Bent u bekend met de uitspraak van het Europese Hof van Justitie waarin wordt gesteld dat de Nederlandse overheid statushouders niet mag beboeten wanneer ze niet op tijd slagen voor hun inburgeringsexamen?1
Welke consequenties verbindt u aan deze uitspraak?
Kunt u een overzicht geven van de boetemomenten in de Wet inburgering 2013 en de Wet inburgering 2021? Klopt het dat deze momenten als gevolg van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie uit de wetten moeten worden gehaald? Zo ja, op welk termijn bent u voornemens dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel statushouders een boete hebben gehad of de lening terug hebben moeten betalen onder de wet inburgering 2013 en onder de Wet inburgering 2021, omdat zij niet tijdig voldeden aan de inburgeringeis? Wat betekent de uitspraak voor deze mensen?
Klopt het dat in afwachting van deze uitspraak in de zomer van 2024 is besloten de boetes en de terugbetaling van leningen op te schorten? Zo ja, is bekend wat het effect daarvan is geweest om de inburgeringsaantallen?
Klopt het dat Nederland een van weinige landen is waarbij inburgeraars worden beboet als zij niet voldoen aan de inburgeringseisen? Kunt u aangeven door middel van welke (positieve) maatregelen andere Europese landen statushouders stimuleren om aan de inburgeringeis te voldoen?
Kunt u aangegeven op welke wijze statushouders kunnen aantonen dat zij al geïntegreerd zijn en dus vrijgesteld moeten worden van het verplichte examen?
Kunt u nader toelichten wat u bedoelt met uw reactie op de uitspraak, waarbij u stelt dat «het nog te vroeg» is om conclusies te verbinden aan de uitspraak van het Hof? Klopt het dat de regering eerder is gewezen op de tegenstrijdigheid van de beide wetten inburgering met Europese regelgeving specifiek op dit punt?
Herinnert u zich dat er, mede naar aanleiding van de toeslagenaffaire en de hardheden in de Wet inburgering 2013, is besloten om het mogelijk te maken dat een lening bij een verwijtbare termijnoverschrijding (gedeeltelijk) kwijtgescholden konden worden?2 Zo ja, hoe verklaart u dat bij dit bij deze zaak niet is toegepast?
Het bericht ‘Zorgverzekeraars vinden thuis sterven vaak te duur’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Elke Slagt-Tichelman (GroenLinks-PvdA), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
![]() ![]() ![]() |
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Zorgverzekeraars vinden thuis sterven vaak te duur»1 en op de reactie van Zorgverzekeraar VGZ «Misleidende berichtgeving over palliatieve zorg»2? Heeft u contact gezocht met VGZ om opheldering te vragen? En zo ja, wat is daaruit gekomen?
Uiteraard betreur ik het zeer dat de patiënt waarover in het artikel geschreven werd, in het ziekenhuis is overleden en niet thuis zoals zijn uitdrukkelijke wens was. De betrokken zorgverzekeraar, VGZ, heeft door middel van een persbericht op het artikel gereageerd.3 In het persbericht geeft VGZ aan dat het niet klopt dat VGZ een verzoek heeft geweigerd om palliatieve zorg in de thuissituatie te bieden aan deze patiënt, die bij VGZ verzekerd was. VGZ geeft ook aan dat de betreffende aanbieder dat heeft bevestigd. Ook heb ik hierover een gesprek gevoerd met VGZ. VGZ gaf daarin aan dat er door de betrokken zorgaanbieder het beeld werd geschetst dat er een beroep moest worden gedaan op het omzetplafond. Alleen al vanwege het feit dat zo vroeg in het jaar, januari, een zorgplafond helemaal niet in zicht kan zijn, gaf volgens VGZ aan dat het beroep daarop onterecht was. Hieruit leid ik af dat het in Trouw geschetste beeld niet lijkt te kloppen. Dit neemt niet weg dat mensen in de stervensfase te allen tijde de palliatieve zorg moeten ontvangen die zij nodig hebben. De zorgverzekeraars geven aan dat omzetplafonds nooit een belemmering mogen zijn om juist in palliatief terminale fase patiënten de zorg te geven die nodig is. Om te voorkomen dat hierover onduidelijkheden tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars bestaan, zet ik, zoals ik heb aangegeven in mijn brief d.d. 14 maart jl.,4 erop in om hierover in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord aanvullende afspraken te maken. Daarbij is mijn inzet dat mensen in de stervensfase te allen tijde de palliatieve zorg ontvangen die zij nodig hebben en dat afspraken tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars over omzetplafonds hier op geen enkele wijze een belemmering in vormen. Daarnaast wil ik in het AZWA erop inzetten om communicatie tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders te versterken zodat misverstanden over omzetplafonds worden voorkomen.
Kunt u bij zorgverzekeraars nagaan hoe vaak dit soort situaties afgelopen jaar zijn voorgekomen waarbij zorgverzekeraars thuiszorg voor terminale patiënten niet wilden vergoeden?
De verzekeraars geven aan dat deze situaties zich niet hebben voorgedaan. Als iemand aangewezen is op de zorg die is opgenomen in de basisverzekering dan wordt deze zorg vergoed. Ik ken dus geen situaties, waarbij de zorg niet vergoed is. Zorgverzekeraars geven aan het juist heel belangrijk te vinden dat juist in de laatste fase van iemands leven, de zorg goed georganiseerd en – zonder gedoe – toegankelijk is. Om te voorkomen dat hierover onduidelijkheden bestaan tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars zet ik erop in dat in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord afspraken worden gemaakt die hieraan bijdragen.
Wat zijn over het algemeen oorzaken als mensen niet thuis met zorg sterven, terwijl ze dat wel willen? Welke oorzaken hebben te maken met het financieringsbeleid van zorgverzekeraars? Welke oorzaken hebben te maken met personeelsgebrek? Welke oorzaken hebben met iets anders te maken?
Ik vind het belangrijk dat mensen in de palliatief terminale fase op een menswaardige manier kunnen sterven en dat familie en/of naasten die dichtbij staan en een belangrijke rol in iemands leven hebben gespeeld zoveel mogelijk daarbij aanwezig kunnen zijn en dat de professionele zorg en begeleiding hier aanvullend op wordt georganiseerd. Het is daarbij belangrijk dat mensen vroegtijdig het gesprek aangaan over de laatste levensfase en dat zij dit niet alleen in de spreekkamer van de arts doen, maar hierover ook het gesprek voeren met hun familie en naasten. Er zijn situaties, waarbij mensen geen naasten hebben om de professionele zorg en begeleiding in samenhang mee te helpen organiseren of waarbij de naasten niet voldoende kunnen bieden om de zorg en begeleiding op een goede manier te organiseren. Als deze professionele zorg in de thuissituatie geleverd wordt en uiteindelijk niet meer mogelijk blijkt met de beschikbare zorgprofessionals, dan vind ik het belangrijk dat voor deze mensen een volwaardig alternatief beschikbaar is, zoals de Bijna Thuis Huizen. In het Aanvullende Zorg- en Welzijnsakkoord wil ik hier met partijen afspraken over maken.
Zorgverzekeraars zijn vanuit hun zorgplicht verantwoordelijk voor goede en tijdige toegang tot zorg voor hun verzekerden. Daarom is het ook hun verantwoordelijkheid om het schaarse zorgpersoneel zo goed mogelijk in te zetten en hierover goede afspraken te maken in de contractering. Met de schaarse personele capaciteit is het ook aan de zorgprofessionals en de zorgaanbieders om met elkaar afspraken te maken welke professionele zorg en begeleiding er in de thuissituatie geleverd kan worden tegen het licht van de vergrijzing en een krappe arbeidsmarkt. Dan is het wel noodzakelijk dat er in de regio ook voldoende volwaardige alternatieven voor de zorg zijn die anders in de thuissituatie geleverd zouden worden, zoals Bijna Thuis Huizen.
Zoals ik heb toegelicht in mijn bovengenoemde brief van 14 maart jl. vormen de afspraken tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders geen belemmering voor de mogelijkheden om thuis te sterven.
Welke ambitie heeft u omtrent het beleid rond thuis met zorg sterven? Welke stappen zet u om deze ambitie te realiseren en de oorzaken weg te nemen dat mensen niet thuis met zorg kunnen sterven?
Ik vind het belangrijk dat mensen vroegtijdig het gesprek aangaan over de laatste levensfase en dit niet alleen in de spreekkamer van de arts doen. Het is ook belangrijk dat mensen dit gesprek tijdig voeren met hun familie en naasten. Het is van belang dat de palliatieve zorg een vanzelfsprekend onderdeel is van de reguliere zorg en goed georganiseerd en toegankelijk is. Als mensen in de palliatief terminale fase komen, dan moeten zij vanzelfsprekend de zorg krijgen die zij nodig hebben. Waarbij ze deze zorg ook zoveel mogelijk in hun eigen vertrouwde omgeving kunnen ontvangen. In sommige situaties blijkt het echter niet meer mogelijk om de zorg thuis te organiseren. In die situaties is het belangrijk dat er in elke regio volwaardige alternatieven voor de zorg thuis zijn. Hier zet ik vol op in met het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II). Ik verwijs hiervoor graag naar mijn brief van 17 december 2024.5
Welke zorgverzekeraars voeren het beleid dat ongeacht een budgetplafond er middelen worden vrijgemaakt voor palliatieve zorg thuis?
Omzetplafonds worden afgesproken voor het totaal aan wijkverpleegkundige zorg of eerstelijnsverblijf en niet specifiek voor palliatief terminale zorg. Zorg aan palliatief terminale patiënten maakt onderdeel uit van de bredere wijkverpleegkundige zorg. Hoewel er dus omzetplafonds zijn voor het geheel dat aan zorg wordt geleverd, worden deze omzetplafonds in de praktijk niet toegepast voor palliatief terminale zorg.
De zorgverzekeraars geven aan dat omzetplafonds nooit een belemmering zijn om in de palliatief terminale fase patiënten de zorg te geven die nodig is en dat zij hierover duidelijke contractafspraken maken met aanbieders van wijkverpleging die ook palliatieve zorg leveren. Omdat zorgverzekeraars niet weten welk deel van de geleverde zorg ingezet wordt voor palliatief terminale zorg, is het in de communicatie tussen de gecontracteerde zorgaanbieder en zorgverzekeraar van belang dat dat er duidelijk en tijdige communicatie plaatsvindt door de zorgverlener over de geleverde zorg, zodat partijen tijdig afspraken kunnen maken door bijvoorbeeld bij te contracteren. Om te voorkomen dat hierover onduidelijkheden bestaan tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars, vind ik het belangrijk dat hierover in het AZWA aanvullende afspraken worden gemaakt. Daarbij is mijn inzet dat mensen in de stervensfase te allen tijde de palliatieve zorg ontvangen die zij nodig hebben en dat afspraken tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars over omzetplafonds hier op geen enkele wijze een belemmering in vormen.
Welke zorgverzekeraars kiezen ervoor geen doelmatigheidstoets meer uit te voeren als het gaat om verpleegkundige thuiszorg aan patiënten in de palliatieve fase?
In mijn bovengenoemde brief van 14 maart jl. heb ik toegelicht dat met de zorgverzekeraars is gesproken over de omzetplafonds en doelmatigheidseisen die gesteld worden ook bij palliatieve terminale zorg. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders van wijkverpleging maken onderling afspraken met als uitgangspunt dat op basis van de principes van passende zorg alle patiënten die palliatieve terminale zorg nodig hebben goed kunnen worden geholpen. De contractafspraken die worden gemaakt geven aanbieders te allen tijde de ruimte om tijdig palliatieve terminale zorg te kunnen leveren. Waarbij het van belang is dat aanbieders van wijkverpleging tijdig met de verzekeraar in gesprek gaan als zij zien dat een groot deel van het omzetplafond is bereikt, zodat zij afspraken kunnen maken over de voor palliatieve zorg benodigde uitbreiding.
Zorgverzekeraars en zorgaanbieders van wijkverpleging maken onderling afspraken met als uitgangspunt dat op basis van de principes van passende zorg alle patiënten die palliatieve zorg nodig hebben goed kunnen worden geholpen. De contractafspraken die worden gemaakt geven aanbieders ten allen tijde de ruimte om tijdig palliatieve zorg te kunnen leveren.
Welke zorgverzekeraars hanteren wél deze doelmatigheidstoets? Kunt u de redenering van Zilveren Kruis volgen dat terminale zorg altijd doelmatig is, maar dat je gewoon nooit weet hoe zo’n zorgtraject verloopt?
In mijn bovengenoemde brief van 14 maart jl. heb ik toegelicht dat met de zorgverzekeraars is gesproken over de omzetplafonds en doelmatigheidseisen die gesteld worden ook bij palliatieve terminale zorg. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders van wijkverpleging maken onderling afspraken met als uitgangspunt dat op basis van de principes van passende zorg alle patiënten die palliatieve terminale zorg nodig hebben goed kunnen worden geholpen. De contractafspraken die worden gemaakt geven aanbieders te allen tijde de ruimte om tijdig palliatieve terminale zorg te kunnen leveren. Waarbij het van belang is dat aanbieders van wijkverpleging tijdig met de verzekeraar in gesprek gaan als zij zien dat een groot deel van het omzetplafond is bereikt, zodat zij afspraken kunnen maken over de voor palliatieve zorg benodigde uitbreiding.
Navraag leert dat Zilveren Kruis niet van oordeel is dat palliatieve terminale zorg altijd doelmatig is. Er wordt volgens Zilveren Kruis gekeken naar wat een cliënt echt nodig heeft. Daarbij is het belangrijk dat de wijkverpleegkundige de noodzaak voor de uren zorg goed onderbouwt en daarbij de richtlijnen en de wet- en regelgeving ook volgt. Alleen dan kan Zilveren Kruis de zorg passend vergoeden. Dit doen alle zorgverzekeraars op vergelijkbare wijze. De NZa ziet hierop toe.
In welke mate is het ontbreken van contracten een belemmering voor terminale thuiszorg?
Niet-gecontracteerde zorg kan wel worden geleverd, maar het kan zijn dat daarvoor een eigen bijdrage van de verzekerde wordt gevraagd door de aanbieder. Het is het streven van het kabinet zorg zoveel mogelijk via gecontracteerde aanbieders te leveren omdat in de contracten afspraken gemaakt kunnen worden tussen de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder over bijvoorbeeld passende zorg.
In welke mate maakt het uit of de patiënt zorg via de Zorgverzekeringswet (Zvw) of via de Wet langdurige zorg (Wlz) aanvraagt? In welke gevallen is de Wlz passender dan de Zvw en aan welke voorwaarden moet de patiënt dan voldoen voor de zorgverzekeraar om thuis terminale zorg te ontvangen?
Palliatieve Zorg kan worden vergoed via de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). De zorg wordt via de Wlz vergoed als de cliënt al een Wlz-indicatie heeft, behalve voor zorg in het ziekenhuis. Deze wordt ook bij Wlz-cliënten uit de Zvw vergoed. In alle andere gevallen wordt de palliatieve zorg via de Zvw vergoed.
Het maakt voor de patiënt niet uit of de zorg via de Zvw of de Wlz wordt geleverd, zowel de zorgverzekeraar als de Wlz-uitvoerder hebben een zorgplicht jegens hun verzekerden. De zorgplicht houdt in dat zij er voor moeten zorgen dat de zorg waarop iemand is aangewezen binnen redelijke termijn en afstand geleverd wordt. De NZa houdt hier toezicht op.
Zijn zorgaanbieders voldoende op de hoogte van het beleid van zorgverzekeraars, zoals VGZ dit bijvoorbeeld in haar reactie schetst, en de ruimte die dit beleid biedt om benodigde palliatieve en terminale zorg thuis te leveren?
Zorgverzekeraars vermelden op hun website de voorwaarden waaronder palliatieve en terminale zorg thuis geleverd kan worden. Deze voorwaarden zijn voor alle zorgaanbieders raadpleegbaar. Voor een voorbeeld zie Palliatief terminale zorg - Zilveren Kruis.
Welke sturende instrumenten heeft u om verbetering te brengen in de samenwerking tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders?
Binnen het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II) wordt gewerkt aan de transformatie palliatieve zorg. Deze transformatie betekent dat partijen (ziekenhuizen, hospices, huisartsen, wijkverpleging, zorgverzekeraars, etc.) per regio afspraken maken over hoe ze gaan zorgen dat zorgverleners tijdig de palliatieve fase markeren, dat zorgverleners tijdig en regelmatig gesprekken voeren met patiënten over hun wensen en grenzen in de palliatieve fase, dat zorgverleners met elkaar gaan samenwerken, over de «muren» heen en dat zij zorgen dat bij complexe palliatieve zorg voldoende specialisten palliatieve zorg beschikbaar zijn. Vanuit het NPPZ II worden (de partijen in de) regio’s geadviseerd over de transformatie, worden zij ondersteund met informatie en instrumenten en worden zij gestimuleerd om onderlinge kennis en ervaringen uit te wisselen. Daarom is mijn inzet voor het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) ook dat de beroepsgroep, zorgaanbieders en zorgverzekeraars goede afspraken maken over de vraag wanneer palliatief terminale zorg niet meer verantwoord thuis kan worden georganiseerd en de beschikbaarheid van volwaardige alternatieven. Daarnaast vind ik het belangrijk dat in het AZWA tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders aanvullende afspraken worden gemaakt dat mensen in de stervensfase palliatieve zorg ontvangen die zij nodig hebben en dat afspraken tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars over omzetplafonds hier op geen enkele wijze een belemmering in vormen.
Welke risico’s ziet u voor de kwaliteit van zorg nu veel zorgverzekeraars bezuinigen op het aantal uren dat een thuiszorgorganisatie kan inzetten in een bijna-thuis-huis, en daardoor de verpleegkundige niet op het moment dat de huisarts visite loopt aanwezig kan zijn?
Zoals ik heb aangegeven in mijn bovengenoemde brief van 14 maart jl. neem ik dit signaal serieus en heb ik ervoor gezorgd dat zorgprofessionals, zorgverzekeraars en zorgaanbieders met elkaar in gesprek zijn om te bezien wat hier nu precies aan de hand is en in hoeverre dit een gerichte oplossing vraagt. De zorg die in Bijna Thuis Huizen geleverd wordt, draagt bij aan de transformatie die we in de zorg moeten realiseren om de zorg voor iedereen toegankelijk te houden. Dat maakt mij extra bewust van de urgentie van de door VPTZ aangedragen problemen. Zoals ik ook aangaf in deze brief zal ik uw Kamer zo spoedig mogelijk inlichten over de uitkomst van dit overleg.
Bent u op de hoogte dat ook de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) steeds meer zorgen hierover heeft? Bent u bereid om dit met de LHV te bespreken?
Het is begrijpelijk dat ook de LHV hierover zorgen heeft. Die zorgen deel ik. En ik ben uiteraard bereid om hierover met hen in gesprek te gaan.
Welke rol kunnen vrijwilligers spelen om meer mensen thuis met zorg te laten sterven? Wat is uw inzet ten aanzien van de bekostigingssystematiek voor deze vrijwilligers? Bent u bereid te onderzoeken of deze niet geijkt kan worden op de afgelopen jaren maar op het verwachte aantal patiënten dat ondersteund zal worden door vrijwilligers?
De inzet van vrijwilligers zorgt ervoor dat mensen in de laatste fase van hun leven ondersteuning ontvangen, steeds vaker in de vertrouwde omgeving van hun eigen huis. Dit vergroot de kwaliteit van leven en sterven voor patiënten. Daarnaast verlichten vrijwilligers de druk op mantelzorgers en zorgverleners.
Vanuit de Subsidieregeling palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis (Subsidieregeling PTZ) is subsidie beschikbaar voor de inzet van vrijwilligers in de palliatieve terminale zorg: in hospicevoorzieningen, zoals Bijna Thuis Huizen, en in de thuissituatie. Het uitgangspunt van de regeling is dat de subsidie een tegemoetkoming is voor de inzet, opleiding en coördinatie van de vrijwilligers in organisaties voor palliatieve terminale zorg. Begin 2026 wordt de subsidieregeling, inclusief de bekostigingssystematiek, geëvalueerd en kan besluitvorming plaatsvinden over het vervolg.
Welke betekenis heeft het unaniem aangenomen amendement voor de begroting van 2025 van de CU, SGP en GroenLinks-PvdA om deels de bezuinigingen te verzachten in relatie tot de huidige berichtgeving?
Het tijdens de begrotingsbehandeling 2025 aangenomen amendement betekent dat € 3 miljoen extra voor kalenderjaar 2025 beschikbaar is voor de inzet, opleiding en coördinatie van de vrijwilligers in organisaties voor palliatieve terminale zorg.
Is er voor 2026 al dekking gevonden om niet op waardevolle zorg als palliatieve zorg te bezuinigen? Kunt u de laatste stand van zaken weergeven?
De gesprekken met het Ministerie van Financiën hierover lopen nog.
De komst van omstreden predikers naar de Ramadan Expo in de Jaarbeurs |
|
Bente Becker (VVD), Ingrid Michon (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
van Weel , Marjolein Faber (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten dat op de Ramadan Expo, 22-23 februari in de Jaarbeurs Utrecht drie omstreden buitenlandse predikers zijn uitgenodigd, waaronder Ali Hammuda, Mohammed Hijab en Abu Bakr Zoud, die in het verleden antisemitische, homofobe en extremistische uitspraken hebben gedaan?
Ja.
Klopt het dat Stichting Dawah Groep samen met Moslim Jongeren Almere, de Hadiethshop en Stichting Rizq de organisatoren zijn van dit evenement? Heeft u zicht op de activiteiten van deze organisaties en hun banden met extremistische netwerken?
