra grote opvanglocatie te realiseren. Vanuit het Rijk wordt hier grond voor beschikbaar gesteld. Via deze lijnen moeten in de komende periode voldoende opvangplekken gerealiseerd worden om uit te crisissituatie van 2022 te blijven.
Daarnaast zijn ook lessen getrokken uit de crisis en wordt er voortdurend samen met maatschappelijke partners, zoals het Rode Kruis, geschakeld en wordt ook mede in samenwerking met hen snel opgeschaald om snel nieuwe opvanglocaties te realiseren.
Kunt u reflecteren op de conclusie, die ook door andere onderzoeken meermaals bewezen is, dat geweld aan de Europese buitengrenzen en het sluiten van grenzen leidt tot het nemen van nog gevaarlijkere routes en daarmee bijvoorbeeld mensensmokkelaars in de kaart speelt?
Allereerst onderstreept het kabinet nogmaals dat lidstaten bij de uitvoering van hun taken op het gebied van grensbewaking volledig dienen te handelen met inachtneming van het toepasselijke Unierecht, waaronder het Handvest van de Grondrechten en het toepasselijke internationale recht. Geweld tegen personen met als doel hen te belemmeren in de uitoefeningen van hun rechten, mag daar nooit onderdeel van zijn.
Daarbij is het tegengaan van mensensmokkel en het ontwrichten van criminele smokkelnetwerken een prioriteit voor het kabinet, juist om te voorkomen dat mensensmokkelaars en de netwerken daarachter vaak uit cynisch winstbejag misbruik maken van de situatie van de mensen die op hen een beroep doen. Het kabinet heeft een brede inzet. Zo werkt Nederland onder andere aan het tegengaan van mensensmokkel middels verschillende initiatieven en projecten samen met andere lidstaten, derde landen, internationale organisaties zoals UNODC, en EU-agentschappen zoals Europol, Eurojust en Frontex om mensensmokkel te bestrijden. Dit vindt bijvoorbeeld plaats binnen het European Multidisciplinair Platform Against Crime Threats (EMPACT), waarbij Nederland deelneemt aan verschillende acties gericht op het tegengaan van mensensmokkel met landen binnen en buiten de EU. Tegelijkertijd is de aanpak van mensensmokkel enkel effectief als naast het ontwrichten van mensensmokkelnetwerken, ook aandacht uitgaat naar de lokale realiteit waarbij migranten smokkelaars evenwel zien als dienstverleners. Daarom wordt ook ingezet op preventie en voorlichting in derde landen om bewustwording over de risico’s van irreguliere migratie te vergroten en veilige en ordelijke migratie te bevorderen.
Het artikel 'Nederland vormt belangrijke spil in illegale handel bedreigde diersoorten' |
|
Joost Eerdmans (EénNL), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het artikel «Nederland vormt belangrijke spil in illegale handel bedreigde diersoorten»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek van SPOTS, Union for Conservation of Nature Nederland (IUCN), Bears in Mind en Earth League International (ELI) waaruit blijkt dat Nederland een belangrijke schakel vormt in de illegale wereldhandel in traditionele Chinese medicijnen (TCM) die ingrediënten bevatten van bedreigde plant- en diersoorten?2
Het onderzoek van SPOTS, IUCN, Bears in Mind en ELI («het onderzoek») maakt melding van een mogelijk bestaand crimineel netwerk gebaseerd in Nederland. Ik ben dankbaar dat de onderzoekers de NVWA hebben benaderd met de door hen verzamelde informatie. Dit heeft geleid tot de start van een strafrechtelijk onderzoek en de aanhouding van een verdachte door de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de NVWA (NVWA-IOD)3. In het onderzoek wordt ook aangegeven dat dit criminele netwerk illegale goederen via andere EU-lidstaten de EU binnen smokkelt vanuit China. Het onderzoek richt zich niet op en doet geen uitspraak over de rol van Nederland in de illegale wereldhandel in TCM. Dat neemt niet weg dat de signalen uit het onderzoek alarmerend zijn en serieus genomen worden door de NVWA.
Wat vindt u ervan dat Nederland een doorvoer- en bestemmingsland is van producten van onder meer neushoorns van wie de hoorns worden afgezaagd, tijgers die worden afgeschoten vanwege hun botten en pangolins die worden gedood vanwege hun schubben?
Wildlife crime en het verlies aan biodiversiteit, aantasting van dierenwelzijn en (dier)gezondheidsrisico’s die deze vorm van criminaliteit met zich meebrengt, vind ik ernstig en onacceptabel. Het mogelijke criminele netwerk wordt in het onderzoek in verband gebracht met de smokkel van pangolinschubben en tijgerbotten, die illegaal via andere EU-lidstaten de EU worden binnengebracht. Het onderzoek identificeert een vraag naar deze producten binnen de EU. Dat signaal moet EU-breed worden onderzocht. Nederland zal hier in EU Enforcement Working Group aandacht voor vragen.
Kunt u bevestigen dat er daarnaast signalen zijn van het gebruik van zogenaamde «vervangende dieren» voor TCM, waardoor steeds meer diersoorten onder druk komen te staan?
Ja, dit is mondiaal een zorg en hier is aandacht voor in CITES-verband.
Kunt u bevestigen dat het onderzoek naar de omvang van deze illegale handel in Nederland en de EU, uitgevoerd door ELI, vorig jaar is overgedragen aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)? Wat is er sindsdien gebeurd om deze illegale handel tegen te gaan?
Ja, zie het antwoord op vraag 2. In het belang van de opsporing doet de NVWA-IOD geen uitspraken over lopende onderzoeken. Naast dit specifieke opsporingsonderzoek wordt er continue gezamenlijk toezicht gehouden en
gehandhaafd door RVO, de NVWA en de Douane en worden opsporingsonderzoeken gedaan door de politie, het OM en de NVWA. Zo houdt de Douane toezicht aan de buitengrenzen van de EU. Dit toezicht richt zich op het binnen en buiten de EU brengen van (onder meer) CITES-beschermde soorten en producten van die soorten. De Douane heeft veel expertise op het herkennen van (producten van) CITES-beschermde soorten. Zo zijn er binnen de Douanemedewerkers opgeleid tot specialist in het controleren en determineren van de aangiften en zendingen waarbij er sprake kan zijn van (producten bevattende) CITES-beschermde soorten.
Kunt u voor elke aanbeveling uit het onderzoek van SPOTS, IUCN NL, Bears in Mind en ELI uiteenzetten hoe u hier opvolging aan gaat geven?
In het onderzoekdocument worden negen aanbevelingen gedaan voor de Nederlandse overheid. Grotendeels zijn deze al onderdeel van de standaard werkwijze of de inzet de komende tijd van de betrokken overheidsinstanties belast met de bestrijding van wildlife crime. Hieronder zet ik dit per aanbeveling kort uiteen:
Hoeveel mensen zijn er opgepakt en vervolgd naar aanleiding van dit onderzoek?
Op dit moment is er één handelaar aangehouden. De man wordt ervan verdacht TCM te verkopen waarin beschermde planten en dieren zijn verwerkt. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Wordt er nog vervolgonderzoek uitgevoerd, eventueel in samenwerking met andere Europese landen, gezien de bevinding dat de illegale producten vanuit Nederland over heel Europa worden gedistribueerd?
In het belang van de opsporing doet de NVWA-IOD geen uitspraken over lopende onderzoeken. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 5.
Kunt u bevestigen dat, zoals in het onderzoek naar voren komt, een groot deel van de klanten van deze illegale producten in Nederland woont?
In het onderzoek wordt aangegeven dat het mogelijke criminele netwerk dat in Nederland gebaseerd is klanten heeft binnen heel Europa. Door de NVWA-IOD wordt verder onderzoek gedaan. In het belang van de opsporing doet de NVWA-IOD geen uitspraken over lopende onderzoeken. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 5.
Bent u bereid uw aanpak van de binnenlandse handel in deze producten aan te scherpen? Zo ja, op welke manier gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
De aanpak van wildlife crime (illegal wildlife trade) is een proces dat continue wordt aangescherpt, waarbij altijd rekening wordt gehouden met de meest actuele ontwikkelingen en inzichten en wordt ingezet op een zo effectief mogelijke aanpak van de grootste risico’s. De gegevens met betrekking tot de handel in beschermde dier- en plantensoorten worden periodiek geanalyseerd. Vervolgens worden aan de hand van deze analyse de risico’s op illegale handel in beschermde dier- en plantensoorten in kaart gebracht. Daarna wordt door middel van een gezamenlijke interventiestrategie de handhavingsinzet bepaald om illegale handel in beschermde dier- en plantensoorten zo effectief mogelijk te bestrijden. Illegale handel in Traditionele Medicijnen (TM)4 gemaakt van beschermde soorten wordt hierin meegenomen en afgewogen tegen illegale handel in andere soorten en/of producten. Als de illegale handel in TM als groot risico voor de biodiversiteit naar voren komt uit deze analyse en indien de ernst en omvang daarom vragen, zal in de interventiestrategie aan de handhaving tegen deze handel meer prioriteit worden gegeven.
Kunt u aangeven hoeveel illegale handel van (bedreigde) plant- en diersoorten de afgelopen jaren is onderschept in Nederland?
Nee, de hoeveelheid illegale handel is niet exact te kwantificeren, omdat het bij een inbeslagname kan gaan om verschillende aantallen, soorten producten en eenheden. Het aantal inbeslagnames van onder CITES beschermde dier- en plantensoorten en producten die daarvan zijn gemaakt, is terug te vinden in de reeks rapporten «An Overview of seizures of CITES-listed Wildlife in the EU» gepubliceerd door TRAFFIC5. EU breed gaat het hierbij met name om inbeslagnames van (plantaardige) medicinale producten en dit beeld komt overeen met wat er in Nederland onderschept wordt. In de TRAFFIC-publicaties worden de volgende aantallen Nederlandse inbeslagnames genoemd:
2019: 834
2020: 459
2021: 430
2022: 663
Ter illustratie, het gaat in deze vier jaar voornamelijk om inbeslagnames van producten met ingrediënten van de plant Saussurea costus (totaal 287 inbeslagnames) die in verschillende vormen of verwerkt in verschillende producten verhandeld wordt (hele worteldelen, drankjes, tabletten, etc.).
