Betaalbare boodschappen door QR-code als onderdeel van de VVD Agenda voor Werkend Nederland. |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Beljaarts |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «supermarkten willen één Engelstalig etiket tegen hoge prijzen fabrikanten» uit de Volkskrant?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat dit plan stond in de recente Agenda voor Werkend Nederland van de VVD?
Ja.
Steunt u de oproep van supermarktketens Jumbo, Plus en Picnic en het initiatief vanuit het Europees parlement, mede aangezwengeld door de VVD-fractie aldaar, om een Engelstalig etiket inclusief QR-code met verwijzing naar Nederlandse productinformatie, toe te staan voor producten in de supermarkt? Zo ja, hoe gaat u in de EU-raad opvolging geven aan dit initiatief?
Europese etiketteringsregelgeving bevat belangrijke eisen voor consumenteninformatie die op fysieke etiketten moet staan. Bijvoorbeeld over allergenen, een houdbaarheidsdatum en de ingrediëntenlijst. Deze zijn belangrijk vanwege gezondheidsrisico’s en om misleiding van de consument tegen te gaan Een QR-code brengt technische uitdagingen met zich mee. Niet iedereen in de samenleving is digitaal vaardig genoeg om zulke belangrijke informatie digitaal op te halen. Of is in het bezit van een smartphone.
Europese regels2 bepalen dat informatie op een product aangebracht moet worden in een in taal die gemakkelijk is te begrijpen in de lidstaat waar het levensmiddel wordt verkocht. Het staat buiten kijf dat Nederlands in Nederland een begrijpelijkere taal is dan het Engels. En dat het Nederlands hierdoor niet vervangen kan worden door het Engels. Een QR-code met verwijzing naar andere informatie in andere talen kan dus alleen als aanvulling op het Nederlands etiket. En niet als vervanging. In het kader van territoriale leveringsbeperkingen (TLB) vormt dat dus geen oplossing.
Etiketteringsregels kunnen belemmerend werken voor het vrij verkeer van goederen in Europa. Ik zie dan ook zeker toegevoegde waarde in het gebruik van een QR-code, maar zoals aangegeven is dat niet de oplossing voor TLB. In mijn voorgestelde aanpak voor TLB richt ik mij dan ook juist op het wegnemen van TLB die worden veroorzaakt door gedragingen van fabrikanten. Bijvoorbeeld door te weigeren om goederen te leveren aan Nederlandse retailers. Of door te verwijzen naar een Nederlands verkoopkantoor van een niet-Nederlandse fabrikant. Zulke praktijken knippen de Europese interne markt op en verhinderen dat retailers kunnen inkopen in een lidstaat naar keuze. Bijvoorbeeld in de lidstaat met de laagste inkoopprijzen.
Omdat TLB voorkomen bij grensoverschrijdende transacties, is een oplossing op Europees niveau nodig. Ik heb mij in Brussel met succes hard gemaakt om op dit op de Europese agenda te krijgen. Bijvoorbeeld met een paper dat is getekend door acht lidstaten3 en geagendeerd tijdens de Raad voor Concurrentievermogen afgelopen mei. Hierin werd de Europese Commissie opgeroepen om met een oplossing te komen. Rond juni van dit jaar verwacht ik dat de Commissie haar horizontale interne markt strategie aankondigt. Waarschijnlijk wordt een oplossingsrichting voor TLB hier ook in opgenomen.
Hoe schets u het krachtenveld in de Europese Unie om deze verandering in regelgeving voor elkaar te krijgen?
De Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport is beleidsverantwoordelijke voor wet- en regelgeving op het gebied van etikettering van levensmiddelen.4 Deze wet- en regelgeving is Europees gereguleerd in Verordening (EU) 1169/2011. De Europese Commissie weerspiegelt haar wet- en regelgeving op dit vlak door afspraken die worden gemaakt in een internationaal forum, de Codex Alimentarius Commission (Codex). De Codex is een VN-samenwerkingsverband, onder de vlag van zowel de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) en de FAO (Internationale Voedsel- en Landbouworganisatie).
QR-codes op levensmiddelen zijn in oktober 2024 besproken in Codex-verband. Hieruit kwam naar voren dat QR-codes aanvullend kunnen worden gebruikt op een levensmiddel, maar niet als vervanging van het fysiek etiket. Dat was ook de lijn van de Europese Commissie, die tot stand was gekomen na intensief overleg met de verschillende Europese Lidstaten.
Hoe geeft u uitvoering aan de aangenomen motie van de leden Kisteman en Zeedijk over onderzoeken hoe een QR-code op een etiket geïmplementeerd kan worden om een product in de nationale taal beschikbaar te stellen (Kamerstuk 27 879, nr. 97)
Sinds het aannemen van de motie hebben mijn ambtenaren en die van het Ministerie van VWS gesproken met meerdere stakeholders. Zelf heb ik ook rondetafelgesprekken gevoerd met zowel fabrikanten als retailers(branches) en inkooporganisaties. Daarnaast is de bespreking in Codex op de voet gevolgd. Zie het antwoord op de derde vraag voor de conclusie die ook in Codex werd getrokken Gezondheidsrisico’s en de mate van digitale vaardigheden onder consumenten spelen een belangrijke rol in deze afweging. Ik beschouw de motie van de leden Kisteman en Zeedijk hiermee afgedaan. Aanvullend onderzoek is daarmee niet nodig.
Hoeveel euro zou een gemiddeld Nederlands huishouden naar schatting op jaarbasis kunnen besparen als er een Engelstalig etiket met QR-code op producten in de supermarkt wordt toegestaan?
Ik heb geen cijfers over hoeveel euro een gemiddeld Nederlands huishouden naar schatting op jaarbasis kan besparen als een Engelstalig etiket met QR-code op producten in de supermarkt wordt toegestaan. Daarnaast ben ik niet bekend met onderzoeken hiernaar. In antwoord op vraag 3 beschreef ik al dat een Engelstalig etiket met QR-code niet de oplossing gaat zijn voor TLB. Daarom is het niet nodig om dit verder te onderzoeken.
Deelt u de mening dat inflatie een sluipschutter is voor de koopkracht van de werkende middenklasse, en dat de regering zich moet inspannen om de prijs van boodschappen betaalbaar te houden?
Ja. Ik deel de mening dat inflatie de koopkracht verslechtert. Daarbij zijn boodschappen een belangrijk onderdeel van de dagelijkste kosten.
Mijn acties op TLB gaan er hopelijk toe leiden dat de Europese Commissie met een oplossing gaat komen voor het probleem. Tegelijkertijd wil ik helder maken dat TLB geen motor is achter de inflatiecijfers.
Inflatie ziet namelijk op de procentuele verandering van het algemeen prijsniveau van jaar op jaar. Het wegnemen van TLBs kan op termijn tijdelijk een drukkend effect hebben hierop. Maar uiteindelijk is het doel bij het wegnemen van TLBs om de prijsniveaus te drukken.
Op dit moment werk ik samen met de Ministers van Financiën, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en mede namens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aan een Kamerbrief over inflatie. Het handelingsperspectief komt hierin ook naar voren. Deze brief ontvangt uw Kamer binnenkort.
De antwoorden op vragen over 'asielopvang in hotels' |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
|
Heeft het college van Vlaardingen gelijk als zij stelt dat uw antwoorden op de eerdere Kamervragen niet op kort verblijf in hotels betrekking hadden?1 en 2
Klopt de informatie van de burgemeester van Vlaardingen die in een interview na afloop van het debat van 9 januari 2025 met lokale omroep Twee stelde dat de asielzoekers in Vlaardingen als hotelgasten verblijven vanwege het korte verblijf?3
Klopt het dat een gemeente alleen op basis van de openbare orde en veiligheid asielopvang kan weigeren of zou dit ook op basis van andere gronden/motivering kunnen, zoals kort verblijf in hotels of zelfs zonder opgaaf van redenen?
Deelt u de mening van het college van Vlaardingen dat op 20 september 2024 stelde dat «de gemeente hier (lees: het weigeren van asielopvang in een hotel) geen zeggenschap over heeft»?4
Mogen er volgens het huidige bestemmingsplan überhaupt 100 asielzoekers worden gehuisvest, aangezien de bestemming horeca is?
Bent u bereid de democratische beslissing van de gemeenteraad, die het raadsvoorstel om 100 asielzoekers te huisvesten in een hotel niet heeft aangenomen, alsnog te respecteren en het Vlaardingse bod te vernietigen?
Bent u gezien de maatschappelijke ophef binnen en buiten Vlaardingen, zeker nu zij al 1.000 Oekraïners opvangen, bereid om met spoed, in overleg met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), een andere vorm van huisvesting voor deze asielzoekers buiten Vlaardingen te zoeken en Vlaardingen te ontzien van de spreidingswet?
Zijn er andere gemeenten die net als Vlaardingen tegen de wens van gemeenteraad en/of college gedwongen worden om asielzoekers op te vangen?
Heeft u kennisgenomen van het bericht: «Jonge slaper kan bij fonds Gasunie hele pensioen verliezen»?1
Ja.
Vindt u het acceptabel dat jonge slapers (20–35 jaar) in een slechtweerscenario hun hele pensioenopbouw kunnen verliezen?
Vooropgesteld, sociale partners en pensioenfondsen dragen ieder een zelfstandige verantwoordelijkheid voor de keuzes die ten grondslag liggen aan de transitie naar de nieuwe regeling. Het pensioenfonds betrekt het transitieplan van sociale partners – waarin de ondergrenzen van het verwacht pensioen staat beschreven – bij de eigen besluitvorming over de opdrachtaanvaarding en het eventuele verzoek tot invaren.
De uitvoerder zorgt ervoor dat het beleggingsrisico binnen de grenzen blijft die ervoor zorgen dat sprake is van een adequate oudedagsvoorziening. Er wordt hierbij gekeken naar de balans tussen (verwachte) opbrengsten en zekerheid, gespecificeerd op het profiel van de deelnemersleeftijdscohorten en pensioengerechtigden. Met het oog op dit laatste is het binnen bepaalde randvoorwaarden toegestaan om binnen een collectief beleggingsbeleid de leenrestrictie op te heffen voor deelnemers. Het opheffen van de leenrestrictie houdt in dat een deelnemerscohort meer dan 100% beleggingsrisico kan nemen. Dit is in het belang van de deelnemer als zij veel risico kan dragen omdat zij over veel menselijk kapitaal beschikt wat bijvoorbeeld het geval kan zijn bij jonge deelnemers. Het opheffen van de leenrestrictie past bij het life-cycle beginsel, waarbij het beleggingsrisico gedurende de opbouwfase geleidelijk wordt teruggenomen naar een niveau dat aansluit bij het beleggingsprofiel na de pensioendatum. Ik wil hierbij opmerken dat in het oude stelsel ook al sprake kan zijn van een hogere blootstelling dan 100% aandelenrisico’s voor jongere deelnemers. In het nieuwe stelsel wordt dit transparant gemaakt en onderdeel van een expliciete afweging door sociale partners en fondsbesturen. Hiertoe zijn in het nieuwe stelsel wettelijk vereisten opgenomen die dienen te worden betrokken in de governance van het fonds.
De bovengenoemde randvoorwaarden houden in dat de mate van risico die deelnemerscohorten wordt toebedeeld, moet passen bij de risicohouding van het cohort en dat de pensioenuitvoerder moet onderbouwen waarom het opheffen van de leenrestrictie in het belang van de deelnemer is (BuPw artikel 1e lid 1). De risicohouding dient te worden gebaseerd op in ieder geval de uitkomsten van het risicopreferentie-onderzoek (RPO), deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten. In artikel 14v Besluit Uitvoering Pensioenwet en Wet Verplichte Beroepspensioenregeling (BuPw) worden nadere voorwaarden gesteld aan het RPO. Daarin staat onder meer dat het RPO onderzoekt in welke mate een groep deelnemers, gewezen deelnemers (slapers) of pensioengerechtigden bereid is beleggingsrisico’s te lopen met het oog op hun doelstellingen en geeft ook de spreiding in de risicobereidheid binnen een groep. Het RPO betrekt daarbij eveneens de mate waarin deze groep beleggingsrisico’s kan dragen. Het bestuur stelt vervolgens een beleggingsbeleid op rekening houdend met de risicodraagkracht, de risicobereidheid en de spreiding in risicobereidheid, met in achtneming van bovengenoemde wettelijke waarborgen.
Wettelijk is geregeld dat eventuele negatieve vermogens moeten worden aangevuld. Pensioenfondsen onder de Wtp hebben ook het instrument van de solidariteits- en/of risicodelingsreserve om te compenseren voor sterk negatieve overrendementen.
Wat denkt u dat er gebeurt met het vertrouwen in het pensioenstelsel als een groep deelnemers het hele opgebouwde pensioen van jaren kwijtraakt?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 aangeef, gelden er randvoorwaarden die er voor zorgen dat pensioenuitvoerders zich bewust zijn van de risico’s en prudent met deze risico’s omgaan. Verder zijn enige nuanceringen op zijn plaats.
Het is goed om op te merken dat de jongste deelnemers nog weinig pensioenvermogen hebben kunnen opbouwen en het dus ook om een relatief kleine groep deelnemers met relatief weinig pensioenvermogen gaat. Daarnaast kan het ook zo zijn dat deze groep jonge slapers hun pensioen bij een ander pensioenfonds verder heeft opgebouwd. Pensioenfondsen en sociale partners dienen zich terdege bewust te zijn dat verlies van opgebouwd vermogen het vertrouwen in het eigen pensioenfonds en het pensioenstelsel als geheel kan verminderen en moeten het beleggingsbeleid en de bijbehorende risico’s daarom afstemmen op de risicohouding van de deelnemers. Pensioenfondsen onder de Wtp hebben ook het instrument van de solidariteits- en/of risicodelingsreserve om te compenseren voor sterk negatieve overrendementen.
Deelt u de mening dat het opheffen van de leenrestrictie, waardoor er nu met geleend geld belegd kan worden, geen goed idee is? Kunt u dat toelichten?
Aan het opheffen van de leenrestrictie zijn de nodige randvoorwaarden en waarborgen verbonden. Zoals reeds tijdens de wetsbehandeling is aangegeven, kan in het nieuwe pensioenstelsel de mate van collectieve risicodeling worden vergroot voor de deelnemers, zolang dit in lijn is met de risicohouding van het leeftijdscohort en onderbouwd in het belang van de deelnemers. Jongere deelnemers krijgen een hogere risicoblootstelling dan oudere deelnemers binnen het pensioenfonds. Hierdoor kan het vermogen beter worden aangewend, in belang van het collectief en de individuele deelnemers. Er wordt door het pensioenfonds geen geld geleend om te beleggen. Het pensioenfonds belegt collectief en verdeelt achteraf de rendementen: jongeren krijgen een groter dan gemiddeld deel van het risico en daarbij horende rendement, ouderen een kleiner deel. Dit past bij het feit dat jongeren meer risico kunnen nemen, omdat zij een langere tijdshorizon hebben tot aan het bereiken van de pensioenleeftijd dan oudere deelnemers. Hiermee vindt een onderbouwde weging plaats door het pensioenfondsbestuur tussen de kans op het verliezen van de pensioenopbouw en de kans op een hoger en daarmee koopkrachtiger toekomstig pensioenresultaat. Hierin is een balans gevonden door de opheffing van de leenrestrictie op 150% te begrenzen. Het opheffen van de leenrestrictie leidt bij een collectief beleggingsbeleid tot welvaartswinst. Over de hele levensloop gezien kan met dezelfde totaal aan ingelegde premies een hoger en stabieler pensioenresultaat worden bereikt, tegen vergelijkbare risico’s. Dit komt omdat binnen het beleggingscollectief de risico’s kunnen worden gespreid. Berekeningen van het CPB 2, Aegon Asset Management3 en Ortec Finance4 laten zien dat het pensioenresultaat met 3% tot 7% omhoog kan gaan bij het opheffen van de leenrestrictie tot 150%. Desalniettemin is het mogelijk dat onder slechtweerscenario’s een substantieel deel van de ingelegde premies verloren kan gaan bij jonge deelnemers. Het gaat hierbij om langdurig sterk negatieve economische omstandigheden. De kans daarop kan als zeer klein worden beschouwd, ook doordat de feitelijke beleggingsportefeuille sterk gediversifieerd is met veel verschillende beleggingscategorieën. Bovendien geldt dat het pensioenfonds de mogelijkheid heeft om achteraf eventuele zware verliezen via de solidariteits- of risicodelingsreserve te compenseren. Tot slot is er bij jongere deelnemers sprake van een lange horizon tot aan het pensioen. Verliezen aan het begin van de carrière kunnen dan gedurende de rest van opbouwfase worden goed gemaakt binnen het fonds en eventueel door de jonge deelnemer zelf met de inzet van zijn arbeidsvermogen over zijn nog resterende carrière.
Effectief kan de blootstelling maximaal 150% beleggingsrisico betreffen voor een specifiek leeftijdscohort. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 moet een pensioenuitvoerder die hiervoor opteert onderbouwen waarom dit in het belang van desbetreffende deelnemers is (BuPw artikel 1e lid 1). Dit is een expliciet onderdeel van de fondsgovernance.
Wat gaat u eraan doen om ervoor te zorgen dat pensioendeelnemers, die verplicht deelnemen in een fonds, niet het risico lopen om al hun geld kwijt te raken?
Ik vind dat de huidige governancevereisten en waarborgen het risico voldoende beperken.
De vereisten houden in dat de mate van risico die aan een groep deelnemers wordt toebedeeld, moet passen bij de voor hen vastgestelde risicohouding en dat een pensioenuitvoerder die ervoor kiest de leenrestrictie op te heffen, expliciet moet onderbouwen waarom dit in het belang van de deelnemers is (BuPw artikel 1e lid 1). DNB houdt hier toezicht op.
Ik begrijp echter de zorgen van de vragenstellers. Pensioenfondsen hebben de belangrijke taak om voor alle deelnemers op een prudente manier met financiële risico’s om te gaan. De komende jaren zal ik daarom evalueren hoe pensioenuitvoerders die gebruik maken van het opheffen van de leenrestrictie hun verantwoordelijkheid hebben ingevuld en voldaan hebben aan bovengenoemde waarborgen en randvoorwaarden die in de governance van pensioenfondsen zijn vastgelegd. Dit zal worden meegenomen als onderdeel van de wetsevaluatie zoals deze in de Wtp is opgenomen.
Wat zou de AFM-risico-indicator zijn van een beleggingsproduct waarbij men de hele inzet kan kwijtraken? Is het verstandig om dat als pensioenregeling te doen?
De vergelijking van het collectieve beleggingsbeleid van een pensioenfonds met een individueel beleggingsproduct gaat niet op. Bij het collectieve beleggingsbeleid gelden er andere randvoorwaarden en waarborgen dan voor het individuele beleggingsproduct. Zo moet een pensioenuitvoerder onderbouwen waarom dit in het belang van de deelnemers is. Bij het opheffen van de leenrestrictie is sprake van een aanvullende onderbouwingsvereiste naast het algemeen geldende prudent-person beginsel. Daarnaast moeten regels vastgelegd worden waarin wordt beschreven op welke wijze negatieve pensioenvermogens worden voorkomen en zo nodig aangevuld.
Bent u bereid in overleg te treden met de sociale partners en tot afspraken en regelgeving te komen waarmee mensen niet hun hele pensioenopbouw kunnen kwijtraken?
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 5 zie ik geen reden voor nadere afspraken en/of regelgeving. De wet begrenst de mogelijkheden om meer dan 100% beleggingsrisico te nemen in voldoende mate en biedt adequate waarborgen voor een zorgvuldige risico-afweging in het belang van alle deelnemers.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen twee weken beantwoorden?
De beantwoording van de vragen heeft vanwege de benodigde afstemming langer geduurd. Hierover is de Kamer geïnformeerd.
De wijze waarop geluidshinder rondom Schiphol wordt gemodelleerd, gevalideerd en gemeten |
|
de Vos |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Klopt het dat geluidshinder rondom Schiphol jarenlang alleen werd berekend op basis van modellen die niet werden gevalideerd aan de hand van metingen? Zo ja, sinds wanneer en tot wanneer is geluidshinder op deze wijze berekend?
Nee, geluidhinder rond Schiphol wordt berekend op basis van een zogenaamde blootstellings-responsrelatie (dosis-effectrelatie). Deze relatie wordt opgesteld op basis van enquêtemetingen onder inwoners in de omgeving van de luchthaven. De metingen worden al gebruikt om deze dosis-effectrelatie op te stellen. Ze kunnen daarom niet nogmaals worden gebruikt voor validatie.
Echter, de geluidbelasting van Schiphol wordt wel sinds de jaren ’60 berekend op basis van modellen. Tot enkele jaren geleden werden deze niet gevalideerd op basis van metingen. In 2017 is een eerste trendvalidatie gedaan.1 In deze trendvalidatie werd een vergelijking gemaakt van berekende en gemeten geluidbelastingen) die hoorde bij de invoering van de nieuwe Europese rekenmethode (Doc29) voor Schiphol. Deze trendvalidatie was de aanleiding voor het starten van de «Programmatische Aanpak Meten (en berekenen) Vliegtuiggeluid» (PAMV) dat in opdracht van het Ministerie van IenW is uitgevoerd van april 2019 tot mei 2024 door een consortium onder leiding van het RIVM. Tijdens de uitvoering van de PAMV is een tweede (trend)validatie uitgevoerd, dit keer voor de situatie van 2019. Hieruit volgt dat berekeningen een goede representatie zijn van de werkelijkheid en dat structurele validatie kan signaleren (signaalfunctie) wanneer er grote verschillen optreden tussen meet- en rekenresultaten en of deze verschillen toenemen ten opzichte van eerdere vergelijkingen. In de brief van 21 mei 2024, waarin is aangekondigd dat de PAMV is afgerond, is de Kamer dan ook geïnformeerd dat het rekenmodel Doc29 voor Schiphol voortaan structureel gevalideerd wordt op basis van metingen.2
Klopt het dat de modellen die geluidshinder rondom Schiphol berekenen sinds kort wel worden gevalideerd aan de hand van metingen? Zo ja, sinds wanneer is dat het geval?
Validatie van het model dat de geluidbelasting rondom Schiphol bepaalt vindt plaats sinds 2017. Zie het antwoord op vraag 1.
Worden de metingen zoals genoemd in vraag 2 alleen gedaan via de 41 meetpunten van het Noise Monitoring System (NOMOS) of ook via andere meetpunten? Kunt u uw antwoord toelichten?
De meetposten waarvan de metingen worden gebruikt voor de validatie moeten voldoen aan bepaalde criteria. Deze criteria zijn opgenomen in de nationale meetstrategie die met de Kamer is gedeeld.3 In de omgeving van Schiphol voldoen 30 van de 41 meetposten van het Noise Monitoring System (NOMOS) hieraan. Daarnaast zijn ook pragmatische zaken van belang die bepalend kunnen of een meetpost wordt meegenomen. Bijvoorbeeld de snelle beschikbaarstelling van de meetdata en het aanleveren van documentatie door de eigenaar van de meetpost waaruit de RIVM kan concluderen dat wordt voldaan aan eerder bedoelde criteria. Het ministerie heeft geen invloed op welke meetposten wel/niet worden meegenomen voor de validatie.
Zijn de NOMOS-metingen sinds zij in gebruik zijn genomen onveranderd gebleven? Zo nee, kunt u aangeven in welk opzicht zij zijn veranderd en welk effect dit heeft op de vergelijkbaarheid van de metingen over de tijd?
