De uitspraken inzake het indammen van de bevolkingsgroei |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht uit het Nederlands Dagblad waaruit blijkt dat u de bevolkingsgroei wil indammen?1
Ja
Deelt u de mening dat het kabinet spreekt met één mond? Zo ja, waarom gaat u dan met uw uitspraken in tegen het kabinet dat juist inzet op meer bevolkingsgroei?
Op 29 september jongsleden heb ik een brief (kst-1051463) naar uw Kamer gestuurd waarin ik nader inga op mijn uitspraken in het genoemde artikel en hoe dit past binnen de eenheid van kabinetsbeleid.
Ik citeer uit deze brief:
«In het artikel in het Nederlands Dagblad ben ik ingegaan op de demografische groei en de effecten daarvan op Nederland. Er zijn grenzen aan de groei die we kunnen accommoderen in de ruimte en dat is reden om na te denken over manieren waarop we de verwachte bevolkingsgroei kunnen afremmen.
Deze gedachten sluiten aan op het coalitieakkoord. Het kabinet heeft als doel meer grip te krijgen op migratie. In het coalitieakkoord is opgenomen dat het kabinet periodiek inzicht wil krijgen op de verwachte arbeids-, kennis- en asielmigratie en daarbij de mogelijkheid te onderzoeken om te werken met een beleidsmatig richtgetal van migratie naar Duits voorbeeld. Het kabinet heeft besloten een staatscommissie Demografische ontwikkelingen 2050 in te stellen om de implicaties van vergrijzing en bevolkingsgroei te doordenken. De resultaten verwachten we eind 2023.»
Hoe verhouden uw uitspraken zich met de realiteit dat er onder de diverse kabinetten Rutte ruim één miljoen nieuwkomers zijn bijgekomen? Graag een gedetailleerd antwoord.
Ik pleit ervoor meer grip te krijgen op demografische ontwikkelingen in Nederland, in lijn met het coalitieakkoord. Naar aanleiding van de resultaten van de staatscommissie Demografische ontwikkelingen 2050 zal ik samen met mijn collega’s in het kabinet bespreken op welke manier de verwachte demografische trends en ontwikkelingen impact zullen hebben op de beleidsterreinen onder mijn verantwoordelijkheid en/of op de terreinen van mijn collega’s in het kabinet.
Hoe verhouden uw uitspraken zich met het feit dat onder dit kabinet het ene na het andere immigratierecord wordt verbroken, alleen al over 2022 bijna 200.000 nieuwkomers? Graag een gedetailleerd antwoord.
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe verhouden uw uitspraken zich met een Staatssecretaris die als lijn heeft «hoe meer asielzoekers, hoe beter»?2 Graag een gedetailleerd antwoord.
In zoverre deze vraag betrekking heeft op eenheid van kabinetsbeleid, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2. De kwalificaties in deze vraag worden niet herkend. Nederland staat voor een rechtvaardig, humaan en effectief asiel- en migratiebeleid. Het kabinet wil migratie zoveel mogelijk in goede banen leiden binnen de kaders van de EU en de internationale verdragen. Voorstellen uit de Tweede Kamer worden dan ook steeds tegen die inzet getoetst.
Hoe verhouden uw uitspraken zich met het kabinetsbeleid dat elk voorstel tot immigratiebeperkende maatregelen torpedeert: onder andere geen asielstop, geen grenscontroles, het niet actief uitzetten van asielzoekers die criminele delicten plegen, het niet uitzetten van veilige- en derdelanders, en het niet opzuigen van het VN-Vluchtelingenverdrag dat een aanzuigende werking heeft op asielzoekers? Graag een gedetailleerd antwoord.
Onder mijn verantwoordelijkheid valt hoe vergrijzing en bevolkingsgroei doorwerken in ruimtelijke ordening, een leefbare woonomgeving en bouwopgaves voor de toekomst. In de eerder genoemde Kamerbrief van 29 september breng ik dit nader in kaart. Langs deze lijnen zal ik vanuit mijn portefeuilles inspelen op de effecten, maar ik zie dat dat alleen niet voldoende zal zijn. Er zijn dus ook grenzen aan wat we aan kunnen. Tevens is de eerder genoemde staatscommissie ingesteld om advies uit te brengen over scenario's, beleidsopties en handelingsperspectieven van de regering in relatie tot de maatschappelijke gevolgen van de demografische ontwikkelingen. De kwalificaties in deze vraag worden niet herkend. Nederland staat voor een rechtvaardig, humaan en effectief asiel- en migratiebeleid. Het kabinet wil migratie zoveel mogelijk in goede banen leiden binnen de kaders van de EU en de internationale verdragen. Voorstellen uit de Tweede Kamer worden dan ook steeds tegen die inzet getoetst.
Hoe gaat u de daad bij het woord voegen en hoe gaat u de bevolkingsgroei adequaat indammen? Graag een gedetailleerd antwoord.
Zie antwoord op vraag 3.
Nederlandse kennis over Australische oorlogsmisdaden in Afghanistan |
|
Jasper van Dijk , Alexander Hammelburg (D66) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het artikel in NRC waarin gesteld wordt dat Nederlandse militairen al in 2010 wisten van een mogelijke Australische oorlogsmisdaad in Uruzgan, Afghanistan?1
Ja.
Is het juist dat een Special Report over dit voorval zoek is? Zo nee, wat zijn dan de feiten?
Defensie zoekt nog naar een rapport dat volgens de melder zou zijn opgemaakt. De zoekslag is nog niet voltooid. Op dit moment kan het bestaan van dit vermeende rapport niet worden bevestigd.
Herinnert u zich uw toezegging op 15 december 2020 om een inventarisatie uit te voeren om na te gaan of er «naar Nederlands oordeel geen aanleiding is om betrokkenheid bij de misstanden van Australische speciale eenheden aan te nemen»? Wat is de stand van zaken van deze inventarisatie? Wilt u deze inventarisatie met de Kamer delen?2
Ja.
De Kamer is op 19 mei 2021 geïnformeerd over de stand van zaken van de inventarisatie naar Nederlandse betrokkenheid bij de geconstateerde misstanden onder Australische speciale eenheden. Uit de inventarisatie zijn geen aanwijzingen van betrokkenheid van Nederlandse militairen bij de misstanden van de Australische speciale eenheden naar voren gekomen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 2812). Dit komt overeen met Australische bevindingen uit 20203, waaruit blijkt dat er geen aanwijzingen zijn van Nederlandse betrokkenheid. Mocht er bij het ordenen van de archieven nieuwe, relevante informatie naar boven komen, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Wat is de stand van het onderzoek naar een binnengekomen mededeling?
Eerdere digitale zoekslagen en gesprekken met direct betrokkenen hebben niet geleid tot de vondst van het vermeende rapport. Voor vervolgacties verwijs ik u graag naar het «Actieplan missie-archieven Afghanistan»4 dat gelijktijdig aan uw Kamer is aangeboden.
Is het juist te concluderen dat deze kennis niet is gedeeld met Australische onderzoekers die in Nederland zeker vier mensen hebben gesproken over hun kennis van de feiten? Zo nee, wat hebben zij aan de Australische onderzoekers meegedeeld?
Defensie heeft destijds haar medewerking verleend aan het Australische onderzoek, maar is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de inhoud ervan. Inmiddels heeft recent contact met Australië5 geleid tot het opstarten van een onderzoek naar deze zaak.
Deelt u de opvatting dat Nederland altijd medewerking moet verlenen aan onderzoek naar (mogelijke) oorlogsmisdaden?
Ja, met inachtneming van de kaders voor internationale rechtshulp in strafzaken.
In welke mate vindt u dat de Kamer proactief geïnformeerd moet worden als er mogelijk sprake is van oorlogsmisdaden waar de Nederlandse krijgsmacht van op de hoogte was?
Voor Nederland staat naleving van het humanitair oorlogsrecht centraal en dit beperkt zich niet alleen tot het eigen militaire optreden. Daarom moeten meldingen over mogelijke schendingen hiervan, ook door een partnerland, altijd serieus worden onderzocht. Hierbij is van belang dat er duidelijkheid bestaat over het rapport om te voorkomen dat partijen ten onrechte worden beschuldigd.
Het bericht 'Norway oil safety regulator warns of threats from unidentified drones' en het bericht 'Duitse media: lek Nord Stream vrijwel zeker sabotage ‘door staat' |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Peter Valstar (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Norway oil safety regulator warns of threats from unidentified drones»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de veiligheidsrisico's voor de Noorse offshore gasinfrastructuur in het licht van de spanning met Rusland en de Europese afhankelijkheid van dit gas?
Eerder is aan de Kamer gemeld2 dat er een specifieke dreiging uitgaat tegen vitale onderzeese infrastructuur, met activiteiten die duiden op spionage en op voorbereidingshandelingen voor verstoring en sabotage voor verstoring en sabotage. Er is dus een reëel veiligheidsrisico. Het wegvallen van energie-infrastructuur die in gebruik is kan vergaande implicaties hebben voor de energievoorziening. Op dit moment werkt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat aan het verbeterd in kaart brengen van kwetsbaarheden en weerbaarheidsmaatregelen van offshore data en energie infrastructuur in de Nederlandse wateren. Dit onderzoek helpt de rijksoverheid ook in het beter inschatten van veiligheidsrisico’s voor de Noorse offshore gasinfrastructuur.
Zijn er naast de meldingen van ongeïdentificeerde drones ook storingsmeldingen geweest aan Noorse gasinfrastructuur?
Nederland doet vanuit veiligheidsoverwegingen in principe nooit mededelingen over verdachte activiteiten.
Zijn dergelijke ongeïdentificeerde drones of andere verdachte activiteiten ook binnen de Nederlandse exclusieve economische zone gesignaleerd?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er ten tijde van de dronemeldingen Russische schepen (privaat of van de overheid) in de buurt van de gasinstallaties gesignaleerd?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er aanwijzingen dat aan Rusland te linken schepen in de buurt van de Noorse installaties varen die hun identificatie-apparatuur uit hebben staan?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft Rusland de afgelopen jaren met marineschepen of onderzoeksschepen in de buurt van Noorse installaties gevaren, zoals dat ook gebeurt bij datakabels?
Die mogelijkheid bestaat, maar hierover heeft het kabinet geen specifieke informatie. Russische marine- en onderzoeksschepen zijn in het algemeen actief in de noordelijke zeeën.
Welke stappen worden er gezet door Noorwegen en bondgenoten, onder meer in NAVO-verband, om de gasinfrastructuur extra te beveiligen en schepen van de Russische marine en andere aan de Russische staat gelieerde instellingen in deze regio te monitoren?
Noorwegen heeft de bewaking van gasinfrastructuur door marine en luchtmacht verhoogd. Het Noorse leger is ingezet om te assisteren bij de bewaking van een aantal locaties op land. De NAVO heeft haar maritieme presentie in de Noordzee en Oostzee vergroot. Zr.Ms. Tromp speelt hierbij een belangrijke rol als vlaggenschip van het NAVO-vlootverband in deze regio.
Deelt u de mening dat indien Noorwegen daar behoefte aan heeft en er reëele veiligheidsrisico’s zijn, er een NAVO-taak ligt om de gasinfrastructuur te beveiligen?
Eerder is aan de Kamer gemeld3 dat er een specifieke dreiging uitgaat tegen vitale onderzeese infrastructuur, met activiteiten die duiden op spionage en op voorbereidingshandelingen voor verstoring en sabotage voor verstoring en sabotage.4 Er is dus een reëel veiligheidsrisico. Gezien het grensoverschrijdende karakter van infrastructuur op zee is internationale samenwerking, in NAVO en EU verband essentieel. Vorige week is bij de NAVO Ministers van Defensie afgesproken om de weerbaarheid van deze infrastructuur en inlichtingensamenwerking te versterken.
Welke voorzorgsmaatregelen hebben Noorwegen, Nederland en de andere aan de Noordzee gelegen landen genomen om dergelijke activiteiten te monitoren dan wel tegen te gaan?
Noorwegen heeft op 6 oktober jl. beperkingen opgelegd aan Russische vissersschepen. Ze mogen enkel in drie havens komen en worden gecontroleerd. Op de Nederlandse maatregelen wordt ingegaan in de Kamerbrief die uw Kamer samen met het antwoord op deze Kamervragen toeging.
Kent u het bericht «Duitse media: lek Nord Stream vrijwel zeker sabotage «door staat»»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de oorzaak van de storingen en lekkages rond de Nord Stream 1-pijpleiding?
De Zweedse, Deense en Duitse autoriteiten onderzoeken de toedracht van de explosies bij Nord Stream 1 en 2. Deze onderzoeken zullen moeten uitwijzen wie verantwoordelijk is. Terwijl deze onderzoeken nog lopen is het niet verstandig te speculeren over mogelijke daders of belanghebbenden.
Is het mogelijk dat de schade aan de pijpleiding door sabotage op de zeebodem is veroorzaakt, in plaats van handelen aan het Russische beginstuk?
Zie antwoord vraag 12.
Welke risico’s ziet u voor de onderzeese verbindingen voor gas en elektriciteit, zoals de gaspijpleidingen van Noorwegen naar Europese landen en de elektriciteitskabel tussen Zweden en Duitsland?
Eerder is aan de Kamer gemeld6 dat vitale onderzeese infrastructuur zeer kwetsbaar is voor mogelijk spionage, evenals voor verstoring en sabotage. Er is dus een reëel veiligheidsrisico. Het wegvallen van energie-infrastructuur die in gebruik is kan vergaande implicaties hebben voor de energievoorziening. Op dit moment werkt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat aan het verbeterd in kaart brengen van kwetsbaarheden en weerbaarheidsmaatregelen van offshore data en energie infrastructuur in de Nederlandse wateren. Dit onderzoek helpt de rijksoverheid ook in het beter inschatten van veiligheidsrisico’s voor de Noorse offshore gasinfrastructuur en de Zweedse electriciteitsinfrastructuur.
Zijn er voorafgaand aan de storing bij Nord Stream 1 en 2 Russische schepen (privaat of van de overheid) in de buurt van de gasinstallaties gesignaleerd?
De Oostzee is een drukbevaren zee met een aantal belangrijke Russische civiele en marinehavens. De Russische marine oefent routinematig, ook in de omgeving van de gaspijpleidingen en electriteitskabels. Het is moeilijk aan te geven of activiteit te maken heeft met reguliere oefeningen of een ander doel dienen.
Zijn er aanwijzingen dat aan Rusland te linken schepen in de buurt van gaspijpleidingen van Noorwegen naar Europese landen en de elektriciteitskabel tussen Zweden en Duitsland varen, en zich daar langer ophouden dan voor normale doorvaart noodzakelijk is?
Zie antwoord vraag 15.
Heeft Rusland de afgelopen jaren met marineschepen of onderzoeksschepen in de buurt van gaspijpleidingen van Noorwegen naar Europese landen en de elektriciteitskabel tussen Zweden en Duitsland gevaren, zoals dat ook gebeurt bij datakabels?
Zie antwoord vraag 15.
Het bericht ‘Justitie Den Haag schrapt 53 zaken: Wietkwekers en drugsdealers ontlopen straf’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Ingrid Michon (VVD), Mirjam Bikker (CU) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Justitie Den Haag schrapt 53 zaken: Wietkwekers en drugsdealers ontlopen straf»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van alle zaken bij de rechtbank Den Haag waarvan het Openbaar Ministerie (OM) heeft verzocht om niet-ontvankelijkheid, alsmede de straffen die zouden zijn geëist als deze zaken waren doorgezet?
Laat ik vooropstellen dat het zorgelijk is dat het OM is genoodzaakt om dit soort maatregelen te nemen. Het is een slecht signaal richting de samenleving en niet goed voor het vertrouwen in de rechtsstaat. Het OM neemt dan ook de nodige maatregelen om dit in de toekomst te voorkomen.
Het OM kan niet aangeven wat de strafeis in de zaken zou zijn geweest. Een strafeis formuleren betreft maatwerk en deze kan gewijzigd worden tot op de zitting. Op basis van de strafvorderingsrichtlijnen is er een grote diversiteit in de te eisen straffen.
Inhoudelijk gaat het met name om ontnemingszaken, waarbij het OM geld wilde ontnemen (bijvoorbeeld van crimineel verkregen geld), en druggerelateerde feiten. In een aantal zaken is het geld echter al op een andere manier ontnomen. Bijvoorbeeld doordat de rechter in de bijbehorende strafzaak (die altijd naast een ontnemingszaak loopt) al heeft gevonnist dat het geld van de verdachte naar de slachtoffers moet. Daarnaast betreft het verdachten die sindsdien niet meer de fout in zijn gegaan. Een deel betreft zeer oude strafzaken rondom het dealen van drugs of het kweken van hennep, beide van relatief beperkte omvang.
Bij de selectie van de zaken heeft het OM een afweging gemaakt op basis van de inhoud van de zaak en de verschillende belangen die meespelen. Relevante factoren waren onder meer: dat er geen directe slachtoffers zijn, dat er al schadeherstel heeft plaatsgevonden, dat een andere reactie op het misdrijf is gevolgd of dat de verdachte sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met justitie. Verder is gekeken naar de aard van de feiten: zo wordt er bijvoorbeeld niet getornd aan de vervolging van ernstige geweldsmisdrijven en zedendelicten.
Voor alle zaken geldt dat zij minimaal vier jaar oud zijn. Het zijn zaken die al eerder op zitting zijn besproken, maar niet inhoudelijk zijn afgedaan. In afwachting van een nieuwe zitting kregen andere zaken, bijvoorbeeld met directe slachtoffers, voorrang. De meeste zaken hebben geen directe slachtoffers. In de paar zaken waar sprake was van een direct slachtoffer heeft het OM contact met hen opgenomen en hen de omstandigheden uitgelegd.
Rechtszekerheid en een goede procesorde brengen met zich mee dat de zaken die bleven liggen in het belang van alle partijen wel moeten worden afgedaan. De wet bepaalt dat zaken die al eerder op zitting zijn geweest alleen kunnen worden beëindigd door het OM niet-ontvankelijk te verklaren.
Waarom is kennelijk gekozen voor zaken waarin sprake is van drugscriminaliteit?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat in deze zaken geen directe slachtoffers zijn?
Voor beantwoording van deze vraag verwijs ik ook naar de antwoorden op vraag 2 en 3. Bij de selectie van de zaken heeft het OM een afweging gemaakt op basis van de inhoud van de zaak en de verschillende belangen die meespelen. Eén relevante factor was onder meer dat er geen directe slachtoffers zijn. De meeste zaken hebben geen directe slachtoffers. Voor zover wel sprake was van een directe slachtoffer gaat het over het algemeen om slachtoffers die niet op vergoeding van schade rekenen via het strafrecht en geen gebruik willen maken van hun spreekrecht.
Wat vindt u van het signaal dat hiermee wordt gegeven aan de samenleving, namelijk dat drugscriminaliteit loont, en het signaal aan de politie dat hun werk tevergeefs was?
Ik vind het een slecht signaal richting de samenleving en heel erg dat het OM zich genoodzaakt ziet dit te doen. Het is niet goed voor het vertrouwen in de rechtstaat en frustrerend voor de politie als zaken op deze manier worden afgerond. Tegelijkertijd gaat het – vergeleken met het totaal aantal zaken dat het OM jaarlijks in behandeling neemt – om een beperkt aantal zaken en verwacht ik niet dat criminelen zich hierdoor straffeloos zullen voelen.
Inhoudelijk zijn het veel ontnemingszaken waarin de bijbehorende strafzaak wel is afgedaan. In deze ontnemingszaken wilde het OM crimineel geld afpakken, maar bleek bijvoorbeeld dat bij verdachte weinig tot niets te halen. In een aantal gevallen is het afpakken al op een andere manier geregeld, bijvoorbeeld doordat de rechter in de bijbehorende strafzaak (die altijd naast een ontnemingszaak loopt) al heeft gevonnist dat het geld van verdachte naar de slachtoffers moet.
Tevens verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2 en 3 voor de relevante factoren en belangen die hebben meegewogen in de keuzes van het OM.
Deelt u onze grote zorg dat drugscriminelen zich straffeloos kunnen wanen en juist ook bij jonge daders daardoor het risico toeneemt dat ze verder verweven raken met de drugscriminaliteit? Is er gekeken naar het daderprofiel bij de keuze van zaken waar niet-ontvankelijkheid verzocht is? Zo ja, welke keuzes zijn gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom zijn deze zaken zo lang blijven liggen, terwijl het volgens de berichtgeving, gaat om zaken waarin sprake is van drugscriminaliteit en crimineel voordeel?
Zoals bij vraag 2 en 3 opgemerkt zijn het zaken die al eerder op zitting zijn besproken, maar niet inhoudelijk zijn afgedaan. Deze zaken lagen stil in afwachting van een nieuwe zitting. Die nieuwe zitting kwam er echter niet, omdat andere zaken voorrang kregen, waaronder bijvoorbeeld zaken met directe slachtoffers.
