De plannen voor (intensievere) controles aan de landsgrenzen |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Judith Uitermark (NSC), Ruben Brekelmans (VVD), Marjolein Faber (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht van het NRC van 24 oktober 2024 «En zo moest Wilders toch inbinden: asielnoodwet is van de baan», de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 14 februari 2023 inzake etnisch profileren door de Koninklijke Marechaussee, de brief van de directeur-generaal Migratie aan de Commandant der Koninklijke Marechaussee van 17 februari 2023 inzake «Opvolging uitspraak gerechtshof d.d. 14 februari 2023 inzake gebruik etniciteit in selectiebeslissingen tijden MTV-controles», de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 20 februari 2023 «Uitspraak gerechtshof verbiedt de Marechaussee ras en etniciteit te gebruiken als indicator in selectiebeslissingen t.b.v. MTV-controles», de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 mei 2023 «Reactie op het verzoek van het lid Belhaj, gedaan tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 14 februari 2023, over de uitspraak van het gerechtshof over etnisch profileren van de Marechaussee bij grenscontroles», de brief van Amnesy International aan het kabinet van 12 februari 2024 «Reactie Kamerbrief nr. 349, 16 mei 2023», het bericht van Vrij Nederland van 14 februari 2024 «Marechaussee blijft etnisch profileren», het bericht van NU.nl van 26 april 2024 «Ook marechaussee stopt met meewegen uiterlijk en afkomst bij controles» en met het position paper van de Koninklijke Marechaussee voor het rondetafelgesprek van 23 mei 2024 inzake risicoprofilering in het handhavingsbeleid?1 2 3 4 5 6 7 8 9
Ja.
Overwegende dat dit kabinet plannen heeft voor intensivering van grenscontroles, wordt er ook gecontroleerd als er geen concrete geïndividualiseerde aanwijzing is voor illegaal verblijf? Zo ja, hoe wordt dan gewaarborgd dat er niet mede op basis van uiterlijke kenmerken geselecteerd wordt?
Ook voor de binnengrenscontroles geldt, net als voor alle handelingen van de overheid, dat de Koninklijke Marechaussee (KMar) is gehouden aan het discriminatieverbod uit artikel 1 van de Grondwet en de gelijke behandelingswetgeving, zoals nader uitgewerkt in nationale en internationale jurisprudentie. Ten aanzien van de binnengrenscontroles, waarbij getoetst wordt op de voorwaarden voor de toegang tot Nederland, zet de KMar in op risicogestuurd en informatiegestuurd toezicht, zodat de bestaande capaciteit gericht wordt ingezet, de risicogestuurde controles zo effectief mogelijk zijn, en de impact op de economie en grensregio’s zo beperkt mogelijk is. Dit is in lijn met de algemene inzet van de KMar op informatiegestuurd grensmanagement.
Non-discriminatoir handelen is in alle gevallen het uitgangspunt bij alle uitvoeringshandelingen van de overheid. In dit kader maakt de KMar gebruik van het handelingskader Professioneel Controleren. Etniciteit is sinds november 2021 geen onderdeel meer van profielen en individuele selectiebeslissingen. Op grond van de uitspraak van het gerechtshof10 is de KMar in februari 2023 geïnstrueerd geen gebruik meer te maken van etnische kenmerken, ook niet in uitzonderlijke gevallen, waar dat nog zou gebeuren.
Als een persoon een klacht heeft over het handelen van de KMar, kan hij of zij zich melden bij de KMar voor een klachtenprocedure. De KMar heeft hier recent in geïnvesteerd om deze procedure te verbeteren en te professionaliseren. De Inspectie van Justitie en Veiligheid houdt toezicht op het handelen van de KMar. Ten slotte kunnen personen met klachten ook terecht bij de Nationale ombudsman.
Kunt u de waarborgen puntsgewijs benoemen en verduidelijken wie toezicht houdt op de naleving van de waarborgen in de praktijk?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat het doen stoppen van een voertuig, terwijl een ander voertuig kan doorrijden, te kwalificeren valt als een selectiebeslissing?
De keuze wordt gemaakt om een bepaald voertuig te controleren.
Bent u van mening dat het de Koninklijke Marechaussee (KMar) is toegestaan om bij Mobiel toezicht veiligheid (MTV)-controles (waarbij er geen geïndividualiseerde verdenking is) aan de landsgrenzen van Nederland gebruik te maken van etnische kenmerken van inzittenden bij selectiebeslissingen?
Zoals reeds aangegeven bij vraag 3, maakt de KMar bij MTV-controles geen gebruik meer van etnische kenmerken, ook niet in uitzonderlijke gevallen, waar dat nog zou gebeuren. De MTV-controles worden uitgevoerd zonder gebruik te maken van etniciteit en ras als selectiecriterium.
Bent u van mening dat het de Koninklijke Marechaussee is toegestaan om bij MTV-controles (waarbij er geen geïndividualiseerde verdenking is) aan de landsgrenzen van Nederland gebruik te maken van de herkomst van een kenteken als een van de indicatoren voor een selectiebeslissing?
De KMar zet, onder andere met het handelingskader Professioneel Controleren, in op een professionele controle, waarin niet etnisch wordt geprofileerd. Dit handelingskader wordt doorgaans onder de aandacht gebracht van de medewerkers en leidinggevenden van de KMar, en biedt hen handvatten om de controle professioneel en non-discriminatoir uit te voeren. Bij binnengrenscontroles toetst de KMar aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland. Profileren is een belangrijk element in het risico- en informatiegestuurd controleren. Op basis van informatie worden selectie-indicatoren geïdentificeerd, waarmee voertuigen geselecteerd worden voor controle. Denk hierbij informatie over reisrouters en reisgezelschappen. Etniciteit is geen indicator in deze reeks. Een kenteken van een voertuig kan dit wel zijn. Ook wordt geselecteerd op basis van cijfers, trends en concrete tips van nationale en internationale partners. Hiermee wordt de pakkans van de controle vergroot en worden bonafide reizigers zo min mogelijk nodeloos aan de kant gezet.
Bent u van mening dat het de Koninklijke Marechaussee is toegestaan om bij MTV-controles (waarbij er geen geïndividualiseerde verdenking is) aan de landsgrenzen van Nederland gebruik te maken van specifieke stad- of regiocodes op een kenteken als een van de indicatoren voor een selectiebeslissing?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met het item van Nieuwsuur over grenscontroles?10
Ja.
Bent u bekend met het statement van de vertegenwoordiger van de vakbond van de KMar in het Nieuwsuur-item, waarin wordt gezegd dat de KMar steekproefsgewijs gaan controleren?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de KMar steekproefsgewijs gaat controleren en toelichten wat dat precies betekent?
Zoals eerder aan uw Kamer is medegedeeld, zullen de Nederlandse grenscontroles niet systematisch worden uitgevoerd. De KMar zet haar personeel informatiegestuurd in op basis van risicoanalyses. Op deze wijze worden zo min mogelijk bonafide reizigers nodeloos gecontroleerd.
Overwegende dat in datzelfde publieke statement wordt gesteld door de vertegenwoordiger van de vakbond van de KMar dat de effectiviteit van controles met «goede sensoren» verhoogd worden, kunt u toelichten wat (voor type) deze sensoren zijn? Welke informatie wordt verzameld met deze sensoren en verwerkt? En hoe leidt dat tot selectie van (bepaalde) voertuigen/mensen die de grens passeren?
De sensoren betreffen onder andere camera’s die bij grensovergangen boven of langs de weg zijn geplaatst. Deze kunnen kentekens waarnemen. Deze kentekens kunnen worden getoetst aan een referentielijst om zo voertuigen te identificeren en valideren. Op de referentielijst staan voertuigen die in verband worden gebracht met bijvoorbeeld migratiecriminaliteit of een ander strafbaar feit. De identificatie van een voertuig kan aanleiding zijn voor een controle.
Ook kan gebruik worden gemaakt van andere sensoren en innovatieve technieken, zoals het detecteren van mensensmokkel met gebruikmaking van warmtebeelden.
Het artikel ‘Een nieuw kiesstelsel, ongelijk en onevenredig’ |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Een nieuw kiesstelsel, ongelijk en onevenredig»?1
Ja.
Deelt u de constatering dat de artikelen 4 en 53 van de Grondwet de ruimte die de wetgever heeft om een (al dan niet gematigd) districtenstelsel in te voeren sterk beperkt?
Het uitgangspunt bij het ontwerpen van het nieuwe kiesstelsel voor de Tweede Kamer is dat dit moet passen binnen de bestaande Grondwettelijke kaders. Er zijn verschillende artikelen in de Grondwet waar rekening mee moet worden gehouden bij de vormgeving van een nieuw kiesstelsel. Naast de in de vraag genoemde artikelen geldt dat in ieder geval voor de artikelen 50, 51, tweede lid, en 56.
Deelt u de constatering dat de uitgangspunten van gelijk kiesrecht en evenredige vertegenwoordiging de belangrijkste constitutionele eisen zijn die aan het kiesstelsel worden gesteld?
Het nieuwe kiesstelsel moet passen binnen de Grondwettelijke kaders. Dat geldt voor alle artikelen die relevant zijn voor het kiesstelsel. Er bestaat tussen die artikelen geen hiërarchie.
Hoe ziet u de verhouding tussen deze uitgangspunten? Wegen zij beide even sterk of heeft een van beide uitgangspunten de overhand?
Zie het antwoord op vraag 3.
Ziet u overschotzetels, evenals uw ambtsvoorgangers, als onwenselijk?
Het nieuwe kiesstelsel moet passen binnen de bestaande Grondwettelijke kaders en moet dus voldoen aan het vereiste van evenredige vertegenwoordiging. Overschotzetels kunnen effect hebben op de evenredigheid van de uitslag. Als overschotzetels leiden tot een te onevenredige uitslag is dat onwenselijk. Bij de nog te maken keuzes voor het nieuwe kiesstelsel houd ik hier vanzelfsprekend rekening mee.
Bent u het eens met de auteur van het artikel dat de uitzonderingsclausule van artikel 4 Grondwet geen ruimte biedt beperkingen aan te brengen op de gelijkelijkheid van stemmen (par. 4.2)? Zo ja, geldt dat dan ook voor de conclusie dat een kiesstelsel dat afbreuk doet aan het gelijke kiesrecht ongrondwettig is?
Als aangekondigd in mijn brief van 4 december jl.2 laat ik door de universiteiten van Leiden en Twente onderzoek doen naar drie kiesstelselvarianten. De uitkomsten van dit onderzoek betrek ik bij de verder te maken keuzes voor het kiesstelsel. Hierbij heb ik nadrukkelijk aandacht voor het Grondwettelijk kader en dus ook voor de eis van gelijkelijkheid van stemmen.
Deelt u de opvatting dat er grote moeilijkheden kleven aan het verzekeren dat districten zich qua inwonertal evenredig verhouden en blijven verhouden tot het aantal zetels dat aan districten wordt toegewezen?
Om te komen tot een nieuw kiesstelsel moeten vele keuzes worden gemaakt. Er zijn veel knoppen om aan te draaien die een effect hebben op de evenredigheid van het kiesstelsel. Denk bij een districtenstelsel met meervoudige kiesdistricten onder meer aan: het aantal districten, de wijze van verdeling van zetels over en binnen de districten, de methode van restzetelverdeling en het aantal vereffeningszetels. De vraag of er grote moeilijkheden kleven aan het verzekeren dat districten zich qua inwonertal evenredig blijven verhouden tot het aantal zetels dat aan districten wordt toegewezen, kan daarom op dit moment nog niet worden beantwoord. Dit onderwerp betrek ik bij de verdere uitwerking van het kiesstelsel.
Gegeven dat het bij een districtenstelsel niet mogelijk is elke stem volledig gelijk te laten wegen, welke percentuele marge acht u acceptabel als het gaat om ongelijke weging van stemming? Kunt u de Code of Good Practice in Electoral Matters van de Commissie van Venetië bij uw antwoord betrekken?
Vanzelfsprekend wordt de Code of Good Practice in Electoral Matters van de Venetiëcommissie bij de verdere uitwerking van het stelsel betrokken.
Hoe kijkt u naar het effect dat een districtenstelsel de evenredigheid op ongelijke wijze aan kan tasten? Meer precies: het verschijnsel dat zetels in kleinere districten minder evenredig verdeeld kunnen worden en zij dus minder lokale vertegenwoordiging zullen krijgen dan grotere kiesdistricten (zie par. 5.2, laatste alinea)?
Dit is een aspect dat ik ook zal betrekken bij de uitwerking van het kiesstelsel.
Ziet u de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om nog voor de volgende verkiezingen een nieuw kiesstelsel te introduceren nog als haalbaar?
Ja.
Bent u bereid om, voordat het wetsvoorstel naar de Raad van State wordt gezonden een empirisch onderbouwde probleemanalyse aan de Kamer te zenden? En kunt u daarbij betrekken of en in hoeverre het probleem voor burgers gelegen is in het gebrek aan lokale vertegenwoordiging of in de relatieve oververtegenwoordiging van de (grote steden in de) Randstad?
Zoals aangekondigd in de brief van 4 december jl. verwacht ik in maart 2025 uw Kamer te informeren over de richting die het kabinet voor ogen heeft voor het Kiesstelsel. Daarbij besteed ik uiteraard aandacht aan de probleemanalyse. Dit zal daarnaast een belangrijk onderdeel zijn van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel.
Welke alternatieve mogelijkheden ziet u om de band tussen kiezer en gekozene te verstevigen?
In het onderzoek van de universiteiten Leiden en Twente worden drie kiesstelselvariant onderzocht: 1) het Scandinavisch/Zweeds model; 2) het kieskringenstelsel; 3) het stelsel «Met één stem meer keus». Ik laat deze stelsels onderzoeken omdat deze varianten de band tussen kiezer en gekozenen kunnen verstevigen.
Hoe staat u tegenover het voorstel van een kiesstelsel waarbij kiezers zowel op een lijst als een kandidaat kunnen stemmen, en hoe verhoudt dit voorstel zich in uw ogen tot de principes van gelijk kiesrecht en evenredige vertegenwoordiging?
Een dergelijk stelsel zoals ook – «Met één stem meer keus» – wordt betrokken bij het onderzoek door de universiteiten van Leiden en Twente en de nog te maken keuzes rond het kiesstelsel.
Heeft u kennisgenomen van het Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer «Bestrijding van schadelijke belastingregelingen en ontwijking van vennootschapsbelasting»?
Ja.
Wat was de onderzoeksopdracht van de Europese Rekenkamer?
De Europese Rekenkamer (hierna: ERK) heeft op 13 juni 2023 aan de Belastingdienst medegedeeld een doelmatigheidscontrole te verrichten naar de doeltreffendheid van het kader voor de bestrijding van schadelijke belastingconcurrentie in de EU. Voorts werd medegedeeld dat de ERK voornemens was om krachtens artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de Belastingdienst te bezoeken om deze controle uit te voeren. Uit het Speciaal verslag «Bestrijding van schadelijke belastingregelingen en ontwijking van vennootschapsbelasting» d.d. 29 november 2024 (hierna: Speciaal verslag) blijkt dat het doel van de controle was om te beoordelen of het EU-kader voor de bestrijding van schadelijke belastingregelingen en ontwijking van vennootschapsbelasting toereikend is. De geschiktheid van de in de EU gehanteerde maatregelen en mechanismen is beoordeeld door onderzoek te doen naar de opzet en uitvoering van drie richtlijnen (de ATAD, de DAC 6 en de TDRD) in de periode 2019–2023. Daarnaast is onderzoek gedaan naar de EU-gedragscodegroep. De ERK heeft dit onderzoek vormgegeven door onderzoek te doen in vijf landen, waaronder Nederland.
Wat is de periode waarop het rapport ziet? Zijn er nog belangrijke ontwikkelingen geweest ten aanzien van (Nederlandse) wetgeving waar het onderzoeksrapport zich ook op richt na de periode waarop het rapport ziet?
Het Speciaal verslag ziet op de periode 2019–2023.
Met ingang van 1 januari 2019 heeft Nederland de eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD1)1 geïmplementeerd. Met ingang van 1 januari 2020 heeft Nederland ook de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2)2 geïmplementeerd. Bij de implementatie van ATAD1 heeft Nederland er aanvankelijk voor gekozen om de algemene antimisbruikbepaling («general anti-abuse rule» of «GAAR») niet in nationale wetgeving om te zetten, omdat de GAAR uit ATAD1 met het leerstuk van fraus legis reeds in het Nederlandse belastingrecht was geïmplementeerd.3 Met de wetswijziging per 1 januari 2025 wordt alsnog in een wettelijke verankering van de GAAR voorzien.4 Daarnaast is in het Belastingplan 2025 een maatregel voorgesteld waarmee de generieke renteaftrekbeperking per 1 januari 2025 wordt versoepeld door het percentage te verhogen van 20% naar 25% van de gecorrigeerde winst. Dit percentage is bij amendement, dat door de Tweede Kamer is aangenomen tijdens de behandeling van het pakket Belastingplan 2025, verlaagd van 25% naar 24,5%.5
Wat waren de belangrijkste conclusies van het rapport?
De algemene conclusie van het rapport is dat het vastgestelde EU-kader dient als een noodzakelijke eerste verdedigingslinie ter ondersteuning van de strijd tegen schadelijke belastingregelingen en ontwijking van vennootschapsbelasting binnen de beperkte reikwijdte van de bevoegdheden van de EU. De ERK concludeert in algemene zin dat zij in haar onderzoek tekortkomingen heeft aangetroffen in de wijze waarop de wetgeving en andere maatregelen waren opgesteld en uitgevoerd. Er bestaat volgens de ERK noch op EU-, noch op lidstaatniveau een geschikt systeem voor prestatiemonitoring om de doeltreffendheid van de wetgeving te beoordelen.
De ERK merkt voorts op dat bepaalde definities en termen in de EU-wetgeving door de lidstaten moeilijk te interpreteren zijn. Dit leidt tot verschillende interpretaties in de lidstaten (vooral de DAC 6-wezenskenmerken en de «main benefit test»). Dit is volgens de ERK van invloed op de nauwkeurigheid van de uitgewisselde DAC 6-inlichtingen, waardoor de strijd tegen belastingontwijking minder doeltreffend wordt.
De ERK concludeert dat er over het algemeen geen richtsnoeren van de Commissie voor de interpretatie en uitvoering van gecontroleerde EU-wetgeving zijn, hetgeen leidt tot uiteenlopende interpretaties door de lidstaten. De Commissie houdt doeltreffend toezicht op de omzetting van EU-wetgeving in nationale wetgeving en leidt inbreukprocedures in wanneer dat nodig is, maar voert haar evaluaties in sommige gevallen te laat uit. Als gevolg hiervan is het meer dan zeven jaar na de invoering van de ATAD-richtlijnen nog steeds onduidelijk of de doelstellingen van deze richtlijn verwezenlijkt zullen worden. Door de vertragingen bij de evaluaties hebben het publiek noch de wetgevers van de lidstaten een accuraat beeld van de degelijkheid of doeltreffendheid van de maatregelen die de EU heeft ingezet ter bestrijding van schadelijke belastingregelingen en ontwijking van vennootschapsbelasting.
In het Speciaal verslag worden aan de Europese Commissie vijf aanbevelingen opgedaan: 1) Verduidelijk het EU-wetgevingskader; 2) Verbeter de kwaliteit van de DAC 6-meldingen; 3) Zorg ervoor dat het effect van sancties voor niet-naleving van meldingsverplichtingen uit hoofde van de DAC 6 adequaat is; 4) Verbeter de ondersteuning van de Groep gedragscode; en 5) Monitor de resultaten en de impact van de strijd tegen schadelijke belastingregelingen en ontwijking van vennootschapsbelasting. Deze aanbevelingen zijn gericht aan de Europese Commissie en niet aan de (onderzochte) lidstaten.
Op welke punten dient Nederland in het algemeen en de Nederlandse Belastingdienst in het bijzonder in het rapport als positief voorbeeld voor de Europese Commissie en andere lidstaten?
Nederland wordt ten aanzien van de DAC 6 op verschillende onderdelen als positief voorbeeld benoemd. De ERK merkt op dat drie van de vijf bezochte lidstaten geen kwaliteitscontroles uitvoert op de gerapporteerde DAC 6-inlichtingen. Nederland werd hier als positieve uitzondering genoemd omdat Nederland handmatige controles uitvoert op DAC 6-meldingen om de kwaliteit van de verzonden informatie te controleren. Daarnaast constateert de ERK dat vier van de vijf onderzochte lidstaten geen systematische risicoanalyses met betrekking tot DAC 6-inlichtingen uitvoeren, maar slechts onderzoek doen op ad-hoc basis. Nederland voerde in 2023 een systeem voor risicoanalyse in dat ondersteund wordt door speciale software en personeel. Het betreft een systeem dat op basis van regels de meldingen met verhoogde risico’s detecteert. Vervolgens worden de meldingen met een hoog risico handmatig beoordeeld. Dit gebeurt door het DAC 6-team van het dienstonderdeel Grote Ondernemingen van de Belastingdienst.