In 1993 zijn de eerste meetposten van NOMOS in gebruik genomen. Sindsdien zijn er vrijwel uitsluitend meetposten bijgekomen. Soms is een meetpost vervallen, bijvoorbeeld omdat het gebouw waarop de meetpost stond, is gesloopt. Het meetnetwerk is sinds 2019 (jaar van meest recente validatie) niet gewijzigd.
Klopt het dat de NOMOS-metingen uitsluitend in de buitenlucht worden gedaan op masten van zes tot tien meter hoogte? Zo nee, waar vinden deze metingen dan wel plaats?
Ja, een geluidmeetpost bestaat uit een mast van 6 tot 10 meter met daarop een gekalibreerde microfoon.4
Op welke wijze houdt NOMOS rekening met vals positieve en vals negatieve metingen, bijvoorbeeld wanneer een vliegtuig overvliegt op het moment dat een vrachtwagen langsrijdt en deze geluidshinder respectievelijk (uitsluitend) wel of niet aan het vliegtuig wordt toegeschreven?1 Kunt u uw antwoord toelichten?
NOMOS beschikt over een algoritme waarbij de kans zeer groot is dat het gemeten niveau een vliegtuig betreft. Onderdeel van het algoritme zijn onder andere een drempelwaarde die moet worden overschreden, en radardata waaruit blijkt dat een vliegtuig nabij de meetpost is. Een en ander wordt beschreven in de internationale norm ISO 20906:2009 (unattended monitoring of aircraft sound in the vicinity of airports) die hiervoor voorschriften geeft. De meetposten van NOMOS voldoen aan deze norm. Daarnaast is bij de opstelplaats van de meetpost rekening gehouden met de impact van stoorgeluid op de meetresultaten te minimaliseren. Dit is bijvoorbeeld een belangrijke reden waarom metingen in de gebouwde omgeving (met veel mogelijke stoorgeluiden) moeilijk uitvoerbaar zijn.
Vindt u metingen in de buitenlucht een betrouwbare manier om de geluidshinder te meten die omwonenden binnenshuis ervaren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, het is een betrouwbare manier om het geluidniveau buiten te meten. Maar nee, het is niet bedoeld om de hinder van het geluid te meten. Zie hiervoor het antwoord op vraag 1. De geluidmetingen die met NOMOS en andere meetsystemen in de omgeving van Schiphol plaatsvinden zijn bedoeld als informatievoorziening aan omwonenden over de geluidbelasting van passerende vliegtuigen. Daarbij worden de metingen van NOMOS sinds kort ook gebruikt voor validatie van het rekenmodel die de geluidbelasting van het vliegverkeer van en naar Schiphol bepaald. Dit staat los van de hinder die omwonenden binnenshuis of buitenshuis kunnen ervaren van de geluidbelasting.
Bent u het met de indiener eens dat het beter zou zijn om gemodelleerde geluidshinder (ook) te valideren aan de hand van metingen die binnenshuis zijn gedaan en hierbij ook de effecten van een open raam, bouwstijl en type en mate van isolatie mee te nemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid het meetsysteem hierop aan te passen?
Nee, omdat het model de geluidbelasting van passerende vliegtuigen buitenshuis berekent, moeten metingen hierop aansluiten. Hier is het Doc29 rekenmodel en bijbehorende bepalingsmethodiek voor ontwikkeld. Dit rekenmodel is voorgeschreven door de Europese richtlijn Omgevingslawaai. Het kan niet de geluidbelasting binnenshuis bepalen. Hiervoor zijn aanvullende gegevens noodzakelijk, zie antwoord 9.
Bent u het met de indiener eens dat de meetwijze, zoals toegelicht in vraag 8, een manier is om de omwonenden van Schiphol beter te betrekken bij het monitoren van de door hen ervaren geluidshinder en effectiever te helpen deze geluidshinder te minimaliseren, bijvoorbeeld door hun woningen te isoleren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Zoals bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven is er een verschil tussen de geluidbelasting van vliegverkeer en de hinder die mensen hiervan kunnen ervaren. Het binnenshuis meten van de geluidbelasting van vliegverkeer bij omwonenden geeft geen inzicht in de hinder die deze omwonenden dan ervaren. Het is bovendien praktisch moeilijk te realiseren en zeer kostbaar om bij grote groepen omwonenden binnenshuis het geluid te meten of de geluidwering van gevels en/of daken (open raam, bouwstijl, isolatie-eigenschappen van materialen, etc.) van die woningen vast te stellen.
In het Commissiedebat Luchtvaart van 24 oktober jl. is aan het Kamerlid De Groot (VVD) toegezegd dat de Kamer voor de zomer van 2025 de eerste uitwerking ontvangt van de wijze waarop het proces van het meten van vliegtuiggeluid concreet zal worden vormgegeven. Hierbij wordt ook betrokken of er toegevoegde waarde is in de inzet van geluidmetingen ten behoeve van het monitoren van geluidbelasting. De geluidhinder van omwonenden wordt vierjaarlijks in beeld gebracht middels enquêtes die door de GGD-en worden afgenomen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat bij GGZ Veenendaal het omzetplafond van Zilveren Kruis/Achmea al in januari bereikt is |
|
Sarah Dobbe |
|
Karremans , Fleur Agema (PVV) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat bij GGZ Veenendaal het omzetplafond van Zilveren Kruis/Achmea al in januari bereikt is?1
Ik heb kennis genomen van het bericht op de website van GGZ Veenendaal dat het budget dat Zilveren Kruis beschikbaar heeft gesteld voor 2025 alleen nog toereikend is voor verzekerden van Zilveren Kruis die op de wachtlijst staan bij GGZ Veenendaal. Er kunnen daarom geen nieuwe verzekerden van Zilveren Kruis op de wachtlijst worden gezet bij GGZ Veenendaal.
Voor mij is het van belang dat zorgverzekeraars aan hun zorgplicht voldoen. Ik ga daar in mijn volgende antwoorden op in.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een zorgverzekeraar, door toepassing van zo’n streng omzetplafond, diens verzekerden vrijwel het hele jaar de toegang tot een ggz-aanbieder ontzegt?
Ook bij een omzetplafond blijft de zorgverzekeraar gehouden aan de zorgplicht. Verzekerden kunnen hun zorgverzekeraar om zorgbemiddeling vragen. Als iemand niet snel genoeg bij een zorgaanbieder terecht kan, moet de zorgverzekeraar bemiddelen naar een zorgaanbieder waar deze wel terecht kan. Als dat niet lukt, kan de zorgverzekeraar ook de zorg van (bepaalde) niet-gecontracteerde aanbieders vergoeden alsof er een contract is, om aan zijn zorgplicht te voldoen.
Deelt u de mening dat dit onuitlegbare verschillen in de toegang tot noodzakelijke zorg creëert tussen mensen die bij verschillende verzekeraars verzekerd zijn?
Verzekerden kunnen ieder jaar kiezen voor een polis die het beste bij hen past. Het is belangrijk – als verzekerden specifieke wensen hebben ten aanzien van zorgaanbieders – dat zij er daarbij op letten of de zorgaanbieder van hun voorkeur is gecontracteerd en of er omzetplafonds worden gehanteerd. Zorgverzekeraars zijn verplicht hun verzekerden daar goed over te informeren, op grond van de Regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten.2
Bent u bereid om Zilveren Kruis/Achmea aan te spreken op het feit dat zij hun verzekerden in Veenendaal de toegang tot noodzakelijke geestelijke gezondheidszorg (ggz) dichtbij ontzeggen?
Het is niet aan mij om een zorgverzekeraar aan te spreken op hun zorgplicht. De NZa houdt onafhankelijk toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars.
Wat zijn hiervan de gevolgen voor de mensen die ggz nodig hebben? Op welke manier is de zorg hiermee gediend?
Zorgverzekeraars kopen zorg in zodat zij aan hun zorgplicht voor hun verzekerden kunnen voldoen. Daarbij worden omzetplafonds door verzekeraars met name ingezet om schaarse capaciteit te verdelen. In de ggz is er namelijk sprake van een grotere vraag naar zorg dan dat er aanbod beschikbaar is. Dit is een complex vraagstuk, dat onder meer te verklaren is vanuit de toenemende vraag naar (lichtere) ggz-zorg die niet kan worden opgevangen met nog grotere groei in het aantal professionals dat in de ggz werkt. Ondanks dat het aantal zorgprofessionals werkzaam in de ggz en het budget voor de ggz nog nooit zo groot zijn geweest als nu, nemen de wachttijden toe, zeker voor mensen met complexe psychische problematiek. Het is aan zorgverzekeraars om ervoor te zorgen dat omzetplafonds eraan bijdragen dat de zorg terecht komt bij de cliënten die de zorg het hardst nodig hebben. Dit voorjaar zal de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport uw Kamer informeren over de maatregelen die hij wil treffen om de toegankelijkheid van de ggz te verbeteren, zeker voor mensen met ernstige, complexe problematiek.
Hoe vaak lukt het verzekeraars om verzekerden die aanlopen tegen een omzetplafond in de ggz alsnog binnen de Treeknormen ggz aan te bieden?
Zilveren Kruis heeft mij hierover laten weten dat zij voor de Basis GGZ de zorg binnen de Treeknorm kunnen aanbieden, echter niet in alle regio’s; dat heeft ermee te maken dat met name in dunnerbevolkte gebieden minder aanbod aanwezig is. Voor de specialistische GGZ en complexere zorgvragen is de Treeknorm – uitgaande van 4 weken wachttijd voor een intake – moelijker te halen dan in de Basis GGZ. De zorgverzekeraar kan dit niet kwantificeren, door een gebrek aan betrouwbare wachtlijst- en wachttijdeninformatie.
In 2024 heeft Zilveren Kruis zorgbreed circa 10.000 mensen bemiddeld naar een zorgaanbieder waar ze sneller geholpen kunnen worden en daarmee 822.964 wachtdagen bespaard.
In zijn algemeenheid ben ik van mening dat de wachttijden in de ggz te lang zijn, zeker voor mensen met een complexe zorgvraag. Dit is een complex vraagstuk, dat onder meer te verklaren is vanuit de toenemende vraag naar geestelijke gezondheidszorg in combinatie met toenemend gebrek aan personeel. In het kader van het Integraal Zorgakkoord is daarom een brede set aan afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van de ggz te borgen. Daarbij is de handhaving van de zorgplicht een deel van de oplossing, maar ben ik van mening dat we breder moeten kijken. De NZa vervult als toezichthouder op de zorgplicht een belangrijke rol, in dit kader wijs ik graag op de maatregel die zij eerder aan meerdere zorgverzekeraars hebben opgelegd. Hiermee pakt de NZa nadrukkelijk de handschoen op als het gaat over de handhaving van de zorgplicht.
Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid kijk ik op mijn beurt breed naar maatregelen die ten goede komen aan de toegankelijkheid van de ggz; hierover hopen we uw Kamer binnen afzienbare termijn te kunnen informeren.
Is bij u bekend hoeveel ggz-aanbieders nu al hun omzetplafond bij één of meerdere zorgverzekeraars hebben bereikt? Zo nee, bent u bereid om dit uit te zoeken?
Ik heb hier geen informatie over. Zoals hiervoor al aangegeven gaat het mij erom dat zorgverzekeraars aan hun zorgplicht voldoen. Bij het bereiken van een omzetplafond bij een zorgaanbieder kan de zorgverzekeraar nog op verschillende manieren aan de zorgplicht voldoen. De NZa houdt daar toezicht op. Ik zie daarom geen meerwaarde in het uitzoeken hoeveel zorgaanbieders hun omzetplafond hebben bereikt.
Bent u bekend met de berichten «Oppermachtig Rwanda is in Congo vooral op zoek naar kostbare grondstoffen»1 en «EU speelt gevaarlijk dubbelspel met Rwanda in Congo»?2
Ja.
Welke stappen onderneemt het kabinet om de 400.000 mensen die volgens de Verenigde Naties (VN) al op de vlucht zijn geslagen,3 op te vangen en te voorzien van humanitaire hulpgoederen, al dan niet in samenwerking met de overheid van de Democratische Republiek Congo (DRC)?
De situatie in Oost-Congo is zeer zorgwekkend. De humanitaire situatie was al ernstig en is verder verslechterd door de opmars van M23 en het opgelaaide geweld. Het land had al te kampen met 7 miljoen ontheemden, voornamelijk in het oosten, en dat aantal stijgt nu in hoog tempo verder. De humanitaire hulpverlening is grotendeels stilgevallen. Momenteel kijken organisaties hoe ze de hulpverlening weer op kunnen starten onder de huidige omstandigheden.
Nederland draagt bij aan verlichting van de humanitaire noden door middel van financiële bijdragen aan verschillende humanitaire programma’s en fondsen. In 2024 droeg Nederland EUR 10 miljoen bij aan het Humanitaire Fonds voor de DRC van de VN. Daarnaast draagt Nederland via de Dutch Relief Alliance (DRA) voor de periode 2024–2026 zo’n EUR 17,4 miljoen bij aan de humanitaire respons in Oost-Congo. Verder maakte de Dutch Relief Alliance (DRA) op 6 februari 2025 3 euro miljoen vrij voor hulp in Oost-Congo en steunde Nederland in 2024 het humanitaire landenfonds in de DRC met een bijdrage van 10 miljoen euro. Ook in 2025 zal Nederland aan het humanitaire landenfonds bijdragen.
Verder draagt Nederland bij aan de humanitaire respons via ongeoormerkte middelen. Zo is er 17 miljoen dollar vrijgemaakt voor urgente noden in Oost-Congo uit het Central Emergency Response Fund (CERF) van de VN, waarvan Nederland een grote donor is. Tot slot draagt Nederland ook in EU-verband bij aan de crisisrespons. De EU heeft EUR 60 miljoen toegezegd om de nieuwe noden in Oost-Congo te ledigen, waarvan EUR 25 miljoen al is gealloceerd.
Deelt u de constatering van de VN dat het Rwandese leger feitelijk controle heeft over de militaire acties van M23?4 Beoordeelt u het handelen van Rwanda als een inbreuk op de soevereiniteit van de Congolese staat en daarmee dus als een oorlogsdaad? Zo ja, welke stappen onderneemt u? Zo nee, waarom beoordeelt u het handelen zo niet?
Nederland deelt de visie van de VN over de Rwandese steun aan M23, zoals ook aangetoond in rapporten van de VN Group of Experts. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VNVR) en de EU hebben verklaard dat de opmars van M23 en de aanwezigheid van Rwandese troepen op Congolees grondgebied een schending van het internationaal recht en het VN Handvest betekent. Tijdens de VN Veiligheidsraad op 21 februari jl. werd dan ook resolutie 2773 unaniem aangenomen, die M23 oproept om de gewelddadigheden te staken en zich onmiddellijk terug te trekken uit Goma, Bukavu en andere veroverde gebieden. Ook wordt Rwanda in deze resolutie opgeroepen steun aan M23 te staken en Rwandese troepen van DRC grondgebied terug te trekken. De VNVR sprak ook de mogelijkheid uit tot opleggen van aanvullende maatregelen om het bovenstaande te bewerkstelligen.
Nederland spreekt Rwanda bilateraal, via de EU, en via de International Contact Group for the Great Lakes (ICG) aan op steun aan M23 en de schending van de soevereiniteit van de DRC door de aanwezigheid van duizenden Rwandese militairen op Congolees grondgebied. Deze zaken zijn ook veroordeeld in de EU-verklaring over de situatie van 25 januari, en de ICG verklaringen van 25 januari 2025 en 19 februari 2025, respectievelijk na de val van Goma en de val van Kavumu en Bukavu. In een recent telefoongesprek met zijn Rwandese ambtsgenoot heeft de Minister van Buitenlandse Zaken dringend aandacht gevraagd voor de humanitaire situatie, en de Rwandese steun aan M23 veroordeeld. Ook riep de Minister op tot het respecteren van de territoriale integriteit van de DRC, en tot een diplomatieke oplossing van het conflict.
In de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) op 24 februari jl. benadrukte de Minister voorts opnieuw dat de territoriale integriteit van de DRC gerespecteerd moet worden en riep op tot concrete maatregelen richting Rwanda, specifiek de opschorting van de veiligheidsdialoog en het opschorten van de EU-Rwanda afspraken (memorandum van overeenstemming) over duurzame waardeketens voor kritieke grondstoffen. Ook pleitte Nederland voor een onmiddellijk en onvoorwaardelijk staakt-het-vuren en steun aan de regionale vredesprocessen.5
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor sancties tegen de Rwandese overheid vanwege haar inbreuk op de Congolese soevereiniteit?
Er zijn momenteel EU-sancties in werking tegen leden van M23 en functionarissen van het Rwandese leger. In de eerdergenoemde EU-verklaring van 25 januari 2025 benadrukte de Hoge Vertegenwoordiger (HV) van de Unie dat de EU alle middelen waarover zij beschikt zal overwegen om degenen die verantwoordelijk zijn voor de instandhouding van het gewapende conflict en van instabiliteit en onveiligheid in de DRC ter verantwoording te roepen. Sancties maken hier ook onderdeel van uit. Nederland heeft tijdens de EU RBZ op 24 februari 2025 aangegeven additionele sancties te verwelkomen. Na afloop van de RBZ kondigde de HV een politiek besluit op het implementeren van sancties aan.
Waarom is de ambassadeur van Rwanda niet ontboden om tekst en uitleg te geven?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft rechtstreeks gebeld met zijn Rwandese ambtsgenoot en de steun van Rwanda aan M23 en de aanwezigheid van Rwandese troepen op Congolees grondgebied veroordeeld. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. Daarnaast heeft de EU op 21 februari jl. de Rwandese ambassadeur voor de EU ontboden.
Wat is uw reactie op de bevindingen van experts dat het grootste deel van de grondstoffen afkomstig is uit Congo en niet uit Rwanda zelf? Welke stappen neemt u en/of de EU om te garanderen dat de grondstoffen enkel en alleen uit Rwanda zelf afkomstig zijn?
Het kabinet is op de hoogte van de wijdverspreide illegale handel in grondstoffen in de Grote Meren-regio waarin zowel regionale als internationale actoren een rol spelen. Ook is het kabinet zich bewust van de rol van grondstoffen in het al decennia voortdurende conflict in het Oost-Congo. De VN Group of Experts heeft dit beeld recent bevestigd en benoemt de rol van Rwanda daarin.6
De EU en Nederland beogen daarom verantwoorde winning, transparantie van grondstoffenketens en traceerbaarheid/certificering van grondstoffen uit de Grote Merenregio te vergroten en tegelijkertijd een bijdrage te leveren aan de directe veiligheidssituatie en de (werk)omstandigheden in de mijnbouw en lokale handel.
Dit gebeurt ten eerste door ondersteuning aan autoriteiten in de regio. Nederland, evenals de EU, steunt de International Conference on the Great Lakes Region (ICGRL) ter versterking van het certificeringsmechanisme voor grondstoffen. Daarnaast steunt Nederland ontwikkelingsprojecten in Oost-Congo gericht op verantwoorde winning en handel van artisanale kleinschalige mijnen. Voorts leveren internationale organisaties een bijdrage aan capaciteitsopbouw en kennisopbouw over de rol van grondstoffen in de regio en het bevorderen van legale en traceerbare handel in grondstoffen. Nederland financiert op dit gebied de implementatie en toetreding van ontwikkelingslanden tot het Extractive Industries Transparancy Initiative Hier is Rwanda (nog) geen lid van, het EU – Rwanda grondstoffenpartnerschap gaat o.a. over toetreding van Rwanda tot EITI. en het Intergovernmental Forum on Mining, Minerals, Metals and Sustainable Development.7
Een ander element is de Europese wetgeving ten aanzien van de import van conflictmineralen (Verordening 2017/821) die sinds 2021 van kracht is. De Verordening verplicht bedrijven in de EU die goud, tin, tantaal of wolfraam importeren – dit zijn grondstoffen die in Oost-Congo gewonnen worden – om gepaste zorgvuldigheid toe te passen op basis van de «OESO richtsnoeren inzake passende zorgvuldigheid voor verantwoorde toeleveringsketens voor mineralen uit conflict- en hoogrisicogebieden». Nederland, en de EU, steunen tevens het implementatieprogramma van de OESO voor deze richtsnoeren. Als «flankerende maatregel» heeft Nederland het European Partnership for Responsible Minerals mede-opgericht dat projecten in conflict- en hoogrisicogebieden financiert gericht op betere omstandigheden en markttoegang voor artisanale kleinschalige mijnbouw. Ook liep Nederland internationaal voorop met de ontwikkeling van de IMVO-convenanten goud en metaal (beide inmiddels afgelopen) waarin bedrijven samen met vakbonden, maatschappelijke organisaties en de overheid werkten aan een schone keten.
Bent u bereid om vanwege deze inbreuk van de Congolese soevereiniteit door Rwanda binnen de EU te pleiten voor het verbreken van de grondstoffendeal tussen de EU en Rwanda uit 2024? Zo nee, waarom niet?
Het grondstoffenpartnerschap met Rwanda is in de vorm van een niet-bindend Memorandum of Understanding (MoU). Daarin wordt gesteld dat het partnerschap beoogt bij te dragen aan de transparantie, traceerbaarheid en het versterken van de strijd tegen de illegale handel in grondstoffen in de regio. Het partnerschap ziet specifiek toe op het aanpakken van illegale handel en witwassen, inclusief het bestrijden van gesmokkelde mineralen. Het MoU dient zodoende als vertrekpunt voor de dialoog met Rwanda over deze zorgen. In EU verband is gesproken over maatregelen richting Rwanda om de steun aan M23 en de recente opmars in Oost-Congo te veroordelen. Een mogelijke opschorting van het MoU maakt hier onderdeel van uit. Tijdens de EU RBZ op 24 februari jl. heeft Nederland gepleit, net als verscheidene andere lidstaten, voor een schorsing van het MoU. Wel benadrukt Nederland dat maatregelen als deze hand in hand moeten gaan met politieke dialoog op hoog niveau. Tijdens de RBZ werd geconcludeerd dat het opschorten van het MoU nader zal worden besproken in onderraden.
Wat zijn de Nederlandse beleidsdoelstellingen ten aanzien van de DRC en het grondstoffenbeleid? Bent u van mening dat Nederland voldoende heeft gedaan om toe te werken naar deze doelstellingen?
De DRC is een partner van (geo)-strategisch belang voor Nederland en de EU, op het gebied van onder andere stabiliteit, grondstoffen en duurzame handel. Het is derhalve van belang in te blijven zetten op de relatie met de DRC.
De algemene doelstellingen van het grondstoffenbeleid op het gebied van verduurzaming van grondstoffenketens en diversificatie zijn gegeven in de Nederlandse grondstoffenstrategie.
Ten aanzien van de grondstoffenwinning in (Oost-)Congo zet Nederland in op verantwoorde winning en handel in grondstoffen, zodat deze sector bijdraagt aan duurzame economische ontwikkeling en stabiliteit in de regio. Nederland pleit daarbij voor inzet op lokale waardetoevoeging in grondstofproducerende landen. Nederland heeft specifiek aandacht voor de sociale omstandigheden (waaronder vrouwenrechten) en milieu-impact in de artisanale kleinschalige mijnbouw zoals die in de Grote Merenregio veelvoorkomend is. Deze sector kan een belangrijke motor zijn voor inkomen, werkgelegenheid en economische ontwikkeling maar gaat gepaard met grote uitdagingen. Nederland werkt, met gelijkgezinde partners, toe naar verantwoorde productie en internationale markttoegang van artisanale kleinschalige mijnbouw-grondstoffen. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Het bericht dat het plaatsen van een spiraaltje bij de helft van vrouwen voor hevige pijn zorgt |
|
Sarah Dobbe |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het plaatsen van een spiraaltje bij de helft van vrouwen voor hevige pijn zorgt?1
Ik vind het een belangrijk signaal dat zoveel vrouwen aangeven dat zij veel pijn ervaren bij de plaatsing van een spiraal. Ik vind het van groot belang dat dit signaal serieus wordt genomen door zorgverleners die deze handeling uitvoeren en door de organisaties die hiervoor de richtlijnen opstellen. Daarom vind ik het goed dat het Nederlands Huisartsengenootschap (NHG) mij heeft laten weten dat zij kijken naar mogelijkheden om het beleid van de huisarts ten aanzien van spiraalplaatsing en vermindering van pijn daarbij te verbeteren. Zij zijn daarom met voorrang begonnen aan herziening van de aanbeveling hierover in de NHG-Standaard Anticonceptie.
