Het bericht 'Long covid is lichamelijk en ‘zit niet tussen de oren’, toont onderzoek aan' |
|
Agnes Joseph (NSC), Daniëlle Jansen (NSC) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Long covid is lichamelijk en «zit niet tussen de oren», toont onderzoek aan»?1
Ja.
Erkent u dat postcovid een fysieke oorzaak heeft?
Er wordt door onderzoekers in binnen- en buitenland hard gewerkt aan het zoeken naar de oorzaken van post-COVID en naar de mogelijke behandelingen van deze aandoening. We zien gelukkig ook al resultaten, zoals voornoemd onderzoek naar lichamelijke effecten van post-COVID. Inhoudelijke uitspraken over de oorzaken van post-COVID laat ik graag aan wetenschappers. De resultaten van onderzoek zijn belangrijk voor patiënten, omdat het bijdraagt aan de erkenning van de ziekte. Ik hoop dat er snel meer bekend wordt over de oorzaken van post-COVID en een mogelijke genezende behandeling daarvan.
Erkent u dat postcovid veelal een multi-orgaan aandoening is, die door meerdere (orgaan)specialisten en zorgprofessionals behandeld moet worden in afstemming met elkaar, en dat de zorg aan en voor postcovid daarmee per definitie complexe zorg is?
De WHO hanteert als definitie van post-COVID «de voortzetting of ontwikkeling van deze symptomen vanaf drie maanden na de initiële besmetting met COVID-19, waarbij deze symptomen langer dan twee maanden aanhouden zonder dat daar een andere verklaring voor is».
De gezondheidsproblemen als gevolg van post-COVID zijn divers (ruim 200 mogelijke symptomen) en kunnen variëren van mild tot ernstig. Voor de patiënten is het belangrijk dat post-COVID zorg op een passende manier wordt georganiseerd. En dat de ervaringen van patiënten en zorgverleners snel kunnen worden gedeeld met betrokken behandelaren, zodat zij met actuele kennis over post-COVID zorg kunnen geven. Voor patiënten en hun naasten moet bovendien duidelijk zijn waar ze met hun medische vragen terecht kunnen, ook nu er nog geen genezende behandeling is.
Het is aan de zorgprofessionals om te bepalen welke zorg geboden moet worden per individuele patiënt met post-COVID. Het is daarbij belangrijk dat zorgprofessionals samenwerken en indien nodig onderling afstemmen over de zorg van de patiënt.
Een deel van de post-COVID patiënten heeft een complex ziektebeeld. Ook voor deze groep patiënten is het belangrijk dat zij goede zorg ontvangen. Zowel voor de eerste- als de tweedelijnszorg geldt de multidisciplinaire richtlijn «Langdurige klachten na COVID-19» van het Nederlandse Huisartsen Genootschap (NHG), de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en Longalliantie Nederland (LAN). In deze richtlijn wordt ook benadrukt dat onderlinge afstemming belangrijk is.
Hoe ziet u de afspraak die vastgelegd is in het Integraal Zorgakkoord (IZA) met de betrokken veldpartijen, waaronder zorgaanbieders en zorgverzekeraars, dat complexe zorg in het kader van passende zorg en regionalisering, geconcentreerd dient te worden? Dit mede in het licht van de vraag van de Kamer om tot een aantal expertisecentra te komen, die de behandeling voor en onderzoek naar postcovid kunnen gaan verzorgen?
In het Integraal Zorgakkoord (IZA) zijn afspraken gemaakt om netwerkzorg te versterken en concentratie en spreiding van zorg te versnellen. Daarbij is gekozen voor een stapsgewijze aanpak waarbij wordt gekeken naar waar de grootste voordelen zijn te verwachten ten aanzien van kwaliteit, patiënten-aantallen en samenwerkingsmogelijkheden. De uitwerking van de IZA afspraken richt zich in de eerste plaats op kwaliteitsverhoging van hoogcomplexe oncologische zorg en vaatchirurgie door middel van verhoging van de volumenormen, en dus niet op het concentreren en spreiden van post-COVID zorg.
