Zou u willen reageren op elk van de bevindingen in het artikel ««Zie de mens, niet het getal». Senioren lopen aan tegen «discriminatie op basis van leeftijd», ouderenorganisatie luidt noodklok»?1
Wat vindt u van het feit dat maar liefst een op de drie 65-plussers in Nederland te maken heeft gehad met discriminatie op basis van hun leeftijd?
Hoe brengt u discriminatie op basis van leeftijd in kaart? Welke onderzoeken zijn er gedaan naar discriminatie op basis van leeftijd? Welke onderzoeken naar discriminatie op basis van leeftijd zijn nu gaande?
Zou u inzicht willen geven in de bij u al bekende cijfers op het gebied van discriminatie op basis van leeftijd?
Zou u op elk van de in het aangehaalde nieuwsartikel genoemde voorbeelden en aspecten van discriminatie op basis van leeftijd willen reflecteren en daarbij willen ingaan op de vraag waarom het hier discriminatie op basis van leeftijd betreft, wat de impact van die vorm van discriminatie op basis van leeftijd is in het leven van mensen en waarom dit aspect van discriminatie op basis van leeftijd aangepakt zou moeten worden?
Welke actieplannen zijn er om discriminatie op basis van leeftijd in het financiële domein aan te pakken?
Bent u bekend met discriminatie op basis van leeftijd op het gebied van de limitieten van creditcards? Zo nee, zou u dit in kaart willen laten brengen? Zo ja, zou u deze informatie willen delen met de Kamer?
Zou u bij de voorgaande vraag ook willen ingaan op wat u concreet gaat doen om dit tegen te gaan?
Zou u bij de voorgaande twee vragen ook willen ingaan op welke verantwoordelijkheid banken en creditcardbedrijven op dit gebied hebben?
Hoe reflecteert u op het gegeven dat discriminatie op basis van leeftijd plaatsvindt in een sociale context waarbij mensen wellicht discriminatie kunnen ervaren, terwijl degene die dit overbrengt dit niet bedoeld heeft als discrimininatie op basis van leeftijd?
Hoe beziet u in het licht van de vorige vraag de discussie over discriminatie op basis van leeftijd binnen het terrein van werksituaties en arbeidsverhoudingen, zoals het bewust of onbewust doen van aannames over inzetbaarheid, promotiemogelijkheden, etcetera?
Welke actieplannen zijn er om discriminatie binnen werksituaties en op de arbeidsmarkt aan te pakken?
Bent u bekend met discriminatie op het gebied van leeftijd bij de verhuur van voertuigen? Zo nee, zou u dit in kaart willen brengen? Zo ja, zou u mogelijke maatregelen willen opsommen om dit tegen te gaan?
Zou u bij de voorgaande vraag ook willen aangeven welke van deze maatregelen u gaat uitvoeren?
Welke actieplannen zijn er om juist in te zetten op de meerwaarde die senioriteit met zich meebrengt, zoals wijsheid en levenservaring?
Hoe reflecteert u in het licht van de voorgaande drie vragen op discriminiatie op basis van leeftijd bij bijvoorbeeld autoverhuurbedrijven, waarbij senioriteit meer dan eens juist ruimere rijervaring betekent?
Hoe beziet u discriminatie op basis van leeftijd in het licht van de toenemende vergrijzing?
Zou u voorgaande vraag ook willen beantwoorden in het licht van het feit dat toenemende vergrijzing zorgt voor een noodzaak dat in veel sectoren juist extra mensen, in het bijzonder ook mensen op gevorderde leeftijd, nodig zijn in de economie, en dat discriminatie op basis van leeftijd mensen juist zal afhouden van doorwerken op latere leeftijd?
Zijn er cijfers en onderzoeken bekend van de economische impact van discriminatie op basis van leeftijd? Zo ja, zou u die met de Kamer willen delen, welke conclusies trekt u daaruit en welke acties bent u van plan om uit te voeren? Zo nee, zou u deze impact willen laten onderzoeken?
Zou u willen reageren op het onderzoek naar leeftijdsdiscriminatie van ANBO-PCOB en zou u daarbij op elk van de conclusies en aanbevelingen afzonderlijk willen ingaan?2
Zou u bij de beantwoording van voorgaande vraag ook per conclusie en aanbeveling willen ingaan op welke acties u aan die conclusie of aanbeveling verbindt?
Zou u willen reflecteren op welke rol gemeenten, als overheid die het dichtst bij inwoners staat, maar ook wijkteams en organisaties binnen het sociaal domein, kunnen spelen bij het signaleren en het aanpakken van discriminatie op basis van leeftijd?
Zou u op een rij willen zetten welke acties en maatregelen er worden genomen om andere vormen van discrimininatie tegen te gaan, en daarbij willen aangeven welke mogelijkheden er zijn om die acties en maatregelen ook toe te passen om discriminiatie op basis van leeftijd tegen te gaan?
Deelt u de analyse dat de Rijksoverheid juist veel ambitie zou moeten hebben op het gebied inzetten op de kracht van mensen op gevorderde leeftijd en de kansen die hier liggen? Zo ja, welke acties koppelt u hieraan?
Wat is in het licht van de voorgaande vraag de stand van zaken van het Pact voor de Ouderenzorg, waarin het niet alleen draait om het verbeteren van de kwaliteit van zorg, maar juist ook om de vergroting van waardering voor ouderen?
Welke acties heeft u voor ogen om de ambities uit het Pact voor ouderenzorg nieuw leven in te blazen?
Deelt u de opvatting dat in het licht van de vorige vraag ook de in het verleden opgezette actieagenda Eén tegen Eenzaamheid een weg vooruit biedt om de problematiek van discriminatie op het gebied van leeftijd te voorkomen?
Zo ja, welke plannen heeft u om de actieagenda Eén tegen Eenzaamheid verder uit te voeren, te versterken en uit te bouwen?
Zou u willen reflecteren op de vraag hoe het voorkomen van discriminatie op basis van leeftijd samenhangt met investeren in gemeenschapszin, sociale samenhang en het mensen in staat stellen voor het omkijken naar de ander?
Hoe beziet u in het licht van voorgaande vraag ook de samenhang met de voornemens om mensen langer thuis te laten wonen, zoals het Programma «Langer Thuis»?
Zou u in het licht van de voorgaande zeven vragen willen reflecteren op de vraag hoe de aanpak van discriminiatie op basis van leeftijd samenhangt met gemeenschapszin en de rol van verenigingen, vrijwilligerswerk, maatschappelijke organisaties en kerken, maar ook met initiatieven als de maatschappelijke diensttijd?
Deelt u de opvatting dat vooroordelen over en discriminiatie op basis van leeftijd onder andere voorkomen kunnen worden door de bekendheid en affiniteit met de belevingswereld van mensen van gevorderde leeftijd te vergroten? Zo ja, welke acties koppelt u hieraan?
Hoe beziet u in het licht van de voorgaande vraag maatschappelijke stages en de maatschappelijke diensttijd, die door jongeren onder andere wordt uitgevoerd in de ouderenzorg en bij hulp aan ouderen, en daarmee middelen zijn om jongeren kennis te laten maken met de genoemde belevingswereld?
Welke actieplannen zijn er om discriminatie op basis van leeftijd bij vrijwilligerswerk, vrijwilligersorganisaties, verenigingen en stichtingen aan te pakken?
De berichten ‘Driekwart gemeenten krijgt begroting niet rond, keuzes uitgesteld’ en ‘Zuid-Holland stemt in met begroting met groot gat’ |
|
André Flach (SGP) |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Driekwart gemeenten krijgt begroting niet rond, keuzes uitgesteld» en «Zuid-Holland stemt in met begroting met groot gat»?1
Ja, die berichten zijn bij mij bekend.
Hoe reageert u op de constatering dat slechts een kwart van de gemeenten een sluitende begroting kan presenteren? Wat zijn volgens u de belangrijkste oorzaken van dit probleem?
Ik begrijp de zorgen van gemeenten over de financiën vanaf 2026. Ik ben hierover dan ook reeds in gesprek met de medeoverheden. Naar aanleiding van het Overhedenoverleg heb ik aangegeven dat ik veel waarde hecht aan de balans tussen de ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Daarbij is bij het Overhedenoverleg van kabinetszijde erkend, zoals aangegeven in de Kamerbrief die ik 29 november verzonden heb, dat deze balans onder druk staat.2 Het gesprek daarover moet wel zorgvuldig en precies worden gevoerd en daartoe zijn ook concrete afspraken gemaakt. Als kabinet willen we met de medeoverheden een weg naar voren bewandelen. We spreken hiertoe in het Overhedenoverleg, dat vanwege agendatechnische redenen is verplaatst van 11 maart naar 17 maart a.s., verder met de koepels van gemeenten, provincies en waterschappen.
Wat betreft het bericht dat een kwart van de gemeenten een sluitende begroting kan presenteren, zou ik de volgende opmerkingen willen plaatsen.
In de eerste plaats wil ik benadrukken dat het aan de gemeenteraad is om de begroting vast te stellen en daarbij met het college van burgemeester en Wethouders het gesprek te voeren over keuzes die lokaal gemaakt worden. Gemeenten zijn zelfstandige bestuurslagen met een eigen autonomie en eigenheid.
Ten tweede wil ik aangeven dat de provincies het financiële toezicht op gemeenten uitvoeren. De Gemeentewet schrijft daarbij voor dat gemeenten een begroting moeten opstellen die structureel en reëel in evenwicht is (structurele lasten worden gedekt door structurele baten), of waarvan aannemelijk is dat het evenwicht in de eerstvolgende jaren tot stand wordt gebracht. De meerjarenbegroting hoeft hierbij niet noodzakelijkerwijs ieder jaar sluitend te zijn. De provinciale toezichthouders toetsen of door gemeenten aan genoemde structureel evenwicht wordt voldaan. Is dit naar het oordeel van de provinciaal toezichthouders bij een gemeente niet het geval, dan wordt deze gemeente onder preventief toezicht geplaatst. Voor het begrotingsjaar 2025 staat één gemeente in Nederland onder preventief toezicht vanwege financiële redenen. Een aantal provinciale toezichthouders geeft wel aan dat ze in de meerjarenraming vanaf 2026 tekorten zien. Of dat leidt tot preventief toezicht over 2026, zal moeten blijken uit de beoordeling van de begrotingen 2026 door de provinciale toezichthouder eind dit jaar. Indien er sprake is van een ernstigere financiële situatie, dan is er het vangnet van artikel 12 Financiële Verhoudingswet.
Ten derde is het belangrijk om te benadrukken dat begrote cijfers van gemeenten vaak geen goede voorspeller zijn van de uiteindelijke jaarrekeningresultaten van gemeenten. In plaats van de begrote tekorten, werden de afgelopen jaren overschotten gerealiseerd door de gemeenten gezamenlijk, met een bandbreedte van € 1,7–€ 3,7 miljard per jaar. Er zijn verschillende redenen voor deze overschotten. Het lukt gemeenten niet altijd om het geld uit te geven dat ze van plan waren uit te geven in de begroting, onder meer doordat de uitvoeringskracht van gemeenten achter is gebleven bij de toename van taken en ambities. Daarnaast komen rijksbijdragen laat in het jaar beschikbaar en worden investeringen uitgesteld door onzekerheid. Door de genoemde overschotten is de financiële positie van de meeste gemeenten de afgelopen jaren verbeterd, zoals zichtbaar is in de gestegen solvabiliteit en eigen vermogen.
Vindt u dat de begrotingsregels voldoende ruimte bieden aan medeoverheden om een gezonde meerjarenbegroting te kunnen opstellen? Bent u bereid met de medeoverheden te verkennen of meer flexibiliteit mogelijk is ten aanzien van onder andere het inzetten van reserves?
Ja, hiertoe ben ik bereid. Hiermee ben ik reeds aan de slag gegaan langs de lijn zoals vermeld in mijn brief van 4 oktober 2024 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 B, nr. 9) aan uw Kamer, waarin ik heb aangegeven dat ik wil bezien of bij de financiële beoordeling van de begrotingen van gemeenten door de provinciale toezichthouders de huidige norm (begrotingsregel) van structureel en reëel evenwicht aangevuld kan worden met andere toetsingscriteria. Daarbij valt te denken aan het meer meewegen van de vermogenspositie ten aanzien van de risico’s, de wendbaarheid en weerbaarheid van een gemeente, een breder risicomodel en bepaalde financiële kengetallen op het vlak van bijvoorbeeld weerstandsvermogen, schulden of belastingcapaciteit. Momenteel vinden hierover gesprekken plaats met de provinciale toezichthouders. Naar verwachting kan ik uw Kamer hierover nader informeren in het tweede kwartaal van 2025.
Daarnaast is een ruimere inzet van het surplus van de algemene reserve mogelijk gemaakt met ingang van de begrotingen voor 2025, ter dekking van structurele lasten. Dit kan, onder voorwaarden, bijdragen aan vergroting van de wendbaarheid van de financiën van medeoverheden. Dit is mogelijk gemaakt via de in het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv) op 21 november 2023 vastgestelde «Notitie incidenteel/structureel», die in nauwe afstemming tussen de fondsbeheerders, VNG, IPO en financieel toezichthouders tot stand is gekomen.
Kunt u toelichten wat de geconstateerde ontwikkeling betekent voor het toezicht op gemeenten? In hoeverre vindt u dat extra coulance betracht zou moeten worden met het oog op de financiële opgave waar gemeenten voor staan?
Het financiële toezicht biedt reeds ruimte voor flexibiliteit, maatwerk en dialoog. De financieel toezichthouder helpt gemeenten bij het bevorderen van een gezonde financiële huishouding. Bij het financieel toezicht gaat het om het voeren van een constructieve dialoog, waarin betrokken partijen met behoud van ieders rol en verantwoordelijkheid elkaar aanspreken en kritisch bevragen. Zoals in antwoord op de vragen 2 en 3 aangegeven, zijn de mogelijkheden rond inzet van reserves reeds verruimd en ben ik in overleg om te bezien of bij de financiële beoordeling van de begrotingen van gemeenten door de provinciale toezichthouders de huidige norm (begrotingsregel) van structureel en reëel evenwicht aangevuld kan worden met andere toetsingscriteria.
Kunt u aangeven hoe het begrotingstoezicht op gemeenten zich verhoudt tot het begrotingstoezicht op provincies? In hoeverre komt de relatie tussen Rijk en provincies overeen met die tussen provincies en gemeenten?
De provinciale toezichthouders maken bij hun financieel toezicht op gemeenten gebruik van een gemeenschappelijk toezichtkader4. Een aantal jaren geleden heeft BZK besloten een nieuwe werkwijze te hanteren bij het financieel toezicht op de provincies en gebruik te maken van een eigen toezichtkader. Gezien de over het algemeen goede financiële positie van provincies, worden de begrotingen enkel nader en verdiepend geanalyseerd als de betreffende provincie op basis van de beoordeling een hoog risicoprofiel krijgt toegekend.
Dit risicoprofiel wordt bepaald aan de hand van:
Welk kader is er ter uitwerking van het toezicht op de begroting van de provincies? Hoe vaak komt het voor dat de begroting van provincies niet sluitend is en hoe gaat u met die situaties om?
Het kader ten aanzien van het financiële toezicht op provincies heb ik geschetst bij vraag 5. Het komt zelden voor dat er bij de provincies geen sprake is van structureel en reëel evenwicht (structurele lasten worden gedekt door structurele baten). In de periode 2018–2025 is er naar mijn oordeel alleen bij de provincie Zuid-Holland bij de begroting 2025 geen sprake van structureel en reëel evenwicht (SRE). Dit leidt echter niet gelijk tot het instellen van verscherpt preventief toezicht, omdat naast SRE er ook breder wordt gekeken naar het risicoprofiel van een provincie, zoals bij vraag 5 aangegeven. Daarnaast is in het geval van Zuid-Holland een ambtelijk gesprek gevoerd, waarbij is ingegaan op de mogelijke maatregelen die de provincie neemt om weer SRE te krijgen. Deze zijn vastgelegd in de brief aan de provincie met daarin het toezichtregime.
Het bericht ‘Kamer-bobo laat zich door beveiligers rondrijden in opgeëiste dienstauto: chique bolide heeft pikant verleden’ |
|
Geert Wilders (PVV), Marco Deen (PVV) |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Klopt het dat de Griffier van de Tweede Kamer een dienstauto met chauffeur tot zijn beschikking heeft gekregen?1
Klopt het dat deze ambtenaar hier zelf om heeft gevraagd omdat hij niet wil onderdoen voor een secretaris-generaal op een ministerie?
Klopt het dat daarbij kamerbeveiligers als chauffeur worden ingezet?
Deelt u de mening dat kamerbeveiligers, die keihard nodig zijn om Kamerleden, medewerkers en bezoekers binnen de Kamer veilig te houden, niet ingezet moeten worden om een ambtenaar rond te toeren in een chique bolide? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat als de Griffier ongestoord wil bellen hij dat net als elke automobilist handsfree kan doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat ambtenaren, waaronder ook deze Griffier, net als elke andere werkende Nederlander gewoon per fiets, openbaar vervoer of eigen auto moet reizen, en bent u dan ook bereid direct een einde te maken aan deze ijdele onzin van deze Kamer-bobo? Zo nee, waarom niet?
In het algemeen geldt voor ambtenaren dat artikel 10.4 Cao Rijk bepaalt dat een werkgever aan een werknemer een dienstauto ter beschikking kan stellen in plaats van de reiskosten voor woon-werkverkeer en dienstreizen te vergoeden. Daarmee is het aan de Tweede Kamer als werkgever zelf om deze afspraken te maken, zoals ik in mijn antwoord op vragen 1 tot en met 5 heb toegelicht.
Bent u bekend met het bericht van De Telegraaf dat de Europese Commissie subsidies heeft verstrekt aan milieuorganisaties om specifieke wetgevingsvoorstellen te promoten, zoals de Natuurherstelwet?
Ja
Deelt u de mening dat het gebruik van subsidies om lobbyactiviteiten te financieren transparant en democratisch verantwoord moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, het gebruik van subsidies moet zo transparant en democratisch verantwoord mogelijk zijn. Om in aanmerking te komen voor een subsidie, moet worden voldaan aan vastgestelde eisen die staan beschreven in een openbaar gepubliceerde subsidieregeling. In de subsidieregeling is beschreven welke doelgroep onder welke voorwaarden en voor welke activiteiten in aanmerking komt voor een subsidie.
De Ministeries van KGG, van BZK/VRO en van EZ zetten subsidies niet in met als doel om lobbyactiviteiten van derde partijen richting de overheid te financieren. Subsidieverstrekking geschiedt uitsluitend om bepaalde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken. Maatschappelijke organisaties kunnen – net als overigens bedrijven – een aanvraag doen voor een subsidie. Maatschappelijke organisaties hebben daarbij een bijzondere positie omdat zij burgers vertegenwoordigen en zo bijdragen aan het pluriforme debat dat past bij onze representatieve democratie.
Kunt u een overzicht geven van alle subsidies die door de Nederlandse overheid de afgelopen vijf jaar zijn verstrekt aan milieuorganisaties en niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) die actief zijn op het gebied van klimaat en natuurbeleid?
Nee. Het kabinet houdt geen centraal overzicht bij van alle rijkssubsidies. Elk departement publiceert met de jaarlijkse ontwerpbegroting een subsidieoverzicht. Daarbij geldt dat verleende subsidies die zijn te herleiden tot individueel bedrijfs- of organisatieniveau niet openbaar worden gemaakt.
Voor subsidiebeschikkingen waarin sprake is van staatssteun moet binnen twintig werkdagen na de steunverlening een ad-hoc-kennisgeving gedaan worden, gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl. De betreffende beschikkingen worden dan wel eerst geanonimiseerd. Indien de staatssteun aan een individuele onderneming meer dan 100.000 euro bedraagt, geldt dat bepaalde gegevens (zoals de bedrijfsnaam van de steunontvanger, KVK-nummer en het steunbedrag) moeten worden gepubliceerd in de State Aid Transparency Award Module (TAM) van de Europese Commissie.
Welke voorwaarden zijn verbonden aan deze subsidies, en hoe wordt gecontroleerd of deze subsidies uitsluitend worden gebruikt voor de afgesproken doelstellingen?
De afzonderlijke departementen hebben eigen wet- en regelgeving op het gebied van subsidies. Het Raamwerk Uitvoering Subsidies (RUS)1, ook wel bekend als het Uniform Subsidiekader (USK), is bedoeld als algemeen kader voor het opstellen van deze wet- en regelgeving. Dit is een bindend raamwerk voor subsidieverstrekking dat overal binnen de Rijksoverheid moet worden toegepast.
De Ministeries van KGG, BZK en van EZ hanteren ook een eigen kaderwet voor subsidies. Voor subsidies van de Ministeries van BZK en VRO is de kaderwet overige BZK-subsidies2 van toepassing. In deze kaderwetgeving is onder meer bepaald dat een subsidie slechts wordt verstrekt voor activiteiten die passen binnen beleidskaders. Bij het verstrekken van een subsidie wordt op basis van de aanvraag, waarin beschreven staat voor welke activiteiten subsidie wordt aangevraagd, getoetst of deze activiteiten passen binnen het beleid. In de subsidiebeschikking worden voorwaarden en verplichtingen gesteld waar de subsidieontvanger aan moet voldoen. Bij de subsidievaststelling wordt gecontroleerd of de subsidieontvanger hier aan heeft voldaan.
Is het mogelijk dat Nederlandse subsidiegelden direct of indirect worden gebruikt voor lobbyactiviteiten bij Europese instellingen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 gebruiken de Ministeries van KGG, van BZK en van EZ subsidieverstrekking uitsluitend om bepaalde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken. Er worden geen subsidies verstrekt met als doel om lobbyactiviteiten van derde partijen richting de overheid te financieren.
Bent u bereid de onderliggende subsidieovereenkomsten met milieuclubs en ngo’s openbaar te maken en deze naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zijn subsidies voor economische activiteiten boven de 100.000 Euro die vanwege staatssteunaspecten formeel bij de Europese Commissie moeten worden aangemeld in het TAM-register, openbaar. Overige subsidies worden niet openbaar gemaakt.