Welke maatregelen treft u met het Bestuurlijk Ketenberaad om te voorkomen dat zaken wegens gebrek aan capaciteit niet meer worden behandeld?
Het Bestuurlijk Ketenberaad heeft tot doel om op basis van onderlinge afstemming het functioneren van de strafrechtketen te bevorderen. Het terugdringen van voorraden, het identificeren van knelpunten en het richting geven aan het oplossen daarvan zijn vaste aandachtsgebieden van het Bestuurlijk Ketenberaad. Zo is het verkorten van de doorlooptijden een prioritair thema. In dat kader heeft het Ketenberaad, naar aanleiding van de doorlichting van de strafrechtketen, opdracht gegeven tot het opstellen en uitvoeren van het Actieplan Strafrechtketen (Actieplan). Over de uitvoering van dat Actieplan heb ik uw Kamer samen met de Minister voor Rechtsbescherming laatstelijk geïnformeerd op 22 juli 20222.
Op grond van het Coalitieakkoord zijn hiervoor middelen beschikbaar. Om de werkdruk te verlagen is het OM, mede met behulp van middelen uit het Coalitieakkoord, bovenop de reguliere instroom van officieren van justitie reeds vorig jaar gestart met het in drie jaar laten instromen en opleiden van 250 officieren van justitie.
De rechtspraak ontvangt tot slot ook extra middelen op grond van het Coalitieakkoord waarmee de capaciteit van de rechtspraak kan worden versterkt.
Is er overleg geweest door het OM met de politie? Zo nee, waarom niet?
Ja, er heeft van tevoren afstemming plaatsgevonden tussen OM en de politie.
Het artikel 'Minister: ‘Versoepelingen kinderopvang gelden pas in 2024’, personeelstekort groeit' |
|
Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Minister: «Versoepelingen kinderopvang gelden pas in 2024», personeelstekort groeit»?1
Ja.
Wat zijn de voornaamste obstakels om de versoepelingen met betrekking tot de inzet van personeel, die u schetste in uw brief van 5 september jongstleden2 en waarover ook voorstellen zijn gedaan in de evaluatie van de Wet Innovatie en Kwaliteit in de Kinderopvang, pas in 2024 in te laten gaan? Hoe kunnen deze obstakels weggenomen worden?
Ik ben mij bewust van de urgentie om het personeelstekort in de kinderopvang aan te pakken. Daartoe heb ik in de brief van september verschillende acties aangekondigd, waaronder valt het aanpakken van knelpunten in de regelgeving op de korte termijn. In dat kader heb ik de afgelopen periode samen met het veld gewerkt aan oplossingsrichtingen ten aanzien van het vaste gezichtencriterium, de drie-uursregeling en een aantal kwaliteitseisen in de buitenschoolse opvang. Ik ben deze aanpassingen op dit moment verder aan het uitwerken, zodat ze zo spoedig mogelijk ingevoerd kunnen worden. Dit vraagt om een wijziging van het Besluit kwaliteit kinderopvang. De afstemming met de sector -onder andere om draagvlak te creëren-, de uitwerking van de wijzigingen en het juridische proces vragen tijd vanwege de procedure die daarvoor is voorgeschreven. Om die reden kunnen de meeste aanpassingen niet eerder ingaan dan per 1 januari 2024. Het halen van de streefdatum per maatregel is afhankelijk van de verdere uitwerking van de wijzigingen. Met het oog hierop zal ik per maatregel bezien of er ruimte is voor eerdere inwerkingtreding. In het voorjaar zal ik uw Kamer nader berichten over de laatste stand van zaken. Voor een tweetal aanpassingen zie ik in ieder geval kans om deze al per 1 juli 2023 in werking te laten treden. Dit vanwege de eenvoudigere aard van de aanpassingen. Het betreft een meer flexibele invulling van de drie-uursregeling en een mogelijkheid om af te wijken van het vaste gezichtencriterium in geval van ziekte en verlof van een vast gezicht.
Is er geen enkele maatregel die al eerder dan 1 januari 2024 ingevoerd kan worden? Zo ja, hoe is dit mogelijk?
Zie antwoord bij vraag 2.
Bent u bereid om de Kamer voor eind 2022 te informeren over de knelpunten die het gebruik van combinatiebanen belemmeren en de wijze waarop deze knelpunten opgelost kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Ik informeer uw Kamer graag over de knelpunten en succesfactoren in combinatiebanen. In dat kader heb ik in de Kamerbrief van 5 september over de aanpak van het personeelstekort in de kinderopvangsector aangekondigd dat sectorpartijen onderzoek gaan doen naar de mogelijkheden van combinatiebanen binnen en buiten de kinderopvangsector, bijvoorbeeld tussen kinderopvang en onderwijs. Zij stellen op basis van de resultaten een praktische handreiking op om succesvolle combinatiebanen in de praktijk te realiseren, die naar waarschijnlijkheid voor zomer 2023 gereed zal zijn.
Ook breng ik samen met de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs algemene knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen tussen kinderopvang en onderwijs in kaart. In het eerste kwartaal van 2023 zal ik uw Kamer hierover informeren.
Bent u van mening dat er voldoende draagvlak is vanuit de sector om de aangekondigde maatregelen al per 1 januari 2023 in ieder geval gedeeltelijk in te laten gaan? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe kunnen we aan deze wens voldoen?
Zie antwoord bij vraag 2.
Bent u bereid om, conform het breed gedragen voorstel uit de sector zelf, een tijdelijke coulanceregeling op te stellen voor de inzet van personeel? Zo nee, waarom niet?
Een coulanceregeling vraagt om op voorhand aan te geven aan welke kwaliteitseisen niet voldaan hoeft te worden. De toezichthouder hoeft ten aanzien van die eisen dan geen overtreding te noteren en er hoeft geen handhaving plaats te vinden. Een coulanceregeling is op grond van de huidige Wet Kinderopvang niet mogelijk. In november vorig jaar heeft mijn ministerie met de branchepartijen en de toezichtpartijen afgesproken dat:
Of de toezichthouder hier gebruik van kan maken, hangt steeds af van de omstandigheden van het geval. Het is in alle situaties van belang dat de opvang veilig en verantwoord is.
Daarnaast wordt in het kader van het herijkingstraject toegewerkt naar aanpassingen in de kwaliteitseisen, waar dit mogelijk en wenselijk is, waarbij werkdruk een aandachtspunt is. Hierbij wordt ook breder gekeken, dus ook naar kwaliteitseisen die niet gewijzigd zijn met de wet IKK. Ik vind het belangrijk om daarin zorgvuldige afwegingen maken. Enerzijds verkennen we welke aanpassingen mogelijk zijn in de kwaliteitseisen en anderzijds geldt dat de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang gewaarborgd moet blijven.
Kunt u meer vaart zetten achter de gesprekken met de sector over het modulair opleiden en het aantrekken van zij-instromers? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk om regelmatig met de sector overleg te voeren over oplossingsrichtingen voor het personeelstekort in de kinderopvang en hier vaart achter te zetten. Het reguliere arbeidsmarktoverleg met de sectorpartijen vindt ieder kwartaal plaats en dient onder andere daarvoor. Waar nodig is ook tussentijds overleg over de verschillende acties. In het laatste arbeidsmarktoverleg van 4 oktober 2022 is gesproken over de acties die ik recent heb aangekondigd om het personeelstekort in de kinderopvang tegen te gaan. Het gaat dan zowel om lopende acties en hoe het hiermee staat, als om acties die nog in gang worden gezet en hoe dit zo snel en effectief mogelijk kan. Daarbij gaat het ook over acties gericht op het aantrekken van zij-instromers en modulair opleiden, waarover meer is opgenomen in de Kamerbrief over de aanpak van het personeelstekort in de kinderopvangsector van 5 september. De urgentie wordt hierbij door alle aanwezige partijen gevoeld.
Het algemene beeld is dat zij-instromers een belangrijk deel van het personeelsaanbod vormen. Tegelijkertijd wordt de conclusie uit het ABF-onderzoek onderstreept dat mogelijkheden voor hogere instroom vanuit andere sectoren beperkt zijn, gelet op de generieke arbeidsmarktkrapte en de momenteel al hoge zij-instroom in de sector.3 Daarom kijk ik samen met de sector naar de mogelijkheden die er nog zijn voor een effectieve, gerichtere aanpak.
Voor wat betreft modulair opleiden heeft mijn ministerie bij de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) via een brief urgentie gevraagd om meer aandacht te hebben voor het werkveld van de kinderopvang. Het beoogde doel hiervan is dat zij-instromers, door het behalen van MBO-certificaten voor beroepsgerichte onderdelen uit de kwalificatie Pedagogisch medewerker kinderopvang, zich via deze route kunnen kwalificeren tot pedagogisch professional.»
Is het mogelijk om eventueel via spoedwetgeving maatregelen eerder te implementeren gezien de steeds nijpendere personeelstekorten en de potentiële maatschappelijke ontwrichting die hieruit voortvloeit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord bij vraag 2.
Deelt u de mening dat de personeelstekorten in de kinderopvangsector extra urgent zijn, juist omdat het terugdringen van deze tekorten cruciaal is bij de aanpak van bredere personeelstekorten op de arbeidsmarkt?
Ja, die mening deel ik. Kinderopvang is een essentiële randvoorwaarde voor ouders met jonge kinderen om arbeid en zorg te kunnen combineren. Werken of meer uren werken is enkel mogelijk voor hen met toegankelijke kinderopvang. Daarom heb ik 5 september jl. een Kamerbrief gestuurd met acties die ik samen met de sector ga ondernemen om het personeelstekort in de kinderopvang tegen te gaan.
Het bericht dat beide Nord Stream pijpleidingen vlak na elkaar zijn stuk gegaan en dat seismologische bureaus van Denemarken en Zweden hevige explosies hebben geregistreerd. |
|
Alexander Hammelburg (D66), Faissal Boulakjar (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Raoul Boucke (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met dit bericht?1
Ja.
Hoe oordeelt u over dit bericht en hoe groot schat u de kans dat de explosies het gevolg zijn van sabotage?
Het staat vrijwel zeker vast dat het hier een sabotageactie betrof. Attributie naar een specifieke actor is op dit moment niet mogelijk.
Zijn er aanwijzingen dat de explosies het gevolg waren van een technisch mankement?
Die aanwijzingen zijn er niet.
Kan Rusland beschadigingen aan de pijpleidingen aandragen als reden om onder contractuele leveringsverplichtingen uit te komen?
Een beheerder van gasinfrastructuur kan een force majeur aandragen als reden voor het niet kunnen nakomen van contractuele verplichtingen. Door een beroep te doen op overmacht, neemt het risico af op schadeclaims voor niet geleverde volumes.
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor het volledig afstappen van Russisch gas, om Europa minder kwetsbaar te maken voor soortgelijke voorvallen bij andere pijpleidingen voor Russisch gas?
In EU-verband pleit het kabinet ervoor om de afhankelijkheid van Russisch gas zo snel mogelijk af te bouwen. De EU heeft als doel om voor 2030 geheel volledig onafhankelijk te zijn van Russische fossiele brandstoffen waaronder gas. Maar wanneer de EU als geheel volledig onafhankelijk zal zijn van Russisch gas is niet duidelijk. Hierbij moet worden opgemerkt dat het voor de ene lidstaat makkelijker is dan voor sommige andere lidstaten, aangezien zij voor een groot gedeelte van hun energievoorziening afhankelijk zijn van Russisch gas, waardoor het een ingewikkelde opgave is om daar op korte termijn volledig van af te stappen. Het kabinet wil in EU-verband bezien hoe deze lidstaten zo goed mogelijk ondersteund kunnen worden om de verdere afbouw van Russische gasexport op te vangen.
Er worden in EU-verband verschillende stappen gezet om de afhankelijkheid van Russisch gas af te bouwen, zo is er in juli afgesproken dat alle lidstaten moeten streven het gasgebruik met 15% te verminderen. Dit doel is nog vrijblijvend, maar Nederland pleit voor een verplicht reductiedoel. Op de Energieraad van 30 september jl. is een aanvullend pakket maatregelen goedgekeurd dat onder meer verplichte elektriciteitsbesparing omvat. Daarnaast is er tussen de lidstaten nog discussie of er een prijsplafond op de import van Russisch pijpleidinggas moet komen. Het kabinet steunt een dergelijke maatregel. Op de Energieraad van 25 oktober is er een eerste gedachtewisseling geweest over het pakket aan energiemaatregelen dat de Commissie op 18 oktober jl. heeft gepubliceerd. Hierover wordt de Kamer nog nader geïnformeerd.
Additioneel heeft de Europese Commissie onlangs bij de EU-landen aangedrongen om vaart te zetten bij de bescherming van de vitale infrastructuur. De Commissie heeft daarbij vier sleutelsectoren aangewezen die prioriteit moeten krijgen: energie, de digitale infrastructuur, transport en ruimte. Daarbij kondigde de Commissie ook een onderzoek aan specifiek naar zeekabels vanwege de enorme strategische en maatschappelijke belangen.
Is er, indien er sprake is van opzet door een partij of land, sprake van schending van internationale verdragen, bijvoorbeeld het VN-zeerechtverdrag dat toeziet op bescherming van het marine milieu?
Om vast te stellen of sprake is van een schending van internationaal recht is nader onderzoek naar de toedracht van de explosies vereist, onder andere naar de vraag welke regels van internationaal recht van toepassing zijn op de situatie. De Zweedse, Deense en Duitse autoriteiten doen momenteel onderzoek naar de toedracht van de explosies bij Nord Stream 1 en 2.
Wat betekent het voor de veiligheid van andere (internationale) energie-infrastructuur, bijvoorbeeld de kabels voor windparken op zee, als er sprake is van opzet door een partij of land?
Eerder is aan deze Kamer gemeld dat vitale onderzeese infrastructuur zeer kwetsbaar is voor mogelijk spionage, evenals voor verstoring en sabotage.2
Wat zijn de gevolgen van deze explosie voor het veiligheidsassessment van onze eigen vitale infrastructuur in de Noordzee, zoals de pijpleidingen naar Noorwegen en de internetkabels vanuit de Verenigde Staten?
Deze explosie heeft aangetoond dat de onderzeese infrastructuur fysiek zeer kwetsbaar is en dat is zorgwekkend. Hoewel nog afhankelijk van de attributiekwestie laat daadwerkelijk sabotage van onderzeese vitale infrastructuur zien dat er intenties bestaan deze infrastructuur aan te grijpen. Het veiligheidsassessment verschilt bij de verschillende domeinen van de zee.
Bent u bereid de Noors-Nederlandse pijpleidingen te observeren en zo nodig te beschermen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dat doen en op welke termijn?
Met betrekking tot de infrastructuur op de Noordzee, waaronder de Noors-Duitse en Noors-Nederlandse-Beligsche pijpleidingen is het kabinet alert op het risico en dreigingen tegen vitale infrastructuur op zee en het borgen van de continuïteit van de processen waar zij onderdeel van uit maken, waaronder gaslevering. Op de specifieke maatregelen die wij nemen wordt ingegaan in de Kamerbrief die uw Kamer samen met het antwoord op deze Kamervragen toeging.
Kunt u deze vragen met enige spoed en afzonderlijk beantwoorden?
In overleg met de Minister van Defensie en de Minister voor Klimaat en Energie heb ik er voor gekozen deze vragen gezamenlijk met de door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking toegezegde Kamerbrief aan u te sturen. Het betreft een complex dossier waarbij uitgebreide interdepartementale afstemming en internationale coördinatie met bondgenoten en partners wenselijk is om te komen tot nadere afspraken ten aanzien van de bescherming van cruciale infrastructuur op de Noordzee.
De goedkope framing dat Groep van Haga nepnieuws zou verspreiden en over de poging om Kamerleden politieke instrumenten uit handen te willen nemen |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht waarin gesteld wordt dat het lid Van Haga nepnieuws zou verspreiden?1
Ja.
Bent u de op de hoogte van het feit dat Kamerleden vragen stellen over informatie die via tal van kanalen tot hen komen en dat zij vragen stellen om de waarheid juist te willen verifiëren?
Ja, dat laat onverlet dat ik van mening ben dat politieke ambtsdragers en volksvertegenwoordigers een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om zich rekenschap te geven van de mogelijke negatieve effecten van hun uitlatingen op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen.
Waarom doet u aan framing door in antwoord op schriftelijke Kamervragen van het lid Van Haga te stellen dat het lid Van Haga nepnieuws verspreidt waarin u achteraf weet, wat het lid Van Haga vooraf niet wist, te weten dat het nieuws rondom de directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM, niet klopte? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?2
Ik heb in mijn beantwoording van de betreffende schriftelijke vragen de kwalificatie «nepnieuws» niet gebruikt. Deze is afkomstig uit het artikel waarnaar wordt verwezen.
Deelt u de mening dat het niet aan de Minister is of en hoe vaak de Groep van Haga Kamervragen stelt?
Uiteraard gaan Kamerleden zelf over de frequentie en de inhoud van de Kamervragen die zij stellen. Ik vind het van belang om alle Kamervragen van een goede beantwoording te voorzien om zo te voldoen aan mijn grondwettelijke inlichtingenplicht.
Het indienen van een groot aantal Kamervragen in relatief korte tijd heeft gevolgen voor mijn vermogen om op een zo goed mogelijke manier aan mijn inlichtingenplicht te voldoen, daar dit een groot beslag legt op de ambtenaren van het Ministerie van VWS.
Bent u zich (achteraf) bewust van het feit dat u het controlerende orgaan (de Kamer) niet hoort te kapittelen, maar dat dit in de omgekeerde volgorde hoort plaats te vinden, de Kamer controleert u en niet andersom? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Zie antwoord vraag 4.
Wilt u zich, nu u zorgen heeft over het aantal Kamervragen van de Groep van Haga, vervoegen tot de Kamervoorzitter om te pleiten voor dezelfde spreektijden voor deze fractie als voor de rest van de Kamer?
Nee. De Kamer heeft zijn eigen afspraken over maximale spreektijden en het onderscheid dat gemaakt wordt tussen fracties en groepen vastgelegd in het Reglement van Orde. Initiatieven tot wijziging van dit Reglement dienen dan ook vanuit de Kamer te komen.
Wilt u afstand nemen van de woorden van de Minister van Justitie en Veiligheid die het lid Van Haga een extreemrechte onwelriekende reuzel heeft genoemd, dit om de verspreiding van nepnieuws tegen te gaan?
Ik sluit mij aan bij hetgeen de Minister-President hierover heeft gezegd tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen.
Wilt u zich ook inzetten voor de veiligheid het lid Van Haga, daar hij door allerlei spinnerij, mede vanuit het kabinet, doodsbedreigingen ontvangt en enkele weken geleden een man binnendrong in zijn huis? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Bedreigingen aan het adres van Kamerleden, in welke vorm dan ook, zijn volkomen onacceptabel en veroordeel ik ten zeerste. Het gehele kabinet spant zich in voor de veiligheid van politieke ambtsdragers en volksvertegenwoordigers. Deze veiligheid is van groot belang binnen onze democratische rechtsstaat.
De bereikbaarheid van acute zorg in Rotterdam-Rijnmond en omgeving |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met het dashboard van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond met de aanrijtijden van ambulances?1
Ja.
Deelt u de conclusie, aangezien bij A1-incidenten een ambulance in 95% van de gevallen binnen vijftien minuten ter plaatse dient te zijn, dat bij diverse gemeenten in deze regio het percentage daar zeer regelmatig ver onder ligt?
De streefnorm2 die in de Regeling Ambulancezorgvoorzieningen is opgenomen geldt voor de gehele Veiligheidsregio en niet voor afzonderlijke locaties of gemeenten. Deze streefnorm houdt in dat bij een A1-melding in 95% van de gevallen binnen 15 minuten een ambulance ter plaatse is. Landelijk gezien was in 2021 95% van de A1-inzetten de ambulance binnen 16:44 minuten ter plaatse. Voor de regio Rotterdam-Rijnmond was dit in 2021 18:15 minuten. Dat betekent dat voor 95% van deze ritten de ambulance er maximaal 18:15 minuten over deed om ter plaatse te zijn. Hoewel de streefnorm daarmee niet gehaald wordt, is de gemiddelde responstijd voor alle A1-inzetten wel 10:42 minuten voor deze regio. Dit betekent dat het grootste gedeelte van A1-inzetten er veel sneller was dan 15 minuten.
Een hoge aanrijtijd betekent overigens niet dat de patiëntveiligheid en continuïteit van zorg per definitie in gevaar is. De NZa licht toe dat zowel de regionale ambulancevoorzieningen (RAV’s) als zorgverzekeraars aangeven dat de ambulances met echte spoed de patiënt op tijd bereiken. Wel moet de meldkamer vaker keuzes maken bij gelijktijdigheid van ambulanceaanvragen, door onder andere een grote toename van vraag naar ambulancezorg en personeelstekorten. Een niet-levensbedreigende melding zal dan soms langer moeten wachten.