Kunt u een inschatting maken van de totale omvang en de jaarlijkse groei van de illegale handel in wilde dieren en planten in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit is niet in te schatten. Dat geldt wereldwijd en daarbij maakt Nederland onderdeel uit van de EU interne markt, waarin vrij verkeer van goederen is. De United Nations Office on Drugs and Crime (UNODC) heeft onlangs het derde World Wildlife Crime Report6 gepubliceerd met de nieuwste ontwikkelingen, trends en routes op basis van – ook door Nederland – gerapporteerde data. Inzichten uit dat rapport zullen ook meegenomen worden in het opstellen van de Nederlandse interventiestrategie. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Kunt u aangeven welke dieren voornamelijk slachtoffer worden van illegale dierenhandel?
Dieren kunnen levend, dood alsook verwerkt in verschillende producten, verhandeld worden, waardoor een exacte vergelijking niet mogelijk is. Als het gaat om aantallen inbeslagnames van CITES beschermde dieren worden over het algemeen genomen vogels, reptielen en zoogdieren, of producten die van deze dieren gemaakt zijn, het meest in beslag genomen (bron EU-TWIX).
Kunt u zo concreet mogelijk aangegeven hoeveel budget er op dit moment uitgetrokken wordt om wildlife-criminaliteit te bestrijden?
Een concreet bedrag kan moeilijk bepaald worden, omdat bij verschillende organisaties de CITES-opdracht – waarbij de handhaving CITES het tegengaan van wildlife crime betreft – onderdeel uitmaakt van een grotere opdracht in het kader van natuur, flora en fauna of de aanpak van milieucriminaliteit. Dit geeft flexibiliteit, maar is ook een blijvend aandachtspunt. Zoals aangegeven in de Kamerbrief Beleidsreactie Dreigingsbeeld Milieucriminaliteit 2021 (Kamerstuk 2234 nr. 337, 8 juli 2022) is specifieke oormerking van budgetten binnen de diverse organisaties cruciaal voor adequate wildlife crime bestrijding.
Ik kan u het volgende beeld schetsen van de inzet van de verschillende organisaties op toezicht, handhaving en opsporing7 in het kader van CITES, zoals dat door deze organisaties aan mij is meegegeven:
De Douane heeft ongeveer 34 specialisten (zogenaamde vraagbaken Flora en Fauna) opgeleid die een groot deel van de tijd besteden aan het toezicht op CITES-regelgeving. Effectief komt dit neer op ongeveer 15–20 fte. Daarnaast wordt er landelijk 3 fte ingezet op CITES-beleid, 2 fte voor CITES data-analyse bij het Douane Landelijk Tactisch Centrum en 2 fte bij het douanelaboratorium.
Het onderwerp «flora en fauna» waar CITES onderdeel van is, is ook ingebed in elke generieke controle die de Douane uitvoert. Als de controlerend ambtenaar een controle uitvoert op bijvoorbeeld reizigersbagage, kijkt deze douanemedewerker ook naar CITES beschermde soorten. Treft de douanemedewerker bij zo’n controle CITES beschermde soorten aan, dan schakelt hij/zij een vraagbaak Flora en Fauna in. Deze vraagbaak neemt de determinatie van de soort en de verdere afwikkeling van de zaak voor zijn/haar rekening.
Bij RVO is de CITES bestuursrechtelijke handhaving belegd en de inbewaring-/inbeslagnname van goederen of specimen. De inzet hierop is als volgt:
Binnen NVWA is het domein Natuur (inspectie en expertise) en de IOD actief op CITES. Het Domein Natuur heeft ongeveer 38 fte beschikbaar voor de bestrijding van wildlife crime, tezamen met de onderwerpen invasieve exoten, EU houtverordening en het Nagoya protocol. Voor de NVWA-IOD geldt dat de capaciteit niet gelabeld is en de inzet op CITES onderdeel uitmaakt van de aanpak van milieucriminaliteit.
Voor het OM geldt dat het Functioneel Parket als specialistisch onderdeel zich richt op de bestrijding van fraude, milieucriminaliteit en criminele geldstromen, waaronder CITES. Er is daarbij geen specifiek gelabelde capaciteit voor CITES. De medewerkers werkzaam binnen het domein milieu kunnen allen in beginsel met dergelijke zaken belast worden.
Bij de politie is de aanpak van CITES gerelateerde overtredingen en misdrijven onderdeel van de politiemilieutaak. De politie geeft aan dat het inrichtingskader voor deze taak op dit moment 406 fte opsporingscapaciteit (intelligence, tactische opsporing en expertise) omvat en gemiddeld 2 milieuagenten per basisteam (334 fte) die zich tenminste 75% van hun inzetbare tijd met de politiemilieutaak bezighouden. Naar aanleiding van de aanbevelingen in een drietal rapporten8 voert het korps sinds 2023 een strategie uit om de bezetting van deze capaciteit zo snel mogelijk in overeenstemming te brengen met die formatie. Per onderzoek wordt beoordeeld welke specifieke competenties nodig zijn voor een doelmatige opsporing en wordt op basis hiervan een onderzoeksteam samengesteld uit 1 een of meerdere uitvoeringsorganisaties in deze Landelijke Milieukamer.
Kunt u zo concreet mogelijk aangeven hoeveel van dit totale budget wordt ingezet voor de opsporing van de handel die gedreven wordt door de vraag voor traditionele (Chinese) medicijnen?
Nee, dit is niet aan te geven. Zie ook mijn antwoord op vraag 14.
In hoeverre bent u, naar aanleiding van dit onderzoek, van plan om meer middelen uit te trekken om wildlife-criminaliteit tegen te gaan?
Zie het antwoord op vraag 6 bij aanbeveling 1.
Hoe bent u van plan de controles op illegale dierenleveringen aan te scherpen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Kunt u bevestigen dat deze illegale producten vaak samen met legale producten worden vervoerd en dat dit het voor opsporingsambtenaren moeilijker maakt te identificeren wat legaal en wat illegaal is? Zo ja, hoe bent u van plan de controles op dit soort illegale producten inzichtelijk te krijgen en aan te scherpen?
Ik kan bevestigen dat legale en illegale producten in een deel van de gevallen samen vervoerd worden. De moeilijkheid om legale van illegale producten te onderscheiden hangt van verschillende factoren af en is variërend. Het samen vervoeren is een dergelijke factor. De expertise van de medewerkers van politie, douane en NVWA is daarbij van groot belang en het op peil houden van die expertise is een continu proces, evenals de eventuele inzet van nieuwe methoden en technieken. Zie verder ook het antwoord op vraag 9 van de beantwoording van vragen van de leden Van Esch en Wassenberg (5 september 2023, kenmerk 2023Z11324).
In hoeverre bent u van plan contacten met buitenlandse collega’s te intensiveren, bijvoorbeeld in landen die onderdeel zijn van de «Nieuwe Zijderoute», om deze illegale dierenhandel te bestrijden?
De EU tracht een betere samenwerking met China en andere relevante landen te bewerkstelligen om illegale handel in beschermde soorten te bestrijden. Nederland steunt dit initiatief.
Kunt u bevestigen dat publicaties duidelijk maken dat de Chinese overheid inzet op verspreiding van TCM via de Nieuwe Zijderoute/Belt and Road Initiative en dat de verwachting is dat de illegale handel in bedreigde dieren en planten hierdoor zal toenemen?3 4 Zo ja, bent u voornemens om hierover het gesprek aan te gaan met uw Chinese collega’s? Zo nee, waarom niet?
Bij mij zijn publicaties bekend waarin wordt gesteld dat de Chinese overheid inzet op verspreiding van TCM via de Nieuwe Zijderoute en dat een toename van de illegale handel wordt verwacht. Zie verder het antwoord op vraag 19.
In hoeverre bent u het eens met de aanbeveling van de onderzoekers die erop aandringen dat het essentieel is dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) zich moet uitspreken tegen het gebruik van bedreigde dieren en planten in traditionele medicijnen? Bent u voornemens dit verzoek van de onderzoekers aan de WHO door te geleiden? Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds benoemd in de beantwoording van vragen van het lid Van Esch en Wassenberg (22 januari 2024, kenmerk 2023Z19482), heeft de WHO een doorlopende strategie op traditionele medicijnen, de WHO Traditional Medicine Strategy 2014–2023 (die is verlengd tot 2025). In deze strategie van de WHO wordt onder andere genoemd de natuurlijke hulpbronnen voor traditionele medicijnen te beschermen en te conserveren. Tijdens de 78ste Wolrd Health Assembly-vergadering in 2025 zal een ontwerp voor een nieuwe strategie voor de periode 2025–2034 worden voorgelegd. De WHO benadrukt dat tijdens de ontwikkeling van de WHO traditional Medicine Strategy 2025–2034 er op wordt toegezien dat de CITES-regels omtrent internationale handel in bedreigde dier- en plantsoorten worden gewaarborgd.
Bent u bereid om bij deze overleggen ook structureel aandacht te geven aan de illegale handel gedreven door TCM, aangezien Nederland naar voren komt als belangrijk doorvoer- en bestemmingsland van dit soort producten?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vragen van het lid Van Esch (5 april 2023, kenmerk 2023Z04413), Van Esch en Wassenberg (5 september 2023, kenmerk 2023Z11324) en Van Esch en Wassenberg (22 januari 2024, kenmerk 2023Z19482), onderschrijft Nederland als handelsland een verantwoordelijkheid te hebben in het kader van de aanpak van illegale handel in bedreigde dier- en plantsoorten en zal Nederland waar opportuun het belang van de volksgezondheid, de dier- en plantgezondheid en bescherming van de biodiversiteit in internationale gremia blijven benadrukken.
De rol van EBN in het stimuleren van nieuwe fossiele projecten |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het advies van de Wetenschappelijke Klimaatraad dat gas vrijwel volledig uitgefaseerd moet worden tegen 2040, om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graad Celsius boven pre-industriële niveaus?1
Ja, ik ben bekend met het advies van de Wetenschappelijke Klimaatraad (Wkr). Met het advies geeft de Wkr invulling aan mijn adviesaanvraag voor het Klimaatplan 2025–2035. Hierin stelt de Wkr dat om een versnelling te kunnen realiseren naar klimaatneutraliteit in 2050 we ons moeten richten op 90 tot 95% netto-emissiereductie in 2040 (ten opzichte van 1990).