Welke stappen onderneemt u om te waarborgen dat publieke middelen niet worden ingezet voor lobbyactiviteiten die gericht zijn op het beïnvloeden van nationaal of Europees beleid?
Zie ook antwoord op vraag 2. De Ministeries van KGG en van EZ gebruiken subsidieverstrekking uitsluitend om bepaalde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken op respectievelijk het terrein van klimaat, energie en economie. Het Ministerie van BZK en van VRO zet subsidiëring in voor respectievelijk het bevorderen van de democratische rechtsstaat, het ondersteunen van decentraal bestuur en het versterken van het bouwen, het wonen en de woonomgeving. Er worden geen subsidies verstrekt om lobbyactiviteiten van derde partijen richting de overheid te financieren.
Wat is uw reactie op het feit dat het European Environmental Bureau expliciete opdrachten kreeg om wetgevingsvoorstellen ambitieuzer te maken, en hoe beoordeelt u de rol van milieuorganisaties in het publieke debat in dit licht?
Via de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel heeft Nederland recentelijk contact gehad met Commissaris Serafin. De Commissaris heeft aangegeven nader onderzoek te zullen doen naar de subsidieverlening door de Europese Commissie. Het kabinet wacht nadere stappen van de Commissie af. Het kabinet heeft van de Commissie geen signalen ontvangen dat geldende transparantie- en lobbyregels zijn overtreden. Het European Environmental Bureau heeft bovendien eind januari in een reactie duidelijk gemaakt dat de berichtgeving ongegrond is en berust op misinformatie.
Ziet u aanleiding om het huidige Nederlandse subsidiebeleid te herzien om te voorkomen dat dergelijke praktijken plaatsvinden?
Nee. De huidige subsidieregels en uitvoeringscontroles waarborgen dat het subsidiebeleid uitsluitend gericht blijft op het bevorderen van beleidsdoelen die de Rijksoverheid nastreeft.
Hoe waarborgt u een eerlijke balans tussen de inspraak van organisaties die zakelijke belangen vertegenwoordigen en organisaties die zich inzetten voor milieu- en klimaatzaken bij de totstandkoming van beleid?
De Rijksoverheid gaat altijd in gesprek met een brede groep belanghebbenden en waarborgt een evenwichtige afweging tussen verschillende perspectieven, zowel van organisaties met zakelijke belangen als van partijen die zich inzetten voor milieu en klimaatzaken. De kwaliteit, relevantie en onderbouwing van inbreng staan daarbij centraal, ongeacht het profiel van de organisatie.
In het klimaatbeleid gebeurt dit onder andere via de sectorale uitvoeringsoverleggen, die als opvolgers van de klimaattafels fungeren binnen het Nationaal Klimaatakkoord. Hierin geven zowel bedrijven als maatschappelijke organisaties advies aan de verantwoordelijke vakminister. Daarnaast is recent een publieke consultatie gehouden op het concept-Klimaatplan, waarbij burgers, bedrijven en organisaties hun visie konden delen zonder onderscheid tussen organisaties of personen met zakelijke of maatschappelijke belangen.
In het ruimtelijk domein is verder de toepassing van de Omgevingswet relevant. Deze wet kent ook regels voor participatie waarbij is aangegeven dat alle relevante belanghebbenden (inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit moeten worden betrokken.
Op vele manieren vindt dus een brede en evenwichtige inspraak plaats, zodat alle belanghebbenden kunnen bijdragen aan beleidsprocessen.
Sollicitatiegegevens die met Google gedeeld worden |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Zsolt Szabó (VVD), Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Klopt het dat als men via de website werkenvoornederland.nl solliciteert bij de AIVD of MIVD hierover informatie gedeeld wordt met Google via het gebruik van Google Analytics? Zo ja, welke gegevens worden precies verzameld en verwerkt? Zo nee, kunt u een onderbouwing geven waarom dit volgens u niet het geval is?1
Nee, er worden geen gegevens van sollicitanten bij de AIVD of MIVD gedeeld met Google via het gebruik van Google Analytics op werkenvoornederland.nl. De sollicitatieprocessen van de AIVD en MIVD zijn volledig gescheiden van dit platform en worden afgehandeld via de eigen, beveiligde systemen van de AIVD en MIVD.
Google Analytics 4 (GA4) is op werkenvoornederland.nl geconfigureerd met de strengste privacy-instellingen, waarbij alle identificerende gegevens zijn uitgeschakeld en het IP-adres is geanonimiseerd tot op het niveau van het land. Hierdoor is het niet mogelijk om individuele gebruikers te identificeren a.d.h.v. de verzamelde data. De betrokken privacy en security officer binnen mijn organisatie bevestigt dat het gebruik van GA4 op deze manier voldoet aan de geldende privacywetgeving en is betrokken geweest bij de inrichting en de implementatie.
Om te garanderen dat werkenvoornederland.nl ook in de toekomst voldoet aan de gestelde privacystandaarden evalueert mijn organisatie de configuratie van Google Analytics 4 regelmatig en past deze aan waar nodig. Deze aanpak zorgt voor een optimale balans tussen het verkrijgen van inzicht in het gebruik van deze website en de bescherming van de privacy van website bezoekers.
In hoeverre zijn de gegevens over bezoekers en gebruikers van werkenvoornederland.nl die worden doorgegeven aan Google Analytics mogelijk herleidbaar tot individuen? Kunt u hierin ook het IP-adres betrekken, en hoeveel huishoudens jarenlang hetzelfde IP-adres houden, en daarmee herleidbaar zijn?
De gegevens die via GA4 worden verzameld op werkenvoornederland.nl zijn niet herleidbaar tot individuele personen. Het IP-adres wordt geanonimiseerd tot op het niveau van het land, waardoor het onmogelijk is om specifieke bezoekers of huishoudens te identificeren.
Het is waar dat sommige huishoudens gedurende langere tijd hetzelfde IP-adres kunnen hebben. Echter, door het toepassen van geavanceerde anonimiseringstechnieken en het vermijden van het verzamelen van direct identificeerbare informatie zoals namen of e-mailadressen, wordt het risico op herleidbaarheid tot een minimum beperkt.
GA4 is geconfigureerd met strenge privacy-instellingen om te voldoen aan de AVG. Daarnaast voert men met regelmaat controle uit inzake de data en applicatie om de effectiviteit van de privacymaatregelen te garanderen.
Als gegevens van Google Analytics mogelijk herleidbaar zijn tot individuen, klopt het dat op deze wijze de identiteit van sollicitanten bij de AIVD of MIVD feitelijk met Google wordt gedeeld?
Het is onmogelijk dat de identiteit van sollicitanten bij de AIVD of MIVD via Google Analytics wordt gedeeld. Hier zijn verschillende redenen voor. Ten eerste is er een scheiding van sollicitatieprocessen. Werkenvoornederland.nl dient enkel en alleen als promotieplatform voor vacatures. De daadwerkelijke sollicitatieprocessen bij de AIVD en MIVD vinden plaats via hun eigen, beveiligde systemen. Er is géén directe koppeling tussen deze systemen en GA4. Ten tweede hanteren we strikte privacy-instellingen. GA4 is op werkenvoornederland.nl geconfigureerd met de strengste privacy-instellingen. Dit betekent dat er geen gegevens worden verzameld die herleidbaar zijn tot individuele personen. Zo zijn gebruikersidentificatie, demografische gegevens en het volledige IP-adres uitgeschakeld. In plaats daarvan wordt het IP-adres geanonimiseerd tot op het niveau van het land. Ten derde evalueren we regelmatig. Om te garanderen dat ook in de toekomst wordt voldaan aan de hoogste privacystandaarden, wordt de configuratie van Google Analytics 4 met regelmaat geëvalueerd en aangepast waar nodig.
Door deze combinatie van technische maatregelen en strikte privacy-instellingen kan met zekerheid worden gesteld dat de gegevens die via GA4 worden verzameld, in geen geval kunnen worden gebruikt om de identiteit van sollicitanten bij de AIVD of MIVD te achterhalen.
Klopt het dat in de nieuwste versie van Google Analytics, Google geen IP-adressen van bezoekers meer kan zien? Of kan Google het IP-adres nog steeds zien en belooft men alleen maar er niets mee te doen? Maakt werkenvoornederland.nl gebruik van de nieuwste versie van Google Analytics?
GA4 anonimiseert IP-adressen automatisch tot op het niveau van het land, waardoor het onmogelijk is om individuele gebruikers te identificeren. Dit betekent dat Google geen toegang heeft tot de volledige IP-adressen en deze ook niet opslaat. Deze maatregel is een essentieel onderdeel van de ingebouwde privacybescherming in GA4.
Werkenvoornederland.nl maakt inderdaad gebruik van de nieuwste versie van Google Analytics, namelijk Google Analytics 4 (GA4). Door gebruik te maken van deze versie zijn we in staat om aan de strengste privacy-eisen te voldoen. Daarnaast zijn er aanvullende maatregelen getroffen om de privacy van website bezoekers te beschermen, zoals bijvoorbeeld het uitschakelen van gebruikersidentificatie en het beperken van de dataretentie. Google kan in GA4 geen volledige IP-adressen zien, en werkenvoornederland.nl heeft alle mogelijke maatregelen getroffen om de privacy van bezoekers te waarborgen.
Klopt het dat Google van de Amerikaanse wet op verzoek dit soort data moet doorgeven, ongeacht wat een Nederlands contract hierover zegt? Zo nee, kunt u dit onderbouwen?2
De Amerikaanse Cloud Act verleent Amerikaanse autoriteiten inderdaad het recht om gegevens op te vragen van bedrijven die in de Verenigde Staten gevestigd zijn, zoals Google. Dit geldt ook voor gegevens die op servers buiten de Verenigde Staten zijn opgeslagen. Echter, de specifieke gegevens die via GA4 worden verzameld op werkenvoornederland.nl vallen buiten het bereik van deze wetgeving.
De strenge anonimisering van de gegevens, met name van IP-adressen, en het ontbreken van direct identificeerbare informatie zorgen ervoor dat de gegevens die via GA4 worden verzameld op werkenvoornederland.nl geen waarde hebben voor identificatiedoeleinden. Zelfs als de Amerikaanse Cloud Act zou worden aangepast of uitgebreid, zouden deze gegevens niet kunnen worden gebruikt om individuen te identificeren en zouden ze daarom buiten het bereik vallen van eventuele dataverzoeken.
Het is in deze context belangrijk te benadrukken dat de Cloud Act primair gericht is op het verkrijgen van gegevens die nodig zijn voor strafrechtelijke onderzoeken. Gegevens die geen enkel verband houden met criminele activiteiten, zoals de geanonimiseerde data die we verzamelen, vallen buiten de reikwijdte van deze wetgeving.
Deelt u de mening dat het ongewenst is als gegevens van sollicitanten bij de AIVD of MIVD worden gedeeld met Google, en in het verlengde daarmee mogelijk met een buitenlandse regering? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het ongewenst is dat persoonsgegevens van sollicitanten bij de AIVD of MIVD worden gedeeld met externe partijen, zoals Google, of in het verlengde daarvan met buitenlandse overheden. Om deze reden heeft mijn organisatie ervoor gekozen om GA4 dusdanig te configureren dat er geen persoonsgegevens worden verzameld of gedeeld. De verzamelde data zijn volledig geanonimiseerd, waardoor het onmogelijk is om individuele personen, waaronder sollicitanten, te identificeren.
Het delen van persoonsgegevens van sollicitanten, en in het bijzonder bij gevoelige diensten als de AIVD en MIVD, zou niet alleen een inbreuk zijn op de privacy van de kandidaten, maar zou ook een veiligheidsrisico kunnen vormen.
Klopt het dat er inmiddels steeds meer alternatieven zijn voor het gebruik van Google Analytics, en dat de Nederlandse overheid ook een eigen statistieken-faciliteit heeft waarbij informatie niet met het buitenland wordt gedeeld?
Het klopt dat er steeds meer alternatieven voor Google Analytics beschikbaar zijn, waaronder open-source oplossingen zoals Matomo en Piwik PRO (van origine Franse bedrijven). Deze alternatieven bieden vaak meer controle over de data en kunnen beter aansluiten bij specifieke privacy-eisen.
De Nederlandse overheid heeft inderdaad initiatieven genomen om eigen statistieken-faciliteiten te ontwikkelen. Het doel hiervan is om de afhankelijkheid van externe aanbieders te verminderen en de controle over gevoelige data te vergroten. Echter, de implementatie van dergelijke oplossingen vereist aanzienlijke investeringen in tijd, geld en expertise.
In het geval van werkenvoornederland.nl is GA4 momenteel de gekozen oplossing vanwege de uitgebreide functionaliteit en de lagere kosten in vergelijking met sommige alternatieven zoals Matomo. Bij de keuze voor GA4 zijn, zoals eerder aangegeven, de privacy-instellingen zorgvuldig geconfigureerd om te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving.
Het is belangrijk op te merken dat de keuze voor een analytics-tool een afweging is tussen verschillende factoren, waaronder functionaliteit, kosten, privacy en technische expertise. De keuze voor GA4 is gebaseerd op een zorgvuldige afweging van deze factoren in de context van werkenvoornederland.nl.
Bij toekomstige vernieuwingen van werkenvoornederland.nl zullen opnieuw alle beschikbare opties tegen het licht worden houden, waarbij de ontwikkelingen op het gebied van privacy, databeveiliging en cyberweerbaarheid een belangrijke rol spelen.
Kunt u aangeven waarom de website werkenvoornederland.nl per se met Google Analytics moet werken? Waarom wordt er geen gebruik gemaakt van Europese alternatieven of een eigen faciliteit van de rijksoverheid?
De keuze voor GA4 voor werkenvoornederland.nl is in eerste instantie gemaakt vanwege de uitgebreide functionaliteiten en de relatief lage kosten. Het platform biedt een schat aan data over websitebezoek, waardoor we inzicht krijgen in de gebruikerservaring en onze dienstverlening kunnen optimaliseren. Echter, ik ben me bewust van de discussie rondom de privacy-implicaties van het gebruik van Amerikaanse analytics-tools en de beschikbaarheid van Europese alternatieven.
Bij de keuze voor een analytics-tool wegen we verschillende factoren mee, waaronder:
Hoewel een Europees alternatief een optie lijkt, zijn er nog enkele uitdagingen te overwinnen, zoals de hogere kosten en de noodzaak om de bestaande data-infrastructuur aan te passen. De keuze voor een alternatief voor Google Analytics vraagt een zorgvuldige afweging.
Hoe staat het met het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens naar het gebruik van Google Analytics en het mogelijke verbod op het gebruik hiervan?
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft in 2022 onderzoek gedaan naar het gebruik van Google Analytics en de mogelijke inbreuk op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Dit onderzoek werd geïnspireerd door vergelijkbare onderzoeken in andere Europese landen, die concludeerden dat het doorgeven van persoonsgegevens aan servers in de Verenigde Staten in strijd kan zijn met de AVG.
Dit onderzoek heb ik met grote belangstelling gevolgd en de ontwikkelingen hou ik nauwlettend in de gaten. Hoewel de AP nog geen definitieve uitspraak heeft gedaan, is het duidelijk dat er zorgen zijn over de privacy-implicaties van het gebruik van Google Analytics. Mocht de AP besluiten dat het gebruik van Google Analytics in de huidige vorm niet langer is toegestaan, dan zal ik hier uiteraard gevolg aan geven.
Er zijn, zoals eerder aangegeven, verschillende alternatieven en zij houden rekening met vernieuwingsvraagstukken waarin een scenario wordt beschreven om eventueel over te stappen.
Het is belangrijk om te benadrukken dat de privacy van werkenvoornederland.nl bezoekers zeer serieus wordt genomen. Ik zet me volledig in om te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en om een veilige en vertrouwde online omgeving te bieden.
Kunt u aangeven welke andere Europese landen gebruik maken van Google Analytics op de sollicitatiepagina van de geheime diensten?
Het is niet eenvoudig een eenduidig antwoord te geven op de vraag welke Europese landen gebruik maken van Google Analytics op de sollicitatiepagina's van hun geheime diensten.
Geheime diensten opereren doorgaans in een omgeving van strikte vertrouwelijkheid. Dit betekent dat informatie over de gebruikte technologieën, waaronder analytics-tools, vaak niet openbaar gemaakt wordt. Daarnaast verschillen de privacywetgevingen en -praktijken tussen de verschillende Europese landen, waardoor er geen eenduidige aanpak is voor het gebruik van analytics-tools binnen de overheid.
Redenen waarom deze informatie moeilijk te achterhalen is:
Hoewel ik geen concrete gegevens kan verstrekken over het gebruik van Google Analytics door specifieke Europese geheime diensten, kan ik wel stellen dat het gebruik van analytics-tools binnen overheidsorganisaties in het algemeen steeds vaker onder de loep wordt genomen. De discussie over privacy en databeveiliging is de afgelopen jaren sterk toegenomen, en dit heeft ook terechte gevolgen voor de keuze van softwaretools.
Bent u bereid te stoppen met het gebruik van Google Analytics op werkenvoornederland.nl of het solliciteren bij de geheime diensten op een andere manier te regelen? Zo nee, waarom niet?
De privacy van bezoekers aan werkenvoornederland.nl is van groot belang. Daarom sta ik open voor het evalueren van alternatieven voor Google Analytics. Ik volg de ontwikkelingen op het gebied van privacywetgeving en (nieuwe) technologieën nauwlettend en pas de werkwijze daarop aan om daarmee te voldoen aan de verwachtingen van gebruikers en afnemers.
Wat betreft het solliciteren bij de AIVD en MIVD is het voor mij van belang om te benadrukken dat Google Analytics hierbij géén rol speelt. Sollicitaties verlopen volledig via de eigen, beveiligde systemen van deze organisaties en worden niet via werkenvoornederland.nl afgehandeld.
Mocht blijken dat het gebruik van Google Analytics niet langer in lijn is met de geldende privacywetgeving, dan zal ik overstappen op een alternatief dat voldoet aan de hoogste privacy en security standaarden. Hierbij zal er rekening worden gehouden met factoren als functionaliteit, kosten en technische haalbaarheid.
Het Nationaal Burgerberaad Klimaat |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Judith Uitermark (NSC), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
In hoeverre vindt u de deelnemers van het Nationaal Burgerberaad Klimaat daadwerkelijk een afspiegeling van de samenleving en representatief, aangezien mensen zich hier zelf voor konden aanmelden (na een loting) waardoor de verwachting is dat vooral klimaat-geïnteresseerden zich hiervoor aanmelden?
Het burgerberaad is qua samenstelling een soort Nederland in het klein. Het is een afspiegeling van onze samenleving, ook als het gaat om hun opvattingen en zorgen over het klimaat. De samenstelling van de 175 deelnemers aan het Nationaal Burgerberaad Klimaat (hierna: burgerberaad) kunt u zien in bijgevoegde infographic1. Deze is gemaakt door de onafhankelijk voorzitter van het burgerberaad. De deelnemers zijn geselecteerd op een vijftal kenmerken2: leeftijd, geslacht, geografische spreiding, opleidingsniveau en mening over klimaatbeleid.
Kunt u inzichtelijk maken wie de hoofdvraag «Hoe kunnen we als Nederland eten, spullen gebruiken en reizen op een manier die beter is voor het klimaat?» van het Nationaal Burgerberaad Klimaat heeft bedacht? Mocht deze vraag vanuit het vorige kabinet bepaald zijn, waarom is besloten deze vraag niet te wijzigen?
Zowel het ontwerp als de hoofvraag van het burgerberaad zijn tot stand gekomen in een zorgvuldig gezamenlijk proces van de Kamer en het kabinet. Na een uitnodiging door het kabinet3 heeft een voorbereidingsgroep vanuit de Kamer verkend hoe een burgerberaad zou kunnen worden vormgegeven. Deze verkenning is besproken met het vorige kabinet (d.d. 5 april 2023). Het kabinet heeft vervolgens een voorstel voor het ontwerp en de vraag gedaan.4 Dit ontwerp is besproken met de Kamer (d.d. 28 juni 2023). Het kabinet heeft de vraagstelling daarna vastgelegd in het Instellingsbesluit.5 Het huidige kabinet heeft vastgesteld dat de vraagstelling nog steeds voldoet aan de eisen6 voor een geschikte vraag: de vraag is concreet en behapbaar, technisch niet te ingewikkeld, raakt aan de persoonlijke levenssfeer, heeft voldoende dilemma’s en geeft voldoende ruimte in beleidsontwikkeling.
Waarom heeft dit nieuwe kabinet besloten geen einde te maken aan het traject Nationaal Burgerberaad Klimaat dat door voormalig Minister voor Klimaat en Energie Rob Jetten is ingezet?
De totstandkoming van het Nationaal Burgerberaad Klimaat is een zorgvuldig en gezamenlijk proces van kabinet en Kamer geweest. Dit kabinet hecht eraan dat burgers zich gehoord voelen en meer zeggenschap hebben over zaken die hen aangaan. Het klimaat gaat ons allemaal aan. Op 20 december 2024 heeft het kabinet dan ook een brief aan uw Kamer gestuurd7 waarin het kabinet aangeeft uit te kijken naar een spoedige start van het burgerberaad klimaat.
Kunt u zo specifiek mogelijk inzichtelijk maken wat de verwachte kosten zijn van het gehele traject van het Nationaal Burgerberaad Klimaat?
Het burgerberaad klimaat is begroot op 6,18 miljoen euro en wordt bekostigd uit het Klimaatfonds. De voorzitter van het burgerberaad heeft in de voortgangsrapportage8 aangegeven dat, op basis van het begrote bedrag, circa 10–15% aanvullende middelen nodig zijn. Deze aanvullende claim wordt op dit moment beoordeeld door beide verantwoordelijke ministeries en zal meelopen in de reguliere begrotingscyclus.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel middelen er zijn gereserveerd voor de uitvoering van de uitkomsten van het Nationaal Burgerberaad Klimaat?
Het kabinet besluit per advies of het wel of niet wordt overgenomen, waarbij een zorgvuldige motivatie van de afweging wordt gegeven. Daarbij wordt ook geïnventariseerd welke middelen nodig zijn voor uitvoering van de adviezen.
