De blijvende tekorten voor jeugdzorg bij gemeenten |
|
Lisa Westerveld (GL), Nevin Özütok (GL), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht «Kabinet biedt gemeenten NUL euro voor jeugdzorg»?1
Ja.
Klopt het dat u «het tekort [in de financiering van de jeugdzorg] erkent, alle begrip voor de moeilijke situatie van gemeenten [heeft] en zich realiseert dat het jeugdstelsel piept en kraakt»? Zo ja, waarom en welke gevolgen verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?
Ja. De afgelopen maanden heb ik uw Kamer op verschillende momenten geïnformeerd over de financiële situatie van gemeenten en het jeugdstelsel en welke gevolgen het kabinet hieraan verbindt:
Deelt u de mening dat, gezien de al langer durende precaire situatie van de gemeentelijke financiën in het algemeen en die ten aanzien van de jeugdzorg in het bijzonder, u reeds veel eerder voor een oplossing van dit probleem had moeten zorgen en dit niet naar een volgend kabinet had moeten doorschuiven? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In 2019 heeft dit kabinet incidenteel middelen beschikbaar gesteld voor de periode 2019–2021. Het kabinet kon gemeenten op dat moment financieel niet structureel tegemoet komen, omdat volgens het door bureau Significant verrichte verdiepend onderzoek daartoe de grondslag ontbrak: «de vraag of de geconstateerde groeiende vraag naar jeugdzorg een boeggolf is of, en zo ja in welke mate, een structureel karakter heeft, is nog niet te beantwoorden».
Op basis van de feiten die in 2019 voorhanden waren, zijn er in 2019 bestuurlijke afspraken gemaakt. Naast incidentele middelen (€ 420 miljoen in 2019, € 300 miljoen in 2020 en € 300 miljoen in 2021) werden daarbij ook afspraken gemaakt over de inhoudelijke begrenzing van de jeugdhulp, het terugdringen van vermijdbare uitgaven en de ordening van het zorglandschap. Onderdeel van de bestuurlijke afspraken was ook om in 2020 onderzoek te doen naar of, en zo ja in welke mate, gemeenten structureel extra budget nodig hebben bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet.
Het huidige kabinet heeft daarnaast middelen beschikbaar gesteld voor 2021 en 2022 en aanvullende afspraken gemaakt met gemeenten. Het is nu aan een nieuw kabinet om op basis van de nieuwe onderzoeksgegevens een integrale afweging te maken over (1) financiën en (2) noodzakelijke aanpassingen aan het jeugdhulpstelsel, zowel beleidsmatig als in de uitvoering.
Hoe verhoudt zich uw standpunt om nu geen extra middelen beschikbaar te stellen tot het recent verschenen advies «Rust-Reinheid-Regelmaat, Evenwicht in de bestuurlijk-financiële verhoudingen» van de Raad voor Openbaar Bestuur (ROB) en de kabinetsbrief over de kinderopvangtoeslag en de uitvoeringskracht van de (mede)overheden?
Op 3 juni jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de afspraken die Rijk en gemeenten hebben gemaakt naar aanleiding van de uitspraak van de Commissie van Wijzen. Het kabinet stelt in 2022 € 1,314 miljard extra beschikbaar aan gemeenten voor de tekorten vanwege de jeugdzorg. Dat komt bovenop de eerder toegezegde € 300 miljoen voor dat jaar. Gemeenten committeren zich daarbij aan de invulling van een set aan maatregelen die in 2022 een besparing van € 214 miljoen opleveren.
Deelt u de mening dat de financiering van de jeugdzorg snel verbeterd moet worden en niet kan wachten tot 2023? Zo ja, waarom en wanneer verwacht u dat gemeenten wel meer budget voor jeugdzorg gaan krijgen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe moeten gemeenten dan wel zorgen voor een afdoende aanbod van jeugdzorg in 2021 en 2022? Wat zijn de gevolgen voor jongeren die door het gebrek aan financiële middelen bij gemeenten mogelijk niet voldoende jeugdzorg kunnen krijgen?
Zowel het Rijk als de VNG zetten zich volop in voor jongeren en die met de meest ernstige klachten voorop. Dat er financiële tekorten zijn bij gemeenten heeft niets afgedaan aan de taak waar gemeenten voor staan. Gemeenten hebben een jeugdhulpplicht op grond van de Jeugdwet. De extra middelen die het kabinet beschikbaar heeft gesteld biedt perspectief aan deze groep jongeren die de hulp nodig heeft en aan gemeenten die deze taak uitvoeren en kunnen continueren en intensiveren.
Er ligt een grote gezamenlijke opgave voor het Rijk en gemeenten en andere partijen om de beheersbaarheid van het stelsel van de jeugdzorg te verbeteren. Gezien de urgentie van het onderwerp wordt, vooruitlopend op de besluitvorming van het nieuwe kabinet, nu al gestart met het voorbereiden van een beter houdbaar jeugdstelsel op de lange termijn. Op 3 juni jl. heb ik uw Kamer laten weten dat het Rijk en de VNG, in samenwerking met andere betrokken partijen (o.a. cliënten, aanbieders en professionals), zich committeren aan het opstellen van een hervormingsagenda, die bestaat uit de combinatie van een set van maatregelen en een financieel kader waarmee een structureel houdbaarder jeugdstelsel wordt gerealiseerd.
Deelt u de mening van de Vereniging Nederlandse Gemeeten (VNG) dat, omdat u nu geen extra budget beschikbaar stelt, u gezien de acute nood in de jeugdzorg tenminste perspectief zou moeten bieden op meer budget? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dit perspectief wel bieden? Zo nee, waarom laat u jongeren «met ernstige klachten zoals suïcidaliteit, eetstoornissen en depressie» in de steek?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van plan zich te houden aan de uitkomsten van de door de gemeenten ingestelde arbitrage? Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt is recht te doen aan de uitspraak van de commissie van wijzen. Naar aanleiding van de uitspraak van de Commissie van Wijzen is het kabinet in gesprek gegaan met de VNG. Als uitkomst van het genoemde gesprek hebben Rijk en VNG afspraken gemaakt voor 2022. Daarnaast committeren het Rijk en de VNG, in samenwerking met andere betrokken partijen (o.a. cliënten, aanbieders en professionals), zich aan het opstellen van een hervormingsagenda, die bestaat uit de combinatie van een set van maatregelen en een financieel kader waarmee een structureel houdbaarder jeugdstelsel wordt gerealiseerd.
Een nieuw kabinet zal moeten besluiten over de structurele financiën en noodzakelijke aanpassingen aan het jeugdhulpstelsel om de jeugdzorg in de toekomst effectief en beheersbaar te houden. De uitspraak van de Commissie van Wijzen dient daarbij als zwaarwegende inbreng.
Een werkbezoek aan de prefab-woningen in De Driesprong te Ermelo d.d. 6 maart 2021 |
|
Eppo Bruins (CU), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kent u de problemen in de prefab-woningen van Slokker Innovate in de wijk De Driesprong te Ermelo?1
Ja.
Herinnert u zich de berichten over problemen met soortgelijke prefab-woningen van Slokker Innovatie in Apeldoorn, Zeewolde, Ede, Culemborg en Huizen in 2019?2
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden d.d. 26 april 2019 op de vragen van het lid Beckerman (kenmerk 2019Z06718 d.d. 4 april 2019) waarin u onder andere schrijft dat alle fouten kunnen worden opgelost? Zijn alle fouten inmiddels opgelost? Hoe is er daar tot een oplossing gekomen?
Ik heb over de status van de problemen uit de brief van 26 april 2019 navraag gedaan bij Slokker. Slokker heeft aangegeven dat het een onderzoek heeft laten uitvoeren naar de vloeren waarover in 2019 klachten waren. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de vloeren voldoen aan de constructieve normen. Om tegemoet te komen aan de door bewoners aangedragen klachten van trillingen in deze vloeren heeft Slokker stempels geplaatst. Uit de veiligheidsverklaringen die zijn opgesteld door het ingenieursbureau dat het onderzoek heeft uitgevoerd blijkt dat deze stempels geen constructieve functie hebben, maar enkel zijn bedoeld om het comfort te verhogen. Slokker heeft tevens aangegeven dat voor alle projecten die hierna zijn uitgevoerd een vloerdikte van 100mm is toegepast in plaats van 70mm, waardoor stempels ter verbetering van het comfort niet nodig zijn.
Slokker heeft mij laten weten dat het alle bewoners van alle projecten heeft benaderd met de vraag of zij nog klachten hebben. Dit heeft geleid tot aanpassingen zoals verbeteringen van de waterdichtheid, het nastellen van deuren en het dichten van krimpscheuren. Slokker geeft aan alle klachten te hebben hersteld, zonder beoordeling of de betreffende klachten aan Slokker te wijten zijn.
Met betrekking tot het klantcontact heeft Slokker aangegeven dat zij de communicatie naar bewoners verbeterd heeft door hiervoor medewerkers aan te stellen en één loket te openen met een centraal e-mailadres.
Bent u bekend met het feit dat de bewoners in De Driesprong te Ermelo zich onveilig voelen, regelmatig ‘s nachts knallen horen en dat scheuren en barsten blijven toenemen? Bent u bekend met het feit dat de schuren inmiddels door woningcorporatie UWOON zijn afgesloten vanwege instortingsgevaar?3
Ik heb over de problemen navraag gedaan bij UWOON en Slokker. De woningen vertonen verticale scheuren en andere gebreken als gevolg van de (onderlinge) werking van de toegepaste materialen in het bouwwerk. Slokker inventariseert en beoordeelt momenteel in samenwerking met UWOON alle klachten die door de bewoners naar voren zijn gebracht.
Het overgrote deel van de opgehaalde klachten is volgens Slokker niet eerder bij hen gemeld. Slokker heeft mij laten weten dat zij ook deze nieuwe klachten zullen afhandelen.
De collectieve klacht die door bewoners is aangedragen betreft pop-outs, het loskomen van schilfers beton aan het oppervlak. Slokker geeft aan dat dit vaker voorkomt en dat dit weliswaar overlast geeft maar geen constructief gebrek betreft. Slokker onderzoekt momenteel met de betonleverancier wanneer dit proces stopt, waarna Slokker overgaat tot definitief herstel van dit ongemak.
UWOON heeft mij laten weten dat zij er alles doet om de gebreken te herstellen. Het project de Driesprong te Ermelo betreft 24 huurwoningen. Met twintig van de bewoners is inmiddels overeenstemming bereikt over de klachten en het herstel hiervan. UWOON is nog in gesprek met de resterende vier bewoners. Bij één woning zijn de gebreken dusdanig dat de bewoner om een alternatieve woning heeft verzocht. Aan deze bewoner zijn meermaals vervangende woningen aangeboden, waaronder ook een hoekwoning.
Wat de schuren betreft heeft UWOON mij laten weten dat de schuren bij het project de Driesprong bol zijn komen te staan als gevolg van het doorzakken van de wanden. Dit heeft geleid tot zorgen over de aanhechting tussen het dak en de muren. Een externe constructeur heeft de schuren beoordeeld en aan UWOON aangegeven het niet onverstandig te vinden om deze te sluiten. Op basis van dit signaal heeft UWOON uit voorzorg de schuren gesloten, waarbij containers als tijdelijke opslag beschikbaar zijn gesteld aan de bewoners. UWOON heeft dit besluit met de bewoners gecommuniceerd, waarbij het de bewoners tevens heeft laten weten dat de constructie van de schuren niet dezelfde is als die van de woningen. UWOON heeft tevens een onafhankelijke partij gevraagd om de constructies en installaties van de woningen te onderzoeken.
UWOON heeft mij laten weten dat zij een aannemer en installateur in de hand heeft genomen om kleine gebreken te verhelpen. UWOON is met bouwbedrijf Slokker in gesprek over de gebreken aan alle woningen, waaronder één woning met de meeste gebreken. Slokker heeft aangegeven dat het reeds een constructeur heeft langs gestuurd om de situatie te beoordelen. Op basis hiervan is geen acuut gevaar gesignaleerd en worden er stappen ondernomen om het gebrek te herstellen.
Wat vindt u ervan dat de woningen in Ermelo in grote haast zijn gebouwd en opgeleverd zodat nog van een provinciale subsidie kon worden geprofiteerd?
UWOON heeft mij het volgende laten weten. De provinciale subsidie was gedurende een bepaalde periode beschikbaar. UWOON wilde van deze subsidie gebruik maken en heeft daarom gezocht naar een bouwende partij die de woningen kon opleveren binnen de gestelde subsidietermijn. Gekozen is voor Slokker in verband met het voor prefab-woningen gebruikelijke korte bouwproces. Uiteraard moeten ook prefab-woningen voldoen aan de geldende bouwvoorschriften. De woningen zijn volgens UWOON niet met grote haast gebouwd, wel is gekozen voor een snelle bouwwijze. Ik kan deze werkwijze billijken.
Kunnen bewoners, zoals in België, proactief een verzoek tot onbewoonbaarverklaring doen bij de gemeente? Hoe gaat zoiets in zijn werk? Wat zijn hierbij de rechten van de bewoners en de plichten van de overheid?
In Nederland kunnen bewoners een handhavingsverzoek doen bij de gemeente als zij menen dat de woning niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012. De gemeente zal naar aanleiding van het handhavingsverzoek onderzoek doen en bij constatering dat er inderdaad niet voldaan wordt aan de bouwtechnische regels van het Bouwbesluit 2012, kan zij besluiten handhavend op te treden. Afhankelijk van de ernst kan de gemeente daarbij ook afdwingen dat de woning wordt ontruimd. Uit navraag bij gemeente Ermelo is gebleken dat de gemeente geen verzoek tot handhaving heeft ontvangen, noch zelf op basis van eigen waarnemingen aanleiding ziet om bij deze woningen handhavend op te treden.
Bent u van mening dat bewoners voldoende beschermd zijn? Zo niet, welke rechten zou u willen uitbreiden en welke wet- en regelgeving zou daarvoor moeten worden aangepast?
Huurders worden beschermd tegen gebreken op grond van het huurrecht. Zij kunnen zich hiervoor wenden tot de huurcommissie en de rechter. De huurcommissie kan in een zogenoemde onderhoudsprocedure een huurverlaging uitspreken. Afhankelijk van de ernst van de gebreken kan het hierbij gaan om een huurverlaging tot 20%, 30% of 40% van de overeengekomen huur. De rechter kan eveneens een lagere huur uitspreken, en daarnaast een verhuurder direct verplichten tot het opheffen van gebreken.
Als huurder kunnen de bewoners op basis van hun contractuele relatie de verhuurder aanspreken op gebreken in de woning. De verhuurder dient het gebrek te verhelpen indien hij daarvoor aansprakelijk is.
De huurder kan bij gebreken tevens zelf het gebrek herstellen en de kosten verhalen op de verhuurder, vermindering van de huurprijs vorderen wegens woongenot, of de huurder tot een schadevergoeding verplichten wegens woongenot. De corporatie kan ook een andere woning toewijzen. UWOON heeft ons laten weten reeds een huurverlaging te hebben doorgevoerd. Hierover is met twintig van de 24 bewoners, in combinatie met behandeling van de klachten, reeds overeenstemming bereikt. UWOON is nog in gesprek met de resterende vier bewoners. Aan de bewoner van de woning met de meeste gebreken is meermaals vervangende woningruimte aangeboden.
Gegeven de hiervoor aangegeven mogelijkheden voor bewoners acht ik hen voldoende beschermd. Ik acht uitbreiding of aanpassing van wet- en regelgeving op dit punt dan ook niet noodzakelijk.
Bent u, overwegend dat het Slokker bouwsysteem wel is gecertificeerd door SKG-IKOB op de voorschriften van het Bouwbesluit, van mening dat het verantwoord is om geen controle te hebben van de productie van het bouwsysteem, noch op de montage van de houwdegen op de bouw? Is kwaliteitscontrole door het bedrijf zelf voldoende, volgens u?
In de beantwoording van eerdere Kamervragen over prefab-woningen van het lid Beckerman op 29 april 20194 ben ik reeds ingegaan op de keuring en controle van prefab-materialen en -constructies. Slokker heeft mij destijds laten weten te beschikken over een KOMO-attest voor zijn bouwsysteem dat is afgegeven door de certificatie-instelling SKG-IKOB. Dit attest betreft een beoordeling van het bouwsysteem op de voorschriften van het Bouwbesluit. Er vindt in het kader van dit attest door SKG-IKOB geen controle plaats van de productie van de onderdelen van het bouwsysteem, noch op de montage van de bouwdelen. De prefab-woningen in Ermelo zijn opgeleverd in 2019, in de reeks woningen waarover de Kamervragen uit 2019 zijn gesteld. De woningen zijn voorafgaand aan de beantwoording geproduceerd, maar waren op dat moment nog niet opgeleverd. Slokker heeft aangegeven dat het, na de geconstateerde klachten over de kwaliteit van de woningen, de controle op de naleving van de procedures heeft verscherpt en er een kwaliteitsmanager van een zusteronderneming is ingeschakeld. Dit zal leiden tot de gewenste verbetering van de kwaliteitscontroles.