Deelt u de analyse dat de pijn die door een groot deel van de vrouwen bij het plaatsen van een spiraaltje wordt ervaren een onwenselijke drempel vormt voor anticonceptiegebruik? Zo ja, deelt u de mening dat, gezien het afnemende anticonceptiegebruik, het van groot belang is om deze drempel te verlagen?
Ik vind het belangrijk dat vrouwen zo min mogelijk drempels ervaren bij het gebruik van anticonceptiemiddelen. Uit het onderzoek van Ipsos I&O komt een duidelijk signaal dat vrouwen de mogelijke (angst voor) pijn mee laten wegen bij hun afweging of zij een spiraal laten plaatsen. Dat kan ik me ook goed voorstellen. Tegelijkertijd ga ik als Minister van VWS niet over de manier waarop zorgverleners zorg verlenen, voor zover het medisch-inhoudelijke overwegingen betreft. Pijnbestrijding kent ook risico’s en nadelen en het is aan zorgverleners om op basis van hun kennis over wetenschap en praktijk in te schatten wat passende zorg is. Daarbij vind ik het van groot belang dat zij het perspectief van de patiënt zwaar meewegen.
Daarnaast vind ik het belangrijk dat vrouwen of stellen eerlijke voorlichting krijgen over de voor- en nadelen van anticonceptiemethodes, op basis van evidence-based richtlijnen. Zoals ik in de Verzamelbrief Eerstelijnszorg al met u Kamer deelde, heb ik het NHG gevraagd om aandacht te hebben voor goede en begrijpelijke communicatie over dit onderwerp richting vrouwen en huisartsen.2 Dit om vrouwen die overwegen een spiraal te laten plaatsen te helpen bij hun afwegingen en bij de voorbereiding op de plaatsing. De vrouw of het stel kan op basis daarvan een keuze maken voor een methode die bij haar past. Naast het spiraaltje zijn er meerdere andere betrouwbare anticonceptiemethodes waar vrouwen voor kunnen kiezen.3
Uit resultaten van de Monitor Seksuele Gezondheid 2023 blijkt dat het gebruik van een spiraal als anticonceptie afgelopen jaren is toegenomen. In 2017 gebruikte 17% van de vrouwen tussen de 18 en 49 jaar een spiraal, en in 2023 was dit percentage 21%.4 De belangrijkste reden die vrouwen in dit onderzoek noemen om geen anticonceptie te gebruiken, is dat ze geen hormonen willen gebruiken.
Hoe komt het dat er bij minder ingrijpende behandelingen bij de tandarts wel meer pijnbestrijding wordt aangeboden, terwijl dit bij het plaatsen van een spiraaltje niet gebeurt?
Op basis van wetenschap en praktijk maken beroepsgroepen richtlijnen, die ook ingaan op eventuele pijnbestrijding bij behandelingen. Daarbij worden voor- en nadelen en risico’s zorgvuldig afgewogen. Huisartsen bieden pijnstilling volgens de NHG-Standaard Anticonceptie, waarin orale pijnstilling wordt geadviseerd voor en na de plaatsing van de spiraal, wat vooral effect heeft op de krampen in de uren na de plaatsing. Het NHG neemt de signalen dat een deel van de vrouwen (veel) pijn ervaart bij plaatsing van een spiraal serieus. Daarom kijkt het NHG, zoals aangegeven bij vraag 2, met voorrang naar mogelijkheden om het beleid rondom spiraalplaatsing en het verminderen van pijn daarbij te verbeteren.
Hoe staat het inmiddels met de herziening van de pijnbestrijdingsrichtlijnen? Is er al zicht op wanneer deze herziening zal worden afgerond?
Het NHG is gestart met de herziening van de NHG-standaard Anticonceptie. De verwachting is dat de herziening van deze NHG-standaard Anticonceptie halverwege 2026 gereed is.
In hoeverre wordt bij deze herziening ook gekeken naar de pijn die voor langere tijd na het plaatsen van een spiraaltje wordt ervaren?
Het NHG heeft mij laten weten dat zij ook zullen kijken naar pijn in de uren/dagen na spiraalplaatsing.
Hoe verhoudt het huidige pijnbestrijdingsbeleid bij het plaatsen van spiraaltjes zich tot de praktijk in andere landen?
Ik zie dat er in andere landen steeds meer aandacht komt voor vrouwengezondheid in het algemeen en pijnbestrijding bij spiraalplaatsing in het bijzonder. Dat vind ik een goede ontwikkeling. Ook in Nederland zet ik in op aandacht voor vrouwengezondheid, onder meer met een «nationale strategie vrouwengezondheid»5. Hoewel ik geen overzicht heb van alle landen, weet ik dat er internationaal verschillen zijn in het beleid rondom pijnbestrijding bij spiraalplaatsing. De recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk bevestigen dat het goed is dat het NHG met prioriteit de richtlijn herziet.
In de Verenigde Staten hebben de Centers for Disease Control and Prevention (CDC) recentelijk (2024) de richtlijnen aangepast. Artsen wordt nu aanbevolen om nieuwe methoden voor pijnbestrijding, zoals pijnstillende gels of sprays, te overwegen en in sommige gevallen lokale anesthesie toe te passen.6 In het Verenigd Koninkrijk heeft de Faculty of Sexual and Reproductive Healthcare (FSRH) in 2023 haar richtlijnen aangepast naar aanleiding van feedback van vrouwen over pijn tijdens spiraalplaatsing. De FSRH adviseert nu om voorafgaand aan de procedure pijnbestrijding te bespreken en, indien gewenst, aan te bieden. Dit kan variëren van orale pijnstillers tot lokale anesthesie, afhankelijk van de voorkeur en behoeften van de patiënt.7
Het bericht 'Minister wijst verder onderzoek naar eilanden met zonnepanelen in IJsselmeer definitief van de hand' |
|
Joost Eerdmans (EénNL), Henk Vermeer (BBB) |
|
Beljaarts , Sophie Hermans (VVD) |
|
![]() |
Welke procedures, zoals de rijkscoördinatieregeling, lopen er op dit moment nog om project Wieringerhoek alsnog doorgang te laten vinden?1
Er lopen op dit moment geen procedures. Onlangs heeft het kabinet het besluit genomen om de aanvraag van Meerlicht B.V., tot het nemen van een projectbesluit voor het project Buitendijks Plan, af te wijzen.
Is het definitieve standpunt van u dat het project Wieringerhoek geen doorgang kan vinden?
De ontwikkeling van een zon-op-waterproject in de Wieringerhoek staat op gespannen voet met een aantal andere belangrijke opgaven in het gebied (waterberging, zoetwatervoorraad, ecologie en Defensie). Als Rijk vinden wij het van belang om deze opgaven, die al onder druk staan, niet verder in de verdrukking te brengen met de ontwikkeling van een zon-op-waterproject. Daarmee concludeert het kabinet dat er op dit moment geen of onvoldoende zicht is op het verkrijgen van de vereiste toestemmingen en vergunningen voor het project.
Bent u op de hoogte dat provincie Noord-Holland en gemeente Medemblik stappen zetten om het project Wieringerhoek alsnog te realiseren?
Het is het kabinet bekend dat de provincie Noord-Holland en de gemeente Medemblik het project een warm hart toedragen, maar het kabinet is niet op de hoogte van eventuele stappen die zij zetten om het project alsnog mogelijk te maken.
Vindt u het ook een vreemde en onwenselijke situatie dat de provincie Noord-Holland en de gemeente Medemblik doorgaan om project Wieringerhoek te realiseren, ondanks dat de Minister heeft aangegeven het project stop te zetten? Bent u voornemens om alle verdere stappen van de provincie Noord-Holland en de gemeente Medemblik een halt toe te roepen?
Het Rijk is eigenaar van het IJsselmeer. Dit betekent dat medewerking van het Rijk vereist is voor het verkrijgen van de voor het project benodigde gronden. Bovendien geldt dat Rijksenergieprojecten (waar ook zonprojecten met een capaciteit van ten minste 50 megawatt (MW) onder vallen), onder de Omgevingswet de projectprocedure dienen te doorlopen. Ik ben samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) bevoegd gezag voor deze projectprocedure. Gezien dit gegeven en het kabinet de aanvraag van Meerlicht B.V. tot toepassing van de projectprocedure reeds heeft afgewezen, ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om gevolg te geven aan uw oproep.
Het verbod op gebedsrituelen op het Cobbenhagenlyceum |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Eppo Bruins (CU), Nobel |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Tilburgse middelbare school staat gebedsrituelen niet toe: «Wij zijn een school en daar wordt geleerd»»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u het beleid van het Cobbenhagenlyceum om leerlingen niet toe te staan om te bidden, zelfs niet in de pauze of op een rustig plekje buiten de leslokalen?
Naar aanleiding van het bericht in het AD heeft de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) contact opgenomen met het Cobbenhagenlyceum. Het Cobbenhagenlyceum geeft aan dat er van een verbod op bidden geen sprake is.
Het is aan de het Cobbenhagenlyceum zelf of de school het bidden ook wil faciliteren. In 2000 heeft de toenmalige Commissie gelijke behandeling (nu: College voor de Rechten van de Mens) geoordeeld dat openbare scholen hiertoe niet verplicht zijn.2 Hetzelfde geldt voor bijzondere scholen zoals het Cobbenhagenlyceum. Als het Cobbenhagenlyceum het bidden niet wil faciliteren, is dat dus zijn goed recht. Ik steun de school hierin volledig.
Deelt u de opvatting dat het verbieden van gebedsrituelen tijdens pauzes in strijd is met de vrijheid van godsdienst, zoals vastgelegd in artikel 6 van de Grondwet? Zo nee, waarom niet?
Laat ik allereerst nog eens herhalen: het Cobbenhagenlyceum geeft aan dat van een gebedsverbod bij hen geen sprake is.
Voor wat betreft het wettelijk kader: het Cobbenhagenlyceum is een bijzondere school. Bijzondere scholen mogen op grond van artikel 7, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: Awgb) van leerlingen vragen dat zij de geloofsovertuigingen van hun school onderschrijven en dat zij zich daarnaar gedragen. Als het gebed belijden van een andere geloofsovertuiging hier niet bij past, mogen zij dit verbieden. Zulke voorschriften moeten wel onderdeel uitmaken van consistent en consequent gevoerd beleid dat, vanwege de aard van het onderwijs, wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd is gegeven de grondslag van de school. Zulke voorschriften mogen dus niet verder gaan dan nodig.
De inspectie ziet erop toe dat de cultuur op een school in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat houdt ook in dat alle leerlingen zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst. De inspectie houdt geen toezicht op de naleving van de Awgb. Of de Awgb wordt nageleefd, kan slechts (niet bindend) worden beoordeeld door het College voor de Rechten van de Mens en (bindend) door de civiele rechter. Deze instanties zullen van geval tot geval beoordelen of het beleid van de school inderdaad in overeenstemming is met de wet. Die weging kunnen alleen zij maken.
Hoe verhoudt het beleid van het Cobbenhagenlyceum zich tot de Algemene wet gelijke behandeling op grond van godsdienst of levensovertuiging, waarin discriminatie op basis van religie expliciet verboden is?
Voor het openbaar onderwijs verbiedt de Awgb onderscheid op grond van godsdienstige uitingen, zoals bidden. In dat kader mogen openbare scholen het bidden niet verbieden. Bijzondere scholen mogen het bidden soms wel verbieden, dat bepaalt artikel 7, tweede lid, van de Awgb.
Het Cobbenhagenlyceum is een bijzondere school, maar geeft aan dat er van een gebedsverbod geen sprake is. Ik heb geen reden om daaraan te twijfelen. Als het Cobbenhagenlyceum het bidden niet wil faciliteren, is dat zijn goed recht. Ik steun de school hierin volledig.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van Muslim Rights Watch dat dit beleid in de praktijk vooral moslimleerlingen raakt, aangezien andere religieuze uitingen zoals een kerstviering en een iftar wél worden gefaciliteerd? Vindt u dit consistent en rechtvaardig beleid?
Bijzondere scholen zoals het Cobbenhagenlyceum hebben de ruimte om in hun beleid onderscheid te maken op grond van godsdienstige overtuigingen. Op basis van de toelichting die de school tot op heden heeft gegeven, lijkt van een dergelijk onderscheid overigens geen sprake.
Verder is het aan scholen zelf om uit te werken hoe zij omgaan met godsdienstige uitingen. Dat het Cobbenhagenlyceum ervoor kiest om een diversiteit aan religieuze feestdagen te vieren, betekent niet dat zij ook verplicht is om andere uitingen, zoals bidden, te faciliteren.
Bent u het ermee eens dat scholen, zeker wanneer zij bekostigd worden met publieke middelen, een inclusieve leeromgeving moeten waarborgen waarin ruimte is voor religieuze diversiteit?
Op school moeten alle leerlingen zich vrij en veilig kunnen voelen en zichzelf kunnen zijn. Mede in dat kader hebben scholen vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht de plicht om zorg te dragen voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst. Tegelijkertijd behouden bijzondere scholen de vrijheid om bijvoorbeeld denominatief selectiebeleid te voeren, mits is voldaan aan de voorwaarden uit de Awgb.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de schooldirecteur dat «bidden thuis moet gebeuren» en dat de school niet de opdracht heeft om hierin te faciliteren? Vindt u dat een school het recht heeft om religieuze uitingen die geen overlast veroorzaken volledig uit het schoolleven te weren?
In Nederland kan je als ouder en leerling de school kiezen die het beste bij jou past en bieden we via artikel 23 van de Grondwet alle ruimte aan bijzondere scholen. Veel leerlingen en ouders maken binnen die keuzevrijheid bewust de keuze voor onderwijs dat uitgaat van een specifieke godsdienst of geloofsovertuiging of juist voor openbaar onderwijs. Het staat leerlingen en ouders vrij om ook de mate waarin een school het belijden van religie faciliteert mee te wegen in hun keuze. Scholen hebben geen verplichting om het belijden van religie te faciliteren.
Bent u bereid om met het Cobbenhagenlyceum en andere onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om te waarborgen dat religieuze rechten van leerlingen worden gerespecteerd, binnen de kaders van de wet? Zo nee, waarom niet?
Ik heb op dit moment geen reden om aan te nemen dat de religieuze rechten van leerlingen op het Cobbenhagenlyceum niet worden gerespecteerd en zie geen aanleiding om hierover met deze school in gesprek te gaan.
Welke stappen gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen geen beleid voeren dat mogelijk in strijd is met de vrijheid van godsdienst en de wetgeving omtrent gelijke behandeling?
De inspectie ziet erop toe dat de cultuur op een school in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat houdt ook in dat alle leerlingen zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst. Ik zie op dit moment geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen.
Het bericht ‘‘Den Haag laat kinderen op straat slapen’, woede over beperken opvang van dakloze gezinnen’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Pieter Grinwis (CU) |
|
Mona Keijzer (BBB), Karremans |
|
![]() |
Hoe luidt uw reactie op het bericht ««Den Haag laat kinderen op straat slapen», woede over beperken opvang van dakloze gezinnen»1?
Ik heb kennisgenomen van het bericht. Ik vind het spijtig om te lezen dat de gemeente Den Haag heeft besloten om de opvang voor sommige groepen dakloze mensen te beperken.
Hebt u contact met het college van Den Haag over de koerswijziging om niet-rechthebbende gezinnen in principe niet toe te laten tot de opvang? Zo nee, gaat u dat alsnog doen om te bespreken hoe kan worden voorkomen dat kinderen op straat belanden? Zo ja, wat was de strekking van het gesprek?
Er is ambtelijk contact gezocht met de gemeente Den Haag om meer inzicht te krijgen in de context van dit besluit. Daarnaast heeft de wethouder dit besluit toegelicht in de gemeenteraad. Ik heb begrepen dat de gemeenteraad van Den Haag inmiddels haar controlerende en kaderstellende rol heeft genomen door de gemeente te vragen naar voorstellen om te komen tot alternatieven waar kinderen in het geding zijn.
Wat zijn de oorzaken van de stijging van het aantal gezinnen in de opvang en de stijging van de kosten, die onevenredig zijn gestegen? Komen al deze gezinnen uit Den Haag of ziet u ook ontwikkelingen dat gezinnen van elders komen en kunt u deze verklaren?
Deze vraag gaat vrij diep in op de specifieke situatie in een individuele gemeente en omliggende regio. De gemeenteraad van Den Haag heeft een controlerende taak, kan hier vragen over stellen en indien nodig op bijsturen, en doet dit ook.
In algemene zin ontvang ik signalen waaruit blijkt dat ook gezinnen met kinderen dakloos raken. De recente Ethos-light tellingen bevestigen dit beeld. Dat baart mij zorgen. De groep dakloze mensen is divers. Het kan bijvoorbeeld gaan om gezinnen die dakloos raken na een life event zoals een scheiding of onveiligheid of door het aflopen van een kortlopend huurcontract. Ook kan het bijvoorbeeld gaan om gezinnen die vanuit het Caribisch deel van het Koninkrijk naar Nederland komen en hier geen huisvesting geregeld hebben en gezinnen met kinderen die na een (al dan niet tijdelijk) verblijf in het buitenland terugkeren naar Nederland en geen huisvesting geregeld hebben voor hun afreis.
Veel van deze gezinnen komen niet in aanmerking voor opvang onder de Wmo 2015 omdat zij geen zorgvraag hebben, maar vaak vooral behoefte hebben aan een woning. Zij vallen onder de zogenaamde «spoedzoekers».
In welke mate zijn de kosten voor de opvang van dak- en thuislozen in het algemeen en dakloze gezinnen de afgelopen jaren gestegen in Den Haag en wat is de prognose qua kostenontwikkeling de komende tijd? Wijkt Den Haag in de kostenontwikkeling af van andere (centrum)gemeenten? Als dat het geval is, hoe komt dat?
De kosten voor opvang zijn volgens de gemeente Den Haag de afgelopen jaren zijn de afgelopen jaren flink toegenomen. Voor de opvang in hotels zijn de kosten toegenomen van € 0.5 miljoen in 2022 naar € 8.3 miljoen in 2024. De prognose van de gemeente Den Haag is dat de kosten voor opvang in hotels kunnen stijgen tot € 11,5 miljoen euro in 2025. De stijging wordt vooral verklaard door een stijging van de hotelprijzen en doordat gezinnen langer in hotels verblijven. De kosten voor reguliere maatschappelijke opvang zijn toegenomen van 0.5 miljoen euro in 2022 naar 1 miljoen euro in 2024 en 2025.
Er is geen landelijk beeld van hoeveel gemeenten jaarlijks uitgeven aan maatschappelijke opvang en andere vormen van tijdelijke opvang. Gemeenten leggen hiervoor verantwoording af aan de gemeenteraad, en niet aan het Rijk. Via de website waarstaatjegemeente.nl is informatie over uitgaven van gemeenten aan verschillende Wmo maatwerkvoorzieningen te vinden.
Waar moeten gezinnen heen als zij niet in de gezinsopvang en niet in een hotel of vakantielocatie worden opgevangen? Deelt u de mening dat de gemeente de verantwoordelijkheid houdt om hen een dak boven het hoofd te geven? Zo nee, waarom niet?
Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om te komen tot passende oplossingen voor (dreigend) dakloze personen, inclusief gevallen waar dat minderjarige kinderen betreft. Over het «hoe», daar gaat het Rijk in een gedecentraliseerd stelsel niet over. Het is aan de gemeente Den Haag om tot adequaat beleid te komen dat in lijn is met het Nationaal Actieplan Dakloosheid, en aan de gemeenteraad van Den Haag om te controleren of het beleid in lijn is met de wettelijke nationale en internationale kaders. Gemeenten ontvangen hiervoor de DU Maatschappelijke opvang (385 miljoen euro structureel, exclusief indexactie), de DU Nationaal Actieplan Dakloosheid (55 miljoen euro structureel, exclusief indexactie).
Wel kan ik zeggen dat het uitgangspunt «geen kinderen op straat» een essentieel uitgangspunt is dat wat mij betreft gegarandeerd zou moeten zijn in Nederland. De gemeente Den Haag erkent dit overigens zelf ook.
Hoewel er sprake is van woningnood, kunnen gemeenten wel degelijk komen tot alternatieve woonoplossingen door het inzetten van flexwoningen en het beter benutten van de bestaande bouw. Denk daarbij aan het ontsluiten en beter benutten van leegstaand vastgoed voor huisvesting, woningdelen, woningsplitsen, het stimuleren van hospitaverhuur en realiseren van alternatieve woonoplossingen zoals stichting Devjo, De Rustplek, Kamers met Aandacht en Onder de Pannen. Ik spoor gemeenten en regio’s dan ook aan om werk te maken van voortvarende afspraken met corporaties, leegstandsbeheerders, het maatschappelijk middenveld, de particuliere sector en het bedrijfsleven.
Deelt u de overtuiging dat de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om besluiten te nemen die de belangen van het kind ten goede komen, onder andere op basis van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), het Europees Sociaal Handvest en art. 22 lid 2 Grondwet? Hoe geeft u daar in het kader van gezinnen in de opvang invulling aan?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan het Internationaal Kinderrechtenverdrag. Dit Kinderrechtenverdrag heeft als uitgangspunt dat kinderen zo gezond en veilig mogelijk moeten kunnen opgroeien.
Daarom moet bij alle maatregelen betreffende kinderen ingevolge artikel 3 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK) het belang van het desbetreffende kind als een eerste overweging worden meegewogen. Daarbij moet recht worden gedaan aan een toereikende levensstandaard, waar het recht op onderdak (artikel 27 IVRK) en het recht op gezinsleven (artikel 9 IVRK) onder vallen.
Wanneer het ouders niet lukt hun kinderen een toereikende levensstandaard te bieden, kunnen zij in aanmerking komen voor financiële of materiële bijstand zoals opvang en begeleiding in onder andere inkomensondersteuning en de Wmo 2015. Het is aan gemeenten om te beoordelen of ze daar aanspraak op maken en om vanuit het belang van het kind passende hulp te realiseren in geval van nood.
Daarnaast moeten gemeenten er op sturen dat, in geval van maatschappelijke opvang, deze dusdanig is ingericht dat die de ontwikkeling van kinderen niet in de weg staat. Kinderen in de maatschappelijke opvang hebben immers individuele en bijzondere ondersteuning nodig om te herstellen van de stressvolle ervaringen die zij meemaken. Het hiervoor opgestelde Normenkader Kinderen in de Maatschappelijke Opvang biedt hiertoe richtlijnen2. Gemeenten kunnen in afspraken die zij maken met aanbieders sturen op de inrichting en naleving hiervan.
Hoe is een besluit om niet-rechthebbende minderjarigen met hun ouder(s) niet op te vangen te rijmen met de landelijke ambitie dat er niemand meer onvrijwillig op straat slaapt in 2030? Hoe rijmt u dit bovendien met de aangenomen motie Ceder-Krul (29 325, nr. 178) om maatregelen in het Nationaal Actieplan Dakloosheid die specifiek gericht zijn op minderjarigen voorrang te geven?
