ING Direct |
|
Ewout Irrgang |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
Is het waar dat het Franse depositogarantiestelsel € 70.000 vergoedt en niet € 100.000 zoals het Nederlandse?
Ja, het klopt dat het Franse stelsel maximaal € 70.000 euro per depositohouder per bank vergoedt, en het Nederlandse maximaal € 100.000. Overigens schrijft de Europese Richtlijn inzake depositogarantiestelsels (94/19/EC) voor dat vanaf 31/12/2010 overal in Europa een dekking van € 100.000 wordt gehanteerd. Vanaf die datum zal sprake zijn van volledige harmonisatie (maximumharmonisatie) van het dekkingsbedrag.
Was u op de hoogte van het feit dat ING in Frankrijk het Nederlandse depositogarantiestelsel gebruikt ter promotie van ING Direct?1 Of duidt u de nadruk die de website op het Nederlandse depositogarantiestelsel legt anders? Zo ja, hoe?
Op basis van Europese regelgeving (genoemde richtlijn) en de Wft dienen banken potentiële en bestaande depositohouders te informeren welk depositogarantiestelsel (DGS) op hen van toepassing is. Het is een financiële onderneming op grond van artikel 3:264, lid 1, Wet op het financieel toezicht (Wft) echter niet toegestaan deze informatie voor reclamedoeleinden te gebruiken. Lid 2 van dit artikel staat wel toe dat zij in een reclame-uiting vermeldt dat op haar een vangnetregeling van toepassing is. Het is niet aan mij om te oordelen of de informatie die ING op haar website had opgenomen in strijd is met lid 1 van dit artikel. De Nederlandsche Bank (DNB) ziet hierop toe en kan zo nodig direct of indirect corrigerend optreden. Echter, mijn indruk is dat de verwijzing naar het Nederlandse Depositogarantiestelsel (DGS) die ING op haar website heeft opgenomen summier is en niet in strijd is met lid 1 van dit artikel. DNB onderschrijft dit beeld.
Hoeveel door het Nederlandse depositogarantiestelsel gegarandeerd spaargeld heeft de Franse tak van ING Direct?
Zoals gebruikelijk laat ik mij niet uit over vertrouwelijke informatie aangaande individuele instellingen. Wel kan ik u melden dat ING mij heeft gewezen op haar jaarverslag 2009. Daarin meldt ING dat ING Direct in Frankrijk ongeveer 762.000 klanten heeft, die gezamenlijk zo’n 11,3 miljard euro aan ING Direct hebben toevertrouwd2. Dit bedrag valt voor een belangrijk deel onder het Nederlandse DGS, namelijk voor zover de tegoeden van individuele depositohouders aan de voorwaarden voor dekking voldoen en de maximale dekking niet overschrijden.
Vind u het wenselijk dat een bank waarbij de Nederlandse staat al twee keer heeft moeten ingrijpen om een faillissement te voorkomen, de Nederlandse belastingbetaler met nog meer potentieel risico belast? Zo ja, waarom?
Vooraf wijs ik erop dat niet een bank spaargelden onder het DGS laat vallen en daarmee – in uw woorden – de belastingbetaler met potentieel risico belast. De wet en daarvan afgeleide regelgeving bepalen welke deposito’s onder dit stelsel worden gegarandeerd. Daarnaast financieren de banken het DGS, en niet de Staat (belastingbetaler); het zijn dus de banken die eventuele risico's lopen onder het DGS.
ING Bank is een instelling met een Nederlandse bankvergunning, die in Frankrijk opereert via een bijkantoor. Tegoeden aangehouden bij een bijkantoor van een bank met een Nederlandse bankvergunning vallen, conform Europese regels, onder het Nederlandse DGS. Bij het toezicht op banken wordt uiteraard het algehele risicoprofiel van de instelling in ogenschouw genomen. Particuliere deposito’s, waaronder spaargelden, zijn één van de reguliere, doorgaans stabiele financieringsbronnen van een bank. Het risicoprofiel van banken wordt door vele verschillende factoren beïnvloed, de hoeveelheid aangetrokken deposito’s is daar een van.
Deelt u de mening dat ING alle buitenlandse takken van ING direct zo snel mogelijk om moet zetten naar een rechtsvorm waarbij de desbetreffende spaargelden onder het depositogarantiestelsel van het desbetreffende land vallen en niet langer onder het Nederlandse? Bent u bereid afspraken met ING hierover te maken? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Binnen Europese regels en de toezichtkaders zijn instellingen zelf verantwoordelijk voor hun structuur. In de EU/Europese Economische Ruimte (EER) is sprake van een gemeenschappelijke markt met vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal. De vrijheid van kapitaalverkeer wordt beschouwd als een grondbeginsel van het Verdrag en essentieel onderdeel voor het functioneren en voltooien van de interne markt.
Financiële diensten vallen onder het vrij verkeer van kapitaal. Dit betekent dat wanneer een financiële instelling een vergunning heeft gekregen in de ene lidstaat, deze instelling geen onnodige belemmeringen mogen worden opgelegd om in andere landen binnen de EU/EER vergelijkbare diensten aan te bieden. Gegeven dit uitgangspunt, kunnen banken op basis van hun «Europees paspoort» – eigenlijk de vergunning uit de lidstaat van herkomst – actief zijn in andere landen van de EU/ EER. Hieruit volgt dat het toezicht op een bank wordt uitgeoefend door de toezichthouder van de lidstaat van herkomst (zogenoemde home country control), behalve in de taakgebieden waarmee de Europese regelgeving de toezichthouder in de gaststaten heeft belast. Dit principe bepaalt tevens welk DGS van toepassing is.
Ten aanzien van die financiële instellingen die via een bijkantoor actief zijn in een of meerdere landen in de EU/EER, dienen de home country toezichthouder en de host country toezichthouder(s) (de toezichthouder van het land waar het bijkantoor is gevestigd) samen te werken en informatie uit te wisselen. In algemene zin zie ik hier ruimte voor verbetering van (samenwerking op het gebied van) het toezicht. Het is belangrijk om in Europees verband het toezichtsraamwerk te verbeteren, in plaats van ons achter de landsgrenzen terug te trekken, omdat dit aansluit bij het internationale karakter van de financiële markten en instellingen. Zo voorziet de nieuwe Capital Requirements Directive (CRD II) onder meer in de oprichting van colleges van toezichthouders, om de samenwerking en informatie-uitwisseling te verbeteren.
Het bericht dat Syrië aan Hezbollah Scudraketten verstrekt |
|
Atzo Nicolaï (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «VS vrezen dat Hezbollah Scudraketten krijgt»?1
Ja.
Bent u ook van mening dat levering van Scudraketten aan Hezbollah Libanon en de regio zal destabiliseren?
Zie het antwoord op vraag 4.
Wat is de reactie van Syrië, Libanon en Israël op deze aantijgingen?
Israël heeft deze beschuldigingen aan het adres van Syrië geuit. President Shimon Peres heeft, kort voor zijn officiële bezoek aan Parijs twee weken geleden, Syrië beschuldigd van het leveren van Scudraketten aan Hezbollah. Volgens Israël zal het beschikken over dergelijke wapens de vuurkracht van deze organisatie aanzienlijk vergroten en staat deze bevoorrading haaks op de voorgestelde bereidheid van Syrië om de indirecte vredesonderhandelingen te hervatten. Syrië en Libanon ontkennen met klem dat er sprake is van levering van Scudraketten aan Hezbollah.
Indien sprake is van deze leveringen, welke gevolgen verwacht u voor het Vredesproces in het Midden-Oosten?
Vooralsnog zijn deze berichten niet objectief verifieerbaar gebleken. Het is derhalve niet opportuun om hieraan op dit moment stellige conclusies te verbinden. Vast staat wel dat levering van dergelijke wapens een grove schending zou inhouden van verplichtingen voortvloeiende uit de VN Veiligheidsraadresoluties 1559 en 1701, die beide oproepen tot ontwapening van milities in Libanon. Een dergelijke schending zal in voorkomend geval ongetwijfeld onderwerp van bespreking worden in de VN-veiligheidsraad en zal alsdan naar onze mening leiden tot het nemen van passende maatregelen.
Indien van deze leveringen sprake is, heeft dit gevolgen voor de relatie tussen Nederland en Syrië? En voor de relatie tussen de EU en Syrië?
Zie de beantwoording van vraag 6.
Indien van deze leveringen sprake is, heeft dit gevolgen voor het, nog door Syrië te ratificeren, associatieakkoord tussen de EU en Syrië?
Nederland deelt de zorgen van de VS over de bewapening van Hezbollah en hecht dan ook sterk aan de naleving van genoemde VNVR-resoluties. Daarmee gaat Nederland door, zowel in VN- en ook in EU-verband. Ik merk op dat deze berichten vooralsnog niet hebben geleid tot een herziening van het toenaderingsbeleid van de VS jegens Syrië. Mijn Amerikaanse ambtgenote Hillary Clinton heeft tijdens de NAVO-top in Estland nog eens uitdrukkelijk aangegeven het vaste voornemen te hebben om op korte termijn een Amerikaanse ambassadeur in Damascus te plaatsen.
Als blijkt dat deze berichten op waarheid berusten, verdient deze schending van VNVR-resoluties ook in EU-kader aan de orde te worden gesteld en welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden in de EU-relatie met Syrië. Ik wil daar niet op vooruitlopen.
Implementatie van Europese richtlijnen over consumentenbescherming in Nederland |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Nederland houdt zich niet aan de Europese richtlijn»?1
Ja.
Is Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997, die wijst op de noodzaak om de kopers van goederen of diensten tegen het eisen van betaling voor niet-bestelde goederen en tegen agressieve verkoopmethoden te beschermen, op een dergelijke manier in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd dat aan de doelbepaling voldaan is?
Ja. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Aanpassing van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek aan richtlijn nr. 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (PbEG L 144) (richtlijn verkoop op afstand, hierna richtlijn)2 is ingegaan op de doelbepalingen van de richtlijn en de wijze waarop de richtlijn is omgezet in de Nederlandse wet- en regelgeving. Hieruit blijkt dat de consument zelf diverse mogelijkheden heeft om naleving van de bepalingen af te dwingen, door bijvoorbeeld bij de rechter nakoming van de overeenkomst te vorderen, eventueel versterkt met een dwangsom (artikel 611a Rv). Hoewel hiermee al aan de richtlijnbepalingen inzake effectieve handhaving was voldaan, zijn de handhavingmogelijkheden bij latere wetswijzigingen verder versterkt, door de introductie van de mogelijkheid van de collectieve actie door belangenorganisaties (3:305a BW en 3:305d BW) en publieke handhaving door de Consumentenautoriteit.
Wat vindt u van de stelling dat de zogeheten «cowboys» in de telefonische verkoop hun gang kunnen blijven gaan omdat de richtlijn anders geïmplementeerd had moeten worden? Indien u het niet eens bent met de stelling, hoe verklaart u dan dat de agressieve verkooppraktijken nog steeds doorgaan?
De stelling dat de richtlijn anders geïmplementeerd had moeten worden, delen wij niet. Daarvoor verwijzen wij naar ons antwoord op vraag 2. De Wet verkoop op afstand en de Wet oneerlijke handelspraktijken bieden de consument een goede bescherming tegen agressieve verkooppraktijken. Dat laat onverlet dat er altijd bedrijven kunnen zijn die zich niet aan de wet houden of de grenzen van de wet opzoeken. Overtreding van de regels is vanzelfsprekend niet aanvaardbaar, zowel vanwege het vertrouwen van consumenten als vanuit het oogpunt van concurrentieverhoudingen, en moet daarom worden tegengegaan. Naast de al genoemde mogelijkheden tot handhaving, is het van belang dat consumenten op een laagdrempelige manier gebruik kunnen maken van hun rechtsmiddelen. Dat kan in veel gevallen door middel van geschillencommissies. Voorlichting, door bijvoorbeeld ConsuWijzer, vervult een belangrijke rol bij het waarschuwen van consumenten. Daarnaast kunnen consumenten bij ConsuWijzer hun beklag doen over bedrijven die zich volgens hen niet aan de regels houden. Deze klachten vormen een belangrijke bron van informatie voor de Consumentenautoriteit in het kader van de handhaving. Datzelfde geldt voor de rol die consumentenorganisaties en consumentenprogrammas op radio en televisie vervullen.
Welke verschillen zijn er tussen de implementatie van deze richtlijn in Duitsland en de implementatie van deze richtlijn in Nederland?