Kunt u inzicht geven op welke manier de uitkomsten van het Burgerberaad geborgd zijn en wat de waarde is van de uitkomsten en adviezen?
Het kabinet committeert zich om recht te doen aan de tijd, moeite en expertise die in het advies van het burgerberaad zit. Zoals vastgelegd in het Instellingsbesluit9 stuurt het kabinet uiterlijk zes maanden na ontvangst van de adviezen een kabinetsreactie naar de Kamer. Hierbij wordt op ieder advies afzonderlijk ingegaan (motiveringsplicht). Het kabinet heeft tevens het voornemen om bij elk overgenomen advies een tijdspad m.b.t. de opvolging te schetsen en de kabinetsreactie in begrijpelijke taal te publiceren. De Kamer heeft toegezegd het advies en de kabinetsreactie te bespreken (besprekingsplicht).10 In een slotbijeenkomst bespreekt het kabinet samen met de deelnemers op welke wijze opvolging is gegeven aan het advies. Deze bijeenkomst vindt twaalf maanden na de overhandiging van de adviezen plaats.
Het puntensysteem dat de gemeente Utrecht hanteert bij de afhandeling van Woo-verzoeken en in strijd is met de wet. |
|
van Waveren |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
Bent u bekend met het artikel «Puntensysteem Woo-verzoeken Utrecht in strijd met de wet»?1
Ja.
Was u al eerder op de hoogte van deze werkwijze bij de gemeente Utrecht? Heeft hier overleg over plaatsgevonden met het ministerie?
Nee, ik was niet eerder op de hoogte van deze werkwijze bij de gemeente Utrecht. Gemeenten en andere bestuursorganen dragen er zelf zorg voor dat zij een goede werkwijze vinden voor het zo doelmatig en doeltreffend overeenkomstig de wet behandelen van Woo-verzoeken.
Hoe beoordeelt u dit soort prioritering/triage in het kader van de Woo?
Allereerst wijs ik erop dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht reeds heeft gereageerd op het betreffende artikel.2 Uit de betreffende brief maak ik op dat de gemeente Utrecht erin slaagt 85% van de Woo-verzoeken binnen de wettelijke termijn af te handelen. Dit is een prijzenswaardig hoog percentage. Ook vind ik het positief om te zien dat de gemeente Utrecht bij de afhandeling van Woo-verzoeken inzet op goed contact met verzoekers.
In algemene zin begrijp ik dat bestuursorganen, waaronder de gemeente Utrecht, naar werkwijzen zoeken om (omvangrijke) verzoeken zo goed en tijdig mogelijk af te handelen. Bestuursorganen moeten immers hun beschikbare capaciteit inzetten voor het afhandelen van verschillende verzoeken. Dit kan er in de praktijk toe leiden dat er keuzes gemaakt moeten worden over hoe deze capaciteit wordt verdeeld over de verschillende verzoeken en dat er aanleiding kan zijn om hierin te prioriteren. Zolang dit binnen de kaders van de Woo wordt gedaan, hebben bestuursorganen hier ook de ruimte toe. Het is van belang dat bestuursorganen open en transparant zijn over de keuzes die zij hierbij maken. Zoals in het regeerprogramma aangekondigd, denkt ook het kabinet na over maatregelen om omvangrijke verzoeken sneller af te kunnen handelen, zoals het eerst verstrekken van de meest relevante documenten.3
De ervaringen die bestuursorganen momenteel opdoen met experimenten en pilots voor werkwijzen voor de afhandeling van (omvangrijke) Woo-verzoeken, waaronder die van de gemeente Utrecht, neem ik graag mee in het proces van het opstellen van de algemene maatregel van bestuur (AMvB). Deze AMvB zal nader te bepalen bestuursorganen verplichten om een procesbeschrijving te maken en publiceren over het afhandelen van Woo-verzoeken. Hiermee wordt het Woo-proces meer navolgbaar en responsiever.
Vindt in het algemeen over deze werkwijze van (decentrale) overheidsorganisaties in het kader van Woo-verzoeken afstemming plaats tussen het ministerie en andere (overheids)instanties? Zo ja, heeft het ministerie dan een standpunt ingenomen over deze werkwijze en welke dan?
Nee, voorafgaand aan publicatie van dit artikel heeft geen overleg plaatsgevonden met andere (overheids)organisaties over deze werkwijze.
Hoe beoordeelt u het feit dat burgers puntenaftrek krijgen indien zij meerdere Woo-verzoeken per jaar indienen?
Deelt u de mening dat het principieel niet aan de overheidsinstantie zelf is om het belang of de prioriteit van een Woo-verzoek te beoordelen en dat dit systeem dus een onwenselijk onderscheid maakt tussen «gewone» burgers en journalisten, vanwege het feit dat journalisten geen puntenaftrek krijgen? Zo nee, waarom vindt u dit onderscheid gerechtvaardigd?
Bent u van mening dat het beoordelen van het «belang» van een verzoek een objectief en juridisch houdbaar criterium is? Zo ja, op welke juridische grondslagen baseert u deze beoordeling en, zo nee, heeft u de gemeente Utrecht erop gewezen dat dit in strijd is met de wettelijke grondslagen in de Woo?
Zijn er bij het ministerie meer voorbeelden van overheidsorganisaties, naast de gemeente Utrecht, bekend die een puntensysteem voor de afhandeling van Woo-verzoeken hanteren? Wordt er door ministeries geprioriteerd met het afhandelen van Woo-verzoeken, zo ja, hoe?
Nee, bij mijn ministerie zijn op dit moment geen andere voorbeelden bekend van andere overheidsorganisaties die een dergelijk puntensysteem hanteren.
Op welke wijze waarborgt het ministerie dat er bij de afhandeling van Woo-verzoeken bij (decentrale) overheden wettelijke criteria worden gehanteerd, zonder daarbij ongeoorloofd onderscheid te maken tussen verzoekers?
Het is aan ieder bestuursorgaan zelf om Woo-verzoeken binnen de wettelijke kaders van de Woo af te handelen. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid probeer ik een goede uitvoering van de Woo wel te stimuleren en te ondersteunen, zoals door het ontwikkelen van ondersteunende (beleids)producten zoals de Rijksbrede Woo-instructie.4
Is er toezicht op de afhandeling van Woo-verzoeken van decentrale overheden en, zo ja, welke instantie is hiervoor verantwoordelijk?
Nee, er is geen instantie die toezicht houdt op de afhandeling van Woo-verzoeken van decentrale overheden. Indien een verzoeker het niet eens is met de (wijze of tijdigheid van de) afhandeling van een Woo-verzoek dan heeft hij de mogelijkheid om een bezwaar in te dienen bij het bestuursorgaan en vervolgens een beroep in te dienen bij een rechtbank.
In het regeerprogramma is vermeld dat de wetsevaluatie van de Woo naar voren wordt gehaald, waarbij onder andere wordt bezien of de overheid de letter en de geest van de Woo naleeft. Wanneer kan de Kamer deze wetsevaluatie verwachten? Is de uitvoering door decentrale overheden, zoals de werkwijze van de gemeente Utrecht, onderdeel van deze evaluatie?
Aan het einde van dit jaar wordt gestart met de wetsevaluatie van de Woo. Naar verwachting zal de wetsevaluatie medio 2026 worden opgeleverd. De precieze invulling van deze wetsevaluatie moet nog worden uitgewerkt, maar daarbij zal uiteraard ook (de uitvoering van de Woo door) medeoverheden en andere bestuursorganen betrokken worden.
Kunt u deze vragen een voor een binnen drie weken beantwoorden?
De afstemming van de antwoorden vergde helaas meer tijd, waardoor het niet gelukt is deze vragen binnen drie weken te beantwoorden.
Hulp bij toeslagen voor statushouders |
|
Nicolien van Vroonhoven-Kok (CDA), Boomsma |
|
Judith Uitermark (NSC), Marjolein Faber (PVV) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel ««Financieel gat» dreigt voor statushouders nu COA geen toeslagen meer voor hen aanvraagt»?1
Ja.
Kunt u beschrijven hoe het proces van overdracht van de taak om statushouders te ondersteunen bij de aanvraag van huurtoeslag is overgegaan van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) naar de gemeenten?
Vanwege systeemwijzigingen bij de Dienst Toeslagen in mei 2023 bleek het COA eind 2023 niet langer in staat de diensten die werden gebonden vanuit het Toeslagenservicepunt (TSP) uit te voeren. Derhalve heeft het COA op 14 december 2023 per brief aan JenV, en in afschrift aan SZW en de VNG aangegeven per 1 januari 2025 te stoppen met het toeslagenservicepunt.
Na het besluit van het COA om te stoppen met het Toeslagenservicepunt (TSP) en naar aanleiding van de motie-Kathmann, heeft het Ministerie van SZW in samenwerking met COA en JenV gesprekken gestart met VNG, Divosa en andere betrokkenen. Het doel van deze gesprekken is om te verkennen hoe statushouders het beste ondersteund kunnen worden bij het bereiken van financiële zelfstandigheid.
Divosa heeft een handreiking voor gemeenten ontwikkeld. Deze handreiking richt zich op het financieel ontzorgen van statushouders, met specifieke aandacht voor het aanvragen van huurtoeslag. Daarnaast heeft de VNG op haar online platform VNG Fora een artikel geplaatst, waarin gemeenten ervaringen en inzichten kunnen delen over de knelpunten en best practices rondom het aanvragen van huurtoeslag en zorgtoeslag voor statushouders. Dit biedt gemeenten de mogelijkheid om van elkaar te leren en gezamenlijke oplossingen te ontwikkelen.
Kunt u de briefwisselingen tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)/gemeenten en het COA/ministerie over dit onderwerp aan de Kamer doen toekomen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 heeft het COA eind 2023 per brief aan JenV, SZW en VNG geïnformeerd per 1 januari 2025 te stoppen met het TSP. Op 17 december 2024 heeft het COA vervolgens na overleg met de beide ministeries een brief gestuurd naar de VNG en VluchtelingenWerk Nederland om hen te informeren over de voortkomende beëindiging van het toeslagenservicepunt. Beide brieven zullen in afschrift aan uw Kamer worden gezonden.
Is dit proces zorgvuldig verlopen?
In de antwoorden op vraag 2 en 3 is het proces beschreven. Daarbij merk ik graag op dat er ook nu nog ondersteuning is bij het aanvragen van toeslagen. Op verschillende andere plekken in Nederland bevinden zich servicepunten waar mensen ondersteuning kunnen krijgen bij de aanvraag van toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft servicepunten verspreid over het land die toegankelijk zijn voor iedereen die hulp nodig heeft bij het aanvragen van toeslagen. Ook zijn er gemeenten die gebruik maken van gemeentelijke assistentie voor het aanvragen van huurtoeslag. Daarnaast wordt deze taak in enkele gemeenten uitbesteed aan VluchtelingenWerk Nederland.
Bent u bekend met de website van het COA waarop staat: «Aanvragen huurtoeslag en zorgtoeslag. De huurtoeslag en zorgtoeslag ontvang je via de Nederlandse belastingdienst. Het COA helpt je om je huurtoeslag aan te vragen. Neem hiervoor contact op met je contactpersoon van het COA.»?2
Ja, de tekst is inmiddels aangepast op de website voor bewoners van het COA. Er is nu duidelijk aangegeven dat huurtoeslag en zorgtoeslag zelf aangevraagd dienen te worden.
Is er overeenstemming en duidelijkheid bij de overheid zelf wie statushouders ondersteunt vanaf januari? Zo ja, wie is dat en hoe wordt dat gecommuniceerd?
Ja. De overheid heeft verschillende loketten waar een statushouder kan worden geholpen met de aanvraag van toeslagen. Uiteindelijk blijft de statushouder zelf verantwoordelijk voor de eigen toeslagen. Hulp bij het aanvragen van toeslagen is geen wettelijke taak, maar statushouders worden wel ondersteund door gemeenten. Zij hebben budget om inburgeringsplichtige statushouders te begeleiden in hun financiële zelfredzaamheid, te ondersteunen bij het inregelen van basisvoorzieningen en hen verder wegwijs te maken in Nederland.
Daarnaast kunnen statushouders hulp krijgen via gemeentelijke steunpunten en de balies van de Belastingdienst. Ook zijn er meerdere toeslagenservicepunten verspreid over het land waar mensen met vragen over toeslagen terecht kunnen.
Naar welke wijziging bij de Dienst Toeslagen verwijst het COA waardoor het ingewikkelder is geworden om toeslagen aan te vragen en hoeveel extra tijd kost het per persoon daardoor om de aanvragen te doen?
Het gaat om twee wijzigingen. De eerste wijziging ziet op de zorgtoeslag.
Voorheen kon het TSP van het COA zorgtoeslag aanvragen vóórdat de zorgverzekering van een statushouder was goedgekeurd. Dit zorgde ervoor dat statushouders bij uitstroom naar de gemeente direct recht hadden op zorgtoeslag. In mei 2023 werd een technische koppeling met VeCoZo (Veilige Communicatie voor in de Zorg) ingevoerd om hoge terugvorderingen te voorkomen. Door deze koppeling kan de zorgverzekerdheid direct bij een aanvraag zorgtoeslag worden gecontroleerd, wat heeft geleid tot een aanzienlijke verbetering voor het overgrote deel van de aanvragers van zorgtoeslag: zij krijgen sneller hun zorgtoeslag en het risico op terugvorderingen is verkleind. Het kende echter een nadelig effect voor statushouders: vanwege de controle op zorgverzekerdheid konden verzekering en toeslag niet tegelijk aangevraagd worden. Hierdoor kon het COA statushouders niet meer ondersteunen bij de zorgtoeslagaanvraag.
Naar aanleiding van dit signaal heeft Dienst Toeslagen samen met de BRP-straat in Ter Apel een werkwijze ingevoerd waarin voor de zorgtoeslag een schriftelijke aanvraagprocedure is geïntroduceerd. In de BRP-straat kunnen statushouders een aanvraagformulier (laten) invullen, dat automatisch wordt geactiveerd. Wanneer de zorgverzekerdheid van de aanvrager vervolgens is bevestigd, wordt de lopende zorgtoeslagaanvraag geaccepteerd en kan Dienst Toeslagen alsnog direct overgaan tot uitbetaling.
De tweede wijziging vond plaats bij de aanvraag van de huurtoeslag waarbij in het aanvraagsysteem wordt gevraagd om het BSN van de partner. Deze vraag heeft gevolgen voor het recht op het kindgebonden budget. Veel partners van statushouders hebben echter op dat moment nog geen BSN omdat vele nog in het buitenland verblijven. Het is belangrijk dat deze partner tijdig wordt doorgegeven, omdat dit van invloed is op de hoogte van de toeslag (bijvoorbeeld omdat anders Alleenstaande Ouder-kop wordt toegekend). Dienst Toeslagen heeft naar aanleiding van dit signaal het aanvraagsysteem aangepast, zodat burgers en dienstverleners een aanvraag kunnen indienen waarin zij aangeven dat er weliswaar een partner is, maar dat deze (nog) geen BSN heeft en dit ook niet kan aanvragen. Deze procedure is ingewikkelder dan wanneer de partner wel een BSN heeft. Het kabinet werkt momenteel aan een wetsvoorstel om onder andere asielstatushouders met een huwelijkspartner die niet in Nederland is ingeschreven, voor de toeslagen als alleenstaand te beschouwen.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen een week beantwoorden?
Vanwege de benodigde afstemming is het niet mogelijk gebleken om de vragen binnen een week te beantwoorden.
Het bericht 'VNG: ‘BZK tovert op papier miljardenkorting weg’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Zou u willen reageren op elk van de bevindingen in het artikel «VNG: «BZK tovert op papier miljardenkorting weg»» in Binnenlands Bestuur?1
Het parlement wordt volledig en op basis van correcte feiten en cijfers geïnformeerd. Ik neem daarbij nadrukkelijk afstand van kwalificaties als wegtoveren. In antwoord op de volgende vragen zal ik de inhoudelijke punten van de VNG behandelen.
Waarom staat er in de genoemde Kamerbrief over de financiële positie van gemeenten en provincies niets over de miljardenkorting op het gemeentefonds?
Zoals ik al eerder aan de Kamer schreef (Kamerstukken 2024–2025, 36 600 B, nr. 9), lichtte de betreffende brief de Integrale Overzichten Financiën Gemeenten en Provincies toe, die primair van terugkijkende aard zijn. In deze documenten wordt een objectief en veelomvattend overzicht geboden van de stand van zaken rond de financiën van gemeenten en provincies van met name het voorgaande jaar. De ontwikkelingen die betrekking hebben op de toekomstige financiën van gemeenten worden opgenomen in de reguliere budgettaire stukken, waaronder de begroting van het gemeentefonds, en in brieven aan uw Kamer aangaande ontwikkelingen in de toekomst die gemeenten raken.
Wat vindt u ervan dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) oordeelt dat, vanwege het niet noemen van deze miljardenkorting in de Kamerbrief, de Kamer ten onrechte wordt voorgehouden dat het wel meevalt met de financiële positie van gemeenten?
Deze mening deel ik niet. In deze brief wordt teruggeblikt op de feitelijke ontwikkeling van de financiële positie van gemeenten over de afgelopen jaren, met een toelichting op deze financiële positie. Er wordt door mij geen kwalitatief oordeel gegeven over de vraag of gemeenten richting de toekomst genoeg middelen ter beschikking hebben. Overigens, zoals ik uw Kamer in oktober jl. berichtte (Kamerstukken 2024–2025, 36 600 B, nr. 9), zal ik bezien hoe de Integrale Overzichten Financiën Gemeenten en Provincies verder verrijkt kunnen worden, bijvoorbeeld met meer inzicht in de – met onzekerheden omgeven – toekomstige ontwikkeling van de financiële positie van medeoverheden.
Deelt u deze opvatting van de VNG? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met de zorgen van de VNG. Dit een complex vraagstuk. Ik begrijp de zorgen over de financiën; daarnaast ben ik ermee bekend dat bij gemeenten ook zorgen zijn over de arbeidsmarkt en de uitvoeringskracht. Naar aanleiding van het Overhedenoverleg heb ik aangegeven dat ik veel waarde hecht aan de balans tussen de ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Daarbij is bij het Overhedenoverleg van kabinetszijde erkend dat deze onder druk staat. Het gesprek daarover moet wel zorgvuldig en precies worden gevoerd en daartoe zijn ook concrete afspraken gemaakt. Het vraagstuk is ook complex omdat de middelen die gemeenten ontvangen voor hun takenpakket beleids- en bestedingsvrij zijn. Dit betekent dat gemeenten zelf besluiten over de allocatie van deze middelen en dat er geen 1-op-1 vergelijking kan worden gemaakt tussen de inkomsten voor en de uitgaven aan een specifieke decentrale taak. Bovendien is het vaststellen van het budget dat gemeenten nodig hebben voor het adequaat uitvoeren van taken geen exacte wetenschap, die op basis van een simpele rekensom kan worden vastgesteld.
Zou u willen reageren op het contrast, van het ontbreken van het noemen van deze miljardenkorting in de Kamerbrief, met het feit dat het Centraal Planbureau (CPB) de miljardenkorting wel noemt en inschat dat de terugval aan inkomsten vanaf 2026 voor gemeenten en provincies samen op 4,9 miljard euro uitkomt?
Zoals gezegd is het karakter van het Integraal Overzicht Financiën Gemeenten primair terugkijkend. De ontwikkelingen die betrekking hebben op de toekomstige financiën van gemeenten worden opgenomen in de reguliere budgettaire stukken, waaronder de begroting van het gemeentefonds.
Deelt u de opvatting van de VNG dat u als fondsbeheerder van het gemeentefonds in de Kamerbrief had moeten ingaan op deze miljardenkorting? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 3 en 5.
Zou u zich willen vergewissen van de inhoudelijke kritiek van de VNG op de nieuwe normeringssystematiek en daarbij op elk van de argumenten willen ingaan?
Naar aanleiding van het Commissiedebat Financiën Medeoverheden van 1 oktober jl. heeft uw Kamer de fondsbeheerders in de motie-Chakor/Van Nispen (36 600 B, nr. 12) gevraagd om het inzichtelijk maken van de financiële effecten en de voor- en nadelen van de nieuwe berekeningswijze voor het accres. Bij de uitwerking van deze motie zal door mij worden ingegaan op de door de VNG genoemde opmerkingen ten aanzien van de nieuwe normeringssystematiek. U kunt deze uitwerking in het voorjaar verwachten.
Waarom wordt er in de Kamerbrief niet ingegaan op het financieringsresultaat?
Het Integraal Overzicht Financiën Gemeenten wordt gemaakt op basis van jaarrekeningdata van gemeenten en blijft hierbij bewust dicht bij bekende financiële kengetallen. Dit geeft een zo objectief en betrouwbaar mogelijke weergave van de financiële situatie. De gerapporteerde gegevens – exploitatieresultaat, eigen vermogen, solvabiliteit – worden ook door elk college voor zijn gemeente aan de raad voorgelegd. Het Integraal Overzicht geeft hiervan de som weer. Het financieringsresultaat waar u naar verwijst, beschouw ik in deze context als een interpretatie van de VNG van deze cijfers.
Deelt u de opvatting van de VNG dat het financieringsresultaat wel in de Kamerbrief had moeten worden opgenomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals onder vraag 8 is aangegeven, geeft het Integraal Overzicht Financiën Gemeenten feitelijke informatie die direct is gebaseerd op de jaarrekeningen van gemeenten. Een interpretatie van deze cijfers past niet bij het objectieve karakter van het Integraal Overzicht.
Deelt u de opvatting van de VNG dat het niet klopt dat gemeenten structureel geld overhouden omdat het positief exploitatieresultaat over 2023 vooral te maken heeft met incidentele meevallers en zeer fragiel is? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat incidentele meevallers een rol hebben gespeeld in de overschotten van de afgelopen jaren, maar ik zie ook dat gemeenten te maken hebben met een krappe arbeidsmarkt en beperkingen in hun uitvoeringskracht en dat gemeenten in de jaren sinds 2021 geld over hebben gehouden. Deze overschotten kunnen niet alleen toegeschreven worden aan incidentele meevallers.