Tot slot heeft alleen Nederland een prestatiekader opgezet om de doeltreffendheid van maatregelen te beoordelen en te monitoren. Uit deze analyse blijkt dat de verschillende maatregelen die waren ingevoerd om belastingontwijking tegen te gaan hebben gezorgd voor een daling van de geldstroom vanuit Nederland naar laagbelastende landen. De totale uitstroom naar dergelijke landen daalde met bijna 85%: van 38 miljard EUR in 2019 naar 6 miljard EUR in 2022. Het gaat hierbij overigens om het totale pakket aan maatregelen die Nederland heeft genomen tegen belastingontwijking, waaronder bijvoorbeeld de niet onderzochte conditionele bronbelasting op interest en royalty’s.
Signaleert de Europese Rekenkamer in het rapport verbeterpunten voor Nederland? Zo ja, wat zijn deze verbeterpunten?
De ERK richt haar aanbevelingen tot de Europese Commissie, en in zoverre signaleert de ERK geen concrete verbeterpunten voor Nederland.
Welke maatregelen uit de ATAD-richtlijn die ook meegenomen zijn door de Europese Rekenkamer in dit rapport heeft Nederland strenger geïmplementeerd dan de minimumstandaard? Kan per maatregel worden weergegeven waar Nederland deze strenger heeft geïmplementeerd dan de minimumstandaard, inclusief opties die de richtlijn toestaat maar waarvan Nederland geen gebruik heeft gemaakt?
In het kader van de bestrijding van grondslaguitholling en winstverschuiving heeft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) actierapporten gepresenteerd van het project Base Erosion and Profit Shifting (BEPS-project). Om bepaalde aanbevelingen uit het BEPS-project in de Europese Unie (EU) snel en gecoördineerd te implementeren, is op 12 juli 2016 ATAD1 tot stand gekomen. Deze richtlijn is op het gebied van hybride mismatches gewijzigd en uitgebreid door de op 29 mei 2017 aangenomen ATAD2. De ATAD-richtlijnen bevatten specifieke maatregelen ter bestrijding van belastingontwijking, te weten de i) controlled foreign companies (CFC)-maatregel, ii) exitheffingmaatregel; iii) earningsstrippingmaatregel; iv) algemene antimisbruikmaatregel; en (v) hybridemismatchmaatregelen.
Ter implementatie van ATAD1 zijn per 1 januari 2019 twee maatregelen in de Nederlandse belastingwetgeving geïntroduceerd, te weten een earningsstrippingmaatregel en een CFC-maatregel. Ook is de reeds bestaande exitheffing op enkele punten aangepast naar aanleiding van ATAD1.6 In lijn met de implementatieverplichting van ATAD2 – zijn per 1 januari 2020 ook de hybridemismatchmaatregelen in de Nederlandse belastingwetgeving geïmplementeerd. Bij de implementatie van ATAD1 heeft Nederland er aanvankelijk voor gekozen om de algemene antimisbruikbepaling («general anti-abuse rule» of «GAAR») niet in nationale wetgeving om te zetten, omdat de GAAR uit ATAD1 met het leerstuk van fraus legis reeds in het Nederlandse belastingrecht was geïmplementeerd.7 Met de wetswijziging per 1 januari 2025 wordt alsnog in een wettelijke verankering van de GAAR voorzien.8
De generieke renteaftrekbeperking in de Wet Vpb 1969, ter implementatie van de earningsstrippingmaatregel, beperkt de aftrekbaarheid van het saldo aan renten voor zover dat meer bedraagt dan het hoogste van – per 1 januari 2025 – 24,5% van de gecorrigeerde winst (EBITDA-%) of € 1 miljoen (drempel). Nederland heeft bij de implementatie van de earningsstrippingmaatregel bewust gekozen voor een robuuste vormgeving, hetgeen inhoudt dat de vormgeving op onderdelen aanzienlijk verdergaat dan de in ATAD1 opgenomen minimumstandaard.9 In de eerste plaats schrijft ATAD1 een maximaal EBITDA-percentage van 30% voor, terwijl de generieke renteaftrekbeperking strenger is en – per 1 januari 2025 – maximaal 24,5% van de EBITDA in aftrek toestaat. Daarnaast geldt in ATAD1 een drempel in de earningsstrippingmaatregel van maximaal € 3 miljoen, terwijl Nederland een drempel van € 1 miljoen hanteert. Verder heeft Nederland gekozen om een aantal opties in de earningsstrippingmaatregel niet te implementeren. Dit betreft de groepsuitzondering, de uitzondering voor financiële ondernemingen, de uitzondering voor leningen die vóór 17 juni 2016 zijn aangegaan en de uitzondering voor opzichzelfstaande entiteiten.10 Ten slotte heeft Nederland ervoor gekozen om toe te staan dat het niet-aftrekbaar saldo aan renten onbeperkt kan worden voortgewenteld naar toekomstige jaren, maar niet met belastingjaren in het verleden.
Als gevolg van de keuze voor deze robuuste vormgeving wordt niet alleen opgetreden tegen grondslaguitholling, maar wordt vooral een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen bij alle belastingplichtigen in de vennootschapsbelasting nagestreefd. Doordat de renteaftrekbeperking van toepassing is op alle rente die per saldo is verschuldigd en de aftrekbaarheid hiervan direct afhankelijk wordt gesteld van de belastbare grondslag in Nederland worden de mogelijkheden tot belastingontwijking door renteaftrek beperkt.
De CFC-maatregel heeft tot doel om te voorkomen dat belastingplichtigen winsten verschuiven door mobiele activa (zoals intellectueel eigendom) te verplaatsen naar laagbelastende staten. ATAD1 biedt lidstaten de keuze uit twee varianten voor het bepalen van de tot de winst van de belastingplichtige te rekenen voordelen van een CFC: «model A» en «model B». Bij model A zijn categorieën van voordelen (dividend, rente, royalty’s, et cetera) bepaald die als die door een CFC zijn genoten tot de winst van de belastingplichtige dienen te worden gerekend. Bij model B worden voordelen van een CFC die voortkomen uit kunstmatige constructies die zijn opgezet met als wezenlijk doel een belastingvoordeel te verkrijgen tot de winst van de belastingplichtige gerekend. Op basis van het arm’s-lengthbeginsel dat is verankerd in de vennootschapsbelasting rekent Nederland winsten die bij het gecontroleerde lichaam worden gerapporteerd, maar die eigenlijk in de belastinggrondslag van de Nederlandse belastingplichtige thuishoren, al tot de belastinggrondslag van die Nederlandse belastingplichtige. Nederland past daarom feitelijk model B al toe.11 Nederland heeft bij de toepassing van model B geen gebruik gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid uit ATAD1 voor een belastingplichtige die een CFC heeft met een boekhoudkundige winst van ten hoogste € 750.000 en inkomsten uit andere activiteiten dan handel van ten hoogste € 75.000, of waarvan de boekhoudkundige winst ten hoogste 10 procent van de exploitatiekosten voor het belastingtijdvak bedraagt. Nederland is bij de implementatie van de CFC-maatregel verder gegaan dan strikt noodzakelijk was en heeft ervoor gekozen om per 1 januari 2019 naast voornoemde toepassing van het zakelijkheidsbeginsel een regeling gebaseerd op model A van ATAD1 in het geval de CFC is gevestigd in een zogenoemde laagbelastende staat te introduceren. Voor de vraag of voor deze aanvullende CFC-maatregel sprake is van een laagbelastende staat heeft Nederland ervoor gekozen aan te sluiten bij de vraag of het gecontroleerde lichaam of de vaste inrichting is gelegen in een staat die lichamen niet of tegen een statutair tarief van minder dan 9% onderwerpt aan een belasting naar de winst of in een staat die is opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Om voor Nederlandse bedrijven met reële buitenlandse activiteiten een concurrentienadeel ten opzichte van lokale bedrijven te voorkomen en de aanvullende regeling uitvoerbaar te laten zijn voor het bedrijfsleven en de Belastingdienst, geldt in lijn met ATAD1 een uitzondering voor een wezenlijke economische activiteit.12 Daarnaast zijn er in het geval dat de aanvullende CFC-maatregel toepassing vindt uitzonderingen als de CFC doorgaans hoofdzakelijk andere voordelen ontvangt dan besmette voordelen en als in de CFC een financiële onderneming wordt gedreven en deze CFC de besmette voordelen doorgaans hoofdzakelijk van derden ontvangt. Deze uitzonderingen zijn overgenomen uit ATAD1.13
ATAD2 schrijft regels voor om belastingontwijking door middel van hybridemismatches te bestrijden. Hybridemismatches zijn situaties waarin een belastingvoordeel wordt behaald door gebruik te maken van de verschillen tussen vennootschapsbelastingstelsels; meer in het bijzonder door gebruik te maken van verschillen in de fiscale behandeling (kwalificatie) van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen. De maatregelen uit ATAD2 zijn alleen van toepassing indien de hybridemismatch ontstaat in gelieerde verhoudingen of wanneer sprake is van een zogenoemde gestructureerde regeling. De bepaling in ATAD2 die het vereiste van gelieerdheid regelt biedt in beginsel geen beleidsruimte, maar lidstaten kunnen – binnen de grenzen van het primaire EU-recht – besluiten strengere eisen te stellen dan de richtlijn. Van deze mogelijkheid om strengere eisen te stellen is gebruik gemaakt om zodoende te kunnen aansluiten bij reeds bestaand recht.14
ATAD2 biedt een uitzondering om voor bepaalde hybridemismatches geen secundaire regel op te nemen.15 Het kabinet heeft besloten om geen gebruik te maken van deze uitzondering en dus ook voor deze hybridemismatches een secundaire regel in te voeren. Daarnaast zijn de regels uit ATAD2 strenger geïmplementeerd in de Nederlandse belastingwetgeving doordat geen uitzondering is opgenomen voor specifieke betalingen door financiële handelaren en met betrekking tot specifieke financiële instrumenten van banken, terwijl ATAD2 deze uitzonderingen wel toestaat. Hierdoor worden de voordelen die worden behaald met hybridemismatches zoveel mogelijk gemitigeerd en wordt belastingontwijking verder bestreden.
Deelt u de opvatting van de Europese Rekenkamer, die adviseert om richtsnoeren en hulpmiddelen voor interpretatie te verstrekken als instrument om een consistente toepassing van richtlijnen te waarborgen? Hoe voorkomt u dat nationale bevoegdheden verder worden ingeperkt en complexe wet- en regelgeving leidt tot alsmaar toenemende regeldruk en uitvoeringslasten?
Nederland waardeert in het algemeen de richtsnoeren en hulpmiddelen die de Europese Commissie vertrekt als instrument om een eenduidige uitleg van Europese regelgeving te borgen. Dit soort richtsnoeren en hulpmiddelen dienen ter ondersteuning bij implementatie van Europese regelgeving en beperken nationale bevoegdheden niet.
Kunt u de risico's die de Europese Rekenkamer in bijlage VII signaleert van verschillende interpretaties door problemen in de opzet van de TDRD omschrijven en aangeven of deze door de Belastingdienst worden herkend? Hoe gaat Nederland zich inzetten voor een betere interpretatie en toepassing van Richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie? Op welke punten ervaart het MAP-team van de Belastingdienst deze problemen en in relatie tot welke lidstaten?
Nederland heeft de TDRD geïmplementeerd in de Wet fiscale arbitrage, die van toepassing is sinds 1 juli 2019. Tot op heden heeft Nederland slechts een beperkt aantal verzoeken (een zogeheten «klacht») ontvangen onder deze wet en pas sinds 2024 neemt het aantal verzoeken toe. Dit is in lijn met andere lidstaten waar uit de jaarlijks door de Commissie gepubliceerde statistieken eveneens blijkt dat de ervaring met de TDRD tot op heden beperkt is. Met de TDRD zijn nieuwe procedures en regels geïntroduceerd die door de lidstaten in een lopende procedure tegelijkertijd moet worden toegepast. Logischerwijs leidt dit tot vragen inzake interpretatie en toepassing. De genoemde situaties in bijlage VII zijn herkenbaar, maar voor Nederland heeft dit niet geleid of leidt niet tot problemen in de uitvoering. De lidstaten waarmee zaken aanhangig zijn onder de TDRD, zijn die lidstaten waarmee Nederland normaliter ook MAP-zaken heeft. Waar vragen ontstaan over de interpretatie of toepassing, weet Nederland met de betrokken lidstaten steeds op passende wijze een eenduidige oplossing te vinden.
Gelijk aan het antwoord op vraag 8, verwelkomt Nederland toekomstige initiatieven van de Commissie om te komen tot een eenduidige uitleg van de TDRD en zal, waar nodig, hieraan ook actief bijdragen. Ik verwijs overigens ook naar de recent door de Commissie uitgevoerde evaluatie van de richtlijn.
Hebben alle lidstaten mensen naar voren geschoven voor de in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie bedoelde lijst van vooraanstaande onafhankelijke personen? Wie heeft Nederland naar voren geschoven voor deze lijst en op basis waarvan zijn deze personen geselecteerd? Wordt deze Nederlandse lijst regelmatig herzien? Zo nee, waarom niet? Zijn deze personen doorgaans inwoner of onderdaan van de lidstaat door wie ze zijn voorgedragen en hoe zit dat in Nederland?
De Europese Commissie heeft een lijst gepubliceerd van de vooraanstaande onafhankelijke personen.16 Hieruit blijkt dat alle lidstaten personen naar voren hebben geschoven. Gezien de diversiteit van onderwerpen in MAP en om verschillende kennis en ervaring te borgen, hebben de door Nederland geselecteerde personen een diverse achtergrond. Tot op heden heeft Nederland nog geen arbitrageprocedures onder de richtlijn gehad en is het ook niet nodig geweest de lijst te herzien. Dit vindt op gepaste tijden plaats, bijvoorbeeld wanneer een persoon niet langer beschikbaar is. De door de lidstaten voorgedragen personen zijn meestentijds inwoner van de lidstaat die ze voordraagt, zo ook in Nederland. Omdat overlegprocedures internationale aangelegenheden betreffen, heeft Nederland gekozen voor brede ervaring en ook niet-onderdanen voorgedragen.
Zijn er initiatieven om een commissie voor alternatieve geschilbeslechting zoals bedoeld in artikel 10 van de Richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie op te zetten? Zo nee, zou een dergelijke commissie voor alternatieve geschilbeslechting niet kunnen zorgen voor efficiëntere, laagdrempeligere geschilbeslechting, bijvoorbeeld als het gaat om mensen die over de grens werken of ondernemen (België en Duitsland) of in het geval van specialistische onderwerpen die een multilaterale dimensie kunnen hebben, zoals verrekenprijzen? Kan Nederland hier een voortrekkersrol in nemen binnen de Europese Unie?
Artikel 10 van de hierboven genoemde richtlijn ziet op een eventueel arbitrage comité voor alternatieve geschilbeslechting. Dit artikel is op aandringen van, onder andere, Nederland in de richtlijn opgenomen om de optie open te houden om permanent fiscaal arbitrage comité op te richten in plaats van het ad hoc fiscaal arbitrage comité waar de richtlijn vanuit gaat. Het voordeel van een permanent comité is dat het direct over kan gaan tot behandeling van de arbitrageprocedure, in plaats van eerst overeen te moeten komen welke arbitrage leden deze zaak in behandeling gaan nemen of bijvoorbeeld de werkwijze van de restitutie van gemaakte kosten. Verder heeft een permanent comité het voordeel dat de aangewezen arbitrageleden door het behandelen van meerdere arbitragezaken gaandeweg meer ervaring op zullen doen en daardoor efficiënter te werk kunnen gaan.
Met andere woorden: een permanent fiscaal arbitrage comité betekent een staande brandweerbrigade die klaar staat om de arbitrage zaak direct op te lossen in plaats van, in het geval van een ad hoc procedure, de uitdaging voor de betrokken lidstaten om eerst de brandweer op te richten. Hierdoor kunnen arbitrageprocedures aangaande dubbele belasting efficiënter worden afgerond, wat voordelig is voor de betrokken belastingplichtigen. Verder kan een dergelijk initiatief de EU als geheel aantrekkelijker voor het bedrijfsleven maken om, in het kader van de versterking van het concurrentievermogen, in de EU te investeren.
Op de vraag over eventuele lopende onderhandelingen over de oprichting van een dergelijk permanent fiscaal arbitrage comité kan op dit moment nog geen uitspraken worden gedaan. Er is wel goede hoop dat gedurende de eerste helft van het jaar 2025 hier verandering in zal komen.
Het bericht 'Geschrokken reacties na vuurwerkbekogeling raadsleden' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Zou u willen reageren op de berichtgeving in het artikel «Geschrokken reacties na vuurwerkbekogeling raadsleden»?1
Ik vind het verschrikkelijk dat raadsleden, onze volksvertegenwoordigers, onderweg naar een raadsvergadering door het gooien van vuurwerk geraakt zijn. Ik keur dit ten zeerste af, zoals ik eerder ook in de media heb laten blijken.
Deelt u de opvatting dat het bekogelen met vuurwerk een onacceptabele inbreuk is op het belangrijke werk dat raadsleden doen in het democratisch proces en daarmee op onze rechtstaat?
Het werkt ontwrichtend als je als raadslid moet nadenken of je wel veilig over lastige onderwerpen kunt discussiëren. We zijn een vrije samenleving, waar een volksvertegenwoordiger vrij het debat moet kunnen voeren. Wanneer een raadslid niet veilig naar een debat toe kan gaan om daar vrij met elkaar te spreken over de belangrijke besluiten voor de gemeente, komt daarmee onze democratische rechtsstaat onder druk te staan.
Deelt u de opvatting dat er hard moet worden opgetreden tegen agressie en dreiging richting raadsleden?
Ik vind alle vormen van agressie en intimidatie tegen politieke ambtsdragers onacceptabel. Ik deel dan ook de mening dat er adequaat opgetreden moet worden tegen agressie en dreiging richting raadsleden. Zeker in dit geval dat openlijk op straat plaatsvond. Raadsleden nemen besluiten die over ons allemaal gaan. Dat moet zij in alle vrijheid en veiligheid kunnen doen. We moeten dergelijke incidenten daarom een halt toe roepen. Ik vind het daarom belangrijk dat er zo veel als mogelijk aangifte wordt gedaan zodat er vervolging kan plaatsvinden van de daders.
Welke mogelijkheden tot optreden zijn er op dit moment en is dit gezien de huidige maatschappelijke ontwikkelingen voldoende?
Er zijn verschillende manieren om op te treden, zowel in het bestuursrecht, civiel recht als strafrecht. Ten aanzien van bedreiging en geweld of zware mishandeling, waar het naar personen gooien van vuurwerk onder kan vallen, kan aangifte worden gedaan. In de Eenduidige Landelijke Afspraken is opgenomen dat politie en Openbaar Ministerie (OM) aangiften van strafbare feiten tegen personen met een publieke taak met voorrang oppakken en behandelen.
Zou u contact willen leggen met de gemeente Montferland, de betreffende gemeenteraadsleden, relevante vertegenwoordigende organisaties als de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden (NVR) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), en het ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur over dit onderwerp?
Ik heb de burgemeester van Montferland gebeld om mijn steun te betuigen. Ook is er contact geweest vanuit het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur met verschillende betrokkenen binnen de gemeente Montferland. Het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur is een samenwerkingsverband van mijn ministerie met de beroeps- en belangenverenigingen van burgemeesters, wethouders, raadsleden, griffiers en Statenleden. Het team biedt snel en vertrouwelijk bijstand en advies bij incidenten.
Deelt u de zorg over de invloed van agressie en dreiging op gemeenteraadsleden, het raadswerk, het democratisch proces van een gemeenteraad en daarmee ook op de besluitvorming? Zou u willen reflecteren en (laten) uitzoeken welke invloed agressie en dreiging hierop hebben? Welke acties koppelt u daaraan?
Ja, ik deel deze zorgen. Het is bekend dat agressie en intimidatie veel impact en verschillende effecten kan hebben. Uit de monitor Integriteit en Veiligheid 2024 blijkt dat het werkplezier, social media gebruik of de politieke ambities kan beïnvloeden. Ook is er een klein percentage gemeenteraadsleden (5%) dat aangeeft dat agressie en intimidatie gevolgen heeft voor de manier waarop zij besluiten nemen. Dit moeten we zoveel als mogelijk zien te voorkomen. Daarom sta ik samen met het Netwerk Weerbaar Bestuur om de raadsleden heen die dit overkomt zodat ze hun rug recht kunnen houden.