Allereerst is de Duitse regeling over verkoop op afstand aangepast aan het Duitse systeem van wet- en regelgeving. Dit betekent dat deze op onderdelen zal afwijken van het Nederlandse systeem, bijvoorbeeld bij de wijze van handhaving. Het doel van de richtlijn, namelijk de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake overeenkomsten op afstand en de bescherming van de consument bij het op afstand sluiten van overeenkomsten, moet uiteraard zowel in Duitsland als in Nederland worden bereikt. Voor de wijze waarop Nederland aan dat doel heeft voldaan, verwijzen wij naar de beantwoording van vraag 2. Hieraan zij toegevoegd dat de Nederlandse implementatiemaatregelen, zoals gebruikelijk, aan de Europese Commissie zijn gemeld, die niet heeft doen blijken van enig bezwaar tegen onze wijze van implementatie.
Ten tweede is de richtlijn gebaseerd op minimumharmonisatie. Dit betekent dat de nationale wetgevers ruimte hebben om extra maatregelen te treffen ter bescherming van de consument. Duitsland heeft op sommige punten verdergaande maatregelen getroffen dan de richtlijn vereist, onder meer door de herroepingstermijn te stellen op twee weken (vgl. art. 355 lid 1 BGB). De richtlijn hanteert als minimale termijn 7 werkdagen. In Nederland maken wij zeer terughoudend gebruik van nationale koppen. Bij de invoering van de Wet koop op afstand is hierover overwogen dat de richtlijn de consument voldoende bescherming biedt.2
Wat zijn de effecten van deze verschillen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat er inzicht gegeven zou moet worden in het aantal klachten per onderwerp dat de Consumentenautoriteit ontvangt?
De Consumentenautoriteit is een onafhankelijke toezichthouder die onder het ministerie van Economische Zaken ressorteert. Op www.ConsuWijzer.nl, het informatieloket van de toezichthouders de Consumentenautoriteit, de NMa en de OPTA, kan de consument informatie vinden over zijn rechten en plichten. Tevens kan de consument bij ConsuWijzer melding maken van de handelspraktijken van een ondernemer. Deze meldingen kunnen een signaal zijn voor de toezichthouders dat een ondernemer zich niet aan de wet- en regelgeving houdt. Overigens zijn niet alle meldingen te kwalificeren als klachten en is het onderscheid tussen vragen en klachten niet altijd helder. In de jaarlijkse terugblik van de Consumentenautoriteit doet de Consumentenautoriteit verslag van haar activiteiten en gaat zij tevens in op de meldingen van consumenten bij ConsuWijzer, onder meer door aan te geven in welke categorieën de meeste meldingen zijn geregistreerd. Deze terugblik wordt jaarlijks voor 1 juni met mijn bevindingen aan uw Kamer toegezonden. De meldingen die bij ConsuWijzer binnenkomen, worden overigens niet als individuele klachten behandeld. Ze zijn een bron van informatie voor de toezichthouders ten behoeve van hun toezichts- en handhavingspraktijk. Wel worden consumenten waar mogelijk individueel geadviseerd over hun rechten en de vervolgstappen die zij eventueel zelf kunnen zetten. Wij zijn van mening dat de Consumentenautoriteit op deze manier voldoende transparant is over haar toezichts- en handhavingsactiviteiten.
Acht u het noodzakelijk dat de transparantie over het aantal klachten en de inhoud van de klachten van de Consumentenautoriteit en de Geschillencommissie Telecommunicatie verbeterd wordt?
Zie ons antwoord op vraag 6. Wij zijn van mening dat de Consumentenautoriteit voldoende transparant is over haar activiteiten.
De Geschillencommissie Telecommunicatie valt onder de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken (SGC). Het doel van de Geschillencommissie is om geschillen tussen consumenten en ondernemers op een goedkope, snelle en eenvoudige manier uit de wereld te helpen. Wij zijn een groot voorstander van deze manier van geschilbeslechting. De SGC brengt ieder jaar een jaarverslag uit waarin per geschillencommissie het aantal klachten te vinden is. Daarnaast kan men op de website van de SGC in het online uitsprakenregister per commissie een selectie van uitspraken vinden. Deze selectie representeert de lijn van uitspraken van de Commissie. Bovendien kunnen geïnteresseerden bij de SGC specifieke uitspraken opvragen.
Op welke manier wordt, zoals beweerd in het artikel, de wetgeving momenteel verder aangescherpt, zodat de Consumentenautoriteit eerder in het proces kan ingrijpen als zij misstanden ziet?
Tijdens het Algemeen Overleg met de Vaste Commissie Economische Zaken op 8 april jl. is de minister van Economische Zaken ingegaan op haar voornemen het handhavingsinstrumentarium van de Consumentenautoriteit verder aan te scherpen. Uitgangspunt bij de maatregelen die de minister van Economische Zaken wil treffen is dat de goede ondernemers niet lijden onder de kwade ondernemers en dat ondernemers die de wet overtreden in een vroeg stadium kunnen worden gecorrigeerd. Daarnaast wordt met deze maatregelen ook de motie Gesthuizen/Aasted-Madsen-Van Stiphout (TK 24 095, 237) uitgevoerd, die de regering verzoekt de Consumentenautoriteit de mogelijkheid te geven om, hangende een onderzoek, bedrijven het deel van de bedrijfsvoering dat onderwerp is van het onderzoek naar de wens van de Consumentenautoriteit aan te laten passen. De voorstellen behelzen een aanwijzingsbevoegdheid voor de Consumentenautoriteit, een informatie- en waarschuwingsbevoegdheid, het verhogen van de boetes en het opleggen van aanvullende maatregelen bij een last onder dwangsom, om de naleving van de last op een effectieve wijze te kunnen controleren.
Wat vindt u van de stelling dat consumentenbescherming onder het ministerie van Justitie zou moeten worden ondergebracht, omdat de (regelmatig) tegengestelde belangen van ondernemers en consumenten niet onder één ministerie zou moeten vallen?
Het consumentenbeleid, de voorlichting via ConsuWijzer en de handhaving via de Consumentenautoriteit zijn bij het ministerie van Economische Zaken in goede handen. Bij het vormgeven van het consumentenbeleid is het van belang een evenwicht te vinden tussen een hoog niveau van consumentenbescherming en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven. Het Ministerie van Economische Zaken heeft hier oog voor en betrekt hierbij de belangen van zowel de consument als de ondernemer.
Daarbij wordt uiteraard intensief samengewerkt met het ministerie van Justitie, omdat de Minister van Justitie verantwoordelijk is voor het Burgerlijk Wetboek en daarin de hoekstenen van de consumentenbescherming zijn neergelegd. Het ministerie van Justitie is voorts verantwoordelijk voor de implementatie van Europese Richtlijnen op het gebied van burgerlijk recht.
Vanwege de onderlinge samenhang tussen de pijlers «beleid, handhaving en regelgeving» worden overkoepelende wetten, zoals de Wet oneerlijke handelspraktijken en de Wet handhaving consumentenbescherming, door beide bewindspersonen ondertekend. Ook trekken beide ministeries gezamenlijk op in de onderhandelingen over de Richtlijn Consumentenrechten in Brussel. Ons is niet gebleken dat hierdoor de consumentenbescherming in het gedrang komt.
De werkin gvan het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Duitsland voor Rijnvaartschippers |
|
Frans Weekers (VVD) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het feit dat er grote onduidelijkheid is ontstaan over de vraag of Rijnvaartschippers wel of niet belastingplichtig zijn in Nederland? (Ter illustratie: uitspraak rechtbank te ’s-Gravenhage1)?
Mij is bekend dat enkele Nederlandse binnenvaartschippers betwisten dat de winst die zij behalen met hun binnenvaartonderneming aan de heffing van Nederlandse inkomsten- of vennootschapsbelasting is onderworpen. Het is in Nederland gebruikelijk dat bij een niet in overleg op te lossen verschil van inzicht tussen een belastingplichtige en de Belastingdienst het oordeel van de rechter in belastingzaken wordt gevraagd. Dat is ook geschied in de zaak waarnaar in vraag 1 wordt verwezen.
Voor de verdeling tussen Nederland en Duitsland van het recht tot belastingheffing over de winst van een binnenvaartonderneming is op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied (verder te noemen «het Nederlands-Duitse belastingverdrag») van belang dat vastgesteld wordt waar het middelpunt van de algemene leiding van de binnenvaartonderneming zich bevindt. Deze leiding is in de regel in handen van de ondernemer zelf. In dat geval kan het middelpunt van de algemene leiding van de binnenvaartonderneming zich in diens woning aan de wal bevinden of aan boord van het schip waarop de ondernemer vaart. Als het middelpunt van de leiding van een binnenvaartonderneming zich aan boord van een schip bevindt, dan wordt voor de toepassing van het Nederlands-Duitse belastingverdrag de plaats waar het schip zijn thuishaven heeft, beschouwd als de plaats van de leiding van de onderneming. Het Nederlands-Duitse belastingverdrag geeft geen nadere richtlijnen voor de invulling van het begrip thuishaven. Invulling van dit begrip heeft plaatsgevonden in de belastingrechtspraak. Naar het oordeel van de Hoge Raad (arresten van 30 maart 1955, nr. 12 239 en 10 december 1958, nr. 13 784), alsmede recent nog het Hof ’s-Gravenhage (8 december 2009, nr. 08/00394) is de thuishaven van een schip de haven waar het schip zijn reizen aanvangt en eindigt. Een thuishaven zou aldus kunnen worden vastgesteld aan de hand van het logboek van een schip. Als dat echter onvoldoende houvast zou bieden, kan volgens de Nederlandse rechtspraak de thuishaven mede worden bepaald aan de hand van een aantal andere factoren, zoals de nationaliteit van het leidende deel van de bemanning, de plaats van waaruit het schip wordt gedirigeerd en waar het schip wordt bevoorraad.
Opgemerkt zij dat de regeling voor de winst van binnenvaartschippers in het huidige Nederlands-Duitse belastingverdrag in de kern overeen komt met de relevante bepaling in het OESO-modelverdrag, artikel 8. Dat wil zeggen dat ook op grond van artikel 8 OESO-modelverdrag het heffingsrecht ter zake van voordelen uit de exploitatie van binnenvaartschepen wordt toegewezen aan de staat waar de werkelijke leiding van de binnenvaartonderneming is gelegen, waarbij indien de werkelijke leiding zich aan boord van een schip bevindt, deze eveneens wordt geacht te zijn gelegen in de staat waar de thuishaven van het schip zich bevindt. Hieruit volgt derhalve dat het een internationaal algemeen aanvaard beginsel is om, indien de werkelijke leiding van een binnenvaartonderneming zich aan boord van het schip bevindt, aan te sluiten bij de plaats waar het schip zijn thuishaven heeft. Echter, ook in het OESO-modelverdrag en het bijbehorende commentaar wordt geen nadere invulling gegeven aan het begrip thuishaven.
Met Duitsland zijn onderhandelingen gaande over de herziening van het huidige belastingverdrag. Voor wat betreft de toewijzing van het heffingsrecht ter zake van voordelen uit de exploitatie van binnenvaartschepen zet Nederland hierbij in op opneming van een bepaling die (grotendeels) overeenkomt met artikel 8 van het OESO-modelverdrag. In afwijking van het huidige Nederlands-Duitse belastingverdrag bevat artikel 8 van het OESO-modelverdrag nog de aanvullende bepaling dat indien er geen thuishaven in vorenbedoelde zin is, de plaats van de werkelijke leiding van de binnenvaartonderneming wordt geacht te zijn gelegen in de woonstaat van de exploitant van het schip. Door aan te sluiten bij het OESO-modelverdrag zet Nederland derhalve erop in dat in het toekomstige Nederlands-Duitse belastingverdrag een «tie-breaker» (beslissingsbepaling) voor binnenvaartschippers wordt opgenomen voor gevallen dat er geen thuishaven is.
Bent u van mening dat het verdrag tussen Nederland en Duitsland ter voorkoming van dubbele belasting en/of de in Nederland van kracht zijnde wetten met betrekking tot de inkomstenbelasting voldoende helderheid verschaffen over het begrip «thuishaven», dat in deze kwestie bepalend is voor de plaats van de belastingplicht? Zo ja, welke concrete randvoorwaarden hanteert de belastinginspectie om te bepalen of er sprake is van een Nederlandse belastingplicht of niet? Zo nee, hoe gaat u het begrip thuishaven nader concretiseren zodat in de toekomst onduidelijkheid wordt voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarop is uw beslissing gebaseerd om niet eerder een overlegprocedure als bedoeld in artikel 22 van het verdrag op te starten dan nadat de aanslagen zijn vastgesteld en het duidelijk is dat er sprake is van dubbele belastingheffing? Hoe verhoudt deze beslissing zich tot het doel van het verdrag, namelijk het voorkomen van dubbele belasting?