Volgens berichtgeving van de Stichting Dawah groep zijn de organisatoren van de Ramadan Expo in de Jaarbeurs de Stichting Dawah-Groep, HadiethShop en MJA.
Organisaties zijn zelf verantwoordelijkheid voor de inhoud van hun activiteiten en kunnen deze vrijelijk organiseren binnen de daarvoor bestaande wet- en regelgeving. In beginsel vindt er dan ook geen toezicht plaats op organisaties tenzij er daartoe aanleiding is, bijvoorbeeld bij overtreding van de wet.
Welke juridische mogelijkheden heeft u om deze predikers uit Nederland te weren of, indien ze al op Nederlands grondgebied zijn, hen uit te zetten?
Voor alle vreemdelingen geldt dat, als zij naar Nederland willen komen, zij moeten voldoen aan de toegangsvoorwaarden, ongeacht of personen visumplichtig zijn of niet. Hierin speelt de Schengengrenscode een belangrijke rol. Zo kunnen visum- of grensautoriteiten vreemdelingen weren als zij niet voldoen aan de eisen voor doel, duur of middelen ten aanzien van hun bezoek aan Nederland. Lidstaten kunnen vreemdelingen ook weigeren als zij een dreiging vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid van Nederland. Indien de vreemdeling een bedreiging voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt is het mogelijk om de betrokkene ongewenst te verklaren en/of te signaleren in het Schengeninformatiesysteem (SIS III). De toegangsvoorwaarden gelden ook in de periode dat vreemdelingen op Nederlands grondgebied verblijven. Indien zij hier niet meer aan voldoen, dienen zij Nederland te verlaten. Als zij weigeren om Nederland zelfstandig te verlaten, kan het gevolg zijn dat zij gedwongen worden uitgezet.
Kunt u aangeven of de drie predikers een visum hebben aangevraagd of reeds hebben verkregen voor hun komst naar Nederland? Bent u bereid deze personen een visum te weigeren?
Het kabinet is er alles aan gelegen om personen die naar Nederland komen om hier extremistisch gedachtegoed te verspreiden, te weren. De vrijheid van meningsuiting is een groot goed. Hierin mag het ook best schuren, maar wel binnen de democratische waarden die we met elkaar hebben afgesproken. De drie sprekers die zijn uitgenodigd voor het evenement hebben in het verleden verwerpelijke uitspraken gedaan, waaronder over homoseksualiteit, geslachtsgemeenschap met minderjarigen en het bagatelliseren en vergoelijken van daden van terrorisme. Dit kan bijdragen aan een klimaat van haat, vijandigheid en het vergoelijken van geweld, waar in Nederland geen plek voor is. Dit heeft ertoe geleid dat de Minister van Asiel en Migratie, in samenspraak met de Minister van Justitie en Veiligheid, op 19 februari 2025 besloten heeft om de drie sprekers uit Nederland te weren door hen te signaleren in het Schengeninformatiesysteem. Hiermee is tevens invulling gegeven aan de motie van de leden Eerdmans (JA21) en Rajkowski (VVD).1 Op 20 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter deze besluiten geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met als gevolg dat de signaleringen in het Schengeninformatiesysteem verwijderd zijn en personen Nederland in kunnen reizen.
Gelet op de verwerpelijke uitspraken van deze omstreden sprekers, die bij kunnen dragen aan een klimaat van haat en vijandigheid, is het teleurstellend dat deze sprekers naar Nederland hebben kunnen afreizen en een podium hebben gekregen. Voor haatzaaien en het vergoelijken van geweld is in Nederland geen plek. Het lokaal bevoegd gezag heeft aangegeven uiteraard alert te zijn op ongeregeldheden rondom het evenement. Indien blijkt dat er mogelijk strafbare uitlatingen zijn gedaan, kan het Openbaar Ministerie besluiten om hen te vervolgen.
Bent u bereid te bezien of genoemde predikers door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ongewenst kunnen worden verklaard?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de uitspraken van deze predikers een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het totaal onacceptabel is als haatpredikers als Ali Hammuda, Mohammed Hijab en Abu Bakr Zoud de mogelijkheid krijgen om naar Nederland te komen om te spreken op een groot publiek evenement? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Wat kan de gemeente Utrecht doen om te voorkomen dat extremistische predikers op een publiek evenement in een gemeentelijke instelling als de Jaarbeurs een platform krijgen?
Ik heb kennisgenomen van de brief van burgemeester en wethouders van Utrecht welke zij aan de gemeenteraad hebben gestuurd over de samenwerking met de Stichting Dawah Groep. Ik deel de zorgen die zij daarin uiten. Het is verwerpelijk dat omstreden sprekers herhaaldelijk een podium wordt geboden. De burgemeester is verantwoordelijk voor handhaving van de openbare orde en zal binnen de lokale driehoek in dat kader een beoordeling maken. Het vooraf verbieden is alleen mogelijk als sprake is van een concrete en ernstige bedreiging van de openbare orde. Het lokaal bestuur maakt daarin een eigen afweging.
De gemeente Utrecht heeft in oktober 2024 de samenwerking met Stichting Dawah Groep beëindigd wegens herhaalde uitnodigingen van omstreden sprekers; bent u het ermee eens dat deze stichting zich herhaaldelijk niet houdt aan de gemaakte afspraken en hoe kan hiertegen worden opgetreden?
Zie antwoord vraag 8.
Welke juridische en bestuurlijke maatregelen kunnen worden genomen tegen organisaties zoals Stichting Dawah Groep die herhaaldelijk extremistische sprekers uitnodigen, ondanks waarschuwingen van de overheid en de gemeente?
Zie antwoord vraag 8.
Wat doet u om te voorkomen dat anti-integratieve en haatzaaiende boodschappen worden verspreid via religieuze evenementen? Bent u bereid de regels rondom visumverstrekking voor dit soort sprekers aan te scherpen?
De EU-regelgeving rondom kort verblijf visumverlening biedt nu reeds alle ruimte om visumaanvragen af te wijzen als een aanvrager wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde of binnenlandse veiligheid van EU-landen. In het kader van visumverlening wordt interdepartementaal nauw samengewerkt om te achterhalen of voorgenomen activiteiten van visumplichtige sprekers een bedreiging van de openbare orde of binnenlandse veiligheid met zich meebrengen.
Kunt u garanderen dat de veiligheid en openbare orde in Utrecht gewaarborgd blijven tijdens dit evenement en dat er geen sprake zal zijn van haatzaaiende toespraken? Kunt u garanderen dat er wordt ingegrepen en het evenement wordt beëindigd zodra er haatzaaiende toespraken plaatsvinden?
Het lokaal bestuur is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en maakt daarin een eigen afweging. Zij hebben aangegeven uiteraard alert te zijn op ongeregeldheden rondom het evenement. Het Openbaar Ministerie kan, indien blijkt dat er mogelijk strafbare uitlatingen zijn gedaan, besluiten om sprekers te vervolgen die dergelijke boodschappen uiten.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor aanvang van het evenement?
De vragen zijn binnen de reguliere termijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De hoge warmtetarieven |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht Energiereuzen vragen ook in 2025 de maximale tarieven voor warmte?1
Ja.
Bent u er ook mee bekend dat de vaste leveringskosten voor huishoudens met een warmteaansluiting dit jaar niet zijn gedaald?2
Het kabinet is ermee bekend dat de maximale door de ACM vastgestelde vaste kosten per huishouden nagenoeg hetzelfde zijn gebleven (759,88 euro per jaar in 2024 en 760,77 euro in 2025).
Deelt u de mening dat dit niet de suggestie is die is gewekt bij het indienen van de spoedwet warmtetarieven (Kamerstuk 36 387, nr. 10) die het vorige kabinet op verzoek van de Kamer (Kamerstuk 29 023, nr. 488) heeft opgesteld?
Die mening deelt het kabinet niet. Zonder deze wijziging zou het warmtetarief in 2025 veel hoger zou zijn uitgekomen. Bij de aankondiging van de wetswijziging is ingegaan op het positieve deeleffect van de voorgestelde wijzigingen op het warmtetarief, namelijk de vergelijking tussen de tarieven met en zonder de wijzigingen. Dat is iets anders dan de verwachte hoogte van het warmtetarief voor 2025. Dat zou op dat moment ook niet mogelijk zijn geweest: ACM bepaalt de hoogte van het maximumtarief pas in december. Daar zijn immers ook andere factoren op van toepassing, zoals inflatie en de ontwikkelingen van de netbeheerkosten voor aardgas. Het kabinet licht dit graag in meer detail toe.
De aanpassing van de Warmtewet, en de daaropvolgende aanpassingen van het Warmtebesluit en de Warmteregeling zijn gedaan om invulling te geven aan de motie van het lid Kröger, waarin is gevraagd om de methodiek voor het berekenen van tarieven voor warmte op korte termijn aan te passen op een reële en rechtvaardige wijze.3 De twee belangrijkste wijzigingen die daarna in regelgeving zijn ingevoerd zijn het niet meer meenemen van de stijging van de energiebelasting op gas in de warmtetarieven, en een aanpassing van de methodiek voor het berekenen van de kosten van onderhoud van de cv-ketel. De laatste aanpassing houdt in dat er niet meer uitgegaan zal worden van de prijs van een all-in onderhoudscontract, maar van een gemiddelde van alle type onderhoudscontracten. In de Kamerbrief waarin de wijzigingen zijn aangekondigd, is de verwachting uitgesproken dat dankzij de wijzigingen de toekomstige warmtetarieven eerlijker worden en beter aansluiten bij de praktijk.4 Het kabinet is van mening dat dit ook het geval is.
In de aanvullende reactie heeft het vorige kabinet op verzoek van het lid Kröger een inschatting gegeven van de impact van de wijzigingen.5 Daarbij is vermeld dat het om de eerste ambtelijke inschattingen ging, omdat de ACM bevoegd is om de rekenmethode naar eigen inzicht toe te passen. De ingeschatte verlaging van het vastrecht was 43,92 euro per jaar exclusief btw en 53,14 euro inclusief 21% btw. Zoals gebruikelijk bij het inschatten van de impact, ging het daarbij om de inschatting van de verlaging van het vastrecht ten opzichte van wat de vaste kosten zouden zijn geweest zonder de voorgestelde aanpassing. De definitieve impact van de aanpassing van de methodiek in 2025 is 47 euro inclusief btw; dat is 6 euro minder dan eerder verwacht.6 Zonder wijzigingen in de Warmtewet en de lagere regelgeving zouden de maximale vaste kosten 47 euro hoger zijn.
Er is ten tijde van de wijziging van de Warmtewet geen inschatting gemaakt van de ontwikkeling van tarieven over de tijd. Het was in maart 2024 niet mogelijk om een inschatting van de kosten voor 2025 te geven. Volgens de geldende wet- en regelgeving bepaalt de ACM warmtetarieven voor een bepaald jaar op basis van de aardgasprijzen voor eindverbruikers in jaarcontracten met een vaste prijs aangeboden voor dat jaar (in dit geval 2025). Deze prijzen zijn pas in december van het voorgaande jaar bekend (in dit geval in december 2024). Pas in december 2024 is het bekend geworden wat de tarieven voor 2025 zullen zijn.
Overigens zijn de variabele tarieven in 2025 gedaald in vergelijking met 2024 zodat de totale warmterekening in 2025 bij een rekenverbruik van 37 GJ met 106 euro lager uitvalt dan in 2024. In juni 2024 heeft de ACM een herstelbesluit genomen waardoor de vaste kosten halverwege het jaar 2024 met 36 euro inclusief btw zijn gedaald. Deze correctie werkt door in 2025. In 2025 vallen de vaste kosten daarom 36 euro en de totale warmterekening 142 (106+36) euro lager uit dan bij de toepassing van de tarieven zoals die ten tijde van de wijziging van de Warmtewet, in maart 2024, geldig waren. Dit is een sterkere daling dan de toenmalige ambtelijke inschatting van de totale impact van de wijzigingen van de Warmtewet (68,99 euro ex btw en 83,40 euro inclusief btw bij het rekenverbruik van 37 GJ).
Onderschrijft u dat deze spoedwet destijds was ingegeven vanwege zorgen over de hoge warmterekening van (veelal kwetsbare) huishoudens en de funeste gevolgen van die rekening voor het draagvlak voor warmtenetten, in combinatie met het uitblijven van de behandeling van de Wet Collectieve Warmte?
De aanpassingen van de Warmtewet en lagere regelgeving zijn ingevoerd om invulling te geven aan de motie van het lid Kröger, waarin zorgen zijn uitgesproken over de hoogte van de warmterekening. In de Kamerbrief waarin de wijziging in de Warmtewet en lagere regelgeving is aangekondigd heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven de zorgen over de hoogte van de warmterekening te delen. In de motie is gevraagd om al in 2024 de methodiek voor warmtetarieven aan te passen op een eerlijke en reële wijze. Omdat de inwerkingtreding van de Wet collectieve warmte pas voor 2026 is gepland en niet versneld kon worden, is de methodiek aangepast middels een aanpassing in de Warmtewet en de daarmee samenhangende lagere regelgeving.
Onderschrijft u ook dat deze problemen nog steeds niet zijn opgelost en daarmee de geest van de spoedwet niet is gevolgd bij het tarievenbesluit voor 2025?
Het kabinet is van mening dat de bedoeling van de «spoedwet» is gevolgd, maar dat er verdergaande stappen nodig zijn in de hervorming van de tariefregulering die zullen worden doorgevoerd na aanvaarding van de Wet Collectieve Warmte. Het doel van de «spoedwet» was om de huidige rekenmethodiek van het maximumwarmtetarief (NMDA) ook op korte termijn al eerlijker en reëler te maken, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4. Tegelijk zullen bepaalde groepen warmteverbruikers de huidige tarieven die gebaseerd zijn op de gasreferentie nog steeds als hoog ervaren. Ten eerste herkennen verbruikers zich niet altijd in de gasreferentie. Deze is namelijk gebaseerd op een bepaalde inschatting van gemiddelde gasprijzen, terwijl in de praktijk gasverbruikers hele verschillende kosten hebben. Deze kosten zijn namelijk afhankelijk van de leverancier, het soort contract, het type cv-ketel etc. Ten tweede betalen sommige verbruikers met een referentietarief meer dan hun warmtebedrijf nodig heeft om warmte te kunnen leveren. Een referentietarief is namelijk hetzelfde voor alle warmtebedrijven. Sommige warmtebedrijven zouden ook met een lager tarief hun kosten inclusief een redelijk rendement kunnen terugverdienen, terwijl er ook warmtebedrijven zijn voor wie de huidige tarieven niet voldoende zijn om hun kosten terug te verdienen. Met de huidige methodiek is het echter niet mogelijk om het maximumtarief alleen te verlagen voor warmtebedrijven die overrendementen hebben, een eventuele verlaging moet gelden voor alle warmtebedrijven, ook degene die een laag of een negatief rendement hebben. Dit brengt risico’s voor leveringszekerheid en investeringsbereidheid met zich mee. In de nieuwe Wet collectieve warmtevoorziening, waarvan het voorstel op dit moment in de Kamer ligt, wordt op termijn een overstap voorzien naar kostengebaseerde tarieven. Daarin kan rekening worden gehouden met kostenverschillen tussen warmtebedrijven en is er meer zekerheid dat warmtebedrijven niet meer in rekening brengen dan nodig is om warmte te kunnen te leveren. Om te voorkomen dat verbruikers geconfronteerd worden met een hoge warmterekening als de kosten van het warmtebedrijf hoog zijn, kan wel aanvullend beleid nodig zijn. Dit wordt nader toegelicht in de Nota naar aanleiding van het Verslag op de Wet collectieve warmte en de Kamerbrief die beiden voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel naar de Kamer zullen worden gestuurd.
Bent u ook van mening dat bij de communicatie over de spoedwet niet het hele verhaal is verteld, door wél de (slechts deels uitgevoerde) besparing te noemen maar niet de op handen zijnde kostenverhogingen?
Nee, de Kamer vroeg destijds om een inschatting van de impact van de voorgestelde aanpassingen in de methodiek, niet om de verwachte ontwikkelingen van de warmtetarieven in 2025. In de aanvullende Kamerbrief over het wijzigingsvoorstel is, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3, in maart 2024 op verzoek van de Kamer een inschatting gemaakt van de impact van de wijzigingen, dat wil zeggen van het verschil tussen de warmtekosten voor verbruikers zonder en met de aanpassingen. Dat effect heeft zich zoals hierboven toegelicht, ook voorgedaan, waardoor de warmtetarieven 47 euro lager uitvallen dan zonder de wijziging. Er is destijds geen inschatting gemaakt van de hoogte van de warmtetarieven in 2025, en er is geen verwachting uitgesproken over de daling van tarieven in 2025 in vergelijking met 2024. Het was in maart 2024 ook nog niet mogelijk om een dergelijke inschatting te maken.
Wat denkt u dat de gelijk gebleven hoge vaste leveringskosten doet met het toch al broze vertrouwen in en draagvlak voor warmtenetten?
De totale warmterekening is in 2025 gedaald (zie ook het antwoord op vraag 3), terwijl de vaste kosten voor aardgas en elektriciteit wel zijn gestegen. Dit verhoogt naar verwachting in lichte mate de financiële aantrekkelijkheid van warmtenetten voor verbruikers in 2025 in vergelijking met 2024. Voor draagvlak en vertrouwen zijn echter vooral ontwikkelingen op langere termijn van belang. Verbruikers moeten het vertrouwen krijgen dat warmte in de toekomst betaalbaar blijft. Daarnaast is het voor de warmtetransitie ook nodig dat warmtebedrijven vertrouwen hebben dat ze hun kosten kunnen terugverdienen. Voor de warmtetransitie moet er namelijk draagvlak zijn bij zowel verbruikers als warmtebedrijven. Met kostengebaseerde tariefregulering in de Wet collectieve warmte, waarmee verbruikers niet meer betalen dan nodig en warmtebedrijven hun efficiënte kosten kunnen terugverdienen, wordt de eerste stap in die richting gezet. Om in alle situaties betaalbaarheid van collectieve warmte te waarborgen is daarnaast mogelijk aanvullend beleid nodig. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Waarom heeft u ervoor gekozen om de dure all-in servicecontracten apart mee te laten wegen in de referentiebepaling van de onderhoudskosten cv-ketel in plaats van een gemiddelde van alle onderhoudscontracten zoals toegezegd in reactie op de aangenomen gewijzigde motie van het lid Kröger c.s. over zo gedetailleerd mogelijk inzicht geven in de reële kosten van en tarifering door warmteleveranciers (Kamerstuk 29023, nr, 488)? Was het niet meer in de geest van de eerder aangehaalde spoedwet geweest om bij die eerdere toezegging te blijven?
In de motie Kröger is gevraagd om een aanpassing van de niet-meer-dan-anders (NMDA)-methodiek op een eerlijke en reële wijze. In de Kamerbrief heeft mijn voorganger aangegeven dat de wijziging naar verwachting zal leiden tot een methodiek die eerlijker en een betere weergave van de werkelijkheid is. Dit is geïnterpreteerd als een betere aansluiting bij de werkelijke kosten van een gemiddelde gasverbruiker. In de oude methodiek waren de onderhoudskosten van een cv-ketel geschat op basis van de prijs van all-in onderhoudscontracten. Deze kosten zijn een overschatting van de onderhoudskosten van een gemiddelde gasverbruiker, omdat deze all-in contracten in praktijk weinig worden afgenomen, en de prijs daarvan een risicopremie bevat. Bij niet all-in onderhoudscontracten hebben gasverbruikers echter ook bijkomende kosten voor reparaties en onderdelen, waardoor deze contracten een onderschatting zijn van de kosten van een gemiddelde gasverbruiker. De werkelijke gemiddelde onderhoudskosten liggen dus naar verwachting ergens tussen de kosten van all-in contracten en een ongewogen gemiddelde van alle door verbruikers afgenomen onderhoudscontracten. Met de gekozen benadering is er gekozen voor een bedrag dat precies tussen deze twee bedragen ligt.
Wat ook meegespeeld heeft in deze beslissing is dat het kabinet meerdere signalen heeft ontvangen dat warmtebedrijven financieel onder druk staan. In de Kamerbrief waarin de wijziging van de Warmtewet is aangekondigd, heeft mijn ambtsvoorganger toegelicht dat er niet gekozen is voor een grotere verlaging van warmtetarieven omdat dit zou kunnen leiden tot onderrendementen bij warmtebedrijven, met als gevolg een vertraging van aanleg van nieuwe warmtenetten.7 Als er voor de onderhoudskosten van de cv-ketel uitgegaan zou worden van een ongewogen gemiddelde van alle onderhoudscontracten, zou de negatieve impact op warmtebedrijven in 2025 veel hoger zijn dan verwacht toen de Warmtewet werd aangepast. In juni 2024 heeft de ACM de rendementsmonitor gepubliceerd, waaruit een gemiddeld rendement bleek van warmtebedrijven in 2023 gelijk aan 1%. Er is weliswaar sprake van een grote variatie van rendementen en de mate van detail van de gegevens is niet altijd toereikend, maar op basis van deze cijfers kon de conclusie worden getrokken dat er een grote kans is dat een substantieel aantal warmtebedrijven een heel laag of negatief rendement haalt.8 Naar aanleiding van de consultatie van het Warmtebesluit hebben meerdere warmtebedrijven aangegeven dat hun financiële situatie moeilijk wordt als gevolg van de combinatie van beleidsmaatregelen en algehele kostenstijging. Met de voorgestelde oplossing is er een balans gezocht tussen de korte termijn belangen van verbruikers (lagere tarieven) en investeerbaarheid en leveringszekerheid.