Wat gaat het Rijk bijdragen aan het, zoals dit in het nieuwsartikel wordt gezegd, om burgemeesters, colleges en raadsleden heen gaan staan en het trekken van een grens?
Het is van belang om dat we om burgemeesters, colleges en raadsleden en iedereen die in het openbaar bestuur met agressie en intimidatie te maken krijgt, heen gaan staan en hen het gevoel te geven dat hij of zij er niet alleen voor staat. Dit doe ik samen met het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur. Het Ondersteuningsteam biedt advies en steun aan alle politieke ambtsdragers binnen gemeenten, provincies en waterschappen die geconfronteerd worden met agressie, intimidatie en bedreiging. Het team kan «peers» en ambassadeurs inzetten die collegiale bijstand bieden na een heftig incident. Zij hebben toegang tot experts bijvoorbeeld op het gebied van trauma of bijstand aan het gezin.
Het bespreken van wat de norm is, is belangrijk voor het trekken van een grens.
Dit staat centraal in de weerbaarheidssessie die het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur aanbiedt aan alle gemeenteraden en provinciale staten. Dit wordt gefinancierd vanuit het programma Weerbaar Bestuur binnen mijn ministerie. Ook wordt er aandacht aan besteed in de inwerkprogramma’s voor burgemeesters, wethouders en raadsleden.
Welke voorbeeldfunctie ziet u voor politici, op lokaal en landelijk niveau, om fatsoenlijk met elkaar om te gaan en eenduidig uit te stralen dat agressie en dreiging onacceptabel zijn?
Agressie en intimidatie richting politieke ambtsdragers is onacceptabel. Politici verrichten belangrijk werk en hebben daarbij ook een voorbeeldfunctie. Bij de ethiek van het democratisch debat, waarin het best mag schuren en soms zelfs botsen, is het van belang dat we fatsoenlijk met elkaar omgaan. Dat is een verantwoordelijkheid die op alle politici rust, van raadslid tot Minister. Ik zal mezelf blijven uitspreken tegen agressie en intimidatie tegen de mensen die iedere dag opnieuw voor onze democratische rechtsstaat staan. En ik roep anderen op dat ook te doen. Voor agressie en intimidatie tegen politieke ambtsdragers is geen plaats in onze samenleving. Zij moeten hun werk veilig en zonder last van vrees kunnen doen in het belang van de democratie.
Het nieuwsbericht over sluiproutes voor de financiering van politieke partijen |
|
Michiel van Nispen |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
Bent u bekend met de inhoud van het artikel «Politieke partijen blijven anonieme donaties aannemen»? Wat is uw reactie daarop?1
Ja. Zie voor een reactie de antwoorden op onderstaande vragen.
Klopt het dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties politieke partijen adviseert om anonieme donaties van boven de 250 euro terug te storten op de rekening van de afzender in plaats van het bedrag te storten op de rekening van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?
Uit de Wfpp volgt dat bij giften boven de € 250 aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan. Zo dienen bijvoorbeeld de NAW-gegevens van de donateur geregistreerd te worden en moeten bij een gift van een rechtspersoon de UBO-gegevens worden aangeleverd. Als een politieke partij een bedrag op haar bankrekening ontvangt zonder de benodigde gegevens over de oorsprong hiervan, is er volgens het Ministerie van BZK nog niet direct sprake van een anonieme gift. Het ministerie geeft politieke partijen dan drie mogelijkheden: alsnog de noodzakelijke gegevens achterhalen om de gift te mogen aanvaarden; het niet aanvaarden van het bedrag door het terug te storten; of het aannemen van de gift zonder de benodigde gegevens, maar de gift vervolgens overmaken op de rekening van BZK. BZK stelt in dat laatste geval een vorderingsbrief op waarmee het bedrag boven de € 250 euro wordt gevorderd.
Waarom wordt dit advies gegeven, terwijl in de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) artikel 23 staat dat dit bedrag overgemaakt moet worden aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties? Wat is uw precieze lezing van dit wetsartikel en waar is die interpretatie op gebaseerd?
Niet iedere burger of rechtspersoon is bekend met de regels over financiering van politieke partijen zoals die in de Wfpp zijn neergelegd. Het kan dan ook voorkomen dat iemand onbedoeld aan een politieke partij schenkt op een manier die niet is toegestaan. Daarnaast is het mogelijk dat een politieke partij een ontvangen bedrag niet wenst te accepteren. Als een partij het ontvangen bedrag niet als gift wil of mag accepteren, moet zij de mogelijkheid hebben dit terug te storten. Pas als een partij besluit het bedrag te aanvaarden, is er sprake van een gift. De werkwijze van het terugstorten van een overmaking is daarmee in lijn met meerdere doelstellingen van de Wfpp, zoals dat transparant moet zijn van wie politieke partijen giften ontvangen en dat anonieme giften van boven de € 250, niet worden aanvaard door partijen.
Klopt het dat buitenlandse mogendheden of organisaties grote donaties kunnen doen aan politieke partijen, door dit in eerste instantie over te maken aan een lokale afdeling van de partij, omdat deze niet onder het verbod vallen?
In de Wfpp is bepaald dat de wettelijke voorschriften over ontvangen giften niet gelden voor decentrale politieke partijen en afdelingen van politieke partijen. Veel landelijke politieke partijen nemen desondanks giften aan hun lokale afdelingen mee in de jaarlijkse verantwoording. In de Wet op de politieke partijen (Wpp), die de regering zo spoedig mogelijk bij uw Kamer hoopt in te indienen, doet de regering voorstellen voor regels over de financiering van lokale politieke partijen en afdelingen.
Klopt het dat politieke partijen nog steeds donaties van boven een ton kunnen ontvangen, doordat bedrijven, zoals Otto Workforce, persoonlijke holdings van bestuurders gebruiken om het bedrag op te splitsen in kleinere delen?
De Wfpp maximeert de giften die een politieke partij mag ontvangen tot € 100.000 per gever, per kalenderjaar. Daarnaast is het vanaf 1 januari 2024 voor politieke partijen verplicht bij giften van een rechtspersoon de UBO-gegevens te registeren. Op deze manier is duidelijk welk natuurlijk persoon uiteindelijk belanghebbende is bij de rechtspersoon. Het ontvangen van giften van verschillende gevers die aan elkaar verbonden zijn, is niet in strijd met de wet. Tegelijkertijd stellen de transparantieregels uit de Wfpp een norm en is het mogelijk dat hier een maatschappelijke discussie over plaatsvindt.
Klopt het dat een enkele afzender meer dan een ton kan doneren, door dit te spreiden over meerdere politieke partijen?
De Wfpp verbiedt politieke partijen om van een donateur jaarlijks giften van meer dan € 100.000 te aanvaarden. De verplichting berust daarmee op de politieke partij en niet op de donateur. Het doel van het artikel dat dit verbiedt, is om ongewenste financiële beïnvloeding van politieke partijen tegen te gaan door te voorkomen dat een politieke partij een substantieel deel van haar inkomen zou verkrijgen via één donateur. Een verbod op het ontvangen van giften van een donateur die al aan een andere politieke partij heeft gedoneerd is voor politieke partijen vrijwel niet te handhaven, omdat ze dan onderling op ieder moment direct informatie over ontvangen giften zouden moeten uitwisselen.
Klopt het dat er nog steeds anoniem gedoneerd kan worden aan een politieke partij door vanaf verschillende rekeningnummers elke keer duizend euro over te maken?
Nee. Bij een gift van € 1.000 dienen de NAW-gegevens geregistreerd te worden. Wel zijn anonieme donaties tot € 250 toegestaan. Doordat deze donaties anoniem zijn is het inherent onmogelijk om te bepalen of deze donaties door een en dezelfde of door meerdere personen zijn gedaan.
Bent u het eens met de stelling dat de Wfpp onvoldoende in staat is gebleken dit soort constructies te voorkomen en dat daarmee het doel van de wet, namelijk dat de politiek niet door grote geldschieters beïnvloed hoort te worden, niet wordt bereikt?
Het doel van de Wfpp is om de financiering van politieke partijen transparant te maken. Het is niet mogelijk om wettelijk alle mogelijke omzeilingsroutes te dichten. Politieke partijen hebben zelf ook een verantwoordelijkheid om in de geest van de Wfpp te handelen en verantwoording af te leggen over hun financiering. De transparantie die volgt uit de Wfpp maakt het mogelijk om een maatschappelijke discussie te voeren over hoe partijen aan hun financiering komen. Per 1 januari 2023 en 1 januari 2024 is de Wfpp aangescherpt en zijn de drempelbedragen verlaagd waarboven de transparantieverplichtingen van toepassing zijn. Ook is de regering voornemens zo spoedig mogelijk een voorstel betreffende de Wet op de politieke partijen in te dienen bij uw Kamer. Op basis van dat voorstel voer ik graag het debat met uw Kamer over de financieringsregels voor politieke partijen.
Bent u bereid de mazen in deze wet te dichten? Zo ja, welke maatregelen gaat u hier precies voor nemen? Op welke termijn?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat de versmalling van de interpretatie van de motie Paulusma door enkel onderzoek te laten doen naar de hormonale oorzaken van migraine, alleen indirect helpt in het verbeteren van toegang tot zorg en dat onderzoek naar knelpunten bij toegang tot de (eerstelijns)zorg direct zou helpen?1 2
Er wordt niet alleen onderzoek gedaan naar de hormonale oorzaken van migraine. Het effect van de hormonale cyclus/hormonen is wel één van de criteria om de aandoening op te nemen in het nieuwe Kennisprogramma Vrouwspecifieke Gezondheid3 bij ZonMw. Dit is van belang omdat hormonale dynamiek medeverantwoordelijk is voor het feit dat migraine ongeveer drie keer vaker voorkomt bij vrouwen dan bij mannen. Zeer recent is binnen het programma Vrouwspecifieke Gezondheid bij ZonMw een subsidieoproep geopend rondom vrouwspecifieke problematiek bij gynaecologische aandoeningen. Volgend jaar volgt een subsidieoproep voor niet-gynaecologische aandoeningen waaronder migraine. In de aanloop naar deze subsidieoproep wordt er door ZonMw een consultatie met enkele partijen gehouden om de focus voor deze oproepen nader in te vullen. Ik heb ZonMw naar aanleiding van deze Kamervragen gevraagd het vraagstuk van de toegang tot zorg in elk geval te agenderen voor deze consultatie.
Erkent u dat meer kennis op den duur op korte termijn geen oplossing biedt voor de grote groep mensen met migraine die nu geen toegang heeft tot passende zorg? Zo ja, kunt u aangeven op welke wijze u voornemens bent om dit onderzoek vorm te geven en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 1 voor wat betreft de vraag over onderzoek. Daarnaast buigt het Zorginstituut zich momenteel over de vraag of bepaalde middelen voor migraine ook vergoed moeten worden vanuit het basispakket voor mensen met episodische migraine4. Als dit advies positief uitpakt, dan zou dit ook tot positieve ontwikkelingen kunnen leiden voor patiënten. Ik ga ervan uit dat, net zoals dit geldt voor andere nieuwe geneesmiddelen, het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) en de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) vervolgens ervoor zorgen dat deze middelen worden opgenomen in de behandelrichtlijn en de activiteiten oppakken die daarbij horen. Ik wil echter niet op het advies van het Zorginstituut vooruitlopen.
Kunt u aangeven hoe vaak de pagina op Thuisarts.nl en de richtlijnen voor huisartsen over hoofdpijn door patiënten en zorgverleners worden geraadpleegd, en of er evaluaties zijn gedaan over de effectiviteit van deze initiatieven? Zo nee, bent u bereid dit te in kaart te brengen?
Ik heb bij Thuisarts.nl en het Nederlands Huisartsengenootschap (NHG) opgevraagd hoe vaak de verschillende webpagina's (www.thuisarts.nl en www.nhg.nl) het afgelopen jaar zijn geraadpleegd. De resultaten zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Zowel Thuisarts.nl als NHG houden geen persoonsgegevens bij van bezoekers en daarom is er geen onderscheid te maken tussen verschillende typen bezoekers zoals patiënten of zorgprofessionals. Het is echter aannemelijk dat de NHG-richtlijn over hoofdpijn vooral door zorgprofessionals wordt geraadpleegd.
Huisartsen gebruiken beide platforms ter ondersteuning bij de diagnostiek en behandeling van aandoeningen die in de huisartsenpraktijk voorkomen. De NHG-richtlijnen zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderbouwde adviezen en onderzoeken waarmee de kwaliteit van het medisch handelen van de huisarts wordt geborgd. De gezondheidsinformatie op Thuisarts.nl is gebaseerd op de richtlijnen van zorgverleners zoals het NHG. Als de richtlijnen worden gewijzigd, dan wordt ook de informatie op Thuisarts.nl aangepast.
Er zijn mij geen onderzoeken bekend naar specifiek de effectiviteit van thuisarts.nl voor mensen met migraine. In de beginperiode van Thuisarts.nl is wel onderzoek5 naar de algehele effecten van Thuisarts.nl gedaan. Hieruit bleek een groot effect op zorggebruik in alle leeftijdsgroepen. Vanwege het belang van de laagdrempelige beschikbaarheid van betrouwbare informatie over zorg en gezondheid, zet ik in op de doorontwikkeling van Thuisarts.nl. In dat kader vind ik het wenselijk dat regelmatig onderzoek wordt gedaan naar de effectiviteit van Thuisarts.nl. In mijn contacten met Thuisarts.nl zal ik dit onder de aandacht brengen.
Ik heb migraine (vrouw) | Thuisarts.nl
183.046
Migraine | Thuisarts.nl
160.929
Ik heb migraine aura | Thuisarts.nl
123.491
Ik heb migraine (man) | Thuisarts.nl
86.786
Ik heb aanvallen van duizeligheid en heb of had ook migraine | Thuisarts.nl
64.000
Ik wil voorkomen dat ik migraine-aanvallen krijg | Thuisarts.nl
36.510
Aanvallen van duizeligheid bij of na migraine | Thuisarts.nl
12.345
Ik heb hoofdpijn | Thuisarts.nl
159.435
Hoofdpijn | richtlijnen.nhg.org
115.688
Bent u met huisartsen in gesprek geweest over de toegang van zorg voor mensen met migraine? Zo ja, kunt u aangeven wat uit deze gesprekken is gebleken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ik heb met het NHG gesproken over de toegang tot zorg voor mensen met migraine. Uit dit gesprek blijkt dat binnen de huisartsenzorg aandacht is voor de toegankelijkheid van passende zorg voor mensen met migraine. In de NHG-richtlijn over hoofdpijn is aandacht voor passende zorg voor mensen met migraine. Ook bevat Thuisarts.nl gezondheidsinformatie over hoofdpijn/migraine die mensen kunnen raadplegen. Een belangrijk hulpmiddel voor mensen met hoofdpijn- of migraineklachten, is de keuzekaart migraine. Deze keuzekaart staat op Thuisarts.nl en helpt patiënten om samen met de arts te beslissen welke zorg het meeste passend is.
Kunt u aangeven hoeveel mensen die last hebben van een migraineaanval dit melden bij hun bedrijfsarts, en binnen welke termijn dit gebeurt?
Ik heb over de beantwoording van deze vraag contact gehad met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Er zijn op dit specifieke onderwerp geen cijfers beschikbaar. Medewerkers met een migraineaanval op het werk kunnen zich laagdrempelig melden bij de bedrijfsarts, bijvoorbeeld in een open spreekuur, om hun klachten te bespreken.
Bent u bereid ZonMw opdracht te geven een landelijk onderzoek in te stellen naar de specifieke knelpunten die mensen ervan weerhouden om tijdig zorg te zoeken? Zo ja, kunt u aangeven binnen welke termijn dit onderzoek kan starten? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 1 v.w.b. onderzoek naar migraine.
Verder heb ik contact gehad met het Nivel over mogelijke lopende onderzoeken. Van het Nivel heb ik begrepen dat er recent een onderzoek gestart is over zorggebruik bij de huisarts voor verschillende hoofdpijnaandoeningen, waaronder migraine. In dit onderzoek zal gekeken worden in hoeverre huisartsen de richtlijn volgen bij de behandeling van hoofdpijnaandoeningen daarnaast worden zorgpaden van patiënten bekeken. Dit is een onderzoek gebaseerd op gegevens uit elektronische patiëntendossiers van huisartsenpraktijken. De resultaten van dit onderzoek worden rond de zomer van 2025 verwacht. Onderzoek naar knelpunten die mensen met migraine ervaren is geen onderdeel van dit onderzoek.
Kunt u aangeven, gezien migraine onder vrouwen de meest beperkende ziekte is, welke stappen u op korte termijn gaat nemen in afwachting van de uitkomsten uit de verschillende onderzoeken die in de beantwoording worden genoemd, om de toegang tot passende zorg te verbeteren?
Ik verwijs u naar de antwoorden op de vragen 1, 2 en 6. Daarnaast is in december 2023 het rapport Maatschappelijke acceptatie vrouwspecifieke aandoeningen6 aangeboden aan mij. In dit rapport werd duidelijk dat door kennisachterstand, onvoldoende aandacht, gebrekkige voorlichting en gebrek aan samenwerking veel vrouwen onbegrepen aandoeningen en onbehandelde aandoeningen ervaren. Dit heeft grote impact op de kwaliteit van leven van vrouwen en leidt tot sociale en maatschappelijke gevolgen, zoals bijv. verhoogd ziekteverzuim en verminderde arbeidsparticipatie. In de reactie op dit rapport is aangegeven dat o.a. ingezet gaat worden op een Kennisprogramma Vrouwspecifieke Aandoeningen voor meer kennis en aandacht en informatieverspreiding daarover naar burgers en professionals. Ook is de inzet van het programma om de diagnostiek en behandeling te verbeteren. Dit moet ervoor zorgen dat vrouwen eerder de benodigde hulp zoeken en passende zorg krijgen voor vrouwspecifieke gezondheidsproblemen.
Bent u bereid om een landelijke publiekscampagne te starten die niet alleen de symptomen en behandelopties van migraine belicht, maar ook de maatschappelijke impact en het belang van tijdige zorg benadrukt?
Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) kiest ervoor om landelijke publiekscampagnes in te zetten voor thema’s die een brede impact hebben op de gehele samenleving, zoals bijvoorbeeld bij corona. Voor onderwerpen zoals migraine, waarbij gespecialiseerde kennis en specifieke doelgroepen belangrijk zijn, zijn andere organisaties beter geschikt als afzender. Dit zorgt ervoor dat de boodschap beter wordt begrepen, langer blijft hangen en effectiever wordt ontvangen. Daarnaast is Thuisarts.nl bedoeld voor iedereen die informatie zoekt over gezondheid en ziekte. Het ministerie ondersteunt wel initiatieven van organisaties die zich richten op onderbelichte onderwerpen, zoals endometriose of huidkanker. Ook bij migraine kan nagedacht worden hoe aandacht kan worden gevraagd voor het onderwerp via andere vormen van publiekscommunicatie. Daarom is het Ministerie van mening dat VWS zelf minder geschikt is als afzender van een publiekscampagne over migraine, maar blijft openstaan voor samenwerking en ondersteuning op andere manieren, zoals publiekscommunicatie via sociale media.
Het uiterst kritische Raad van State advies over het nieuwe box 3 stelsel. |
|
Senna Maatoug (GL), Pieter Grinwis (CU), Inge van Dijk (CDA) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC), Eelco Heinen (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Hoe kijkt u aan tegen het advies van de Raad van State over het wetsvoorstel over box 3? Deelt u de zorgen en kritiek van de Raad van State? Op welke punten wel en op welke punten niet?
De Afdeling advisering van de Raad van State (de Afdeling) heeft een uitgebreid advies op het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 gegeven. Het kabinet neemt dit advies zeer serieus en bestudeert het op dit moment grondig. In een nader rapport op dat advies komt het kabinet met een uitgebreide reactie, daarop kan ik nu niet vooruitlopen. Afgelopen week heb ik de brief «Stand van zaken wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3» aan uw Kamer gestuurd. Daarin ga ik kort in op het advies van de Afdeling en kondig een eerste reactie aan voorafgaand aan het debat dat uw Kamer in 2025 heeft gepland.
Deelt u de lezing dat dit advies leidt tot vertraging van het nieuwe stelsel? Zo ja, kan een schatting worden gegeven van hoeveel vertraging?
De in het vorige antwoord aangehaalde Brief «Stand van zaken wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3» licht ik toe dat de hersteloperatie naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 6 en 14 juni 20241 de komende jaren een groot beslag op de capaciteit van de Belastingdienst legt, zowel qua personeel als ICT. Daardoor zal de overstap naar een nieuw box 3-stelsel sowieso niet lukken per 1 januari 2027 en kondig ik aan dat ik rekening houd met uitstel van één jaar.