Ter verbetering van de bouwkwaliteit richt ik mij middels de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) op betere controle op het naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit. Zie verder bij antwoord 9 en 10.
Bent u van mening dat gemeenten in Nederland met het huidige aantal ambtenaren Bouw- en Woningtoezicht voldoende bouwkundige kennis en menskracht in huis hebben om op een verantwoorde wijze aan hun taak te voldoen? Zo ja, hoe kan het dan toch telkens weer fout gaan? Zo nee, wat gaat u daar aan doen?
Het is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever en degene die bouwt om te voldoen aan de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012. De gemeente heeft daarbij als bevoegd gezag een toezichts- en handhavingstaak. Het is aan gemeenten invulling te geven aan deze taak en te zorgen voor voldoende deskundige ambtenaren of de uitvoering hiervan te beleggen bij een regionale Omgevingsdienst. Mijn beeld is dat gemeenten hier in het algemeen goede invulling aangeven, maar dat juist de opdrachtgever en degene die bouwt meer aandacht moeten hebben voor een betere kwaliteitsborging. In dit kader neem ik met de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen5 stappen om de controle op het voldoen van bouwwerken aan de voorschriften van het Bouwbesluit beter te borgen. De Wkb beoogt om de controle op het bouwproces te versterken en daarmee de bouwkwaliteit te verhogen.
Om de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever en degene die bouwt voor het voldoen aan de voorschriften uit het Bouwbesluit te versterken wordt de controle op het bouwproces in de Wkb belegd bij een onafhankelijk kwaliteitsborger. De Bouwbesluitvoorschriften hebben betrekking op de kwaliteit van een gerede woning: het maakt daarbij niet uit of de woning traditioneel of geprefabriceerd is gebouwd.
De geprefabriceerde onderdelen maken nadrukkelijk onderdeel uit van de controlewerkzaamheden. Pas nadat de kwaliteitsborger een verklaring aan de gemeente heeft verstrekt dat er een gerechtvaardigd vertrouwen is dat het uiteindelijk gerealiseerde bouwwerk voldoet aan de voorschriften uit het Bouwbesluit mag het bouwwerk in gebruikt worden genomen.
In aanvulling hierop worden met de inwerkingtreding van de Wkb ook regels inzake aansprakelijkheid aangescherpt. Daar waar een aannemer na oplevering niet meer aansprakelijk is voor gebreken die bij opleveren redelijkerwijs had moeten ontdekken, is de aannemer na invoering van de Wkb aansprakelijk voor alle hem toe te rekenen gebreken.
Ik ben ervan overtuigd dat de combinatie van externe controle en aangepaste aansprakelijk in positieve zin zal bijdragen aan de positie van de consument en de kwaliteit in de bouw.
Hoe kan de kwaliteitsborging bij de bouw van prefab-woningen verbeterd worden? Welke wet- of regelgeving zou daarvoor kunnen worden aangescherpt?
Zie antwoord vraag 9.
Het artikel ‘Woningbouwimpuls zorgt voor bijna 45.000 nieuwbouwwoningen’ en de uitvoering van de aangenomen motie Koerhuis c.s. over de ondergrens verlagen naar 200 woningen |
|
Kelly Regterschot (VVD), Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kunt u in een overzicht aangeven, per provincie, welke projecten in de eerste en tweede tranche zijn ingediend en wat het aantal woningen is dat per project gerealiseerd zou gaan worden?1
Een overzicht van de projecten die een toekenning hebben ontvangen is eerder gepubliceerd op www.woningmarktbeleid.nl/onderwerpen/woningbouwimpuls.
Daarnaast is een totaaloverzicht bijgevoegd in bijlage 1.
Kunt u ook aangeven als er projecten niet gehonoreerd zijn, om welke reden dat was (zowel in de eerste als tweede tranche)? Kunt u daarbij expliciet maken of een selectiecriterium het aantal te realiseren woningen was?
In de eerste (25) en tweede tranche (23) zijn in totaal 48 projecten afgewezen. Het merendeel van de aanvragen is niet gehonoreerd omdat het opgevoerde financiële tekort in onvoldoende mate gevalideerd kon worden. Dit valt onder het criterium «noodzaak van de bijdrage». Binnen dit criterium wordt onder meer gekeken naar het realiteitsgehalte en onderbouwing van de opgevoerde kosten en opbrengsten en naar de mate waarin optimalisaties om het tekort kleiner te maken ook daadwerkelijk zijn doorgevoerd. Daarnaast is een tweetal aanvragen niet gehonoreerd omdat onvoldoende duidelijk was wat de gevolgen zouden zijn voor het project als de uitkering niet wordt toegekend. Dit element valt eveneens onder het criterium «noodzaak van de bijdrage», waarbij een van deze projecten ook een onvoldoende had op het criterium «efficiëntie». Tot slot is een project afgewezen vanwege veel onzekerheden rond de planning gecombineerd met een relatief hoge bijdrage per woning (criteria effectiviteit en efficiëntie).
Er zijn geen aanvragen binnengekomen van projecten met minder dan 500 woningen. Er zijn dan ook geen projecten afgewezen om deze reden. In de tussentijdse evaluatie van de Woningbouwimpuls die bijna gereed is en op korte termijn naar uw Kamer wordt gestuurd, komt dit onderwerp aan de orde. Daarbij zal ik nadere toelichting geven op de achtergronden van de gemeenten die geen projecten hebben ingediend vanwege de 500-grens.
Hoe is de aangenomen motie-Koerhuis c.s.2 uitgevoerd binnen de tweede tranche?
Het aanvraagtijdvak voor de tweede tranche liep van 26 oktober tot en met 23 november 2020. De motie Koerhuis is op 9 november jl. aangenomen. Het was daarom niet mogelijk om de voorwaarden van de reeds geopende tweede tranche nog te wijzigen. De motie Koerhuis is daarom niet betrokken bij de uitvoering van de tweede tranche Woningbouwimpuls.
Wat is de reden dat u ervoor gekozen heeft om het budget in de tweede tranche van de Woningbouwimpuls te overschrijden?
De woningbouwopgave is groot en het is belangrijk dat alle zeilen worden bijgezet om de productie te vergroten en om meer betaalbare woningen te bouwen. Uit de adviezen die ik heb ontvangen van de Toetsingscommissie bleek dat er meer aanvragen een positief advies hadden ontvangen dan dat er middelen beschikbaar waren. Zoals ik eerder in mijn brief heb gemeld3 speelde in mijn beslissing mee dat het woningtekort verder is opgelopen. Door alle aanvragen met een positief advies te honoreren, wil ik voorkomen dat projecten die van voldoende kwaliteit zijn vertraging oplopen doordat er een ongedekt financieel tekort blijft. Belangrijk is dat het hierbij ging om een beperkt aantal projecten.
Deelt u de mening dat een regiotoets kan zorgen voor een betere spreiding en verdeling van de financiële middelen van de Woningbouwimpuls? Kunt u aangeven hoe deze regiotoets vorm krijgt in de derde tranche Woningbouwimpuls? Zo nee, waarom niet?
In grote delen van Nederland is sprake van een tekort aan betaalbare woningen. Deze tekorten spelen niet alleen in grootstedelijke gebieden, maar ook in andere delen van het land. De spreiding van de Woningbouwimpuls in de tweede tranche is reeds groter dan in de eerste tranche. Zo zijn er in de tweede tranche acht projecten toegekend in Noord en Oost Nederland en een in Limburg voor in totaal € 53 miljoen (excl. BTW). In de eerste tranche waren dit vier projecten voor alle drie de genoemde gebieden voor in totaal € 20 miljoen (excl. BTW).
De tussentijdse evaluatie van de Woningbouwimpuls is bijna gereed en wordt op korte termijn naar uw Kamer gestuurd. In de begeleidende brief zal ik nader ingaan op de motie Koerhuis c.s. over het verlagen van de ondergrens van 500 woningen.
Op welke manier is de introductie van een regiotoets bij gemeenten onder de aandacht gebracht?
De regiotoets maakt op dit moment geen onderdeel uit van de Woningbouwimpuls. Zodoende is er geen actieve communicatie geweest over dit onderwerp.
Kunt u aangeven waarom u denkt dat de resterende 250 miljoen euro voldoende is om zowel nieuwe als lopende (kansrijke) aanvragen in voldoende mate te bedienen? Hoe gaat u kiezen indien de situatie zich voordoet dat de Toetsingscommissie meer projectaanvragen positief beoordeelt dan dat er budget voor is? Hoe zorgt u voor voldoende spreiding van projecten over het hele land?
De derde tranche van de Woningbouwimpuls zal de laatste zijn met de huidige beschikbare middelen. Er is circa € 250 mln. beschikbaar. Op basis van signalen van gemeenten en provincies verwacht ik veel aanvragen voor deze tranche. Ik verwacht, gelet op de omvang van de woningbouwopgave in de komende jaren, niet dat de resterende middelen van de Woningbouwimpuls voldoende zullen zijn om alle woningbouwprojecten met een publiek tekort en meer dan 500 woningen te kunnen ondersteunen. Of er meer middelen voor dit instrument beschikbaar komen, is afhankelijk van de uitkomsten van de lopende kabinetsformatie.
Met de € 250 mln. aan beschikbare middelen is er een gerede kans dat er meer aanvragen een positief advies zullen ontvangen van de Toetsingscommissie dan dat er middelen beschikbaar zijn om uit te keren. In het Besluit en de Regeling Woningbouwimpuls 2020 is reeds een procedure vastgelegd hoe ik de aanvragen zal rangschikken indien honorering van het aantal positief beoordeelde aanvragen zou leiden tot overschrijding van het uitkeringsplafond.
In de brief met de bevindingen van de tussentijdse evaluatie van de Woningbouwimpuls zal ik nader ingaan op de spreiding van de middelen.
Het bericht dat mensen op bungalowpark Eper Sprengen de telkens loerende toezichthouders zat zijn. |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Telkens loerende toezichthouders ... Op bungalowpark Eper Sprengen zijn ze het zat»?1
Ja.
Herkent u de signalen dat gemeente Epe jacht maakt op mensen die in een recreatiewoning verblijven?
Het is mij bekend dat de gemeente Epe handhavend optreedt ten aanzien van permanente bewoning van recreatiewoningen.
Acht u het wenselijk en proportioneel dat gemeente Epe vragen stelt aan mensen over hun geloofsovertuiging in het kader van het toezicht op een bestemmingsplan?
Gemeenten moeten ook bij het uitvoeren van hun handhavende taak handelen binnen de kaders die de wet stelt. De Algemene wet bestuursrecht (art. 5.13) stelt: «Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.» Ik acht het daarmee onwenselijk dat vragen gesteld worden naar zaken die niet noodzakelijk zijn voor het toezicht op het bestemmingplan. Overigens stelt de gemeente dat er in de betreffende casus niet gevraagd is naar geloofsovertuiging door de toezichthouders.
Hoe rijmt u het bovenstaande met de aangenomen motie-Van Eijs, Koerhuis, Dik-Faber en Krol over het toepassen van de menselijke maat in de handhaving op het verblijf in recreatiewoningen?2
Het is belangrijk dat gemeenten bij handhavend optreden aandacht hebben voor de mogelijkheden voor vervolghuisvesting, zeker wanneer het kwetsbare personen betreft.
Deelt u de mening dat het herbestemmen van recreatieparken ook in gemeente Epe een goede oplossing is voor de leefbaarheid van recreatieparken? Bent u bereid het aanjaagteam hiervoor in te zetten?
De lokale overheid heeft het beste zicht op de ter zake doende belangen en mogelijkheden van een specifiek park. Het aanjaag- en expertteam kan, op verzoek van gemeenten, expertise inzetten, wanneer gekozen wordt voor een transformatie naar de bestemming Wonen.
Bent u bereid de gemeente Epe aan te spreken op uw oproep in de Kamerbrief d.d. 8 december 20203 om tijdens de tweede coronagolf de menselijke maat te betrachten in de handhaving op het verblijf in recreatiewoningen?
Ik heb mijn eerdere oproep naar aanleiding van de Kamervragen nog eens onder de aandacht gebracht bij de gemeente Epe.
De onafhankelijkheid van de organisatie die de beveiliging van de verkiezingssoftware heeft onderzocht |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat de Kiesraad de beveiliging van de software die wordt gebruikt bij het vaststellen van de verkiezingsuitslag en het berekenen van de zetelverdeling (OSV2020) heeft laten onderzoeken door de organisatie Hackdefense1? Wanneer en op welke wijze bent u hiervan op de hoogte geraakt?
Ja. Het Ministerie van BZK is door de Kiesraad begin oktober 2020 geïnformeerd over het rapport dat Hackdefense had gemaakt met betrekking tot de versie van de ondersteunende software verkiezingen (OSV2020) die gebruikt ging worden bij de herindelingsverkiezingen van november 2020. Dat rapport heeft de Kiesraad op 19 oktober 2020 openbaar gemaakt op de website www.kiesraad.nl. Ik heb daar melding van gemaakt in mijn reactie op het rapport van de Stichting Tegen Hackbare Verkiezingen op 19 november 20202.
Bent u ervan op de hoogte dat Hackdefense B.V. één bestuurder heeft, namelijk QCSEC B.V., waarvan de heer K. de enig aandeelhouder is? Wanneer en op welke wijze bent u hiervan op de hoogte geraakt?
Nee, hier ben ik naar aanleiding van uw vragen van op de hoogte gesteld.
Bent u ervan op de hoogte dat de heer K. actief lid en politicus is van D66? Wanneer en op welke wijze bent u hiervan op de hoogte geraakt?
Nee, hier ben ik naar aanleiding van uw vragen van op de hoogte gesteld.
Bent u ervan op de hoogte dat de heer K. zich in het verleden meermaals zeer provocerend en vijandig heeft uitgelaten over FvD2 respectievelijk de PVV3? Hoe beoordeelt u deze uitlatingen?
Nee, hier ben ik naar aanleiding van uw vragen van op de hoogte gesteld. Het is niet aan mij om deze uitlatingen te beoordelen.
Wat vindt u ervan dat de beveiliging van de verkiezingssoftware uitsluitend is onderzocht door een organisatie die onder volledige zeggenschap staat van een actief lid en politicus van D66, terwijl u als bewindspersoon die lid is van D66 verantwoordelijk bent voor het stelsel van eerlijke en transparante verkiezingen?
De Kiesraad heeft, zoals blijkt uit het antwoord op vraag 7, een Europese aanbesteding uitgevoerd. De betreffende opdracht is conform de aanbestedingsregels in de markt gezet. Het Ministerie van BZK heeft geen betrokkenheid gehad bij de onderzoeken en/of testen die de Kiesraad heeft laten uitvoeren.
Erkent u dat door deze gang van zaken de schijn van belangenverstrengeling, partijdigheid en/of afhankelijkheid is ontstaan? Zo nee, waarom niet?
De Kiesraad heeft conform de aanbestedingsregels gehandeld. Zoals blijkt uit het ambtsbericht van de Kiesraad (zie antwoord op vraag 7) heeft de Kiesraad de uitgebrachte aanbiedingen beoordeeld op basis van vooraf vastgestelde criteria.
Zijn door de Kiesraad ook offertes opgevraagd bij, of gesprekken gevoerd met andere organisaties voordat de opdracht aan Hackdefense gegund werd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke argumenten zijn doorslaggevend geweest om met Hackdefense in zee te gaan?
Ik heb de Kiesraad gevraagd om uiteen te zetten hoe de Kiesraad te werk is gegaan bij het aanbesteden van de betreffende opdracht. Het ambtsbericht dat ik daarover van de Kiesraad heb ontvangen treft u als bijlage bij deze antwoorden aan.5
In het ambtsbericht is naar mijn mening duidelijk aangegeven welke aanbestedingsprocedure de Kiesraad gevolgd heeft.
Bent u of iemand van het ministerie op enige wijze betrokken geweest bij de totstandkoming van het besluit van de Kiesraad om de opdracht aan Hackdefense te gunnen?
Conform de aanbestedingsregels heeft UBR/HIS6 de Kiesraad begeleidt bij de Europese aanbesteding. De Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR) is een multidisciplinaire uitvoerder op het gebied van bedrijfsvoering binnen het Rijk en is zodoende betrokken bij alle Europese aanbestedingstrajecten van het Rijk.
Er is geen andere betrokkenheid van het Ministerie van BZK geweest bij de aanbesteding en het vervolg daarop.