Wat bent u van plan om op korte termijn te betekenen voor huishoudens met torenhoge kosten voor warmte en het draagvlak voor warmtenetten?
Met de wijziging van de Warmtewet en daaropvolgende wijzigingen van het Warmtebesluit en Warmteregeling is betaalbaarheid van warmte op korte termijn verbeterd, waarbij ook rekening is gehouden met de investeerbaarheid en leveringszekerheid. Om betaalbaarheid, investeerbaarheid en leveringszekerheid in samenhang te borgen zijn tegelijk andere maatregelen nodig, zoals kostengebaseerde tarieven in combinatie met aanvullend beleid zoals genoemd in het antwoord op vraag 5. Hoe snel deze maatregelen operationeel kunnen worden, hangt mede samen met de snelheid van behandeling van de Wet collectieve warmte in de Kamer.
Het bericht ‘Nederlandse lobby om fintech te lokken na Brexit ging nooit vliegen’ |
|
Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse lobby om fintech te lokken na Brexit ging nooit vliegen» uit het Financieel Dagblad?1
Ja.
Hoeveel fintech-bedrijven hebben zich na de Brexit in Nederland gevestigd? Hoeveel daarvan kunt u linken aan de lobby vanuit Nederlandse overheidsorganisaties?
Het is moeilijk om een goede inschatting te geven van het aantal fintech-bedrijven dat zich na de brexit in Nederland heeft gevestigd en welk deel daarvan dit ook daadwerkelijk vanwege de brexit heeft gedaan. Dit komt mede door de uiteenlopende definities die worden gebruikt voor de term «fintech» en doordat er niet actief redenen worden bijgehouden van bedrijven die zich vestigen in Nederland. Een definitie van fintech die vaak gebruikt wordt is: «een door technologie gestuurde financiële innovatie die kan leiden tot nieuwe businessmodellen, toepassingen, processen of producten met een materiële impact op financiële markten, instellingen en diensten».2 Aanbieders van fintech kunnen dus uiteenlopende vergunningen hebben. Een groot gedeelte van de aanbieders van fintech is ook niet vergunningsplichtig.
In zijn algemeenheid heeft het toenmalige kabinet zich ingespannen om buitenlandse bedrijven na het brexit-referendum aan te trekken. De Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) en haar partners van het Invest in Holland-netwerk, die in opdracht van de overheid verantwoordelijk zijn voor de acquisitie van buitenlandse bedrijven, hebben vanaf 2016 ingezet op het benutten van acquisitiekansen vanwege de brexit. Deze activiteiten zijn vanaf 2018 geïntensiveerd.3
Sinds het referendum in 2016 hebben de NFIA en haar Invest in Holland-partners bijvoorbeeld 115 bedrijven in de categorie Finance & Fintech gefaciliteerd bij vestiging van hun activiteiten in Nederland. Hiervan kunnen 56 bedrijven aantoonbaar gelinkt worden aan de brexit. Dit is echter geen volledig beeld van het totaal aantal fintech bedrijven dat zich na de brexit in Nederland heeft gevestigd. Er zijn ook bedrijven die zich in Nederland vestigen zonder contact te hebben gehad met de NFIA.
EY heeft onderzoek gedaan naar de fintech-sector in Nederland. Het meest recente fintech-onderzoek uit 2023, laat duidelijk een stijging zien van het aantal fintechs in Nederland.4 Verder laat dit onderzoek zien dat het grootste gedeelte van de fintechpartijen die een vergunning hebben, een vergunning als betaaldienstverlener5 heeft. DNB heeft tussen januari 2019 en 31 december 2021 57 vergunningen aan betaaldienstverleners verleend. Een peer-review van de Europese Banken Autoriteit (EBA) laat zien dat dit na Litouwen het hoogste aantal in Europa is. Daarbij valt op dat de Litouwse toezichthouder een fors lager percentage van de vergunningaanvragen daadwerkelijk toekent (figuur 1). Ten slotte heeft de AFM rond de brexit circa 50 vergunningsaanvragen ontvangen, die vrijwel allemaal een succesvolle vergunningsprocedure hebben doorlopen.
Figuur 1. Aantal PSD-vergunningen per lidstaat inclusief het aantal aanvragen Bron: Peer Review Report on authorisation under PSD2, p. 9.1
Wat zijn de belemmeringen geweest voor fintech-bedrijven om zich in Nederland te vestigen (graag breed toelichten, dus wet- en regelgeving, toezichthouders, etc.)? Wat waren de positieve elementen waarom fintech-bedrijven zich in Nederland hebben gevestigd?
De fintech-census uit 2023 geeft een overzicht van de bepalende factoren voor fintechs bij de locatiekeuze van hun bedrijf. Deze factoren geven ook een beeld van de belemmeringen en positieve elementen die destijds speelden bij de locatiekeuze. De grootste knelpunten die ondervraagde fintechs in het onderzoek noemden zijn in Nederland het beloningsbeleid6, het aantrekken en behouden van gekwalificeerd personeel en de als hoog ervaren administratieve lasten en kosten.
Verder blijkt uit signalen die de NFIA recentelijk heeft ontvangen, dat fintechs de doorlooptijd van vergunningsaanvragen bij DNB als knelpunt ervaren. Vergunningstrajecten duren soms langer dan bedrijven verwachten. De doorlooptijden van vergunningsaanvragen voor betaaldienstverleners in verschillende lidstaten zijn ook door de EBA onderzocht. De resultaten laten zien dat vergunningstrajecten voor betaaldienstverleners in Nederland sneller gaan dan het Europees gemiddelde (figuur 2). Het is belangrijk te realiseren dat het percentage vergunningsaanvragen dat wordt toegewezen ook impact kan hebben op de snelheid van het proces. DNB wijst in vergelijking tot andere lidstaten een relatief hoog percentage van de vergunningen toe. Dit komt in sommige gevallen doordat partijen meerdere mogelijkheden geboden wordt om de juiste documenten aan te leveren. Toezichthouders in andere landen kiezen er bijvoorbeeld voor om sneller een aanvraag af te wijzen als bepaalde documentatie niet in orde is.
Voor kleinere fintechbedrijven spelen daarnaast de relatief hoge toezichtkosten een rol. Hoewel grotere bedrijven hiermee minder problemen ervaren, kan dit voor snelgroeiende fintechs een belemmering vormen, zo hoort de NFIA in de praktijk. Momenteel loopt een evaluatie uit van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 (Wbft 2019) waarin ook naar dit specifieke punt wordt gekeken. Ik informeer de Kamer in maart over de uitkomsten van de evaluatie en de vervolgstappen die ik zet.
Tegelijkertijd kent Nederland een aantal sterke vestigingspunten die fintechbedrijven juist aantrekken.7 Zo is de reputatie van DNB als toezichthouder internationaal sterk, mede door haar hoge standaarden. Daardoor draagt een DNB-vergunning bij aan het vertrouwen van klanten en investeerders. Daarnaast biedt Nederland een redelijk groot, uitstekend Engelssprekend arbeidspotentieel, een hoge «kwaliteit van leven» en een betrouwbare, goed georganiseerde digitale en fysieke infrastructuur.
Figuur 3. Gemiddelde tijdsduur van het vergunningsproces per lidstaat. Bron: Peer Review Report on authorisation under PSD2, p 12.1
Deelt u de mening dat Nederland minimaal even aantrekkelijke voorwaarden moet bieden als vergelijkbare landen, zoals Frankrijk, Duitsland, Luxemburg, Ierland of Litouwen om fintechs naar Nederland te halen? Zo nee, waarom niet?
Ja, daar ben ik het mee eens. Fintechs zijn belangrijk voor innovatie in de financiële sector. Daarom noem ik deze bedrijven ook specifiek in mijn visie op de financiële sector.8 De eerdergenoemde onderzoeken en signalen uit de sector bevestigen dat Nederland een gunstig klimaat heeft voor fintechs, maar Nederland moet concurrerend blijven als vestigingsplaats voor fintechs.
In hoeverre verschilt het Nederlandse toezicht qua kosten, toetredingseisen en snelheid, waarmee markttoegang wordt verleend ten opzichte van vergelijkbare landen in het buitenland?
Er is beperkt onderzoek beschikbaar waarin een vergelijking wordt gemaakt van toetredingseisen, snelheid en kosten ten opzichte van andere Europese landen. Bovendien zijn de toetredingseisen grotendeels bepaald in wetgeving op EU-niveau. Zoals ik al noemde in mijn antwoord op vraag 3 is de duur van vergunningstrajecten voor betaaldienstverleners in Nederland over het algemeen korter dan het Europees gemiddelde. In algemene zin hebben de toezichthouders in Nederland een sterke internationale reputatie, wat Nederland een aantrekkelijke vestigingsplaats maakt. In Nederland wordt het financieel toezicht van DNB en de AFM volledig doorberekend aan de ondertoezichtstaande instellingen. Ook in andere lidstaten is vaak sprake van (gedeeltelijke) doorberekening. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 beschrijf, voer ik momenteel een evaluatie uit van de Wbft 2019. Daarin wordt aandacht besteed aan de verschillen in de bekostiging van het toezicht tussen Nederland en andere Europese landen.
Heeft Nederland, net als Frankrijk, overwogen Britse fintechs na de Brexit automatisch een vergunning te geven? Zo nee, waarom niet?
De toezichthouders werken onafhankelijk en hebben een mandaat om binnen de grenzen van de wet daaraan invulling te geven. Dit geldt ook voor het vergunningverleningsproces. DNB en AFM hebben ten tijde van de brexit niet overwogen om vergunningen automatisch te verlenen. Het automatisch verlenen van vergunningen zou ik vanuit mijn algemene verantwoordelijkheid voor het toezicht op en de regulering van de financiële sector ook onwenselijk vinden. Tijdens de vergunningverleningsprocedure moet door de toezichthouders gecontroleerd worden of partijen voldoen aan de geldende eisen en voorschriften. Dit is van belang voor het waarborgen van de financiële stabiliteit, de integriteit van de financiële sector, goed functionerende financiële markten en consumentenbescherming. Ook voor een eerlijk speelveld met partijen die reeds een vergunning hebben, of partijen die later een vergunning aanvragen, is het van belang dat zij aan dezelfde eisen moeten voldoen. Partijen die al in het Verenigd Koninkrijk een vergunning hadden, zouden in vergelijking met nieuwe toetreders zonder actieve vergunning elders, in de praktijk overigens minder moeite moeten hebben met het verkrijgen van een vergunning in Nederland.
Hoeveel economisch toegevoegde waarde is Nederland naar schatting misgelopen als gevolg van de starre houding van De Nederlandsche Bank (DNB) na de Brexit?
De toezichthouders hebben rondom de brexit extra aandacht besteed aan de extra aanvragen. Vragen zijn snel en deskundig behandeld. De cijfers uit de fintech-census, de EBA peer review en signalen uit de sector bevestigen dit beeld. Het merendeel van de handelsplatformen dat actief is in de verhandeling van aandelen en obligaties heeft na de brexit bijvoorbeeld voor Nederland gekozen. Dit heeft vervolgens na de effectieve datum van de brexit ertoe geleid dat Amsterdam het centrum van de handel in aandelen werd.9 Deze partijen hebben het gebruikelijke proces voor vergunningaanvragen doorlopen.
Er valt geen goede inschatting te maken van de economische toegevoegde waarde die Nederland is misgelopen na de brexit. Buitenlandse bedrijven wegen bij een potentiële investering een groot aantal factoren mee die van invloed zijn op een uiteindelijke investeringsbeslissing. Meer algemeen meldt NFIA mij dat, op basis van hun interne projectadministratie, van de partijen in de financiële sector met wie zij tussen 2017 en 2024 contact hebben gehad er 112 partijen uiteindelijk niet voor Nederland hebben gekozen. Een schatting van NFIA is dat die partijen bij elkaar een potentieel van bijna 4.600 directe arbeidsplaatsen zouden hebben. Deze schatting is gebaseerd op prognoses die bedrijven zelf hebben opgegeven. Dit zijn echter geen robuuste cijfers. De informatie beslaat een langer tijdsbestek (2017–2024) en de definitie die wordt gebruikt voor de cijfers is ruimer dan fintech alleen, namelijk de financiële sector in den brede. Ook oriënteren bedrijven zich vaak op meerdere lidstaten tegelijkertijd en kunnen we er daarom niet van uit gaan dat al die partijen en bijbehorende arbeidsplaatsen daadwerkelijk «gemist» zijn.
Ik heb geen signalen ontvangen dat Nederland in andere sectoren bedrijven is misgelopen na de brexit als direct gevolg van een strenge opstelling van toezichthouders.
Zijn er signalen dat Nederland na de Brexit ook in andere sectoren bedrijven is misgelopen als gevolg van de strenge opstelling van toezichthouders? Zo ja, om welke sectoren gaat dit?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is er terecht gekomen van de regulatory sandbox van DNB en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) voor de financiële sector om te komen tot meer innovatie, meer toetreders en meer concurrentie? Wat zijn de resultaten daarvan geweest? Welke lessen zijn daaruit getrokken?
In 2016 zijn DNB en de AFM samen met de ACM gestart met de Innovationhub en Maatwerk voor Innovatie (in het Engels soms vertaald als regulatory sandbox). Beide initiatieven zijn bedoeld voor partijen die op een laagdrempelige manier met de toezichthouder willen praten over hoe innovatieve financiële oplossingen passen binnen het regelgevend raamwerk. Deze initiatieven zijn in 2019 en in 2021 geëvalueerd. In de eerste drie jaar (vanaf 2016 tot 1 juni 2019) zijn in totaal 363 vragen gesteld aan DNB en 297 aan de AFM. In het rapport «Continu in dialoog»10 lichten DNB en AFM de belangrijkste inzichten uit de eerste drie jaar toe. Deze inzichten zijn onder andere dat er vanuit de sector daadwerkelijk behoefte is aan laagdrempelig contact over innovatie, de InnovationHub onzekerheid over financieel toezicht wegneemt en dat de veelheid aan wet- en regelgeving een barrière kan vormen voor marktpartijen.
Verder heeft DNB in 2021, samen met de AFM en de sector, onderzoek gedaan naar de kansen en obstakels in relatie tot innovatie en regelgeving.11 In dat rapport wordt geconcludeerd dat het goed is om samen met de sector te kijken wat er gedaan kan worden om de InnovationHub en Maatwerk voor Innovatie te versterken. De uitkomsten van het onderzoek dat hierop volgde zijn in 2022 besproken met de sector. Op basis van use cases uit de sector en onderzoek bij succesvolle vergelijkbare initiatieven in het buitenland zijn toen inrichtingsprincipes voor een vernieuwde InnovationHub geformuleerd, zoals het toegankelijker maken van de InnovationHub en bedrijven zo oplossingsgericht mogelijk accommoderen, maar binnen de kaders van de wet en mandaat. De toezichthouders zijn hiermee aan de slag.
Ten slotte nemen DNB en de AFM deel aan het European Forum for Innovation Facilitators (EFIF), een platform dat is gericht op het delen van ervaringen en het versterken van samenwerking op Europees niveau. Binnen dit kader is een Europees initiatief voor een InnovationHub in gang gezet, dat momenteel verder geconcretiseerd wordt.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de toezichthouders over de gevolgen van het starre optreden met betrekking tot startups, fintechs, scale-ups en nieuwe toetreders in de financiële sector in Nederland en hoe dit in de toekomst anders kan? Zo nee, waarom niet?
In mijn visie op de financiële sector schrijf ik dat ik verwacht dat de toezichthouders DNB en AFM, binnen hun onafhankelijke rol en verantwoordelijkheid, oog hebben voor het belang van nieuwe, innovatieve financiële instellingen. Ik verwacht van de toezichthouders dat ook nieuwe, kleinere instellingen de aandacht krijgt die zij verdienen, ook op bestuurlijk niveau. Ik stel dit aan de orde in mijn reguliere gesprekken met DNB en AFM. Nederland staat inmiddels bekend vanwege een bloeiende fintech industrie en een van de belangrijkste fintech-hubs in Europa is Amsterdam. Een proactieve en open houding tegenover deze partijen is en blijft daarvoor noodzakelijk.
De Nederlandse aanwezigheid bij de vergadering van het Verdrag inzake het verbod op kernwapens |
|
Jan Paternotte (D66), Kati Piri (PvdA) |
|
Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de aangenomen motie van de leden Van Dijk en Sjoerdsma (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2497), waarmee de Tweede Kamer de Nederlandse regering verzocht om als waarnemer aanwezig te zijn bij de vergadering van het Verdrag inzake het verbod op kernwapens (TPNW)?
Ja.
Bent u van mening dat het voor Nederland en de Nederlandse informatiepositie inzake het kernwapenvraagstuk, ondanks het feit dat Nederland geen ondertekenaar van het TPNW is, van diplomatieke meerwaarde kan zijn om aan de vergadering van de verdragspartijen deel te nemen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Nederland heeft een uitstekende diplomatieke informatiepositie inzake het kernwapenvraagstuk. Daarnaast heeft de Nederlandse delegatie die deelnam aan de eerste vergadering van statenpartijen van het TPNW vastgesteld dat de besprekingen, zowel inhoudelijk als wat betreft de opbouw van relaties met deelnemende partijen, geen meerwaarde biedt ten opzichte van de reeds bestaande diplomatieke uitwisseling in het kader van het Non-Proliferatieverdrag (NPV).
Is Nederland voornemens om als waarnemer deel te nemen aan de vergadering van de verdragspartijen tussen 3 en 7 maart 2025? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals toegelicht in de reactie van het kabinet op de motie Van Dijk/ Sjoerdsma (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2497), acht het kabinet hernieuwde deelname aan een vergadering van statenpartijen van het TPNW niet zinvol.1
Het bericht ‘Woningsplitsing levert nog weinig extra huizen op’ |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (BBB) |
|
![]() |
Bent u bekend met dit artikel?1
Ja.
Klopt het dat in 2024 het laagste aantal woningen gesplitst is sinds 2018?
Precieze cijfers over het aantal splitsingen zijn niet bekend. De CBS-cijfers betreffen de optelsom van twee aspecten: hoe vaak woningen gesplitst worden, maar ook hoe vaak woningen samengevoegd worden. Het cijfer is daarom geen directe weerspiegeling van het aantal woningsplitsingen. De volledige cijfers over 2024 zijn nog niet beschikbaar, dus of het (saldo) woningsplitsingen (en samenvoegingen) het laagste is sinds 2018, is niet bekend. De huidige stand van zaken is dat het saldo splitsingen en samenvoegingen in 2020 het laagst is – waarbij het saldo van het totaal aan overige toevoegingen in 2023 en 2020 ongeveer gelijk was.
In de tabel hieronder zijn deze cijfers sinds 2018 weergegeven. De nieuwbouwcijfers hebben betrekking op nieuwe gebouwen met een woonbestemming. Het saldo van de overige toevoegingen gaat om bestaande gebouwen die (na verbouw) van functie wijzigen zoals transformaties of om bestaande woningen die gesplitst worden. Het kan ook gaan om «optopwoningen». Deze laatste categorie kan door het CBS niet afzonderlijk worden onderscheiden, maar is onderdeel van de categorie «overige verbouw». Het CBS geeft verder aan dat het mogelijk is dat een deel van de optoppingen abusievelijk als woningsplitsing wordt geboekt, omdat dit niet altijd goed van elkaar onderscheiden kan worden.
De post overige toevoegingen en onttrekkingen betreft een saldo. Er worden woningen gesplitst, maar er worden ook woningen samengevoegd. Gebouwen die voorheen een andere bestemming hadden krijgen een woonfunctie, maar dat geldt andersom ook. Vandaar dat het hier altijd om een saldo gaat.
2018
82.680
66.585
16.095
12.210
1.105
3.265
– 485
2019
87.556
71.548
16.008
12.480
1.270
2.910
– 652
2020
84.788
69.985
14.805
10.215
1.020
4.215
– 640
2021
89.175
71.221
17.955
10.480
1.550
5.120
+ 850
2022
90.208
74.560
15.650
9.565
1.430
4.310
+ 345
2023
87.886
73.368
14.520
8.755
1.040
4.970
– 245
2024
82.171
68.995
13.176
–
–
–
–
Bron: CBS BAG en CBS Overige toevoegingen en onttrekkingen in detail
De cijfers betreffen deels voorlopige cijfer.
Zo ja, kunt u verklaren wat de oorzaak is van het lage aantal woningsplitsingen dat plaatsgevonden heeft in 2024?
Zoals bovenstaand beschreven zijn de volledige cijfers over 2024 nog niet bekend, waardoor we deze nog niet kunnen duiden. Zoals onder antwoord 2 gesteld, betreffen de cijfers m.b.t. splitsingen een saldo. Dat betekent dat het cijfer een optelsom is van twee aspecten: hoe vaak woningen gesplitst worden maar ook hoe vaak woningen samengevoegd worden. Het cijfer is daarom geen directe weerspiegeling van het aantal woningsplitsingen. Precieze cijfers over het aantal splitsingen zijn niet bekend. Ook is het saldo al jarenlang beperkt van omvang. Een verklaring zoeken voor schommelingen van minder dan 500 woningen die daarbovenop ook nog de trend volgen van de afgelopen jaren lijkt daarmee niet opportuun. Ik zie wel een sterke potentie voor het verhogen van het saldo door het splitsen van woningen verder te stimuleren. Gemeenten erkennen vaak al de voordelen van woningsplitsing als een oplossing voor woningtekorten, maar stellen ook voorwaarden om overlast te voorkomen en om de negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het woonklimaat en de sociale leefbaarheid te verminderen. Dit beperkt de mogelijkheden tot woningsplitsen.