Kunt u een schatting geven van de budgettaire implicaties van deze vertraging? Is dit nog steeds twee miljard euro per jaar of is er aanvullende derving?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 houd ik rekening met één jaar uitstel van de Wet werkelijk rendement box 3 als gevolg van de benodigde hersteloperatie. Dit leidt tot een derving van circa € 2,4 miljard in 2027. In de Kamerbrief «Stand van zaken wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3» is dit in meer detail toegelicht. Het advies van de Afdeling leidt niet tot aanvullende derving.
Kunt u bevestigen dat deze derving meerjarig zal worden gedekt tijdens de voorjaarsbesluitvorming?
Afgelopen week heb ik uw Kamer geïnformeerd met een brief over het vervolg van het toekomstige stelsel van box 3. Zoals vermeld in de Kamerbrief gaat het uitstellen van het nieuwe stelsel naar 2028 gepaard met een budgettaire derving die conform de begrotingsregels gedekt moet worden. Het uitgangspunt is dat dekking binnen hetzelfde domein wordt gevonden als de derving.
Het kabinet is voornemens om de derving die optreedt in 2027 voorlopig in te vullen door middel van het verhogen van het forfait op overige bezittingen, in combinatie met een verlaging van het heffingvrije vermogen. Het huidige forfait voor overige bezittingen weerspiegelt het gemiddelde meerjarige rendement op aandelen, obligaties en onroerende zaken. Huurinkomsten en voordelen als gevolg van eigen gebruik van onroerende zaken zijn onderdeel van het werkelijke rendement op onroerende zaken. Dit rendement (de economische huurwaarde) is echter niet verwerkt in de berekening van het forfait. Door de economische huurwaarde wel mee te nemen in de berekening van het forfait voor overige bezittingen stijgt het forfait. Dit betreft een technische dekking waarover in het voorjaar definitief besloten wordt. Ik wil blijven benadrukken dat de structurele werkzame oplossing een overstap naar een stelsel zal zijn, waarin op basis van werkelijk rendement wordt geheven. De datum van inwerkingtreding zoals vermeld in de Kamerbrief komt door het advies van de Afdeling niet in gevaar.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Hoge Raad zegt dat een forfait vrijwel niet houdbaar is en dat de Raad van State zegt dat werkelijk rendement te complex is om uit te voeren? Welke weg ziet u uit deze situatie?
Bij de keuze voor een nieuw box 3-stelsel dient de wetgever diverse elementen te wegen, waaronder juridische houdbaarheid, budgettaire opbrengst, uitvoerbaarheid, complexiteit en doenvermogen. Het stelsel dat op alle elementen een tien scoort bestaat niet. Het kabinet zal de voor- en nadelen van de verschillende elementen wegen en vervolgens een keuze maken.
Hoe kijkt u aan tegen de mogelijkheid om meerdere alternatieven uit te werken om zo te voorkomen dat de straks gekozen route onverhoopt ook tegen grote problemen aanloopt, waardoor nog meer vertraging zou ontstaan? Overweegt u daarbij ook eenvoudige vermogensbelasting als mogelijke (tussen)oplossing?
Op 13 december 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het onderzoek naar alternatieve invoeringsopties voor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Hierbij is ook ingegaan op een vermogensbelasting. Het kabinet gaat het advies voor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 inhoudelijk bestuderen en de mogelijkheden die er zijn wegen.
Bent u bekend met de statistieken dat Nederland internationaal gezien slecht scoort qua vermogensongelijkheid, en dat zelfs als het pensioenvermogen wordt meegerekend Nederland niet verder komt dan de middenmoot van OESO-landen?
Ik ben bekend met de vermogensstatistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zowel die zonder als met pensioenvermogen.
Kunt u schetsen wat de gevolgen voor de vermogensongelijkheid zijn als de komende jaren er een flinke budgettaire derving in box 3 is?
Het continueren van een forfaitaire regeling met tegenbewijs leidt tot een budgettaire derving in box 3 omdat dit ervoor zorgt dat belastingplichtigen met een lager rendement dan het forfaitaire rendement op hun gehele box 3-vermogen, belast worden op basis van het werkelijke rendement op hun box 3-vermogen en dat belastingplichtigen met hogere rendementen dan het forfaitaire rendement op hun gehele box 3-vermogen belast worden tegen het lagere forfaitaire rendement. Dit maakt het fiscale stelsel onevenwichtiger ten opzichte van een stelsel dat over de volle breedte het werkelijke rendement belast. Een stelsel dat het werkelijke rendement op vermogen belast, zorgt ervoor dat ook belastingplichtigen die hoge rendementen behalen op hun vermogen overeenkomstig worden belast.
Zoals het IBO vermogensverdeling aangeeft is het niet mogelijk om op een verantwoorde manier het geïsoleerde effect van een individuele maatregel op een kwantitatieve vermogensindicator zoals de bekende ginicoëfficiënt te berekenen zoals koopkracht dat doet met inkomenseffecten. Zo is het effect van het continueren van een forfaitaire regeling met tegenbewijs in box 3 op de vermogensverdeling niet kwantitatief te duiden. Het vermogen van huishoudens bestaat uit verschillende vermogenssoorten waarbij de ene vermogenssoort veel schever is verdeeld dan de ander. Zo is box 2 vermogen het scheefst verdeeld en zeer geconcentreerd in de top 1% meest vermogende huishoudens. Het box 3 vermogen is ten opzichte van box 2 vermogen minder scheef verdeeld. Het eigenwoningbezit vormt verreweg het grootste deel van het totale vermogen van Nederlandse huishoudens en dit is het minst scheef verdeeld van alle vermogensvormen. Dit maakt dat de ontwikkeling van de huizenprijzen de waarde van de ginicoëfficiënt van de vermogensverdeling in Nederland domineert. Daarbij is de jaarlijkse ontwikkeling in de ginicoëfficiënt sinds 2007 beperkt en vrij stabiel. In de periode 2007–2023 is die zelfs licht afgenomen. Het IBO Vermogensverdeling2 maakt wel heel duidelijk dat fiscaal beleid ongelijkheid tussen huishoudens kan vergroten vanwege onevenwichtige belastingheffing op arbeid en vermogen. Het IBO vermogensverdeling beveelt daarom aan om bij besluitvorming te sturen op een evenwichtig fiscaal stelsel.
De budgettaire derving als gevolg van het continueren van een forfaitaire regeling met tegenbewijs in box 3 komt terecht bij belastingplichtigen met weliswaar relatief veel vermogen in box 3, maar wel met lagere gerealiseerde rendementen over dat vermogen dan het forfaitaire rendement. Het is goed te beseffen dat daarnaast ook budgettaire opbrengst wordt misgelopen omdat met de forfaitaire regeling huishoudens met hogere dan de forfaitaire rendementen op hun box 3 vermogen effectief lager worden belast over hun werkelijk rendement dan belastingplichtigen aan wie nu rechtsherstel wordt geboden en alle andere belastingplichtigen met box 3 vermogen. Ook hierbij gaat het om belastingplichtigen met relatief veel vermogen. Deze belastingplichtigen hadden al een relatief fiscaal voordeel in box 3 dankzij de forfaitaire regeling en blijven die behouden met de tegenbewijsregeling. Een stelsel dat hoge rendementen effectief lager belast dan lagere rendementen kan moeilijk als evenwichtig worden beschouwd omdat het de ongelijkheid tussen huishoudens vergroot. Het belasten van het werkelijke rendement op vermogen in box 3 sluit verreweg het meeste aan bij een evenwichtige belasting op vermogen en zorgt ervoor dat bestaande verschillen tussen huishoudens niet worden vergroot door fiscaal beleid. Het IBO Vermogensverdeling is daar ook heel duidelijk over.
Deelt u de opvatting dat alles op alles gezet moet worden om ervoor te zorgen dat vermogen eerlijk wordt belast in Nederland en de vermogensongelijkheid niet verder oploopt? Kunt u toezeggen naar aanvullende maatregelen voor de komende jaren te kijken en als Nederland een voortrekkersrol te spelen om tot internationale maatregelen te komen?
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangegeven kan er niet jaarlijks worden gestuurd op een kwantitatieve vermogensongelijkheidsindicator zoals de bekende ginicoëfficiënt zoals dat gebeurt bij de jaarlijkse koopkrachtontwikkeling. De vermogensverdeling in Nederland kan daarnaast ook niet los worden gezien van onze – ook internationaal gezien – uitgebreide collectieve voorzieningen. Dit is van groot belang te realiseren bij het maken van een internationale vergelijkingen van de vermogensverdeling, zo maakt het IBO Vermogensverdeling duidelijk.
Fiscaal beleid kan wel degelijk ongelijkheden tussen huishoudens vergroten of verkleinen. Het kabinet is van mening dat een fiscaal stelsel dat bijdraagt aan het vergroten van verschillen tussen huishoudens onwenselijk is. Een van de adviezen van het IBO Vermogensverdeling was om jaarlijks bij de besluitvorming oog te hebben voor de fiscale onevenwichtigheden in het belasten van (inkomen uit) vermogen en inkomen uit arbeid oftewel oog te hebben voor het globaal evenwicht. Sturen op globaal evenwicht is precies wat dit kabinet doet, net als het vorige kabinet. Een globaal evenwicht in de belastingdruk van verschillende typen werkenden (directeur-grootaandeelhouder, ondernemer in de inkomstenbelasting en werknemer) was ook een belangrijke doelstelling van de invoering van het boxenstelsel in 2001, zodat er zo min mogelijk arbitragemogelijkheden zijn. Het evenwicht tussen het inkomen van ondernemers met dat van werknemers is sindsdien echter vrijwel direct verloren gegaan. In de afgelopen kabinetsperiode is deze trend gekeerd en is een flinke stap gezet in het herstel van het globale evenwicht.
Het kabinet richt zich ook op andere vormen van belastingarbitrage en belastingontwijking als gevolg van onevenwichtigheden in ons fiscale stelsel. De hoogste inkomens en de meest vermogenden kunnen het meest profiteren van arbitragemogelijkheden omdat zij vanwege de omvang van hun inkomen en vermogen veel meer mogelijkheden hebben om zodanig te schuiven met hun inkomen en vermogen dat zo min mogelijk belasting wordt betaald. Zij hebben er ook het meeste financiële belang bij. Belastingontwijking door belastingplichtigen met hoge inkomens en vermogen gaan ten koste van andere huishoudens die de gederfde inkomsten moeten opvangen door hogere lasten. Dat is onrechtvaardig en vergroot verschillen tussen huishoudens. Daarom zet dit kabinet net zoals het vorige kabinet in op de aanpak van belastingconstructies. Daarbij is het ook goed om te beseffen dat onbedoeld gebruik van fiscale regelingen waarbij de huidige wet- en regelgeving te kort schiet om daartegen op te treden ook als een vorm van belastingarbitrage kan worden gezien. Daarom is het ook een goede zaak dat fiscale regelingen periodiek worden geëvalueerd op noodzaak, doeltreffendheid en doelmatigheid. Dit draagt Nederland ook uit in verschillende internationale gremia.
Voor de hoogste inkomens en vermogens speelt daarbij ook dat zij – vergelijkbaar met multinationale ondernemingen – in staat zijn hun belastingdruk op inkomen en vermogen wereldwijd te optimaliseren door gebruik te maken van de verschillen tussen nationale belastingstelsels. De belastingheffing van zeer vermogende personen staat ook in de G20 op de agenda en de G20 heeft inmiddels het Inclusive Framework (IF) van de OESO uitgenodigd om dit thema in overweging te nemen om ermee verder te gaan.3 Nederland wil daaraan een actieve bijdrage leveren en trekt waar mogelijk samen op met gelijkgestemde landen. Het kabinet wil verkennen of internationaal afspraken kunnen worden gemaakt over het belasten van zeer vermogende personen en huishoudens. Voorkomen van belastingontwijking door zeer vermogenden vergt allereerst veel informatie-uitwisseling over bezittingen wereldwijd. In navolging van de informatie-uitwisseling van bankgegevens wordt nu in OESO-verband ook gewerkt aan het tot stand komen van internationale informatie-uitwikkeling over vastgoed.
Kunt u toezeggen dat het geld dat nu gereserveerd staat voor werkende middeninkomens niet nogmaals zal worden gebruikt om de tegenvaller op box 3 te dekken?
Zie de beantwoording van vraag 4.
Kunt u deze vragen, gezien de mogelijke budgettaire consequenties, beantwoorden voor de behandeling van de Najaarsnota?
Ja, dat kan ik.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden?
Ja, dat kan ik.
Het bericht dat vier op de tien vrouwen die abortus kiest niet deed aan anticonceptie. |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Fleur Agema (PVV), Karremans |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Vier op tien vrouwen die abortus kiest, deed niet aan anticonceptie.»1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat 41% van de vrouwen die een abortus onderging, geen enkele anticonceptiemethode gebruikte?
De keuze voor het al dan niet gebruiken van anticonceptie is aan de vrouw en haar (seks)partner. Dat uit het onderzoek van Rutgers2 blijkt dat 41% van de vrouwen in een abortuskliniek geen anticonceptie had gebruikt is op zichzelf geen opvallende bevinding. Meer inzichtelijk wellicht is de bevinding van de onderzoekers dat veel van deze vrouwen (44%) aangaven dat ze dachten dat de kans dat ze zwanger zouden worden heel klein was. Daarnaast gaven sommige vrouwen aan dat ze geen anticonceptie gebruikten omdat ze dachten dat ze onvruchtbaar waren (13%). Anderen gaven aan dat ze geen anticonceptie gebruikten omdat ze dachten dat haar sekspartner onvruchtbaar was (6%). Deze bevindingen tonen aan dat het belangrijk is dat mensen goed geïnformeerd worden over vruchtbaarheid en zwangerschap, en over het gebruik en de betrouwbaarheid van verschillende anticonceptiemethoden.
Hoe verklaart u het feit dat 6 op de 10 vrouwen die ongewenst zwanger raakte wel anticonceptie gebruikte, wat zegt dit over de betrouwbaarheid van anticonceptiemethoden en de kennis of het correcte gebruik ervan, en zijn er stappen nodig om het bewustzijn over effectief anticonceptiegebruik te vergroten om het aantal abortussen terug te dringen?
Het feit dat sommige vrouwen die een abortus ondergaan, wél maatregelen hadden getroffen tegen een onbedoelde zwangerschap, laat zien dat een onbedoelde zwangerschap iedereen kan overkomen. Deze bevinding van de onderzoekers is niet nieuw; uit wetenschappelijke literatuur is immers bekend dat niet alle vormen van anticonceptie evengoed beschermen tegen zwangerschap. De vruchtbaredagenmethode bijvoorbeeld wordt door artsen gezien als een minder geschikte methode om zwangerschap te voorkomen, omdat niet alle vrouwen een regelmatige cyclus hebben en omdat het risico op fouten in de toepassing hoger is dan bij andere methoden. Er kunnen echter allerlei redenen spelen bij de keuze van de vrouw (en de man!) om bepaalde vormen van (hormonale) anticonceptie niet te willen gebruiken, zoals ook blijkt uit het onderzoek van Rutgers.
Het Rutgers onderzoek laat zien dat er nog winst te behalen valt bij het vergroten van het bewustzijn over effectief anticonceptiegebruik. Het terugdringen van het aantal abortussen is voor mij echter geen doel op zich. Wel zet ik in op het versterken van de regie op kinderwens bij zowel mannen als vrouwen, en op het voorkomen van onbedoelde zwangerschappen. Het goed informeren van mannen en vrouwen over vruchtbaarheid en anticonceptie, evenals de vaardigheden om anticonceptie correct te gebruiken, zijn daar een onderdeel van. Momenteel wordt geïnventariseerd hoe hier in de nieuwe aanpak onbedoelde zwangerschap extra aandacht aan kan worden besteed. In het voorjaar van 2025 zal ik uw Kamer daarover informeren.
Hoe beoordeelt u de toegenomen scepsis bij jongeren en de mogelijke rol van informatie over het gebruik van hormonale anticonceptie en vruchtbaarheid, en op welke wijze wordt seksuele voorlichting momenteel verbeterd of versterkt om deze onwenselijke trends tegen te gaan?
De overheid moedigt scholen aan om aandacht te besteden aan het thema Relaties en seksualiteit. Dat doet zij onder andere via het programma Gezonde School en het tijdelijke Stimuleringsprogramma Gezonde Relaties & Seksualiteit. Daarbij wordt gebruik gemaakt van erkende interventies in een doorlopende leerlijn.3 De erkende interventies bevatten onder andere betrouwbare en leeftijdsadequate informatie over onderwerpen zoals anticonceptie en het voorkomen van onbedoelde zwangerschap.
Uit het Rutgers onderzoek blijkt dat sommige vrouwen hun keuze voor een anticonceptiemethode (mede) baseren op wat ze op sociale media zien.4 Het vermoeden is dat dit voor jonge meiden ook zo is. Omdat de informatie op sociale media lang niet altijd betrouwbaar is, adviseert Rutgers om bij de ontwikkeling van lesmaterialen aandacht te hebben voor mediawijsheid en het beoordelen van bronnen. Rutgers heeft hier als kennisinstituut ook nadrukkelijk aandacht voor in hun voorlichting en informatie en geeft hier advies over aan ontwikkelaars van lesmaterialen.
Deelt u de mening dat adequate seksuele voorlichting, inclusief informatie over en betaalbaarheid van anticonceptie, van essentieel belang is om ongewenste zwangerschappen te voorkomen? Zo ja, welke initiatieven neemt u om de verspreiding van desinformatie tegen te gaan?
Ja, ik vind het belangrijk dat kinderen in Nederland toegang hebben tot adequate relationele en seksuele vorming. Het onderwijs over relaties en seksualiteit is toegespitst op de leeftijd en de ontwikkelingsfase van het kind. Lessen gaan bijvoorbeeld over vriendschap, verliefdheid, maar ook over anticonceptie en zwangerschap. Relationele en seksuele vorming zorgt ervoor dat mensen bewuster beginnen aan seks, zich beter beschermen tegen onbedoelde zwangerschappen en soa’s en dat seksueel grensoverschrijdend gedrag wordt voorkomen.5 Daarom moet iedere school in het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs sinds 2012 aan de kerndoelen rond seksualiteit voldoen. De Inspectie van het Onderwijs ziet hierop toe. In vorm, tempo en inhoud zorgen leerkrachten ervoor dat het onderwijs leeftijdsadequaat is en dus aansluit bij de ontwikkeling, leeftijd en belevingswereld van het kind. Scholen beslissen zelf hoe ze precies aandacht aan relationele en seksuele vorming besteden. Met het Stimuleringsprogramma Gezonde Relaties en Seksualiteit worden scholen sinds 2019 gestimuleerd en ondersteund om aandacht te geven aan dit thema. Eind 2025 stopt dit programma en zal het thema Relaties en Seksualiteit als één van de vaste thema’s worden opgenomen in het Gezonde School programma.6
Uit het Rutgers onderzoek blijkt dat 2% van de vrouwen die in de maand voorafgaand aan de zwangerschapsafbreking geen anticonceptie gebruikte, dit (onder andere) deed omdat zij anticonceptie te duur vonden. Hieruit blijkt dat de betaalbaarheid van anticonceptie voor slechts een heel kleine groep een probleem is. Voor die groep zijn verschillende mogelijkheden voor vergoeding van de anticonceptie, zoals wordt beschreven in het antwoord op vraag 7.
Om misinformatie tegen te gaan is het belangrijk dat er toegankelijke en betrouwbare informatie over seksualiteit en anticonceptie beschikbaar is. Deze informatie wordt aangeboden door verschillende kennisinstellingen die gefinancierd worden door het Ministerie van VWS. Zo biedt Rutgers diverse websites7 aan met informatie over seksuele vorming en anticonceptie. Fiom8 is het expertisecentrum op het gebied van onbedoelde zwangerschap en Sense.info9 is speciaal gericht op jongeren en wordt beheerd door Soa Aids Nederland. De komende periode wordt in samenwerking met het veld geïnventariseerd of en hoe we het tegengaan van mis- en desinformatie vorm kunnen geven, aansluitend op de Rijksbrede strategie desinformatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het thema van mis- en desinformatie zal terugkomen in het vervolg op de Aanpak onbedoelde en ongewenste zwangerschap, waarover ik de Kamer in het voorjaar van 2025 zal informeren.
Is het u bekend of er een toename is in het aantal hulpvragen van ongewenst zwangere vrouwen bij hulpinstanties, ook wanneer deze vrouwen ervoor kiezen om het kindje te houden, en zijn er voldoende plaatsen beschikbaar voor hen? Zo ja, kunt u dat onderbouwen en aangeven of er sprake is van een wachtlijst? Zo nee, welke stappen zijn nodig om dit op te lossen?