Ik heb in een enkel geval de beslissing genomen niet eerder een overlegprocedure met de Duitse bevoegde autoriteit op de voet van artikel 22 van het Nederlands-Duitse belastingverdrag te starten dan nadat de door Nederland opgelegde aanslag over de door de betrokken ondernemers behaalde winst onherroepelijk is komen vast te staan. Uit inlichtingen die ik via de FIOD uit Duitsland heb verkregen is mij namelijk gebleken dat ook de Duitse fiscus zich – in de aan mij voorgelegde gevallen – op het standpunt stelt dat de betrokken binnenvaartschippers geen inwoners van Duitsland zijn en dat de leiding van hun binnenvaartonderneming evenmin in Duitsland is gelegen. Het ligt derhalve voor de hand dat Duitsland deze binnenvaartschippers niet in de belastingheffing naar de winst uit hun binnenvaartonderneming zal betrekken.
Omdat in de voorgelegde gevallen tussen Nederland en Duitsland geen verschil van inzicht bestaat ten aanzien van het gegeven dat voor de toepassing van het Nederlands-Duitse belastingverdrag de woonplaats van de binnenvaartschipper en/of de plaats van de leiding van diens binnenvaartonderneming niet in Duitsland is gelegen, is er geen enkele aanleiding om op de voet van artikel 22 van het Nederlands-Duitse belastingverdrag een procedure voor onderling overleg te starten.
In de twee gerechtelijke procedures waarin de binnenvaartschippers dit standpunt bestrijden, heeft de Nederlandse rechter in belastingzaken (Rechtbank 's-Gravenhage 22 september 2009, nr. 08/255, aangehaald in vraag 1, alsmede Hof ’s-Gravenhage 8 december 2009, nr. 08/00394, als eerder genoemd) het door de bevoegde inspecteur ingenomen standpunt, dat de leiding van de betrokken binnenvaartonderneming zich niet in Duitsland maar aan boord van het schip bevindt en dat het schip zijn thuishaven in Nederland heeft, bevestigd. Ik ben echter uiteraard bereid om – zodra daartoe aanleiding bestaat – met de Duitse bevoegde autoriteiten in onderling overleg te treden teneinde in voorkomend geval dubbele belastingheffing weg te nemen.
Een en ander laat evenwel onverlet dat ik in de afgelopen jaren met de Duitse bevoegde autoriteiten – en marge van onderling overleg over andere zaken – regelmatig ook reeds in meer algemene zin over de gesignaleerde problematiek betreffende de binnenvaartschippers van gedachten heb gewisseld teneinde het optreden van dubbele belastingheffing voor deze beroepsgroep waar mogelijk te vermijden.
Een Rijksrecherche onderzoek naar de schrijfproeven in de Deventer moordzaak |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
![]() |
Erkent u dat het overschrijven van een hele bladzijde strijdig is met de forensische norm voor het afnemen van een schrijfproef?1
Nee. De betreffende FT-norm schrijft slechts voor dat de tekst aan de betrokkene moet worden gedicteerd. Het gedeeltelijk overschrijven van de gedicteerde tekst is op zichzelf niet in strijd met die norm. Wel meen ik dat het overschrijven als bijzonderheid had moeten worden vermeld in het proces-verbaal van de betreffende schrijfproef.
Waarop baseert u de «overschrijfhypothese» terwijl die door de feiten en de betrokken getuigen wordt tegengesproken en allen stellen dat alles volgens de richtlijnen is verlopen en zich geen bijzonderheden hebben voorgedaan?
De «overschrijfhypothese» biedt een logische verklaring voor de herstelactie die mogelijk heeft plaatsgevonden nadat klaarblijkelijk was geconstateerd dat mevrouw W. de gedicteerde tekst op de achterkant van het eerste blad doorschreef. Zij past bovendien bij de verklaringen die mevrouw W. tegenover de Rijksrecherche heeft afgelegd en bij de destijds gemaakte aantekeningen in haar agenda. De enkele omstandigheid dat een aantal door de Rijksrecherche gehoorde getuigen heeft verklaard «dat alles volgens de richtlijnen is verlopen en zich geen bijzonderheden hebben voorgedaan», doet aan de aannemelijkheid van de overschrijfhypothese niet af.
Uit welke agenda-aantekeningen of verklaring van mevrouw W., van haar advocaat of van de betrokken rechercheur blijkt dat er een hele bladzijde zou zijn overgeschreven en de originele bladzijde is weggegooid?
Dat kan volgen uit de agenda-aantekeningen van mevrouw W. bij de datum 3 april 2006. Over die aantekeningen heeft mevrouw W. tegenover de Rijksrecherche verklaard dat zij zich meent te herinneren dat zij op het eerste blad op de achterzijde verder schreef, omdat zij de voorzijde had volgeschreven en dat dat niet de bedoeling was, omdat de tekst niet mocht doordrukken.
Verder verklaarde zij dat zij vervolgens op een nieuw blad moest verder schrijven en dat zij een nieuw blad uitgereikt kreeg waarop zij de proef had voortgezet.
Mede op basis daarvan is van de gang van zaken tijdens de schrijfproef een reconstructie gemaakt. Die geeft grond voor de aanname dat de bladzijde waarvan de achterzijde was beschreven, is weggegooid.
Waarom heeft de Rijksrecherche de mogelijkheid van het weggooien niet onderzocht, nu dit de pijler lijkt te zijn onder uw antwoord?
De mogelijkheid van het weggooien heeft wel deel uitgemaakt van het onderzoek door de Rijksrecherche. Getuigen zijn ernaar gevraagd, maar wisten zich de relevante feitelijke details niet of slechts ten dele te herinneren. Zie voorts het antwoord op vraag 3.
Waar in het rapport en door welke onderzoeksactiviteiten is de fraudehypothese van de Rijksrecherche weerlegd, anders dan het horen van getuige F. die slechts verklaart dat het ontbreken van de passage niet van invloed is geweest op de uitslag?
Deze fraudehypothese is door de Rijksrecherche geformuleerd ten behoeve van haar feitenonderzoek. Zij is vervolgens niet aannemelijk geoordeeld. Zie ook het antwoord op vraag 6. De getuige F. heeft overigens niets verklaard over de totstandkoming van de schrijfproef, maar over de bruikbaarheid van het resultaat voor het handschriftvergelijkend onderzoek. Ik citeer uit zijn verklaring: «De bedoeling is dat wij een stuk handgeschreven tekst of een aantal handtekeningen ontvangen dat wij als vergelijkingsmateriaal kunnen gebruiken. Indien er niet geheel is voldaan aan de richtlijnen, wil dat niet zeggen dat dit meteen onbruikbaar is. We hadden voldoende aan het aangeleverde materiaal om tot een oordeel te komen».
Uit de verklaring van getuige F. kan worden geconcludeerd dat, indien de FT-norm wel was overschreden, het materiaal volgens getuige F. niettemin bruikbaar zou zijn geweest.
Waarom zijn de in de bijlage2 opgenomen tegenstrijdige verklaringen van betrokkenen en onregelmatigheden in combinatie met de onmogelijke tijdlijn en de onverklaard gebleven ontbrekende passage, in tegenstelling tot hetgeen fraude-experts3 en statistici (zoals Richard Gill) volgens u geen aanwijzingen voor frauduleus handelen?
Met «frauduleus handelen» wordt kennelijk gedoeld op de mogelijkheid dat een ander dan mevrouw W. de schrijfproef heeft afgelegd, of dat mevrouw W. een aantal gedicteerde woorden bewust niet heeft opgeschreven. Het onderzoek van de Rijksrecherche geeft evenwel geen reden om eraan te twijfelen dat mevrouw W. de schrijfproef heeft afgelegd. De schrijfproefformulieren van mevrouw W. zijn daadwerkelijk beschreven door mevrouw W., gezien de door het NFI geconstateerde sterke samenhang tussen dit handschrift en het van mevrouw W. afkomstige handschrift op andere ter vergelijking gebruikte dragers. Voorts valt niet in te zien hoe met het enkele niet opschrijven van 15 van de 131 gedicteerde woorden het resultaat van het handschriftvergelijkend onderzoek zodanig zou kunnen worden beïnvloed, dat daardoor niet meer zou kunnen worden vastgesteld dat mevrouw W. de auteur is van de anonieme briefjes.
Het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut en het onderzoek door het Britse Forensic Science Services hebben tot slot geen aanwijzingen opgeleverd dat de tekst op de anonieme briefjes van dezelfde schrijver afkomstig is, noch dat die afkomstig is van een van de deelnemers aan de schrijfproef.
Hoe verhouden deze feiten en verklaringen zich tot uw antwoord op de achtste vraag van de eerder gestelde Kamervragen dat de geformuleerde eventualiteiten zich niet hebben voorgedaan?
Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u per punt van bijlage 1 uiteenzetten waarom de Rijksrecherche geen onderzoek (aanvullende vragen etc.) naar de fraudeaanwijzingen heeft verricht dan wel kunt u de pagina’s noemen, waarop de onderzoeksactiviteiten (inclusief de uitkomsten) zijn beschreven?
De herstelhypothese is niet onverenigbaar met de in de bijlage gereleveerde «feiten en verklaringen». De fraudehypothese heeft wel deel uitgemaakt van het feitenonderzoek van de Rijksrecherche maar is ondanks de «feiten en verklaringen» niet aannemelijk geworden.
Naar tijdstippen heeft de Rijksrecherche wel onderzoek gedaan, maar er is onduidelijkheid blijven bestaan over het exacte tijdstip waarop de opdracht tot het uitvoeren van de schrijfproeven bij het korps Noord- en Oost Gelderland is binnengekomen. Dit is ook vermeld in het persbericht en in mijn antwoord op vraag 7 van eerdere vragen van het lid Pechtold (D66) over een Rijksrechercheonderzoek naar schrijfproeven in het kader van de Deventer moordzaak en het klachtrecht bij het Openbaar Ministerie (TK 2009–2010, 1788). Ook dat doet echter in mijn ogen niet af aan de aannemelijkheid van de herstelhypothese en onaannemelijkheid van de fraudehypothese.
De bezuinigingen bij Bureau Jeugdzorg Utrecht en Trajectum te Utrecht |
|
Marianne Langkamp |
|
André Rouvoet (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport, minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
Kunt u aangeven hoe Bureau Jeugdzorg Utrecht hetzelfde aantal gezinnen kan begeleiden als zij naar verwachting 4,2 miljoen euro minder krijgt in 2010?1, 2 en 3
Zoals ik op 26 maart 2010 in antwoord op eerdere kamervragen heb gemeld3, heeft de provincie Utrecht mij laten weten dat deze informatie niet juist is. Er is volgens de provincie Utrecht geen sprake van een bezuiniging op de subsidie voor bureau jeugdzorg.
Is het waar dat Bureau Jeugdzorg Utrecht nog steeds te maken heeft met een groeiende hulpvraag en aantal aanmeldingen?4 Zo ja, hoe kunt u deze bezuinigingen dan rijmen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat Bureau Jeugdzorg de groeiende hulpvraag kan opvangen?
Met de provincies en stadsregio’s ben ik in IPO-verband het Afsprakenkader jeugdzorg 2010–2011 overeengekomen. Met dit afsprakenkader is vastgesteld welke middelen ik beschikbaar stel voor de provinciale jeugdzorg voor de jaren 2010 en 2011. In IPO-verband is een verdeelvoorstel gemaakt waarmee ik heb ingestemd. Over de precieze bedragen per provincie en stadsregio heb ik u geïnformeerd per brief van 20 januari (Kamerstukken 2009–2010, 31 839, nr. 32).
Op basis van het beschikbare budget is afgesproken dat provincies alle kinderen de noodzakelijke zorg geven binnen verantwoorde wachttijden. Dit geldt ook voor de provincie Utrecht.
Kunt u aangeven hoeveel jeugdhulpverleners er bij Bureau Jeugdzorg Utrecht en Trajectum inmiddels zijn ontslagen, of hun contract niet meer is verlengd vanwege bezuinigingen?4
Zoals ik u in antwoorden op eerdere kamervragen (d.d. 26 maart 2010) hierover heb gemeld, is er bij bureau jeugdzorg geen sprake van een bezuinigingsmaatregel. Wel zullen van bepaalde medewerkers de tijdelijke contracten niet worden verlengd omdat de incidentele bijdrage in verband met de wachtlijstaanpak niet wordt gecontinueerd. De provincie Utrecht is niet op de hoogte van het aantal hulpverleners voor wie dit het geval is. De provincie geeft aan dat er in elk geval geen sprake zal zijn van (gedwongen) ontslag.
