Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om de subsidie aan Cubiss, de provinciale service organisatie, stop te zetten |
|
Hans van Leeuwen |
|
Marja van Bijsterveldt (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de provincie Brabant voornemens is de subsidie aan Cubiss, de provinciale service organisatie, per 2015 stop te zetten?
Ja.
Deelt u de mening dat indien de subsidie wordt gestopt, het stelsel van openbare bibliotheken als geheel in gevaar komt omdat het Nederlandse openbare bibliotheekwerk gefinancierd wordt door de drie overheidslagen, gemeenten, provincies en Rijk? Zo nee, waarom niet?
In het Nederlandse bibliotheekstelsel werken de verschillende bestuurlijke niveaus (lokaal, provinciaal, landelijk) in een netwerk met elkaar samen. Deze structuur heeft zijn basis in de bibliotheekbepalingen van de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Ook het Bibliotheekcharter 2010–2012 volgt dit principe. Indien lacunes ontstaan in – een deel van – het netwerk, dan heeft dit consequenties voor het stelsel als geheel.
Hoe verhoudt zich het eventuele stopzetten van provinciale subsidie tot de door u gedane uitlating; «de provinciale laag is natuurlijk geen op zichzelf staande laag, maar hoort complementair te zijn aan wat er lokaal gebeurt»?1
Zie het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze gaat er naar uw mening in de toekomst uitvoering gegeven worden aan de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid, waarin is vastgelegd dat provincies de verantwoordelijkheid dragen voor de netwerktaken in het bibliotheekstelsel?
De huidige bibliotheekbepalingen in de Wet op het specifiek cultuurbeleid (de artikelen 11a en 11b) dateren van begin jaren ’90. Sindsdien is de maatschappelijke en technologische context van het bibliotheekwerk ingrijpend gewijzigd. De drie overheden betrokken bij het bibliotheekbeleid hebben tegen deze achtergronden op 17 december 2009 een Bibliotheekcharter ondertekend. Het Bibliotheekcharter geeft een actuele invulling van de taken genoemd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Belangrijke onderwerpen daarbij zijn: de opbouw, verantwoordelijkheidsverdeling en implementatie van de digitale bibliotheek, het collectiebeleid (de Collectie NL) en certificering van bibliotheekorganisaties. Het charter heeft de periode 2010-2012 als looptijd. De drie overheden hebben afgesproken de uitvoering van de afspraken in het charter te monitoren en de resultaten halverwege het jaar 2011 te evalueren. Langs deze weg geven Rijk, provincies en gemeenten uitvoering aan de taken genoemd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Deelt u de mening dat indien de provincie Noord-Brabant besluit de subsidie aan Cubiss stop te zetten, de provincie zich onttrekt aan haar wettelijke verplichting? Zo nee, waarom niet?
De Wet op het specifiek cultuurbeleid gaat uit van een verdeling van verantwoordelijkheden tussen de drie overheden. Gezien de decentrale structuur van het bibliotheekbeleid hebben de overheden een aanzienlijke mate van vrijheid in de wijze waarop zij aan deze verantwoordelijkheid invulling geven. Het geheel beëindigen van de provinciale taken acht ik echter strijdig met de strekking van de eerder genoemde artikelen van de wet en strijdig met inhoud van recente afspraken tussen de overheden, zoals neergelegd in het Bibliotheekcharter.
Deelt u de mening dat het eventuele wegvallen van voorzieningen de ontwikkeling van de digitale bibliotheek blokkeert?
Zie het antwoord op vraag 7.
Is het waar dat bij het wegvallen van voorzieningen, zoals de digitale bibliotheek en het schoolmediatheekwerk, het voor de provincie Noord-Brabant betekent dat Brabantse bibliotheken de aansluiting op het landelijk netwerk, de voorzieningen daarin en de landelijke innovatiegelden gaan missen? Zo nee, waarom niet?
Voor de opbouw van de landelijke digitale bibliotheek is het noodzakelijk dat alle betrokken partijen hun aandeel leveren. De taakverdeling tussen de partijen is beschreven in het Bibliotheekcharter. Voor het provinciale niveau betreft dit het verlenen van ICT-diensten en het ondersteunen van de implementatie van de digitale bibliotheek bij lokale bibliotheekorganisaties. Indien de provinciale ICT-diensten in Noord-Brabant zouden wegvallen, bemoeilijkt dit in sterke mate de opbouw van de landelijke digitale bibliotheek en de aansluiting van de Brabantse bibliotheken daarop. Ik heb in het kader van het innovatieprogramma 2010 een bedrag van € 2 mln. gereserveerd voor de lokale en provinciale implementatie van de digitale bibliotheek. Een eventueel besluit van de provincie Noord-Brabant tot beëindiging van de subsidiëring van Cubiss kan aanleiding zijn mijn voorgenomen bijdrage voor de provinciale implementatie in Noord-Brabant te heroverwegen. In dit verband is het volgende relevant. Op 11 juni 2010 hebben provinciale staten van Noord-Brabant besloten over het pakket aan bezuinigingsvoorstellen, waar ook het voorstel ten aanzien van Cubiss deel van uitmaakt. Bij die gelegenheid is een amendement aangenomen met als strekking dat de subsidiekorting op Cubiss voorlopig in ieder geval 15% – en dus geen 100% – bedraagt. Tevens zal het college van gedeputeerde staten op basis van dit amendement een plan opstellen over de wijze waarop de maatschappelijke effecten van de netwerktaken van Cubiss gegarandeerd kunnen blijven.
Op welke wijze gaat u bevorderen dat provincies en gemeenten de Wet op Specifiek Cultuurbeleid ook in de toekomst blijven uitvoeren? Wat zijn de sancties wanneer gemeenten en/of provincies zich niet houden aan de Wet op Specifiek Cultuurbeleid?
De Wet op het specifiek cultuurbeleid kent geen sancties voor de situatie waarin in afwijking van of in strijd met de bepalingen met deze wet wordt gehandeld. Wel hebben de drie overheden zeer recent nog in het Bibliotheekcharter een aantal afspraken gemaakt over gezamenlijke doelen in het bibliotheekbeleid en de rolverdeling daarbij. De evaluatiebepaling in het charter geeft de mogelijkheid partijen aan te spreken op het niet nakomen van deze afspraken. Ik vertrouw er op dat de overheden deze afspraken zullen uitvoeren. Daarnaast voer ik periodiek bestuurlijk overleg met de andere overheden over het cultuurdomein. Indien daar aanleiding toe is, kan dit onderwerp voor een bestuurlijk overleg worden geagendeerd.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk te komen met een bibliotheekwet, waarin de zorgplicht van de overheid voor het openbare bibliotheekwerk wettelijk wordt verankerd? Zo nee, waarom niet?
In het Bibliotheekcharter is afgesproken dat gedurende de looptijd van het charter een aanpassing van de Wet op het specifiek cultuurbeleid zal worden voorbereid. Daarin worden onder meer de functies van het bibliotheeknetwerk en het leenverkeer opnieuw gedefinieerd. Planning is dat deze aanpassingen in werking treden na afloop van het charter, dat wil zeggen per 1 januari 2013. De inhoud van het wetsvoorstel is uiteraard onderwerp van overleg met het parlement.
De weigering van de DSB-top van het conceptrapport Scheltema |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat de DSB-top het conceptrapport van de commissie-Scheltema weigert?1
Ja.
Waarom ontvangen deze belanghebbenden niet het gehele conceptrapport voor de procedure van hoor en wederhoor?
Voorop staat dat de Commissie Scheltema onafhankelijk is en zelfstandig haar werkwijze bepaalt. Deze onafhankelijke positie is onder meer ingegeven door de wens van de Tweede Kamer en is vastgelegd in het Instellingsbesluit commissie van onderzoek DSB Bank (Stcrt. 2009, 20474). De procedure die de Commissie toepast ten aanzien van de zorgvuldige verzameling van informatie wordt dan ook door de Commissie zelf bepaald. Zoals de heer Scheltema u o.a. tijdens het Algemeen Overleg op 19 mei jl. heeft gemeld, ontvangen betrokkenen die delen van het rapport die op hen betrekking hebben teneinde daarop hun reactie te kunnen geven.
Deelt u de mening dat gezien het feit dat het hele rapport over DSB gaat het logisch is dat deze partij het hele rapport, maar zeker ook de oordelen van de andere belanghebbende partijen moet kunnen lezen, juist omdat het feitenrelaas en de visie van anderen van belang is voor een afgewogen proces van hoor en wederhoor?
Het is aan de Commissie om te bepalen hoe het proces wordt vormgegeven. Het bepalen van de gang van zaken bij het verlenen van inzage en het vragen van een reactie op delen van het rapport is hier onderdeel van. Ik heb van de heer Scheltema, tijdens het genoemde AO van 19 mei jl., begrepen dat in ieder geval het hoofdstuk dat het feitenrelaas bevat ter inzage wordt gelegd t.b.v. betrokken partijen.
Waarom krijgen AFM en DNB wel het hele conceptrapport te zien en DSB niet? Wat is de reden van deze ongelijke behandeling?2
Naast het bieden van de gelegenheid tot het geven van een reactie, zijn DNB en de AFM, zoals aangegeven tijdens het genoemde AO op 19 mei jl., door mij geraadpleegd over de toezichtvertrouwelijkheid van de inhoud van het conceptrapport, overeenkomstig afspraken hierover met de Commissie.
Deelt u de mening dat dit soort conflicten over de procedure van hoor en wederhoor tot ongewenste speculaties over de inhoud van het rapport en de onafhankelijkheid van de commissie leiden?
Gebleken is dat sommige betrokkenen zich niet in de werkwijze van de Commissie kunnen vinden. Ten aanzien van eventuele speculaties betreffende de onafhankelijkheid van de Commissie, wil ik er graag op wijzen dat – zoals ook met uw Kamer besproken – de Commissie een onafhankelijke commissie is, die derhalve zelf haar werkwijze bepaalt. Dit is vastgelegd in het Instellingsbesluit en hier wordt ook naar gehandeld. Ten overvloede wil ik u er nog op wijzen dat de heer Scheltema ook tijdens het AO van 19 mei jl. nog heeft uitgesproken dat de Commissie haar taak op onafhankelijke wijze kan uitvoeren.
Deelt u de mening dat de minister van Financiën als opdrachtgever er juist is om dit soort conflicten te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om toekomstige conflicten te voorkomen?
Nee, deze mening deel ik niet. Er is bij het instellen van de Commissie onder andere door de vaste Kamercommissie voor Financiën aangedrongen op een onderzoek door een onafhankelijke commissie. Dit is gerealiseerd en vastgelegd in het Instellingsbesluit commissie van onderzoek DSB Bank (Stcrt. 2009, 20474). Als ik zou interveniëren in de procedure die de Commissie op autonome wijze heeft vastgesteld, zou ik juist handelen in strijd met dit instellingsbesluit en afbreuk doen aan de onafhankelijkheid van de Commissie.
Bent u bereid per ommegaande ervoor te zorgen dat DSB het hele conceptrapport te zien krijgt? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de antwoorden op de vragen 2, 3 en 6.
Waarom heeft de commissie-Scheltema geen deadline voor reactie in de procedure van hoor en wederhoor gesteld voor DNB en AFM?
Zoals ik op 19 mei jl. tijdens het AO met de Kamercommissie Financiën heb aangegeven, was met de Commissie afgesproken dat de reactie van DNB, AFM en het ministerie in dit kader binnen een week na ontvangst van het conceptrapport aan de Commissie zou worden gestuurd. Gezien de complexiteit en omvang van het conceptrapport is dit te ambitieus gebleken.
Bent u bereid de commissie-Scheltema te verzoeken de Kamer alvast inzage te geven in het conceptrapport zodat de Kamer zelf kan vaststellen wat er in de eerste versie van het conceptrapport staat om daarna bij oplevering van de definitieve versie beter in staat te zijn een oordeel te vellen over de verschillende zienswijzen van de belanghebbenden? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zoals de heer Scheltema tijdens het AO van 19 mei jl. ook heeft aangegeven, is de Commissie niet akkoord met verstrekking van het conceptrapport aan de Kamer aangezien het nog geen afgewogen concept betreft dat wordt gedragen door de Commissie. Ik acht het onwaarschijnlijk dat de Commissie inmiddels van mening is veranderd.
Bent u bereid deze vragen vóór 28 mei te beantwoorden, zodat de Kamer op 2 juni indien nodig in een algemeen overleg over deze kwestie kan spreken? DNB: De Nederlandsche Bank.