In algemene zin ben ik van mening dat gemeenten de totale gezinssituatie in ogenschouw moeten nemen bij de beoordeling van huisvestings- en opvangvraagstukken. Dat betekent onder andere dat gemeenten rekenschap moeten geven van het belang van een betrokken kind in de algehele belangenafweging ten behoeve van de vraag om opvang of huisvesting. Het is aan gemeenten om in een concreet geval een gedegen afweging te maken.
Het Nationaal Actieplan Dakloosheid zet preventie van dakloosheid en Wonen Eerst centraal. Mede door de kabinetsinzet gericht op het versterken van de bestaanszekerheid, het tegengaan van armoede en het vergroten van de woningvoorraad, moet worden voorkomen dat gezinnen dakloos raken en op die manier opvang en zorg voorkómen wordt.
Om invulling te geven aan de motie, wordt in kaart gebracht wat de aard en omvang is van de groep dakloze gezinnen, alsook hoe gemeenten op dit moment gezinnen met kinderen helpen. Dit signaal van de gemeente Den Haag helpt hierbij. Op basis hiervan wordt bekeken of en zo ja welke extra maatregelen gewenst zijn om dakloosheid bij specifiek kinderen tegen te gaan. Ik streef hierbij zo veel mogelijk aan te sluiten bij trajecten en programma’s die reeds lopen, zoals het voorkomen van huisuitzettingen en Een Thuis voor Iedereen (VRO) en het armoede- en schuldenbeleid (SZW) waarin specifieke maatregelen op het terrein van kinderarmoede worden genomen. Het versterken van de bestaanszekerheid van ouders is ook in het kader van voorkomen van dakloosheid van het grootste belang.
Deelt u de mening dat het in het geval van de meest kwetsbaren, dakloze kinderen, geen pas geeft hen vanwege budgetproblemen op straat te zetten? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om te komen tot passende oplossingen voor (dreigend) dakloze personen, inclusief gevallen waar dat minderjarige kinderen betreft. Over het «hoe», daar gaat het Rijk in een gedecentraliseerd stelsel niet over. Het is aan de gemeente Den Haag om tot adequaat beleid te komen dat in lijn is met het Nationaal Actieplan Dakloosheid, en aan de gemeenteraad van Den Haag om te controleren of het beleid in lijn is met de wettelijke nationale en internationale kaders.
Daarbij wil ik zeggen dat het uitgangspunt «geen kinderen op straat» een essentieel uitgangspunt is dat wat mij betreft gegarandeerd zou moeten zijn in Nederland. De gemeente Den Haag erkent dit overigens zelf ook.
Bent u bekend met het feit dat verschillende gemeenten op basis van regiobinding bepalen of iemand Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) gerechtigd is? Hoe verhoudt zich dat tot het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang van de Vereniging van de Nederlandse Gemeenten (VNG)? Is er wat u betreft een basis om iemand op basis van regiobinding uit te sluiten van de Wmo?
Voor maatschappelijke opvang geldt dat gemeenten geen regiobinding mogen toepassen als criterium om de toegang te weigeren tot opvang. Iemand die zich in een noodsituatie bevindt moet door elke gemeente worden geholpen. Indien het voor iemands herstel beter is om bijvoorbeeld terug te gaan naar de gemeente van herkomst, dan dient dit te gebeuren met een warme overdracht, zoals gemeenten hebben afgesproken in het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang.
De opvang van dakloze gezinnen vindt veelal plaats in de centrumgemeenten maatschappelijke opvang; welke instrumenten heeft u om de opvang van dakloze gezinnen ook in regiogemeenten te stimuleren?
Regiogemeenten hebben een belangrijke rol bij met name de preventie van dakloosheid en de (snelle her)huisvesting van óók de meest kwetsbaren. Ik ondersteun regio’s en stimuleer de regionale samenwerking met betrekking tot dakloosheid via het Platform Sociaal Domein. De regioadviseurs van het Platform Sociaal Domein zijn in gesprek met gemeenten, organiseren kennisuitwisseling zodat niet elke gemeente opnieuw het wiel uitvindt, en spelen een faciliterende rol bij het maken van regionale afspraken met gemeenten, maar ook corporaties en zorgaanbieders. Vanuit het programma Een Thuis voor Iedereen wordt ondersteuning geboden aan gemeenten, corporaties en provincies om de woon- en zorgopgave voor aandachtsgroepen, waaronder dakloze mensen, in kaart te brengen en hier concreet beleid voor te ontwikkelen zodat huisvesting en ondersteuning beter op elkaar aansluiten.
Kunt u aangeven of de situatie van (re)migrerende gezinnen die een beroep doen op de opvang specifiek in Den Haag speelt, of ook in andere plaatsen voorkomt?
Er is geen landelijk totaalbeeld van het aantal (re)migrerende gezinnen dat een beroep doet op de opvang. Op basis van gesprekken met de VNG en gemeenten bestaat het beeld dat dit een probleem is dat in meerdere gemeenten speelt. Om deze reden is afgesproken dat de groep remigrantengezinnen opgenomen dienen te worden als aandachtsgroep binnen de regionale woonzorgvisies als onderdeel van het Volkshuisvestingsprogramma die regio’s maken als verplichting onder de Wet Versterking Regie Volkshuisvesting.
Welke beleidsmatige en financiële consequenties zouden verbonden moeten worden als Den Haag een uitzondering is ten opzichte van andere (centrum)gemeenten?
Zoals ik heb aangegeven bij de beantwoording van vraag 11 is er geen landelijk totaalbeeld van het aantal (re)migrerende gezinnen dat een beroep doet op de opvang.
Welke verantwoordelijkheid bent u bereid te nemen om het vraagstuk van niet-rechthebbende dakloze gezinnen met de bestuurders van de vier grote steden (G4) te bespreken en wanneer verwacht u een gezamenlijke oplossing te vinden?
De huisvesting van spoedzoekers is een decentrale aangelegenheid en in eerste instantie een volkshuisvestingsvraagstuk. Snelheid genereren en afspraken maken in de regio om te komen tot snelle herhuisvesting van spoedzoekers, zeker waar kinderen in het geding zijn, is in de eerste plaats een taak van gemeenten en corporaties.
Tegelijkertijd zie ik ook dat dit gaat over een kwetsbare groep die momenteel tussen wal en schip valt, waarbij het belangrijk is dat zij sneller worden geholpen om langdurige dakloosheid te voorkomen. Over de knelpunten die gemeenten en andere partijen ervaren bij de aanpak van dakloosheid voer ik regelmatig bestuurlijke overleggen. Ik vind het belangrijk om dit gesprek niet te beperken tot de G4, maar breder te voeren, omdat alle gemeenten een rol kunnen spelen in de huisvesting van spoedzoekers.
Welke inzet pleegt u samen met gemeenten om structurele opvangplekken voor gezinnen te realiseren?
Gemeenten zijn in samenwerking met corporaties en aanbieders verantwoordelijk voor het realiseren van voldoende betaalbare huisvesting en opvangplekken. Ik wil benadrukken dat het uitbreiden van opvang voor gezinnen zonder hulpvraag geen duurzame oplossing is. Uiteindelijk zijn zij het meest geholpen met een woonplek waar zij voor langere tijd kunnen verblijven. Dit geldt zeker voor kinderen die naar school gaan. Daarom zou de nadruk moeten liggen op het snel creëren van meer woongelegenheid, onder andere voor spoedzoekers.
Onder leiding van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening wordt ingezet op het vergroten van de woningvoorraad. Hierbij is extra aandacht voor betaalbare huurwoningen. Naast nieuwbouw, is er ook aandacht voor het beter benutten van bestaande woonruimte, het stimuleren van hospitaverhuur en de inzet van flexwoningen. Dit moet eraan bijdragen dat (dreigend) dakloze gezinnen sneller in aanmerking komen voor een woning en geen aanspraak hoeven maken op opvang.
Welke inzet pleegt u samen met gemeenten om de doorstroming vanuit de opvang naar reguliere woonruimte te verbeteren?
Zoals ik bij de beantwoording van vraag 14 heb aangegeven wordt onder leiding van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening op diverse manieren ingezet op het vergroten van de woningvoorraad
De tijdsplanning van het wetsvoorstel overgang pensioenaanspraken politieke ambtsdragers naar het nieuwe pensioenstelsel |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Bent u bekend met de tijdsplanning van het wetsvoorstel overgang pensioenaanspraken politieke ambtsdragers naar het nieuwe pensioenstelsel van uw ambtsvoorganger?1
Ja, ik ben bekend met de tijdsplanning van het wetsvoorstel. De tijdsplanning is te vinden in bijlage 2 van de Kamerbrief van 3 juni 2024 (Kamerstukken II 2023/23 32 043, nr. 651).
Kunt u toelichten waarom er nog geen concreet wetsvoorstel ter consultatie is voorgelegd om de pensioenen vanuit de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers (APPA) onder het nieuwe pensioenstelsel te laten vallen?
De reden dat de consultatie nog niet plaats heeft kunnen vinden is de kabinetswissel en de complexe juridische en technische vraagstukken die spelen bij de overgang van de APPA-regeling naar het nieuwe pensioenstelsel. Dit zal zo snel mogelijk gebeuren. Ik verwacht de Kamer het wetsvoorstel te kunnen aanbieden in de loop van 2025.
Kunt u aangeven waarom het tijdsplan van uw ambtsvoorganger vertraging heeft opgelopen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de reden dat dit traject niet direct na het sluiten van het pensioenakkoord in gang is gezet?
Het pensioenakkoord is een afspraak tussen het kabinet en werkgevers- en werknemersorganisaties over de herziening van ons pensioenstelsel. Hierin schetsten betrokken partijen de contouren van een nieuw pensioenstelsel en de maatregelen die nodig zijn voor de overstap op dat nieuwe stelsel.
Politieke ambtsdragers hebben echter een eigen wettelijke pensioenregeling. Nadat het pensioenakkoord was gesloten en de voorbereidingen voor de uitwerking van het Pensioenakkoord in de Wet toekomst pensioenen startten, is tegelijkertijd begonnen met het uitwerken van ideeën voor de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel voor politieke ambtsdragers.
Het kabinet heeft tegen deze achtergrond een ambtelijke interdepartementale werkgroep van de vier betrokken Ministeries (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Financiën, BZK en Defensie) medio 2022 de opdracht gegeven om te komen tot een oplossing voor de overdracht van de begrotingsgefinancierde pensioenen (behalve de pensioenen van politieke ambtsdragers zijn ook de pensioenen van militairen van voor 2001 begrotingsgefinancierde).
De werkgroep heeft affinancieren en invaren geadviseerd aangezien deze optie volledig in lijn is met het uitgangspunt van de Wtp om bestaande en toekomstige pensioenaanspraken over te dragen naar het nieuwe pensioencontract. Vervolgens heeft het kabinet in een brief de consequenties voor de Appa van deze oplossingsrichting beschreven. In de brief is het wetsvoorstel aangekondigd.
Deze overgang naar het nieuwe pensioenstelsel is een complex proces. Die overgang kan niet op dezelfde manier worden ingericht als voor reguliere pensioendeelnemers. Het streven blijft er op gericht om de Aanpassingswet Appa volledig in werking te laten treden per 1 januari 2028.
Hoe verklaart u dat politieke ambtsdragers op dit moment nog niet onder het nieuwe pensioenstelsel vallen, terwijl dit voor reguliere pensioendeelnemers al in gang is gezet?
Zie antwoord vraag 4.
Welke stappen moeten nog worden doorlopen voordat het wetsvoorstel voor de wijziging van de APPA-regeling kan worden ingediend bij de Tweede Kamer?
Zoals gezegd is de overgang naar een nieuw pensioenstelsel een juridisch en technisch ingewikkeld proces met veel betrokken partijen. Dit vraagt de nodige afstemming in informeel overleg met betrokken partijen zoals de decentrale overheden, de Appa-uitvoeringsorganisaties en ABP. Een interbestuurlijke werkgroep van BZK en de bestuurlijke koepels geeft dit overgangsproces vorm.
De pensioenen van politieke ambtsdragers worden namelijk in het huidige stelsel achteraf uit de begrotingen van overheidsinstellingen betaald. Om de overstap naar fondsfinanciering, wat verplicht is in het nieuwe stelsel, mogelijk te maken is het noodzakelijk om eerder opgebouwde pensioenaanspraken af te financieren door middel van een eenmalige kapitaalstorting aan ABP. Om in kaart te brengen wat de financiële gevolgen voor het Rijk en de decentrale overheden voor deze overgang zijn, loopt er nu in opdracht van het Ministerie van BZK en in samenwerking met VNG, IPO en de Unie van Waterschappen een onderzoek. Dat is van belang om de financiële implicaties van het wetsvoorstel te kunnen schetsen.
Wat is de huidige concrete tijdsplanning voor dit wetsvoorstel, uitgedrukt in maanden?
Voor het doorlopen van de stappen en een concrete tijdsplanning verwijs ik naar bijlage 2 van de Kamerbief van 3 juni 2024 (Kamerstukken II 2023/23 32 043, nr. 651).
Hoe verhoudt de voortgang van deze wetswijziging zich tot de invoering van het nieuwe pensioenstelsel voor andere groepen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat het uitstel van deze wijziging lastig uit te leggen is aan de «gewone» pensioendeelnemers die al wel onder de nieuwe regels vallen?
Zie antwoord vraag 4 en 5.
Wat doet uw ministerie om de voortgang van deze wetswijziging te bespoedigen?
Deze mening deel ik niet. Politieke ambtsdragers vallen vanwege hun bijzondere functie in een eigenstandige wettelijke pensioenregeling. De Wet toekomst pensioenen geldt in beginsel niet voor de pensioenregeling voor politieke ambtsdragers.
Maar de ingeslagen weg voor de pensioenen van politieke ambtsdragers heeft als consequentie dat op dezelfde wijze als voor alle werknemers die onder de Wtp vallen ook alle pensioenaanspraken van degenen die hebben besloten tot invoering van het nieuwe pensioenstelsel – bewindspersonen en Tweede Kamerleden – worden overgezet naar het nieuwe pensioenstelsel. Een uitzonderingspositie voor politieke ambtsdragers wordt op deze wijze juist voorkomen.
Dit is ook in lijn met het uitgangspunt uit de integrale visie rechtspositie politieke ambtsdragers uit 2015. Daarin wordt gesteld dat er geen aanleiding meer is om de pensioenaanspraken van politieke ambtsdragers en de financiering daarvan te laten verschillen van werknemers die onder de verplichtstelling vallen voor hun pensioenvoorziening.
Wanneer wordt het wetsvoorstel uiterlijk bij de Tweede Kamer ingediend?
Het wetsvoorstel is in voorbereiding. Op dit moment wordt er een gezamenlijk onderzoek uitgevoerd door BZK, VNG, IPO en de Unie van waterschappen, om de financiële implicaties van de kapitaaloverdracht in kaart te brengen voor decentrale overheden.
Het bericht dat criminele ronselaars hun slag slaan op scholen |
|
Songül Mutluer (PvdA), Anita Pijpelink (PvdA) |
|
Eppo Bruins (CU), van Weel |
|
![]() |
Kent u het bericht «Een op de zeven jongeren benaderd voor verboden klussen» van het AD van 18 januari jl.?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Kunt u een verklaring geven voor het feit dat het aantal jongeren dat wordt benaderd voor criminele activiteiten via scholen is toegenomen?
De school is vergelijkbaar met de samenleving in het klein. Zoals aangegeven in de brief van 27 juni jl. over Veiligheid op scholen komt de verharding in de maatschappij in toenemende mate ook de school binnen.2 Wat er op straat gebeurt, zien we terug in scholen. Dat betekent ook dat er sprake kan zijn van criminele activiteiten, zoals ronseling. Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal jongeren dat wordt benaderd door criminelen.
Door de toenemende aandacht voor georganiseerde en ondermijnende jeugdcriminaliteit krijgen we een steeds beter beeld van de problematiek, waaronder het ronselen van jongeren op scholen. Dit verbeterde inzicht in de problematiek stelt gemeenten en partners in staat steeds gerichtere interventies toe te passen. Daardoor is school en veiligheid binnen de preventieve aanpak Preventie met Gezag een belangrijk onderwerp geworden. Om een nog beter beeld te krijgen van de problematiek van ronselaars heb ik het Centrum van Kinder- en Mensenhandel verzocht om een onderzoek uit te voeren naar de modus operandi van criminelen die (online) ronselen. Juist omdat wat er in de samenleving gebeurt ook de school binnen kan komen is het een taak van het kabinet en de maatschappij om ervoor te zorgen dat we scholen waar mogelijk beschermen tegen deze ongewenste ontwikkelingen. Daar zet het kabinet zich voor in.
Kunt u aangeven of er bepaalde gemeenten, specifieke regio's of schooltypen zijn waar dit probleem prominenter speelt? Zo ja, kunt u dat duiden? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Er wordt niet geregistreerd of ronselen prominenter speelt in specifieke gemeenten, specifieke regio’s of schoolsoorten. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, heb ik het Centrum van Kinder- en Mensenhandel verzocht om een onderzoek uit te voeren naar de modus operandi van de criminelen die (online) ronselen. De politie ziet in het algemeen dat het ronselen van mensen met specifieke kennis en kunde vaker voorkomt. Hoe vaak dit precies is, is niet bekend. Criminelen zoeken connecties in verschillende sectoren om daar werkzaamheden aan uit te besteden die ze zelf niet willen of niet kunnen uitvoeren. Dat doen ze via allerlei netwerken en contacten. Het kan dan gaan om financiële of juridische ondersteuning of bijvoorbeeld het leveren van fysieke middelen, zoals voertuigen of locaties. Deze facilitators spelen een cruciale rol door diensten te verlenen die criminele activiteiten mogelijk maken.
Hoe worden docenten en schoolpersoneel getraind om signalen van ronseling te herkennen en adequaat te handelen? En wordt dit standaard meegenomen in de opleidingen en trainingen? Waarom niet? Vindt u dat wel wenselijk?
Criminele ronselaars, ondermijnende (jeugd)criminaliteit, wapenbezit, agressie en geweld, huiselijk geweld, seksueel geweld, radicalisering, extremisme, et cetera; het onderwijs wordt geconfronteerd met allerlei maatschappelijke misstanden die helaas in onze samenleving plaatsvinden. Het is vooral belangrijk dat docenten en schoolpersoneel gevoelig zijn voor het herkennen van zorgwekkend en risicogedrag in het algemeen en dat de onderwijsinstellingen daarmee weten om te gaan.
Daarnaast is het belangrijk dat leerlingen weten wat ze concreet kunnen doen als ze geconfronteerd worden met ronseling. Leerlingen en studenten kunnen dit melden bij de onderwijsinstelling zelf, bijvoorbeeld via een vertrouwenspersoon, melden bij de politie of anoniem melden via Meld Misdaad Anoniem. Schoolbesturen kunnen daarnaast aangifte doen, ook namens een leerling.
Ook komt de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs. Hiermee beoogt het kabinet de verantwoordelijkheid van scholen in het funderend onderwijs voor de veiligheid op school uit te breiden. Zo wordt er onder andere een meldplicht (bij de Inspectie van het Onderwijs) voor ernstige veiligheidsincidenten geïntroduceerd. De beoogde inwerkingtreding is 1 augustus 2026.
Daarnaast moedigt het kabinet het doen van aangifte aan. Want elke aangifte is van belang. Schoolbesturen kunnen ook namens een leerling aangifte doen. Daarnaast kan iedereen in en om het onderwijs contact opnemen met de vertrouwensinspecteurs van de Inspectie van het Onderwijs.
Tot slot zijn er meerdere interventies beschikbaar die kunnen worden ingezet voor het vergroten van de kennis en de handelingsbekwaamheid van docenten en ander onderwijspersoneel. Deze interventies zijn niet standaard opgenomen binnen opleidingen van docenten. Scholen kunnen in de na- en bijscholing aandacht te besteden aan veiligheid. Stichting School en Veiligheid ondersteunt scholen, door ervaring, kennis en het geven van handelingsperspectieven te delen over het voorkomen van ronselen van leerlingen en criminele uitbuiting.
Welke maatregelen bestaan er om te voorkomen dat jongeren op scholen worden geronseld voor criminele doeleinden? Hoe beoordeelt u de effectiviteit van die maatregelen in het licht van bovengenoemde stijging?
Schoolbesturen hebben een wettelijke zorgplicht voor veiligheid op school. Dat betekent concreet dat scholen specifiek veiligheidsbeleid moeten maken. Daarin is het met name van belang om in te zetten op signalering van zorgwekkend gedrag. Scholen kunnen hier bijvoorbeeld het «Niet pluis» instrument van School & Veiligheid voor inzetten. Het is bekend dat scholen waar een sterk pedagogisch klimaat aanwezig is, waarin duidelijke (gedrags)normen gelden en gehandhaafd worden, bijdragen aan leerprestaties van leerlingen. Daarmee is het aannemelijk dat leerlingen ook minder snel toegeven aan criminele verleidingen of in ieder geval goed in beeld zijn als dit dreigt te gebeuren. Zie verder ook het antwoord op vraag 4.
Worden scholen op dit moment landelijk ondersteund in het herkennen en aanpakken van ronselpraktijken? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet investeert fors in het programma Preventie met Gezag (PmG). Dit programma heeft als doel om te voorkomen dat jongeren in aanraking komen met, afglijden of doorgroeien in de criminaliteit door perspectief te bieden en grenzen te stellen. Gemeenten hebben de regie over de lokale aanpak om zo goed mogelijk aan te sluiten op specifieke problematiek in hun meest kwetsbare wijken. De veiligheid in en om scholen is hierin een belangrijk thema. Meerdere gemeenten werken met een «Veilig in en om school»- aanpak, waarbij afspraken worden gemaakt met lokale partners over samenwerking bij veiligheidsvraagstukken en daarmee een sterk en effectief netwerk kunnen vormen. Samen met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is een lerend netwerk opgericht voor onder andere scholen en gemeenten, waar ervaring, kennis en handelingsperspectieven worden gedeeld over het ronselen van hun leerlingen en criminele uitbuiting. Ook onderzoekt stichting School en Veiligheid op welke wijze het ondersteuningsaanbod beter kan aansluiten op vraagstukken die met geweld en criminaliteit te maken hebben. PmG is een lerende aanpak, waarbij het streven is om de geleerde lessen te delen met de rest van Nederland.
Jongeren die geronseld worden voor de criminaliteit en/of slachtoffer zijn van criminele uitbuiting kunnen zich wenden tot het online hulpportaal «Keerpunt». Keerpunt is ontwikkeld door onderdelen van Fier en het Centrum tegen Kinder- en Mensenhandel, Spine en Chat met Fier met financiële middelen van het PmG. Keerpunt biedt een veilige en laagdrempelige plek, waar zij vertrouwelijk kunnen praten over hun situatie in de beveiligde chatomgeving van Chat met Fier. Online interventies worden ingezet waaronder het verschaffen van de benodigde informatie, advies, hulp en bescherming. Waar kan worden deze jongeren ook begeleid naar passende hulporganisaties of opsporingsinstanties in de regio. Keerpunt doet aan Proactieve online outreach op social media waarbij actief (potentiële) slachtoffers worden benaderd. Daarnaast is het een kennisportaal over criminele uitbuiting waar slachtoffers, hun naasten en professionals terecht kunnen voor informatie.