De RAV Rotterdam-Rijnmond geeft aan dat zij het streven hebben om de A1-prestaties binnen het verzorgingsgebied zo goed en zo snel mogelijk te leveren. De geografie van de regio en verschillen in de bevolkingsdichtheden leiden er echter bijna automatisch toe dat de prestaties binnen de regio en op verschillende momenten in de week en gedurende een etmaal zullen verschillen.
Kunt u aangeven wat hiervan de reden is en in het bijzonder of dit te maken heeft met verouderde software?
Zowel landelijk als binnen de regio Rotterdam-Rijnmond is sprake van een grote toename van de vraag naar ambulancezorg. Zo geeft RAV Rotterdam-Rijnmond aan dat binnen hun regio het aantal A1-spoedritten in het eerste halfjaar van 2022 is toegenomen met bijna 13% ten opzichte van 2021 en het aantal A2-ritten met ruim 11%.
Bovendien is er ook sprake van een schaarste aan personeel, met name aan ambulanceverpleegkundigen. De RAV Rotterdam-Rijnmond geeft aan maximaal in te zetten op werving van ambulanceverpleegkundigen en heeft extra maatregelen genomen in differentiatie van hoog-, midden-, en laagcomplexe ambulancezorg om te zorgen dat er voldoende capaciteit is voor spoedritten. De RAV heeft hierover ook gecommuniceerd met het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio en blijft in gesprek met de zorgverzekeraar over het omgaan met de schaarste aan personeel en het leveren van de diensten.
De RAV Rotterdam-Rijnmond laat weten op dit moment op de meldkamer ambulancezorg geen gebruik te maken van kunstmatige intelligentie voor de operationele spreiding van ambulances. Wel worden ter bepaling van de optimale locatie van opkomst- en postlocaties met behulp van een gespecialiseerd softwarepakket scenario’s doorgerekend, waarvan de uitkomsten in de vorm van werkinstructies aan de meldkamer worden meegegeven. De meldkamer ambulancezorg spant zich tot het uiterste in om met de beschikbare capaciteit goede zorg te leveren. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij op piekmomenten de zorgvraag groter is dan het aantal beschikbare ambulances. Er is dus geen sprake van het gebruik van verouderde software.
Welke acties gaat u ondernemen om het percentage te verhogen?
In de eerste plaats hebben zorgverzekeraars een wettelijke zorgplicht en hebben zij de taak om te zorgen dat de patiënt tijdige, bereikbare en kwalitatief goede zorg krijgt. Momenteel zien we dat de uitdagingen in de acute zorg zo groot zijn dat er (beleidsmatige) verandering nodig is om te zorgen dat voor iedereen de kwalitatief goede acute zorg toegankelijk blijft. Zoals ik in de Beleidsagenda toekomstbestendige acute zorg3 heb aangekondigd, zet ik in op het verder ontwikkelen van zorgcoördinatie waardoor de patiënt op de juiste plek door de juiste persoon wordt behandeld, er beter zicht en sturing is op capaciteit in de regio, opstopping wordt voorkomen en de doorstroom van patiënten in de acute zorgketen verbetert. Hierdoor zou een deel van de vraag naar ambulancezorg mogelijk worden opgevangen door bijvoorbeeld de huisarts(enpost) of wijkverpleging. Daarnaast heeft Ambulancezorg Nederland (AZN) een nieuwe urgentie-indeling ontwikkeld voor de ambulancezorg en is zij in 2022 gestart met de voorbereiding van de implementatie. Het doel van de nieuwe indeling is om de kwaliteit van de ambulancezorg te verbeteren. De nieuwe urgentie-indeling doet meer recht aan de medische behoeften van patiënten en is meer medisch logisch opgebouwd. Het is de bedoeling dat de ambulance sneller ter plaatse is als het echt nodig is, ook bij rampen en ongevallen, en dat in andere gevallen iets meer tijd wordt genomen om meteen de juiste zorg op de juiste plek in te zetten.
Klopt het dat Rotterdam The Hague Airport (RTHA) onlangs aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gevraagd heeft om spoedig de mogelijkheden te bezien om bij te dragen aan een oplossing voor de dreigende overschrijding van de grenswaarden van een of meer handhavingspunten voor geluid rondom de luchthaven?2
Nee. Rotterdam The Hague Airport (RTHA) heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geïnformeerd over een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor geluid. In zijn brief aan uw Kamer van 12 september jl. en in antwoord op vragen van het lid Boucke (D66) heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) voorts aangegeven dat het de verantwoordelijkheid van de luchthaven is om er in overleg met de gebruikers voor te zorgen dat de grenswaarden niet overschreden worden. Ook is daarin aangegeven dat het Ministerie van IenW daarnaast overleg voert met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het gebruik van RTHA door de politiehelikopter en de helikopter van het Mobiel Medisch Team (MMT-helikopter; vaak ook traumahelikopter genoemd).
Klopt de conclusie dat hiermee gedoeld wordt op de inzet van de traumahelikopter?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de inzet van de traumahelikopter vanaf Rotterdam The Hague Airport belangrijk is voor bereikbaarheid van de acute zorg in Zuidwest-Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, heeft u RTHA al laten weten geen mogelijkheden te zien om bij te dragen aan een oplossing van de overschrijding?
De MMT-helikopter die vanaf RTHA vliegt heeft, net als de andere drie MMT-helikopters die elders in het land gestationeerd zijn, inderdaad een bovenregionale functie. Zij zijn niet zozeer bepalend voor de algehele bereikbaarheid van de acute zorg, waarbij de ambulancezorg een belangrijke rol speelt, maar ze hebben wel een specifieke functie in het verlenen van urgente, vaak hoog-complexe prehospitale zorg die alleen door een dergelijk team kan worden verleend. Juist door deze functie voeren zij vaak levensreddende en/of gezondheidsschadebeperkende handelingen uit, waarmee zij een toegevoegde waarde vormen bovenop de ambulancezorg. Wetenschappelijk onderzoek wijst ook uit dat de inzet van het MMT tot significant meer gewonnen levens leidt dan alleen ambulancezorg. Zonder de mogelijkheid van het inzetten van een MMT-helikopter is het aannemelijk dat voor de patiëntengroep waarvoor MMT-inzet nodig is, de kwaliteit van leven sterk zal verminderen en dat zelfs patiënten komen te overlijden. Het beperken van de inzet van het MMT is dan ook geen realistische mogelijkheid, niet voor de korte termijn maar ook niet voor volgende gebruiksjaren. Uiteraard wordt voor zowel de MMT-inzet als voor al het andere luchtverkeer op RTHA doorlopend gekeken naar het voorkomen van onnodige overlast voor omwonenden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van het jaar 2023?
Vanwege nadere afstemming kon ik de antwoorden niet voor de begrotingsbehandeling sturen.
De stijging van het aantal korte vluchten van en naar Nederlandse luchthavens |
|
Harry van der Molen (CDA), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht van RTL Nieuws «Korte privévluchten voor een tijdwinst van 20 minuten: ook regering doet er aan mee»1, en zou u willen reflecteren op de conclusies van deze analyse?
Ja. Het is niet bekend wat de oorzaak is van de stijging van het aantal korte vluchten door privévliegtuigen.
De overheid heeft geen zeggenschap over het gebruik van privévliegtuigen door private instellingen/personen. In de beantwoording van Kamervragen over privévliegtuigen van 3 oktober jl.2 is gemeld dat de wenselijkheid en mogelijkheden om privévliegtuigen mee te nemen in het klimaatbeleid voor de luchtvaart worden onderzocht, en waar nodig aanvullend beleid te onderzoeken. Zoals toegezegd tijdens het commissiedebat over luchtvaart van 6 oktober jl. ontvangt de Kamer dit in het eerste kwartaal van 2023.
Voor wat betreft het regeringsvliegtuig: deze is gestationeerd op Schiphol-Oost. De lege vluchten die met dat toestel worden gemaakt, dienen ter positionering. Dit gebeurt bij samenlopende aanvragen die niet op elkaar aansluiten. Zo ook bij de vlucht van 14 maart jl., waar het artikel over schrijft. Ook komt het voor dat het regeringsvliegtuig van of naar Rotterdam The Hague Airport vliegt. De vlucht van 14 maart jl. is voor het regeringsvliegtuig de enige vlucht in 2022 waarmee naar Rotterdam The Hague Airport is gevlogen.
Deelt u de opvatting dat de leden van het kabinet een morele verantwoordelijkheid en voorbeeldfunctie hebben als het gaat om verantwoord gebruik van vliegverkeer, vanwege de gevolgen hiervan voor onder meer klimaat, milieu en geluidshinder? Zo nee, hoe beziet u dan de verantwoordelijkheid van kabinetsleden op deze gebieden in het licht van de ambities in het coalitieakkoord? Welke acties koppelt u hieraan?
Ik ben het met u eens dat de leden van het kabinet een voorbeeldfunctie hebben. Ook hebben de leden van het kabinet zich gecommitteerd aan het huidige coalitieakkoord – en daarmee aan de grote klimaatambities van het kabinet. Toch kan het voor een goede en efficiënte uitvoering van de taken geoorloofd zijn dat kabinetsleden korte vluchten maken – of dat hun vluchtaanvraag een lege positioneringsvlucht met zich brengt. De afweging achter dergelijke aanvragen maakt de aanvrager zelf, waarbij de afspraken uit ons coalitieakkoord in die afweging zeker mee moeten spelen. Daarnaast zijn in Het Blauwe Boek, het handboek voor bewindspersonen, richtlijnen opgenomen voor dienstreizen. Hoewel het Ministerie van IenW de afweging dus niet zelf maakt, wijst het bij de aanvraag wel steeds op de implicaties als zo’n aanvraag korte en/of lege vluchten met zich brengt.
Verder is een onderzoek gestart naar de realisatie van een interdepartementale richtlijn, die het gebruik van het regeringsvliegtuig voor korte vluchten en/of positioneringsvluchten reguleert. In samenspraak met betrokken departementen wordt gewerkt aan een kabinetsbreed voorstel hieromtrent.
Zou u het afwegingskader voor vluchten van kabinetsleden inzichtelijk willen maken? Op welke manier worden de gevolgen voor klimaat, milieu, uitstoot en geluidshinder hierin meegenomen en hoe vinden de afwegingen plaats ten opzichte van andere vervoerswijzen?
Een centraal afwegingskader is er niet. Op dit moment ligt de afweging bij elk departement zelf – en dus verschilt dit per departement.
Met het eerder genoemde voorstel wordt voorzien in een interdepartementale richtlijn met afspraken over de afweging voor een vluchtaanvraag. Dit voorstel zal in de komende maanden vorm gaan krijgen. Gevolgen voor klimaat worden in dat voorstel meegewogen, evenals de mogelijkheid om van andere vervoersmodaliteiten gebruik te maken.
Hoe spant het kabinet zich in om vluchten zonder passagiers tegen te gaan?
Er is in Nederland geen landelijk beleid om bepaalde soorten luchtverkeer anders te reguleren dan andere. Er is ook geen wettelijke grondslag voor het verbieden van specifieke vluchten omwille van het milieu. Het beperken van specifieke vluchten is geen onderdeel van het klimaatbeleid voor de luchtvaart. Vanuit het klimaatbeleid is de inzet primair gericht op maatregelen die bijdragen aan de verduurzaming van de luchtvaart. De overheid heeft daarbij geen zeggenschap over vluchten die zonder passagiers vertrekken. Voor zover het gaat om gebruik van het regeringsvliegtuig, verwijs ik u naar het tweede gedeelte van het antwoord op vraag 2.
Welke risico’s en gevolgen ziet u als gevolg van een toename met circa 38 procent van het aantal privévluchten van en naar Nederlandse luchthavens, op het gebied van klimaat en klimaatverandering, milieu, uitstoot, geluidshinder en voor de samenleving? Welke acties koppelt u hieraan?
Het kabinet hecht allereerst veel waarde aan het minimaliseren van de klimaatafdruk van de luchtvaart. Ook voor privévliegtuigen. In de Luchtvaartnota zijn doelen voor verduurzaming van de luchtvaart afgesproken. Om de benodigde CO₂-reductie te realiseren zet IenW in op maatregelen die het meest directe klimaateffect behalen. Het gaat dan om het gebruik van duurzame luchtvaartbrandstoffen (door middel van een EU-bijmengverplichting en nationaal doel), het creëren van technologische innovaties en er wordt onderzoek gedaan naar een CO₂-plafond om de CO₂-doelen te borgen.
Het minder aantrekkelijk maken van specifieke groepen luchtverkeer, zoals privévluchten, is geen onderdeel van de verduurzaming van de luchtvaart.
Zoals genoemd onder vraag 1 wordt in samenwerking met betrokken ministeries de wenselijkheid en mogelijkheden om privévliegtuigen mee te nemen in het klimaatbeleid voor de luchtvaart, met waar nodig aanvullend beleid onderzocht.
Zou u willen reflecteren op de vraag in hoeverre een toename van het aantal privévluchten van en naar Nederlandse luchthavens wenselijk is, gezien de noodzaak tot verduurzaming, de hoge ambities met betrekking tot de aanpak van klimaatverandering en de morele verantwoordelijkheid met betrekking tot rentmeesterschap? Welke acties koppelt u hieraan?
Zie antwoord vraag 5.
Zou u willen reflecteren op de vraag in hoeverre het wenselijk is dat de gehele samenleving de gevolgen op het gebied van onder meer uitstoot en hinder ondervindt, veroorzaakt doordat een zeer beperkte groep sterk bevoorrechte Nederlanders in toenemende mate gebruikmaakt van korte vluchten? Welke verantwoordelijkheden ziet u voor deze groep Nederlanders, zowel voor eigenaren van privéjets als voor mensen die een privéjet huren? Welke acties koppelt u hieraan?
Zie antwoord vraag 5.
Welke mogelijkheden zijn er tot regelgeving en toezicht op nut en noodzaak en het efficiënt inplannen van privévluchten, zowel wat betreft vluchten tussen Nederlandse luchthavens als korte vluchten tussen Nederlandse luchthavens en luchthavens vlak over de grens? Op welke manier worden de gevolgen voor klimaat, milieu, uitstoot en geluidshinder meegenomen in deze regelgeving en dit toezicht, en hoe vinden de afwegingen op deze gebieden plaats, ten opzichte van andere wijzen van vervoer die minder belastend zijn? Ziet u reden tot aanscherping van regelgeving en toezicht, of de handhaving hierop?
Er is geen wettelijke basis om vluchten te beperken op basis van het doel van de vluchten en hierop toezicht te houden. Het ontwikkelen van een juridisch instrument lijkt niet te verenigen met EU-regelgeving op het gebied van vrije markttoegang. Naast de Europese regelgeving op het gebied van vrije markttoegang grijpt dit ook sterk in op het privéleven van de burger. Bovendien is het een praktisch ingewikkeld punt om hiervoor een norm te bepalen en te handhaven: welke vluchten acceptabel zouden zijn op basis van het doel. Mede hierdoor en de argumenten in het antwoord op vraag 5, 6 en 7 ben ik niet voornemens een handhavingsinstrument te ontwikkelen. Ook bij andere modaliteiten schrijft de overheid niet voor welk gebruik geoorloofd is; burgers mogen zelf bepalen wanneer ze de auto of de bus nemen. Wel zet het kabinet zich in om duurzame vervoersvormen te stimuleren, zoals het stimuleren van de trein in plaats van het vliegtuig op de relatief korte afstanden.
Het realiseren van een aanmeldcentrum voor asielzoekers in Bant |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Aanmeldcentrum Bant is van de baan, COA ziet te weinig draagvlak» en «Mogelijk plek voor nareizigers in plaats van aanmeldcentrum in Bant»?1, 2
Ja.
Kunt u uitleggen wat de situatie nu precies is en welke concrete plannen er liggen voor het realiseren van opvang in de gemeente Noordoostpolder? Welke stappen moeten er nog worden gezet en welke knelpunten kunnen nog in de weg zitten voor de komst van opvang?
De situatie is, dat het COA het oorspronkelijke verzoek niet heeft doorgezet omdat in verschillende bijeenkomsten met het college, de gemeenteraad van Noordoostpolder, vertegenwoordigers van dorpsbelangen en omwonenden werd onderstreept dat er al vele jaren draagvlak is om bij te dragen aan de asielopvang in Nederland, maar dat de nieuwe functie op de beoogde plek niet passend is. Het COA heeft in een brief aan het college gevraagd om na te denken over een alternatief. In deze brief is opgenomen dat de bezwaren die lokaal tegen het ingediende plan leven, serieus worden genomen, en dat de gemeente daarom wordt gevraagd na te denken over een ander voorstel. Dit gezien de aanhoudende behoefte voor meerdere aanmeldcentra in het asielsysteem. De gemeente heeft eerder aangegeven bereid te zijn een dergelijk voorstel te doen om daarmee, naast het AZC in Luttelgeest, een additionele bijdrage aan de asielopvang te kunnen leveren.
Inmiddels heeft het gemeentebestuur van Noordoostpolder mij geïnformeerd dat het maandag 10 oktober jl. heeft besloten om een additionele locatie met 300 opvangplekken beschikbaar te willen stellen binnen de gemeente Noordoostpolder en zoekt het in samenwerking met het COA naar een geschikt kavel. De gemeente is in de lead voor de verkenning, participatie en het aandragen van een voorkeurslocatie bij het COA. De gemeenteraad heeft het COA verzocht om de aangekochte kavel in Bant te verkopen. Het COA zal hierover in gesprek gaan met de gemeente. De nieuwe locatie zal naar alle waarschijnlijkheid gaan fungeren als een opvangplek waar nareizende gezinsleden kunnen verblijven in afwachting van een woning bij de referent. Het betreft hier dan geen aanmeldcentrum zoals oorspronkelijk bedoeld.
Wanneer zal de genoemde opvang in Bant in bedrijf worden genomen?
Gezien de dringende noodzaak om Ter Apel te ontlasten is een snelle realisatie van deze voorziening essentieel. Het bestuur van de gemeente Noordoostpolder is zich daarvan bewust.
Waarom denkt u dat er geen draagvlak is voor een aanmeldcentrum maar wel voor de opvang van nareizigers? Hoe beoordeelt u dit onderscheid?
Dat oordeel was in dit geval aan het gemeentebestuur van Noordoostpolder. Ik heb daar in dit geval geen uitgesproken mening over – mede omdat de gemeente al een sinds vele jaren een forse bijdrage levert met het asielzoekerscentrum in Luttelgeest. In algemene zin roep ik gemeenten op om zo min mogelijk doelgroepbeperkingen voor te leggen bij het realiseren van opvanglocaties
Wat is de reden om in te zetten op een opvang voor nareizigers, aangezien nareizigers op dit moment al in Zevenaar terecht kunnen?
In Zevenaar is een proceslocatie voor de ontvangst van nareizigers, maar er is nog steeds behoefte aan meer proces – en opvangcapaciteit voor de nareizigers die in afwachting zijn van een woning bij hun referent.
Zie mijn beantwoording op vraag 4.
Deelt u de mening dat de realisatie van een aanmeldcentrum een hoge urgentie heeft? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik.
Waarom is niet gekozen voor het gebruik van een ruimtelijk instrumentarium zoals een inpassingsplan voor de realisatie van een aanmeldcentrum in Bant?
Er is op dit moment niet gekozen voor het gebruik van een ruimtelijk instrumentarium omdat de gemeente Noordoostpolder al sinds enkele decennia een forse bijdrage levert aan de asielopvang door middel van het AZC Luttelgeest.
Welke stappen zet u nu om alsnog op zeer korte termijn een aanmeldcentrum te realiseren zodat Ter Apel kan worden ontlast?
Ik ben op diverse plaatsen in Nederland in gesprek voor de realisatie van een additioneel aanmeldcentrum.
Op welke termijn verwacht u de Kamer te kunnen informeren over een nieuwe locatie voor een aanmeldcentrum?
Daar kan ik op dit moment geen toezegging over doen omdat dat afhankelijk is van de medewerking van gemeenten.
Wilt u deze vragen zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval voor het commissiedebat vreemdelingen- en asielbeleid van 19 oktober, beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Werkvloer wil nieuw uitstel Omgevingswet’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Werkvloer wil nieuw uitstel Omgevingswet»?1
Ja, dat bericht ken ik.
Wat is uw reactie op de uitkomsten van deze enquête en bent u geschrokken van de uitkomsten?
Ik heb met interesse kennisgenomen van de berichtgeving en de informatie die is opgehaald door Binnenlands Bestuur, in samenwerking met I&O research, bij de opdrachtgevers en afnemers van IAM4 en Tercera. Daarbij is gevraagd naar de werking van het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet) inclusief de lokale software, de software waar de afnemers ook opdrachtgever van zijn. Ik neem alle signalen over de inwerkingtreding van de Omgevingswet serieus. Er wordt gewerkt aan een zorgvuldige voorbereiding, zodat de Omgevingswet verantwoord inwerkingtreding kan treden.