Zijn er ooit formele of informele contacten geweest tussen de Kiesraad en het ministerie over Hackdefense, in welke context dan ook? Zo ja, kunt u een overzicht verstrekken van deze contacten met een duiding van de aard en inhoud daarvan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 heeft UBR|HIS betrokkenheid gehad bij de Europese aanbesteding van de Kiesraad.
De Kiesraad heeft (zie ook het antwoord op vraag 1) begin oktober 2020 het Ministerie van BZK geïnformeerd over het rapport dat Hackdefense had gemaakt met betrekking tot de versie van OSV die gebruikt ging worden bij de herindelingsverkiezingen van november 2020. In de weken daarna heeft de Kiesraad aan het Ministerie van BZK gemeld dat Hackdefense ook de TK-versie versie van OSV2020 zou gaan onderzoeken.
Bent u bereid om in overleg met de Kiesraad met spoed (dus vóór 15 maart 2021) een second opinion aan te vragen over de beveiliging van de verkiezingssoftware, bij een organisatie die kennelijk onafhankelijk en onpartijdig is? Zo nee, waarom niet?
De OSV is in opdracht van de Kiesraad ontwikkeld en wordt door de Kiesraad beheerd en onderhouden. Het is de Kiesraad die in dat kader onderzoeken en testen laat uitvoeren. Naar mijn mening heeft de Kiesraad voor het laten uitvoeren van dergelijke onderzoeken gehandeld conform de geldende aanbestedingsregels.
Wilt u deze vragen uiterlijk op 12 maart a.s. en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. De vragen zijn ingediend op 12 maart jl. en konden dus niet op 12 maart beantwoord worden. De vragen zijn zo snel als dat kon beantwoord.
Het bericht 'Groningers in bevingsgebied moeten nog langer wachten op smartengeld' |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Groningers in bevingsgebied moeten nog langer wachten op smartengeld»? Wat vindt u van het bericht?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Het op deze schaal vergoeden van immateriële schade is volledig nieuw in Nederland en het is daarom belangrijk dat dit zeer secuur en goed uitgewerkt wordt. Desalniettemin heb ik begrip voor de mogelijke teleurstelling die het uitstel met zich meebrengt.
Deelt u de mening dat vertraging, terwijl Groningers al heel lang wachten, slecht uitlegbaar is? Zo nee, waarom niet?
Deze vertraging is erg vervelend en er wordt hard gewerkt om verder uitstel te voorkomen. Het doel is om de procedure zo in te richten dat deze enerzijds recht doet aan de persoonlijke situatie van de aanvrager en anderzijds niet te belastend is voor de aanvrager. Daarbij is het voor de afhandeling van aanvragen om vergoeding van immateriële schade van belang om de werkwijze zodanig vorm te geven dat er een vergoeding geboden wordt voor het leed en verdriet van een groot aantal Groningers, maar dat de aanvragen ook met toepassing van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht afgewikkeld worden.
Om hiertoe te komen, vraagt het IMG input van betrokken stakeholders zoals maatschappelijke organisaties, onderzoekers en gemeenten. De vertraging is begrijpelijk in het licht van voorgenoemde complexiteit. Dat neemt niet weg dat het uiteraard erg vervelend is dat Groningers nog langer moeten wachten op het kunnen aanvragen van een vergoeding voor immateriële schade.
Kunt u een uitgebreide uitleg geven waarom de regeling immateriële schade nu vertraging oploopt? Wat is er zo complex?
De werkwijze voor de vergoeding van immateriële schade zoals het IMG die ontwikkelt, is uniek in Nederland, zowel qua inhoud als qua omvang. Het IMG handelt aanvragen tot vergoeding van immateriële schade af met toepassing van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht, en dat wettelijke kader is beperkt. Volgens de wet bestaat alleen in een beperkt aantal gevallen een recht op vergoeding voor immateriële schade. Bovendien vergt de beoordeling van een recht op vergoeding van immateriële schade volgens de vaste jurisprudentie een hoogstpersoonlijke, individuele beoordeling. Deze combinatie van het hoogstpersoonlijke karakter van de vordering en de grote aantallen aanvragen roept zeer complexe vragen op. Er is geen regeling of werkwijze bekend die daarbij als voorbeeld kan dienen. Grote aantallen vragen om een sterke mate van standaardisering en automatisering van de procedure, omdat anders de afhandeling van zoveel aanvragen mogelijk vele jaren zal duren. Standaardisering staat echter op gespannen voet met het hoogstpersoonlijke karakter van de vordering. De inhoud van de werkwijze, de ICT-systemen en de uitvoering moeten dus volledig nieuw worden ontwikkeld. Daar is meer tijd voor nodig.
De aanvrager moet zelf in de aanvraag motiveren dat er op grond van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht een recht op schadevergoeding bestaat. Tegelijkertijd vind het IMG het belangrijk dat de drempel voor het aanvragen van een vergoeding voor immateriële schade voor burgers laag ligt en dat burgers zoveel mogelijk worden ontzorgd in de aanvraag van een vergoeding. Daarom probeert het IMG de procedure zo eenvoudig en toegankelijk mogelijk te maken, door aanvragers te helpen bij het onderbouwen van een persoonsaantasting. Dat doet het IMG onder meer door benodigde gegevens te verzamelen en klaar te zetten voor de aanvrager. Tegelijkertijd streeft het IMG ernaar de werkwijze voor immateriële schade, die gaat over de erkenning van ernstig leed en verdriet in Groningen, ook zo persoonlijk mogelijk te maken. Als laatste vindt binnen het IMG nog op verschillende onderwerpen onderzoek plaats. Om tot een evenwichtige en genuanceerde werkwijze te komen was uitvoerig juridisch en sociaal-psychologisch onderzoek nodig. Het IMG buigt zich nog over de wijze waarop de persoonlijke beleving gaat meewegen bij de beoordeling van de aanvraag.
Het is een ingewikkelde en veeleisende opgave om dit alles bij elkaar te brengen in een begrijpelijke en goed uitvoerbare werkwijze. Er wordt veelvuldig met tal van partijen overleg gevoerd om te toetsen of de ontworpen werkwijze tot het gewenste resultaat zal leiden. Het IMG betreurt dat de voorbereiding van de werkwijze meer tijd heeft gevergd dan aanvankelijk gedacht, maar achtte eerdere concepten van een werkwijze onvoldoende evenwichtig en genuanceerd. Het IMG heeft daarom meer tijd nodig voor de voorbereiding.
Kunt u aangeven waarom niet eerder ingeschat is dat een dergelijke regeling nieuw en complex is, zodat een realistische planning richting de Groningers kon worden gegeven?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, buigt het IMG zich momenteel nog over o.a. de wijze waarop de persoonlijke beleving gaat meewegen bij de beoordeling van de aanvraag tot immateriële schadevergoeding. Met de komst van een nieuw bestuurslid per 1 oktober 2020 is de kennis binnen het IMG bestuur verbreed met expertise op psychosociaal gebied. Dit heeft mede geleid tot het creëren van andere invalshoeken en nieuwe inzichten op sociaal-maatschappelijk vlak binnen het inrichten van de werkwijze. Het IMG neemt deze inzichten mee om zo goed mogelijk van start te gaan met de werkwijze.
Wat is de nieuwe planning voor de regeling immateriële schade nu? Hoe realistisch is die?
Het IMG heeft aangegeven eind tweede kwartaal van dit jaar te kunnen starten met de afhandeling van aanvragen om vergoeding van immateriële schade. Die start zal gefaseerd zijn, te beginnen met honderd huishoudens. Daarna wordt het aantal huishoudens stapsgewijs uitgebreid. Deze gefaseerde start biedt het IMG de kans de opgedane ervaringen te gebruiken voor eventuele aanpassingen voordat de afhandeling grootschaliger wordt.
Welke versnellingsmogelijkheden ziet u nog om toch eerder te beginnen dan eind tweede kwartaal 2021, dan wel in het traject straks tijd in te halen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, heeft het IMG gecommuniceerd dat eind tweede kwartaal van dit jaar gestart wordt met de afhandeling van aanvragen om vergoeding van immateriële schade volgens de nieuwe werkwijze. Het IMG start met een kleine groep om voldoende ervaring op te doen voor het op grotere schaal toepassen van de werkwijze. Hierdoor kan mogelijk gedurende het traject tijd bespaard worden.
Deelt u de mening dat, zeker in Groningen, het belangrijk is dat er geen vertraging in regelingen optreedt?
Die mening deel ik. Ik ben echter ook van mening dat een werkwijze voor afhandeling van een complexe schadevorm zorgvuldig tot stand moet komen. Het zou zeer onwenselijk zijn dat de Groningers met een gebrekkige of te belastende werkwijze te maken krijgen.
Hoe en wanneer is, of wordt dit bericht aan de gedeputeerden zelf, die aanspraak zouden kunnen maken op de regeling immateriële schade, gecommuniceerd?
Het IMG heeft middels een nieuwsbericht van 10 maart op zijn website gecommuniceerd over de latere start van de werkwijze voor afhandeling van aanvragen om vergoeding van immateriële schade.
Waarom moet de Tweede Kamer dit bericht uit de media vernemen en is de Tweede Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
Adequate informatievoorziening richting uw Kamer over de gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag bij Norg, en de gevolgen hiervan, is uiteraard belangrijk. Ik informeer uw Kamer regelmatig over de ontwikkelingen met betrekking tot de schadeafhandeling door het IMG en de mijlpalen die het IMG verwacht te halen. Ik zal uw Kamer ook proactief informeren over de ontwikkelingen omtrent de werkwijze voor de vergoeding van immateriële schade.
Kunt u toezeggen dat indien er in de toekomst onverhoopt weer van dit soort ontwikkelingen zijn, de Kamer wordt geïnformeerd voordat het in de media verschijnt?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 9 aangaf, mag u van mij pro-actieve informatievoorziening verwachten.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat zulke vertragingen van regelingen richting gedupeerden in Groningen in de toekomst worden voorkomen?
Het IMG bepaalt vanuit zijn onafhankelijk positie als zelfstandig bestuursorgaan zelf het proces van totstandkoming van de werkwijzen voor de afhandeling van schade, de inhoud daarvan en de communicatie hierover. Het is van belang om te noemen dat ik vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid voor het IMG regelmatig overleg voer met het IMG om vinger aan de pols te houden over de belangrijkste ontwikkelingen en het IMG van de benodigde mensen en middelen voorzie om zijn taak uit te voeren. Ik kan echter niet garanderen dat er geen vertraging optreedt op basis van nieuwe ontwikkelingen of onvoorziene complexiteit.
Kunt u aangeven in hoeverre de waardedalingsregeling op schema ligt of wat de voortgang daarvan is?
Sinds 1 september 2020 handelt het IMG aanvragen om vergoeding van schade door waardedaling voor woningen af met behulp van zijn werkwijze voor schade door waardedaling aan woningen (de waardedalingsregeling). Sindsdien zijn 88.000 aanvragen gedaan, heeft het IMG circa 78.000 besluiten genomen en 350 miljoen euro aan schadevergoeding toegekend. Aanvragers waarderen de waardedalingsregeling met het cijfer 8,2. Bij de start van de waardedalingsregeling is uitgegaan van ongeveer 110.000 aanvragen, de uitvoering van de waardedalingsregeling loopt daarom op schema. Het IMG bekijkt de komende periode hoe inwoners die recht hebben op schadevergoeding, maar nog geen aanvraag in hebben gediend, bereikt kunnen worden.
De klacht tegen Nederland die de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines op 9 november 2015 heeft ingediend bij het Compliance Committee van het Verdrag van Aarhus van 1998 |
|
Henk van Gerven |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Bent u op de hoogte van de klacht tegen Nederland die de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines op 9 november 2015 heeft ingediend bij het Compliance Committee van het Verdrag van Aarhus van 1998 en van het feit dat tot op heden (dat wil zeggen bijna 5½ jaar na dato) dat Committee nog steeds geen beslissing heeft genomen over die klacht?1
Ja.
Heeft u een verklaring voor het feit dat in deze procedure het Aarhus Compliance Committee nog steeds geen beslissing heeft genomen en zo ja, wat is dan de reden voor het uitblijven van een beslissing?
Het is helaas niet mogelijk om u te informeren over de reden van het uitblijven van een beslissing, aangezien het Aarhus nalevingscomité over zijn eigen werkindeling en -methoden gaat. Wel blijkt uit rapportages van het comité dat de werklast zich flink heeft ontwikkeld en dat het comité kijkt naar mogelijkheden om de productiviteit en effectiviteit van het werk te verbeteren.
Hoe oordeelt u over de mogelijke gevolgen van een beslissing van het Aarhus Compliance Committee in deze procedure voor de rechtsgeldigheid van bepalingen ter zake van inspraak door burgers in de Algemene wet bestuursrecht en in de nieuwe Omgevingswet en dit zowel onder het rechtsregime van het Verdrag van Aarhus als onder dat van de richtlijnen vastgesteld door de Europese Unie in 2003 ter implementatie van dat Verdrag?
Ik kan geen oordeel geven over de mogelijke gevolgen van een beslissing van het Aarhus nalevingscomité zolang het comité de zaak in behandeling heeft en nog geen beslissing heeft genomen.
Bent u van mening dat het wenselijk is op zo kort mogelijke termijn een einde te maken aan rechtsonzekerheid over de rechtmatigheid van het handelen van Nederland onder de relevante bepalingen van het Verdrag van Aarhus en van de implementatie-richtlijnen van de Europese Unie, mede ook vanwege de invoering van de Omgevingswet in 2022?
Er is geen sprake van rechtsonzekerheid over de rechtmatigheid van het handelen van Nederland. In Nederland is het inspraakvereiste uit het Verdrag van Aarhus geïmplementeerd door afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing te verklaren en toe te passen op besluiten over activiteiten die vallen onder artikel 6 van het Verdrag van Aarhus en op plannen die vallen onder artikel 7. Een ieder kan zienswijzen naar voren brengen over een ontwerpbesluit of -plan. Dat geldt straks ook voor besluitvorming op basis van de Omgevingswet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat het indienen van een zienswijze op een ontwerpbesluit of -plan een juiste implementatie vormt van het inspraakvereiste. Mocht het Aarhus nalevingscomité tot een ander oordeel komen, dan heeft dat niet tot gevolg dat de Nederlandse bepalingen buiten toepassing moeten worden gelaten. De aanbevelingen van het nalevingscomité zijn niet bindend en op de toekomst gericht. Op de mogelijke gevolgen kan ik nog niet vooruitlopen.
Ziet u mogelijkheden om bij het Aarhus Compliance Committee aan te dringen op een spoedige afronding van de procedure? Zo ja, bent u bereid die middelen in te zetten?
Het Aarhus nalevingscomité gaat over zijn eigen werkindeling en -methoden. Gezien de onafhankelijkheid van het Aarhus nalevingscomité, zie ik geen mogelijkheden om bij het comité aan te dringen op een spoedige afronding van de procedure.
Het bericht dat de provincie ingrijpt bij een datacenter in Middenmeer (Hollands Kroon) |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Provincie grijpt in bij datacenter»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat de rechtszaak tussen de provincie Noord-Holland en de gemeente Hollands Kroon, over wie het bevoegd gezag is bij het plaatsen van megagebouwen zoals datacenters, geen fraai beeld oplevert voor inwoners?
Het heeft altijd de voorkeur dat overheden in goed onderling overleg tot een gezamenlijk inzicht komen. De provincie Noord-Holland en de gemeente Hollands Kroon zijn in overleg, er is vooralsnog geen sprake van een rechtszaak. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland (GS) stelt zich op het standpunt dat zij bevoegd gezag is.
Bent u het daarom mee eens dat u als bewindspersoon dit sluimerende probleem al eerder had moeten signaleren en in deze kwestie ook eerder had moeten optreden om zo te voorkomen dat dit conflict in de rechtszaal wordt uitgevochten?
Nee. De aanwijzing van het bevoegd gezag is geregeld in het Besluit omgevingsrecht. Indien hierover een conflict ontstaat is het uiteindelijk aan de rechter om hier een oordeel over te vellen.
Bent u het, los van deze casus in Hollands Kroon, ermee eens dat het verstandig is dat bij dit soort grootschalige bouwprojecten het Rijk of de provincie aan zet is om te bepalen of deze megagebouwen gebouwd kunnen worden?
In dit antwoord maak ik onderscheid tussen het bevoegd gezag voor de milieuvergunning (vraag 3) en de keuze over op welke locaties datacentra toegestaan kunnen worden. Dit laatste is een ruimtelijke afweging, die van oudsher primair ligt bij de gemeente.
Het is wel mogelijk dat provincie of Rijk vanwege provinciale of nationale belangen nadere kaders stellen aan deze gemeentelijke ruimtelijke afweging.
Maakt u zich ook zorgen dat de komst van deze datacenters, maar ook distributiecentra, het landschap in onbebouwde gebieden stevig aantast?