In hoeverre zijn de oproepen van Energiebeheer Nederland (EBN) om te komen tot extra maatregelen om de gaswinning op de Noordzee te versnellen om «de resterende voorraden gas versneld naar boven te halen» in uw ogen verenigbaar met de constateringen en de conclusie van wetenschappers dat er geen ruimte is voor nieuwe fossiele projecten?2
Zoals aangegeven in de brief over Afbouw fossiele winning van 16 juni 2023 (Kamerstuk 33 529, nr. 1150) is de urgentie van het verminderen van fossiele brandstoffen duidelijk vanwege klimaatverandering en in lijn met de doelstellingen van Parijs. Daarbij richt het kabinet zich zowel op energiebesparing, de opschaling van duurzame energieproductie, alsmede de afbouw van de vraag naar fossiele brandstoffen en daarmee ook de noodzaak voor de productie daarvan. Er zal echter nog geruime tijd een zekere behoefte aan gas in de energievoorziening zijn. Zo lang we nog gas gebruiken, is het ook voor het klimaat gunstiger om binnenlands geproduceerd gas te gebruiken, omdat dit leidt tot minder CO2-emissies dan geïmporteerd gas.
Wat vindt u ervan dat EBN in de op 16 januari 2024 gepubliceerde infographic «Energie in cijfers 2024» suggereert dat de bestaande «importkloof» van Nederland gedicht moet worden door onder andere het afremmen van de daling van fossiele energieproductie?
In aanvulling op energiebesparing en het opschalen van de productie van duurzame energie, kan binnenlandse gasproductie een belangrijke bijdrage leveren aan het beperken van de importafhankelijkheid van aardgas. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 zal het belang van aardgas steeds meer afnemen. Het aardgas wat dan nog benodigd is in de energietransitie kan vanuit eigen bodem komen, wat beter is voor het klimaat.
Welk deel van de importkloof zou volgens u moeten worden gedicht door meer strikte normen voor energiebesparing?
Energiebesparing is de belangrijkste maatregel om de importkloof te dichten en om de afhankelijkheid van aardgas te verminderen (zie ook het antwoord op vraag 5). Veel bedrijven en instellingen zijn daarom nu al verplicht om energiebesparende maatregelen te nemen die zich in vijf jaar of minder terugverdienen. Om het besparen van energie verder te stimuleren heeft het kabinet de energiebesparingsplicht voor bedrijven en instellingen aan gescherpt per 1 juli 2023. Momenteel wordt er gewerkt aan het Nationaal Programma Energiebesparing waarin onder meer de doelen uit de herziene Energie Efficiëntie Richtlijn (EED) worden vertaald naar sectorale streefwaarden voor energiebesparing per sector. U wordt dit voorjaar over deze sectorale doelen geïnformeerd. Binnen sectoren wordt vervolgens gekeken hoe deze doelen te realiseren. In welke mate meer strikte normen voor energiebesparing bijdragen aan het verminderen van de importkloof is moeilijk exact aan te geven. Het deel dat niet kan worden gedicht door besparing, zal door andere maatregelen moeten worden opgevangen. Gas geproduceerd in eigen land is daarbij één van de mogelijkheden.
Welke afwegingen maakt u tussen het winnen en importeren van meer gas versus het besparen op gasverbruik?
Het kabinet heeft ervoor gekozen om sterk in te zetten op energiebesparing, waaronder ook het besparen op het gasverbruik. Daartoe worden voor de zomer op basis van de Energie Efficiëntie Richtlijn doelen voor energiebesparing opgesteld. Hierdoor wordt de vraag naar gas steeds verder ingeperkt. De resterende energievraag wil ik zoveel mogelijk in voorzien met behulp van hernieuwbare energie. Het aandeel hernieuwbaar zal de komende jaren steeds verder toenemen. Ook de ontwikkeling van geothermie en biogas zorgt voor een verdere afname van fossiele energie. Het aandeel dat dan overblijft, zal moeten worden voorzien door gas te winnen in Nederland of te importeren. Hierbij gaat de voorkeur uit naar een zo groot mogelijk aandeel gaswinning in Nederland, waardoor de afhankelijkheid van import beperkt blijft. In de afweging tussen het winnen en importeren versus besparen van gas, wordt dus ingezet op een zo groot mogelijk aandeel besparen. Uit zeer recente cijfers van het CBS3 blijkt dat Nederland wat dit betreft op de goede weg is. In 2023 werd er in Nederland 30 miljard kubieke meter aardgas verbruikt. Dat is 5 procent minder dan in 2022 en toen lag het gasverbruik al een kwart lager dan het jaar ervoor. Gas blijft de komende jaren nog een belangrijke rol spelen in de Nederlandse energievoorziening. Daarmee blijft, in aanvulling op energiebesparing, ook het winnen en importeren van gas van belang.
Neemt u hierin ook mee dat sommige industrieën wellicht geen toekomst hebben in Nederland omdat deze teveel gas verbruiken?
Voor alle bedrijven die de komende tijd hun bedrijfsprocessen zo kunnen aanpassen dat dit past binnen de klimaatambities van Nederland is in Nederland een plek. Het industriële gasverbruik is vanaf 2022 aanzienlijk lager dan in de periode daarvoor. Dit blijkt onder meer uit het vorige maand door CBS gepubliceerde rapport «Vooronderzoek – Productie van de Industrie, 2019–2022»4. Tegelijkertijd is de productie in de industrie minder sterk teruggevallen. Deze trend is van toepassing op nagenoeg alle industriële sectoren. Industrieën slagen er dus juist in om zuiniger met gas om te gaan.
Op welk onderzoek baseert u zich als u kijkt naar het effect van additionele winning van fossiele brandstoffen in Nederland op de winning van fossiele brandstoffen elders in de wereld? Waarom denkt u dat de extra winning in Nederland zal zorgen voor een besparing op mondiale schaal?
De binnenlandse vraag naar aardgas, en de afname daarvan de komende tijd, is waar het kabinet op stuurt om haar klimaatdoelstelling te bereiken. Zo lang we nog aardgas gebruiken is het ook voor het klimaat op mondiale schaal gunstiger om binnenlands geproduceerd aardgas te gebruiken, omdat de CO2-emissies daarvan voor het merendeel veel lager zijn dan van geïmporteerd aardgas. Dit is onder andere gebaseerd op onderzoek van The Oxford Institute for Energy Studies5 (an juli 2021.
Welke stappen heeft u inmiddels gezet om te komen tot een afbouwplan voor de gaswinning in Nederland?
Het afgelopen jaar is gestart met periodiek de actuele en toekomstige productie van aardgas en olie in beeld brengen, en deze af te zetten tegen de verwachte vraag. TNO is gevraagd deze analyse elk jaar uit te voeren en op te nemen in hun jaarverslag. Zolang de geraamde binnenlandse productie past binnen de binnenlandse vraag, en er door het kabinet gestuurd wordt op afname van deze vraag, past de productie van deze fossiele delfstoffen binnen het gevraagde afbouwpad. Op het moment dat er wordt geconstateerd dat de vraag sneller afneemt, kan er gekozen worden om geen nieuwe winningsplannen te verlengen of te wijzigen. Om dit laatste mogelijk te maken, wordt de Mijnbouwwet hierop aangepast. Op deze manier houdt het kabinet regie op de afbouw van de fossiele productie, in lijn met de klimaatambitie. Verder wordt er bij de actualisatie van winningsplannen en de instemming met nieuwe winningsplannen instemming verleend tot en met (uiterlijk) 2045, waarbij naast de eerder aangegeven klimaatdoelstellingen en de gasleveringszekerheid ook de investeringszekerheid wordt meegewogen. Met bovenstaande aanpak wordt er gestreefd naar een evenwichtige transitie, waarbij rekening gehouden wordt met zowel de noodzaak van leveringszekerheid als de zo spoedig mogelijke overgang naar duurzame energiebronnen.
Waarom neemt EBN niet zelf het initiatief voor een afbouwpad voor gaswinning?
Het ontwikkelen van beleid, zoals welk afbouwpad passend is binnen het Nederlandse klimaatbeleid, ligt primair bij het beleidsverantwoordelijke ministerie en niet bij EBN. EBN is op grond van de Mijnbouwwet belast met wettelijke taken op het gebied van opsporing en winning van koolwaterstoffen en geothermie, decommissioning van mijnbouwwerken en het geven van advies. Daarnaast ontplooit EBN verschillende nevenactiviteiten, waarvoor de Staatssecretaris instemming moet verlenen, op het gebied van met name ondergrondse opslag.
Wat is de gemiddelde of gebruikelijke termijn waarop vergunningen worden uitgegeven voor gaswinning? Hoe vaak is deze langer dan 15 jaar?
De termijn die voor winning wordt gesteld in een besluit op een winningsplan moet passen binnen een planmatig gebruik en beheer van de ondergrond. Bij de beoordeling van een winningsplan wordt hierover advies gevraagd aan TNO en het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). Op basis van deze adviezen wordt de termijn voor winning vastgesteld. Een gemiddelde of gebruikelijke termijn is niet te geven, maar zal per winning verschillen. Op dit moment zijn circa tien besluiten op een winningsplan op de Noordzee afgegeven die doorlopen na 2039, dus langer dan 15 jaar vanaf nu.
Kunt u garanderen dat er geen enkele toezegging wordt gedaan voor gaswinning die na 2040 zou kunnen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, er worden jaarlijks prognoses van het binnenlandse aardgasgebruik en de binnenlandse aardgasproductie gemaakt en bekeken of deze ontwikkelen zoals verwacht. Om er ervoor te zorgen dat de productie de vraag niet overstijgt, zoals afgesproken in het NZO, wordt aan alle winningsplannen een einddatum van uiterlijk 2045 verbonden. Tevens wordt gekeken om binnen de Mijnbouwwet een mogelijkheid te creëren geen nieuwe winningsplannen of verlengingen toe te staan als de vraag sneller daalt dan voorzien of wanneer de afbouw van gaswinning sneller nodig is.
Waarom kijkt EBN naar de mogelijkheid om met een meerderheidsbelang de exploitatie van nieuwe gasvelden op de Noordzee te realiseren? Komt dit doordat bedrijven nog te huiverig zijn voor het uit de Noordzee halen van de laatste resten gas?3 Wat vindt u van dit initiatief in het licht van de noodzaak om de winning van fossiele energie zo snel mogelijk te stoppen?