Het algemeen overleg op 2 juni a.s. was al gepland voordat ik de vragen had kunnen beantwoorden.
Het preferentiebeleid van zorgverzekeraar UVIT |
|
Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het nieuwe preferentiebeleid van UVIT inzake biologische geneesmiddelen (biologicals) en geneesmiddelen, soortgelijk aan biologische geneesmiddelen (biosimilars) waarbij erytropoietine (epo), het groeihormoon (somatropine) en granulocyt- koloniestimulerende factor (filgrastrim) per 1 juli 2010 onder het preferentiebeleid worden gebracht?1
Voor biologische geneesmiddelen kan preferentiebeleid worden gevoerd2. UVIT heeft voorlopig afgezien van het invoeren van preferentiebeleid voor biologische geneesmiddelen. De aankondiging daarvan leidde tot enige onrust en discussies en tot het aanzeggen van juridische procedures. Daarbij zijn ook vragen van inhoudelijke aard opgeworpen. UVIT heeft in verband hiermee het College voor zorgverzekeringen (CVZ) gevraagd om een standpunt of en zo ja hoe, de huidige wettelijke regeling van de Zorgverzekeringswet toelaat dat een zorgverzekeraar preferentiebeleid voert ten aanzien van biologische geneesmiddelen. Ik juich het toe dat UVIT via het verzoek aan het CVZ meer duidelijkheid wil verkrijgen over het voeren van preferentiebeleid voor biologische geneesmiddelen.
Is het waar dat biosimilars niet identiek zijn aan biologicals, niet dezelfde werkzame stof bevatten, en er daarom geen sprake is van volledig gelijkwaardige indentieke geneesmiddelen in het kader van de Geneesmiddelenwet? Zo nee, kunt u dit motiveren?
Ja, Dit komt door het gebruik van levende (genetisch gemodificeerde) cellen of organismen. Hierdoor zijn verschillende productie-«batches» van een biologisch geneesmiddel van één fabrikant ook niet volledig identiek. Er is echter wel sprake van volledig gelijkwaardige geneesmiddelen.
Wat zijn de risico’s van een dergelijk preferentiebeleid met betrekking tot de werkzaamheid voor en de veiligheid van patiënten, gezien de rapportage van het Europese geneesmiddelen agentschap EMA waarbij melding wordt gemaakt van het stoppen van een trial vanwege een ernstige bijwerking (pure red cell anaemia, prca) van een biosimilar van erytropoietine?2
De regelgeving stelt eisen aan de uitwisselbaarheid van biosimilars en referentie-producten. Een product is uitwisselbaar als er sprake is van bewezen gelijke werkzaamheid en bijwerkingenprofielen. De (Europese) regelgeving maakt verschillen tussen biosimilars mogelijk. De richtlijnen zijn echter zo ontworpen dat deze verschillen niet leiden tot klinisch relevante afwijkingen in veiligheid en werkzaamheid voor patiënten op groepsniveau maar kunnen voor de individuele patiënt wel een verschil maken. Omdat de werkzaamheid en de veiligheid van biosimilars zijn gewaarborgd is er geen enkele reden om op basis van deze aspecten terughoudendheid te zijn bij het inzetten van biosimilars. Het is echter niet zo dat alle biosimilars op individueel patiëntenniveau gesubstitueerd kunnen worden door de apotheker zonder tussenkomst van een arts.
Acht u het geoorloofd dat UVIT, wanneer leveranciers producten leveren die gebruikt worden voor verschillende indicatiegebieden, zich niet houdt aan de indicatiegebieden maar de «feitelijke toepasbaarheid» bepalend acht? Vindt u niet dat bij substitutie alleen gesubstitueerd mag worden als het betreffende middel voor die indicatie en toedieningsvorm is geregistreerd?
Artsen moeten zich houden aan de geregistreerde indicaties van het geneesmiddel dat zij voorschrijven. In het belang van de patiënt kan daar van worden afgeweken. Dit zogenaamde «off-label voorschrijven» mag alleen als het is beschreven in richtlijnen van de beroepsgroep. Wanneer richtlijnen nog in ontwikkeling zijn, is overleg tussen arts en apotheker noodzakelijk. Zorgverzekeraars hebben hierbij geen zelfstandige rol.
Negeert UVIT niet uw standpunt ten aanzien van substitutie van groeihormonen waarbij u stelt dat dit alleen maar mag na goedkeuring van de behandelend arts?3
Nee. Zo heeft UVIT bij de voorbereiding van het preferentiebeleid voor biologische geneesmiddelen al publiekelijk het volgende aangegeven: «Voor zover behandeling met het door de zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel voor de verzekerde medisch niet verantwoord is, bestaat aanspraak op andere bij ministeriële regeling (GVS) aangewezen geneesmiddelen. Bij patiënten die reeds vóór 1 juli 2010 (of 1 augustus) de betreffende geneesmiddelen in enigerlei vorm gebruiken, kan de voorschrijver op het recept aangeven of continuering van het op 1 juli 2010 (of 1 augustus) gebruikte preparaat medisch noodzakelijk is. Hij kan dat doen door op het recept de woorden «medische noodzaak» te zetten. Indien de voorschrijver dit achterwege laat, heeft de verzekerde slechts aanspraak op het door de zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel. In het bijzonder voor de betreffende geneesmiddelen vragen wij hiervoor uw aandacht «.
Overigens zal preferentiebeleid voor biologische geneesmiddelen dat slechts is gericht op nieuwe patiënten eventuele substitutievraagstukken ondervangen.
Wat is het oordeel van het College Beoordeling Geneesmiddelen en de Inspectie voor de Gezondheidszorg over het preferentiebeleid van UVIT in deze?
Het CVZ zal bij zijn reactie op de vraag van UVIT het oordeel van het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG) en dat van de Inspectie voor de Gezondheidszorg betrekken. Het CBG heeft eerder aangegeven dat de werkzaam-heid en de veiligheid van biosimilars zijn gewaarborgd en dat er daarom geen reden is om terughoudend te zijn bij het inzetten van biosimilars (zie antwoord4.
Acht u een dergelijke handelwijze niet in strijd met de wet, omdat alleen indentieke geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof mogen worden gesubstitueerd?45 Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Nee. Zie het antwoord op vraag 1.
Wat is uw oordeel over het feit dat UVIT bij het preferentiebeleid geen rekening houdt met aanvullende diensten door de aanbieder, zoals thuisinjectie?6 Worden patiënten hierdoor niet benadeeld? Zo nee, waarom niet?
De aanspraak op een geneesmiddel (de vergoeding van de kosten daarvan) gaat uit van de inkoopkosten van het middel en niet ook van de door de aanbieder geleverde aanvullende diensten. Biologische geneesmiddelen zijn vaak dure medisch specialistische middelen, die op grond van hun handelsregistratie uitsluitend onder verantwoordelijkheid van medisch specialisten mogen worden toegepast. De aanvullende diensten zijn dan ook diensten waar de behandelend specialist in het kader van de door hem te verlenen zorg verantwoordelijk voor is en die in dat kader worden vergoed. Het is overigens zeer wel mogelijk dat een nieuwe, preferente, leverancier vergelijkbare diensten gaat leveren.
Vindt u niet dat het preferentiebeleid van UVIT doorslaat, en dat gestreefd moet worden naar een uniform preferentiebeleid voor alle zorgverzekeraars, waarbij het belang van de patiënt (veiligheid, niet steeds wisselen van medicatie) uitgangspunt is? Zo nee, waarom niet?
Het preferentiebeleid van zorgverzekeraars slaat niet door en beperkt de uitgaven voor geneesmiddelen en de stijging van de ziektekostenpremies fors. Er zijn wel nadelen zoals de administratieve lasten voor apothekers. Zorgverzekeraars zullen hier meer oog voor moeten krijgen. Inmiddels wijzen zorgverzekeraars al steeds meer de preferente geneesmiddelen per kalenderjaar aan en geven zij preferente leveranciers meer tijd voordat de preferente periode ingaat. Zonodig wijzen zorgverzekeraars extra preferente geneesmiddelen aan of vergoeden zij niet-preferente middelen en informeren zij apotheekhoudenden steeds meer vooraf hoe te handelen bij het tijdelijk niet beschikbaar zijn van preferente geneesmiddelen. Voor een aantal geneesmiddelen met een structureel lagere prijs voeren zij geen preferentiebeleid meer. Verder blijkt dat bij het opnieuw aanwijzen van preferente middelen vaak dezelfde geneesmiddelen weer preferent worden, zodat de patiënt niet hoeft te wisselen. Daarnaast hanteren generieke fabrikanten soms al uit zich zelf lagere prijzen waardoor er geen preferentiebeleid nodig is. Het voeren van gezamenlijk preferentiebeleid is op grond van de (Europese) mededingingsbepalingen niet mogelijk, omdat daaraan negatieve gevolgen voor de concurrentie zijn verbonden.
Welke zorgverzekeraars in Nederland voeren inmiddels een preferentiebeleid uit waarbij «onder couvert» wordt aanbesteed?
Voor zover mij bekend vooralsnog alleen UVIT.
Is inmiddels al duidelijk op welke wijze UVIT en of andere zorgverzekeraars de behaalde voordelen van haar preferentiebeleid aan de individuele verzekerde terugsluizen?7
Mijn ambtsvoorganger heeft de Kamer laten weten dat UVIT een belangrijk deel van de voordelen aan de verzekerde teruggeeft door de preferente middelen niet ten laste van het eigen risico te brengen (zie ook het persbericht van UVIT van 8 oktober 2009). Het resterend bedrag komt via het financiële resultaat van UVIT terecht in de berekening van de premie voor de komende jaren.
Is het niet wenselijk dat het onder-couvert-systeem om redenen van transparantie wordt beëindigd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit realiseren?
Nee. Transparantie is geen doel op zich. Het beëindigen van het preferentiebeleid onder couvert zou de gunstige effecten daarvan voor de patiënten en de concurrentieverhoudingen tussen zorgverzekeraars te niet doen.
De perceptiekosten en administratieve lasten van de integrale vennootschapsbelasting en wijkenheffing |
|
Paulus Jansen |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
Is de Belastingdienst nagegaan wat op basis van nacalculatie de effecten zijn – incidenteel en structureel – van de invoering van de integrale vennootschapsplicht voor woningcorporaties per 1-1-2008 op de omvang van haar formatie? Zo nee, is de minister van Financiën bereid om dit na te gaan en de Kamer daarover te informeren?
Er is niet op basis van nacalculatie nagegaan wat de effecten zijn van de invoering van de integrale belastingplicht voor de vennootschapsbelasting (VPB) bij woningcorporaties op de formatie en de administratieve last.
De belastingplicht voor de VPB voor woningcorporaties is reeds enkele jaren geleden ingevoerd: vanaf 2006 (partieel) en 2008 (integraal). Het effect op de formatie en de extra administratieve last ligt naar verwachting voornamelijk in de jaren 2008 en 2009, vanwege de benodigde aanpassingen die in de bedrijfs- en administratieve processen van de woningcorporaties, en in mindere mate voor de jaren daarna. De administratieve lasten zullen per woningcorporatie ook verschillen. De mate waarin woningcorporaties aanpassingen hebben moeten doen, is afhankelijk van zowel de aard van de corporatie, als van de omvang. Bij een beherende corporatie zal dit minder zijn dan die bij een corporatie met bijvoorbeeld veel projectontwikkelingsactiviteiten. Ten slotte zal ook de schaalgrootte van de corporatie meespelen. Ervaringen bij één corporatie zijn dan ook niet per definitie representatief voor alle corporaties.
In de uitvoering van de (integrale) VPB plicht streeft de Belastingdienst er naar de administratieve lastendruk voor woningcorporaties zoveel mogelijk te beperken. Daartoe zijn bij de invoering van de belastingplicht vaktechnische afspraken met de corporaties gemaakt over de toepassing daarvan (vaststellingsovereenkomst 1 en 2). Bovendien is voor het toezicht onder meer een zogenaamde «Nadere Afspraak» met advieskantoren gesloten. Met deze afspraak wordt beoogd zoveel mogelijk afstemming over de fiscale positie van woningcorporaties te krijgen door overleg met en toezicht bij deze adviseurs. Woningcorporaties hebben de mogelijkheid zich voor 1 september 2010 bij deze afspraak aan te sluiten. Door zich aan te sluiten, wordt de administratieve druk bij corporaties sterk verminderd.