Dat neemt uiteraard niet weg dat samenwerking in de zorg belangrijk is bij een ziektebeeld als post-COVID, dat veel verschillende symptomen kent. Het uitgangspunt is dat zorg moet worden verleend op de plek waar dat het meest passend is en in goede afstemming tussen de betrokken zorgverleners. Dit vanuit het belang van de patiënt zelf, als ook vanuit de efficiënte inzet van zorgprofessionals en middelen.
Het is van belang dat partijen zo passend mogelijk vorm geven aan post-COVID zorg en hierover afspraken maken, waarbij expertise wordt opgebouwd en direct gedeeld kan worden met betrokken behandelaren. Het is primair aan de zorgpartijen zelf om met elkaar goede zorg rondom de patiënt te organiseren. Als Minister kan ik dat niet overnemen, wat ik wel kan doen is zorgpartijen bij elkaar brengen en hen stimuleren om de benodigde stappen te zetten. Zo ben ik in lijn met motie Drost2 actief op zoek gegaan naar koplopers en andere zorgaanbieders die zich (willen) inzetten om de zorg die nu reeds geboden kan worden aan post-COVID patiënten te organiseren. Ik faciliteer het gesprek tussen betrokken partijen en bespreek met hen hoe zij de integrale ondersteuning voor post-COVID patiënten zo goed mogelijk gaan inrichten. Eind februari organiseer ik een werkconferentie om met de zorgpartijen te bezien hoe de organisatie van integrale ondersteuning voor post-COVID patiënten kan worden verbeterd.
Kunt u toelichten hoe dit zich verhoudt tot de subsidie die recent via ZonMw is vergeven om alleen onderzoek te doen naar mogelijke behandelmethoden en in het geheel geen middelen te besteden aan de behandeling van deze groep patiënten?
Juist omdat er nog te weinig bekend is over mogelijke behandeling, is onderzoek belangrijk. Met de inrichting van het onderzoeksprogramma en expertisenetwerk bij ZonMw zet ik in op het komen tot een effectieve behandeling door middel van wetenschappelijk onderzoek, en het inrichten van een expertisenetwerk waarin opgedane kennis snel gedeeld kan worden richting het zorgveld. Dit allemaal om zo snel als mogelijk te komen tot een effectieve behandeling van post-COVID patiënten.
Het is niet aan mij – en ik heb daar ook geen rechtmatige mogelijkheid toe – om begrotingsmiddelen (zoals subsidies) in te zetten voor daadwerkelijke zorgverlening aan patiënten zoals diagnosestelling, behandeling of nazorg. In het Nederlandse zorgsysteem is het aan de zorgverzekeraars om dit in voldoende mate in te kopen voor hun verzekerden. Het premiekader bevat de middelen en de ruimte om dit systeem te laten werken. Het is nu van belang dat er passend zorgaanbod tot stand komt en zorgaanbieders en zorgverzekeraars hierover afspraken maken. Ik faciliteer en stimuleer partijen om te bezien hoe de organisatie van integrale ondersteuning voor post-COVID patiënten kan worden verbeterd.
Waar doelt u op wanneer u in meerdere uitlatingen in de media aangeeft dat de huidige manier van zorgverlening en financiering voor de betreffende groep patiënten afdoende geregeld zou zijn met geld en middelen? Ziet u ook de kans en mogelijkheid om dit, in lijn met het IZA, op een passende en doelmatige manier voor patiënten te organiseren door de zorg te concentreren?
Het is van belang dat partijen zo passend mogelijk vorm geven aan post-COVID zorg en hierover afspraken maken, waarbij expertise wordt opgebouwd en direct gedeeld kan worden met betrokken behandelaren. In het Nederlandse zorgsysteem is het aan de zorgaanbieders om met een passend zorgaanbod te komen en het is aan de zorgverzekeraars om dit in voldoende mate in te kopen voor hun verzekerden. Het premiekader bevat de middelen en de ruimte om dit systeem te laten werken. Het is nu van belang dat dit passende zorgaanbod tot stand komt en zorgaanbieders en zorgverzekeraars hierover afspraken maken.