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, begrijp ik de zorgen over de financiën. In het Overhedenoverleg van 21 november jl. is van kabinetszijde erkend dat de balans tussen de ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht onder druk staat. Ik schreef eind november aan uw Kamer (Kamerstukken 2024–2025, 36 600 B, nr. 22) dat het gesprek hierover zorgvuldig en precies moet worden gevoerd.
Deelt u de opvatting van de VNG dat het terugdraaien van de extra bezuiniging op de jeugdzorg in de praktijk geen verbetering betekent voor de financiële positie van gemeenten, omdat het hier een exercitie in de papieren werkelijkheid betreft? Zo nee, waarom niet?
De Kamerbrief (Kamerstukken 2024–2025 36 410 B, nr. 8) vermeldde dat in het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet-Schoof de door het kabinet-Rutte IV besloten besparing op de jeugdzorg (oplopend tot € 511 miljoen in 2027) is vervallen. Hier is in de brief geen kwalitatieve duiding aan gegeven. Zoals in mijn brief van 21 november is aangegeven, neemt het kabinet de huidige en toekomstige scheefgroei in het sociaal domein zeer serieus, net als het advies van de deskundigencommissie Jeugd.
Zou u willen reflecteren op het feit dat gemeenten decentrale taken namens de rijksoverheid uitvoeren en dat er op dit moment meer uitgaven worden gedaan dan het Rijk aan middelen daarvoor vergoedt, terwijl gemeenten bij dergelijke openeinderegelingen geen mogelijkheid hebben om deze kosten te beheersen?
Ik wil hierbij om te beginnen opmerken dat uit het Integraal Overzicht blijkt dat gemeenten de afgelopen jaren positieve resultaten boekten, maar ik ben bekend met de zorgen die gemeenten hebben over het jaar 2026 en verder. Zoals aangegeven, is in het Overhedenoverleg van 21 november jl. van kabinetszijde erkend dat de balans tussen de ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht onder druk staat. Ik schreef eind november aan uw Kamer (Kamerstukken 2024–2025, 36 600 B, nr. 22) dat het gesprek hierover zorgvuldig en precies moet worden gevoerd. Als kabinet willen we met de medeoverheden een weg naar voren bewandelen. Dat doet het kabinet, zoals in mijn brief van 21 november aangegeven, door de huidige en toekomstige scheefgroei in het sociaal domein zeer serieus te nemen. Het advies van de deskundigencommissie Jeugd zal het kabinet daarbij ook zeer serieus nemen, waarbij geldt dat voor medebewindstaken adequate middelen dienen te zijn (art. 108 Gemw, lid 3)2 oals ook in deze brief van 21 november is aangegeven, streeft het kabinet ernaar om, in goede interbestuurlijke samenwerking bij de uitwerking van het Regeerprogramma, samen met de medeoverheden tot een goede balans te komen.
Zou u voorgaande vragen ook willen beantwoorden in het licht van het feit dat het kabinet niet voldoet aan artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet en artikel 108, derde lid van de Gemeentewet, waarin het kader voor de financiële verhoudingen tussen overheden is vastgelegd, en staat dat het Rijk moet aangeven hoe decentrale overheden financiële gevolgen moeten dekken die voortvloeien uit beleidsvoornemens van het Rijk (artikel 2 Financiële-verhoudingswet) en ook is opgenomen dat waar sprake is van medebewindstaken, het Rijk de kosten die ten laste van gemeenten komen aan hen dient te vergoeden (artikel 108, derde lid gemeentewet)?
Ik herken mij niet in de stelling dat het kabinet niet zou voldoen aan de Financiële verhoudingswet en de Gemeentewet. Ik merk graag op dat dit kabinet op meerdere terreinen samenwerkt met medeoverheden om de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht in kaart te brengen en waar nodig te verbeteren, zoals de Hervormingsagenda Jeugd, het houdbaarheidsonderzoek Wmo en de onderzoeken naar de opgaven op het gebied van openbaar vervoer, infrastructuur en natuur. Zie ook de antwoorden op vraag 4 en 12.
Kunt u duidelijkheid geven wat de gevolgen zijn voor de Rijksbegroting indien de genoemde tekorten bij gemeenten alsnog bij het Rijk worden geclaimd?
Zoals in antwoord op vragen 4 en 12 aangegeven, gaat het om de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht en is het kabinet hierover in gesprek met medeoverheden.
Zou u de voorgaande vragen ook willen beantwoorden in het licht van de resolutie «VNG-inzet richting nieuwe kabinet», waar 97,19 procent van de leden mee heeft ingestemd?
Zoals in antwoord op vraag 12 aangegeven, streeft het kabinet ernaar om, in goede interbestuurlijke samenwerking, bij de uitwerking van het Regeerprogramma samen met de medeoverheden tot een goede balans te komen tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht.
Zou u voorgaande vragen ook willen beantwoorden in het licht van het feit dat de gemeenten hebben aangekondigd dat gemeenten zich genoodzaakt voelen om met ondersteuning van de VNG een juridische procedure te starten tegen het Rijk als het kabinet de gemaakte afspraken over de vergoeding van de kosten met betrekking tot de uitvoering van de jeugdwet in de Voorjaarsnota niet volledig nakomt?
Zoals in het antwoord op vraag 12 is aangegeven, neemt het kabinet de huidige en toekomstige scheefgroei in het sociaal domein zeer serieus, net als het advies van de deskundigencommissie Jeugd, waarvan de verwachting is dat het binnenkort verschijnt.
Het bericht ‘Agent kan voortaan ook eed zweren op Allah of andere god’. |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Uitermark (NSC), van Weel |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Agent kan voortaan ook eed zweren op Allah of andere god»?1
Ja.
Wanneer heeft u de Kamer geïnformeerd dat in aanvulling op het onderhandelingsakkoord ook de eedsaflegging bij de politie aangepast zou gaan worden? Vindt u ook dat dergelijke keuzes, gelet op het feit dat het blijkens de nota van toelichting een principiële wijziging betreft en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties recent andere verwachtingen heeft gewekt, voorafgaand expliciet aan de Kamer voorgelegd zouden moeten worden?2
Mijn ambtsvoorganger en de korpschef, als werkgever van de politie, en de politievakbonden sloten op 19 december 2023 het arbeidsvoorwaardenakkoord met een looptijd van 1 juli 2024 tot en met 30 november 2025. In dit arbeidsvoorwaardenakkoord maakten partijen, binnen de kaders van het mandaat, afspraken over de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie van politiemedewerkers. Onderdeel hiervan is de afspraak om de tekst van de eed en belofte te moderniseren en meer inclusief te maken. Zodat de tekst van de eed en belofte meer herkenbaar en aansprekend is voor alle politiemedewerkers en zij uiting kunnen geven aan hun eigen geloofs- of levensovertuiging. Voor het moderniseren en meer inclusief maken van de eed en belofte van de politie is het model van de eed of belofte voor rijksambtenaren van 2023 ter inspiratie genomen. Deze tekst heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties in 2023 per brief aan uw Kamer doen toekomen.4 De wijziging van de eed en belofte betreft een rechtspositionele wijziging tussen werkgever van politie en de politievakbonden binnen mandaat van het kabinet.
De Minister van BZK is enkel politiek verantwoordelijk voor het werkgeverschap Rijk. Bij de wijziging van de eed en belofte van de sector Rijk heeft de Minister van BZK op geen enkele wijze beoogd verwachtingen te wekken met betrekking tot ambtseden van andere sectoren dan voor de sector Rijk.
Wat is uw reactie op het feit dat bovengenoemde wijziging in strijd is met hetgeen uitdrukkelijk door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is benoemd, namelijk dat op het punt van religie geen wijzigingen beoogd worden in de bekrachtingsformulieren?3 Onderkent u dat het alleen al daarom discutabel is om deze wijziging op deze manier toch door te voeren?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de opstelling van de politie opvallend is ten opzichte van andere overheidswerkgevers en dat het onwenselijk is dat iedere overheidsorganisatie op nationaal niveau er een eigen formule op nahoudt? Waarom zou de positie van de politie op dit punt zo uniek zijn dat afwijking van andere nationale instanties en de rijksoverheid noodzakelijk zou zijn?
Voor het moderniseren en meer inclusief maken van de eed en belofte van de politie is onder meer aangesloten bij artikel 7 van de Regeling ambtseed burgerambtenaren Defensie, waarin ook open wordt gelaten hoe de formulering van de «andere wijze van afleggen» wordt ingevuld. Ook is het model van de eed of belofte voor rijksambtenaren van 2023 ter inspiratie genomen. De aanpassingen in de tekst van de eed en belofte van politie, ten opzichte van die voor rijksambtenaren, zijn vervolgens verder toegespitst op de werkzaamheden van de politiemedewerkers. Het werk van de politie is immers niet identiek aan de werkzaamheden van rijksambtenaren of defensieambtenaren en behoeft daarom nadere vormgeving.
In de tekst van de nieuwe eed en belofte van politie is bijvoorbeeld specifiek opgenomen dat politiemedewerkers in het algemeen belang voor onze samenleving werken en zij zich volledig inzetten voor de taken die aan de politieorganisatie zijn toebedeeld. Een ander verschil is dat de politie, in de nieuwe tekst van de eed en belofte, zich beroept op het gedragen volgens de beroepscodes, naast de wetten en het recht. Bij de politie gelden andere beroepscodes dan de gedragsregels voor rijksambtenaren en defensieambtenaren.
Waarom heeft u gekozen voor een dergelijke verstrekkende aanpassing, gelet op het feit dat u in de nota van toelichting onderkent dat de eed van de politie moet aansluiten bij de formulieren van de rijksoverheid en Defensie? Waarom heeft u er niet voor gekozen om de constructie van artikel 7 van de Regeling ambtseed burgerambtenaren Defensie over te nemen in plaats van de onbepaalde, risicovolle wijziging dat ieder zelf een invulling kan kiezen?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom heeft u zich niet veel uitvoeriger rekenschap gegeven van de achtergronden en dilemma’s bij de eedsaflegging, waarbij tot op heden bewust sprake is van een zekere terughoudendheid om eedsformules aan te passen teneinde de eed herkenbaar te houden?
De samenleving, arbeidsmarkt en de politie zijn meer divers geworden in culturele achtergrond, leefstijlen, geloofs- en levensovertuiging. De politie wil er voor iedereen zijn en elke collega doet ertoe. Daarom is het van belang om meer ruimte te bieden aan verschillende identiteiten binnen de politie. De politie wil dit ook tot uiting brengen door gelijkwaardigheid en inclusie na te streven in de arbeidsvoorwaarden en de rechtspositie van de politie, waaronder met de nieuwe eed en belofte.
Het afleggen van de eed of belofte is een belangrijk ritueel waarbij politiemedewerkers trouw zweren of beloven aan de Koning en de Grondwet en zich verbinden aan de missie en kernwaarden van de politie. Met de aanpassing van de eed en belofte van politie is het voor politiemedewerkers mogelijk om bij het afleggen van de eed, voor de uitvoering van de taak, expliciet de hulp van diens «god» te vragen om de kracht en wijsheid te vinden het goede te doen ter bescherming tegen misstappen.
Welke kaders hanteert u voor de uitwerking die betrokkenen zelf geven aan de religieuze eedsaflegging, onder andere met het oog op de waardigheid en geldigheid van de eed? Gaat de politie uit van een lijst van overtuigingen, zoals bijvoorbeeld uit de formulieren van de provincies te distilleren valt? Hoe voorkomt u dat straks situaties ontstaan waarbij de politie bijvoorbeeld moet gaan beoordelen of een beroep op het pastafarisme geldig is, zoals in de jurisprudentie reeds aan de orde is geweest?4
Voor de uitvoering van de nieuwe eed en belofte heeft de werkgever, samen met de politievakbonden, een werkinstructie opgesteld, waarmee een eenduidige lijn in de uitvoering wordt bewerkstelligd. In deze werkinstructie zijn de antwoordteksten en gebaren, behorende bij de eed, voor de meest voorkomende denominaties uitgewerkt, namelijk het christendom, hindoeïsme, Islam en Jodendom. Deze uitwerking is gebaseerd op de instructie die Defensie gebruikt voor het militaire personeel. De verwachting is dat deze werkinstructie het overgrote deel van de mogelijkheden afdekt. Bij de beoordeling of iets als godsdienst kan worden aangemerkt, neemt de politie de jurisprudentie hierover als uitgangspunt, zoals de uitspraak van de Raad van State over pastafarisme. Bij de beëdiging zijn religieuze kledingstukken of uitingen toegestaan, zoals een keppel of hoofddoek, behalve in combinatie met het politie-uniform.
De online surveillance van Bunq |
|
Tom van der Lee (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Zsolt Szabó (VVD), Eelco Heinen (VVD), Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Bunq ondervraagt klant via bankapp na onlinekritiek»?1, 2
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Het Financieele Dagblad schreef dat Bunq klanten via haar bankapp zou hebben benaderd en zou hebben gedreigd met beëindiging van de klantrelatie nadat deze klanten online kritiek hadden geuit over de bank. Voor de beantwoording van deze Kamervragen heb ik contact opgenomen met Bunq. De bank zegt contact op te nemen met klanten met als doel om haar dienstverlening te verbeteren. Daarbij is Bunq niet actief op zoek naar klanten die zich negatief uitlaten online over de bank. Bunq geeft aan dat het de genoemde klanten niet heeft bedreigd met beëindiging van de klantrelatie en de klantrelatie ook niet heeft beëindigd. De klanten die in het artikel van het Financieele Dagblad worden genoemd, zijn nog klanten bij Bunq.
In het algemeen geldt dat bankgegevens, zoals de naam van de cliënt, bankrekeningnummer en transactiegegevens, worden beschouwd als persoonsgegevens en vallen dus onder de privacywetgeving: de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in combinatie met de Nederlandse Uitvoeringswet AVG (UAVG). Voor het verwerken van deze persoonsgegevens is een grondslag vereist. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is de toezichthouder op naleving van de (U)AVG.
Was u op de hoogte van deze signalen? Zo ja, hoe lang waren de signalen al bij u of betrokken toezichthouders bekend?
Nee, ik heb bij de publicatie van het artikel in het Financieel Dagblad voor het eerst kennisgenomen van deze berichten. De Nederlandsche Bank (DNB) is in dit geval de relevante financiële toezichthouder. DNB is over individuele instellingen geheimhouding verschuldigd. Ook de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft hier een rol. De AP kan op grond van klachten of uit eigen beweging onderzoek doen naar mogelijke overtredingen van de privacywetgeving, waaronder oneigenlijk gebruik van bankgegevens. Ik heb van de AP hier geen signalen over ontvangen.
Heeft u contact gehad met Bunq naar aanleiding van dit bericht? Zo ja, met welke boodschap zocht u contact? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Voor de beantwoording van deze Kamervragen ben ik in gesprek gegaan met Bunq. In het algemeen geeft Bunq aan dat zij dagelijks in contact staat met haar klanten om naar hun feedback en ervaringen te luisteren en dat veiligheid en privacy altijd voorop staan. Verder geeft Bunq aan dat de bank de genoemde klanten niet heeft bedreigd met beëindiging van de klantrelatie en de klantrelatie ook niet heeft beëindigd. Voorts heeft Bunq aangegeven dat zij klanten benadert die op sociale media en fora berichten over de bank plaatsen, zodat zij haar dienstverlening kan verbeteren.
Zijn er naar aanleiding van dit bericht en eerdere berichten over misstanden bij Bunq aanscherpingen geweest in het toezicht op deze bank? Is het u bekend of Bunq sindsdien interne procedures en toezicht heeft ingericht om dit soort praktijken te voorkomen?
Het is aan de AP om handhavend op te treden ten aanzien van de correcte naleving van de (U)AVG. Daarnaast zijn er verschillende wetten, waaronder de Wet op het financieel toezicht (Wft), de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) en de Sanctiewet 1977 (Sw) die het wettelijk kader aangeven waar banken zich aan moeten houden en waar DNB toezicht op houdt. DNB is geheimhouding verschuldigd over vertrouwelijke gegevens die zij in het kader van haar toezichttaak ontvangt en verwerkt. Over specifieke instellingen kan DNB daarom geen uitspraken doen. DNB hanteert in haar toezicht een risicogebaseerde aanpak en betrekt onder meer incidentmeldingen en andere signalen bij haar prioriteitstelling. Als DNB vaststelt dat een instelling de desbetreffende wetgeving onvoldoende naleeft, kan DNB maatregelen nemen, waaronder handhavende maatregelen.
Bent u van mening dat Bunq een juiste afweging gemaakt tussen de privacy van haar klanten en het eigen economische belang als zij dreigt om de relatie met een klant te beëindigen als negatieve uitingen online niet worden verwijderd?
Bij navraag laat Bunq weten dat zij de genoemde klanten niet heeft bedreigd met beëindiging van de klantrelatie en de klantrelatie ook niet heeft beëindigd.
Bent u het met de indieners eens dat een bank onder geen enkele voorwaarden haar klanten onder druk mag zetten om zich op een bepaalde manier in het openbaar te uiten?
Ja, daar ben ik het mee eens.
Kunt u bevestigen of Bunq daadwerkelijk klantrelaties heeft beëindigd nadat klanten kritiek hebben geuit? Hoe beoordeelt u dit in het licht van de afhankelijkheidsrelatie die een klant heeft tot zijn of haar bank?
Bij navraag laat Bunq weten dat het uiten van kritiek geen grond is om de klantrelatie te beëindigen. Volgens Bunq zijn er geen klantrelaties beëindigd vanwege het uiten van kritiek.
Op welke gronden mag een bank haar relatie met een klant beëindigen? Welke bescherming geniet de klant bij een eenzijdige beëindiging van het contact aan de kant van de bank?
Beide partijen, zowel de bank als de klant, hebben het recht om de relatie te beëindigen. De gronden waarop een bank een klantrelatie kan beëindigen zijn wanneer een witwasrisico niet gemitigeerd kan worden of het cliëntonderzoek niet voltooid kan worden.3 Daarnaast kan de bank in kwestie opzeggingsgronden geformuleerd hebben in de algemene voorwaarden, zoals wanneer een betaalrekening van een particulier gebruikt wordt voor zakelijke doeleinden. In al deze gevallen hebben banken een algemene zorgplicht tegenover hun klanten, indien zij de rekening willen opzeggen. Dit betekent dat de bank op zorgvuldige wijze de belangen van de klant in acht moet nemen. Daarnaast mag de bank een klantrelatie niet beëindigen wanneer dit tot onaanvaardbare gevolgen leidt.
Wanneer een particuliere klant een klacht heeft over het handelen van een bank, kan de klant, na het doorlopen van de interne klachtprocedure van de bank, terecht bij Het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). Daarnaast kan een klant naar de civiele rechter stappen.
In welke wet- en regelgeving is vastgelegd hoe banken wel en niet om mogen gaan met klantgegevens? Zijn consumenten wettelijk beschermd van dit soort wanpraktijken? Zo ja, hoe wordt erop toegezien dat banken dit naleven?
Zoals in de beantwoording bij vraag 2 is aangegeven, worden bankgegevens beschouwd als persoonsgegevens en zij vallen dus onder de privacywetgeving: de AVG in combinatie met de UAVG. Voor het verwerken van deze persoonsgegevens is een geldige grondslag vereist. De AP is de primaire toezichthouder op naleving van de (U)AVG. De AP kan op grond van klachten of uit eigen beweging onderzoek doen naar mogelijke overtredingen van de privacywetgeving. Het online uiten van kritiek op een bank is geen geldige grondslag voor het verwerken van klantgegevens.
Heeft Bunq beleid om te mogen achterhalen welke gebruikers negatieve uitingen doen over de bank? Zo ja, vindt u dit terecht en worden klanten hier voldoende van op de hoogte gebracht?
Bunq heeft aangegeven dat zij online sociale media en fora in de gaten houdt om de veiligheid van klanten te bevorderen. Ook zegt Bunq te reageren op online uitingen om te achterhalen hoe zij haar dienstverlening kan verbeteren.
Bunq kijkt daarom naar openbare online content, maar geeft aan niet specifiek te zoeken naar negatieve reacties.
Is het toegestaan dat Bunq klantgegevens, zoals gebruikersnamen, koppelt aan informatie verkregen op andere platforms, ook als dit eigen (anonieme) meningen betreft?
Het online uiten van kritiek op een bank is geen geldige grondslag voor het verwerken van klantgegevens.
Bent u bereid om de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandse Bank (DNB), in navolging van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), te vragen om deze situatie te onderzoeken?
De AFM en DNB zijn zelfstandige bestuursorganen en functioneren als onafhankelijke toezichthouders. Ik kan de toezichthouders daarom niet vragen om een specifieke situatie te onderzoeken. De toezichthouders maken zelf de afweging wat onderzocht dient te worden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo afzonderlijk van elkaar, zo spoedig en volledig als mogelijk beantwoord. Vanwege de vragen aan Bunq en de toezichthouders heeft de beantwoording wat langer geduurd.
Overbodige functies, adviesorganen en doublures bij de Rijksoverheid in relatie tot voorgenomen besparingen op het overheidsapparaat |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat de Rijksoverheid significant is gegroeid de laatste jaren terwijl de slagvaardigheid niet evenredig is toegenomen? Zo nee, waarom niet?
De Rijksoverheid is inderdaad significant gegroeid. De cijfers opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR) laten dit zien. Deze groei is onder andere te verklaren door de extra taken die worden uitgevoerd. Dit gaat bijvoorbeeld over de afhandeling mijnbouwschade Groningen, de Hersteloperatie Toeslagen of de indiensttreding van het schoonmaakpersoneel. Maar ook in het dagelijkse werk bij de Rijksoverheid wordt een groeiende inzet gevraagd vanwege steeds meer en complexere regelgeving en toegenomen administratieve lasten. Dit laatste kan bijdragen aan het beeld dat de slagvaardigheid niet evenredig is toegenomen. In het Hoofdlijnenakkoord en in het regeerprogramma is aangegeven dat regels vereenvoudigd en verminderd moeten worden en dat de administratieve verplichtingen voor burgers, ondernemers en de uitvoeringsorganisaties moeten worden teruggebracht.
