De aanpak, en het gebruik van de term, piekbelasters |
|
Harm Holman (NSC) |
|
Wiersma |
|
![]() |
Hoeveel bedrijven hebben het stempel «piekbelaster» gekregen in de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus)-aanpak?
Laat ik vooropstellen dat het kabinet het stempel «piekbelaster» niet hanteert. Er bestaat geen lijst met bedrijven die het stempel «piekbelaster» hebben. Ondernemers die voldeden aan een bepaalde mate van stikstofneerslag, konden wanneer zij dat wilden in aanmerking komen voor de regelingen binnen het zogenaamde «trappetje Remkes» (op het gebied van innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen of beëindigen). Het ging daarbij in aanvang om circa 3000 bedrijven uit landbouw en industrie. Vanwege de onzekerheid rond de werking van emissiearme staltechnieken heeft mijn ambtsvoorganger in oktober 2023 een uitzondering gemaakt voor een tweetal huisvestingssystemen.1 Als gevolg daarvan konden nog met circa 300 extra (agrarische) bedrijven als zij dat wilden, gebruik maken van de regelingen.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van het lid Holman c.s. (Kamerstuk 30 252, nr. 134) over na afloop van de aanpak piekbelasting ook het stempel «piekbelaster» wegnemen?
Tijdens het commissiedebat Stikstof, Natuur en NPLG van 4 december 2024 heb ik reeds aangegeven dat ik af wil van de term «piekbelaster», conform genoemde motie Holman. Concreet betekent dit dat de term niet meer wordt gehanteerd binnen LVVN en ook niet vanuit LVVN in communicatie naar het veld. Wat ik wel heb aangegeven in het commissiedebat is dat de uitvoering van de regelingen onder de aanpak piekbelasting de komende periode nog doorloopt.
Hoeveel piekbelasters kan deze stempel nu worden ontnomen?
Er wordt enkel gesproken over de aanpak piekbelasting wanneer noodzakelijk voor de communicatie. Buiten deze noodzakelijke communicatie voor deelnemers aan de regelingen is de term daarmee niet langer in gebruik.
Deelt u de constatering dat bedrijfsemissie met een depositie verder dan 1.000 meter van een natuurgebied niet of nauwelijks toe te berekenen is aan het boerenbedrijf? Zo ja, waarom wordt er nog met 25 kilometer gerekend? Zo nee, welke argumenten heeft u hiervoor?
Ik herken en erken dat de huidige manier van vergunningverlening beperkingen heeft. Dat is ook de reden dat dit kabinet wil overstappen van depositie- naar emissiebeleid. Tegelijkertijd zijn er op dit moment geen alternatieven. In de toestemmingverlening wordt een depositiebijdrage tot maximaal 25 kilometer afstand toegerekend aan een bedrijf, omdat het toepassingsbereik van de gebruikte modellen hiertoe is begrensd.
Vorig jaar is door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de ViA15-uitspraak geconcludeerd dat deze rekenafstand correct is onderbouwd en gehanteerd moet worden.
Hoeveel bedrijven liggen er binnen 500 meter van Natura 2000-gebieden? Hoeveel daarvan liggen bij prioritaire gebieden?
Het ministerie beschikt niet over de dataset met agrarische bedrijven en de bijbehorende activiteit- en locatiegegevens. Dat is ook de reden dat er nooit met een lijst van ondernemers die vallen onder de aanpak piekbelasting is gewerkt, zie ook het antwoord op vraag 1. Daarnaast kan dergelijke informatie een grote maatschappelijke impact hebben. Om die redenen kan ik deze vragen nu niet beantwoorden.
Hoeveel bedrijven liggen er binnen 1.000 meter van Natura 2000-gebieden? Hoeveel daarvan liggen bij prioritaire gebieden?
Zie vraag 5.
Ziet u nog aanleiding om specifiek beleid te voeren voor bedrijven tussen 1 tot 25 kilometer?
Het kabinet wil de stikstofaanpak baseren op bedrijfsspecifieke emissiedoelen. Hoewel een deel van deze aanpak gebiedsgericht zal zijn, wil ik nu nog geen specifieke uitspraken doen over dit afstandscriterium.
Zijn er nog argumenten op grond waarvan provincies speciaal aandacht besteden en/of middelen beschikbaar stellen aan bedrijven verder dan 1.000 meter van een Natura 2000-gebied op grond van depositie argumentatie?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 4, kunnen bedrijven nog een depositiebijdrage hebben op meer dan 1.000 meter afstand. Zowel bij algemene beleidsvorming als bij toestemmingverlening is het van belang om ook de effecten op grotere afstand in beeld te brengen.
Wat is de consequentie van het aanwijzen van prioritaire Natura 2000-gebieden door de rechter in de Greenpeace rechtszaak voor boeren in de nabijheid van die Natura 2000-gebieden?
In de Greenpeace rechtszaak heeft de rechtbank geoordeeld dat er prioriteit moet worden gegeven in het stikstofbeleid aan Natura 2000-gebieden op de zogeheten urgente lijst – dat is een lijst met habitattypen en leefgebieden waarvoor snelle stikstofreductie noodzakelijk wordt geacht om verdere verslechtering te voorkomen. Het bevel van de rechtbank is een bevel aan de Staat en heeft daarmee geen directe gevolgen voor boeren in de nabijheid van die gebieden. Evenwel begrijp ik dat boeren mede als gevolg van deze uitspraak in onzekerheid verkeren. Dat is iets dat mij nauw aan het hart ligt. Dit wordt ook meegenomen in de verdere aanpak die momenteel wordt uitgewerkt in de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstelnatuurherstel.
Vindt u het een wenselijke ontwikkeling dat de provincie Gelderland heeft aangegeven in te zetten op drastisch minder stikstof rond de Veluwe en daarvoor ook de vergunningen tegen het licht te houden?1
Ik vind het belangrijk dat we ondernemingen zekerheid en toekomstperspectief kunnen blijven bieden en weet dat provincies dat belang evengoed onderschrijven. Een belangrijke sleutel daarvoor is een voldoende stevig pakket waarbij alle vier sporen waaraan de Ministeriële Commissie werkt in evenredigheid worden meegenomen. Hier werkt het kabinet al aan en dit wordt ook meegenomen in de werkzaamheden van de Ministeriële Commissie. De bevoegdheid om specifieke vergunningen opnieuw tegen het licht te houden is in dit kader verder een afweging die toekomt aan bevoegd gezagen.
We zullen de provincies goed betrekken bij de vier sporen.
Wat betekent het voor de rechtsgelijkheid van (boeren)bedrijven rondom prioritaire gebieden als provincies hun eigen plannen maken en zones bepalen?
Een provincie of ander bevoegd gezag heeft de bevoegdheid om zelf beleid of regelgeving te ontwikkelen voor specifieke gebieden. Daarbij moet wel altijd rekening worden gehouden met de taken en bevoegdheden van medeoverheden. Dat provincies binnen hun eigen taken en bevoegdheden eigen plannen maken, is op zichzelf niet in strijd met de rechtsgelijkheid van ondernemers. Goede afstemming tussen wat we als Rijk doen en wat de medeoverheden zelf aan plannen ontwikkelen is daarbij essentieel en heeft daarbij mijn aandacht.
Kunt u deze vragen één voor één en voorafgaand aan het stikstofdebat over de uitspraak van de Greenpeace rechtszaak beantwoorden?
Ja.
Deelname aan de derde vergadering van staten die partij zijn van het Verdrag inzake het verbod op kernwapens (TPNW) van 3 tot 7 maart in New York |
|
Sarah Dobbe |
|
Caspar Veldkamp (NSC) |
|
Klopt het dat Nederland geen waarnemende afvaardiging stuurt naar de derde vergadering van staten die partij zijn van het Verdrag inzake het verbod op kernwapens (TPNW) in New York komende maand?
Ja.
Deelt u de mening dat de toenemende dreigende retoriek van wereldleiders (waaronder Westerse leiders) over kernwapens juist aanleiding zou moeten zijn om het gesprek over nucleaire ontwapening breder te voeren? Zo ja, wilt u uw aanwezigheid bij de vergadering heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. De toenemende frequentie waarop wereldleiders publiekelijk spreken over kernwapens hangt nauw samen met de verslechterende internationale veiligheidssituatie. Dit onderstreept wat het kabinet betreft het belang van de Nederlandse inzet voor een kernwapenvrije wereld, maar wel binnen onze bondgenootschappelijke verplichtingen en in de context van de noodzaak voor geloofwaardige afschrikking en verdediging van het NAVO-bondgenootschap. Het Non-proliferatieverdrag (NPV) blijft voor Nederland, met zijn drie gelijkwaardige pijlers ontwapening, non-proliferatie en vreedzaam gebruik van kernenergie, de hoeksteen voor deze inzet. Zoals al aan uw Kamer is gemeld in reactie op de motie Van Dijk/ Sjoerdsma, acht het kabinet hernieuwde deelname aan een vergadering van statenpartijen van het TPNW niet zinvol.1
Is het uitvoeren van de Nederlandse kernwapentaak binnen de NAVO nog steeds een reden voor het niet aansluiten bij het verdrag, zoals u schrijft in antwoord op de motie Van Dijk/Sjoerdsma (Kamerstuk 33 783, nr. 51)?
Ja.
Klopt het dat Nederland niet aan kan sluiten bij het verdrag inzake verbod op kernwapens omdat de Amerikaanse kernwapens in Volkel dan zouden moeten verplaatsen? Zo nee, waarom dan wel?
Zoals al eerder aan uw Kamer is gemeld2, is het lidmaatschap van dit verdrag niet verenigbaar met ons lidmaatschap als NAVO-bondgenoot. De NAVO is een nucleaire alliantie zolang er kernwapens bestaan. Bovendien heeft Nederland in dit bondgenootschappelijk kader een kernwapentaak. Vanwege veiligheidsredenen en op grond van bondgenootschappelijke afspraken kunnen geen mededelingen worden gedaan over aantallen en locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens.
Waarom «schuurt» deelname aan het TPNW volgens u met het Non-proliferatieverdrag, zoals u in eerdergenoemde kamerbrief schrijft?
Deze schuring is met name gelegen in de verschillende benadering van het ontwapeningsproces in beide verdragen. Het NPV omvat een proces waarbinnen de vijf onder het verdrag erkende nucleaire staten zich gecommitteerd hebben aan verifieerbare en onomkeerbare ontwapening, maar nucleaire wapens behouden gedurende dit proces. Dit schept de mogelijkheid het strategische evenwicht tussen de kernwapenstaten te behouden en de risico’s van eenzijdige of ongebalanceerde ontwapening te ondervangen. Het TPNW streeft naar een onmiddellijke en onomkeerbare verbanning van kernwapens en biedt deze mogelijkheid niet.
Een ander aspect betreft de controle van non-proliferatieverplichtingen door het Internationaal Atoomagentschap (IAEA). Hier legt het TPNW deelnemende landen slechts zeer zwakke verplichtingen op, op basis waarvan het IAEA de afwezigheid van illegale nucleaire programma’s niet kan controleren, terwijl landen zich onder het NPV juist hebben gecommitteerd aan het ontwikkelen van striktere inspectiemechanismen.
Welke inspanning levert het kabinet momenteel wel als het gaat om non-proliferatie en ontwapening? Hoe beoordeelt u de effectiviteit van deze inspanning?
Zoals uw Kamer bekend, blijft Nederland zich inzetten voor alomvattende, onomkeerbare en controleerbare nucleaire ontwapening, «Global Zero». Dit is in lijn met het beleid van de NAVO en met artikel VI van het NPV. Nederland speelt zoals u weet een prominente rol binnen het NPV en in hieraan gelieerde initiatieven, zoals het Non-proliferation and disarmament initiative (NPDI). Deze rol wordt internationaal breed erkend. Het huidige internationale veiligheidsklimaat bemoeilijkt de inzet op wapenbeheersing en ontwapening aanzienlijk. Desalniettemin blijft het kabinet gecommitteerd aan een wereld zonder kernwapens.
Omdat dit doel echter van veel spelers afhankelijk is en gekoppeld is aan de mondiale veiligheidssituatie, is het per definitie een langdurig en complex proces, met stapsgewijze, incrementele vooruitgang en soms onvermijdelijke achteruitgang. In dit proces maakt het kabinet doorlopend een afweging tussen het streven naar een wereld zonder kernwapens en de geopolitieke realiteit van het moment.
Het Israëlische plan om inwoners van Gaza te laten emigreren naar o.a. Westerse landen |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Israëlische overheid een plan voorbereidt om inwoners van Gaza die dat willen, te laten vertrekken naar andere landen?1
Ja.
Ik ga niet in op de gevolgen van een speculatief plan. Uw vragen heb ik – waar mogelijk – daarom in algemene zin beantwoord.
Erkent u dat Gazanen die op de vlucht zijn voor oorlog of geweld, het meest gebaat zijn bij opvang in de eigen regio?
Opvang in de regio heeft altijd de voorkeur van het Nederlandse kabinet. Dit om de instroom in Nederland te beperken en ervoor te zorgen dat mensen makkelijker terug kunnen naar hun eigen land wanneer het daar weer veilig is. De Nederlandse overheid zet dan ook in op versterking van opvang in de regio.
Dit geldt ook voor Gazaanse asielzoekers die Gaza verlaten.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid dat een aanzienlijk deel van de Gazanen zich naar Europa, en mogelijk ook naar Nederland, zal begeven?
Zie het antwoord onder 1.
Welke sociaaleconomische gevolgen verwacht u van een eventuele instroom van Gazanen in Nederland, bijvoorbeeld op het gebied van huisvesting, zorg, onderwijs en sociale voorzieningen?
Het kabinet is van mening dat de huidige toestroom van hoge aantallen asielzoekers en nareizende gezinsleden een te grote druk legt op de voorzieningen, waaronder huisvesting, het onderwijs en de zorg. Het kabinet streeft naar een meer beheersbare situatie en treft daarom maatregelen om de asielinstroom en het aantal nareizigers in Nederland te verlagen. Deze maatregelen zijn aangekondigd in het regeerprogramma2 en nader uitgewerkt in de brief aan uw Kamer van 25 oktober 2024.3
Welke sociaal-culturele gevolgen verwacht u van een eventuele instroom van Gazanen in Nederland, gelet op de culturele verschillen tussen Gaza en Nederland en de reeds bestaande spanningen in ons land tussen verschillende bevolkingsgroepen?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat koste wat kost voorkomen moet worden dat Nederland wordt geconfronteerd met een instroom van asielzoekers uit Gaza, vanwege de zeer nadelige sociaaleconomische en sociaal-culturele gevolgen voor ons land? Zo nee, waarom niet?
Zie de antwoorden op vraag 1 en vraag 4.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat Nederland juridisch verplicht is om inwoners van Gaza die naar Nederland willen komen om hier asiel aan te vragen, toe te laten op ons grondgebied?
Het is afhankelijk van de situatie of Nederland verplicht is om een asielzoeker toegang te verlenen tot Nederland. Wanneer iemand asiel aanvraagt in de lucht- of zeehaven waar iemand Nederland binnenkomt, dan behandelt de IND de aanvraag in de zogeheten grensprocedure. Iemand verblijft dan in een gesloten opvanglocatie in de buurt van luchthaven Schiphol en heeft geen formele toegang tot Nederland, tenzij er een positieve beslissing volgt, of de rechter een beroep op een afwijzende beslissing gegrond verklaart.
Nederland is verder niet verplicht om personen te faciliteren naar Nederland te komen om hier asiel aan te kunnen vragen.
Kunt u bevestigen of ontkennen of Gazanen die in Nederland asiel aanvragen, daar in beginsel recht op hebben?
De IND beoordeelt elke asielaanvraag individueel en aan de hand van het geldende asielbeleid en de actuele informatie over de situatie in een betreffend land.
Voor Gaza geldt dat bij de beoordeling van een asielaanvraag van een (staatloze) Palestijn die stelt onder het mandaat van de UNRWA4 te vallen, de IND altijd eerst toetst aan de uitsluitingsgrond artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Wanneer de vreemdeling onder de reikwijdte van artikel 1D valt, is relevant of UNRWA daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden. Zoals gemeld in de Kamerbrief van 26 juni 20245 wordt voor Gaza aangenomen dat dat niet langer zo is. Dit heeft tot gevolg dat aan «UNRWA-Palestijnen» uit Gaza de uitsluitingsgrond artikel 1D niet kan worden tegengeworpen, en dat de vluchtelingenstatus moet worden toegekend. In bijlage bij de genoemde Kamerbrief is meer informatie over artikel 1D te vinden.
Voor de beoordeling van overige asielaanvragen van personen uit Gaza, geldt dat voor Gaza een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn wordt aangenomen.
Vanzelfsprekend is de IND alert op signalen die wijzen op handelingen zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingverdrag of die wijzen op een risico voor de nationale veiligheid.
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk een krachtig signaal af te geven dat Nederland onder geen beding bereid is om Gazanen op te vangen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord onder 1.
Welke maatregelen treft u om te voorkomen dat asielzoekers uit Gaza, via welke route dan ook, naar Nederland kunnen komen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 4, treft het kabinet de nodige maatregelen om de instroom van asielzoekers te beperken en om opvang in de regio te stimuleren.
Bent u bereid om er bij uw ambtsgenoten in andere Europese landen op aan te dringen dat zij ook aansturen op opvang van vluchtelingen uit Gaza in de eigen regio, en maatregelen treffen om te voorkomen dat zij in die desbetreffende landen worden opgevangen?
Nederland werkt samen met de EU om vluchtelingenstromen naar Europa te beperken en te beheersen.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja
Hakenkruizen en antisemitisme op UWC |
|
Claudia van Zanten (BBB), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Weel , Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Hakenkruizen en antisemitisme op UWC»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Kunt u de in het artikel beschreven incidenten, zoals het schilderen van hakenkruizen en het dwingen van een zesjarig meisje tot bepaalde handelingen, bevestigen?
In betreffend artikel (en andere publicaties) wordt een aantal incidenten genoemd. Hierover is navraag gedaan bij het bevoegd gezag. Daarbij is per incident de feitelijke situatie en hoe daarop gehandeld is, beschreven. De school heeft sinds 2022 zes meldingen ontvangen van hakenkruizen die zijn aangetroffen. Daarnaast hebben ongewenste situaties plaatsgevonden rondom een gastlezing en e-mails van en tussen medeleerlingen. Er hebben zich geen incidenten voorgedaan waar leerlingen jonger dan 11 jaar bij betrokken waren.
Hoe beoordeelt u het feit dat Joodse ouders bij de directie van het United World Colleges (UWC) aan de bel hebben getrokken omdat ze het niet meer veilig vinden hun kinderen naar de internationale school te sturen?
Ik vind het verschrikkelijk dat Joodse ouders en leerlingen zich onveilig voelen op de school. Dit is zorgwekkend en onderstreept het belang van een veilige leeromgeving. Scholen hebben ook een wettelijke zorgplicht voor de veiligheid van leerlingen. Er is in het onderwijs geen enkele plek voor antisemitisme of welke andere vorm van discriminatie ook. Pesten, bedreigen of buitensluiten op grond van afkomst of andere identiteitskenmerken is volstrekt onacceptabel. Daarom is het essentieel dat de school direct en adequaat optreedt wanneer dit voorkomt en dat de inspectie hier toezicht op houdt.
Het UWC Maastricht heeft benadrukt dat antisemitisme en racisme absoluut onaanvaardbaar zijn en dat elk gemeld incident zorgvuldig onderzocht wordt. De inspectie heeft direct contact opgenomen met het betrokken bestuur en is van oordeel dat het bestuur en de school de situatie zeer serieus oppakken.
Deelt u onze mening dat het onacceptabel is dat een gastspreker tijdens een bijeenkomst in het bijzijn van personeel antisemitische uitspraken doet? Welke verantwoordelijkheid heeft het bevoegd gezag hierin volgens u?
Ja. Antisemitische uitspraken, waar of door wie ook gedaan, zijn onacceptabel. Onderwijsinstellingen hebben de primaire verantwoordelijkheid zorg te dragen voor een veilige leer- en werkomgeving. Dit betekent dat zij grenzen moeten stellen en bewaken. Zowel binnen het kader van de wet (zoals vastgelegd in de Grondwet en het strafrecht), als in het belang van de veiligheid van de leerlingen en studenten en het personeel.
De school erkent dat de gastspreker zich tijdens de betreffende gastles negatief heeft uitgelaten over de staat Israël. Dit was aanleiding voor de school om na afloop gesprekken hierover te voeren met zowel Joodse ouders van leerlingen als met de docenten. Dit heeft ertoe geleid dat er inmiddels een protocol is opgesteld voor gastsprekers. Dat laat zien dat de school direct actie ondernomen heeft. De inspectie heeft aan mij bevestigd dat de veiligheidsprotocollen zijn aangescherpt. Met het opgestelde protocol voor gastsprekers ga ik ervan uit dat in het vervolg een veilige leeromgeving tijdens gastlessen gewaarborgd kan worden.
Kunt u bevestigen dat er door het Committee of The Islamic Society of UWC Maastricht een mail is verstuurd aan de leerlingen van de school, die het officiële standpunt over de oorlog zou moeten weergeven? Wat vindt u ervan dat leerlingen op deze manier worden benaderd?
Eind januari 2025 hebben enkele leerlingen, verenigd in de «Islamic Society of UWC Maastricht», een e-mail gestuurd naar medeleerlingen in de leeftijdscategorie tussen de 15 en 18 jaar. De school heeft gesproken met betrokken leerlingen en bezorgde ouders. Hierbij heeft de school een duidelijke grens getrokken dat groepsmailaccounts van de school niet gebruikt dienen te worden voor politieke discussies, maar dat debatten in het klaslokaal gevoerd dienen te worden onder begeleiding van docenten.
Naar aanleiding van dit incident heeft de school een e-mailetiquette ingevoerd met striktere regels en betere monitoring. Daarnaast wordt er extra aandacht besteed aan het voeren van verbindende gesprekken onder leiding van de docenten, om zo een veilige en constructieve dialoog te waarborgen.
Is bij het bevoegd gezag een adequate registratie van incidenten aanwezig ter uitwerking van de zorg voor leerlingen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeverre blijkt daaruit dat al langere tijd sprake is van pesten en antisemitisme?
De school houdt een registratie bij van alle incidenten. Sinds 2022 zijn er acht incidenten geweest die raken aan antisemitisme. De inspectie heeft vastgesteld dat de school een structurele aanpak van het antisemitisme- en algemeen veiligheidsbeleid hanteert.
Hoe beoordeelt de Inspectie van het Onderwijs de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen van het United World College in Maastricht, en hoe vaak heeft de onderwijsinspectie contact gehad met het UWC?
UWC Maastricht wordt eens in de vijf jaar geaccrediteerd door de Council of International Schools en het International Baccalaureate, waarbij wordt voldaan aan de strenge normen die voor internationale scholen gelden. De meest recente accreditatie is in 2023 succesvol afgerond.
Daarnaast valt het UWC Maastricht onder het reguliere toezicht van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie). In 2023 heeft de inspectie een vierjaarlijks bestuursonderzoek gedaan bij Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs (LVO), het bestuur van de vo-poot van UWC. In 2024 volgde een vierjaarlijks bestuursonderzoek bij MosaLira, het bestuur van de po-poot van UWC, waarbij ook verificatieactiviteiten op de school zelf zijn uitgevoerd. Eerder, in 2022, is UWC bevraagd in het kader van een themaonderzoek.
Mede op basis van deze onderzoeken en andere contacten met de betrokken besturen – ook recent, naar aanleiding van het bericht waar betreffende Kamervragen over zijn gesteld – is de inspectie van oordeel dat de besturen hun zaken op orde hebben en over een actief veiligheidsbeleid beschikken. Dit beeld wordt bevestigd door interne audits die laten zien dat besturen en scholen actief werken aan goed onderwijs en een veilige leeromgeving.