Deelt u de mening dat voor de woningzoekende een perspectiefloze situatie ontstaat door het achterblijven van realisatie van woningen uit zowel de nieuwbouw als bestaande voorraad en kunt u uw antwoord verklaren?
Ik ben van mening dat het tekort aan woningen ingrijpend is voor woningenzoekenden en dat het terugdringen daarvan urgent is.
Hoe ver bent u bereid te gaan om een doorbraak te forceren waarmee 100.000 woningen gerealiseerd worden?
Ik ben bereid om daarvoor alles op alles te zetten met inzet van alle partijen die nodig zijn om dit te realiseren. Daarom is het belangrijk dat bij de Woontop is afgesproken dat het Rijk, overheden, corporaties en marktpartijen de handen ineen slaan om de woningnood op te lossen. Om de woningbouwproductie te verhogen wordt meer grond beschikbaar gesteld, worden nieuwe gebieden aangewezen voor grootschalige woningbouw, worden procedures voor de bouw van woningen versneld en heeft dit kabinet € 5 miljard beschikbaar gesteld voor de financiële ondersteuning van woningbouwprojecten. Daarnaast investeert het kabinet € 2,5 miljard in infrastructuur ten behoeve van woningbouwlocaties. Ook ga ik met het programma STOER inzetten op aanpassen van regelgeving om te versnellen en meer woningen te bouwen met minder kosten.
Welke concrete doorbraken heeft u de afgelopen zes maanden geforceerd en hoeveel woningen worden er daardoor naar verwachting in 2025 extra opgeleverd?
Onlangs is de tweede nota van wijziging voor het wetsvoorstel «versterking regie volkshuisvesting» ingediend. Met het wetsvoorstel versnellen we de behandeling van beroepszaken over woningbouw bij de rechter. Zo wordt sneller duidelijk of een project door kan gaan. De tijdswinst daarvan is ongeveer een jaar. Vooruitlopend op deze wet heeft de Raad van State een andere werkwijze ingevoerd waardoor voor 65.000 woningen dit jaar duidelijkheid komt of ze kunnen doorgaan. Ook het realiseren van mantelzorgwoningen en familiewoningen op eigen erf wordt versneld in dit wetsvoorstel. MantelzorgersNL heeft berekend dat er behoefte is aan 100.000 van deze kleine woningen op eigen erf voor mantelzorg. Ik schat in dat het potentieel voor woningen op het erf voor familiewoningen eveneens groot is. Met het wetsvoorstel kunnen deze voortaan vergunningvrij worden gerealiseerd. Daarnaast maken we afspraken met provincies en gemeenten over hoeveel, voor wie en waar we bouwen. Met het Wetsvoorstel «versterking regie volkshuisvesting» zijn deze afspraken niet vrijblijvend: deze afspraken worden door provincies en gemeenten doorvertaald naar lokaal niveau en onderdeel van het volkshuisvestingsprogramma. Zo is voor iedereen duidelijk wat er wordt verwacht. Dus ook het aantal betaalbare woningen: sociale huur en middensegment. Wanneer een gemeente achterblijft of bij een impasse over een woningbouwlocatie kunnen Rijk of provincie via een instructiebesluit – op grond van de Omgevingswet – waar nodig een opdracht geven om in het omgevingsplan te voorzien in voldoende locaties voor betaalbare woningen.
Ik zet ook in op doorbraken op concrete locaties, groot en klein. Dat gebeurt onder meer via publiek private samenwerking in de versnellingstafels, maar ook via bestuurlijke interventies. Ik noem daarbij Kronenburg, waar ik op 16 januari 2024 afspraken heb gemaakt met de gemeente Amstelveen. Er wordt in Kronenburg een plan opgesteld voor de ontwikkeling van circa 438 woningen, en een verbetering van de leefomgevingskwaliteit, als eerste fase van ontwikkeling van dit gebied. Ook in de Gnephoekpolder worden woningen gerealiseerd. In september 2024 verstrekte ik een toekenningsbeschikking aan de gemeente Alphen aan de Rijn. In de brief deelde ik hen mee dat zij een rijksbijdrage van € 50 mln. exclusief btw (€ 60,5 mln. inclusief btw) zouden ontvangen. Met die rijksbijdrage wordt de gemeente in staat gesteld om vanaf 2029 5.500 woningen te realiseren, waarvan 60% procent betaalbaar en minimaal 30% in het sociale huursegment. Een soortgelijke doorbraak is gerealiseerd in Bleizo (5.000 woningen) en Lisserbroek en Nieuw Vennep West (tenminste 6.500 woningen).
Kunt u per bouwmethode aangeven hoeveel woningen er gerealiseerd zijn in 2024 door woningen te splitsen, op te toppen en leegstaande panden te transformeren?
De (in eerste instantie voorlopige) realisatiecijfers van het CBS komen maandelijks beschikbaar met een vertraging van iets meer dan een maand. Deze cijfers zijn uitgesplitst in nieuwbouw en de overige toevoegingen en onttrekkingen. De verder uitgesplitste cijfers zoals die zijn weergegeven in tabel 2 komen met een grotere vertraging beschikbaar. Op dit moment is het saldo van splitsingen en samenvoegingen voor de eerste twee kwartalen van 2024 bekend. Dit betreft (per saldo) 555 woningen. De post overige verbouw waaronder optoppen bedraagt voor de eerste twee kwartalen 1.220 woningen. Voor transformaties zijn cijfers beschikbaar over de eerste drie kwartalen. Dit cijfer bedraagt 5.765 woningen. Bij deze aantallen gaat het om voorlopige cijfers.
Deelt u de mening dat er veel meer moet gebeuren om een doorbraak te forceren, in acht nemend dat de potentie van woning splitsen alleen al rond de 12.000 woningen per jaar ligt waar er buiten nieuwbouw om in totaal circa 14.500 woningen gerealiseerd zijn?
Ja. Ik zie veel potentie in het splitsen van grotere woningen in het koopsegment, daar ligt namelijk 60% van de potentie. Corporaties hebben, met ongeveer 25% van de potentie, ook bezit dat geschikt is om te splitsen. En gemeenten kunnen maatregelen nemen om via beleid het woningsplitsen te stimuleren. Om deze drie doelgroepen de juiste handvatten te geven voor het splitsen van woningen, ontwikkel ik een Splitsgids. Ook heb ik op 20 februari een handreiking gepubliceerd voor gemeenten over woningdelen en splitsen. Gemeenten hebben namelijk een sleutelrol: zij kunnen woningsplitsen juridisch zowel mogelijk als gemakkelijker maken, zodat woningcorporaties en particulieren aan de slag kunnen. Daarom ga ik ook bezien of eenvoudige woningsplitsingen onder voorwaarden vergunningvrij kunnen worden. Verder ga ik gemeenten in staat stellen om de potentie voor woningsplitsen in hun gebied in kaart te brengen door hen te assisteren bij het uitvoeren van potentiescans die de integrale potentie voor verschillende vormen van beter benutten analyseren.
Kunt u aangeven welke concrete stappen er gezet worden door het kabinet om het splitsen van woningen ook fiscaal aantrekkelijker te maken?
Het kabinet neemt maatregelen om investeringen in huurwoningen aantrekkelijker te maken. Zo wordt de overdrachtsbelasting voor investeerders in woningen verlaagd naar 8% per 1 januari 2026 en is de maximale renteaftrek in de vennootschapsbelasting verhoogd van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst (EBITDA). Deze maatregelen maken indirect het splitsen van woningen met als doel om deze te verhuren aantrekkelijker.
Kunt u de vragen één voor één en binnen 3 weken beantwoorden?
Vanwege interne afstemming is beantwoording binnen drie weken niet mogelijk geweest.
Het bericht ‘Ongehoord Nederland zoekt man of vrouw, ’geen X’, OM doet onderzoek naar discriminatie’ |
|
Geert Wilders (PVV), Emiel van Dijk (PVV), Martine van der Velde (PVV) |
|
Eppo Bruins (CU), van Weel |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht inzake het onderzoek van het Openbaar Ministerie naar Ongehoord Nederland vanwege «man/vrouw, geen X» in vacaturetekst voor hoofdredacteur?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vindt u het niet vreemd dat, terwijl het OM zegt geen tijd te hebben om vervolging in te stellen van de XR-snelwegblokkeerders en dat zij vrijwel alle Jodenjagers in Amsterdam vrijuit laat gaan, het OM zich wel bezig denkt te moeten houden met onderzoek naar omroep ON! omwille van een vacature invulling?
Het Openbaar Ministerie stelt op eigen gezag en op basis van kenbare uitgangspunten strafrechtelijke onderzoeken in. Ik heb geen reden om er aan te twijfelen dat het Openbaar Ministerie in dit geval daarvan af zou wijken.
Erkent u dat er biologisch gezien slechts twee geslachten zijn, namelijk man en vrouw?
Nee, er is sprake van seksediversiteit. De meeste mensen in Nederland hebben geslachtskenmerken die vallen binnen de normatieve definitie van een mannelijk of vrouwelijk lichaam. Er zijn ook intersekse personen. Dat zijn mensen die biologisch gezien geboren worden met een lichaam dat niet past binnen de heersende definities van mannelijk of vrouwelijk lichaam.
Deelt u de mening dat de Omroep Ongehoord Nederland over haar eigen HR-selectie gaat?
Ja, alle omroepen gaan over hun eigen personeelsbeleid. Daarbij hebben zij zich, net als iedereen, te houden aan de regels die onder andere op het gebied van gelijke behandeling gelden.
Welke maatregelen gaat u nemen om de prioriteiten van het OM op orde te krijgen om Nederland daadwerkelijk veilig te maken?
Zoals afgeleid mag worden uit mijn antwoord op vraag 2 zie ik naar aanleiding van deze zaak geen aanleiding om maatregelen te nemen die het Openbaar Ministerie betreffen.
Kunt u deze vragen voor het eind van volgende week beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Digitale sloten in studentenwoningen |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Mona Keijzer (BBB), Zsolt Szabó (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de plannen van een woningstichting in Enschede om over te stappen op digitale sloten voor studentenwoningen?
Bent u bekend met de zorgen hierover vanuit de studenten en de gemeenteraad van Enschede?1 2
Kunt u toelichten hoe u denkt over de plannen om over te stappen op digitale sloten en de mogelijke risico's, waaronder privacyrisico’s, die hierbij spelen?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat van bewoners wordt geacht dat zij een smartphone met daarop een app zouden moeten gebruiken om hun woning of woongebouw te kunnen betreden?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat digitaal wordt geregistreerd wanneer bewoners hun woning in- en uitgaan?
Beschikt u over een volledig of gedeeltelijk overzicht van woningen en/of woongebouwen in Nederland waar digitale sleutels vereist zijn voor het betreden van de woningen of waar het betreden of verlaten van de woningen digitaal wordt geregistreerd? Zo ja, kunt u dit overzicht met de Tweede Kamer delen?
Hoe oordeelt u over het in gebruik nemen van digitale sleutels, zoals voorgenomen in Enschede, gelet op artikel 8 EVRM en de AVG in het licht van een eerdere uitspraak van de Finse privacytoezichthouder die het bij een soortgelijke praktijk onrechtmatig achtte?3 4
Het verpachten van landbouwgrond door gemeenten en de eisen die daarbij worden gesteld. |
|
Eline Vedder (CDA) |
|
Rummenie |
|
![]() |
Bent u bekend met het besluit van de gemeente Teylingen om de pachtcontracten van een aantal boerderijen waarop onder andere wordt gewerkt aan natuurinclusieve landbouw en verbetering van de biodiversiteit niet te verlengen?1
Ja, ik ben ook bekend met het besluit van de gemeenten Teylingen om de voorlopige gunningen in te trekken en een nieuwe openbare selectieprocedure op te starten.
Ik ben mij ervan bewust dat de huidige geliberaliseerde pacht geen lange termijnzekerheid biedt voor een bedrijfsvoering als de Lakervelder Boerderij Boterhuispolder. Daarom werk ik aan de herziening van de pachtregelgeving, waardoor het sluiten van langlopende pachtovereenkomsten aantrekkelijker wordt gemaakt. Het sluiten van langlopende pachtovereenkomsten biedt meer zekerheid en perspectief voor een bedrijfsvoering dan het sluiten van een kortlopende overeenkomst. Pacht is voor veel landbouwers een noodzakelijk instrument, boeren zijn in hun bedrijfsvoering gebaat bij langdurige stabiliteit. Hierdoor kunnen zij toekomstgericht werken en investeringen doen. Dit is zowel goed voor het verdienvermogen alsook de maatschappelijke doelen zoals verduurzaming.
Klopt het dat dit besluit van de gemeente ook tot gevolg zal hebben dat het duurzame gebiedsplan «Land van Wei & Water», waarbij ook de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap en de gemeente Teylingen zijn betrokken, op de tocht komt te staan?
In het bedoelde gebiedsplan trekken onder anderen vier agrarisch ondernemers gezamenlijk op. Indien er één of meer deelnemers geheel of gedeeltelijk wegvallen, zullen zij een nieuwe afweging moeten maken.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als gemeenten, indien zij menen vanwege het Didam-arrest een openbare aanbesteding te moeten doen voor het verpachten van landbouwgrond, bij deze aanbesteding alleen voor de hoogste bieder kiezen en duurzaamheidscriteria niet of onvoldoende mee laten wegen?2
Uit de Didam jurisprudentie volgt dat overheidsorganisaties verplicht zijn om in het geval er meerdere (potentiële) gegadigden voor de grond zijn, hiervoor een openbare selectieprocedure te gebruiken. De selectieprocedure vindt aan de hand van vooraf bekendgemaakte objectieve, toetsbare en redelijke criteria plaats. Dit kan op basis van kwaliteitscriteria en prijscomponenten.
Ik vind het belangrijk om te benoemen dat gemeenten lichamen met zelfstandige bevoegdheden zijn. Zij zijn bevoegd om taken op zich te nemen die te maken hebben met het bestuur en beleid van de betreffende gemeente. Een gemeente heeft bijvoorbeeld de regie over haar pachtuitgiftebeleid; een gemeente weet wat het beste past bij de lokale omstandigheden.
Uit de berichtgeving maak ik op dat de gemeente Teylingen haar keuze heeft gebaseerd op criteria die betrekking hebben op het beheer dat gericht moet zijn op instandhouding van het leefgebied van weidevolgels, duurzaam grondgebruik en de geboden prijs. Ik merk ook op dat de prijs een zwaarwegende factor is geweest.
Deelt u de mening dat het een goede zaak zou zijn als gemeenten dezelfde criteria bij het verpachten van landbouwgrond zouden hanteren als Staatsbosbeheer (70 procent kwaliteit en 30 procent prijs)? Zo nee, waarom niet?
Ik wil niet treden in de autonome bevoegdheid van een medeoverheid. Wel wil ik benoemen dat ik het een goede zaak vind wanneer medeoverheden het voorbeeld volgen van bijvoorbeeld Staatsbosbeheer, die de kwaliteit zwaarder mee laat wegen dan de prijs in de criteria voor pachtuitgifte.
Kunt u aangeven wat in dat geval de uitkomst van de aanbesteding in dit specifieke geval zou zijn geweest?
Ik heb geen concrete informatie over het gunningsproces en de daadwerkelijke uitkomsten van de puntenverdeling van de gemeente in kwestie.
Deelt u de mening dat gemeenten en andere overheden het goede voorbeeld zouden moeten geven bij het verpachten van landbouwgrond en meer gewicht zouden moeten geven aan bijvoorbeeld duurzaamheid, natuurinclusiviteit en biodiversiteit? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat bij de gunning van pachtovereenkomsten rekening wordt gehouden met lange termijnzekerheid in de bedrijfsvoering. Hier kan dus ook gekeken worden naar de kwaliteit zoals bij Staatsbosbeheer gebeurt. Ik zie graag dat medeoverheden dit voorbeeld volgen.
Welke mogelijkheden ziet u om gemeenten en andere overheden ertoe aan te zetten om bij het verpachten van landbouwgrond meer te sturen op bovengenoemde criteria?
Ik wil niet treden in de autonome bevoegdheid van een medeoverheid. Wel wil ik benoemen dat ik het een goede zaak vind wanneer medeoverheden het voorbeeld volgen van bijvoorbeeld Staatsbosbeheer, die de kwaliteit zwaarder mee laat wegen dan de prijs in de criteria voor pachtuitgifte. Daarom heb ik een brief geschreven aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Teylingen, met een oproep om bij toekomstige openbare procedures te overwegen maatschappelijke diensten zwaarwegend te maken, en daarmee oog te houden voor maatschappelijke bijdrage die pachters kunnen leveren aan een specifiek gebied.
Het bericht 'Diagnose prostaatkanker nu bijna net zo vaak als borstkanker, vorig jaar 15.000 keer' |
|
Rikkers-Oosterkamp |
|
Karremans |
|
Hoe beoordeelt u de recente cijfers van het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL), waaruit blijkt dat prostaatkanker in 2024 bij meer dan 15.000 mannen is vastgesteld? Wat is uw reactie op de aanzienlijke toename van prostaatkankerdiagnoses?1
De verdubbeling in 20 jaar tijd naar 15.000 diagnoses per jaar is fors. De toename is te verklaren door een groeiende en vergrijzende bevolking en doordat meer mannen onderzoek laten doen.
Mogelijk nog belangrijker dan de incidentie is het feit dat de sterfte aan prostaatkanker ook verder blijft stijgen, van 2079 mannen in 1989 naar 3229 in 2023 per jaar. Ook leven veel mannen met uitgezaaide prostaatkanker, naar schatting 10.000 in Nederland. Zij worden met palliatieve hormoonbehandeling behandeld, wat een enorme impact heeft op de kwaliteit van leven.
Deze cijfers moeten een stimulans zijn voor alle betrokken partijen (patiëntvereniging, beroepsgroepen, zorgverleners, onderzoekers en het Ministerie van VWS) om te beoordelen hoe we de toenemende ziektelast van prostaatkanker kunnen beteugelen.
Bent u bekend met het bericht van urologisch specialist Harm van Melick die aangeeft dat er nog veel te winnen is op het gebied van vroege opsporing en toegankelijke zorg voor prostaatkanker? Wat doet uw ministerie momenteel om de vroegtijdige opsporing van prostaatkanker te bevorderen?
Ja, ik ben bekend met het bericht. Ik vind de toename van prostaatkanker heel zorgelijk. Vandaar dat ik ook graag met de Gezondheidsraad wil overleggen of om te bekijken welke wetenschappelijke evidentie op dit moment aanwezig is voor een bevolkingsonderzoek prostaatkanker. Nu dat bevolkingsonderzoek er niet is, is het primair aan partijen in de zorg, waaronder betrokken beroepsgroepen, zorgaanbieders en verzekeraars, om de vroege opsporing van prostaatkanker in de zorg te verbeteren waar dat kan. Mannen die zich zorgen maken over prostaatkanker, of klachten hebben die kunnen wijzen op prostaatkanker wordt aangeraden om contact op te nemen met hun huisarts. Samen kunnen zij de voor- en nadelen bespreken van een PSA-test en het eventuele verdere traject. Meer informatie is te vinden op https://www.thuisarts.nl/prostaatkanker. Hier wordt onder andere een keuzehulp aangeboden die kan helpen bij de beslissing om wel of niet op PSA te testen. Al met al hoop ik dat genoemde partijen in de zorg inderdaad tot verbeteringen in de opsporing van prostaatkanker kunnen komen.
Vindt er momenteel onderzoek plaats naar de mogelijkheden van een bevolkingsonderzoek voor prostaatkanker, gezien het feit dat prostaatkanker vaak pas in een vergevorderd stadium wordt ontdekt, vooral bij mannen die geen klachten ervaren? Zo ja, wat zijn de eerste bevindingen van dit onderzoek? Zo nee, bent u dan bereid zo’n onderzoek te starten?
In de Richtlijn prostaatcarcinoom2 uit 2014 wordt hierover het volgende gezegd: «De waarde van een bevolkingsonderzoek prostaatcarcinoom is nog onduidelijk. Uit de Europese gerandomiseerde studie (ERSPC3) is gebleken dat, indien screening met behulp van de serum PSA test en prostaatbiopten wordt uitgevoerd volgens een strikt protocol, de ziekte-specifieke sterfte kan dalen. Deze daling in sterfte gaat echter vooralsnog gepaard met een onacceptabel hoog aantal onnodige testen (zowel van PSA als prostaatbiopten) en diagnoses van prostaatcarcinoom die zonder screening nooit tot klachten, laat staan de dood, zou hebben geleid (overdiagnose). De behandeling van dergelijke carcinomen is dus bij voorbaat overbodig en alle gerelateerde bijwerkingen daarom ongewenst en schadelijk.
Met de huidige kennis over de waarde van screening naar prostaatcarcinoom op basis van de PSA test is een bevolkingsonderzoek dus niet ethisch en zal screening naar prostaatcarcinoom vooralsnog plaatsvinden op verzoek en op individueel niveau (vroeg opsporing).»