Bij de Belastingdienst worden de werkzaamheden efficiënt en effectief opgepakt, onder andere door landelijke coördinatie vanuit een adoptieregio en landelijke vaktechnische afspraken. Werkzaamheden voor de afzonderlijke regio’s worden hierdoor zoveel mogelijk voorkomen. Ook de hiervoor genoemde afspraken met advieskantoren zorgen voor centrale afspraken en beperkt benodigd toezicht vanuit de verschillende regio’s.
Vanwege hiervoor genoemde punten zie ik op dit moment dan ook geen reden om alsnog een onderzoek naar de gevolgen op de formatie en de extra administratieve lasten te doen als gevolg van de invoering van de (integrale) belastingplicht.
Is de minister van Financiën na de invoering van de integrale vennootschapsbelasting nagegaan wat de werkelijke administratieve effecten zijn voor de woningcorporaties?1 Zo nee, is hij hiertoe bereid? Zou de minister een extra administratieve last van € 40 miljoen op jaarbasis voor de woningcorporaties acceptabel vinden in relatie tot de omvang van de opgehaalde belasting, alsmede in relatie tot de doelstellingen van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit?
Zie antwoord vraag 1.
Is de minister voor WWI na de invoering van de wijkenheffing per 1-1-2008 nagegaan hoe hoog de werkelijke administratieve lasten van deze heffing zijn bij de woningcorporaties?2 Zo nee, is hij hiertoe bereid? Zou de minister een extra administratieve last van €8 miljoen op jaarbasis voor de woningcorporaties acceptabel vinden in relatie tot de omvang van de heffing, alsmede in relatie tot de doelstellingen van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit?
Er is niet op basis van nacalculatie nagegaan hoe hoog de werkelijke administratieve lasten zijn bij de heffing voor de bijzondere projectsteun voor de wijkenaanpak. Bij de heffing voor de bijzondere projectsteun is echter een tweedeling te maken. In 2009 hebben 379 corporaties een aanslag voor de heffing ontvangen. De hiermee samenhangende administratieve last is verwaarloosbaar aangezien het Fonds de hoogte van de heffing vaststelt op basis van de jaarlijkse verantwoordingsgegevens. In 2009 is aan 51 corporaties geen heffing opgelegd omdat zij voldeden aan de voorwaarden voor vrijstelling. De mate waarin het opstellen van een aanvraag om bijzondere projectsteun te ontvangen bij deze corporaties tot hogere administratieve lasten heeft geleid, is inherent aan het aanvragen van een subsidie. Voor het Fonds is niet inzichtelijk hoe groot de administratieve belasting van de subsidieaanvraag is. De vele juridische procedures die corporaties hebben aangespannen tegen de heffing en de uitbetalingen hebben ongetwijfeld wel geleid tot hogere lasten bij corporaties, de omvang hiervan is niet bekend.
In welke mate is de bovenmodale stijging van de personeelskosten van het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV)3 over 2008 veroorzaakt door het toezicht op de juiste uitvoering van de wijkenheffing? Heeft deze stijging doorgezet over 2009?
De toename van de personeelskosten wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door stijging van het gemiddelde bruto salaris ten gevolge van CAO en het hieraan gekoppelde vakantiegeld en eindejaarsuitkering, verhoging van de WAO premie en verhoging van de werkgeversbijdrage aan de zorgverzekering. Door hogere pensioenpremies en stijging van het pensioengevend salaris zijn ook de pensioenlasten gestegen. Door de verhoging van het premiepercentage is de gemiddelde arbeidsongeschiktheidspremie gestegen.
Deze toename heeft dus geen relatie met het toezicht op de juiste uitvoering van de wijkenheffing. In 2008 is de heffing opgelegd, maar is nog geen subsidie uitgekeerd of afgerekend. Voor de werkzaamheden daarvoor is in begroting 2009 en begroting 2010 een bedrag aan personeelskosten opgenomen.
De Nederlandse ontwikkelingsorganisatie SNV |
|
Han ten Broeke (VVD), Ewout Irrgang |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Is het waar dat in de Raad van Toezicht van SNV is gesproken over eventuele samenwerkingsverbanden tussen een stichting van een van de leden van de Raad van Toezicht en SNV zelf?1
Ja, dat is waar. SNV heeft mij geïnformeerd dat in de Raad van Toezicht gesproken is over samenwerking tussen SNV en de NOTS Foundation. De voorzitter van de NOTS Foundation is tevens lid van de Raad van Toezicht van SNV.
Welke vormen van ondersteuning zijn door SNV gegeven aan deze stichting?
Volgens gegevens afkomstig van SNV bestaat er sinds maart 2010 een tri-partite samenwerkingsverband tussen SNV, de NOTS Foundation en energieadviesbureau Ecofys in Tanzania op het gebied van duurzame energie. NOTS heeft de verschillende partijen bij elkaar gebracht ten behoeve van deelname aan een onderzoek voor nieuwe biogastechnologieën. Iedere deelnemende partij brengt specifieke kennis en ervaring in, die gericht is op het verbeteren van toegang tot duurzame energie in Tanzania.
Daarnaast zijn er tijdens een bezoek van de voorzitter van de NOTS Foundation aan Mali door hem aan de SNV landendirecteur algemene vragen gesteld en zijn er namen van mogelijke contacten genoemd.
Bent u van mening dat hier sprake is van een ongewenste belangenverstrengeling?
Naar mijn opvatting dienen maatschappelijke organisaties die subsidie ontvangen te handelen conform de principes van de «Code Wijffels voor «goed bestuur van goede doelen». Iedere vorm van ( schijn van) belangenverstrengeling dient te worden vermeden.
Op basis van de door SNV verstrekte informatie concludeer ik dat in het ene geval gezocht is naar samenwerking, zonder dat sprake is van SNV financiering van NOTS. In het tweede geval is sprake van een vorm van ondersteuning, te weten het delen van informatie, die tussen OS-organisaties niet ongebruikelijk en zelfs wenselijk is. Van financiering van de stichting van het betrokken lid van de Raad van Toezicht door SNV is geen sprake, het betrokken lid heeft niet deelgenomen aan enige besluitvorming door SNV over NOTS en is ook nimmer als vertegenwoordiger van SNV opgetreden richting NOTS. De Raad van Toezicht heeft steeds onafhankelijk en onbevangen kunnen opereren en heeft beschikt over alle relevante informatie ter zake. SNV heeft zodoende gehandeld in overeenstemming met in de «Code Wijffels» voorgestane principes over het omgaan met tegenstrijdige belangen.
Bent u van mening dat de subsidie van 90 miljoen euro niet bedoeld is voor een schimmig lobbykantoor van SNV in Washington waarvan zowel doel, kosten als resultaten onduidelijk zijn?
Ik ben het eens dat verreweg het grootste deel van de subsidie aan SNV gebruikt dient te worden voor activiteiten gericht op duurzame armoedevermindering. Dit blijkt met ruim 85% het geval te zijn.
Tegelijkertijd dient gestimuleerd te worden dat SNV «loskomt» van overheidssubsidie.
Op basis van alleen de cijfers over 2009 kunnen nog geen conclusies worden getrokken over noodzaak en meerwaarde van het kantoor in Washington. Mocht op basis van toekomstige resultaten blijken dat de locatie in Washington niet essentieel is om extra inkomsten te genereren dan zal ik hierover met SNV in gesprek gaan en aandringen op sluiting.
De WABO |
|
Rendert Algra (CDA) |
|
Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat er mogelijk toch sprake zal zijn van nieuwe vertragingen bij de invoering van de WABO?12
In aanloop naar het bestuurlijk overleg van 1 juni bereikten mij signalen dat gemeenten en provincies tijd nodig zouden hebben om de ICT-tool goed in te regelen in de eigen organisatie.
Wat is de rol van de vereniging Bouw- en Woningtoezicht bij deze mogelijke vertraging?
De Vereniging BWT Nederland is een beroepsvereniging voor gemeenten, organisaties en personen die actief zijn in of betrokken zijn bij het bouw- en woningtoezicht door gemeenten. Net als andere beroepspartijen is deze vereniging een bron van informatie als het gaat om kwesties van uitvoerbaarheid. De Vereniging BWT ondersteunt de gemeenten bij de invoering van de Wabo. Signalen uit de beroepsgroep worden opgepikt en doorgegeven door de vereniging.
Welke trainingsachterstanden zijn er bij gemeenten?
Vanuit VROM is in 2009 en in 2010 geïnvesteerd in opleidingen. Gemeenten en provincies zullen er vervolgens voor moeten zorgen dat deze kennis ook wordt gedeeld en wordt verwerkt in de werkprocessen. De zorg voor een verantwoorde en zorgvuldige invoering op 1 juli zit niet zozeer op training, maar op een goede invoering van het digitale vergunningproces. Ook hierbij is er sprake van training en opleiding om goed met de digitale tool die het proces ondersteunt, om te kunnen gaan. Nu de invoering van de Wabo per
1 oktober zal plaats vinden, is er voldoende tijd om met de definitieve versie van de tool zoals deze inmiddels als inregel- en oefenversie is vrijgegeven te oefenen.
Deelt u de mening dat, gezien de lange aanloop tot de WABO, het niet kan bestaan dat training van medewerkers bij gemeenten aanleiding kan zijn tot uitstel van invoering?
Zie antwoord op vraag 3.
Wat heeft uw overleg van 20 mei 2010 met provincies, gemeenten en waterschappen over de planning opgeleverd?
Het bestuurlijk overleg waar u op doelt heeft op 1 juni plaats gevonden. In het inwerkingstredings KB (Staatsblad 2010, 231) is opgenomen dat de invoeringsdatum 1 oktober dit jaar is. IPO en VNG hebben aangegeven te zullen zorgen voor een zorgvuldige en succesvolle invoering, zodat burgers en bedrijven per 1 oktober kunnen profiteren van een vereenvoudigde en digitale vergunningaanvraag.
Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de WABO per 1 juli 2010 daadwerkelijk wordt ingevoerd?
De deal tussen de vereniging SBPVH en de stichting OPTAS |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Piet Hein Donner (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de deal tussen de vereniging Stichting Belangenbehartiging Pensioengerechtigden van de Vervoer- en Havenbedrijven (SBPVH) en de stichting OPTAS, waarin de laatste maar liefst € 500 miljoen overmaakt aan de eerste?1
Ik ben verheugd dat er een oplossing is in het al jaren slepende conflict over zeggenschap van pensioengeld van de werknemers in de vervoer- en havenbedrijven tussen de vereniging Stichting Belangenbehartiging Pensioengerechtigden van de Vervoer- en Havenbedrijven (SBPVH) en de stichting OPTAS. Zoals ik eerder in mijn brief van 10 december 2007 Kamerstukken II 2007/08, 28 294, nr. 32) heb aangegeven is er steeds binnen de grenzen van de wet gehandeld. Ik heb derhalve geen oordeel over de gewijzigde opstelling van de stichting Optas en zie ook geen reden voor een publiekelijke reactie aan de stichting Optas. Ik begrijp dat AEGON nog altijd in gesprek is met SBPVH. Uiteraard zie ik het liefst dat Aegon en SBPVH hun geschil in onderling overleg oplossen. Mocht dit niet het gewenste resultaat leiden, dan ben ik bereid, waar zulks nuttig zou kunnen blijken te zijn, dit te bevorderen.
Deelt u de mening dat de stichting OPTAS door dit bedrag over te maken impliciet toegeeft dat zij nooit over het geld van de havenarbeiders had mogen beschikken?
Zie antwoord vraag 1.
Juicht u het toe dat de stichting OPTAS tot inkeer gekomen is en wilt u ze dat ook publiekelijk meedelen?
Zie antwoord vraag 1.
Constaterende dat in een eerder stadium een bemiddelingspoging tussen de stichting OPTAS, Aegon en de SBPVH niet tot een goed einde is gekomen, bent u bereid, nu er een akkoord ligt tussen SBPVH en de stichting OPTAS, te onderzoeken of er ook een vergelijkbaar akkoord kan komen tussen Aegon en SBPVH?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is volgens u de onderliggende reden dat Aegon tot nu toe niet tot een vergelijk gekomen is met enig andere partij? Bent u bereid die vraag voor te leggen aan Aegon?
Zie antwoord vraag 1.
Een bericht over dwangarbeid voor homo's in Malawi |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Homo-paar in Malawi: 14 jaar dwangarbeid»?1
Ja.