Kunt u aangeven hoe de school de verantwoordelijkheid voor de sociale veiligheid van leerlingen invult? Welke maatregelen zijn ondernomen bij misstanden?
Net als iedere andere onderwijsinstelling heeft het UWC Maastricht een wettelijke zorgplicht voor de veiligheid op school. De inspectie houdt hier toezicht op. Zij constateert dat de school een proactief veiligheidsbeleid voert met onder andere gedrags- en veiligheidsprotocollen. Daarnaast heeft de school aanvullende zaken geregeld, zoals duidelijke gedragsrichtlijnen, regelmatige training voor medewerkers, vastgelegde meldingskanalen en een uitgebreid mentor- en welzijnsprogramma. Deze structuren zorgen ervoor dat leerlingen de nodige ondersteuning krijgen en dat eventuele zorgen op een adequate manier worden aangepakt. Wanneer er incidenten plaatsvinden, voert de school grondige onderzoeken uit. Indien nodig kunnen disciplinaire maatregelen worden genomen in overeenstemming met het geldende schoolbeleid.
Zoals benoemd bij de beantwoording van vraag 4 en 5, heeft de school naar aanleiding van de incidenten specifieke maatregelen genomen en bestaande protocollen aangescherpt.
Hoe beoordeelt u het feit dat ouders van Joodse leerlingen spreken van een jarenlang, groeiend antisemitisme op het UWC Maastricht? Welke verantwoordelijkheid heeft de overheid in deze situaties?
Onderwijsinstellingen zijn primair verantwoordelijk voor een veilige leer- en werkomgeving. Wat de overheidsrol betreft, houdt de inspectie toezicht op dit handelen. Tot op heden heeft de inspectie geen eerdere signalen van antisemitisme op het UWC ontvangen. Bij signalen over de veiligheid op een school, zoals hier het geval is, neemt de inspectie doorgaans contact op met het betrokken bestuur om te kunnen komen tot een eerste duiding. Dat is hier ook gebeurd. De inspectie is van oordeel dat het bestuur en de school de situatie zeer serieus oppakken. De school hanteert een proactief veiligheidsbeleid, er zijn gesprekken met leerlingen, ouders en leraren, de veiligheidsprotocollen zijn aangescherpt, er is een conflictenmodule gestart en er is externe deskundigheid ingeschakeld.
Hebben de problemen er inmiddels toe geleid dat leerlingen daadwerkelijk verzuimen vanwege het onveilige schoolklimaat? Zo ja, om hoeveel leerlingen gaat het en welke inspanningen zijn verricht om dit te kunnen beëindigen?
UWC hanteert een strikt aanwezigheids- en afwezigheidssysteem. Er zijn geen meldingen van absentie vanwege een vermeend onveilig schoolklimaat.
Bent u bereid in contact te treden met de school en waar nodig ondersteuning aan te bieden om deze problematiek aan te pakken? Zo ja, op welke manier?
Bij signalen over de veiligheid op een school, zoals hier het geval is, neemt de inspectie doorgaans contact op met het betrokken bestuur om te kunnen komen tot een eerste duiding. Dat is hier ook gebeurd. De inspectie ziet op dit moment geen reden voor vervolgstappen. Wel is de inspectie uiteraard alert op eventuele nieuwe signalen. Indien nodig kan mijn ministerie de school in contact brengen met organisaties, zoals Stichting School & Veiligheid, die de school desgewenst kunnen ondersteunen.
Welke maatregelen uit de vorig jaar gepresenteerde Strategie Bestrijding Antisemitisme kunnen worden ingezet om de ontstane situatie op het UWC Maastricht aan te pakken?
Allereerst ondersteunt de handreiking «omgaan met antisemitische incidenten op scholen», ontwikkeld door het Ministerie van OCW in samenwerking met de NCAB en het CIDI, de school bij het herkennen van, omgaan met en melden van antisemitische incidenten.2
Daarnaast omvat de kabinetsbrede strategie een hoofdstuk «onderwijs en preventie» en «wegnemen van voedingsbodem voor antisemitisme».3 Het UWC Maastricht geeft aan actief bij te dragen aan het vergroten van kennis over het Joodse leven en de Joodse geschiedenis. Door leerlingen met diverse achtergronden samen te brengen en hen de ruimte te geven om hun persoonlijke verhalen, overtuigingen en tradities te delen, faciliteert de school wederzijds begrip en de interculturele en interreligieuze dialoog. Een concreet voorbeeld hiervan is het samen vieren van Chanoeka met leerlingen van diverse achtergronden. Ook organiseert de school lessen over en bezoeken aan gedenktekens en authentieke locaties.
Ter ondersteuning van leraren bij invulling van de burgerschapsopdracht volgen alle leraren van het UWC Maastricht trainingen voor het voeren van gesprekken over maatschappelijk gevoelige thema’s in de klas. Tevens is er een uitgebreid programma waarin mentoren zich met hun leerlingen richten op onderwerpen zoals relaties, omgaan met conflict en het voeren van dialogen op respectvolle wijze.
Volgens de inspectie handelt de school, op basis van recent contact, in lijn met de nationale actiepunten om antisemitisme in het onderwijs en/of onder jongeren te bestrijden en een cultuur van respect en diversiteit te bevorderen.
Tot slot verwijs ik naar de oprichting van de Taskforce Bestrijding Antisemitisme. Deze Taskforce gaat het komend jaar op hoog niveau aan de slag met het doen van gerichte voorstellen voor maatregelen ten behoeve van de veiligheid van Joden. Hier valt ook de veiligheid van Joodse studenten op hogescholen en universiteiten en het weren van antisemitische sprekers op hogescholen en universiteiten onder.
Het bericht dat westerse scheepseigenaren miljarden verdienden met de verkoop van olietankers aan de Russische schaduwvloot |
|
Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66) |
|
Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() ![]() |
Wat is uw reactie op het onderzoek van onder andere Follow the Money waaruit blijkt dat westerse scheepseigenaren miljarden verdiend hebben met de verkoop van oude, roestige olietankers aan de Russische schaduwvloot?1
Het is bijzonder zorgelijk dat Westerse scheepseigenaren miljarden hebben verdiend met de verkoop van olietankers aan de Russische schaduwvloot. Daartoe geldt sinds het 12e sanctiepakket tegen Rusland van december 2023 een verbod. De schaduwvloot ondermijnt de effectiviteit van sancties en het kabinet zet hard in op de bestrijding daarvan, daarom neem ik de inhoud van dit artikel zeer serieus en zal ik binnen de EU pleiten voor aanvullende maatregelen om deze verkoop te stoppen.
Klopt het dat momenteel slechts 68 van de naar schatting meer dan 600 olietankers van de Russische schaduwlijst op de Europese sanctielijst staan? Kunt u aangeven waarom er niet meer schepen van de schaduwvloot in de Europese Unie (EU) gesanctioneerd zijn?
Met de aanname van het 16e sanctiepakket tegen Rusland op 24 februari 2025 heeft de EU in totaal 153 schepen gesanctioneerd. 130 hiervan zijn olietankers die tot de schaduwvloot worden gerekend. De overige twintig betreffen onder andere schepen die betrokken zijn bij wapenleveranties aan Rusland uit Noord-Korea of de export van gestolen Oekraïens graan. Voor ieder schip geldt dat er een gedegen bewijspakket moet worden samengesteld dat ook stand kan houden bij de rechter. Nederland geldt binnen de EU als aanjager door bewijspakketten te leveren, kennis en ervaring te delen met andere lidstaten en te coördineren met G7-partners. Mede dankzij de inspanningen van Nederland zal er naar verwachting in het zeventiende pakket weer een stap in de goede richting wordt gezet.
Kunt u aangeven hoeveel van de 230 schepen die door westerse scheepseigenaren verkocht zijn momenteel gesanctioneerd zijn?
Op dit moment zijn 19 van deze schepen door de EU gesanctioneerd.
Bent u van mening dat westerse bedrijven die olietankers verkocht hebben, die uiteindelijk onderdeel van de schaduwvloot zijn geworden, voorafgaand aan de verkoop afdoende due-dilligence onderzoek hebben uitgevoerd? Zo niet, welke sanctie staat hierop?
De EU-sanctieverordening tegen Rusland bevat sinds het 12e sanctiepakket van december 2023 een duidelijk verbod om tankers te verkopen als bekend is dat die gebruikt gaan worden in Rusland. In de praktijk blijkt het lastig om dit vooraf te bewijzen, mede omdat de schaduwvloot gebruikt maakt van complexe eigendomsstructuren. Het is aan de relevante handhavingsentiteiten om vast te stellen of bedrijven voldoende due-dilligence hebben uitgevoerd.
Het niet voldoen aan deze verplichting staat gelijk aan het overtreden van de EU-sanctieverordening en betreft daarmee een economisch delict. Strafmaat hiervoor is vastgelegd in de Wet economische delicten, en omvat een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, een taakstraf of een geldboete van de vijfde categorie. Onder bepaalde omstandigheden kan ook een geldboete van de zesde categorie worden opgelegd. Daarnaast kan wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen.
Het kabinet wil dat er EU-breed meer tegen wordt gedaan en roept daar ook toe op. Het is uiteindelijk aan de Europese Commissie om lidstaten aan te spreken op de nationale naleving van de sanctiemaatregelen.
Sinds wanneer zijn verkopers verplicht om te controleren of hun schepen niet gebruikt zullen worden om sancties te omzeilen? Welke sanctie kan er opgelegd worden als een verkoper dit onvoldoende controleert?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid zich binnen de EU in te zetten voor het sanctioneren van in ieder geval alle olietankers die door de Verenigde Staten gesanctioneerd zijn? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse inzet is om de lijst met gesanctioneerde schepen van de schaduwvloot voortdurend te updaten en hier actief aan bij te dragen. Voor Nederland is het leidend dat de schepen die aangedragen worden veel impact hebben, juridische houdbaar zijn en dat er consensus over bereikt kan worden onder EU lidstaten. Binnen de kaders van deze principes zet Nederland zich – conform de motie Dassen c.s. (21 501-02, nr. 3010) in voor het synchroniseren van gesanctioneerde schepen van de schaduwvloot met G7-partners.
Bent u bereid zich in te zetten voor het bestraffen van westerse bedrijven die olietankers hebben verkocht die bij de Russische schaduwvloot terecht zijn gekomen? Zo nee, waarom niet?
Indien er signalen zijn dat bedrijven sancties overtreden wordt hier altijd onderzoek naar gedaan en waar nodig wordt er handhavend opgetreden. Dergelijk optreden is aan het OM.
Bent u bereid met de Griekse regering te overleggen over hun aanpak van dit probleem, nu de verkoop van de olietankers zich blijkens het artikel in grote mate daar heeft voorgedaan?
Het kabinet voert over het verder bestrijden van de Russische schaduwvloot een voortdurende dialoog met EU-instellingen en -lidstaten en blijft dit met volle inzet doen.
De dure importcontroles bij groente en fruit |
|
Cor Pierik (BBB), Thom van Campen (VVD), Dion Graus (PVV), André Flach (SGP) |
|
Rummenie |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de kritiek vanuit de groente- en fruitsector op de dure residucontroles?1
Ja.
Kunt u precies aangeven welke testen het nationaal referentielaboratorium Wageningen Food Safety Research (WFSR) verplicht is te doen bij import van groente en fruit?
De Europese lidstaten zijn verplicht om officiële controles uit voeren wanneer sprake is van import van hoog risico producten. In Nederland voert de NVWA deze controles uit. De vereiste analyses voor de producten zijn opgenomen in de bijlagen bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1793. Zendingen van bepaalde levensmiddelen (en diervoeders) uit bepaalde derde landen worden met een vastgestelde frequentie bemonsterd en geanalyseerd. Voorbeelden van stoffen waarvan de concentraties worden onderzocht zijn aflatoxinen, residuen van bestrijdingsmiddelen, Salmonella, ochratoxine A, cyanide. WFSR is aangewezen als officieel laboratorium en voert laboratorium analyses uit in opdracht van de NVWA op de door de NVWA genomen toezichtmonsters als onderdeel van de officiële controles.
Wordt geïmporteerd groente en fruit door WFSR alleen getest op de voor voedselveiligheid volgens Europese regelgeving verplichte zaken? Zo nee, welke testen worden nog meer gedaan en waarom?
Enkel de door de NVWA opgelegde screeningsanalyses worden uitgevoerd op de monsters die door de NVWA conform Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1793 worden genomen. Er worden dus alleen voedselveiligheid screeningsanalyses uitgevoerd op volgens Europese regelgeving verplichte zaken.
Klopt het dat alleen de kosten verbonden aan de wettelijk vereiste residucontroles voor voedselveiligheid worden geretribueerd aan het bedrijfsleven?
Ja dat klopt. Op grond van artikel 79 van de Europese controle verordening moeten lidstaten vergoedingen vragen of heffingen innen om de kosten te dekken die zij maken voor de controles van deze hoog risicoproducten. Hiervoor is gekozen om de afhankelijkheid van het systeem van officiële controles van de overheidsfinanciën te beperken. Hierbij wordt vanzelfsprekend ook rekening gehouden met het kabinetsbeleid «Maat houden 2014». In het tarief dat voor deze specifieke controles aan het bedrijfsleven in rekening wordt gebracht zijn dus zowel de kosten voor de monstername, transport en afhandeling door de NVWA, als ook de analyse van het officiële laboratorium verwerkt. De NVWA publiceert jaarlijks de onderbouwing van de tarieven die voor het bedrijfsleven zijn berekend.
Kunt u een verklaring geven voor het grote verschil in tarieven tussen WFSR en private laboratoria, die wel de wettelijk verplichte residucontroles voor Belgische importeurs mogen doen?
De verklaring voor het verschil ligt mogelijk in de verschillende stelsels van innen van retributies tussen de verschillende landen. In Nederland is sprake van een kostendekkend NVWA tarief voor het gehele proces, dus voor zowel kosten voor monstername, transport en afhandeling door de NVWA als voor de laboratorium analyse. Het bedrijfsleven, de NVWA en de Ministeries van LVVN en VWS zijn op dit moment hierover met elkaar in overleg. Hierbij wordt gekeken naar het verschil in kosten tussen WFSR en private laboratoria en naar een eventuele verklaring hiervoor. Ook zal ik een onderzoeksbureau opdracht geven om dit nader uit te zoeken. Uw Kamer zal hier voor de zomer over worden geïnformeerd. Zie ook het antwoord bij vraag 6.
Hoe waardeert u het grote verschil in genoemde tarieven tussen WFSR en private laboratoria?
In Nederland is sprake van een kostendekkend NVWA-tarief voor het gehele proces, dus voor zowel kosten voor monstername, transport en afhandeling door de NVWA als voor de laboratorium analyse. Zoals ook in het antwoord op vraag 5 is aangegeven zijn het bedrijfsleven, de NVWA en de Ministeries van LVVN en VWS hierover met elkaar in overleg en zal ik dit nader laten onderzoeken.
Hoe voorkomt u dat de monopoliepositie van WFSR bij residucontroles leidt tot onnodige kosten voor het bedrijfsleven?
WFSR als onderdeel van Stichting Wageningen Research heeft geen winstoogmerk. WFSR brengt alleen de daadwerkelijk gemaakte laboratoriumkosten in rekening bij de NVWA, conform de subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek. Voorts is voor de doelmatigheid recent een evaluatie van de WOT Voedselveiligheid Handhaving uitgevoerd en aan uw Kamer aangeboden. In de evaluatie is het volgende beschreven «Wij concluderen een effectieve en efficiënte opzet (aansturing, besluitvorming en verantwoording) en uitvoering van de WOT-VV Handhaving, en een effectieve en efficiënte samenwerking met andere kennisinstellingen. Ook concluderen wij dat er voldoende sprake is van een borging van de kwaliteit en onafhankelijke uitvoering van het WOT-VV Handhavingsprogramma. Dit concluderen wij over het hier en nu, en de wijze waarop de WOT-VV Handhaving in de periode 2019–2023 is uitgevoerd.»
Op welke wijze wordt in afspraken met WFSR gestuurd op transparantie over uitgevoerde testen, doelmatigheid en kostenefficiëntie?
De NVWA stuurt op het zo snel en efficiënt mogelijk uitvoeren van werkzaamheden door WFSR. Dit is een continue proces waarbij WFSR aan de NVWA rapporteert. Alle analyseresultaten worden conform jaarplan en de ISO17025 gerapporteerd aan de NVWA. Kosten worden jaarlijks met de accountantscontrole conform Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek geëvalueerd. Indexaties doorgevoerd in tariefstellingen worden afgestemd met Ministeries en de NVWA en dienen ook conform deze Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek een accountantsverklaring te hebben. Zie ook het antwoord bij vraag 7.
Bent u ervan op de hoogte dat door de sterke stijging van retributietarieven bedrijven hun handelsstromen (dreigen te) verleggen?
Het bedrijfsleven heeft dit inderdaad aan de Ministeries van LVVN en VWS aangegeven. Het bedrijfsleven, de NVWA en de Ministeries van LVVN en VWS zijn op dit moment met elkaar in overleg om hier in meer detail op in te gaan.
Deelt u de analyse dat in het belang van het voorkomen van verschuiving van importstromen naar andere Europese havens de tarieven voor residucontroles zo laag mogelijk moeten worden gehouden?
Ja dat deel ik. De overheid streeft naar kostendekkende tarieven. Uiteraard wordt daarbij gestuurd op de doelmatigheid van de WFSR en de NVWA. De kosten van WFSR worden door de accountant gecontroleerd conform Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek. Verder dienen de activiteiten die WFSR als officieel laboratorium uitvoert te voldoen aan de Europese controle verordening. Analyseresultaten dienen van een goede kwaliteit te zijn en te voldoen aan de gestelde wettelijke normen en ISO17025 accreditatie.
Waarom is er niet voor gekozen ruimte te geven aan private laboratoria om de wettelijk vereiste residucontroles uit te voeren?
WFSR is hèt laboratorium voor voedselveiligheid. Het is voor Nederland van belang dat er voor deze EU-verplichting een laboratorium van goede kwaliteit is. Ook vraagt EU-regelgeving om garanties en borgingen. Zo mag de onafhankelijkheid van het officiële laboratorium nooit ter discussie komen te staan. Belangenverstrengeling met werk voor derden is zeer onwenselijk. Ook de Europese controle verordening vereist deze onafhankelijkheid. Als overheid staan wij voor gezond èn veilig voedsel conform de EU wettelijke eisen. Op dit moment is onduidelijk of een privaat laboratorium aan al deze eisen kan voldoen. Ook is onduidelijk hoe groot de effecten van het eventueel moeten voldoen aan meer eisen zijn, voor de tarieven van private laboratoria.
Het bedrijfsleven, de NVWA en de Ministeries van LVVN en VWS zijn op dit moment met elkaar in overleg om uit te zoeken waar het prijsverschil tussen private laboratoria en de WFSR vandaan komt. In dit overleg wordt ook gekeken naar de prijsverschillen tussen Nederland en België en de oorzaken hiervan. Daarnaast zal ik ook een onderzoeksbureau opdracht geven om deze punten nader uit te zoeken. De vraagstelling aan het onderzoeksbureau zal worden afgestemd met het bedrijfsleven. Het kabinet staat welwillend tegenover het verzoek van de indieners om ook het gebruik van private laboratoria te onderzoeken.
Bent u bereid, met het oog op verbetering van de concurrentiepositie van Nederlandse importeurs van groente en fruit en het betaalbaarder maken van gezond groente en fruit, te kijken naar de mogelijkheid om private laboratoria, net zoals in buurland België, ruimte te geven de wettelijk vereiste residucontroles uit te voeren?
Zie antwoord vraag 11.
Ziet u mogelijkheden om de residucontroles dichter bij de havens uit te voeren, zodat de doorlooptijd voor deze controles (met bijbehorende kosten en risico’s voor de voedselkwaliteit) kan worden verkort?
WFSR is gehuisvest in Wageningen. De reistijd naar Wageningen is een verwaarloosbaar component in de doorlooptijd. Zie verder het antwoord op vraag
Het bericht ‘Politie en defensie worstelen met 'soevereine' collega's die overheid niet erkennen’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
van Weel , Ruben Brekelmans (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Politie en defensie worstelen met «soevereine» collega’s die overheid niet erkennen»1? Wat is uw reactie op het bericht?
Ja. Als Ministers van Justitie en Veiligheid en Defensie nemen we het signaal van de Politie, Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) zeer serieus en houden we de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten.
Wanneer soevereinen die bij de Rijksoverheid werkzaam zouden zijn zich niet meer aan geldende wet- en regelgeving houden en/of wanneer er structureel feitelijk onjuiste informatie wordt verspreid, wordt het vertrouwen in de overheid aangetast. Hiermee wordt de legitimiteit van overheidsorganisaties ondermijnd.
Bij hoeveel Politiemedewerkers en Defensiemedewerkers zijn signalen bekend dat zij zich in enige mate «soeverein gedachtegoed» aanhangen of zich verwant voelen met «soevereinen»? Hoeveel daarvan zijn geplaatst op een vertrouwensfunctie in de zin van de Wet Veiligheidsonderzoeken?
Bij de politie zijn, sinds 2023, vijf politiemedewerkers bekend die uiting hebben gegeven aan het soevereine gedachtegoed. Na een intern onderzoek is bij twee van deze politiemedewerkers vastgesteld dat er geen sprake is van plichtsverzuim. Het onderzoek naar de andere drie politiemedewerkers loopt nog. In het algemeen kan niet worden ingegaan op het screeningsniveau van deze betreffende politiemedewerkers.
De MIVD heeft in 2024 onderkend dat enkele defensiemedewerkers dit gedachtegoed aanhangen. De MIVD gaat gelet op de wettelijke plicht tot geheimhouding, niet in op haar bronnen, het actuele kennisniveau en/of de modus operandi van de dienst. Daarom doet de MIVD geen specifieke uitspraken over de hoeveelheid, aard en ontwikkeling van bepaalde onderzoeken dan wel individuele casuïstiek.
Deelt u het standpunt dat er geen plaats is bij de Politie en Defensie voor medewerkers die het gezag van de overheid cq de wetten niet erkennen en in strijd handelen met de ambtseed die zij hebben afgelegd?
Het zich «soeverein verklaren» kan erop wijzen dat deze medewerker de overtuiging heeft dat de Nederlandse wet- en regelgeving niet geldig is. Deze overtuiging is zeer onwenselijk bij ambtenaren die juist Nederland als democratische rechtsstaat dienen, haar beschermen en naar burgers toe vertegenwoordigen. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat overheidsinstanties hun taken naar behoren en met respect voor de geldende wet- en regelgeving uitvoeren. Wanneer een medewerker vervolgens daadwerkelijk handelt vanuit het soeverein of anti-institutioneel gedachtegoed en zich niet als een goed ambtenaar gedraagt, wordt dit problematisch. Hetzelfde geldt wanneer een medewerker dergelijk gedachtegoed actief naar buiten uitdraagt en daarmee zijn functioneren of het functioneren van de overheidsinstantie belemmert. Dergelijk gedrag kan ernstige afbreuk doen aan het vertrouwen in de overheid en tevens de democratische rechtsorde. Dit geldt zeker voor organisaties als de politie en Defensie, waar het beschermen van burgers, de (internationale) rechtsorde en de rechtsstaat, alsook rechtshandhaving en het verlenen van hulp tot de kerntaken behoren. Het uitdragen van en handelen naar soeverein of anti-institutioneel gedachtegoed en het werken bij de Rijksoverheid, meer in het bijzonder bij politie en Defensie, staan in de basis dan ook op gespannen voet met elkaar.