Zoals hierboven (bij antwoord 4) aangegeven, kan ik dit als Minister niet overnemen. Wat ik wel kan doen is zorgpartijen bij elkaar brengen en hen stimuleren om de benodigde stappen te zetten. Zo ben ik in lijn met motie Drost3 actief op zoek gegaan naar koplopers en andere zorgaanbieders die zich (willen) inzetten om de zorg die nu reeds geboden kan worden aan post-COVID patiënten te organiseren. Ik faciliteer het gesprek tussen betrokken partijen en bespreek met hen hoe zij de integrale ondersteuning voor post-COVID patiënten zo goed mogelijk gaan inrichten. Daarbij heb ik aangegeven dat er in het IZA geen specifieke afspraken zijn gemaakt over concentratie en spreiding van post-COVID zorg.
Kunt u in lijn hiermee toelichten wat u heeft geleerd van en gedaan heeft met de evaluaties van de behandeling van Q-Koorts patiënten?
Ik heb belangrijke lessen getrokken uit de Q-koortsepidemie en toegepast bij de aanpak van post-COVID. Een van deze lessen is dat er op verschillende aspecten ondersteuning wordt geboden aan patiënten. Het is namelijk belangrijk om niet alleen te kijken naar de gevolgen van post-COVID klachten voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid, maar ook naar de gevolgen voor het sociale leven, werk en inkomen van de patiënten. C-support biedt patiënten, in opdracht van en gefinancierd door het Ministerie van VWS, ondersteuning bij die verschillende aspecten. Daarnaast zorgen C-support en patiëntenorganisatie PostCovidNL voor meer bewustwording over post-COVID bij het algemene publiek en voorzien zij zorgprofessionals van voorlichting en informatie over deze ziekte. Dankzij de ervaring met Q-support en het bestaande model was het mogelijk om C-support vrij snel op te richten.
Daarnaast heeft de Q-koortsepidemie het belang van onderzoek onderkend, en van multidisciplinaire richtlijnen voor behandeling. Dit is vertaald naar post-COVID. Zo is er eerder al 14 miljoen euro vrijgemaakt voor onderzoek naar post-COVID en heeft het kabinet in aanvulling daarop 32,25 miljoen euro geïnvesteerd in het recent gestarte ZonMw onderzoeksprogramma, kennisinfrastructuur en expertisenetwerk post-COVID. Naast onderzoek is er voor zowel de eerste als tweedelijns zorg de multidisciplinaire richtlijn «Langdurige klachten na COVID-19» van het Nederlandse Huisartsen Genootschap (NHG), de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en Longalliantie Nederland (LAN). Deze geeft antwoord op vragen over diagnostiek, begeleiding en behandeling van patiënten met langdurige coronaklachten en patiëntvoorlichting.
Wat betreft de organisatie van zorg merk ik overigens wel op dat Q-koorts en post-COVID, gezien de grote verschillen in aantallen en geografische spreiding van patiënten, niet goed vergelijkbaar zijn.
Onderschrijft u de uitkomsten en aanbevelingen uit het advies van het Maatschappelijk Impact Team (MIT) over de maatschappelijke gevolgen van postcovid, dat afgelopen zomer 19 juni 2023 is verschenen, als ook de inschattingen van de aantallen getroffen burgers (specifiek door postcovid)?2
Voor de reactie op het MIT-advies verwijs ik u graag naar de kabinetsreactie op het MIT-rapport5. Voor de inschatting van het aantal getroffen burgers houd ik het onderzoek van The Lancet6 en de Lifelines studie van UMC Groningen en Radboudumc aan waaruit blijkt dat naar schatting 1 op de 8 mensen langdurige klachten heeft na een COVID-19-diagnose.
Hoe gaat u om met werkgerelateerde aspecten, zoals ziekteverlof en re-integratie, voor mensen met postcovid? Wat zijn bijvoorbeeld de gevolgen van dit onderzoek voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)-keuring van mensen met postcovid?
UWV kijkt naar de functionele mogelijkheden van mensen. De diagnose die iemand heeft gekregen en de specifieke medische aandoening zijn op zich niet van belang voor de wijze waarop de beoordeling bij UWV wordt gedaan en de re-integratie wordt vormgegeven. De verzekeringsarts stelt vast of betrokkene ten gevolge van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is om het eigen werk te doen. Daarbij onderzoekt de verzekeringsarts of bij betrokkene sprake is van vermindering of verlies van lichamelijke of psychische structuur of functie, die vermindering of verlies van normale gedragingen en activiteiten en van normale sociale rolvervulling tot gevolg heeft. Vervolgens maakt de verzekeringsarts een Probleemanalyse waarmee de re-integratiebegeleider of arbeidsdeskundige in samenspraak met de betrokkene een Plan van Aanpak opstelt waarin de richting van de re-integratie en de afspraken die zijn gemaakt met de betrokkene staan beschreven.