Is het waar dat het in het bericht genoemde vriendenpaar, dat eind vorig jaar in Malawi werd gearresteerd omdat ze zich wilden verloven, nu is veroordeeld tot 14 jaar cel met dwangarbeid?
Ja. In december 2009 zijn beide mannen gearresteerd na afloop van een traditionele verlovingsceremonie. Op dinsdag 18 mei jl. zijn zij door een rechtbank in Malawi schuldig bevonden aan «tegennatuurlijke omgang» en «grove onzedelijkheid» en vervolgens veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 jaar met dwangarbeid. President Bingu wa Mutharika van Malawi heeft de twee mannen na een gesprek met VN secretaris-generaal Ban Ki-moon op 29 mei jl. gratie verleend. Ze zijn vervolgens vrijgelaten.
Bent u bereid contact te zoeken met de regering van Malawi om deze ernstige schending van de mensenrechten direct aan de orde te stellen? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassadeur in Zambia heeft in maart jl. de zorgen van de Nederlandse regering over de behandeling van homoseksuelen in Malawi geuit in een onderhoud met de Minister van Buitenlandse Zaken van Malawi. De secretaris-generaal van mijn ministerie deed hetzelfde in een gesprek met de ambassadeur van Malawi op 30 maart jl. Op verzoek van de Nederlandse regering heeft de EU Hoge Vertegenwoordiger Ashton in een verklaring namens de EU zorgen geuit over de veroordeling van de twee mannen op basis van hun seksuele oriëntatie en de regering van Malawi opgeroepen zich te houden aan internationale verdragsrechtelijke verplichtingen, waaronder de naleving van het non-discriminatie beginsel. Overigens hebben verschillende EU ambassades ter plaatse, namelijk die van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Duitsland, na het bekend worden van het vonnis direct de Malawische regering gewezen op haar verantwoordelijkheden in het kader van internationale verdragen, die discriminatie op grond van seksuele oriëntatie verbieden.
Zijn er mogelijkheden om deze kwestie in VN-verband aan de orde te stellen?
Ja. VN secretaris-generaal Ban ki-moon heeft zich kritisch uitgelaten over de veroordeling van Steven Monjeza en Tiwonge Chimbalanga. Dit heeft geleid tot de vrijlating van beide mannen op 29 mei jl. Van 31 mei tot 18 juni a.s. vindt in Genève de veertiende reguliere zitting van de VN-Mensenrechtenraad plaats. Ondanks dat het paar in Malawi inmiddels is vrijgelaten, zal Nederland zal zich ervoor inspannen dat de EU gedurende die zitting aandacht vraagt voor discriminatie op basis van seksuele oriëntatie.
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van CE Delft naar mogelijke windfall profits in de energie-intensieve industrie als gevolg van het gratis verdelen van rechten in het Europese emissiehandelsysteem (ETS)?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het onderzoek van CE Delft.
Deelt u de conclusie dat er bewijs is dat de energie-intensieve industrie (waaronder staalproductie en raffinage) in de vorige en huidige handelsperiode de marktprijzen van de gratis emissierechten heeft doorberekend, zodat windfall profits zijn ontstaan? Zo nee, kunt u dan aangeven welke conclusies van dit rapport u niet deelt en waarom niet?
Gelet op de uitkomsten van deze studie is het zeer aannemelijk dat de waarde van emissierechten in de onderzochte periode inderdaad (deels) zijn doorberekend, hetgeen heeft geleid tot windfall profits. Dit past binnen het beeld van eerdere – meer theoretische – studies die een zekere mate van doorberekening aannemelijk maken3. Zoals het onderzoek van CE Delft zelf aangeeft, is er overigens onzekerheid over de exacte mate van doorrekening in verband met de beperkingen in o.a. de dataset en de mogelijke invloed van andere prijsbepalende factoren. Ten slotte dient opgemerkt te worden dat de genoemde resultaten zijn gemeten in een uitzonderlijke economische periode, voornamelijk hoogconjunctuur. Het is denkbaar dat in andere economische omstandigheden minder mogelijkheden bestaan om de kosten door te rekenen.
Welke gevolgen hebben de windfall profits in de elektriciteitssector en de windfall profits in de energie-intensieve industrie (gehad) voor consumenten en bedrijven?
Het doorberekenen van de waarde van emissierechten aan de consument, terwijl deze rechten gratis zijn verkregen, leidt tot windfall profits bij de producent. De inkomsten die bij veilen naar de overheid zouden gaan, komen in dit geval bij de bedrijven terecht (waardeoverdracht van overheid naar bedrijven). De gevolgen voor de consumenten en afnemende bedrijven zijn gelijk als wanneer de emissierechten zouden zijn geveild. Ook dan zouden namelijk de kosten voor de emissierechten zo mogelijk zijn doorberekend in de prijs die de afnemer betaalt.
Welke beleidsconclusies en/of acties richting bedrijven verbindt u aan dit onderzoek voor de handelsperiode tot 2012, waarin kennelijk nog steeds windfall profits worden gemaakt?
Voor de periode 2008–2012 ligt de toewijzing van gratis emissierechten vast. Bovendien staat de richtlijn voor de periode tot en met 2012 maar een beperkt percentage te veilen rechten toe. De Nederlandse overheid heeft ter voorkoming van windfall profits de elektriciteitssector minder gratis rechten verstrekt door deze rechten te veilen. Overigens veilt Nederland in vergelijking met de meeste lidstaten al relatief veel in deze periode.
Welke gevolgen verbindt u aan dit onderzoek voor de lange termijn? Wat betekent dit concreet voor de Nederlandse inzet in Europees verband inzake emissiehandel, met name waar het de energie-intensieve industrie betreft? Komt hiermee de op 1 februari 20082 aan de Kamer gemelde inzet («Nederland vindt het belangrijk dat in Europees verband tegemoet wordt gekomen aan onacceptabele concurrentienadelen voor mondiaal concurrerende energie-intensieve sectoren, die geconfronteerd worden met mondiale concurrenten die geen (met de EU) vergelijkbare reductieverplichtingen kennen.») in een ander daglicht te staan?
Nederland vindt het nog steeds belangrijk dat in Europees verband tegemoet wordt gekomen aan onacceptabele concurrentienadelen voor mondiaal concurrerende energie-intensieve sectoren, die geconfronteerd worden met mondiale concurrenten die geen (met de EU) vergelijkbare reductieverplichtingen kennen. De Nederlandse inzet is altijd gericht geweest op het terughoudend verstrekken van gratis rechten, en alleen aan die sectoren die echt concurrentieproblemen zouden ondervinden. In Europees verband is er echter voor gekozen veel gratis rechten aan veel sectoren te verstrekken. Nederland zal ook in de toekomst bij aanpassingen van de richtlijn of bij de invulling daarvan blijven inzetten op het strikt interpreteren van het begrip carbon leakage en het terughoudend toekennen van gratis rechten.
Wat is de stand van zaken en hoe ziet de planning in Europa eruit omtrent het vaststellen van de sectoren die al dan niet gevoelig zijn voor mondiale concurrentie en die dus wel of niet worden geconfronteerd met veiling van de emissierechten? Wat is de Nederlandse betrokkenheid bij dit proces?
Eind 2009 heeft de Europese Commissie de definitieve lijst van sectoren met een significant risico op carbon leakage vastgesteld. Door de lidstaten is in september 2009 over deze lijst gestemd, waarbij de lijst is goedgekeurd. Nederland heeft toen aangegeven de huidige lijst al zeer ruim te vinden en gesteld dat er niet meer sectoren aan de lijst zouden moeten worden toegevoegd, tenzij kon worden aangetoond dat een sector daadwerkelijk significant risico op carbon leakage liep.
Daarna is de lijst door het Europees Parlement goedgekeurd.
De sectoren op de vastgestelde lijst voldoen aan de carbon leakage criteria zoals opgenomen in de herziene richtlijn voor emissiehandel, welke in december 2008 door de Europese Raad is aangenomen. Nederland was altijd een voorstander van veilen als basisprincipe voor de verdeling van rechten. Alleen die sectoren die echt internationaal concurreren en de kosten niet konden doorberekenen, zouden moeten kunnen worden vrijgesteld hiervan. Criteria hiervoor moesten wel objectief zijn en zodanig scherp dat er geen sectoren ten onrechte aan voldoen, vond Nederland. Op verzoek van de Europese Raad zijn deze criteria soepeler gesteld dan Nederland beoogd had. Dit heeft ertoe geleid dat er veel sectoren op de carbon leakage lijst staan. De criteria kunnen alleen worden gewijzigd door opnieuw te onderhandelen over de richtlijn. Dit zal alleen gebeuren wanneer bepaalde omstandigheden daar aanleiding toe geven, zoals een internationaal klimaatakkoord. Al in 2008 heeft Nederland laten onderzoeken welke Nederlandse sectoren gevoelig zijn voor carbon leakage. Dit heeft mede onze inzet bepaald. De richtlijn bepaalt dat elk jaar sectoren aan de lijst kunnen worden toegevoegd, mits na onderzoek blijkt dat er significant risico is op carbon leakage. In 2014 wordt de lijst herzien. Dat betekent dat opnieuw zal worden bekeken welke sectoren significant risico lopen op carbon leakage. Dat kan dus betekenen dat er, bij het opnieuw toetsen aan dezelfde criteria, sectoren van de lijst worden verwijderd of worden toegevoegd.
Bent u bereid verder onderzoek te verrichten naar een beter ontwerp van het emissiehandelsysteem?
Naast het CE Delft onderzoek, zijn er recent verschillende onderzoeken naar buiten gekomen over het emissiehandelssysteem, carbon leakage en mogelijke windfall profits.5 In opdracht van het Ministerie van Financiën heeft CE Delft een vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd voor de Nederlandse energie-intensieve industrie. De resultaten zijn in lijn met het Europese onderzoek.
De verschillende onderzoeken geven aanleiding om te blijven nadenken over de allocatie van emissierechten en andere manieren om het risico van carbon leakage te verminderen, zonder windfall profits te creëren. Ik ben van mening dat het goed is om verder onderzoek te doen naar carbon leakage, opdat we beter in staat zijn vast te stellen welke sectoren hiermee te maken hebben. Mijn inziens gaat het daarbij niet zozeer om het ontwerp van het systeem, maar meer om de specifieke aspecten van emissiehandel. Nederland is altijd een fervente voorstander geweest van veilen als allocatiemethode, omdat windfall profits zoals die nu optreden daarmee kunnen worden voorkomen.
Zijn windfall profits in de energie-intensieve industrie eerder als mogelijk probleem in beeld gekomen? Zo nee, hoe heeft dat kunnen gebeuren, ondanks onderzoek naar emissiehandel van uw ministeries, van de Algemene Rekenkamer en van Energieonderzoek Centrum Nederland en oprichting van de Nederlandse Emissieautoriteit?
In eerdere onderzoeken is specifiek aangetoond dat er sprake is van windfall profits in de energiesector. Voor de energie-intensieve industrie waren echter tot op heden alleen theoretische studies bekend die het risico op windfall profits in delen van deze industrie benoemden. Het onderzoek van CE Delft is een van de eerste empirische onderzoeken gericht op de windfall profits binnen de energie-intensieve industrie.
De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is opgericht om toezicht te houden op het monitoren van de CO2-uitstoot door de Nederlandse bedrijven die deelnemen aan emissiehandel, en om de handel in emissierechten te faciliteren door het beheren van een register. Toezicht op de prijsontwikkeling van emissierechten en op mogelijke windfall profits door deelnemende bedrijven behoort niet tot de taken van de NEa.
De kritiek op sluiting van het luchtruim |
|
Sander de Rouwe (CDA) |
|
Camiel Eurlings (minister verkeer en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Sluiting luchtruim was niet nodig»?1
Ja.
Kunt u garanderen dat overal in Europa de veiligheid boven alles gaat in de afweging tussen wel of niet vliegen?
Dat is het geval. De afgelopen periode is er meer kennis vergaard over het vliegen in vulkanische as, waardoor de mogelijkheden om te vliegen geleidelijk worden verruimd, onder strikte condities, zonder dat er concessies worden gedaan aan de veiligheid.
Welke bronmetingen worden nu gebruikt voor de besluitvorming in Nederland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten? Hoe wordt op dit moment de samenstelling van een aswolk gemeten en op welke manier wordt er gewerkt aan mogelijkheden om de wolk beter in kaart te brengen?