Op grond van de Ambtenarenwet moeten rijksambtenaren hun uit de wet en uit de functie voorvloeiende verplichtingen vervullen en zich als een goed ambtenaar gedragen (artikel 6, eerste lid Ambtenarenwet 2017). Ook mogen zij geen uitingen doen waardoor een goede vervulling van de functie of het goede functioneren van de openbare dienst niet langer in redelijkheid is verzekerd (artikel 10 Ambtenarenwet 2017). Bij de uitvoering van de werkzaamheden dient elke rijksambtenaar zich te houden aan de Gedragscode Integriteit Rijk. Bovendien legt de rijksambtenaar bij indiensttreding de eed of belofte af. Wanneer een ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen handelt, treedt de werkgever hiertegen op. BZK
Voor politiemedewerkers zijn de beginselen van een goed politieambtenaar vervat in de beroepscode die zij krijgen uitgereikt bij het afleggen van de eed of belofte. De Minister van Justitie en Veiligheid steunt het feit dat de korpsleiding de signalen serieus neemt en onderzoek instelt bij een vermoeden van plichtverzuim van politiemedewerkers die zich soeverein verklaren.
Dit plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift, als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Daar waar wordt gehandeld in strijd met die verplichtingen, kunnen leidinggevenden op basis van artikel 76 en artikel 77 Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) disciplinaire maatregelen opleggen.
Defensiemedewerkers die, met een verklaring van geen bezwaar (VGB), werkzaam zijn op een vertrouwensfunctie, moeten de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk volbrengen, waaronder het in de ambtseed beloofde, respecteren van de democratische rechtsorde. Ook is het binnen Defensie mogelijk om rechtspositionele maatregelen te treffen, op basis van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR) en het Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie (BARD). Wanneer defensiemedewerkers gedrag vertonen dat niet verenigbaar is met hun functie zullen leidinggevenden hierop actie ondernemen. Indien de MIVD aanleiding ziet, zoals vermeld in het antwoord op vraag 6, kan de Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) worden ingetrokken. Ook kan de MIVD een ambtsbericht uitbrengen met betrekking tot de defensiemedewerker. Een ambtsbericht is een waarschuwing aan de reguliere Defensieorganisatie dat er binnen de organisatie een groot risico bestaat, waarop actie dient te worden genomen.
Deelt u de mening dat een medewerker van de Politie of Defensie die zich «soeverein verklaart» een groot risico vormt voor een goede taakuitoefening en het aanzien schaadt van de organisatie? Welke arbeidsrechtelijke consequenties (kunnen) worden getroffen?
Zie antwoord vraag 3.
Waar kunnen Politiemedewerkers en Defensiemedewerkers terecht als zij zorgen hebben over collega’s die mogelijk soeverein gedachtegoed aanhangen en gedrag zien bij hen dat indruist tegen de ambtseed die zij hebben afgelegd?
Als werkgever van de politie vind ik als Minister van Justitie en Veiligheid het belangrijk dat politiemedewerkers op een laagdrempelige wijze meldingen kunnen doen. Voor politiemedewerkers geldt dat zij allereerst het gesprek met de direct leidinggevende aangaan in het geval zij vragen of zorgen hebben omtrent een mogelijke misstand. Daarnaast kent de politieorganisatie ook andere loketten waartoe politiemedewerkers zich kunnen wenden, zoals de vertrouwenspersoon, de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK), het klokkenluidersmeldpunt politie (KMP) of de Ombudsfunctionaris politie. Hierbij fungeert het Sociaal Loket als voorportaal om vragen of meldingen van mogelijke misstanden door te geleiden naar het juiste loket. Politiemedewerkers kunnen zich ook rechtstreeks bij een loket melden.
Ook vindt Defensie het belangrijk dat defensiemedewerkers weten hoe en waar zij meldingen kunnen doen wanneer zij zich zorgen maken over mogelijk soeverein gedachtengoed bij collega’s. Dit kan bij vermoedens van integriteitsschendingen, misstanden of (beveiligings)incidenten. Defensiemedewerkers kunnen eerst bij hun leidinggevende terecht, die een speciale verantwoordelijkheid heeft om ongewenst gedrag tegen te gaan en als voorbeeld te fungeren. Bij een melding worden leidinggevenden ondersteund door het Centrum Organisatie Integriteit Defensie (COID). Na een melding, bijvoorbeeld via e-mail, telefoon of een digitaal formulier, komt het COID zo snel mogelijk in actie om de situatie te beoordelen en advies te geven. Meldingen kunnen ook via het onafhankelijk ingerichte Meldpunt Integriteit Defensie (MID) worden gedaan, dat direct onder de Secretaris-Generaal valt. Indien nodig kan een melding bij de Unit Veiligheidsonderzoeken (UVO) van de AIVD of de MIVD worden gedaan, of kan de Koninklijke Marechaussee worden ingeschakeld.
Onder welke omstandigheden kunnen signalen van het aanhangen van anti-institutioneel gedachtegoed of soeverein gedachtegoed aanleiding zijn om een hernieuwd onderzoek in te stellen op grond van de Wet Veiligheidsonderzoeken?
Per 1 januari 2023 is de Wijzigingswet Politiewet 2012, de Wet op de medische keuringen en het Besluit screening ambtenaren van politie en politie-externen van kracht. Het doel van deze wetten is de kans op integriteitsschendingen te verminderen door middel van het screeningsbeleid. Iedereen die bij of voor de politie gaat werken krijgt vóór de aanstelling een initieel screeningsonderzoek. Hierbij gelden dezelfde regels voor zowel politiemedewerkers als externen die voor de politie gaan werken. In de wet is opgenomen dat, afhankelijk van het type screening, na vijf of acht jaar een periodiek herhaalonderzoek wordt uitgevoerd. Daarnaast is er een wettelijk vastgelegde meldplicht, waardoor politiemedewerkers veranderingen in hun persoonlijke situatie, zoals financiële problemen, dienen te melden bij hun leidinggevende. Bij veranderingen in de persoonlijke situatie van een politiemedewerker kan ook een incidenteel hernieuwd onderzoek plaatsvinden. Ook vindt er continue controle plaats op wijzigingen in het strafregister in relatie tot politiemedewerkers. De wijzigingen die verband houden met een misdrijf worden automatisch doorgegeven aan de politie. Deze aanpassingen van wetten zorgt ervoor dat de screening niet langer een eenmalige controle is voor de start van het politiewerk, maar dat de betrouwbaarheid en integriteit van politiemedewerkers ook tijdens hun werkzaamheden voortdurend wordt gecontroleerd.
Indien er sprake is van een (mogelijk) vermoeden van plichtsverzuim, kan een leidinggevende melding maken bij Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK). Vervolgens wordt de opvolging van de melding bepaald, namelijk het al dan niet instellen van een oriënterend-, disciplinair- of lijnonderzoek, een andere afdoening, of doorgeleiding naar het OM. VIK start alleen een onderzoek in opdracht van het bevoegd gezag.
Het overgrote deel van de defensiemedewerkers vervult een vertrouwensfunctie en ondergaat daarom een veiligheidsonderzoek. Dit omvat een zorgvuldig onderzoek door de UVO, een gezamenlijke eenheid van de AIVD en MIVD. Waarna een VGB wordt afgegeven of geweigerd. Vertrouwensfuncties zijn belangrijke functies, omdat personen in die functies over de mogelijkheid beschikken om de nationale veiligheid en die van de krijgsmacht te schaden. Om die reden moet gewaarborgd worden dat de persoon in deze positie de uit de vertrouwensfunctie voorvloeiende verplichtingen getrouw zal blijven vervullen. Wanneer er feiten en omstandigheden zijn die aanleiding vormen tot zorg over deze waarborging, is dit reden voor een hernieuwd veiligheidsonderzoek, op grond van artikel 9 van de Wet veiligheidsonderzoeken, waarna, indien nodig, de VGB ingetrokken kan worden. Dit betekent dat de medewerker niet langer deze functie of andere vertrouwensfunctie kan vervullen, hetgeen aanleiding geeft tot herplaatsing of ontslag.
Deelt u het standpunt dat er geen plaats is bij de Rijksoverheid voor medewerkers die het gezag van de overheid cq de wetten niet erkennen en in strijd handelen met de ambtseed die zij hebben afgelegd?
Zie antwoord vraag 3.
Welke taken en verantwoordelijkheden hebben de Ministers van BZK, SZW, J&V en Defensie bij de aanpak van anti-institutioneel gedachtegoed?
Zoals het artikel aangaf wees de MIVD in haar jaarverslag van 2023 al op de dreiging die anti-institutioneel extremisme kan vormen voor de krijgsmacht. Defensie wil risico’s van gezagsondermijnende en anderszins onwenselijke activiteiten, vanuit welke achtergrond dan ook, tegengaan. Hiervoor bestaat een stelsel van beveiligings- en rechtspositionele maatregelen gericht op het weren van personen die een risico vormen voor de nationale veiligheid of de veiligheid van de krijgsmacht. Maatregelen die defensie hiertoe neemt zijn in het antwoord op vraag 5 en 6 beschreven.
De Minister van Justitie en Veiligheid gaat over de aanpak van strafbare feiten en het tegengaan van extremistische uitwassen. De bestaande aanpak op extremisme is toepasbaar op alle vormen van extremisme, zo ook anti-institutioneel extremisme. Hierbij wordt onder andere ingezet op het vergroten van kennis en bewustwording over mogelijke signalen en het bieden van handelingsperspectief. Zo zijn er diverse kennisproducten ontwikkeld, zoals de gezamenlijke publicatie van de AIVD, de politie en de NCTV «Met de rug naar de samenleving – Een analyse van de soevereinenbeweging in Nederland» en het «Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland», waar in een apart hoofdstuk wordt ingegaan op de ontwikkeling van het anti-institutionele gedachtegoed binnen Nederland2. Daarnaast faciliteren de NCTV en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties trainingen voor lokale professionals en bestuurders bij het Rijksopleidingsinstituut tegengaan radicalisering over anti-institutioneel extremisme en gesprekstechnieken. Daarnaast gaat aandacht uit naar het regionaal overstijgend uitwisselen van uitdagingen en good practices.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) heeft de coördinerende verantwoordelijkheid voor de rijksdienst en stelt vanuit die verantwoordelijkheid kaders en richtlijnen voor de rijksdienst, zoals de Gedragscode Integriteit Rijk en de Gids Ambtelijk Vakmanschap. Het is aan de individuele werkgevers binnen de rijksdienst om dit te implementeren en, voor zover van toepassing, hierop te handhaven. Daarnaast heeft de Minister van BZK een bredere, overkoepelende verantwoordelijkheid voor de integriteit van het openbaar bestuur.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft afspraken gemaakt met de Expertise-unit Sociale Stabiliteit (ESS) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om samen te werken op het thema anti-institutionele tendensen (inclusief soevereinen). Doel is om met name het lokaal bestuur te ondersteunen bij het opzetten van een preventieve benadering waarin aandacht is voor de perspectieven van mensen die wantrouwen ontwikkelen richting de overheid. Vanuit BZK is er een handelingskader opgesteld voor gemeenten waarin ook aandacht is voor het omgaan met escalatie en geweld, ook wanneer de agressie afkomstig is van soevereinen.
De ESS gaat daarnaast expertise en advisering aanbieden aan gemeenten en professionals. Ook zal ESS onder andere kennis- en netwerkbijeenkomsten organiseren met gemeenten en professionals en wordt er een handreiking uitgebracht om te ondersteunen bij het herkennen van en het omgaan met anti-institutionele tendensen. Verder investeert de ESS in netwerken rondom dit thema. Hierbij zet de ESS onder andere in op een versterking van de verbinding van overheden met mensen die zich aangetrokken voelen tot het anti-institutioneel gedachtegoed.
Welke Minister is eindverantwoordelijk voor het ontwikkelen van beleid bij het signaleren, tegengaan en opvolgen van anti-institutioneel gedachtegoed bij medewerkers?
De Ministers dragen gezamenlijk de verantwoordelijkheid. Dit omvat het vergroten van de meldingsbereidheid, het informeren en opleiden van ambtenaren over hun rol in de rechtsstaat en samenleving, en, in gevallen van strafbare feiten, het doen van aangifte.
Is er voldoende strafrechtelijk instrumentarium beschikbaar om aanbieders van «soevereinverklaringen» te vervolgen en te berechten, bijvoorbeeld op basis van oplichting? Heeft er een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden of loopt er een dergelijk onderzoek naar een medewerker die zich soeverein verklaarde?
Of het aanbieden van een soevereinverklaring kan worden gezien als oplichting is afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Zo moet de aanbieder het oogmerk hebben om zich wederrechtelijk te bevoordelen. De opsporing en vervolging is aan het Openbaar Ministerie.
Bent u bekend met het bericht «Ambtenaren: «pensioen-noodrem» NSC dreigt miljarden te kosten»?2
Ja, hier ben ik mee bekend.
Kunt u bevestigen dat deze berichtgeving klopt en kunt u onderliggend memo openbaar maken?
Het klopt dat er een document is opgesteld door de ministeries van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de budgettaire gevolgen van het amendement Joseph c.s. Het onderliggend memo is als bijlage bijgevoegd.
Bent u bekend met de reactie van NSC-Kamerlid Joseph op dit desbetreffende artikel?3
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat dit Kamerlid toegang heeft gehad tot kabinetsinterne stukken? Indien dit klopt, hoe verhoudt zich dat volgens u tot de afspraak dat alle Kamerleden binnen een commissie gelijkelijk geïnformeerd worden?4
Tijdens de procedurevergadering van 23 januari 2025 is door de indieners aangegeven dat zij nog enkele wijzigingen willen doorvoeren in het amendement, en dat zij het gewijzigde amendement op 27 januari zouden indienen. Er is vanuit partijen en indieners technische informatie gevraagd en ontvangen ten aanzien van de budgettaire effecten. Het is, om deze reden, geen kabinetsintern stuk waarin de indieners inzicht hebben gekregen. Ik ben op de hoogte gebracht over de inhoud van het stuk, net als de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane. Het stuk is niet breder binnen het Kabinet gedeeld of besproken.
Zou u alle achterliggende stukken en adviezen (van alle betrokken ministeries) openbaar willen maken die gerelateerd zijn aan de door de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgevraagde appreciatie van het amendement Joseph c.s., en alle stukken die gerelateerd zijn aan de voorlichting die aan de Raad van State gevraagd zal worden over hetzelfde amendement?
Zoals door de vaste Kamercommissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gevraagd, wordt het gewijzigde amendement voorzien van een kabinetsappreciatie, advies van de Raad van State, en zienswijzen van onder andere de toezichthouders, Belastingdienst, pensioenuitvoerders en sociale partners. Ik heb dit proces beschreven in de brief van 24 januari 2025.5 Alle relevante stukken die hieraan ten grondslag liggen, zullen gelijktijdig met de kabinetsappreciatie openbaar worden gemaakt.
De eerdere versies van het budgettair memo en de bijbehorende nota’s en e-mailcorrespondentie doe ik u bij de beantwoording op deze vragen toekomen.
Zou u alle overige stukken en adviezen die er bestaan over het amendement Joseph c.s., dus inclusief alle stukken die gaan over de risico’s voor het pensioenstelsel, evenals de stukken over de risico’s wat betreft de financiële gevolgen en het EMU-saldo van het amendement, ook openbaar willen maken?
Zie antwoord vraag 5.
Zou u alle toekomstige stukken en adviezen die raken aan bovenstaande verzoeken ook zo snel mogelijk openbaar willen maken?
Zie antwoord vraag 5.
Zou u, op basis van artikel 68 uit de Grondwet, de bovengenoemde stukken vóór het weekeinde openbaar willen maken?
Ja.
Het bericht 'Zorgverzekeraars vinden thuis sterven vaak te duur' |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Zorgverzekeraars vinden thuis sterven vaak te duur»? Zo ja, wat vindt u hiervan?1
Uiteraard betreur ik het zeer dat de patiënt waarover in het artikel geschreven werd, in het ziekenhuis is overleden en niet thuis zoals zijn uitdrukkelijke wens was. De betrokken zorgverzekeraar, VGZ, heeft door middel van een persbericht op het artikel gereageerd.2 In het persbericht geeft VGZ aan dat het niet klopt dat VGZ een verzoek heeft geweigerd om palliatieve zorg in de thuissituatie te bieden aan deze patiënt, die bij VGZ verzekerd was. VGZ geeft ook aan dat de betreffende aanbieder dat heeft bevestigd. Ook heb ik hierover een gesprek gevoerd met VGZ. VGZ gaf daarin aan dat er door de betrokken zorgaanbieder het beeld werd geschetst dat er een beroep moest worden gedaan op het omzetplafond. Alleen al vanwege het feit dat zo vroeg in het jaar, januari, een zorgplafond helemaal niet in zicht kan zijn, gaf volgens VGZ aan dat het beroep daarop onterecht was. Hieruit leid ik af dat het in Trouw geschetste beeld niet lijkt te kloppen. Dit neemt niet weg dat mensen in de stervensfase te allen tijde de palliatieve zorg moeten ontvangen die zij nodig hebben. De zorgverzekeraars geven aan dat omzetplafonds nooit een belemmering mogen zijn om juist in palliatief terminale fase patiënten de zorg te geven die nodig is. Om te voorkomen dat hierover onduidelijkheden tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars bestaan, zet ik, zoals ik heb aangegeven in mijn brief d.d. 14 maart jl.3, erop in om hierover in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) aanvullende afspraken te maken. Daarbij is mijn inzet dat mensen in de stervensfase te allen tijde de palliatieve zorg ontvangen die zij nodig hebben en dat afspraken tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars over omzetplafonds hier op geen enkele wijze een belemmering in vormen. Daarnaast wil ik er in het AZWA op inzetten om communicatie tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders te versterken zodat misverstanden over omzetplafonds worden voorkomen.
Wat vindt u ervan dat zorgverzekeraars een doelmatigheidstoets uitvoeren bij de aanvraag voor terminale thuiszorg?
In mijn bovengenoemde brief van 14 maart jl. heb ik toegelicht dat met de zorgverzekeraars is gesproken over de werkwijze bij palliatieve zorg. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders van wijkverpleging maken onderling afspraken met als uitgangspunt dat op basis van de principes van passende zorg alle patiënten die palliatieve zorg nodig hebben goed kunnen worden geholpen. De contractafspraken die worden gemaakt geven aanbieders te allen tijde de ruimte om tijdig palliatieve zorg te kunnen leveren. Waarbij het van belang is dat aanbieders van wijkverpleging tijdig met de verzekeraar in gesprek gaan als zij zien dat een groot deel van het omzetplafond is bereikt, zodat zij afspraken kunnen maken over de voor palliatieve zorg benodigde uitbreiding.
Als het gaat om een aanbieder die niet-gecontracteerd is, kan het zo zijn dat een zorgverzekeraar in de polisvoorwaarden heeft bepaald dat een machtiging moet worden aangevraagd voorafgaand aan het starten van de zorg. Bij het beslissen over de machtiging hanteert de medisch adviseur van de zorgverzekeraar het Normenkader indicatieproces en de beroepsrichtlijnen als toetsingskaders. Zorgverzekeraars zien dat deze niet altijd worden gevolgd. Ook worden er zorguren aangevraagd die niet vallen onder «zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden». Dat kan dan tot discussies leiden tussen aanvrager en zorgverzekeraar. Het is belangrijk dat dit soort discussies zo min mogelijk plaatsvinden. Mensen moeten in de stervensfase te allen tijde de terminale palliatieve zorg ontvangen die zij nodig hebben en ook machtigingen mogen daar op geen enkele wijze belemmeringen voor vormen. Daarom zet ik mij er voor in dat de beroepsgroep, zorgaanbieders en zorgverzekeraars in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord afspreken dat zij goede afspraken maken over de vraag wanneer palliatief terminale zorg niet meer verantwoord thuis kan worden georganiseerd en de beschikbaarheid van volwaardige alternatieven en zo nodig het Normenkader indicatieproces hierop aanpassen.
Is bekend bij hoeveel mensen de aanvraag voor terminale thuiszorg vanwege doelmatigheidseisen wordt geweigerd?
Alle zorgverzekeraars geven aan dat deze situatie zich niet heeft voorgedaan in 2024, noch in de jaren hiervoor.
Hanteren zorgverzekeraars bij de aanvraag voor terminale thuiszorg een limiet van 12 uur zorg per maand?
Zorgverzekeraars geven aan dat er geen limieten (maximum aantal uren) worden gesteld. Het professioneel oordeel van de indicerend wijkverpleegkundige is leidend. De aanspraak wijkverpleging in de Zorgverzekeringswet omvat zorg zoals een verpleegkundige die pleegt te bieden. Dit betekent dat een HBO-geschoolde wijkverpleegkundige een inschatting maakt van de benodigde zorg. De wijkverpleegkundige doet dit op basis van klinisch redeneren volgens het normenkader van de V&VN. Zo indiceert de wijkverpleegkundige de zorgbehoefte die nodig is en kijkt hoe deze ingezet kan worden binnen het steunsysteem van de verzekerde, in combinatie met de zorgorganisatie en eventueel vrijwilligers. Onderdeel van dat professionele oordeel is ook de vraag of de zorg thuis op verantwoorde wijze geboden kan worden en wat de mogelijkheden van mantelzorgers zijn. Als de grenzen van de mogelijkheden zijn bereikt maakt de wijkverpleegkundige alternatieve oplossingen – zoals verblijf in een hospice – bespreekbaar.
Terminale thuiszorg in de laatste fase is toch juist hele intensieve zorg en verloopt toch bij iedereen anders?
Dat klopt.
Klopt het dat zorgverzekeraar Zilveren Kruis geen doelmatigheidseis hanteert bij terminale zorg thuis? Zo ja, dan betekent dit toch dat de doelmatigheidseis bij terminale thuiszorg een keuze is van de zorgverzekeraar is? Kunt u uitleggen waarom zij die keuze maken?
De weergegeven werkwijze van Zilveren Kruis klopt deels. Zorgverzekeraars hebben de wettelijke taak om doelmatige zorg in te kopen, hiervoor hebben zij enkele sturingselementen tot hun beschikking. Eén daarvan kan een doelmatigheidsmodel of benchmarksystematiek zijn. Dit is een instrument dat voor de contractering kan worden ingezet, en dat kan worden gebruikt om bijvoorbeeld zorgaanbieders te belonen als zij zorg efficiënt organiseren. Dit betreft dus nadrukkelijk geen instrument voor toetsing op individueel niveau. Om een goede vergelijking in doelmatigheid te maken kan palliatieve terminale zorg een onderdeel van het doelmatigheidsmodel voor de zorginkoop zijn. Dit is een individuele keuze van de zorgverzekeraar. Zilveren Kruis heeft met ingang van dit jaar palliatieve terminale zorg uit het doelmatigheidsmodel voor de contractering wijkverpleging gehaald. Het is bekend dat de zorg in de palliatief terminale fase vaak een hoger aantal uren meebrengt dan reguliere wijkverpleging. Dit had invloed op de uitkomst van het doelmatigheidsmodel van de gecontracteerde zorgaanbieders. Doordat palliatieve terminale zorg uit het doelmatigheidsmodel gehaald is, heeft dit geen invloed meer op de doelmatigheidsscore.
Alle zorgverzekeraars hebben mij de verzekering gegeven dat de gemaakte keuze voor welk type inkoopafspraken met aanbieders wordt gemaakt, deze de individuele en tijdige levering van palliatieve terminale zorg niet in de weg staat.
Klopt het dat zorgaanbieders financieel opdraaien voor de «overige uren» als de limiet van 12 uur zorg thuis is bereikt?
Er is geen limiet van 12 uur zorg, omdat het bij palliatieve en terminale zorg, zorg op maat betreft. Wel zijn er in de contractuele afspraken tussen aanbieders en verzekeraars doorgaans afspraken gemaakt over een gemiddeld aantal uren, waarbij in sommige situaties waarbij dit afgesproken aantal uren ruim wordt overschreden nog enige afstemming tussen de zorgaanbieder en zorgverzekeraar plaatsvindt.
Bent u bereid in overleg te treden met de zorgverzekeraars om een meer eenduidig beleid te ontwikkelen op het sterven thuis, waarbij meer zaken worden meegenomen dan alleen doelmatigheid?