Deelt u de mening dat er een landelijke aanpak tegen het ronselen van jongeren op scholen moet komen waarbij de best practices van de Preventie met gezag-programma’s in meegenomen worden? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Het Programma Preventie met Gezag (PmG) investeert met focus op de jongeren (en gezinnen) in kwetsbare posities. Vanuit PmG worden de, in nauwe samenwerking met de wetenschap, geleerde lessen over het tegengaan van bijvoorbeeld ronselpraktijken van jongeren gedeeld met de rest van Nederland. Naast de investeringen in school en veiligheid is het ook cruciaal om hulp te bieden aan jongeren die slachtoffer van ronselen zijn geweest. Daarom investeer ik de komende 2,5 jaar in de verdere ontwikkeling van het online hulpplatform «Keerpunt». Zie ook het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid om samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten na te gaan of en hoe op scholen waar de problematiek speelt vaker en gerichter jongerenwerkers kunnen worden gestationeerd om jeugdigen te ondersteunen, juist omdat dit nu niet altijd gebeurt?
Op steeds meer scholen wordt jongerenwerk ingezet of wordt nauw met jongerenwerk samengewerkt en dat is een positieve ontwikkeling. Ook Sociaal Werk Nederland, Stichting School & Veiligheid en het kabinet onderschrijven het belang van een goed functionerend netwerk van school, politie, jeugdwerk, gemeenten en zorgprofessionals.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in januari jl. een Wegwijzer samenwerking sociaal-veiligheidsdomein in gemeenten gepubliceerd.3 Deze wegwijzer is in opdracht van de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en van Justitie en Veiligheid gemaakt door de VNG. Het biedt concrete aanknopingspunten voor samenwerking en laat zien wat er mogelijk is in deze samenwerking. Ook in deze wegwijzer is aandacht voor het jongerenwerk en hoe de professionals binnen het zorg- en veiligheidsdomein vroegtijdige signalen van (ondermijnende) criminaliteit.
Het artikel 'EO-directeur Arjan Lock kan dankzij nieuw statuut onbeperkt aanblijven voor jaarsalaris van ruim 200.000 euro' |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «EO-directeur Arjan Lock kan dankzij nieuw statuut onbeperkt aanblijven voor jaarsalaris van ruim 200.000 euro»?1
Ja.
Bent u bekend met de nieuwe statuten van de Evangelische Omroep (EO)?2
Ja.
Hoe beoordeelt u deze statuten?
Ik heb geen rol ten aanzien van de beoordeling van de statuten van omroepverenigingen. Naar aanleiding van het artikel is navraag gedaan bij de EO. Zij hebben ons laten weten dat de statutenwijziging tot stand is gekomen na een verzoek van het Commissariaat voor de Media in 2021. De doelomschrijving moest worden geactualiseerd in verband met de Mediawet 2008. De in het artikel genoemde statutenwijziging had geen betrekking op bestuurstermijnen.
Is er in het licht van de voorgenomen wijziging van de Mediawet contact geweest met de EO en specifiek over deze statuutwijziging?
Naar aanleiding van het artikel is vanuit het ministerie contact gezocht met de EO. Verder, zoals gezegd, heb ik geen rol bij de totstandkoming of wijziging van statuten van omroepverenigingen. Mijn ambtenaren en ik hebben voorafgaand aan de statutenwijziging dan ook geen contact gehad met de EO en de heer Lock hierover.
Heeft u contact gehad met de directeur van de EO?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat u voornemens bent deze termijnen te begrenzen en hoe verhoudt deze statuutwijziging zich volgens u tot dat voornemen?
Het klopt dat ik voornemens ben zittingstermijnen te beperken, zie mijn brief aan uw Kamer van 22 oktober 2024, Kamerstukken II, 2024–25, 32 827, nr. 325. Daarin heb ik aangekondigd beperking van zittingstermijnen in de wet op te nemen als onderdeel van de hervorming van het omroepbestel. In de tussentijd werken de omroepen zelf aan begrenzing van zittingstermijnen. Dat is namelijk onderdeel van het overkoepelende plan van aanpak als vervolg op het rapport van de commissie Van Rijn. De NPO heeft in de status-update van het overkoepelende plan van aanpak laten weten dat de meerderheid van de omroepen een bestuurstermijn van twee keer vijf jaar hanteren voor bestuurders en directeuren. Ik ga er van uit dat alle omroepen hun statuten in de komende periode dienovereenkomstig zullen aanpassen.
Bent u het ermee eens dat de timing van deze statuutwijziging gezien de voorgenomen hervormingen van de publieke omroep en het bestel hoogst opmerkelijk is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat statuutwijzigingen van deze aard een averechts effect kunnen hebben in de beeldvorming van de publieke omroep en een schadelijk effect kunnen hebben? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord 3.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, zodat snel duidelijkheid gegeven kan worden?
Ja.
Krijgt u, net zoals onze fracties, ook signalen van opdrachtgevers en zelfstandigen dat de Belastingdienst niet handhaaft conform de afgesproken handhavingsstrategie met eerst een waarschuwing voordat er een boekenonderzoek plaatsvindt, zodat opdrachtgevers nog kunnen corrigeren? Zo ja, wat behelzen deze signalen en wat heeft u daar mee gedaan? Zo nee, bent u bereid deze signalen nader te onderzoeken?
Nee, deze signalen hebben mij en de Belastingdienst niet bereikt. Ik vind het belangrijk dat de zachte landing wordt gewaarborgd en ben uiteraard bereid deze signalen in ontvangst te nemen en nader te onderzoeken.
Recent heb ik met medewerkers van de Belastingdienst gesproken om het belang van de zachte landing te benadrukken. Tijdens een grootschalige bijeenkomst heb ik met de medewerkers gesproken over de koers ten aanzien van de handhaving op arbeidsrelaties en de werkwijze die in het kader van de zachte landing wordt verwacht.
Hoeveel brieven heeft de Belastingdienst tot nu toe verstuurd in het kader van de handhaving van schijnzelfstandigheid na 1 januari 2025? Kunt u daar de Kamer een voorbeeldbrief van toen toekomen?
De Belastingdienst verstuurt in het kader van de handhaving van schijnzelfstandigheid verschillende brieven. Om dit te duiden, geven we eerst een toelichting op het proces.
Zoals in de antwoorden op de Kamervragen van het lid Patijn1 aangegeven verschilt de handhaving van schijnzelfstandigheid voor en na 1 januari 2025 enkel ten aanzien van het opleggen van correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen loonheffingen. De Belastingdienst zet in 2025 zijn handhaving net als voorheen voort, maar vanaf 1 januari 2025 kunnen er wel direct correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen loonheffingen worden opgelegd (niet verder terug dan 1 januari 2025 tenzij er sprake is van kwaadwillendheid of een voor 1 januari 2025 gegeven aanwijzing die niet is opgevolgd). Dit betekent dat de Belastingdienst ook na 1 januari 2025 bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken doet, op verzoek vooroverleg voert met opdrachtgevers en voorlichting geeft. In het kader van de zachte landing start de Belastingdienst in 2025 het risicogerichte toezicht op schijnzelfstandigheid in beginsel met een bedrijfsbezoek. De opdrachtgever wordt zo nodig gewaarschuwd voor risico’s op schijnzelfstandigheid. In bepaalde gevallen kan schijnzelfstandigheid direct via een boekenonderzoek aan de orde komen. Bijvoorbeeld bij concrete risicosignalen die duiden op evidente schijnzelfstandigheid of als er bij controle op een ander belastingmiddel, bijvoorbeeld BTW, door de inspecteur schijnzelfstandigheid wordt geconstateerd.
Indien de Belastingdienst een bedrijfsbezoek of boekenonderzoek aanvangt, bespreekt de Belastingdienstmedewerker het doel van het bezoek met het bedrijf en maakt hij een afspraak voor de uitvoering van het bedrijfsbezoek dan wel boekenonderzoek op het bedrijfsadres van de belastingplichtige. De afspraak wordt schriftelijk bevestigd. Het bedrijfsbezoek is niet gericht op het doen van uitspraken over de aanvaardbaarheid van de aangiften2 van het bedrijf. Van het bezoek wordt een verslag gemaakt dat aan het bedrijf wordt verstuurd. Een boekenonderzoek is wel gericht op het doen van uitspraken over de aanvaardbaarheid van de aangiften van het bedrijf. Na afronding van het boekenonderzoek wordt een rapportage gemaakt dat, na bespreking, aan het bedrijf wordt verstuurd. Dit is een standaardwerkwijze van de Belastingdienst en is niet anders dan voor 1 januari 2025.
Er worden dus verschillende soorten brieven verstuurd. Een voorbeeld van de afspraak van een bedrijfsbezoek (bijlage 1) en van de afspraak van een boekenonderzoek (bijlage 2) treft u bijgaand aan. Deze voorbeeldbrieven zijn hulpmiddelen die aangepast worden op de specifieke casus.Ten aanzien van de vastlegging geldt dat de Belastingdienst de aantallen onderhanden en afgedane bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken registreert. De Kamer wordt in het kader van de motie Palland3 reeds periodiek over de voortgang van de handhaving op arbeidsrelaties door de Belastingdienst geïnformeerd. De laatste keer is dit gebeurd bij de Kamerbrief van 6 september 2024 inzake het opheffen van het handhavingsmoratorium.4 In de brief werken met en als zelfstandige die voor het commissiedebat zzp op 12 maart a.s. aan uw Kamer zal worden gestuurd, wordt opnieuw gerapporteerd. Overigens is in de cijfers niet inzichtelijk wanneer een bedrijfsbezoek of boekenonderzoek is gestart.
Daarnaast werkt de Belastingdienst bij de behandeling van de doelgroep arbeidsbemiddelaars aan een meer gestructureerde aanpak om beter inzicht in de hele keten te krijgen5. In dit kader zijn diverse arbeidsmiddelaars aangeschreven. Het aantal brieven wordt niet centraal geregistreerd.
Hoeveel gesprekken heeft de Belastingdienst tot nu toe gevoerd in het kader van de handhaving van schijnzelfstandigheid na 1 januari 2025? Wat is de uitkomst van deze gesprekken?
Door de Belastingdienst zijn sinds 1 januari 2025 regelmatig gesprekken gevoerd over de handhaving van schijnzelfstandigheid. De gesprekken kunnen een voorlichtend karakter hebben of kunnen betrekking hebben op een verzoek om vooroverleg. De aantallen en de uitkomst van deze gesprekken worden niet geregistreerd. Ook kunnen gesprekken plaatsvinden in het kader van een bedrijfsbezoek.
Zoals in het antwoord bij vraag 2 toegelicht, wordt in het kader van de motie Palland6 periodiek over de voortgang van de handhaving op arbeidsrelaties door de Belastingdienst gerapporteerd. Dit betreft onder andere de bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken. Over de periode 2024 zal gerapporteerd worden in de brief werken met en als zelfstandige die voor het commissiedebat zzp op 12 maart a.s. aan uw Kamer zal worden gestuurd.
Is de Belastingdienst risicogericht op zoek naar mogelijke gevallen van evidente schijnzelfstandigheid? Kunt u deze werkwijze toelichten?
De Belastingdienst blijft zijn risicogerichte handhaving ook na opheffen van het handhavingsmoratorium voortzetten, zodat ook bij gevallen van evidente schijnzelfstandigheid naheffingen loonheffingen kunnen worden opgelegd. Dat doet de Belastingdienst op basis van gegevens uit de fiscale processen. De focus binnen de handhaving op arbeidsrelaties is primair gericht op de loonheffingen in relatie tot opdrachtgevers.
Voor de keuze van de posten waar een bedrijfsbezoek of boekenonderzoek wordt ingesteld maakt de Belastingdienst gebruik van zowel steekproeven als een detectiemodule7. Met deze module wordt gezocht naar aanwijzingen voor (een toename van) inhuur van derden waarvan de inschatting is dat er sprake is van een groter risico op een onjuiste kwalificatie van arbeidsrelaties. Ook een signaal uit de (individuele) klantbehandeling kan aanleiding zijn voor een bedrijfsbezoek of boekenonderzoek. Risico’s die daaruit voortvloeien, kan de Belastingdienst in behandeling nemen. Daarbij kan de mate en intensiteit van de inzet van verschillende handhavingsinstrumenten variëren. Zo kan de Belastingdienst bijvoorbeeld kiezen om een bedrijfsbezoek te doen of een boekenonderzoek in te stellen. In het kader van de zachte landing start de Belastingdienst in 2025 het risicogerichte toezicht op schijnzelfstandigheid in beginsel met een bedrijfsbezoek.
Hoeveel waarschuwingen heeft de Belastingdienst tot nu toe gegeven, voorafgaand aan een eventueel boekenonderzoek, in het kader van de handhaving van schijnzelfstandigheid na 1 januari 2025? Hoe ziet zo’n waarschuwing er in de praktijk uit? Wordt dit schriftelijk gedaan? Zo ja, kunt u de Kamer daar een voorbeeldbrief van doen toekomen? Zo nee, waarom niet en welke juridische grond heeft een waarschuwing dan zonder schriftelijke documentatie?
De waarschuwing is geen officieel instrument, zoals de aanwijzing. De mogelijkheid om een waarschuwing te geven maakt onderdeel uit van de ruimte binnen het bestaande rechtskader die een Belastingdienstmedewerker in algemene zin heeft. Een aanwijzing werd onder het handhavingsmoratorium gegeven nadat de Belastingdienst na een boekenonderzoek had geconstateerd dat sprake was van schijnzelfstandigheid. Een waarschuwing wordt gegeven indien de inspecteur bij een bedrijfsbezoek inschat dat er een risico is op schijnzelfstandigheid. Het bedrijfsbezoek is niet gericht op het doen van uitspraken over de aanvaardbaarheid van de aangiften. Er is dan nog geen sprake van een constatering. In dit stadium is namelijk nog niet vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van schijnzelfstandigheid. De opdrachtgever wordt er zo nodig op gewezen dat van hem wordt verwacht dat schijnzelfstandigheid wordt voorkomen in diens organisatie. Op deze manier wordt de opdrachtgever gewaarschuwd. Hierdoor krijgt een ondernemer de kans om zijn bedrijfsvoering te verbeteren en te voldoen aan wet- en regelgeving.
Van het bedrijfsbezoek wordt een verslag gemaakt. Het verslag is een feitelijke weergave van hetgeen is besproken en de eventueel opgevraagde stukken. Als er risico’s op schijnzelfstandigheid zijn en als er afspraken zijn gemaakt, worden die in het verslag opgenomen. Een sjabloon van een dergelijk verslag treft u bijgaand aan (bijlage 3). Dit sjabloon is een hulpmiddel dat aangepast worden op de specifieke casus.
Zoals aangegeven, is de waarschuwing geen officieel instrument en heeft deze ook geen juridische grondslag. Er is daarom geen vastlegging van het aantal waarschuwingen. Wel wordt, zoals in het antwoord op vraag 3 opgenomen, het aantal bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken geregistreerd.
Indien een waarschuwing is gegeven, onder welke voorwaarden start de Belastingdienst vervolgens een boekenonderzoek? Op welke termijn wordt dit gestart? Wat wordt hierover medegedeeld aan de opdrachtgever en/of (schijn)zelfstandige?
Dit is afhankelijk van hetgeen de inspecteur heeft aangetroffen bij een bedrijf. Het kan zijn dat er geen vervolg is, maar een tweede bedrijfsbezoek op een later moment is ook mogelijk. Ook is het een optie om een boekenonderzoek naar een (recente) aangifte loonheffingen in te stellen. Indien het bedrijf bijvoorbeeld naar aanleiding van een bedrijfsbezoek aangeeft de mogelijke schijnzelfstandigen in loondienst te nemen, kan de Belastingdienst ervoor kiezen geen vervolg te geven aan het bedrijfsbezoek. Dit kan bijvoorbeeld als uit de aangifte loonheffingen blijkt dat er werknemers in loondienst zijn genomen. Indien ingeschat wordt dat sprake is van grote risico’s of ingeschat wordt dat de opdrachtgever blijft werken met potentiële schijnzelfstandigen, kan een tweede bedrijfsbezoek of boekenonderzoek worden gedaan. Op welke termijn een tweede bedrijfsbezoek of een boekenonderzoek plaatsvindt, is afhankelijk van de grootte van het risico dat het bedrijf met schijnzelfstandigen werkt en van de beschikbare capaciteit bij de Belastingdienst. Zoals in het antwoord op vraag 2 opgenomen, wordt een bedrijfsbezoek en een boekenonderzoek schriftelijk aangekondigd en wordt een verslag c.q. rapportage van een bedrijfsbezoek c.q. boekenonderzoek verstuurd.
Hoeveel boekenonderzoeken zijn er vanaf 1 januari 2025 gestart in het kader van de handhaving van schijnzelfstandigheid? Hoeveel boekenonderzoeken verwacht de Belastingdienst dit jaar af te kunnen doen, gegeven de handhavingscapaciteit?
Zoals in het antwoord op vraag 2 en 3 opgenomen, rapporteert de Belastingdienst periodiek over de voortgang van de handhaving op arbeidsrelaties waaronder het aantal boekenonderzoeken. Er zijn nog geen cijfers beschikbaar voor januari 2025.
In de bijlage bij de Kamerbrief van 6 september 2024 heeft de Belastingdienst gerapporteerd over de bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken: in 2024 zijn van januari tot en met juni 406 bedrijfsbezoeken en 47 boekenonderzoeken uitgevoerd.8 De capaciteit die de Belastingdienst inzet op de handhaving op arbeidsrelaties is ongewijzigd in 2025. Het is nog niet duidelijk of dit betekent dat in 2025 eenzelfde aantal bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken gedaan kan worden als in 2024. Dit is van diverse factoren afhankelijk, zoals de grootte van de onderzoeken en de risico’s die worden aangetroffen.
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden en zou u dit willen doen voor het commissiedebat zzp van 12 maart 2025?
Ja.
Het NOS-item 'Ondanks verbod toch gokreclame op Belgische voetbalshirts, 'kan ook hier gebeuren'' |
|
Mirjam Bikker (CU), Michiel van Nispen |
|
Struycken |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het NOS-item «Ondanks verbod toch gokreclame op Belgische voetbalshirts, «kan ook hier gebeuren»»?1
Ja.
Herkent u het in dit bericht geschetste beeld dat in België wetgeving omzeild wordt die vergelijkbaar is met het Nederlandse verbod op gokreclames?
Zowel België als Nederland kennen vergaande verboden voor reclame voor online kansspelen, waaronder een verbod op reclame in de sport.2 De nationale wetgeving is echter niet een-op-een te vergelijken. Er zijn verschillen ten aanzien van de ingangsdatum, de overgangstermijn en de reikwijdte van de verboden. In België mogen bijvoorbeeld minderjarige sporters sinds 1 juli 2023 geen gokreclames meer op hun tenue dragen en met ingang van 1 januari 2028 geldt er in België een totaalverbod op gokreclames in de professionele sportwereld. In Nederland geldt vanaf 1 juli 2025 voor vergunde aanbieders van online kansspelen een totaal verbod op sport sponsoring.3 In de Nederlandse wet- en regelgeving is uitdrukkelijk bepaald dat het de verantwoordelijkheid van kansspelaanbieders is om zich te allen tijde aan de geldende reclameregels te houden.4 Ook als er andere partijen betrokken zijn bij de reclame- en sponsoractiviteiten, zoals inkoopbureaus en sponsorpartners.
Ik kan niet uitsluiten dat er in Nederland partijen zijn die zullen proberen aan hun kansspelbedrijf gerelateerde sponsornamen of -logo’s te tonen op vergelijkbare wijze als in België. Indien dit gebeurt, dan zal de Kansspelautoriteit (Ksa) alle juridische middelen inzetten om dit te voorkomen of te doen stoppen.
In mijn brief van 14 februari 2025 heb ik uiteengezet hoe ik op basis van mijn visie op kansspelen en de beleidsreactie op de evaluatie van de Wet kansspelen op afstand (Wet koa) maatregelen tref om mensen beter te beschermen tegen schadelijke effecten van kansspelen.5 Met betrekking tot reclame voor online kansspelen ziet dat op twee zaken. Ten eerste een verdere beperking van reclame voor online kansspelen tot het strikt noodzakelijke, met als uitgangspunt «verboden, tenzij». Ten tweede een wijziging van de algemene uitgangspunten van de Wet op de kansspelen (Wok) waarin de normadressaat wordt uitgebreid, met onder andere schakels in de reclameketen zoals marketingbedrijven en internetplatforms.6 Met deze twee maatregelen wordt voorzien in een duidelijker reclameverbod met beperkte uitzonderingen en dat maakt omzeiling van de regels veel lastiger.
Deelt u onze vrees dat het aankomende verbod ook in Nederland op dergelijke slinkse manieren zal worden ontweken?
Zie antwoord vraag 2.
Hebt u in anticipatie hierop toch meer maatregelen getroffen om dit te voorkomen, en zo niet, welke maatregelen gaat u alsnog en op welke termijn treffen zodat het verbod niet ontweken wordt?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich onze eerder ingezonden vragen (ingezonden op 23 september 2024 en door u beantwoord op 17 oktober 20242)? Heeft u sindsdien nieuwe inzichten opgedaan? Vindt u nog steeds dat de door u in die beantwoording genoemde wetsartikelen afdoende bescherming zullen bieden tegen vergelijkbare ongerijmdheden door de gokindustrie zoals nu in België het geval is?
Ja. In de beantwoording van de ingezonden Kamervragen van 23 september 2024 heb ik geantwoord dat ik de ontwikkelingen in het buitenland volg en mede aan de hand van de uitkomsten van de evaluatie van de Wet koa zal bezien of een verdere aanscherping van de reclameregels gewenst is. Daarbij is van belang dat met het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand, op zo kort mogelijke termijn, een zo vergaand als mogelijk reclame- en sponsoringverbod is ingericht binnen de huidige kaders van de Wok. Voor verderstrekkende verbodsbepalingen is een wetswijziging benodigd. Deze heb ik aangekondigd in mijn brief van 14 februari jl.8
Kunt u het citaat van de Nederlandse Kansspelautoriteit in het artikel – «We willen graag dat de wet wordt aangepast zodanig dat aanbieders wel de ruimte krijgen om reclame te maken, maar dat we de vormen van omzeiling die we nu in België zien, kunnen tegenhouden.» – toelichten? Dit citaat is te lezen als de wens om verruiming van de reclamemogelijkheden; klopt deze interpretatie en, zo ja, deelt u die wens, ondanks duidelijke Kameruitspraken?
De Ksa heeft mij desgevraagd laten weten dat zij niet heeft gepleit voor een verruiming van de reclamemogelijkheden, maar voor twee andere zaken. Ten eerste heeft de Ksa gepleit voor het in stand houden van de mogelijkheid voor vergunde aanbieders om reclame te maken voor het legale aanbod binnen duidelijke kaders. De Ksa is geen voorstander van een totaal reclameverbod, omdat het voor burgers duidelijk moet zijn waar legaal gespeeld kan worden en om te voorkomen dat zij alleen reclame van illegale aanbieders zien en dan daar gaan spelen zonder enige bescherming. Ten tweede heeft de Ksa gepleit voor een andere opzet van de reclameregels. Ze stelt voor het huidige stelsel om te vormen van een stelsel waarin alle reclame is toegestaan mits aan cumulatieve voorwaarden wordt voldaan («ja, tenzij») naar een stelsel waarin alle reclame voor kansspelen is verboden, tenzij nadrukkelijk toegestaan («nee, tenzij»).
Verder heeft de Ksa nog de wens geuit dat de reclameregels voor iedereen gaan gelden in plaats van slechts voor de vergunninghouders, zoals nu het geval is. Op die manier kan de Ksa rechtstreeks optreden tegen de reclamemakers zelf, zoals nieuwssites of voetbalclubs. Dit komt overeen met mijn voornemens voor wijzigingen op het gebied van reclameregels.