Nee, er zijn mij geen signalen bekend dat deze specifieke groep meer dan voorheen hulp bij hulpinstanties zoekt. Ik heb hierover overigens geen volledig zicht aangezien dit niet apart wordt geregistreerd. Vrouwen die onbedoeld zwanger zijn geraakt en besluiten tot het uitdragen van de zwangerschap maken gebruik van reguliere hulp en zorg: bij de verloskundige, huisarts, bij de medisch specialist en binnen de JGZ. Het aantal keuzehulptrajecten dat wordt gevoerd stijgt wel sinds enkele jaren.10 Uiteraard zijn er onbedoeld zwangere vrouwen met een extra ondersteuningsbehoefte, zoals ook het geval kan zijn bij vrouwen die bedoeld en gepland zwanger zijn. Zij kunnen terecht in het lokale veld (Wmo of Jeugdwet), of indien nodig binnen de GGZ. Voor jonge aanstaande ouders bestaan er diverse woonplekken met begeleiding. Dit aanbod valt veelal onder de Jeugdwet en daarmee onder de verantwoordelijkheid van gemeenten.
Cijfers van wachttijden worden niet landelijk bijgehouden. Ik kan dus niet aangeven of wachttijden voor deze specifieke vorm van woonplekken met begeleiding landelijk gestegen zijn. Voor het aanpakken van wachttijden in het jeugdzorgstelsel is er de landelijke Aanpak Wachttijden, die regio’s ondersteunt bij het aanpakken van regionale oorzaken van wachttijden.
Bent u bereid nader onderzoek te laten verrichten naar de onderliggende oorzaken van het niet-gebruik van anticonceptie door vrouwen die een ongewenste zwangerschap ervaren, en heeft u in beeld hoe vaak de betaalbaarheid een overweging is en welke gevolgen verbindt u daaraan?
Het Rutgers onderzoek onder vrouwen in abortusklinieken biedt reeds veel inzicht in de onderliggende oorzaken van het niet-gebruik van anticonceptie. In het antwoord op vraag 1 zijn enkele redenen toegelicht voor vrouwen om geen anticonceptie te gebruiken. Uit het Rutgers onderzoek blijkt bovendien dat 2% van de vrouwen die in de maand voorafgaand aan de zwangerschapsafbreking geen anticonceptie gebruikte, dit (onder andere) deed omdat zij anticonceptie te duur vonden. Te hoge kosten van anticonceptiemiddelen speelt dus voor slechts een heel beperkte groep een rol bij de keuze voor het gebruik van anticonceptie.
Er zijn mogelijkheden voor het vergoeden van anticonceptie voor mensen die dit niet (volledig) kunnen betalen. Via het Programma Nu Niet Zwanger bijvoorbeeld worden cliënten geholpen bij het nemen en houden van regie op hun kinderwens. Als het betalen van anticonceptie voor cliënten een probleem is dan wordt het voor hen betaald. In abortusklinieken kan dankzij een opslag op het tarief voor de plaatsing van anticonceptie aan ongeveer 10% van hun clientèle gratis een anticonceptiemiddel worden aangeboden. Gezien deze mogelijkheden acht ik aanvullend beleid op het vlak van betaalbare anticonceptie, niet nodig.
Het verrichten van meer onderzoek is op dit moment evenmin nodig. Rond de zomer van 2025 verwacht ik de uitkomsten van de AVOZ-studie11: de deelstudie over factoren die bijdragen aan het ontstaan van een onbedoelde zwangerschap. In dit onderzoek zal er opnieuw aandacht zijn voor het gebruik van anticonceptie voorafgaand aan een onbedoelde zwangerschap.
Bent u bekend met het amendement Stoffer/Eerdmans1 dat een verlaging voorstelt van de Nederlandse bijdrage aan UNRWA van 19 miljoen naar 0 euro, en de gewijzigde versie van dit amendement dat een verlaging naar 9 miljoen euro voorstelt?
Ja. Dit amendement is inmiddels aangepast en stelt nu een verlaging voor naar 15 miljoen euro in 2025.
Herinnert u zich dat u op 20 november het amendement heeft ontraden omdat «het kabinet de juridische verplichtingen aan UNRWA respecteert en voor 2025 is dat 19 miljoen»?2
Ja.
Herinnert u zich uw uitspraken tijdens het commissiedebat humanitaire hulp op 9 oktober en uw brief van 8 oktober, waarin u ook aangaf de aangegane financiële verplichting na te willen komen? Herinnert u zich de redenen die u hiervoor aandroeg, namelijk vanwege de humanitaire noden in de regio, omdat het doorbreken van verplichtingen aan UNRWA negatief gepercipieerd wordt door internationale partners, en omdat wij UNRWA volgens u «nodig» hebben «om in ieder geval de noodhulp bij de mensen zelf te krijgen»?
Ja.
Kunt u bevestigen dat uw appreciatie van het amendement daarom niet wijzigt, aangezien elke vorm van verlaging van de juridisch verplichte 19 miljoen – zowel naar 0 miljoen als naar 9 miljoen – nog altijd betekent dat het kabinet een aangegane financiële verplichting van 19 miljoen niet respecteert, en u heeft aangegeven juridische verplichtingen te willen respecteren?
Hierover is uw Kamer geïnformeerd middels de Kamerbrief van 6 december jl.3
Indien uw appreciatie van het amendement wel wijzigt, kunt u onderbouwen waarom?
Zie antwoord vraag 4.
Aangezien het een juridische verplichting betreft, kunt u de ambtelijke adviezen die onder uw appreciatie van het amendement liggen met de Kamer delen vóór woensdagavond 4 december, zodat de Tweede Kamerfracties genoeg tijd hebben zich te beraden over de stemming over het amendement op donderdag 5 december?
Dit is niet meer van toepassing.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden vóór woensdagavond 4 december, zodat de Tweede Kamerfracties genoeg tijd hebben zich te beraden over de stemming over het amendement op donderdag 5 december?
Dit is niet meer van toepassing.
Het bericht ‘Kind van ouders met verstandelijke beperking: 'Eigenlijk was ik de ouder'’ |
|
Judith Tielen (VVD), Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Karremans |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Kind van ouders met verstandelijke beperking: «Eigenlijk was ik de ouder»»?1
Ja.
Bent u bekend met het radioprogramma Nieuws en Co van 22 november jl. waarin het Trimbos-instituut pleit voor gesprekken over de kinderwens conform Nu Niet Zwanger?2 Wat is uw reactie op dit pleidooi?
Ja. In de uitzending van Nieuws en Co pleit het Trimbos-instituut om tijdig een gesprek te voeren met vrouwen én mannen in de vruchtbare periode of sprake is van een actuele kinderwens, zodat ze een geïnformeerde en bewuste keuze kunnen maken. Ik vind het, net zoals het Trimbosinstituut, van belang dat iedereen bewust en goed geïnformeerd moet kunnen kiezen om nu wel of geen kind te willen krijgen. Dat is niet voor iedereen vanzelfsprekend. Het programma Nu Niet Zwanger (NNZ) ondersteunt mensen in kwetsbare omstandigheden om regie te nemen over hun kinderwens. Zodat zij niet overvallen worden door een zwangerschap. Het programma is momenteel in 303 gemeenten beschikbaar en er komen nog steeds gemeenten bij. Ik stel t/m 2027 projectsubsidie beschikbaar aan de GGD GHOR Nederland voor de landelijke uitrol van het programma Nu Niet Zwanger. In de jaren 2023 t/m 2025 is extra geld beschikbaar gesteld zodat het programma sneller kan uitbreiden en inhoudelijk kan verdiepen.
Wat is de reden dat niet wordt geregistreerd bij hoeveel gezinnen met Kinderen van Ouders met Psychische Problemen (KOPP) en Kinderen van ouders met een verslaving (KOV) programma’s als Nu Niet Zwanger worden ingezet? Bent u bereid dit te gaan registreren, zo nee, waarom niet?
Het programma Nu Niet Zwanger (NNZ) is geen doelgroepeninterventie. Vanuit/door het programma leren professionals uit het medisch en het sociale domein hoe je kinderwens bespreekbaar maakt en bespreekt. Het programma richt zich op alle mensen in kwetsbare omstandigheden, waaronder Kinderen van Ouders met Psychische Problemen als Kinderen van ouders met een verslaving. Kwetsbare omstandigheden kunnen echter veel bredere oorzaken hebben en kent een grote verscheidenheid. De inzet van het Nu Niet Zwanger programma is (1) het bespreken van kinderwens bij mensen in kwetsbare omstandigheden, (2) het normaliseren van praten over kinderwens en (3) het implementeren van de bijbehorende NNZ-methode bij organisaties die werken met mensen in kwetsbare omstandigheden, waaronder de doelgroep KOPP/KOV. Daarnaast is het streven om het praten over kinderwens volgens de Nu Niet Zwanger methode onderdeel te laten worden van de reguliere werkzaamheden van de aangesloten organisaties.
Als er vervolgstappen nodig zijn kan NNZ praktische hulp en ondersteuning bieden. Alleen ter zake doende informatie voor deze inzet van het NNZ- programma en het regie nemen op kinderwens wordt geregistreerd. De reden/oorzaak van de kwetsbare omstandigheden waar mensen zich in bevinden en/of extra registratie hierop hoort daar niet bij.
Het gaat over bewustwording en inzicht hebben in de balans tussen beschermende en risicofactoren, op basis waarvan mogelijk aanstaande ouders een weloverwogen keuze kunnen maken of dat het juiste moment is om al dan niet zwanger te worden. Daarom wordt het dus ook niet op doelgroep niveau geregistreerd. Dit is ook bedoeld om een eventuele stigmatisering of ethische vraagstukken te voorkomen. Denk aan bemoeizorg of uitsluiting.
Er zijn en komen ook geen landelijke gegevens beschikbaar over het aantal KOPP/KOV-gezinnen waarbij Nu Niet Zwanger is ingezet omdat deze gegevens niet op landelijk niveau worden geregistreerd, dit niet wenselijk is en dit voor de verdere ontwikkeling van het NNZ-programma geen meerwaarde heeft.
Bij hoeveel instellingen die werken voor en met mensen met een lichtverstandelijke beperking (LVB) wordt het gesprek over de kinderwens conform Nu Niet Zwanger gevoerd?
Deze gegevens worden niet landelijk geregistreerd. Het Nu Niet Zwanger programma is op dit moment beschikbaar in 89% van de gemeenten. Elke GGD heeft een NNZ-team met inhoudelijk coördinatoren. Deze lokale NNZ-teams registreren met welke organisaties zij samenwerken. We zien hierin variatie, per NNZ-programma zijn er tussen de 1 en 10 organisaties die werken met mensen met een licht verstandelijke beperking aangesloten bij het programma. In deze organisaties zijn aandachtsfunctionarissen aangesteld die getraind zijn – door het Nu Niet Zwanger team van de GGD – in de NNZ-methodiek en hoe ze het programma in hun instellingen kunnen toepassen. Zij zijn de ambassadeurs en contactpersonen voor hun collega’s in de instellingen die werken met Nu Niet Zwanger. De professionals werken vanuit hun vertrouwensrelatie met hun cliënten en zijn daarmee de aangewezen personen om de kinderwens van hun cliënten te bespreken. Deelname van instellingen en mate van participatie en borging van het programma fluctueert omdat er sprake is van vrijwilligheid. Het is hiermee niet exact bekend hoeveel instellingen, die werken voor en met mensen met een lichtverstandelijke beperking (LVB), werken conform de aanpak van Nu Niet Zwanger
In hoeverre is onveilige hechting bij kinderen van ouders met een verstandelijke beperking onderdeel van de richtlijn Ouder-kind relatie en de richtlijn Kindermishandeling, en is deze groep kinderen meegenomen in de uitvoering van de motie Tielen?3
In de Voortgangsbrief Jeugd van 5 november jl. bent u geïnformeerd over de mate waarin gehechtheid een onderwerp is binnen de werkzaamheden van de jeugdgezondheidszorg bij het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) en bij het Nederlands Jeugd Instituut (NJi). In deze brief is aangegeven dat zorgprofessionals zich maximaal inzetten op het thema gehechtheid en daarvoor de richtlijn ouder-kind relatie en de richtlijn kindermishandeling toepassen. Zowel in de JGZ-richtlijn ouder-kind relatie als de richtlijn Kindermishandeling worden factoren benoemd die een risico kunnen opleveren voor de ouder-kind relatie of die het risico op kindermishandeling kunnen vergroten. Ouders met een verstandelijke beperking is één van de benoemde risicofactoren. Beide richtlijnen worden regelmatig geactualiseerd op basis van nieuwe inzichten.
Er zijn overigens verschillende manieren waarop gezinnen, waar sprake is van ouders met een verstandelijke beperking, ondersteund kunnen worden om zo onveilige hechting te voorkomen. Zo zijn er hulpgroepen via verschillende GGZ-instellingen, waarvan een aantal specifiek voor kinderen (4 t/m 16 jaar) van KOPP/KOV ouders (zoals bv Jellinek of Brijder). Voor jongvolwassenen zijn er – via Trimbos – een aantal initiatieven zoals naastencentraal.nl, KOPPsupport.nl en metzonderouders.nl. Meer in het algemeen kunnen kinderen bellen met de kindertelefoon of andere hulp/chatlijnen op het gebied van (mentale) ondersteuning. Mocht ergens tijdens zwangerschap, bevalling of kraambed vermoeden zijn van LVB bij ouder(s) dan kan door tijdig signaleren en via de JGZ, huisarts of Kansrijke Start coalitie hulp in het sociaal domein gezocht worden voor ondersteuning aan het hele gezin.
Welke groepen naast KOPP/KOV worden nog meer niet goed (genoeg) bereikt door Nu Niet Zwanger, en bent u bereid ervoor te zorgen dat deze groepen duurzaam bereikt worden? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
Streven is alle organisaties die mensen in kwetsbare omstandigheden begeleiden aan te laten sluiten bij het programma. Momenteel participeren meer dan 1100 organisaties uit zowel het medisch als sociaal domein (cijfers uit monitor NNZ januari 2024 [4]). Gemiddeld per NNZ-programma zijn dit 47 organisaties.
Jaarlijks sluiten nog steeds nieuwe organisaties aan maar haken ook organisaties af. Aangezien de deelname vrijwillig is, is samenwerking niet af te dwingen. Als een gemeente beslist om het programma NNZ niet aan te bieden, is het voor instellingen in die gemeente niet mogelijk om zich bij NNZ aan te sluiten.
Bent u bereid met gemeenten die nu geen programma zoals Nu Niet Zwanger inzetten, in gesprek te gaan om te zorgen dat zij dit wel gaan doen? Zo ja, hoe en op welke termijn is hiervan resultaat te verwachten?
In het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) is de afspraak opgenomen dat gemeenten ervoor zorgen dat inwoners in de vruchtbare leeftijd (die in een kwetsbare situatie verkeren) voldoende regie (kunnen) nemen op hun kinderwens. Dit kan onder andere door Nu Niet Zwanger aan te bieden. Het programma Nu Niet Zwanger kan bekostigd worden door de gemeente vanuit de structurele middelen voor Kansrijke Start als onderdeel van de SPUK-regeling, behorend bij het GALA, maar ook uit andere middelen. Uit de meest recente GALA-monitor van het RIVM blijkt dat in oktober 2024 alle 25 GGD-regio’s de interventie Nu Niet Zwanger uitvoeren in 303 gemeenten. Vanuit de lokale GGD- en worden gesprekken gevoerd met gemeenten om te participeren en nog steeds nemen nieuwe gemeenten deel. Het landelijk programmateam NNZ ondersteunt hen hierbij indien gewenst.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat de bewezen effectiviteit van Nu Niet Zwanger wordt geborgd in lokale en regionale programma’s tegen onbedoelde en ongewenste zwangerschappen?
De bewezen effectieve interventie Nu Niet Zwanger is opgenomen in de interventiedatabase van het loket Gezond Leven van het RIVM. Het programma Nu Niet Zwanger kan door gemeenten gefinancierd worden vanuit de structurele middelen voor Kansrijke Start als onderdeel van de SPUK-regeling, behorend bij het GALA. Niets staat gemeenten in de weg om de inzet van Nu Niet Zwanger hieruit te bekostigen. Met behulp van de GALA monitor wordt de implementatie van Nu Niet Zwanger op lokaal niveau gevolgd. Uit de GALA-monitor van het RIVM van 10 december jl. blijkt dat steeds meer gemeenten binnen de lokale aanpak van Kansrijke Start (erkende) interventies aanbieden over de gehele eerste 1.000 dagen, waaronder Nu Niet Zwanger. Deze interventies zijn te vinden in de
interventiedatabase van het Loket Gezond Leven van het RIVM. De top-6 van meest ingezette interventies binnen gemeenten zijn: Nu Niet Zwanger, BoekStart/BoekenPret, CenteringZwangerschap, Stevig Ouderschap, VoorZorg en Home-Start. Gemeenten zijn vrij in de keuze om bepaalde interventies wel/niet in te zetten. En lokale en regionale programma’s tegen onbedoelde en ongewenste zwangerschappen komen niet op grote schaal voor. Veel vaker wordt dit onderwerp opgenomen in een breder kader: bijvoorbeeld die van de seksuelegezondheid. Momenteel worden verkennende gesprekken gevoerd om de uitvoering van de onderdelen uit het GALA waar structurele middelen voor zijn te borgen. De Kamer wordt hierover geïnformeerd zodra er meer duidelijk is.
Het bericht ‘Te koop in Nederland: 7 Oktober, de game’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Claudia van Zanten (BBB) |
|
van Weel |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Te koop in Nederland: 7 oktober, de game»?1
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de mening dat dit spel, genaamdFursan al-Aqsa: The Knights of the Al-Aqsa Mosque, in strijd is met diverse bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht? Zo ja/nee, waarom?
Daar waar sprake is van strafbare feiten, zoals uitlatingen die aanzetten tot haat, geweld, discriminatie, opruiend zijn of (onnodig) beledigend, is strafrechtelijk optreden in concrete gevallen mogelijk door de politie en het Openbaar Ministerie. Het vervolgen van personen voor mogelijk strafbare feiten is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Het uiteindelijke oordeel is aan de strafrechter.
Deelt u de mening dat dit spel waarmee de pogrom van 7 oktober kan worden nagespeeld, volstrekt verwerpelijk is, pure Jodenhaat verspreid, en dus op geen enkele wijze beschikbaar zou moeten zijn? Zo ja/nee, waarom?
De game waarin wordt gezinspeeld op de verschrikkelijke gebeurtenissen in Israël, is absoluut verwerpelijk en polariserend. Ik maak mij grote zorgen over de beschikbaarheid van dergelijke content online en met name de jonge doelgroep die hiermee in aanraking komt. Daarom zet ik onder meer in op een Versterkte Aanpak Online2, waarvan de nadere uitwerking onlangs met uw Kamer is gedeeld.3 In deze aanpak is in het bijzonder aandacht voor de bescherming van jongeren tegen online extremisme en terrorisme. Ook de dialoog met de internetsector vormt een belangrijk onderdeel van de aanpak. In de gesprekken met de platformen wijs ik hen op hun verantwoordelijkheden in het waarborgen van de online veiligheid van gebruikers. Daar waar platformen dit niet (zelf) doen, wordt ingezet op het laten verwijderen van terroristische content online. Ik heb deze game specifiek onder de aandacht gebracht van de Nederlandse ATKM om te bezien of deze verwijderd kan worden. De game is op donderdagochtend 5 december 2024 voor Europese lidstaten van het platform gehaald na een verwijderingsbevel vanuit de Franse counterpart van de ATKM. Zie voor een nadere toelichting de beantwoording op vraag 5.
Hoe kijkt u aan tegen een verbod, zoals Australië, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk hebben deze game, in Nederland?
Games waarin terroristische aanvallen nagespeeld kunnen worden, moeten wat mij betreft op geen enkele wijze beschikbaar zijn. Als er sprake is van online terroristische content, bijvoorbeeld op gaming- of gerelateerde platformen, kan de ATKM optreden. Op basis van de Europese Verordening inzake het tegengaan van de verspreiding van terroristische online-inhoud kan de ATKM deze content laten verwijderen of ontoegankelijk laten maken. Daarnaast kan het Openbaar Ministerie, als er sprake is van ernstige strafbare feiten, een verwijderingsbevel uitvaardigen na machtiging van de rechter-commissaris op basis van artikel 125p Sv. Het is aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de rechter om over de strafbaarheid van het materiaal te oordelen.