Wel kunnen dankzij het onderzoek waar u naar refereert de functionele beperkingen van mensen door Post Exercertionele Malaise (PEM) klachten bij post-COVID duidelijker dan voorheen worden geduid als gevolg van ziekte. De bevindingen kunnen namelijk de onderliggende fysiologie van vermoeidheid en verminderde inspanningstolerantie verklaren.
Op welke manier bent u van plan om betrokken veldpartijen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid om in het kader van de afspraken van het Integraal Zorgakkoord om de complexe postcovidzorg te centraliseren in gespecialiseerde expertisecentra en daar de transitiemiddelen voor het opstarten van dergelijke expertisecentra voor behandeling en onderzoek, te (laten) financieren uit de reeds beschikbare transitiegelden van het IZA?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, zijn er in het IZA geen specifieke afspraken gemaakt over concentratie en spreiding van post-COVID zorg. Het is uiteraard wel van belang dat partijen zo passend mogelijk vorm geven aan post-COVID zorg en hierover afspraken maken. Zoals eerder vermeld zie ik het hierbij als mijn taak om partijen samen te brengen en te stimuleren om de benodigde stappen te zetten. Zo faciliteer ik in lijn met motie Drost het gesprek tussen betrokken partijen en moedig ik hen aan om de organisatie van integrale ondersteuning voor post-COVID patiënten te verbeteren.
Hoe staat u tegenover samenwerking op internationaal niveau om kennis en best practices uit te wisselen met andere landen? Bent u bereid om de ruimte te geven (al dan niet via de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of het Zorginstituut Nederland (ZIN) om binnen de huidige wettelijke kaders (experimentele) behandelmethoden toe te staan in die expertisecentra, die bijvoorbeeld in andere landen (met vergelijkbare zorgsystemen) reeds succesvol toegepast worden?
Het is goed om ervaringen en kennis over post-COVID tussen landen uit te wisselen. Zo zet ik met het Europees expertisenetwerk post-COVID in op meer Europese samenwerking rondom het uitwisselen en verbinden van kennis en onderzoek naar post-COVID. Het is aan het zorgveld om te beoordelen wat goede zorg is. Indien besloten wordt dat een behandelmethode succesvol is, wordt deze opgenomen in de richtlijnen. Om in aanmerking te komen voor vergoeding moet de zorg daarnaast ook voldoen aan andere pakketcriteria (bijvoorbeeld uitvoerbaarheid). De IGJ houdt hierbij toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Welke mechanismen gaat u implementeren voor het monitoren en evalueren van de effectiviteit van het beleid (zorg en arbeid) rondom mensen met postcovid?
Op dit moment zijn er middelen beschikbaar voor het ZonMw post-COVID onderzoeksprogramma tot en met 2026. ZonMw monitort de voortgang van de gefinancierde projecten, middels voortgangs- en eindverslagen, en zal op haar website verslag doen van de toegekende subsidies en van de resultaten van het onderzoek.
Verder is de inrichting van monitoring en evaluatie van de effectiviteit van de zorg voor post-COVID patiënten aan het zorgveld. De medische wereld kent haar eigen kwaliteitssystemen en methodieken om continu te leren en om de effectiviteit van behandelingen te evalueren.