Inmiddels is er wel vooruitgang geboekt bij diagnostiek in de zorg. Met behulp van een MRI-scan kan namelijk beter worden beoordeeld of er sprake is van een kwaadaardige en snelgroeiende tumor, of dat het gaat om een in omvang beperkte tumor die langzaam groeit en die daarom (nog) niet behandeld hoeft te worden. In dat geval blijft betreffende patiënt onder controle bij een ziekenhuis. Het is mogelijk dat deze opsporingsmethode het aantal gevallen van overdiagnostiek en overbehandeling aanzienlijk terugbrengt, en dat kan van belang zijn voor een bevolkingsonderzoek. De methode is echter alleen onderzocht in een klinische populatie, dat wil zeggen bij mannen die zelf naar een huisarts waren gegaan, die een verhoogde PSA-waarde bleken te hebben en bij wie een arts een verhoogd risico op prostaatkanker had vastgesteld (risico-inschatting). Op basis daarvan werden zij doorverwezen voor nader onderzoek bij een ziekenhuis. De opsporingsmethode aan de hand van een PSA-test, een risico-inschatting en een MRI-scan is nog niet onderzocht in een zogenoemde algemene populatie van mannen zonder klachten of symptomen. De Kerngroep Prostaatkanker Screening, een initiatief van de Prostaatkankerstichting en onderzoekers op het gebied van prostaatkanker, waaronder radiologen en urologen, is daar echter wel concreet mee bezig. Deze ontwikkelingen zal het Ministerie van VWS nauwgezet volgen. Conform de motie van het lid Bushoff, die tijdens het tweeminutendebat medische preventie op 5 februari 2025 is ingediend4, ga ik ook in gesprek met de Gezondheidsraad om te bekijken welke wetenschappelijke evidentie op dit moment aanwezig is voor een bevolkingsonderzoek prostaatkanker. Ik kan mij voorstellen dat een adviesvraag aan de Gezondheidsraad over een bevolkingsonderzoek prostaatkanker op termijn aangewezen is zodra er voldoende wetenschappelijke data zijn om over te adviseren.
Is het u bekend dat de huidige diagnostische methoden voor prostaatkanker, zoals MRI-scans, zijn verbeterd, wat mogelijk de voordelen van een bevolkingsonderzoek vergroot? Is er al bekeken of een bevolkingsonderzoek voor prostaatkanker haalbaar zou zijn?
Ja, het is mij bekend dat de diagnostische methoden voor prostaatkanker zijn verbeterd. In 2020 is aan de Richtlijn prostaatcarcinoom een module5 toegevoegd waarin een MRI wordt aanbevolen voor het detecteren van prostaatcarcinoom bij mensen met een klinische verdenking op een agressief prostaatcarcinoom. De richtlijn beveelt aan om een MRI te verrichten voordat er een prostaatbiopt plaatsvindt. Met behulp van een MRI-scan kan namelijk beter worden beoordeeld of er sprake is van een kwaadaardige en snelgroeiende tumor, of dat het gaat om een in omvang beperkte tumor die langzaam groeit en die daarom (nog) niet behandeld hoeft te worden. In dat geval blijft betreffende patiënt onder controle bij een ziekenhuis. Het is mogelijk dat deze opsporingsmethode het aantal gevallen van overdiagnostiek en overbehandeling aanzienlijk terugbrengt. De methode is echter alleen onderzocht in een klinische populatie, dat wil zeggen bij mannen die zelf naar een huisarts waren gegaan, die een verhoogde PSA-waarde bleken te hebben en bij wie een arts een verhoogd risico op prostaatkanker had vastgesteld (risico-inschatting). Op basis daarvan werden zij doorverwezen voor nader onderzoek bij een ziekenhuis. De opsporingsmethode aan de hand van een PSA-test, een risico-inschatting en een MRI-scan is nog niet onderzocht in een zogenoemde algemene populatie van mannen zonder klachten of symptomen.
Hoe zorgelijk ik de stijgende incidentie van, en de sterfte aan prostaatkanker ook vind, dat gegeven alleen biedt niet genoeg onderbouwing voor het realiseren van een bevolkingsonderzoek. Een bevolkingsonderzoek moet passen binnen de internationale criteria voor verantwoorde screening.6 Een belangrijk criterium is dat de effectiviteit van een screeningsprogramma wetenschappelijk moet zijn bewezen. Er moet een geschikte screeningsmethode zijn die tot significante gezondheidswinst leidt, tegen acceptabele kosten, waarbij de eventuele nadelen van screening opwegen tegen de voordelen. De Gezondheidsraad adviseert hierover op basis van wetenschappelijk onderzoek in een Nederlandse screeningssetting. Conform de in mijn antwoord op vraag 3 genoemde motie van het lid Bushoff, ga ik in gesprek met de Gezondheidsraad om te bekijken welke wetenschappelijke evidentie op dit moment aanwezig is voor een bevolkingsonderzoek prostaatkanker.
Het is belangrijk dat het wetenschappelijk veld nader onderzoek doet naar een bevolkingsonderzoek prostaatkanker in een algemene populatie, waarbij voor de bekostiging mogelijk gebruik kan worden gemaakt van de ZonMw calls. Ik moet hier wel bij opmerken dat voor een dergelijk onderzoek naar prostaatkankerscreening, en al helemaal voor een eventueel landelijk bevolkingsonderzoek prostaatkanker, veel MRI-capaciteit nodig zou zijn. Mijn prioriteit ligt nu bij het onderzoeken van de mogelijkheden om MRI’s in te zetten voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel. Hierover heb ik uw Kamer de afgelopen tijd veel gesproken en zal ik uw Kamer binnenkort nader informeren.
Welke bezwaren ziet u tegen de introductie van een bevolkingsonderzoek voor prostaatkanker, nu het steeds beter mogelijk is om mildere vormen van prostaatkanker van agressievere vormen te onderscheiden zonder dat veel patiënten pijnlijke biopten moeten ondergaan?
Laat ik vooropstellen dat ik de verbeterde diagnostiek met behulp van een MRI toejuich. Ik vertrouw erop dat zorgprofessionals de richtlijnen volgen en ook de aanbeveling betreffende MRI-diagnostiek in den brede toepassen.
De verbeterde mogelijkheden binnen de diagnostiek leiden echter niet automatisch tot de introductie van een bevolkingsonderzoek van overheidswege. Een bevolkingsonderzoek moet passen binnen de internationale criteria voor verantwoorde screening. Er moet een geschikte screeningsmethode zijn die tot significante gezondheidswinst leidt, tegen acceptabele nadelen en kosten. De Gezondheidsraad adviseert hierover op basis van wetenschappelijk onderzoek in een Nederlandse screeningssetting. Conform de in mijn antwoord op vraag 3 genoemde motie van het lid Bushoff, ga ik in gesprek met de Gezondheidsraad om te bekijken welke wetenschappelijke evidentie op dit moment aanwezig is voor een bevolkingsonderzoek prostaatkanker.
Het is belangrijk dat het wetenschappelijk veld nader onderzoek doet naar een bevolkingsonderzoek prostaatkanker in een algemene populatie, waarbij voor de bekostiging mogelijk gebruik kan worden gemaakt van de bekende ZonMw-paden. Ik moet hier wel bij opmerken dat voor een dergelijk onderzoek naar prostaatkankerscreening, en al helemaal voor een eventueel landelijk bevolkingsonderzoek prostaatkanker, veel MRI-capaciteit nodig zou zijn. Mijn prioriteit ligt nu bij het onderzoeken van de mogelijkheden om MRI’s in te zetten voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel. Hierover heb ik uw Kamer de afgelopen tijd veel gesproken en zal ik uw Kamer binnenkort nader informeren.
In 2023 was het aantal uitzaaiingen door prostaatkanker voor het eerst hoger dan door borstkanker (in 2023 3000 bij prostaatkanker en 1000 bij borstkanker), wat gaat u doen om deze trend om te keren en meer mannen tijdig te diagnosticeren en behandelen?
Het is ronduit verschrikkelijk dat er steeds meer mannen met prostaatkanker de last ondervinden van uitzaaiingen. Zoals aangegeven ben ik bereid om met de Gezondheidsraad te bekijken welke wetenschappelijke evidentie op dit moment aanwezig is voor een bevolkingsonderzoek prostaatkanker. Nu dat bevolkingsonderzoek er niet is, is het primair aan partijen in de zorg, waaronder betrokken beroepsgroepen, zorgaanbieders en verzekeraars, om de vroege opsporing van prostaatkanker in de zorg te verbeteren waar dat kan.
Lotgenotengroepen voor prostaatkankerpatiënten spelen een belangrijke rol in het bieden van steun aan patiënten, wat doet u om dergelijke initiatieven te ondersteunen en verder te stimuleren?
De Prostaatkankerstichting is de belangenbehartiger van patiënten met prostaatkanker in Nederland. Zij zijn zeer actief betrokken bij alle ontwikkelingen op het gebied van prostaatkanker en het steunen van patiënten en hun naasten. Lotgenotencontact kan van groot belang zijn voor patiënten die een ingrijpende ziekte meemaken. Het Ministerie van VWS heeft daarom een regeling waarmee patiënten- en gehandicaptenorganisaties worden ondersteund. Deze organisaties ontvangen middelen om informatie te bieden, belangen te behartigen en lotgenotencontact te organiseren. De Prostaatkankerstichting ontvangt deze instellingssubsidie.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de toegankelijkheid van zorg voor mannen met prostaatkanker, met name voor mannen die geen klachten ervaren en dus mogelijk niet snel medische hulp zoeken?
De zorg voor prostaatkanker in Nederland is goed georganiseerd en toegankelijk. Zo zijn er diverse gespecialiseerde centra waar mannen met prostaatkanker terecht kunnen voor diagnose en behandeling. De diagnostiek van prostaatkanker is de afgelopen jaren sterk verbeterd en dit heeft ook geresulteerd in aangepaste richtlijnen. De toepassing van MRI is daar een goed voorbeeld van. Zoals ik ook al heb aangegeven bij mijn beantwoording van vraag 5, vertrouw ik erop dat zorgprofessionals de richtlijnen volgen en ook de aanbeveling betreffende MRI-diagnostiek in den brede toepassen.
Daarnaast wordt er steeds meer in netwerkverband zorg geleverd zodat patiënten met prostaatkanker een gelijkwaardige toegang hebben en krijgen tot goede zorg. Die samenwerking vind ik ook belangrijk omdat dit ten goede komt van de kwaliteit van de zorg en dus ook de kansen vergroot voor de overleving van prostaatkanker en/of zorgt voor een betere kwaliteit van leven voor mannen die lijden aan prostaatkanker.
Het is inderdaad zo dat prostaatkanker in een vroege fase vaak geen klachten geeft. Zoals ik ook al heb aangegeven bij mijn antwoord op vraag 2, is het van belang dat mannen die zich zorgen maken over prostaatkanker contact opnemen met hun huisarts. Voor mannen zonder klachten is het belangrijk om zich bewust te zijn van de risico’s van prostaatkanker en de mogelijkheden voor vroege opsporing door middel van een PSA-test te bespreken met hun huisarts, vooral als er sprake is van risicofactoren zoals leeftijd of voorkomen van prostaatkanker in de familie. Het is daarbij noodzakelijk dat mannen goed geïnformeerd worden over de voor- en nadelen van het verrichten van een PSA-test. De prostaatwijzer7, ontwikkeld door artsen, is online beschikbaar en kan mannen helpen bij de beslissing om het PSA wel of niet te laten testen.
Bent u bereid om de mogelijkheid van een landelijk bevolkingsonderzoek voor prostaatkanker serieus te overwegen, nu er steeds meer aanwijzingen zijn dat vroege opsporing kan bijdragen aan betere behandelingsresultaten?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op de vragen 4 en 5, is het uitgangspunt dat een bevolkingsonderzoek moet passen binnen de internationale criteria voor verantwoorde screening. Een belangrijk criterium is dat de effectiviteit van een screeningsprogramma wetenschappelijk moet zijn bewezen. Er moet een geschikte screeningsmethode zijn die tot significante gezondheidswinst leidt, tegen acceptabele kosten, waarbij de eventuele nadelen van screening opwegen tegen de voordelen. De Gezondheidsraad adviseert hierover op basis van wetenschappelijk onderzoek in een Nederlandse screeningssetting. Conform de in mijn antwoord op vraag 3 genoemde motie van het lid Bushoff, ga ik in gesprek met de Gezondheidsraad om te bekijken welke wetenschappelijke evidentie op dit moment aanwezig is voor een bevolkingsonderzoek prostaatkanker. Ik kan mij voorstellen dat een adviesvraag aan de Gezondheidsraad over een bevolkingsonderzoek prostaatkanker op termijn aangewezen is zodra er voldoende wetenschappelijke data zijn om over te adviseren.
Het bericht 'Gronings UMC gaat met overheidssubsidie zelf een prijzig buitenlands kankermedicijn maken' |
|
Rikkers-Oosterkamp |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Bent u op de hoogte van de recente toekenning van € 16,5 miljoen subsidie door het Zorginstituut aan het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) voor de ontwikkeling van een CAR-T behandeling?1
Ja, ik ben hiervan op de hoogte.
Hoe verhoudt deze subsidie zich tot de eerder verstrekte € 30 miljoen aan het UMCG in 2020 voor een vergelijkbaar project?
Beide subsidies zijn verstrekt vanuit de Subsidieregeling veelbelovende zorg. De projecten zijn vergelijkbaar in de zin dat het in beide gevallen om een CAR-T behandeling gaat, maar er zijn ook verschillen, bijvoorbeeld in de ziekte die wordt behandeld.
Bent u bekend met de zorgen van het bedrijfsleven over de wijze waarop UMC’s lijken te worden voorgetrokken bij de ontwikkeling van CAR-T-behandelingen?2
Ja, ik ben daarover geïnformeerd door de voorzitter van HollandBio, de branchevereniging van de Nederlandse biotechnologiebedrijven. Zij heeft mij deze zorgen uitgebreid toegelicht. Ik deel dit signaal ook met het Zorginstituut.
Waarom wordt er door het UMCG een CAR-T therapie ontwikkeld voor een ziekte waarvoor al een geregistreerd en goedgekeurd alternatief beschikbaar is?
Ik wil allereerst benadrukken dat ik blij ben met alle initiatieven voor ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen, zowel van farmaceutische bedrijven als vanuit academische centra. Ik erken en waardeer de autonomie van zowel academische onderzoekers als bedrijven om zelf hun onderzoeksrichting te bepalen. Het is ook niet ongebruikelijk dat er voor een ziekte meerdere verschillende geneesmiddelen in parallel worden ontwikkeld.
Ik heb begrepen dat het UMCG-onderzoek gaat doen naar de (kosten)effectiviteit van een door hen ontwikkelde CAR T-celtherapie. Het UMCG verwacht dat deze behandeling extra gezondheidswinst voor de patiënt oplevert en daarnaast ook goedkoper is dan vergelijkbare CAR-T producten die door de industrie worden ontwikkeld. Dit omdat het geneesmiddel op locatie binnen het ziekenhuis wordt geproduceerd.
Dit neemt niet weg dat ik het signaal dat er mogelijk subsidie is verstrekt aan een interventie waarvoor een alternatief al een handelsvergunning heeft verkregen, erg serieus neem. In de huidige voorwaarden van de regeling is opgenomen dat er alleen subsidie kan worden verstrekt voor onderzoek naar interventies die nog niet via de Zorgverzekeringswet (Zvw) worden vergoed. Ook moet in een subsidieaanvraag aannemelijk worden gemaakt dat sprake is van marktfalen, waardoor de interventie zonder deze subsidie niet, niet in dezelfde mate, of niet onder dezelfde voorwaarden op de Nederlandse markt kan worden aangeboden. De subsidieaanvragen worden namens mij, mede na advies van de Advezo commissie, op de criteria uit de regeling beoordeeld door het Zorginstituut. Ik vertrouw erop dat de toekenning van deze subsidie voldoet aan de juridische voorwaarden. Tegelijkertijd begrijp ik de genoemde zorgen en wil ik graag benadrukken dat ik streef naar het stimuleren van (academische) ontwikkeling van geneesmiddelen, vooral op terreinen waar nog geen adequate alternatieven beschikbaar zijn. Ik zal dit bespreken met het Zorginstituut.
Ik merk hierbij op dat de Subsidieregeling veelbelovende zorg afloopt per 1 januari 2026. De regeling zal hierna worden geëvalueerd en de uitkomsten van de evaluatie lopen mee in vervolgbeleid voor onderzoek naar zorg die nog niet via de Zvw wordt vergoed. Voor de lopende aanvragen zal ik samen met het Zorginstituut onderzoeken of de subsidievoorwaarden van de Subsidieregeling veelbelovende zorg nog passend zijn bij de bredere beleidsinzet op innovatieve geneesmiddelen. Ik wil hier op korte termijn uitsluitsel over.
Vindt u het gerechtvaardigd om belastinggeld in te zetten (momenteel € 16,5 miljoen, eerder in 2020 al € 30 miljoen) voor een ontwikkelde therapie, terwijl er al een goedgekeurde behandeling op de markt is?
Zoals aangegeven bij vraag 4 ga ik in overleg met het Zorginstituut of de subsidieregeling nog goed aansluit bij de bredere beleidsinzet op innovatieve geneesmiddelen.
Deelt u de mening dat het inzetten van belastinggeld voor de ontwikkeling van een me-too CAR-T therapie, terwijl er al een goedgekeurde en werkzame therapie bestaat, niet in het belang van patiënten is?
Ik begrijp deze vraag goed. Het is op dit moment nog niet bekend hoe de kwaliteit van het CAR-T middel van het UMCG zich verhoudt tot andere CAR-T producten. Daarvoor is onderzoek nodig. Het UMCG en het Zorginstituut verwachten dat de kwaliteit beter zal zijn, omdat het geneesmiddel op locatie binnen het ziekenhuis wordt geproduceerd. Het startmateriaal voor de productie van CAR-T geneesmiddelen is celmateriaal van de patiënt zelf. Op dit moment verschepen commerciële aanbieders dit naar een centrale productielocatie, wat tijd kost en wat verschillende behandelstappen met zich meebrengt, zoals het moeten invriezen en later weer ontdooien van de cellen. Het UMCG verwacht dat hun product een beter resultaat kan geven, omdat deze stappen niet nodig zijn. Of dat ook zo is zal moeten blijken uit de studies.
Bent u van mening dat het verstrekken van subsidies uit de regeling «Veelbelovende Zorg» aan instellingen zoals het UMCG, terwijl er al marktpartijen actief zijn, een voorbeeld is van «marktfalen»? Zo ja, hoe zou u de definitie van «marktfalen» in dit geval duiden? Zo nee, hoe wordt de toekenning van de subsidie dan gerechtvaardigd?
Alle subsidieaanvragen binnen de Subsidieregeling veelbelovende zorg worden getoetst op het criterium marktfalen. Uit de beoordeling is gekomen dat er bij deze aanvraag van het UMCG sprake is van marktfalen, zoals vastgelegd in de subsidieregeling. Ik heb in mijn antwoord op vraag 4 al aangegeven dat ik zal kijken of de subsidievoorwaarden nog passend zijn bij de bredere beleidsinzet op innovatieve geneesmiddelen. Daarin neem ik ook de invulling van het begrip marktfalen mee.
Kunt u aangeven waarom het Zorginstituut het mogelijk maakt dat een academisch ziekenhuis als het UMCG, met de hulp van belastinggeld, een product ontwikkelt dat direct concurreert met bestaande farmaceutische innovaties, en wat is de rol van het ministerie hierin?
Het Zorginstituut verstrekt namens mij subsidies via de Subsidieregeling veelbelovende zorg. Zoals ik bij mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven heeft HollandBio naar aanleiding van de subsidieverstrekking contact met mij opgenomen. Ik neem hun signaal erg serieus en neem dit mee bij het overleg met het Zorginstituut.
In hoeverre bent u bereid om te onderzoeken of er sprake is van een oneerlijke concurrentie tussen de publieke en private sector, waarbij publieke middelen ingezet worden om producten te ontwikkelen die al beschikbaar zijn in de markt?
Ik ga eerst met het Zorginstituut in gesprek over de regeling en mijn bredere beleidsinzet op innovatieve geneesmiddelen. Op basis daarvan zal ik eventuele vervolgstappen ondernemen.
De voorwaarden van de subsidieregeling zijn bij het vaststellen van de regeling zorgvuldig afgewogen. Het is niet ongebruikelijk dat een subsidieregeling met het verstrijken van de tijd niet meer passend is bij de huidige beleidsinzet. Subsidieregelingen worden hierop ook geëvalueerd en niet altijd voortgezet. Zoals ik heb aangegeven bij mijn antwoord op vraag 4 zal ook deze regeling worden geëvalueerd. Ik wil daarnaast opmerken dat er ook publieke middelen worden ingezet om onderzoek en ontwikkeling door de farmaceutische industrie te stimuleren.
Bent u bereid om samen met het Ministerie van Economische Zaken (EZ) in gesprek te gaan met relevante stakeholders, zoals het bedrijfsleven, Universitair Medisch Centra en patiëntenverenigingen, om te zorgen voor een evenwichtige benadering van subsidies, waarbij de focus blijft liggen op de gezondheidswinst voor patiënten?
Ik heb regelmatig overleg met genoemde partijen. Ik vind het belangrijk dat subsidies, of andere stimulerende maatregelen, zo doelmatig mogelijk worden ingezet, en zijn gericht op gezondheidswinst voor patiënten tegen een maatschappelijk aanvaardbare prijs.