Bent u bereid zowel de betaalde als de gratis versie in Nederland te verbieden of in ieder geval te realiseren dat de game op geen enkele wijze beschikbaar is voor het publiek in Nederland? Zo ja, op welke termijn is dit mogelijk? Zo nee, waarom niet?
Inmiddels heeft de ATKM vastgesteld dat de game niet meer toegankelijk is via het platform Steam in diverse EU-lidstaten, waaronder Nederland. De game is op basis van de Europese Verordening inzake het tegengaan van de verspreiding van terroristische online-inhoud op donderdagochtend 5 december 2024 voor Europese lidstaten van het platform gehaald na een verwijderingsbevel vanuit de Franse counterpart van de ATKM. Dit soort verwijderingsbevelen worden gestuurd op basis van de Europese Verordening inzake het tegengaan van de verspreiding van terroristische online-inhoud en dienen binnen een uur opgevolgd worden, waarna in Europese lidstaten de content offline moet worden gehaald. Op deze manier wordt bijgedragen aan een veilig (grensoverschrijdend) internet. Specifiek ten aanzien van deze game heeft de ATKM mij laten weten de situatie te blijven monitoren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het langlopende conflict tussen Multraship en de Roemeense overheid. |
|
Dennis Ram (PVV) |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat het sleep- en bergingsbedrijf Multraship uit Terneuzen anno 2024 al 20 jaar wacht op betaling vanuit de Roemeense overheid voor geleverde diensten tijdens een zeer specialistische bergingsoperatie in de Donau?1, 2
Ja.
Wat vindt u ervan dat de Roemeense overheid nog steeds de openstaande rekening niet heeft betaald, ondanks bindende uitspraken van de International Chamber of Commerce en een duidelijke toezegging van een Roemeense Minister aan onze ambassadeur?
De Roemeense rechter heeft geoordeeld dat de uitspraak van het Internationale Hof van Arbitrage van de Internationale Kamer van Koophandel (ICC) niet ten uitvoer kan worden gelegd in Roemenië, vanwege procedurefouten door Multraship bij de samenstelling van het arbitragetribunaal. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat in contact met Multraship en de Roemeense overheid over een oplossing voor deze kwestie. Op 1 december vonden er parlementsverkiezingen plaats in Roemenië. Zodra een nieuw kabinet is aangetreden zal ik deze zaak opnemen met mijn Roemeense counterpart.
Hoe beoordeelt u het gedrag van Roemenië t.a.v. Bilateraal Inversteringsverdrag uit 1930 (BIT) tussen Nederland en Roemenië, en t.a.v. de verdragen in de EU die van toepassing zijn op dit geschil?
De uitspraak van de ICC is gebaseerd op een contract tussen Multraship en Roemenië. Er is derhalve in deze situatie sprake van commerciële arbitrage. De claim is niet opgebracht onder het investeringsbeschermingsverdrag tussen Nederland en Roemenië uit 1994, dat in 2022 is beëindigd. Het is verder niet aan Nederland om over het gedrag van Roemenië in deze te oordelen. Dat laat onverlet dat, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, Nederland zich blijft inzetten om een dialoog te faciliteren tussen Multraship en de Roemeense overheid over een oplossing voor deze kwestie.
Welke concrete stappen kunt en wilt u zetten om maximale druk op Roemenië uit te oefenen en hen eindelijk te laten betalen na alle eerdere inspanningen?
Ik zal deze zaak op korte termijn opbrengen bij mijn Roemeense counterpart nadat de nieuwe Roemeense regering zitting heeft genomen. Daarnaast staat het Ministerie van Buitenlandse Zaken met Multraship in contact over deze kwestie. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen voor het Kerstreces 2024 beantwoorden?
Ja.
Israëlische ongewenste inmenging |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
van Weel , Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() |
Kunt u, zoals toegezegd door de Minister van Buitenlandse Zaken, het onderzoek van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) naar de vraag of er sprake is qua vorm en inhoud van ongewenste inmenging door de Israëlische autoriteiten, op zeer korte termijn met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt de wijze van verspreiding van het rapport van het Israëlische ministerie ongebruikelijk en, gegeven de mogelijke negatieve gevolgen voor Nederlandse ingezetenen, onwenselijk. Dit is ook in de Kamerbrief van 29 november jl. toegelicht. Zoals in die brief aangegeven kan eventuele, aanvullende informatie via de daartoe geëigende kanalen met uw Kamer worden gedeeld. Deze informatie kan niet in het openbaar worden gedeeld omdat dit onze veiligheidsbelangen kan schaden.
Naar welke aspecten en voorvallen is er gekeken in dit onderzoek naar ongewenste inmenging? Kunt u daarop een toelichting geven, ook op de gehanteerde onderzoeksaanpak?
Zie het antwoord op vraag 1.
Als het onderzoek zich heeft beperkt tot het rapport waarvan de Israëlische Minister van Diaspora en Antisemitismebestrijding op social media een samenvatting heeft gedeeld, waarom is er naar andere interventies van diens ministerie of van andere Israëlische overheidsinstellingen, waarbij mogelijk ook sprake kan zijn van ongewenste beïnvloeding, geen onderzoek naar gedaan?
Zie het antwoord op vraag 1.
Bent u in dat geval alsnog bereid om ook onderzoek te doen naar de aard en gevolgen van andere relevante feiten en omstandigheden, waaronder de persconferentie van premier Netanyahu en de daarin gedane beweringen rond 03.00 uur ’s nachts op 8 november 2024, het ongevraagde bezoek aan Nederland van Minister Sa’ar en de voorzitter van de Knesset, de openbaring over en interpretatie door president Herzog van zijn gesprek met onze Koning, de bewering van Minister Sa’ar dat de Nederlandse autoriteiten vooraf door Israël zouden zijn geïnformeerd over de ongeregeldheden, de persoonlijke aanval van Minister Sa’ar op de burgemeester van Amsterdam en de door media onthulde jarenlange intimidatie- en spionagecampagne van Israël bij het Internationaal Strafhof? Zo nee, waarom weigert het kabinet te onderzoeken of, en zo ja waarom, deze feiten en omstandigheden aangemerkt moeten worden als ongewenste buitenlandse inmenging?
Nederland is zich als gastland van het Internationaal Strafhof terdege bewust van de gevaren van externe beïnvloeding en inmenging waar zowel het Hof, zijn gekozen ambtsdragers en medewerkers, als de door het Hof als zodanig aangewezen getuigen mee kunnen worden geconfronteerd. Universele rechtsprincipes gelden altijd en overal. Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Internationale Strafhof, zijn ambtsdragers en zijn personeel en als zodanig door het Strafhof aangewezen getuigen. Er kunnen uit veiligheidsoverwegingen geen uitspraken worden gedaan over individuele casussen. Wel kan in zijn algemeenheid gezegd worden dat ten aanzien van eventuele inmengingsactiviteiten van buitenlandse actoren, de betrokken ministeries in nauw contact staan met de opsporingsdiensten, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om deze te onderkennen, te duiden en waar nodig en mogelijk maatregelen te treffen. Voor de overige vragen zie het antwoord op vraag 1.
Op welk niveau heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten over de ongewenste inmenging aangesproken? Heeft u de Israëlische ambassadeur ontboden?
Het kabinet heeft uw Kamer geïnformeerd dat het de wijze van verspreiding van het rapport van het Israëlische ministerie ongebruikelijk en, gegeven de mogelijke negatieve gevolgen voor Nederlandse ingezetenen, onwenselijk vindt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische ambassadeur hierop aangesproken.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en uiterlijk voor het debat over het Midden-Oosten op 11 december 2024 beantwoorden?
Ja.
Racisme en discriminatie binnen de Rijksoverheid |
|
Glimina Chakor (GL) |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Bonden willen dat Minister stelling neemt tegen racisme»?1
Ja.
Gaat u in op de oproep van de genoemde vakbonden om alle «rijksambtenaren persoonlijk een brief te sturen, waarin [u] stelling neemt tegen alle vormen van racisme en discriminatie en waarin [u] zegt dat een ieder zich veilig kán en moet voelen om een melding te doen»? Zo ja, op welke manier en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Ik spreek me daar bij elke gelegenheid krachtig over uit, ook richting u als Kamer en richting de media. Ik heb door middel van een boodschap op het interne rijksportaal aan de medewerkers van de rijksoverheid nog eens duidelijk maken dat racisme en discriminatie nergens thuis horen, ook niet op de werkvloer van de overheid.
Ziet u ook de door de FNV-bestuurder genoemde verschillen tussen een integriteitscommissie Rijk en de klachtencommissie Rijk? Zo ja, wat betekent dat voor de instelling en werkwijze van die integriteitscommissie? Zo nee, welke verschillen ziet u dan niet?
De op te richten Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen (KCOO) en Integriteitscommissie Rijk (IC Rijk) krijgen verschillende bevoegdheden. De belangrijkste verschillen betreffen de volgende.
Bij de KCOO kunnen rijksmedewerkers terecht die een klacht willen indienen over grensoverschrijdend gedrag door een collega. De KCOO doet uitspraak over de klacht op basis van hoor en wederhoor van betrokken partijen en aan de hand van aangedragen bewijzen.
Bij de IC Rijk kunnen rijksmedewerkers terecht die een melding willen doen over een vermoeden van een integriteitschending, een vermoeden van een misstand of een melding van een hieraan gerelateerde benadeling die de medewerker ondervonden heeft. De IC Rijk kan naar aanleiding van de melding onderzoek (laten) uitvoeren, eventueel door een externe deskundige. De IC Rijk kent daarnaast een specifieke calamiteitenprocedure, bestemd voor een melding over een acute situatie die geen uitstel duldt.
Deelt u de mening dat er conform de cao rijk een verplichte landelijke onafhankelijke integriteitscommissie bij het Rijk moet komen? Zo nee, waarom niet?
Ja, er zal een Integriteitscommissie Rijk opgericht worden conform de gemaakte afspraak in de CAO Rijk.
Deelt u de mening dat het gezien de signalen over racisme en discriminatie bij de Rijksoverheid van belang is dat die onafhankelijke integriteitscommissie er op korte termijn gaat komen? Zo ja, hoe gaat u hier voor zorgen en op welke termijn wordt die commissie ingesteld? Zo nee, waarom niet?
Ik erken het belang om de Integriteitscommissie Rijk op korte termijn op te richten. De operationalisering van deze commissie wordt momenteel uitgewerkt met de betrokkenheid van de vakbonden. Ik ga er op dit moment vanuit dat de commissie op uiterlijk 1 mei 2025 in werking kan treden. Belangrijke voorwaarden daarbij zijn dat de waarborgen voor de bescherming van de privacy van melders zijn gerealiseerd, en dat de voorzitter en leden van de commissie dan in overeenstemming met het Sectoroverleg Rijk zijn benoemd.
Deelt u de mening dat de vakbonden mee moeten kunnen bepalen welke personen er in de integriteitscommissie worden geplaatst? Zo ja, op welke wijze gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Volgens het met de vakbonden overeengekomen reglement van de IC Rijk worden de voorzitter en leden van de IC Rijk door een paritaire benoemingscommissie geworven en geselecteerd. De benoemingscommissie bestaat uit ten minste een persoon voorgedragen door de werkgever en ten minste een afgevaardigde namens de vakbonden. De voorzitter en leden van de IC Rijk worden na instemming van het paritaire Sectoroverleg Rijk benoemd door de Minister.
Het artikel ‘Belgische sekswerkers krijgen arbeidscontract en sociale zekerheden’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
van Weel |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Belgische sekswerkers krijgen arbeidscontract en sociale zekerheden»?1
Ja.
Hoe kijkt u naar het invoeren van een arbeidswet voor sekswerkers in Nederland?
De situatie in België verschilt van de situatie in Nederland. Zo konden sekswerkers in België voorheen enkel zelfstandig werken en was exploitatie van sekswerk in beginsel strafbaar. Met de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving in België kunnen sekswerkers ook een arbeidsovereenkomst afsluiten met een erkende exploitant. Het doel van de wet is ervoor te zorgen dat de rechten en vrijheden die algemeen erkend zijn voor sekswerkers worden gerespecteerd en dat alleen werkgevers die een voorafgaande erkenning hebben verkregen sekswerkers tewerkstellen op grond van een arbeidsovereenkomst.
In Nederland is exploitatie sinds 2000 (onder voorwaarden) toegestaan door de opheffing van het bordeelverbod. Sekswerkers kunnen zelfstandig werken als zzp’er of bij een exploitant werken in loondienst of via de opting-in regeling. In Nederland wordt bij een exploitant het meest gewerkt via de opting-in regeling. Aan deze regeling is een voorwaardenpakket verbonden dat op een aantal punten vergelijkbare rechten en vrijheden omvat als de Belgische wet. Dit betreft onder meer voorwaarden die betrekking hebben op het recht van de sekswerker om een klant te accepteren of te weigeren en zelf de seksuele diensten te bepalen, de zelfstandigheid van de sekswerker en de uitbetaling van de inkomsten.
Mijn ministerie beziet momenteel samen met de partijen betrokken bij de Aanpak versterking sociale en juridische positie van sekswerkers (hierna: de Aanpak) of er verbeteringen kunnen worden aangebracht aan (het toezicht en de handhaving van) de opting-in regeling en of ervaren knelpunten kunnen worden weggenomen.2 Gelet op het feit dat in Nederland door sekswerkers relatief weinig in loondienst wordt gewerkt, acht ik inzet op de (verbetering van de) opting-in regeling en de verbetering van de sociale en juridische positie van sekswerkers op dit moment effectiever. Een Nederlandse wet naar het voorbeeld van de Belgische wet ligt momenteel dan ook niet in de rede. De ontwikkelingen in België blijf ik evenwel met interesse volgen.
Hoeveel sekswerkers in Nederland zijn er in loondienst met een arbeidscontract? En hoeveel werken er als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) of via een andere constructie?
In 2014 heeft Regioplan onderzoek gedaan naar de sociale positie van sekswerkers in Nederland. In dat onderzoek werden sekswerkers onder meer gevraagd naar hun arbeidsrelatie. Van de 360 respondenten gaf 3 procent aan in loondienst te zijn, 37 procent gaf aan via de opting-in regeling te werken en 58 procent gaf aan als zelfstandige (hierna: zzp’er) te werken.3
Hoeveel sekswerkers in Nederland hebben geen of onvolledige toegang tot sociale zekerheden als pensioen, zwangerschapsverlof en ontslagbescherming? Wat doet u om de sociale zekerheden van sekswerkers te garanderen?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven, werkt een overgroot deel van de sekswerkers als zzp’er of via de opting-in regeling. Hierbij dragen sekswerkers zelf de risico’s die samenhangen met werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid, zoals voor iedereen geldt die als zzp’er of met een opting-in regeling werkt. In het kader van de Aanpak wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn om een arbeidsongeschiktheidsverzekering toegankelijk te maken voor sekswerkers werkend onder opting-in. Die mogelijkheden lijken vooralsnog beperkt.
Welke voordelen ziet u voor sekswerkers die in loondienst werken in vergelijking met sekswerkers die als zzp’er of in andere constructies aan de slag gaan?
Sekswerkers die in loondienst werken, zijn verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen en kunnen aanspraak maken op uitkeringen bij ziekte en werkloosheid.
Klopt het dat er nog steeds problemen zijn voor sekswerkers met het afsluiten van een zakelijke rekening terwijl het sinds 2023 mogelijk zou moeten zijn voor sekswerkers om een zakelijke rekening te openen? Zo ja, waardoor worden sekswerkers gehinderd om een zakelijke rekening te openen? En wat doet u om dit te verbeteren?
Naar aanleiding van gesprekken met vertegenwoordigers van sekswerkers, banken en de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) is eind 2023 een sectorstandaard gepubliceerd om banken te helpen in de toepassing van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) voor specifiek sekswerkers. Het gevolg hiervan is volgens de NVB dat het openen van een zakelijke betaalrekening makkelijker wordt voor sekswerkers. Momenteel wordt in samenwerking met de Sekswerk Alliantie De-stigmatisering (hierna: SWAD) getoetst of sekswerkers met deze sectorstandaard daadwerkelijk in staat zijn een zakelijke betaalrekening te openen en of verdere aanscherping van de sectorstandaard nodig is om resterende knelpunten weg te nemen. Aanvullend richt de SWAD zich op het geven van trainingen aan bankmedewerkers om het stigma op sekswerk weg te nemen. Al meer dan 4000 bankmedewerkers hebben de training gevolgd.
Stelt Nederlandse wetgeving op dit moment eisen aan werkgevers van sekswerkers, zoals bijvoorbeeld de Belgische wetgeving, die stelt dat werkgevers niet veroordeeld mogen zijn voor een zedenmisdrijf? Zo ja, welke eisen worden er gesteld?
Sinds de opheffing van het bordeelverbod is het aan gemeenten om het lokale sekswerkbeleid vorm te geven. Vrijwel alle gemeenten hebben in hun regelgeving opgenomen dat seksbedrijven een vergunning moeten hebben en stellen bij de vergunningverlening eisen aan de exploitant. De praktijk leert dat gemeenten vaak in hun beleid opnemen dat bij een vergunningaanvraag van dergelijke bedrijven een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) wordt uitgevoerd. Indien uit het Bibob-onderzoek blijkt dat er een risico op misbruik van de vergunning bestaat, oftewel een ernstig gevaar dat de vergunning wordt gebruikt om strafbare feiten mee te plegen om crimineel voordeel mee te gebruiken, kan de vergunningaanvraag worden geweigerd. Het gevaar moet blijken uit feiten en omstandigheden die op zijn minst doen vermoeden dat de aanvrager of houder van de vergunning strafbare feiten heeft gepleegd. Veroordelingen voor zedenmisdrijven, mensenhandel of feiten en omstandigheden die doen vermoeden dat iemand zich schuldig maakt aan dergelijke misdrijven zijn bij dit type vergunningen in principe altijd relevant.
Welke rechten hebben Nederlandse seksewerkers in hun werkzaamheden? Zou een arbeidscontract het makkelijker maken voor sekswerkers om hun rechten te beschermen?
Voor alle sekswerkers in Nederland geldt een aantal algemene rechten. Sekswerkers hebben, net als ieder ander in Nederland, het recht om zelf te bepalen van er met hun lichaam gebeurt. Zo zijn sekswerkers vrij te bepalen aan welke klanten seksuele diensten worden verleend en wat voor seksuele diensten worden verleend. Het grondwettelijk gewaarborgde recht op lichamelijke integriteit heeft altijd voorrang boven eventuele werkafspraken die worden gemaakt. Ook hebben sekswerkers recht op privacy en recht op een veilige werkplek. Aanvullend daarop gelden voor sekswerkers, afhankelijk van de arbeidsconstructie, verschillende rechten en plichten. In alle constructies, niet slechts indien sprake is van een arbeidsovereenkomst, kan in geval van een arbeidsconflict een oordeel van een rechter worden gevraagd. Indien sprake is van strafrechtelijke feiten kan aangifte worden gedaan bij politie.
Zou het invoeren van een officieel arbeidscontract voor sekswerkers het makkelijker maken om mensenhandel, uitbuiters en illegaal sekswerk te signaleren?
Het lijkt niet aannemelijk dat een verplichtstelling van het werken in loondienst voor sekswerkers zoals in België op zichzelf leidt tot betere signalering van mensenhandel en illegaal sekswerk. Belangrijk is dat sekswerkers hun werk kunnen uitvoeren zonder stigma, met bijbehorende rechten en plichten. Dit draagt bij aan veilig werk en verstevigt de positie van sekswerkers. Verschillende onderzoeken tonen aan dat decriminalisering van sekswerk leidt tot meer vertrouwen in justitiële instanties en tot meer aangiftebereidheid.4
De brief 'Stand van zaken huisvesting CTIVD' |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Judith Uitermark (NSC), Ruben Brekelmans (VVD), Schoof |
|
![]() |
Bent u het eens met de stelling dat, nu het huisvestingsprobleem rondom de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) (voorlopig) opgelost is, de taken en bevoegdheden van de inlichtingendiensten die tijdelijk zijn stilgelegd, maar volgens de Tweede Kamer wel noodzakelijk zijn voor onze nationale veiligheid, opgepakt kunnen worden?1 Zo ja, vanaf wanneer gaat dit gebeuren? Zo nee, waarom niet?
De Tijdelijke Wet wordt, zoals eerder aan de Kamer gemeld, thans in overleg met de CTIVD gedeeltelijk toegepast. In overleg tussen de diensten en de CTIVD zijn afspraken gemaakt over de bevoegdhedendie, ondanks de huisvestingsproblematiek en het daarmee samenhangende personeelstekort bij de CTIVD, inmiddels al ingezet kunnen worden onder de Tijdelijke Wet. Per brief is 4 september jl. met de Kamer gedeeld dat voor een aantal bestaande bevoegdheden de Tijdelijke wet voorziet in een accentverschuiving in het stelsel van toetsing en toezicht: van toetsing voorafgaand aan de operatie door de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) naar toezicht tijdens en achteraf door de CTIVD, met bindende bevoegdheden (Kenmerk: Kamerstukken II, 2023–2024, 36 263, nr. 44). Een aantal van deze bevoegdheden wordt nu nog toegepast onder het toezichtsregime van de huidige Wiv 2017 en nog niet onder het regime van de Tijdelijke Wet, maar over de toepassing van deze bevoegdheden en het benodigde toezicht daarop voeren de Commissie en de diensten continu overleg.