Ook heeft de provincie Utrecht van Trajectum geen signalen ontvangen dat er ontslagen zullen vallen.
Kunt u aangeven hoeveel andere Bureaus Jeugdzorg minder subsidie hebben gekregen dan in 2009? Wat zijn de gevolgen voor deze Bureaus Jeugdzorg?
Zoals in eerdere beantwoording van kamervragen gemeld (d.d. 26 maart 2010), is het de verantwoordelijkheid van de provincies om middelen beschikbaar te stellen voor bureau jeugdzorg. Provincies informeren mij na afloop van elk jaar over de besteding van de doeluitkering.
Zijn er al provincies die afspraken gemaakt hebben met gemeenten hoe gemeenten intensief ambulante hulpverlening kunnen inschakelen zonder indicatie van Bureau Jeugdzorg? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel gemeenten al zo werken? Zo nee, hoe gaat u stimuleren dat gemeenten dit meer gaan doen?
Zoals ik u in eerdere antwoorden heb laten weten (d.d. 26 maart 2010), is het maken van afspraken over intensief ambulante hulptrajecten en andere vormen van zorg een verantwoordelijkheid van de provincies. Over de inhoud van deze afspraken is op centraal niveau op dit moment geen informatie beschikbaar.
De provincies informeren mij voor 1 oktober over de uitvoering van het Afsprakenkader. Zoals toegezegd in het algemeen overleg van 11 mei jongstleden zal ik uw Kamer na ontvangst van deze gegevens zo spoedig mogelijk hierover informeren.
Is het waar dat Bureau Jeugdzorg Utrecht onder aangescherpt toezicht staat? Kunt u aangeven wat hieronder precies wordt verstaan, en wat de gevolgen hiervan zijn?1
De provincie Utrecht zal de komende tijd het toezicht op bureau jeugdzorg verscherpen. Dit houdt in dat alle stukken die naar de Raad van Toezicht gaan ook aan de provincie Utrecht worden gezonden.
Is het waar dat de financiering voor de Deltamethode ontoereikend is? Zo ja, wat voor gevolgen heeft dit op de caseload van gezinsvoogden in het hele land?
Het bestaande normtarief voor de uitvoering van een maatregel van gezinsvoogdij volgens de Deltamethode is op 1 januari 2008 in werking getreden. Dit normtarief is vastgesteld na een uitgebreid en gedegen kostprijsonderzoek en met medewerking en instemming van de MOgroep Jeugdzorg en het IPO. Het normtarief is gebaseerd op een gemiddelde caseload van 1:15. Door de MOgroep Jeugdzorg zijn in juli 2009 signalen afgegeven dat het normtarief voor het jaar 2008 ontoereikend zou zijn en dat sprake is van tekorten in de exploitatie in 2008.
Het staat nog niet vast dat er inderdaad sprake is van een structureel tekort in de jeugdbescherming en zo ja, of dit tekort veroorzaakt wordt door een te laag normtarief. Met IPO en MOgroep Jeugdzorg is dan ook afgesproken dat onafhankelijk onderzoek wordt gedaan naar het normtarief jeugdbescherming. Dit onderzoek is inmiddels gestart en zal nog vóór de zomer 2010 worden afgerond.
Vooralsnog houd ik vast aan de met het IPO en MOgroep Jeugdzorg afgesproken gemiddelde caseload voor gezinsvoogdijwerkers van 1:15. Met deze caseload is uitvoering gegeven aan de ambitie zoals die geformuleerd is in het kader van het programma Beter Beschermd.
Wat gaat u eraan doen dat de gezinsvoogden op een gemiddelde caseload van 15 gezinnen blijven zodat zij de Deltamethode naar behoren kunnen uitvoeren?
Zie antwoord vraag 7.
Onveilig speelgoed |
|
Ine Aasted-Madsen (CDA) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de bekendmaking van de Europese Commissie dat 25 procent van het in Europa onderzochte speelgoed onveilig is?1
Ja.
Constaterende dat ook de veiligheid van kleding en motorvoertuigen vaker niet in orde blijkt te zijn, in 2009 een stijging van 7 procent, deelt u de mening van de Europese Commissie dat dit het gevolg is van betere controle?
Ja, die mening deel ik. De cijfers op basis van het jaarverslag van het Europees meldingensysteem voor gevaarlijke consumentenproducten (RAPEX) geven geen representatief beeld van de veiligheid van een bepaalde productgroep in algemene zin. De producten die via het RAPEX systeem worden gemeld zijn een afspiegeling van de toezichtsactiviteiten in de lidstaten. In Nederland houdt de Voedsel en Warenautoriteit (VWA) toezicht op de veiligheid van consumentenproducten.
De VWA voert haar toezicht op de veiligheid van consumentenproducten uit op een wijze die risicogericht is. Het toezicht geschiedt op basis van zogenaamde risicoprofielen van producten en handelskanalen. Dit betekent dat de VWA haar controles daar uitvoert waar zij, op basis van een analyse van risico’s, mag verwachten dat de kans het grootst is dat er onveilige producten worden verhandeld. Door dit type controles lopen toezichthouders in Europa en in Nederland tegen hoge afwijkingspercentages aan.
De stijging van de meldingen van motorvoertuigen in 2009 is mede toe te wijzen aan het feit dat sinds 1 mei 2009 de nieuwe kaderrichtlijn van toepassing is geworden. Deze richtlijn bevat voor het eerst de verplichting voor fabrikanten om melding te maken van onveilige producten. In Nederland houdt de rijksdienst voor het wegverkeer hier toezicht op.
Wat gebeurt er concreet als blijkt dat een product niet veilig is? Wordt dit onmiddellijk uit de handel genomen? Worden consumenten hier onmiddellijk over geïnformeerd? Wat wordt in Nederland gedaan om veiligheidsrisico’s voor de (kleine) consumenten tot een minimum te beperken?
De Warenwet verbiedt het verhandelen van onveilig speelgoed en andere consumenten producten. De producent en de distributeur hebben een meldingsplicht wanneer zij constateren dat een door hen op de markt gezet product niet veilig is. Onveiligheid kan ook aan het licht komen naar aanleiding van inspecties en onderzoek door de VWA. Het is aan hen om corrigerende acties te ondernemen. Afhankelijk van de ernst van het risico worden verschillende maatregelen genomen zoals publiekswaarschuwingen, terugroepacties en het uit de handel nemen. De VWA ziet hier op toe en kan sancties opleggen.
Hoe ziet u de verantwoordelijkheid van importeurs? Zouden zij zich niet vooral moeten vergewissen van de veiligheid?
Onder de huidige Speelgoedrichtlijn (78/378/EEG), geïmplementeerd in het Warenwetbesluit speelgoed heeft de importeur dezelfde verplichtingen als de producent. Een importeur dient zich te vergewissen van de veiligheid van het speelgoed dat hij van buiten de EU importeert alvorens het op de Europese markt gebracht mag worden.
In de nieuwe Speelgoedrichtlijn, waarvan de bepalingen medio 2011 van kracht worden, zijn de verschillende verplichtingen van producent, importeur en distributeur veel duidelijker aangegeven. Zo moeten producenten onder andere technische documentatie opstellen voor het speelgoed dat op de markt wordt gebracht. Importeurs zien erop toe dat de producten de juiste veiligheidsbeoordelingsprocedure hebben uitgevoerd. Distributeurs controleren zelf of het speelgoed vergezeld gaat van de vereiste documenten en instructies.
Wat zijn de consequenties voor de importeurs die in Nederland onveilig speelgoed op de markt brengen?
Zie vraag 3.
Het weigeren van een patiënte door huisartsen uit Drunen |
|
Henk van Gerven |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wat is uw mening over het feit dat huisartsen in Drunen weigeren een patiënte aan te nemen, zodat de patiënte thans geen huisarts heeft?1
In de KNMG richtlijn «Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst» (KNMG uitgave – versie 3.0, laatst gewijzigd in 2005, paragraaf 2.2) staat dat het een zorgvuldigheidsvereiste is om de medisch noodzakelijke zorg voort te zetten totdat een andere zorgverlener is gevonden. Omdat deze patiënte al een behandelrelatie met een huisarts uit de regio is aangegaan, zal zij de noodzakelijke zorg die uit zorgvuldigheidsvereiste van die richtlijn voorvloeit, kunnen blijven ontvangen.
Vindt u niet dat huisartsen de plicht hebben een regeling te treffen zodat men wel huisartsenzorg kan ontvangen?
De KNMG richtlijn omschrijft dat voor zover het gaat om medisch noodzakelijke zorg er een verplichting tot het voortzetten van zorg bestaat totdat een andere zorgverlener deze taak op zich neemt. Ik ben van mening dat dit in de praktijk neerkomt op de regeling waarnaar u vraagt. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Wat is de rol van verzekeraar CZ? Hoever reikt haar zorgplicht om huisartsenzorg voor een individuele verzekerde te realiseren? Kan een verzekeraar uiteindelijk huisartsen verplichten zorg aan patiënte te verlenen?
Centraal staat dat een zorgverzekeraar zich inspant om aan zijn zorgplicht (in casu: huisartsenzorg) voor een individuele verzekerde te voldoen. In deze casus heeft patiënte zich gewend tot CZ om hulp te vragen bij het vinden van een huisarts. Aan de hand daarvan zijn meerdere bemiddelingspogingen gedaan, mede met behulp van een onafhankelijke commissie van advies.
Het afdwingen van zorgleverantie door de huisarts is echter een (privaatrechtelijke) zaak tussen de patiënt en de arts en uiteindelijk dus niet van de zorgverzekeraar. De in de KNMG richtlijn beschreven zorgvuldigheidsvereisten zijn gebaseerd op de relevante wetgeving (in casu: Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst, Wgbo) en de gepubliceerde rechterlijke uitspraken over beëindiging van de behandelingsovereenkomst. In alle gevallen geldt dat de individuele arts verantwoordelijk is en blijft voor zijn besluit tot niet aangaan of beëindiging van de overeenkomst. Wordt de zaak door de patiënt aan de rechter voorgelegd dan zal deze op basis van de individuele omstandigheden moeten beoordelen of zorgvuldig is gehandeld.
Welke rol speelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in deze kwestie?
De NZa heeft een toezichthoudende rol op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg hier nog een taak, nu de toegankelijkheid tot huisartsenzorg in het geding is?
Ja. De IGZ ziet erop toe dat de richtlijnen van de KNMG worden gevolgd. Mij is meegedeeld dat de IGZ in deze casus ook betrokken geweest en met alle betrokken partijen (zorgaanbieders, verzekeraar en patiënte) overleg heeft gehad.
Een themabijeenkomst van het RIVM |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Is het waar dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een themabijeenkomst organiseert op 27 mei a.s. onder de titel «Samenwerken aan betrouwbare voorlichting voor, tijdens en na de zwangerschap»?
Ja.
Wat vindt u van het feit dat het doel van deze bijeenkomst ook is om samen te werken aan een «uniforme en betrouwbare boodschap» als voorlichting aan (aanstaande) ouders? Denkt u dat deze «uniforme en betrouwbare boodschap» tijdens deze bijeenkomst tot stand zal komen? Vind u het gewenst dat de «uniforme en betrouwbare boodschap» tijdens deze bijeenkomst tot stand komt?
Ik heb begrepen dat het doel van deze bijeenkomst is om organisaties en samenwerkingsverbanden die nu reeds actief zijn ten aanzien van voorlichting aan mensen met een kinderwens, aanstaande ouders en ouders van pasgeborenen bij elkaar te brengen. De bijeenkomst is gericht op kennismaking, het uitwisselen van informatie en producten en het verkennen van afstemming en samenwerking. Ik vind het van groot belang dat de voorlichting en informatie rondom de zwangerschap in het hele land eenduidig en betrouwbaar is of deze nu landelijk, regionaal of op wijkniveau wordt uitgedragen en onafhankelijk van wie de informatie geeft. Dat uitgangspunt heeft de Stuurgroep zwangerschap en geboorte in zijn advies benadrukt. Omdat er gelukkig al heel veel gedaan wordt op het gebied van voorlichting vóór, tijdens en na de zwangerschap is het nuttig om initiatiefnemers bij elkaar te brengen. Ik waardeer het initiatief van het RIVM daarom als positief. Ik heb niet de indruk dat het de bedoeling is om tijdens deze bijeenkomst een concrete boodschap te formuleren. Dat lijkt mij overigens haalbaar, noch wenselijk.