Alle genoemde partijen spelen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van geneesmiddelen. Ik wil inzetten op synergie zodat alle betrokken partijen hun expertise kunnen bijdragen. Ik ondersteun daarom initiatieven vanuit zowel de academie, als vanuit commerciële partijen. Om de inzet van betroken partijen te ondersteunen en stroomlijnen heb ik, samen met het Ministerie van EZ, gewerkt aan het opzetten van het expertisecentrum FAST (Centre for Future Affordable Sustainable Therapy Development)3. FAST streeft ernaar om bij therapieontwikkeling zoveel mogelijk het maatschappelijk belang en het economisch belang met elkaar te verbinden. FAST zorgt voor een centrale plek waar innovatoren vanuit academie, start-ups en bedrijven laagdrempelig op weg kunnen worden geholpen en (regulatoire) multidisciplinaire ondersteuning kunnen krijgen. Zoals aangegeven bij vraag 4, streef ik naar het stimuleren van (academische) ontwikkeling van geneesmiddelen, vooral op terreinen waar sprake is van unmet medical need of marktfalen. Tegelijkertijd ondersteun ik ook (deels commerciële) initiatieven zoals het Nationale Groeifonds project Pharma NL en de projecten gericht op innovatieve geneesmiddelenproductie onder de daartoe opgezette IPCEI (Important Project of Common European Interest).
De oproep van het Openbaar Ministerie om de wetgeving tegen corruptie te verbeteren |
|
Michiel van Nispen |
|
van Weel |
|
Wat is uw reactie op de oproep en de waarschuwing van het Openbaar Ministerie en de Rijksrecherche dat de Nederlandse wet te weinig mogelijkheden biedt om ambtenaren te vervolgen wegens beweerde corruptie?1
Het strafrechtelijk kader voor de aanpak van corruptie wordt regelmatig door Nederland en internationale anti-corruptiegremia geëvalueerd. Uit het rechtsstaatrapport 2024 van de Europese Commissie volgt bijvoorbeeld dat Nederland in algemene zin over een robuust strafrechtelijk kader voor het bestrijden van corruptiedelicten beschikt.2 Ook de OESO Working Group on Bribery (WGB) en de Group of States Against Corruption van de Raad van Europa (GRECO) zijn van mening dat de strafbaarstellingen die Nederland voor corruptie hanteert naar behoren werken.3
Buiten dergelijke gremia om overlegt mijn ministerie regelmatig met het Openbaar Ministerie (OM) en de Rijksrecherche, onder andere over de huidige anti-corruptiewetgeving. Ik heb vanuit het OM en de Rijksrecherche geen bestuurlijk signaal ontvangen, zoals genoemd in het nieuwsbericht. Het OM kijkt intern wel naar de huidige wet- en regelgeving en de vraag of die volstaan. Mocht ik op basis hiervan een advies van het OM krijgen dan ga ik dat te zijner tijd beoordelen. Ik heb dus op dit moment niet het beeld dat de huidige wetgeving onvoldoende mogelijkheden biedt om ambtenaren te vervolgen voor corruptie.
Ziet u het ook als een lacune dat het OM nu niet kan vervolgen als er onvoldoende bewijs te leveren is dat in ruil voor een gift directe en concrete tegenprestaties zijn geleverd, waardoor het te moeilijk is om corruptie te bewijzen?
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet vereist dat er een direct verband bestaat tussen de aangenomen gift enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds. Van omkoping kan ook sprake zijn als het doel van de giften is om een voorkeursbehandeling te krijgen, zonder dat deze reeds is ontvangen (HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8318; HR 20 juni 2006, NJ 2006, 380). Verder zijn ook omkoping van een tussenpersoon en poging tot omkoping strafbaar gesteld. Het is aan de rechter om te beoordelen of in een individuele zaak (poging tot) omkoping bewezen kan worden verklaard.
Ik zie die lacune dus niet.
Wat is uw reactie op de opmerkingen van lector weerbare democratie Willeke Slingerland dat het nu onduidelijk is wanneer corruptie strafbaar is, omdat het bewijs van een tastbare, directe tegenprestatie en kwade opzet een te klassieke benadering van corruptie is, maar in de praktijk giften zelden direct verzilverd worden, omdat het veel meer gaat om een kluwen aan «loyaliteiten en voorkeursbehandelingen binnen een netwerk op de lange termijn»?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is strafrechtelijk geen direct verband vereist tussen de aangenomen gift en een tegenprestatie. Verder geldt dat het geen vereiste is dat een gift daadwerkelijk wordt verzilverd: het beloven of toezeggen van een gift met het oogmerk om de ambtenaar te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten is al strafbaar. Dit betekent dat het toezeggen van een gift om een voorkeursbehandeling te verkrijgen onder de strafbaarstelling van omkoping valt. Ook omkoping via één of meer tussenpersonen (binnen een netwerk) valt binnen het bereik van de strafbaarstelling. Daarmee is de strafbaarstelling mijns inziens voldoende duidelijk.
Het klopt wel dat het in de praktijk lastig kan zijn om omkoping te bewijzen. Betrokkenen hebben er belang bij hun handelingen heimelijk te verrichten. Hierdoor kan het lastig zijn om aan te tonen dat een gift is toegezegd met het doel om een ander iets te laten doen (actieve omkoping) of dat de ander moest vermoeden dat een belofte werd gedaan met het doel om hem tot een bepaalde tegenprestatie te bewegen (passieve omkoping). Deze complexe bewijskwesties zijn onlosmakelijk verbonden met de aard van het omkopingsdelict. Of er in een concreet geval voldoende wettig bewijs voor omkoping is, staat ter beoordeling van de rechter.
Klopt het dat Nederland het enige Europese land is waar «handel in invloed», onrechtmatig voordeel via netwerken, niet strafbaar is?
Diverse media hebben bericht dat Nederland het enige Europese land is dat ongeoorloofde beïnvloeding niet strafbaar zou hebben gesteld. Dit moet worden genuanceerd. Ik ben bekend met de uitspraak van de Europese Commissie dat 23 van de 25 Europese lidstaten in mei 2023 ongeoorloofde beïnvloeding (of: handel in invloed) separaat strafbaar hebben gesteld. De Europese Commissie maakte hierbij echter de belangrijke kanttekening dat de definities van deze strafbaarstelling soms sterk afwijken van de definitie zoals gehanteerd in artikel 18 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen Corruptie en dat sommige lidstaten de strafbaarstelling slechts gedeeltelijk hebben overgenomen in hun nationale wetgeving.4 Wat de huidige Nederlandse wetgeving betreft, is juist dat er geen afzonderlijke bepaling bestaat waarin specifiek ongeoorloofde beïnvloeding strafbaar is gesteld. Dat wil echter niet zeggen dat het onrechtmatig bevoordelen van partijen niet bestraft kan worden, gelet op de ruime omkopingsbepalingen die het Nederlandse strafrecht kent. Zie daarvoor ook mijn antwoorden op vragen 2 en 3.
Wat is de status van de EU-richtlijn hierover, waar aan gewerkt zou worden? Hoe lang duurt het naar verwachting nog voor deze richtlijn tot stand zal zijn gekomen en gereed is voor implementatie? Welke standpunt neemt Nederland op dit onderwerp in in de Europese onderhandelingen hierover?
Op dit moment wordt in triloog-vorm tussen de Europese Commissie, het Europees parlement en de lidstaten (Raad van Ministers) overlegd over een herziening van de EU-Richtlijn over de bestrijding van corruptie. De trilogen zijn op 28 januari jl. van start gegaan. Het is nog niet mogelijk om te zeggen wanneer de trilogen zullen zijn afgerond en het nationale implementatietraject kan starten. Nederland heeft met de raadspositie over de Richtlijn ingestemd. In de raadspositie is een strafbaarstelling van ongeoorloofde beïnvloeding opgenomen. Deze raadspositie vormt voor de lidstaten het uitgangspunt bij aanvang van de trilogen. Voor de inzet van Nederland in de Raad verwijs ik u naar het BNC-fiche en de reactie op de op basis hiervan door uw Kamer gestelde vragen.5
Heeft het overleg hierover tussen uw ministerie en het OM reeds plaatsgevonden? Bent u bereid de Kamer daarover op hoofdlijnen een terugkoppeling te geven?
Mijn ministerie heeft naar aanleiding van de berichtgeving in onder meer het Financieel Dagblad contact gehad met het Openbaar Ministerie. Er is vanuit het Openbaar Ministerie en de Rijksrecherche geen bestuurlijk signaal afgegeven. Zie ook mijn antwoord op vraag 1.
Bent u van plan de anti-corruptiewetgeving op dit punt te bezien en met voorstellen te komen om de lacune te dichten zodat corruptie beter aangepakt kan worden?
De aanpak van corruptie is een prioriteit van het kabinet. Het adequaat bestraffen van corruptie vormt hier onderdeel van. De Europese anti-corruptierichtlijn is hierin een belangrijke ontwikkeling en bevat diverse preventieve verplichtingen voor lidstaten en diverse strafbepalingen, waaronder ongeoorloofde beïnvloeding. Na afronding van de trilogen zal worden bekeken of ter implementatie van de vastgestelde richtlijn wijzigingen van de nationale strafwetgeving noodzakelijk zijn en zal, als dat het geval is, daartoe een wetsvoorstel in procedure worden gebracht.
Europese financiering voor de Nedersaksenlijn en de Lelylijn. |
|
Olger van Dijk (NSC) |
|
Chris Jansen (PVV) |
|
![]() |
Heeft u in januari 2025 gesproken met de Eurocommissaris voor duurzaam vervoer, de heer Tzitzikostas, zoals u heeft aangekondigd in het commissiedebat Spoor op 15 januari jongstleden?
Op 19 februari is het gesprek met de heer Tzitzikostas gevoerd over onder andere de Lelylijn en Nedersaksenlijn. Het eerder geplande moment kwam te vervallen en het was helaas niet mogelijk om eerder een gesprek ingepland te krijgen. Het gesprek met de heer Tzitzikostas was prettig, waarin we afgesproken hebben om medio april uitgebreider door te praten met elkaar.
Zo ja, kunt u een verslag doen toekomen aan de Kamer van het gesprek dat u heeft gevoerd met de heer Tzitzikostas, en daarbij specifiek ingaan op datgene wat over de Lelylijn en Nedersaksenlijn is besproken?
Zie antwoord vraag 1.
Zo nee, bent u bereid dit gesprek zo spoedig mogelijk alsnog te voeren?
Zie antwoord vraag 1.
Welke kansrijke Europese financieringsmogelijkheden ziet u voor de Nedersaksenlijn en de Lelylijn? Welke bijdrage is er mogelijk uit de Connecting Europe Facility (CEF) van € 33,7 miljard?
Zoals in eerdere antwoorden op Kamervragen van de heer Olger van Dijk en Pierik1 is aangegeven, kunnen Europese fondsen, zoals de structuurfondsen of specifieke programma’s gericht op infrastructuur en duurzaamheid, een financiële aanvulling vormen voor de uitvoering van een project, maar kunnen deze pas in een later stadium – tijdens verkenning of planuitwerking – van het project worden aangevraagd. Een aanvraag voor medefinanciering uit de CEF wordt na indiening beoordeeld door de Europese Commissie (hierna Commissie), waar het in praktijk ook moet concurreren tegen andere Europese projecten. De Commissie heeft bevestigd dat vanuit de Europese Unie geen toezeggingen vooraf gedaan kunnen worden over mogelijke financieringskansen van concrete infrastructuurprojecten, ook niet voor de Lelylijn en Nedersaksenlijn.
De onzekerheid over de toewijzing maakt het niet mogelijk om deze middelen nu als directe financiering/bekostiging te beschouwen. Europese fondsen moeten vooral als aanvullende bron van financiering worden gezien, die kan bijdragen aan de totale financieringsmix, maar niet als primaire dekking. Dit betekent dat voor een MIRT-faseovergang, waarvoor zicht op (een bepaald percentage) financiering is vereist, Europese fondsen over het algemeen niet kunnen worden meegerekend.
Zoals eerder in het commissiedebat MIRT van vorig jaar en in de schriftelijke beantwoording van de begrotingsvragen van 8 oktober2 vorig jaar aangegeven, zijn de middelen uit het huidige Connecting Europe Facility (CEF) grotendeels belegd. Onder de lopende EU-meerjarenbegroting 2021–2027 kunnen geen aanvragen meer ingediend worden, omdat het huidige Europese budget inmiddels vrijwel is uitgeput. Het is daarnaast nog onzeker welke financiële ruimte de nieuwe EU-meerjarenbegroting 2028–2034 zal bieden voor Europese infrastructuurinvesteringen, ook gelet op de brede wens om de Europese begroting te vereenvoudigen.
Onder het CEF-programma is er € 25,8 miljard beschikbaar voor subsidies uit het EU-budget 2021–2027 om projecten van het Trans-Europese Transportnetwerk in EU-lidstaten mede te financieren. € 11,3 miljard daarvan is voor cohesielanden. Daarmee blijft een budget over van € 14,5 miljard voor alle lidstaten en geassocieerde landen. Ter illustratie, voor de gehele huidige CEF-begrotingsronde 2021–2027, hebben projecten in heel Nederland en verspreid over alle modaliteiten een bedrag van circa € 400 miljoen ontvangen. Stel dat dit bedrag in de volgende periode gelijk blijft, dan is zelfs bij een aanzienlijke toekenning van middelen aan de Lelylijn nog een zeer groot bedrag noodzakelijk om de stap naar verkenning te kunnen zetten.
Uitdaging is daarnaast dat de Lelylijn onderdeel is van het uitgebreide netwerk, waarvoor slechts een klein deel van het budget beschikbaar is; het meeste budget zou beschikbaar komen voor het (uitgebreide) kernnetwerk waar al in 2030 aan harde doelen moet worden voldaan.
Tot slot gelden de hoogste cofinancieringspercentages voor de grensoverschrijdende delen van het netwerk, waar bij de Lelylijn slechts voor een gedeelte sprake van is. De huidige ramingen van de Lelylijn (op prijspeil 2024) gaan uit van een investering van € 13,8 miljard voor het deel Lelystad tot Groningen. In dit bedrag is de internationale component niet opgenomen. Hiervoor is aanvullend ten minste € 9 miljard nodig voor het deel Groningen-Bremen, waarvan minstens € 3 miljard in Nederland en € 6 miljard in Duitsland. Zoals ook in het commissiedebat MIRT van 25 november 2024 is aangegeven, is het deel Groningen-Bremen voor Duitsland momenteel helaas geen prioriteit. Het ministerie blijft in gesprek met Duitsland om dit onder de aandacht te brengen.
Voor de Nedersaksenlijn geldt dat het meeste budget benodigd is voor het traject tussen Stadskanaal en Emmen. Dit deel is niet op de TEN-T-kaart opgenomen en kan derhalve in de huidige structuur van het CEF, niet voor financiering in aanmerking komen. Het opnemen van Stadskanaal-Emmen in het TEN-T is ook niet opportuun, aangezien de kosten om het tracé te laten voldoen aan de TEN-T-eisen hoger zouden zijn dan de eventuele financiële bijdrage uit Europa.
Zijn er, gezien het feit dat de komende periode wordt gesproken over de invulling van het nieuwe Europese Meerjaren Financieel Kader (2028–2034), afspraken te maken over middelen voor de Nedersaksenlijn en Lelylijn, met zo mogelijk een doorkijk naar het Meerjaren Financieel Kader van 2035–2041 en daarna?
De komende tijd zal er eerst een voorstel moeten komen vanuit de Europese Commissie voor een Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034. Het is nog onduidelijk wat het beschikbare budget voor de volgende periode zal zijn. Daarnaast is het nog onzeker of deze een Connecting Europe Facility programma zal bevatten in huidige vorm, gelet op de wens om de Europese begroting te vereenvoudigen. Voor de algemene MFK-inzet blijft de inzet zoals opgenomen in het Hoofdlijnenakkoord (€ 1,6 miljard korting op de Nederlandse afdrachten) en Regeerprogramma leidend (het niet aangaan van nieuwe gemeenschappelijke schulden). Over de verdere standpuntbepaling ten aanzien van het MFK wordt de Kamer binnenkort nader geïnformeerd door de Ministers van Buitenlandse Zaken en Financiën. Hierbij zal een integrale afweging moeten worden gemaakt tussen verschillende beleidsprioriteiten van Nederland. Hierop kan nu dus nog niet vooruitgelopen worden.
Zijn er ook andere mobiliteitsprojecten die Nederland voor Europese financiering in aanmerking wil laten komen?
Zie antwoord vraag 5.
Welke Europese middelen zijn er beschikbaar voor militaire mobiliteit en ziet u mogelijkheden om Nederlandse verbindingen, zoals de Lelylijn, hieruit te financieren?
De Commissie beschikt over financieringsprogramma’s voor cofinanciering van zogenaamde dual use infrastructurele projecten, die zowel civiele als militaire mobiliteit verbeteren. Specifiek is er de CEF (Connecting Europe Facility) militaire mobiliteit subsidieregeling voor het verbeteren van infrastructuur op het TEN-T en TEN-T military mobility netwerk (dual use). Ook hier geldt dat een aanvraag getoetst moet worden door de Europese Commissie en dat het totale CEF-budget voor militaire mobiliteit beperkt is. In de begrotingsperiode 2021–2027 bedroeg dit in totaal circa € 1,7 miljard, die inmiddels volledig uitgeput is. Nederland heeft hieruit € 44 miljoen ontvangen.
Momenteel wordt door de Commissie gewerkt aan het MFK, waar ook middelen voor militaire mobiliteit onderdeel van kunnen zijn. IenW en Defensie trekken samen op om te kijken naar mogelijke projecten op de belangrijkste voor militaire mobiliteit gebruikte transportroutes.
Defensietransporten zijn voornamelijk west-oost gericht. Voor de huidige transporten worden vooral de grensovergangen in midden-Nederland gebruikt, omdat hierbij een goede aansluiting richting Oost-Europa is. Voor deze transporten biedt de verbinding Lelystad-Groningen daarmee geen meerwaarde, ook niet als omreisroute. Ook transporten vanaf Eemshaven richting het oosten zullen naar verwachting geen gebruik gaan maken van het stuk Lelystad-Groningen en gebruiken de grensovergangen in midden-Nederland. Het deel Groningen-Bremen kan voor de transporten uit de Eemshaven een potentiële omreisroute vormen. Het nadeel bij deze route is dat er minder goede aansluiting in Duitsland en verder naar Oost-Europa is. Voor de Lelylijn zijn de kansen voor financiering voor militaire mobiliteit daarmee beperkt tot het internationale deel. Daarbij geldt ook hier dat verdere verbeteringen voor de Wunderline, investeringen in Duitsland nodig zijn en dat hiervoor in Duitsland momenteel geen financiering is.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om, in gesprek met de Minister van Defensie, de Lelylijn als prioritair aan te merken voor defensietransport wegens onder andere de verbinding met Eemshaven?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u in gesprek met de Europese Investeringsbank over mogelijke financiering van de Nedersaksenlijn en Lelylijn en zo ja, wat is de stand van zaken?
Nee, wanneer geld wordt ontvangen van de Europese Investeringsbank (EIB) betreft het altijd een lening met rente, waarbij conform de begrotingssystematiek de bekostiging van de terugbetaling en de rentevergoeding eerst binnen Nederland geregeld moet worden. Als er zicht is op deze bekostiging, dan kan ook zonder EIB-financiering de MIRT-verkenning opgestart worden. EIB-financiering is daarom wat het Rijk betreft geen oplossing zolang de garanties (en de schuld) voor financiering geheel bij de lidstaat (Nederland) terechtkomen. Voorts geldt dat bij de Nedersaksenlijn en Lelylijn de exploitatiekosten van de lijnen (inclusief onderhoud, rente en aflossing) groter zijn dan de exploitatieopbrengsten. Dit verschil komt ten laste van de Rijksbegroting en hiervoor is tevens geen dekking.
Zo nee, bent u bereid om zelf het gesprek aan te gaan met de Raad van Bestuur van de Europese Investeringsbank over deze opties?
Zie antwoord vraag 9.
Het artikel ‘De bonafide particuliere belegger kan niet meer rendabel verhuren’ |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (BBB) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel?1
Wat vindt u van de stelling van Vastgoedbelang dat de vele koopstarters die eindelijk hun eerste huis hebben kunnen bemachtigen, nadat zij sinds 2015 veelal achter het net visten door de opkoop van panden door (particuliere) beleggers, niet de koopstarters zijn die politiek gewenst zijn?
Deelt u deze mening? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt u inzicht geven in het actuele aantal middenhuurwoningen in Nederland?
Klopt het dat in 2024 ouders € 6.633 belastingvrij mochten schenken aan hun kinderen?
Klopt het dat in 2024 ouders onder voorwaarden eenmalig € 31.813 belastingvrij mochten schenken aan hun kinderen?
Klopt het dat de gemiddelde verkoopprijs in 2024 € 475.000 was?
Welke relatie ziet u tussen de schenkingen van ouders, het overbieden en de gemiddelde verkoopprijs?
Is het realistisch te veronderstellen dat de bescheiden schenkingen die in 2024 fiscaal (onder voorwaarden) waren toegestaan heeft geleid tot een opkoop van woningen voor eigen bewoning door koopstarters die politiek ongewenst zou zijn? Waarom wel of niet?
Herkent u dat van de helft van de 1,2 miljoen woningen die particuliere verhuurders in beheer hebben, de helft een sociale huurprijs heeft?
Hoe heeft de gemiddelde sociale huurprijs van particuliere beleggers zich per jaar ontwikkeld in de jaren vanaf 2015–2024?
Herkent u dat van de andere helft van de 1,2 miljoen woningen die particuliere verhuurders in beheer hebben, de huurprijs een middenhuurwoning of een vrije sector huurwoning betreft?
Kunt u aangeven welk deel exact een middenhuurwoning betrof uitgaande van het puntenaantal tot 187 punten?
Kunt u dit aangeven per jaar voor de periode 2015–2024?
Kunt u aangeven welk deel van deze volgens punten (187) een middenhuurwoning daadwerkelijk een middenhuurprijs (maximaal € 1.185,00 prijspeil 2024) had?
Kunt u dit aangeven per jaar voor de periode 2015–2024?