De gebieden met verhoogde asconcentraties wordt in de huidige procedure eerst bepaald door modelberekeningen door het Volcanic Ash Advisory Centre-London. Verder geldt voor Nederland dat het KNMI met behulp van geavanceerde satelliettechnologie het asgebied monitort. Wanneer een gebied met verhoogde asconcentraties het Nederlands luchtruim nadert, worden door het NLR verkenningsvluchten uitgevoerd om de voorste begrenzing van de wolk te bepalen en tevens de hoogte en dikte van de laag te bepalen.
Het KNMI verwerkt deze informatie in de berichtgeving richting luchtvaartmaatschappijen, overige luchtvarenden en verkeersleiding. Deze gegevens vormen de basis voor besluitvorming.
Er zijn op dit moment in Europa geen operationele waarneemsystemen om vulkanische as in soort en concentraties te bepalen. Wel is het KNMI in staat gebleken om met behulp van zogenaamde LIDAR-systemen een eerste benadering te maken van de asconcentratie wanneer een gebied met as zich boven dit systeem bevindt. Tijdens de laatste as-situatie zijn meetgegevens van het DLR2 vergeleken met de recent door het KNMI ontwikkelde concentratiedetectiemethode en deze gegevens komen goed met elkaar overeen.
Het KNMI is tezamen met omringende weerdiensten bezig te onderzoeken welke investeringen in apparatuur en nader onderzoek noodzakelijk zijn om een beter «asdetectie- en voorspelsysteem» in te richten en daarmee de mogelijkheden om de aswolk beter in kaart te brengen te vergroten.
Is het waar dat luchtruim boven Nederland op maandag 17 mei wel open was maar LVNL2 niet mocht werken? Van wie mocht LVNL dat niet? Was het op dat moment nu wel of niet veilig om te vliegen? Is het waar dat er die bewuste ochtend nog twee toestellen zijn geland tijdens de stremming?
Op maandag 17 mei 2010 heeft geen formele luchtruimsluiting plaatsgevonden, maar zijn er door LVNL operationele maatregelen getroffen vanwege hoge concentraties vulkaanas die in de loop van de nacht van zondag 16 op maandag 17 mei 2010 vanuit het westen het Nederlandse luchtruim naderden en in de ochtend het westelijke deel van het Nederlandse luchtruim hadden bereikt.
LVNL heeft deze verkeersbeperkende maatregelen genomen conform de door mij op 20 april 2010 vastgestelde procedure, op basis van KNMI-kaarten. Deze procedure is in overleg met LVNL, KNMI en IVW tot stand gekomen4. Met deze maatregelen is voorkomen dat er werd gevlogen in die delen van het luchtruim waar zich verhoogde concentraties vulkanische as bevonden.
In de loop van de ochtend van 17 mei 2010 waren vulkanische as concentraties aanwezig boven een hoogte van ongeveer 2.3 km en onder een hoogte van ongeveer 6.7 km, in het deel van het luchtruim waarin ook Schiphol zich bevindt.
Vier vluchten hebben van de luchtlaag zonder asconcentratie gebruik kunnen maken om Schiphol te bereiken en hoefden daardoor niet uit te wijken naar andere luchthavens. De vliegtuigen hebben daarvoor op een lagere dan de gebruikelijke hoogte moeten vliegen, zonder dat de veiligheid daarbij in het geding is geweest.
Is er nu één manier waarop hier in Europa mee wordt omgegaan en hoe staat u tegenover de beheerste verruiming van de regels zoals in het Verenigd Koninkrijk wordt aangekondigd?
Tijdens de extra ingelaste Transportraad van 19 april 2010 hebben mijn Europese collega’s en ik een besluit genomen over een gemeenschappelijke Europese procedure voor het omgaan met vliegen in gebieden met vulkanische asconcentraties. Deze procedure voorziet in de vaststelling van 3 zones: 1) een no fly zone nabij de vulkaanpluim waar niet gevlogen mag worden 2) een zone waarin een beperkte hoeveelheid as aanwezig is waarbij lidstaten kunnen besluiten om bepaalde vluchtrestricties op te leggen en 3) een as-vrije zone waarbinnen normaal gevlogen kan worden. Dit concept is op 20 april 2010 in werking getreden en is op maandag 17 mei 2010 toegepast.
De voorstellen van het VK voor de beheerste verruiming van regels voor het vliegen in gebieden met verhoogde asconcentraties zijn als basis gebruikt voor een verruiming van de mogelijkheden om te vliegen in gebieden met verhoogde asconcentraties, zonder dat er een concessie is gedaan aan de veiligheid. Er is binnen Nederland een procedure opgesteld waarbij de verantwoordelijkheid voor het vliegen in en het mijden van de gebieden met asconcentraties is neergelegd bij de luchtvaartmaatschappijen en gezagvoerder, zoals ook het geval is bij slecht weer (bijvoorbeeld onweer). Deze procedure is met ingang van 23 mei 2010 in werking getreden, daarbij wordt de volgende zonering gehanteerd voor gebieden met asconcentraties:
Voornoemde procedure past ook binnen de aanbevelingen die op 21 mei 2010 door EASA zijn gedaan met betrekking tot het vliegen in gebieden met lage asconcentraties. EASA heeft hiervoor een Safety Information Bulletin (SIB) uitgegeven, waarin zij aangeeft dat er twee benaderingen (A en B) zijn die kunnen worden toegepast.
Benadering A gaat uit van het principe dat luchtvaartmaatschappijen hun vliegoperatie weer kunnen herstarten nadat zij een safety-assessment hebben uitgevoerd die is goed gekeurd door de bevoegde autoriteit (voor Nederland de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat). De procedure die op dit moment van kracht is in Nederland, past binnen deze benadering.
Benadering B gaat uit van het principe dat de bevoegde autoriteiten van lidstaten vluchten in gebieden met asconcentraties (grijze zone) kunnen toestaan, nadat er verkenning- of testvluchten zijn uitgevoerd in het betreffende deel van het luchtruim op basis waarvan kan worden vastgesteld dat een veilige vliegoperatie in het gebied mogelijk is. Dit deel van het luchtruim zou dan op basis van de resultaten van de verkenning- en/of testvluchten geherclassificeerd moeten worden van een grijs zone naar een rode zone waar vliegen is toegestaan.
Waarom wordt in Europa het Amerikaanse model niet volledig overgenomen? Waarin verschilt het systeem dat nu in Europa wordt toegepast van het Amerikaanse model? Is het Amerikaanse systeem veilig?
Het Amerikaanse model gaat uit van waarneembare asdeeltjes in de lucht, in Europa was er echter sprake van moeilijk waarneembare asdeeltjes in de lucht. Daarnaast heeft men in Amerika veel meer ervaring met actieve vulkanen dan we binnen Europa hebben. Bovendien zijn de mogelijkheden voor omvliegen groter omdat er meer gebied is zonder luchthavens en inwoners.
Zoals aangegeven is op 23 mei 2010 in Nederland een procedure in werking getreden, waarbij de verantwoordelijkheid voor het vliegen in gebieden met asconcentraties is neergelegd bij de luchtvaartmaatschappijen en gezagvoerders. Deze procedure is op punten vergelijkbaar met het model dat in Amerika wordt toegepast.
De verbeterde procedure maakt meer maatwerk voor het omgaan met gebieden met asconcentraties mogelijk. De luchtvaartmaatschappijen kunnen op basis van informatie over gebieden met verhoogde asconcentraties het besluit nemen om, en hoe, te vliegen. De luchtverkeersleiding blijft verantwoordelijk voor separatie van vliegtuigen en de daarbij verantwoorde afhandelingscapaciteit. Air Navigation Service Providers (zoals LVNL, KNMI en Met Office UK (VAAC)) zijn verantwoordelijk voor het verstrekken van informatie over gebieden met verhoogde asconcentraties. Hierin verschilt de Amerikaanse procedure. In de VS mogen, naast de officiële ANSP’s, ook andere door de FAA geautoriseerde meteo-aanbieders informatie verstrekken aan de luchtvaartmaatschappijen die dat kunnen bestrekken in hun besluitvorming m.b.t. het vliegen in gebieden met asconcentraties. De IVW ziet toe op een correcte naleving van de procedure.
Het blijft overigens verboden om te vliegen in de gebieden met hoge asconcentraties (de zwarte gebieden), maar ook dit is een verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappijen en gezagvoerders. Het Amerikaanse model kent daarentegen geen verboden gebieden. De luchtvaartmaatschappijen bepalen zelf, op basis van jarenlange ervaring, welke gebieden zij zullen mijden en welke gebieden wel geschikt zijn om doorheen te vliegen. Zij bepalen dit niet alleen op basis van mathematische modellen, maar veel meer op basis van ervaring en waarnemingen gedaan tijdens de vluchtuitvoering. Het enige gesloten gebied volgens het Amerikaanse model is het gebied om de vulkaan heen (cirkel van 120Nm).
Ziet u in de huidige problemen mogelijkheden om sneller tot overeenstemming te komen over een Single European Sky? Op welke termijn zouden de eerste voordelen van SES kunnen worden bereikt?
Over de versnelling van een Single European Sky is gesproken tijdens de Transportraad van 4 mei 2010. De gebeurtenissen van de afgelopen weken hebben opnieuw het belang van een goedwerkend Europees Luchtruim aangetoond. De Commissie heeft aangekondigd de implementatie van SES te willen versnellen. Ik deel de ambitie om in deze complexe materie zo snel mogelijk tot goede resultaten te komen. Centraal hierin staat een verdere versterking van de grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten in het beheer van hun luchtruim, zoals door FABEC5 wordt beoogd.
Tijdens de Transportraad hebben mijn collega’s en ik de volgende mogelijkheden voor het versnellen van een Single European Sky vastgesteld:
Verder is in het kader van FABEC de intentie uitgesproken om in het kader van prestatiesturing, één van de belangrijke thema´s bij de totstandkoming van een Single European Sky, al vanaf 2012 met gezamenlijk FABEC performance plan te werken, terwijl dit in principe pas vanaf 2015 verplicht is.
Mijn ervaring van de afgelopen periode is overigens dat de eerste voordelen van SES al zichtbaar zijn. Gebleken is dat alle bij FABEC betrokken partijen elkaar snel weten te vinden. Dit blijkt onder meer uit de succesvolle samenwerking bij de ontwikkeling van het nieuwe operationele concept voor vliegen bij verhoogde concentraties as.
Ook de constructieve samenwerking met de militaire gebruikers van het luchtruim is van groot belang geweest in deze moeilijke omstandigheden.
Een datalek in de website www.ervaarhetov.nl |
|
Manja Smits , Ineke van Gent (GL) |
|
Camiel Eurlings (minister verkeer en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «OV-site lekt persoonlijke gegevens 168.000 reizigers»?1
Ja.
Zou het niet beter zijn om websites die dienen ter introductie en exploitatie van de OV-chipkaart onder rijksverantwoordelijkheid te brengen, omdat decentrale overheden kennelijk niet altijd in staat zijn de privacy van burgers afdoende te beschermen en ook de efficiëntie hierbij gebaat is? Zo nee, waarom niet?
Nee. De introductie en exploitatie van de OV-chipkaart is een verantwoordelijkheid van de decentrale overheden en hun vervoerders. De gegevens van klanten van de OV-chipkaart worden dan ook beheerd door deze partijen. Dat maakt deze overheden en vervoersbedrijven tevens tot verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wpb). De decentrale overheden en de vervoersbedrijven moeten zich, net als de rijksoverheid, houden aan de Wbp.
Op website www.ervaarhetov.nl bieden de provincies Gelderland, Flevoland en Overijssel diverse kortingsproducten aan om het openbaar vervoer in hun regio te promoten. Het aanbieden van de persoonlijke OV-chipkaart met tijdelijk gratis dalkorting is slechts één van deze producten. De gegevens die zijn ingezien betroffen voor het merendeel de gegevens van personen die van andere kortingsproducten gebruik hebben gemaakt. Ook de gegevens van deze personen moeten adequaat beschermd zijn. Het datalek in de website is inmiddels opgelost en de website is weer in gebruik.
Wat vindt u van de suggestie een meldplicht in te stellen voor instanties die geconfronteerd worden met gelekte data, zoals in de Verenigde Staten al jaren het geval is?
Ik onderschrijf die suggestie. De minister van Justitie heeft in een Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Justitie op 3 februari 2010 (Kamerstukken II 2009/2010, 31 051, nr. 7) aangekondigd dat er wetgeving in voorbereiding wordt genomen om een dergelijke meldplicht in het leven te roepen.