Uit de budgettaire bijlage bij het hoofdlijnenakkoord volgt dat de apparaatsuitgaven structureel met circa 1 mld. worden verminderd.
Kunt u aangeven hoeveel jaar groei van de Rijksoverheid wordt teruggedraaid via de voorgenomen besparingen op het apparaat Rijksoverheid als de volledige bezuiniging vanuit het hoofdlijnenakkoord wordt gerealiseerd? Met welk jaartal kunt u de uitgaven aan het apparaat Rijksoverheid vergelijken als de besparingen volledig gerealiseerd worden?
Het betreft een budgettaire taakstelling op de apparaatsuitgaven, waarbij er breed naar dekking gezocht mag worden. Er zijn geen concrete streefcijfers over te besparen fte’s afgesproken. De taakstelling is meerjarig ingeboekt op de centrale apparaatsartikelen van de departementen. De kwantitatieve doestelling is daarmee concreet uitgedrukt in euro’s en administratief in de begrotingen geëffectueerd. Uiteindelijk zal de taakstelling moeten leiden tot het substantieel terugdringen van het aantal ambtenaren en externe inhuur.
De apparaatsbudgetten zijn jaren vooruit begroot, maar worden, tot in het uitvoeringsjaar, nog bijgesteld bij de diverse begrotingsmomenten, bijvoorbeeld door loon- en prijsbijstellingen en diverse in- en extensiveringen. Besluitvorming daarover vindt in het parlement plaats. Een vergelijking in de tijd is daardoor lastig te maken.
Kunt u het totaal aantal medewerkers van het apparaat Rijksoverheid uitsplitsen naar een logische categorisatie waar in ieder geval een knip gemaakt wordt tussen beleidsambtenaren, uitvoering, coördinerende en managementfuncties, communicatiemedewerkers en voorlichters en juristen? Kunt u de groei per functiegroep per ministerie aangeven over de laatste tien, vijf en twee jaar?
In onderstaande tabellen wordt de informatie gegeven die in de personeelsadministratie van het Rijk beschikbaar is. Dit betreft de volgende tabellen:
Er is geen werksoort of functiefamilie voor juristen. Deze medewerkers zijn binnen alle werksoorten en functiefamilies werkzaam.
Per tabel wordt een toelichting gegeven. Tenzij anders vermeld betreffen onderstaande overzichten de fte’s van medewerkers met een vast of tijdelijk dienstverband die onder de CAO Rijk vallen per einde van elk jaar. Op het moment van schrijven zijn de cijfers over ultimo 2024 nog niet bekend.
De gevraagde jaren zijn in zwart weergegeven.
2012
11.772
6.217
7.215
83.898
109.102
2013
2014
11.579
6.555
7.766
83.586
109.486
2015
11.500
6.888
8.728
82.034
109.150
2016
11.544
6.910
9.490
81.635
109.579
2017
11.363
6.825
10.094
82.362
110.644
2018
2019
12.126
7.160
11.740
87.918
118.944
2020
13.418
7.561
12.340
92.090
125.409
2021
2022
15.812
8.537
14.638
99.388
138.375
2023
Bij het toedelen van de fte’s aan een werksoort is de kerntaak van het rijks onderdeel waar de fte werkzaam is als uitgangspunt genomen. Hierdoor vallen dus alle medewerkers van één onderdeel onder dezelfde werksoort.
AZ
65
105
105
117
BZ
1.167
1.182
1.368
1.744
BZK
1.069
1.518
1.657
2.068
EZK
1.496
1.349
1.175
1.678
FIN
1.046
662
855
1.067
HCvS
1.470
1.331
1.468
1.645
IenW
1.551
1.355
2.038
2.536
JenV
1.364
1.578
1.561
1.865
LNV
–
–
645
994
OCW
773
835
947
1.271
SZW
649
739
887
1.088
VWS
936
1.061
1.522
1.759
AZ
8
17
20
23
BZ
–
30
31
–
EZK
2.791
3.074
687
857
FIN
–
–
–
25
IenW
1.120
1.225
1.429
1.631
JenV
174
281
147
174
LNV
–
–
2.703
3.205
OCW
551
549
568
727
SZW
1.098
1.249
1.511
1.765
VWS
568
738
828
945
AZ
155
99
127
145
BZ
568
807
936
933
BZK
3.543
6.483
7.772
9.017
EZK
661
541
581
739
FIN
600
759
851
833
IenW
522
450
108
96
JenV
567
366
433
1.056
OCW
265
220
216
282
SZW
319
1.026
1.697
2.023
VWS
299
258
336
342
AZ
130
136
180
213
BZ
931
730
734
788
BZK
1.597
1.822
2.404
2.360
EZK
3.855
4.714
5.882
7.497
FIN
28.711
28.082
31.492
34.918
HCvS
168
171
208
225
IenW
8.979
9.228
10.506
11.180
JenV
34.432
33.310
38.227
40.714
OCW
2.248
2.866
3.242
3.822
SZW
120
VWS
2.252
2.585
3.050
3.472
Als gevolg van organisatieverschuivingen en herindelingen zijn de cijfers per ministerie niet goed vergelijkbaar over de gevraagde jaren.
AZ
36
32
BZ
590
627
BZK
827
920
EZK
514
659
FIN
1.949
2.212
HCvS
62
69
IenW
663
734
JenV
2.376
2.559
LNV
244
297
OCW
270
336
SZW
221
253
VWS
330
393
De functiefamilie Lijnmanagement komt binnen alle werksoorten voor. Omdat bij de verschillende ministeries de functies in het Functiegebouw Rijk (FGR), in een verschillend tempo zijn ingevoerd, geven de cijfers over 2013 en 2018 geen betrouwbaar beeld.
AZ
10
10
BZ
299
338
BZK
505
606
EZK
352
418
FIN
1.662
1.906
HCvS
18
23
IenW
761
834
JenV
534
602
LNV
225
304
OCW
195
218
SZW
173
209
VWS
327
371
De functiegroepen met coördinerende functies komen binnen verschillende functiefamilies voor. Omdat bij de verschillende ministeries de functies in het Functiegebouw Rijk (FGR), in een verschillend tempo zijn ingevoerd, geven de cijfers over 2013 en 2018 geen betrouwbaar beeld.
AZ/RVD
57,7
57,7
52,1
53,6
BUZA
49,9
51,0
69,0
73,0
BZK
48,8
32,9
53,4
59,0
DEF
31
38,0
48,2
65,1
EZK
50
46,0
54,0
67,7
FIN
35
44,4
57,2
65,4
IenW
54,7
61,8
61,1
61,4
JenV
40,8
47,0
51,9
57,0
LNV
27,2
30,5
40,7
OCW
41
42,1
51,5
69,3
SZW
48,8
48,7
61,1
60,2
VWS
37,1
58,1
65,9
73,4
AZ/DPC
144,5
148,7
195,9
235,5
Het meest actueel beschikbare beeld van de ontwikkeling in het aantal fte’s van de directies communicatie is via de volgende link te volgen. Tabel 8 is samengesteld op grond van deze data.1
Kunt u aangeven hoeveel interimmers momenteel worden ingezet bij de Rijksoverheid en welk percentage dit is ten opzichte van de totale personeelsomvang? Hoe beoordeelt u dat het rijksambtenarenbestand op dit moment tot wel vijftien ingevuld wordt door interimmers? Wat betekent dit voor de gemaakte kosten?
In 2023 bedroegen de uitgaven aan externe inhuur 15,4% van de totale personele uitgaven. Er worden geen gegevens bijgehouden van het geraamde aantal in te huren uren om het equivalent te kunnen berekenen van een fulltime-medewerker.
Externe inhuur bestaat uit de volgende hoofd- en subcategorieën:
In het regeerprogramma is afgesproken het aantal ambtenaren en externe inhuur substantieel terug te dringen. De ministeries zijn druk bezig om op een verantwoorde en realiseerbare wijze aan dit voornemen uitvoering te geven. In het commissiedebat Functioneren Rijksdienst van 6 november 2024 heb ik in dit kader toegezegd om in het eerste kwartaal van 2025 een plan van aanpak terugdringen externe inhuur aan uw Kamer te sturen.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Erkens c.s. (Kamerstuk 36 600 VII, nr. 21), ingediend bij de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, omtrent het invullen van de bezuinigingsopgave aan de hand van een heldere visie op hoe een kleinere overheid ook slagvaardiger kan zijn? Wanneer kan de Kamer de uitwerking hiervan verwachten?
Over de uitwerking van de verschillende over de rijksbrede taakstelling aangenomen moties, waaronder de motie Erkens c.s., informeer ik u via een separate Kamerbrief in het eerste kwartaal van 2025. In deze brief schets ik het proces dat de verschillende departementen doorlopen in het kader van genoemde rijksbrede taakstelling en geef ik onder andere aan wat de (rijksbrede) uitgangspunten zijn. In de Kamerbrief schets ik ook de rol en invulling van de Ministeriële Commissie die al in het Regeerprogramma is aangekondigd. Via deze Ministeriële Commissie werk ik deze regeerperiode – samen met mijn collega’s – aan een slagvaardigere en kleinere Rijksoverheid.
Kunt u een overzicht verschaffen van alle bestaande adviesorganen, zoals adviesgroepen, adviescolleges, taskforces, commissies, werkgroepen en overlegstructuren, binnen de Rijksoverheid? Kunt u hierbij het aantal voltijdsequivalenten (vte) en bijbehorende budgetten per orgaan specificeren?
Voor het meest volledige overzicht van adviescolleges verwijs ik u naar de link https://organisaties.overheid.nl/Adviescolleges/. Ik heb geen overzicht van het aantal voltijdsequivalenten en budgetten per orgaan.
Welke adviesorganen zijn de afgelopen tien jaar opgeheven of samengevoegd? Hoeveel adviesorganen zijn er opgericht de afgelopen tien jaar? Kunt u hierbij aangeven of dit tijdelijke, eenmalige of vaste adviesorganen zijn en in hoeverre zij hun termijn hebben overschreden?
Sinds 2010 wordt ieder jaar in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR) aan Uw Kamer over de adviescolleges gerapporteerd die onder de Kaderwet adviescolleges vallen, met informatie over hun instelling, omvang en voor zover van toepassing hun expiratiedatum. Daaruit blijkt welke adviesorganen tijdelijk, eenmalig of vast zijn. Een actueel overzicht van deze en andere adviesorganen is online beschikbaar.2 In deze database is ook informatie opgenomen over de toepasselijke wetgeving (wel of niet toepasselijkheid Kaderwet adviescolleges, Wet open overheid, Ambtenarenwet 2017 en de CAO), alsmede specifieke wettelijke grondslag van het desbetreffende adviesorgaan. Uit de grondslag blijkt ook of de adviesorganen voor onbepaalde of bepaalde tijd zijn ingesteld. In de regel worden bij ad hoc commissies (voor een specifiek advies) en bij tijdelijke adviesorganen de termijnen niet overschreden: bij de instelling wordt namelijk ook de datum van opheffing geregeld. Tijdelijke adviesorganen die voor een bepaalde duur zijn ingesteld, zoals, voorheen, de Sportraad en het Adviescollege toetsing regeldruk, kunnen na de opheffingstermijn wel een keer worden verlengd en daarna wederom (opnieuw) worden ingesteld of zelfs voor onbepaalde tijd worden ingesteld. In het laatste geval is instelling bij wet noodzakelijk.
Hoe beoordeelt u de doelmatigheid van de huidige adviesorganen?
De laatste jaren is – net als bij de rijksdienst in het algemeen – bij het adviesstelsel als geheel een groei waar te nemen. Uit een enkele jaren geleden uitgevoerde evaluatie van de Kaderwet adviescolleges bleek dat het aantal adviescolleges, vooral eenmalige colleges, sinds 2018 sterk is toegenomen, ondanks de bedoeling van de Kaderwet om het adviesstelsel te versoberen.3
Bij eenmalige colleges zijn er minder waarborgen voor de onafhankelijkheid (ministeries hebben meer invloed op de samenstelling en de vraagstelling). Ook leidt het tot vertrek van expertise: door de snelle opkomst en verdwijning van eenmalige colleges, is er minder tijd en ruimte voor vaste colleges om expertise op te bouwen en te benutten. Verder hebben de ministeries in hun bestuurlijke en beleidsrol vooral informatie nodig uit de praktijk en de uitvoering. Ik zie meer in de versterking van de rol van uitvoeringsorganisaties en inspecties bij het ontwikkelen van wetgeving en beleid, dan in de groei van externe adviesorganen.
Welke stappen zet u om deze adviesorganen kritisch te evalueren en waar nodig af te bouwen wanneer zij hun doelen hebben bereikt?
Het is aan de afzonderlijke Ministers die de beheersverantwoordelijkheid hebben voor de desbetreffende adviesorganen, om het voortbestaan (periodiek) te beoordelen.
In hoeverre wordt er binnen een ministerie, of tussen ministeries, advies ingewonnen over exact hetzelfde of grotendeels hetzelfde beleidsonderwerp? Kunt u een concreet voorbeeld geven van een dergelijke overlap?
Er zijn veel beleidsonderwerpen die meerdere ministeries raken. Het is ook goed dat beleidsonderwerpen vanuit verschillende ministeries – vanuit een verschillend perspectief – worden belicht. Hierdoor ontstaat er ruimte voor discussie en tegenspraak. In de praktijk is het uitgangspunt dat ministeries zoveel als mogelijk (grenzeloos) samenwerken inclusief kritische reflectie. Dit laat onverlet dat het duidelijk moet zijn welk ministerie of welke ministeries een bepaald beleidsdossier trekken en hierop primair aanspreekbaar is. Mijn beeld is dat dit altijd praktisch wordt opgelost door afspraken te maken over welk ministerie «trekker» is.
Een voorbeeld is bijvoorbeeld het dossier arbeidsmarktkrapte, waar alle ministeries eigenlijk in meer of mindere mate mee te maken hebben (hetzij van uit een brede verantwoordelijkheid voor de arbeidsmarkt, vanuit een stelselverantwoordelijkheid en/of vanuit de beleidsmatige verantwoordelijkheid voor een specifieke sector).
Hoe wordt voorkomen dat advieswerk onnodig dubbel wordt uitgevoerd en welke controlemechanismen zijn hiervoor ingesteld?
Er is geen centraal zicht op of en zo ja in welke mate, advieswerk dubbel wordt uitgevoerd. Zoals aangegeven komt het voor dat bepaalde onderwerpen bij meerdere ministeries voor advies worden uitgezet. Zo voorzien alle ministeries hun bewindspersonen van advies voor de ministerraad, hetzelfde gebeurt voor de ambtelijke voorportalen. Ik zie dit echter niet als «onnodig», omdat ieder ministerie (en ieder bewindspersoon) het eigen perspectief en de eigen rol heeft. Bij twijfel over welk ministerie (primair) aan zet is op een beleidsdossier, wordt dit ambtelijk (of anders politiek) opgelost. Ik zou daar overigens geen nadere «controlemechanismen» voor willen instellen, omdat dit ook weer een extra (controle)laag creëert.
Kunt u aangeven hoeveel ambtenaren binnen de Rijksoverheid zich bezighouden met de coördinatie van overleggen tussen departementen, werkgroepen en/of adviesorganen? Zo nee, zou u dit niet willen weten? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar beleidsniveau en uitvoering?
Dit is niet mogelijk. De rijksbrede (P-Direkt) data geven wel deels inzicht in de geregistreerde functienaam (binnen het Functiegebouw Rijk) en het functieniveau (zie ook de beantwoording van vraag 3). De beschikbare data geven echter geen beeld van de feitelijke werkzaamheden die worden uitgevoerd en of er sprake is van «coördinatie van overleggen tussen departementen, werkgroepen en/of adviesorganen». Dit inzicht verkrijgen zou naar verwachting onevenredig veel inspanning vragen ten opzichte van het inzicht dat daarmee verkregen wordt (aantallen zeggen nog niets over nut en noodzaak van werkzaamheden).
In hoeverre komt het voor dat verschillende ambtenaren binnen hetzelfde ministerie zich met overlappende of identieke taken bezighouden?
Daar heb ik geen informatie over.
Worden er evaluaties uitgevoerd om dergelijke doublures bloot te leggen en zo ja, wat waren de resultaten?
Er worden geen evaluaties uitgevoerd die specifiek tot doel hebben om dit te onderzoeken. Er worden wel periodiek beleidsevaluaties en beleidsdoorlichtingen uitgevoerd. Zeker in beleidsdoorlichtingen wordt uitgebreid beschreven of het gevoerde beleid doeltreffend en doelmatig is. Daarbij merk ik op dat, zeker als taken meerdere belangen raken, het juist wenselijk kan zijn dat verschillende medewerkers – vanuit en met verschillende perspectieven – bij deze taken betrokken zijn.
Hoeveel externe adviseurs en consultants worden er jaarlijks ingehuurd? Kunt u deze uitgaven uitsplitsen tussen eenmalig werk dat specifieke expertise vergt en werk dat ook uitgevoerd kan worden door het departement zelf?
Inhuur vindt vooral plaats bij (grote) uitvoeringsorganisaties die te maken hebben met piekbelasting en opdrachten met een tijdelijk en/of specialistisch karakter. In deze gevallen kan er vanuit doelmatigheidsoverwegingen gekozen worden voor het inhuren van externen. Daarnaast is externe inhuur een oplossing wanneer het op korte termijn niet lukt om het benodigde personeel in dienst te nemen. Departementen die kampen met personele tekorten of waarbij sprake is van beleidsintensiveringen kunnen op deze manier toch hun werkzaamheden uitvoeren. Externe inhuur vormt samen met de reguliere aanstellingen het totaal van de beschikbare personele capaciteit voor de taakuitoefening. Departementen leggen in hun jaarverslagen verantwoording af over de externe inhuur binnen hun departement. De gegevens over 2024 worden in mei 2025 gepubliceerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2024.
Wat waren de totale kosten voor externe inhuur de afgelopen tien jaar? Kunt u dit uitsplitsen per ministerie?
Zie onderstaande tabel, deze gegevens zijn afkomstig uit de Jaarrapportages Bedrijfsvoering Rijk 2014 t/m 2023.
Hoe wordt voorkomen dat de groei in adviesorganen en externen leidt tot verlies van regie binnen het ambtenarenapparaat?
De inzet van «externe inhuur» en het instellen van adviesorganen is, rijksbreed beschouwd en in vergelijking met het werk dat gedaan wordt via de «vaste structuren» (medewerkers in dienst), een uitzondering. Mijns inziens is er dan ook geen sprake van verlies van regie.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Dringend meer geld nodig voor schoolgebouwen' |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Judith Uitermark (NSC), Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Dringend meer geld nodig voor schoolgebouwen»?1
Ja.
Bent u het eens met de mening dat de kwaliteit van schoolgebouwen, waaronder luchtkwaliteit, verlichting en inrichting, van belang is voor schoolprestaties en het tegengaan van ziekteverzuim bij leerlingen en leraren?
Uit onderzoek is gebleken dat het binnenklimaat effect heeft op de leerprestaties en belangrijk is voor het tegengaan van ziekteverzuim.2
Deelt u de conclusie van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Onderwijshuisvesting dat het Rijk gemeenten jaarlijks tenminste 730 miljoen euro (geïndexeerd naar het prijspeil van 2023: 1,2 miljard euro) te weinig geeft voor nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen?
Het bedrag van 730 miljoen euro jaarlijks komt uit het genoemde IBO, waarin is berekend wat er nodig is om alle schoolgebouwen in 2050 te laten voldoen aan de klimaatdoelstellingen. De achtergrond hiervan is dat het vervangingstempo opgeschroefd moet worden naar 3,33% per jaar, om alle gebouwen tijdig te vervangen en aan de klimaateisen te laten voldoen. In de beleidsreactie op het IBO is dit bedrag door het kabinet reeds onderschreven.3
Vindt u de huidige financiering in het gemeentefonds voldoende toereikend om scholen te verduurzamen, zodat gemeenten in de toekomst niet meer financieel leeglopen op kosten voor gas en stroom?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor (ver)nieuwbouw en schoolbesturen voor de materiële instandhouding van schoolgebouwen. Vanuit die verantwoordelijkheid mag van gemeenten en schoolbesturen worden verwacht dat zij in het proces van planvorming, uitvoering en onderhoud van nieuwe huisvesting goed met elkaar optrekken, rekening houdend met de bestaande bestuurlijke en financiële kaders die tot hun beschikking staan.
Voor de middelen uit het gemeentefonds geldt dat het gemeentefonds een verdeelmodel is en geen financieringsmodel. Hoeveel geld gemeenten uit het gemeentefonds krijgen is afhankelijk van hun objectieve kenmerken (maatstaven) en de lokale belastingcapaciteit. Maatstaven gerelateerd aan het onderwijs zijn onder andere: jongeren, leerlingen in het voortgezet onderwijs en leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs.
Middelen uit het gemeentefonds zijn niet geoormerkt en dus vrij besteedbaar. Dit geeft gemeenten de vrijheid om eigen beleidsdoelstellingen te formuleren en de middelen volgens die beleidsdoelstellingen uit te geven zoals bijvoorbeeld aan verduurzaming. Er kan dan ook niet gesteld worden dat gemeenten een bepaald bedrag voor onderwijs krijgen op basis van het gemeentefonds.
Hoe gaat onderwijshuisvesting deel uitmaken van het Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs (Kamerstuk 31 293, nr. 762) en welke financiële middelen koppelt u hieraan?2
Zoals aangekondigd in het hoofdlijnenakkoord5 en het regeerprogramma6 wil het kabinet samen met mensen uit de onderwijspraktijk werken aan de basis voor kwalitatief goed onderwijs voor alle leerlingen. Medio november 2024 heeft de Tweede Kamer een brief ontvangen met daarin een aanzet op hoofdlijnen om te komen tot een gedragen Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs.7 In het voorjaar van 2025 deelt het kabinet het uitgewerkte Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs met uw Kamer. Het kabinet werkt het Herstelplan uit binnen de beschikbare middelen op de OCW-begroting.
Hoe reageert u op de noodkreet van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) dat de huidige financiering van onderwijshuisvesting «volstrekt onvoldoende» is om de kosten voor onderwijshuisvesting te dragen?