In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is afgesproken dat hyperscale datacenters zich bij voorkeur aan de randen van Nederland vestigen zoals op de bestaande locaties Eemshaven en Middenmeer. In de NOVI kondig ik ook aan dat het Rijk beoogt om met medeoverheden via de Omgevingsagenda’s selectieve groei voor datacenters uit te werken. In de Metropool Regio Amsterdam (MRA) maak ik de integrale afweging voor het 4e connectiviteitscluster in het kader van de Verstedelijkingsstrategie MRA.
Voor distributiecentra zet de NOVI in op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies langs (inter)nationale corridors op logistieke knooppunten langs deze corridors. Dit beperkt de invloed van verspreide locaties op het landschap en extra mobiliteit en versterkt het logistieke systeem en onze economie.
Vindt u het ook van belang dat datacenters, maar ook distributiecentra en andere vormen van verdozing, beter ingepast dienen te worden in het landschap?
Ja, zie het antwoord op vraag 5. Dit onderwerp zal vanaf 2022 ook aan de orde komen in de (tweejaarlijkse) monitor voor NOVI en eind 2024 in de (vierjaarlijkse) evaluatie.
Aangezien de verdozing niet alleen in de Noordkop speelt, maar ook in andere delen van Noord-Holland en bijvoorbeeld ook in Limburg of in Noord-Brabant, bent u bereid landelijke regels op te stellen voor het bouwen van datacenters en distributiecentra zodat deze gebouwen beter worden ingepast in het landschap?
Dat is wat mij betreft nu niet aan de orde. Een eerste stap is om met medeoverheden het vestigingsbeleid voor deze bedrijven uit te werken, te monitoren en te evalueren. Het eventueel overwegen van nadere regels is pas daarna aan de orde.
De voorgenomen verkoop van het gemeentelijk recreatieoord Hoek van Holland |
|
Sandra Beckerman , Frank Futselaar |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op het artikel in de NRC, het voornemen van de gemeente Rotterdam om het gemeentelijke recreatieoord via een aanbesteding te verkopen en de petitie voor behoud van het recreatieoord uit 1923 die inmiddels meer dan 12,5 duizend keer is ondertekend?1 2
Uit het artikel maak ik op dat het besluit van het Rotterdamse college, om een recreatieoord dat in eigendom en beheer is bij de gemeente aan een marktpartij te verkopen (althans in erfpacht uit te geven), voor ophef zorgt en vragen oproept. De recreanten zijn bezorgd dat de nieuwe erfpachter/exploitant de huur verhoogt of opzegt en dat zij dan de plek en de waarde van hun huisjes verliezen. In dit verband is van belang dat de voorgenomen vestiging van een erfpachtrecht een bevoegdheid is van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, waarbij in dit geval de beslissing nog aan de gemeenteraad wordt voorgelegd. Als Minister van BZK heb ik in deze kwestie geen rol of bevoegdheid.
Welke wettelijke rechten hebben eigenaren en huurders van recreatiewoningen wanneer de (grond)eigenaar de grond verkoopt, zoals het voornemen is van de gemeente Rotterdam? Welke mogelijkheden tot inspraak of bezwaar hebben de recreanten, huurders en eigenaren?
Voor zover u doelt op de rechten van de huurders in het traject, kan ik aangeven dat uit openbare informatie van de gemeente blijkt dat het college van plan is om de grond via een aanbesteding in erfpacht uit te geven. Potentiële nieuwe exploitanten die aan de aanbesteding deelnemen, moeten in dat traject aangeven hoe zij met de belangen van de huurders willen omgaan. Het college geeft aan dat het, om er zeker van te zijn dat alle belangen gehoord worden, een advies zal vragen aan de gebiedscommissie en dat het in overleg zal gaan met de Recreanten Adviesraad (RAR) van het recreatieoord. Uit openbare informatie van de gemeente blijkt tevens dat er op 14 december 2020 een informatiebijeenkomst is geweest, er een online spreekuur is en dat de gemeenteraad in april inspraak organiseert. Het is belangrijk dat mensen hun mening, vragen of zorgen aan het college en de gemeenteraad laten horen zodat het gemeentebestuur een beslissing kan nemen waarbij alle betrokken belangen meegenomen zijn.
Welke garanties krijgen huurders en eigenaren over de hoogte van de huurprijs, de waarde van de caravan of recreatiewoning en de verblijfsduur ná een verkoop, en hoe worden deze garanties vastgelegd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Als Minister van BZK kan ik alleen in algemene zin aangeven dat bij de verkoop of uitgifte in erfpacht van een recreatieterrein de lopende huurcontracten overgaan op de nieuwe verhuurder. Dat volgt uit artikel 7:226 van het Burgerlijk Wetboek. Bij afloop van de contracten kunnen door de nieuwe verhuurder wel nieuwe voorwaarden worden gesteld. Wat betreft de waarde van de op huurgrond gelegen caravan of recreatiewoning geldt dat in geval van een situatie van huuropzegging door de verhuurder, deze opzegging gepaard kan gaan met een vergoeding aan de huurder. Dit zal afhangen van het individuele geval waarbij alle feiten en omstandigheden zullen worden meegenomen, zoals bijvoorbeeld de huurovereenkomst, de staat van onderhoud en de aanwezigheid van toestemming van de verhuurder voor de opstallen. Zoals in het antwoord op vraag twee aangegeven, heb ik begrepen dat het college bij de aanbesteding mee wil laten wegen hoe de nieuwe verhuurder met de belangen van de huurders zal omgaan. Het college heeft de mogelijkheid om hierover voorwaarden op te nemen in de erfpachtovereenkomst.
Op welke manieren zijn huurders en eigenaren van recreatiewoningen op het vakantieoord Hoek van Holland betrokken bij de voorgenomen verkoop, en is hen de mogelijkheid geboden om het vakantiepark (gezamenlijk) te kopen of zelf te exploiteren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het college geeft aan dat zij de Recreanten Adviesraad (RAR) van het recreatieoord en de inbreng van huurders daarvan zal betrekken bij de selectie van de nieuwe exploitant in het kader van de aanbesteding. Uit de informatie van de gemeente blijkt verder dat Rotterdam een marktpartij zoekt als nieuwe exploitant. Het is onder andere afhankelijk van de voorwaarden die verbonden worden aan de aanbesteding of betrokkenen, wanneer overgegaan wordt tot een aanbestedingsprocedure, zich kunnen organiseren en kunnen meedingen naar overname van het recreatiepark. Deze mogelijkheid kan mede onderdeel vormen van het debat in de gemeenteraad van Rotterdam.
Hadden de huurders en eigenaren van recreatiewoningen op het vakantieoord Hoek van Holland niet in een eerder stadium op de hoogte gesteld moeten worden van de gemeentelijke plannen voor een Europese aanbesteding van het vakantiepark? Zo nee, deelt u de mening dat het eerlijker, transparanter en beter voor het vertrouwen is om recreanten van af het begin op de hoogte te stellen?
Aan besluitvorming in het college gaat de nodige voorbereiding vooraf, van eerste idee naar de definitieve uitwerking. Uit informatie van de gemeente maak ik op dat het college ervoor gekozen heeft om de beslissing om het recreatieoord in erfpacht uit te geven bekend te maken toen de uitwerking voldoende gereed was. Dit om te voorkomen dat er door onvoldoende voorbereiding vragen zouden zijn die nog niet beantwoord konden worden en die alleen al om die reden onrust zouden veroorzaken. Het is aan de gemeenteraad om te beoordelen of het college de recreanten op het park eerder op de hoogte had moeten stellen. Uit informatie van de gemeente blijkt verder dat er op 14 december 2020 een online informatiebijeenkomst is geweest, dat in april inspraak georganiseerd wordt en dat er een online spreekuur is opengesteld.
Deelt u de mening dat betaalbare publieke voorzieningen, zoals het Hoek van Hollandse recreatieoord, behouden moeten blijven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze kunnen zowel de gemeentelijke voorziening als de betaalbaarheid worden beschermd?
Ik vind het belangrijk dat er in Nederland voldoende ruimte is om te wonen, werken en te recreëren. Als Minister van BZK heb ik echter geen landelijk beleid of standpunt ten aanzien van de betaalbaarheid en aanwezigheid van gemeentelijke recreatieoorden als in Hoek van Holland.
Van hoeveel recreatieoorden in ons land is de grond in handen van gemeenten, hoeveel recreatieoorden worden geëxploiteerd door een gemeente en hoeveel van deze oorden dreigen te worden verkocht, al dan niet aan commerciële bedrijven?
Ik heb geen gegevens over de vraag hoeveel recreatieoorden in Nederland door gemeenten worden geëxploiteerd en hoeveel er worden verkocht. B en W van Rotterdam geven aan dat Rotterdam vrijwel de laatste gemeente in Nederland is die nog een recreatieoord exploiteert. Er zijn bij mij geen voorbeelden bekend van andere nog functionerende «gemeentelijke parken». Navraag bij de branchevereniging HISWA-RECRON leert dat er wel bedrijven zijn die pachten van gemeenten. Branchevereniging HISWA-RECRON schat in dat het om enkele tientallen bedrijven gaat.
Waar in de wet Markt en Overheid staat dat gemeenten alleen een recreatieoord mogen exploiteren als dat kostendekkend is, wat wordt hier precies mee bedoeld en waarom?3 Maakt het Rotterdamse recreatieoord nu winst of verlies en in hoeverre is dit bekend of inzichtelijk voor de recreanten?
De Wet Markt en Overheid heeft de Mededingingswet gewijzigd en bevat gedragsregels die in beginsel van toepassing zijn voor overheden die economische activiteiten verrichten. In artikel 25i van de Mededingingswet is geregeld dat de overheid een product of dienst niet onder de kostprijs mag aanbieden. Zij moet wanneer zij producten of diensten aan derden aanbiedt, zoals het exploiteren van een recreatieoord, ten minste de integrale kosten van dat product of die dienst in rekening brengen.
Het college geeft aan dat er sprake is van een verlieslatende exploitatie. Gegevens over de exploitatie van het recreatieoord kunnen marktgevoelige informatie zijn. Zij kunnen immers de financiële positie van de gemeente raken. De wethouder heeft bij brief d.d. 1 april 2021 aan twee raadscommissies de exploitatieresultaten van de laatste vijf jaar wel bekend gemaakt.4
Welke instrumenten hebben Rijk, provincies en/of gemeenten om te voorkomen dat (delen van) duingebieden of andere natuur in commerciële (buitenlandse) handen komen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Indien dit nodig zou zijn, dan kunnen overheden zelf privaatrechtelijk gronden aankopen of in het uiterste geval eigenaren onteigenen als er nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien. De bescherming van de waarden of functies van duingebieden gebeurt overigens via het publiekrecht door de aanwijzing als bijvoorbeeld Natura 2000 gebied of waterkering. Indien, zoals in dit geval, er sprake is van een Europese aanbesteding is het normaliter niet toegestaan om buitenlandse partijen uit te sluiten. Een buitenlandse eigenaar moet ook aan de Nederlandse regels voldoen.
Deelt u de mening dat het recreatiepark een uniek onderdeel is van het sociale erfgoed van Rotterdam en daarom beschermd moet worden tegen overname door partijen met een louter commerciële afweging? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is aan de gemeente Rotterdam om te beoordelen of het recreatiepark onderdeel is van het sociaal erfgoed van Rotterdam en wat dit betekent voor de uitgifte in erfpacht, de exploitatie van het park en onder welke voorwaarden dit gebeurt. Vanuit de verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk, provincies en gemeenten, zie ik als Minister van BZK geen rol om namens het Rijk een oordeel te geven over privaatrechtelijke handelingen van de gemeente Rotterdam met betrekking tot de gemeentelijke grond en de exploitatie van het recreatiepark in Hoek van Holland.
Bent u bereid om met de gemeente Rotterdam in gesprek te gaan en een poging te doen om het gemeentelijke recreatieoord in publieke handen te houden? Zo nee, waarom niet?
Omdat ik in deze kwestie als Minister van BZK geen verantwoordelijkheid heb zie ik geen aanleiding om met de gemeente in gesprek te gaan. Zoals in het antwoord op vraag 10 aangeven, is het niet aan mij om te treden in de toepassing van lokale bevoegdheden met betrekking tot grondeigendom waarmee ook geen nationaal belang gemoeid is. Dit geldt evenzo voor de gemeentelijke keuzes over de exploitatie van het recreatieoord. De afweging van de betrokken belangen en argumenten zal onder andere plaatsvinden in het overleg tussen het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Rotterdam over de verkoop van het recreatieoord.
Het deltaplan aanpak funderingsschade |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kent u het deltaplan aanpak funderingsschade van de coalitie van Vereniging Eigen Huis (VEH), de Vereniging Van Woningcorporaties AEDES, de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB), het Verbond van verzekeraars en het Kennis Centrum Aanpak Funderingsproblematiek KCAF?
Ja.
Is de berichtgeving in het rapport waar dat de komende dertig jaar een miljoen huur- en koopwoningen het risico lopen op funderingsschade?
Het afgelopen decennium zijn een aantal studies gedaan om de ordegrootte van funderingsproblematiek in te schatten. Het onderwerp, de aanpak en daarmee de resultaten van deze studies zijn niet eenduidig. Ook is niet altijd duidelijk wat onder funderingsschade moet worden verstaan. Uit de schadebedragen genoemd in het manifest leid ik af dat het gaat om volledig funderingsherstel. Daarbij is zeker geen sprake bij de genoemde 1 miljoen woningen. Uit een recent onderzoek van Deltares1 valt af te leiden dat maximaal 80.000 woningen vallen in de categorie met schade tussen de € 10.000 en € 120.000. In het kader van het Rijksprogramma Aanpak Funderingsproblematiek ben ik samen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met verschillende onderzoeksinstituten in gesprek om een verdiepingsslag te maken over aard en omvang van de funderingsproblematiek.
Kunt u aangeven hoeveel woningen in Nederland nu al last hebben van funderingsschade? Kunt u daarbij de oorzaken van de schade aangeven?
Zie antwoord op vraag 2.
Is het juist dat veel funderingsschade wordt veroorzaakt door factoren waar bewoners geen invloed op hebben zoals het grondwaterpeil? Zo ja, kunt u aangeven hoe de belangenafweging nu wordt gemaakt tussen de voor- en nadelen van een hoger of lager grondwaterpeil?
Ja. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat beheer van het grondwaterpeil afhankelijk is van regionale en lokale omstandigheden (bodemtype, hoog of laag Nederland), waarbij het doel is om het ruimtegebruik zo goed mogelijk te accommoderen en zowel wateroverlast als watertekorten zoveel mogelijk te voorkomen. Het grondwaterbeheer in Nederland is een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Provincies bieden het algemene kader voor het grondwaterbeheer, maar hebben geen formele rol ten aanzien van het grondwaterpeil in stedelijk gebied. Waar mogelijk faciliteren (het proces), stimuleren (de samenwerking en kennisontwikkeling) en verbinden de provincies partijen2. Provincies ondersteunen op deze manier de gemeenten, waterschappen en particulieren. Daarbij is het doel enerzijds de kosten voor betrokkenen waar mogelijk te voorkomen (bestaande bouw) en anderzijds in te zetten op duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond, met name daar waar het nieuwbouw betreft3. Waterschappen voeren het peilbeheer van het oppervlaktewater uit door in overleg met belanghebbenden peilbesluiten (laag Nederland) en streefpeilen (hoog Nederland) vast te stellen. Via het oppervlaktewaterpeil hebben waterschappen wel invloed op de grondwaterstanden in een gebied, maar kunnen ze er niet direct sturing aan geven. Waterschappen stellen met andere woorden geen grondwaterpeilen vast. Waterschappen beheren het oppervlaktewaterpeil om, via een bestuurlijke afweging, de aanwezige belangen in het gebied (water aan- en afvoer, waterberging, watervoorziening, waterkwaliteit) en functies (bebouwde gebieden, landbouw, natuur, etc.) te bedienen. Waterschappen zetten zich in om de peilen voor het oppervlaktewater jaarrond te handhaven. In (langdurig) droge perioden zullen grondwaterstanden onvermijdelijk dalen, ook in gebieden waar het oppervlaktewaterpeil kan worden gehandhaafd via wateraanvoer. Voor situaties van watertekorten is een wettelijke verdringingsreeks ingesteld voor de verdeling van het beschikbare oppervlaktewater.
Gemeenten hebben een zorgplicht ten aanzien van het grondwater. Deze zorgplicht betekent dat een gemeente in openbaar gebied maatregelen moet treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemmingen zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit geldt voor zover het treffen van deze maatregelen doelmatig is en niet tot de verantwoordelijkheid van een waterschap of provincie behoort.