Om de daling van de binnenlandse productie van aardgas op de Noordzee af te remmen, worden maatregelen verkend die de opsporing (exploratie) van aardgas op de Noordzee kunnen versnellen. Zowel TNO als EBN geven aan dat de snel teruggelopen gaswinning van de afgelopen jaren met name komt door een sterke daling in het aantal exploratieboringen. Zoals vermeld in de brieven aan uw Kamer over het versnellingsplan gaswinning Noordzee op 15 juli 2022 (Kamerstuk 29 023, nr. 289) en 27 september 2023 (Kamerstuk 33 529, nr. 1174) wordt er onder meer een grotere rol voor EBN bij opsporingsactiviteiten overwogen. Andere mogelijke maatregelen zijn een wijziging van het stelsel voor opsporingsactiviteiten waarmee exploratieboringen worden aangemoedigd of het beperken of wegnemen van financiële risico’s bij operators. Daarnaast kijken we naar onze buurlanden en hoe zij de risico’s bij opsporingsactiviteiten proberen te beperken.
Het vergroten van het aandeel van EBN tijdens de exploratiefase (in specifieke gevallen) kan de opsporing van aardgas op de Noordzee bevorderen. Een groter dan 40% aandeel van EBN zou namelijk economisch winbare projecten kunnen realiseren die anders blijven liggen. Dit is een verregaande maatregel die een zorgvuldige afweging, afstemming en een Mijnbouwwetswijziging vergt. In de huidige Mijnbouwwet is namelijk een maximaal percentage van 40% toegestaan. Een instemming voor een groter aandeel van nevenactiviteiten is momenteel niet toegestaan door de wettelijk begrenzingen. Er wordt op dit moment geen grotere rol overwogen voor EBN in de exploitatie van nieuwe gasvelden, zoals in de vraag wordt gesteld.
Bent u bereid om de plannen van EBN om met een meerderheidsbelang tot exploitatie van gas op de Noordzee over te gaan stop te zetten? Zo ja, bent u bereid om de financiële middelen die hier naartoe zouden vloeien te investeren in hernieuwbare energie? Zo nee, waarom niet?
Het gaat hier om een maatregel die momenteel samen met EBN wordt verkend. Deze verkenning wordt uitgevoerd omdat het kabinet de daling van de binnenlandse productie van aardgas op de Noordzee zoveel mogelijk wil afremmen, vanwege de eerdergenoemde redenen. Maatregelen die de opsporing van aardgas op de Noordzee kunnen versnellen zijn hierbij essentieel. Er worden geen financiële middelen gereserveerd voor beleidsopties die zich nog in een verkennende fase bevinden. In de toegezegde kamerbrief die ik u voor de zomer toe stuur zal ik informeren over deze verkenning.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat over Staatsdeelnemingen bij de commissie Financiën op 2 april 2024 beantwoorden?
Nee, dat is helaas niet gelukt. Het debat is na het indienden van deze vragen vervroegd, en heeft plaatsgevonden op woensdag 27 maart 2024. Daarnaast heeft de afstemming extra tijd in beslag genomen.
Het bericht dat Shell honderden miljoenen heeft verdiend aan het ETS-systeem |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Opnieuw door de morele ondergrens» over de lucratieve emissiehandel van Shell?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat Shell, goed voor 1,4 procent van de wereldwijde uitstoot, in de top 10 van grootste vervuilers ter wereld, in vijftien jaar tijd een overschot van 2,3 miljard euro aan emissierechten heeft kunnen opbouwen en hiermee significante winst kan behalen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Ik ben het eens dat het onwenselijk is als bedrijven geld verdienen aan een emissiehandelssysteem voor zo ver dat het gevolg is van te veel gratis toegewezen emissierechten. In dat geval wordt niet voldaan aan het principe dat de vervuiler moet betalen. Dit was voornamelijk het geval in de beginjaren van het EU ETS waarin het systeem niet naar behoren functioneerde: de prijs was te laag door een te hoog aanbod van rechten, die (aan de industrie) grotendeels gratis werden verstrekt om koolstoflekkage te voorkomen. Na een aantal herzieningen is het systeem steeds beter gaan functioneren en met de laatste herziening in het kader van Fit-for-55 is het EU ETS vergaand aangescherpt: een sneller dalend emissieplafond dat borgt dat er vanaf 2040 geen emissierechten meer op de markt komen, uitfasering van de meeste gratis emissierechten richting 2034 en een versterking van het markstabiliteitsmechanisme dat overtollige rechten uit de markt haalt. De aanscherpingen waren direct terug te zien in de ETS-prijs. Het EU ETS voldoet daarmee steeds beter aan het principe dat de vervuiler moet betalen.
Het feit dat bedrijven handelen in emissierechten en daar geld aan kunnen overhouden, zie ik niet als zodanig als onwenselijk omdat dat juist onderdeel is van een goed functionerend emissiehandelssysteem. De combinatie van een aflopend plafond en de mogelijkheid om emissierechten te verhandelen, zorgt ervoor dat emissiereductie met zekerheid wordt bereikt, terwijl het marktmechanisme ervoor zorgt dat dat tegen de laagste kosten gebeurt. Dit mechanisme zorgt er bovendien voor dat de waarde van CO2-uitstoot, gegeven een bepaald emissieplafond, direct wordt vertaald in de prijs van een emissierecht. Dit zagen we bijvoorbeeld terug in de grote prijsstijging van ETS-rechten toen de aanscherpingen van het EU ETS bekend werden, waardoor de businesscase van duurzame investeringen direct werd verbeterd.
Ten aanzien van het opsparen van ETS-rechten heb ik vertrouwen in het marktstabiliteitsmechanisme, dat met vooraf afgesproken regels automatisch functioneert. Indien te veel rechten in omloop zijn (niet worden ingeleverd) wordt een deel van het overschot in mindering gebracht van toekomstige veilingen waardoor de facto rechten uit de markt worden gehaald. Zo worden tussen september 2023 en augustus 2024 272 miljoen minder rechten geveild in de EU.
Deelt u de mening dat het onjuist is als een bedrijf geld verdient aan emissierechten terwijl de CO2-uitstoot niet significant daalt? Wat vindt u ervan dat emissierechten naar verwachting nog lucratiever worden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het principe van «de vervuiler betaalt» niet opgaat als de grote vervuiler flinke winst maakt door de handel in emissierechten en, zoals in het geval van Shell, nog net zo veel CO2 uitstoot als toen het Emission Trade System (ETS) begon? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de mogelijkheden te onderzoeken om historische emissierechten voor derden te beprijzen op de marktwaarde waarop ze verkregen zijn in plaats van de dan geldende marktwaarde, waardoor winst op emissierechten niet langer mogelijk is?
Nee, ik ben niet bereid om dit te onderzoeken omdat het haaks staat op een goed functionerend EU ETS en een inbreuk zou zijn op het eigendomsrecht.
Deelt u de mening dat de mogelijkheid te speculeren in emissierechten, onder andere door bedrijven die zelf deze rechten niet nodig hebben, zoals banken, niets bijdraagt aan het doel van het ETS om CO2-uitstoot te verminderen omdat het er niet voor zorgt dat de vervuiler betaalt? Zo nee, kunt u dit toelichten? Deelt u de mening dat een klimaatplicht, waarbij grote vervuilers wettelijk worden verplicht hun uitstoot terug te brengen, effectiever is dan het systeem van verhandelbare emissierechten?
Nee, beide meningen deel ik niet.
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, 3 en 4 is handel in ETS-rechten noodzakelijk voor een goed functionerend emissiehandelssysteem. Daarbij maakt het niet uit of de handelende partij zelf een ETS-plichtige uitstoter is of bijvoorbeeld een financiële instelling. Omdat een ETS-recht een financieel product is, houdt de Autoriteit Financiële Markten toezicht op het functioneren van het markt.
Het wettelijk verplichten van uitstootreductie in plaats van het EU ETS vind ik niet verstandig omdat dit tot hogere maatschappelijk kosten zou leiden. Bovendien leidt het EU ETS tot inkomsten die in alle EU-lidstaten volledig aan klimaatbeleid moeten worden besteed.
Bent u bereid zich in te zetten om het gebruik van geitenpaadjes in het ETS uit te sluiten, om te voorkomen dat grote bedrijven zoals Shell emissierechten oppotten en hiermee gaan speculeren? Zo ja, op welke manier? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord op vraag 2, 3 en 4.
Deelt u de mening dat het gratis weggeven van het «recht» om te vervuilen, wat in het geval van Shell neerkomt op 90 procent van de emissierechten, haaks staat op onze gezamenlijke taak om de CO2-uitstoot versneld en drastisch terug te brengen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Een prijs zetten op vervuiling is een belangrijke manier om de uitstoot van CO2 snel terug te dringen. De schaal waarop zeker in het verleden, maar ook nu nog, gratis rechten worden toegewezen, rijmt wat mij betreft niet met de noodzaak om zo snel mogelijk te verduurzamen. Dat neemt niet weg dat kosteloze toewijzing ook een doel dient. Als we vandaag volledig zouden stoppen met kosteloze toewijzing zou dat een ongelijk speelveld creëren tussen bedrijven binnen en buiten de EU, met als gevolg dat (de productie van) bedrijven zich verplaatsen naar buiten de EU. Dat is ongewenst voor zowel het klimaat als de Europese economie.
Er moet dus een balans gevonden worden met ook andere manieren om weglek te voorkomen. Daar heb ik mij afgelopen jaren voor ingezet tijdens de onderhandelingen over de herziening van de ETS-richtlijn in het kader van Fit for 55. In het resultaat herken ik veel terug van de ambitieuze inzet van Nederland op het vlak van gratis rechten: het aantal gratis rechten de komende jaren fors afgebouwd, met steeds scherper wordende benchmarks. Met het de koolstofgrensheffing (CBAM) is er een alternatief gevonden om weglek te voorkomen, waardoor de gratis toewijzing van rechten in CBAM-sectoren volledig wordt uitgefaseerd richting 2034. De elektriciteitssector krijgt nu al geen gratis rechten meer. Ik ben ervan overtuigd dat het ETS door de laatste herziening de komende jaren steeds beter gaat functioneren en vervuiling een eerlijke prijs krijgt.