Heeft u het RIVM de opdracht gegeven uniform voorlichtingsmateriaal te ontwikkelen?
Het ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal is een reguliere taak van het RIVM.
Het RIVM/Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CVB) is de landelijke regisseur van het Nationaal Programma Bevolkingsonderzoek (NPB). Van het NPB maken ook een aantal screeningen deel uit tijdens de zwangerschap en direct na de geboorte. Daarom organiseert het RIVM/CVB in opdracht van het ministerie van VWS samen met betrokken partijen landelijk uniforme voorlichting, inclusief voorlichtingsmateriaal. Ook draagt het CVB zorg voor de ondersteuning van de redactie die de uitgifte van de landelijke folder «Zwanger!» verzorgt.
Het RIVM Centrum Jeugdgezondheid ontwikkelt in opdracht van het ministerie van VWS een downloadfunctie voor kernboodschappen in de voorlichting aan ouders en jeugdigen 0–19 jaar.
Het RIVM Centrum Gezond Leven heeft onder andere de opdracht om samenhang aan te brengen in de ondersteuning van gezondheidsbevorderende thema’s. Het RIVM/CGL werkt hiertoe samen met negen landelijke thema-instituten.
Ik heb overigens geen aanvullende opdracht gegeven aan het RIVM. Ik verwijs eveneens naar het antwoord op vraag 10.
Deelt u de mening dat het College Perinatale Zorg en niet het RIVM de regie heeft ten aanzien van de uitvoering van de aanbevelingen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte?
Ja.
Deelt u de mening dat ook het ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal onderdeel is van de aanbevelingen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte en derhalve thuishoort bij het College Perinatale Zorg en niet bij het RIVM?
Het ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal, noch de redactie daarvan lijkt mij een taak van het College Perinatale Zorg. Dat geldt wel voor het coördineren van een proces dat erop gericht is dat een eenduidige betrouwbare boodschap tot stand komt. Het accent bij het formuleren van deze boodschap zal mijns inziens vooral moeten liggen op het verbinden van wat er al is en niet zozeer op het (opnieuw) ontwikkelen.
Als het gaat om de inhoud en de vorm van de boodschap is er mijns inziens behoefte aan inbreng van expertise en ervaring vanuit diverse (beroeps)organisaties, afkomstig uit de verloskundige zorg, uit de publieke gezondheidszorg en uit de jeugdgezondheidszorg. Maar ook de inbreng vanuit patiënten- en consumentenorganisaties en andere partijen met kennis van zaken, waaronder het RIVM en de landelijke thema-instituten is wenselijk.
Immers, er is al heel veel materiaal, kennis en ervaring beschikbaar in en vanuit de dagelijkse praktijk van beroepsgroepen en organisaties. Een landelijk eenduidige boodschap zal per setting in een andere vorm gegoten, en op maat voor heel diverse doelgroepen gemaakt moeten worden, opdat iedereen, inclusief kwetsbare groepen, ook daadwerkelijk bereikt wordt. Ook het bereiken van mensen met een kinderwens of aanstaande ouders die zich nog niet in de zorg hebben gemeld is een belangrijke uitdaging voor alle betrokkenen.
Wat is volgens u de waarde en de status van deze bijeenkomst, nu reeds is toegezegd dat zo spoedig mogelijk een College Perinatale Zorg opgericht wordt dat de regie zal voeren over de uitvoering van de aanbevelingen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte?
Ik waardeer deze bijeenkomst als positief. De bijeenkomst kan bouwstenen opleveren voor het vervolgtraject. De voorzitter van de (voormalige) Stuurgroep Zwangerschap en geboorte, Prof. dr. J. van der Velden is door het RIVM uitgenodigd als dagvoorzitter van de bijeenkomst op 27 mei aanstaande.
Organiseert het RIVM deze bijeenkomst mede in opdracht van uw ministerie, zoals het RIVM in de uitnodiging aangeeft? Zo ja waarom? Zo nee, namens wie organiseert het RIVM deze bijeenkomst?
Het RIVM organiseert de bijeenkomst voor en namens betrokken organisaties, zo lees ik in de uitnodiging. Mijn ministerie was op de hoogte dat het RIVM een dergelijk initiatief wilde nemen.
Waarom organiseert het RIVM volgens u een dergelijke bijeenkomst, terwijl reeds besloten is dat overgegaan zal worden tot instelling van een College Perinatale Zorg en in dat kader dergelijke activiteiten direct kunnen bijdragen aan het uitvoeren van de aanbevelingen van de Stuurgroep?
Mijns inziens hoeft de voortgang op dit onderwerp niet stil te staan tot de instelling van het College, dat zijn voordeel kan doen met voortgang die al geboekt kan worden.
Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 en 6.
Nee, die mening deel ik niet. Ik verwijs ook naar het antwoord op de vragen 5, 6 en 7.
Deelt u de mening dat het RIVM met deze bijeenkomst een voorschot probeert te nemen op de taken van het College Perinatale Zorg?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat het RIVM zich op haar eigen taken moet richten en de uitvoering van de aanbevelingen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte moet overlaten aan de deskundigen en beroepsgroepen die bij het tot stand komen van het rapport van de Stuurgroep zijn betrokken en zullen participeren in het College Perinatale Zorg?
Nee, die mening deel ik niet. Het RIVM heeft taken ondermeer op het terrein van de keten rond zwangerschap en geboorte, de verdere levensloop en gezond leven. Het RIVM is zodoende mede verantwoordelijk voor onafhankelijke en betrouwbare informatieverstrekking aan het algemene publiek en aan professionals en eveneens voor ondersteuning van professionals en uitvoerende partijen.
Het RIVM heeft als zodanig een formeel vastgelegde functie als brug tussen beleid, kennis en uitvoering. Bovendien beheert het RIVM als kennisinstituut zelf een aantal websites en landelijk uniforme voorlichtingsmaterialen. Ik verwijs ook naar het antwoord op vraag 3.
De massa-moord in Oost-Congo |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Honderden burgers afgeslacht in Congo»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het van groot belang is voor de nabestaanden dat MONUC zo snel mogelijk onderzoek doet naar dit afschuwelijke drama, en bewijsmateriaal verzamelt? Heeft de EU hierbij technische hulp aangeboden, ook met oog op de moeilijke omstandigheden in het gebied? Zo nee, kunt u hierop aandringen, indien dit wordt gewenst?
Van 11 tot 15 maart jl. heeft een gezamenlijke missie van MONUC en OHCHR (Office of the High Commissioner for Human Rights) onderzoek gedaan naar het bloedbad dat de Lord's Resistance Army (LRA) in december 2009 in Noordoost Congo heeft aangericht. Het voorlopig rapport dat uit deze missie is voortgekomen, is nog niet vrijgegeven. De Nederlandse vertegenwoordiging in de Democratische Republiek Congo (DRC) heeft inmiddels aangedrongen op spoedige publicatie.
Deelt u de conclusie uit het rapport van Human Rights Watch dat het Verzetsleger wel degelijk een gevaar blijft voor de bevolking in Congo en toekomstige aanvallen niet kunnen worden uitgesloten? Kunt u in navolging van de VS bilateraal, in EU en VN-verband aandringen bij de Congolese en Ugandse overheid op verbetering van de bescherming van de bevolking in deze gebieden tegen aanvallen van de Lord's Resistance Army(LRA)?
Ja, deze conclusie deel ik. Nederland zet zich bilateraal en multilateraal in voor verbetering van de bescherming van de burgerbevolking in de DRC tegen de LRA en andere gewapende groepen. Zo is bijvoorbeeld gesproken over verbetering van de veiligheid in Oost-Congo, waar de bevolking te lijden heeft onder aanvallen van verschillende rebellengroeperingen, tijdens de bijeenkomst van de internationale Contactgroep voor de Grote Merenregio, die op 28 april in Den Haag plaatsvond. Verder ondersteunt Nederland het initiatief van de Speciaal Vertegenwoordiger voor de Grote Meren regio van de Europese Unie (EUSV), dhr. Roeland van de Geer, om te komen tot een geïntensiveerde Europese inzet inzake de LRA. Daartoe zal binnenkort een rapport met aanbevelingen worden afgerond. Tijdens de discussie over het nieuwe mandaat voor MONUC, dat per 1 juni a.s. in werking zal treden, zal Nederland zich inzetten voor een verscherpte focus op het beschermen van de burgerbevolking in de DRC.
Kunt u deze kwestie betrekken in het kader van het proces van schuldkwijtschelding voor Congo in 2010, waarbij Nederland is betrokken met een bedrag van EUR 300 mln.? Zo nee, waarom niet?
Over het proces van eventuele schuldverlichting aan de DRC zijn in het kader van het zogeheten Heavily Indebted Poor Countries initiatief duidelijke afspraken gemaakt. Deze afspraken betreffen vooral economische condities en voorwaarden op het gebied van onder meer public finance management, waaraan de DRC moet voldoen om uiteindelijk voor schuldverlichting in aanmerking te komen. Het in dit stadium toevoegen van nieuwe voorwaarden, die betrekking hebben op de bescherming van burgers tegen rebellenbewegingen, is niet haalbaar. Dat neemt niet weg dat Nederland in andere fora de Congolese autoriteiten wel degelijk zal aanspreken op deze kwestie.
De Iraanse toetreding tot de Mensenrechtenraad van de VN |
|
Kees van der Staaij (SGP), Atzo Nicolaï (VVD), Alexander Pechtold (D66), Raymond de Roon (PVV), Joël Voordewind (CU) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u op de hoogte van de kandidatuur van Iran voor een zetel in de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties?
Iran heeft zich 23 april jl. teruggetrokken als kandidaat-lid van de Mensenrechtenraad. Nederland heeft zich in voorafgaande weken wereldwijd ingezet om de verkiezing van Iran te voorkomen. Net als mijn Duitse ambtgenoot noemde ik ondermeer tijdens een toespraak voor de Mensenrechtenraad op 3 maart jl. de zeer zorgwekkende mensenrechtensituatie in Iran en gaf aan dat landen die de mensenrechten op grote schaal schenden geen plaats in de Raad verdienen. Mede dankzij Nederland riep de EU de lidstaten van de VN schriftelijk op tijdens lidmaatschapsverkiezingen voor de Raad niet te stemmen op landen die bekend staan als notoire mensenrechtenschenders. Ook bilateraal, veelal in nauwe afstemming met gelijkgezinde landen, heeft Nederland deze boodschap uitgedragen.
Hoe verhoudt eventuele toetreding van Iran tot de Mensenrechtenraad zich tot de gestelde criteria als opgesteld in artikel 8 van resolutie 60/251 van de Algemene Vergadering, waar wordt gesteld dat bij de toewijzing van zetels «states shall take into account the contribution of candidates to the promotion and protection of human rights»?1
Het is voor de geloofwaardigheid van de Mensenrechtenraad bemoedigend dat een land dat op grote schaal mensenrechten schendt zich heeft teruggetrokken als kandidaat-lid. Ook in de toekomst zal Nederland zich onverminderd blijven inzetten om notoire mensenrechtenschenders buiten de Raad te houden.
Gaat Nederland zich in het licht van de herhaalde schendingen van mensenrechten door Iran verzetten tegen de toetreding van Iran tot de Mensenrechtenraad?
Zie antwoord vraag 1.
Indien dit het geval is, zal Nederland ook andere landen ertoe bewegen de toetreding van Iran tot de Raad te belemmeren, zoals de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Guido Westerwelle, heeft gedaan tijdens zijn speech voor de Mensenrechtenraad op 3 maart jl., waarin hij Iraanse toetreding typeerde als «an affront to all the values on which the Council is based»?2
Zie antwoord vraag 1.
Welke conclusie trekt u over de geloofwaardigheid van de Mensenrechtenraad, mocht Iran tot de Raad toetreden?
Zie antwoord vraag 2.
Verbindt de Nederlandse regering daar ook gevolgen aan?
Zie antwoord vraag 2.
Rigoreuze toepassing Natura 2000 |
|
Rikus Jager (CDA), Ad Koppejan (CDA) |
|
Gerda Verburg (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CDA) |
|
![]() |
Wat is uw opvatting over het artikel «Bescherming natuur schiet te ver door»?1
Ik deel de zorg in het artikel. De implementatie van Natura 2000 is complex, hetgeen niet bijdraagt aan het draagvlak voor natuur.