Op verzoek van de Eerste Kamer heb ik in juni 2022 toegezegd3 een enquête onder de bevoegde gezagen te houden om inzicht te geven in de stand van zaken van de uitvoeringspraktijk. Dit onderzoek is uitgevoerd door TwynstraGudde en door de VNG, het IPO, de UvW, de rijkspartijen en de Omgevingsdiensten uitgezet bij hun achterban, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 26 augustus jl. over de toegezegde rapportages en informatie.4 De uitkomsten hiervan zijn mede onderdeel van de voortgangsbrief Omgevingswet die op 14 oktober 2022 aan uw Kamer en de Eerste Kamer is gestuurd. Daarin ga ik zoals toegezegd in op de gehele stand van zaken van de implementatie Omgevingswet.
Deelt u de mening dat het niet verantwoord is om vast te houden aan de invoeringsdatum op 1 januari 2023 nu zoveel direct betrokken gemeenteambtenaren die verantwoordelijk zijn voor de feitelijke uitvoering van de inwerkingtreding en leveranciers van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) vertraging in de woningbouw en een chaos in de dienstverlening aan burgers en bedrijven voorspellen? Zo nee, waarom niet?
Vanuit de uitvoeringspraktijk komen verschillende signalen. Welke dit zijn, hoe het met de achtergrond hiervan zit en wat de gevolgen op de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn, heb ik voor u uiteen gezet in de voortgangsbrief over de implementatie Omgevingswet en de daarbij behorende bijlagen. Deze brief is op 14 oktober aan uw Kamer en de Eerste Kamer gezonden.
Hoe beoordeelt u het feit dat veel respondenten stellen dat het testen van omgevingsplannen en omgevingsvergunningen waarbij meerdere overheden betrokken zijn nog onvoldoende is gebeurd?
In de door u aangehaalde berichtgeving van Binnenlands Bestuur en I&O Research zie ik dit niet een-op-een terug. Het vaststellen van een omgevingsplan gaat als volgt: een omgevingsplan en wijzigingen daarvan worden vastgesteld door de gemeenteraad. Samenwerking met andere overheden zoals de veiligheidsregio’s vindt voorafgaand aan de vaststelling van een ontwerp plaats. Dit proces wordt niet door DSO-LV of de DSO-keten ondersteund. Gemeenten organiseren, net als nu, dit proces zelf.
De afgelopen jaren hebben veel overheden geoefend met omgevingsplannen en vergunningsverlening. Vaak begint dat met eenvoudige casussen, waarna de complexiteit wordt opgebouwd. Daarnaast wordt er in diverse regio’s geoefend met de interbestuurlijke aspecten van de processen. De ambitie is dat dit in elke regio gebeurt. Interbestuurlijk oefenen, ook met het opstellen van omgevingsdocumenten, is vanwege de onderlinge afhankelijkheden, waardevol en nuttig. Ik ben er dan ook voorstander van dat dit nog meer gebeurt.
Hoe beoordeelt u het feit dat veel respondenten stellen niet goed ondersteund te worden en wat is de oorzaak hiervan volgens u?
Helaas bevat het onderzoeksrapport van I&O research geen informatie waaruit kan worden opgemaakt om welke of om hoeveel bevoegde gezagen dit gaat. Ook kan niet worden opgemaakt op welke punten de ondersteuning door deze respondenten als te weinig wordt ervaren. De bestuurlijke partners bieden samen met het interbestuurlijke programma Aan de Slag met de Omgevingswet een zeer ruim ondersteuningsaanbod aan bevoegde gezagen.5 Het is denkbaar dat de bevoegde gezagen waar deze respondenten werken, moeite hebben om hierin hun weg te vinden, keuzes te maken of dat er een verschil is tussen de medewerkers die hierover al wel op de hoogte zijn, aan het oefenen en trainen zijn en welke (nog) niet. Gemeenten die vinden dat zij te weinig ondersteund worden door het interbestuurlijke programma Aan de Slag met de Omgevingswet en VNG kunnen zich uiteraard altijd melden bij hun regionale implementatie ondersteuners (RIO’s) met een verzoek om ondersteuning of om wegwijs te raken. Het is van belang dat de respondenten bij hun werkgever aangeven welke ondersteuning gemist wordt, zodat de ondersteuning met de gemeenten en de RIO’s nader vorm kan worden gegeven en afgestemd kan worden op de behoefte.
Hoe beoordeelt u het feit dat de helft van de respondenten het liefst helemaal af zou zien van invoering van de Omgevingswet?
Een verandering van deze omvang kost tijd en moeite, vooral als de uitvoeringspraktijk onder druk staat. Bijvoorbeeld omdat het moeilijk is om extra mensen te vinden op de krappe arbeidsmarkt. Echter de Omgevingswet zelf is al aangenomen, en daarmee is het afzien van deze wet geen optie. Daarom pleit ik, en velen met mij, voor een duidelijke inwerkingtredingsdatum, zodat iedereen zich hierop kan richten.
Hoe verhoudt zich het feit dat de Omgevingswet – bedacht in een heel ander tijdsgewricht – uitgaat van juist minder regels tot het feit dat door de grote ruimtelijke opgaven in Nederland juist meer regie op de ruimtelijke ontwikkeling nodig is?
De Omgevingswet biedt een stevige normerende basis met ruimte voor maatwerk waar dat nodig is. Vrijwel alle landelijke normen en regels uit het huidige recht hebben een plaats gekregen in het stelsel van de Omgevingswet. Het stelsel bevat normen ter bescherming van de leefomgeving. Die normen komen niet alleen van het Rijk, maar ook van gemeenten, waterschappen en provincies. Veel keuzes over de fysieke leefomgeving zijn een wisselwerking tussen nationaal en decentraal, waarbij een heel aantal keuzes decentraal worden gemaakt. Het gaat in het omgevingsrecht om een goed evenwicht tussen het beschermen en benutten. Dat is vaak een lokale opgave. Dit omdat er verschil is tussen bijvoorbeeld een dorp als Bruinisse en een stad als Rotterdam. Dat komt tot uitdrukking in verschillende regels van de gemeenten in hun bestemmingsplannen, straks omgevingsplannen. Elke situatie is weer anders en dat vergt beslisruimte op lokaal niveau. Je kunt beter beschermen waar dat nodig is, en meer ruimte bieden waar dat kan. Die extra ruimte kan gemeenten helpen om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken, zoals woningbouw en duurzame energie, of om de leefomgeving extra te beschermen. Het Rijk stuurt op de decentrale regels met landelijke instructieregels. Regie en maatwerk zijn dus geen tegenpolen. Maatwerk is ook nodig voor de grote ontwikkelopgaven, zoals woningbouw en duurzame energie. Op terreinen waar het kabinet meer regie wil nemen, biedt de Omgevingswet de basis om nieuwe regels te stellen. Zo kunnen de regels en instrumenten van de Omgevingswet worden benut voor de ambities en opgaven voor de leefomgeving. Overigens zijn de ervaringen met de Crisis- en herstelwet, waaronder een aantal versnellingen, ook onderdeel van de Omgevingswet.
Op welke manier gaat de Omgevingswet helpen bij het nemen van meer regie op de ruimtelijke ontwikkelingen en opgaven?
Conform het coalitieakkoord gaat de regering meer nationale regie voeren op grote ruimtelijke ontwikkelingen die decentrale en nationale belangen raken. Aangegeven is dat het kabinet zich zal inzetten voor een goede ruimtelijke inrichting o.a. voor het beschermen van de natuur, het tegengaan van funderingsproblematiek als gevolg van bodemdaling, het voorkomen van verrommeling en verdozing en de inpassing van de energietransitie. Daartoe wordt de NOVI aangescherpt. Met de Omgevingswet heeft het Rijk instrumentarium om de regie te nemen. Ze kan regels stellen die gelden voor decentrale overheden of die gelden voor iedereen. Als er na inwerkingtreding van de Omgevingswet hier aanpassingen of aanvullende regelingen op gewenst zijn, kan dat. De Omgevingswet draagt bij aan de aanpak van de grote maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat: het aanpakken van diverse problemen en opgaven in de fysieke leefomgeving in onderlinge samenhang is immers het meest effectief.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen twee weken beantwoorden?
Ik heb uw vragen zo snel mogelijk beantwoord, rekening houdend met de uitkomsten van de interbestuurlijke overleggen over de stand van zaken van de implementatie van de Omgevingswet. Graag verwijs ik u tevens naar de voortgangsbrief Implementatie Omgevingswet die op 14 oktober aan uw Kamer en de Eerste Kamer is gezonden.
De door Poetin aangekondigde gedeeltelijke mobilisatie en het Europees verbod op toeristenvisa voor Russen |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kunt u reflecteren op het artikel «Russische Minister Lavrov beschuldigt het Westen van ongekende «russofobie»» van HLN van 24 september 2022?1
De Russische autoriteiten, onder wie Minister Lavrov, gebruiken het begrip «russofobie» in een poging de antiwesterse en nationalistische sentimenten in Rusland aan te wakkeren.
Herinnert u zich dat Poetin de aanval op Oekraïne rechtvaardigde met het verhaal dat Russischtaligen werden gediscrimineerd in Oost-Oekraïne en zelfs van genocide sprak? Aangezien het narratief van «russofobie» het verhaal is dat Poetin gebruikt om medestanders voor zijn oorlog te krijgen, welk effect zou het hebben als de Europese Unie (EU) haar grenzen opent voor de Russische mannen die het land ontvluchten omdat ze niet willen vechten voor Poetin en hen hartelijk verwelkomt?
De Russische media staan onder strikte controle van het Kremlin. Zeker sinds de Russische inval in Oekraïne is het beeld dat de Russische bevolking krijgt zeer gekleurd. Het feit dat Russische mannen het land proberen te verlaten verandert daar niets aan.
EU-lidstaten zijn primair zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van grensbeheer ten aanzien van de gemeenschappelijke buitengrenzen. Met inachtneming van het Unierecht, zoals de Schengengrenscode, bepalen lidstaten dus zelf wie zij toegang geven tot hun grondgebied. Daarbij dienen zij internationale verplichtingen na te leven, waaronder het beginsel van non-refoulement. Het kabinet steunt de in de EU gemaakte afspraak om te komen tot een gezamenlijke aanpak, waarbij zowel de internationale verplichtingen als veiligheidsaspecten in acht worden genomen.
In EU-verband is afgesproken actief te werken aan het tegengaan van Russische desinformatie, waarbij wereldwijd aandacht wordt gevraagd voor de legitieme zelfverdediging van Oekraïne en het belang wordt benadrukt dat landen de grove Russische schending van de soevereiniteit en de territoriale integriteit Oekraïne veroordelen.
Welk effect zullen beelden hebben van vele Russische jonge mannen die dolgelukkig zijn dat ze de EU binnengelaten zijn? Bent u bereid om er bij uw collega’s op aan te dringen om als EU deze kans te benutten om het narratief van Poetin te ontkrachten?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u reflecteren op het item van het Jeugdjournaal over Rusland van zondag 25 september waarbij een Russische studente wordt opgepakt tijdens een interview met de journaliste van het Jeugdjournaal?
Het kabinet heeft grote zorgen om de vrijheid van meningsuiting in Rusland. In zijn mensenrechtenbeleid zet het kabinet zich in voor het bevorderen van de vrijheid van meningsuiting, ook in Rusland.
Bent u het ermee eens dat de Russen in Rusland niet veel tegen Poetin kunnen beginnen vanwege de harde consequenties van verzet?
Het is niet aan het kabinet hierover te speculeren.
Bent u het ermee eens dat elke Rus die het land verlaat niet tegen Oekraïne kan vechten en dat het in dat kader strategisch is om zoveel mogelijk Russische jongemannen te verwelkomen in de EU?
Het kabinet is van mening dat lidstaten zorgvuldig moeten beoordelen of personen die toegang willen tot hun grondgebied voldoen aan de voorwaarden. Dit geldt ook voor Russische staatsburgers. Zoals ook gesteld in antwoord op vraag 2 en 3, dienen bij deze beoordeling de EU-lidstaten zich te houden aan Europese en internationale regelgeving omtrent grensbeheer en waarborgen van fundamentele rechten. Verder, zoals ook eerder gesteld, pleit het kabinet voor een gecoördineerde en gebalanceerde aanpak op Europees niveau, onder leiding van de Europese Commissie, waarbij zowel de internationale verplichtingen als veiligheidsaspecten in acht worden genomen.
Er zijn ook veiligheidsrisico’s verbonden aan het toelaten van grote groepen Russische mannen waarvan niet op voorhand te zeggen is of ze misschien door Poetin tussen de vluchtende massa zijn gezet om bijvoorbeeld in West-Europa aanslagen te plegen, welke ideeën heeft u om de bijkomende veiligheidsrisico’s te mitigeren?
De organisaties die in Nederland verantwoordelijk zijn voor veiligheid, grensbeheer en immigratie zijn alert op signalen van misbruik van de migratiestroom en asielprocedure en op mogelijke veiligheidsrisico’s.
Op de buitengrenzen voeren de Koninklijke Marechaussee (KMar) en politie grenscontroles uit conform EU-regelgeving. Onderdeel daarvan is ook dat derdelanders bevraagd worden in Europese en nationale datasystemen, waaronder het Schengeninformatiesysteem (SIS). Personen die een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid kunnen de toegang tot Nederland en daarmee het Schengengebied worden geweigerd.
Daarnaast zijn alle betrokken organisaties tijdens het asielproces alert op signalen die de nationale veiligheid kunnen raken. Zo zijn de KMar en politie tijdens het identificatie- en registratieproces waakzaam op mogelijke Nationale Veiligheidssignalen en geven zij deze zo nodig door aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of grijpen zelf in. Vervolgens screent de IND asielzoekers op basis van onder andere de informatie uit het identificatie- en registratieproces, het aanmeldgehoor, eventuele informatie van derden en een naslag in sociale media en open bronnen. Deze screening ziet, naast op signalen met betrekking tot nationale veiligheid, ook op signalen die betrekking hebben op internationale misdrijven. Signalen kunnen ook later in het proces worden opgevangen door de organisaties in de keten en worden ook dan doorgegeven aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Indien de AIVD of MIVD een ambtsbericht uitbrengt waarin geconcludeerd wordt dat een persoon een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, kan de IND vreemdelingrechtelijke maatregelen nemen.
Alle getroffen maatregelen binnen de migratieketen laten onverlet dat niet kan worden uitgesloten dat kwaadwillenden via de migratiestroom Europa binnenkomen en daarbij mogelijk ook misbruik van de asielprocedures kunnen maken.
Kunt u reflecteren op het artikel «Deel EU-landen zit met deserterende Russen in de maag» van de NOS van 24 september 2022?2
Het kabinet heeft begrip voor de zorgen van lidstaten aan de grenzen met Rusland op het gebied van veiligheid. Lidstaten zijn primair zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van grensbewaking. Met inachtneming van het Unierecht, zoals de Schengengrenscode bepalen lidstaten dus zelf wie zij toegang tot hun grondgebied geven. Daarbij dienen zij internationale verplichtingen na te leven, waaronder het beginsel van-refoulement. Op Europees niveau is besproken om gezamenlijk te komen tot een gebalanceerde en gecoördineerde aanpak, waarbij zowel internationale verplichtingen als veiligheidsaspecten in acht worden genomen. Het kabinet steunt deze aanpak. De Europese Commissie heeft vervolgens de richtsnoeren ten aanzien van visum- en grensbeleid aangepast, zie ook beantwoording vraag 11.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Van der Burg, heeft gezegd dat Russen die in Nederland aankomen niet worden teruggestuurd en hun asielprocedure mogen afwachten, maar hoe draagt dit bij aan de oplossing zolang de Europese landen aan de grens met Rusland de vluchtende Russen tegenhouden? Bent u het ermee eens dat er een Europese oplossing moet komen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het ermee eens dat de voormalige Sovjetlanden – die bovendien de meeste Oekraïense vluchtelingen opvangen – moeten worden ontzien en dat de Russische vluchtelingen door deze landen heen naar West-Europa moeten worden geloodst om daar opvang te vinden? Hoe kan de EU ervoor zorgen dat de Russische vluchtelingen eerlijk verdeeld worden over West-Europa en is het kabinet bereid hier actief aan mee te werken?
Het klopt dat er ook Russen richting andere buurlanden van Rusland reizen. Deze landen hebben zich niet tot het kabinet gewend met een hulpverzoek.
Bent u bereid om per direct bij uw Europese collega’s te pleiten voor een uitzondering op de opschorting van de visumversoepeling met Rusland voor Russische mannen tussen de 18 en 55 jaar net zoals dat er een uitzondering geldt voor familieleden van Europese burgers, journalisten, dissidenten en vertegenwoordigers van de burgersamenleving?
Het kabinet heeft ingestemd met de recente opschorting van de Visumfacilitatie-overeenkomst tussen de EU en Rusland, wat inhoudt dat alle privileges voor Russische visumaanvragers zijn vervallen en de regels uit de Visumcode weer onverkort van toepassing zijn. Alle mannelijke Russische visumaanvragers van 18–55 hiervan uitzonderen staat haaks op dat standpunt. Daarnaast wordt in de richtsnoeren van 30 september jl. door de Commissie benoemd dat de dienstplicht of dienstweigering op zichzelf onvoldoende reden zijn om op basis van humanitaire gronden een visum te verstrekken (punt 24, iii). Het is wel de inzet van het kabinet om de andere groepen die u noemt conform de EU-visumcode te blijven faciliteren. De visumcode en de richtsnoeren van de Commissie van 30 september jl. bieden hier ruimte voor en benoemen deze groepen expliciet (punt 32). Voor deze groepen blijft het mogelijk de visumleges te verlagen of te laten vervallen.
Dit laat onverlet dat het voor Russische burgers, ook mannen in de leeftijd van 18–55 jaar, mogelijk blijft om een visumaanvraag in te dienen voor Nederland. Wel geldt dat Nederland in Rusland zelf de reguliere visumverlening heeft moeten stilleggen, als gevolg van het besluit van de Russische autoriteiten om de Nederlandse diplomatieke staf uit te wijzen. Buiten Rusland kunnen Russische burgers nog wel een visumaanvraag indienen voor Nederland, mits zij bestendig verblijf hebben in dat derde land. Nederland beoordeelt iedere visumaanvraag op zijn eigen merites, overeenkomst de bepalingen van de Visumcode.
Het bericht ‘Rijkswaterstaat drukt damwanden door in Zwarte Water’ |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Rijkswaterstaat drukt damwanden door in Zwarte Water»?1
Ja.
Klopt het dat Rijkswaterstaat van plan is op vijf plekken langs de oevers van het Zwarte Water tussen Hasselt en Genemuiden stalen damwanden te plaatsen?
Rijkwaterstaat is voornemens om op vier plekken stalen damwanden langs de oevers van het Zwarte Water tussen Hasselt en Genemuiden te plaatsen.
Wat is het doel van de plaatsing van de damwanden?
In het Zwarte Water werkt Rijkswaterstaat aan een opgave van de Kaderrichtlijn Water (KRW), specifiek het verbeteren van de visstand. Dit gebeurt door de aanleg van zogenaamde luwtezones. Een luwtezone is een gebied waar de effecten van de stroming van de rivier en de scheepsvaart (golfwerking en zuiging) wordt teruggebracht. Vissen kunnen in dit rustigere stuk rivier paaien en opgroeien. Om deze luwtezone te realiseren worden damwanden geplaatst.
Welke alternatieve plannen heeft Rijkswaterstaat overwogen om de gebiedskwaliteit te verhogen?
Rijkswaterstaat heeft een analyse van potentiële gebieden gemaakt en verschillende locaties «op land», voor bijvoorbeeld de aanleg van nevengeulen, en «in het water» onderzocht. Op basis van de onderzochte alternatieven bleken de voor- en nadelen van de oplossingen in het water, waaronder het plaatsen van de damwanden bij de vier locaties, de minste nadelige effecten op het gebied te hebben en het meeste bij te dragen aan het verbeteren van de onderwaternatuur, specifiek de visstand. Op twee andere locaties is een oplossing op het land wel mogelijk en wordt deze ook uitgewerkt. Bij Genne Overwaters wordt een 900 meter lange nevengeul aangelegd en bij Langenholte-Holtenbroekerdijk vindt 3,7 kilometer oeveroptimalisatie, natuurontwikkeling en wateropvang plaats, ter verbetering van de visstand.
Klopt het dat grondwaterstromen veranderen door het slaan van damwanden? Wat zijn daarvan de risico’s voor de hooilanden met zeldzame kievitsbloemen langs het Zwarte Water?
Het klopt niet dat de grondwaterstromen veranderen door het slaan van de damwanden. Rijkswaterstaat heeft voor dit project een natuurtoets laten uitvoeren. De natuurtoets is een onderzoek om na te gaan of de natuur in het gebied wordt aangetast door de voorgenomen activiteit. In de natuurtoets wordt geconcludeerd dat de werkzaamheden geen effect hebben op de grondwaterstromen en de hooilanden met kievitsbloemen.