Als er een verschil is tussen de prijs die deze middenhuurwoningen op basis van de punten (tot 187) hadden en de bijbehorende prijs (maximaal € 1.185,00), hoe groot is dan dat verschil en hoe verklaart u het verschil?
Kan gezien de gedane analyse gesteld worden dat vanuit de particuliere beleggers in de periode 2015–2024 sprake is geweest van de verhuur van middenhuurwoningen met een daadwerkelijke middenhuurprijs?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
De column 'Afgeslacht om die achterlijke reden: Eer' |
|
Claudia van Zanten (BBB), Wijen-Nass |
|
van Weel , Marjolein Faber (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met de column van Lale Gül in De Telegraaf van zaterdag 1 februari 2025: Afgeslacht om die achterlijke reden: Eer?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de gedachtegang en het wereldbeeld van de daders uit het bovenstaande artikel?
Deze gedachtegang en dit wereldbeeld zijn absoluut onacceptabel en passen niet bij de normen en waarden die wij als samenleving met elkaar delen. In Nederland heeft iedere burger het recht op zelfbeschikking: het recht op eigen keuzes en zelfstandigheid. Ook heeft ieder mens het recht op leven, veiligheid, vrijheid, gelijkheid en een menswaardig bestaan, vrij van onderdrukking en geweld. Deze fundamentele rechten vormen de basis voor een rechtvaardige en vreedzame samenleving. Wie deze rechten met geweld of dwang ontneemt, kan dan ook een passende straf verwachten.
Deelt u de mening dat de Nederlandse regering er alles aan dient te doen om denkbeelden zoals deze uit de Nederlandse samenleving te werken? Zo ja, wat kunt en gaat u hieraan doen?
Ja, het kabinet deelt de mening dat een effectieve aanpak van eergerelateerd geweld, waaronder eerwraak, een brede strategie vergt die zich niet alleen richt op repressie, maar ook op de grondoorzaken van deze vorm van geweld.
Daarom neemt het kabinet naast repressieve maatregelen, zoals toepassing van het strafrecht, ook preventieve maatregelen om deze vorm van schadelijke praktijken te voorkomen. Schadelijke praktijken komen met name voor in gesloten patriarchale gemeenschappen met sterk hiërarchische structuren en traditionele rolopvattingen over man en vrouw. Binnen deze gesloten gemeenschappen kan een inperking van het zelfbeschikkingsrecht tot uiting komen in schadelijke praktijken zoals eergerelateerd geweld. Het kabinet zet daarom via emancipatiebeleid, het Meerjarenplan Zelfbeschikking2 en de Actieagenda Integratie en de Open en Vrije Samenleving3 in op een «verandering van binnenuit», onder meer door samen te werken met sleutelpersonen en organisaties uit deze gesloten gemeenschappen4..Zo betreft de Alliantie Verandering van binnenuit een samenwerkingsverband tussen verschillende Christelijke- en migrantenorganisaties, en is het Fonds Zelfbeschikking bij het Oranjefonds ingesteld waaruit onder andere stichting Oy Vey zich inzet voor inclusie van lhbtiq+ Joden in de Joodse gemeenschappen zelf in Nederland en stichting Himilo zich richt op mannen/vaders binnen de Arabischsprekende migranten en vluchtelingen, omdat zij van grote invloed zijn op (het gebrek aan) zelfbeschikking van vrouwen en meisjes.
Ook wordt middels de aanpak van schadelijke praktijken, onderdeel van de bredere aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling, ingezet op vroegtijdige signalering en een goede en snelle samenwerking tussen betrokken organisaties wanneer nodig.
Verder wil ik benadrukken dat wanneer we spreken over femicide, gendergerelateerde moord en doodslag van vrouwen en meisjes, we ook spreken over eerwraak. Geen enkele vrouw of meisje mag slachtoffer worden van moord of doodslag, om welke reden dan ook. Met het plan van aanpak «Stop Femicide!»5 zet het kabinet zich in voor een gerichte aanpak die zowel de oorzaken van dit geweld aanpakt als stevige maatregelen treft om daders te vervolgen. Voor de zomer van 2025 informeren wij uw Kamer over de voortgang van de prioriteiten uit het plan van aanpak «Stop femicide!» en van de bredere aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, inclusief schadelijke praktijken.
Bent u bereid om mogelijkheden te zoeken om het Nederlanderschap in te trekken bij misdaden gepleegd met een eerwraakmotief?
Uit het Europees Verdrag Inzake Nationaliteit (EVN) en de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) volgt dat het Nederlanderschap alleen kan worden ingetrokken als sprake is van misdrijven die zich richten tegen de essentiële belangen van ons land. Het kabinet onderzoekt zoals opgenomen in het regeerprogramma of het mogelijk is om de gronden voor het intrekken van het Nederlanderschap uit te breiden naar andere ernstige misdrijven, binnen de grenzen van het EVN. Intrekking van de Nederlandse nationaliteit is alleen mogelijk bij personen die naast de Nederlandse nog een andere nationaliteit hebben.
Het Memorandum for the Secretary of the Treasury (VS) inzake de Global Tax Deal |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het Memorandum for the Secretary of the Treasury, the United States Trade Representative en the Permanent Representative of the United States to the Organization for Economic Co-Operation and Development inzake The Organization for Economic Co-operation and Development (OECD) Global Tax Deal (Global Tax Deal) van 20 januari 2025?1
Ja.
Bent u van mening dat met het hiervoor genoemde memorandum de Wet minimumbelasting 2024 een stap dichterbij is gekomen? Heeft u al gereflecteerd wat de mogelijke gevolgen zijn voor Nederlandse ondernemingen?
In het memorandum van de Trump-administratie staat dat toezeggingen die door de vorige regering van de VS zijn gedaan met betrekking tot de Global Tax Deal niet meer van kracht zijn zolang (elementen uit) de Global Tax Deal niet door het Congres zijn aangenomen. De wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) is onderdeel van de Global Tax Deal.
De wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) bewerkstelligt dat multinationale groepen en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van € 750 miljoen of meer ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Deze zogenoemde Pijler 2-regels zijn het resultaat van meerjarige onderhandelingen in het Inclusive Framework, georganiseerd door de OESO. Op basis van de Richtlijn (EU) 2022/2523 zijn EU lidstaten verplicht de Pijler 2-regels per 31 december 2023 te implementeren.2 Deze richtlijn is gebaseerd op de OESO-modelregels over de minimumbelasting3 en komt daarmee overeen. Nederland heeft aan deze verplichting voldaan met de invoering van de Wet minimumbelasting 2024. De VS heeft tot op heden de Pijler 2-regels niet geïmplementeerd in de nationale wetgeving.
In het memorandum wordt gesteld dat binnen 60 dagen tegenmaatregelen moeten worden geformuleerd voor landen die belastingmaatregelen opleggen aan Amerikaanse bedrijven die in de ogen van de VS extraterritoriaal of discriminerend zijn.
De komende periode zal waarschijnlijk meer duidelijk worden hoe het memorandum specifiek zal worden uitgewerkt en wat de mogelijke gevolgen zijn voor Nederlandse bedrijven. Zodra hier meer duidelijkheid over ontstaat, ligt het voor de hand om, in samenwerking met andere implementerende landen, waaronder de EU-lidstaten, gezamenlijk op te trekken en tot een gecoördineerde reactie te komen. Bij deze ontwikkelingen wordt uiteraard rekening gehouden met de belangen van het bedrijfsleven in de betrokken landen.
Wat is de Nederlandse reactie op het Memorandum? Wat is de reactie van de Europese Unie op het Memorandum? Leidt dit tot heroverweging van de Wet minimumbelasting 2024 of Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie? Zo nee, waarom niet?
Internationale afspraken over een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing van 15% zijn belangrijk in de wereldwijde aanpak van belastingontwijking en hebben als doel een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen landen en de prikkel voor bedrijven om winsten naar laagbelastende jurisdicties te verplaatsen te verminderen. Nederland heeft de Pijler 2-regels daarom al in een vroeg stadium omarmd en deze geïmplementeerd in de Wet minimumbelasting 2024.
Ook de Europese Commissie heeft bij monde van Commissaris Dombrovskis aangegeven zich te blijven inzetten voor de internationale verplichtingen die de EU de afgelopen jaren is aangegaan en open te staan voor een zinvolle dialoog met onze internationale partners. De Commissie betreurt het memorandum, maar vindt het de moeite waard om de tijd te nemen om deze ontwikkelingen met de nieuw Amerikaanse autoriteiten te bespreken.4
In hoeverre verschilt de reikwijdte van de maatregelen genoemd in het Memorandum met de maatregelen uit de hiervoor genoemde (concept)wetsvoorstellen?
Het is onduidelijk welke conceptwetsvoorstellen hier worden bedoeld. Verder geeft het memorandum geen inzicht in de mogelijke vormgeving van eventuele tegenmaatregelen.
Zou het antwoord op vraag 3 anders luiden als de Verenigde Staten (handels)maatregelen nemen die schadelijk zijn voor de Nederlandse en/of Europese economie?
We willen niet speculeren over eventuele beleidsmaatregelen van de Verenigde Staten.
In het algemeen geldt dat het voor Nederland van belang is om gezamenlijk op te trekken met Europese en andere internationale partners. Een gecoördineerde en evenwichtige aanpak is nodig om recht te doen aan de internationale afspraken over een wereldwijde minimumbelasting en om de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel te waarborgen.
Voert Nederland momenteel gesprekken met de Verenigde Staten over het standpunt dat in het Memorandum is aangekondigd? Zo niet, zal Nederland dit gaan doen of vinden deze gesprekken plaats op Europees niveau?
Nederland voert doorlopend gesprekken binnen de EU, in multilaterale fora zoals de OESO/IF en in bilateraal verband. Gelet op de ontwikkelingen is het logisch dat hierbij ook aandacht wordt besteed aan het memorandum. Nederland trekt hierin samen op met andere landen die de minimumbelasting hebben geïmplementeerd, en in het bijzonder de EU-lidstaten. Daarnaast speelt de Europese Commissie een belangrijke rol in de bredere dialoog met de VS gegeven de bevoegdheid op het gebied van handel.
Het artikel 'Ambtenaren op ministeries moeten opstaan tegen een Wilders, Trump en Musk' |
|
Patrick van der Hoeff (PVV) |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Ambtenaren op ministeries moeten opstaan tegen een Wilders, Trump en Musk»?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de formele status, aard en het doel was van de bijeenkomst waar uitlatingen van de secretaris-generaal van het Ministerie van OCW en andere ambtenaren zijn gedaan?
Het artikel waaraan gerefereerd wordt is een beschrijving van enkele momenten van een langer en breder gesprek tijdens een zogenoemd Reuring!Café. Deze worden georganiseerd door de VOM (Vereniging voor Overheidsmanagement), een organisatie waarbinnen leidinggevenden en professionals van verschillende overheidsorganisaties bij elkaar komen. De organisatie omschrijft de bijeenkomsten op hun website als een luchtige talkshow over serieuze zaken van, voor en door publieke professionals.
Hoe beoordeelt u dat de secretaris-generaal van het Ministerie van OCW diversiteits- en inclusiebeleid zou voeren wanneer dit haaks staat op democratisch tot stand gekomen overheidsbeleid, gezien de stelling van de secretaris-generaal dat diversiteits- en inclusiebeleid essentieel is en gehandhaafd blijft, ook indien de regering anders zou besluiten?
Het kabinet staat voor artikel 1 van de Grondwet. In dit artikel is vastgelegd dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden en dat discriminatie op welke grond dan ook verboden is. Net als bewindspersonen en Kamerleden zweren of beloven ook ambtenaren trouw te zijn aan de Grondwet.
De secretaris-generaal van het Ministerie van OCW heeft dit bevestigd. Het is belangrijk dat in onze samenleving iedereen op dezelfde manier behandeld, beoordeeld en benaderd wordt. Het past binnen de functie en verantwoordelijkheid van secretarissen-generaal, als degene die belast zijn met de leiding van het ministerie en de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, om als werkgever voor hun ambtenaren te streven naar gelijkwaardigheid voor iedereen. Essentieel om daar invulling aan te geven is het vaststellen van beleid om inclusie te bevorderen en discriminatie en racisme tegen te gaan. Het is belangrijk om als overheid alle perspectieven in de samenleving te kunnen betrekken.
Hoe beoordeelt u de oproep van een aanwezige ambtenaar aan overige ambtenaren tijdens deze bijeenkomst om zich te verzetten tegen politici en hoe kwalificeert u de oproep: «Wat gaan wij daar als ambtenaren echt tegen doen en gaan we ertegen opstaan?»
Op uitspraken van individuen uit het publiek ga ik niet in.
Is voldoende onpartijdigheid en neutraliteit van ambtenaren op het Ministerie van OCW geborgd, zodat democratisch tot stand gekomen beleid ook daadwerkelijk uitgevoerd wordt?
Ja. Ambtenaren werken, ongeacht hun persoonlijke politieke voorkeur, in het algemeen belang voor onze samenleving. Vanuit hun ambtelijke professionaliteit brengen zij alle relevante aspecten in ten behoeve van goed afgewogen politieke besluitvorming. De bewindspersoon weegt af en komt op basis daarvan tot een politiek besluit, dat vervolgens wordt uitgevoerd. Daarbij wordt van ambtenaren in de uitvoering verwacht signalen en dilemma’s terug te leggen bij de bewindspersoon ten behoeve van politieke weging. Om deze ambtelijke rol goed te kunnen vervullen is ruimte voor reflectie en dialoog op de werkvloer noodzakelijk. Dit is niet alleen een kenmerk van goed werkgeverschap, maar ook noodzakelijk voor een goed functionerend overheidsapparaat. Binnen het Ministerie van OCW, is net als bij alle andere ministeries, structureel aandacht voor het publiek navolgbaar delen van alle relevante aspecten voor de politieke oordeelsvorming en besluitvorming.
Acht u het gepast dat een secretaris-generaal een houding aanneemt die getuigt van verzet tegen democratisch tot stand gekomen beleid en daarmee de uitvoeringsplicht mogelijk frustreert? Zo nee, welke stappen onderneemt u om mogelijk plichtsverzuim te voorkomen of te beëindigen?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 3, heeft de secretaris-generaal in het debat benadrukt dat iedereen zich heeft te houden aan de Grondwet en onpartijdigheid als ambtenaar. Dat betekent dat er voor discriminatie binnen de rijksoverheid geen plaats is. Vanuit goed werkgeverschap is het daarom belangrijk om discriminatie op de werkvloer tegen te gaan. Dat is een gezonde, professionele houding.
De Brief monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
![]() |
Kan nader worden onderbouwd waarom de earningsstrippingmaatregel uit ATAD1 beperkt effectief is voor het beleidsdoel «Stimuleren financiering met eigen vermogen»? Zou het daadwerkelijk stimuleren van financiering met eigen vermogen, bijvoorbeeld door een aftrek te introduceren voor vennootschappen die met eigen vermogen zijn gefinancierd, wél effectief zijn om financiering met eigen vermogen te stimuleren?
In de analyse is gekeken naar het kwantitatieve effect van de earningsstrippingmaatregel op de mate van financiering met vreemd vermogen. Daarbij is gekeken in hoeverre dit intern verstrekt is vanuit andere concernonderdelen of verstrekt is vanuit externe partijen.
Uit de analyse volgt dat de earningsstrippingmaatregel ertoe heeft geleid dat ten aanzien van alle bedrijven die geraakt zouden worden door de earningsstrippingmaatregel in de periode 2016–2021 het bedrag aan totaal vreemd vermogen kleiner is geworden. Dit geldt dan specifiek voor het bedrag aan vreemd vermogen dat intern is verstrekt bij bedrijven met een concernonderdeel in een laagbelastend land. Er is in het onderzoek geen significant effect gemeten op het vreemd vermogen dat extern verstrekt is. De analyse biedt verder geen inzicht in de onderliggende oorzaken waarom geen significant effect is gemeten op het vreemd vermogen dat extern verstrekt is.
Een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen kan, naast het beperken van de aftrekbaarheid van de rente, anderzijds worden bereikt door een aftrek voor het aanhouden of creëren van eigen vermogen. In 2021 is een breder onderzoek uitgevoerd naar een meer gelijke behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen.1 Uit dit onderzoek volgt dat een nationale invoering van een vermogensaftrek in de vennootschapsbelasting onder meer niet wenselijk is omdat het belastingontwijking in de hand kan werken, alsmede het budgettaire beslag van een vermogensaftrek.
Waarom is de lijst met laagbelastende jurisdicties slechts enkele keren geconsulteerd en daarna niet meer? Heeft de internetconsultatie er wel eens toe geleid dat er een jurisdictie van de lijst is gehaald omdat deze onterecht op de lijst was geplaatst? Kan worden toegezegd dat per 2025 de lijst weer ter consultatie zal worden aangeboden?
De laatste consultatie over de lijst met laagbelastende jurisdicties vond plaats in 2020 voor de aanwijzing van laagbelastende staten voor het jaar 2021. Destijds is besloten dat dit de laatste consultatie in deze vorm zou zijn. In het vervolg is consultatie alleen aan de orde bij voorgenomen wijzigingen die zien op de aanwijzing van nieuwe laagbelastende staten.2 Sindsdien zijn er geen nieuwe staten aangewezen als laagbelastende staat, waardoor er geen aanleiding was voor een nieuwe consultatie. Voor het verwijderen van staten van de lijst wordt geen consultatie gehouden.
In de beginfase van de lijst was de consultatie nuttig om signalen te verzamelen, aangezien toen in één keer veel staten op de lijst zijn geplaatst. Vervolgens bereiken, ook los van consultatie, signalen het Ministerie van Financiën. Indien nodig worden deze signalen nader beoordeeld en vindt contact plaats met de desbetreffende staat. In het verleden zijn als gevolg van nadere analyses Saudi-Arabië, Koeweit, Qatar en Belize van de lijst verwijderd.
In de afgelopen jaren zijn er geen nieuwe landen aangewezen en is het beeld stabiel gebleven. Ik zie dan ook geen aanleiding om de internetconsultatie te heropenen, tenzij er een duidelijke reden is, zoals de aanwijzing van nieuwe laagbelastende staten.
Waarom kan de effectiviteit van de aanvullende CFC-maatregel uit ATAD1 niet worden bepaald?
Het blijkt niet mogelijk om met enige zekerheid uitspraken te doen over de effectiviteit van de aanvullende CFC-maatregel. Dit is namelijk bijzonder moeilijk te meten door het prohibitieve karakter van de maatregel. De bedoeling van de aanvullende CFC-maatregel is dat de maatregel als stopbord werkt zodat structuren met als doel belasting te ontwijken door winsten naar laagbelastende staten of staten op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties te verschuiven, zich via Nederland niet meer gaan voordoen. Omdat in de periode vóór invoering van de aanvullende CFC-maatregel het gebruik van CFC’s niet werd bijgehouden, is de verandering als gevolg van de maatregel niet te meten.
Om toch enig inzicht te kunnen bieden, zijn in de brief enkele gegevens over dochterbedrijven in laagbelastende jurisdicties uiteen gezet. Die cijfers geven een voorzichtige aanwijzing dat de aanvullende CFC-maatregel mogelijk een (beperkt) effect heeft gehad op structuren via laagbelastende jurisdicties. Het bleek echter niet mogelijk om een causaal verband vast te stellen, zodat geen stellige uitspraken konden worden gedaan met betrekking tot de effectiviteit.
Met welke andere wettelijke maatregelen dan de Wet minimumbelasting 2024 kent de aanvullende CFC-maatregel uit ATAD1 een samenloop? Is er bijvoorbeeld sprake van samenloop met de Wet bronbelasting 2021? Is er sprake van samenloop met artikel 8bb e.v., van de Wet Vpb 1969? Zijn er nog andere specifieke maatregelen die een samenloop kennen met de aanvullende CFC-maatregel?
Bij de implementatie van ATAD1 heeft het kabinet destijds bewust gekozen voor de aanvullende CFC-maatregel volgens model A, om belastingontwijking door het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten en staten op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties tegen te gaan. De bedoeling van de aanvullende CFC-maatregel in artikel 13ab Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) is dat de maatregel als «stopbord» werkt zodat dergelijke structuren via Nederland met als doel belasting te ontwijken effectief kunnen worden tegengegaan.
Zoals tijdens de parlementaire behandeling bij de invoering van de aanvullende CFC-maatregel is aangegeven, is de aanvullende CFC-maatregel complementair aan het ten tijde van implementatie reeds bestaande instrumentarium in de vennootschapsbelasting.3 Zo is de verplichte herwaardering van niet-kwalificerende beleggingsdeelnemingen in artikel 13a Wet Vpb 1969 gehandhaafd, omdat de aanvullende CFC-maatregel op verschillende punten afwijkt van deze regeling. Wel is voorzien in de samenloop tussen de aanvullende CFC-maatregel en de herwaarderingsverplichting van artikel 13a Wet Vpb 1969.4 Ook de regeling voor niet-kwalificerende beleggingsdeelnemingen uit artikel 13 Wet Vpb 1969 kan van toepassing zijn wanneer de aanvullende CFC-maatregel juist niet van toepassing is. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een deelneming die wordt aangemerkt als gecontroleerd lichaam op grond van de aanvullende CFC-maatregel, het saldo van de besmette voordelen voor het einde van het jaar heeft uitgekeerd. In een dergelijk geval is de aanvullende CFC-maatregel niet van toepassing, terwijl de winstuitdeling kan worden belast als er sprake is van een niet-kwalificerende beleggingsdeelneming (omdat dan de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is).