Deelt u de mening dat een extreem maakbaarheidsdenken op het gebied van natuur in zichzelf tegenstrijdig is?
De natuur is geen statisch gegeven. Dat neemt niet weg dat we wel goede condities kunnen creëren waarbij natuur en de te beschermen soorten en habitats kunnen gedijen. Dat is ook de uitvoeringspraktijk die ik bij Natura 2000 voorsta.
Natura 2000 moet ervoor zorgen dat de biodiversiteit in Nederland en in Europa niet verder achteruit gaat. Daarmee wordt een basis gelegd voor robuuste dynamische natuur die ook van belang is om toekomstige ontwikkelingen zoals klimaatverandering op te kunnen vangen.
Deelt u de mening dat het probleem niet zozeer zit in de gedetailleerdheid van de Europese regels, maar meer in de gedetailleerdheid van de Nederlandse interpretatie en toepassing ervan? (Dit mede naar aanleiding van het artikel «Verburg eens met kritiek op regeltjes».2)
De gedetailleerdheid vloeit voort uit de Europese regelgeving. Waarbij ik binnen de Europese regels alle rek en ruimte zoek voor een reële implementatie van Natura 2000. Middels de Crisis- en herstelwet is deze rek en ruimte in de wet vastgelegd.
Ik deel de mening dat de Europese regels een grote mate van gedetailleerdheid vergen, die niet altijd recht lijkt te doen aan het dynamische karakter van de natuur. Ik deel niet de suggestie dat we in Nederland te star en strikt zijn in de uitvoering. Ik zoek ook daar juist de ruimte en flexibiliteit die er is. Zo hanteer ik niet zomaar aantallen, maar ik neem ze als indicatie voor de draagkracht van een leefgebied. Ik vind het jammer dat die suggestie in het genoemde artikel wordt gewekt.
Deelt u de in het artikel geventileerde mening dat «menig ruilverkavelaar uit de jaren zestig zijn vingers zou aflikken» bij de «technisch-ecologische precisie» waarmee Nederland de eisen van Natura 2000 implementeert?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens met de in het artikel naar voren gebrachte stelling dat de (te strikte) manier waarop Nederland met Natura 2000 omgaat het draagvlak ervoor uitholt en daarmee het spreekwoordelijke kind met het badwater weggooit?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het met de opvatting van de heer Evers eens dat Natura 2000 planten en dieren vaak meer centraal stelt dan de mens?
Natuur is van belang voor het leven en welzijn van mensen, en is een kwetsbare bron van toekomstig leven. Daar moeten we zuinig op zijn. Ik sta voor natuur samen met mensen, samen met bedrijven, samen met recreatie. De balans is zeker nodig in een dichtbevolkt land als Nederland, waar het voor de verschillende gebruiksfuncties op een beperkte oppervlakte moeten worden gecombineerd.
Die goede balans is lange tijd zoek geweest in de zin dat economische groei lange tijd gepaard is gegaan met afname van biodiversiteit. Aandacht voor planten en dieren is dus geen luxe. Maar vergt een evenwichtige aanpak. Waarbij de natuur zelf ook een economische waarde vertegenwoordigt.
Natura 2000 streeft de achteruitgang van biodiversiteit, die al enkele decennia plaatsvindt, te keren en legt juridisch vast welke natuurwaarden beschermd moeten worden. Bij de keuze van de Natura 2000-gebieden heeft, conform de Europese richtlijnen, de ecologie centraal gestaan. In de beheerplannen worden de sociale, economische en culturele aspecten volop meegewogen bij het bepalen van de weg waarlangs en de termijn waarop het bereiken van de natuurdoelen wordt bereikt. Hier kan nadrukkelijk een goede balans worden gevonden.
Deelt u het standpunt dat de eisen van Natura 2000 dusdanig benaderd moeten worden dat de plantenwereld en het dierenrijk op een evenwichtige en reële manier in balans getracht wordt te brengen met het mensdom? Deelt u de mening over rentmeesterschap, namelijk dat de balans hierbij noch naar de ene, noch naar de andere zijde mag uitslaan?
Zie antwoord vraag 6.
Ziet u, naast de reeds in gang gezette ontwikkelingen («bestaand gebruik», toepassing Crisis- en herstelwet, toepassing art. 12–16 Habitatrichtlijn), nog meer mogelijkheden om het evenwicht te herstellen tussen de ecologische ontwikkeling van gebieden enerzijds en de belangen van de mensen die er wonen, werken en recreëren anderzijds?
Ik heb binnen de Europese richtlijnen naar rek en ruimte gezocht, dit is inmiddels vastgelegd door middel van de Crisis- en herstelwet in de Natuurbeschermingswet 1998. Naar aanleiding van de conceptbeheerplannen van de provincies heb ik in een aantal gebieden extra ruimte gezocht. Dit heb ik gedaan in situaties waar voor de maatschappij én voor de natuur een win-win-situatie ontstond.
De Vogel- en Habitatrichtlijnen bieden nadrukkelijk mogelijkheden om de economische, sociale en culturele belangen evenwichtig mee te nemen bij het bepalen van de maatregelen (in de beheerplannen). Ik heb, samen met de provincies, geconstateerd dat in de gebieden hard gewerkt wordt aan de totstandkoming van de beheerplannen en dat de samenwerking tussen betrokkenen in de gebieden vaak leidt tot praktische oplossingen.
Ik benadruk dan ook het belang van samenwerking door alle partijen. Alleen door goed samen te werken kan – op basis van begrip voor elkaars positie – middels de beheerplannen zo snel mogelijk duidelijkheid en zekerheid worden geboden aan alle betrokkenen. De beheerplannen maken het ook mogelijk beter te focussen op de problemen die nog resteren. Zo kunnen we stap voor stap de problemen, waar we bij de implementatie van Natura 2000 tegen aan lopen, achter ons laten. Waardoor zowel economisch als sociale perspectieven als ook draagkracht van en draagvlak voor natuur helder zijn.
Mogelijke verdwijning van de ambulancepost in Oostkappelle |
|
Janneke Schermers (CDA), Ad Koppejan (CDA) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Burgemeester doet beroep op minister», met de verduidelijkende ondertitel «Veere vreest sluiting van ambulancepost»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de zorgen van de burgemeester van Veere dat in de afwegingen van de Regionale Ambulancevoorziening Zeeland (RAVZ) en het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) met betrekking tot het handhaven van een ambulancepost in Oostkapelle, efficiëntieoverwegingen zwaarder zullen wegen dan het belang van inwoners en toeristen in de kop van Walcheren die tijdig het ziekenhuis moeten kunnen bereiken?
Zoals ik ook aan de burgemeester en wethouders van Veere heb laten weten, vertrouw en reken ik erop dat de invullingen van de acute zorg door de regionale acute zorgpartners in Zeeland, met al haar specifieke omstandigheden, door het ROAZ, met in achtneming van de 45 minuten norm in alle zorgvuldigheid ingevuld zal worden. Met het oog op de vergunningverlening in het kader van de Wet ambulancezorg wordt elke vergunningaanvraag gelegd tegen een stevig programma van eisen. Bereikbaarheid van ambulancezorg is een nadrukkelijk bestand deel van deze kwaliteit.
In het Algemeen Overleg dat ik op 11 maart had met de vaste Kamer Commissie VWS over ambulancezorg, heb ik toegezegd dat de 45 minuten norm voor de bereikbaarheid van ziekenhuizen nader bekeken moet worden. Gekeken wordt of de opbouw van deze norm, 15 minuten aanrijdtijd voor de ambulance, 5 minuten stabiliseren patiënt en 25 minuten rijtijd naar het ziekenhuis in relatie tot de hoogstaande kwaliteit van de Nederlandse ambulancezorg aanleiding vormt voor mogelijk nieuw inzicht. Juist voor rurale gebieden in Nederland kan een meer flexibele opbouw van deze norm ruimte geven voor een op maat gesneden acute zorgketen.
Deelt u de mening dat een goed bereikbare ambulancezorg met name voor een toeristisch gebied als Walcheren extra aandacht behoeft gezien de vele duizenden toeristen die in de zomerperiode hier hun vakantie komen doorbrengen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een goede verspreiding van de ambulanceposten van belang blijft voor de bereikbaarheid van de zorg voor inwoners en toeristen op Walcheren? Bent u bereid hierover een harde toezegging te doen?
Hoewel in het Spreidings- en Beschikbaarheidskader, zoals dat door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) periodiek wordt uitgevoerd, standplaatsen genoemd worden voor de ambulances, is het aan de RAVZ zelf hoe haar rapid-responders, ambulances en -standplaatsen over haar werkgebied verspreid worden. Lokale deskundigheid, juist in de bijzondere situatie van Zeeland, is hierbij leidend.
Het bericht dat Israël de definitie van 'infiltranten' aanpast |
|
Atzo Nicolaï (VVD) |
|
|
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel ««Draconische» legerorders Israël»?1
Kent u de aanpassingen aan de definitie van «infiltranten» in de legerorder uit 1969? Op wie was de oude definitie van toepassing en op wie de nieuwe definitie?
Welke gevolgen zullen deze aanpassingen hebben voor Palestijnen woonachtig op de Westelijke Jordaanoever, maar afkomstig uit de Gazastrook?
Welke gevolgen verwacht de regering van deze maatregelen voor de bevolking van de Westelijke Jordaanoever in het algemeen?
Hoe motiveert de Israëlische regering deze aanpassing?
Het geweld in Oost-Congo en het effect van een mogelijk vertrek van MONUC |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het rapport van Oxfam Novib (gebaseerd op onderzoek van het Harvard Humanitarian Initiative)1 over het gewapend geweld in Oost-Congo, de toename van het aantal verkrachtingen en de gevolgen van een mogelijk vertrek van MONUC voor de veiligheid van burgers in het gebied?
Ja.
Deelt u de mening zoals verwoord in het rapport van Oxfam dat de «civilian protection specialists» van MONUC meer en beter contact moeten onderhouden met de Congolese gemeenschappen, ook buiten de grote steden, om zo betere bescherming te kunnen bieden?
Het in vraag 4 genoemde artikel verwijst naar een rapport van de secretaris-generaal van de VN aan de Veiligheidsraad van 30 maart jongstleden. In dat rapport constateert de secretaris-generaal een verbetering van de veiligheidssituatie in een groot deel van de DRC, met name in het westen. Op grond daarvan zou het mogelijk zijn toe te werken naar een verantwoorde exitstrategie voor MONUC. In eerste instantie zouden daarvoor die delen van de DRC in aanmerking komen, waar de situatie al langere tijd stabiel is en MONUC een beperkte aanwezigheid heeft. Concreet zou dit betekenen dat MONUC uit deze gebieden deze zomer 2000 manschappen kan terugtrekken. In het oosten van de DRC bestaat volgens de secretaris-generaal echter nog steeds het risico van instabiliteit. Een verantwoorde terugtrekking van MONUC uit die regio’s kan pas plaatsvinden als ter plaatse voldoende Congolese capaciteit is opgebouwd om de taken van MONUC over te nemen en de stabiliteit te waarborgen. Van een plan voor volledige terugtrekking is vooralsnog geen sprake. Het vermelde tijdschema (juni 2010–juni 2011) is afkomstig van de Congolese regering.
De leden van de Veiligheidsraad bezoeken de DRC voor eind mei dit jaar. Zij zullen dan bij president Kabila de verlenging van de aanwezigheid van MONUC aan de orde stellen. Naar verwachting zullen zij met hem ook spreken over de voorwaarden waaronder MONUC zich op termijn zou kunnen terugtrekken. De VN kan geen VN-vredesmacht inzetten zonder instemming van de regering van het land van vestiging, ook niet onder hoofdstuk VII van het VN-handvest.
Nederland vindt verlenging van het MONUC-mandaat zeer wenselijk, vooral met het oog op de bescherming van de burgerbevolking in Oost-Congo. In het huidige, tussentijdse mandaat heeft deze nu de hoogste prioriteit. Volgens Nederland dient ook het nieuwe MONUC-mandaat, dat per 1 juni 2010 in werking moet treden, primair te zijn gericht op bescherming van de burgerbevolking. Daartoe is niet zozeer een verruiming van het mandaat noodzakelijk, maar een duidelijke focus op deze kerntaak. Verder dient MONUC de bestaande strategie terzake verder te operationaliseren. Daarbij zijn betere contacten met Congolese gemeenschappen en extra aandacht voor kwetsbare groepen als vrouwen en kinderen essentieel.