Wat is uw oordeel over het feit dat vervoerders in het midden van het land bij de introductie van de OV-chipkaart alleen financiële voordelen bieden aan reizigers met een persoonlijke OV-chipkaart en niet aan reizigers met een anonieme kaart?
Producten op de OV-chipkaart – zoals een kortingspropositie of een abonnement – zijn persoonsgebonden dus alleen geldig voor de bezitter van de kaart. Ook bij de huidige papieren kaartsoorten en abonnementen is dat het geval. Bij reizigers die reizen met een kortingspropositie op hun OV-chipkaart, moet gecontroleerd kunnen worden of zij gerechtigd zijn om met dit product te reizen. Dit kan alleen met een persoonlijke OV-chipkaart. Een anonieme OV-chipkaart is immers niet aan een specifiek persoon gekoppeld.
Ik heb begrip voor de kortingsacties. De decentrale overheden zijn op grond van de Wet personenvervoer 2000 bevoegd de kaartensoorten en tarieven voor het openbaar vervoer in hun regio vast te stellen. Met deze actie willen de decentrale overheden en hun vervoerders het gebruik van de OV-chipkaart in hun provincies stimuleren.
Hoe beoordeelt u in dit verband het oordeel van het College Bescherming Persoonsgegevens dat reizigers niet via kortingsacties «gedwongen» mogen worden hun anonimiteit op te geven?
Er is geen sprake van «dwang» in de zin dat de privacyrechten van reizigers worden geschonden. De vervoerbedrijven hebben in 2008 met het College bescherming persoonsgegevens afspraken gemaakt over de privacy en de OV-chipkaart. Dit onderwerp heeft hierbij geen bezwaar opgeleverd.
De privacy van de reizigers met een persoonsgebonden kaart is gewaarborgd. De reisgegevens worden door vervoerbedrijven strikt gescheiden bewaard van de klantgegevens (naam, adres e.d.) en alleen gekoppeld op basis van vooraf bepaalde voorwaarden.
Bent u bereid de betreffende vervoersbedrijven zo nodig te dwingen hun kortingsacties voor alle reizigers te laten gelden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Dit zou ingrijpen in de tariefverantwoordelijkheid van de decentrale overheden. Zie ook de antwoorden bij de vragen 4 en 5.
Bent u bereid te achterhalen met welke extra kosten de concessieverleners in Gelderland, Flevoland en Overijssel te maken hebben, nu de website www.ervaarhetov.nl uit de lucht gehaald is? Zo nee, waarom niet?
Nee, het betreft hier een decentrale verantwoordelijkheid.
Deelt u de vrees dat deze fout ten koste gaat van het provinciale budget voor openbaar vervoer en dus niet besteed kan worden aan echte kwaliteitsverbetering daarvan?
Het is niet aan mij om hierover een uitspraak te doen. De besteding van gelden ten behoeve van het openbaar vervoer en de OV-chipkaart is de verantwoordelijkheid van decentrale overheden.
Het vrijgeven van het spaarloon |
|
Frans Weekers (VVD) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het kwartaalbericht van het CBS over de economie1 waaruit blijkt dat de consumptie van huishoudens nog steeds licht daalt?
Ja.
Heeft u tevens kennisgenomen van het kwartaalbericht van het CBS waaruit blijkt dat de omzet in een deel van de detailhandel sedert maart aantrekt maar in een ander deel nog steeds daalt?2
Ja.
Kent de uitkomst van de vakantiegeldenquête van het Nibud3 waaruit blijkt dat veel mensen het vakantiegeld niet alleen gebruiken om op vakantie te gaan, maar ook om tekorten in het huishoudboekje aan te vullen?
Ja.
Is het waar dat werknemers op dit moment voor ongeveer € 4 mrd aan spaarloon hebben dat niet voor consumptieve doeleinden mag worden besteed?
Er is in totaal inderdaad ongeveer € 4 miljard euro aan spaarloontegoeden. Een deel daarvan – namelijk de tegoeden die in 2006 zijn opgebouwd – valt dit jaar vrij. Dit deel bedraagt circa € 1 miljard euro. Hier staat natuurlijk tegenover dat gedurende het lopende jaar de spaartegoeden weer vrijwillig en fiscaal gefacilieerd worden aangevuld. Overigens mag het geld dat dit jaar niet vrijvalt in bepaalde gevallen eerder – belastingvrij – worden opgenomen. Voorbeelden zijn aankoop van een eigen woning of start van een eigen onderneming.
Herinnert u zich dat uw voorganger in 2005 met succes het spaarloon heeft vrijgegeven hetgeen destijds een welkome ondersteuning voor de koopkracht en een impuls voor de consumentenbestedingen en daarmee voor de economie betekende?
In 2005 zijn inderdaad de spaarloontegoeden gedeblokkeerd.
Deelt u de verwachting dat ruim de helft van het spaargeld wordt uitgegeven wanneer dit wordt vrijgegeven en dat dit volgens eerdere berekeningen van het CPB leidt tot verhoging van de consumptie met 0,7% en dat dit zorgt voor een hogere economische groei van 0,2%?
Er passen twee nuanceringen bij de cijfers die in de vraag worden genoemd. Ten eerste volgen deze cijfers uit een gevoeligheidsanalyse van het CPB4. In het meest waarschijnlijke scenario – het basisscenario – gaat het CPB er van uit dat 15% van de gedeblokkeerde tegoeden wordt geconsumeerd, in de gevoeligheidsanalyse is uitgegaan van een percentage van 50. In het basisscenario is het effect op consumptie en economische groei dan ook lager, namelijk 0,25% resp. 0,1%.
Ten tweede, de genoemde effecten zijn effecten die optreden in het jaar waarin maatregel wordt genomen. In de jaren na deblokkeren valt juist minder spaarloon vrij en treden tegengestelde effecten op consumptie en economische groei op.
Deelt u de opvatting dat het vrijgeven (deblokkeren) van het spaarloon een sympathieke maatregel is voor mensen die thans hun vakantiegeld moeten aanwenden om gaten in het huishoudboekje te dichten en aankopen moeten uitstellen omdat ze niet bij hun spaargeld kunnen komen? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op vraag 6 heb ik aangegeven dat het effect op consumptie en economische groei naar verwachting beperkt is.
Uit de publicaties van het CBS blijkt dat de consumptie van huishoudens in het eerste kwartaal licht daalt t.o.v. hetzelfde kwartaal een jaar terug. Deze daling is echter aanzienlijk kleiner dan in de tweede helft van 2009. In maart 2009 is de consumptie van huishoudens zelfs voor het eerst sinds ruim een jaar weer gestegen tov zelfde maand vorig jaar. Over geheel 2010 verwacht het CPB in het Centraal Economisch Plan een stijging van de consumptie met 0,5%. Na de krimp van de consumptie in 2009 gaat het in 2010 naar verwachting weer de goede kant op.
Deelt u de opvatting dat het vrijgeven (deblokkeren) van het spaarloon het tij voor de detailhandel gelet op vraag 2 definitief kan keren en een welkome impuls betekent voor de economie omdat het de consumentenbestedingen aanjaagt?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u gelet op het bovenstaande bereid het spaarloon ten spoedigste vrij te geven/te deblokkeren? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet en wat vindt u dan het meest geijkte moment?
Het kabinet is op dit moment niet van plan om de spaarloontegoeden te deblokkeren. Behalve de hierboven geschetste ontwikkeling van de consumptie spelen twee andere overwegingen hierbij een rol.
Ten eerste zijn de afgelopen 10 jaar de spaarloontegoeden al twee maal gedeblokkeerd. Een derde ronde van deblokkeren doet afbreuk aan het instrument spaarloon en draagt niet bij aan een consistent beeld ten aanzien van overheidsregelgeving, niet voor burgers, maar ook niet voor uitvoerders zoals werkgevers en banken.
Ten tweede is het verstandig om de beslissing over de toekomst van het spaarloon te betrekken bij de coalitiebesprekingen voor de volgende kabinetsperiode. De studiecommissie Belastingstelsel adviseert om het spaarloon volledig af te schaffen. Verschillende politieke partijen hebben in hun verkiezingsprogramma aangegeven wat ze met het spaarloon willen doen.
Bent u bereid deze vragen zo snel mogelijk te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat onterechte hechtenis steeds meer kost |
|
Sybrand van Haersma Buma (CDA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat onterechte hechtenis steeds meer kost?1
Ja.
Kloppen de feiten in dit bericht?
Het Volkskrantartikel citeert prof. mr. Y. Buruma die stelt dat meer schadevergoeding wordt betaald vooral doordat het aantal vrijspraken is gestegen. Dit klopt. Uit mij ter beschikking staande gegevens blijkt dat het aantal vrijspraken sinds 2002 bij een nagenoeg gelijkblijvend aantal ingeschreven strafzaken sterk stijgt. De stijging in uitgaven kan volledig worden verklaard op grond van de stijging van het aantal vrijspraken.
Hoe oordeelt u over de hoogte van de toegekende schadevergoedingen?
In gevallen waarin personen naar achteraf blijkt ten onrechte in hechtenis hebben doorgebracht, past het de overheid de nadeelschade die deze personen hiervan hebben ondervonden te compenseren. Ik zie geen reden de hoogte van de genoemde standaardvergoeding aan te passen, daar er sprake is van compensatie voor de geleden schade en niet van volledige vergoeding daarvan.
Is er volgens u reden om de hoogte van de genoemde standaardvergoeding (in het algemeen) aan te passen?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u mogelijkheden om te voorkomen dat de schadevergoedingen voor ten onrechte opgelegde veroordelingen blijven stijgen?
Er is in het artikel geen sprake van schadevergoedingen voor onterechte veroordelingen, maar om schadevergoeding voor onterechte detentie.
Zoals vermeld in vraag 4 past het om schade te vergoeden wanneer sprake is van onterechte hechtenis. Ik stel voorop dat de mogelijkheden tot slagvaardige opsporing en vervolging zeer zouden worden belemmerd, indien iedere kans op een achteraf bezien onterechte hechtenis vooraf moet worden vermeden. Dit laat vanzelfsprekend de zorgvuldigheid die dient te worden betracht bij het opleggen van hechtenis onverlet. Deze zorgvuldigheid dient ervoor te zorgen dat het aantal gevallen van achteraf bezien ten onrechte ondergane detentie niet buitenproportioneel stijgt.
Het bericht "Schoolstage: pornofilms bewerken" |
|
Bas van der Vlies (SGP) |
|
Marja van Bijsterveldt (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Schoolstage: pornofilms bewerken»?1
Ja.
Kunt u een toelichting geven op de gang van zaken rond de invulling en beëindiging van de stage?
Tijdens de beroepspraktijkvorming (bpv), bestaande uit een stage of leerbaan, krijgt een mbo-student bij een leerbedrijf onderricht in de praktijk van het beroep als onderdeel van de beroepsopleiding. Deze bpv wordt verzorgd door het leerbedrijf, onder begeleiding en eindverantwoordelijkheid van de mbo-instelling, op basis van een overeenkomst. In deze overeenkomst worden de rechten en verplichtingen van partijen (student, leerbedrijf en mbo-instelling) vastgelegd, evenals dat deel van de kwalificatie(s) die de student tijdens de praktijkperiode dient te leren.
Bij de desbetreffende studente aan de mbo-opleiding Multimedia en Gamedesign maakte onder andere de bewerking van films onderdeel uit van de bpv. Op het moment dat de studente bij haar mbo-instelling aangaf tijdens de bpv in aanraking te komen met pornofilms, heeft de mbo-instelling navraag gedaan bij het leerbedrijf. Uit die navraag bleek dat het bij de streaming van films door de mbo–studente ook pornofilms hebben gezeten. Het zou daarbij gegaan zijn om technische bewerkingen waarbij de studente zelf overigens geen beelden heeft gezien. Desalniettemin heeft de mbo-instelling aangegeven richting het leerbedrijf dat toekomstige stagiaires op generlei wijze in aanraking hiermee mogen komen.
De desbetreffende studente is door de mbo-instelling een vervangende bpv-plaats aangeboden. Dit had veeleer van doen met een niet zo goede stagerelatie tussen leerbedrijf en deze studente dan met dit incident.
Zijn u ten aanzien van stages in het onderwijs, in het bijzonder binnen de multimediale sector, soortgelijke gevallen bekend? Welke richtlijnen worden gehanteerd als het gaat om de inhoudelijke werkzaamheden tijdens de stage?
Nee.