In november vorig jaar is de Kamer gemeld dat de planning erop was gericht de verhuizing van de CTIVD in januari mogelijk te maken. Inmiddels is de planning van de volledige werkzaamheden uitgewerkt en aanbesteed en is duidelijk dat de verhuizing eind maart zijn beslag zal krijgen.
In november is de Kamer tevens gemeld dat dat de CTIVD de werving van extra personeel ter hand nam. Met de aanstaande verhuizing in het vooruitzicht heeft de CTIVD gemeld de lopende personeelswerving te intensiveren. De toezichthouder en de diensten zullen, ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid, in overleg de instroom van personeel van de CTIVD gelijke tred laten houden met de toepassing van de hiervoor genoemde bevoegdheden. Daarmee wordt maximaal voortvarend toegegroeid naar volledige toepassing van de Tijdelijke Wet. Uitgangspunt is en blijft volledige toepassing van de Tijdelijke wet onder het noodzakelijke onafhankelijke toezicht, op de kortst mogelijke en voor alle partijen uitvoerbare termijn.
Het bericht ‘Te koop in Nederland: 7 Oktober, de game’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Zsolt Szabó (VVD), van Weel |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat er in Nederland een game te koop is waarbij de gebeurtenissen van 7 oktober 2023 nagebootst worden?1
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving.
Wat is uw reactie op het bericht dat deze game voor iedereen verkrijgbaar is met het doel een zo realistisch mogelijke weergave te reconstrueren van de bloedige aanslag van Hamas?
De game waarin wordt gezinspeeld op de verschrikkelijke gebeurtenissen in Israël op 7 oktober 2023, is absoluut verwerpelijk. Ik kan mij voorstellen dat deze game het verdriet van nabestaanden of naaste familieleden van gijzelaars versterkt. Ook maak ik mij in het algemeen zorgen over de beschikbaarheid van dergelijke content online en met name de jonge doelgroep die hiermee in aanraking komt. Daarom zet ik onder meer in op een Versterkte Aanpak Online2, waarvan de nadere uitwerking onlangs met uw Kamer is gedeeld.3 In deze aanpak is in het bijzonder aandacht voor de bescherming van jongeren tegen online extremisme en terrorisme. Ook de dialoog met de internetsector vormt een belangrijk onderdeel van de aanpak. In de gesprekken met de platformen wijs ik hen op hun verantwoordelijkheden in het waarborgen van de online veiligheid van gebruikers. Daar waar platformen dit niet (zelf) doen, wordt ingezet op het laten verwijderen van terroristische content online. Ik heb deze game specifiek onder de aandacht gebracht van de ATKM om te bezien of deze verwijderd kan worden. De game is op donderdagochtend 5 december 2024 voor Europese lidstaten van het platform gehaald na een verwijderingsbevel vanuit de Franse counterpart van de ATKM. Zie voor een nadere toelichting de beantwoording op vraag 7.
Deelt u de mening dat het ongepast en onacceptabel is dat met deze game de terroristische aanslag «Al Aqsa Flood» nagebootst wordt waarbij het doel is om zoveel mogelijk Israëli’s om te brengen en het mogelijk is om Israëli’s te gijzelen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u zich voorstellen wat dit met nabestaanden of naaste familieleden van gijzelaars doet waarvan geliefden nog vastzitten in de tunnels van Hamas?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u het standpunt er in deze game sprake is van terreurverheerlijking?
Het kabinet vindt elke vorm van verheerlijking van terrorisme absoluut verwerpelijk. Daarom bereidt het kabinet ook wetgeving voor om het verheerlijken van terrorisme strafbaar te stellen met een hoog strafmaximum. Beoogd wordt om dit wetsvoorstel in het voorjaar van 2025 in consultatie te brengen. Daar waar sprake is van strafbare feiten, zoals uitlatingen die aanzetten tot haat, geweld, discriminatie, opruiend zijn of (onnodig) beledigend, is strafrechtelijk optreden in concrete gevallen mogelijk door de politie en het Openbaar Ministerie. Het vervolgen van personen voor mogelijke strafbare feiten is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Het uiteindelijke oordeel is aan de strafrechter.
Deelt u de zorg dat deze game sympathie voor Hamas aanwakkert en dit voor verhoogde onveiligheid van de Joodse gemeenschap zorgt?
Ik kan mij de zorgen die nu leven binnen de Joodse gemeenschap heel goed voorstellen. Daarom zijn we extra alert en blijven we in nauw contact met de Joodse gemeenschap en met gemeenten. De verantwoordelijkheid voor het nemen van maatregelen ligt bij de gemeenten als lokaal bevoegd gezag. Waar nodig nemen zij op basis van dreigingsinformatie extra beveiligingsmaatregelen, zowel zichtbaar als onzichtbaar. Dit is in voorkomende gevallen ook reeds gebeurd.
Op 22 november jl. heb ik namens het kabinet de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–20304 naar uw Kamer gestuurd. De strategie gaat ook in op maatregelen die zien op het vergroten van de veiligheid van de Joodse gemeenschap.
Bent u bereid om in navolging van Duitsland, Australië en het Verenigd Koninkrijk deze game zo snel mogelijk te verbieden in Nederland? Welke stappen onderneemt u hiertoe?
Games waarin terroristische aanvallen nagespeeld kunnen worden, zouden wat mij betreft op geen enkele wijze beschikbaar moeten zijn. Ik heb deze game daarom onder de aandacht gebracht van de ATKM. Inmiddels heeft de ATKM vastgesteld dat de game niet meer toegankelijk is via het platform Steam in diverse EU-lidstaten, waaronder Nederland. De game is op donderdagochtend 5 december 2024 voor Europese lidstaten van het platform gehaald na een verwijderingsbevel vanuit de Franse counterpart van de ATKM. Dit soort verwijderingsbevelen worden gestuurd op basis van de Europese Verordening inzake het tegengaan van de verspreiding van terroristische online-inhoud en dienen binnen een uur opgevolgd worden, waarna in Europese lidstaten de content offline moet worden gehaald. Op deze manier wordt bijgedragen aan een veilig (grensoverschrijdend) internet. Specifiek ten aanzien van deze game heeft de ATKM mij laten weten de situatie te zullen blijven monitoren.
Daarnaast geldt in algemene zin dat het Openbaar Ministerie, als er sprake is van ernstige strafbare feiten, een verwijderingsbevel kan uitvaardigen na machtiging van de rechter-commissaris op basis van artikel 125p Sv. Het is aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de rechter om over de strafbaarheid van deze inhoud te oordelen.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat over terrorisme/extremisme op 17 december 2024 beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Nederland is verslingerd geraakt aan Kazachstaanse olie, omgeven met ziekte, milieuschade en corruptie»?1
Ja.
Klopt het dat Atradius Dutch State Business (ADSB) in december 2014 namens de Nederlandse staat voor 275.7 miljoen euro garant stond voor de bouw van een kanaal in de Kaspische Zee naar het Tengiz-olieveld door het Nederlandse bedrijf Van Oord?
Ja.
Zijn er uit deze exportkredietverzekering trekkingen gedaan? Gaat dit om een lopende polis waarop nog aanspraak gemaakt zou kunnen worden?
Uit een exportkredietverzekering kunnen geen trekkingen worden gedaan. Als er voor een project een financieringspolis wordt afgegeven, kan onder de verzekerde lening worden getrokken. Hiervan was in dit geval geen sprake. Voor het project is enkel een exporteurspolis afgegeven. Deze polis is in 2016 beëindigd. Er is geen schade uitgekeerd onder deze polis.
In zijn algemeenheid, op welke gronden kunnen mogelijke trekkingen uit een afgegeven exportkredietverzekering nog worden geblokkeerd?
ADSB kan als schadebeperkende maatregel een aanwijzing geven aan de exporteur om het werk te stoppen of trekkingen uit de lening blokkeren indien er aanwijzingen zijn dat debiteur haar verplichtingen niet zal nakomen. Als een verzekerde (de exporteur of financier) niet voldoet aan voorwaarden uit de verzekeringspolis kan deze in het uiterste geval het recht op schade-uitkering verliezen. Zoals beschreven in het antwoord van vraag 3 is deze situatie voor onderhavige transactie niet aan de orde geweest.
Klopt het dat het project van Van Oord in Prorva de hoge risicostatus A heeft gekregen omdat er sprake was van grote potentiele negatieve milieu en/of maatschappelijke effecten, eventueel tot buiten de locatie van het project?
Ja.
Klopt het dat projecten in de hoge milieu en sociale risicocategorie A instemming vereisen van niet alleen ADSB, maar ook de ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken?
Ja.
Welke risico’s constateerden ADSB, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Ministerie van Financiën bij hun beoordeling van het project? Welke risico’s werden specifiek gesignaleerd op het gebied van: verlies van inkomsten voor de lokale bewoners; gezondheidsschade voor lokale bewoners; vernietiging van natuur in het gebied; en corruptie of verwevenheid met de overheid van de debiteur? Hoe zijn beide ministeries desondanks tot een positief oordeel gekomen?
ADSB heeft een uitgebreide milieu- en sociale beoordeling uitgevoerd voor het project op basis van het in 2014 geldende beleid voor de ekv. Risico’s omtrent noodsituaties, zoals een olielekkage maar ook de impact van het project op het beschermde gevoelige gebied van het project, zijn hierin meegenomen. Ook is er gekeken naar emissies naar lucht, waterverbruik, afvalwater en afvalmanagement. Voor de sociale effecten is onder andere gekeken naar de werkomstandigheden en naar de gevolgen voor de lokale visserij. Geconcludeerd is dat op het gebied van deze milieu- en sociale risico’s voldoende maatregelen zijn getroffen om de risico’s te mitigeren of compenseren.
Wat betreft corruptie en verwevenheid met de overheid van debiteur is geconstateerd dat Kazachstan een land is met dergelijke risico’s. Tijdens de beoordeling is vastgesteld dat de debiteur verbonden is met de overheid van Kazachstan via het aandeelhouderschap van staatsbedrijf Kazmunaygas. Deze feiten zijn meegewogen in het due dilligence onderzoek en beoordeeld conform het toenmalig geldende beleid.
Bent u bekend met het fenomeen dat corruptie vaak plaatsvindt met de hulp van professionele uitvoerders door middel van bijvoorbeeld ondoorzichtige financiële systemen en anonieme lege vennootschappen die corruptie mogelijk maken?
Ja.
Zo ja, hoe zijn uw ministeries toch tot een positief oordeel gekomen ondanks de constatering dat debiteur van het project, Tenizservice, een «vehicle» is van Tengizchevroil, het feit dat het land hoog in de corruptie-indexen staat en het signaal van de Nederlandse ambassade over mogelijke politieke connecties van Tenizservice?
Deze factoren zijn destijds geconstateerd, maar dit risico werd op basis van het destijds geldende toetsingskader niet als belemmering gezien. De bij de ambassade bekende connecties van de genoemde bedrijven werden door de ambassade destijds niet als ongebruikelijk of onoverkomelijk gezien binnen Kazachstan.
Welke checks and balances hanteren ADSB en uw ministeries richting de verzekeringnemer om te voorkomen dat Nederlands belastinggeld corruptie faciliteert? Welke formele stappen zetten ADSB en uw ministeries in samenspraak met de verzekeringnemer, zowel voorafgaand aan de uitgifte van de verzekering als tijdens de uitvoering van het verzekerde activiteiten?
Nederland wil via de ekv niet betrokken zijn bij transacties waarbij sprake is van corruptie, daarom is het anti-omkopingsbeleid van toepassing op alle ekv-aanvragen. Dit beleidskader is in 2022 geëvalueerd door externe consultant Partner in Compliance en vervolgens herzien en aangescherpt. Hierover is uw Kamer destijds uitgebreid geïnformeerd.2 In het huidige beleid, dat sinds mei 2024 van kracht is, wordt door ADSB onderzoek verricht naar alle relevante partijen binnen de transactie en vindt er vervolgens een inventarisatie en beoordeling van mogelijke corruptierisico’s plaats. Denk hierbij aan de beoordeling van de Ultimate Beneficial Owner (UBO) en betrokken agenten. Als er sprake lijkt te zijn van een verhoogd risico, vindt er aanvullend onderzoek (EDD) plaats door de tweedelijns compliance experts van ADSB. De uiteindelijke risico-classificatie is van invloed op de frequentie van de monitoring door ADSB na afgifte van een dekkingstoezegging- of advies. Het monitoren bestaat uit een hernieuwde screening van de bekende relevante partijen eventueel aangevuld met de beoordeling van eventuele nieuwe informatie.3
Hoe zijn ADSB en de ministeries omgegaan met berichten in de Kazachstaanse pers dat Tenizservice in handen is van «olieprins» Timoer Koelibajev?
Ten tijde van de beoordeling van de aanvraag waren ADSB en de ministeries niet bekend met informatie die erop wees dat Timoer Koelibajev indirect aandeelhouder was van Tenizservice.
Wat was in 2014 de procedure van ADSB en van uw ministeries om te achterhalen wie de «ultimate beneficial owner» (UBO) is van betrokken bedrijven? Zijn daar externe experts bij betrokken geweest, en zo ja, welke? Tot welke conclusie kwamen uw ministeries toen? En indien de procedure sindsdien veranderd is, hoe is die procedure tegenwoordig?
Het achterhalen van UBO’s was tijdens de behandeling van deze casus in 2014, anders dan nu, geen vereiste. Daar zijn dan ook geen externe experts bij betrokken geweest. Wel heeft ADSB voor de beoordeling van de aanvraag informatie over de aandeelhouders van Tenizservice gebruikt afkomstig uit diverse bronnen, waaronder Dun & Bradstreet, Van Oord en Tengizchevroil.
Wat was er bekend bij ADSB en de ministeries over de UBO van Tenizservice?
De directe aandeelhouders van TenizService waren staatsbedrijf KazMunayGas (49%) en Waterford International Holdings Ltd. (51%). Uit de aandeelhouderstructuur bleek dat er vier bedrijven via Waterford een indirect belang in TenizService hadden. Van twee van deze bedrijven is het ten tijde van de aanvraag niet mogelijk geweest om de UBO’s te achterhalen. Van 12 personen met een belang in de andere twee bedrijven is vastgesteld dat ze niet op een sanctielijst stonden.
Als niet onomstotelijk bekend was wie de UBO was en niet uitgesloten was dat dit een politieke figuur was, waarom kon het project dan toch goedgekeurd worden?
Zoals beschreven in het antwoord vraag 13 heeft ADSB onderzoek verricht naar de eigenaarsstructuur. Hierbij was het destijds niet mogelijk om alle UBO’s te achterhalen, dit was volgens het in 2014 geldende beleid ook niet noodzakelijk voor goedkeuring. Inmiddels is het volgens beleid wel vereist dat de volledige eigenaarsstructuur wordt achterhaald.
Klopt het dat projecten voor het verkrijgen van een exportkredietverzekering moeten voldoen aan OESO-regelgeving voor het voorkomen, minimaliseren, verzachten of verhelpen van negatieve sociale en ecologische effecten?
Bedrijven die een verzekeringsaanvraag doen bij ADSB tekenen een inspanningsverklaring voor het naleven van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen. ADSB toetst aanvragen op gevolgen voor mens en milieu projectniveau aan de IFC Performance Standards.4
Welke maatregelen heeft Van Oord voorgesteld voor het voorkomen en mitigeren van de ecologische effecten van het aanleggen van een kanaal in ecologisch zeer kwetsbaar gebied?
Het is in eerste instantie de taak van de projecteigenaar om nadelige milieu- en sociale effecten van een project te voorkomen, mitigeren en waar nodig te compenseren. Dit is beschreven in de milieu- en sociale effectrapportage en managementplannen van het project en wordt vervolgens door de milieu- en sociale experts van ADSB beoordeeld.
Wanneer er sprake is van negatieve effecten die worden veroorzaakt door de werkzaamheden die worden uitgevoerd door de Nederlandse exporteur, dan wordt er van deze partij ook actie verwacht. Voor onderhavig project is dit het geval geweest voor ecologische effecten. Van Oord heeft maatregelen getroffen om de negatieve gevolgen van de baggerwerkzaamheden op de lokale natuurwaarden te mitigeren of compenseren. Zo zijn met het gebaggerde materiaal speciale eilandjes gemaakt wat gunstig is voor het leefgebied van de steur. Verder heeft Van Oord nauw samengewerkt met gespecialiseerde natuurobservatoren en zijn de werkmethoden aangepast om het project op een verantwoorde manier uit te kunnen voeren. Gedurende het project zijn er maatregelen genomen om geluidsimpact en watervertroebeling tijdens de werkzaamheden te minimaliseren.
Welke maatregelen heeft Van Oord voorgesteld voor het voorkomen en mitigeren van de sociaaleconomische effecten, bijvoorbeeld het verloren gaan van de inkomstenbron van vissers in het gebied?
Zie antwoord vraag 16.
Welke maatregelen heeft Van Oord voorgesteld voor het voorkomen en mitigeren van de gezondheidseffecten voor de werknemers van het project en de bewoners in het gebied?
Zie antwoord vraag 16.
Werden deze maatregelen als voldoende beschouwd door ADSB en de ministeries? Waarom?
Ja. In de beoordeling heeft ADSB vastgesteld dat Van Oord de benodigde maatregelen heeft getroffen om nadelige gevolgen van hun werkzaamheden conform de IFC Performance Standards te mitigeren of compenseren.
Is tijdens en na afloop van het project onderzocht wat de sociaaleconomische, gezondheids- en ecologische effecten van het project waren en of de genomen maatregelen succesvol waren in het voorkomen en/of mitigeren van deze effecten? Hoe is deze monitoring en evaluatie uitgevoerd? Welke instantie(s) hebben de monitoring en evaluatie uitgevoerd?
Nee, ten tijde van afgifte van de polis was monitoring nog niet vastgelegd in het beleid. Sinds 1 januari 2022 monitort ADSB alle hoogste-risico-projecten na afgifte van de ekv.
Hoe is het rapport uit juni 2013 van de onafhankelijke maatschappelijke organisatie Crude Accountability2 meegewogen in de beslissing om het project te verzekeren in december 2014?
In de milieu- en sociale beoordeling van het project heeft ADSB dit rapport uitgebreid meegenomen. Er zijn reacties op de bevindingen uit het rapport gevraagd aan de exporteur, de debiteur en de ambassade. Ook is er in het publieke domein informatie gevonden over het rapport dat door ADSB bij de beoordeling is meegenomen.
Indien er onduidelijkheden over het rapport bestonden, hebben ADSB of de ministeries contact opgenomen met Crude Accountability?
Nee.
Welke andere signalen van lokale ngo’s, milieu en mensenrechtenorganisaties en andere actoren zijn ontvangen, bijvoorbeeld via de Nederlandse ambassade? Hoe is door ADSB en de ministeries omgegaan met deze signalen?
Naar aanleiding van de publicatie van informatie over dit project op de website van ADSB zijn geen reacties van ngo’s binnengekomen. ADSB heeft zelf actief onderzoek gedaan naar berichtgeving in het publieke domein, waarbij onder andere eerdergenoemd rapport is aangetroffen. Ook heeft ADSB contact gehad met de ambassade om lokale input mee te kunnen nemen.
Doen ADSB en de ministeries zelf onderzoek, of laten zij onafhankelijk onderzoek doen, naar de effecten op de bewoners, milieu en de lokale economie, of komt deze informatie uitsluitend van organisaties ter plaatse? Kunt u deze keuze toelichten?
Een projecteigenaar dient zelf een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren wat resulteert in een milieu- en sociale effectrapportage. Met dat als input doet ADSB zelf onderzoek waarbij risico’s op (potentiële) negatieve effecten voor mens, dier en milieu worden geïdentificeerd. Negatieve effecten die niet voorkomen of gemitigeerd kunnen worden, dienen conform internationale standaarden te worden gecompenseerd.6 Per project wordt bepaald wat er nodig is voor een goede beoordeling. Voor complexe- of hoge risicoprojecten maakt ADSB bijvoorbeeld vaak gebruik van onafhankelijke adviseurs, zoals onlangs voor baggerprojecten in de Malediven en de Filipijnen.7
Hoe wordt informatie gewogen die betrokken bedrijven – die een belang hebben bij goedkeuring van het project – hierover aanleveren?