Bent u het eens dat de gemiddelde schadepost van tussen de € 50.000 en € 87.500 voor veel mensen niet op te brengen is? Hoe worden bewoners met funderingsschade geholpen? U kunt ze toch niet in de kou laten staan?
Het is moeilijk te zeggen in hoeverre eigenaren financieel in staat zijn de fundering van hun woning te laten herstellen. Dit is afhankelijk van hun individuele inkomens- en vermogenssituatie. Mogelijk woont men al langer in de woning en heeft men een deel van de bestaande hypotheek afgelost en/of is de waarde van de woning gestegen, waardoor er financiële ruimte ontstaat. Bij eigenaren die recent een woning hebben gekocht is vaak al bekend dat de woning (mogelijk) funderingsproblemen krijgt of daartoe een risico loopt. Van deze eigenaren kan/mag worden verwacht dat zij er financieel rekening mee houden dat funderingsherstel op termijn noodzakelijk kan zijn en kunnen zij bij hun bank een lening voor funderingsherstel krijgen. Eigenaren die niet in staat zijn op de reguliere hypotheekmarkt een lening te krijgen om de fundering van hun woning te herstellen kunnen terecht bij het Fonds Duurzaam Funderingsherstel wanneer de gemeente waarin de woning is gelegen een samenwerkingsovereenkomst heeft met het fonds. Momenteel wordt bezien of de werking van het fonds kan worden uitgebreid naar alle gemeenten.
Bent u bereid met de coalitie van het Deltaplan Bodemdaling in gesprek te gaan om te kijken hoe het Rijk zich kan inzetten om funderingsschade te voorkomen en de huidige problemen op te lossen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben uiteraard bereid om samen met de andere verantwoordelijke departementen en medeoverheden het gesprek te voeren met de coalitie van het Deltaplan aanpak funderingsschade om te bezien hoe we gezamenlijk funderingsproblematiek in de toekomst kunnen voorkomen en de huidige problemen kunnen oplossen. Voor het maken van keuzen hierover zal een nieuw kabinet aan de lat staan.
Vindt u dat deze problematiek meer regie van het Rijk vraagt en daarom belegd zou moeten worden bij een nieuw Ministerie van VROM? Bent u bereid deze hete aardappel niet door te schuiven naar gemeenten of de bewoners en zelf het heft in handen te nemen om te komen tot een oplossing?
Gezamenlijk optrekken bij deze problematiek is uiteraard van groot belang en daarbij is ook regie nodig. Dat betekent niet dat het rijk alle verantwoordelijkheden zou moeten overnemen van andere partijen. Of een nieuw Ministerie van VROM moet komen is niet aan mij om te beoordelen. Dergelijke afwegingen kunnen indien partijen daar aanleiding toe zien onderdeel uitmaken van de formatiebesprekingen.
De stop van de subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH). |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Klopt het dat de subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH) voor Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) al leeg is en het loket per 28 januari 2021 is gesloten terwijl de regeling tot 31 december 2022 zou gelden? Kunt u dit toelichten?
Ja, dit klopt. Voor de achtergrond van deze (tijdelijke) sluiting van het subsidieloket verwijs ik graag naar de beantwoording van eerdere Kamervragen hierover, gesteld door de SGP1 en naar mijn brief van 1 maart 20212. Zoals in die antwoorden en brief is aangekondigd, zal het subsidieloket binnen enkele weken weer geopend zijn.
Klopt het dat het aanvraagloket voor energieadvies is gesloten terwijl het budget nog niet was overschreden? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Dit klopt voor de subsidie voor advies- en proceskosten (energieadvies). De SEEH voor VvE’s bestaat echter uit twee onderdelen: de subsidie voor energiebesparende maatregelen, die VvE’s vooraf aanvragen, en de subsidie voor energieadvies, die achteraf wordt aangevraagd. Hoewel deze twee onderdelen op de BZK-begroting niet gescheiden zijn, worden in de subsidieregeling wel twee subsidieplafonds gehanteerd. De aanvragen van VvE’s voor energiebesparende maatregelen overstegen ruimschoots het beschikbare subsidieplafond. Door tijdelijk ook het aanvraagloket voor energieadvies te sluiten, kon RVO het daar resterende budget inzetten en doorgaan met het behandelen van reeds ingediende aanvragen voor energiebesparende maatregelen. Kortom: door deze handelwijze hebben reeds ingediende aanvragen van VvE’s doorgang kunnen vinden.
Deelt u de mening dat dit oneerlijk is tegenover de VvE’s die afgelopen maanden opdracht gegeven hebben voor het opstellen van een energieadvies in de verwachting en het vertrouwen dat zij 75 procent van de kosten achteraf vergoed zouden krijgen? Kunt u dit toelichten?
Ik kan mij voorstellen dat de tijdelijke sluiting van de SEEH voor VvE’s die de afgelopen maanden opdracht gegeven hebben voor het opstellen van een energieadvies oneerlijk aanvoelt. Door tijdelijk ook het aanvraagloket voor energieadvies te sluiten, kon RVO echter doorgaan met het behandelen van reeds ingediende aanvragen voor energiebesparende maatregelen. Ondertussen heb ik mij ingezet om zo snel mogelijk te zorgen voor voldoende budget, ook om de SEEH voor VvE’s weer open te kunnen stellen. Dit is gelukt, zodat ook VvE’s die de afgelopen maanden een energieadvies hebben laten opstellen weer subsidie kunnen aanvragen.
Deelt u de mening dat door de stop van de SEEH de verduurzaming van VvE’s in het gedrang komt? Kunt u dit toelichten?
Ik deel deze mening. Daarom heb ik er voor gekozen om, gezien de grote overvraag vanuit VvE’s in 2020, het budget te verhogen. Met dit budget kunnen alle reeds ingediende aanvragen van woningeigenaren en VvE’s worden afgehandeld en wordt het loket voor VvE’s weer geopend. Ik heb dit aan uw Kamer gemeld in mijn brief van 1 maart 2021 en in de antwoorden op de eerdere vragen van de SGP-fractie.
Bent u bereid het loket weer te openen en de subsidiepot met bijvoorbeeld nog eens 14 miljoen euro te verhogen, zodat meer VvE’s kunnen verduurzamen? Zo ja, op welke termijn en met welk bedrag kunt u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven en in mijn brief van 1 maart 2021 gemeld, ben ik hier inderdaad toe bereid. Het budget dat in totaal ter beschikking komt voor reeds ingediende en nieuwe aanvragen van VvE’s is ruim 31 miljoen euro. Zodra alle bestaande aanvragen zijn verwerkt, zal bekend zijn welk budget precies resteert voor nieuwe aanvragen. Naar verwachting bedraagt dit voor maatregelen ongeveer 14 miljoen euro. Voor proces- en advieskosten komt een budget van 1 miljoen euro vanaf 2021.
De berichten 'Ronald McDonald Huis en provincie Utrecht in de clinch over nieuwe locatie logeerhuis' en 'Zelfs minister bemoeit zich met discussie over Ronald McDonald Huis: natuurgebied belangrijker dan nieuwbouw' |
|
Lenny Geluk-Poortvliet (CDA), Julius Terpstra (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Ronald McDonald Huis en provincie Utrecht in de clinch over nieuwe locatie logeerhuis»1 en «Zelfs Minister bemoeit zich met discussie over Ronald McDonald Huis: natuurgebied belangrijker dan nieuwbouw»?2
Ja
Welke gesprekken heeft u gehad met zowel de samenwerkende partners binnen het USP (zijnde het UMCU, UU, PMC en het bestuur van het Ronald McDonald Huis Utrecht) als de provincie Utrecht over de verplichte verplaatsing van het Ronald McDonald Huis op het Utrecht Science Park (USP)?
Ik ben middels de reguliere overleggen van de Liniecommissie Nieuwe Hollandse Waterlinie geïnformeerd over de lopende discussie. Deze Liniecommissie Nieuwe Hollandse Waterlinie is de siteholder van het voorgenomen werelderfgoed Hollandse Waterlinies en bestaat uit bestuurders van de provincies Utrecht, Noord-Holland, Gelderland en Noord-Brabant. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft in deze commissie een adviserende rol.
Deelt u de mening dat er met 800 meter2 (0,01%) sprake is van een wel heel beperkt stukje van de Nieuwe Hollandse Waterlinie?
De Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) is bij het Utrecht Science Park (USP) met enkele honderden meters, zeer smal en daardoor een kwetsbaar onderdeel van de erfgoedstructuur.
Hoe kijkt u aan tegen de compensatie die hiervoor geboden wordt: 13.300 meter2 minder «stedelijk gebied» en het resultaat dat hiermee bereikt kan worden: een duurzamer, bereikbaarder en autoluw Utrecht Sciencepark met de mogelijkheid voor ouders om dicht bij hun zieke kinderen te kunnen verblijven?
Het belang van het Ronald McDonaldhuis en de nabijheid van het huis ten opzichte van de ziekenhuizen, staat buiten iedere discussie.
We spreken nu over een aanpassing van een verordening waardoor binnen de begrenzing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie ruimte zou ontstaan voor verstedelijking. Deze ontwikkeling zou de waarden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie kunnen raken.
Waarom bemoeit de Minister van OCW zich met een onderwerp dat gaat over de ruimtelijke ordening? Waarom wil zij de oplossing van het Ronald McDonald Huis blokkeren?
De provincie Utrecht zou in maart 2021 een besluit nemen over de verordening dat effect kan hebben op het cultureel erfgoed. In januari 2021 heb ik aan het College van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht gevraagd om in haar advies het aspect van werelderfgoed goed mee te nemen in de afweging.
In het rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving is «Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van internationaal belang» benoemd als nationaal belang. Dit legde het kabinet vast in Nationale omgevingsvisie (2020) en eerder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). Daarnaast is de instandhouding van erfgoedwaarde in de Nieuwe Hollandse Waterlinie geregeld in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro; 2011).
Een ontwikkeling binnen de begrenzing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie kan een negatief effect hebben op de instandhouding van dit erfgoed en beoogde aanwijzing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als werelderfgoed door UNESCO. Ook blijkt uit onderzoek dat er, buiten de begrenzing van de waterlinie, alternatieve locaties mogelijk zijn die in de nabijheid liggen van de ziekenhuizen.
Inmiddels heeft de provincie Utrecht besloten om in overleg met de gebiedspartners op korte termijn zicht te krijgen op een passende en haalbare locatie voor de nieuwe huisvesting van het Ronald McDonaldhuis.
Waarom helpt de Minister van OCW in plaats daarvan niet mee door de provincie Utrecht te laten weten dat ze bij UNESCO een kleine wijziging zal doorvoeren op de nominatie die leidt tot de borging van een groter gebied en daarnaast ook nog eens zorgt dat ouders in de buurt van hun zieke kinderen kunnen verblijven?
In januari 2019 diende het kabinet het nominatiedossier in bij UNESCO. De vier NHW provincies stelden dit dossier samen. Het nominatieproces is nu in het stadium dat UNESCO medio juli 2021 een besluit zal nemen over de plaatsing van dit erfgoed op de Werelderfgoedlijst. De begrenzing en de wijze van bescherming is onderdeel van het nominatiedossier en die kunnen in deze fase niet veranderd worden.
Het bericht dat er in Dronten vijf stembureaus minder komen |
|
Ronald van Raak |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
Bent u op de hoogte van het feit dat er in de gemeente Dronten niet meer maar minder stemlocaties zullen zijn?1
Ja.
Bent u het eens dat de aangenomen motie-Van Raak moet worden uitgevoerd die stelt dat er meer stembureaus moeten komen?
Ja.
Bent u bereid om met de gemeente Dronten in contact te treden zodat er alsnog recht gedaan wordt aan de aangenomen motie, bijvoorbeeld doordat er stembureaus in de buitenlucht worden ingericht? Zo nee, waarom niet?
Uit navraag bij de gemeente Dronten blijkt dat er in Dronten op 17 maart 2021 dertien stemlokalen zullen zijn; in 2017 waren dat er achttien. Het totaal aantal stembureaus in Dronten op 17 maart 2021 neemt wel toe ten opzichte van 2017: in 2017 waren er achttien stembureaus; op 17 maart 2021 zullen dat er twintig zijn. In één stemlokaal komen drie stembureaus, in vijf stemlokalen komen er ieder twee stembureaus.
Daarnaast zijn er in Dronten op 15 en 16 maart 2021 dagelijks drie stembureaus open. Het gaat dan om drie stembureaus op drie verschillende locaties.
Heeft u een overzicht voor welke gemeenten nog meer geldt dat zij niet meer maar minder stembureaus inrichten? Zo ja, kunt u dat de Kamer doen toekomen? Zo nee, kunt u daarvoor zorgen?
In de op 2 maart jl. aan de Tweede Kamer verzonden voortgangsbrief over de voorbereiding van de Tweede Kamerverkiezing meld ik de laatste stand van zaken omtrent het aantal stemlokalen/stemlocaties in 2021. Bij die brief is als bijlage de «Rapportage 3e peiling Tweede Kamer Verkiezing 2021» toegevoegd, over het aantal stemlokalen en stembureauleden. Daarin staat ook het door de gemeenten opgegeven eventuele verschil in aantal stemlokalen in 2021 ten opzichte van 2017.
Om de spreiding bij de Tweede Kamerverkiezing zo groot mogelijk te maken, streef ik ernaar dat gemeenten het aantal stemlokalen/locaties op peil houden ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezing in 2017, ongeacht het aantal stembureaus dat op elk van die locaties zitting houdt. In combinatie met de extra mogelijkheden om te stemmen op 15 en 16 maart, en dus de spreiding ook in de tijd te vergroten, moet dit bijdragen aan het veilig kunnen stemmen in deze coronaperiode.
Ik heb gemeenten eerder gewezen op het belang van het op peil houden van de stemlokalen/locaties ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezing in 2017, en op het belang van spreiding en toegankelijkheid. Mijn indruk is dat gemeenten het belang van spreiding over de verschillende wijken c.q. dorpen of kernen goed op het netvlies hebben. Ondanks al hun moeite lukt dit echter niet overal, en zien sommige gemeenten, zoals in dit geval Dronten, zich toch genoodzaakt om over te gaan tot het inrichten van meerdere stembureaus op één locatie.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Huizen aardgasvrij maken is complex en kost ook meer dan verwacht' |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Huizen aardgasvrij maken is complex en kost ook meer dan verwacht»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) waaruit blijkt dat (1) het gemiddeld maar liefst 40.000 euro kost om een woning van het gas af te halen, (2) dat meer dan de helft van deze «investering» niet terug te verdienen is door middel van lagere energielasten en dus niet rendabel is, en (3) dat het onwaarschijnlijk is dat de kosten de komende jaren zullen dalen?
Via de proeftuinen wordt veel geleerd over hoe te komen tot een goede businesscase en wat ervoor nodig is om te komen tot een haalbaar en betaalbaar aanbod. In de markt zijn al positieve ontwikkelingen zichtbaar. Zo gaan een groot aantal consortia van marktpartijen en kennisinstellingen in het kader van de topsector energie de komende paar jaar fors investeren in kostenbesparende innovaties2. Herziening van wet- en regelgeving gericht op het verder ondersteunen van de transitie draagt daar ook aan bij. Zo worden bijvoorbeeld in de voorziene Wet collectieve warmtevoorziening duidelijke spelregels tussen publieke en private partijen vastgelegd, waardoor risico’s voor warmteprojecten beter beheersbaar worden en daarmee projectkosten omlaag gebracht kunnen worden.
Hoe valt deze onbetaalbare duurzaamheidsellende te rijmen met uw «belofte» dat de energietransitie voor iedereen «haalbaar en betaalbaar» zou zijn? Deelt u de conclusie dat dit geen belofte is, maar pure volksverlakkerij?
Nee, ik deel die conclusie niet. De partijen die bij het Programma Aardgasvrije Wijken en het Klimaatakkoord betrokken zijn gaan juist zorgvuldig te werk om een haalbaar en betaalbaar aanbod te kunnen waarborgen.
Deelt u de conclusie dat het effect van het gasvrij maken van woningen op het klimaat te verwaarlozen is, maar dat de financiële gevolgen voor huishoudens des te rampzaliger zijn? Deelt u ook de mening dat het hier niet gaat om klimaatbeleid, maar om wanbeleid dat huishoudens de energiearmoede in stort?
Nee, ik deel die conclusie niet. Het uitvoeren van het Klimaatakkoord is nodig om aan de internationale klimaatafspraken te voldoen en daarmee klimaatverandering tegen te gaan. Een belangrijke doelstelling van het Klimaatakkoord is de gebouwde omgeving aardgasvrij maken. Uitgangspunt bij het realiseren van deze doelstelling blijft dat dit voor huishoudens haalbaar en betaalbaar moet zijn.