Desgevraagd heeft GOC, het kenniscentrum van de grafimediabranche, bericht dat er geen soortgelijke gevallen bekend zijn.
Bedrijven of organisatie mogen uitsluitend de beroepspraktijkvorming (stage of leerbaan) voor mbo-studenten verzorgen indien zij door het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven zijn erkend als leerbedrijf. Een relevant erkenningscriterium in deze kwestie is dat het leerbedrijf een veilige leeromgeving moet bieden voor de mbo-student. Onder dit criterium wordt niet alleen verstaan het voorkomen van ongevallen, maar ook het bieden van sociale veiligheid
Bij de invulling van dit criterium hanteren de kenniscentra zware maatstaven, aangezien de mbo-student veelal onervaren en soms erg jong is. Dit maakt ze kwetsbaar. Overigens betrof het hier volgens de mbo-instelling een meerderjarige mbo-studente. Als het leerbedrijf niet (meer) een veilige leeromgeving biedt, wordt de erkenning door het desbetreffende kenniscentrum ingetrokken.
Het kenniscentrum heeft inmiddels over deze kwestie contact opgenomen met de mbo-instelling en het leerbedrijf om te bezien of dit een eenmalig incident was of dat er redenen is om het leerbedrijf de erkenning te ontnemen.
Bent u ook van mening dat het zelfs in het kader van een stage binnen een multimediabedrijf niet normaal is dat leerlingen geconfronteerd worden met pornofilms en ook verwacht worden aan de bewerking ervan mee te werken? Bent u bereid hierover met de betrokkenen in contact te treden?
Ja.
Dergelijke activiteiten passen niet binnen een sociaal veilige leeromgeving, zeker als het gaat om minderjarige mbo-studenten.
De mbo-instelling heeft aangegeven de kwestie uitgebreid te hebben besproken met het leerbedrijf, waarbij het leerbedrijf heeft aangegeven dat in de toekomst eventuele mbo-stagiaires hier niet meer mee in aanraking zullen komen.
Zoals ik in mijn antwoord bij vraag 3 al aangaf, beziet daarnaast het kenniscentrum, dat wettelijk belast is met de kwaliteitszorg voor de leerbedrijven in deze sector, de kwestie nog nader.
Is het waar dat de instelling heeft aangedrongen op beëindiging van de stage? Bent u ook van mening dat de instelling eerst naar een andere invulling van de stage bij hetzelfde bedrijf had moeten streven? Zo ja, waarom is dat niet gebeurd?
Ja.
De instelling heeft gezorgd voor een vervangende, passende bpv-plaats voor deze mbo-studente. Hieraan lag als belangrijkste overweging ten grondslag dat de stagerelatie tussen de mbo-studente en het leerbedrijf ook in andere opzichten was verstoord.
De open brief van de onderwijsbonden |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van de open brief van de onderwijsbonden over de onduidelijkheid bij het onderwijspersoneel over hun loonontwikkeling in 2010?1
Ja.
Deelt u de mening dat aan deze onduidelijkheid over dit lopende jaar zo snel mogelijk een einde moet worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
De onderwijsbonden vragen van het kabinet duidelijkheid over de loonontwikkeling in 2010. Deze is gegeven in de Voorjaarsnota die op 31 mei jl. aan de Tweede Kamer is gezonden (Kamerstuk 32 395, nr. 1).
Wat is uw reactie op deze brief?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van plan de aangenomen motie Azough2 over het onverkort van toepassing verklaren van het referentiemodel uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
In het aanvullend beleidsakkoord 2009 verwachtte het kabinet dat in nieuwe cao’s voor 2010 – in zowel markt als overheid – een beperkte loonontwikkeling zou worden afgesproken. Daarmee zou automatisch een besparing worden gerealiseerd voor de rijksbegroting. De loonontwikkeling in de markt werkt immers via het toepassen van de referentiesystematiek door in de kabinetsbijdrage voor de arbeidsvoorwaardenontwikkeling in de overheidssectoren. Deze besparing treedt vooralsnog echter zeer beperkt op omdat op basis van CEP-ramingen gebleken is dat de loonontwikkeling in de markt in 2010 op jaarbasis nog uitkomt op 1,25%. In het aanvullend beleidsakkoord is voorts afgesproken dat het kabinet in het geval er geen nominale nullijn tot stand komt, mede in zijn rol als overheidswerkgever, op enigerlei wijze vanuit de collectieve sector zal bijdragen aan solidariteit met de marktsector. Het inhouden van de loonbijstelling 2010 vloeit voort uit het streven een nominale nullijn te realiseren. Mede in het licht van de staat van de overheidsfinanciën heeft het kabinet daarom besloten de loonbijstelling 2010 niet uit te keren. De referentiesystematiek biedt de mogelijkheid om bij het bepalen van de kabinetsbijdrage aan de overheidswerkgevers voor arbeidsvoorwaardenverbeteringen af te wijken van de arbeidsvoorwaardenontwikkeling in de marktsector.
Het kabinet acht, mede gegeven de staat van de overheidsfinanciën, een algemene nullijn op alle kabinetspersoneel noodzakelijk. Het is onwenselijk om op deze algemene nullijn een uitzondering te maken voor het onderwijspersoneel.
Het kabinet wenst ook ten principale de mogelijkheid te behouden om beleidsmatig in te grijpen als de omstandigheden dat vereisen. Het kabinet kan daarom nimmer toezeggen onder alle omstandigheden onverkort het referentiemodel toe te passen. Het kabinet kan de motie Azough daarmee niet uitvoeren.
Bent u bereid deze vragen op zeer korte termijn, namelijk vóór het Verantwoordingsdebat van 20 mei 2010, te beantwoorden?
Deze vraag is al beantwoord in de brief van 20 mei jongstleden (Kamerstuk 32 124, nr. 15).
Bijstand voor schippers |
|
Sander de Rouwe (CDA), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Piet Hein Donner (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Kunt u aangeven of het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen van toepassing is op schippers, die – gezien de slechte marktsituatie – een schip hebben stilliggen? Zo ja, kunt u aangeven aan welke criteria schippers moeten voldoen om in aanmerking te komen voor deze vorm van bijstandsverlening? Zo nee, kunt u aangeven waarom schippers, die tijdelijk geen inkomen hebben, niet voor de regeling in aanmerking komen?
Het Bbz 2004 vormt onderdeel van de bijstandswetgeving en is bedoeld om zelfstandigen (waaronder ook schippers) met een in beginsel levensvatbaar bedrijf maar met tijdelijke financiële problemen ondersteuning te bieden in de vorm van een periodieke uitkering tot de bijstandsnorm en/of bedrijfskapitaal. Afhankelijk van de financiële positie van de zelfstandige wordt het Bbz verstrekt als lening of gift.
Elke zelfstandige tussen de 18 en 65 jaar die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op inkomen uit het zelfstandig bedrijf of beroep dat hier te lande wordt uitgeoefend en die voldoet aan het urencriterium kan in aanmerking komen voor het Bbz, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats dient men eerst al het vermogen waarover men redelijkerwijs kan beschikken aan te wenden voor de instandhouding van het zelfstandig bedrijf of beroep. Het vermogen dat verbonden is aan de eigen woning of het bedrijf is hiervan uitgezonderd. In de tweede plaats dient het zelfstandig bedrijf of beroep, na tijdelijke ondersteuning vanuit het Bbz, in beginsel weer levensvatbaar te zijn. Bij het oordeel over de levensvatbaarheid speelt een rol of een slechte marktsituatie van tijdelijke of structurele aard is en welke invloed de marktsituatie en andere factoren die voor de levensvatbaarheid van belang zijn op het zelfstandig bedrijf of beroep hebben. De levensvatbaarheidseis is niet van toepassing op een zelfstandige die zich verplicht het zelfstandig bedrijf of beroep uiterlijk binnen 12 maanden te beëindigen en een zelfstandige van 55 jaar of ouder die het zelfstandig bedrijf of beroep gedurende een aaneengesloten periode van 10 jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag heeft uitgeoefend en hieruit een inkomen geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
De gemeente, als uitvoerder van het Bbz, beoordeelt elke individuele Bbzaanvraag.
De taalvoering in de Leeuwarder rechtbank |
|
Sander de Rouwe (CDA), Joop Atsma (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Friese taal sneuvelt door Zwolse officier»?1
Ja
Kunt u aangeven of het in het verleden vaker is voorgekomen dat het spreken van Fries in de rechtbank wordt belemmerd?
Van een absolute belemmering is geen sprake. Weliswaar is niet iedere rechter of officier van justitie in Leeuwarden de Friese taal machtig maar indien een justitiabele gebruik wil maken van zijn recht om Fries te spreken in de rechtszaal, zal in voorkomende gevallen een tolk kunnen worden ingeschakeld.
Deelt u de opvatting dat er eigenlijk geen belemmeringen zouden moeten zijn om Fries te kunnen spreken in de rechtbank? Zo ja, ziet u aanleiding of mogelijkheden hiertoe maatregelen te treffen?
Zoals in het antwoord op vraag 2 weergegeven is er in principe geen belemmering om Fries te spreken, omdat er desgewenst een tolk kan worden ingeschakeld.
Daarnaast voeren het bestuur van de rechtbank Leeuwarden en de hoofdofficier van justitie te Leeuwarden een uitnodigend beleid ten aanzien van het gebruik van de Friese taal in het rechtsverkeer. In de hal van het gerechtsgebouw en bij de zittingzalen is op diverse plaatsen de tekst «U mag ook Fries spreken» geplaatst. Daarnaast wordt aan het personeel een cursus Fries aangeboden. Bovendien kent de website van de rechtbank Leeuwarden ook een Friestalige versie. Deze maatregelen zijn naar mijn oordeel voldoende om het spreken van Fries voor iedereen die daar behoefte aan heeft, mogelijk te maken.
Het aansmeren van verzekeringspolissen aan scholieren |
|
Jack Biskop (CDA), Raymond Knops (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Bij wie is door uw ministeries nagevraagd of verzekeringspolissen worden aangesmeerd tijdens de lessen? Heeft u een adequaat inzicht in het al dan niet voorkomen van deze in de ogen van sommigen kwalijke praktijk op ROC’s?1
Naast het regionaal opleidingscentrum (ROC) Nijmegen – waarvan ROC De Maasvallei deel uitmaakt – is ook navraag gedaan bij de andere roc’s met een defensieopleiding. Er zijn geen aanwijzingen dat tijdens de lessen op roc’s verzekeringen worden verkocht. Voorts heeft het ministerie van Defensie naar alle roc’s met een defensieopleiding een brief gestuurd met daarin het verzoek erop toe te zien dat de opleidingen niet gebruikt worden voor commerciële doeleinden.
Acht u het wel toelaatbaar dat een bedrijf leerlinggegevens verzamelt tijdens lessen op een ROC met als doel leerlingen na de les te kunnen benaderen voor het aanpraten van commerciële producten?2
Neen, zoals ik de Kamer heb gemeld op 19 april 2010 (Handelingen TK 2009-2010, aanhangsel nr. 2267) acht ik commerciële activiteiten op een roc niet toelaatbaar. Overigens is door het ROC Nijmegen met het betreffende bedrijf de afspraak gemaakt dat het geen voorlichting meer geeft op de opleiding.
Past het verzamelen van leerlinggegevens voor commerciële doeleinden binnen het curriculum van de opleiding Veiligheid & Vakmanschap?3
Neen, het verzamelen van gegevens over leerlingen door derden voor commerciële doeleinden past niet binnen het curriculum van de opleiding Veiligheid en Vakmanschap.
Verlies van GGO-koolzaad en het ontbrekend COGEM-advies |
|
Hugo Polderman |
|
Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU) |
|
Kent u het rapport «Transport chains and seed spillage of potential GM crops with wild relatives in the Netherlands»1, waaruit blijkt dat verlies van geïmporteerd koolzaad bij transport kan leiden tot verspreiding van GGO-koolzaad in Nederland?
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoeveel besmetting er al is in Nederland? Zo nee, wanneer kunt u dit wel?
Nee. Op basis van het door u genoemde rapport van de COGEM (deelproject 2 van een studie bestaande uit 4 delen) lijkt de kans dat tijdens het transport van koolzaad, genetisch gemodificeerd koolzaad verloren gaat en in het milieu terecht komt, op dit moment klein. Op zijn vroegst kan ik hierover meer zeggen na het vierde deelrapport van de COGEM.