Veel schoolgebouwen zijn verouderd en tot en met 2050 ligt er een grote opgave. Het eerlijke verhaal is dat dit kabinet scherpe keuzes heeft moeten maken; er zijn geen aanvullende middelen. Dit neemt niet weg dat de bestaande middelen zo goed mogelijk moeten worden ingezet. Samen met de sector zetten we daar ook op in, bijvoorbeeld met de Programmatische Aanpak Onderwijshuisvesting en het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting.8
Vindt u dat het wetsvoorstel met nieuwe eisen aan onderwijshuisvesting voldoet aan artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet?
Het wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting stelt geen nieuwe eisen aan schoolgebouwen. Het wetsvoorstel bevat een verplichting voor gemeenten om een integraal huisvestingplan (IHP) op te stellen en een verplichting voor schoolbesturen om een meerjarenonderhoudsplan (MJOP) op te stellen. Een verplicht op overeenstemming gericht overleg (OOGO) tussen gemeenten en het schoolbestuur over het IHP van de gemeenten, MJOP van het schoolbestuur en de exploitatielasten van de school, beoogt de samenwerking en besluitvorming op basis van total-cost-of-ownerschip te bevorderen. In het nader rapport op het wetsvoorstel dat recentelijk aan uw Kamer is gezonden, wordt hier nader op ingegaan. Naar aanleiding van het advies van de afdeling is de memorie van toelichting aangevuld. Hierin is beschreven wat de financiële gevolgen van dit wetsvoorstel zijn voor gemeenten als gevolg van het opstellen van een IHP en de wijze waarop zij daarvoor worden gecompenseerd. Vanaf het moment van inwerkingtreding wordt jaarlijks een bedrag toegevoegd aan het gemeentefonds ter compensatie van de toegenomen kosten voor gemeenten.
Bent u het eens met de mening dat met nieuwe taken en eisen voor gemeenten aan onderwijshuisvesting ook toereikende financiering gepaard moet gaan?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe reageert u op de kritiek van de Raad van State dat de financiële gevolgen van het in vraag 8 genoemde wetsvoorstel voor gemeenten onvoldoende zijn toegelicht?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'Overheid aan kop met inzetten van interim-managers' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Klopt het dat de vraag naar interim-managers vanuit de overheid onverminderd groot blijft?1
In 2023 is 5% van de totale uitgaven aan externe inhuur besteed aan inhuur voor interim-management.2 In het jaar 2022 was dit 4%.
Departementen leggen in hun jaarverslagen verantwoording af over de externe inhuur binnen hun departement. De gegevens over 2024 worden in mei 2025 gepubliceerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2024 (JBR).
Klopt het dat interimmers in dienst van de overheid hun tarieven vaker verhogen dan in de rest van de markt?
Het beeld dat interimmanagers die door het Rijk worden ingehuurd hun tarieven vaker verhogen dan in de rest van de markt herken ik niet. In offertetrajecten is sprake van voldoende marktwerking om concurrerende tarieven aangeboden te krijgen, welke niet zomaar tussentijds verhoogd kunnen worden.
Bent u het eens met de conclusie van het trendonderzoek van Schaekel & Partners dat de voorgenomen besparing door de Rijksoverheid klein is, zoals gesteld in eerdergenoemd artikel? En zo nee, waarom denkt u dat de slagingskans wel voldoende groot is, in het licht dat 92 procent van de respondenten denkt dat het de overheid niet gaat lukken de uitgaven aan externe inhuur rijksbreed naar het gewenste niveau te brengen?
In het regeerprogramma is afgesproken om het aantal ambtenaren en externe inhuur substantieel terug te dringen. De ministeries zijn druk bezig om op een verantwoorde en realiseerbare wijze aan dit voornemen uitvoering te geven. In het commissiedebat Functioneren Rijksdienst van 6 november 2024 heb ik in dit kader toegezegd om in het eerste kwartaal van 2025 een plan van aanpak terugdringen externe inhuur aan Uw Kamer te sturen. Daarnaast zal de stand van zaken regelmatig aan de orde komen in de ministeriële commissie taakstelling rijksdienst (zie ook vraag 7).
Zijn er targets afgesproken wanneer de alle ministeries onder de norm moeten zitten, aangezien het artikel vermeld dat de inhuur nog altijd rond de vijftien procent van de totale personele uitgaven schommelt en slechts drie van de twaalf ministeries onder de norm van tien procent zitten?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de analyse van de heer De Sonnaville dat interimmers een uiterst comfortabele positie hebben en zij alle lusten van het zzp-schap genieten zonder de lasten, omdat zij door de omvang en verwachtingen van deze specifieke markt een hoge mate van werkzekerheid hebben? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de medewerkers in vaste dienst? Is er sprake van scheve verhoudingen en acht u dit wenselijk, zeker in onzekere tijden van reorganisatie?
Inhuur vindt vooral plaats bij (grote) uitvoeringsorganisaties die te maken hebben met piekbelasting en opdrachten met een tijdelijk en/of specialistisch karakter. In deze gevallen kan er vanuit doelmatigheidsoverwegingen gekozen worden voor het inhuren van externen. Daarnaast is externe inhuur een oplossing wanneer het op korte termijn niet lukt om het benodigde personeel in dienst te nemen. Departementen die kampen met personele tekorten of waarbij sprake is van beleidsintensiveringen kunnen op deze manier toch hun werkzaamheden uitvoeren.
Externe inhuur vormt samen met de reguliere aanstellingen het totaal van de beschikbare personele capaciteit voor de taakuitoefening. De analyse van de heer De Sonnaville deel ik derhalve niet.
Zou u een stand van zaken willen geven van de door u voorgenomen verandering in inhuurgedrag?
Zie het antwoord op vraag 3.
Zou u willen toelichten wat de voortgang is van het door het kabinet in het regeerprogramma opgenomen voornemen om een ministeriële commissie in te stellen om externe inhuur terug te dringen en die periodiek zal vaststellen of er aanvullende maatregelen nodig zijn, en welke resultaten er al zijn geboekt?
De ministeriële commissie taakstelling rijksdienst (MCTR) is in de ministerraad op 10 januari 2025 ingesteld. De MCTR komt drie keer per jaar bijeen, te weten in Q1, Q2 en Q4. Gezien het doel en de taakopvatting van deze commissie zal daar ook het terugdringen van de externe inhuur aan de orde komen. Zoals ik in het commissiedebat Functioneren Rijksdienst (6 november 2024) en het daarop volgende tweeminutendebat (5 december 2024) heb aangegeven, verwacht ik een plan van aanpak voor het terugdringen van de externe inhuur in Q1 met uw Kamer te kunnen delen.
Klopt het dat de politiek assistent van de Minister van Asiel en Migratie niet door de screening van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) is gekomen?1
In verband met het personeelsvertrouwelijke karakter van dit type informatie doe ik geen uitspraken over individuele casuïstiek.
Waar richt deze screening zich op, wat is de gebruikelijke doorlooptijd van een dergelijke screening en wat kunnen aanleidingen zijn om niet door deze screening te komen?
Bij een veiligheidsonderzoek wordt onderzocht of het zeker genoeg is dat de (kandidaat-)vertrouwensfunctionaris onder alle omstandigheden de functie trouw kan vervullen. Dit betekent dat de (kandidaat-)vertrouwensfunctionaris eerlijk, onafhankelijk, loyaal, integer en veiligheidsbewust moet zijn. Het veiligheidsonderzoek beperkt zich tot de in artikel 7.2 van de Wet Veiligheidsonderzoeken genoemde gegevens. Dit zijn gegevens zoals justitiële gegevens, gegevens over deelneming of steunverlening aan activiteiten die de nationale veiligheid of democratische rechtsorde kunnen schaden en persoonlijke omstandigheden. Er wordt geen verklaring van geen bezwaar (VGB) afgegeven wanneer uit het veiligheidsonderzoek blijkt dat het onvoldoende zeker is dat (kandidaat-)vertrouwensfunctionaris onder alle omstandigheden de functie trouw kan vervullen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn door onverantwoord hoge schulden. Daarnaast kan het zijn dat het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren door bijvoorbeeld een te lang verblijf in een land waarmee op het gebied van veiligheidsonderzoeken geen samenwerkingsrelatie is. Dan kan daarover geen oordeel worden gegeven. De beslissing om wel of niet een VGB af te geven dient binnen de wettelijke termijn van acht weken plaats te vinden. Indien er aanvullende gegevens opgevraagd moeten worden, kan de doorlooptijd langer duren dan acht weken.
Wat is de huidige procedure rondom screening van politiek assistenten en op welke wijze is deze gewijzigd in de afgelopen tien jaar?
De procedure voor het uitvoeren van een veiligheidsonderzoek is voor alle vertrouwensfuncties gelijk en geschiedt conform het wettelijk kader dat geschetst is in de Wet Veiligheidsonderzoeken. In algemene zin verloopt het veiligheidsonderzoek als volgt: de functie wordt door de betreffende vakminister aangewezen als vertrouwensfunctie waarvoor een veiligheidsonderzoek noodzakelijk is. Vervolgens meldt de werkgever de (kandidaat-)vertrouwensfunctionaris aan voor een veiligheidsonderzoek. De (kandidaat-)vertrouwensfunctionaris vult een formulier in met persoonlijke gegevens over onder meer de financiële situatie, justitiële gegevens en persoonlijke omstandigheden. Tijdens het veiligheidsonderzoek wordt navraag gedaan bij verschillende (buitenlandse) instanties en naslagen gedaan in verschillende systemen. Indien daar aanleiding voor is kan een veldonderzoek onderdeel zijn van het veiligheidsonderzoek. Een veldonderzoek betreft een persoonlijk en vertrouwelijk gesprek met de kandidaat, referent(en) die de persoon heeft opgegeven en/of andere persoon/personen die de kandidaat tijdens het gesprek naar voren heeft gebracht. Doel van het gesprek is om openstaande vragen te beantwoorden of resultaten uit naslagen te verduidelijken. Het gaat hier om een vertrouwelijk gesprek met een medewerker van de Unit Veiligheidsonderzoeken (UVO). De informatie wordt geduid, geverifieerd en uiteindelijk wordt er een (definitieve) beslissing genomen over het wel of niet afgeven van een VGB. Met uitzondering van digitale verbeteringen in het proces is de procedure de afgelopen tien jaar niet veranderd.
Is de AIVD-screening inmiddels afgerond of loopt deze nog? In het geval van het tweede, wat is de beoogde afrondingstermijn?
Hierbij verwijs ik u naar het antwoord onder vraag 1.
Welke consequenties zijn er verbonden aan het geval dat een politiek assistent niet door de AIVD-screening komt?
Indien er onvoldoende waarborgen zijn of onvoldoende informatie beschikbaar is over de (kandidaat-)vertrouwensfunctionaris en overgegaan wordt tot een weigering van afgifte van de VGB, dan wordt de (kandidaat-)vertrouwensfunctionaris niet geplaatst op de functie2. Indien er sprake is van een intrekking van een VGB dient de vertrouwensfunctionaris zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken, uit de functie te worden ontheven.
Klopt het dat de betreffende (aspirant) politiek assistent wel onderdeel is van WhatsAppgroepen met ambtenaren waarin mogelijk ook gevoelige informatie wordt gedeeld? Wat zijn de formele regels die hierop zien?
Ik doe geen uitspraken over individuele casuïstiek. In het algemeen kan ik zeggen dat chatapplicaties zoals Whatsapp niet gebruikt dienen te worden voor het delen van gevoelige informatie, conform de Gedragsregeling Digitale Werkomgeving.
Is het gebruikelijk dat politiek assistenten toegang hebben (bijvoorbeeld door deelname aan WhatsAppgroepen) tot departementale of vertrouwelijke informatie terwijl hun screening nog loopt?
Een vertrouwensfunctionaris kan pas starten op de vertrouwensfunctie na afgifte van de VGB. Het is de verantwoordelijkheid van departementen zelf om hier op toe te zien. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Welke afspraken zijn er met de betreffende politiek assistent rondom geheimhouding?
Hierbij verwijs ik u naar het antwoord onder vraag 1.
Is het eerder voorgekomen dat aspirant-politiek assistenten niet door de AIVD-screening zijn gekomen?
Ik doe geen uitspraken over het weigeren of toekennen van VGB’s per functiegroep. In het Jaarverslag van de AIVD van 2023 zijn de meest recente cijfers opgenomen over soorten en aantallen besluiten naar aanleiding van de veiligheidsonderzoeken.
Klopt het dat er ondertussen meerdere woordvoerders zijn vertrokken van het Ministerie van Asiel en Migratie?
Hierbij verwijs ik u graag naar het antwoord onder vraag 1.
Klopt het dat er momenteel geen woordvoerders actief zijn bij het Ministerie van Asiel en Migratie?
Nee.
Wat zijn de gevolgen van de afwezigheid van woordvoerders voor de informatievoorziening richting het maatschappelijk middenveld, zoals de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en op welke wijze beïnvloedt dat het functioneren van het ministerie?
De informatievoorziening richting het maatschappelijk middenveld is niet alleen afhankelijk van de directie communicatie en speelt in een breder kader binnen het ministerie. Er is veelvuldig sprake van informatie-uitwisseling, bijvoorbeeld tussen maatschappelijke organisaties en beleidsambtenaren.
Op welke manier vult de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties haar verantwoordelijkheid voor goed werkgeverschap in ten aanzien van de personele instabiliteit rondom de Minister van Asiel en Migratie?
Mijn verantwoordelijkheid voor goed werkgeverschap ziet op beleid en kaderstelling, niet op individuele besluiten en/of aanstellingen. Die verantwoordelijkheid ligt bij de betreffende departementen en organisatieonderdelen.
Overigens is er vorig jaar, naar aanleiding van de toezegging van de toenmalige Minister van BZK in reactie op de initiatiefnota van de leden Omtzigt en Dassen over wettelijke maatregelen om de integriteit bij bewindspersonen en de ambtelijke top te bevorderen3, een onafhankelijk advies gevraagd of voor politiek assistenten aanvullende regels noodzakelijk zijn. Ik verwacht dat ik de Kamer daar vóór de zomer nader over kan informeren.
Het bericht ‘Eén man, 25 baby’s: ‘schijnkinderen’ zijn een nieuwe manier om verblijfspapieren te krijgen’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Struycken , Marjolein Faber (PVV), Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het artikel in NRC «Eén man, 25 baby’s: «schijnkinderen» zijn een nieuwe manier om verblijfspapieren te krijgen» van 11 december jl.?1
Ik ben bekend met het artikel en uiteraard vind ik de signalen zorgelijk.
Hoe reageert u op de in dit artikel genoemde fraudesignalen van schijnouders die tegen betaling zich laten registreren als ouder van een buitenlands kind om zo verblijfspapieren te verkrijgen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dit frauduleus is en met oog op de gevolgen voor kinderen buitengewoon onwenselijk?
Ja. Een kind heeft belang bij ouders die een daadwerkelijke ouderrol willen vervullen. Bij een schijnerkenning is de erkenner enkel juridisch ouder van het kind geworden, zonder de intentie om een rol te spelen in het leven van het kind. Deze ouder zal naar verwachting dan ook niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen jegens het kind die hierbij horen, zoals de onderhoudsplicht (artikel 1:395a en 404 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW) en het kind heeft in de praktijk vermoedelijk niets van deze ouder te verwachten. Daarbij kan een kind maximaal twee juridische ouders hebben. Zoals in het artikel al wordt genoemd staat een schijnerkenning dan ook juridisch ouderschap in de weg voor iemand die wel daadwerkelijk een vaderrol wil vervullen voor het kind. Om al deze redenen is een schijnerkenning onwenselijk voor het kind.
Daar komt bij dat als er sprake is van een schijnerkenning er ook sprake is van valsheid in geschrifte, en daarmee van een frauduleuze handeling die enkel gericht is op het verkrijgen van een verblijfsrecht. Het is ook vanuit dat oogpunt onwenselijk dat een schijnerkenning plaatsvindt.
Welke mogelijkheden ziet u om deze praktijken aan te pakken?
De signalen uit het artikel neem ik serieus. Daarom wordt er op dit moment, in samenwerking met de IND, het Openbaar Ministerie (OM), de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken en de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid gewerkt aan een aanpak voor de problematiek rondom schijnerkenningen bij Chavez-verblijfsaanvragen. Daar kan ik nog niet op vooruitlopen.
Dat laat onverlet dat er op dit moment reeds de mogelijkheid bestaat voor ambtenaren van de burgerlijke stand om onderzoek te doen bij een erkenning, dan wel de erkenning te weigeren, bij vermoedens van fraude (artikel 1:18, tweede en derde lid, en artikel 1:18c, tweede lid, BW). Daarnaast is het voor het OM mogelijk om vernietiging van een erkenning te vragen bij de rechter (artikel 1:205, tweede lid, BW), of strafrechtelijk te vervolgen voor valsheid in geschrifte (artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr), het opzettelijk valse gegevens verstrekken (artikel 227a Sr) of fraude (artikel 326 Sr), dan wel mensensmokkel (artikel 197a Sr), in gevallen waar dit aan de orde is.
Gaat u onmiddellijk actie ondernemen tegen het netwerk van schijnouders dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in beeld heeft?
De IND heeft enkele signalen onderzocht en is in overleg met het OM over het doen van aangifte. Tevens is een zaak met een groot aantal mogelijke schijnerkenningen door dezelfde erkenner in beeld gebracht met de intentie om aangifte te doen bij de Koninklijke Marechaussee (KMar) terzake van mogelijke mensensmokkel.
Wat is gedaan met de vierhonderd signalen over mogelijke fraude met kind-erkenningen in de achterliggende jaren?
Eerdere signalen hebben ertoe geleid dat er met diverse gemeenten, Buitenlandse Zaken, OM en Politie regelmatig overleg is gevoerd over het handelingsperspectief om schijnerkenningen tegen te gaan. Dit heeft geleid tot handvatten zoals een indicatorenlijst die door gemeenten kan worden gebruikt voor het behandelen van aanvragen van de erkenning van kinderen en het eventueel nader interviewen van de aanvragers. De toename van het aantal signalen in 2024 heeft ertoe geleid dat deze problematiek thans weer volop de aandacht heeft en dat er afspraken zijn gemaakt met de KMar en het OM in verband met het doen van aangiften.
Bent u bereid het erkennen van een kind om een verblijfsvergunning te ontvangen strafbaar te stellen, zoals dat ook in België het geval is?
België heeft inderdaad enkele jaren geleden een versterkte aanpak opgezet om de problematiek rondom schijnerkenningen aan te pakken. Op dit moment wordt er gewerkt aan een aanpak voor de problematiek, zie ook het antwoord op vraag 4. Het Belgische voorbeeld wordt daarbij ook meegenomen. Ik kan daar nog niet op vooruitlopen.
Is het mogelijk deze fraude aan te merken als mensensmokkel, zodat strafrechtelijke vervolging kan plaatsvinden?
Strafrechtelijke vervolging kan – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – mogelijk zijn op grond van feiten zoals valsheid in geschrifte (artikel 225 Sr), het opzettelijk valse gegevens verstrekken (artikel 227a Sr) of fraude (artikel 326 Sr). Als deze feiten worden gepleegd om een ander behulpzaam te zijn bij de toegang tot of doorreis door Nederland kan het strafbaar zijn op grond van mensensmokkel (artikel 197a Sr). De officier van justitie beslist hierover.
Welke rol speelt de in het artikel genoemde uitspraak van het Hof van Justitie in 2017 hierin? Herkent u het beeld dat hierdoor meer vreemdelingen verblijf krijgen omdat zij een Nederlands kind erkennen?
De uitspraak die in het NRC-artikel wordt aangehaald is het arrest Chavez-Vilchez.2 Op basis van dit arrest kan een ouder die geen Nederlandse of andere EU-nationaliteit heeft (de zogenoemde derdeland-ouder) van een Nederlands kind een verblijfsdocument verkrijgen, onder de voorwaarden (i) dat hij of zij de daadwerkelijke zorg over het Nederlandse kind heeft en (ii) dat het kind zodanig afhankelijk is van die verzorging dat het kind de EU zou moeten verlaten als zijn ouder hier niet mag blijven. Dat gedwongen vertrek zou immers in strijd zijn met artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (het Unieburgerschap) op basis waarvan het Nederlandse kind niet gedwongen mag worden de EU te verlaten.
Volledigheidshalve merk ik op dat het verblijfsrecht in de in het artikel geschetste situatie niet toekomt aan de erkenner – die heeft immers de Nederlandse nationaliteit – maar aan de andere ouder van het kind. Voorts is het zo dat niet aan iedere verlening van een Chavez-verblijfsrecht een erkenning ten grondslag ligt. Een kind kan bijvoorbeeld ook Nederlands zijn door geboorte uit een Nederlandse ouder. Voor het verlenen van verblijfsrecht aan de verzorgende derdeland- ouder van een Nederlands kind op grond van het arrest Chavez-Vilchez is ook niet van belang hoe en wanneer dat kind de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
In hoeverre is het belang van het kind voldoende geborgd in de procedure van erkenning gelet op deze schijnerkenningen, en wie houdt hier zicht op?
In artikel 1:204 BW is een aantal voorwaarden gesteld voor erkenning van een kind. De belangrijkste waarborg voor de bescherming van het belang van het kind is de wettelijke voorwaarde dat de geboortemoeder toestemming moet geven voor de erkenning. Aangezien erkenning levenslange gevolgen heeft voor het kind en in veel gevallen ook gevolgen heeft voor de uitoefening van het gezag door de ouder, heeft een geboortemoeder er groot belang bij haar kind enkel te laten erkennen door een persoon die daadwerkelijk een ouderrol in het leven van het kind zal willen spelen. Daar heeft zij ook een financieel belang bij, aangezien de tweede ouder ook een onderhoudsbijdrage zal moeten leveren ten behoeve van het kind. Als er twijfel bestaat over de intentie van de erkenning, heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand de mogelijkheid om het opmaken van de akte van erkenning te weigeren op grond van strijd met de openbare orde (artikel 1:18c, tweede lid, BW). De Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken heeft in overleg met de ketenpartners een interne indicatielijst voor schijnerkenningen opgesteld die de ambtenaar van de burgerlijke stand kan gebruiken om te beoordelen of sprake is van een schijnerkenning en deze te weigeren. Van een weigering doet de ambtenaar melding bij de IND (artikel 1:18c derde lid BW). Heeft een erkenning desondanks toch plaatsgevonden, dan kan het OM de rechter verzoeken een erkenning te vernietigen vanwege strijd met de openbare orde (artikel 1:205, tweede lid, BW). Hiermee kan het belang van het kind bij de erkenning worden gewaarborgd. Zoals in antwoord 3 hiervoor is genoemd, is een schijnerkenning onwenselijk voor het kind. Het is dan ook van belang dat de ambtenaar van de burgerlijke stand en het openbaar ministerie actief handelen bij (een vermoeden van) schijnerkenningen op basis van hun wettelijke bevoegdheden.