Staat u nog steeds achter het doel van het Programma Aardgasvrije Wijken, namelijk het opdoen van kennis en ervaring? Deelt u de mening dat de tot dusverre opgedane kennis en ervaring tot maar een conclusie kunnen leiden, namelijk dat het gasloos maken van woningen onzinnig, onhaalbaar en onbetaalbaar is?
Ja, ik sta achter de doelstelling van het Programma Aardgasvrije Wijken om kennis en ervaring op te doen en te leren hoe de inrichting en opschaling van de wijkgerichte aanpak het beste kan worden vormgegeven. In de voortgangsrapportage over het programma die kortgeleden naar de Tweede Kamer is gestuurd, ga ik in op de leerervaringen tot nu toe. Het is belangrijk de komende jaren de leerervaringen verder te ontsluiten en om te zetten in concrete handvatten voor gemeenten en de betrokken partijen om wijkgericht aan de slag te gaan. Ik deel de genoemde conclusie dan ook niet.
Bent u ertoe bereid onmiddellijk te stoppen met uw rampzalige energietransitie en de bewoners van de door u geselecteerde «aardgasvrije proeftuinen» hier niet langer als proefkonijnen voor in te zetten?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. Juist door nu te investeren in de energietransitie kunnen we later hogere kosten voorkomen. De partijen betrokken bij de proeftuinen hanteren een zorgvuldige aanpak zodat het uitgangspunt van «haalbaar en betaalbaar» voor huishoudens gewaarborgd kan worden. De bewoners van de proeftuinen zijn geen proefkonijnen.
Deelt u de conclusie dat er niets gaat boven een oude, vertrouwde gasaansluiting (de schoonste fossiele brandstof)?
Nee, ik deel die conclusie niet. Om klimaatverandering tegen te gaan moeten gebouwen energiezuiniger worden gemaakt en de aardgasaansluiting geleidelijk aan worden vervangen door een duurzame warmtevoorziening. Dit zal voor een belangrijk deel ook via een wijkgerichte aanpak moeten gebeuren.
Het uit zijn huurhuis zetten van een bejaarde man door sociale woningcorporatie Stek in Lisse |
|
Julius Terpstra (CDA), René Peters (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat een 76-jarige man uit zijn senioren(huur)woning in Lisse wordt gezet door woningcorporatie Stek omdat hij met zijn Sint Bernardhond overlast zou hebben veroorzaakt in 2019?1 2
Ja.
Herinnert u zich de afspraak die u in maart 2020 met verhuurdersorganisaties en brancheverenigingen hebt gemaakt dat zij tijdens de coronacrisis niet tot huisuitzettingen overgaan?
Ja, ik herinner mij deze afspraken. U verwijst naar de afspraken die ik in oktober 2020 met verhuurdersorganisaties (Aedes, IVBN, Kences, Vastgoed Belang) en de VNG maakte en in een gezamenlijk statement naar buiten bracht. Daarin hebben de partijen afgesproken dat zij huisuitzettingen voorlopig gedurende de corona-crisisperiode uitstellen, tenzij er evidente redenen zijn, zoals criminele activiteiten of (extreme) overlast. Deze afspraken over de inzet op het voorkomen van huisuitzettingen hebben partijen herijkt en verlengd (zie bijlage 1). De specifieke situatie waar u mij over bevraagt, valt daarmee buiten de reikwijdte van de afspraken in het statement. De inhoudelijke aanleiding voor ontbinding- en ontruiming is niet gerelateerd aan huurachterstanden. De rechter heeft bepaald dat de huurovereenkomst mag worden ontbonden op basis van aanhoudende woonoverlast3.
Hoe verhoudt deze voorgenomen uitzetting zich tot de afspraak die u met de woningcorporaties en brancheorganisaties hebt gemaakt om tijdens de coronacrisis niemand uit zijn/haar huurwoning te zetten?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u er bij woningcorporatie Stek, in lijn met die gemaakte afspraken, op aandringen in deze casus niet daadwerkelijk tot huisuitzetting over te gaan, ondanks het vonnis van de kantonrechter waartegen appèl is ingediend? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik hierboven reeds aangaf handelt de woningcorporatie niet in strijd met de gemaakte afspraken rondom het voorkomen van huisuitzettingen wegens betaalachterstanden door de gevolgen van de coronacrisis. Het gaat hier immers niet om een vonnis tot ontbinding en ontruiming wegens het niet-betalen van de huur, maar om een situatie van aanhoudende woonoverlast. Deze situatie valt daarmee buiten de reikwijdte van de gemaakte afspraken (zie ook het statement in bijlage 1). Het afdwingen van afspraken bij de woningcorporatie is daarmee ook niet aan de orde.
De kantonrechter heeft in deze casus het ontruimingsvonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitvoerbaar bij voorraadverklaring is in een door de huurder aangespannen kort geding niet geschorst. De voorzieningenrechter heeft daarbij onder meer in ogenschouw genomen dat Stek heeft verklaard dat haar sociale partners zich inspannen om te voorkomen dat de huurder die het betreft na ontruiming met zijn hond op straat staat. De woningcorporatie liet mij desgevraagd ook weten samen met sociale partners een alternatieve tijdelijke huisvestingsoplossing met begeleiding te hebben gevonden. Medewerking vanuit de huurder is hierbij noodzakelijk. Ondertussen liepen er nog diverse juridische procedures tegen het uitgesproken vonnis bij de rechter. De rechter heeft op een zitting op 22 maart jl. besloten dat de geplande ontruiming van 24 maart wordt opgeschort tot 5 april. De huurder moet op korte termijn laten weten of hij de aangeboden woonruimte accepteert.
Welke instrumenten heeft u om het nakomen van de afspraken bij woningcorporatie Stek in deze casus zo nodig af te dwingen en zult u deze inzetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u ervan dat een sociale woningbouwcorporatie, i.c. Stek, ondanks een verzoek daartoe van de advocaat van de man, de uitspraak in appèl niet wil afwachten en deze 76-jarige man de huurwoning uiterlijk 24 maart 2021 dient te ontruimen?
Zie antwoord vraag 4.
Indien huisuitzetting in strijd met de daartoe gemaakte afspraken in deze casus toch plaats vindt, vindt u dat woningcorporatie Stek de uitgezette huurder alternatieve huisvesting moet aanbieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kent u meerdere berichten uit gemeenten dat huurders door de verhuurders, ondanks de gemaakte afspraak, toch uit hun huurwoning (dreigen te) worden gezet? Zo ja, welke gemeenten en verhuurders betreft het?
Ja, via Kamervragen zijn mij diverse situaties bekend geworden waarbij werd verondersteld dat gemaakte afspraken over het voorkomen van huisuitzettingen werden geschonden. In alle gevallen bleek er bij navraag bij betrokken partijen meer, of iets anders, aan de hand te zijn dan een huurachterstand. Zie bijvoorbeeld de situaties die aan de orde zijn gesteld in Kamervragen van de leden Dik-Faber en Bruins (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 1858)4, Kamervragen van het lid Beckerman (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 514)5 en Kamervragen van het lid Koerhuis (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 979)6.
Wat is uw oordeel over het (mogelijk) schenden van de gemaakte afspraken door deze verhuurders?
Zie antwoord vraag 4.
Welke actie gaat u op welke termijn ondernemen om naleving van de gemaakte afspraken bij deze verhuurders af te dwingen?
Zie antwoord vraag 4.
Het verloop van het verkiezingsproces inzake de komende Tweede Kamerverkiezing |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Welke risico’s op fraude bij de komende Tweede Kamerverkiezing ziet u? Welke maatregelen heeft u getroffen om te waarborgen dat deze risico’s zich niet voor zullen doen?
Sinds 2007 hanteert het kabinet acht waarborgen waaraan het verkiezingsproces moet voldoen. Deze waarborgen zijn in dat jaar geformuleerd door de Adviescommissie inrichting verkiezingsproces (commissie-Korthals Altes)1, en het kabinet heeft die overgenomen2. Deze waarborgen zijn: transparantie, controleerbaarheid, integriteit, kiesgerechtigheid, stemvrijheid, stemgeheim, uniciteit en toegankelijkheid. Telkens als er veranderingen worden doorgevoerd in het verkiezingsproces, wordt opnieuw een afweging tussen de waarborgen gemaakt, zoals ook door de Adviescommissie is geadviseerd. Ook bij de totstandkoming van de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 is dat gebeurd; zie de memories van toelichting bij de wetsvoorstellen die hebben geleid tot de wet zoals die nu luidt3. In de wet zijn diverse keuzes gemaakt die risico’s kunnen meebrengen voor bepaalde waarborgen. In de toelichting is beargumenteerd waarom de regering die risico’s, in het belang van andere waarborgen (met name de waarborg toegankelijkheid), tijdelijk, gedurende de werking van de Tijdelijke wet, aanvaardbaar acht. Een voorbeeld daarvan is de uitbreiding van het maximumaantal volmachten dat een kiezer mag aannemen, van twee naar drie. Die uitbreiding brengt een verhoging mee van het risico op ronselen van volmachten (met een risico op schending van de waarborg integriteit), maar de regering acht de kans groot dat bij de komende verkiezing de behoefte aan het geven van een volmacht vanwege de coronamaatregelen hoger zal zijn dan normaal, en heeft het daarom, gelet op het belang van de waarborg toegankelijkheid, van belang geacht om tijdelijk tegemoet te komen aan die grotere behoefte4.
Verder wijs ik op de waarborgen controleerbaarheid en transparantie. De zitting van alle (brief)stembureaus (zowel de stemming als de eventuele vooropening en de telling) is toegankelijk voor iedereen die dat wil (uiteraard met inachtneming van de coronamaatregelen), en iedereen kan tijdens deze zittingen bezwaren inbrengen. De zittingen van de hoofdstembureaus en het centraal stembureau worden digitaal uitgezonden, zodat ook voor deze zittingen de controleerbaarheid en transparantie zijn gewaarborgd. Na afloop worden de processen-verbaal van alle zittingen gepubliceerd op het internet. Zo is voor iedereen die dat wil na te gaan hoe de uitslag van de verkiezing tot stand komt.
Waar worden de uitgebrachte briefstemmen bewaard tussen het moment dat zij per post zijn ontvangen en het moment dat de stemmen worden geteld? Wie hebben toegang tot deze locatie? Hoe wordt deze locatie beveiligd?
De Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 en de Tijdelijke regeling verkiezingen covid-19 (Stcrt. 2021, 4502) stellen regels over het vervoer en de opslag van de briefstembescheiden (zie met name paragraaf 2b van de Tijdelijke regeling verkiezingen covid-19). De opslag vindt plaats in:
Het Ministerie van BZK heeft ten behoeve van de gemeenten in een digitale toolkit een aantal factsheets geplaatst, waaronder ook de Factsheet hoe ontvangt de gemeente de briefstemmen? | Publicatie | Rijksoverheid.nl. Daarin staat een overzicht van de regels die gelden voor het vervoer en de opslag van briefstembescheiden op basis van de Tijdelijke regeling.
Waarom heeft u ervoor gekozen dat briefstemmen waarbij de verplichte handtekening ontbreekt, toch worden meegeteld? Erkent u dat het tolereren van het ontbreken van een handtekening het risico op fraude vergroot? Verwacht u dat een dermate groot deel van de 70-plussers niet in staat is om een handtekening te zetten, dat deze werkwijze het vergrote risico op fraude rechtvaardigt?
De kiezer wordt gevraagd de stempluspas te ondertekenen, waarmee hij verklaart dat hij het briefstembiljet persoonlijk heeft ingevuld. Ik ga ervan uit dat verreweg de meeste kiezers de handtekening zullen zetten. Maar de wetgever heeft geoordeeld dat het te ver gaat om te regelen dat het ontbreken van een handtekening moet leiden tot het niet meetellen van de briefstem, inderdaad omdat sommige kiezers niet in staat zijn om zelf een handtekening te zetten5. Dit onderwerp is overigens ook uitvoerig besproken tijdens het plenaire debat over de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 in de Eerste Kamer6. Het mogelijke risico op fraude dat hierdoor ontstaat, is naar mijn mening beperkt (zie het antwoord op vraag 4).
Ik zal bij de evaluatie van de verkiezing bezien in welke mate het is voorgekomen dat er geen handtekening is gezet op de stempluspas7.
Hoe voorkomt u dat personen substantiële hoeveelheden briefstemmen zonder handtekening (die conform uw beleid wel worden meegeteld) op frauduleuze wijze bij de geldig uitgebrachte briefstemmen voegen?
Dat het ontbreken van een handtekening er niet toe leidt dat de briefstem niet meetelt, is niet alleen mijn beleid, maar is geregeld in de (door beide Kamers vrijwel unaniem aangenomen) Tijdelijke wet verkiezingen covid-19. Anders dan de vragensteller lijkt te veronderstellen, is het de stempluspas die moet worden ondertekend, en niet het briefstembiljet. Er is dus geen risico dat briefstembiljetten zonder handtekening worden gevoegd bij briefstembiljetten met handtekening. Een briefstembiljet telt uitsluitend mee als de kiezer ook een geldige stempluspas in de retourenveloppe doet. Per stempluspas kan maximaal één stem worden uitgebracht. Als het aantal briefstembiljetten in een retourenvelop niet overeenkomt met het aantal stempluspassen, wordt de envelop terzijde gelegd door het briefstembureau (artikel 11h, tweede lid, Tijdelijke wet verkiezingen covid-19). Deze stembiljetten tellen dan dus niet mee. Degene die substantiële fraude zou willen plegen met niet-ondertekende stempluspassen, zou dus grote hoeveelheden stempluspassen en briefstembiljetten (die separaat van de stempluspassen naar het adres van de kiesgerechtigden worden verstuurd) moeten onderscheppen, en vervolgens daarmee moeten proberen te stemmen. Het risico daarop bestaat, maar is naar mijn mening beperkt. Als iemand grote hoeveelheden stempluspassen onderschept, zal zeker een deel van de kiezers voor wie deze passen bestemd waren, ontdekken dat zij geen stempluspas hebben ontvangen. Zij kunnen bij de gemeente een vervangende stempluspas aanvragen, als gevolg waarvan de oorspronkelijke stempluspas ongeldig wordt verklaard (het nummer daarvan wordt opgenomen in het door het briefstembureau te raadplegen register van ongeldige stempassen).
Ik wijs er verder op dat misbruik van de stempluspas, zoals iemand die zich uitgeeft voor een andere kiezer, strafbaar is (zie artikel 128 van het Wetboek van Strafrecht). Dat staat ook uitdrukkelijk vermeld op de stempluspas.
Welke risico’s ziet u in de nieuwe mogelijkheid dat uitgebrachte stemmen op een andere locatie dan in het stembureau geteld worden (indien het stembureau niet groot genoeg is om tijdens het tellen 1,5 meter afstand te houden)? Hoe worden de stemmen naar de andere locatie vervoerd en beveiligd? Worden de kiezers die toezicht willen houden op het tellen van de stemmen, in de gelegenheid gesteld om zich naar de andere locatie te verplaatsen en daar toe te zien op het proces.
Er zijn risico’s verbonden aan het vervoer van de stembescheiden naar een andere locatie, zoals ook toegelicht in de memorie van toelichting bij de Tijdelijke wet8. De regelgeving bevat maatregelen die beogen die risico’s te minimaliseren. Zo moeten de leden van het stembureau de stembus afsluiten en verzegelen, en moeten zij de sleutel van de stembus, samen met het proces-verbaal van het stembureau, in een enveloppe bewaren, die eveneens moet worden afgesloten en verzegeld. De stembus enerzijds en de enveloppe anderzijds moeten separaat worden vervoerd. De burgemeester is ervoor verantwoordelijk dat de stembus onder toezicht staat gedurende het vervoer. Dat houdt in dat er steeds twee personen per vervoermiddel betrokken zijn bij het vervoer, zodat de stembus niet onbeheerd wordt achtergelaten en altijd onder toezicht staat, ook als de ophaaldienst eventueel stembussen ophaalt bij andere stemlokalen. Ook het (separate) vervoer van de verzegelde pakken en de enveloppe vindt plaats door twee personen9. Verder tekenen de leden van het stembureau, voorafgaand aan het vervoer van de stembescheiden, een verklaring van authenticiteit. Deze verklaring maakt deel uit van het proces-verbaal en is een veiligheidsmaatregel. Door de ondertekende verklaring heeft het stembureau, wanneer het op een andere locatie de stemopneming vervolgt, een mogelijkheid om vast te stellen dat het proces-verbaal dat uit de verzegelde enveloppe wordt gehaald identiek is aan het proces-verbaal dat in de enveloppe is gestopt.
Het tellen van de stemmen is een openbare aangelegenheid. Iedere belangstellende heeft de bevoegdheid om de telling waar te nemen, uiteraard met inachtneming van de coronamaatregelen. Bij de ingang van de tellocatie staat iemand die moet bewaken dat het binnen niet te druk wordt. Als er binnen zoveel belangstellenden zijn dat er, gelet op de coronamaatregelen, niemand meer bij kan, moet deze persoon eventuele nieuwe belangstellenden vragen om even buiten te wachten totdat er binnen weer ruimte is.