Vindt u dat een bedrijf als Shell, met een winst van 38,5 miljard euro in 2022, recht zou moeten hebben op nog meer overheidsgeld door maatwerkafspraken te maken? Zo ja, waarom bent u van mening dat hetzelfde doel niet bereikt zou kunnen worden door strengere regelgeving waarmee miljarden kunnen worden bespaard die kunnen worden geïnvesteerd in echte duurzaamheid?
We willen dat de Nederlandse industrie verduurzaamt en dat dat ook in Nederland gebeurt. Een sterke industrie in Nederland is van belang voor onder andere onze strategische autonomie en ons verdienvermogen. Dat is niet kosteloos en laat zich niet altijd door regels afdwingen. Internationale hoofdkantoren kijken naar wat andere landen doen. En die zitten niet stil. We hebben te maken met internationale concurrentie, denk bijvoorbeeld aan de IRA in de VS. We zijn er ook niet mee geholpen als deze bedrijven (met de banen die daarbij horen) uit Nederland vertrekken en ergens anders zich vestigen. Dat is niet goed voor onze economie en werkgelegenheid en de wereld wordt er ook niet schoner van. Maatwerk gaat overigens over veel meer dan subsidies of leningen. Bedrijven willen vooral hun investeringsrisico’s verminderen. Dat gaat om het wegnemen van coördinatieproblemen, duidelijkheid, voorspelbaarheid op zaken als beleid, beschikbaarheid van infrastructuur en vergunningen.
Bent u bereid zich in te zetten voor een additionele versnelling van het afschaffen van de gratis emissierechten binnen het ETS? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zoals toegelicht in mijn antwoord op vraag 8, heb ik mij tijdens de laatste herziening van de ETS-richtlijn ingezet voor een ambitieuze afbouw van gratis rechten. De onderhandelingen over de volgende herziening zal waarschijnlijk in 2026 plaatsvinden en is aan een volgend kabinet.
Het verstrekken van een toegangspas voor COP28 aan GasLog |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Kunt u aangeven waarom GasLog via de Nederlandse overheid een toegangspas tot de COP28 heeft gekregen?
Nederland heeft accreditatie bij de COP28 verzorgd zodat de Port of Amsterdam (PoA), Zenith Energy en GasLog een Joint Study Agreement konden ondertekenen met de overheid van Oman en Hydrom. Het doel van dit project is om een vloeibare waterstofketen te ontwikkelen tussen Oman en Nederland. PoA, Zenith Energy en GasLog werken aan de Nederlandse kant van het project. De ontwikkeling van de vloeibare waterstofketen is noodzakelijk om grote hoeveelheden duurzame energie te kunnen verplaatsen op grote afstanden, waardoor de afhankelijkheid van olie en gas van andere regio’s wordt verminderd. Dit project is uniek in de wereld en kan bijdragen aan de versnelling van de transitie naar duurzame bronnen en klimaatverandering aan te pakken.
Bent u zich bewust van het feit dat de kern van de werkzaamheden van GasLog is om Liquified Natural Gas (LNG), een fossiele brandstof, te verschepen?
GasLog speelt een belangrijke rol in de wereldwijde LNG-markt door te zorgen voor het veilige en efficiënte transport van LNG, wat een essentiële schakel is in de keten op de mondiale LNG-markt. GasLog heeft kennis omtrent het vervoer van gekoeld gas, het beheer van de vloot en het bouwen van nieuwe tankers. Kennis die ook zeer van toepassing is om nieuwe tankers te bouwen voor het verschepen van vloeibare waterstof. Ik ben niet bekend met de groeiplannen of strategie van GasLog wat betreft de uitbreiding van de vloot, waar in vraag 8 naar wordt verwezen.
Kent u de uitkomsten uit wetenschappelijk onderzoek dat LNG net zo vervuilend is in elektriciteitsproductie als kolen, zoals bijvoorbeeld al in 2019 aangetoond door de US Department of Energy?1 Zo ja, bent u het eens dat het inzetten op LNG niet bijdraagt aan een emissievrij energiesysteem?
Ik ken de uitkomsten van het onderzoek dat u noemt. Hierin wordt geconcludeerd dat het gebruik van Amerikaans LNG voor de productie van elektriciteit in Europese en Aziatische markten de broeikasgasemissies vanuit een levenscyclusperspectief niet zal doen toenemen in vergelijking met regionale kolenwinning en -verbruik voor elektriciteitsproductie. Variabiliteit is verwacht in de emissies rondom de productie van het gas dat wordt geëxporteerd, maar in het algemeen is het gebruik van gas niet vervuilender dan kolen. Exhibit 6–1 van het rapport laat dit zien:
Bron: S. Roman-White, S. Rai, J. Littlefield, G. Cooney, T. J. Skone, 12 september 2019, «Life cycle greenhouse gas perspective on exporting liquefied natural gas from the United States: 2019 update.» (https://www.energy.gov/sites/prod/files/2019/09/f66/2019%20NETL%20LCA-GHG%20Report.pdf)
Ik ben het met u eens dat LNG (zonder CO2-opvang en -opslag) niet bijdraagt aan een emissievrij energiesysteem. Om onze klimaatdoelen te halen, wordt het gebruik van fossiele energie als kolen, olie en aardgas stap voor stap afgebouwd. In de overgangsfase naar een CO2-arme energievoorziening is nog aardgas nodig. Niettemin zijn Europa en Nederland, vanwege de aflopende eigen productie, nog geruime tijd afhankelijk van LNG-toevoer uit verschillende landen om in de energievraag te kunnen voorzien.
Hoeveel methaan- en andere broeikasgassen worden tijdens de levenscyclus van een liter LNG uitgestoten en wat zegt dit over de schadelijke impact van LNG?
Dit is zeer afhankelijk van verschillende factoren, zoals de manier waarop aardgas wordt geproduceerd en de afstand waarover LNG wordt getransporteerd. In het algemeen geldt dat geïmporteerde LNG tot meer CO2-uitstoot leidt dan aardgas geproduceerd in eigen land. Onderzoek van het Oxford Institute for Energy Studies (OIES) heeft uitgewezen dat wanneer 1 miljard m3 in Nederland geproduceerd gas vervangen wordt door geïmporteerde LNG, dit gemiddeld 443.100 ton CO2 eq scheelt2. Daarom heeft het kabinet gekozen voor het versnellen van de gaswinning op de Noordzee (Kamerstuk 29 023, nr. 289).
Het gebruik van fossiele brandstoffen, waaronder LNG, heeft schadelijke impact op natuur, gezondheid en het klimaat. Om die reden hebben we nationale en internationale doelen vastgesteld om fossiele brandstoffen uit te faseren van ons energiesysteem. Dat neemt niet weg dat het verminderde aanbod aardgas als gevolg van de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld en het wegvallen van gas uit Rusland, de komende tijd moet worden gecompenseerd door middel van LNG-import.
Bent u zich bewust van het feit dat GasLog in 2022 op basis van het eigen duurzaamheidsrapport 20% meer CO2 uitstootte dan in 2020? Zo ja, wat vindt u van het feit dat dit bedrijf alleen maar meer vervuilt?2
Ja, het is openbare informatie. De belangrijkste reden hiervoor is dat sinds 2021 er drie nieuwe tankers in de vloot zijn bijgekomen. Ten opzichte van 2021 zijn de totale CO2-emissies van GasLog afgenomen, omdat ze twee van hun schepen als «Floating Storage Unit» hebben gebruikt.
De schepen van GasLog worden voornamelijk met LNG als scheepsbrandstof aangedreven (van de boiloff die plaatsvindt van de opgeslagen LNG in het schip). LNG als brandstof is minder vervuilend dan andere conventionele maritieme brandstoffen. Daarom is de vloot van GasLog een van de minst CO2-intensieve in de markt. Totdat er voldoende aanbod is van duurzame maritieme brandstoffen zullen deze schepen nog moeten varen. Het is dus goed dat ze aan innovatieve technieken werken, zoals vloeibare waterstof, om duurzamere brandstoffen op lange afstanden te kunnen transporteren.
Gegeven bovenstaande feiten, bent u het met mij eens dat het in het voordeel van bedrijven als GasLog zou zijn om de transitie naar duurzame energiebronnen te vertragen? Zo nee, waarom niet?
Het bedrijf heeft zich gecommitteerd aan net-zero in 20504 in lijn met de Nederlandse verduurzamingsdoelen. Ook zijn er inmiddels Europese en internationale doelstellingen vastgesteld voor de verduurzaming van de scheepvaart. Het MoU waarvoor GasLog op de COP aanwezig was met betrekking tot de vloeibare waterstofketen kan helpen de transitie te versnellen en zonder deze transitie naar duurzame energiebronnen zullen de genoemde nationale en internationale verduurzamingsdoelen niet worden behaald.
Wat is uw reactie op het feit dat GasLog claimt dat LNG een schonere brandstof is en noodzakelijk is voor de transitie naar duurzame energie?3 Bent u het ermee eens dat het woord «schoon» hier niet op zijn plek is met het oog op de bovengenoemde feiten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben met u eens dat LNG geen «schone» brandstof is omdat er CO2-uitstoot mee gepaard gaat. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 is LNG wel tijdelijk noodzakelijk om in de transitie naar duurzame energie leveringszekerheid te kunnen garanderen met behoud van betaalbaarheid van energie.
Wat vindt u ervan dat GasLog flinke groeiplannen lijkt te hebben en wil inzetten op het uitbreiden van hun vloot, waarbij er geen sprake blijkt te zijn van een transitie weg van LNG?
Zie antwoord vraag 2.
Welk percentage van totale jaarlijkse investeringen die GasLog in de afgelopen 5 jaar heeft gedaan wordt geïnvesteerd in (transport van) emissievrije energiebronnen?
Ik heb de specifieke bedrijfsgegevens niet tot mijn beschikking om deze vraag te kunnen beantwoorden.
Ziet u in dit kader tijdens de COP28 de aankondiging dat GasLog gaat meewerken aan een studie naar de eerste commerciële route voor commerciële vloeibare waterstof in dit kader ook meer als greenwashing dan als significante financiële investering?4
Nee.