Informatie van de exporteur en de projecteigenaar is essentieel voor de beoordeling van de projectrisico’s. Betrokken bedrijven worden geacht goed onderbouwde en waarheidsgetrouwe informatie aan te leveren. Zoals in voorgaande antwoorden reeds is aangegeven wordt ook via andere onafhankelijke bronnen informatie ingewonnen om de aangeleverde informatie te verifiëren. Bijvoorbeeld via ambassades, ngo’s of door het inschakelen van onafhankelijke adviseurs.
Het bericht ‘Toekomst Spaarne Gasthuis Haarlem nog ongewis: "Grote zorg dat Noord verdwijnt"?’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Toekomst Spaarne Gasthuis Haarlem nog ongewis: «Grote zorg dat Noord verdwijnt»?1
Ik heb begrepen dat het Spaarne Gasthuis zich bezint op de inrichting van de zorg in de toekomst. Ik kan mij voorstellen dat dit bij inwoners, patiënten, lokale besturen, zorgverleners en ketenpartners leidt tot vragen en onzekerheden.
Het Spaarne Gasthuis heeft in Haarlem twee locaties. Op dit moment wordt op de locatie Haarlem Noord zorg geboden in (een aantal) poliklinieken, zijn er diagnostische functies en worden ingrepen in dagbehandeling gedaan. Daarnaast is op de locatie Haarlem Noord een huisartsenpost gevestigd, die op bepaalde momenten ook diagnostiek levert, met een korte lijn naar het ziekenhuis. Er is geen spoedeisende hulp (SEH), er rijden geen ambulances naar Haarlem Noord en de locatie is ’s nachts dicht.
Het Spaarne Gasthuis heeft mij geïnformeerd dat zij in de toekomst de zorg zodanig wil organiseren dat er dag en nacht tweedelijns zorg toegankelijk blijft voor alle 500.000 inwoners in de regio. Daarvoor is het volgens het ziekenhuis van belang om samen met partners in de keten (zoals VVT, huisartsen) de instroom en uitstroom van patiënten te verbeteren. Ik begrijp van het ziekenhuis dat het de intentie is om een zorgfunctie op de locatie Haarlem Noord te behouden. Samen met de zorgpartners en op basis van de behoeften van patiënten en bewoners onderzoekt het Spaarne Gasthuis hoe het in de toekomst invulling geeft aan de locatie Haarlem Noord. De insteek van het Spaarne Gasthuis is om alle locaties te blijven inzetten voor de toegankelijkheid van zorg in de regio. Er sluiten volgens het ziekenhuis geen locaties.
Zou u het wenselijk vinden als het ziekenhuis locaties zal gaan sluiten en/of uitkleden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik sta niet aan de ene of de andere kant. Ik ga ervan uit dat het ziekenhuis toegankelijkheid een belangrijk uitgangspunt vindt en meeweegt wat belanghebbenden hierover zeggen in alle overleggen die worden gevoerd, voorafgaand aan de te maken keuzes.
Het kabinet zet zich in voor een gelijkwaardigere toegang tot zorg door de randvoorwaarden voor het zorglandschap in Nederland te veranderen in een tijd dat personeelstekorten fors oplopen. Dit doen we aan de hand van de maatregelen, zoals budgetbekostiging van acute zorg en de inzet op meerjarige financiële afspraken tussen verzekeraars en ziekenhuizen. Verder zet ik in op afspraken over hoe ziekenhuizen meer gaan samenwerken, zodat ziekenhuizen
goede zorg kunnen leveren en operaties van meer eenvoudige aard worden gespreid. Dit komt de toegankelijkheid voor patiënten ten goede. In het Integraal Zorgakkoord (IZA) zijn hierover al afspraken gemaakt en deze beweging moet worden verstevigd. Het ziekenhuis dichtbij wordt het uitgangspunt van onze ziekenhuiszorg. Ik werk in dat kader bijvoorbeeld ook aan regelgeving, om ervoor te zorgen dat de beschikbaarheid van spoedeisende zorg en acute verloskunde in iedere regio goed geregeld is. Vooruitlopend daarop wordt een handreiking opgesteld. Met deze plannen geef ik ziekenhuizen dichtbij bestaansrecht.
Gaat u – net als u doet bij het uitkleden van het ziekenhuis in Heerlen – weer aan de kant staan van het ziekenhuisbestuur en de zorgverzekeraars, in plaats van aan de kant van patiënten en personeel? Zo nee, kunt u zich hierover publiekelijk uitspreken?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u contact gehad met het Spaarne Gasthuis? Zo nee, waarom niet en bent u van plan dit wel te gaan doen? Zo ja, kunt u alle onderliggende stukken ter voorbereiding of verslagen van dit contact naar de Tweede Kamer sturen?
Ja, in januari 2025 staat een overleg gepland tussen het ministerie en de raad van bestuur van het Spaarne Gasthuis. Naar aanleiding van deze Kamervragen is er contact opgenomen met het Spaarne Gasthuis. Er zijn geen onderliggende stukken uitgewisseld.
Hoe ziet het «nauwe overleg met interne en externe betrokkenen» eruit dat het ziekenhuis pretendeert te hebben? Kunt u ons hiervan een tijdlijn geven?
Het Spaarne Gasthuis geeft de volgende tijdlijnen aan:
Welke stap gaat u zetten als in 2025 blijkt dat het ziekenhuis locaties zal gaan sluiten en/of uitkleden? Gaat u dit besluit accepteren of bent u bereid in te grijpen en de bevoegdheid over dit ziekenhuis naar u toe te trekken?
Zoals ik ook in mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven, heeft het Spaarne Gasthuis aangegeven dat de insteek is om alle locaties te blijven inzetten voor de toegankelijkheid van zorg in de regio. Er sluiten volgens het ziekenhuis geen locaties. De landelijke politiek heeft ook geen bevoegdheid om locaties open te houden en kan het ziekenhuis niet dwingen bepaalde zorg op bepaalde locaties te leveren. Ik kan ook niet beoordelen wat het beste is voor de toegankelijkheid en de kwaliteit van de zorg. Ik vertrouw erop dat het ziekenhuis zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt en in het belang van de patiënten, medewerkers en het behoud van de zorg, de juiste beslissingen neemt. Daartoe overlegt het ziekenhuis met alle partijen.
Op welke manier bent u van plan om de lokale politiek, maar ook patiënten en personeel zeggenschap te gaan geven over hun ziekenhuis? Wanneer kunnen we deze plannen verwachten?
In het Uitvoeringsbesluit en de Uitvoeringsregeling Wkkgz (amvb acute zorg) is geregeld hoe inwoners en lokaal bestuur betrokken moeten worden bij besluitvorming over het aanbod van acute zorg. In de brief van 18 juni 2024 is uiteengezet wat er nog meer is geregeld voor betrokkenheid van gemeenten, patiënten en personeel bij sluiting van (delen van) ziekenhuizen.2 In het regeerprogramma staat dat het kabinet met een handreiking komt voor het overleg in de regio over wijzigingen in het aanbod van acute zorg. Ik verwacht deze handreiking in de zomer van 2025 gereed te hebben. Mede op basis daarvan zal ik het Uitvoeringsbesluit en de Uitvoeringsregeling Wkkgz aanscherpen.
Deelt u de mening dat «versnelde concentratie» helemaal niet zorgt voor de juiste zorg op de juiste plek zoals het ziekenhuis stelt, maar dit juist haaks staat op elkaar omdat veel mensen geen zorg dichtbij meer kunnen krijgen?
Ik vind het belangrijk dat veel mensen goede zorg dichtbij kunnen krijgen. Ik ga ervan uit dat het ziekenhuis in haar onderzoeken naar mogelijke varianten de reistijd voor verschillende groepen patiënten en medewerkers betrekt.
Heeft u kennisgenomen van de unaniem aangenomen motie in de Haarlemse gemeenteraad die pleit voor het volwaardig houden van het ziekenhuis in Haarlem? Vind u dat het ziekenhuisbestuur deze motie zou moeten opvolgen?
Ja, ik heb kennisgenomen van de aangenomen motie en ik kan mij goed voorstellen dat ook de lokale bestuur vragen heeft over de toekomst van het ziekenhuis. Het Spaarne Gasthuis heeft mij geïnformeerd dat op 2 december jl. is gesproken met de gemeenteraad van Haarlem over hun zorgen en dat antwoord is gegeven op vragen die leefden in de gemeenteraad. Toegezegd is dat dit overleg
in de toekomst vervolg krijgt. Met de gemeenteraden van andere gemeenten in het verzorgingsgebied zoals Velsen en Haarlemmermeer, staan vergelijkbare afspraken gepland in december 2024 en januari 2025.
Keuzes over de inrichting van het ziekenhuis, kan alleen het ziekenhuis maken. Bestuurders en zorgprofessionals van het ziekenhuis moeten immers altijd de verantwoordelijkheid kunnen dragen voor het leveren van veilige en goede zorg. Dat bij wijzigingen in het aanbod of over nieuwbouw van ziekenhuizen goed en tijdig overleg plaatsvindt met ook het lokaal bestuur vind ik daarbij zeer van belang.
Deelt u de mening dat het sluiten van ziekenhuizen niet het probleem bij de bron aanpakken is, als de aanleiding van het sluiten van ziekenhuis het tekort aan zorgpersoneel is?
Ja, die mening deel ik. In het regeerprogramma heb ik daarom een breed pakket aan maatregelen aangekondigd om het personeelstekort aan te pakken. Met het halveren van de administratietijd, de juiste inzet van medewerkers en het vergroten van vakmanschap en werkplezier zet ik in op de aanbodzijde van de arbeidsmarkt. Dit is een grote uitdaging die niet op korte termijn gerealiseerd is. Het uitwerken van de eerder aangekondigde maatregelen uit het regeerprogramma hebben mijn volle focus. Tegelijkertijd zie ik ook dat we extra stappen zullen moeten zetten om de behoefte aan personeel («de vraagkant») te verminderen. Door vanuit andere domeinen ondersteuning te bieden kunnen we, wanneer dat passend is voor de zorgvraag, het beroep op de zorg in de ziekenhuizen verkleinen. Hiervoor is een goede samenwerking nodig tussen het sociaal en medische domein. Momenteel ben ik in gesprek met de betrokken partijen in het veld om hier afspraken over maken in het aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord. Ik verwacht uw Kamer begin 2025 over het aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord te kunnen informeren.
Welke extra stappen bent u – naast de al aangekondigde maatregelen uit het regeerprogramma – van plan om te zetten om het personeelstekort aan te pakken zodat kan worden voorkomen dat er meer ziekenhuizen gaan sluiten?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat het huidige zorgsysteem niet functioneert omdat concurrentie in plaats van samenwerking wordt beloond? Op welke manier gaat u hier iets aan doen?
Op verschillende manieren werk ik aan minder marktwerking in de zorg waar dat nodig is. Zo werk ik bijvoorbeeld aan de budgetbekostiging van de acute ziekenhuiszorg. Begin 2025 stuur ik u de uitgebreidere visie van dit kabinet op marktwerking in de zorg.
Windturbinegeluid |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Chris Jansen (PVV) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat de norm voor windturbinegeluid gebaseerd moet worden op maximaal 10% ernstig gehinderden, conform de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)?
Nee, de WHO doet geen aanbeveling voor het maximale percentage ernstige hinder, maar geeft gezondheidskundige advieswaarden voor een geluidsniveau dat bij voorkeur niet overschreden wordt. Op basis van de beschikbare informatie over de relatie met hinder geeft de WHO voor windturbinegeluid een voorwaardelijke advieswaarde van 45 decibel (Lden). Voor het bepalen van een wettelijke normstelling moet vervolgens een afweging worden gemaakt, waarbij naast het belang van gezondheid ook het belang van het behalen van duurzame energiedoelstellingen een rol speelt.
Bent u bekend met onjuiste gegevens in het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieufactsheet (RIVM) over windturbinegeluid, waaronder de hindercurve bij 47 decibel (dB) Lden en de invloed van turbinegrootte op laagfrequent geluid?
Nee, er is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens in de factsheet van het RIVM. Ten aanzien van de hindercurve wordt in de RIVM factsheet beschreven dat deze in 2008 door TNO opgestelde blootstelling-responsrelatie (de relatie tussen windturbinegeluid en hinder) destijds als uitgangspunt voor beleid is gekozen. Binnen het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid houdt het RIVM, in samenwerking met de GGD, de internationale stand van kennis over de gezondheidseffecten van windturbines actueel. Wanneer dit tot andere of nieuwe relevante inzichten leidt, zal het RIVM bepalen of dit aanleiding geeft tot aanpassing van de factsheet.
Waarom heeft het RIVM tot op heden niet inhoudelijk gereageerd op kritiek op deze gegevens?
Het is onjuist dat het RIVM niet heeft gereageerd. Naar aanleiding van enkele mensen die vragen hadden gesteld en/of kritiekpunten hadden op de factsheet, heeft het RIVM ter beantwoording Q&A’s geplaatst op de website van het RIVM en zijn in de factsheet nog enkele tekstuele verduidelijkingen aangebracht.
Vindt u onafhankelijk gezondheidsonderzoek door Nederlandse universiteiten noodzakelijk?
Onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek naar gezondheidseffecten is belangrijk, of dit nu door universiteiten gebeurt of door andere wetenschappelijke instituten zoals het RIVM. In opdracht van de Ministeries van IenW en KGG voert het RIVM een uitgebreid veldonderzoek uit naar de relatie tussen windturbinegeluid en hinder en slaapverstoring in de Nederlandse situatie. Voor dit onderzoek heeft het RIVM een wetenschappelijke en maatschappelijke klankbordgroep ingesteld. Deze klankbordgroep bestaat uit inhoudelijke specialisten, vertegenwoordigers van bewoners, brancheorganisaties, overheden en Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’en). Hiermee wordt brede betrokkenheid gewaarborgd en wordt expertise vanuit verschillende perspectieven benut. De resultaten van dit onderzoek worden eind 2026 verwacht.
Bent u bereid de toepassing van Lden als normeringssysteem te herzien?
Nee, hiertoe is geen aanleiding. De geluidsnormen zijn, in lijn met de WHO-advieswaarden en met de normen voor andere geluidbronnen, uitgedrukt in de jaargemiddelde geluidmaat Lden, omdat deze aansluit bij de uit wetenschappelijk onderzoek beschikbare hinderrelaties. Het plan-milieueffectrapport (plan-MER) dat is opgesteld voor nieuwe windturbinebepalingen laat zien dat een jaargemiddelde norm in de praktijk ook het maximaal optredende geluidsniveau van een windturbine begrenst en bovendien ook de tijdsduur begrenst dat het geluid maximaal mag zijn.
Waarom zijn er geen aparte normen voor amplitudemodulatie, tonaal geluid, laagfrequent geluid en infrageluid?
Het plan-MER dat is opgesteld voor de nieuwe windturbinebepalingen geeft aan dat Lden een goede maat is om de hinderlijkheid van windturbinegeluid te beoordelen. De relatie tussen Lden en de hinder wordt al mede bepaald door de specifieke kenmerken van windturbinegeluid, zoals amplitudemodulatie en laagfrequent geluid. Het RIVM geeft aan dat er geen aanwijzingen zijn dat laagfrequent geluid en infrageluid andere effecten hebben op omwonenden dan «normaal» geluid. Wel volgt uit het plan-MER dat incidenteel voorkomende bromtonen (tonaal geluid) extra hinderlijk kunnen zijn. Daarom wordt bij het opstellen van nieuwe milieunormen voor windturbines apart aandacht besteed aan de bescherming hiertegen.
Overweegt u een moratorium op nieuwe windturbines en vervanging van bestaande turbines?
Nee, windenergie op land draagt bij aan de energieonafhankelijkheid van Nederland. Daarnaast is windenergie op land onmisbaar voor de energietransitie en het behalen van onze nationale klimaatdoelen, vastgelegd in de Klimaatwet, en Europese klimaat- en energiedoelen in 2030. Het kabinet zet zoveel mogelijk in op wind op zee, maar de ruimte daar is beperkt en windenergie op zee vraagt veel transportcapaciteit over land. Het is wel belangrijk dat de plaatsing van windturbines op land op een zorgvuldige manier gebeurt, met adequate bescherming van milieu en gezondheid als randvoorwaarde. Het Ministerie van IenW gaat niet over plaatsing of vervanging van windturbines, maar is verantwoordelijk voor de milieunormering. Het is aan het bevoegd gezag om bij plaatsing van nieuwe windturbines of vervanging van bestaande windturbines te controleren of de geluidsniveaus en andere milieuaspecten binnen de geldende milieunormering vallen.
Bent u bereid windturbines binnen 2 kilometer van woningen tussen 20.00 en 07.00 uur stil te zetten?
Nee, het verlenen of (deels) intrekken van vergunningen voor windparken is aan het bevoegd gezag, vaak gemeente of provincie. Het bevoegd gezag zal voorafgaand aan plaatsing of bij tussentijdse handhaving toetsen of aan de geluidsnormen wordt voldaan. Ter bescherming tegen slaapverstoring is naast de Lden een aparte norm voor nachtelijk geluid (Lnight) opgenomen. Met deze normen wordt de kans op ernstige hinder bij de hoogst belaste omwonenden beperkt. Bij omwonenden op grotere afstand van het windpark zullen de geluidsniveaus, en daarmee de kans op hinder, in de regel lager zijn. Het gaat bij het toetsen aan de normen dus om het beperken van de maximale kans op ernstige hinder, niet om het percentage van alle omwonenden van een windpark dat naar verwachting ernstige hinder ervaart.
Bent u bereid vergunningen in te trekken van windparken waar meer dan 10% van de omwonenden ernstige hinder ervaart?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is uw standpunt over de gezondheidsrisico’s van slaapverstoring door windturbinegeluid?
Uit literatuuroverzichten van internationale onderzoeken blijkt dat er geen eenduidige conclusies kunnen worden getrokken over de samenhang tussen geluid van windturbines en slaapverstoring. Voor andere gezondheidseffecten is onvoldoende bewijs gevonden voor een direct effect van het wonen in de nabijheid van een windturbine of het geluid ervan. Wel is er een verband aangetoond tussen enerzijds ervaren hinder door windturbinegeluid, en anderzijds zelf gerapporteerde slaapverstoring en verschillende gezondheidsklachten, zoals hoofdpijn, tinnitus, duizeligheid en misselijkheid. Door via de geluidnormen de kans op hinder te beperken, wordt naar verwachting dus ook de kans beperkt op slaapverstoring en eventuele andere gezondheidsklachten.
Bent u bereid medici te betrekken bij het opstellen van normen voor windturbinegeluid?
Bij het opstellen van normen voor windturbinegeluid wordt het plan-MER als uitgangspunt genomen. Het plan-MER is gebaseerd op de actuele internationale stand van de kennis op het gebied van gezondheidseffecten van windturbines en geeft eventuele hiaten hierin aan, maar richt zich niet op het uitvoeren van nieuw onderzoek. De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft in haar advies over het opgestelde plan-MER voor de windturbinebepalingen geconcludeerd dat het milieueffectrapport de milieugevolgen van verschillende milieunormen, waaronder die voor geluid, over het algemeen nauwkeurig in beeld brengt. Dat neemt niet weg dat het belangrijk is om de bestaande kennis continu te actualiseren en waar nodig uit te breiden. In opdracht van het Ministerie van VWS heeft Nivel (Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg) onlangs een verkenning uitgevoerd op basis van gezondheidsregistraties van omwonenden van windturbines over een periode van tien jaar (2012–2021)1. Deze analyse liet geen significant verband zien tussen het wonen nabij windturbines of de geluidsniveaus en gezondheidsklachten die bij de huisarts zijn gemeld.
Laat u onafhankelijk onderzoek uitvoeren naar de bijdrage van windturbinewieken aan verhoogde Bisfenol A (BPA) concentraties in oppervlaktewater?
De kwaliteit van het oppervlakte-, grond- en drinkwater wordt in Nederland uitgebreid gecontroleerd op chemische verontreinigingen. Er zijn geen aanwijzingen dat de stof Bisfenol A (BPA) een bedreiging vormt voor de kwaliteit hiervan. Er wordt geen onderzoek gedaan naar de specifieke bijdrage van windturbinebladen aan de concentratie BPA in oppervlaktewater. BPA is een component die wordt gebruikt bij de productie van de bladen van windturbines. BPA wordt echter vrijwel volledig omgezet tijdens het chemische proces dat plaatsvindt. In het eindproduct kan een kleine hoeveelheid niet-omgezette BPA aanwezig blijven. Deze overgebleven hoeveelheid BPA verschilt per product, maar ligt in de ordegrootte van 0,001 tot 0,01%.