Waarom is de mogelijkheid gecreëerd dat het tellen van de stemmen geschorst kan worden indien de tellers «vermoeid dreigen te raken»? Waarom verwacht u dat tellers eerder vermoeid raken tijdens de komende verkiezingen, dan bij alle vorige verkiezingen?
Het tellen van de stemmen kan lang duren, niet zelden tot na middernacht. Verwacht mag worden dat dit zich bij de komende verkiezing in sterkere mate zal voordoen dan bij andere verkiezingen. In de eerste plaats is er bij een Tweede Kamerverkiezing doorgaans een hoge opkomst, zodat er meer stembiljetten zijn te tellen dan bij andere verkiezingen. Die hoge opkomst kan ook tot gevolg hebben dat er om 21.00 uur, als de stemming sluit, nog een rij kiezers staat die willen stemmen. Uit de wet volgt dat alle kiezers die om 21.00 uur in de rij staan, nog moeten kunnen stemmen. Het kan daardoor na 21.00 uur nog even duren voordat kan worden begonnen met tellen. In de tweede plaats doen aan de komende verkiezing meer partijen mee dan in decennia is voorgekomen, met als gevolg zeer grote en moeilijk te hanteren stembiljetten, wat het tellen bemoeilijkt. In de derde plaats is, zoals de vragensteller zelf in vraag 5 ook opmerkt, de mogelijkheid gecreëerd om de stemmen op een andere locatie te tellen, namelijk als de stemlocatie gelet op het houden van een veilige afstand tussen tellers te klein is om te tellen. Het vervoer van de stembescheiden naar de tellocatie zal de nodige tijd in beslag nemen, vóórdat kan worden begonnen met tellen.
Het is om die redenen dat in de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 de mogelijkheid is gecreëerd om het tellen van de stemmen te schorsen, namelijk als de tellers zodanig vermoeid dreigen te raken dat van een zorgvuldige telling redelijkerwijs geen sprake meer kan zijn. De voorzitter van een stembureau kan uitsluitend schorsen in afstemming met de burgemeester, en uitsluitend nadat eerst ten minste een uitslag op lijstniveau is vastgesteld, waarvan de resultaten moeten worden ingevuld op het proces-verbaal.
Waar worden de stemmen bewaard, indien tijdens het tellen wordt besloten om het tellen te schorsen? Erkent u dat het de transparantie niet ten goede komt, indien het tellen geschorst wordt en de stemmen elders bewaard worden totdat het tellen weer wordt hervat?
Het is bij de komende Tweede Kamerverkiezing onvermijdelijk dat de telling niet steeds kan worden afgerond op dezelfde dag en/of op dezelfde locatie als waarop de stemmen zijn uitgebracht. Dat geldt niet alleen in het geval de telling wordt geschorst vanwege vermoeidheid van de tellers, maar bijvoorbeeld ook voor de vervroegd uitgebrachte stemmen (per brief of in het stemlokaal op 15 en 16 maart), die op 17 maart worden geteld. De regelgeving schrijft maatregelen voor die beogen om de risico’s die gepaard gaan met het vervoer en de opslag van de stembescheiden, te minimaliseren.
Na het sluiten van de stembussen op 17 maart telt elk (brief)stembureau ten minste voor iedere lijst het gezamenlijke aantal op de kandidaten uitgebrachte stemmen. Er is dus net als bij elke verkiezing in de avond van of nacht volgend op 17 maart ten minste een voorlopige uitslag bekend op lijstniveau. De mogelijkheid tot schorsing van de stemopneming is wettelijk geregeld om te voorkomen dat door vermoeidheid fouten worden gemaakt bij de telling. Een betrouwbare en juiste uitslag staat voorop, waarbij geldt dat de gehele stemopneming toegankelijk en transparant is voor kiezers.
Als de telling vanwege vermoeidheid van de stembureauleden moet worden geschorst, moet het stembureau de lijstgewijs gerangschikte stembiljetten weer in de stembus stoppen, en de stembus afsluiten en verzegelen. Zij tekenen de verklaring van authenticiteit (zie het antwoord op vraag 5), en stoppen het proces-verbaal, samen met de sleutel van de stembus, in een enveloppe, die eveneens wordt verzegeld (artikel 17f van de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19). De burgemeester draagt er zorg voor dat de stembus en de verzegelde enveloppe gescheiden van elkaar worden vervoerd en, tot het moment dat de telling wordt hervat, gescheiden van elkaar worden opgeslagen (zie artikel 11b van de Tijdelijke regeling verkiezingen covid-19) in:
De burgemeester bepaalt waar en wanneer de telling wordt hervat, en maakt dit op algemeen toegankelijke wijze bekend (artikel 17e, derde lid, van de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19).
Hoe worden de betrokkenen bij het verkiezingsproces gescreend? Wordt van alle tellers, alsmede van degenen die toegang hebben tot de stemmen die buiten het zicht van de kiezers bewaard worden, een verklaring omtrent het gedrag gevraagd? Zo nee, waarom niet?
Personen die bij rechterlijke uitspraak uit het kiesrecht zijn ontzet, kunnen niet fungeren als stembureaulid of teller (zie artikel E 4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Kieswet). Voor het overige zijn er geen wettelijke regels over het screenen van de genoemde betrokkenen, en is evenmin een verklaring omtrent het gedrag voorgeschreven. Er is tot op heden geen aanleiding gevonden om daarover wél nadere regels te stellen, mede gelet op het belang dat het stembureaulidmaatschap (een vrijwilligersfunctie) toegankelijk is voor iedere kiesgerechtigde.
Kunnen kiezers die om hen moverende redenen weigeren een mondneusmasker te dragen – en het risico op een boete voor lief nemen – geweigerd worden als zij het stemlokaal willen betreden om hun stem uit te brengen?
Kiezers moeten in het stemlokaal een mondkapje dragen (artikel 5, eerste lid, onder a, van de Tijdelijke regeling verkiezingen covid-19). Er geldt krachtens het derde lid een uitzondering voor:
Als een kiezer om andere redenen weigert een mondkapje te dragen, kan de toegang tot het stemlokaal worden geweigerd (artikel 9, zesde lid, Tijdelijke wet verkiezingen covid-19). Het niet dragen van een mondkapje in het stemlokaal is niet strafbaar.
Wilt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en uiterlijk op 5 maart 2021 beantwoorden?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
Het dubbele testbeleid voor vliegreizen |
|
Attje Kuiken (PvdA), Antje Diertens (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() ![]() |
Kunt u aangeven hoeveel reizigers sinds de invoering van de negatieve testverplichting voor reizigers uit hoogrisicogebieden op 29 december 2020 positief zijn getest alvorens zij naar Nederland wilden afreizen?
Het kabinet heeft geen data over aantallen reizigers die positief zijn getest met een PCR-test voordat zij naar Nederland wilden afreizen. Een reiziger kan namelijk na een positieve testuitslag afzien van het boeken van een ticket of de geboekte vlucht annuleren. Luchtvaart-, trein- en ferrymaatschappijen houden niet bij waarom iemand zijn ticket annuleert of omboekt. Het is daarom niet te zeggen hoeveel reizigers hebben besloten om na een positieve testuitslag hun voorgenomen reis naar Nederland niet te maken of uit te stellen.
Kunt u delen hoeveel reizigers sinds de invoering van de extra negatieve (snel)testverplichting voor reizigers uit hoogrisicogebieden op 23 januari 2021 positief testten bij de verplichte sneltest, terwijl zij bij de eerste test niet positief waren getest?
Het kabinet heeft geen data over aantallen reizigers die positief zijn getest met een sneltest voordat zij naar Nederland wilden afreizen. Zoals in het geval bij vraag 1 kan een positieve testuitslag leiden tot annuleringen of omboekingen van geboekte reizen.
Kunt u delen hoeveel bemanningsleden van luchtvaartmaatschappijen sinds de invoering van het testprotocol positief zijn getest voorafgaand aan de vlucht sinds het invoeren van het nieuwe protocol?
De testresultaten van bemanningsleden van luchtvaartmaatschappijen die van en naar Nederland vliegen worden niet door de overheid geregistreerd. Indien een bemanningslid in Nederland positief test, wordt een vervanger opgeroepen. Navraag bij KLM leert dat het aantal positieve testuitslagen onder bemanningsleden zeer laag is; ongeveer 0,1 procent van de testuitslagen is positief.
Kunt u aangeven hoeveel procent van de aangekomen vliegtuigpassagiers gebruik heeft gemaakt van de testmogelijkheid op dag vijf van de quarantaine, die vanaf 1 december 2020 mogelijk is? Indien u dit niet kunt aangeven, wordt dit wel geregistreerd en bent u het eens met de stelling dat dit percentage belangrijke informatie bevat om de testbereidheid van reizigers te kennen?
Het kabinet heeft geen exacte gegevens hoeveel reizigers zich op dag 5 na aankomst in Nederland laten testen. Geschat wordt dat in de week van 20 tot en met 31 januari jl. tussen 100 en 400 mensen per dag zich hebben laten testen nadat zij in een hoogrisicogebied waren geweest. Dit betreft niet alleen vliegtuigpassagiers maar reizigers in den brede. Daarom is het niet aan te geven hoeveel procent van de aangekomen vliegtuigpassagiers zich laten testen op dag 5 na aankomst in Nederland.
Op welke manier wordt bijgehouden of het alternatieve testprotocol voor bemanningsleden effectief is in het inperken van besmettingen van bemanning tijdens hun werkzaamheden en het verblijf in het buitenland? Kunt u deze data met de Kamer delen?
De protocollen worden door de verschillende luchtvaartmaatschappijen gemonitord en geëvalueerd. Dit is onderdeel van elk protocol. Daarnaast blijven zowel het Ministerie van IenW als VWS in gesprek met de luchtvaartsector over de naleving en de effectiviteit van de alternatieve testprotocollen. In de stand van zaken brief van 8 maart jl.1 is aangegeven over bemanning dat in plaats van de sneltest gekozen kan worden voor een NAAT/PCR-test die maximaal 72 uur oud is. Met deze negatieve testuitslag kan de bemanning meerdere dagen werken.
Kunt u aan de hand van uw antwoorden op vraag 1, 2 en 3 reflecteren op de effectiviteit van de verschillende maatregelen, zowel voor de maatregelen op zichzelf als in samenhang?
Het kabinet heeft de afgelopen periode extra maatregelen getroffen, zoals de verplichte antigeensneltest en het instellen van vliegverboden, om het risico op import en verspreiding van de nieuwe varianten op het coronavirus uit het buitenland verder te beperken. De GGD heeft aangegeven dat sprake is van een afname in het aantal positief geteste personen die in de 14 dagen voor aanvang van de ziekte in het buitenland zijn geweest. Het is niet een op een te concluderen dat dit komt door de extra maatregelen. Er wordt immers ook minder gereisd.
Kunt u delen of mensen zich sinds de invoering van de reismaatregelen minder goed aan de quarantaineverplichting hebben gehouden, zoals eerder werd gesteld toen D66 en de PvdA verzochten om het invoeren van een tweede test bij aankomst?
Uit het RIVM-gedragsonderzoek van september vorig jaar bleek dat ongeveer 27% van de respondenten die in het buitenland waren geweest, aangeeft niet naar buiten te zijn geweest in de quarantaineperiode.2 Het RIVM heeft recentelijk (februari 2021) de quarantainenaleving van reizigers opnieuw onderzocht. Van de deelnemers die teruggekomen zijn uit het buitenland, en voor wie het dringende advies tot quarantaine van toepassing is, geeft 21% aan thuis te zijn gebleven en 57% geen bezoek te hebben ontvangen.3 De volledige naleving van de quarantaineregel door reizigers is in dit onderzoek niet meegenomen. In het volgende RIVM-gedragsonderzoek zal dit wel terugkomen.
Klopt het dat in de pilot met de reiscorridor tussen Atlanta en Schiphol mensen zich juist beter aan de quarantaine hielden, omdat 97% zich aan de post-flight quarantaine hield ten opzichte van de 27% voor reguliere vluchten toen er nog geen testverplichting was?
Uit de evaluatie van de Atlantacorridor, onderdeel van de stand van zakenbrief COVID-19 van 2 februari 20214, blijkt dat 84% van de respondenten bij aankomst op Schiphol aangeeft dat ze zich aan de quarantaineregels voorafgaand aan de vlucht (preflight)hebben gehouden. Voor de quarantaineregels na aankomst in Nederland (post-flight) gaf 97% van de reizigers aan dit te zullen gaan doen.
Kent u het bericht «Grote onrust KLM-personeel: klanten lopen weg vanwege sneltestplicht»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de signalen dat op dit moment uitwijkgedrag vertoond wordt naar omliggende landen zoals Duitsland, België, het Verenigd Koninkrijk of dat KLM-tickets worden omgeboekt naar Air France door het invoeren van de dubbele (snel)testverplichting?
Ik ben bekend met de signalen over uitwijkgedrag. Uit navraag bij KLM blijkt dat er KLM-tickets zijn omgeboekt naar Air France vanaf 23 januari 2021. Ook ziet KLM dat op vluchten van en naar Noord-Amerika het aantal passagiers bij Air France stijgt, en dat de boekingen bij KLM nagenoeg stilstaan. Het is onduidelijk of dit directe gevolgen zijn van de sneltestverplichting, maar het zou een indicatie kunnen zijn dat de sneltestverplichting effect heeft op het gedrag van reizigers.
Overigens heeft het kabinet besloten om vanaf 16 maart a.s. de termijn van de sneltest uit te breiden naar 24 uur, en zijn transferpassagiers vanaf dat moment uitgezonderd van de sneltestverplichting. Daarnaast werkt het kabinet aan de introductie van een verplichte quarantaine voor alle reizigers uit hoogrisicolanden. Als de verplichte quarantaine wordt ingevoerd, zal de sneltest voor de meeste reizigers komen te vervallen.
Kunt u reflecteren op de voor- en nadelen die de afgelopen weken zichtbaar zijn geworden van een extra verplichte (snel)test voorafgaand aan de vlucht zoals nu is ingevoerd, en de extra verplichte (snel)test bij aankomst zoals voorgesteld door D66 en de PvdA in het wetgevingsoverleg over Wijziging van de Wet publieke gezondheid, waarin de juridische grondslag is opgenomen voor de verplichte negatieve testuitslag voor reizigers die gebruikmaken van lucht- of scheepvaart op 7 januari 2021? Bent u nog steeds overtuigd dat een sneltest voorafgaand aan de vlucht een betere keuze was en, zo ja, kunt u dit onderbouwen?
Het kabinet is van mening dat het een betere en effectievere keuze is om reizigers voorafgaand aan hun vliegreis te laten testen dan achteraf. De antigeentest is ingevoerd om – in aanvulling op de verplichte NAAT/PCR-test – de risico’s op de import van het COVID-virus vanuit hoogrisicogebieden verder in te perken. Met een verplichte antigeensneltest voor vertrek wordt ook de kans op besmetting aan boord van het vliegtuig verder gemitigeerd. Er zijn weinig handhavingsmogelijkheden indien een reiziger een verplichte test bij aankomst in Nederland weigert. Een Nederlands ingezetene of EU-/Schengenburger kan bijvoorbeeld niet de toegang tot Nederland worden ontzegd. Dat betekent dat deze reizigers dus zonder test Nederland in zouden kunnen reizen en mogelijk het virus in Nederland zouden kunnen verspreiden. Met de huidige verplichte antigeensneltest in het land van vertrek moet iedere reiziger uit een hoogrisicogebied een negatieve antigeensneltestuitslag laten zien (vanaf 16 maart a.s. van maximaal 24 uur oud voor boarden) om toegang tot het vliegtuig of passagiersschip te krijgen en in Nederland aan te komen.
Bent u het eens met de stelling dat dergelijke signalen reden zouden moeten zijn om in Europees verband te pleiten voor het gelijktrekken van deze maatregelen omdat deze niet bevorderend zijn voor de publieke gezondheid? Zo ja, heeft een dergelijk overleg plaatsgevonden en wat waren de argumenten voor andere landen om wel of niet een dubbele testverplichting in te stellen?