Behoeft dit gezien deze schokkende berichten geen aanscherping?
De signalen uit het artikel neem ik serieus. Daarom wordt er op dit moment, in samenwerking met de IND, het OM, de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken en de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid gewerkt aan een aanpak voor de problematiek rondom schijnerkenningen bij Chavez-verblijfsaanvragen. Daarop kan ik nog niet vooruitlopen.
Bent u bereid het genoemde, vertrouwelijke IND-rapport te delen met de Kamer?
Nee, omdat dit IND-rapport de uitwerking van een individuele casus betreft en het rapport vertrouwelijke persoonsgegevens bevat.
Bent u bekend met de Kamerbreed aangenomen motie van de leden Van der Wal en Mohandis over binnen de bestaande budgettaire kaders van de ministeries van OCW, BZK, VWS en Defensie een oplossing vinden voor het voortzetten van de garantieregeling voor bevrijdingsfestivals (t.v.v. 36 600 VIII, nr. 25)? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken rond de gesprekken over de organisatie van Bevrijdingsfestivals voor 2025?
Lukt het, met de viering van de tachtigste verjaardag van de bevrijding in het achterhoofd, om de gebruikelijke festivals in veertien steden te organiseren en hiervoor een garantieregeling te organiseren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat juist op dit moment, met het oog op de tachtigste verjaardag van de bevrijding, een gezamenlijke bijdrage aan een garantieregeling van significante betekenis is? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het belangrijk is om de festivals tijdig duidelijkheid te geven over een eventuele garantieregeling voor 2025? Zo ja, kunt u de eerdere schriftelijke vragen van de leden Mohandis en Slagt-Tichelman, onderliggende vragen en de wijze van uitvoering van de motie Van der Wal en Mohandis voor het kerstreces beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Faber beperkt inspraak van adviesorganen bij overhaaste wetgeving»?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom u niet de gangbare consultatieperiode van minimaal vier weken hanteert bij deWijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis?
Het kabinet vindt het noodzakelijk om met urgentie in te zetten op een breed pakket aan maatregelen om de asielketen per direct en duurzaam te ontlasten. De invoering van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de voorwaarden voor nareis zijn onderdeel van die maatregelen, zoals ook is opgenomen in het regeerprogramma.2 Om die reden is het wetgevingsproces, waaronder de consultatiefase, versneld doorlopen zodat het wetsvoorstel nog in 2024 aan de Afdeling advisering van de Raad van State kon worden voorgelegd. Daarmee heb ik uitvoering gegeven aan de brieven van 25 oktober 2024 en van 14 november 2024.3 Ik merk overigens op dat uw Kamer door middel van een motie heeft gevraagd om een nog spoediger tijdpad, waarin de wetsvoorstellen in 2024 aan de Tweede Kamer zouden worden voorgelegd.4
Zoals ik aangaf in het commissiedebat van 19 december 2024, en zoals in de memorie van toelichting staat vermeld, zal ik adviezen die op een later moment nog worden ontvangen alsnog betrekken in het wetgevingsproces. In dit verband heeft onder meer de Raad voor de rechtspraak een nader advies aangekondigd.5
Kunt u toelichten waarom de asielnoodmaatregelenwet niet ter consulatie is gestuurd naar de Nederlandse Orde van Advocaten, in tegenstelling tot wat u eerder schreef in de kamerbrief van 14 november?2
Gelet op de hierboven beschreven urgentie is het concept voor een Asielnoodmaatregelenwet voorgelegd aan de organisaties die in hun uitvoering direct door het voorstel worden geraakt. Het concept is daarom voorgelegd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Dienst Terugkeer en Vertrek, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Raad voor de rechtspraak, het openbaar ministerie en de politie. In de kamerbrief van 14 november 2024 is overigens niet opgenomen dat het concept voor een Asielnoodmaatregelenwet aan de Nederlandse Orde van Advocaten zou worden voorgelegd.
Aan welke organisaties is de asielnoodmaatregelenwet wel ter consulstatie voorgelegd?
Zie antwoord vraag 3.
Op basis van welke kenmerken kan een wetsvoorstel als vertrouwelijk geclassificeerd worden en kunt u aangeven welke van deze kenmerken voorkomen bij de asielnoodmaatregelenwet?
Als uitgangspunt geldt dat een consultatieronde niet vertrouwelijk is. Dat was ook in dit geval beoogd. Op het briefhoofd van de aanbiedingsbrief waarmee het wetsvoorstel ter consultatie is voorgelegd was echter de aanduiding «Dep. vertrouwelijk» blijven staan. Dit is abusievelijk gebeurd en inhoudelijk ook niet juist, aangezien bij een consultatie-uitnodiging naar haar aard geen sprake is van departementaal vertrouwelijke informatie. In de tekst van de aanbiedingsbrief zelf is ook niet om vertrouwelijkheid gevraagd. De beide wetsvoorstellen zijn na toezending ervan aan de Afdeling advisering van de Raad van State actief openbaar gemaakt door publicatie op de wetgevingskalender.
Welke maatregelen treft u om de verkorte consultatieperiode niet tot gebruikelijke werkwijze te maken?
Ik heb op dit moment geen voornemen om ook in andere trajecten op het gebied van asiel en migratie deze verkorte consultatietermijn te hanteren.
Kunt u aangeven of het proces voor beide wetsvoorstellen geheel verloopt volgens de Aanwijzingen voor de regelgeving? Zo nee, op welke punten wordt precies afgeweken en waarom?
In de Aanwijzingen voor de regelgeving7 is geen minimumtermijn opgenomen voor het in consultatie geven van wetgeving.
Hoe verhoudt dit proces zich tot de recent gepubliceerde eerste versie van de Staat van de wetgeving?3
In de Staat van de Wetgevingskwaliteit wordt opgemerkt dat bij spoedwetgeving de uitdaging is om een balans te vinden tussen de gewenste snelheid en zorgvuldigheid in het wetgevingsproces. In het onderhavige geval is een afweging gemaakt tussen de noodzaak om op zeer korte termijn maatregelen te nemen om de asielketen te ontlasten, en het belang om het wetgevingsproces zo zorgvuldig mogelijk te doorlopen. Dat heeft ertoe geleid dat in dit geval het wetgevingsproces versneld is doorlopen.
Wordt het gebruikelijke proces van ambtelijke afstemming en onderraden doorlopen, of gaan deze twee wetsvoorstellen zonder de gebruikelijke voorfase direct naar de ministerraad? Zo ja, wat is hiervan de precieze reden?
De wetsvoorstellen zijn vanwege de urgentie niet in een ambtelijk voorportaal besproken, maar geagendeerd voor de Raad Asiel en Migratie en daar op 17 december 2024 behandeld. Vervolgens zijn de wetsvoorstellen op 20 december 2024 door de ministerraad behandeld.
Klopt het dat de IND niet voor alle wetsvoorstellen die op de planning staan vooraf een uitvoeringstoets heeft kunnen doen en klopt het dat de IND hiertegen (formeel) bezwaar heeft ingediend? Zo ja, bij welke wetsvoorstellen is dit niet gebeurd en wat bent u voornemens te doen na het bezwaar van de IND?
De IND is bij het opstellen van de wetsvoorstellen betrokken en heeft ook in de consultatiefase advies uitgebracht. De IND heeft daarbij de zorg uitgesproken dat er onvoldoende inzicht is in de effecten van de beoogde veranderingen op de IND. Deze zorg neem ik serieus. Bij het bepalen van het precieze tijdstip van invoering van de wetsvoorstellen en de daarin opgenomen maatregelen, zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de (on)mogelijkheden van de relevante uitvoeringsorganisaties, waaronder de IND.
Herkent u het beeld dat de Nederlandse Orde van Advocaten door uw werkwijze «buiten spel» wordt gezet? Zo nee, waarom niet?
Ik herken dit beeld niet. Het advies van de Nederlandse Orde van Advocaten van 2 december 2024 is bij het opstellen van het wetsvoorstel tot invoering van een tweestatusstelsel betrokken. Ik ben op dit moment niet in gesprek met de Nederlandse Orde van Advocaten.
Bent u in gesprek met de Nederlandse Orde van Advocaten over de bezwaren die zij uiten, waaronder de ingekorte consultatieperiode? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u motiveren waarom maartschappelijke organisaties zonder toelichting van u de vraag krijgen om vertrouwelijke met informatie om te gaan? Hoe gebruikelijk is deze werkwijze?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven bij welke op de planning staande wetsvoorstellen u de spoedprocedure met een verkorte consultatie periode wilt hanteren, en kunt u per wetsvoorstel toelichten waarom het gebruik van de spoedprocedure gerechtvaardigd is?
Ik heb op dit moment geen voornemen om ook in andere trajecten op het gebied van asiel en migratie deze verkorte consultatietermijn te hanteren.
De toegankelijkheid van overheidsdiensten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Karremans , Zsolt Szabó (VVD), Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de monitorrapportage 2024 «Digitale toegankelijkheid en dienstverlening» van het College van de Rechten voor de Mens?1
Ja.
Kunt u op elk van de aanbevelingen van het bovengenoemde rapport ingaan en aangeven wat de inzet en het doel zijn?
Het CRM beveelt het Ministerie van VWS aan om voor de nationale strategie voor de implementatie van het VN-verdrag handicap meer concrete doelstellingen te formuleren over digitale toegankelijkheid en dienstverlening op alle terreinen van het leven, ook voor Caribisch Nederland, en deze mee te nemen in de werkagenda bij de strategie.2
Digitalisering speelt een steeds grotere rol en is niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven. Het is daarom belangrijk dat iedereen, met én zonder beperking, toegang heeft tot digitale informatie en diensten.
De doelstellingen van de nationale strategie VN-verdrag Handicap zijn kabinetsbreed vastgesteld. Op dit moment worden de doelstellingen vertaald naar concrete maatregelen, waaronder de maatregelen die gaan over digitale toegankelijkheid. Deze maatregelen worden opgenomen in de werkagenda bij de nationale strategie.
Caribisch Nederland valt niet binnen de scope van de nationale strategie VN-verdrag Handicap. Wel wordt in Caribisch Nederland gewerkt aan het op orde brengen van de digitale overheid en overheidsdienstverlening. Voorzieningen uit (Europees) Nederland worden doorgetrokken, zoals DigiD vanaf 2025. Op dit moment loopt de parlementaire behandeling van de invoering van het BSN en de Wet digitale overheid (Wdo). De inzet is dat de digitale toegankelijkheidseisen uit de Wdo uiterlijk in 2028 voor alle overheidsorganisaties zullen gelden. Daarnaast werkt het kabinet aan verbetering van de digitale infrastructuur op de eilanden, zodat iedereen kan beschikken over betaalbaar en betrouwbaar internet. Ook worden zorginstellingen geholpen bij de overgang van papieren registraties naar digitale registratiesystemen. Daarbij wordt ook gekeken naar de toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid van deze systemen voor mensen met een beperking.
Vanuit het Ministerie van BZK werken we op dit moment aan de lagere regelgeving, waaronder de besluiten die vallen onder de Wdo mogelijk ook van toepassing verklaren voor Caribisch Nederland. Via een internetconsultatie bekijken we de mogelijkheden tot aanpassing in de AMvB (Besluit tot wijziging van diverse algemene maatregelen van bestuur) en stellen voor om het Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid overheid en het Besluit, beveiligde verbinding met overheidswebsites en -webapplicaties in te voeren in Caribisch Nederland. Voor de toegankelijkheidsstandaard is het voornemen om 1-1-2028 als uiterste datum op te nemen waarop websites en apps aan de standaard moeten voldoen. Ook kijken we vanuit BZK naar de uitvoerbaarheid van de verplichting voor Caribisch Nederland.
Het CRM onderstreept in de rapportage dat de overheid mensen met een beperking en hun vertegenwoordigende organisaties vanaf het begin structureel moet betrekken bij het opstellen, uitvoeren en evalueren van wetgeving en beleid over digitale toegankelijkheid en dienstverlening. Het CRM benadrukt het belang hiervan voor de inrichting en uitvoering van het centrale toezicht op het Besluit digitale toegankelijkheid, ontwikkeling van de Informatiepunten digitale overheid (IDO’s) en de overheidsbrede loketten. Ook doet het CRM de aanbeveling aan het Ministerie van VWS om prioriteit te geven aan het ontwikkelen van een infrastructuur voor het betrekken van mensen met een beperking en hun vertegenwoordigende organisaties.
Voor het Ministerie van BZK is het belangrijk dat we aansluiten op de leefwereld van mensen door met hen in gesprek te gaan en hen te betrekken bij het vaststellen van problemen én het oplossen daarvan. Voor onderwerpen als de loketfunctie – waaronder de IDO’s en de overheidsbrede loketten – en proactieve dienstverlening doet BZK dat bijvoorbeeld met iteratief, ontwerpend onderzoek, samen met mensen.
Het Ministerie van BZK is bezig om de toepassingen van de Code Inclusief Digitaal Ontwerpen (CIDO) te integreren in het NL Design System (NLDS). NLDS geeft richtlijnen en componenten voor het ontwikkelen van digitale diensten. Hierbij wordt uitgegaan van toegankelijkheid, gebruikersvriendelijkheid, inclusiviteit en consistentie, ondersteund door gebruikersonderzoek. De CIDO moet erop toezien dat bij het ontwerpen van websites en applicaties de eindgebruikers (onder wie mensen met een beperking) worden betrokken. Deze randvoorwaarden zijn nodig om inclusief ontwerpen te stimuleren. Overheidsorganisaties en eindgebruikers werken samen om digitale toegankelijkheid te verwezenlijken.
Bij de ontwikkeling van de werkagenda bij de nationale strategie VN-verdrag handicap zijn mensen met een beperking nauw betrokken. De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg maakt in dit ontwikkelproces afspraken met de betrokken ministeries over hoe mensen met een beperking betrokken kunnen worden bij de uitvoering van de maatregelen die worden opgenomen in de werkagenda.
En ten slotte, in het Beleidskompas, wat de huidige werkwijze is voor beleids- en wetgevingstrajecten binnen de Rijksoverheid, is het betrekken van belanghebbenden (waaronder vertegenwoordigende organisaties van mensen met een beperking), een onderdeel in alle stappen van het proces.
Het CRM beveelt het Ministerie van BZK aan om vast te leggen in het beleid dat overheidsinstanties organisatie-breed en voortdurend aandacht dienen te besteden aan digitale toegankelijkheid. Tevens moeten overheidsinstanties eisen stellen aan digitale toegankelijkheid bij hun inkoopvoorwaarden. Tot slot, benadrukt het CRM dat het van belang is dat het centrale toezicht op de naleving van het Besluit digitale toegankelijkheid effectief is en regelmatig plaatsvindt.
Het Ministerie van BZK vindt het belangrijk dat overheidswebsites en applicaties voldoen aan het Besluit digitale toegankelijkheid overheid. Het Ministerie van BZK gaat op de volgende onderdelen inzetten:
Het CRM vraagt in zijn monitorrapportage aan het Ministerie van BZK om een tijdpad te presenteren voor de verschillende stappen die gezet gaan worden om toegang tot overheidsdienstverlening voor wettelijke vertegenwoordigers en gemachtigden te garanderen.
De publieke dienstverlening van de (semi)-overheid digitaliseert. Burgers die (deels) handelingsonbekwaam zijn en niet zelfstandig mogen handelen, zoals personen die onder bewind of curatele staan of minderjarigen, hebben een door de wet of door de rechter aangestelde wettelijk vertegenwoordiger (bewindvoerder, curator, mentor of een persoon met gezag over een minderjarige).
Uw Kamer heeft de door BZK ontraden motie van het lid Ceder (36 600 VII, nr. 61) aangenomen. De motie-Ceder vraagt voor het zomerreces van 2025 het probleem op te lossen dat wettelijke vertegenwoordigers soms noodgedwongen in overtreding zijn bij DigiD-machtigingen.
In de beantwoording van de vragen van het lid Inge van Dijk (CDA) (20232024–878) door mijn voorganger aangegeven, zal BZK totdat alle overheidsdienstverleners zijn aangesloten, zoals aangeven in de beantwoording van de vragen van de SGP-leden Bisschop en Van der Staaij (2022D22285) en GroenLinks-leden Westerveld en Bouchallikh (2022Z10723), niets doen dat de hulp aan deze groep in de weg kan staan. Het gaat dan uitdrukkelijk om handelingsonbekwame hulpbehoevenden die een wettelijk vertegenwoordiger hebben.
Digitale toegang voor wettelijk vertegenwoordigers is nu alleen mogelijk bij de Belastingdienst, WIL Lekstroom en via twee pilots bij de gemeente Rotterdam en Den Haag (bijstand) en MUMC+. Bij de overige dienstverleners kunnen ze via de eigen daarvoor ingerichte processen van de publieke dienstverleners inloggen en zaken doen.
Hierbij informeert BZK uw Kamer over de structurele mogelijkheden en hoe BZK aan oplossingen werkt. Momenteel werkt BZK aan een bevoegdheidsverklaringsdienst (BVD) om de bronnen Wettelijk Vertegenwoordigingsregister (WVR) en Ouderlijk Gezag te kunnen ontsluiten. Via de uitrol van het Stelsel Toegang zal ik stapsgewijs de voorzieningen die zijn gerealiseerd voor wettelijke vertegenwoordigen van handelingsonbekwame burgers beschikbaar maken. Te beginnen met ouderlijk gezag (kinderen jonger dan 12 jaar) in de zorgsector vanaf januari 2026. Eerder is niet mogelijk omdat het bouwen van de voorzieningen tijd vraagt en wetgeving aangepast moet worden. Daarnaast moeten dienstverleners aansluiten op alle voorzieningen en hun systemen aanpassen voor implementatie hiervan. Het gaat om een hele keten die goed en vooral zorgvuldig ingericht moet worden, en dat vergt (doorloop) tijd. Ik zal u hier in de komende Verzamelbrieven verder over informeren.
In de monitorrapportage roept het CRM het Ministerie van VWS op om toegankelijkheidseisen voor de sectoren zorg en onderwijs bindend vast te leggen. Hiertoe vraagt het CRM om een tijdlijn te schetsen en de voortgang hierop te monitoren.
Het Ministerie van VWS en het Ministerie van BZK werken samen met andere departementen aan de uitwerking van de werkagenda bij de nationale strategie voor de implementatie van het VN-verdrag Handicap, die vóór de zomer van 2025 wordt gedeeld met de Kamer. In de gesprekken over deze werkagenda wordt in overleg met de Ministeries van VWS, BZK en OCW ingezet op afspraken te maken over de manier waarop de eisen voor digitale toegankelijkheid ook voor de domeinen Zorg en Onderwijs kunnen gaan gelden.
Ook wijst het CRM erop om te investeren in de training van ontwikkelaars en producenten. In deze trainingen moet expliciet aandacht zijn voor het VN-verdrag Handicap en het principe van universeel ontwerp. Het is belangrijk dat ontwikkelaars en producenten het principe van universeel ontwerp kennen en kunnen toepassen.
Het Ministerie van VWS zet zich in voor het verder verspreiden van kennis over het VN-verdrag Handicap. De afgelopen jaren is dit onder andere samen gedaan met bijvoorbeeld de VNG en Ieder(in), met verschillende concrete kennisproducten en -activiteiten als resultaat. In 2025 start een programma vanuit de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). Dit programma richt zich op het ontwikkelen van kennis die bijdraagt aan de verandering in denken en doen over mensen met een beperking in de samenleving. Deze kennis kan worden benut om met verschillende partijen samen te werken aan een toegankelijke samenleving voor iedereen. Ook zijn er mooie voorbeelden van andere partijen, zoals kennisinstellingen en universiteiten die specifieke kennis over toegankelijkheid en inclusie delen, bijvoorbeeld het Expertisecentrum inclusief onderwijs (ECIO) dat kennis deelt over het VN-verdrag Handicap met onderwijsinstellingen. Daarnaast verkent het Ministerie van VWS de opties voor het vergroten van kennis over het VN-verdrag Handicap bij ambtenaren binnen de Rijksoverheid.
Hoe reageert u op het feit dat meer dan de helft van alle overheidsdiensten en lokale overheden niet toegankelijk is volgens de wet?2 Zijn de richtlijnen voor algemene toegankelijkheid zoals beschreven in het Tijdelijk besluit digitale toegankelijke overheid nog actueel?3
Het Ministerie van BZK vindt het aantal overheidswebsites en -apps die aan de wettelijke verplichting voldoen te laag.
De richtlijnen voor digitale toegankelijkheid, zoals beschreven in het Besluit digitale toegankelijke overheid, zijn actueel. De Europese norm EN 301549 is leidend. Wanneer er nieuwe vereisten komen voor digitale toegankelijkheid, wordt deze Europese norm herzien en zullen die vereisten ook gelijk in Nederland gelden.
Hoe geeft u uitvoering aan de motie-Westerveld4 over de uitleg van wetsvoorstellen in toegankelijke taal? Ziet u met ons dat dit niet standaard gebeurd? Kunt u laten weten wat u gaat doen om dit uit te voeren, samen met uw collega-bewindspersonen?