Ja, daar ben ik zeker toe bereid. Ik vind het echter belangrijk om dat gesprek met alle betrokken partijen te voeren. En dat gesprek wordt ook al gevoerd vanuit het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II) waarin wordt gewerkt aan de transformatie palliatieve zorg. Deze transformatie betekent dat partijen (ziekenhuizen, hospices, huisartsen, wijkverpleging, zorgverzekeraars, etc.) per regio afspraken maken over hoe ze gaan zorgen dat zorgverleners tijdig de palliatieve fase markeren, dat zorgverleners tijdig en regelmatig gesprekken voeren met patiënten over hun wensen en grenzen in de palliatieve fase, dat zorgverleners met elkaar gaan samenwerken, over de «muren» heen en dat zij zorgen dat bij complexe palliatieve zorg voldoende specialisten palliatieve zorg beschikbaar zijn.
Daarnaast ben ik met partijen in gesprek over afspraken over palliatieve zorg in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord. Ik verwijs hiervoor naar mijn bovengenoemde brief d.d. 14 maart jl.
Mijnbouwherstel in Limburg |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
![]() |
Wat is er tussen 2020 en 2024 ondernomen om de openstelling van de schadeafhandeling mogelijk te maken?
Vanaf 2020 zijn met rechtsopvolgers van voormalige mijnbouwbedrijven gesprekken gevoerd. Helaas lukte het niet om met de rechtsopvolgers tot een passende oplossing te komen voor de afhandeling van schade door voormalige steenkoolwinning. Vanaf 2022 zijn er gesprekken gevoerd met de regio over de vormgeving van een regeling waarbij het uitgangspunt een onverplichte tegemoetkoming vanuit de overheid was voor mijnbouwschade aan woningen van particuliere huiseigenaren. In mei 2023 heeft het kabinet samen met de regio gezamenlijke uitgangspunten vastgesteld en in oktober 2023 is dit verder uitgewerkt tot de zogenoemde inrichtingsprincipes.
Vervolgens is geprobeerd om de uitvoering van de beoogde regeling bij een bestaande organisatie te beleggen. Dit bleek helaas niet mogelijk. Hierbij is ook gekeken naar regionale oplossingen. Omdat het twee tot drie jaar kan duren voordat er een nieuwe organisatie met een wettelijke taak is opgericht en ingericht, is er nu voor gekozen om eerst een tijdelijke organisatie in te richten die vervolgens over kan vloeien in een definitieve organisatie. De implementatie hiervan vergt tijd. Ook voor een tijdelijke organisatie geldt bijvoorbeeld dat er een ICT-systeem moet worden ingericht en mensen moeten worden geworven. Het streven is om de tijdelijke organisatie zo spoedig mogelijk te laten starten met de afhandeling van schades. De schadeafhandeling zal eind 2025 worden gestart.
Kunt u nu bevestigen dat u alles scherp op de radar heeft zodat het gerechtvaardigd is te zeggen dat het Rijk kan garanderen dat de regeling op 2 januari 2026 uiterlijk voor burgers opengaat?
Ja, het kabinet heeft de benodigde stappen scherp op de radar. De grootste stap is het inrichten van de tijdelijke organisatie. Deze zal bemenst worden vanuit RVO en werken onder de vlag van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. Parallel hieraan zal begonnen worden met het inrichten van een definitieve organisatie. Dit traject zal twee tot drie jaar duren. Ik zal mij maximaal inspannen om ervoor te zorgen dat de regeling, en als eerste het digitale loket, eind 2025 open kan.
Op welke wijze kunt u versnelling organiseren binnen het voorbereidingsproces, zodat zorgvuldigheid en daadkracht worden gecombineerd en de regeling mogelijk al in 2025 open kan voor de gedupeerde eigenaren?
De huidige planning voor het inrichten van de tijdelijke organisatie is ambitieus, maar haalbaar. Het kabinet begrijpt dat u daadkracht wil zien. De kennis en ervaring die is opgedaan bij de oprichting van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG), de voorganger van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG), zal worden gebruikt om de uitvoering van de regeling via de tijdelijke organisatie in te richten. Die ervaring leert ook dat het juist in deze fase belangrijk is om zorgvuldig te zijn, om te zorgen voor een soepele implementatie en uitvoering van de regeling. Het kabinet zal de regeling eind 2025 openstellen.
Welke zwaarwegende redenen zouden er kunnen zijn om eventueel van een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) af te zien? Zijn er alternatieve rechtsvormen die voor de betrokken burgers sneller of betere uitkomsten kunnen bieden?
Het kabinet heeft in het voorjaar van 2024 aan het adviesbureau AEF gevraagd om mogelijke organisatievormen te onderzoeken. Uit het advies kan geconcludeerd worden dat een Rijksdienst de meest haalbare optie is. In juni 2024 zijn twee kwartiermakers aan de slag gegaan. Zij hebben in december 2024 geadviseerd om een zelfstandig bestuursorgaan in te richten.
Het kabinet werkt nu, naar het advies van de kwartiermakers, verder uit hoe de uitvoering kan worden vormgegeven. Dit moet gebeuren in lijn met het kabinetsbeleid inzake verzelfstandiging1 en in een wet.2 Dit beleid vereist terughoudendheid bij het opzetten van (nieuwe) zelfstandige bestuursorganen. Om die reden vergt dit instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als verantwoordelijk Minister voor de organisatie van het openbaar bestuur. Ook worden de aanbevelingen van de Nationale ombudsman gevolgd om de lessen uit andere hersteloperaties te benutten.3
Kunt u toelichten welke processen parallel geschakeld zijn of worden teneinde de burgers niet nodeloos te laten wachten op openstelling, in het licht van de oprichting van een Tijdelijke Organisatie (TO)?
Een operationele Tijdelijke Organisatie is nodig om de regeling open te kunnen stellen. Hier zit straks de menskracht, de systemen en het fysieke loket om – samen met de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade – de aanvragen te kunnen behandelen. Conform planning zal de regeling eind 2025 open gaan. Een projectteam vanuit KGG-RVO zal tot en met medio december werken aan de volgende parallelle trajecten. Dit zijn:
Deelt u dat de burgers die schade hebben niet nodeloos in schadetoerekeningformules betrokken moeten worden? Als het aannemelijk is dat de aangetroffen schade voortkomt uit de mijnbouw, is dat dan afdoende?
Ja, dat deelt het kabinet. Het kabinet wil dat de schadeafhandeling laagdrempelig en transparant is. Het kabinet deelt ook dat het criterium «voldoende aannemelijk» voor deze schade afhandeling zal worden gebruikt. Fysieke schade aan woningen van particuliere huiseigenaren waarvan het voldoende aannemelijk is dat deze is veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van de voormalige steenkoolwinning zal worden vergoed. Wat voldoende aannemelijk is, zal objectief en op eenduidige en begrijpelijke wijze moeten worden vastgesteld. Zo moet bijvoorbeeld worden vastgesteld of de schade geen andere autonome oorzaak heeft. De Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade (hierna: commissie) heeft de definitie van «voldoende aannemelijk» nader uitgewerkt in de werkgroep «Aannemelijkheid». De commissie wordt gevraagd om advies uit te brengen over aanvragen op grond van de regeling, doet in dat kader onderzoek en geeft een advies over het schadebedrag. De commissie zal in de komende maanden via een pilot project bekijken hoe het criterium «voldoende aannemelijk» in de praktijk werkt.
De besluiten op basis van de adviezen van de commissie worden ten tijde van de Tijdelijke Organisatie genomen door de Minister, en later door Instituut Mijnbouwschade Limburg (IML) op het moment dat het IML daartoe wordt gemandateerd.
De regeling zal ook gaan gelden voor particuliere huiseigenaren die lid zijn van een Vereniging van Eigenaren.
Is het volgen van een medezeggenschapstraject een vereiste voor het oprichten van een Tijdelijke Organisatie? Is het noodzakelijk dat de selectie van directeur en bestuur via de Algemene Bestuursdienst verloopt, of is dit een keuze die u zelf kunt maken?
Het kabinet verwacht dat het medezeggenschaptraject voor de tijdelijke organisatie nodig zal zijn. Het functieniveau van de bestuurlijke en de leidinggevende functies van de tijdelijke organisatie en een definitieve organisatie vereisen dat de werving via de Algemene Bestuursdienst verloopt. De regio zal betrokken worden bij het opstellen van de functieprofielen en bij de selectie van de kandidaten.
Is de gehele post «Schadeafhandeling Mijnbouw Limburg» in de begroting van Klimaat en Groene Groei bedoeld voor schade-uitkeringen aan gedupeerde burgers, of worden hier ook andere kosten uit gefinancierd?
De post «Schadeafhandeling Mijnbouw Limburg» is bedoeld voor de schadevergoedingen, onderzoekskosten en uitvoeringskosten. Voor de periode 2025 tot 2029 zijn de volgende bedragen beschikbaar: € 5,7 mln. (2025), € 2,2 mln. (2026), € 4,0 mln. (2027), € 4,0 mln. (2028), € 4,0 mln. (2029). Vanaf 2030 is structureel € 1,0 mln. beschikbaar.4 De inzet van het kabinet is om de kosten te verhalen op de rechtsopvolgers van de voormalige mijnbouwbedrijven.
Is de begrotingspost van 19,5 miljoen euro bedoeld als een eerste aanzet, en is voorzien dat deze wordt aangevuld zolang dat nodig is?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toezeggen dat in de nieuwe structuur die nu wordt ingericht, de samenwerking tussen de drie overheidslagen geborgd blijft? Op welke wijze wordt gewaarborgd dat de nieuwe organisaties onafhankelijk kunnen adviseren, terwijl er tegelijkertijd voldoende draagvlak in de regio blijft bestaan?
De betrokkenheid van de regio bij deze regeling is heel belangrijk en daarmee een sleutel voor succes. Uiteraard zal op bestuurlijk niveau in een adequate overlegstructuur worden voorzien. In de komende maanden zal met de regio verder worden verkend op welke wijze haar rol bij de afhandeling van schade door de uitvoeringsorganisatie kan worden vormgegeven. Dat dit de vorm krijgt van een adviesrecht voor de regio deelt het kabinet echter niet op voorhand. Het is bijvoorbeeld onduidelijk wat de status van zo’n advies zou zijn op het moment dat de schadeafhandeling wordt uitgevoerd door een zelfstandige uitvoeringsorganisatie.
Deelt u de zienswijze dat het opteren voor een adviesrecht door de regio een sleutel voor succes is, en bent u bereid zich maximaal in te spannen om dit te realiseren?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u toezeggen dat de Commissie Mijnbouwschade aan de slag gaat met de 10 pilotgevallen, en dat de Kamer op de hoogte wordt gehouden van het verloop van deze pilots?
Ja, de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade (hierna: commissie) heeft hiervoor onlangs een opdracht gekregen. Via deze pilot kan de commissie onder meer testen hoe het uitgangspunt voldoende aannemelijkheid in de praktijk werkt. De commissie heeft op 21 maart jl. met de tien bewoners gesproken en heeft hen geïnformeerd over de planning van de pilot. De commissie zal over de pilot een rapport opstellen. Het rapport zal naar verwachting na de zomer gereed zijn. Het zal in de stuurgroep I3ML worden besproken en naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
Kunt u toelichten hoe een samenwerking met het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) concreet zal worden ingevuld en welke voordelen dit oplevert voor de schadeafhandeling in Limburg?
Zijn er mogelijkheden om een digitaal loket eerder te openen dan december 2025, bijvoorbeeld in een beperkte vorm, zodat burgers zich tijdig kunnen melden en voorbereiden op de aanvraagprocedure?
Kunt u aangeven hoe dit adviesloket wordt ingericht, welke diensten het biedt en op welke termijn het operationeel zal zijn?
Kunt u aangeven hoe deze pilotgevallen met kleine schadegevallen worden geselecteerd en of de lessen hieruit direct worden meegenomen in de verdere uitrol van de regeling?
Het bericht ‘Dilemma’s door de doorstroomtoets: scholen doen met tegenzin mee of haken af omdat ze de toets niet meer vertrouwen’ |
|
Anita Pijpelink (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Dilemma’s door de doorstroomtoets: scholen doen met tegenzin mee of haken af omdat ze de toets niet meer vertrouwen»?1
Ja.
Hoeveel leerlingen doen er dit jaar niet mee aan de doorstroomtoets afgezien van de leerlingen met een wettelijke uitzondering?
Sinds de berichtgeving waar u met deze schriftelijke vragen naar verwijst, is er veelvuldig contact geweest tussen OCW, de Inspectie van het Onderwijs en de desbetreffende scholen. Inmiddels zijn alle vier de scholen waar het om gaat voornemens de doorstroomtoets alsnog af te nemen en daarvoor de inhaalperiode te gebruiken.
Daarmee is de doorstroomtoets in principe door alle leerlingen gemaakt die niet in een van de wettelijke uitzonderingscategorieën vallen.
Klopt het dat er een doorstroomtoets nodig is binnen het kader van de Wet doorstroomtoetsen primair onderwijs voor het vaststellen van een definitief schooladvies, behalve bij wettelijke uitzonderingen zoals leerlingen met een meervoudige handicap? Zo ja, krijgen leerlingen die niet onder een wettelijke uitzondering vallen en geen doorstroomtoets maken geen definitief schooladvies?
Het klopt dat de doorstroomtoets nodig is voor het vaststellen van een definitief schooladvies. Dit volgt uit artikel 45d van de Wet op het primair onderwijs. De doorstroomtoets is een belangrijk aanvullend perspectief op het voorlopig schooladvies van de school. Wanneer een leerling geen doorstroomtoets afneemt, omdat deze binnen een van de wettelijke toegestane uitzonderingscategorieën valt (zoals leerlingen die korter dan vier jaar in Nederland zijn of zeer moeilijk lerende leerlingen), is er geen aanvullend perspectief beschikbaar. Dit betekent in de praktijk dat het voorlopig schooladvies gelijk wordt omgezet in het definitief schooladvies.
Leerlingen krijgen dus altijd een definitief schooladvies, ook als ze, vanwege een wettelijke uitzonderingsgrond, geen doorstroomtoets afleggen. Deze uitzonderingsgronden zijn zeer beperkt omdat het niet wenselijk is een definitief schooladvies zonder doorstroomtoets te krijgen. De doorstroomtoets is een belangrijk objectief, aanvullend perspectief op het schooladvies. Zonder dit perspectief is het risico op onderadvisering groter. Dit is vooral een risico voor leerlingen die te maken hebben met structurele onderadvisering, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijk hebben, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Het wegvallen van de doorstroomtoets leidt dus tot kansenongelijkheid.
Kunnen scholen voor kinderen die zonder wettelijke uitzondering de doorstroomtoets niet hebben gemaakt alsnog een definitief schooladvies verstrekken? Zo ja, waaruit bestaat zo’n definitief schooladvies dan en vindt u dat wenselijk?
Het uitgangspunt is dat het resultaat van de doorstroomtoets onderdeel is van het definitieve schooladvies, dat volgt uit artikel 45d van de Wet op het primair onderwijs. De doorstroomtoets biedt een belangrijk aanvullend perspectief op het beeld dat de school heeft van de ontwikkeling van de leerling. Wanneer leerlingen geen doorstroomtoets maken, wordt de kans op dit objectieve, aanvullende perspectief op het schooladvies ontnomen. Dit is vooral een risico voor leerlingen die te maken hebben met structurele onderadvisering, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijk hebben, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Het wegvallen van de doorstroomtoets kan dus leiden tot kansenongelijkheid.
Scholen kunnen voor kinderen die geen doorstroomtoets hebben gemaakt alsnog een definitief schooladvies verstrekken. Dat gebeurt in de praktijk bijvoorbeeld als het voor een leerling om medische redenen niet mogelijk is de doorstroomtoets (ook niet in de inhaalperiode) te maken. Dit definitieve schooladvies bestaat dan alleen uit het beeld dat de school zelf heeft van de leerling. Dit is niet wenselijk en dient zoveel mogelijk vermeden te worden. Het is voor elke leerling belangrijk om de kans te krijgen wél de doorstroomtoets te maken en dit perspectief mee te laten tellen bij het definitief schooladvies.
Klopt het dat er een definitief schooladvies nodig is voor de aanmelding voor het voortgezet onderwijs? Zo ja, gaan leerlingen die geen definitief schooladvies hebben moeilijkheden ondervinden bij het aanmelden voor de middelbare school?
Het klopt dat er een definitief schooladvies nodig is voor de aanmelding voor het voortgezet onderwijs. Indien voor een kandidaat-leerling door de basisschool geen definitief schooladvies is vastgesteld, baseert het bevoegd gezag van de middelbare school zijn beslissing over de toelating tot het eerste leerjaar op een doorstroomtoets.
Indien de leerling geen doorstroomtoets heeft afgelegd, baseert het bevoegd gezag zijn beslissing tot toelating op een onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaat-leerling (Uitvoeringsbesluit WVO 2020, artikel 8.3, eerste lid).
Zowel het schooladvies als de doorstroomtoets zijn bedoeld om de school in het voortgezet onderwijs zo goed mogelijk te voorzien van informatie over de leerling, en welk type onderwijs het beste bij die leerling past.
Wat wordt er van ouders en scholen verwacht, wanneer er kinderen zijn zonder doorstroomtoets en zonder wettelijke uitzondering?
Het uitgangspunt is dat de doorstroomtoets wordt gemaakt door alle kinderen die niet onder een wettelijke uitzondering vallen. Van scholen verwachten we dan ook dat zij er zorg voor dragen dat al hun leerlingen de doorstroomtoets maken, tenzij sprake is van een ontheffingsgrond. Van ouders verwachten we dat zij hun kinderen laten deelnemen aan het onderwijsprogramma zoals dat door de school wordt aangeboden, inclusief doorstroomtoets. Daar zijn ook voldoende mogelijkheden voor: eerst al in de drie weken van de reguliere afnameperiode, maar ook nog in de daarop volgende inhaalperiode van drie weken.
Staat voor ouders de mogelijkheid open om hun kind een private toets als vervanger van de doorstroomtoets te laten maken? Zo ja, vindt u dat wenselijk?
Het staat ouders vrij om weliswaar een van de erkende toetsaanbieders van de doorstroomtoets te vragen of de leerling plaatsonafhankelijk de toets kan maken. Omwille van het feit dat scholen betrouwbare doorstroomtoetsen afnemen, is het wat mij betreft niet nodig om deze extra meting te doen.
Hoe reflecteert u op het wegvallen van de doorstroomtoets in het samenstellen van het definitief schooladvies en de effecten daarvan op de kansengelijkheid voor leerlingen die nu geen doorstroomtoets maken?
Alle leerlingen verdienen een passend schooladvies. Zo kom je terecht op het schooltype dat het beste bij je past en waar je je zo goed mogelijk kan ontwikkelen. De doorstroomtoets is een laatste check bij het schooladvies. Dit biedt een aanvullend perspectief op het voorlopig schooladvies van de school. De school heeft de leerling als het goed is al jaren in beeld en weet veel van de omstandigheden en eigenschappen van de leerling. De doorstroomtoets laat zien waar de leerling op dat moment staat, waarbij de geschiedenis en omstandigheden van de leerling juist niet meespelen. Zo vullen de twee perspectieven elkaar aan.
Het belang van de toets in groep 8 als aanvullend gegeven weten we onder andere door het schooljaar 2019–2020, waarin leerlingen vanwege de coronacrisis geen eindtoets hebben gemaakt. De gemiddelde definitieve schooladviezen waren toen lager dan de jaren daarvoor. Leerlingen konden immers niet op de eindtoets laten zien dat ze meer uitdaging aankonden en kregen dus geen bijstelling van hun schooladvies. Dit trof vooral leerlingen uit financieel kwetsbare gezinnen, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes.
Wanneer leerlingen geen doorstroomtoets maken, wordt de kans op een objectief, aanvullend perspectief op het schooladvies ontnomen. Dit is vooral een risico voor leerlingen die te maken hebben met structurele onderadvisering, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijk hebben, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Het wegvallen van de doorstroomtoets leidt dus tot kansenongelijkheid. Daarom vind ik het goed dat de scholen waar in eerste instantie sprake was dat leerlingen de doorstroomtoets niet zouden maken, deze alsnog afnemen.
Het is van belang hierbij te benadrukken dat de toets er niet op gericht is alle leerlingen naar een meer theoretisch onderwijstype te krijgen. Het gaat erom dat de leerling onderwijs gaat volgen dat bij die leerling past, zodat de leerling zich optimaal kan ontwikkelen. Omdat de doorstroomtoets laat zien over welke vaardigheden de leerling beschikt, helpt de toets om te komen tot een passend schooladvies. Als een bijstelling van het schooladvies niet in het belang is van de leerling, en dus niet leidt tot een passend schooladvies, mag de school ertoe besluiten om maar gedeeltelijk of helemaal niet bij te stellen.
Kunnen voortgezet onderwijsscholen binnen het kader van de Wet voortgezet onderwijs 2020 leerlingen toelaten zonder die beslissing te baseren op een definitief schooladvies? Zo niet, wat gebeurt er met deze leerlingen?
Indien voor een kandidaat-leerling door de basisschool geen definitief schooladvies is vastgesteld, baseert het bevoegd gezag van de middelbare school zijn beslissing over de toelating tot het eerste leerjaar op een doorstroomtoets. Indien de leerling bovendien geen doorstroomtoets heeft afgelegd, baseert het bevoegd gezag zijn beslissing tot toelating op een onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaat-leerling (Uitvoeringsbesluit WVO 2020, artikel 8.3, eerste lid).
Scholen in het voortgezet onderwijs hebben dus de optie om leerlingen toe te laten zonder die beslissing te baseren op een definitief schooladvies. Scholen hebben ook de mogelijkheid om dit te weigeren.
Het is van belang om te benadrukken dat het niet afleggen van een doorstroomtoets niet wenselijk is voor de leerling. Het is in het belang van de leerling om een objectief perspectief tot beschikking te hebben als aanvulling op het schooladvies. Dit perspectief vergroot de kansengelijkheid. Dit is extra belangrijk voor leerlingen die te maken hebben met structurele onderadvisering, zoals leerlingen uit financieel kwetsbare gezinnen, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes.
Vindt er op dit moment contact plaatst tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de scholen die op dit moment weigeren de doorstroomtoets? Kunt u delen wat de beweegredenen zijn van scholen om niet mee te doen?
Er vindt veelvuldig contact plaats tussen mijn ministerie en de besturen van de betreffende scholen. Op 4 februari jl. heb ik ook zelf telefonisch contact gehad met de bestuurders. Ik heb het belang van de doorstroomtoets voor de leerling toegelicht. Ik ben blij dat de scholen de doorstroomtoets alsnog bij alle leerlingen in groep 8 (zonder ontheffingsgrond) afnemen.
Deelt u de mening dat er duidelijkheid moet komen vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over wat het weigeren van de doorstroomtoets betekent voor leerlingen, primair onderwijsscholen en voortgezet onderwijsscholen?
De wet is duidelijk over wat er van scholen wordt verwacht en wat er gebeurt wanneer scholen zich daar niet aan houden. Basisscholen zijn wettelijk verplicht om de doorstroomtoets te laten maken door iedere leerling in het laatste leerjaar die niet onder een van de wettelijke ontheffingsgronden valt. Wanneer basisscholen dit weigeren, benadelen zij daarmee de leerlingen. Zij ontnemen leerlingen namelijk de kans op een objectief tweede gegeven en daarmee de kans op bijstelling van het schooladvies. Dat is kwalijk, want we weten uit onderzoek dat bepaalde kinderen vaak worden onderschat, zoals leerlingen uit financieel kwetsbare gezinnen, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Voor middelbare scholen betekent het weigeren van de doorstroomtoets door de basisschool dat zij een onvolledig aanmelddossier ontvangen. Om al deze redenen zie ik mij genoodzaakt in te grijpen wanneer een school weigert de doorstroomtoets af te nemen.