Bent u het ermee eens dat de door Nederland ondertekende oproep tot uitfaseren van fossiel schuurt met de aan GasLog verleende toegang tot de klimaattop? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, was GasLog aanwezig vanwege een project voor de ontwikkeling van een vloeibare waterstofketen, als onderdeel van de transitie naar een duurzaam energiesysteem. Dat past in de tijdens COP28 afgesproken oproep om weg te bewegen van het gebruik van fossiele brandstoffen in het energiesysteem.
Bent u van plan om te handelen in lijn met de op de COP28 ondertekende oproep tot een transitie weg van fossiele subsidies, en in het vervolg geen toegangspassen meer te geven aan bedrijven die fossiele brandstoffen winnen of vervoeren? Zo nee, waarom niet?
In Nederland zijn we bezig met de transitie naar een duurzaam energiesysteem, weg van het gebruik van fossiele brandstoffen. Bedrijven die daar voor of namens Nederland tijdens een COP aantoonbaar een bijdrage aan leveren kunnen in aanmerking komen voor een toegangspas via de Nederlandse overheid.
Belastingontwijking door bedrijven zoals Chemours |
|
Christine Teunissen (PvdD), Sandra Beckerman , Ines Kostić (PvdD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u sinds de beantwoording van mondelinge vragen op dinsdag 6 februari 2024 over het bericht «Vervuilende pfas-fabriek Chemours betaalde geen winstbelasting dankzij «cynische constructie»» van Follow the Money1 deze in meer detail kunnen bekijken?
Ik heb kennisgenomen van het artikel van Follow The Money over Chemours van 5 februari. In het vragenuur van 6 februari 2024 ik met uw Kamer over dit artikel gesproken. Relevante informatie heb ik zo goed en volledig mogelijk gedeeld op 6 februari met inachtneming van de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Meer informatie valt onder artikel 67 AWR en kan om die reden niet gedeeld worden.
Kunt u uitgebreider ingaan op de aantijgingen in het artikel en in hoeverre Chemours inderdaad honderden miljoenen winst maakte waarover ze geen winstbelasting hoefde te betalen, en zelfs geld terug heeft gekregen van de Belastingdienst?
Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR kan ik niet ingaan op individuele fiscale dossiers. In algemene zin kan het voorkomen dat een bedrijf in een bepaald jaar winst maakt en toch geen vennootschapsbelasting hoeft te betalen. Het belastbare bedrag waarover de vennootschapsbelasting wordt berekend, is namelijk de fiscale winst van een jaar minus de verrekenbare verliezen uit andere jaren. Verliesverrekening is inherent aan de systematiek van belastingheffing van ondernemerswinst. Het uitgangspunt is namelijk dat een bedrijf belasting betaalt over de winst die het behaalt over zijn totale levensduur (het «totaalwinstprincipe»). Als een verlies uit een bepaald jaar wordt verrekend met de winst van een voorgaand jaar («carry back»), dan resulteert dat in een teruggave van vennootschapsbelasting. Verliezen kunnen ook worden verrekend met winsten van volgende boekjaren («carry-forward»). Om te voorkomen dat bedrijven met winstgevende activiteiten in Nederland jaren achtereen geen vennootschapsbelasting betalen vanwege een grote hoeveelheid verrekenbare verliezen, zijn per 1 januari 2022 de regels voor verliesverrekening in de vennootschapsbelasting aangescherpt. Verliesverrekening kan in een bepaald jaar slechts plaatsvinden tot een bedrag van € 1 miljoen, vermeerderd met 50% van de belastbare winst die de € 1 miljoen te boven gaat.
Wat is uw reactie erop dat Chemours geen winstbelasting hoeft te betalen in Nederland, terwijl ze ondertussen wel de omgeving hier ernstig vervuilen en een gevaar zijn voor de gezondheid van omwonenden?
Winstbelasting (vennootschapsbelasting) is een belasting die wordt geheven over de belastbare winst die een bedrijf in Nederland behaalt. De winst van een bedrijf staat niet in rechtstreeks verband met bijvoorbeeld de mate van vervuiling. Daarom is er ook geen direct verband tussen de mate van vervuiling en de hoogte van de winstbelasting.
Vindt u dat hier het principe «de vervuiler betaalt» goed wordt toegepast? Kunt een nauwkeurige inhoudelijke toelichting geven?
In de vennootschapsbelasting betalen bedrijven belasting die belastbare winst in Nederland behalen. Het principe «de vervuiler betaalt» is geen principe in de vennootschapsbelasting.
Onderschrijft u de analyse dat de winst van Chemours in Nederland op papier laag lijkt door een verschil in de interne en externe prijs die het bedrijf hanteerde en daarmee een direct belastingvoordeel geeft door deze methode van transfer pricing? Zo niet, waarom niet?
Vennootschappen die tot dezelfde groep behoren, zijn onder fiscale regelgeving verplicht hun onderlinge transacties vorm te geven met inachtneming van het at arm’s-length beginsel. Dit beginsel is vastgelegd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969). De OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en belastingdiensten2 geven inzicht in de wijze waarop het arm’s-lengthbeginsel in de praktijk dient te worden toegepast. In het Verrekenprijsbesluit wordt invulling gegeven aan de toepassing van het zogenoemde at arm’s-lengthbeginsel ten behoeve van de Nederlandse rechtspraktijk.3 Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de AWR kan ik niet ingaan op individuele fiscale dossiers.
Heeft de Belastingdienst vooroverleg gehad met Chemours over de verschuldigde winstbelasting (i.e. een ruling)? Zo ja, wat houdt deze ruling in? Zo nee, is hiervoor wel een aanvraag gedaan?
Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de AWR kan ik niet ingaan op individuele fiscale dossiers. Hieronder valt ook de vraag of er al dan niet contact is geweest met een individuele belastingplichtige, of de vraag of een afspraak in het kader van zekerheid vooraf is overeengekomen tussen de Belastingdienst en een individuele belastingplichtige.
In het algemeen kan ik wel het volgende opmerken. Een belanghebbende kan verzoeken om vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf. Dit geldt zowel voor burgers als bedrijven. Zo kun je als belastingplichtige vooraf zekerheid krijgen over de fiscale gevolgen van voorgenomen handelingen of transacties. Dit doet de Belastingdienst binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie. Een ruling zorgt dus voor zekerheid vooraf over de uitleg van de wet. De uitleg van fiscale wet- en regelgeving voor belastingplichtigen is echter altijd gelijk, met of zonder ruling. Zekerheid vooraf vervult niet alleen een waardevolle functie voor belastingplichtigen, maar ook een belangrijke functie in het toezicht van de Belastingdienst.
Specifiek over de rulings met een internationaal karakter merk ik op dat met ingang van 1 juli 2019 de Nederlandse rulingpraktijk is aangescherpt. Dit om de kwaliteit van de rulingpraktijk voor bedrijven met reële activiteiten verder te borgen, de eenheid van beleid en uitvoering en de naleving van procedurevoorschriften te versterken en meer transparantie over de internationale rulingpraktijk te bieden. Rulings met een internationaal karakter worden centraal gecoördineerd en getoetst. Periodiek onderzoekt een onafhankelijke commissie of het afgeven van deze rulings met een internationaal karakter binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie plaatsvindt. Deze onderzoekscommissie heeft in al haar rapporten geconcludeerd geen aanwijzingen te hebben gevonden dat de onderzochte rulings met een internationaal karakter inhoudelijk in strijd zijn met de wet, het beleid of de jurisprudentie waren afgegeven. Hun rapporten zijn openbaar. Ook de Algemene Rekenkamer heeft in haar onderzoek inzake rulings met een internationaal karakter van 15 april 2021 geconcludeerd dat de betrokken rulings in overeenstemming met de op dat moment geldende regels zijn afgegeven, op een beperkt aantal kanttekeningen na. Voorts worden vanwege de transparantie sinds enkele jaren geanonimiseerde samenvattingen gepubliceerd van alle toegewezen, afgewezen en ingetrokken verzoeken om vooroverleg met een internationaal karakter. Ook zijn op de website van de Belastingdienst vragen en antwoorden met betrekking tot rulings met een internationaal karakter te raadplegen. Tot slot wordt in het kader van transparantie jaarlijks, als onderdeel van de jaarrapportage Belastingdienst, inzicht gegeven in de ontwikkelingen van de rulingpraktijk (het jaarverslag rulings met een internationaal karakter).
Wat zou het antwoord van de Belastingdienst typisch zijn als een groot, internationaal opererend bedrijf een verzoek doet voor een ruling over winstbelasting? Welke overwegingen zouden hierin worden meegenomen?
De voorwaarden voor vooroverleg inzake rulings met een internationaal karakter zijn vastgelegd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het uitgangspunt is dat internationaal vooroverleg niet mogelijk is als belastingbesparing de enige of doorslaggevende reden van een rechtshandeling is, de gevraagde zekerheid betrekking heeft op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en/of niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of als een belanghebbende op de EU-sanctielijst staat. De hoogte van het tarief van de winstbelasting is nooit een onderwerp van een ruling.
Door welke afdeling binnen de Belastingdienst en volgens welk proces beoordeelt de Belastingdienst de methodiek van intercompany pricing van bedrijven (zoals Chemours)?
De directie Grote Ondernemingen (GO) van de Belastingdienst is verantwoordelijk voor de uitvoering en handhaving van fiscale wet- en regelgeving bij de grootste profit en publieke organisaties en zeer vermogende personen van Nederland. De werkwijze van Belastingdienst Grote Ondernemingen kenmerkt zich door een individuele klantbehandeling van deze grote organisaties en vermogende personen. Onderdeel van het toezichtconcept bij grote ondernemingen is dat periodiek contact plaatsvindt tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst. De uitvoerings- en toezichtstrategie van deze directie is neergelegd en gepubliceerd in de leidraad Toezicht Grote Ondernemingen. Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de AWR kan ik niet ingaan op individuele fiscale dossiers. Binnen de Belastingdienst zijn verschillende coördinatiegroepen ingesteld. De coördinatiegroep verrekenprijzen (CGVP) is verantwoordelijk voor de uitvoeringscoördinatie op het terrein van de verrekenprijzen. De CGVP waarborgt daarbij dat sprake is van eenheid van beleid met betrekking tot de uitvoering op het gebied van de verrekenprijzen. Bij de uitvoering van deze werkzaamheden werkt de CGVP nauw samen met de lokale inspecteur van de Belastingdienst. De CGVP ondersteunt de inspecteur bij de behandeling van verrekenprijsproblematiek.