Wat zijn de gevolgen van de plaatsing van damwanden voor de pleziervaart? Klopt het dat damwanden kunnen leiden tot felle golfslag, die gevaarlijk is voor kleinere jachten en kano’s?
De plaatsing van damwanden leidt niet tot felle golfslag en heeft geen gevolgen voor de veiligheid van kleinere jachten of kano’s.
Heeft Rijkswaterstaat voor de plannen een gedegen gebiedsproces doorlopen? Zo ja, kunt u een overzicht geven van de stappen in dat proces?
Rijkswaterstaat heeft een gebiedsproces doorlopen waarbij alle belanghebbende organisaties zijn betrokken, waaronder de gemeente Zwartewaterland, het waterschap Drents-Overijsselse Delta en Staatsbosbeheer. In de periode vanaf juni 2020 zijn meerdere bijeenkomsten geweest om de wensen en eisen van de verschillende betrokken partijen in kaart te brengen en de specifieke locaties te bespreken. Rijkswaterstaat heeft met aanvullende onderzoeken, zoals de rivierkundige berekeningen en bestaande natuurwaarden, haar besluit zorgvuldig onderbouwd. Begin 2022 is het besluit voor het realiseren van de KRW-opgave, met de uiteindelijke locaties bij het Zwarte Water, gepresenteerd aan een grote groep belanghebbenden en geïnteresseerden.
Is Rijkswaterstaat naar uw mening serieus ingegaan op de inhoudelijke bezwaren van Staatsbosbeheer, de gemeente Zwartewaterland, coöperatie IJsseldelta en watersportorganisaties?
Ja, Rijkswaterstaat is in meerdere gesprekken ingegaan op de inhoudelijke bezwaren. Zoals bij vraag 7 geduid zijn alternatieve voorstellen en locaties onderzocht alvorens een besluit is genomen.
Hoe beoordeelt u de handelwijze van Rijkswaterstaat om de plannen niet bij te stellen, door te gaan met de voorbereidingen voor de damwanden en bezwaarmakers te verwijzen naar de bestuursrechter, met name in het licht van het motto «Samenwerken aan riviernatuur»?
Ik ben van mening dat Rijkswaterstaat een afgewogen proces met belanghebbende partijen heeft doorlopen, waarbij de zorgen goed zijn beoordeeld in het komen tot het voorgestelde plan. Het staat partijen uiteraard vrij om van eventuele bezwaar- of beroepsmogelijkheden gebruik te maken.
Het bericht 'Cliënt heeft GGZ vaak niet nodig |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Cliënt heeft GGZ vaak niet nodig»?1
Ja dat ben ik.
Bent u van mening dat een bredere maatschappelijke blik op psychische problemen kan helpen bij het terugdringen van de wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ)? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat ben ik zeker van mening. Zoals ik uw Kamer in mijn brief van 21 oktober jongstleden heb bericht2, ondersteun ik een werkwijze waarin multidisciplinair wordt gekeken naar problemen die mensen hebben. In deze werkwijze wordt vanuit de ggz samengewerkt met het sociaal domein voor gevallen waarin ondersteuning op het gebied van bijvoorbeeld schuldenaanpak of huisvesting nodig of zelfs meer passend is. Met de ggz-sector heb ik in lijn met dat gedachtegoed afspraken gemaakt over mentale gezondheidscentra3 en invoering van het zogenaamde verkennend gesprek. Met betrokken partijen, waaronder de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), heb ik verder afspraken gemaakt om het sociaal domein en de sociale basis te versterken. De afspraak hierbij is om de komende vijf jaar te komen tot een landelijk dekkend netwerk van laagdrempelige steunpunten (zoals herstel- en regiecentra) en digitale lotgenotengroepen. Het doel van de bredere maatschappelijke blik is om mensen beter en sneller te helpen en op den duur kan dat ook bijdragen aan kortere wachttijden in de ggz.
Heeft u zicht op hoe de aanpak van onderliggende sociale problemen waar mensen mee kampen de wachtlijsten in de GGZ zouden kunnen terugdringen? Zo nee, bent u bereid om hier onderzoek naar te doen?
Op basis van wetenschappelijke literatuur weten we dat psychische problemen vaak samengaan met problemen op andere levensgebieden, zoals bijvoorbeeld schulden, wonen en eenzaamheid. Uit de ervaringen met de zogenaamde «netwerkintake» blijkt ook dat naar de ggz doorverwezen cliënten in sommige gevallen beter geholpen zijn met begeleiding of ondersteuning in die andere levensgebieden. Dit betekent dat deze personen niet langer op de wachtlijst
hoeven te staan voor een behandeling in de ggz. De verwachting is daarom ook dat de met de ggz-sector en het sociaal domein afgesproken inzet hierop zal bijdragen aan een reductie van de wachttijden.
In het kader van het Integraal Zorgakkoord (IZA) zullen we de komende periode monitoren welk effect de bovengenoemde maatregelen hebben en hoe deze de wachttijden in de ggz beïnvloeden.
Bent u in gesprek met uw collega Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen om te bezien hoe u gezamenlijk deze problemen kunt aanpakken om voorgenoemde wachtlijsten terug te dringen? Zo nee, bent u bereid om dit te gaan doen?
Zoals ik hierboven heb aangegeven zijn er verschillende initiatieven om de problemen van mensen met psychische problemen in een betere verbinding met het sociaal domein aan te pakken. Daarnaast zet ik mij samen met mijn collega’s van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in om mensen met psychische problemen aan het werk te helpen. Hieraan wordt uitvoering gegeven door middel van de re-integratiemethode Individuele Plaatsing en Steun (IPS) en het project «Hoofdzaak Werk» van het UWV, de VNG, Divosa, werkgeversvereniging AWVN, de Nederlandse ggz en Zorgverzekeraars Nederland. Tenslotte werken VWS en SZW ook samen binnen de Aanpak «Mentale gezondheid: van ons allemaal», die de Staatssecretaris van VWS op 10 juni 2022 aan uw Kamer heeft toegezonden4.
Bent u op de hoogte van initiatieven in de schuldhulpverlening die zich richten op het vergroten van de mentale gezondheid en weerbaarheid van mensen die kampen met schulden? Zo nee, bent u van mening dat een dergelijk programma effect zou kunnen hebben?
Uit diverse onderzoeken blijkt een sterke wisselwerking tussen de fysieke en mentale gezondheid enerzijds en langdurige stress door geldzorgen anderzijds. Ook het recente advies «Van schuld naar schone lei» van de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) bevestigt deze relatie. Mensen met problematische schulden hebben vaker te maken met psychische klachten en/of stoornissen, ze ervaren meer en vaker lichamelijke klachten en beperkingen. Zo heeft circa een vijfde van de mensen met problematische schulden ook problematiek waarvoor zorg in de ggz wordt gezocht. Tegelijkertijd spelen gezondheidsproblemen vaak een cruciale rol bij problematische schulden.
In de schuldhulpverlening is de afgelopen jaren in toenemende mate aandacht voor stress-sensitieve dienstverlening. Hierbij is het doel van de hulpverlening om de ervaren stress bij mensen met schulden te verminderen en mensen stap voor stap de regie over de eigen situatie terug te geven. Een bekend voorbeeld in dit kader is Mobility Mentoring: een brede, integrale aanpak waarin niet alleen wordt gekeken naar iemands financiële situatie, maar ook naar leefgebieden die daarmee samenhangen. Een andere bekende methode binnen de schuldhulpverlening is psycho-educatie: een vorm van voorlichting die cliënten inzicht geeft in hoe stress doorwerkt in hun gedrag. Ook leren cliënten met psycho-educatie hoe ze beter met hun stress kunnen omgaan. Het doel is dat ze uiteindelijk meer grip op hun leven krijgen en minder stress ervaren. Beide methoden zijn voorbeelden van schuldhulpverlening waarbij de negatieve gevolgen van stress vanwege geldzorgen het vertrekpunt zijn voor de wijze waarop de hulp wordt geboden, en waarbij het vergroten van mentale gezondheid en weerbaarheid centraal staan.
Welke stappen zijn u en de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van plan te zetten om ervoor te zorgen dat onderliggende sociale problemen waar patiënten in de GGZ mee kampen worden aangepakt om psychisch lijden te verkleinen?
Zie mijn antwoorden op vraag 4 en 5. Er zijn reeds meerdere initiatieven op het snijvlak van mentale gezondheid en sociale problemen en/of werkgelegenheid.
Welke stappen onderneemt u om mentale weerbaarheid en een preventieve aanpak van psychische gezondheidsproblematiek breder te integreren binnen het zorgveld?
Op 10 juni jl. heeft de Staatssecretaris de Aanpak «Mentale Gezondheid: van ons allemaal» aan uw Kamer aangeboden5. Met deze aanpak wordt ingezet op een beweging voor een mentaal gezond Nederland. Daarnaast zullen de afspraken en maatregelen in het kader van het IZA – bijvoorbeeld die met betrekking tot de inrichting van mentale gezondheidscentra en de brede invoering van het verkennende gesprek – verder uitgewerkt en geïmplementeerd worden. Daarmee zet ik specifiek binnen de ggz de beweging naar de voorkant in en wil ik de focus leggen op het voorkomen van psychische klachten of – indien deze zich toch voordoen – het zo snel mogelijk kijken welke zorg of ondersteuningsbehoefte mensen hebben. Dit moet ertoe gaan leiden dat we de samenwerking tussen zorg en sociaal domein versterken, op een meer integrale wijze naar de problemen van mensen kijken en sneller en meer passende zorg en ondersteuning kunnen bieden.
De brief van 6 juli 2022 inzake de aankondiging van de huis- en hobbydierenlijst |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
![]() |
Klopt het dat u in uw brief aangeeft dat het damhert en het Midden-Europees edelhert niet op de huis- en hobbydierenlijst komen te staan en daarmee ook niet langer voor productie mogen worden gehouden? Bent u zich ervan bewust dat met dit voornemen een hele branche binnen de agrarische sector in Nederland verdwijnt?1
Het damhert en het Midden-Europees edelhert staan inderdaad niet op de voorgenomen huis- en hobbydierenlijst die op 6 juli naar de Tweede Kamer is gestuurd. Op beide hertensoorten zijn risicofactoren van toepassing die vallen in de categorieën gezondheid van de mens, voedselopname, ruimtegebruik/veiligheid en sociaal gedrag. In de Kamerbrief bij de lijst (Kamerstuk 28 286 nr. 1260) is toegelicht dat de huis- en hobbydierenlijst een algemene lijst van toegestane diersoorten is. De productiedierenlijst is een specifieke lijst van toegestane diersoorten. Om een zoogdier voor productie te mogen gebruiken, moet het dier zowel op de huis- en hobbydierenlijst als op de productiedierenlijst staan. Het voorgenomen besluit zal ertoe leiden dat het damhert en het edelhert niet op de huis- en hobbydierlijst staan en dus ook niet meer op de productiedierenlijst. Ik ben mij ervan bewust dat deze branche binnen de agrarische sector in Nederland verdwijnt.
Het gaat hier om een voorgenomen lijst, die in een later stadium formeel bij besluit zal worden vastgesteld. Met het oog op een zorgvuldige besluitvorming heb ik contact met belanghebbenden over het voorgenomen besluit. Met de hertensector voer ik overleg over de mogelijke gevolgen van de invoering van de lijst en de mogelijke oplossingen voor eventuele onevenredige gevolgen.
Bent u zich ervan bewust dat met de door u voorgestelde huis- en hobbydierenlijst ook de hertenparken en de herten op kinderboerderijen in Nederland verdwijnen?
Ik ben mij ervan bewust dat de voorgestelde lijst gevolgen heeft voor de hertenparken en herten op kinderboerderijen in Nederland. Ik kijk samen met vertegenwoordigers van deze organisaties naar een verantwoorde manier om de overgang naar de nieuwe situatie vorm te geven.
Kunt u bevestigen dat u vóór het versturen van uw Kamerbrief nog geen contact hebt gehad met de Nederlandse (commerciële) hertenhouderij sector en uitleggen waarom dit contact er niet is geweest?
Dit klopt. Gezien de gevoeligheid van het onderwerp is ervoor gekozen om voorafgaand aan het versturen van de Kamerbrief de belanghebbende partijen niet te informeren, maar het gesprek aan te gaan na het versturen van de brief. Het gesprek met de verschillende belanghebbende partijen is inmiddels op gang.
Wat is de reden dat u in uw brief geen aandacht besteedt aan het feit dat de Nederlandse hertenhouderijsector met uw voorstel komt te verdwijnen? Wat vindt u van de zorgen van deze sector over de gevolgen en het financiële nadeel van uw voorstel en wat gaat u met deze zorgen doen?
In de brief is aangegeven dat de lijst gevolgen heeft voor het houden van herten, in het bijzonder voor het houden van herten als productiedier. Ik begrijp de zorgen van deze sector. In de brief van 6 juli is aangegeven dat ik in gesprek ga met de betrokkenen en dat ik in het overgangsrecht rekening houd met de grote gevolgen van deze verandering. Dit gesprek is inmiddels op gang gekomen.
Realiseert u zich dat er in Nederland een significante vraag naar hertenvlees bestaat en dat, bij beëindiging van de Nederlandse hertenhouderij, in deze vraag moet worden voorzien door import uit het buitenland? Hoe ziet u dat in het licht van dat de dierenwelzijnsomstandigheden bij hertenhouders in het buitenland niet gecontroleerd kunnen worden en de toename van het aantal transportbewegingen haaks staat op de klimaatdoelstellingen van Nederland?
De invoering van een goed onderbouwde huis- en hobbydierenlijst is een belangrijke stap, hierbij staat het dierenwelzijn en de veiligheid van de mens voorop. Ik realiseer mij dat de invoering van de lijst gevolgen kan hebben, ook voor de hertenhouderij.
Bent u zich ervan bewust dat de Nederlandse hertenhouderij een extensieve bedrijfstak is, die zich zeer goed leent voor natuurinclusieve- en kringlooplandbouw? Heeft u gekeken naar de mogelijkheden om de Nederlandse hertenhouderij in te zetten om de natuur, klimaat- en stikstofopgaven voor Nederland te behalen?
Voor het samenstellen van de huis- en hobbydierenlijst is gekeken naar riscofactoren voor het dierenwelzijn en de veiligheid van de mens. Bij het opstellen van de lijst is geen rekening gehouden met opgaven op het gebied van natuur, klimaat, water en stikstof. In het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en de gebiedsprogramma’s zal moet blijken welke (agrarische) activiteiten op welke plek kunnen plaatsvinden en wat de mogelijkheden zijn voor verschillende vormen van landbouw zoals extensieve, natuurinclusieve landbouw. Naast de opgaven in het gebied is dit ook afhankelijk van de persoonlijke voorkeuren van de betreffende boer. Hierbij moet tevens rekening worden gehouden dat alle dieren, dus ook herten, zorgen voor emissies.
Klopt het dat het rapport «hertenhouderij» dat in april is opgeleverd door het het Expertisecentrum van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit niet bij de vaststelling en beoordeling van de huis- en hobbydierenlijst is gebruikt? Kunt u uitleggen waarom niet?2
Dit klopt. De beoordeling van de diersoorten voor de huis- en hobbydierenlijst is gedaan door het onafhankelijke wetenschappelijke Adviescollege huis- en hobbydierenlijst. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van een toetsingskader dat is ontwikkeld door de Wetenschappelijke adviescommissie positieflijst, bestaande uit onafhankelijke wetenschappers. Het toetsingskader gaat uit van risicofactoren voor dierenwelzijn en gevaar voor de mens.
Bij de beoordeling van de diersoorten is gebruik gemaakt van wetenschappelijke bronnen. Dit maakt dat de lijst een gedegen wetenschappelijke onderbouwing heeft. Het rapport uit 2002 dat u aanhaalt, brengt de Nederlandse hertenhouderij in kaart. Zoals aangegeven gaat de risicobeoordeling uit van eigenschappen en behoeften van het dier en niet de mogelijkheden om hiermee om te gaan in de houderij.
Bent u zich ervan bewust dat de commerciële Nederlandse hertenhouderijsector dieren houdt waarmee meerdere decennia is gefokt en die zijn geselecteerd op makkelijke omgang met de mens en vleesproductie?
Ja.
Kunt u uitleggen waarom het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst bij de beoordeling van het damhert en het Midden-Europees edelhert enkel de «wilde variant» heeft betrokken, terwijl er in Nederland in de afgelopen 25 jaar een algemene praktijk is ontstaan bij de Nederlandse commerciële hertenhouders, de gemeentelijke- en private hertenparken en de kinderboerderijen waardoor de kenmerken van de gehouden dieren niet meer zijn te vergelijken met de «wilde variant»?
Het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst heeft de beoordeling gebaseerd op wetenschappelijke bronnen. Wanneer er geen bewijs werd gevonden voor de domesticatie van gehouden populaties van de soort, heeft het Adviescollege alleen de wilde voorouder beoordeeld. Bij de hertensoorten die zijn beoordeeld heeft het Adviescollege geen bewijs gevonden van domesticatie en is dus de wilde voorouder beoordeeld.
Bent u zich ervan bewust dat de bedrijfsmatige hertenhouderij in Nederland inmiddels dermate ver gevorderd is dat Skal-certificering, met bijbehorende randvoorwaarden en voorschriften, mogelijk is?3
Ja.
Waarom heeft u het advies, van het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst, om te overwegen in hoeverre de regelgeving voor de huis- en hobbydierenlijst gebruik zou kunnen maken van een systeem van houderijvoorschriften, waarbij het houden van bepaalde (gedomesticeerde) diersoorten is toegestaan mits aan enkele belangrijke houderijvoorwaarden wordt voldaan, naast u neergelegd? Waarom gaat u in uw Kamerbrief niet op dit advies in? Kunt u uitleggen waarom u dit advies naast u neerlegt, terwijl dit mogelijk een oplossing zou kunnen bieden waarbij de Nederlandse hertenhouderij niet ophoudt te bestaan?
Het Adviescollege adviseert om te overwegen houderijvoorschriften toe te voegen, voor het houden van diersoorten die op de lijst staan. De hertensoorten waar deze Kamervragen over gaan, staan overeenkomstig het advies, niet op die lijst. Het advies om houderijvoorschriften toe te voegen, is dus niet van toepassing op deze diersoorten.
Ik zie het invoeren van de lijst als een eerste stap. Het invoeren van houderijvoorschriften voor diersoorten die op de lijst staan is een mogelijke volgende stap. Deze houderijvoorschriften bestaan deels al en zijn opgenomen in het Besluit houders van dieren. Ik bezie nog of ik meer gedetailleerde houderijvoorschriften invoer voor diersoorten die op de lijst staan.
Waarom heeft het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst bij de beoordeling van de afzonderlijke soorten nadrukkelijk geen oordeel gegeven over de aard en omvang van kennis, kunde, middelen en gemak waarmee voorzieningen, die tegemoetkomen aan de verschillende risicofactoren, zijn te realiseren?
Er is eerder geprobeerd om een lijst te maken en in te voeren. In 2015 is een lijst vastgesteld. Bij de totstandkoming was er meer ruimte voor het meewegen van onder andere kennis en kunde van de houder. In 2017 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) geoordeeld over de wijze waarop diersoorten werden beoordeeld voor plaatsing op de lijst. Het CBb oordeelde dat de besluitvorming niet voldeed aan het Europeesrechtelijke vereiste van wetenschappelijke objectiviteit en dat niet was voldaan aan de beginselen van deskundigheid en transparantie.
Het Adviescollege heeft van het Ministerie van LNV de opdracht gekregen om de zoogdiersoorten te beoordelen op hun geschiktheid om in Nederland te houden. De eigenschappen en behoeften van het dier zijn hierbij het uitgangspunt, en niet de mogelijkheden die een houder heeft om hiermee om te gaan.
Het uitgangspunt van het dierenwelzijnsbeleid en ook van de huis- en hobbydierenlijst, is dat het welzijn van dieren voorop staat en dat de veiligheid van mensen wordt beschermd. Uit de wetenschappelijke beoordeling van de zoogdiersoorten blijkt dat er aanzienlijke risico’s zijn voor het dierenwelzijn en de veiligheid van de mens wanneer de dieren gehouden worden die niet op de lijst worden geplaatst. Het feit dat er mensen zijn die zich volop inzetten om goed voor dieren te zorgen die niet op de lijst staan, weegt niet op tegen de risico’s die er zijn wanneer eenieder deze dieren zou mogen houden.
Bent u van mening dat de overweging, voldoende wetenschappelijk onderbouwd, het standpunt kan dragen dat het damhert en het edelhert een reëel gevaar vormen voor de gezondheid van de mens, ondanks dat niet is gekeken naar mogelijkheden en voorzieningen om de risicofactor te beperken?