Zijn er voornemens om zaken rondom de doorstroomtoets te veranderen voor het nieuwe afnamemoment in 2026, gezien de onrust die er op dit moment is rondom de doorstroomtoets?
Na de eerste afname van de doorstroomtoets in 2024 is een kortetermijnevaluatie uitgevoerd waarmee knelpunten rondom het tijdpad en de aanmelding van leerlingen in het voortgezet onderwijs zijn geïdentificeerd. Daarvoor zijn passende oplossingen gevonden die voorlopig voor de huidige en toekomstige afnamen gelden. De uitwerking van de Wet doorstroomtoetsen po wordt uitgebreider in beeld worden gebracht met de langetermijnevaluatie die in januari is gestart. Hiervan wordt de eerste tussenrapportage in april 2026 verwacht.
Tijdens de behandeling van de Wet doorstroomtoetsen PO is er bewust voor gekozen om de keuzevrijheid voor een doorstroomtoets overeind te laten. Doordat er verschillende doorstroomtoetsen worden aangeboden, kunnen scholen een doorstroomtoets kiezen dat past bij hun eigen onderwijsvisie. Deze keuzevrijheid was destijds een belangrijke wens van de politiek en het onderwijsveld.
Er wordt nu op verzoek van de Kamer een verkenning uitgevoerd naar wat er nodig is om te komen tot één doorstroomtoets en een mogelijk tijdpad voor de invoering daarvan ontwikkeld. De uitkomsten van deze verkenning deel ik met u in het najaar van 2025. Indien een van de rapportages hierboven genoemd aanleiding geeft tot wijzigingen rondom de doorstroomtoets gelden daarvoor de geëigende (wettelijke) procedures.
De doorlooptijd van een wetstraject is gemiddeld twee jaar. In het geval dat er besloten wordt toe te werken naar één doorstroomtoets moet er goed gekeken worden naar de positie van de huidige toetsaanbieders en de afbouw daarvan. Daarnaast moeten we dan zorgen dat de doorstroomtoets die behouden blijft dusdanig is ingericht dat het aan de diverse wensen van scholen voldoet, bijvoorbeeld in afnamevorm of op het gebied van toegankelijkheid voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte. De eisen daarvoor dienen we nog bij wet- en regelgeving vast te stellen.
Bovenstaande acties kunnen deels parallel aan elkaar uitgevoerd worden, maar het is niet realistisch om deze acties te doorlopen voor de afname van 2026. U ontvangt in het najaar van 2025 de eerste uitkomsten van de verkenning «terug naar één doorstroomtoets» en in het voorjaar van 2026 de uitkomsten van de eerste evaluatie van de doorstroomtoetsen onder scholen.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het debat met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de berichtgeving dat er te grote verschillen zijn tussen doorstroomtoetsen en basisscholen die de toets weigeren?
Ja.
Kunt u voor uw uitvoeringsorganisatie(s) zo specifiek mogelijk inzichtelijk maken hoeveel geld er de komende jaren zal worden besteed aan diversiteits-, gender-, en inclusiebeleid?1
Er zijn twee uitvoeringsorganisaties gelieerd aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) bevraagd. Dit gaat om de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). De twee gevraagde organisaties verschillen wat betreft rechtsvorm en relatie/verantwoordelijkheid naar het Ministerie van OCW. Daarnaast wordt er gevraagd naar de Nationale Publieke Omroep (NPO), maar dat is geen uitvoeringsorganisatie van het ministerie.
DUO is een agentschap. Dat betekent dat DUO een verzelfstandigd onderdeel is van het ministerie. OCW heeft geen specifiek diversiteits- of genderbeleid. Wel is er de OCW-agenda tegen discriminatie en racisme, om inclusie op de werkvloer te bevorderen. Dit is algemeen OCW beleid en daarmee ook leidend voor DUO. De antwoorden over DUO komen daarom grotendeels overeen met de antwoorden op soortgelijke Kamervragen die in oktober 2024 naar uw Kamer zijn gezonden.2 De ambities uit de eerdergenoemde agenda werken door in alle bedrijfsvoeringaspecten van OCW, waardoor het niet mogelijk is er een bedrag aan te koppelen.
NWO is een zelfstandig bestuursorgaan dat wettelijke taken uitvoert. De organisatie heeft een beleidsplan Diversiteit, Inclusie en Gelijkwaardigheid (DIG). NWO werkt in dit plan aan drie ambities:4 NWO streeft ernaar dat het personeelsbestand een representatieve afspiegeling is van de samenleving,5 NWO werkt aan een veilige werkomgeving, waarin iedere medewerker zichzelf kan zijn en gelijkwaardig wordt behandeld,6 NWO wil ervoor zorgen dat de nodige ambities en activiteiten goed geborgd worden in beleid, processen en structuren. Binnen haar budget van 1,5 miljard euro, stelt NWO 10.000 euro per jaar beschikbaar voor de uitvoering van dit beleid.
Kunt u voor uw uitvoeringsorganisatie(s) zo specifiek mogelijk inzichtelijk maken hoe het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid de komende jaren wordt vormgegeven? Bent u voornemens dit beleid binnen uw uitvoeringsorganisatie(s) te intensiveren of af te bouwen?
DUO volgt het beleid dat voortkomt uit de OCW-agenda tegen discriminatie en racisme. Er zijn geen plannen om het beleid te intensiveren of af te bouwen.
Het beleidsplan wordt op dit moment geëvalueerd, waarna wordt besloten op welke manier het beleid na 2025 wordt voortgezet.
Kunt u voor uw uitvoeringsorganisatie(s) inzichtelijk maken welke diversiteits-, gender-, en inclusiecursussen er worden aangeboden?
Medewerkers van DUO kunnen gebruikmaken van het Rijksbrede opleidingsaanbod op het gebied van inclusie. OCW heeft geen eigen aanbod als het aankomt op diversiteit, gender en inclusie.
NWO biedt een training aan die leidinggevenden kan helpen bij meer objectief en competentiegericht werven en selecteren.
Is er de afgelopen jaren op uw uitvoeringsorganisatie(s) sprake geweest van het weghalen van kunstobjecten, omdat deze bijvoorbeeld «niet meer van deze tijd» zouden zijn?
Nee.
Kunt u zo specifiek mogelijk inzichtelijk maken in hoeverre uw uitvoeringsorganisatie(s) een gender-en diversiteitsquotum hanteert voor uw personeel?
DUO en NWO hanteren het wettelijke quotum voor de banenafspraak.7
Op welke manier wordt het succes van het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid binnen uw uitvoeringsorganisatie(s) gemeten? Welke criteria of key performance indicators (KPI’s) hanteert u om het beleid te beoordelen?
DUO hanteert de Rijksbrede streefcijfers op diversiteit, zoals die worden gerapporteerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk. Daarnaast zijn inclusie en sociale veiligheid een vast onderdeel van de vragen die tweejaarlijks terugkomen in het Medewerkersonderzoek (MO).
Medewerkers worden halfjaarlijks (in de periode tussen november 2022 en november 2024) in het medewerker-tevredenheidsonderzoek gevraagd in hoeverre zij het eens zijn met de stelling dat de aandacht voor diversiteit in de werkomgeving bijdraagt aan het succes van de organisatie.
Kunt u inzichtelijk maken welke externe organisaties of consultants zijn ingehuurd om uw uitvoeringsorganisatie(s) te adviseren over diversiteits-, gender- en inclusiebeleid? Wat waren de kosten en uitkomsten van deze adviezen?
De OCW-agenda tegen discriminatie en racisme is algemeen OCW beleid en is ook leidend voor DUO. Voor het antwoord op deze vraag refereer ik daarom naar de eerdere antwoorden op de soortgelijke Kamervragen die in oktober 2024 naar uw Kamer zijn gezonden.8
De organisatie «Onbeperkt aan de Slag» heeft een toegankelijkheidsonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek kostte eenmalig 1.500 euro en leverde een rapportage op met verbeterpunten die zijn gebruikt om de NWO-panden toegankelijker te maken voor mensen met een fysieke beperking.
De organisatie Connectify heeft NWO geadviseerd over het werving- en selectieproces. Het resultaat daarvan is de training voor leidinggevenden die hen in staat stelt een werkwijze toe te passen die leidt tot het objectief en competentiegericht selecteren van de meest geschikte kandidaat voor een functie. Dit kostte ongeveer 15.000 euro.
Zou u de beantwoording per uitvoeringsinstantie afzonderlijk kunnen aanleveren?
Ja.
Het bericht ‘Mode-industrie maakt nog nauwelijks begin met verplicht recyclen’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Chris Jansen (PVV) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht dat, ondanks de wet uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV), het recyclepercentage van de kledingindustrie blijft steken op 0,3%?1
In de jaarlijkse monitor van ons beleidsprogramma circulair textiel is inderdaad terug te zien dat er de afgelopen jaren nog nauwelijks ingezameld textiel vezel-tot-vezel wordt gerecycled. Het stimuleren van vezel-tot-vezel recycling is daarom een belangrijk aandachtspunt in het nieuwe beleidsprogramma circulair textiel 2025–2030.2 Het kabinet stimuleert dit op twee manieren. Allereerst is er bij de invoering van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) textiel een doelstelling voor vezel-tot-vezel recycling opgenomen, naast de doelstellingen voor hergebruik en recycling. De doelstellingen zijn per 2025 ingegaan en vanaf 2026 moeten producenten hierover rapporteren. Het is nu dus nog te vroeg om iets te kunnen zeggen over de effecten van de invoering van de UPV. Daarnaast pleit Nederland voor een verplicht percentage recyclaat bij de uitwerking van de Ecodesign voor Duurzame Productenverordening (ESPR) voor textiel.
Herkent u zich in het beeld dat het systeem van inzameling, sortering en recycling van afgedankt textiel in Nederland «nou eenmaal tijd kost»?2
De uitvoering van de UPV textiel is de verantwoordelijkheid van producenten. Tegelijkertijd zijn er ook vele andere partijen betrokken die zich nu al bezig houden met het inzamelen, sorteren en recyclen van textiel. Het is belangrijk dat producenten hier goede afspraken over maken met deze partijen. Het kost tijd om daar onderling uit te komen en het inzamelsysteem te organiseren. Daarom is ervoor gekozen om de doelstellingen later in te laten gaan, zodat producenten voldoende tijd hebben om zich voor te bereiden. Inmiddels heeft Stichting UPV Textiel een samenwerkingsovereenkomst afgesloten voor 2025 met de koepelorganisaties VHT, NVRD en BKN. Ook de andere producentenorganisaties, Collectief Circulair Textiel en European Recycling Netwerk, hebben afspraken gemaakt met partijen.
Vindt u dat Stichting UPV Textiel genoeg tijd heeft gehad om zich voor te bereiden op haar wettelijke verantwoordelijkheid om de helft van de kleding te hergebruiken of recyclen in 2025?
Ja. Bij de invoering van de UPV textiel in 2023 is gekozen om de doelstellingen per 2025 in te laten gaan, zodat producenten voldoende tijd zouden hebben om zich voor te bereiden op de uitvoering van hun verplichtingen. Daarnaast zijn de partijen uit de textielsector vroegtijdig betrokken bij de voorbereiding van de wetgeving.
Bent u het met de directeur van Stichting Sympany eens dat de Stichting UPV Textiel niet genoeg verantwoordelijkheid neemt?
Producenten zijn met de invoering van de UPV textiel organisatorisch en financieel verantwoordelijk voor het inzamelen, voorbereiden voor hergebruik en recyclen van het textiel dat ze in de handel brengen. Producenten kunnen individueel of collectief (via een producentenorganisatie) invulling geven aan deze verantwoordelijkheid. De brancheverenigingen Modint en INretail hebben rond de invoering van de UPV textiel initiatief genomen om collectief uitvoering te geven aan deze verplichtingen door een producentenorganisatie op te richten. Zij doen dat nu namens een groot gedeelte van de markt. Stichting UPV Textiel is een van de drie producentenorganisaties die is opgericht. Dat er inmiddels een samenwerkingsovereenkomst getekend is voor 2025 is een belangrijke stap voor de verdere uitvoering van de UPV textiel. Uiteindelijk worden de producentenorganisaties beoordeeld op het halen van de doelstellingen van de UPV.
Hoe kan het dat Stichting UPV Textiel te weinig betaalt om de recycling op orde te brengen?
Het is aan producenten(organisaties) om financiële afspraken te maken met partijen in de textielsector. De overheid is geen partij in deze gesprekken. Het is aan partijen zelf om te beoordelen of de overeengekomen vergoedingen voldoende zijn om de kosten voor het inzamelsysteem te dekken. De ILT handhaaft vanaf 2026 op het naleven van de doelstellingen. Indien er te weinig geld beschikbaar wordt gesteld voor het inzamelen, hergebruiken en recyclen van textiel, kan dat zich vertalen in het niet behalen van de gestelde doelen.
Bent u het met de CEO van Bright.Fiber en de indiener eens dat de UPV ambitieuzer kan, aangezien dat bedrijf in nieuwe grondstoffen 40–70% gerecyclede kleding kan verwerken? Zo ja, wanneer zal u de UPV aanscherpen en het percentage van 7,5% verhogen?
De doelstellingen zoals geformuleerd in het Besluit UPV textiel zijn gebaseerd op een onafhankelijk onderzoeksrapport en op basis van beschikbare monitoringsrapportages. Op basis van dit rapport is geconcludeerd dat de vastgestelde doelen haalbaar, ambitieus en realistisch zijn. Op het moment van invoering werd ongeveer 15 procent van het ingezamelde textiel gerecycled en werd er nauwelijks textiel vezel-tot-vezel gerecycled.
De doelstellingen voor voorbereiding voor hergebruik en recycling zijn een gecombineerde doelstelling. In 2025 moet ten minste 50 procent van het in de handel gebrachte textiel worden voorbereid voor hergebruik of gerecycled. Minimaal 20 procent daarvan moet ingevuld worden met voorbereiding voor hergebruik. De overige 30 procent kan worden ingevuld met voorbereiding voor hergebruik of recycling. Als dit volledig wordt ingevuld met recycling, zou dit dus een verdubbeling zijn van de hoeveelheid gerecycled textiel (van 15 procent naar 30 procent). Binnen de recyclingdoelstelling moet per 2025 25 procent van de totale gerecyclede hoeveelheid vezel-tot-vezel worden gerecycled. Ook dat zou een flinke toename zijn aangezien er momenteel nog nauwelijks vezel-tot-vezel recycling plaatsvindt. De doelstellingen lopen daarnaast vanaf 2025 jaarlijks op. Uit de rapportage die producenten in 2026 moeten aanleveren over 2025 moet blijken in hoeverre de doelstellingen behaald worden. De UPV wordt uiterlijk in 2028 geëvalueerd en waar nodig aangescherpt.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat niet alleen de recycling beter gaat, maar dat er ook minder kleding wordt weggegooid?
De UPV ziet toe op de afvalfase van textiel, namelijk dat er meer wordt ingezameld, voorbereid voor hergebruik en (vezel-tot-vezel)gerecycled. Om ervoor te zorgen dat er minder kleding wordt weggegooid, is er aanvullend beleid nodig. Dit staat uitgewerkt in het beleidsprogramma circulair textiel 2025–2030 dat in december 2024 naar de Kamer is gestuurd.4 Het beleidsprogramma richt zich bijvoorbeeld op maatregelen om consumenten te helpen om duurzame keuzes te maken. Ook pleit Nederland in Europa onder de ESPR voor ambitieuze ontwerpeisen voor textiel om te zorgen dat de kwaliteit van textiel wordt verbeterd zodat consumenten langer met hun kleding kunnen doen. Daarnaast wordt de Europese Kaderrichtlijn Afvalstoffen (KRA) herzien. Hieruit volgt een aantal aanscherpingen voor de UPV textiel die naar verwachting in 2027 nationaal worden ingevoerd. Het wordt bijvoorbeeld verplicht om tarieven van producenten te differentiëren op basis van de duurzaamheidseisen die onder de ESPR worden vastgesteld. Bedrijven die duurzame keuzes maken in het ontwerp van hun textiel worden daarvoor beloond in de vorm van een lagere bijdrage aan de UPV.
Bent u het met de indiener eens dat het onacceptabel is dat kledingproducenten de markt overspoelen met goedkope kleding van lage kwaliteit, om vervolgens niet hun verantwoordelijkheid te nemen, wanneer deze kleding weer wordt afgedankt? Zo ja, hoe kan het dat het recyclesysteem al faalt, voordat het goed begonnen is?
De problemen die ontstaan in de keten als gevolg van kleding van lage kwaliteit worden ook in het beleidsprogramma circulair textiel 2025–2030 benadrukt. Met de invoering van de UPV worden producenten verplicht om hun verantwoordelijkheid te nemen en de afvalfase van hun producten te organiseren en financieren. Omdat het tijd kost om dit goed te organiseren met alle betrokken partijen is er zoals eerder aangegeven voor gekozen om de doelstellingen per 2025 in te laten gaan. Vanaf 2026 kan de ILT handhaven op het al dan niet behalen van deze doelstellingen op basis van de ingediende rapportages.
Bent u het met de directeur van Stichting Sympany eens dat «er vaart gemaakt moet worden en de overheid zou moeten ingrijpen»? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat het recycleniveau op het gewenste niveau komt en welke dwingende maatregelen overweegt u?
Met de invoering van de UPV textiel heeft de Nederlandse overheid ingegrepen door producenten verantwoordelijk te maken voor de afvalfase van hun producten. De verplichtingen en doelstellingen uit de UPV die rusten op producenten zijn juridisch bindend. De effecten van de invoering van deze maatregel moeten de komende jaren blijken op basis van de rapportage over de doelstellingen die producenten moeten indienen. De ILT onderneemt nu al actie om producenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid. Zie daarvoor het antwoord op vraag 10. Uiterlijk in 2028 wordt de UPV geëvalueerd en waar nodig aangescherpt. Ook volgen er vanuit de herziening van de Europese Kaderrichtlijn (KRA) aanvullende eisen voor producenten, zoals verplicht differentiëren van tarieven op basis van duurzaamheidseisen en uitbreiding naar schoenen.
Op welke manier zal de ILT de de naleving van de wet gaan controleren?
Vanaf 2025 gelden de doelstellingen en vanaf 2026 zijn producenten verplicht om te rapporteren over het behalen van deze doelstellingen. Het verslag over 2025 van producenten of producentenorganisaties moet voor 1 augustus 2026 bij Rijkswaterstaat worden ingediend. De ILT voert controles uit op de ingediende rapportages en houdt toezicht op het voldoen aan de verplichtingen, waaronder het behalen van de doelstellingen. Als er niet wordt voldaan aan de verplichtingen handhaaft de ILT volgens de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Op dit moment voert de ILT al gesprekken met de verschillende producentenorganisaties.
De ILT houdt op dit moment toezicht op de meldingsplicht die geldt sinds het Besluit UPV textiel is ingegaan. In het kader van de meldplicht moeten producenten/importeurs zich melden bij Rijkswaterstaat (RWS), direct of via een producentenorganisatie. De ILT neemt contact op met producenten/importeurs die zich nog niet, individueel of via een producentenorganisatie, hebben gemeld bij Rijkswaterstaat. De ILT wijst hen dan op de meldplicht en neemt indien nodig maatregelen.
Op de website van de ILT kan ook worden doorgegeven als er vermoedens zijn van producenten die textiel op de Nederlandse markt brengen zonder te voldoen aan de wettelijke eisen van de meldplicht. Deze meldingen gebruikt de ILT ook voor de handhaving.
Verwacht u dat de controle van de ILT de naleving zal vergroten?
Ja, ik verwacht dat de controle van de ILT de naleving zal vergroten. Hier is nu al sprake van omdat de ILT producenten/importeurs aanspreekt op hun meldplicht. Producenten die nog niet voldoen aan de meldplicht melden zich daardoor alsnog bij Rijkswaterstaat. De controle door de ILT wordt uitgebreid wanneer de ILT vanaf 2026 zal handhaven op de ingediende verslaglegging over de doelstellingen. De handhaving van de ILT is gebaseerd op de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Op basis van de overtreding wordt een passende interventie ingezet.5
Bent u het met de indiener eens dat de controle van de ILT niet het gewenste – namelijk het wettelijk verplichte – recycleniveau van plastic en blik heeft bewerkstelligd, waar Verpact verantwoordelijk voor is? Zo ja, denkt u dat de controle van de ILT een ander effect gaat hebben op textielreclycling?
Het gaat hier om verschillend beleid en regelgeving en om verschillende productgroepen, die niet één op één vergeleken kunnen worden.
Voor verpakkingen is de producentenorganisatie Verpact verantwoordelijk voor het behalen van recycle- en hergebruikdoelstellingen voor verpakkingen op materialenstromen zoals plastic. Deze doelstellingen worden vrijwel allemaal behaald. Daarnaast is Verpact verantwoordelijk voor de inzameldoelstelling in het kader van statiegeld. De inzameldoelstelling voor flessen is de afgelopen jaren niet behaald. Om die reden loopt er een handhavingstraject vanuit de ILT, waarover eerder Kamervragen zijn beantwoord.6
Ten aanzien van textiel verwijs ik u naar het antwoord op vraag 11 voor het verwachte effect van het toezicht door de ILT op de naleving van de doelstellingen.
Bent u het met de indiener eens dat niet of slecht werkende recyclesystemen het vertrouwen in, en bereidwilligheid om bij te dragen aan, een circulaire economie doet afnemen bij de consument? Zo ja, vindt u dan niet dat u als systeemverantwoordelijke harder dient op te treden tegen bedrijven die het systeem frustreren?
Negatieve berichten over de textielsector helpen uiteraard niet om de bereidheid van consumenten te vergroten voor circulair gedrag. Producenten hebben met de UPV textiel de verplichting om de consument onder andere te informeren over hoe en waar ze hun textiel kunnen inleveren voor hergebruik of recyclen. Het betrekken van consumenten en het transparant informeren over wat er na inzameling met het textiel gebeurt, is belangrijk om mensen mee te krijgen. Gedrag van burgers wordt beïnvloed door acties van bedrijven en overheid. Daarom richt het kabinet zich in het beleidsprogramma niet alleen op de rol van de consument, maar juist ook op die van bedrijven en overheid. Handhaving op wetgeving zoals de UPV textiel hoort hier ook bij. Zie hiervoor het antwoord op vraag 10. Daarnaast staan er in het beleidsprogramma circulair textiel maatregelen die mensen helpen met het maken van duurzame keuzes, zoals de campagne «Mijn Stijl ID» door Milieu Centraal.
Kunt u toezeggen om voor de begroting van 2025 met een plan van aanpak te komen om producenten verantwoordelijk te houden voor hun wettelijke recycleverplichting – bovenop en zwaarder dan de huidige inzet – als er de komende maanden geen verbetering plaatsvindt?
Het is nog te vroeg om iets te kunnen zeggen over de effectiviteit van de UPV textiel en de noodzaak voor zwaardere inzet. Daarvoor moet eerst de rapportage over de doelstellingen plaatsvinden in 2026, zodat de ILT daarop kan handhaven.
Het bericht ‘Oezbeekse trucker staakt bij truckstop in Venlo: “ik vrees voor m’n leven”’ |
|
Bart van Kent |
|
Eddy van Hijum (CDA), Barry Madlener (PVV) |
|
Welke stappen gaat u nemen om deze stakende werknemer te ondersteunen en beschermen tegen illegale dwangmiddelen die de werkgever inzet om de werknemer te straffen?
Vooropgesteld moet worden dat dit kabinet staat voor een veilige en eerlijke transportsector. Onderbetaling en intimidatie van welke aard dan ook zijn volstrekt onacceptabel. Mijn ministerie heeft van de Nederlandse Arbeidsinspectie vernomen dat zij via haar eigen kanalen al signalen heeft ontvangen over de situatie van de Oezbeekse chauffeur. De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van deze signalen nog dezelfde dag ter plaatse een onderzoek uitgevoerd. Over lopende onderzoeken kan ik geen mededelingen doen.