De motie van het lid Westerveld (GroenLinks-PvdA) verzoekt een heldere toelichting te maken bij ieder wetsvoorstel, zodat iedere burger en met name mensen met minder taalvaardigheden, gemakkelijker toegang hebben tot wetsvoorstellen en deze ook kunnen begrijpen. Naar aanleiding van deze motie wordt dit punt ook aan de orde gesteld in het zogenoemd Interdepartementaal Hoofdenoverleg Wetgevingsbeleid (IHW).
Het is belangrijk dat alle burgers begrijpen wat in wet- en regelgeving staat. Op de website van het Kenniscentrum voor beleid en regelgeving van de Rijksoverheid zijn de principes van Duidelijke Taal in wet- en regelgeving uiteengezet. Ook zijn er tips en trainingen die beleidsmedewerkers en wetgevingsjuristen kunnen gebruiken om Duidelijke Taal als uitgangspunt te nemen bij het opstellen van wet- en regelgeving. En is er een groep ambassadeurs van Duidelijke Taal (wetgevingsjuristen, beleidsjuristen en beleidsmedewerkers) die zich inzetten om de principes van Duidelijke Taal onder de aandacht te brengen bij de verschillende departementen én in de werkwijze te integreren. Verder wordt bij de Schrijfwijzer van de memorie van toelichting verwezen naar de pagina over Duidelijke Taal.
Kunt u een tijdlijn maken met daarin wanneer alle overheidswebsites en -applicaties aan de wet voldoen? Zijn er sancties nodig om organisaties aan te sporen hun diensten toegankelijk te maken?
Een plan van aanpak op digitale toegankelijkheid stuurt de Staatssecretaris van BZK einde Q1 naar uw Kamer. Of sancties nodig zijn, wordt nog onderzocht. Momenteel blijkt namelijk dat het in de praktijk voor overheden lastig is om PDF’s op een digitaal toegankelijke manier te ontsluiten. Daarvoor wordt een voorziening ontwikkeld (NLdoc), beschikbaar einde 2025. De verwachting is dat dit een positieve impact zal hebben op de digitale toegankelijkheid van overheidswebsites.
Verder, op het gebied van toezicht zijn het afgelopen jaar in een drietal rondes zogenoemde «signaleringsbrieven» verzonden aan diverse overheidsorganisaties. In deze brieven werden overheidsorganisaties erop geattendeerd om te voldoen aan de wettelijke verplichting en werd er gewezen op hulp die er geboden kon worden.
Is het uw ambitie om alle overheidsdiensten te laten voldoen aan de A-classificatie van het Dashboard DigiToegankelijk? Welke diensten moeten volgens u met voorrang aan deze eis voldoen en hoe gaat u hiervoor zorgen?
De ambitie van het Ministerie van BZK is om zoveel mogelijk overheidsorganisaties te laten voldoen aan het Besluit Digitale Toegankelijkheid Overheid. Dat betekent een focus op de A t/m C statussen. Zie ook het antwoord onder vraag 2, aanbeveling 3.
Bent u van mening dat ook uitvoeringsorganisaties, zorgorganisaties en onderwijsinstellingen aan deze eisen voor toegankelijkheid moeten voldoen?
Zorgorganisaties en onderwijsinstellingen hoeven momenteel niet te voldoen aan de eisen voor toegankelijkheid, omdat zij niet vallen onder het Besluit digitale toegankelijkheid overheid of de Europese toegankelijkheidsrichtlijn. Het besluit geldt voor overheidsinstanties en de Europese toegankelijkheidsrichtlijn voornamelijk voor bedrijven en ondernemers. Momenteel verkennen wij (het Ministerie van VWS, OCW en BZK) de mogelijke opties om de toegankelijkheidsvoorschriften te laten gelden voor de sectoren zorg en onderwijs. We streven ernaar hierover een concrete maatregel op te nemen in de werkagenda voor de Nationale Strategie VN-Verdrag.
Bent u bereid de implementatie van het verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (VN-verdrag handicap) uit te breiden naar zorg en onderwijs, zoals in andere landen het geval is? Kunt u hierover met deze sectoren afspraken maken?
In 2016 heeft Nederland het VN-Verdrag Handicap geratificeerd. Sindsdien werkt het kabinet aan de verdere implementatie van het Verdrag, ook waar het gaat om zorg en onderwijs. De artikelen 24 en 25 van het VN-Verdrag Handicap gaan immers over zorg en onderwijs.
Zie ook beantwoording onder vraag 7.
Welke minimumvereisten over toegankelijkheid zijn er voor hulpdiensten zoals de politie, brandweer en medische hulpdiensten?
De wettelijke verplichting is om minimaal te voldoen aan de Europese standaard voor digitale toegankelijkheid, EN301549. De standaard beschrijft voor een breed scala van ICT-toepassingen aan welke eisen deze moeten voldoen voor mensen met een functiebeperking.
Zowel de website van de Landelijke Meldkamer Samenwerking (LMS), als de twee belangrijke websites van de politie, waaronder politie.nl en kombijdepolitie.nl, hebben een B-score. Hiermee voldoen zij aan de wettelijke eisen van het Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid overheid. Voor de overige websites wordt gewerkt aan een verbetering of koppeling aan de site politie.nl en kombijdepolitie.nl
Daarnaast ligt de verantwoordelijkheid voor de bereikbaarheid van alarmnummer 112 bij de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV) en de Minister van Economische Zaken (EZ). Er zijn verschillende manieren waarop 112 te bereiken is voor mensen met een beperking:
Bent u het eens met de stelling dat het van het grootste belang is dat alle mensen met een beperking altijd gebruik moeten kunnen maken van overheidsdiensten als hulpdiensten en dit ook is afgesproken in het Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid overheid en het VN-verdrag handicap?
Alle mensen, dus ook alle mensen met een beperking, dienen toegang te hebben tot overheidsdiensten als hulpdiensten. Dit geldt dus ook voor het alarmnummer 112, ongeacht het tijdstip van de dag. Zie verder het antwoord onder vraag 9.
Op welke manier is toegankelijkheid nu een vast onderdeel van de ontwikkeling van nieuwe websites, applicaties en formulieren bij alle overheidslagen? Worden eindgebruikers nu standaard meegenomen bij het ontwerpen? Zo ja, welke standaarden gelden hiervoor?
Digitale toegankelijkheid is nog geen vast onderdeel bij de ontwikkeling van nieuwe websites, mobiele applicaties (apps) en formulieren bij alle overheidslagen. Het plan is om eindgebruikers via de aanpak van het NLDS een vast onderdeel te laten uitmaken van de standaard aanpak voor eindgebruikers bij het ontwikkelen van overheidswebsites en apps. Zie ook de beantwoording onder vraag 2, aanbeveling 2 en 3.
Waar kunnen mensen aankloppen en een melding doen op het moment dat een overheidsdienst of hulpdienst niet toegankelijk is? Kan dit op een toegankelijke manier en wat wordt er vervolgens mee gedaan?
Momenteel kunnen meldingen van ontoegankelijke websites en apps op de website van DigiToegankelijk.nl ingediend worden.
In de hernieuwde aanpak van BZK wordt er nieuw beleid ontwikkelt en trekken we de geleerde lessen uit andere voorbeelden die hebben gewerkt. Hierbij willen we bijvoorbeeld kijken naar de geleerde lessen bij de invoering van de Coordinated Vulnerability Disclosure (CVD). Met de invoering hiervan is het op een verantwoorde wijze en in gezamenlijkheid tussen melder en organisatie openbaar maken van ICT-kwetsbaarheden op de kaart gezet en kan iedereen een melding doen bij een bedrijf, overheidsinstantie of andere organisatie. De organisatie heeft dan de kans om de kwetsbaarheid op te lossen.
Vanuit digitale toegankelijkheid wordt er gekeken naar een soortgelijke aanpak, op websites van overheden en hulpdiensten, waar mensen een melding rechtstreeks bij de organisatie kunnen doen zodat de digitale toegankelijkheid daar waar dat nodig is, verder bevorderd kan worden.
Op welke manier worden bestaande diensten verbeterd op basis van input door eindgebruikers? Is de overheid in staat om diensten die zij heeft ingekocht van derden zelf aan te passen om ze toegankelijk te maken?
Het Ministerie van BZK biedt overheidsorganisaties de mogelijkheid om gebruik te maken van generieke hulpmiddelen om hun diensten te verbeteren. Deze hulpmiddelen worden ontwikkeld aan de hand van gebruikersonderzoeken, waarbij overheidsorganisaties zelf de keuze hebben of en hoe zij deze hulpmiddelen inzetten. Overheidsorganisaties zijn hierbij zelf verantwoordelijk voor de inkoop van hun diensten. Er zijn algemene inkoopvoorwaarden waar gebruik van wordt gemaakt, maar het kan per situatie verschillen in of de overheidsorganisatie zelf of de leverancier toegankelijkheidsproblemen oplost.
Kunt u concreet maken welke toekomst u ziet voor de Informatiepunten Digitale Overheid (IDO’s)?
In 2026 verandert de financiering van de IDO’s. De huidige Specifieke Uitkering (SPUK), die de uitvoering belegt bij bibliotheken, komt te vervallen. In plaats daarvan worden de middelen voor de IDO-dienstverlening aan het Gemeentefonds toegevoegd. Dit is een kabinetsbesluit. Gemeenten kunnen dan, met hun kennis van de lokale context, zelf beslissen welke organisatie de laagdrempelige ondersteuning kan bieden. Dat kan nog steeds de bibliotheek zijn, maar ook een andere organisatie als dat in de lokale context beter past, het niveau van de dienstverlening gegarandeerd blijft en mensen zo beter worden bereikt, omdat ze daar vaker komen.
Samen met partners brengen we in 2025 in kaart wat de consequenties, kansen en risico’s van de nieuwe wijze van financiering zijn voor de IDO’s. Uitgangspunt is dat de laagdrempelige, empathische ondersteuning en informatievoorziening in de gemeente behouden blijft.
Bent u bekend met het onderzoek van KPMG, gedaan op verzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, waaruit blijkt dat de financiering voor IDO’s al structureel te laag is?5
Ja, de Staatssecretaris van BZK is bekend met het exploitatieonderzoek van KPMG. Uit het onderzoek blijkt dat er geen gemiddelde exploitatiekosten van het Informatiepunt Digitale Overheid te bepalen zijn, omdat ze sterk uiteenlopen en een reflectie zijn van de lokale inrichting van het IDO en de keuzes in de uitvoering. Bibliotheekorganisaties lijken, aldus het onderzoek, de IDO-middelen voornamelijk in te zetten voor de financiering van de directe uitvoeringskosten van de IDO’s. Indirecte kosten als overhead, huisvesting en automatisering worden door de bibliotheek vaak uit andere middelen dan de specifieke uitkering (SPUK) gefinancierd. Uit het onderzoek blijkt ook dat de toevoeging van de IDO’s aan de dienstverlening van de bibliotheken niet altijd heeft geleid tot een toename van deze overheadkosten. KPMG doet vervolgens de aanbeveling aan gemeenten om de opdracht aan bibliotheken te concretiseren, zodat meer gestuurd kan worden op hetgeen mogelijk is met het beschikbare budget.
Hoe verenigt u de ambitie om de dienstverlening van IDO’s op peil te houden met de huidige ontoereikende financiering en de voorgenomen bezuiniging op deze voorziening? Bent u het met ons eens dat de middelen voor IDO’s jaarlijks geïndexeerd moeten worden?
De overheveling naar het gemeentefonds gaat gepaard met een korting van 10%. De overheveling verlaagt de administratieve en financiële kosten voor gemeenten door een vermindering van controle- en verantwoordingslasten. Het standpunt van het kabinet is dat dit niet moet leiden tot een inhoudelijke korting op de dienstverlening vanuit de IDO’s.
De middelen voor de SPUK IDO worden op dit moment niet geïndexeerd. Als in de toekomst de middelen worden overgeheveld naar het gemeentefonds, dan geldt dat de ontwikkeling van de omvang van het gemeentefonds (algemene uitkering en decentralisatie-uitkeringen) de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (accres) volgt. Dit accres is, evenals alle middelen uit het gemeentefonds, vrij besteedbaar en wordt daarom niet toegerekend aan specifieke onderdelen van de algemene uitkering en/of aan decentralisatie-uitkeringen. Het is dan ook aan gemeenten hoeveel van dit accres ze vervolgens willen toewijzen aan de IDO.
Welke gevolgen heeft het wegvallen van de specifieke uitkeringen aan gemeenten (SPUK-gelden) voor de toekomst van de IDO’s? Bent u het eens met de stelling dat dit middel er juist voor zorgt dat bibliotheken de loketten goed aan kunnen sluiten op de lokale gemeenschap?
Gemeenten kunnen dan, met hun kennis van de lokale context, zelf beslissen welke organisatie de ingang tot publieke dienstverlening en de laagdrempelige ondersteuning kan bieden zoals bibliotheken dat nu doen. Dat kan de bibliotheek zijn, maar ook een andere organisatie als dat in de lokale context beter past en het niveau van dienstverlening gegarandeerd blijft. Begin 2025 presenteert de Staatssecretaris van BZK een beleidsvisie op fysieke en lokale ondersteuning bij regelzaken met de overheid, waarin een belangrijke rol is weggelegd voor gemeenten om lokaal vorm te geven aan passende ondersteuning en publieke dienstverlening. In 2025 verkent de Staatssecretaris van BZK, met partners, hoe het Ministerie van BZK gemeenten hierbij kan blijven ondersteunen.
Kunt u verzekeren dat, als de subsidie voor IDO’s met een korting over wordt gemaakt naar het gemeentefonds, deze nog altijd ten goede zal komen van deze loketten? Waaruit zal dat blijken?
De inzet van de Staatssecretaris van BZK is om de laagdrempelige dienstverlening, zoals geboden vanuit het IDO, in stand te houden en daarover gaat het Ministerie van BZK graag met gemeenten verder in gesprek. Door de nieuwe financieringsvorm krijgen gemeenten de beleidsvrijheid om lokaal te bepalen waar welke dienstverlening nodig is en hoe ze dit het meest effectief kunnen inrichten.
Het kabinet zet in op het vergroten van bereikbaarheid en toegankelijkheid van overheidsorganisaties (hfst 7.2 Goed Bestuur uit regeerakkoord). Dat gebeurt zoveel mogelijk bij bestaande loketten en logische plaatsen waar mensen op zoek gaan naar hulp, zoals bijvoorbeeld wijkcentra, de IDO’s en buurthuizen. De Staatssecretaris van BZK presenteert zijn visie hierop aan de Kamer in Q1 2025.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met IDO-beheerders, bibliotheken en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en om verschillende financieringsmodellen uit te werken die de regierol van bibliotheken behoudt?
Met de SPUK IDO werd beoogd om gemeenten regie te geven over het netwerk van organisaties rond de IDO. Het kabinetsbesluit om alle SPUKs af te schaffen en de financiële middelen over te hevelen naar het gemeentefonds is in lijn met de visie van de Staatssecretaris van BZK. De visie biedt namelijk meer beleidsvrijheid voor gemeenten om te bepalen waar lokaal welke dienstverlening nodig is en wie deze uitvoert. Er worden daarom geen verschillende financieringsmodellen uitgewerkt die de uitvoering van het IDO exclusief bij de bibliotheek beleggen.
Waar kunnen mensen (met een beperking) aankloppen als zij vragen hebben omtrent de digitale dienstverlening van private partijen? Hoe kan de samenwerking met IDO’s op dit vlak versterkt worden?
Private partijen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor goede toegankelijke dienstverlening. De Staatssecretaris van BZK ziet mogelijkheden in samenwerking met (semi-)private partijen die essentiële dienstverlening bieden, zoals woningbouwcorporaties en zorgverzekeraars. Uitgangspunt hierbij is dat in die samenwerking een wederkerigheid moet zitten, omdat de inzet van publieke middelen private partijen niet ontslaat van het bieden van goede en voor iedereen toegankelijke dienstverlening.
Bent u het eens met de mening dat het zeer zorgwekkend is dat in de zorgsector veel websites niet of niet volledig toegankelijk zijn? Bent u bereid om afspraken te maken met de sector over de toegankelijkheid van lokale en landelijke zorgportalen?
Zorgorganisaties en onderwijsinstellingen hoeven momenteel niet te voldoen aan de eisen voor toegankelijkheid, omdat zij niet vallen onder het Besluit digitale toegankelijkheid overheid of de Europese toegankelijkheidsrichtlijn. Het besluit geldt voor overheidsinstanties en de Europese toegankelijkheidsrichtlijn voornamelijk voor bedrijven en ondernemers. Momenteel verkennen wij (het Ministerie van VWS, OCW en BZK) de mogelijke opties om de toegankelijkheidsvoorschriften te laten gelden voor de sectoren zorg en onderwijs. We streven ernaar hierover een concrete maatregel op te nemen in de werkagenda voor de Nationale Strategie VN-Verdrag.
Op welke wijze worden mensen met een beperking en hun vertegenwoordigende organisaties betrokken bij wetgeving en beleid over digitale toegankelijkheid en dienstverlening en de uitvoering daarvan?
Mensen met een beperking worden betrokken bij het maken van beleid en wetgeving over digitale toegankelijkheid en dienstverlening. Mensen met een beperking worden bijvoorbeeld betrokken bij de herziening van de internationale standaard voor digitale toegankelijkheid. Deze standaard wordt beheerd door het World Wide Web Consortium. Als een website voldoet aan deze wettelijk verplichte standaard, wordt er dus aan de behoeften van mensen met een beperking voldaan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en in ieder geval vóór het commissiedebat over digitale inclusie beantwoorden?
Ja.
Foutieve geboortedata in de Basisregistratie personen |
|
Michiel van Nispen , Glimina Chakor (GL) |
|
Judith Uitermark (NSC), Zsolt Szabó (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger op Kamervragen over het ontbreken van een geboortedatum in de Basisregistratie Personen (BRP)?1
Ja. In de beantwoording van die Kamervragen is vermeld dat de problematiek van het hebben van een (gedeeltelijk) onbekende geboortedatum op termijn tot het verleden zou moeten gaan behoren. In de Wet Basisregistratie Personen (Wet BRP), die op 6 januari 2014 in werking is getreden, is namelijk een voorziening getroffen voor de gevallen waarin bij inschrijving van een vreemdeling als ingezetene (inwoner) in de BRP geen geboortedatum kan worden vastgesteld. Er wordt in die gevallen uitgegaan van de (al dan niet fictieve) geboortedatum die bij de toelating van betrokkene tot Nederland door de Minister van J&V (momenteel de Minister van Asiel en Migratie (A&M)) is vastgesteld.2
In hoeverre is de verwachting van uw ambtsvoorganger dat de problematiek van het hebben van een (gedeeltelijk) onbekende geboortedatum «tot het verleden moet gaan behoren» uitgekomen?
Die verwachting is uitgekomen, in zoverre dat vanaf 2014 het aantal nieuwe inschrijvingen van inwoners met een onvolledige geboortedatum in totaal minder dan 40 is. Een volledig onbekende geboortedatum komt helemaal niet meer voor bij inwoners die geregistreerd staan in de BRP.
Hoeveel personen zijn er (naar schatting) waarvan nog voor de inwerkingtreding van de Wet Basisregistratie personen (Wet BRP) een (gedeeltelijk) onbekende geboortedatum in de BRP is opgenomen?
Op dit moment3 gaat het om ongeveer 35.950 inwoners. Dit aantal is sinds de invoering van de Wet BRP in 2014 gedaald. Vanaf 6 januari 2014 tot 22 december 2024 hebben 2.750 inwoners hun (gedeeltelijk) onbekende geboortedatum laten corrigeren naar een volledige geboortedatum.
Deelt u de mening dat het hebben van een geboortedatum met «00» of «XX» vanwege de steeds verdergaande digitalisering van (overheid)systemen voor die personen tot onoverkomelijke problemen kan leiden, bijvoorbeeld bij het ontvangen van AOW of bij andere registraties omdat die systemen «00» of «XX» niet aanvaarden? Zo nee, waarom niet?
In het algemeen kan ik hierover zeggen dat de meeste organisaties die gebruikmaken van de BRP bij het ontbreken van een volledige geboortedatum, een fictieve geboortedatum hanteren (zie bijvoorbeeld het Besluit beleidsregels van de SVB4). Ik kan echter niet uitsluiten dat er nog (overheids)systemen zijn die niet of moeilijk de gedeeltelijk onbekende geboortedatum kunnen verwerken en dat dit het zelfstandig functioneren van personen belemmert. De inwoner heeft in dergelijke gevallen wel handelingsperspectief. Hij kan de gemeente verzoeken om zijn geboortedatum te rectificeren (zie het antwoord op vraag 6).
Deelt u de mening dat het niet zelfstandig kunnen opereren in een digitale omgeving omdat de registratie van de geboortedatum dat belemmert, ook het zelfstandig functioneren van die personen belemmert? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat personen die nog steeds met een geboortedatum «00»of «XX» geregistreerd staan alsnog een fictieve geboortedatum kunnen krijgen die wel in digitale systemen kan worden verwerkt? Zo ja, op welke wijze en welke termijn gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet en hoe moeten deze personen dan wel problemen met digitale registraties omzeilen?
Personen die met een onvolledige geboortedatum in de BRP staan, kunnen bij hun gemeente een verzoek indienen om hun geboortedatum te laten rectificeren.5 Bij een verzoek tot rectificatie moet een brondocument worden overgelegd. Personen die met een onvolledige geboortedatum in de BRP staan, kunnen doorgaans (redelijkerwijs) geen document overleggen waaraan de geboortedatum kan worden ontleend. Indien de betrokkene zelf weet wat zijn geboortedatum is, kan hij een verklaring onder eed of belofte afleggen bij de gemeente (artikel 2.8, tweede lid, onderdeel e, van de Wet BRP). De geboortedatum kan dan op basis van die verklaring worden gerectificeerd.
Als de inwoner niet kan verklaren wat zijn geboortedatum is of indien aannemelijk is dat die verklaring onjuist is6, kan de gemeente de Minister van A&M vragen om een mededeling van de geboortedatum op grond van artikel 2.17 van de Wet BRP, voor zover deze gegevens zijn vastgesteld in het kader van de toelating van betrokkene tot Nederland. De gemeente past de geboortedatum in de BRP dan aan op basis van de mededeling van de Minister van A&M.