Ja.
Bent u van mening dat, ook gelet op de vragen 8 tot en met 13, de gevolgen van de door u voorgestelde huis- en hobbydierenlijst voor de Nederlandse hertenhouderij niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is om de belangen van de bescherming van de eerbiediging van het dierenwelzijn, de bescherming van de gezondheid en het leven van personen en dieren en de bescherming van het milieu te waarborgen en daarmee in overeenstemming zijn met het Andibel-arrest?4
Ja, de voorgestelde lijst is noodzakelijk en gaat niet verder dan nodig is en is dus in overeenstemming met de criteria van het Andibelarrest. Waar er in concrete gevallen toch sprake zou kunnen zijn van een onevenredige gevolg voor betrokkenen, zal worden voorzien in een overgangsregime dat recht doet aan de belangen van betrokkenen.
Bent u bekend met het Andibel-arrest waarin door het Hof van Justitie van de EU is bepaald dat het houden van dieren enkel mag worden beperkt uit oogpunt van de bescherming of de eerbiediging van het dierenwelzijn, de bescherming van de gezondheid en het leven van personen en dieren en de bescherming van het milieu? Kunt u uitleggen waarom paarden en honden, die vaker letselschade veroorzaken dan dam- en edelherten, wel op de huis- en hobbydierenlijst komen te staan, maar dam- en edelherten niet? Dit terwijl de belangrijkste risicofactor voor dam- en edelherten de kans op letselschade is?
Ik ben bekend met het Andibel-arrest. Een onderscheid tussen paarden en honden enerzijds, en dam- en edelherten anderzijds, zit in de mate van domesticatie. Bij paarden en honden is domesticatie wel vastgesteld, bij dam- en edelherten niet. In het advies vindt u hier een nadere toelichting op.
Erkent u dat er onder meer in Hongarije, Spanje, Denemarken en Duitsland edel- en damherten bedrijfsmatig worden gehouden? Kunt u uitleggen en onderbouwen waarom u van mening bent dat in Nederland edel- en damherten, anders dan in andere Europese landen, niet mogen worden gehouden en dat daarmee het handelsverkeer tussen lidstaten niet onterecht wordt belemmerd?
Ik weet dat in andere landen edel- en damherten bedrijfsmatig worden gehouden. EU-lidstaten mogen lijsten van toegestane diersoorten vaststellen, in het belang van dierenwelzijn, bescherming van de gezondheid en het leven van mens en dier en het gevaar van invasieve exoten. Nederland maakt gebruik van deze mogelijkheid. In de Wet dieren is een opdracht aan de regering opgenomen om de lijst vast te stellen, dit gebeurt in het belang van het dierenwelzijn en de veiligheid voor de mens, op basis van wetenschappelijk onderbouwde gronden.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat «Dieren in de veehouderij» op 19 oktober beantwoorden?
Ja, in de zin dat ik de vragen heb beantwoord voor het verplaatste commissiedebat «Dieren in de veehouder», van 10 november.
De regels voor het beginnen van een energiebedrijf en het toezicht op kleine energiebedrijven door de ACM |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «stalkend callcenter krijgt vergunning en is nu ook energieleverancier»?1
Ja.
Klopt het dat een energiebedrijf in Nederland zeer gemakkelijk een leveringsvergunning van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) kan bemachtigen en dat de kosten voor een vergunning voor het leveren van gas en elektriciteit aan kleingebruikers nog geen € 2.500 bedragen?
Een bedrijf dat een vergunning voor levering van energie van de ACM wil krijgen, moet daarvoor een uitgebreide procedure doorlopen waarbij de aanvrager dient aan te tonen dat hij beschikt over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten voor een goede uitvoering van zijn taak als energieleverancier. De aanvrager moet onder andere zijn administratieve organisatie en interne controle door een accountant laten beoordelen. Verder moet hij alle bewijzen overleggen dat hij op juiste wijze zijn inkoop en verkoop ingericht heeft en op betrouwbare wijze kan leveren.2
Wanneer de ACM de aanvraag positief beoordeelt, wordt de vergunning verleend en moet de aanvrager hiervoor betalen. De kosten zijn 1.647 euro per vergunning. Dus voor een vergunning voor de levering van zowel gas en elektriciteit is het bedrag 3.294 euro. De hoogte van dit bedrag is in 2011 vastgesteld in de Regeling Kostenverhaal Energie, op basis van de destijds besteedde uren door de toenmalige Nederlandse Mededingingsautoriteit aan een vergunningaanvraag.3 De ACM heeft mij in het kader van de lagere regelgeving onder de Energiewet, gevraagd om niet pas voor een verleende vergunning, maar reeds bij het in behandeling nemen van een aanvraag, kosten in rekening te mogen brengen. Ik ben van plan dit verzoek op te volgen en zal daarbij ook bezien of de hoogte van het bedrag moet worden bijgesteld op basis van het aantal uren dat hiervoor momenteel nodig is.
De huidige situatie op de energiemarkt is uitzonderlijk, zeker in deze tijd moeten de consumenten beter worden beschermd en moeten zij kunnen vertrouwen op hun leverancier. Verreweg het grootste deel van de faillissementen die vorig jaar hebben plaatsgevonden, werd veroorzaakt doordat niet alle leveranciers in hun bedrijfsvoering waren voorbereid op de stijgende energieprijzen, met grote nadelige gevolgen voor consumenten. Naar aanleiding van de faillissementen die vorig jaar hebben plaatsgevonden, heb ik een onderzoek laten uitvoeren naar het aanscherpen van de eisen met betrekking tot de vergunningverlening en het toezicht op energieleveranciers. Uit het onderzoek bleek dat de vereisten aan leveranciers bij de vergunningverlening en het toezicht aangescherpt konden worden. Zoals aangekondigd in mijn brief van 20 september 2022 (Kamerstuk 29 023, nr. 347), is het toetsingskader voor de vergunningverlening en het toezicht op energieleveranciers aangescherpt. De daartoe aangekondigde Beleidsregels zijn inmiddels vastgesteld door ACM en mijzelf. Maandag 3 oktober 2022 zijn de Beleidsregels gepubliceerd en ze zijn van kracht met ingang van 4 oktober 2022.4
Klopt het tevens dat het zelfs mogelijk is om zonder een leveringsvergunning de energiemarkt te betreden door mee te liften op de leveringsvergunning van een ander bedrijf door middel van het zogenaamde wederverkoop van energie aan kleinverbruikers?
Het is mogelijk om als wederverkoper (tussenpersoon) leveringscontracten aan kleinverbruikers aan te bieden. De wederverkoper handelt dan als bemiddelaar in naam van de opdrachtgever (de vergunninghoudende energieleverancier). In het contract dat hij namens de energieleverancier aan de kleinverbruiker aanbiedt, moet vervolgens de naam van de achterliggende leverancier, – de leverancier die de vergunning houdt-, vermeld staan als contracterende partij.
De leveringsovereenkomst komt tot stand tussen deze leverancier en de kleinverbruiker. Deze leverancier blijft te allen tijde aansprakelijk voor het handelen van de wederverkoper. De vergunninghoudende leverancier blijft ook in de constructie van wederverkoop verplicht zich aan de daartoe geldende wettelijke regels voor het aanbieden van leveringscontracten van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers te houden. De kleinverbruiker kan de leverancier daar op aanspreken. In de bemiddelingsovereenkomst tussen de leverancier en de wederverkoper dient geborgd te zijn dat de wederverkoper zich houdt aan de verplichtingen waar de leverancier aan onderworpen is bij het aangaan van leveringsovereenkomsten. De ACM houdt toezicht op het handelen van leveranciers bij het aangaan van contracten met kleinverbruikers en – in het verlengde daarvan – de wijze waarop leveranciers hun wederverkopers aanspreken op het rechtmatig handelen bij het aangaan van leveringsovereenkomsten.
Is het juist dat de verantwoordelijkheid om te controleren of een wederverkoper zonder vergunning zich aan de eisen voor een fatsoenlijke energieleverancier houdt niet bij de ACM ligt maar bij degene op wiens vergunning de energie wordt (weder) verkocht?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat deze praktijk waarbij kleine energiebedrijven meeliften op de vergunning van een ander bedrijf onwenselijk is als daarmee de mogelijkheid om de markt goed te controleren vrijwel onmogelijk wordt? Welke stappen neemt u om de ACM in staat te stellen om energiebedrijven die opereren op de vergunning van een ander beter te controleren?
Ik vind het van groot belang dat zowel de leverancier als de wederverkoper zich aan de wettelijke regels houden die gelden voor het aanbieden van leveringscontracten aan kleinverbruikers. De ACM heeft afgelopen voorjaar leveranciers in haar brief aan de sector gevraagd te melden met welke wederverkopers zij contracten hebben. Wederverkopers zijn verplicht duidelijk te communiceren over namens welke energieleverancier zij contracten afsluiten. Daarnaast kan de ACM bij vergunningverlening en in het doorlopende toezicht inzicht vragen in de contracten die leveranciers met wederverkopers sluiten. Omdat het contract dat de kleinverbruiker sluit tot stand komt met de energieleverancier, is de leverancier daar volledig op aan te spreken.
De ACM houdt toezicht op het handelen van de leveranciers, de kleinverbruiker kan de leverancier die zich niet aan de regels houdt voor de rechter dagen. Wederverkopers dienen zelf duidelijk te vermelden dat zij namens een energieleverancier verkopen. Ook de regels rondom klantenwerving, contracten, facturering en klachtenafhandeling zijn op wederverkopers van toepassing.
Is het meeliften op de vergunning van een ander ook in andere Europese lidstaten mogelijk? Zo ja, hoe is daar de controle geregeld?
De praktijk dat een leverancier voor het aangaan van leveringsovereenkomsten gebruik maakt van wederverkopers is uiteraard niet beperkt tot Nederland. Voor Nederland gelden voor deze situatie generieke voorschriften over de bemiddelingsovereenkomst uit het Burgerlijk Wetboek. Bij een bemiddelingsovereenkomst verbindt de ene partij (opdrachtnemer) zich tegenover de andere partij (opdrachtgever) tegen loon als tussenpersoon werkzaam te zijn bij het tot stand brengen van een of meer overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden. Deze regels zijn in Nederland opgenomen in boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (afdeling 7.7.3). In de beantwoording van de vragen 3 en 4 ben ik reeds ingegaan op de controle/afdwingbaarheid van deze voorschriften. Er zijn geen EU-regels die specifieke regels stellen over het leveren van energie aan consumenten door wederverkopers.
Welke maatschappelijke waarde heeft de praktijk waarbij kleine energiebedrijven meeliften op de vergunning van een ander bedrijf überhaupt?
Op de energiemarkt zijn diverse partijen actief. Voor partijen die elektriciteit en gas aan kleinverbruikers willen leveren, is een vergunning verplicht. Het staat vergunninghoudende partijen vrij om wederverkopers voor hen te laten optreden en daartoe bemiddelingsovereenkomsten te sluiten. Wederverkopers kunnen diverse redenen hebben om geen leveringsvergunning aan te vragen. Het kan een keuze zijn van een partij die energie opwekt, het niet zelf te willen verkopen. Ook kan het zijn dat een wederverkoper zijn diensten enkel in een bepaalde regio aan eindafnemers wil aanbieden, hetgeen onder een leveringsvergunning niet mogelijk is. Omdat wederverkopers een contract sluiten in naam van de vergunninghoudende leverancier geldt het contract als een overeenkomst met deze leverancier en gelden de gebruikelijke regels bij deze overeenkomsten.
Kunt u reageren op de in het artikel van Follow the Money genoemde casus van Allround Holland Energie? Hoe kan het dat dit bedrijf volgens de ACM beschikt over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten en er sprake is van een goede interne klachtenprocedure, terwijl er honderden klachten over het bedrijf zijn en er door veel consumenten wordt geklaagd over de onbereikbaarheid van het bedrijf?
Bij de vergunningaanvraag van Allround Holland Energie B.V. heeft de ACM getoetst of de aanvrager beschikt over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten. Hier heeft zij aan voldaan en zij heeft een vergunning gekregen van de ACM. Een vergunninghoudende energieleverancier moet blijvend voldoen aan genoemde vergunningvereisten. Hier houdt de ACM toezicht op. Wanneer de ACM signalen ontvangt over een vergunninghoudende energieleverancier, kan dit aanleiding zijn voor een onderzoek. De ACM kan echter in algemene zin niet aangeven of er momenteel een onderzoek loopt, omdat dit een eventueel onderzoek kan schaden.
Kunt u tevens reageren op de langlopende contracten met een flexibel tarief die door het onder Allround Holland Energie vallende energiebedrijf Hollandse Energie Maatschappij (HEM) aan zakelijke klanten worden aangeboden? Is het aanbieden van langjarige contracten met een flexibel tarief toegestaan? Welke mogelijkheden heeft de ACM om hier tegen op te treden?
Het is geen gangbaar contract. Wanneer een overeenkomst voor bepaalde duur, dus met vaste looptijd, aan kleinverbruikers wordt aangeboden, gebeurt dit in de regel tegen een vast tarief. Als de prijs variabel is maar de looptijd vooraf is vastgelegd en er daarom sprake is van een opzegvergoeding, lijken de risico’s bij prijsstijgingen vooral bij de afnemer te liggen. Voor zover HEM levert aan (zakelijke) kleinverbruikers, moet zij zich houden aan de wettelijke regels die van toepassing zijn op leveringscontracten. Deze gelden ook voor contracten voor bepaalde duur met een flexibel tarief. Het is voor een leverancier niet toegestaan om kleinverbruikers op zodanige wijze te benaderen, dat onduidelijkheid bestaat over het feit dat een contract is afgesloten, de duur van het contract, de voorwaarden voor verlenging en beëindiging van het contract, het bestaan van een recht van opzegging en de voorwaarden van opzegging. Ook dienen de voorwaarden en tarieven van een dergelijk contract redelijk te zijn.
Welke mogelijkheden hebben klanten die een dergelijk contract hebben om daar vanaf te komen zonder een torenhoge boete te moeten betalen?
Kleinverbruikers kunnen hun contract te allen tijde opzeggen, mits zij hierbij een opzegtermijn van 30 dagen hanteren. Dit geldt ook ingeval een leverancier het tarief wijzigt. De leverancier mag als een contract met bepaalde duur vroegtijdig wordt opgezegd een opzegvergoeding vragen. ACM heeft in de Richtsnoeren Redelijke Opzegvergoedingen (ROVER) vastgelegd wat zij onder een redelijke opzegvergoeding verstaat. De opzegvergoeding moet dan wel duidelijk in de overeenkomst zijn opgenomen en van tevoren duidelijk aan de afnemer zijn medegedeeld. Conform ROVER, is het mogelijk om aan een klein zakelijke kleinverbruiker een opzegvergoeding te vragen, ter hoogte van maximaal 15% van de resterende (verwachte) waarde van de overeenkomst.
Bij een contract met een vaste looptijd en met variabele tarieven, is het heel bepalend voor de uiteindelijk te betalen opzegvergoeding, hoe die 15% bepaald wordt. Dit leidt tot grote onzekerheid voor de klant. Deze onzekerheid over een mogelijk fikse opzegvergoeding lijkt niet op te wegen tegen de zekerheid dat de leverancier de opzegvergoeding kan toepassen over de gehele looptijd van de overeenkomst. De rechtvaardigheid van een dergelijke opzegvergoeding kan civielrechtelijk worden getoetst.
Momenteel werkt de ACM aan het aanpassen van de ROVER, de aangepaste richtsnoeren liggen ter consultatie voor en treden naar verwachting op 1 januari 2023 in werking. Ik zal hierbij aangeven dat ik een opzegvergoeding voor contracten met een variabel tarief en bepaalde tijd voor kleinverbruikers onwenselijk vind, vanwege de scheve risicoverdeling en beperkte voordelen voor de consument. Zelfs als een leverancier bij dergelijke contracten recht heeft bij het voortijdig opzeggen door de kleinverbruiker een opzegvergoeding te vragen, vraag ik me af of – gezien de huidige marktomstandigheden – een dergelijke voorwaarde in het contract wel als redelijk kan worden aangemerkt. Het is onder de huidige regels nog aan de rechter daarover te oordelen. Ik meen dat een leverancier nu oog moet hebben voor de kwetsbare positie van kleinverbruikers en dat hierin het belang van redelijkheid voorop moet staan.
Kunt u aangeven welke maatregelen u neemt om praktijken zoals hier boven geschetst aan banden te leggen en consumenten beter te beschermen? Welke extra eisen wilt u bijvoorbeeld stellen voor energieleverancier, wederverkopers en bestuurders en aandeelhouders van energiebedrijven? Op welke termijn denkt u deze maatregelen te kunnen nemen?
Het aanscherpen van toezicht op leveranciers en het stellen van extra eisen is hard nodig en heeft mijn volle aandacht. Zo heb ik dit najaar hiervoor aangescherpte beleidsregels in het kader van vergunningverlening vastgesteld en heeft de ACM het toezicht op energieleveranciers aangescherpt. Deze beleidsregels zijn inmiddels in werking getreden. Verdere aanscherping wordt uitgewerkt onder de Energiewet. Het is de ACM die aanvragen van vergunningen beoordeelt en toezicht houdt op vergunninghouders, ook op vergunninghouders die via wederverkopers energiecontracten sluiten. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, worden de eisen die gesteld zijn aan de vergunningsaanvraag en het toezicht op leveranciers, aangescherpt. Zoals ik uw Kamer reeds gemeld heb in het Vragenuur van 27 september, is in het concept wetsvoorstel voor de Energiewet een extra benodigde kwaliteit van «deskundigheid» voor vergunninghoudende leveranciers opgenomen en krijgt de ACM de mogelijkheid gebruik te maken van de Wet Bibob bij het toezicht op vergunninghoudende leveranciers. Ik ben van mening dat deze aanscherpingen leiden tot beter toezicht, waardoor de consument beter wordt beschermd.
Het bericht 'Krappe roosters en mondige patiënten: steeds drukker op huisartsenposten in Overijssel' |
|
Corinne Ellemeet (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Krappe roosters en mondige patiënten: steeds drukker op huisartsenposten in Overijssel»?1
Bent u het eens dat het huisartsentekort al een langer lopend probleem is, dat enkel groter is geworden de afgelopen jaren?
Wat ziet u als de belangrijkste oorzaken voor de druk op de huisartsenzorg?
Welke stappen heeft u ondernomen om de druk op huisartsen te verminderen?
Wie is volgens u verantwoordelijk om het huisartsentekort op te lossen?
Welke rol ziet u hierbij voor uw ministerie, voor de zorgverzekeraars, voor de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), voor de gemeenten en voor huisartsen zelf?
Klopt het dat volgens de nieuwe handreiking Gemeentelijke Opvang Oekraïners (uit augustus 2022), de gemeente waar de opvanglocatie is gevestigd, «afspraken dient te maken met lokale huisartsen en huisartsenposten over de zorg aan ontheemden uit Oekraïne, en zorg dient te dragen voor randvoorwaarden om huisartsenzorg goed te kunnen leveren»?
Bent u bekend met het probleem dat er gemeenten zijn waar huisartsen weigeren mee te werken aan het leveren van zorg voor Oekraïners, omdat de huisartsenpraktijken vol zitten en zij er niet een grote groep patiënten bij willen krijgen?
Hoe moet in die gevallen de eerstelijnszorg georganiseerd worden? Wie heeft daarin welke verantwoordelijkheid?
Bent u bereid een oplossing te bieden aan de gemeenten/regio’s waar huisartsenpraktijken uit de buurt geen zorg aan Oekraïners willen/kunnen leveren?
De dood van Mahsa Amini en de protesten in Iran |
|
Hatte van der Woude (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de afschuwelijke dood van de Iraanse vrouw Mahsa Amini, die werd opgepakt omdat ze zich niet hield aan de Iraanse regels voor vrouwen m.b.t. hoofdbedekking?
Ja.
Wat is uw oordeel over de dood van Mahsa Amini, het hardhandig optreden van de religieuze politie, en het gewelddadig neerslaan van de protesten? Bent u het eens dat Nederland dit in de meest krachtige termen moet veroordelen?
Nederland heeft ernstige zorgen over het geweld dat de autoriteiten gebruiken tegen demonstranten. Nederland heeft het geweld van de Iraanse veiligheidsdiensten bij de (pogingen tot) beëindiging van de vreedzame protesten sterk veroordeeld en Iran – zowel in bilateraal als in multilateraal verband – meermaals opgeroepen om het recht op vreedzaam protest te respecteren. Burgers hebben immers het recht om te demonstreren voor vrouwenrechten en andere mensenrechten. Ik heb dit zelf opgebracht bij de Iraanse Minister van Buitenlandse Zaken in een gesprek tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York, waarbij ik tevens expliciet heb benadrukt dat vrouwenrechten mensenrechten zijn en gerespecteerd moeten worden, net als het recht op vreedzaam protest. Diezelfde boodschappen zijn ook in heldere bewoordingen overgebracht in gesprekken op hoog-ambtelijk niveau met de Iraanse Ambassadeur in Den Haag als ook door de Nederlandse Ambassadeur in Iran in zijn gesprekken met de Iraanse autoriteiten aldaar. Iran is daarnaast onderwerp van discussie geweest in de Mensenrechtenraad en daarover is een breed gesteunde verklaring uitgebracht. Nederland heeft zich tevens in een nationale verklaring in de Mensenrechtenraad uitgesproken. Voorts heeft de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur zich samen met haar Europese collega’s uitgesproken tegen de Mensenrechtenschendingen in Iran (PM).