Welke stappen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat meneer Khudayberdiev zijn volledige loon krijgt uitbetaald door de werkgever?
Ik deel de zorgen over deze vrachtwagenchauffeur. De Arbeidsinspectie onderzoekt of de Nederlandse Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) in dit geval van toepassing is en of deze wet is nageleefd. Over lopende onderzoeken kan ik geen mededelingen doen.
In algemene zin is het niet acceptabel als vrachtwagenchauffeurs via schijnconstructies in Nederland werken en niet de juiste arbeidsvoorwaarden ontvangen. Tegelijkertijd is er sprake van een complex internationaal juridisch kader dat de naleving en het toezicht significant bemoeilijkt. Eerst moet vastgesteld worden of er sprake is van detachering in Nederland, en er een voldoende nauwe band bestaat tussen de chauffeur en Nederland. In de transportsector, die naar haar aard internationaal en mobiel is, is het lastig vast te stellen wanneer iemand gedetacheerd is. Dit maakt naleving van en toezicht op de arbeidsvoorwaarden zeer complex. Daarom is per 1 juni 2023 in Nederland de Implementatiewet Richtlijn 2020/1057/EU inzake detachering in de wegvervoersector in werking getreden. De richtlijn beoogt om te verduidelijken wanneer er sprake is van detachering. Volgens deze richtlijn is er sprake van detachering als de chauffeur cabotage en cross-trade uitvoert, maar niet als hij een bilaterale rit rijdt. De ervaring leert dat het ondanks de bedoelingen van de richtlijn nog steeds ingewikkeld is om vast te stellen over welke delen van een vervoersdienst sprake is van detachering.
Als er sprake is van detachering heeft de chauffeur volgens de Europese juridische kaders recht op de Nederlandse wettelijke arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden (bijvoorbeeld het wettelijke minimumloon), en op de harde kern van arbeidsvoorwaarden uit algemeen verbindend verklaarde cao’s. Als de chauffeur in dienst is bij een bedrijf dat in een andere lidstaat is gevestigd, en wel in Nederland rijdt maar niet gedetacheerd is, dan zijn meestal het recht en de arbeidsvoorwaarden van het land van vestiging van toepassing. De autoriteiten van dat land zijn dan verantwoordelijk voor het toezicht hierop.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat de tijdelijke verblijfsvergunning van meneer Khudayberdiev op illegale wijze wordt ingetrokken door zijn werkgever?
In de berichtgeving staat dat de tijdelijke verblijfsvergunning is ingetrokken door de werkgever. In de regel kan een door een officiële instantie afgegeven verblijfsvergunning alleen door die instantie zelf worden ingetrokken. Dat is niet aan de werkgever.
Bent u het ermee eens dat er een onderzoek moet plaatsvinden of het Litouwse bedrijf Baltic Transline de Europese Cabotagerichtlijnen overtreedt? Zo nee, waarom niet?
De ILT verricht in Nederland wegcontroles en handhaaft onder andere op regels omtrent cabotage. Cabotage is vervoer binnen een EU-lidstaat door een vervoerder die gevestigd is in een andere EU-lidstaat. Een voorbeeld: de in Litouwen gevestigde vervoerder die goederen laadt in Lille en lost in Parijs, verricht cabotage. De in het artikel beschreven rit van Frankrijk naar Denemarken door Nederland is dus geen cabotage, waardoor van overtreding van de voorschriften voor cabotage bij deze rit geen sprake kan zijn.
Bedrijfsonderzoek naar aanleiding van signalen kan worden verricht door de autoriteiten in de lidstaat waar het bedrijf is gevestigd. Als er sprake is van overtredingen waar de ILT zelf niet bevoegd voor is dan wordt dit gedeeld met autoriteiten in de betreffende lidstaat. In het onderhavige geval heeft de ILT geen aanwijzingen dat de Litouwse vervoerder de regels voor cabotage heeft overtreden.
Welke verdere maatregelen gaat u nemen om de werkgever Baltic Transline te straffen voor zijn illegale activiteiten?
Vooropgesteld moet worden dat niet onafhankelijk vastgesteld is dat genoemde onderneming zich schuldig heeft gemaakt aan illegale activiteiten in Nederland. De Arbeidsinspectie doet op dit moment onderzoek. Bij constatering van een bestuursrechtelijke overtreding van de arbeidswetgeving wordt een boeterapport opgemaakt en kan een boete worden opgelegd. Bij aanwijzingen voor een strafbaar feit kan de bijzondere opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie strafrechtelijk onderzoek doen onder gezag van het Openbaar Ministerie.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de arbeidsomstandigheden van vrachtwagenchauffeurs om te achterhalen in hoeverre deze illegale praktijken de norm zijn binnen de transportsector?
In opdracht van de Minister van SZW loopt er al een onderzoek naar de toepassing van de Implementatiewet Richtlijn 2020/1057/EU. De richtlijn beoogt om te verduidelijken wanneer er sprake is van detachering, en dus wanneer de Nederlandse arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn.
Als een vrachtwagenchauffeur uit een derde land rechtmatig in dienst is bij een Nederlands bedrijf heeft hij recht op alle Nederlandse arbeidsvoorwaarden. Als de chauffeur in dienst is bij een bedrijf dat in een andere lidstaat is gevestigd, en wel in Nederland rijdt maar niet gedetacheerd is, dan zijn meestal het recht en de arbeidsvoorwaarden van het land van vestiging van toepassing. De autoriteiten van dat land zijn verantwoordelijk voor het toezicht hierop. In de transportsector, die naar haar aard internationaal en mobiel is, is het echter lastig vast te stellen wanneer een chauffeur gedetacheerd is. Dit maakt naleving van en toezicht op de arbeidsvoorwaarden zeer complex. Volgens Richtlijn 2020/1057/EU is er sprake van detachering als de chauffeur cabotage en cross-trade uitvoert, maar niet als hij een bilaterale rit rijdt.
De ervaring leert dat het ondanks de bedoelingen van de richtlijn nog steeds ingewikkeld is om vast te stellen over welke delen van een vervoersdienst sprake is van detachering. Dit kan ertoe leiden dat vrachtwagenchauffeurs niet de juiste arbeidsvoorwaarden ontvangen. Daarom heeft de Minister van SZW opdracht gegeven om een invoeringstoets te doen. Met de invoeringstoets wordt onder andere onderzocht in hoeverre de richtlijn bijdraagt aan de correcte toepassing van de juiste arbeidsomstandigheden in de transportsector. Naar aanleiding van de conclusies van het onderzoek wordt er waar mogelijk op nationaal niveau bijgestuurd. Als de knelpunten niet op nationaal niveau opgelost kunnen worden, geeft de invoeringstoets mogelijk aanleiding om dit op Europees niveau te signaleren. De uitkomsten van de invoeringstoets worden eind 2025 verwacht. De uitkomsten zullen in het eerste kwartaal van 2026 met uw Kamer gedeeld worden.
Deelt u de mening dat de transportsector misbruik maakt van goedkope arbeidskrachten uit Azië en Afrika door arbeidswetgeving en de cabotageregels te overtreden, en dat dit keihard moet worden aangepakt?
Ik deel de mening dat transportondernemers moeten worden aangepakt die de Europese en nationale regels overtreden, waaronder regels ter bescherming van werknemers tegen onderbetaling, uitbuiting, en onveiligheid en regels ter bevordering van een gelijk speelveld.
Om een veilige, efficiënte en sociaal verantwoordelijke internationale goederen- en personen vervoersector te bevorderen zijn hierover regels vastgelegd in Europese en Nederlandse regelgeving. De Europese Commissie is vanuit haar beleidsverantwoordelijkheid ook actief betrokken bij de situatie rond chauffeurs uit niet-EU-landen. In opdracht van de Commissie onderzoekt de International Road Union (IRU) op dit moment hoeveel chauffeurs er precies vanuit derde landen de EU binnenkomen, uit welke landen ze komen en welke voorwaarden de verschillende lidstaten daarbij hanteren. Daarnaast wordt in het onderzoek bekeken hoe groot het verschil is dat moet worden overbrugd van hun nationale eisen naar de EU-eisen, bijvoorbeeld bij examens of nascholing. Afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek kunnen er aanvullende maatregelen worden voorgesteld. Het onderzoek wordt naar verwachting in het eerste kwartaal van 2025 opgeleverd.
De ILT en de Nederlandse Arbeidsinspectie houden in Nederland toezicht op de naleving van de diverse (Europese) regels in het internationaal wegtransport. Toezicht in deze mobiele sector is om juridische en praktische redenen complex.
De ILT is belast met het toezicht op de naleving van de cabotageregels en de regels voor rij- en rusttijden, waaronder het verbod op de normale wekelijkse rust in het voertuig door te laten brengen. De Arbeidsinspectie houdt bestuurlijk toezicht op eerlijke en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden. De inspectiediensten hebben elk hun eigen risicogerichte programma’s, gericht op het aanpakken van misstanden in deze sector. De bijzondere opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie kan strafrechtelijk onderzoek doen op verschillende beleidsterreinen van de Ministers van SZW en VWS, zoals arbeidsuitbuiting, fraude in de sociale zekerheid, fraude met subsidies, illegale tewerkstelling en zorgfraude. Opsporingsonderzoeken vinden plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.
De ILT en de Arbeidsinspectie werken nauw samen, bijvoorbeeld in het Transport Informatie- en Expertisecentrum (TIEC) en bij administratieve controles op cabotage en detachering. Er worden onder meer gegevens uitgewisseld, risicoanalyses gedaan en gezamenlijke controles uitgevoerd. Daarnaast wordt internationaal samengewerkt met andere landen, veelal met ondersteuning van de Europese Arbeidsautoriteit (ELA). Ze zorgt ervoor dat de autoriteiten van de verschillende landen snel met elkaar in contact komen en dat er gezamenlijk kan worden opgetreden bij grensoverschrijdende misstanden.
De MLT ramingen (tekort en schuldquote) na ieder regeerakkkoord |
|
Folkert Idsinga (VVD), Pieter Omtzigt (NSC) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
![]() ![]() |
Kunt u aangeven wat het EMU-tekort en de EMU-schuld zouden zijn in de aangepaste MLT-raming van het Centraal Planbureau (CPB), waarin de effecten van het regeerakkoord van 2012 zijn meegenomen, voor alle jaren in die raming (tot ongeveer 2017)?
Wij interpreteren de vraag als een verzoek om de raming van het kabinet bij Startnota na verwerking regeerakkoord, die is gebaseerd op de macro-economische cijfers van het CPB, te vergelijken met de uitkomst van het Financieel Jaarverslag Rijk (FJR). Zie hieronder de raming van het EMU-saldo en de EMU-schuld van het kabinet bij Startnota en bij het FJR.
in procenten bbp1
2013
2014
2015
2016
2017
EMU-saldo raming Startnota
– 2,6
– 2,7
– 2,0
– 1,9
– 1,4
EMU-schuld raming Startnota
70,3
70,9
70,7
70,4
69,5
Realisatie EMU-saldo FJR
– 2,5
– 2,3
– 1,8
0,4
1,1
Realisatie EMU-schuld FJR
73,5
68,8
65,1
62,3
56,7
Voor kabinet-Rutte II zijn de jaren 2013 t/m 2017 opgenomen in bovenstaande tabel.
Kunt u in een tabel en een in grafiek de ramingen vergelijken met de werkelijke uitkomsten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven wat het EMU-tekort en de EMU-schuld zouden zijn in aangepaste MLT-raming van het CPB, waarin de effecten van het regeerakkoord van 2017 zijn meegenomen, voor alle jaren in die raming (tot ongeveer 2025)?
Wij interpreteren de vraag als een verzoek om de raming van het kabinet bij Startnota na verwerking regeerakkoord, die is gebaseerd op de macro-economische cijfers van het CPB, te vergelijken met de uitkomst van het Financieel Jaarverslag Rijk (FJR). Zie hieronder de raming van het EMU-saldo en de EMU-schuld van het kabinet bij Startnota en bij het FJR. Zie hieronder de raming van het EMU-saldo en de EMU-schuld van het kabinet bij Startnota en bij het FJR.
in procenten bbp1
2017
2018
2019
2020
2021
EMU-saldo raming Startnota
0,6
0,5
0,7
0,3
0,3
EMU-schuld raming Startnota
57,1
54,0
51,0
48,8
46,9
Realisatie EMU-saldo FJR
1,1
1,5
1,7
– 4,3
– 2,5
Realisatie EMU-schuld FJR
56,7
52,4
48,6
54,5
52,1
Voor kabinet-Rutte III zijn de jaren 2017 t/m 2021 opgenomen in bovenstaande tabel.
Kunt u in een tabel en een in grafiek de ramingen vergelijken met de werkelijke uitkomsten?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven wat het EMU-tekort en de EMU-schuld zouden zijn in aangepaste MLT-raming van het CPB, waarin de effecten van het regeerakkoord van 2021 zijn meegenomen, voor alle jaren in die raming?
Wij interpreteren de vraag als een verzoek om de raming van het kabinet bij Startnota na verwerking regeerakkoord, die is gebaseerd op de macro-economische cijfers van het CPB, te vergelijken met de uitkomst van het Financieel Jaarverslag Rijk (FJR). Zie hieronder de raming van het EMU-saldo en de EMU-schuld van het kabinet bij Startnota en bij het FJR.
in procenten bbp1
2022
2023
2024
2025
2026
2027
EMU-saldo raming Startnota
– 5 en 63,4
– 5 en 62,5
– 5 en 62,6
– 5 en 63,0
– 5 en 62,7
– 5 en 62,7
EMU-schuld raming Startnota
52,9
53,2
53,8
54,9
55,9
56,8
Realisatie EMU-saldo FJR
0,0
–0,3
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Realisatie EMU-schuld FJR
51,0
46,5
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Bij kabinet-Rutte IV is bij Voorjaarsnota 2022 het EMU-saldo en de EMU-schuld definitief vastgesteld en zijn de jaren 2022 t/m 2027 opgenomen in bovenstaande tabel.
Kunt u in een tabel en een in grafiek de ramingen vergelijken met de werkelijke uitkomsten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven wat het EMU-tekort en de EMU-schuld zouden zijn in aangepaste MLT-raming van het CPB, waarin de effecten van het hoofdlijnenakkoord van 2024 zijn meegenomen, voor alle jaren in die raming?
Wij interpreteren de vraag als een verzoek om de raming van het kabinet bij Startnota na verwerking regeerakkoord, die is gebaseerd op de macro-economische cijfers van het CPB, te vergelijken met de uitkomst van het FJR. Zie hieronder de raming van het EMU-saldo en de EMU-schuld van het kabinet bij Startnota en bij het FJR.
in procenten bbp1
2024
2025
2026
2027
2028
2029
EMU-saldo raming Startnota
– 1,6%
– 2,8%
– 3,7%
– 2,4%
– 2,4%
– 2,5%
EMU-schuld raming Startnota
44,2%
46,6%
50,1%
50,7%
51,6%
52,5%
Realisatie EMU-saldo FJR
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t
n.v.t.
n.v.t.
Realisatie EMU-schuld FJR
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t
n.v.t.
n.v.t.
Bij kabinet-Schoof is in Miljoenennota 2025 het EMU-saldo en EMU-schuld definitief vastgesteld en zijn de jaren 2024 t/m 2029 opgenomen in bovenstaande tabel
Kunt u aangeven of u een structurele afwijking ziet in de ramingen of niet en of dat u de ramingen trefzeker vindt?
In zijn algemeenheid geldt dat de MLT raming vier jaar vooruit kijkt en daarmee de onzekerheid van de raming toeneemt. Tussen het moment van de raming van de MLT en de feitelijke realisaties van de betreffende jaren kan veel gebeuren. Het verloop van de grafieken is met name het gevolg van het feit dat de economie zich gedurende kabinetsperiodes vaak anders ontwikkelt dan verwacht. Ook is gedurende kabinetsperiodes vaak beleid gevoerd dat bij formatie niet was voorzien, zoals bijvoorbeeld de coronasteunmaatregelen of aanvullende bezuinigingen ten tijde van de financiële crisis. Dit werkt vervolgens door in de overheidsfinanciën. De trefzekerheid van ramingen wordt op dit moment onderzocht door de onafhankelijke expertgroep realistisch ramen, waarbij ook specifiek wordt gekeken naar de onderliggende macro-economische ramingen en het effect van beleid. Het rapport van de expertgroep zal medio maart naar het parlement worden gestuurd. Het kabinet wacht de conclusies van de expertgroep af.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen twee weken beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Duizenden Amsterdammers wacht erfpacht-strop: ’Van tientje naar 216 euro per maand’’ |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Mona Keijzer (BBB) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Duizenden Amsterdammers wacht erfpacht-strop: Van tientje naar 216 euro per maand» in De Telegraaf?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u aangeven of de bedragen die in het artikel worden genoemd overeenkomen met de verwachting van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ten aanzien van de erfpacht?
Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft geen verwachtingen van bedragen ten aanzien van erfpacht. De kosten die voor het gebruiksrecht worden gerekend zijn afhankelijk van veel factoren en de specifieke erfpachtvoorwaarden die op het recht van toepassing zijn. Erfpachtkosten en ontwikkelingen van deze kosten worden niet door het ministerie gemonitord.
Vindt u het acceptabel dat huizenbezitters mogelijk 216 euro per maand moeten gaan betalen aan erfpacht? Waarom wel, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 is het bedrag dat huizenbezitters aan erfpacht moeten betalen van vele factoren afhankelijk. Als Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heb ik geen oordeel over, en kan ik geen oordeel geven over de hoogte van de canon van een specifiek erfpachtrecht. Zie ook mijn antwoord op vraag 2 en vraag 7.
Ik vind het wel van belang dat gemeenten beter rekening houden met de belangen van de erfpachters. De vorig jaar opgestelde Handreiking erfpacht voor gemeenten (zie Kamerstukken II, 2023–2024, 32 847, nummer 1179) is dan ook bedoeld om te helpen bij het creëren van meer eenduidigheid bij het toepassen van erfpacht door gemeenten en het beter kunnen borgen van de rechten van erfpachters. De handreiking helpt bij het creëren van eenduidigheid bij het toepassen van erfpacht door gemeenten en biedt gemeenten handvatten bij het opstellen of actualiseren van hun erfpachtbeleid of erfpachtvoorwaarden. Dit wordt gedaan aan de hand van de kernbegrippen rechtsbescherming, rechtszekerheid, rechtsgelijkheid, transparantie en participatie. Met behulp van deze begrippen is een afwegingskader vormgegeven. Dat kader helpt gemeenten bij het opstellen van erfpachtvoorwaarden waarbij zij rekening houdt met de bescherming van de rechten van erfpachters.
Deelt u de mening dat we er alles aan moeten doen om de woonlasten van een eigen huis betaalbaar moeten houden? Waarom wel, waarom niet?
Vanzelfsprekend ben ik voor passende woonlasten voor alle huishoudens. Ik werk hier ook hard aan met alle betrokken partijen. Zo zet ik bijvoorbeeld in op tweederde betaalbaar voor de nieuwbouw.
Vindt u het acceptabel dat een huizenbezitter zelf moet bewijzen dat de grond minder waard is, dan de inschatting die de gemeente Amsterdam maakt? Waarom wel, waarom niet?
In Amsterdam staan veel woningen op erfpacht. De grond is vaak lang geleden in erfpacht uitgegeven onder de toen geldende erfpachtvoorwaarden. De canon wordt na 50 of 75 jaar, afhankelijk van de van toepassing zijnde voorwaarden, herzien. In veel gevallen stuurt de gemeente Amsterdam een voorstel voor de canon van het nieuwe tijdvak. Wanneer de erfpachter zich hier niet in kan vinden, kan aan (minimaal) drie deskundigen worden gevraagd de canon te bepalen. Nadat een zogenaamde drie deskundigen procedure gevoerd is kan ook nog naar de burgerlijke rechter gegaan worden. Het is logisch dat degene die het bij de burgerlijke rechter aanhangig maakt, zijn standpunt onderbouwt.
De gemeente Amsterdam biedt erfpachters met een woonbestemming daarnaast ook de mogelijkheid over te stappen naar eeuwigdurende erfpacht. Deze overstap is vrijwillig en de gemeente stuurt erfpachters een aanbod. Een erfpachter kan er altijd voor kiezen het voortdurende erfpachtrecht voort te zetten en het aanbod voor eeuwigdurende erfpacht niet te accepteren.
Bent u in gesprek met de Stichting Erfpacht Belang om te zoeken naar mogelijke oplossingen voor deze lastenstijging? Indien hier nog geen sprake van is, bent u van plan dit wel te gaan doen?
Ik ben op dit moment niet in gesprek met de Stichting Erfpachters Belang Amsterdam. De Stichting Erfpachters Belang Amsterdam is de afgelopen jaren door het ministerie betrokken bij gesprekken over erfpacht, zoals bijvoorbeeld het geval was bij het tot stand komen van de Handreiking erfpacht voor gemeenten. Het is niet mijn taak mij te mengen in discussies over specifieke erfpachtrechten.
Bent u in gesprek met de gemeente Amsterdam om een oplossing te zoeken naar deze extreme lastenstijging? Indien hier nog geen sprake van is, bent u van plan dit wel te gaan doen?
Het is niet aan mij om te oordelen of een canonstijging extreem is en hierover ben ik dan ook niet gesprek met de gemeente Amsterdam. De stijging is bijvoorbeeld afhankelijk van de het jaar waarin de erfpacht oorspronkelijk gevestigd is. Als de canons 50 of 75 jaar niet zijn aangepast, kan de stijging uiteraard aanzienlijk zijn, dit alleen al als gevolg van autonome prijsontwikkeling, laat staan eventuele specifieke omstandigheden van de locatie.
Ziet u de herstelregeling, genoemd in het artikel, als mogelijke oplossing voor dit probleem?
Het is aan het gemeentebestuur van Amsterdam het gesprek aan te gaan met erfpachters die een probleem hebben en om met eventuele oplossingen te komen.
Welke maatregelen kunt u tegen de gemeente Amsterdam treffen om deze erfpacht-strop te voorkomen, mochten de mogelijke gesprekken die u voert met de gemeente Amsterdam tot niets leiden?
Voor wat betreft erfpacht heb ik geen wettelijke basis waarop ik een ingreep in de tussen erfpachter en erfverpachter overeengekomen erfpachtcanon, inclusief de procedure om tot een nieuwe canon te komen, kan baseren. De ruimte om hier eenzijdig een voor de erfpachter gunstige correctie op aan te brengen, ligt bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam. Ook de gemeenteraad kan het college aanspreken op het gevoerde beleid.
Op welke manier kunnen mensen worden ondersteund die wonen op erfpacht in Amsterdam en te maken krijgen met deze maatregel van de gemeente Amsterdam en niet makkelijk bij machte zijn om tegen dit besluit in opstand te komen?
De gemeente Amsterdam heeft ter ondersteuning van minder draagkrachtige erfpachters een beleid «tegemoetkoming canonverhoging bij canonherziening einde tijdvak of overstap einde tijdvak». Erfpachters die daarvoor in aanmerking menen te komen kunnen daar een beroep op doen.
Daarnaast geeft de gemeente Amsterdam op haar website uitleg over erfpacht en verwijst zij op haar website naar verschillende organisaties die opkomen voor erfpachters, waaronder Vereniging Eigen Huis, de ombudsman metropool Amsterdam en de eerder in vraag 6 aangehaalde Stichting Erfpachters Belang Amsterdam.
Kunt u deze vragen, gelet op de enorme lastenstijging voor huizenbezitters in Amsterdam, zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Bij dezen.
De toegankelijkheid van het OV |
|
Lisa Westerveld (GL), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Vicky Maeijer (PVV), Chris Jansen (PVV) |
|
![]() ![]() |
Vindt u ook dat het doel dat «mensen met een beperking zelfstandig hun weg kunnen vinden» nog steeds het uitgangspunt moet zijn van beleid?