Na de invoering van de aanvullende CFC-maatregelen zijn ook andere maatregelen tegen belastingontwijking ingevoerd, waarbij er een samenloop kan bestaan. Dat is het geval bij de hybride mismatchmaatregelen die voortvloeien uit de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2), bij de invoering van de bepalingen die betrekking hebben op situaties waarin een verschil in verrekenprijzen tussen gelieerde lichamen leidt tot dubbele niet-heffing en bij de Wet bronbelasting 2021. Al deze maatregelen zien net als de aanvullende CFC-maatregel op het voorkomen van belastingontwijking. Er is ten aanzien van deze wettelijke regeling door het vorige kabinet bewust gekozen om niet te voorzien in een samenloopregeling om dubbele belasting te voorkomen. Ik ben het met het vorige kabinet eens dat dit het prohibitieve karakter van de aanvullende CFC-maatregel en andere maatregelen versterkt en de robuuste vormgeving bijdraagt aan het bereiken van het doel van de aanvullende CFC-maatregel en andere maatregelen om belastingontwijking te ontmoedigen.5
Bij de aanvullende CFC-maatregel geldt wel dat voordelen uit hoofde van een gecontroleerd lichaam drukkende buitenlandse winstbelasting kunnen worden verrekend op basis van artikel 23e Wet Vpb 1969. Ook is verrekening van de in een CFC-staat betaalde kwalificerende binnenlandse bijheffing met de in Nederland verschuldigde vennootschapsbelasting toegestaan sinds de inwerkingtreding van het Belastingplan 2024.6 Hiermee wordt economisch dubbele belasting tussen de aanvullende CFC-maatregel en de kwalificerende binnenlandse bijheffing in overeenstemming met de Wet minimumbelasting 2024 voorkomen.
Wat betekent de samenloop van de aanvullende CFC-maatregel uit ATAD1 voor de uitvoering door de Belastingdienst? Is dit één van de maatregelen die volgens de Compliance map 2024 bijdraagt aan de grote uitvoeringsrisico’s die verband houden met de hoge mate van complexiteit van wet- en regelgeving? Welke andere maatregelen dragen het meeste bij aan deze uitvoeringsrisico’s?
In het algemeen geldt dat de samenloop van bepalingen de uitvoering door de Belastingdienst complex kan maken. Dat is ook het geval bij de samenloop van de aanvullende CFC-maatregel en andere antimisbruikmaatregelen. Gezien het prohibitieve karakter van voornoemde maatregelen en hun doel om belastingontwijking te ontmoedigen, zoals hiervoor is toegelicht, zie ik op dit moment geen reden om te voorzien in een extra samenloopbepaling om die samenloop te regelen. Ik merk daarbij op dat het formuleren van een doeltreffende samenloopbepaling uitdagend is en dat vervolgens een dergelijke samenloopbepaling zelf ook tot zeer complexe situaties voor de uitvoering door de Belastingdienst kan leiden. Hoewel een samenloopbepaling dus mogelijk bijdraagt aan de acceptatie van de toepassing van die antimisbruikmaatregelen doordat deze de proportionaliteit van de betreffende maatregelen kan bevorderen, betekent het vanwege de extra complexiteit mogelijk wel dat het ingewikkelder is om de betreffende antimisbruikmaatregelen correct toe te passen. Op dit moment lijkt het nut van het overwegen van een extra bepaling niet op te wegen tegen de genoemde bezwaren.
Daarnaast merk ik volledigheidshalve op dat de CFC-maatregel enige invloed heeft op het handhavingsrisico, doordat het gaat om complexe bijzondere wet- en regelgeving, met internationale problematiek, grensoverschrijdende activiteiten en «global tax planning». Dit komt bovenop de al complexe wet- en regelgeving op het gebied van de vennootschapsbelasting. Er zijn geen signalen van een significante impact van de CFC-maatregel op het uitvoeringsrisico, dat bijvoorbeeld zou kunnen worden veroorzaakt door grote aantallen aanslagen en grote aantallen bezwaren waar de CFC-maatregel een rol in speelt. Zoals in de Brief monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking van 3 februari 2025 wordt toegelicht, blijkt er een kleine stabiele groep belastingplichtigen te zijn die de bijtelling accepteert en de bestaande bedrijfsstructuren in de periode 2019–2021 heeft voortgezet.7
Wat zijn de gevolgen voor de bijtelling die in 2021 goed was voor 45 miljoen euro, doordat de Verenigde Arabische Emiraten geen laagbelastende jurisdictie meer is?
Uit de Brief monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking van 3 februari 20258 volgt dat de additionele grondslag in de vennootschapsbelasting als gevolg van de aanvullende CFC-maatregel («de bijtelling») in 2021 € 45 miljoen bedraagt. Een bedrag van € 5 miljoen zag op CFC’s in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). De VAE zijn per 2024 niet langer aangewezen als laagbelastende jurisdictie, wat betekent dat dit deel van de bijtelling met ingang van 2024 wegvalt.
Hoe verhoudt de afgenomen budgettaire opbrengst van de aanvullende CFC-maatregel zich tot de daarmee gepaard gaande complexiteit voor Belastingdienst en bedrijfsleven?
De aanvullende CFC-maatregel richt zich tegen gecontroleerde lichamen zonder wezenlijke economische activiteiten die gevestigd zijn in laagbelastende staten of in staten die zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties, om in die gevallen ook winstverschuiving vanuit een andere staat dan Nederland naar dergelijke staten tegengaan. De aanvullende CFC-maatregel heeft hiermee in voorkomende gevallen een prohibitief karakter. Het is niet mogelijk om vast te stellen wat de budgettaire opbrengst of derving van de aanvullende CFC-maatregel is geweest. Naar verwachting is het grootste effect van de maatregel een gedragsverandering bij de geraakte bedrijven, maar deze gedragsverandering is niet op basis van de belastingaangiften te meten. In de gevallen waarbij in 2021 nog wel sprake was van een CFC (en er dus geen gedragsverandering plaatsvond) resulteerde dat in een bijtelling van € 45 miljoen in 2021.
Klopt het dat Nederland de «Model B» CFC regel uit ATAD1 al kende en dat in zoverre implementatie van de aanvullende CFC-maatregel als een «kop» op Europese wetgeving kan worden beschouwd? Zo ja, leent de aanvullende CFC-maatregel zich dan voor het schrappen, volgens het Hoofdlijnenakkoord?
In het regeerprogramma staat dat het kabinet bestaande nationale koppen die zorgen voor extra regeldruk, heroverweegt en schrapt waar nodig en mogelijk. Hierbij heeft het kabinet wel oog voor doelbereik en oog voor de consequenties van afschaffing.
ATAD1 biedt EU-lidstaten de keuze uit twee varianten voor het bepalen van de tot de winst van de belastingplichtige te rekenen voordelen van een CFC: «model A» en «model B». Bij model A zijn categorieën van voordelen (dividend, rente, royalty’s, et cetera) bepaald die als die door een CFC zijn genoten tot de winst van de belastingplichtige dienen te worden gerekend. Bij model B worden voordelen van een CFC die voortkomen uit kunstmatige constructies die zijn opgezet met als wezenlijk doel een belastingvoordeel te verkrijgen tot de winst van de belastingplichtige gerekend. Van een kunstmatige constructie is in dat verband sprake als de winst van een gecontroleerd lichaam niet is te relateren aan de activiteiten (functies) van het gecontroleerde lichaam, maar aan de activiteiten (functies) van de Nederlandse belastingplichtige. Op basis van het arm’s-lengthbeginsel rekende Nederland dergelijke winst al tot de belastinggrondslag van een Nederlandse belastingplichtige. Nederland paste daarom feitelijk model B al toe, en doet dat nog steeds.
Om een aanvullende inspanning te verrichten om belastingontwijking door het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten en staten op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties via Nederland tegen te gaan, is ervoor gekozen om een aanvullende CFC-maatregel volgens model A te introduceren en in dit opzicht de richtlijn strenger te implementeren dan noodzakelijk is. Tegelijkertijd geldt de aanvullende CFC-maatregel niet als bij een gecontroleerd lichaam sprake is van een wezenlijke economische activiteit. Op die manier wordt een concurrentienadeel voor in Nederland gevestigde ondernemingen met reële activiteiten in het buitenland voorkomen. Ik ben met het vorige kabinet van mening dat er daarmee een goede balans is tussen aan de ene kant het aanpakken van belastingontwijking en aan de andere kant het behouden en versterken van een aantrekkelijk fiscaal vestigingsklimaat voor in Nederland gevestigde ondernemingen.
Kan het kabinet voorts een overzicht verstrekken van de buitenlandse directe investeringen in Nederland over dezelfde periode (2015 t/m 2023)?
In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de buitenlandse directe investeringen in Nederland voor de periode 2015–2023, op basis van gegevens van De Nederlandsche Bank (www.dnb.nl/statistieken, tabel 12.16).
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
Stand
3.514
3.779
3.894
3.753
3.808
3.502
3.608
3.707
3.404
Ten aanzien van welke richtlijnvoorstellen geldt momenteel een behandelvoorbehoud? Kan de Kamer een (besloten) briefing krijgen over de stand van de onderhandelingen van de verschillende richtlijnvoorstellen en de Nederlandse positie hierin?
Uw Kamer heeft een behandelbehoud gemaakt ten aanzien van het BEFIT (harmonisatie vennootschapsbelasting) richtlijnvoorstel9. Verder, mocht uw Kamer geïnteresseerd zijn in meer informatie over de onderhandelingen over de richtlijnvoorstellen op het gebied van belastingen, dan ben ik meer dan bereid om uw Kamer daarover in een besloten briefing te informeren.
Opnamestops op SEH’s door de overbelasting van ziekenhuizen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitzending van MAX Meldpunt over opnamestops op afdelingen spoedeisende hulp (SEH) door de overbelasting van ziekenhuizen1?
Ja.
Deelt u de zorgen over opnamestops op de SEH’s, die in het derde kwartaal van 2024 1080 keer voorkwamen omdat vanwege de drukte geen veilige zorg meer geboden kon worden?
Ik deel uw zorgen in de zin dat ik mij ook zorgen maak over de druk op de zorg.
Een SEH-stop is echter in de eerste plaats een logistiek instrument en hulpmiddel om de zorgvraag op SEH’s op piekmomenten te reguleren, zie in dit verband ook antwoorden op eerdere Kamervragen op 13 februari 20242. Een SEH-stop wordt gebruikt om vroegtijdig piekbelasting te kunnen melden, zodat ketenpartners kunnen uitwijken naar een andere locatie. Het instrument is daarmee van belang voor de samenwerking in de regio, tussen ziekenhuizen onderling, tussen ambulancediensten en ziekenhuizen en tussen huisartsen en ziekenhuizen en draagt bij aan de patiëntveiligheid en kwaliteit van de zorg. Daarnaast wordt gewerkt aan de implementatie van zorgcoördinatie met inzicht in actuele zorgcapaciteit, zodat gericht verwezen kan worden en onnodig wachten kan worden voorkomen.
Erkent u de problemen die hieruit voortkomen, enerzijds voor artsen die overbelast raken en anderzijds voor patiënten die op een moment van maximaal risico naar een andere SEH moeten?
Zoals ook in de uitzending van Max Meldpunt wordt aangegeven worden ambulancediensten door middel van het afkondigen van een SEH-stop vroegtijdig geïnformeerd om een ander ziekenhuis aan te rijden. Daarmee wordt dus een onwenselijke situatie van overbelasting voorkomen, de patiënt kan op een andere SEH eerder geholpen worden en het ambulanceteam is eerder inzetbaar voor een volgende oproep.
Hoe voorkomt u een waterbedeffect doordat patiënten bij een SEH-stop naar omliggende ziekenhuizen worden verwezen? Hoe vaak komt het voor dat een regio zo overbelast raakt dat een SEH met capaciteitsproblemen gedwongen wordt alsnog patiënten aan te nemen? Deelt u de zorg dat hiermee de veiligheid van de geboden zorg ernstig in het gedrang komt omdat een SEH-stop echt als noodmaatregel wordt gebruikt?
In de ROAZ-regio’s wordt onderling afgestemd hoe de beschikbare capaciteit zo goed mogelijk kan worden benut. Daarmee wordt zo veel mogelijk voorkomen dat een SEH met capaciteitsproblemen patiënten toch moet aannemen. Er is daarnaast een vaste afspraak dat patiënten met een levensbedreigende acute zorgvraag altijd terecht kunnen in een ziekenhuis, ongeacht of op dat moment sprake is van een SEH-stop. Deze patiënten worden dus vervoerd naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis waar de noodzakelijke zorg verleend kan worden. Zo is bijvoorbeeld een level-1 traumacentrum te allen tijde toegankelijk voor de opvang van ernstig gewonde patiënten.
Op de website van het Landelijke Netwerk Acute Zorg (LNAZ) wordt ieder kwartaal een overzicht van het aantal SEH-stops gepubliceerd, geaggregeerd op ROAZ-regio niveau.3
Deelt u de zorg dat de toestroom op de SEH’s vanwege de vergrijzing de komende jaren alleen maar verder zal toenemen? Wat doet u eraan om te voorkomen dat hiermee ook het aantal opnamestops op SEH’s verder toeneemt? Ziet u hierin mogelijkheden voor een grotere rol voor transferverpleegkundigen en specialisten ouderengeneeskunde om de druk op de SEH’s te verlichten en passende vervolgzorg te regelen?
Binnen het Integraal Zorgakkoord (IZA) zijn afspraken gemaakt om de piekbelasting van SEH’s op te vangen, door onder andere door inrichting van zorgcoördinatie en verdergaande samenwerking in de regio’s door te zorgen voor de juiste zorg op de juiste plek en de beschikbaarheid van medische gegevens. Hierover wil ik ook aanvullende afspraken maken in het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord (AZWA). De Nederlandse Federatie Universitair medische centra (NFU) en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) hebben onderzoek4 gedaan naar het terugdringen van overmatige drukte op de SEH. Het optimaliseren van het transferproces is een van de strategieën die ingezet kunnen worden. Input vanuit dit onderzoek worden gebruikt bij de uitwerking van de ROAZ plannen voor het terugdringen van overmatige drukte op de SEH’s. ROAZ regio’s zijn momenteel de afspraken die zijn opgenomen in de ROAZ plannen en de bijbehorende activiteiten aan het uitwerken en implementeren. Het is op dit moment nog niet te zeggen welke effecten dit heeft.
Klopt het dat het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ)2 niet alle SEH-stops bijhoudt? Zo ja, wat is hier de reden voor en deelt u de mening dat het van belang is dat alle SEH-stops in deze rapportages worden meegenomen? Zo ja, wat is ervoor nodig om dit wel mee te nemen, waarbij rekening gehouden wordt met het niet verder verhogen van de werklast en administratieve lasten voor ziekenhuismedewerkers?
Nee, dat klopt niet. Het LNAZ publiceert ieder kwartaal een rapportage over alle SEH-stops in Nederland, gebaseerd op informatie uit het Landelijk Platform Zorgcoördinatie (LPZ). Mogelijk duidt u met uw vraag op regio’s waarvoor geldt dat wanneer in uitzonderlijke gevallen, volgens de geldende regionale afspraken een stop afgekondigd en gecommuniceerd wordt, en deze niet in automatisch in het LPZ wordt vermeld. In dat geval wordt dit door de regio handmatig aan het overzicht toegevoegd.
Klopt het dat op dit moment bij een SEH-stop geen verplichte melding aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hoeft te worden gedaan? Waarom is dit nu geen staande praktijk?
Zoals aangegeven is een SEH-stop een instrument om via het LPZ partners in de zorgketen vroegtijdig te informeren over drukte op een bepaalde locatie. Het is geen meldingsinstrument in het kader van toegankelijkheid van zorg.
Als het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ) concludeert dat de knelpunten in de bereikbaarheid of beschikbaarheid van acute zorg niet opgelost kunnen worden in een regio, dan is het traumacentrum, die verantwoordelijk is voor het organiseren van het ROAZ, belast met het informeren van de Inspectie en de aangewezen zorgverzekeraar over deze knelpunten6.
Deelt u de opvatting van de beroepsvereniging van verzorgenden en verpleegkundigen V&VN dat de SEH-stops gevolg zijn van het veel grotere probleem van capaciteitstekorten, doordat de SEH dichtgaat als er geen bedden meer beschikbaar zijn terwijl vaak tientallen mensen in dezelfde ziekenhuizen op vervolgzorg buiten het ziekenhuis wachten?
Zoals hierboven aangegeven deel ik de zorg over capaciteitstekorten. Daarom werk ik er ook hard aan om het personeelstekort in de zorg terug te dringen. Een SEH-stop is echter in de eerste plaats een logistiek instrument en hulpmiddel om de zorgvraag op SEH’s op piekmomenten te reguleren. Als de zorgvraag het zorgaanbod overstijgt, los van de reden hiervan, dan wordt er tijdelijk en kortdurend een SEH-stop afgekondigd. Een beddentekort in het ziekenhuis staat in principe los van het afkondigen van een SEH-stop.
Het is wel mogelijk dat er lokaal problemen zijn met doorstroming vanwege personeelskrapte. Daar staan ook oplossingen tegenover. In Friesland is er bijvoorbeeld een centraal triageteam en zijn er tijdelijke opvanglocaties om de overgang tussen ziekenhuis/SEH en thuis beter in te regelen. In die regio kunnen vaker mensen na een bezoek aan de SEH of een opname in het ziekenhuis weer terug naar huis in plaats van naar het verpleeghuis. Ook in andere regio’s zijn er initiatieven om de doorstroming te bevorderen. Zo was ik onlangs in het UMCG in Groningen. Daar heb ik uitleg gekregen hoe een Critical Decision Unit (CDU) kan bijdragen aan het verlagen van piekdrukte op de SEH’s en de doorstroom in de keten bevordert. Zo is iedere regio aan het werk om de doorstroom in de acute zorgketen te bevorderen.
Heeft u in kaart hoeveel patiënten momenteel in ziekenhuizen wachten op vervolgzorg buiten het ziekenhuis, waar ook capaciteitsproblemen spelen? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, waarom niet en zou dit wat u betreft wel moeten worden geregistreerd, waarbij rekening gehouden wordt met het niet verder verhogen van de werklast en administratieve lasten voor ziekenhuismedewerkers?
Ik heb geen overzicht van patiënten in ziekenhuizen die wachten op vervolgzorg buiten het ziekenhuis. Het is aan partijen om regionaal afspraken te maken over hoe de uitstroom van patiënten uit het ziekenhuis efficiënter vorm gegeven kan worden en te voorkomen dat patiënten onnodig lang in het ziekenhuis verblijven. Ik zet in op een goede toegankelijkheid van tijdelijk verblijfbedden zoals ELV (eerstelijnsverblijf)-bedden, bedden in de Wijkkliniek en (ambulante) geriatrische revalidatiezorg. Ouderen die na een ziekenhuisbezoek nog niet naar huis kunnen en nog zorg nodig hebben, kunnen dan hier terecht. Op regionaal niveau werken zorgaanbieders aan betere doorstroming in de keten, bijvoorbeeld door het inzetten van transferverpleegkundigen en het inzichtelijk maken van de capaciteit.
Om de toegankelijkheid van de tijdelijk verblijf bedden te waarborgen heb ik advies gevraagd aan het Zorginstituut Nederland om de afspraken te verduidelijken zodat het duidelijk is voor het veld wie waar aanspraak op maakt. Daarnaast gaat er binnenkort een aanwijzing naar de NZa om te starten met een experimentbekostiging in het tijdelijk verblijf met als doel het komen tot bekostiging voor het tijdelijk verblijf. Dit ook om de toegankelijkheid op langere termijn te waarborgen. Daarnaast voert de NZa periodiek kostenonderzoeken uit om tot dekkende tarieven te komen voor deze tijdelijke verblijfsvormen. Dit vergroot de beschikbaarheid en dus ook de toegankelijkheid van de tijdelijk verblijfbedden.
Hoe verhoudt deze problematiek zich tot de ruim half miljard euro aan bezuinigingen op de langdurige zorg voor 2026? Kunt u reageren op de uitspraak van de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA), Yara Basta, dat deze bezuinigingen zouden betekenen dat de druk op de zorg alleen maar verder toeneemt en we alleen nog maar meer SEH-stops gaan zien?
De voorziene besparingen in de Wet langdurige zorg (Wlz) zijn gekoppeld aan de invoering van het kwaliteitskompas in de ouderenzorg, de behandeling in de Wlz en het meerjarig contracteren. Daarnaast zal in de periode 2024 tot en met 2026 het budget voor de Wlz toenemen van € 35,6 naar € 37,4 mld (exclusief loon- en prijsbijstellingen), waarmee een adequaat Wlz-kader beschikbaar is om Wlz-zorg te leveren.
Wat gaat u doen om dit probleem op te lossen? Hoe gaat u de personeelstekorten specifiek op de SEH’s aanpakken? Deelt u de mening dat hier handen voor aan het bed nodig zijn en dit niet alleen kan worden opgelost door AI of digitalisering?
Ja. Het aanpakken van de personeelskrapte heeft de aller grootste prioriteit. Dit doen we langs de drie beleidslijnen. Het verminderen van de tijd die zorgverleners besteden aan administratieve lasten (nu 30–40% van werktijd), onder meer door slim gebruik van AI, digitale werkwijzen en standaardisatie, deregulering en vereenvoudiging door het doorlichten van wetgeving. Ook zet ik in op de juiste inzet van medewerkers door een goede samenwerking met mantelzorgers en informele zorg en ondersteuning, het invoeren van arbitrage tussen zorgwetten en het stimuleren van innovaties. En als laatste het vergroten van vakmanschap en werkplezier.