Het genoemde rapport van de COGEM geeft namelijk aan dat minder dan 3 procent koolzaad verloren gaat tijdens het transport tussen de plaats van binnenkomst en de plaats van verwerking. Het rapport geeft ook aan dat er geen concrete gegevens beschikbaar zijn over de hoeveelheid genetisch gemodificeerd (gg) koolzaad die in Nederland wordt geïmporteerd. Daarnaast geeft het rapport ook aan dat de bulk van het in Nederland geïmporteerde koolzaad afkomstig is uit Europese landen (Frankrijk, Duitsland) terwijl teelt van gg-koolzaad hoofdzakelijk plaats vindt in Canada en de VS. Uit deze landen wordt al 10 jaar nauwelijks koolzaad in Nederland geïmporteerd.
Gaat de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) ook wild koolzaad testen? Zo ja, wanneer vindt dit onderzoek plaats en hoe ziet de onderzoeksopzet eruit? Zo nee, waarom niet, en bent u bereid hier alsnog opdracht toe te geven?
Nee. Het genoemde onderzoeksrapport is de tweede deelstudie van een project van de COGEM dat in totaal uit vier deelprojecten zal bestaan. In het derde deelproject zal bekeken worden of wilde koolzaadpopulaties in Nederland voorkomen. Daarnaast zal de VROM-Inspectie in samenwerking met de douane import van koolzaad controleren op aanwezigheid van gg-variëteiten.
Is het waar dat, zoals de COGEM stelt, het verspreide koolzaad «het kunnen toegelaten en op veiligheid beoordeelde gg-variëteiten zijn, die geen milieurisico vormen?» Hoe en waarop zijn ze beoordeeld?
Ja. In de EU (en dus ook in Nederland) zijn 6 gg-koolzaad variëteiten toegelaten voor import en verwerking, maar niet voor teelt. Deze variëteiten hebben elk de gebruikelijke procedure doorlopen die geldt voor markttoelating van genetisch gemodificeerde organismen. Een vast onderdeel van die procedure is een inschatting van de risico’s voor mens en milieu van het voorgenomen gebruik van het ggo. Bij de milieurisicoanalyses van de betreffende gg-koolzaadvariëteiten is er rekening mee gehouden dat gg-koolzaad, door vermenging of morsen tijdens transport, in het milieu terecht kan komen. Wanneer de conclusie van de milieurisicoanalyse is dat het betreffende gg-gewas tot verwaarloosbare risico’s voor het milieu leidt, kunnen de variëteiten worden toegelaten.
Nu de COGEM stelt dat in de controlesystemen die er zijn voor zaad geen aandacht besteed aan het morsen van zaad, welke consequenties verbindt u hieraan en aan het feit dat de besmettingsbron waarop dit rapport zich richt, niet is bewaakt?
Noch het genoemde rapport, noch de daarbij behorende signalerende aanbiedingsbrief van de COGEM stelt dat er geen aandacht zou worden besteed aan het morsen van zaad, of dat er een «besmettingsbron niet is bewaakt». Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, wordt bij de veiligheidsbeoordeling van ggo’s wel degelijk rekening gehouden met het morsen van zaad. In het geval van toegelaten gg-koolzaadvariëteiten zijn er dus geen negatieve effecten voor mens en milieu te verwachten.
Wilt u uiteenzetten welke acties u gaat ondernemen om verspreiding van GGO-koolzaad tegen te gaan?
Het rapport geeft geen onmiddellijke aanleiding tot nieuwe maatregelen. Dit laat onverlet dat het probleem aan de bron gemonitord moet worden, en dat de VROM-inspectie in samenwerking met de douane, controleert op de aanwezigheid van niet toegelaten gg-koolzaad in in Nederland geïmporteerde koolzaad partijen.
Na afronding van het gehele COGEM project zal ik bezien of en hoe de resultaten kunnen worden gebruikt om de effectiviteit van controlemaatregelen zo nodig te verbeteren.
Kent u het artikel «Amflora onvolledig beoordeeld door COGEM»?2
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat in het advies van de COGEM – wat de basis was om vóór toelating te stemmen- een wezenlijk element blijkt te ontbreken, namelijk de gevolgen van de commerciële teelt voor de verspreiding van antibioticumresistentie? Wilt u de COGEM vragen hierover alsnog te adviseren? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet? Acht u het desalniettemin veilig? Wilt u een overzicht geven van de onafhankelijke wetenschappelijke publicaties waarop u zich baseert?
Toen Nederland rond 2004 een standpunt moest innemen over de toelating van de genetisch gemodificeerde aardappel «Amflora», zijn de COGEM en het RIKILT om advies gevraagd. Aan hen is de vraag voorgelegd of het voorgenomen gebruik van de aardappel (commerciële teelt en verwerking tot diervoeder) tot risico’s voor mens en milieu kon leiden. Beide organisaties kwamen tot de conclusie dat bij het voorgenomen gebruik de risico’s voor mens en milieu verwaarloosbaar klein zijn. Onderdeel van de beoordeling is daarbij geweest de mogelijke gevolgen van de aanwezigheid van het betrokken antibioticumresistentiegen (AbRgen). Dat niet expliciet wordt geconstateerd dat de verspreiding van het AbRgen geen kwaad kan, doet niet af aan de eindconclusie van het advies. Ik zie dan ook geen reden om de COGEM opnieuw om advies te vragen.
De beoordeling van de Amflora aardappel is volledig geweest, dit i.t.t. de conclusie in het genoemde artikel. In de beoordeling – die 12 jaar heeft geduurd – hebben naast COGEM en RIKILT diverse andere wetenschappelijke organen zich over deze aardappel gebogen. De Europese voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) heeft, op verzoek van de Europese Commissie, het dossier zelfs drie keer beoordeeld. Dat het betreffende AbRgen reeds voorkomt in het milieu,en horizontale genoverdracht van (gg-) plant naar bacterie nooit in de natuur is waargenomen, wordt onderschreven door de COGEM. Per brief van 1 april 20083 over de markttoelating van de betreffende genetisch gemodificeerde aardappel heb ik u ook toegelicht hoe de EFSA tot de conclusie is gekomen dat dit AbRgen geen risicio’s voor mens en milieu met zich meebrengt.
Daarnaast bent u onlangs door de minister van LNV, mede namens mij, over de toelating van de gg-aardappel en de aanwezigheid van AbRgenen uitgebreid geïnformeerd in de antwoorden op andere Kamervragen over deze aardappel4.
Voor een overzicht van de publicaties waarop de genoemde instanties zich baseren, verwijs ik naar de adviezen van deze instanties, die allen publiekelijk toegankelijk zijn via internet (zie referenties onderaan deze brief).
Bent u bereid uw standpunt aan te passen op grond van (nieuwe) wetenschappelijke inzichten omtrent de gevolgen van de commerciële teelt voor de verspreiding van antibioticumresistentie?
Ik ben uiteraard bereid mijn standpunt aan te passen als nieuwe wetenschappelijke inzichten daar aanleiding toe geven. In het geval van deze gg-aardappel Amflora is dat echter niet aan de orde.
http://www.cogem.net/ContentFiles/CGM040610–01.pdf
Cogem advies Amflora, 2004
http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/scdoc/323.htm
EFSA advice application under Directive 2001/18, 2005
http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/scdoc/48.htm EFSA advice 2004
http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/scdoc/324.htm EFSA advice on food/feed use under regulation 1829/2003, december 2005
http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/doc/742.pdf – Statement on ABR on safe use of ABR in gm plants, maart 2007
http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/scdoc/1108.htm – gmo and biohaz panel on AbR in gm plants, maart 2009
Het terugsluizen van geld door de publieke omroep via een eigen muziekuitgeverij |
|
Mark Harbers (VVD) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Publieke Omroep besteelt liedjesschrijvers»?1
Ja.
Is het waar dat de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) jaarlijks 3 tot 4 miljoen euro terug naar de eigen kas sluist door auteursrechten op jingles en tunes onder te brengen in de eigen muziekuitgeverij Crossmex en muzikanten en liedschrijvers onder druk een contract te laten ondertekenen waarin ze hun werk ook bij deze uitgeverij onderbrengen? Zo ja, wist u hiervan en wat vindt u ervan?
De contractspraktijk van de publieke omroepen kent inderdaad regelmatig een ruime rechtenoverdracht door de auteur en verplichte inbreng van de compositie bij een door de omroep aangewezen muziekuitgever, zoals Crossmex. Dit geldt incidenteel voor liedjes en liedteksten voor televisieprogramma’s en in de regel voor langlopende jingles en tunes. Het gevolg van de verplichting om het werk onder te brengen bij een aangewezen muziekuitgever is dat een deel van de BUMA-inkomsten wordt uitgekeerd aan de muziekuitgever. Dit is ook de gangbare contractpraktijk bij commerciële omroepen en producenten.
Ik acht deze praktijk onwenselijk, omdat het de positie van de individuele makers kan benadelen. Dit is alleen anders indien de maker vrijwillig instemt met de inbreng bij een muziekuitgeverij en hij daar zelf ook voordeel van heeft. Ik was al bekend met deze praktijk. Om die reden is in de toelichting op het voorontwerp voor een wettelijke regeling van het auteurscontractenrecht2 de verplichte inbreng bij een aan de exploitant gelieerde muziekuitgever genoemd als voorbeeld van een evident onredelijke contractsbepaling die door de maker kan worden vernietigd. Op dit moment wordt over dit voorontwerp nog geconsulteerd.
Ten aanzien van langlopende netstylingmuziek, tunes en zenderjingles hanteren de NPO en Crossmex een aanvullende inkomstendelingsregeling. Die regeling houdt in dat als het auteursdeel van de BUMA-inkomsten boven een bepaalde grens komt, de auteur een percentage van zijn BUMA-inkomsten moet terugbetalen aan de omroep (zgn. kick-back). De NPO hanteert deze regeling, omdat er in het bijzonder bij in opdracht vervaardigde tunes en jingles, die zeer veelvuldig worden uitgezonden, vaak een onevenredigheid bestaat tussen de honorering (BUMA-gelden) en de door de componist te leveren prestatie.
Hoewel de NPO wettelijk verplicht is toe te zien op een doelmatige besteding van de omroepmiddelen vind ik het gebruik van dergelijke «kickback»-contracten een weinig gelukkige ontwikkeling, omdat hiermee het wettelijke systeem van collectief beheer van muziekrechten via contracten wordt omzeild. Een belangrijke verdienste van het systeem van collectief beheer is dat het makers een sterkere positie geeft in de onderhandelingen over auteursrechtvergoedingen. Hieraan wordt afbreuk gedaan als dat systeem van BUMA-inkomsten via individuele contractuele regelingen deels opzij wordt gezet. De publieke omroep is met BUMA een jaarlijkse lumpsumvergoeding overeengekomen voor het gebruik van muziekwerken en is bekend met de verdelingssystematiek die binnen BUMA wordt gehanteerd.
Is het de NPO toegestaan om op commerciële wijze een eigen muziekuitgeverij te voeren? Zo ja, waarom? Heeft dit geen marktverstorend effect?
Er zijn meerdere zelfstandige muziekuitgeverijen, waaronder Crossmex, die samenwerken met de NPO en andere omroepinstellingen. De NPO voert geen eigen muziekuitgeverij.
Deelt u de mening dat de NPO haar monopoliepositie als belastinggefinancierde organisatie misbruikt door van muzikanten en tekstschrijvers als voorwaarde voor een contract te eisen dat zij hun werk, waaronder soms zelfs het oude werk, bij muziekuitgeverij Crossmex onderbrengen? Zo nee, waarom niet?
Op het verplicht onderbrengen van composities bij een muziekuitgeverij ben ik al ingegaan in het antwoord op vraag 2. Dat auteurs verplicht zouden zijn om ook ouder werk onder te brengen bij een muziekuitgeverij, is mij niet gebleken en wordt door Crossmex en de NPO weersproken. Of er sprake is van misbruik van een machtspositie is niet ter beoordeling van mij, maar van de Nederlandse Mededingingsautoriteit.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk in overleg met de NPO te treden en zo nodig sancties op te leggen als de NPO blijft doorgaan met gedwongen contractering van muzikanten en tekstschrijvers bij Crossmex? Zo nee, waarom niet?
Door de NPO en de overige publieke omroepen worden geen bepalingen uit de Mediawet overtreden. Voor het opleggen van sancties bestaat dus geen rechtsgrond. Het heeft mijn voorkeur dat deze problematiek wordt behandeld in het kader van het aangekondigde wetsvoorstel auteurscontractenrecht.