Wat zijn de voornaamste beperkingen van dit controleproces?
Door de toegenomen globalisering in de afgelopen decennia is het belang van «intercompany pricing» (verrekenprijzen) toegenomen. Dit gaat gepaard met een toegenomen belangstelling voor het vakgebied bij bedrijven, adviseurs en overheden. Intercompany pricing is aan de orde bij iedere transactie tussen gelieerde vennootschappen. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 5 spelen verrekenprijzen een rol waar het gaat om de allocatie van winsten (en verliezen) van concerns aan de verschillende vennootschappen en daarmee de initiële omvang van de winst waarover fiscale jurisdicties bevoegd zijn belasting te heffen. Het aantal bedrijven dat in Nederland actief is en dat wordt geconfronteerd met verrekenprijsvraagstukken is de laatste decennia fors toegenomen.
Binnen de directie GO van de Belastingdienst is intercompany pricing een vast element in de totale risico-selectie, op basis waarvan vervolgens de capaciteit van de CGVP (zie antwoord 8) al dan niet wordt ingezet. Deze capaciteit is uiteraard niet onbeperkt. Om deze reden dienen in het selectieproces, het startpunt van eventuele responsieve toezichtactiviteiten, keuzes te worden gemaakt omtrent de inzet van de CGVP-capaciteit. De niet-onbeperkte capaciteit vormt in dezen de eerste beperking van dit toezicht-(controle-)proces. Wanneer vervolgens wordt besloten tot inzet van CGVP-capaciteit, kan de praktijk geconfronteerd worden met informatie-asymmetrie, waarbij veel tijdrovende inspanningen moeten worden gedaan om tot volledigheid van de informatievoorziening te komen.
Zou de Belastingdienst het als een waarschuwing voor mogelijke belastingontwijking zien als een bedrijf een grote daling in de winst rapporteert van een Nederlandse fabriek die voornamelijk aan een gelieerd lichaam in het buitenland levert, terwijl tegelijkertijd een grote stijging uit dividend uit datzelfde land te zien is? Zo ja, hoe zou de Belastingdienst hierop handelen? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is het afhankelijk van de bij de Belastingdienst bekende overige feiten en omstandigheden van het geval of een dergelijke situatie een signaal is voor nader onderzoek. De relevante feiten en omstandigheden betreffen allereerst de functies en risico’s die een bedrijf in Nederland en het gelieerde lichaam in het buitenland vervullen, en de relatieve betekenis van deze functies en risico’s in de totale, internationaal georganiseerde, waardeketen binnen het concern waar dit bedrijf toe behoort en waarbinnen deze functies en risico’s plaats hebben. Afhankelijk van genoemde feiten en omstandigheden kan in de ene situatie een grote daling in de winst voor de Belastingdienst een signaal voor nader onderzoek opleveren, terwijl dat in een andere situatie niet het geval hoeft te zijn. Voor het geval de Belastingdienst in de situatie een signaal voor nader onderzoek ziet, zal het handelen van de Belastingdienst erop gericht zijn alle voornoemde relevante feiten en omstandigheden (nader) in beeld te brengen om vervolgens te beoordelen of de gepresenteerde gevolgen in lijn zijn met het arm’s-lengthbeginsel (zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 12).
Heeft PWC, als accountant van Chemours met de wettelijke plicht om constructies te melden die worden gebruikt voor belastingontwijking, melding gedaan bij de Belastingdienst? Zo ja, wat is er met die melding gedaan? Zo nee, waarom niet en hadden ze dat in dit geval niet moeten doen?
Nederland heeft per 1 juli 2020 de Europese DAC6-richtlijn4 ook wel Mandatory Disclosure Rules genoemd, geïmplementeerd. Als gevolg daarvan moeten intermediairs en/of belastingplichtigen vanaf 1 januari 2021 potentieel agressieve grensoverschrijdende fiscale constructies melden bij de Belastingdienst. Het gaat dan om fiscale constructies waarbij inwoners van verschillende landen zijn betrokken, die mogelijk gebruikt kunnen worden om belasting te ontwijken. Of een constructie gemeld moet worden wordt bepaald aan de hand van een lijst met wezenskenmerken.5 De «intermediair» is de persoon die een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie bedenkt, aanbiedt, opzet, beschikbaar maakt voor implementatie of de implementatie ervan beheert. De Europese DAC6-richtlijn had ook terugwerkende kracht. Uiterlijk 28 februari 2021 moesten de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies die plaatsvonden vanaf 25 juni 2018 tot 1 juli 2020 worden gemeld bij de Belastingdienst.
Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de AWR kan ik niet ingaan op individuele fiscale dossiers.
In hoeverre is het gebruikelijk dat bedrijven afwijken van het arm’s length-principe bij het bepalen van de verrekenprijzen? Vindt u dit wenselijk?
Voor de beprijzing van gelieerde transacties is het arm’s-lengthbeginsel een leidend principe in het internationale fiscale recht. Ik verwijs ook naar het antwoord op vraag 5. Het principe is vastgelegd in artikel 8b Wet Vpb 1969. De OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en belastingdiensten6 geven inzicht in de wijze waarop het arm’s-lengthbeginsel in de praktijk dient te worden toegepast. De richtlijnen bieden houvast aan de praktijk om een zakelijke verrekenprijs vast te stellen. Feiten en omstandigheden zijn relevant om vast te stellen welke verrekenprijs in casu toepasselijk is. Omdat interpretatieverschillen van de OESO-richtlijnen tot verschillende uitkomsten kunnen leiden, kan er verschil van mening ontstaan tussen belastingdiensten enerzijds en bedrijven en hun adviseurs anderzijds over de vraag of een bepaalde verrekenprijs in lijn is met het arm’s-lengthbeginsel. Door de toegenomen aandacht voor het onderwerp (zie mijn antwoord op vraag 9) is de bewustheid van bedrijven om te handelen in overeenstemming met het arm’s-lengthbeginsel in algemene zin aanwezig. Dit hoeft echter niet altijd te leiden tot eenzelfde inzicht over de hoogte van deze verrekenprijs. Dit is in de praktijk overigens niet enkel het geval tussen belastingdiensten en bedrijven en hun adviseurs, maar ook tussen belastingdiensten van verschillende staten onderling.
Bewuste afwijkingen van het arm’s-lengthbeginsel komen in de praktijk voor7. Omtrent de «gebruikelijkheid» daarvan worden geen gegevens bijgehouden. Wanneer de Belastingdienst van mening is dat een bedrijf (bewust of onbewust) afwijkt van het arm’s-lengthbeginsel zoals de Belastingdienst dit op basis van de in casu relevante feiten en omstandigheden voorstaat, en dat om die reden de vergoeding voor de in Nederland uitgeoefende activiteiten binnen concernverband te laag is, is dit niet aanvaardbaar en zal een winstcorrectie worden doorgevoerd. In voorkomende gevallen zal ook een boete worden opgelegd.
Klopt het dat u voornemens bent om het arm’s length-beginsel in de EU-wetgeving op te nemen, maar dit niet strikter in wilt vullen dan de OESO-richtlijn? Zo ja, wat is dan de wijziging met de huidige situatie? Zo nee, wat is dan uw insteek voor het arm’s length-beginsel?
Het kabinet steunt het opnemen van het arm’s-lengthbeginsel in EU-wetgeving. Een verplichting voor lidstaten om het arm’s-lengthbeginsel in nationale regelgeving op te nemen zou een stap richting uniformering van het arm’s-lengthbeginsel binnen de EU kunnen zijn. Het beginsel krijgt daarmee in alle lidstaten dezelfde status.
Invulling aan het arm’s-lengthbeginsel wordt momenteel gegeven middels de OESO-richtlijnen. Deze richtlijnen hebben geen wettelijke status en worden in verschillende landen soms verschillend geïnterpreteerd. De OESO-richtlijnen geven volgens het kabinet een internationaal geaccepteerde invulling aan het arm’s-lengthbeginsel. Om die reden is het kabinet van mening dat een eventuele nadere invulling van het arm’s-lengthbeginsel aan de hand van de OESO-richtlijnen, bij voorkeur in OESO-verband geschiedt. Bindende EU-interpretatie van de OESO-richtlijnen brengt het risico met zich mee dat EU-lidstaten niet meer adequaat kunnen reageren op aanpassingen gemaakt door derde landen. Dit kan, in tegenstelling tot wat het voorstel beoogt, leiden tot een hoger risico op dubbele (niet-)belasting voor EU-belastingplichtigen en meer onderlinge overlegprocedures met landen buiten de EU.
Bent u het eens met de constatering dat de huidige regelgeving rondom het transfer pricing systeem bedrijven veel ruimte biedt om verrekenprijzen te beïnvloeden ten gunste van een lagere belastingafdracht? Zo ja, vindt u dit wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Het is niet wenselijk indien belastingplichtigen door middel van verrekenprijzen een lagere belastingafdracht bewerkstelligen. Verrekenprijzen dienen in lijn te zijn met het arm’s-lengthbeginsel zoals gecodificeerd in artikel 8b Wet Vpb 1969. Op basis van het arm’s-lengthbeginsel dienen de voorwaarden (inclusief de prijs) van transacties tussen gelieerde lichamen vergelijkbaar te zijn met de voorwaarden van vergelijkbare transacties tussen ongelieerde lichamen.
Daarnaast is in het zogenaamde Base Erosion and Profit Shifting (BEPS)-project van de OESO door een wijziging van de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen getracht op een betere manier de winstverdeling te laten aansluiten bij de plekken waar binnen een multinationaal concern de waarde wordt gecreëerd. Op deze wijze is getracht om kunstmatige constructies waarbij verrekenprijzen een rol spelen terug te dringen.
Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 12 hiervoor.
Zou een constructie zoals die van Chemours onder de gewijzigde richtlijn verrekenprijzen zoals deze beschreven is in de Fiche Richtlijn Verrekenprijzen2 nog binnen de bandbreedte van toegestane verrekenprijzen vallen? Zo ja, vindt u dit wenselijk? Zo nee, zou dit dan niet nu al verboden moeten worden?