Zowel in bilateraal als in internationaal verband draagt Nederland zijn standpunten over MONUC en het mandaat uit bij de regering van de DRC. Tegenover de Congolese autoriteiten benadrukt Nederland dat terugtrekking van MONUC uit Oost-Congo pas kan plaatsvinden als in die regio concrete vooruitgang is geboekt met betrekking tot de stabiliteit alsmede de veiligheid van de bevolking. Ook heeft Nederland hiervoor aandacht gevraagd tijdens de bijeenkomst van de internationale Contactgroep voor de Grote Merenregio, die op 28 april aanstaande in Den Haag plaatsvond.
Deelt u de mening dat het mandaat van MONUC moet worden benut om te voorkomen dat vrouwen op grote schaal verkracht worden? Bent u het met Oxfam eens dat MONUC zijn mandaat moet gebruiken om burgers «met alle nodige middelen» te beschermen en dat het mandaat verruimd moet worden om dat te realiseren?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het bericht2 van de special representative van de Verenigde Naties (VN) in Congo, Alan Doss, waarin een tijdsschema van «drawdown» is opgesteld, beginnende juni 2010, en die juni 2011 voltrokken moet zijn? Is er daadwerkelijk een plan om terug te trekken?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het met ons en met Oxfam Novib eens dat terugtrekking op dit moment zeer onwenselijk is, aangezien de Congolese regering niet in staat of bereid is zijn eigen bevolking te beschermen en dus niet zal voldoen aan de «responsibility to protect»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat verlenging van het mandaat van MONUC derhalve wenselijk is in plaats van terugtrekking? Is dat ook de Nederlandse inzet richting de VN en de VNVR?
Zie antwoord vraag 2.
Is u bekend wat de stand van zaken is ten aanzien van de onderhandelingen met president Kabila over de verlenging van de aanwezigheid van MONUC? Kunt u informatie geven over de mogelijke opties waarover onderhandeld wordt?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is instemming van de Congolese regering noodzakelijk voor een verlenging van het mandaat van MONUC, mede gelet op het feit dat het mandaat van MONUC een mandaat is onder hoofdstuk VII van het VN-handvest?
Zie antwoord vraag 2.
Hebt u reeds aan de regering Kabila laten weten dat u de uitspraken van de Congolese president dat hij de VN-troepen volgend jaar weg wil, zeer onverstandig vindt? Zo nee, bent u van plan dat alsnog te doen of tracht u deze discussie op een andere wijze te beïnvloeden?
Zie antwoord vraag 2.
Uitspraken van de nieuwe bestuursvoorzitter van de As Siddieq-basisschool over homoseksualiteit |
|
Anouchka van Miltenburg (VVD), Paul de Krom (VVD), Ineke Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD) |
|
André Rouvoet (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport, minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Ik vertel over christenen en joden» waarin een interview met de heer Kudret Camdere, de nieuw bestuursvoorzitter van de As Siddieq-basisschool in Amsterdam wordt weergegeven?1
Ja.
Wat vindt u van de uitspraak van de heer Camdere dat een homoseksuele leraar zich wel op deze school zou kunnen aanmelden, maar dat hij denkt dat deze niet worden aangenomen? Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de Algemene Wet Gelijke behandeling en de zogenaamde «enkele feit»-constructie, waaruit volgt dat een instelling niet het recht heeft een leraar te weigeren vanwege het enkele feit dat hij homoseksueel is?
Zie het antwoord onder 3.
Is het waar dat de uitspraken van de heer Camdere in strijd zijn met de wet, wanneer zij worden omgezet in beleid van de school? Zo ja, heeft u op basis van de uitspraken van de bestuursvoorzitter vertrouwen in de beleidslijn die de school momenteel schrijft waarin dit soort «kwesties» wordt neergelegd? Zo nee, waarom niet?
Bijzondere scholen mogen functie-eisen stellen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de grondslag. Deze functie-eisen mogen echter niet zover gaan dat de school onderscheid maakt op grond van het enkele feit van homoseksuele gerichtheid. Indien een leraar niet aangenomen wordt, alleen vanwege zijn homoseksuele gerichtheid dan is dat niet in overeenstemming met de wet. Het is aan de rechter en/of aan de Commissie Gelijke Behandeling om in een concreet geval te bepalen aan de hand van de specifieke omstandigheden of met de functie-eisen onderscheid wordt gemaakt op grond van het enkele feit van homoseksuele gerichtheid.
De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de kwaliteit van het onderwijs en op het naleven van de wettelijke voorschriften. Voor zover het in de beleidslijn van de school gaat om gedragsvoorschriften voor het personeel, ziet de inspectie toe op de naleving van de regelgeving rond de wettelijke medezeggenschap zodat de medezeggenschapsraad haar wettelijke taken (zie in dit verband artikel 11 onder g, artikel 12, het eerste lid onder d, en leerlingen artikel 10, onder c van de Wet medezeggenschap op scholen) kan uitvoeren. Voor zover beleid tot uitdrukking komt in de schoolregels voor leerlingen, ziet de inspectie toe op het schoolklimaat en burgerschap, waaronder aspecten als strijdigheid met basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de bevordering van de basiswaarden.
Wat vindt u van het feit dat de kinderen op de As Siddieq-school volgens de heer Camdere krijgen onderwezen dat homoseksualiteit in de islam niet geoorloofd is en niet verenigbaar is met hun grondslag? Hoe verhoudt zich dit tot de wettelijke taak van scholen om bij te dragen aan burgerschap en sociale integratie?
Een school op religieuze of levensbeschouwelijk grondslag mag op deze grondslag gebaseerde opvattingen hebben over homoseksualiteit en deze opvattingen in het onderwijs tot uitdrukking brengen. De inspectie ziet er op toe dat de school invulling geeft aan de wettelijke opdracht tot bevordering van actief burgerschap en sociale integratie. Dit houdt onder meer in dat er op wordt toegezien dat het onderwijs van de school ook bij het tot uitdrukking brengen van de grondslag in het onderwijs niet in strijd is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verdraagzaamheid, begrip en non-discriminatie en dat de school deze basiswaarden bevordert. Concreet betekent dit dat de school in het onderwijs mag aangeven homoseksualiteit vanuit haar religieuze uitgangspunten af te wijzen. Dit betekent ook dat een actieve invulling moet worden gegeven aan bevordering van basiswaarden die vanwege voornoemde opvatting in het gedrang zouden kunnen komen.
Deelt u de mening dat de uitspraken van de heer Camdere zorgen baren over de integratie van kinderen die de As Siddieq-school bezoeken, doordat zij lessen krijgen die in strijd zijn met de kernwaarden van de Nederlandse rechtsstaat, zoals gelijkheid tussen man en vrouw en homo en hetero?
Zie de vorige antwoorden.
Is het waar dat alle bekostigingssancties richting de As Siddieq-school begin deze maand zijn ingetrokken? Zo ja, op basis waarvan?
Ja, de inspectie heeft in de afgelopen periode intensief toezicht uitgeoefend op de bevordering van burgerschap en sociale integratie in het onderwijs van de As Siddieq-school. De inspectie heeft onlangs vastgesteld dat de school thans voldoet aan de wettelijke eisen op dit punt. De inspectie heeft tevens aangegeven dat voorzetting van het ingezette proces noodzakelijk is en ziet daar op toe. Onderdeel van dit toezicht is, zoals eerder aangegeven, ook de invulling die de school geeft aan de bevordering van basiswaarden van de democratische rechtsstaat zoals gelijkwaardigheid, begrip en verdraagzaamheid. Ik verwijs verder naar het vorige antwoord en mijn brief aan uw Kamer van 1 april jl. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 123 VIII, nr. 120).
Bent u bereid op basis van de uitspraken van de heer Camdere een waarschuwing te geven aan de As Siddieq-school en mogelijk opnieuw sancties te treffen wanneer deze school zich blijft afzetten tegen de kernwaarden van de Nederlandse rechtsstaat? Zo nee, waarom niet?
Zie de vorige antwoorden.
Het uitgeven van miljoenen euro's aan hotelkamers door tekort aan slaapplaatsen op Gilze-Rijen |
|
Krista van Velzen |
|
Is het waar dat u al sinds september 2008 structureel manschappen in Brabantse hotels laat overnachten? Is het waar dat dit tot nu toe zeker vier miljoen euro heeft gekost? Zo nee, hoeveel heeft dit de belastingbetaler tot nu toe gekost?1
Sinds eind 2008 overnachten ongeveer 250 defensiemedewerkers in hotels in de provincie Noord-Brabant. Dit hangt samen met de sluiting van de vliegbasis Soesterberg en het onverwacht grote aantal medewerkers van deze basis dat gebruik wilde maken van huisvesting op de nieuwe locatie, vliegbasis Gilze-Rijen. Tot de voltooiing van de bouw van aanvullende legering op Gilze-Rijen zullen de medewerkers in hotels overnachten. In 2008 bedroegen de kosten hiervoor € 0,2 miljoen, in 2009 € 3 miljoen en voor 2010 is € 3,1 miljoen begroot.
Ongeveer 115 medewerkers zullen volgens planning vanaf november 2010 gebruik kunnen maken van de nieuwe legering. Voor de resterende 135 medewerkers en voor ongeveer 45 nieuwe medewerkers wordt naar een langetermijnoplossing gezocht. In de loop van het jaar zal daarover een besluit worden genomen. Hierbij zullen doelmatigheidsoverwegingen een belangrijke rol spelen. Naar verwachting zullen de nieuwe medewerkers vanaf 2011 een beroep doen op huisvesting nabij de vliegbasis als gevolg van de uitbreiding van de helikoptervloot met NH-90’s en Chinooks en door reorganisaties.
Hoe lang bent u nog van plan militairen in hotels te huisvesten? Om hoeveel slaapplaatsen gaat het in dit geval en welke kosten voorziet u hiervoor nog?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe komt het dat de geplande legeringsgebouwen nog niet klaar zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u overwogen om de vele leegstaande militaire complexen in Brabant tijdelijk in gebruik te nemen om hier militairen te laten overnachten?
In de aanloop naar de verhuizing is een inventarisatie gemaakt van legering op de volgende kazernes in de omgeving van de vliegbasis Gilze-Rijen: de Koninklijke Militaire Academie in Breda, de Trip van Zoudtland kazerne in Noord-Breda, het Korps Commando Troepen in Roosendaal en de landmachtkazerne in Oirschot. De conclusie was dat geen van deze locaties de mogelijkheid bood extra personeel te legeren. Daarom is ervoor gekozen personeel onder te brengen in hotels in de onmiddellijke omgeving van de vliegbasis Gilze-Rijen.
Heeft u overwogen om leegstaande panden die eerder door het Centraal Opvangorgaan Asielzoekers (COA) werden benut hiervoor te gebruiken?
Er is niet onderzocht of dergelijke leegstaande panden konden worden gebruikt.
Deelt u de mening dat een rekening van vier miljoen euro voor overnachtingen in hotelkamers enorm hoog is? Bent u bereid om alsnog te kijken naar goedkopere overnachtingslocaties?
Om producten of diensten tegen een zo gunstig mogelijke prijs te kunnen afnemen berusten de overnachtingen op raamcontracten met hotels. Voor de medewerkers die na november 2010 nog geen gebruik kunnen maken van langetermijnhuisvesting, wordt onderzocht of er goedkopere tussentijdse oplossingen zijn. Hierbij zal onder andere worden gekeken naar huisvesting op militaire complexen en andere gebouwen in de regio.
De arbeidsomstandigheden van de plukkers van de tomaten van Ahold |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Plukkers VS: Ahold koopt met slavernij besmette tomaten»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de beschuldigingen van de arbeidersorganisatie over wat zij noemen «moderne slavernij in de agrarische sector»? Kunt u aangeven of deze beschuldigingen op waarheid berusten?
Deze kwestie verdient een adequate reactie van Ahold. Afhankelijk van deze reactie kan de Nederlandse stichting Okia het Coalition Immokalee Worker’s (CIW) adviseren een klacht in te dienen bij de Amerikaanse rechter of melding te doen bij het Nationaal Contactpunt (NCP) voor de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen in de Verenigde Staten. Uitgangspunt van de OESO is namelijk dat het NCP van het land waar de vermeende «misdraging» heeft plaatsgevonden de zaak behandelt.
Is het waar dat dochteronderdelen van Ahold tomaten afnemen van producenten die al eerder zijn veroordeeld voor het uitbuiten van werknemers? Zo nee, op welke gegevens baseert u dit?
Als het inderdaad zo is dat deze leveranciers al door de Amerikaanse rechter zijn veroordeeld, dan is het de verantwoordelijkheid van de Amerikaanse autoriteiten om te handhaven.