Bent u bereid om de Iraanse ambassadeur in Nederland te ontbieden om deze boodschap nogmaals over te brengen, zeker nu de protesten voortduren en dagelijks hardhandig worden neergeslagen?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Nederland heeft bij herhaling grote bezorgdheid uitgesproken richting de Iraanse autoriteiten over de huidige situatie in Iran. Zo heeft Nederland er reeds bij de Iraanse ambassadeur in Den Haag op aangedrongen dat de Iraanse autoriteiten het recht op vreedzaam protest moeten respecteren. Daarnaast heb ik zelf ook direct bij de Iraanse Minister van Buitenlandse Zaken het belang van het recht op vreedzaam protest benadrukt.
Deelt u de mening dat er een onafhankelijk onderzoek moet plaatsvinden naar de dood van Mahsa Amini en het neerslaan van de protesten? Welke internationale organisatie acht u hiervoor het meest geschikt? Bent u bereid om hiervoor binnen de Verenigde Naties (VN) te pleiten?
Ik heb de Iraanse autoriteiten opgeroepen om een gedegen en onpartijdig onderzoek in te stellen naar de dood van Mahsa Amini. Deze boodschap heb ik gedeeld in mijn gesprek met de Iraanse Minister van Buitenlandse Zaken tijdens de AVVN in New York en sindsdien ook publiekelijk herhaald. Diezelfde boodschap is tevens in heldere bewoordingen kenbaar gemaakt in gesprekken op hoog-ambtelijk niveau met de Iraanse Ambassadeur in Den Haag als ook door de Nederlandse Ambassadeur in Iran in zijn gesprekken met de Iraanse autoriteiten aldaar. Ook heeft Nederland hiervoor gepleit in multilateraal verband, waaronder in de VN-Mensenrechtenraad.
De uitkomsten van een eerste Iraanse onderzoek zijn afgelopen vrijdag gepubliceerd, waarin geconcludeerd werd dat Mahsa Amini zou zijn overleden aan onderliggende medische klachten. Haar familie heeft aangegeven dat de uitkomsten van dat onderzoek niet aansluiten bij de zichtbare verwondingen op het lichaam van Mahsa Amini. Dit roept kritische vragen op over de onpartijdigheid van het uitgevoerde onderzoek. Nederland blijft dan ook onverminderd oproepen tot een gedegen en onpartijdig onderzoek naar de dood van Mahsa Amini.
Conform motie van het lid Kuzu c.s. (Kenmerk 21 501–20 nr. 1833, aangenomen op 6 oktober 2022) zal ik dit pleidooi tevens nogmaals herhalen bij de aanstaande Raad Buitenlandse Zaken van 17 oktober 2022.
Wat is de inzet van Nederland om de demonstranten te steunen, zowel bilateraal als via multilaterale organisaties?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Nederland heeft zowel in bilaterale contacten als ook in multilaterale gremia zoals in de VN Mensenrechtenraad de Iraanse autoriteiten herhaaldelijk opgeroepen om het recht op vreedzaam protest te respecteren.
Kan de Europese Unie (EU) een rol spelen in het vergroten van internettoegang voor demonstranten, zoals onlangs bepleit door de Verenigde Staten? Zo ja, welke?
De EU heeft voornamelijk diplomatieke middelen om bij de Iraanse regering te pleiten voor een open, vrij en veilig internet, zonder beperkingen. De EU Hoge Vertegenwoordiger Borrell heeft in een statement het belang van vrije toegang tot internet benadrukt en namens de EU opgeroepen om deze toegang in stand te houden. Daarnaast onderstreept hij dat de EU zich met het oog op de volgende Raad Buitenlandse Zaken zal blijven beraden op alle opties waarover zij beschikt om de moord op Mahsa Amini en de wijze waarop de Iraanse veiligheidstroepen op de daaropvolgende demonstraties hebben gereageerd, aan de orde te stellen. Nederland zal aandringen dat de Unie haar diplomatieke middelen actief inzet om vrije toegang tot internet voor de Iraanse bevolking te bevorderen. Daarnaast verleent Nederland met andere EU lidstaten financiële steun aan ngo’s zoals Access Now en Freedom House. Deze organisaties spelen een belangrijke rol bij het monitoren en rapporteren van internetbeperkingen in Iran en de invloed hiervan op individuele vrijheden en mensenrechten.
Vindt u dat er sancties dienen te worden ingesteld tegen individuen en organisaties die direct betrokken zijn bij de dood van Mahsa Amini en het gewelddadig neerslaan van de protesten? Zo ja, voor welke sancties zet u zich in binnen de EU?
Nederland zet zich in voor het instellen van EU-Mensenrechtensancties – ook conform motie van de leden Sjoerdsma en Agnes Mulder (Kenmerk 21 501–20 nr. 1826, aangenomen op 6 oktober 2022). Het kabinet doet in beginsel echter geen uitlatingen over concrete voorstellen voor nieuwe sancties, om zo het verrassingseffect en daarmee de effectiviteit van dergelijke maatregelen niet te ondermijnen.
Op welke wijze zet u zich structureel in voor vrouwenrechten in Iran? Welke internationale organisaties moeten hier meer aandacht aan besteden? Wat vindt u hierbij van de inzet van de UN Women Committee? Op welke wijze probeert u ervoor te zorgen dat deze commissie zich actiever inzet voor vrouwenrechten in Iran? Welke concrete stappen heeft Nederland hiertoe gezet?
Nederland vraagt zowel in bilaterale contacten als ook in multilateraal verband bij Iran voortdurend aandacht voor mensenrechten. Ik heb zelf recent in gesprek met de Iraanse Minister van Buitenlandse Zaken onder meer benadrukt dat vrouwenrechten mensenrechten zijn en gerespecteerd moeten worden, net als het recht op vreedzaam protest. Deze boodschappen zijn tevens in heldere bewoordingen afgegeven in gesprekken op hoog-ambtelijk niveau met de Iraanse ambassadeur hier in Den Haag als ook door de Nederlandse ambassadeur in Iran in gesprekken met de Iraanse autoriteiten aldaar. Nederland heeft hiervoor eveneens aandacht gevraagd in de VN Mensenrechtenraad en is voornemens dit bij de aankomende Raad Buitenlandse Zaken in Brussel te bespreken.
UN Women is voor Nederland een essentiële partner op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid. Nederland steunt UN Women met USD 10 miljoen per jaar, waarvan USD 4 miljoen ongeoormerkt. Nederland is een uitgesproken progressieve speler binnen de Uitvoerende Raad van UN Women. In deze rol komt Nederland op voor het normatieve, coördinerende en operationele mandaat van de entiteit. Binnen het mandaat van UN Women als normstellende voorvechter voor vrouwenrechten en gendergelijkheid is het van belang dat UN Women een vocale houding aanneemt in de huidige situatie in Iran. UN Women geeft hieraan gehoor en heeft zich geschokt uitgelaten over de dood van Mahsa Amini1 en heeft steun uitgesproken voor de Iraanse vrouwen en hun protest.2
Hoewel Nederland momenteel geen verkozen lid is van de Commission on the Status of Women (CSW), speelt deze commissie een belangrijke rol bij het bevorderen van de rechten van vrouwen en meisjes, het documenteren van de realiteit van hun leven en het vormgeven van wereldwijde normen voor gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen en meisjes. Ook in Iran. Naast lidstaten dragen ook maatschappelijke organisaties en met name vrouwenrechtenorganisaties bij aan de kracht van deze commissie om vrouwenrechtenschendingen wereldwijd aan het licht te brengen. NL draagt via UN Women indirect financieel bij aan de CSW.
Welke invloed hebben de recente protesten op de onderhandelingen over een nucleair akkoord? Deelt u de mening dat deze onderhandelingen met het oog op de internationale veiligheid dienen te worden voortgezet?
Ja. Nederland ziet het nucleaire akkoord (JCPOA) nog altijd als het meest effectieve middel in het voorkomen van de ontwikkeling van een kernwapen door Iran en verdere proliferatie in de regio. Dat is van essentieel belang voor de Nederlandse, Europese en regionale veiligheid. Nederland steunt daarom de inzet van Europese partners, VS en andere partijen om tot een hernieuwd nucleair akkoord met Iran te komen. Dit is in het belang van alle partijen. Het is wel zaak dat er binnen afzienbare tijd een akkoord wordt bereikt. Iran gaat immers door met verrijken en het opdoen van technische kennis.
Vindt u het noodzakelijk om vanwege de recente ontwikkelingen het reisadvies voor Iran aan te passen, in het bijzonder voor vrouwen? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de protesten is het reisadvies voor Iran op 23 september en vervolgens op 5 oktober en 7 oktober 2022 aangescherpt. Nederland raadt alle reizen naar Iran af en adviseert Nederlanders die nog in Iran verblijven het land te verlaten als dit op een veilige manier kan. Bovendien wordt geadviseerd om weg te blijven van demonstraties. In het reisadvies wordt daarnaast ook specifiek aandacht besteed aan de kledingvoorschriften in Iran en de risico’s die vrouwen lopen wanneer zij zich hier niet aan houden.
De inhuur van externe arbeid in publieke sectoren |
|
Lisa Westerveld (GL), Senna Maatoug (GL), Corinne Ellemeet (GL) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Kuipers , Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Meerderheid jonge zorgmedewerkers overweegt vaste baan in te ruilen voor flexbaan»?1
Ja
Deelt u de opvatting dat de continuïteit, betaalbaarheid en de kwaliteit van zorg onder druk staat door de toename van flexwerkers en zelfstandigen?
Voor de kwaliteit en continuïteit van zorg nu en in de toekomst is het belangrijk dat de zorgsector voor alle zorgmedewerkers aantrekkelijk is om in te werken. Medewerkers kiezen er vaker voor zich als zelfstandige in te laten huren, omdat ze het gevoel hebben op die manier meer te kunnen verdienen en prettiger te kunnen werken met minder werkdruk, minder regels en meer vrijheid. Naast de hogere kosten die dit voor zorgaanbieders meebrengt, zet het de kwaliteit en continuïteit van zorg onder druk waardoor de werkdruk bij het overige personeel juist nog verder toeneemt.
Door het werken in loondienst aantrekkelijker te maken en de balans tussen medewerkers in loondienst en flexwerkers te herstellen, kunnen we deze negatieve spiraal doorbreken. In dit kader bereidt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder meer maatregelen voor om de balans te herstellen rondom het werken met en als zelfstandige(n), flexibele arbeidsovereenkomsten verder te reguleren en de wendbaarheid voor ondernemingen te vergroten.
Het stimuleren van goed werkgeverschap en het verkennen van nieuwe vormen van flexwerken is daarom expliciet onderdeel van het programmaplan «Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn», dat door de Minister voor Langdurige Zorg en Sport op 30 september jl. aan uw Kamer is gezonden.2
Wat is het aandeel van externe arbeid in de (semi-)publieke sectoren, en met name in de sectoren onderwijs en zorg en welzijn? Kunt u voor de sector onderwijs een opsplitsing maken naar deelsectoren, waaronder de deelsector huiswerkbegeleiding? Kunt u voor de sector zorg en welzijn ook een opsplitsing maken naar deelsectoren, waaronder de jeugdzorg en de ziekenhuiszorg?
Behalve onderstaande cijfers over inhuur van externe arbeid binnen de Rijksoverheid, het onderwijs en zorg en welzijn, worden geen data bijgehouden voor (semi)-publieke (deel)sectoren.
Voor wat betreft de Rijksoverheid geldt dat uit de Jaarrapportage bedrijfsvoering Rijk3, waarin jaarlijks wordt gerapporteerd over het aandeel externe inhuur binnen de Rijksoverheid, blijkt dat in 2021 het aandeel externe inhuur 13,4 procent bedraagt van de totale personele uitgaven.
De grootste inhuurcategorieën zijn net als een jaar eerder te vinden in de IT-gerelateerde uitgaven (advisering opdrachtgevers automatisering 44%) en in de uitvoering van de beleidsondersteuning (formatie en piek 36%).
Voor de onderwijssectoren geldt dat de uitgaven aan personeel niet in loondienst (PNIL), als percentage van de totale personeelslasten, in 2021 zijn: primair onderwijs (po) 3,8%, voortgezet onderwijs (vo) 3,9%, mbo 7,0%, hbo 7,6% en wo 5,3%. Dit blijkt uit de financiële jaarverslagen van onderwijsinstellingen. Het gaat bij PNIL om alle externe inhuur, bijvoorbeeld zelfstandigen (zzp’ers) en inhuur via een uitzendbureau of van een flexpool. We hebben geen cijfers over arbeidscontracten in de huiswerkbegeleiding. In de jaarlijkse Trendrapportage Arbeidsmarkt Leraren po, vo en mbo zijn al eerder cijfers opgenomen over het aandeel PNIL in de onderwijssectoren.4
Voor de sector zorg en welzijn geldt tot slot dat in 2021 13,3% procent van de werkenden in die sector uit zzp’ers, zelfstandigen met personeel en uitzendkrachten (exclusief kinderopvang; bron: azwstatline5) bestaat. In onderstaande tabel is een uitsplitsing gemaakt per branche.
AZW branches
x 1.000
x 1.000
x 1.000
x 1.000
x 1.000
Universitair medische centra
86
3
1
0
0
4,7%
Ziekenhuizen en overige med. spec. zorg
258
4
8
4
0
6,2%
Geestelijke gezondheidszorg
94
0
9
1
0
10,6%
Huisartsen en gezondheidscentra
45
1
8
8
0
37,8%
Overige zorg en welzijn
237
26
45
19
1
38,4%
Verpleging, verzorging en thuiszorg
454
10
20
1
0
6,8%
Gehandicaptenzorg
166
2
2
1
0
3,0%
Jeugdzorg
34
1
2
0
0
8,8%
Sociaal werk
75
3
9
0
0
16%
Wat is het aandeel externe arbeid dat hiervoor in dienst was als werknemer binnen diezelfde sector? Hoe vaak gebeurt het dat zelfstandigen in (semi-)publieke sectoren maar voor één opdrachtgever werken? Kunt u dit uitsplitsen per sector? In hoeverre is er sprake van schijnzelfstandigheid?
Met betrekking tot deze vraag zijn, zover ik heb kunnen nagaan, geen cijfers bekend.
Hoe staat het met de toezegging over het toepassen van de webmodule in de gezondheidszorg en de toezegging over het toepassen van de webmodule in de culturele sector?
De webmodule is een instrument dat nu al ingezet kan worden om ongeacht de sector te gebruiken voor verduidelijking van de aard van de arbeidsrelatie. De inzet van de webmodule is in de huidige vorm van dit instrument niet verplicht, maar indicatief. Deze kan dus ook binnen sectoren ingezet worden door werkgevenden (evt. samen met de werkende) om duidelijkheid te verkrijgen over de aard van de arbeidsrelatie bij het aangaan van een overeenkomst tot het verrichten van werk. In het breed gesprek over de beoordeling van arbeidsrelaties dat ik als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen met de Staatssecretaris van Financiën en Fiscaliteit voer, is onder meer met de genoemde sectoren gesproken over het instrument van de webmodule en hoe die een rol zou kunnen spelen bij het bieden van meer duidelijkheid in de betreffende sectoren. De webmodule geeft immers in circa 70% van de gevallen een indicatie van de arbeidsrelatie en kan daarmee in veel gevallen voor duidelijkheid zorgen. Het is aan de betreffende sectoren om het gebruik van de webmodule in de praktijk te stimuleren.
De webmodule zal inhoudelijk niet worden toegespitst op specifieke sectoren. Juist ook om oneigenlijke effecten tussen sectoren onderling te veroorzaken, zou de vraag of een arbeidsovereenkomst bestaat niet af moeten hangen van in welke sector iemand werkzaam is. De huidige webmodule blijft vooralsnog beschikbaar voor iedere werkgevende die er gebruik van wil maken en fungeert als voorlichtingsinstrument.
De Minister van Primair en Voortgezet Onderwijs heeft in antwoord op schriftelijke vragen2 aangegeven dat hij samen met de sectorraden strengere eisen gaat opstellen voor de samenwerking van scholen met private partijen, waaronder uitzendbureaus; hoe staat het daarmee?
In een overleg tussen OCW en de PO-Raad, VO-raad, MBO Raad, VH, WVOI en NFU is inmiddels gesproken over de mogelijkheid dat sociale partners in de cao’s bepalingen kunnen opnemen over een maximumtarief voor inhuur van medewerkers.
Daarnaast werkt de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs aan maatregelen om het private aanbod (de instituten voor huiswerkbegeleiding) in het publieke onderwijs tegen te gaan, in reactie op de moties van Kwint en Westerveld.7 Er zijn bijvoorbeeld gesprekken met de sectorraden om richtlijnen op te stellen om het private aanbod op school te beperken en te voorkomen dat scholen reclame maken voor commerciële diensten en producten. De Minister maakt hier haast mee en informeert u hier komend voorjaar nader over.
Ook komt er dit voorjaar een geactualiseerde handreiking Inhuur derde partijen voor scholen met o.a. een stappenplan. Verder is een wetsvoorstel in voorbereiding dat regelt dat het personeel van huiswerkinstituten altijd in bezit moet zijn van een verklaring omtrent het gedrag. Dit voorstel wordt dit najaar ter internetconsultatie gebracht. Begin 2023 zal de monitor naar aanvullend onderwijs starten. Hierin wordt bijvoorbeeld onderzocht wat de marktomvang is, hoe hoog de deelname van leerlingen is en welke kosten er per leerling worden gemaakt aan aanvullend onderwijs.
Ook moet deze monitor inzicht geven in hoeveel onderwijsbudget er naar externe onderwijsbureaus doorstroomt.8 Tot slot is de branche bezig met het opstellen voor een keurmerk voor bijlesbureaus en huiswerkbegeleidingsinstituten.
Gaat u zich als stelselverantwoordelijke over de werking van de arbeidsmarkt, werkgever in publieke sectoren en financierder van (semi-)publieke sectoren inspannen om (de kosten van) externe inhuur te beperken?
Het kabinet vindt, als stelselverantwoordelijke, dat zowel vormen van werknemerschap als zelfstandig ondernemerschap een belangrijke functie en waarde hebben. Bovendien zijn partijen in Nederland in principe vrij om afspraken te maken over hoe ze het werk inrichten en de contractuele relatie vormgeven. Dit moet wel gebeuren binnen de grenzen van de wet. Tegelijkertijd heeft het kabinet in de Hoofdlijnenbrief arbeidsmarkt van 5 juli jl. duidelijk gemaakt dat voor structureel werk arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd in beginsel de aangewezen contractvorm zijn. In diezelfde brief is uiteengezet via welke lijnen het kabinet het verschil tussen werknemerschap en schijnzelfstandigheid wil verkleinen. Over de voortgang hierop wordt uw Kamer nog dit jaar geïnformeerd. Daarnaast zal in bredere zin ook de Hoofdlijnenbrief over de hervorming van de arbeidsmarkt op dit punt ingaan. Deze ontvangt uw Kamer in het eerste kwartaal van 2023.
Sturing op uitgaven aan externe inhuur krijgt binnen het Rijk aandacht vanuit het werkgeverschap voor de sector Rijk. Uitgangspunt hierbij is dat deze uitgaven niet meer dan 10% van de totale personele uitgaven betreffen (de zogenaamde Roemernorm naar aanleiding van de motie Roemer). Daarnaast geldt een maximum uurtarief (excl. btw) van € 225 (n.a.v. de motie De Pater-Van der Meer). Dit maximum uurtarief geldt voor overeenkomsten buiten mantelcontracten. In het geval de norm of het uurtarief wordt overschreden, is het uitgangspunt «leg uit» (comply-or-explain). De verantwoordelijkheid voor het voldoen aan de norm en het maximum uurtarief ligt bij de vakministers. Zij leggen verantwoording af in hun departementale jaarverslag.