Ten aanzien van arbeid heeft het MIT als onderdeel van de sociaal-maatschappelijke context in juni 2023 een advies met een analyse van de maatschappelijke gevolgen van post-COVID uitgebracht7. Dit advies bevatte ook een stand van zaken omtrent post-COVID en arbeid. Het MIT is bevoegd aanvullende adviezen te geven. Daarmee heeft het MIT een adviserende en signalerende rol voor het kabinet. Hiermee kan het kabinet het perspectief van mensen met post-COVID borgen bij het opstellen van beleid, de onderzoeksprogramma’s, de kennisverspreiding en bij de uitvoering van diverse maatregelen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Helaas heb ik deze termijn niet gehaald. Ik heb mijn uiterste best gedaan uw vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
De verkoop van vaccinontwikkelaar Intravacc met FDI BioSciences BV |
|
Daniëlle Jansen (NSC), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Kuipers |
|
![]() ![]() |
Klopt het dat de staat een voorlopige koopovereenkomst heeft gesloten over de verkoop van vaccinontwikkelaar Intravacc met FDI BioSciences BV?1
De Staat is met de koper FDI BioSciences BV overeengekomen 100% van de aandelen van Intravacc B.V. aan dit bedrijf te verkopen. Overeengekomen is de aandelen te verkopen en over te dragen als aan de resterende voorwaarden die zijn gesteld, is voldaan.
Kunt u aangeven waarom u het ontwikkelen en verbeteren van vaccins niet langer als een publieke taak beschouwt, voortvloeiend uit artikel 22, lid 1, van de Grondwet («de overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid»)?
Zoals de voormalig Minister van VWS heeft aangegeven bij de schriftelijke beantwoording van vragen uit de Tweede Kamer2 stelt artikel 22 van de Grondwet inderdaad dat de overheid maatregelen moet treffen ter bevordering van de volksgezondheid. Ter invulling van die taak is voor de publieke gezondheidszorg en de bestrijding van infectieziekten in de Wet publieke gezondheid een stelsel met rollen voor onder andere het RIVM, gemeenten en de GGD’en voorzien. Artikel 22 van de Grondwet laat onverlet dat ook marktpartijen een rol kunnen spelen in het stelsel, zoals bij de ontwikkeling en productie van vaccins, geneesmiddelen en hulpmiddelen. En zij pakken deze rol ook. Het publieke belang van beschikbaarheid van vaccins betekent dus niet dat ook de ontwikkeling en het verbeteren van vaccins als een publieke taak moet worden beschouwd.
Kunt u toelichten waarom het verkoopproces rond Intravacc tijdens de coronapandemie werd opgeschort? Welke voordelen bood staatseigendom op het gebied van vaccinontwikkeling tijdens de pandemie?
In 2020 is het verkoopproces tijdelijk on hold gezet vanwege de coronapandemie. Dit werd gedaan op verzoek van de Kamer, zoals aangegeven in de kamerbrief van 17 december 20203 met als primaire motivatie «zorgvuldigheid boven snelheid». Vervolgens is onderzocht of er een noodzaak was om Intravacc B.V. niet te verkopen om mogelijk publieke belangen rond vaccinontwikkeling te borgen. Gelijktijdig is per 1 januari 2021 een beleidsdeelneming ingericht voor de duur van maximaal twee jaar. De intentie was altijd om Intravacc B.V. op afstand te plaatsen van de Rijksoverheid, met behoud van de borging van de publieke belangen, waarbij een nadere afweging aan het volgende kabinet werd gelaten. Een belangrijke afweging in de besluitvorming was een mogelijke rol voor Nederland bij het ontwikkelen van een toen nog niet bestaand COVID-19 vaccin. Daarom is in 2020 aan Intravacc een opdracht gegeven om een vaccin te ontwikkelen voor COVID-19. Deze opdracht is echter eind 2021 beëindigd omdat er meerdere geschikte commerciële vaccins op de markt waren en er nog geen zicht was op een Intravacc COVID-19 vaccin.
Welke lessen trekt u uit de eerdere verkoop van de productietak van het Nederlands Vaccinatie Instituut (NVI) in 2012 aan een partij uit India? In hoeverre is de staat (te) afhankelijk geworden van de ontwikkeling en productie van vaccins door een beperkt aantal commerciële partijen?