Is het mogelijk dat de tomaten die bij deze producenten afgenomen zijn ook in Nederland te koop zijn? Zo nee, waar baseert u dat op?
De export van tomaten uit de Verenigde Staten naar Nederland is gering, wel is er enige export van verwerkte tomaten. In 2008 werd voor 6,1 miljoen dollar uitgevoerd naar Nederland waarvan 5,4 miljoen dollar aan verwerkte tomaten (Bron: UN/Comtrade). Het is daarom onwaarschijnlijk dat er tomaten van de betreffende tomatenkwekers in Nederland te koop zijn.
Is het waar dat in Amerika veel tomatenplukkers werken tegen hongerlonen, geen betaling krijgen voor overuren, geen recht op organisatie hebben en geen toeslagen uitgekeerd krijgen? Zo nee, op welke gegevens baseert u dat? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat een deel van de verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden bij de afnemer van de producten ligt? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Ketenverantwoordelijkheid betekent dat elk bedrijf in de keten een bepaalde verantwoordelijkheid draagt voor de sociale (arbeids)omstandigheden waarin het product wordt vervaardigd. Het is niet gemakkelijk om, los van de concrete omstandigheden van een bedrijf, een eenduidig antwoord te geven op de vraag tot hoe ver de invloed en maatschappelijke verantwoordelijkheid van een bedrijf reiken. Ook de SER geeft in zijn laatste advies geen exact antwoord op deze vraag. Van een bedrijf mag niettemin worden verwacht dat het de invloed die het heeft ook ruimhartig aanwendt om verantwoordelijkheid te nemen in de keten. Verschillende elementen spelen mee bij het vaststellen van de mogelijkheden hiervoor waaronder de machtsverhoudingen, complexiteit, lengte en transparantie van de productieketen. Het NCP kan bepalen in hoeverre een bedrijf haar ketenverantwoordelijkheid (niet) genomen heeft. Versterking van de capaciteit van NCP's en betrokkenheid van het business and human rights framework van VN Speciaal Vertegenwoordiger John Ruggie zijn onderdeel van de Nederlandse inzet tijdens aanstaande revisie van de OESO-richtlijnen, met als doel de bescherming van mensenrechten te verbeteren.
Deelt u de mening van de Coalition Immokalee Workers dat de tomaten van Ahold besmet zijn door slavernij?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid naar aanleiding van deze misstanden Ahold aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid jegens de arbeidsomstandigheden bij zijn leveranciers? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Ahold heeft aangegeven deze kwestie serieus te nemen en een onderzoek te zijn begonnen. Ook heeft Ahold de Coalition Immokalee Workers uitgenodigd voor een gesprek.
Het ontbreken van een helikopter aan boord van de Hr. Ms. Johan de Witt bij de operatie Atalanta |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
![]() |
Is er vooralsnog geen mogelijkheid gevonden om Hr. Ms. Johan de Witt tijdens de inzet bij de operatie Atalanta te voorzien van een Nederlandse boordhelikopter?
Omdat de aanwezigheid van een boordhelikopter inderdaad de voorkeur zou verdienen is intensief gezocht naar mogelijkheden om een toestel aan boord van Hr.Ms. Johan de Witt te plaatsen tijdens de inzet in de EU-operatie Atalanta. Zodra duidelijk werd dat Nederland zelf niet in staat zou zijn een helikopter te leveren is onderzocht of een ander land een helikopter beschikbaar zou kunnen stellen. Tijdens de Force Generation Conference in december 2009 is hier aandacht voor gevraagd. Ook zijn diverse landen, waaronder België, Frankrijk, Malta, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zuid-Afrika, rechtstreeks benaderd met de vraag of zij een helikopter beschikbaar zouden kunnen stellen. Om uiteenlopende redenen waren deze landen niet in staat de gewenste helikoptercapaciteit vrij te maken.
Deelt u de mening dat de aanwezigheid van een boordhelikopter op de Hr. Ms. Johan de Witt bij de operatie Atalanta verre de voorkeur zou verdienen boven de afwezigheid daarvan?
Zie antwoord vraag 1.
Betekent uw eerdere antwoord in de lijst van vragen en antwoorden over de inzet van de Hr. Ms. Johan de Witt, waarbij u aangaf dat «de aanwezigheid van een boordhelikopter geen noodzakelijke voorwaarde (is) om antipiraterijoperaties te kunnen uitvoeren», dat u zich heeft neergelegd bij de afwezigheid van een helikopter aan boord van de Hr. Ms. Johan de Witt tijdens de deelname aan de operatie Atalanta?1
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ervan op de hoogte dat het nieuwe vlaggenschip van de operatie Atalanta, het Zweedse schip Carlskrona, speciaal voor deze operatie is aangepast om helikopters te kunnen laten landen en opstijgen en om die te voorzien van brandstof, maar dat (onder meer) een hangar voor helikopters ontbreekt?2
Ja. In diverse gesprekken met Zweden zijn ook de mogelijkheden van stationering van de Zweedse helikopters aan boord van Hr. Ms. Johan de Witt besproken. Zweden heeft er echter voor gekozen één helikopter aan boord van het eigen vlaggenschip te plaatsen en een tweede helikopter als reserve in Djibouti te plaatsen. Overigens zouden de Zweedse helikopters, die van het type A109M zijn, een certificeringsprogramma onder leiding van de Nederlandse Militaire Luchtvaartautoriteit (MLA) moeten doorlopen om onder alle operationele omstandigheden te kunnen worden ingezet vanaf Hr.Ms. Johan de Witt.
Worden Zweedse helikopters ook ingezet vanaf een basis in Djibouti?3
De Zweedse helikopter die is gestationeerd in Djibouti dient als reservehelikopter voor het Zweedse vlaggenschip Carlskrona en kan in bijzondere omstandigheden operationeel worden ingezet. De belangrijkste reden van deze beperking is de geringe Zweedse onderhoudscapaciteit in het inzetgebied.
Zou het, gezien de uitgebreide faciliteiten voor helikopters aan boord van de Hr. Ms. Johan de Witt (waaronder een hangar met plaats voor ca. zes helikopters), geen aanbeveling verdienen dat met de partners in de operatie Atalanta zodanige afspraken worden gemaakt dat tenminste één van de helikopters die nu worden/zijn ingezet bij de operatie Atalanta zal worden ondergebracht op de Hr. Ms. Johan de Witt?
Zoals hierboven beschreven hebben de pogingen om een helikopter van een ander land, waaronder de partnerlanden in operatie Atalanta, aan boord van Hr.Ms. Johan de Witt te plaatsen geen resultaat opgeleverd.
Zo ja, wilt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over het resultaat van uw inspanningen?
Zie antwoord vraag 6.
Het behoud van analoge tv |
|
Mariko Peters (GL) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Op bres voor behoud analoge tv»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat kabelbedrijven hun klanten kunnen dwingen over te stappen van analoge naar digitale televisie? Zo ja, welke stappen kunt en wilt u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Analoge omroepdistributie is, in vergelijking met digitale omroepdistributie, een inefficiënte techniek en biedt daarom minder ruimte voor innovatieve digitale diensten als HDTV en 3DTV en nieuwe businessmodellen (video-on-demand en interactieve diensten). Dat verklaart dat er, voor zover het gaat om televisiedistributie, sprake is van een duidelijke trend van digitalisering. Zo is in de nacht van 10 op 11 december 2006 de analoge ethertelevisie in Nederland al afgeschakeld. Sindsdien zijn de landelijke publieke omroep (Nederland 1, 2 en 3) en de regionale publieke omroep enkel nog via digitale ethertelevisie zonder abonnement beschikbaar. Ook via de satelliet zijn al enige jaren alleen nog digitale uitzendingen te ontvangen. Distributeurs van televisie via ADSL of glasvezel bieden van meet af aan digitale televisie aan hun klanten. KPN heeft als uitzondering nog enige tijd analoge televisie via glasvezel doorgegeven, maar is daar op 1 januari van dit jaar mee gestopt. Van alle omroepdistributeurs bieden dus alleen de kabelbedrijven nog analoge televisie, maar ook zij hebben aangegeven op termijn te zullen overschakelen.
De opmars van digitale televisie is ook cijfermatig goed zichtbaar2. In het vierde kwartaal van 2009 zijn er 7.312.579 huishoudens in Nederland. Daarvan ontvangt 77% kabel (analoog en digitaal), 12% satelliet, 12% ether en 5% IPTV3. Inmiddels ontvangen 4 653 000 huishoudens (64%) een vorm van digitale televisie (kabel, satelliet, ether, IPTV). Het aantal huishoudens dat digitale kabel heeft is 2 345 000. Dat is 32% van het aantal huishoudens in Nederland en 42% van het aantal kabelhuishoudens.
De keuze van het kabelbedrijf is, in het licht van deze trend van digitalisering, dan ook begrijpelijk. Dat neemt niet weg dat de klant die geen behoefte heeft aan een digitaal kabelaanbod en toch televisie wil blijven kijken, gedwongen wordt voor een vorm van digitale televisie te kiezen. Het staat de klant natuurlijk vrij om gebruik te maken van een andere distributeur van televisie (satelliet, ether of IPTV). De Mediawet 2008 bevat geen verplichting voor een kabelbedrijf om een analoog programma-aanbod door te geven. Er zijn dan ook geen wettelijke mogelijkheden om daartegen stappen te ondernemen.
Is bekend of ook andere kabelbedrijven van plan zijn te stoppen met het doorgeven van het analoge signaal? Zo ja, welke kabelbedrijven zijn dat?
Naast Caiway heeft ook Rekam aangekondigd per 10-10-2010 te stoppen met het doorgeven van het analoge signaal.
Hoeveel huishoudens worden er getroffen door dit besluit en eventuele toekomstige besluiten?
Caiway heeft volgens opgave van NLkabel 151 000 abonnees. Daarvan kijkt blijkens eigen onderzoek van Caiway in 2009 86 procent digitaal. Dit percentage is inmiddels waarschijnlijk gestegen. Rekam heeft volgens NLkabel 25 000 abonnees. Volgens de website van Rekam kijkt daarvan meer dan 80 procent digitaal. Bij deze twee kabelbedrijven is het percentage huishoudens dat digitale kabel heeft dus aanzienlijk hoger dan het landelijk beeld laat zien (42% van het aantal kabelhuishoudens).
Volgens informatie van NLkabel heeft Caiway in 2005 aan alle abonnees een standaardmodel digitale ontvanger aangeboden tegen een bijdrage in de verzendkosten. Een vergelijkbaar aanbod is door Caiway gedaan in gebieden waar dit kabelbedrijf later radio en televisie is gaan aanbieden, en door Rekam in 2007. Van dergelijke aanbiedingen is op grote schaal gebruik gemaakt. Verder zijn digitale ontvangers ook als onderdeel van andere verkoopacties aangeboden aan bestaande en nieuwe abonnees. Caiway en Rekam werken er derhalve aan om de overgang voor de klanten die nog naar analoge televisie kijken, soepel te laten verlopen.
Is het kabelbedrijven toegestaan om het analoge signaal niet door te geven? Wordt daarmee niet ingegaan tegen de wettelijke bepaling dat de basiszenders via de ether en de kabel doorgegeven moeten worden?
Zoals hiervoor in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, bevat de Mediawet 2008 geen verplichting voor kabelbedrijven om een analoog programma-aanbod door te geven. Wel bepaalt artikel 6.13 van deze wet dat, als er een analoog programma-aanbod door een kabelbedrijf wordt doorgegeven en een significant aantal aangeslotenen dit analoge programma-aanbod ontvangt, er wat televisie betreft ten minste 15 zenders moeten worden doorgegeven, waaronder de zogenoemde «must carry zenders». Caiway en Rekam voldoen aan deze eis. Zodra een kabelbedrijf stopt met de analoge doorgifte en volledig overschakelt op digitale doorgifte, ontvangt een significant aantal aangeslotenen (immers 100% van het aantal aangeslotenen op dat kabelnetwerk) het digitale programma-aanbod en moet dat kabelbedrijf de 15 zenders, waaronder de «must carry zenders» digitaal doorgeven. De must carry verplichting is voor het digitale programma-aanbod overigens uitgebreider dan voor analoge programma-aanbod. Naast de regionale publieke omroep van de «eigen provincie» moeten namelijk ook de regionale publieke omroepen van de aangrenzende provincies worden doorgegeven. Er is geen wettelijke bepaling die ertoe verplicht dat het hiervoor genoemde wettelijke minimumpakket ook via de ether moet worden doorgegeven.