Het kabinet verwacht in zijn algemeenheid niet dat de mogelijke implementatie van het Richtlijnvoorstel verrekenprijzen in de praktijk tot een wezenlijk ander oordeel zal leiden in relatie tot de beoordeling van de verrekenprijzen bij belastingplichtigen dan de huidige situatie. Het voorstel verwijst namelijk naar de interpretatie van het arm’s-length beginsel zoals beschreven in de OESO-richtlijnen. Slechts voor specifieke situaties zou er een afwijking mogelijk zijn.
Bent u bereid de regels omtrent transfer pricing verder aan te scherpen dan in het huidige Fiche Richtlijn Verrekenprijzen staat beschreven om constructies zoals die van Chemours in de toekomst te voorkomen?
Binnen de OESO zal Nederland zich blijvend inzetten om de OESO-richtlijnen verder te verbeteren indien dat kan leiden tot een effectievere aanpak van ongewenste constructies met een relatie tot verrekenprijzen.
Vindt u dat u het bedrijf op alle mogelijke manieren heeft aangepakt, zo ook financieel, om ervoor te zorgen dat de vervuiling stopt?
Alle mogelijkheden die de wetgeving biedt, worden gebruikt om emissies zoveel mogelijk te beperken. Voor PFAS die zijn aangemerkt als zeer zorgwekkende stof (ZZS) geldt een minimalisatieplicht. Bedrijven dienen in hun vermijdings- en reductieprogramma’s aan te geven hoe zij hieraan voldoen. Chemours is daarnaast gehouden aan vergunningen van de bevoegde gezagen. Voor emissies naar de lucht en voor indirecte lozingen heeft het bedrijf een vergunning van de DCMR-milieudienst Rijnmond namens de Provincie Zuid-Holland. Voor directe lozingen heeft het bedrijf een vergunning van Rijkswaterstaat. Zoals in antwoorden op vragen van uw Kamer vorig jaar gemeld (Aanhangsel 2022–2023 nr. 3647) zijn de vergunde luchtemissies van GenX-stoffen (deze behoren tot de ZZS) van 660 kg/jaar in 2013 naar 4 kg/jaar in 2022 gegaan en moeten deze uiterlijk in 2025 uitkomen op maximaal 3,45 kg/jaar. De vergunde emissie van de GenX-stoffen in indirecte lozingen is in stappen teruggebracht van 6.400 kg in 2013 naar 2 kg/jaar in 2021. Ook voor de vergunde emissies van de andere PFAS geldt dat deze in stappen verlaagd moeten worden tot gemiddeld 99% reductie in 2025. Voor de directe lozingen is in 2022 een nieuwe vergunning afgegeven waarmee maximaal 5 kg/jaar voor de GenX-stoffen geloosd mag worden en maximaal 2 kg/jaar voor PFOA. Bij overtredingen kunnen de bevoegde gezagen handhavend optreden en kunnen bestuursrechtelijke maatregelen worden genomen. Dat gebeurt ook.
Ziet u kans om Chemours (ook) in Nederland winstbelasting te laten betalen?
De regels van de vennootschapsbelasting gelden voor alle belastingplichtigen op gelijke wijze. Een belastingplichtige met belastbare winst in Nederland betaalt vennootschapsbelasting. Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen genomen die belastingontwijking aanpakken en zorgen voor een evenwichtiger heffing van multinationals, mede naar aanleiding van het rapport van de Adviescommissie belastingheffing van multinationals.9 Voorbeelden zijn de beperking van de liquidatie- en stakingsverliesregeling (2021), de aanscherping van de verliesverrekening in 2022 en het op strenge wijze invoeren (2019) en verder aanscherpen (2022) van de generieke renteaftrekbeperking (de earningsstrippingmaatregel).
Wat vindt u van het feit dat Nederland nog altijd vierde is in de «Corporate Tax Haven Index» van het Tax Justice Network en ook in andere onderzoeken zoals de Global Tax Evasion Report (van de EU Tax Observatory) structureel hoog eindigt op de lijst van landen met het meeste belastingontwijking? Wat is uw reactie op het feit dat zelfs hoogleraren belastingrecht aangeven dat Nederland nog steeds een belangrijk doorsluisland is?3 Hoe rijmt u dit met uw bewering dat Nederland geen belastingparadijs zou zijn? Kunt u verwijzen naar een onafhankelijke wetenschappelijke onderbouwing?
De onderzoeken en uitlatingen daarover zijn veelal gebaseerd op gegevens van landenrapporten (country-by-country reports) en statistieken over directe buitenlandse investeringen (DBI). Deze gegevens hebben belangrijke tekortkomingen zodat belastingontwijking er niet betrouwbaar mee gemeten kan worden. Landenrapporten bevatten bijvoorbeeld vaak dubbeltellingen van winsten die elders zijn belast, wat tot een overschatting van de winsten van wel 75% kan leiden.11 DBI zijn ook geen goede maatstaf voor belastingontwijking, omdat moeilijk te identificeren is of investeringen en inkomensstromen te maken hebben met reële activiteiten, of niet. Doordat Nederland relatief veel internationale bedrijven heeft aangetrokken, bestaat een deel van de buitenlandse investeringen uit investeringen vanuit het buitenland in een reëel hoofdkantoor in Nederland dat vervolgens investeert in buitenlandse dochterondernemingen. Dat kan om grote bedragen gaan zonder dat sprake is van belastingontwijking. Daarnaast zal voor sommige structuren de belastingbesparing wel verdwenen zijn door de genomen maatregelen tegen belastingontwijking, maar de structuur zelf nog niet. Ook zijn veel van de onderzoeken gebaseerd op oude cijfers waarin de effecten van recente maatregelen nog niet zichtbaar kunnen zijn. Ik heb deze tekortkomingen uitgebreider beschreven in de Kamerbrief over het monitoren van de effecten van de aanpak van belastingontwijking.12 Het kabinet zal zich blijven inzetten voor een verbetering van de kwaliteit van beschikbare gegevens, bijvoorbeeld in OESO-verband, zodat belastingontwijking op een betrouwbare manier kan worden gemeten.
Nederland heft vennootschapsbelasting (vpb) over de winst die aan Nederland toerekenbaar is. Het reguliere vpb-tarief is 25,8%. Volgens de rekenmethode van de OESO is het effectieve tarief in de Nederlandse vennootschapsbelasting 24,5% en volgens de EU is het 23,2% (niveau 2022). Nederland voldoet aan alle internationale standaarden van transparantie op belastinggebied. Nederland is daarom geen belastingparadijs. Het kabinet onderkent echter wel dat in het verleden het Nederlands belastingstelsel mogelijk kwetsbaar was voor belastingontwijkende structuren waarbij Nederland mogelijk werd gebruikt als doorstroomland naar belastingparadijzen. Nederland heeft daarom de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen. Daarbij heeft Nederland zowel internationale afspraken tegen belastingontwijking streng geïmplementeerd als aanvullend (eenzijdig) nationale maatregelen genomen om belastingontwijking aan te pakken. Het kabinet is ervan overtuigd dat de genomen maatregelen de mogelijkheden om belasting te ontwijken sterk hebben beperkt. Een belangrijke maatregel tegen doorstroom naar belastingparadijzen is de bronbelasting op renten en royalty’s per 2021. De Nederlandsche Bank houdt de stromen vanuit Nederland naar andere landen bij. Daarover rapporteert het kabinet jaarlijks aan uw Kamer. Het kabinet ziet een daling van de financiële stromen naar belastingparadijzen van € 38 miljard in 2019 naar € 6 miljard in 2022. Dat is een aanzienlijke daling. Het lijkt er dus op dat de aanpak werkt. De resterende stromen zijn voornamelijk dividenden en niet-uitgekeerde winsten (circa € 4,8 miljard). Sinds begin dit jaar geldt de bronbelasting ook op dividenden naar laagbelastende landen. Bemoedigend is ook dat de financiële stromen niet lijken te worden omgeleid via andere doorstroomlanden zoals Luxemburg, Ierland, Hong Kong, Zwitserland en Singapore, aangezien het totaal van de stromen naar die categorie landen gedaald is (van € 55 miljard in 2019 naar € 46 miljard in 2022).
Welke nieuwe stappen gaat u dit jaar nog zetten om Nederland uit de lijsten van belangrijke doorsluislanden te halen?
De afgelopen jaren zijn er belangrijke maatregelen genomen tegen het misbruik van doorstroomvennootschappen voor fiscale doeleinden. De Commissie Doorstroomvennootschappen heeft de meest in het oog springende maatregelen op een rij gezet.13 In lijn met het advies van de Commissie Doorstroomvennootschappen zet Nederland in op een EU-brede aanpak van doorstroomvennootschappen via het EU-richtlijnvoorstel «Unshell» uit december 2021. Het Unshell richtlijnvoorstel beoogt informatie-uitwisseling en belastinggevolgen te harmoniseren voor vennootschappen die niet voldoen aan een minimum van «substance-voorwaarden». Door een uniforme Europese aanpak kan misbruik van doorstroomvennootschappen effectiever worden aangepakt. Momenteel bestaat er verdeeldheid tussen lidstaten over de inhoud van de Unshell-richtlijn. Het kabinet blijft zich inzetten om progressie te maken in deze onderhandelingen. Mochten de richtlijnonderhandelingen niet tot het gewenste resultaat leiden, of niet binnen een acceptabele termijn, dan kan Nederland overwegen of binnen Europa een kopgroep gevormd kan worden, dan wel of unilaterale implementatie van één of meer van de aanbevelingen van de Commissie doorstroomvennootschappen geboden is. Eventuele aanvullende maatregelen zijn aan een nieuw kabinet.
Vanwege de methodologische beperkingen van het meten van de totale omvang van belastingontwijking verwacht ik overigens niet dat de effecten van de aanpak van het kabinet per definitie zichtbaar worden in de bestaande onderzoeken naar internationale belastingontwijking. Het kabinet bekijkt per maatregel hoe de effecten hiervan het beste kunnen worden gemonitord. Voor elke afzonderlijke maatregel is immers beter afgebakend welke vorm van belastingontwijking wordt bestreden. Hierover informeert het kabinet u jaarlijks met de monitoringsbrief over de effecten van de aanpak van belastingontwijking.
Kunt u de bovenstaande vragen individueel beantwoorden?
Ja.