De productiediensten en faciliteiten van het NVI zijn destijds verkocht, omdat het voor een kleine producent als NVI steeds moeilijker werd om tegen acceptabele kosten te voldoen aan de steeds strenger wordende kwaliteitseisen en omdat voor een rendabele vaccinproductie schaalgrootte van essentieel belang is. Deze schaalgrootte kan in een publieke setting niet bereikt worden, maar in een private, meer internationaal georiënteerde, setting wel. Vervolgens is BBIO (voormalig productie onderdeel van NVI) afgelopen jaar in staat gebleken om als privaat bedrijf een succesvolle aanbieding te doen voor een contract in het kader van pandemische paraatheid van de Europese Commissie (EU-FAB). Voor het tweede deel van uw vraag verwijs in naar het antwoord bij vraag 5, waarin de afweging tot het besluit tot verkoop wordt toegelicht.
Kunt u aangeven wat u precies bedoelt met de opmerking in uw Kamerbrief van 6 juli 2022 over dat met de herstart van het verkoopproces aandeelhouderschap van de staat niet nodig is om publieke belangen te borgen, maar wel «een goed functionerend ecosysteem»? Uit welke bedrijven en kennisinstellingen bestaat dit ecosysteem? Hoe ondersteunt de overheid dit ecosysteem concreet? En hoe behoudt de Nederlandse samenleving laagdrempelig toegang tot de producten en diensten van dit ecosysteem?
In de brief aan de Tweede Kamer als antwoord op de motie Tielen van 30 maart 20234 heeft de voormalig Minister van VWS aangegeven dat de beschikbaarheid van en toegang hebben tot vaccins een publiek belang is. In de brief staat onder andere dat het belang het beste wordt behartigd door in EU-verband in te zetten op zowel een goed functionerend vaccin-ecosysteem als door samenwerking in internationaal verband. In Nederland en daarbuiten is een groot aantal bedrijven actief om vaccinconcepten te testen en gereed te maken voor grootschalige eindproductie. Deze producten komen vervolgens via de reguliere vaccinatieprogramma’s zoals het rijksvaccinatieprogramma beschikbaar voor de Nederlandse samenleving. Vaccinontwikkeling vraagt veel kennisontwikkeling, kapitaal en is een mondiaal proces. Het stimuleren hiervan geef ik op verschillende manieren vorm. Zo draag ik onder andere bij aan CEPI (Coalition for Pandemic Preparedness and Response). In CEPI komen overheden, bedrijven en andere organisaties samen om onderzoek naar pandemiebestrijding mogelijk te maken. De nadruk ligt hierbij sinds de oprichting in 2017 op de ontwikkeling van vaccins en daarvoor benodigde platformtechnologieën. Belangrijke doelstelling is ook het breed beschikbaar krijgen van vaccins. CEPI biedt mogelijkheden voor financiering van Nederlandse partijen en we verbinden Nederlandse partijen ook aan CEPI. CEPI heeft tot op heden ongeveer 86 miljoen euro geïnvesteerd in Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven. Binnen de EU wordt daarnaast samengewerkt binnen HERA (Health Emergency Preparedness and Response Authority). HERA is een directoraat generaal van de Europese Commissie, dat in noodsituaties zal zorgen voor de ontwikkeling, productie en verdeling van geneesmiddelen, waaronder vaccins, en andere crisis gerelateerde medische producten. Ook is het stimuleren van R&D/innovatie naar nieuwe medische tegenmaatregelen bij een crisis, waaronder vaccins, één van de vijf kernprogramma’s van HERA. Voor een sterk Life Science en Health (LSH) ecosysteem trek ik samen op met de Minister van EZK en is door beide ministeries het expertisecentrum FAST (Future Affordable and Sustainable Therapy development) opgericht. Daarnaast wordt vanuit het Nationale Groeifonds via meerdere projecten bijgedragen aan de versterking van het ecosysteem zoals via Oncode Accelerator dat een ontwikkelpijplijn heeft voor therapeutische vaccins en via PharmaNL dat een programma heeft om het farmaceutische opleidingsaanbod te versterken en waar mogelijk te voorzien van een internationale uitstraling en aantrekkingskracht.
In welke mate is er op het gebied van vaccinontwikkeling en -productie na deze verdere privatisering sprake van publieke financiering van onderzoek/innovatie en private winsten door de exploitatie van deze kennis?