Ja, voor wat betreft het zelfstandig gebruik van het openbaar vervoer is dit het uitgangspunt van het beleid.
Kunt u aangeven of uw beleidsvoornemen om in 2030 toegankelijk openbaar vervoer te hebben, op schema ligt? Gaat dit lukken?
In het Toekomstbeeld OV en de Nationale Strategie voor de implementatie van het VN-verdrag Handicap is 2040 aangegeven als een streefdatum om te zorgen dat het openbaar vervoer toegankelijk is of dat een passend alternatief beschikbaar is.1 Het verwezenlijken van volledig toegankelijk openbaar vervoer in 2030 is niet haalbaar, maar de sector spant zich al geruime tijd in om die doelstelling steeds dichter bij te brengen. Enkele belangrijke doelstellingen worden al voor 2030 verwezenlijkt. Zo worden de laatste perrons uiterlijk in 2029 op hoogte gebracht door ProRail waardoor alle treinstations in Nederland toegankelijk zullen zijn en in 2028 worden toiletten in alle treinen gerealiseerd. Voor alle stations waar NS halteert is er per eind 2023 reisassistentie beschikbaar. In het Bestuursakkoord toegankelijkheid openbaar vervoer 2022–2032 (verder te noemen Bestuursakkoord) van 7 november 2022 is afgesproken dat voor eind 2025 ook reisassistentie wordt aangeboden op die treinstations waar alleen regionale treinen halteren.2
Voor enkele grote resterende opgaves, zoals bijvoorbeeld het toegankelijk maken van alle bus- en tramhaltes, is uw Kamer op 20 november 2023 schriftelijk geïnformeerd dat daar meer tijd voor nodig is.3 Het ministerie blijft zich, samen met andere partijen in de ov-sector, inzetten om te zorgen dat het doel van 2040 wel bereikt wordt.
Herkent u de kritiek van het VN-comité Handicap uit het rapport over de bevindingen van de toegankelijkheid in Nederland1? Erkent u dan ook dat er meer moet gebeuren om het Nederlandse openbaar vervoer toegankelijker te maken? Zo ja, wat gaat u dan bovenop de bestaande plannen, zoals beschreven in het MIRT, over toegankelijkheid doen?
Op 23 oktober 2024 heeft de Kamer een reactie ontvangen vanuit VWS op het rapport met concluding observations van het VN-comité voor de Rechten van Personen met een Handicap (hierna: het Comité).5 Daarin is een reactie gegeven met betrekking tot toegankelijk openbaar vervoer. Het Comité geeft ten aanzien van openbaar vervoer met name aan dat de volledige toegankelijkheid van al het openbaar vervoer sneller gerealiseerd moet worden. Wij wijzen erop dat er al veel werk is en wordt verricht om de toegankelijkheid van het openbaar vervoer verder te verbeteren. Daarnaast werkt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) actief mee aan het ontwikkelen van een werkagenda voor de komende jaren in het levensdomein vervoer en mobiliteit dat deel uitmaakt van de Nationale Strategie ter implementatie van het VN Verdrag Handicap. In dit proces wordt samen met ervaringsdeskundigen en belangenorganisaties gekeken naar wat er, naast bestaand beleid, nog moet gebeuren om te zorgen dat het openbaar vervoer beter toegankelijk wordt.
Herkent u de frustratie van mensen met een beperking als op het station blijkt dat een lift het niet doet, zodat ze onverhoopt niet met het OV verder kunnen reizen? Beseft u dat dit behalve vervelend, ook consequenties kan hebben voor school, werk, sociale contacten en afspraken om medische zorg/hulp te krijgen?
Ja. Ik begrijp dat toegankelijk openbaar vervoer voor mensen met een beperking ook toegang biedt tot de samenleving, en als één schakel van het openbaar vervoer uitvalt deze bredere toegang ook wegvalt daardoor. In het geval van liftstoringen biedt ProRail, via de NS-klantenservice, een alternatief als de reiziger door een defecte lift niet verder kan reizen. Wanneer actuele liftstoringsinformatie beschikbaar gesteld wordt in reisplanners zullen reizigers die afhankelijk zijn van werkende liften ook beter inzicht krijgen om hun reis zelfstandig te kunnen plannen (zie ook antwoord 7).
Wat kunt u doen om te zorgen dat defecte liften en roltrappen sneller gerepareerd worden? Bent u bereid opnieuw dit gesprek aan te gaan met ProRail?
Zoals toegelicht in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Bamenga (D66), over de situatie op station Maarssen over een langdurig defecte lift6, zijn er al maatregelen getroffen waardoor het aantal defecte liften en roltrappen beperkt blijft. Hierover heeft het Ministerie van IenW de afgelopen jaren veel contact met ProRail gehad. Verbeteringen zijn zichtbaar. Zo is het gemiddeld aantal langdurige storingen (een week of langer) van liften afgenomen van 15 à 20 per maand in de zomer van 2022 naar 7 per maand eind 2024. ProRail plaatst sensoren die sneller moeten waarschuwen bij technische problemen. ProRail is verder samen met de gecontracteerde partijen voor het onderhoud van liften begonnen met het aanleggen van een voorraad van cruciale liftonderdelen en er zijn speciale teams van monteurs ingericht die liften op stations onderhouden. Dit versterkt de kennis en draagt daarmee bij aan het sneller herstellen van liftstoringen. Ook worden er soms, indien de situatie dit toelaat en al dan niet met een revisiebeurt, onderdelen hergebruikt. Verder treft ProRail voorzieningen om storingen door vandalisme (door middel van het plaatsen van camera’s en extra toezicht) te verminderen. Ten slotte onderzoekt ProRail bouwkundige maatregelen gericht op de vermindering van waterschade.
Het ministerie blijft in gesprek met ProRail over de getroffen maatregelen en wat de reiziger hiervan merkt. Mede naar aanleiding van een motie van het Kamerlid Grinwis (ChristenUnie) c.s.7 heeft IenW ProRail gevraagd om vanaf 2025 in de halfjaarverantwoording te rapporteren over de werking van liften. De Kamer wordt op deze manier periodiek geïnformeerd over dit vraagstuk.
Hebben mensen met een beperking die door defecte apparatuur niet kunnen reizen, net als andere reizigers die niet meer met de trein hun bestemming kunnen bereiken, recht op taxi-vervoer op kosten van de vervoersorganisatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze worden zij hierover geïnformeerd?
Indien een reiziger met een beperking strandt ten gevolge van niet-functionerende voorzieningen van ProRail geldt dat er afspraken zijn gemaakt tussen NS en ProRail. Indien de toegankelijkheidsvoorziening zich bevindt op een treinstation, draagt ProRail er zorg voor dat een gestrande reiziger met een beperking een vervangende oplossing krijgt aangeboden. ProRail heeft in het kader van deze verantwoordelijkheid uitvoeringsafspraken met NS gemaakt. In het Bestuursakkoord is deze afspraak formeel vastgelegd.
Bent u bereid om afspraken te maken over de informatievoorziening van kapotte liften en roltrappen, zodat deze verbetert? Is het bijvoorbeeld mogelijk dat mensen die aangeven van deze informatie afhankelijk te kunnen zijn, hierover een waarschuwing krijgen in bijvoorbeeld de apps voor reizigers? Zo ja, kunt u dit op korte termijn regelen? Zo nee, welke andere mogelijkheden ziet u?
In de beantwoording van eerdere Kamervragen van leden Van der Plas en Pierik (beiden BBB) op 20 maart 20248 is de kamer geïnformeerd over acties die destijds plaatsvonden en voorgenomen zijn met betrekking tot de informatievoorziening van kapotte liften. Er wordt veel vooruitgang geboekt op het gebied van actuele liftstoringsinformatie. Er was al inzicht in de langdurige liftstoringen in reisplanners; wekelijks wordt in de NS-reisplanner gemeld welke liften langdurig in storing zijn. Sinds begin 2025 deelt ProRail ook actuele liftstoringsinformatie die door reisinformatie-aanbieders in hun reisplanners kan worden verwerkt. Wanneer deze informatie in reisplanners is verwerkt, zullen reizigers beter in staat zijn hun reis zelfstandig te plannen. Dit is een belangrijke stap die een groot verschil kan maken bij het plannen van een reis.
Hoe staat het met toegankelijke informatievoorzieningen, zoals afgesproken in het Bestuursakkoord Toegankelijk OV? Is alle informatie, ook ín treinen, bussen en trams, ook toegankelijk voor mensen met een audio en/of visuele beperking? Zo nee, hoe kan het dat dit nog niet is geregeld en kunt u een concreet plan met tijdspad leveren om dit alsnog op orde te krijgen?
De toegankelijkheid van reisinformatievoorzieningen in het openbaar vervoer is nog niet volledig gerealiseerd, maar er wordt aan gewerkt conform de afspraken in het Bestuursakkoord. Het Ministerie van IenW heeft vertrouwen in de voortgang en verwacht dat de doelstellingen voor toegankelijke reisinformatie binnen de looptijd van het Bestuursakkoord worden behaald. In de Staat van het Openbaar Vervoer 20239 is gerapporteerd dat vrijwel alle trams en metro’s voorzien zijn van lichtkranten of schermen met reisinformatie over de volgende halte(s) en eventueel overstapmogelijkheden. Ook wordt de eerstvolgende halte automatisch omgeroepen. Op haltes met een elektronisch display bestaat vaak de mogelijkheid om de informatie op het scherm te laten voorlezen door een druk op de knop. Vervoerders en concessieverleners nemen actief maatregelen om de toegankelijkheid van reisinformatie in bussen, trams en treinen te verbeteren. Hoewel er al vooruitgang is geboekt, zoals visueel telefonische bereikbaarheid voor doven, slechthorenden en mensen met een spraakbeperking via tolken, zijn er nog enkele stappen nodig om te zorgen dat alle voertuigen voldoen aan de volledige toegankelijkheidseisen. Voor de resterende stappen, zoals de implementatie van visuele en auditieve informatie in alle voertuigen, wordt door concessieverleners toezicht gehouden op de voortgang. De betrokken partijen werken samen om te zorgen dat de toegankelijkheid tijdig en volledig gerealiseerd wordt.
Welke toegankelijkheidseisen gelden er voor nieuwe treinen? Bent u het met ons eens dat ook mensen met een beperking zoveel mogelijk thuishoren in een coupé in plaats van in de tussenliggende delen bij het toilet?
De EU-richtlijn voor de technische specificaties voor interoperabiliteit voor mensen met beperkte mobiliteit (TSI PRM)10 bevat veel eisen om de toegankelijkheid van rijdend materieel te waarborgen. In deze specificaties wordt gesteld dat een universeel toilet vanaf de rolstoelplaats bereikbaar moet zijn. Dit heeft als gevolg dat reizigers die gebruik maken van een rolstoel, voornamelijk in dubbeldekker treinen, nabij een toilet komen te reizen. Bij volledig lagevloer materieel kunnen rolstoelgebruikers het toilet vanaf elke plaats in de trein bereiken. Voor nieuwe treinen wordt dan ook geëist dat minimaal 10% van de zitplaatsen gereserveerd moet worden voor personen met een handicap of beperkte mobiliteit. Deze plaatsen moeten onderdeel van de coupés uitmaken. Dit zorgt er dus voor dat mensen met een beperking zo veel mogelijk in de coupés plaats kunnen nemen.
Verdachte Russische schepen in onze wateren |
|
Olger van Dijk (NSC), Isa Kahraman (NSC) |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Caspar Veldkamp (NSC), Barry Madlener (PVV) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het artikel «Noors bedrijf dat Russische vis aan Nederland levert, verdacht van sabotage»1, het artikel «Code rood voor Noordzee; Kabinet wil harder kunnen ingrijpen als verdachte Russische schepen onze wateren opvaren»2 en het artikel «Europeanen verdienden miljarden met verkoop olietankers aan Russische schaduwvloot»?3
Ja.
Kunt u toelichten of en hoe er op dit moment adequaat en proportioneel gereageerd wordt op (Russische) schaduwschepen?
Nederland zet zich in voor het aanpakken van de zogenaamde schaduwvloot die Rusland inzet voor de omzeiling van sancties op Russische olie. Mede op Nederlands initiatief zijn in het veertiende sanctiepakket de mogelijkheden vergroot om schepen toegang tot onze havens en dienstverlening te verbieden door middel van een gesanctioneerde lijst; naast het al bestaande verbod voor Russisch gevlagde schepen. In het vijftiende en zestiende pakket zijn, mede dankzij Nederland, weer meerdere schepen toegevoegd aan deze lijst. Het sanctioneren van individuele schepen uit de schaduwvloot is een effectieve maatregel gebleken4. De schepen die op de Europese sanctielijst worden geplaatst, zien een significante daling in opbrengsten uit de handel in olie. Daarnaast ervaren deze schepen moeilijkheden in het aangaan van samenwerkingen met dienstverleners, zoals certificering en verzekering, aspecten waar bij havenstaatcontroles op gecontroleerd en gehandhaafd wordt. De aanpak van de schaduwvloot door het aanvullen van de lijst met schepen blijft prioriteit van het kabinet. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingsinzet om hier in detailniveau verder op in te gaan.
Daarnaast heeft Nederland actief meegewerkt aan de totstandkoming van een International Maritime Organisation (IMO) resolutie waarin vlaggenstaten en andere maritieme stakeholders worden opgeroepen om maatregelen te nemen om risico’s omtrent de schaduwvloot te voorkomen. Daartoe pleit Nederland er in EU-verband, IMO-verband en binnen de overleggremia van Port State Controle regimes voor om extra informatie over risicovolle olietankers te delen en zodoende de inspectielast voor deze schepen mondiaal op te voeren. Daarnaast zorgen overzichten in IMO van schepen die met valse certificaten varen voor de nodige naming and shaming. Hierbij wordt ook de desbetreffende vlaggenstaat vermeld wiens certificaten vals gebruikt worden. Ook S&P Global, de organisatie die de IMO-nummers aan schepen uitgeeft, houdt een database bij van schepen met valse certificaten die door IMO-lidstaten te raadplegen is. Op deze wijze worden vlaggenstaten gewezen op hun verantwoordelijkheden om verdragsverplichtingen na te komen, en om milieu- en veiligheidsrisico's van schaduwvloot schepen te ondervangen.
Kunt u aangeven welke extra maatregelen zijn genomen naar aanleiding van het Vragenuur van 14 mei 2024, na vragen over het Pointer-artikel over spionage in de Eemshaven, om onze havens en wateren te beschermen tegen dit soort schepen? Wat zijn de resultaten van de extra maatregelen?
Op 14 mei 2024 heeft de Minister van Defensie tijdens het Vragenuur gemeld dat het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) het voornemen had geen ontheffingen meer te verlenen aan Russische schepen met voedingsproducten als lading. De mogelijkheid tot het geven van een ontheffing is gebaseerd op artikel 3 secties bis van Vo 833/2014. Een lidstaat kan uitsluitend ontheffing verlenen voor de daar genoemde uitzonderingen, waaronder voedselproducten.
Op 17 mei heeft de Minister van IenW de Kamer ingelicht dat verzoeken voor een dergelijke ontheffing niet meer worden ingewilligd. Sindsdien worden er geen Russisch gevlagde schepen meer binnen gelaten in onze havens.
Kunt u toelichten wat de resultaten zijn van de maatregelen die afgelopen jaar gezamenlijk met NAVO-partners zijn genomen om systematisch spionage op de Noordzee tegen te gaan?
Nederland werkt nauw samen met bondgenoten in NAVO-verband ten behoeve van de bescherming van deze infrastructuur. Zo is Nederland aangesloten bij het Critical Undersea Infrastructure netwerk van de NAVO. Binnen dit netwerk komen de NAVO en bondgenoten samen om informatie uit te wisselen met betrekking tot de bescherming van onderzeese infrastructuur. Verder werd in 2024 binnen het NAVO Maritieme Hoofdkwartier het Maritime Centre for the Security of Critical Undersea Infrastructure actief. Dit centrum is opgezet om bondgenoten van een gedeeld beeld van mogelijke dreigingen op zee te voorzien, waaronder de Noordzee. Ook zou het centre in de toekomst een rol kunnen spelen in het coördineren van acties. Nederland pleit actief voor het versterken van de capaciteiten van het centre.
Wanneer de situatie erom vraagt kan de NAVO haar aanwezigheid op zee verhogen, waaronder op de Noordzee. Dit gebeurt momenteel in de Oostzee. Met Baltic Sentry maken bondgenoten, waaronder Nederland, hun aanwezigheid en waakzaamheid kenbaar en beschermen zo onderzeese infrastructuur ter plaatse. Op dit moment is er geen aanleiding voor dergelijke maatregelen op de Noordzee.
Naast de samenwerking binnen het NAVO bondgenootschap, is er ook een intensieve samenwerking tussen Nederland, België, Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Denemarken en Noorwegen om gezamenlijk de infrastructuur op zee beter te beschermen. Op 9 april 2024 ondertekenden bovengenoemde landen een gezamenlijke intentieverklaring om informatie over incidenten en dreigingen met elkaar te delen, te streven naar een gedeelde aanpak voor en tijdens een crisis, het delen van best practices en de mogelijkheden van deze regionale samenwerking verder uit te bouwen. Het afgelopen jaar heeft meermaals overleg plaatsgevonden tussen deze landen en het komende jaar wordt toegewerkt naar een gezamenlijke roadmap.
Kunt u toelichten welke maatregelen u op dit moment overweegt, en juridisch nog mogelijk zijn, tegen spionage door Russische schepen, zowel op de territoriale wateren als daarbuiten?
Het kabinet neemt verschillende maatregelen op de Noordzee om mogelijke dreigingen zoals spionage tegen te gaan. Zo coördineert het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) vanuit IenW, verschillende activiteiten om de Noordzee infrastructuur te beschermen. Deze activiteiten zijn onder andere het verbeteren van de beeldopbouw, het verduidelijken van de governance, het verhogen van de weerbaarheid, het doorontwikkelen van crisisplanvorming en het versterken van internationale samenwerking (TK 33 450 nr 128).
Het kabinet doet verder publiekelijk geen uitspraken over de handelwijzen die de Nederlandse overheid overweegt, om te voorkomen dat kwaadwillende partijen hierop kunnen anticiperen in hun handelen. Desalniettemin heeft het onderwerp onze hoogste prioriteit.
Zoals toegezegd in het commissiedebat NAVO Defensie Ministeriële op 5 februari 2025, zal u middels een vertrouwelijke technische briefing worden geïnformeerd over de uitkomsten van de juridische analyse naar aanvullende mogelijkheden om in te grijpen op maritieme spionage- en sabotageactiviteiten. Deze briefing vindt plaats wanneer de analyse gereed en interdepartementaal afgestemd is. Omdat het nemen van aanvullende maatregelen consequenties kan hebben op internationaal niveau, zijn we op dit onderwerp ook met bondgenoten in gesprek teneinde een eenduidige lijn met onze bondgenoten te hebben.
Kunt u aangeven of de maatregelen geïntensiveerd worden met het oog op de toename van Russische dreigingen tegen de NAVO-landen? En zo ja, welke maatregelen in internationaal verband worden overwogen om de datakabels in de Noordzee te beschermen (zoals bijvoorbeeld aan boord gaan, beslaglegging, arrestatie)? Kunt u tevens toelichten op basis van welke juridische gronden zoals het internationale zeerecht u voornemens bent deze maatregelen te nemen?
Zie antwoord 5.
Deelt u de mening dat de verkoop van olietankers door belangrijke Europese bedrijven aan Rusland zeer zorgelijk is? Kunt u aangeven of en hoe u de verkoop van olietankers door belangrijke Europese bedrijven aan Rusland gaat aankaarten op Europees niveau? Vindt u dat er maatregelen moeten worden genomen tegen betrokken bedrijven ten aanzien van de samenwerking met Nederlandse bedrijven? En zo ja, kunt u dit toelichten?
Het is bijzonder zorgelijk dat Europese bedrijven olietankers verkopen die vervolgens worden ingezet in de Russische schaduwvloot. De schaduwvloot ondermijnt de effectiviteit van sancties en het kabinet zet hard in op de bestrijding daarvan. Zoals vermeld verbiedt de EU-sanctieverordening de verkoop van tankers als bekend is dat die gebruikt gaan worden in Rusland. In de praktijk blijkt het lastig om dit vooraf te bewijzen, mede omdat de schaduwvloot gebruikt maakt van complexe eigendomsstructuren. Het is duidelijk dat we hier meer tegen moeten doen. Het kabinet wil in EU verband stappen zetten om dit verbod beter te kunnen handhaven.
Het vele uitvallen van de ‘drielandentrein’ Luik-Maastricht-Aachen |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Chris Jansen (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het vele uitvallen van de recent in gebruik genomen «drielandentrein» Luik-Maastricht-Aachen?1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Hoeveel procent van de treinen is sinds de start van de nieuwe dienstregeling (gedeeltelijk) uitgevallen op dit traject?
Arriva geeft aan dat op het deeltraject Maastricht-Luik, dat medio 2024 is opgenomen in de dienstregeling van de drielandentrein, de afgelopen maanden minimaal uitval is geweest. Op het deeltraject Heerlen-Aachen is de dienstregeling de afgelopen periode regelmatig aangepast en was er uitval. In de slechtste week was er sprake van onverwachte uitval van 25%. In de tweede helft van februari is er sprake van verbetering; er is geen noemenswaardige uitval behoudens gevolgen van stakingen in België.
Wat is de precieze reden dat er zoveel treinen op deze route uitvallen?
Arriva en de provincie Limburg noemen voor de uitval van treinen uiteenlopende redenen: vanwege ziekte van personeel en/of te weinig personeel kunnen niet alle treinen voldoende worden bemenst. Een extra aandachtspunt daarbij is dat niet alle machinisten die in Limburg rijden ook de bevoegdheid hebben om naar/in Duitsland te rijden. Het duurt 8 tot 10 maanden om personeel op te leiden en daarvoor is beperkte opleidingscapaciteit bij opleiders in het buitenland. Een tweede reden zijn technische storingen van het materieel, onder andere door inbouw van het nieuwe veiligheidssysteem ETCS. Ten slotte is de beschikbaarheid van de spoorinfrastructuur op het deels enkelsporige traject een oorzaak voor de vertragingen. Vertragingen van elders in Duitsland of van goederentreinen werken daardoor snel door op andere trajecten en hebben gevolgen voor andere treinen, zeker omdat een regionale trein als de Drielandentrein in de prioriteitsvolgorde in Duitsland moet wachten op nationale treinen en goederentreinen.
Klopt het dat de problemen op het (deel)traject Heerlen-Aachen al veel langer spelen en hier al langere tijd regelmatig treinen uitvallen?
Op het grensoverschrijdende traject Heerlen-Aachen is inderdaad al langere tijd sprake van problemen. Er zijn voor de deeltrajecten Heerlen-Haanrade grens en Aachen West-Aachen Hbf(-Stolberg Hbf) door de respectievelijke infrastructuurbeheerders ProRail en DB InfraGo overbelastverklaringen vastgesteld. Samen met de betrokken partijen, waaronder autoriteiten en infrabeheerders aan weerszijde van de grens, worden inspanningen gedaan om tot een verbetering van de situatie op het deels overbelaste baanvak te komen.
Hoe kan het dat er niet voorzien is in voldoende materieel en personeel, voordat deze nieuwe treinroute door Arriva is gestart?
Sinds de start van de Drielandentrein is er voldoende materieel voorradig; de problematiek zit in de technische storingen (onder andere software-gerelateerd) waaraan nu hard wordt gewerkt om dit op te lossen. Dit was vooraf niet te voorzien.