Wekelijks vinden er in Brussel meerdere overleggen plaats over reismaatregelen en harmonisatie. Nederland pleit hierin voortdurend om zo veel mogelijk tot gezamenlijke afspraken te komen. In de kabinetsappreciatie van de meest recente herziening van twee Europese Raadsaanbevelingen over internationaal reizen onderschrijft het kabinet de doelstelling om tot eenduidige reisrestricties te komen in de EU om de verspreiding van het virus zo goed mogelijk tegen te gaan.6 Het kabinet ondersteunt de aanbeveling van de Raad tot het opleggen van een dubbele testverplichting aan reizigers die uit gebieden komen die als «donkerrood» zijn geclassificeerd op de ECDC kaart. Maar het kabinet acht het ook van belang dat lidstaten vrij zijn maatregelen in te stellen voor reizigers uit gebieden met een oranje en rode kleurzone, indien de volksgezondheidssituatie dit verlangt. Voor Nederland is dit belangrijk omdat, in tegenstelling tot ons omringende landen, er nog geen verplichte quarantaine voor reizigers uit hoogrisicogebieden is ingevoerd.
Klopt het dat de KLM de afgelopen weken met lege toestellen moest terugvliegen uit Lagos, Nigeria, omdat er geen sneltest te verkrijgen valt in de buurt van luchthavens die de verplichte tweede test mogelijk zouden maken?
Ja. KLM geeft aan dat in de eerst dagen na invoering van de sneltestverplichting er terugvluchten uit Lagos, Nigeria waren zonder of met enkele passagiers. Door het gebrek aan sneltesten in Nigeria blijven de passagiersaantallen voor deze terugvluchten laag.
Klopt het dat dit de reden is dat vanaf 3 maart 2021 alleen nog een PCR-test of een andere NAAT-test afgenomen hoeft te worden, mits die uiterlijk 12 uur voor vertrek is afgenomen? Zo ja, lost deze oplossing het probleem zoals genoemd bij vraag 11 op? Zo niet, waarom is dan voor deze aanpak gekozen?
Het OMT heeft in haar 97e advies deel 1 over testverplichtingen voor de bemanning van vliegtuigen geadviseerd een PCR of LAMP-test (niet ouder dan 72 uur) af te nemen en een antigeensneltest op de dag van vertrek. Indien de PCR- of LAMP-test op de dag van vertrek en maximaal binnen 12 uur voor vertrek is afgenomen, vervalt de noodzaak van een antigeensneltest voor vertrek. Het RIVM heeft aangegeven dat dit ook geldt voor passagiers.7 Inmiddels zijn op veel buitenlandse luchthavens, of in de nabijheid daarvan, antigeensneltesten beschikbaar. Dit is zeker nog niet in alle landen het geval. Op sommige plekken in de wereld leidde de sneltestverplichting vanwege de korte termijn waarbinnen deze moest zijn afgenomen tot problemen. Het OMT heeft in haar 100e advies (12 februari jl.) aangegeven dat een negatieve antigeensneltest een geldigheid heeft van 24 uur. Gelet op dat advies en de problematiek in de uitvoering, heeft het kabinet de sneltesttermijn recentelijk van vier uur verlengd naar 24 uur.8
Is het, naar uw weten, op de drukste tien bestemmingen van Schiphol, mogelijk om met zekerheid binnen 12 uur de uitslag van een PCR-test te krijgen?
Op de tien drukste bestemmingen van Schiphol is het niet altijd mogelijk om binnen 12 uur de uitslag van een NAAT/PCR-test te krijgen. Recentelijk is deze termijn verlengd naar 24 uur. Daarnaast is het mogelijk te reizen met een negatieve testuitslag van een PCR/NAAT-test die maximaal 72 uur voor aankomst in Nederland is afgenomen in combinatie met een negatieve sneltest die maximaal 24 uur voor boarden is afgenomen.
Op welke manier draagt het Ministerie van Buitenlandse Zaken op dit moment bij aan een adequate testvoorziening op de verschillende luchthavens, zodat reizigers die willen voldoen aan de verplichting daar ook wel aan kunnen voldoen? Welke rol spelen luchtvaartmaatschappijen hier bijvoorbeeld bij? Mogen zij ook sneltesten aan reizigers verschaffen en, zo ja, gebeurt dat in de praktijk ook? Indien dit in de praktijk niet gebeurt, kunt u aangeven waarom niet?
Het faciliteren van de testvoorzieningen is een taak van de lokale autoriteiten. Buitenlandse Zaken speelt een rol in adequate informatievoorziening voor de burger, maar draagt geen verantwoordelijkheid voor adequate testvoorzieningen. Daarom is er op de website van Nederland Wereldwijd een pagina met testlocaties over de hele wereld te vinden. Een sneltest dient, net als andere NAAT-testen, te worden uitgevoerd door een officiële medische instantie. Luchtvaartmaatschappijen kunnen de sneltest dan ook niet verschaffen aan reizigers. Luchtvaartmaatschappijen hebben wel een verantwoordelijkheid om reizigers adequaat te informeren over testvoorzieningen. Indien nodig weten de luchtvaartmaatschappijen de ambassades te vinden, bijvoorbeeld om te assisteren in contacten met de lokale autoriteiten en instanties.
Heeft u de beschikbaarheid van sneltesten in de buurt van luchthavens op de verschillende luchthavens in Europa aangekaart in Europees verband? Zo ja, welke knelpunten werden hierbij gevonden en welke conclusies werden er aan de hand van dit overleg getrokken? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit zo snel mogelijk alsnog te doen?
Nederland is een van de weinige lidstaten die een sneltest verplicht stelt voor een vlieg- en bootreis naar Nederland. Specifiek de problematiek van beschikbaarheid van sneltesten op lucht- en zeehavens is daarom niet besproken in Europees verband. Op het moment dat Nederland de sneltestverplichting invoerde is er goed contact geweest met de buurlanden. Hierbij is gesproken over de beschikbaarheid van sneltesten in de buurt van lucht- en zeehavens. In Europees verband wordt uiteraard gesproken over het mitigeren van de negatieve effecten van de verschillende noodzakelijke reisrestricties die de lidstaten treffen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Wethouder voor twee maanden kost Meerssen bijna drie ton!' |
|
Mark Snoeren (VVD), Chantal Nijkerken-de Haan (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Wethouder voor twee maanden kost Meerssen bijna drie ton!»?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom ervoor gekozen is om de bestuurslaag waar een bestuurder als laatste is aangesteld de totale last van de wachtgelduitkering te laten dragen?
Op grond van kabinetsstandpunt naar aanleiding van het advies van de adviescommissie Rechtspositie politieke ambtsdragers («Over dienen en verdienen») is in 2010 in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) het zogeheten loopbaanprincipe geïntroduceerd. Deze introductie kwam voort uit een in de praktijk gebleken ongewenste uitkomst van de gedecentraliseerde uitvoering van de Appa. Het uitgangspunt dat de Appa-uitkering in principe per overheidsorgaan en per Appa-functie wordt toegekend, had namelijk tot gevolg dat de aanvaarding van een nieuw politiek ambt een negatief effect kon hebben op de duur van de uitkering uit hoofde van dat nieuwe ambt. Daarom is er in 2010 voor gekozen dat bij de overgang van de ene politieke functie naar een volgende functie de eerder opgebouwde aanspraken op uitkeringsduur worden meegenomen. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij de overgang van een Kamerlidmaatschap naar een ministerschap, de als Kamerlid opgebouwde Appa-diensttijd meetelt bij de bepaling van de duur van de Appa-uitkering als betrokkene aftreedt als bewindspersoon. De overgang van de ene naar de andere politieke functie heeft op deze manier geen negatieve gevolgen voor de opbouw van Appa-uitkeringsduur.
Is het waar dat conform het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) zowel gemeenten, provincies als waterschappen voorzieningen dienen te treffen voor deze wachtgeldverplichtingen? Moeten deze voorzieningen al getroffen worden bij aanvang van de bestuursperiode? Is het waar dat deze voorzieningen vrijvallen indien de gewezen bestuurder elders een wachtgeldaanspraak krijgt? Kortom, welke verplichtingen vloeien er voort uit het BBV?
Artikel 44, lid 3 van het BBV geeft aan dat voorzieningen niet gevormd worden voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.
In de notitie Arbeidskostengerelateerde verplichtingen geeft de commissie BBV aan dat uitkeringen voor wethouders over het algemeen een ongelijkmatig patroon hebben en dus geen vergelijkbaar volume hebben. Hiervoor moet dan een voorziening worden getroffen door de gemeente. Ook kan echter een verzekering in verband met pensioenen en uitkeringen van wethouders worden afgesloten. Het blijft echter wel aan de gemeente om zelf te bepalen of al dan niet sprake is van een vergelijkbaar volume.
Op het moment dat de verplichting om een uitkering te gaan betalen zich voordoet en er is geen sprake van «een vergelijkbaar volume», dan dient er een voorziening te worden gevormd. Hiervan kan sprake zijn bij aanvang van de bestuursperiode.
Als de verplichting om een uitkering te gaan betalen ten einde komt of kleiner wordt, bijvoorbeeld vanwege de verrekening van andere inkomsten, dan kan deze voorziening vrijvallen voor het deel waarvoor de verplichting om een uitkering te betalen is komen te vervallen. Voor het BBV is de uitkeringsverplichting alleen van belang voor zover de financiële gevolgen geen jaarlijks terugkerende arbeidskosten zijn van vergelijkbaar volume.
Deelt u de mening dat onwenselijke situaties kunnen ontstaan wanneer een gemeente of andere bestuurlaag de volledige last draagt van wachtgeld die elders (andere gemeente dan wel andere bestuurslaag) is opgebouwd? Zo neen, waarom niet?
Het loopbaanprincipe kan voor overheidsinstellingen zowel een positief als een negatief effect hebben. Als een bestuurder met een lange staat van dienst zijn bestuurlijke loopbaan vervolgt bij een andere overheidsinstelling, heeft dat een positief effect op de hoogte van de uitkeringslasten van de overheidsinstelling die de bestuurder heeft verlaten en mogelijk een negatief effect op de uitkeringslasten van de overheidsinstelling waar de bestuurder laatstelijk is benoemd. Dat negatieve effect is er overigens alleen voor zover daar de ambtsduur korter is dan de uitkeringsduur die de ambtsdrager in zijn eerdere ambtstermijn(en) heeft opgebouwd. Dat was het geval in de gemeente Meerssen doordat in dit geval de eerdere diensttijd als waterschapsbestuurder is meegeteld. Overigens is hier sprake van een uitzonderlijke situatie.
Deelt u de mening dat deze situtatie mogelijk kan leiden tot een grote terughoudendheid van met name kleinere gemeenten om een bestuurder met een lange staat van dienst aan te stellen? Zo neen, waarom niet?
Ik verwacht geen grote terughoudendheid als de gemeenteraad bij de benoeming van een wethouder een afweging dient te maken tussen enerzijds bestuurservaring (de lange staat van dienst) en anderzijds de kans op langdurende uitkeringslasten die in de regel alleen zullen optreden in het geval de betrokken wethouder eerder dan verwacht aftreedt.
Welke aanpassingen in de APPA-wetgeving op dit onderdeel zouden er mogelijk zijn? Bent u bereid te kijken naar een aanpassing van de APPA op dit onderdeel om zo te voorkomen dat het volledige financiëele risico komt te liggen bij het laatste bestuursorgaan? Zo neen, waarom niet?
Ik overweeg op dit punt geen aanpassing van de Appa. Ik acht het loopbaanprincipe van belang voor de aantrekkelijkheid van het ambt. Het loopbaanprincipe stimuleert dat gewezen politieke ambtsdragers hun ambt kunnen voortzetten of binnen de eigen bestuurslaag bij een andere provincie, gemeente of waterschap of bij een andere bestuurslaag. Het is voor de doorstroming van belang dat ervaren bestuurders hun ambt bij een andere overheidsinstelling kunnen voortzetten. Dat wordt eenvoudiger als zij eerder opgebouwde rechten op uitkeringsduur daarbij niet bij elke overstap hoeven op te geven.
De grote afstand naar stembureaus |
|
Ronald van Raak |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
Deelt u de mening dat stemmen voor iedereen toegankelijk en zo makkelijk mogelijk moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat de afstand naar een stembureau zo kort mogelijk is, zeker voor ouderen, mensen zonder eigen vervoer of mensen die slecht ter been zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het wenselijk is dat gemeenten bij het aanwijzen van stemlocaties (waar meerdere stembureaus zitting kunnen hebben), zo te werk gaan dat de verkiezing goed toegankelijk is voor zo veel mogelijk kiezers, onder wie ook ouderen. Juist nu we vanwege het coronavirus te maken hebben met beperkingen, is het belangrijk dat er voor kiezers een stemlocatie op korte afstand beschikbaar is. Het is daarom ook mijn streven dat het aantal stemlocaties ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezing in 2017 op peil blijft, ongeacht het aantal stembureaus dat op elk van die locaties zitting houdt.
Ik heb navraag laten doen bij de gemeente Eindhoven. Men liet weten dat bij het aanwijzen van de stemlocaties zorgvuldig is gekeken naar spreiding van stemlokalen. Tevens is getracht de afstand van kiezers naar het dichtstbijzijnde stemlokaal zo klein mogelijk te houden. Het kan echter voorkomen dat de afstand naar een stemlokaal groter is dan men gewend is, omdat bepaalde reguliere locaties niet geschikt zijn om een stemming te houden onder covid-19-omstandigheden. In de gemeente Eindhoven worden 15 verzorgingslocaties bezocht door mobiele stembureaus met beperkte toegang. De betreffende bewoners ontvangen hierover een brief met informatie. Deze stemlokalen zijn echter niet opgenomen op de website «waarismijnstemlokaal.nl», omdat ze niet publiek toegankelijk zijn.
Deelt u de mening dat stembureaus die op meer dan een kilometer afstand liggen van bijvoorbeeld een 55+ woonvoorziening, zoals bijvoorbeeld in Eindhoven het geval is, daarom een slechte zaak zijn? Zo nee, waarom niet?1
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid alle gemeenten erop te wijzen dat er niet alleen, conform de aangenomen motie-Van Raak, méér stembureaus moeten zijn bij de aankomende verkiezingen maar dat deze stembureaus ook goed verspreid moeten zijn zodat iedereen veilig en laagdrempelig kan stemmen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb gemeenten eerder gewezen op het belang van het op peil houden van de stemlocaties ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezing in 2017 en op het belang van spreiding en toegankelijkheid. Mijn indruk is dat gemeenten het belang van spreiding over de verschillende wijken c.q. dorpen of kernen goed op het netvlies hebben; ik zie dan ook geen reden om hen opnieuw op dit belang te wijzen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 26 februari? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Slechts voor genodigden, liefst anoniem: fondsenwerving bij de VVD’ |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Slechts voor genodigden, liefst anoniem: fondsenwerving bij de VVD»?1
Ja.
Kunt u aangeven of de situatie waarover in het artikel gesproken wordt, waarbij personen een politieke partij in natura steunen door middel van het faciliteren en bekostigen van een bijeenkomst ten behoeve van die partij, een volgens de Wfpp meldingsplichtige gift (in natura) aan een politieke partij betreft?
In de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) gelden voor giften in natura dezelfde regels als voor geldelijke giften. Volgens de Wfpp is sprake van een bijdrage in natura indien ««een zaak of dienst, op verzoek van een politieke partij aan haar geleverd dan wel door deze aanvaard, waar geen of geen evenredige tegenprestatie tegenover staat».2 In de memorie van toelichting van de Wfpp worden de volgende voorbeelden van bijdragen in natura genoemd: de terbeschikkingstelling van vergaderruimte, het vervoer van personen, het verzorgen van catering, het rondbrengen van informatiemateriaal en het gratis of tegen gereduceerd tarief ter beschikking stellen van advertentieruimte. Van een bijdrage in natura is ook sprake als de waarde van de ontvangen dienst of prestatie meer bedraagt dan de door de politieke partij betaalde prijs of de geleverde tegenprestatie.3
Of de in het artikel genoemde casussen als bijdrage in natura moeten worden aangemerkt kan ik op basis van enkel de informatie in dit artikel niet beoordelen. Ik heb daarom de VVD verzocht mij hierover te informeren.
Kunt u aangeven of de situatie waarover in het artikel gesproken wordt, waarbij personen advertentieruimte bekostigen met daarin een oproep om op een partij te stemmen, een volgens de Wfpp meldingsplichtige gift (in natura) aan een politieke partij betreft?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven wat de consequenties zijn van het niet voldoen aan de wettelijke meldingsplicht?
Indien de indruk ontstaat dat de door een politieke partij aangeleverde documenten niet volledig voldoen aan de in de Wfpp gestelde eisen kan de toezichthouder een aantal maatregelen treffen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om een verzoek aan de Auditdienst Rijk om een review te verrichten bij de accountant van een politieke partij. Als ultieme remedie kan op basis van de Wfpp (artikel 37) een bestuurlijke boete van maximaal 25.000 euro per overtreding worden opgelegd.
Kunt u deze vragen één voor één op korte termijn, bij voorkeur voor woensdag 24 februari, beantwoorden?
Deze vraag is zo snel als mogelijk beantwoord.