Aan vaccinontwikkeling wordt zowel vanuit de publieke als vanuit de private sector een bijdrage geleverd, vaak ook in de vorm van een samenwerking. Hiervoor vindt onderzoek plaats bij zowel kennisinstellingen als bij bedrijven. Voor vaccinontwikkeling is veel onderzoeks-kapitaal nodig. Vooral in de vroege (vaak academische) fase is er veelal sprake van publiek gefinancierd onderzoek. Om onderzoeksresultaten te vertalen naar een toepassing in de praktijk wordt er samengewerkt met private partijen. Uiteindelijk moet de samenwerking leiden tot beschikbaarheid van vaccins die betaalbaar en bereikbaar zijn voor het publiek.
De Nederlandse federatie van Universiteiten (NFU) formuleerde hiervoor in overleg met vele partners 10 principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren.5 De NFU heeft hier onlangs een leidraad over gepresenteerd.6 Hiermee kunnen kennisinstellingen tegenprestaties vragen van bedrijven die mogelijk winst maken met de publiek gefinancierde kennis.
Kunt u aangeven waarom u FDI BioSciences BV, dat pas onlangs is opgericht, beschouwt als een geschikte overnemende partij, passend bij de publieke waarborgen? Welke rol vervult FDI in het «ecosysteem»?
De koper is onderdeel van First Dutch Innovations B.V. («FDI»), dat is ontstaan uit de samenvoeging van de bedrijvenportefeuille van het internationaal gerenommeerde onderzoeksinstituut TNO en het innovatieplatform van First Dutch. FDI is actief binnen drie kernthema’s: de energietransitie, klimaatverandering en de gezondheidszorg. Innovaties en innovatieve ondernemingen die binnen deze thema’s vallen worden binnen de FDI-structuur verder ontwikkeld en tot wasdom gebracht. Hierbij stelt FDI financieel rendement ten dienste van het maatschappelijk rendement en investeert zij voor de lange termijn. FDI streeft ernaar Intravacc B.V. binnen de FDI-groep als een zelfstandige Nederlandse onderneming te laten doorgroeien en zich verder te ontwikkelen als partner van publieke en private partijen en NGO’s.
Ook zijn andere ondernemingen binnen FDI actief (geweest) in de ontwikkeling tot (pre-)klinische fase van het onderzoek binnen de farmaceutische sector en heeft FDI ervaring op het gebied van vaccinontwikkeling.
Welke waarborgen zijn er ten aanzien van het behoud van de betreffende kennis en hoogwaardige werkgelegenheid in Nederland? Heeft de staat aan FDI beperkingen opgelegd met betrekking tot het doorverkopen van het bedrijf of verplaatsing naar het buitenland? Zo ja, welke?
De toekomstige koper is bereid zich in te zetten voor de versterking van de positie van Intravacc B.V. in het Europese ecosysteem van vaccinontwikkeling en hoogwaardige werkgelegenheid te stimuleren. De Staat heeft met de koper een beding afgesproken t.a.v. het voor een bepaalde termijn niet doorverkopen van Intravacc B.V.
Op welke wijze denkt u de zelfvoorzienendheid van Nederland op het gebied van de ontwikkeling en productie van vaccins te kunnen waarborgen?
Zoals de voormalig Minister van VWS heeft aangegeven in de schriftelijke beantwoording van vergelijkbare vragen van de Tweede Kamer7 is het van belang dat publieke en private belangen met elkaar te verbinden. Geneesmiddelenontwikkeling is complex en kostbaar, en vraagt kennis en expertise van alle betrokken partijen. Het publieke belang is zeker gediend met de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen, waaronder vaccins. Er wordt daarom nu ingezet op leveringszekerheid en het verminderen van ongewenste afhankelijkheden, omdat we als Nederland en de EU niet volledig zelfvoorzienend kunnen worden voor de ontwikkeling, productie en levering van alle medische producten.
Kunt u het verkoopbesluit nog terugdraaien, gelet op het feit dat de nieuwe Tweede Kamer in meerderheid (zeer) kritisch is over de verkoop van Intravacc?
Nee, daartoe ben ik niet bereid gezien de mogelijke financiële en juridische gevolgen. Het getuigt daarnaast niet van een betrouwbare overheid als de verkoop nu teruggedraaid zou worden. Daarmee zou eveneens het aanzien van de Staat als betrouwbare partij geschaad kunnen worden.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
De vragen zijn binnen de reguliere termijn beantwoord.