De drielandentrein vraagt geen extra personeelscapaciteit ten opzichte van de treindienst die daarvoor reed. De personeelsproblematiek is met name te wijten aan de combinatie van de krapte op de arbeidsmarkt – waar de hele spoorsector mee te maken heeft – en de specifieke grensoverschrijdende vereisten waardoor de opleiding van nieuwe machinisten en daarmee ook de instroom van aanvullend personeel langer duurt. Hier was en is aandacht voor.
Klopt het dat Nederlandse machinisten alleen op Duits spoor mogen rijden als ze ook een Duits rijbewijs hebben? Zo ja, waarom is dat zo en is de Staatssecretaris bereid om met de Duitse overheid in gesprek te gaan over uitzonderingsmogelijkheden voor Nederlandse machinisten die in een Nederlandse trein naar een Duits station rijden?
Ja, dat klopt. Een machinist moet beschikken over een machinistenvergunning en een bevoegdheid voor het type materieel en in het geval van grensoverschrijdende verbindingen ook voor een specifiek deeltraject. Dit ligt vast in Europese regels2. Een lidstaat kan hierop geen uitzonderingen maken.
Klopt het dat de overstap van personeel van Arriva naar de NS ook een groot onderdeel van het probleem is? Zo ja, op welke wijze werkt NS samen met regionale vervoerders om te zorgen dat iedereen voldoende machinisten heeft? En welke rol heeft u als Staatssecretaris bij het bevorderen van goede samenwerking tussen vervoerders?
Arriva, NS en NMBS werken constructief samen als samenwerkingspartners voor de Drielandentrein. Daarbij geldt ook dat zij niet bij elkaar actief werven voor personeel. Dat er wel eens werknemers overstappen is een individuele keuze van een medewerkers om voor een andere werkgever te kiezen. De afgelopen maanden is daar beperkt tot geen sprake van geweest.
Klopt het dat de NS en Arriva nog steeds niet tot een overeenstemming zijn gekomen over een vergoeding voor het gebruik van het spoor tussen Maastricht en Luik? Zo ja, waarom lukt het deze partijen niet om daarover tot overeenstemming te komen en bent u bereid om daarover in gesprek te gaan met de NS?
Nee, dat klopt niet. De vergoeding voor het gebruik van het spoor wordt door de infrastructuurbeheerder doorberekend aan de vervoerder. De drie vervoerders hebben een overeenkomst inzake de exploitatie van de drielandentrein. Daarin zijn ook afspraken vastgelegd over de gebruikersvergoeding.
Deelt u de grote zorgen over de continuïteit op deze lijn? Zo nee, waarom niet?
De geschetste problematiek wordt herkend. De vier gezamenlijke opdrachtgevers, de drie infrabeheerders en de drie vervoerders werken intensief samen om de dienstuitvoering te monitoren en waar nodig met elkaar verbetervoorstellen te bespreken. Daarbij is voor alle betrokken partijen het streven de uitvoeringskwaliteit van de drielandentrein op het gewenste niveau te brengen. Met de kwaliteitsimpuls die we sinds juni 2024, toen de Drielandentrein startte, hebben weten te bereiken, heb ik er vertrouwen in dat dat gaat lukken.
Deelt u de mening dat de grote problemen op deze lijn slecht zijn voor de aantrekkelijkheid van de trein tussen Nederland en België en Nederland en Duitsland?
De Drielandentrein is een unieke combinatie van drie verschillende contracten met vier opdrachtgevers, drie vervoerders en drie infrabeheerders die voor de reiziger in de regio een belangrijke kwaliteitsverbetering is ten opzichte van de situatie vóór juni 2024. Doorgaande reizigers hoeven niet meer over te stappen en reizen ook met nieuwer en toegankelijk materieel. Voor de aantrekkelijkheid van de drielandentrein is het inderdaad belangrijk de betrouwbaarheid te vergroten en daarmee de kwaliteitsimpuls verder te bestendigen.
Welke concrete acties en structurele oplossingen worden uitgevoerd om te zorgen dat deze trein zo spoedig als mogelijk op een fatsoenlijke manier wordt gereden?
Betrokken partijen werken aan meerdere acties om de prestaties te verbeteren:
Welke consequenties volgen er als de problemen niet spoedig zijn opgelost?
Er zijn veel factoren die de uitvoeringskwaliteit van de drielandentrein beïnvloeden, waarbij er sprake is van een governance met diverse partijen die elk een deel van de uitvoeringskwaliteit van het treinverkeer beïnvloeden of in staat zijn om maatregelen te nemen. Het streven is dat de uitvoeringskwaliteit van de drielandentrein zo spoedig mogelijk op het gewenste niveau komt. Voor specifieke problemen die leiden tot een onvoldoende prestatie zijn gebruikelijke consequenties mogelijk, zoals bijvoorbeeld afgesproken in concessies. Doordat problemen meerdere oorzaken kennen, is dat voor de drielandentrein (nog) niet aan de orde.
Wat betekenen de problemen van de vele uitvallende treinen op het traject Heerlen-Aachen voor de betrouwbaarheid van de verbinding tussen Nederland en Duitsland, nu ook de doorgaande intercity Eindhoven-Aachen nog steeds niet rijdt?
Ondanks dat er problemen zijn is de verbinding tussen (Zuid-)Nederland en Duitsland verbeterd. Met de tweede sneltrein Heerlen-Aken is vorig jaar een belangrijke verbetering tot stand gebracht voor de regionale reiziger richting Duitsland, die met de overstap op Heerlen ook voor reizigers elders uit Nederland potentie biedt. Deze stap is met de partners in de stuurgroep IC Aken afgesproken, vooruitlopend op een structurele IC Eindhoven-Aken. Met de Drielandentrein zijn via Aken goede (ICE-)verbindingen mogelijk naar andere bestemmingen in midden en zuid Duitsland. De aansturing van de verbinding Heerlen-Aken valt onder de verantwoordelijkheid van de provincie Limburg als onderdeel van de regionale concessie aldaar. Voor verbindingen naar elders in Duitsland zijn er ook andere reismogelijkheden, onder meer via Venlo en Arnhem, die andere en meer aansluitingen bieden dan in Aken.
Deelt u de zorgen over het feit dat vorig jaar bleek dat de realisatie van de intercity Eindhoven-Aachen op de lange baan2 is geschoven, vanwege enorme investeringen die nodig zijn om op station Eindhoven ruimte te maken voor deze extra trein? Bent u bereid om te verkennen welke mogelijkheden er zijn om realisatie van deze internationale treinverbinding te versnellen? Zo nee, waarom niet?
Het is al langer bekend dat er maatregelen op station Eindhoven nodig zijn om een structurele intercity Eindhoven-Aachen te laten rijden en dat deze zeker niet voor 2030 zijn gerealiseerd. In de MIRT-verkenning Spoorknoop Eindhoven wordt bekeken wat de mogelijkheden zijn voor een intercity naar Aachen met de realisatie van een ongelijkvloerse kruising en/of extra perrons. Voor de investeringen voor die maatregelen is nog geen budget beschikbaar. Dit komt ter sprake tijdens het BO-MIRT in het najaar. Parallel wordt onderzocht welke maatregelen er op het traject zelf nodig zijn om de intercity te rijden.
Vorig jaar is in de stuurgroep IC Aken besloten om primair focus te houden op de beoogde structurele oplossing, en af te zien van de zogenaamde dagrandenvariant, vooruitlopend op een structurele variant. De provincie Limburg heeft het initiatief genomen deze variant te verkennen. Mede op basis van de businesscase voor deze variant is besloten af te zien hiervan.
Klopt het dat het verhogen van de reisfrequentie tussen Maastricht en Luik als gevolg van de AROV-gelden nu definitief is?
De afspraken uit het BO MIRT 2024 ten aanzien van de AROV-gelden worden nu uitgewerkt in een bestuursovereenkomst tussen de provincie Limburg en het Rijk. Met het geld kan Limburg overwegmaatregelen treffen die onder andere nodig zijn om in de toekomst de frequentieverhoging van de drielandentrein mogelijk te maken. Over de frequentieverhoging is nog geen besluit genomen. Deze gewenste frequentieverhoging vergt tevens nadere afspraken met de Belgische partners in het project.
Klopt het dat dat er ook regelmatig uitval van treinen is op het traject Venlo-Mönchengladbach? Wat is hiervan de oorzaak?
Deze treinverbinding wordt uitgevoerd in opdracht van de Duitse VRR. Het traject Venlo-Mönchengladbach functioneert momenteel als omleidingsroute vanwege de realisatie van het derde spoor tussen Emmerich en Oberhausen. Het is bekend en afgesproken dat vanwege deze omleidingsroute reguliere reizigerstreinen gepland worden opgeheven op het traject Venlo-Mönchengladbach.
Klopt het dat wanneer goederentreinen en de ICE vanwege werkzaamheden niet via Arnhem/Düsseldorf kan rijden en wordt omgeleid via Venlo, er regionale treinen op het traject Venlo-Düsseldorf uitvallen?
Ja, dit klopt.
Deelt u de mening dat als gevolg van de stremmingen tussen Arnhem en Düsseldorf, de uitval van de treinen tussen Venlo en Düsseldorf en de problemen tussen Heerlen en Aachen tot de optelsom leidt dat de treinverbinding tussen Nederland en het Duitse Ruhrgebied ondermaats zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Vanuit Nederland zijn er diverse internationale verbindingen van en naar het Ruhrgebied. Alle verbindingen, maar zeker ook de internationale verbindingen, kunnen te maken krijgen met geplande en ongeplande verstoringen, waarbij het soms kan voorkomen dat dit op meerdere verbindingen tegelijk effect heeft. Dit betekent niet dat de treinverbindingen tussen Nederland en het Duitse Ruhrgebied over het algemeen als ondermaats kunnen worden bestempeld. Voor wat betreft de geplande buitendienststellingen als gevolg van de aanleg van het derde spoor bij Emmerich en Oberhausen zijn sinds 2016 vele gesprekken gevoerd en afspraken gemaakt tussen de Duitse en Nederlandse infrastructuurbeheerders over de omleiding van de treinen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als er tegelijkertijd stremmingen en uitval van treinen is op drie belangrijke lijnen tussen Nederland en Duitsland? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de vervoerders en infrabeheerders? Zo nee, waarom niet?
Hoewel dit niet altijd te voorkomen is, is het uiteraard niet wenselijk dat verbindingen tegelijk uitvallen. In het contact met en tussen de infrastructuurbeheerders en vervoerders is er afstemming om overlast zoveel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld doordat er afspraken zijn gemaakt tussen de Duitse en de Nederlandse infrabeheerders over omleiding van de treinen tijdens de periode met intensieve buitendienstellen voor de aanleg van het derde spoor.
Bent u bereid om op korte termijn met de betrokken overheden, vervoerders en infrabeheerders in gesprek te gaan om te zorgen dat de problemen op de verschillende trajecten tussen Nederland en Duitsland worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Met de werkzaamheden op de verbinding Arnhem-Oberhausen wordt een belangrijke verbetering voor de internationale reiziger tot stand gebracht. Dat geldt ook voor de verbinding Venlo-Düsseldorf. Helaas betekent dit ook dat op korte termijn dit leidt tot omleidingen en verstoringen. Samen met Duitse en regionale partners is het ministerie doorlopend in gesprek en werken wij aan het minimaliseren van deze overlast.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-De Hoop c.s. (Kamerstuk 36 600 A, nr. 26) over de voortzetting van de belangrijke regionale trein Venlo-Düsseldorf na 2025?
Momenteel worden gesprekken gevoerd met VRR over de nieuwe verbinding Eindhoven-Düsseldorf vanaf eind 2026, waarbij ook de continuïteit van de huidige verbinding tussen Venlo en Düsseldorf aan de orde is. Zodra daar meer duidelijkheid over is, wordt de Kamer daarover geïnformeerd?
Klopt het dat de uitval bij de andere grensoverschrijdende regionale treinen (Roosendaal-Antwerpen, Arnhem-Emmerich, Hengelo-Bad Bentheim, Enschede-Gronau) relatief hoger is dan de uitval op binnenlandse trajecten? Wat zijn de oorzaken hiervan en wat gaat u – in samenspraak met de regionale overheden – hieraan doen?
Het gaat hier om verbindingen onder verschillende contracten, uitgevoerd door verschillende vervoerders. De onderlinge vergelijkbaarheid is daardoor lastig te maken. De uitval per verbinding kan erg verschillen en ook veel verschillende oorzaken hebben, denk aan personeelstekorten, stakingen, materieel- of infrastoringen en zelfs overstromingen of blikseminslag (zoals vorig jaar tussen Maastricht en Luik).
De regionale concessieverleners zijn regelmatig in overleg met hun Duitse partners om te bezien op welke manier uitval van treinen zoveel mogelijk kan worden voorkomen, waarbij in het algemeen geldt dat de betrouwbaarheid van verbindingen wordt vergroot als regels en systemen eenvoudiger en/of geharmoniseerd worden aan beide zijden van de grens. Hiervoor lopen reeds processen bij mijn ministerie in het kader van Europese regelgeving. Mochten er specifieke zaken zijn in een regio, waar het Ministerie van IenW iets bij kan betekenen, dan gaat het ministerie daarover uiteraard graag het gesprek aan.
Deelt u de mening dat de problemen met de grensoverschrijdende treinen in tegenspraak is met uw ambitie in het regeerprogramma dat er juist extra werk moet worden gemaakt van goede internationaal spoorvervoer? Zo nee, waarom niet?
Het realiseren van en in stand houden van internationale verbindingen heeft specifieke uitdagingen. Dat wordt zeker onderkend en daar wordt hard aan gewerkt, zowel richting Europa waar het gaat om harmonisatie en interoperabiliteit als in samenspraak met onze buurlanden. Ik wil ook benadrukken dat een deel van de verstoringen mede het gevolg zijn van werkzaamheden die deze investeringen met zich meebrengen, die op termijn tot een beter product voor de reiziger gaan leiden.
Mede vanwege de investeringen op verschillende verbindingen en de daarmee samenhangende werkzaamheden zijn er verstoringen voor de internationale treinreiziger. Het is wel goed om te benadrukken dat dit op termijn tot een beter product voor die reiziger gaat leiden. Met het werkprogramma Internationaal Spoor zijn een aantal verbeteringen gerealiseerd, zoals de versnelling van de IC naar Berlijn en de IC naar Brussel. Komend half jaar werkt het Ministerie van IenW in het kader van het regeerprogramma verder uit hoe het internationaal treinvervoer verder kan worden verbeterd en hoe wordt omgegaan met de specifieke uitdagingen voor grensoverschrijdend spoorvervoer.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de in- en uitchekproblematiek op het traject Luik-Maastricht-Aachen, waardoor reizigers die gebruik maken van deze rechtstreekse trein – als de trein rijdt – alsnog in Maastricht moeten uitstappen om bij de andere vervoerder in te checken? Wanneer is dit probleem verholpen?
Arriva heeft een eigen OV-Chipkaartpaal in Eijsden geplaatst, naast de bestaande NS OV Chipkaartpaal, zodat binnenlandse reizigers niet uit hoeven te stappen in Maastricht en bij de andere vervoerder in hoeven te checken als zij met de drielandentrein verder reizen richting Heerlen. Voor internationale reizen kunnen reizigers, net als voor de start van de Drielandentrein, gebruik maken van de verkoopkanalen van de drie vervoerders, zoals de kaartverkoopautomaten en de apps van de vervoerders. Vervoerders werken hard aan de implementatie van OV-chipkaartpalen in België. Vanwege verschillen in diverse systemen vraagt dit meer tijd dan oorspronkelijk beoogd.
Kunt u een update geven over de actuele situatie van de werkzaamheden aan het spoor tussen Bad Nieuweschans en Leer? Wanneer gaan de treinen tussen Groningen en Duitsland weer rijden?
Aan bouwstap 1 wordt door Groningen en Nedersaksen hard gewerkt waardoor een reistijdwinst van 17 minuten wordt gerealiseerd in de tweede helft van 2025. De precieze startdatum wordt duidelijk op een later moment. Onlangs was er een belangrijke mijlpaal in de vorm van het plaatsen van het laatste deel van de vernieuwde Friesenbrücke. Daarnaast worden er meer mogelijke maatregelen onderzocht voor na bouwstap 1.
Kunt u voorgaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat een kleinschalige boerderij moet stoppen omdat hun pachtcontract niet verlengd wordt |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Rummenie |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Lakenvelder Boerderij moet noodgedwongen stoppen: «Koeien deze zomer niet de wei, maar de vrachtwagen in»»?1
Ja, ik ben ook bekend dat het besluit van de gemeenten Teylingen om de voorlopige gunningen in te trekken en een nieuwe openbare selectieprocedure op te starten.
Ik ben mij ervan bewust dat de huidige geliberaliseerde pacht geen lange termijnzekerheid biedt voor een bedrijfsvoering als de Lakervelder Boerderij Boterhuispolder. Daarom werk ik aan de herziening van de pachtregelgeving, waardoor het sluiten van langlopende pachtovereenkomsten aantrekkelijker wordt gemaakt. Het sluiten van langlopende pachtovereenkomsten biedt meer zekerheid en perspectief voor een bedrijfsvoering dan het sluiten van een kortlopende overeenkomst. Pacht is voor veel landbouwers een noodzakelijk instrument, landbouwers zijn in hun bedrijfsvoering gebaat bij langdurige stabiliteit. Hierdoor kunnen zij toekomstgericht werken en investeringen doen. Dit is zowel goed voor het verdienvermogen van landbouwers alsook voor maatschappelijke doelen zoals verduurzaming.
Deelt u de mening dat kleinschalige boerenbedrijven die tevens bijdragen aan multifunctioneel ruimtegebruik, zoals het aanbieden van recreatiegebied en vergroting van de biodiversiteit, behouden moeten blijven met het oog op het toekomstbestendig maken van de landbouw? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is er voor de gehele land- en tuinbouwsector. Dat betekent dat het beleid niet specifiek gericht is op het stimuleren van een bepaald type bedrijf, maar op een sector waarin verschillende soorten bedrijven kunnen opereren. Kleinschalige boerenbedrijven maken daar uiteraard onderdeel van uit, net als grotere bedrijven.
Bedrijven moeten zich kunnen ontwikkelen binnen hun eigen activiteiten, zolang ze opereren binnen de kaders van wet- en regelgeving. Multifunctioneel ruimtegebruik, zoals recreatie en biodiversiteitsbevordering, kan daarin een belangrijke rol spelen. Wij zetten ons in voor een toekomstbestendige landbouw waarin ondernemers – ongeacht hun schaalgrootte – een duurzaam en economisch haalbaar perspectief hebben.
Vindt u het wenselijk dat kleinschalige biologische familiebedrijven gericht op het lokale voedselsysteem moeten wijken voor grootschalige bedrijven met een mestoverschot?
Overheidsorganen moeten bij de uitgifte van een onroerend goed rekening houden met de uitspraak van de Hoge Raad in het Didam-arrest2. In de praktijk betekent dit dat bij de uitgifte van grond en een vermoeden dat er meerdere potentiële gegadigden zijn er een openbare selectieprocedure moet plaatsvinden, aan de hand van voorafgaand bekendgemaakte objectieve, toetsbare en redelijke selectiecriteria. De keuze van de gebruikte selectiecriteria en de weging ten opzichte van andere criteria behoort tot de autonome bevoegdheid van de betreffende overheidsorganisatie en hangt samen met het doel en gewenste gebruik van de betreffende grond. Zelf ben ik voorstander van de aanpak van onder meer Staatsbosbeheer die de uiteindelijke selectie baseert op 70% kwaliteit en 30% prijs, maar deze keuze is uiteindelijk aan de betreffende overheid. Dat dit uiteindelijk kan leiden tot de keuze voor een grootschalig bedrijf met een mestoverschot in plaats van een biologisch familiebedrijf is om deze reden niet aan mij.
Wat bent u van plan om te doen om de overgang van grond, zowel via pacht als koop, van duurzame boeren naar grootschalige bedrijven met een mestoverschot te voorkomen, ook in het licht van het verval van de mestderogatie?
Pacht en verkoop zijn privaatrechtelijke overeenkomsten waarin respectievelijk verpachter en pachter en verkoper en koper in hun overeenkomsten afspraken en voorwaarden opnemen over het gebruik van de grond en de verkoop van grond. Mestoverschot en het verval van de mestderogatie spelen als zodanig geen rol bij de keuze aan welke partij de grond wordt gegund dan wel verkocht. Ik ben dan ook niet van plan om hierin te treden. Overigens dient de gebruiker te voldoen aan de wet- en regelgeving op dit gebied.
Bent u van mening dat overheden een voorbeeldfunctie hebben op het gebied van duurzame en langjarige pacht? Zo nee, waarom niet?
Het Rijksvastgoedbedrijf (voor de agrarische grondportefeuille van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) en Staatsbosbeheer (voor zijn eigen gronden) geven hun gronden die voor zover bekend al biologisch gecertificeerd zijn conform de motie Bromet3 ook bij een nieuwe uitgifte wederom aan een pachter voor biologisch gebruik uit. Daarnaast kennen zowel het Rijksvastgoedbedrijf als Staatsbosbeheer bij inschrijving op door hen uitgegeven (geliberaliseerde) pachtcontracten meer punten toe aan pachters die aantoonbaar in bezit zijn van erkende duurzaamheidscertificaten en/of (agrarisch) natuurbeheer toepassen in hun bedrijfsvoering. Daarbij geldt dat certificaten met de hoogste duurzaamheidsscores (SKAL) ook de meeste punten opleveren en dus de kansen vergroot voor de betreffende pachter om in aanmerking te komen voor het contract. Vanuit de rijksoverheid wordt dus al ingezet op duurzaam langjarige pacht. Met de voorgenomen herziening van de pachtregelgeving wil ik dit verder stimuleren.
Bent u bereid om met gemeenten en provincies in gesprek te gaan over het behouden én uitbreiden van het pachtareaal dat langjarig en aan biologische en andere natuur-inclusieve bedrijven wordt verpacht? Kunt u heel precies aangeven welk tijdspad en welke inzet ze hierbij voor ogen heeft?
Ik ben bereid om in overleg te treden met het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten om een vergelijkbaar uitgifte beleid waarvan nu al sprake is bij het Rijksvastgoedbedrijf en Staatsbosbeheer bij hen onder de aandacht te brengen voor zover dit al niet gebeurt. Momenteel is het aan provincies en gemeenten om zelf te bepalen of zij dit in hun uitgiftebeleid willen overnemen. Het aangaan van langjarige duurzame pacht wordt aantrekkelijker gemaakt met het in werking treden van de nieuwe pachtregelgeving waar ik momenteel aan werk.
Bent u bereid om met name bij pacht van publieke grond maatschappelijke doelen zwaarder te laten wegen ten opzichte van de hoogte van de pacht en wat bent u concreet van plan hieraan te doen?
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening is verantwoordelijk voor de verpachting van de gronden die in eigendom zijn van het Rijksvastgoedbedrijf. Er wordt bij de uitgifte van gronden door het Rijksvastgoedbedrijf en Staatsbosbeheer al rekening gehouden met het zwaarder laten wegen van maatschappelijke doelen in de selectieprocedure. De provincies en gemeenten hebben een eigenstandige bevoegdheid daarin. In mijn gesprek met het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten zal ik ook dit punt meenemen.
Bent u van plan om voor het verlopen van de bezwaarprocedure in contact te treden met de gemeente Teylingen over dit besluit?
De gemeente Teylingen heeft besloten om de voorlopige gunning in te trekken en een nieuwe openbare selectieprocedure op te starten. Ik vind het een goede zaak wanneer medeoverheden het voorbeeld volgen van bijvoorbeeld Staatsbosbeheer. Daarom heb ik op 12 februari jl. een brief geschreven aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Teylingen, met eenzelfde oproep om bij toekomstige openbare procedures te overwegen maatschappelijke diensten van ondernemers zwaarder te laten meewegen en daarmee oog te houden voor de maatschappelijke bijdrage die pachters kunnen leveren aan een specifiek gebied.