In aanvulling hierop geldt dat het kabinet, als financier van (semi)publieke sectoren, per sector waar nodig maatregelen neemt. Zo zijn er in het programma «Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn» diverse acties opgenomen om (de kosten van) externe inhuur te beperken. Dat programma is door de Minister voor Langdurige Zorg en Sport op 30 september jl.9 aan uw Kamer gezonden. Inzet is om het werken in loondienst aantrekkelijker te maken en de balans tussen medewerkers in loondienst en flexwerkers te herstellen. Daarmee wil de Minister voor Langdurige Zorg en Sport de uitstroom uit vaste dienst beperken. Het stimuleren van goed werkgeverschap en het verkennen van nieuwe vormen van flexwerken zijn daarom expliciet onderdeel van het programmaplan Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn. Nieuwe vormen van werken in loondienst kunnen voorkomen dat mensen het loondienstverband (of eventueel zelfs de zorg) uit onvrede verlaten. Ook dragen dergelijke initiatieven bij aan een betere balans op de arbeidsmarkt, meer regie bij de zorginstellingen en lagere kosten. Dergelijke initiatieven dragen er verder aan bij dat werkgevers conform de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties kunnen handelen.
Kunt u zich inspannen om het in dienst zijn met een (vaste) arbeidsovereenkomst in de (semi-)publieke sectoren aantrekkelijker te maken, in termen van primaire arbeidsvoorwaarden (loon), secundaire arbeidsvoorwaarden en (andere) niet-materiële zaken die van belang zijn voor goed werk? Kunt u er bijvoorbeeld op sturen dat zelfstandigen geen voorrang krijgen bij de inroostering of zich niet kunnen onttrekken aan verantwoordelijkheden die werknemers wel hebben? Kunt u hierbij concrete doelen en streefcijfers benoemen?
Zoals hiervoor onder vraag 7 ook al genoemd, hanteert het kabinet als uitgangspunt dat arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd in beginsel de aangewezen contractvorm zijn voor het organiseren van structureel werk. Tegelijkertijd mag het belang van wendbaarheid voor ondernemingen evenzeer niet uit het oog worden verloren. In de Hoofdlijnenbrief van 5 juli jl. 10 is uitvoerig uiteengezet welke generieke inspanningen het kabinet hierbij levert. Hierna treft u de inspanningen aan die specifiek binnen de sectoren zorg en welzijn, onderwijs en Rijksoverheid op dit punt worden geleverd.
In aanvulling op deze generieke maatregelen wordt, zoals in eerdere antwoorden op Kamervragen11 is genoemd, door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verkend op welke manier normen en prikkels voor vaste contracten opgenomen kunnen worden in onderwijswetgeving.
Voor de Rijksoverheid spant de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zich in om een aantrekkelijk werkgever te zijn en te blijven. Goede arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden zijn hiervoor de bouwstenen. De Rijksoverheid scoort altijd goed in de verschillende lijstjes van aantrekkelijke werkgevers.
Een voorbeeld van de aandacht voor arbeidsvoorwaarden is de recent afgesloten CAO Rijk met een looptijd van 1 april 2022 tot en met 30 juni 2024. Daar waar er binnen de Rijksoverheid sprake is van (externe) inhuur van zelfstandigen, is het aan de betreffende leidinggevende en de zelfstandige om goede afspraken te maken over de inhoud van het werk. In het maken van dit soort afspraken zal er ook rekening worden gehouden met de uitstraling richting medewerkers. Tegelijkertijd is het ook voorstelbaar dat ingehuurde zelfstandigen juist heel specifiek ingezet worden om optimaal gebruik te maken van hun expertise.
In de sector zorg en welzijn is er, naast de activiteiten genoemd onder vraag 7, binnen het Integraal Zorg Akkoord en het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn afgesproken dat alle branches in deze sector voor 1 januari 2024 afspraken maken waarin de verantwoordelijkheden tussen medewerkers in loondienst en zzp’ers eerlijk verdeeld zijn, onder andere rondom ANW-diensten, scholing en beloning.
Bent u bereid om onderlinge uitwisseling van personeel mogelijk te maken, zonder dat daar btw over hoeft te worden betaald, met als doel dat zorgverleners ten behoeve van de kwaliteit vaker en langer op dezelfde plek werken en de betaalbaarheid van de zorg niet onder druk staat?
Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief over het programma «Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn», die door de Minister voor Langdurige Zorg en Sport op 30 september jl. aan uw Kamer is gezonden, is het vraagstuk rondom de vrijstelling van btw op detachering in de zorg onderdeel van het interdepartementale traject gericht op de arbeidsmarkt in den brede (gecoördineerd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid). Hierbij is geconcludeerd dat de ruimte die de Europese btw-richtlijn en (Europese) jurisprudentie bieden, reeds is benut. De wens om extra mogelijkheden binnen het fiscale terrein te krijgen vergt een wijziging van de Europese btw-richtlijn, hetgeen op de korte termijn geen kans van slagen heeft. Een te actieve opstelling met betrekking tot verruiming van de huidige btw-vrijstelling kan mogelijk zelfs contraproductief werken en leiden tot gedwongen inperking van de bestaande vrijstelling. Extra ruimte kan vooral worden gevonden door regionale samenwerkingsinitiatieven (onderling) te (laten) wijzen op de bestaande mogelijkheden van btw-vrije uitleen van personeel.
Bent u bekend met het bericht «Negen ziekenhuizen spannen samen om flexwerkprobleem aan te pakken»?3
Ja, de Minister voor Langdurige Zorg en Sport is bekend met dit bericht.
Deelt u de opvatting dat het maken van afspraken over een minimale inzet van externe arbeid ten goede komt van de kwaliteit van de zorg? Kunt en wilt u dergelijke afspraken stimuleren?
De Minister voor Langdurige Zorg en Sport is van mening dat een dergelijk oordeel afhankelijk is van de concrete invulling. In het programmaplan «Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn», dat door de Minister voor Langdurige Zorg en Sport op 30 september jl. aan uw Kamer is gezonden zijn hiervoor onder opgave 5 – aantrekkelijker maken van werken in loondienst – twee beoogde afspraken geformuleerd; te weten afspraak 9 en 10.
Bij opgave 5 uit het programmaplan staat als doel van deze afspraken om de negatieve spiraal, zoals ook genoemd bij vraag 2, te doorbreken, zodat de mensen in loondienst behouden blijven en de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de zorg binnen de diverse branches door meer schouders gedragen wordt.
Hierbij hoort ook dat werkgevers conform de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties handelen en zo schijnzelfstandigheid tegengaan.
Wat is precies de opzet van Workflow? Hoeveel mensen die gebruik van deze dienst zijn werknemer en hoeveel zelfstandige? Wat vindt u van dergelijke initiatieven?
WorkFlow is een alternatieve arbeidspropositie ontwikkeld door de ziekenhuizen in de regio Rijnmond. Met dit alternatieve regionale dienstverband kunnen zorgmedewerkers via ondernemend werknemerschap flexibel werken bij meerdere ziekenhuizen in de regio Rotterdam-Rijnmond. Er zijn nu veel zzp’ers actief bij deze ziekenhuizen. Met deze hybride vorm van werknemerschap willen de samenwerkende ziekenhuizen een aantrekkelijk alternatief voor het zzp-schap bieden. Ook zorgmedewerkers die nu in loondienst zijn bij één van de ziekenhuizen, kunnen kiezen voor deze meer flexibele vorm van loondienst. Voor de werknemer biedt WorkFlow een basiscontract, waarin de «basisuren» en zekerheden als inkomen bij ziekte en langdurige arbeidsongeschiktheid en pensioenbijdrage vanuit de werkgever/ het ziekenhuis zijn geregeld.
Via het online WorkFlow-platform kan een zorgmedewerker, indien gewenst en passend bij de persoonlijke omstandigheden, extra diensten aannemen bij aangesloten zorginstellingen. Voor de werkgever is het voordeel dat hij voor meer diensten kan beschikken over medewerkers in loondienst en daarmee conform de Wet DBA handelt.
Alle medewerkers die gebruik (zullen) maken van WorkFlow zijn in loondienst bij een van de aangesloten ziekenhuizen, of later mogelijk breder bij een van de aangesloten zorginstellingen.
De Minister voor Langdurige Zorg en Sport juicht dergelijke initiatieven zeer toe. Nieuwe vormen van werken in loondienst kunnen voorkomen dat mensen het loondienstverband (of eventueel zelfs de zorg) uit onvrede verlaten. Ook dragen dergelijke initiatieven bij aan een betere balans op de arbeidsmarkt, meer regie bij de zorginstellingen en lagere kosten. Dergelijke initiatieven dragen er verder aan bij dat werkgevers conform de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties kunnen handelen.
Is er aanleiding om te geloven dat de werkenden die via Workflow voor het ziekenhuis werken schijnzelfstandigen zijn? Zo ja, wat kunt en gaat u eraan doen om ervoor te zorgen dat deze mensen in dienst gaan?
Degenen die bij WorkFlow zijn aangesloten, zijn in dienst bij één van de betrokken zorginstellingen. Zij zijn daarmee dus geen zelfstandigen en zeker geen schijnzelfstandigen.
Deelt u de opvatting dat het goed is dat werkenden verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid en pensioen opbouwen? Deelt u de opvatting dat het voor zelfstandigen die eigenlijk werknemer zijn goed is dat de opdrachtgever deze premies betaalt? Deelt u de opvatting dat het echter beter is als schijnzelfstandigen conform de aard van de arbeid in dienst gaan?
Ik deel het principe dat het goed is dat werkenden verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid. Naast de bestaande WIA voor werknemers, zet het kabinet een grote stap door ook zelfstandigen (verplicht) te verzekeren tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. Zie daarvoor ook uitgebreider de hoofdlijnenbrief arbeidsmarktbeleid. 13
Ook ben ik het met de leden eens dat werkenden in staat moeten zijn een adequaat pensioen op te bouwen. Het kabinet faciliteert pensioenopbouw op verschillende manieren, onder meer fiscaal en via de verplichtstelling. Specifiek voor zelfstandigen is het kabinet voornemens om de facilitering van pensioenopbouw door zelfstandigen te verbeteren. Zie daarvoor ook uitgebreider de eerder genoemde hoofdlijnenbrief arbeidsmarktbeleid.14
Uiteraard geldt in algemene zin dat, als blijkt dat een arbeidsrelatie kwalificeert als werkgever – werknemerrelatie, de bijbehorende financiële verplichtingen die uit de wet- en regelgeving volgen moeten worden nageleefd.
Maatregelen zoals meer duidelijkheid in regelgeving over het onderscheid tussen werknemers en zelfstandigen, inzet van een rechtsvermoeden van werknemerschap en intensivering van toezicht en handhaving, dragen bij aan het voorkomen dat de verplichting wordt ontweken om voor werknemers bij te dragen aan een pensioenfonds. Onder meer deze maatregelen zijn in de eerder genoemde hoofdlijnenbrief aangekondigd. Nog dit jaar wordt u over de voortgang op deze maatregelen nader geïnformeerd.
Worden dergelijke initiatieven ook elders opgepakt?
Zoals bij vraag 7 en 8 benoemd, zijn er binnen het Programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn en ook binnen het Integraal Zorg Akkoord diverse initiatieven in gang gezet om werken in loondienst te bevorderen en schijnzelfstandigheid tegen te gaan.
In de «Rapportage Cao-afspraken 2021» die onlangs naar de Kamer is verzonden staat dat in vier collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) bepalingen zijn opgenomen over het hanteren van tarieven voor zelfstandigen; kunt en gaat u dergelijke afspraken over tarieven stimuleren?
Het is aan zelfstandigen, hun vertegenwoordigers en hun opdrachtgevers om te bepalen of zij – binnen de wettelijke mogelijkheden – collectief willen onderhandelen over hun tarieven.
Uit de «Rapportage Cao-afspraken 2021» blijkt dat er met name in de culturele en creatieve sector in een aantal cao’s afspraken gemaakt zijn over minimumtarieven voor zzp’ers. De afspraken passen binnen de arbeidsmarktagenda voor de culturele sector, waar de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap achter staat.
Ik blijf de cao-bepalingen over het hanteren van minimumtarieven voor zelfstandigen monitoren en uw Kamer daar jaarlijks over informeren.
Wat voor instrumenten heeft u nog meer om (de kosten van) externe inhuur te beperken? Gaat u deze inzetten?
Alle maatregelen die worden genomen zijn in bovenstaande antwoorden benoemd. Graag wijzen wij u daarbij expliciet op de antwoorden bij vragen 7 en 8.
De mogelijkheid in het erfrecht dat de dader erft van een slachtoffer |
|
Ulysse Ellian (VVD), Michiel van Nispen |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat iemand die terbeschikkingstelling (tbs) opgelegd heeft gekregen nadat hij zijn eigen vrouw had vermoord toch aanspraak maakt op haar erfenis?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat de uitkomst in deze zaak, namelijk dat de dader toch mag erven, als zeer onrechtvaardig beschouwd kan worden en onacceptabel is voor de nabestaanden? Zo nee, waarom niet?
Deze zaak betreft een individuele casus die nog onder de rechter is. Uit ambtelijk ingewonnen informatie bij de rechtspraak heb ik vernomen dat tegen de uitkomst in deze zaak hoger beroep is ingesteld. Ik kan hierover daarom nog geen uitspraken doen. In algemene zin ben ik wel met u eens dat het zeer onrechtvaardig voelt dat iemand van wie bewezen is verklaard dat hij zijn echtgenote om het leven heeft gebracht en daarvoor de maatregel tbs heeft opgelegd gekregen, nog aanspraak zou kunnen maken op haar erfenis. Voor de overige nabestaanden is dit heel pijnlijk. Ik snap dan ook de maatschappelijke verontwaardiging die hierover is ontstaan.
Kunt u schetsen hoe op dit moment wordt omgegaan met de interpretatie van de onwaardigheid om uit een nalatenschap voordeel te trekken van artikel 4:3 Burgerlijk Wetboek (BW)? Klopt het dat deze uitzonderingsgrond, op basis waarvan iemand een erfenis kan worden ontzegd, op dit moment zeer strikt wordt uitgelegd door rechters?
Artikel 4:3 BW bevat een aantal limitatieve gronden waarop een persoon van rechtswege onwaardig wordt om uit de nalatenschap enig voordeel te trekken. Een van deze gronden is het geval dat iemand onherroepelijk is veroordeeld voor het ombrengen van de overledene, dat heeft geprobeerd, voorbereid of hieraan heeft deelgenomen. Een andere grond is het geval dat iemand onherroepelijk is veroordeeld voor een opzettelijk tegen de overledene gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaar of dat misdrijf heeft geprobeerd te plegen, heeft voorbereid of daaraan heeft deelgenomen.
Van een onherroepelijke veroordeling is geen sprake als het strafbare feit niet aan de dader kan worden toegerekend vanwege een ziekelijke stoornis en hem uitsluitend de maatregel tbs is opgelegd. Vanwege het ontbreken van een veroordeling valt een dergelijke situatie niet onder een van de onwaardigheidsgronden in artikel 4:3 BW.
In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot de voorliggende Kamervragen oordeelde de rechtbank Gelderland dat artikel 4:3 BW niet van toepassing is, omdat de dader niet strafrechtelijk veroordeeld is voor het strafbare feit, maar van alle rechtsvervolging is ontslagen wegens ontoerekeningsvatbaarheid. Hierdoor kan de dader geen verwijt worden gemaakt van het plegen van het strafbare feit en niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn daad (Rechtbank Gelderland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:498). Deze uitspraak is vergelijkbaar met een uitspraak van het Hof Amsterdam van 13 mei 1976, ECLI:NL:HGHAMS:1976:AC3027, NJ 1977, 213. Daarin werd geoordeeld dat van een veroordeling die tot onwaardigheid leidt, geen sprake is als de erfgenaam wegens zijn geestestoestand niet strafbaar is verklaard en de opname in een psychiatrisch ziekenhuis wordt bevolen. Om dezelfde reden – het ontslag van alle rechtsvervolging en de niet-toerekenbaarheid van de dader in strafrechtelijke zin – oordeelde de rechtbank Gelderland dat zich niet zodanig uitzonderlijke feiten en omstandigheden voordoen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de dader zijn rechten uitoefent die hem als wettig erfgenaam toekomen.
In de rechtspraak zijn enkele gevallen bekend waarin erfgenamen, ondanks dat zij juridisch niet onwaardig waren, toch geen voordeel uit de nalatenschap konden trekken, omdat dit zodanig indruist tegen het rechtsgevoel en strijd oplevert met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Ik noem hier de uitspraak van de Rechtbank Middelburg van 5 oktober 2011, ECLI: NL:RBMID:2011:BU6593. In deze zaak was van een strafrechtelijke veroordeling geen sprake en daarmee ook niet van onwaardigheid op grond van artikel 4:3 BW, omdat de man die werd verdacht van moord op zijn echtgenote, in afwachting van zijn strafproces zich in de penitentiaire inrichting van het leven had beroofd. Op grond van de wettelijke erfopvolging zou de erfenis van de om het leven gebrachte vrouw aan de man toekomen en na diens overlijden aan zijn erfgenamen. De rechtbank oordeelde dat deze vererving zo stuitend is dat het onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoel om de erfenis aan hem en zijn erfgenamen te laten toekomen. Het uitoefenen van de rechten als wettelijk erfgenaam leverde naar het oordeel van de rechtbank, ook in het licht van het algemene rechtsbeginsel dat men geen voordeel behoort te hebben van de opzettelijk veroorzaakte dood van een ander, onder de omstandigheden van dat geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een onaanvaardbaar resultaat op.
Een ander vreselijk geval met een soortgelijke uitkomst is de zaak die leidde tot de uitspraak van het Hof Amsterdam van 15 augustus 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF5771, NJ 2003, 53. In deze zaak ging het om een kleinzoon die een levenslange gevangenisstraf had opgelegd gekregen wegens moord op zijn ouders, waarna zijn oma hem bij testament uitdrukkelijk had uitgesloten als erfgenaam. Na het overlijden van zijn oma beriep de kleinzoon zich op het erfdeel van zijn om het leven gebrachte vader waarop hij in de plaats van zijn vooroverleden vader aanspraak zou hebben. Omdat het levensdelict niet was gepleegd tegen de overledene (de oma) was artikel 4:3 BW naar de letter van de wet niet van toepassing. Het Hof bevestigde het oordeel van de rechtbank dat hier sprake was van zodanig zeer uitzonderlijke omstandigheden dat de kleinzoon op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid geen voordeel mag hebben uit de erfenis van zijn oma. Daarbij overwogen de rechtbank en het hof dat de regeling van onwaardigheid in het erfrecht uitdrukking geeft aan een achterliggend algemeen beginsel in het recht dat men geen voordeel behoort te hebben van het opzettelijke doden van een ander.
Uit deze uitspraken volgt dat niet gezegd kan worden dat artikel 4:3 BW in de rechtspraak steeds zeer strikt wordt uitgelegd. Een niet-restrictieve uitleg vindt ook steun in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010, 206 m.nt. S. Perrick (Velcea et Mazare/Roemenië)). Volgens het Hof verplicht het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) verdragspartijen niet om een wettelijke bepaling inzake de onwaardigheid van erfgenamen te hebben, maar als hiervoor een nationale bepaling bestaat, dan moet deze bepaling worden uitgelegd op een wijze die verenigbaar is met de bedoeling ervan. Het Hof oordeelde in een soortgelijk geval als in de zaak die leidde tot de hiervoor genoemde uitspraak van de Rechtbank Middelburg, dat de bijzondere omstandigheden van het geval meebrachten dat het automatisch en restrictief uitleggen van de Roemeense bepaling inzake het onwaardig verklaren om te erven verder gaat dan wat nodig was om de rechtszekerheid te waarborgen.
Wordt met de huidige lezing van artikel 4:3 BW volgens u voldoende recht gedaan aan de gevoelens van de nabestaanden in gevallen zoals beschreven in bovengenoemd bericht? Zo ja, waarom bent u die mening toegedaan?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt, wordt artikel 4:3 BW, ondanks de limitatieve opsomming van onwaardigheidsgronden, niet steeds restrictief uitgelegd. De maatstaven van redelijkheid en billijkheid bieden de rechter ruimte om vanwege de bijzondere omstandigheden van het concrete geval een erfenis aan een erfgenaam te ontzeggen. Zoals hiervoor ook vermeld, begrijp ik dat de uitspraak die aanleiding heeft gegeven tot de recente nieuwsberichten en de vragen van uw Kamer, heel onbevredigend is voor de nabestaanden van de om het leven gebrachte vrouw, maar kan ik daarop niet verder ingaan vanwege het daartegen ingestelde hoger beroep
Bent u het eens met de stelling dat het goed zou zijn om het erfrecht aan te scherpen, zodat expliciet wordt gemaakt dat een dader – ontoerekeningsvatbaar of niet – geen voordeel kan hebben van zijn daad en dus niet kan erven van het slachtoffer dat is overleden? Bent u bereid te kijken of er andere manieren zijn om in ieder geval dit doel te bereiken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik hiervoor heb vermeld, heb ik uit ambtelijk ingewonnen informatie begrepen dat tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld. Ik wil nu eerst de verdere procedure afwachten voordat ik ga onderzoeken of het nodig is om de onwaardigheidsgronden van artikel 4:3 BW uit te breiden.