Deelt u onze overtuiging dat jonge sportfans helemaal geen gokreclame moeten tegenkomen?
In mijn brief van 14 februari jl. heb ik beschreven dat het kansspelbeleid als doel heeft het beschermen van burgers tegen kansspelgerelateerde schade, zoals verslavings- en schuldenproblematiek. Hierbij heb ik in het bijzonder aandacht voor kwetsbare groepen, zoals minderjarigen en jongvolwassenen. Dit betekent dat deze kwetsbare groepen zo min mogelijk reclame voor kansspelen op afstand tegen moeten komen. Zoals in antwoord 3 en 4 beschreven, wil ik de mogelijkheden voor reclame voor online kansspelen tot het strikt noodzakelijke beperken, met als uitgangspunt «verboden, tenzij». Helemaal voorkomen dat jonge sportfans gokreclame tegenkomen is niet mogelijk, zeker zolang goksponsering in de sport in andere landen nog toegestaan is.
Bent u met ons van mening dat het geen pas geeft dat verscheidene voetbalclubs ondanks het aanstaande verbod toch, misschien wel tot de laatste dag dat het mag, gokreclames blijven faciliteren? Vindt u met deze vragenstellers dat dit weliswaar volgens de letter van de wet mag, maar in strijd is met de maatschappelijke verantwoordelijkheid die ook voetbalclubs hebben te nemen? Bent u bereid deze clubs hierop aan te spreken?
Met name voor de sportsector heeft het verbod op sponsoring door gokbedrijven grote financiële gevolgen. Gezien het belang van de sport in de samenleving, is voor een overgangsperiode van twee jaar gekozen voor contracten die voor 1 juli 2023 waren gesloten. Het verbod op sponsoring door gokbedrijven zal op 1 juli 2025 in werking treden. Daarmee hebben sportclubs voldoende de gelegenheid gekregen om andere sponsoren te vinden. Deze ingangsdatum valt eveneens samen met het einde van het sportseizoen. Ik zie dan ook geen grond om clubs nu aan te spreken op deze contracten.
De beperkte toegang tot palliatieve zorg door de opstelling van de zorgverzekeraars |
|
Sarah Dobbe |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Wat is uw reactie op de noodkreet van een wijkverpleegkundige over de doelmatigheidseisen van zorgverzekeraars, waardoor patiënten van sommige zorgverzekeraars geen toegang kunnen krijgen tot beschikbare palliatief terminale zorg?1
In mijn brief van d.d. 14 maart 2025 heb ik toegelicht dat met de zorgverzekeraars is gesproken over de omzetplafonds en doelmatigheidseisen die gesteld worden ook bij palliatieve terminale zorg. Allereerst wil ik aangeven dat uit deze gesprekken duidelijk naar voren is gekomen dat afspraken tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders geen enkele belemmering voor de mogelijkheden om thuis te sterven. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders van wijkverpleging maken onderling afspraken met als uitgangspunt dat op basis van de principes van passende zorg alle patiënten die palliatieve terminale zorg nodig hebben goed kunnen worden geholpen. De contractafspraken die worden gemaakt geven aanbieders te allen tijde de ruimte om tijdig palliatieve zorg te kunnen leveren. Waarbij het van belang is dat aanbieders van wijkverpleging tijdig met de verzekeraar in gesprek gaan als zij zien dat een groot deel van het omzetplafond is bereikt, zodat zij afspraken kunnen maken over de voor palliatieve zorg benodigde uitbreiding.
Daarnaast ben ik met partijen in gesprek over afspraken over palliatieve zorg in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord. Daarbij is mijn inzet dat patiënten in de stervensfase te allen tijde de palliatieve zorg ontvangen die zij nodig hebben. Waarbij afspraken tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars over omzetplafonds hiervoor op geen enkele wijze een belemmering kunnen vormen. Hoewel dit gesprek nog loopt, zijn partijen het er unaniem over eens dat het belangrijk is dat palliatieve zorg een vanzelfsprekend onderdeel is van reguliere zorg, goed georganiseerd is en toegankelijk is voor iedereen die dat nodig heeft. Daarbij vind ik het ook belangrijk dat in ieder geval afspraken worden gemaakt over de communicatie tussen aanbieders en verzekeraars over omzetplafonds. Onduidelijkheid over de rol en benutting van de omzetplafonds mogen zoals gezegd nooit een belemmering vormen voor het leveren van palliatieve zorg.
Wat is uw reactie op het artikel op de voorpagina van Trouw hierover op 30 januari 2025?2
Uiteraard betreur ik het zeer dat de patiënt waarover in het artikel geschreven werd, in het ziekenhuis is overleden en niet thuis zoals zijn uitdrukkelijke wens was. De betrokken zorgverzekeraar, VGZ, heeft door middel van een persbericht op het artikel gereageerd.3 In het persbericht geeft VGZ aan dat het niet klopt dat VGZ een verzoek heeft geweigerd om palliatieve zorg in de thuissituatie te bieden aan deze patiënt, die bij VGZ verzekerd was. VGZ geeft ook aan dat de betreffende aanbieder dat heeft bevestigd. Ook heb ik hierover een gesprek gevoerd met VGZ. VGZ gaf daarin aan dat er door de betrokken zorgaanbieder het beeld werd geschetst dat er een beroep moest worden gedaan op het omzetplafond. Alleen al vanwege het feit dat zo vroeg in het jaar, januari, een zorgplafond helemaal niet in zicht kan zijn, gaf volgens VGZ aan dat het beroep daarop onterecht was. Hieruit leid ik af dat het in Trouw geschetste beeld niet lijkt te kloppen. Dit neemt niet weg dat ik, zoals in de brief van d.d. 14 maart 2025 aangegeven, in het AZWA erop inzet om communicatie tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders te versterken zodat dit soort misverstanden worden voorkomen.
Klopt het dat mensen niet thuis kunnen sterven terwijl zij dat wel willen en zorgaanbieders de noodzakelijke palliatieve zorg daarvoor niet kunnen bieden, vanwege het beleid van verzekeraars?
Nee, dat klopt niet. Zoals ik heb toegelicht in mijn brief van d.d. 14 maart 2025 vormen de afspraken tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders geen belemmering voor de mogelijkheden om thuis te sterven. Als iemand aangewezen is op de zorg die is opgenomen in de basisverzekering, dan wordt deze zorg tijdig geleverd en ook vergoed.
Zorgaanbieders van wijkverpleging en zorgverzekeraars maken in hun contract onderling afspraken over omzetplafonds, die gelden voor de gehele wijkverpleging of het eerstelijnsverblijf. Zorg aan palliatief terminale patiënten maakt daar onderdeel van uit, want palliatieve zorg betreft een specifieke vorm van wijkverpleging. Hoewel er dus omzetplafonds zijn voor het geheel dat aan zorg wordt geleverd, worden deze omzetplafonds in de praktijk niet toegepast voor palliatief terminale zorg. De zorgverzekeraars geven aan dat omzetplafonds nooit een belemmering mogen zijn om juist in palliatief terminale fase patiënten de zorg te geven die nodig is. Om te voorkomen dat hierover onduidelijkheden bestaan tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars, vind ik het belangrijk dat hierover in het AZWA aanvullende afspraken worden gemaakt. Daarbij is mijn inzet dat mensen in de stervensfase te allen tijde de palliatieve zorg ontvangen die zij nodig hebben en dat afspraken tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars over omzetplafonds hier op geen enkele wijze een belemmering in vormen.
Heeft u cijfers over hoeveel mensen hier jaarlijks door worden geraakt?
Nee, ik heb die cijfers niet.
Op welke manier zou het kostenbesparend zijn voor zorgverzekeraars om mensen in het ziekenhuis palliatieve zorg te laten krijgen i.p.v. thuis?
Ik vind het belangrijk dat mensen juist ook in de palliatief terminale fase te allen tijde de zorg krijgen die zij nodig hebben en dat zij die zorg zoveel mogelijk in hun eigen vertrouwde omgeving ontvangen. Ook zorgverzekeraars zijn deze mening toegedaan.
Is het toegestaan voor zorgverzekeraars om te dreigen met opzegging van het contract met een zorgaanbieder als die in de openbaarheid de negatieve consequenties van hun inkoopbeleid benoemt? Zo nee, wat zouden daar de consequenties van zijn?
Ik zou dat niet een wenselijke situatie vinden, maar herken niet dat dit in de praktijk gebeurt. In algemene zin is het zo dat waar het gaat om contractering tussen individuele aanbieders en verzekeraars het om een privaatrechtelijke aangelegenheid gaat waar ik niet in kan treden. In de meeste gevallen worden er jaarlijkse contracten afgesproken. De zorgverzekeraar, maar ook de zorgaanbieder heeft altijd de keuze om het contract niet te verlengen. Vanuit de afspraken uit het Integrale Zorgakkoord over het verbeteren van het contracteerproces wordt door zorgverzekeraars en zorgaanbieders actief gewerkt aan het doorvoeren van verbeteringen in de contractering en de onderlinge communicatie. Ook de NZa is hierbij ondersteunend, met bijvoorbeeld de eerdere publicatie van de Handvatten voor Zorgcontractering en transparantie gecontracteerde zorg in 2023, die aanbieders en verzekeraars nadere richtsnoeren en handvatten geeft voor verdere verbetering van het contracteerproces geeft voor aanbieders en verzekeraars.
Welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen mensen niet meer ongewenst in het ziekenhuis sterven, omdat het inkoopbeleid van zorgverzekeraars ervoor zorgt dat mensen geen palliatieve zorg thuis kunnen krijgen?
Ik vind het heel belangrijk dat mensen juist ook in de palliatief terminale fase de zorg krijgen die zij nodig hebben en zij die zorg zoveel mogelijk in hun eigen vertrouwde omgeving ontvangen. Uit gesprekken met zorgverzekeraars komt naar voren dat het inkoopbeleid van zorgverzekeraars daaraan niet in de weg staat. Wel ontstaat er in de praktijk soms onduidelijkheid over de betekenis van de afspraken. Onduidelijkheid in afspraken tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars mogen echter nooit een belemmering vormen voor het tijdig leveren van de benodigde palliatieve zorg die mensen in de stervensfase nodig hebben. Om te voorkomen dat hierover onduidelijkheden bestaan tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars, vind ik het belangrijk dat hierover in het AZWA aanvullende afspraken worden gemaakt. Daarbij is mijn inzet dat mensen in de stervensfase te allen tijde de palliatieve zorg ontvangen die zij nodig hebben en dat afspraken tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars over omzetplafonds hier op geen enkele wijze een belemmering in vormen.
Klopt het dat organisaties die de gestelde doelmatigheid halen, patiënten met grote zorgvragen niet in zorg nemen? Kunt u dit toelichten?
Dit is mij niet bekend.
Mogen zorgverzekeraars hun uurtarief bijstellen als er niet aan de doelmatigheidseisen is voldaan waardoor eind van het jaar geld moet worden terugbetaald terwijl de zorg wel is geboden?
De contractafspraken tussen een zorgaanbieder en zorgverzekeraar zijn een privaatrechtelijke aangelegenheid. Daarnaast wordt er in de wijkverpleging voor zover het gaat om gecontracteerde zorg gewerkt met een integrale prestatie met vrije tarieven. Dat betekent dat er tussen elke zorgaanbieder en verzekeraar andere tariefafspraken kunnen gelden. Ik heb hierop uiteraard geen zicht. Het is mij daarnaast in het kader van palliatieve zorg niet bekend dat er sprake zou zijn van afspraken om geld terug te moeten betalen aan het einde van het jaar.
Hoe vaak worden naheffingen opgelegd door zorgverzekeraars omdat zorgorganisaties volgens de verzekeraar teveel palliatieve zorg zouden hebben verleend?
Dat is mij niet bekend.
Deelt u de mening dat hoe lang het duurt tot iemand overlijdt zich niet in schema’s laat gieten en dat de zorg gegeven moet worden die nodig is?
Ja, deze mening deel ik. Palliatieve zorg is er voor mensen die niet meer beter worden en hun naasten. Het draait om kwaliteit van leven en de dingen kunnen blijven doen die je belangrijk vindt. Deze fase kan maanden of zelfs jaren duren. Terminale zorg en stervensbegeleiding zijn onderdeel van palliatieve zorg en vinden plaats in de allerlaatste weken, soms maanden. Mensen moeten op deze zorg kunnen rekenen en het moet passen bij hun situatie.
Deelt u de stelling dat het absurd en onwenselijk is dat het uitmaakt bij welke verzekeraar je bent verzekerd of je palliatieve zorg krijgt, welke zorg dat is en hoeveel zorg vergoed wordt? Kunt u dit toelichten?
Het moet in de praktijk voor het ontvangen van palliatieve zorg geen verschil uit maken bij welke verzekeraar je bent verzekerd. Palliatieve zorg maakt als onderdeel van de reguliere zorg onderdeel uit van het basispakket verzekerde zorg in de Zorgverzekeringswet. De zorgverzekeraars hebben zorgplicht ten aanzien van hun verzekerden en dienen dan ook alle voor een specifieke zorgvraag benodigde zorg uit het basispakket aan te bieden en te vergoeden. Zorgverzekeraars maken met aanbieders in de contractering afspraken over te leveren zorg. Wijkverpleegkundigen indiceren de noodzakelijke zorg en het is aan de zorgaanbieder om deze zorg te leveren, waarbij de te verlenen zorg wel passend moet zijn bij de specifieke zorgvraag. De beantwoording van de vraag welke zorg passend is staat dus los van de vraag bij welke verzekeraar iemand verzekerd is.
Wat is uw reactie op het genoemde voorbeeld van een vrouw van 80 jaar die niet in aanmerking kwam voor palliatieve zorg, en daarvoor in de laatste twee dagen van haar leven aangewezen was op haar 80-jarige buurvrouw?
Ik ken deze casus niet, maar ik vind het ontzettend akelig als dit op deze manier heeft plaatsgevonden. Ik vind het belangrijk dat mensen juist ook in de palliatief terminale fase de zorg krijgen die zij nodig hebben en zij die zorg zoveel mogelijk in hun eigen vertrouwde omgeving ontvangen.
Door middel van het NPPZ II wordt ingezet op de transformatie van palliatieve zorg, zodat regionaal afspraken gemaakt worden over de samenwerking tussen partijen en de palliatief terminale zorg goed ingeregeld wordt. Deze transformatie betekent dat partijen (ziekenhuizen, hospices, huisartsen, wijkverpleging, zorgverzekeraars, etc.) per regio afspraken maken over hoe ze gaan zorgen dat zorgverleners tijdig de palliatieve fase markeren, dat zorgverleners tijdig en regelmatig gesprekken voeren met patiënten over hun wensen en grenzen in de palliatieve fase, dat zorgverleners met elkaar gaan samenwerken, over de «muren» heen en dat zij zorgen dat bij complexe palliatieve zorg voldoende specialisten palliatieve zorg beschikbaar zijn.
Bent u het eens met de wijkverpleegkundigen die aangeven dat de toets van verzekeraars een toonbeeld is van kilheid en boekhoudersmentaliteit?
Mijn beeld is, gevoed door de gesprekken met de zorgverzekeraars en ook diverse zorgaanbieders, dat zorgaanbieders en zorgverzekeraars nauw samenwerken om met het beschikbare zorgaanbod alle patiënten zo goed mogelijke passende palliatieve en terminale zorg te kunnen geven.
De zorgverzekeraar heeft een zorgplicht en moet voor alle verzekerden voldoende zorg inkopen. Dit betekent ook dat zij inkoopafspraken maken om de zorgcapaciteit zo goed mogelijk te verdelen. In de wijkverpleging bestaat echter ook praktijkvariatie. Er zijn zorgaanbieders die goede afspraken maken met het steunsysteem van de patiënt en de zorg leveren die de naasten niet kunnen leveren, maar er zijn ook zorgaanbieders die de professionele zorg 24 uur per dag leveren zonder daarbij de naasten te betrekken.
Deelt u de mening dat de toets van verzekeraars een gevolg is van marktwerking in de zorg en dat het belang van mensen die in de laatste fase van hun leven zorg nodig hebben hierbij niet voorop staat?
Nee, deze opvatting deel ik niet.
Zoals reeds aangegeven is het de verantwoordelijkheid van zorgverzekeraars en zorgaanbieders om vanuit de principes van passende zorg met het beschikbare zorgaanbod alle patiënten die zorg nodig hebben zo goed mogelijk te kunnen helpen. Hierover worden in de contractering afspraken gemaakt, waarbij alle zorgverzekeraars hebben aangegeven dat de contractuele afspraken of afspraken over omzetplafonds geen belemmering vormen voor het tijdig leveren van de benodigde palliatieve zorg.
Terminale zorg en stervensbegeleiding zijn onderdeel van palliatieve zorg en vinden plaats in de allerlaatste weken, soms maanden. Mensen moeten op deze zorg kunnen rekenen en het moet passen bij hun situatie. Door middel van het NPPZ II wordt ingezet op de transformatie van palliatieve zorg, zodat regionaal afspraken gemaakt worden over de samenwerking tussen partijen en de palliatief terminale zorg goed ingeregeld wordt. Deze transformatie betekent dat partijen (ziekenhuizen, hospices, huisartsen, wijkverpleging, zorgverzekeraars, etc.) per regio afspraken maken over hoe ze gaan zorgen dat zorgverleners tijdig de palliatieve fase markeren, dat zorgverleners tijdig en regelmatig gesprekken voeren met patiënten over hun wensen en grenzen in de palliatieve fase, dat zorgverleners met elkaar gaan samenwerken, over de «muren» heen en dat zij zorgen dat bij complexe palliatieve zorg voldoende specialisten palliatieve zorg beschikbaar zijn. Zorgverzekeraars werken volop hieraan mee en erkennen vanuit hun zorgplicht voor verzekerden dat mensen belang hebben bij goede zorg ook in de laatste fase van hun leven.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de enige toets die wordt gedaan in de palliatieve zorg moet zijn dat de persoon de zorg krijgt die nodig is? Hoe gaat u zich hiervoor inzetten?
Palliatieve zorg is er voor mensen die niet meer beter worden en hun naasten. Het draait om kwaliteit van leven en de dingen kunnen blijven doen die je belangrijk vindt. Deze fase kan maanden of zelfs jaren duren. Terminale zorg en stervensbegeleiding zijn onderdeel van palliatieve zorg en vinden plaats in de allerlaatste weken, soms maanden. Mensen moeten op deze zorg kunnen rekenen en het moet passen bij hun situatie. Palliatieve zorg staat daarom als één van de prioriteiten van het kabinet in het regeerprogramma.
Het is belangrijk dat mensen vroegtijdig het gesprek aangaan over de laatste levensfase en dit niet alleen in de spreekkamer van de arts doen maar juist met hun familie en naasten. Het is van belang dat de palliatieve zorg een vanzelfsprekend onderdeel is van de reguliere zorg en goed georganiseerd en toegankelijk is. Als mensen in de palliatief terminale fase komen dan moeten zij de zorg krijgen die zij nodig hebben en zoveel mogelijk in hun eigen vertrouwde omgeving ontvangen.
Zou u willen reageren op elk van de bevindingen in het artikel ««Zie de mens, niet het getal». Senioren lopen aan tegen «discriminatie op basis van leeftijd», ouderenorganisatie luidt noodklok»?1
Wat vindt u van het feit dat maar liefst een op de drie 65-plussers in Nederland te maken heeft gehad met discriminatie op basis van hun leeftijd?
Hoe brengt u discriminatie op basis van leeftijd in kaart? Welke onderzoeken zijn er gedaan naar discriminatie op basis van leeftijd? Welke onderzoeken naar discriminatie op basis van leeftijd zijn nu gaande?
Zou u inzicht willen geven in de bij u al bekende cijfers op het gebied van discriminatie op basis van leeftijd?
Zou u op elk van de in het aangehaalde nieuwsartikel genoemde voorbeelden en aspecten van discriminatie op basis van leeftijd willen reflecteren en daarbij willen ingaan op de vraag waarom het hier discriminatie op basis van leeftijd betreft, wat de impact van die vorm van discriminatie op basis van leeftijd is in het leven van mensen en waarom dit aspect van discriminatie op basis van leeftijd aangepakt zou moeten worden?
Welke actieplannen zijn er om discriminatie op basis van leeftijd in het financiële domein aan te pakken?
Bent u bekend met discriminatie op basis van leeftijd op het gebied van de limitieten van creditcards? Zo nee, zou u dit in kaart willen laten brengen? Zo ja, zou u deze informatie willen delen met de Kamer?
Zou u bij de voorgaande vraag ook willen ingaan op wat u concreet gaat doen om dit tegen te gaan?
Zou u bij de voorgaande twee vragen ook willen ingaan op welke verantwoordelijkheid banken en creditcardbedrijven op dit gebied hebben?
Hoe reflecteert u op het gegeven dat discriminatie op basis van leeftijd plaatsvindt in een sociale context waarbij mensen wellicht discriminatie kunnen ervaren, terwijl degene die dit overbrengt dit niet bedoeld heeft als discrimininatie op basis van leeftijd?
Hoe beziet u in het licht van de vorige vraag de discussie over discriminatie op basis van leeftijd binnen het terrein van werksituaties en arbeidsverhoudingen, zoals het bewust of onbewust doen van aannames over inzetbaarheid, promotiemogelijkheden, etcetera?
Welke actieplannen zijn er om discriminatie binnen werksituaties en op de arbeidsmarkt aan te pakken?
Bent u bekend met discriminatie op het gebied van leeftijd bij de verhuur van voertuigen? Zo nee, zou u dit in kaart willen brengen? Zo ja, zou u mogelijke maatregelen willen opsommen om dit tegen te gaan?
Zou u bij de voorgaande vraag ook willen aangeven welke van deze maatregelen u gaat uitvoeren?
Welke actieplannen zijn er om juist in te zetten op de meerwaarde die senioriteit met zich meebrengt, zoals wijsheid en levenservaring?
Hoe reflecteert u in het licht van de voorgaande drie vragen op discriminiatie op basis van leeftijd bij bijvoorbeeld autoverhuurbedrijven, waarbij senioriteit meer dan eens juist ruimere rijervaring betekent?
Hoe beziet u discriminatie op basis van leeftijd in het licht van de toenemende vergrijzing?
Zou u voorgaande vraag ook willen beantwoorden in het licht van het feit dat toenemende vergrijzing zorgt voor een noodzaak dat in veel sectoren juist extra mensen, in het bijzonder ook mensen op gevorderde leeftijd, nodig zijn in de economie, en dat discriminatie op basis van leeftijd mensen juist zal afhouden van doorwerken op latere leeftijd?
Zijn er cijfers en onderzoeken bekend van de economische impact van discriminatie op basis van leeftijd? Zo ja, zou u die met de Kamer willen delen, welke conclusies trekt u daaruit en welke acties bent u van plan om uit te voeren? Zo nee, zou u deze impact willen laten onderzoeken?
Zou u willen reageren op het onderzoek naar leeftijdsdiscriminatie van ANBO-PCOB en zou u daarbij op elk van de conclusies en aanbevelingen afzonderlijk willen ingaan?2
Zou u bij de beantwoording van voorgaande vraag ook per conclusie en aanbeveling willen ingaan op welke acties u aan die conclusie of aanbeveling verbindt?
Zou u willen reflecteren op welke rol gemeenten, als overheid die het dichtst bij inwoners staat, maar ook wijkteams en organisaties binnen het sociaal domein, kunnen spelen bij het signaleren en het aanpakken van discriminatie op basis van leeftijd?
Zou u op een rij willen zetten welke acties en maatregelen er worden genomen om andere vormen van discrimininatie tegen te gaan, en daarbij willen aangeven welke mogelijkheden er zijn om die acties en maatregelen ook toe te passen om discriminiatie op basis van leeftijd tegen te gaan?
Deelt u de analyse dat de Rijksoverheid juist veel ambitie zou moeten hebben op het gebied inzetten op de kracht van mensen op gevorderde leeftijd en de kansen die hier liggen? Zo ja, welke acties koppelt u hieraan?
Wat is in het licht van de voorgaande vraag de stand van zaken van het Pact voor de Ouderenzorg, waarin het niet alleen draait om het verbeteren van de kwaliteit van zorg, maar juist ook om de vergroting van waardering voor ouderen?
Welke acties heeft u voor ogen om de ambities uit het Pact voor ouderenzorg nieuw leven in te blazen?
Deelt u de opvatting dat in het licht van de vorige vraag ook de in het verleden opgezette actieagenda Eén tegen Eenzaamheid een weg vooruit biedt om de problematiek van discriminatie op het gebied van leeftijd te voorkomen?
Zo ja, welke plannen heeft u om de actieagenda Eén tegen Eenzaamheid verder uit te voeren, te versterken en uit te bouwen?
Zou u willen reflecteren op de vraag hoe het voorkomen van discriminatie op basis van leeftijd samenhangt met investeren in gemeenschapszin, sociale samenhang en het mensen in staat stellen voor het omkijken naar de ander?
Hoe beziet u in het licht van voorgaande vraag ook de samenhang met de voornemens om mensen langer thuis te laten wonen, zoals het Programma «Langer Thuis»?
Zou u in het licht van de voorgaande zeven vragen willen reflecteren op de vraag hoe de aanpak van discriminiatie op basis van leeftijd samenhangt met gemeenschapszin en de rol van verenigingen, vrijwilligerswerk, maatschappelijke organisaties en kerken, maar ook met initiatieven als de maatschappelijke diensttijd?
Deelt u de opvatting dat vooroordelen over en discriminiatie op basis van leeftijd onder andere voorkomen kunnen worden door de bekendheid en affiniteit met de belevingswereld van mensen van gevorderde leeftijd te vergroten? Zo ja, welke acties koppelt u hieraan?
Hoe beziet u in het licht van de voorgaande vraag maatschappelijke stages en de maatschappelijke diensttijd, die door jongeren onder andere wordt uitgevoerd in de ouderenzorg en bij hulp aan ouderen, en daarmee middelen zijn om jongeren kennis te laten maken met de genoemde belevingswereld?
Welke actieplannen zijn er om discriminatie op basis van leeftijd bij vrijwilligerswerk, vrijwilligersorganisaties, verenigingen en stichtingen aan te pakken?
Het artikel 'Hogere lonen hoeven inflatievuur niet op te stoken' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Beljaarts , Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
![]() |
Herinnert u zich de motie Bontenbal/Marijnissen (36 410, nr. 73)1 die vroeg om het opstellen van een plan om het percentage bedrijven dat doet aan medewerkersparticipatie te vergroten?2
Ja.
Herinnert u zich de brief van de Staatssecretaris van Financiën, waarin het standpunt van het kabinet was dat er geen wettelijke belemmeringen zijn voor werknemersparticipatie, en dat dus geen aanvullende maatregelen nodig zijn?
Ja.
Herinnert u zich de brief van de Minister van Economische Zaken waarin staat dat Nederland onderaan bungelt op de ranglijst van regelingen rondom medewerkersparticipatie binnen startups en scale-ups, en dat het risico ten opzichte van de mogelijke beloning voor de medewerker in Nederland bijna drie keer zo hoog ligt als in enkele onderzochte andere landen?
Ja.
Is het u bekend dat België, Frankrijk, Spanje, Duitsland, Italië, het Verenigd Koninkrijk en Scandinavische landen een fiscaal voordeel bieden voor financiële werknemersparticipatie in de vorm van winstdeling, aandelen of certificaten van aandelen?
Ja.
Is het u bekend dat Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zelfs verdergaande regelingen hebben en het in die landen hoog op de politieke agenda staat?
Ja.
Deelt u de analyse van veel economen, waaronder die van De Nederlandsche Bank, dat het aandeel van lonen in het verdiende bedrijfsinkomen al lange tijd te laag is?
Conform eerdere antwoorden van 17 oktober 20243 stuurt het kabinet niet op de arbeidsinkomensquote (AIQ) dan wel op de winstquote. Voor de AIQ of de winstquote is namelijk geen vastgesteld optimaal niveau. Of de dalende AIQ een probleem is hangt af van de oorzaken. Het zou bijvoorbeeld kunnen komen door technologische vooruitgang, zoals robotisering. Dat brengt veel goeds in een krappe arbeidsmarkt. Maar het zou ook kunnen komen door marktmacht, of een instroom van laagbetaalde arbeidsmigranten. Daar wil het kabinet wat aan doen.
Het kabinet is daarbij van mening dat een evenwichtige loonontwikkeling belangrijk is. Bedrijfswinsten binnen bepaalde sectoren zijn de afgelopen jaren toegenomen. Tegelijkertijd is het goed om te zien dat de lonen bezig zijn met een flinke inhaalslag: in 2024 groeiden de cao-lonen met 6,6%. 4
De hoogte van de lonen is uiteindelijk iets dat in de markt tot stand moet komen, en is een zaak voor de sociale partners, werknemers en de werkgevers.
Deelt u de mening dat ons nationale stelsel van loonvorming een weeffout kent, namelijk dat verbeteringen in arbeidsvoorwaarden grotendeels vooraf worden vastgelegd in cao’s die vaak langer dan een jaar doorlopen, waarmee het aandeel van arbeid in het bedrijfsresultaat altijd achter de feiten aanloopt?
Cao’s hebben meestal een looptijd van één à twee jaar, waarbij de onderhandelingen voor een nieuwe Cao reeds beginnen voor de oude is afgelopen. Dat betekent dat Cao’s beperkt achterlopen op de actualiteit, en deze kan worden meegewogen bij het tot stand komen van de volgende Cao. Het kabinet ziet daarnaast ook meerwaarde in de stabiliteit die een Cao biedt over de looptijd. De samenwerking tussen sociale partners en werkgevers die eigen is aan Cao’s, draagt ook bij aan het vinden van een evenwichtige consensus. Daarbij kunnen sociale partners de arbeidsvoorwaarden ook mede afstemmen op langjarige trends in productiviteit en bedrijfsresultaat. Het kabinet is daarmee niet van mening dat het Cao-stelsel een weeffout is.
Deelt u de mening dat er een belangrijk voordeel zit aan beloning via medewerkersparticipatie, omdat dit, in tegenstelling tot cao-loonsverhogingen, niet-inflatie verhogend werkt, aangezien deze beloningen mee-ademen met het bedrijfsresultaat, en dat het dus verstandig kan zijn om arbeidsbeloningen ook voor een deel uit winstdeling te laten bestaan?
Het kabinet staat in principe positief tegenover de beoogde doelen van financiële werknemersparticipatie. Het staat werknemers en werkgevers vrij om afspraken te maken over financiële werknemersparticipatie waaronder winstdeling als onderdeel van de beloning van werknemers. Het kabinet is van mening dat werknemers, sociale partners en werkgevers zelf het beste in staat zijn om de wenselijkheid daarvan te beoordelen. De voor- en nadelen zullen per sector en per bedrijf verschillen. Een gevolg van winstdeling als onderdeel van de lonen is dat de risicodeling tussen de onderneming en werknemers verandert. Een duidelijk nadeel is dat dit leidt tot meer inkomensonzekerheid. Werknemers ontvangen immers een lager vast loon, en een groter flexibel deel. Als het economisch minder gaat, leidt dit tot een lager inkomen voor de werknemer. Werknemers hebben op deze manier meer onzekerheid over hun inkomen. Doordat de lonen sterker afhankelijk worden van de stand van de economie, wordt de economie van Nederland als geheel ook conjunctuurgevoeliger. Het effect op de inflatie van winstdeling is daarbij niet bij voorbaat vast te stellen. Het kabinet is daarom niet voornemens met actieve fiscale stimulering te komen van financiële medewerkersparticipatie via winstdeling. Het kabinet wil echter ook zeker niet ontmoedigen dat werkgevers en werknemers hier onderling afspraken over maken.
Deelt u de mening dat ondanks dat er voor bedrijven schijnbaar geen wettelijke belemmeringen zijn voor werknemersparticipatie, het stimuleren hiervan meerdere belangrijke voordelen heeft, juist in het licht van inflatie-uitdagingen?
Zie antwoord op vraag 8.
Deelt u de mening dat het expliciet stimuleren van medewerkersparticipatie, ongeacht in welke vorm, wél kan zorgen voor meer bekendheid van deze optie? Zou dit tevend een duwtje in de rug kunnen zijn voor bedrijven om de mogelijkheid ook echt te gaan aanbieden en voor werknemers om hier om te vragen?
In de Kamerbrief van 23 september 20245 waarnaar ook wordt verwezen bij vraag 2 wordt aangegeven dat uit onderzoek blijkt dat dat 33% van de bedrijven die gevraagd wordt naar de reden waarom zij geen gebruik maken van werknemersparticipaties een tekort aan informatie over werknemersparticipaties ervaart. Het gebrek aan kennis als knelpunt werd ook door sociale partners ingebracht in de Stichting van de Arbeid tijdens het onderzoek dat ten grondslag aan de Kamerbrief. Het vergroten van de kennis over financiële werknemersparticipaties, de voor-en nadelen en de uitvoering ervan ziet het kabinet als een taak voor de sociale partners en de andere partijen die hierbij betrokken zijn.
Ten aanzien van startups en scale-ups werkt het kabinet aan de uitwerking van de beleidsoptie voor groeideling uit het Bouwstenenrapport, zoals ook door de Kamer gevraagd in de motie van het lid Van Eijk.6 De Kamer wordt hier voor 1 juli over geïnformeerd. Ik verwijs in dit verband ook naar de Kamerbrief waar in vraag 3 aan wordt gerefereerd, over het onderzoek dat het kabinet heeft laten uitvoeren naar de belastingheffing op dit punt in andere landen7.
Bent u bereid de voordelen van medewerkersparticipatie te onderschrijven, de buitenlandse regelingen te onderzoeken op elementen die ook in Nederland zouden kunnen werken, met sociale partners nogmaals te bespreken hoe dit verder gebracht kan worden en concrete voorstellen te doen om in Nederland werknemersparticipatie actief aan te jagen?
Op 21 september 2023 hebben de leden Bontenbal en Marijnissen een motie ingediend die het kabinet verzoekt om in samenwerking met vakbonden en bedrijven te onderzoeken welke fiscale en andersoortige obstakels winstdeling belemmeren en daarnaast in samenwerking met vakbonden en bedrijven op basis van het onderzoek een plan op te stellen om het percentage bedrijven dat doet aan medewerkersparticipatie te vergroten.8 In de brief die wij op 23 september 2024 aan uw Kamer hebben gestuurd wordt u geïnformeerd over de opzet en de uitkomsten van het onderzoek. In de overleggen met de Stichting van de Arbeid zijn ook de uitkomsten van onderzoek van Universiteit Utrecht betrokken. Gelet op de recente afronding van het traject met de Stichting van de Arbeid, zien wij geen aanleiding voor een nieuwe verkenning.
Het rapport ‘Takers, not makers’ |
|
Jimmy Dijk , Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Beljaarts , Eelco Heinen (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het recente rapport «Takers, not makers», waaruit blijkt dat het vermogen van miljardairs in 2024 drie keer sneller is gestegen dan het jaar ervoor?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie uit het rapport dat een meerderheid van de nieuwe miljardairs onder de 30 jaar hun rijkdom aan erfenissen dankt in plaats van aan eigen ondernemerschap?
Ondernemerschap is de ruggengraat van onze economie. Innovatieve ondernemers creëren banen, drijven technologische vooruitgang en versterken onze concurrentiepositie. Ondernemerschap leidt tot positieve spillovers voor de Nederlandse economie als geheel. Daarom zet ik mij in voor een versterking van het ondernemingsklimaat, o.a. door te werken aan het reduceren van regeldruk voor ondernemers en door in te zetten op de juiste randvoorwaarden voor een concurrerende economie.
Daarbij moeten we ook oog houden voor gelijke kansen voor iedereen om economisch succes te behalen. Wat betreft de overdracht van vermogen is het belangrijk dat dit op een rechtvaardige manier gebeurt, waarbij belastingdruk wordt verdeeld zonder ondernemerschap of investeringen te ontmoedigen.
Deelt u de mening dat een systeem waarbij vermogen meer loont dan arbeid bijdraagt aan toenemende ongelijkheid en een gebrek aan sociale rechtvaardigheid? Zo nee, waarom niet?
Het streven naar een rechtvaardige economie is voor dit kabinet een belangrijk uitgangspunt.
Mensen moeten beloond worden voor hun inzet en arbeid, terwijl verantwoorde investeringen een positieve bijdrage leveren aan economische groei. Dit is immers de reden dat dit kabinet zich inzet voor het principe «werken moet lonen».
Tegelijkertijd is de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal niet helemaal op zijn plaats. Immers, ondernemerschap is een voorwaarde voor een goed functionerende economie die ook kwalitatieve banen creëert waar werknemers van profiteren. Het is juist het samenspel tussen de twee factoren dat bepalend is voor het Nederlandse verdienvermogen.
Tot slot is de bepalende factor voor de toekomstige welvaart van werkend Nederland de productiviteitsgroei. Over het algemeen geldt, hoe hoger de productiviteit, hoe hoger de loongroei. Het is dan ook belangrijk dat lonen meegroeien met de productiviteit. Ik heb als Minister van Economische Zaken daarom een productiviteitsagenda aangekondigd, de uitwerking hiervan volgt komende zomer.
In hoeverre is er in Nederland wat u betreft op dit moment sprake van een dergelijke situatie?
Ik krijg niet het beeld dat in Nederland een situatie is ontstaan zoals Oxfam Novib schetst.
De inkomensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien laag en stabiel. De vermogensongelijkheid is groter dan inkomensongelijkheid en volgens het CBS gedaald in de periode 2011–2023. Dat het vermogen veel schever is verdeeld dan inkomen, is overal ter wereld zo en een logisch gevolg van het feit vermogen gedurende de levensloop van mensen wordt opgebouwd. Een belangrijk deel van de vermogensongelijkheid wordt dan ook verklaard door demografie: gemiddeld genomen bezitten ouderen meer vermogen dan jongeren. Dat is een universeel gegeven. Ondernemen, investeren en beleggen brengt met zich mee dat het vermogen van sommige huishoudens toeneemt terwijl dat van andere huishoudens afneemt. Daarnaast heeft ondernemingsvermogen een grote maatschappelijk waarde wanneer dit vermogen zit in ondernemingen die werkgelegenheid bieden en wanneer dit vermogen wordt ingezet om in te spelen op uitdagingen in de toekomst.
Volgens het CBS is de vermogensongelijkheid gedaald in periode 2011–2023. In 2023 bedroeg de Gini-coëfficiënt voor de vermogensverdeling in Nederland 0,72 en in 2011 was dit 0,78. Verder geldt dat de vermogensongelijkheid in Nederland kleiner is als het collectief opgebouwde pensioenvermogen wordt meegenomen. De vermogensongelijkheid in Nederland is dan internationaal gezien niet opvallend. Zo hebben vergelijkbare landen als Duitsland en Zweden een veel grotere vermogensongelijkheid dan Nederland. Dat laten cijfers van het World Inequality Lab ook zien.
Daarnaast geldt dat Nederland internationaal gezien uitgebreide collectieve voorzieningen heeft zoals een goed functionerend vangnet voor mensen die dat nodig hebben, een toegankelijk zorgstelsel en een adequaat minimumloon. Dit kabinet spant zich in om onze collectieve voorzieningen op peil te houden. Ten slotte erkent het kabinet de relatie tussen fiscaal beleid en het kunnen verkleinen/vergroten van ongelijkheid tussen huishoudens. Afgelopen jaren zijn forse stappen gezet in het herstel van het evenwicht in het belasten van arbeid en vermogen. Dit kabinet houdt deze maatregelen in stand. Verder werkt dit kabinet hard aan het invoeren van het nieuwe box-3 stelsel dat het werkelijk rendement belast. Het belasten van het werkelijk rendement op vermogen in box 3 sluit aan bij het gelijker belasten van vermogen en zorgt ervoor dat bestaande verschillen tussen huishoudens niet worden vergroot door overheidsbeleid.
Hoe verklaart u dat de rijkste één procent van de Nederlandse huishoudens bijna een kwart van het totale vermogen bezit? Welke beleidsmaatregelen zijn momenteel in werking of worden door u ontwikkeld om deze ongelijkheid te verminderen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is uw reactie op de constatering dat in Nederland bijna de helft van de rijksten op de Quote 500-lijst hun vermogen (deels) geërfd hebben? Welk effect heeft dit op de ongelijkheid in Nederland? Welke stappen bent u bereid te nemen om zulke disproportioneel grote erfelijke vermogensconcentraties van miljoenen en miljarden in te perken?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u kwantificeren hoeveel geld de Nederlandse overheid jaarlijks misloopt door belastingontwijking van multinationals en superrijken? Hoeveel geld lopen overheden hierdoor wereldwijd mis?
Er is een onderscheid tussen belastingontwijking (tax evasion) en belastingontduiking (tax avoidance). Een vorm van belastingontduiking is vermogen te verhullen door deze te stallen in belastingparadijzen en deze niet op te geven voor de inkomstenbelasting (box 2 en box2. In de literatuur zijn voor bepaalde landen wel enkele schattingen beschikbaar van de omvang van verhuld vermogen, bijvoorbeeld naar aanleiding van inkeerregelingen waarbij belastingplichtigen alsnog vrijwillig hun eerdere, onjuiste belastingaangiften kunnen verbeteren zonder dat zij een boete ontvangen. Bij belastingontwijking maken belastingplichtigen op een niet-beoogde wijze gebruik van de mogelijkheden die belastingstelsels bieden. Het is lastig de totale omvang van belastingontwijking zowel binnenlands als wereldwijd te meten, aangezien hier geen eenduidige definitie voor valt te geven. Er moet eerst concreet worden gemaakt welke fiscale constructie of planning als belastingontwijking kan worden bestempeld om dan vervolgens te onderzoeken in welke mate dit voorkomt. Daarbij is er sprake van verschillende vormen van belastingontwijking. Om vervolgens schattingen te maken zijn internationale informatie-uitwisseling en transparantie onontbeerlijk.
Welke concrete stappen heeft het kabinet sinds de start van deze kabinetsperiode genomen om belastingontwijking tegen te gaan? Welke stappen is het kabinet nog van plan te nemen?
Dit kabinet blijft werk maken van het aanpakken van belastingconstructies. Zo bevatte het Belastingplanpakket 2025 diverse maatregelen die constructies aanpakken. Voorbeelden daarvan zijn een drietal maatregelen in overdrachtsbelasting en de btw. Ook zijn maatregelen genomen die oneigenlijk gebruik van de fiscale bedrijfsopvolgingsregeling tegengaan. Verder is vorig jaar een onderzoek gestart naar de heffing over de voordelen uit zogenoemde lucratieve belangen.
Dit onderzoek is bijna afgerond en wordt waarschijnlijk in deze maand naar de Kamer gestuurd.
Op dat moment is ook bekend of een alternatieve vormgeving van de lucratief belangregeling mogelijk en wenselijk is. Verder wordt er gewerkt aan het opgestarte onderzoek naar nadere (materiële) maatregelen om de aanpak van dividendstripping te versterken. Hierbij wordt een breed scala aan maatregelen onderzocht en wordt gekeken naar maatregelen tegen dividendstripping in andere landen. Naar verwachting zal het onderzoek in het voorjaar van 2025 naar de Kamer worden gestuurd.
Is het kabinet bereid om het belastingstelsel grondig te herzien, zodat vermogen ten minste even zwaar wordt belast als arbeid, zoals 72% van de Nederlanders volgens recente peilingen wenst? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Afgelopen jaren zijn forse stappen gezet in het herstel van het evenwicht in het belasten van arbeid en vermogen. Dit kabinet houdt deze maatregelen in stand. Verder werkt het kabinet op basis van bestaande rapporten en materiaal toe naar breed politiek draagvlak voor een hervorming van het belastingstelsel en het toeslagenstelsel. Hierbij staan drie doelen voorop: 1) een stelsel dat eenvoudiger en begrijpelijker is, dus beter uitvoerbaar voor de Belastingdienst en Dienst Toeslagen en beter doenbaar voor burgers en bedrijven, en meer toegerust is op ontwikkelingen in de toekomst; 2) een stelsel dat beter voorspelbaar is en daarmee ook meer zekerheid geeft, waarbij inkomensondersteuning niet leidt tot terugvorderingen; 3) een stelsel waarin (meer) werken loont en waarin speciaal ook aandacht is voor de (economische) prikkelwerking vanuit beleid.
Overweegt u om het tarief op miljoenenerfenissen te verhogen, zoals in het rapport wordt voorgesteld? Zo nee, waarom niet? Wat is uw mening over de adviezen in het rapport Internationaal Beleidsonderzoek (IBO) Vermogensverdeling op dit gebied?2
Dit kabinet overweegt niet de tarieven in schenk- en erfbelasting verder te verhogen voor miljoenenerfenissen. Afgelopen jaren zijn forse stappen gezet in het herstel van het evenwicht in het belasten van arbeid en vermogen. Dit kabinet houdt dat in stand. Verder werkt dit kabinet hard aan het invoeren van het nieuwe box-3 stelsel dat het werkelijk rendement belast. Het belasten van het werkelijk rendement op vermogen in box 3 sluit aan bij het gelijker belasten van vermogen en zorgt ervoor dat bestaande verschillen tussen huishoudens niet worden vergroot door overheidsbeleid.
Hoe verklaart u dat rijke, westerse bedrijven nog altijd jaarlijks miljarden dollars aan waarde onttrekken aan landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika door middel van onder andere onrechtvaardige contracten, handelsrelaties en uitbuiting? Welke rol ziet Nederland voor zichzelf om deze mondiale ongelijkheid te bestrijden?
Ik herken me niet in het beeld dat Nederlandse bedrijven waarde onttrekken aan landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Nederlandse bedrijven ondernemen en werken samen in andere landen. Deze handelsrelaties dragen bij aan brede welvaart, en de toegevoegde waarde die hier wordt gecreëerd zie ik allerminst als onttrekkingen.
Bovendien is specifiek de Nederlandse invoer van goederen uit lage-inkomenslanden erg klein, blijkt uit de monitor brede welvaart van het CBS. Nederland voerde in 2023 39 euro per inwoner aan goederen in uit lage-inkomenslanden, vergeleken met een invoer van 21 duizend euro per inwoner uit hoge-inkomenslanden.
Nederland is een handelsland pur sang. Zoals afgesproken in het Regeerprogramma is Nederland gebaat bij eerlijke en duidelijke regels die de internationale samenwerking in goede banen leiden, mensenrechten bevorderen en een gelijk speelveld creëren, waarin onze bedrijven internationaal het best gedijen. Het kabinet wil de positie van Nederland en onze partners op het wereldtoneel versterken en de doelmatigheid en doeltreffendheid van multilaterale instellingen verbeteren.
Het kabinet kiest focus in ontwikkelingshulp, met programma’s op het gebied van gezondheid, handel en mensenrechten.
Hoe verhoudt deze onttrekking zich tot de opstelling van Nederland ten aanzien van de nieuwe internationale doelstelling voor klimaatfinanciering van 300 miljard, wat volgens experts zelfs nog veel te laag is gelet op de mondiale opgave en ongelijkheid tussen de verschillende landen?
De handel tussen Nederland en andere landen en de internationale doelstelling voor klimaatfinanciering zijn twee verschillende zaken.
Deelt u de mening dat de groeiende economische ongelijkheid een politieke keuze is en dat beleidsmaatregelen zoals hogere belastingen op vermogen en winst en het tegengaan van belastingontwijking eerlijk en noodzakelijk zijn?
Nee. Het beeld van groeiende economische ongelijkheid in Nederland, zoals Oxfam Novib schetst, deel ik niet. Inkomensongelijkheid in Nederland is niet groeiende, maar stabiel. De vermogensongelijkheid is volgens het CBS gedaald. Het vermogensaandeel van de top 1 procent in Nederland was bijvoorbeeld 25,6 procent in 2011 en 23,7 procent in 2023. Zie ook de antwoorden op vragen hiervoor.
Dit kabinet heeft aangegeven met maatregelen ter versteviging van de koopkracht niet verder te willen nivelleren, en staat voor stabiel en voorspelbaar (fiscaal) beleid als het gaat om het reguliere vennootschapsbelastingtarief.
Deelt u de mening dat in een democratie het hebben van veel vermogen je niet extra macht en invloed zou mogen geven? Zo ja, welke aanvullende maatregelen overweegt u om de invloed van extreem vermogende individuen op het politieke en maatschappelijke proces te beperken?
Nee, ik overweeg geen aanvullende maatregelen om de gesuggereerde invloed van extreem vermogende individuen op het politieke en maatschappelijke proces te beperken.
In het Regeerprogramma zijn geen maatregelen aangekondigd om de invloed van vermogende individuen te beperken. Wel wordt gewerkt aan het versterken van de rechtsstaat, bijvoorbeeld door de onafhankelijkheid van de Kiesraad te versterken. Dat valt onder de portefeuille van de Minister van BZK.
Bent u bereid een onderzoek te laten uitvoeren naar de invoering van een vermogensbelasting en andere bewezen effectieve en innovatieve manieren om extreme vermogensconcentratie tegen te gaan?
Nee, dit kabinet zet in op een evenwichtige belastingheffing op inkomen uit arbeid en vermogen. Het kabinet werkt nu hard aan de invoering van invoeren van het nieuwe box-3 stelsel dat het werkelijk rendement belast. Het belasten van het werkelijk rendement op vermogen in box 3 sluit aan bij het gelijker belasten vermogen en zorgt ervoor dat bestaande verschillen tussen huishoudens niet worden vergroot door overheidsbeleid.
Op welke wijze is het kabinet van plan gehoor te geven aan de oproep in het rapport om economische ongelijkheid structureel te verminderen en de belastingdruk eerlijker te verdelen?3
Zie alle antwoorden hiervoor.
Het aantal verhuizingen van kinderen in de jeugdzorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Karremans |
|
![]() |
Bent u bekend met het rapport «Van cijfer naar stem, ervaringen van jongeren rondom doorplaatsingen in jeugdzorg»1 van het Verwey-Jonker instituut in opdracht van Stichting Het Vergeten Kind? Herkent u deze cijfers? Zo nee, heeft u een ander beeld of andere cijfers?
Ja, ik ben bekend met het rapport en heb kennisgenomen van de cijfers.
Helaas is het niet mogelijk voor alle jeugdhulp inzichtelijk te maken hoeveel doorplaatsingen er plaatsvinden, zodoende kan ik niet aangeven of ik deze cijfers herken. Het verbeteren van het inzicht in relevante data is voor mij een belangrijk aandachtspunt, ook in lijn met wat de Deskundigencommissie hierover gezegd heeft.2
Voor de gesloten jeugdhulp is dit wel mogelijk. Het dashboard van de StroomOP Monitor3 laat een duidelijke afname van het aantal overplaatsingen tussen instellingen voor gesloten jeugdhulp zien tussen 2021 en 2024.
Erkent u dat jongeren baat hebben bij stabiliteit en dat dit ook in lijn is met het VN-Kinderrechtenverdrag? Zo ja, bent u bereid om dit soort essentiële zaken beter te monitoren zodat er een landelijk beeld komt van de trend en hierop bijgestuurd kan worden? Is het een optie om dit periodiek in beeld te laten brengen door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)?
Ja, het klopt absoluut dat jongeren baat hebben bij stabiliteit. Het is daarom belangrijk dat het uithuisplaatsen van jongeren wordt voorkomen en dat, indien er toch een uithuisplaatsing nodig is, de matching en plaatsing zorgvuldig gebeurt waardoor het doorplaatsen wordt beperkt en voorkomen.
Ik ben voornemens te onderzoeken of er mogelijkheden zijn het aantal doorplaatsingen in het gedwongen kader beter te monitoren. Dit beeld levert ons wellicht aanknopingspunten om verbeteringen in het doorplaatsen aan te brengen.
Er zijn op dit moment namelijk geen landelijke cijfers beschikbaar over wanneer en hoe vaak een jeugdige wordt doorgeplaatst. Het CBS levert ons cijfers over het aantal jongeren met verblijf, maar het aantal doorplaatsingen wordt niet landelijk geregistreerd. Daarvan is dus geen accuraat beeld. Gemeenten kunnen op gemeentelijk niveau hier wel inzicht in krijgen op basis van analyses met gemeentelijke data (het berichtenverkeer tussen gemeenten en aanbieders). Ik werk aan een wettelijke grondslag om deze gemeentelijke data ook centraal beschikbaar te maken.
Herinnert u zich het rapport «Constant nieuwe gezichten, ik crash daarvan2,» uit januari 2020 waarin soortgelijke thema’s werden onderzocht? Herinnert u zich ook de beloften in debatten en Kamervragen waarin uw ambtsvoorganger stelt dat er verbetering moet komen in het aantal keer dat kinderen doorverhuizen en de aangekondigde verbeteringen in de actieprogramma’s?
Ja, ook mijn ambtsvoorgangers hadden oog voor de problematiek van doorplaatsingen. Zij hebben aangegeven aan oplossingen hiervoor te willen werken.
Is er in uw ogen voldoende gedaan om de eerdere aangekondigde verbetermaatregelen waar te maken? Wat is er concreet bereikt? Is in de afgelopen jaren door uw ministerie ook actief gestuurd op het verminderen van het aantal doorplaatsingen? Zo ja, op welke manier?
De afgelopen jaren heeft het Ministerie van VWS in samenwerking met het Ministerie van J&V, de VNG en de branches, maatregelen in gang gezet die de jeugdhulp in brede zin versterken. De Hervormingsagenda Jeugd5 richt zich onder andere op:
Deze maatregelen dragen naar verwachting de komende jaren bij aan minder doorplaatsingen.
Gemeenten, jeugdbeschermers en aanbieders zetten in op passende zorg aan het hele gezin, zodat steeds meer kinderen thuis opgroeien. Door eerder en nabij hulp te bieden aan alle gezinsleden kunnen uithuisplaatsingen worden voorkomen. Jongeren bij wie uithuisplaatsing onvermijdelijk is, gaan wonen in kleinschalige voorzieningen, waar zij hulp op maat krijgen en langere tijd kunnen verblijven.
Wat vindt u ervan dat één van de oplossingsrichtingen die uw ambtsvoorganger begin 2020 presenteerde ging over betere onderlinge afspraken tussen gemeenten, terwijl de uitwerking daarvan pas zit in het wetsvoorstel Verbetering Beschikbaarheid Jeugdzorg, dat pas komend voorjaar (dus ruim 5 jaar later) in de Tweede Kamer wordt besproken?3 Of heeft u gemeenten op een andere manier opgedragen om specifieke afspraken te maken om doorplaatsingen tegen te gaan?
Het voornemen de regionale samenwerking tussen gemeenten te versterken, waarover mijn ambtsvoorganger uw Kamer begin 2020 heeft geïnformeerd, heeft geleid tot het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg. Dit wetsvoorstel is in het voorjaar van 2021 voor advies aan de Raad van State aangeboden. De Raad van State adviseerde pas op de plaats te maken met het wetsvoorstel omdat de beleidsvorming over de onderliggende fundamentele vragen over de inrichting van het stelsel (op dat moment) nog gaande was. Hiermee verwees de Raad van State onder meer naar het proces rondom de totstandkoming van de Hervormingsagenda Jeugd.
In overeenstemming met dit advies is de besluitvorming over de Hervormingsagenda Jeugd afgewacht. Het verbeteren van de inkoop door verplichte regionale samenwerking is nu een van de pijlers van de Hervormingsagenda. Na ondertekening van de Hervormingsagenda is het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg geactualiseerd en alsnog ingediend bij uw Kamer.
Ik heb gemeenten in de tussentijd niet op een andere manier opgedragen om specifieke afspraken te maken om doorplaatsingen tegen te gaan. Wel hebben gemeenten in VNG-verband in juni 2020 de Norm voor Opdrachtgeverschap jeugd (NvO) vastgesteld. Deze zelfregulerende norm is gericht op het verbeteren van regionale en bovenregionale samenwerking bij het organiseren van specialistische jeugdhulp: het borgen van de beschikbaarheid van de benodigde zorgfuncties, sturen op een zorgvuldige transformatie van het zorglandschap en verminderen van bureaucratische lasten.
Niet iedere gemeente past de NvO toe. Daarom vind ik het van groot belang dat het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg de kennelijke vrijblijvendheid van de NvO wegneemt. Het wetsvoorstel fungeert daarbij ook nu al als vliegwiel: in de praktijk is zichtbaar dat gemeenten en regio’s anticiperen op de voorgenomen wettelijke verplichtingen, door meer vaart te maken met het inrichten of verbeteren van hun onderlinge regionale afspraken.
Wat vindt u ervan dat uit de steekproef blijkt dat jongeren gemiddeld zes keer zijn doorgeplaatst in hun leven? En dat één op acht jongeren zelfs meer dan tien keer heeft moeten verhuizen? Deelt u de mening dat dit haaks staat op het Kinderrechtenverdrag?
De uitkomst van deze steekproef met 119 jongeren die doorplaatsingen hebben meegemaakt, vind ik schrijnend. Het rapport geeft ook weer dat er soms een positieve reden voor doorplaatsing kan zijn, wat niet wegneemt dat gemiddeld zes keer doorgeplaatst worden onwenselijk is.
Het zo gezond en veilig mogelijk laten opgroeien van kinderen is het uitgangspunt van het Internationaal Kinderrechtenverdrag. In sommige gevallen is het in het belang van het kind om (tijdelijk) ergens anders te wonen dan thuis. Het is dan belangrijk dat een kind in een stabiele omgeving verblijft, omdat frequente veranderingen in de omgeving van een kind nadelig zijn voor de ontwikkeling van het kind7. Dit betekent niet dat een doorplaatsing nooit in het belang van het kind kan zijn. Er zijn situaties denkbaar waarbij dit juist gewenst is, zoals wanneer een kind dichter bij ouders kan wonen of omdat een jongere meer zelfredzaam wordt.
Bent u voornemens om dit daadwerkelijk te verbeteren? Zo ja, wat zijn uw concrete maatregelen en doelen? Wanneer worden de resultaten en effecten hiervan zichtbaar?
Ja, want één van de beoogde effecten van de uitvoering van de Hervormingsagenda is dat ook het aantal doorplaatsingen afneemt.
Het Verwey Jonker Instituut beschrijft in zijn rapport dat de redenen van een doorplaatsing meestal negatief zijn. Vaak is de reden dat de jongere geen passende hulp krijgt en daarom doorgeplaatst moet worden. Maar als bijvoorbeeld vooraf aan een plaatsing partijen samen met de jongere en diens omgeving een verklarende analyse opstellen, moet dat bevorderen dat jongeren meteen de passende hulp krijgen. Dan verwacht ik dat de komende jaren het aantal doorplaatsingen afneemt. Want net als veel andere verbeteringen die we nastreven met de Hervormingsagenda is ook deze één van lange adem.
Wat is er destijds gebeurd met het voornemen om een gezamenlijk plan te maken om het aantal verplaatsingen tussen residentiële instellingen te verminderen, zoals beschreven in het actieplan «De best passende zorg voor kwetsbare jongeren»? Is dit plan er gekomen? Waar is het te vinden en hoe is het concreet uitgevoerd?
In reactie op uw eerdere vraag over dit plan, heb ik de Kamer op 16 mei 2022 geantwoord dat de sector breed inzet op het voorkomen dat jongeren overgeplaatst worden tussen residentiële instellingen, al dan niet gesloten.8 De maatregelen zoals genoemd in bovenstaand antwoord dragen hier aan bij. Het doel was niet dat hier een specifiek, apart plan voor zou komen.
Kunt u reageren op de negen aanbevelingen die professionals en jongeren in het rapport doen om doorplaatsingen te verminderen of te stoppen en om de omstandigheden rondom een doorplaatsing te verbeteren? Kunt u per aanbeveling aangeven of u opvolging gaat geven en zo ja, op welke manier?
Ik heb kennisgenomen van de aanbevelingen uit het rapport en kan deze onderschrijven, omdat ze aansluiten bij de uitgangspunten van de Hervormingsagenda Jeugd. Bij deze aanbevelingen is het van belang in het oog te houden aan wie deze aanbeveling geadresseerd is, in dit gedecentraliseerde stelsel. Vaak zijn aanbieders voor jeugdhulp en de opdracht gevende gemeenten aan zet.
Hieronder geef ik per aanbeveling weer op welke wijze hier opvolging aan wordt gegeven:
Deze aanbeveling is al verankerd in de Hervormingsagenda jeugd, we streven naar tijdige en passende hulp in de directe leefomgeving.
Een brede analyse (triage/ verklarende analyse) kan hieraan bijdragen. Het is aan de aanbieders om de matching van vraag een aanbod tot stand te brengen. Dit doen zij onder meer door te werken met werkwijzen die door de branches worden vastgesteld.
Door de verplichting van een SKJ-registratie is deskundigheidsbevordering een verplichting voor alle jeugdhulp professionals. Het is aan de aanbieders voor jeugdhulp en hun professionals om specifiek te investeren in trainingen in het omgaan met complexe problematiek
Deze aanbeveling onderschrijf ik.
Zorgvuldige communicatie en gezamenlijk beslissen is cruciaal bij doorplaatsingen, dat onderschrijf ik. De richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming10 gaan hier uitgebreid op in. Deze verantwoordelijkheid voor de toepassing van deze richtlijnen en deskundigheidsbevordering op deze thema’s ligt primair bij de aanbieders voor jeugdhulp en de professionals.
Een steunfiguur kan het verschil maken voor een jongere. Veel gemeenten en aanbieders jeugdhulp zijn nu bezig met de invoering van een zelf ingebrachte.
Deze aanbeveling, die ik onderschrijf, is gericht aan professionals en aanbieders, die het in richtlijnen en deskundigheidsbevordering kunnen opnemen.
Deze aanbeveling, die ik onderschrijf, is eveneens gericht aan professionals en zorgaanbieders, die het in richtlijnen en deskundigheidsbevordering kunnen opnemen.
Ook deze aanbeveling, die ik onderschrijf, is gericht aan professionals en zorgaanbieders. Zij kunnen het in richtlijnen en deskundigheidsbevordering opnemen.
Heeft u ook gelezen dat veel jongeren nauwelijks inspraak hebben en vaak niet weten wat de reden is van verhuizing? Hoe kan het dat jongeren soms pas laat worden geïnformeerd? Deelt u de mening dat ook dit haaks staat op het internationale Kinderrechtenverdragen en de Jeugdwet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te veranderen en de inspraak van jongeren in praktijk te waarborgen?
Ja, ik heb dit gelezen en vindt het spijtig dat jongeren laat worden geïnformeerd over doorplaatsing. Ik ga in overleg met Jeugdzorg Nederland om te bezien hoe dit verbeterd kan worden. Want dit is niet zoals het moet zijn.
Zo geeft het internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind ieder kind tussen 0 en 18 jaar het recht om te worden gehoord en hun mening te geven over alle zaken die hen aangaan, oftewel het recht op participatie. Dit recht staat niet ter discussie: de mening van de jongere en andere belanghebbenden moet in principe altijd worden meegenomen bij beslissingen over de (tijdelijke) woonplek van een jongere. Om het participatierecht goed te kunnen uitoefenen is het wel belangrijk dat het proces waarin het kind betrokken is, transparant, informatief en kindvriendelijk is.11
Daarnaast is het zo dat diverse richtlijnen duidelijke handvatten geven hoe medewerkers in de jeugdhulp invulling kunnen geven aan het participatierecht van jeugdigen, zoals de richtlijn «Samen beslissen over passende hulp».12
Ook kunnen jeugdhulpaanbieders inspraak van jongeren bij belangrijke beslissingen ondersteunen door structureel en actief een vertrouwenspersoon aan te bieden in aanloop naar een dergelijk besluit. De vertrouwenspersoon kan jeugdigen helpen in de aanloop naar een besluit tot overplaatsing door het geven van informatie over hoe het proces hoort te verlopen, dat de jeugdige recht heeft op participatie en inspraak, de jeugdige te helpen diens mening en visie op papier te zetten en waar nodig ondersteuning te bieden bij een gesprek.
Vertrouwenspersonen kunnen jeugdigen ook helpen als zij het niet eens zijn met een (voorgenomen) doorplaatsing. Deze hulp kan bestaan uit:
Als vertrouwenspersonen zien dat aanbieders (structureel) voorbijgaan aan de inspraak en participatie van jeugdigen, kan Jeugdstem dit signaleren bij de betreffende organisatie voor jeugdhulp. Als deze hierop niet (tijdig) reageert kan Jeugdstem ook een melding doen bij de IGJ.
Kunt u reageren op de bevinding van de onderzoekers dat veel van de jongeren geen of weinig steun hebben ervaren en veelal ook een informele steunfiguur ontbrak, terwijl ook hier al regelmatig Kameruitspraken zijn gedaan?
Het onderzoek bevestigt hoe belangrijk jongeren het vinden dat er iemand naast hen staat, bij wie ze terecht kunnen met vragen en voor steun, iemand uit het eigen netwerk die ze vertrouwen. Juist ook als er grote veranderingen zijn, zoals doorplaatsing. Dat veel jongeren deze steun niet hebben ervaren maakt het des te belangrijker om het samenwerken met informele steunfiguren te versterken. Dit is een belangrijk speerpunt van de Hervormingsagenda jeugd.
Eén van de samenwerkingsvormen met informele steunfiguren is de JIM (Jouw Ingebrachte Mentor)-aanpak. JIMs treden op als ambassadeur voor de jongere; ze staan hen bij, samen en naast de ouders, in de omgang met jeugdhulp. Om het samenwerken met informele steunfiguren binnen de jeugdhulp vooruit te helpen ondersteun ik onder andere JIM-pact13, een landelijke samenwerking tussen JIMwerkt en inmiddels 16 jeugdhulporganisaties verspreid over diverse regio’s. Door de JIM-pact zijn landelijk meer dan 1600 professionals opgeleid in het samenwerken met informele steunfiguren.
Deelt u de mening dat het behalve schrijnend, ook niet in lijn is met het Kinderrechtenverdrag, dat een deel van de jongeren aangeeft dat ze soms al hun vrienden verliezen en het contact met broertjes en zusjes verslechtert bij een doorplaatsing?
Zoals ook in het antwoord op vraag 2 is aangegeven hebben jongeren behoefte aan een veilige, stabiele en geborgen omgeving. In het VN-Kinderrechtenverdrag staat dat een kind recht heeft op gezinsleven. Het streven is om zoveel mogelijk broers en zussen samen te plaatsen. Daarnaast blijft het belangrijk dat deze kinderen een goed contact met de thuisomgeving (ouders, broers en zussen, familieleden, vrienden) onderhouden. Soms is doorplaatsing echter onvermijdelijk, omdat er geen andere passende oplossing mogelijk is. Ook ik vind het schrijnend als jongeren dan het contact met thuis of met hun vrienden verliezen.
Gaat u naar aanleiding van de eerder ingediende motie van de leden Van Nispen en Westerveld over het samenplaatsen van broertjes en zusjes actief monitoren of dit in de praktijk gebeurt?4
Binnen de residentiële jeugdhulp en de pleegzorg is het streven om broers en zussen zoveel mogelijk samen te plaatsen. Dit is al staande praktijk en wordt zoveel mogelijk toegepast. In het conceptwetsvoorstel ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming is een wettelijke verankering van het uitgangspunt van samen plaatsing van broers en zussen bij een uithuisplaatsing opgenomen.
Het actief monitoren of broers en zussen ook daadwerkelijk samen worden geplaatst is op basis van de huidige en beschikbare landelijke informatie niet mogelijk. Het CBS registreert niet of jeugdigen uit hetzelfde gezin gebruik maken van (dezelfde) vormen van jeugdhulp. Gegevens over het samen plaatsen van broers en zussen in pleegzorg, gezinshuizen of in de (overige) residentiële jeugdhulp worden dan ook niet systematisch en/of op landelijk niveau bijgehouden.
Het is wel goed mogelijk om door incidenteel onderzoek gegevens over het samen plaatsen van broers en zussen te verzamelen. De Universiteit van Amsterdam heeft in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) in 2021 onderzoek gedaan naar het aantal broers en zussen dat bij een gezamenlijke (gelijktijdige) uithuisplaatsing toch gescheiden geplaatst zijn. Op 18 januari 2022 is het onderzoeksrapport toegezonden aan uw Kamer. Uit dit onderzoek blijkt dat in de onderzochte periode tussen 2015 en 2020 door middel van een representatieve steekproef bij zeven jeugdhulporganisaties circa 28 procent van het totaal aantal jeugdigen dat in deze periode uit huis is geplaatst, gescheiden zijn geplaatst.
Deelt u de mening dat beschikbaarheidsfinanciering en vaste teams kunnen helpen om het aantal doorplaatsingen te verminderen en te zorgen voor meer vaste gezichten en minder wisselende hulpverleners per kind? Bent u al bezig met de uitvoering van de motie van de leden Dobbe en Westerveld die vraagt om «landelijke regie te pakken op de wijze van financiering en om beschikbaarheidsfinanciering de standaard te maken»?5
Op dit moment kunnen gemeenten al kiezen voor de taakgerichte uitvoeringsvariant, waarbij aanbieders een vast bedrag krijgen voor jeugdhulp in een bepaald gebied of segment. Daarnaast zijn in de Hervormingsagenda Jeugd afspraken gemaakt over standaardisatie van o.a. producten en tarieven. Onderdeel daarvan is dat we onderzoeken welke vormen van jeugdhulp bekostigd kunnen worden op basis van beschikbaarheid.
Het werken met vaste teams is niet afhankelijk van beschikbaarheidsfinanciering, dat kan ook bij financiering op basis van inzet.
Hoe kan het dat alle onderwerpen in bovenstaande vragen al eerder door ons of andere Kamerleden zijn aangekaart, en dat gedane beloftes niet zijn nagekomen of onvoldoende effect hebben gesorteerd? Wat gaat u doen om te voorkomen dat over 5 jaar dezelfde vragen worden gesteld?
Het beeld dat u schetst, dat gedane beloftes niet zijn nagekomen, herken ik niet.
Alle maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd die wij momenteel uitvoeren, zijn bedoeld om de zorg voor jeugdigen te verbeteren. Eén van de verwachte effecten van deze maatregelen is dat het aantal doorplaatsingen de komende jaren afneemt. Het doorvoeren van veranderingen kost tijd. Daarom is het effect van maatregelen niet altijd direct merkbaar voor jeugdigen. Wij blijven ons onverminderd inzetten om de maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd zo snel mogelijk door te voeren.