Een tbs'er die tijdens verlof een vrouw neerstak |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Tbs’er steekt vrouw neer in Hema»?1
Ja.
Is het waar dat deze ter beschikking gestelde (tbs’er) verbleef in een kliniek voor onbehandelbare tbs’ers (longstay)?
Ja.
Hoe kan het dat een onbehandelbare tbs’er toestemming kreeg voor een op terugkeer in de samenleving voorbereidend verlof?
Zie voor het antwoord op deze vraag het antwoord op vraag 2 van het lid Joldersma (2010Z07267), ingezonden 22 april 2010.
Wilt u verbieden dat onbehandelbare tbs’ers nog verlof kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van het incident in Uden zijn alle verloven voor de tbs-gestelden van de betreffende kliniek opgeschort. Ik beraad mij nog op de noodzaak van generieke maatregelen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2 van het lid Joldersma.
Gaat u excuses en schadevergoeding aanbieden aan de vrouw die dankzij dit onzin-verlof werd neergestoken? Zo nee, waarom niet?
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven kan een financiële tegemoetkoming bieden aan slachtoffers van een geweldsmisdrijf met ernstig letsel. Het gaat daarbij om een tegemoetkoming voor zowel de immateriële als de materiële schade. Slachtofferhulp Nederland wijst slachtoffers op deze mogelijkheid en ondersteunt hen zon odig bij het indienen van een aanvraag.
Deelt u de mening dat de beveiliging van de samenleving veel beter gediend is met afschaffing van de terbeschikkingstelling en oplegging van zeer langdurige gevangenisstraffen aan gevaarlijke misdadigers? Zo nee, waarom niet?
Nee. Uit cijfers blijkt dat tbs-gestelden na beëindiging van hun behandeling minder vaak recidiveren dan gedetineerden die hun straf hebben uitgezeten. Bovendien blijkt dat, hoewel het aantal tbs-gestelden met een verlofmachtiging is toegenomen van 726 in 2005 naar 971 in 2009, het aantal ontvluchtingen en onttrekkingen in dezelfde periode is gedaald van 73 in 2005 naar 22 in 2009.
De mogelijkheid om alle zieke leerlingen les te laten krijgen met webcam en computer via het project “KlasseContact” |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
André Rouvoet (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport, minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u het initiatief «KlasseContact», waarbij zieke kinderen via ICT-middelen onderwijs kunnen volgen?
Het is goed dat het initiatief «KlasseContact» bestaat voor díe leerlingen die vanwege hun ziekte echt niet in staat zijn om lessen in de klas te volgen. Overigens moet de inzet steeds zijn om deze leerlingen zo snel mogelijk weer in de klas onderwijs te laten volgen.
Heeft u er inzicht in hoeveel zieke leerlingen profijt zouden kunnen hebben van dergelijke ICT-middelen in het onderwijs?
In totaal worden er jaarlijks tussen de 4000 en 4500 zieke leerlingen al dan niet tijdelijk ondersteund door onderwijsconsulenten van de onderwijsbegeleidingsdiensten of van de academische ziekenhuizen. Dat is exclusief korte contacten van minder dan een uur en de helpdeskfunctie voor de ouders van kinderen met een nierziekte. Veel van de zieke leerlingen blijven onderwijs in de klas volgen. Voor zieke leerlingen die dit voor een langere periode niet meer kunnen, kan «KlasseContact» een uitkomst bieden. Om hoeveel leerlingen het precies gaat, is moeilijk te zeggen, want hier zijn geen gegevens over. In totaal zijn er nu 237 ict-sets (Digibeter of Webchair) die vanaf 2008 tot op heden 323 keer zijn geplaatst. De sets worden vaak langdurig ingezet.
Kunt u een indicatie geven van de huidige kosten voor het lesgeven van zieke leerlingen die niet in het klaslokaal aanwezig kunnen zijn?
In totaal gaat er voor het onderwijs aan zieke leerlingen ca € 4.120.000 naar de schoolbegeleidingsdiensten en € 2.575.400 naar de Academische Ziekenhuizen.
Daarnaast zijn er nog leerlingen die een indicatie voor cluster 3 (langdurig ziek: somatisch) en 4 (langdurig ziek: psychiatrisch) hebben. Deze leerlingen volgen onderwijs in een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs of in het reguliere onderwijs met leerlinggebonden financiering.
Er is geen indicatie te geven van de huidige kosten voor het lesgeven van zieke leerlingen buiten het klaslokaal. De kosten voor zieke leerlingen die niet naar school kunnen gaan en leerlingen die wel naar school gaan worden niet apart geregistreerd.
Hoe beoordeelt u de stelling dat dit soort projecten doubleren en uitval helpt te voorkomen?
Er is niet specifiek onderzoek gedaan naar het effect van dit soort projecten op het voorkomen van doubleren en uitval. Wel blijkt uit onderzoek dat dit soort projecten positief van invloed zijn op het contact met klasgenoten en het onderwijsproces kunnen ondersteunen.
Ik heb de onderwijsinspectie onlangs gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de kwaliteit van het onderwijs aan zieke leerlingen. Ik zal vragen of de invloed van ict-middelen in het onderzoek kan worden meegenomen.
Kunt u een beeld schetsen van hoeveel in financiële zin gewonnen kan worden door het lesgeven via deze methoden?
Zoals in antwoord op vraag 4 is aangegeven is er geen specifiek onderzoek gedaan naar de financiële effecten van het lesgeven via deze methoden. Daarom is hierover geen beeld te schetsen.
Zijn er mogelijkheden om dit initiatief te financieren? Zo nee, bent u dan bereid hiervoor middelen beschikbaar te maken?
Binnen de begroting zijn geen middelen beschikbaar voor de financiering voor «klasseContact» naast de middelen die al naar het onderwijs aan zieke leerlingen gaan.
Gegevens van gedetineerden |
|
Rikus Jager (CDA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat gegevens van gedetineerden op straat zijn komen te liggen?1
Ja.
Is dit bericht waar en zijn er sinds 2003 vanuit de gevangenis meer computers weggegeven?
Het is juist dat twee jongens op een dumpplaats voor computerapparatuur een computer met twee harde schijven hebben gevonden. Vastgesteld is dat één van de schijven defect was. De andere schijf is in gebruik geweest bij de penitentiaire inrichting De Berg te Arnhem. Deze harde schijf bevatte gegevens uit 2002, waaronder notulen van een psycho-medisch overleg, een registratiekaart, procedures, een plattegrond en foto’s van penitentiaire inrichting De Berg.
Ook na 2003 zijn door Justitie personal computers, die waren afgeschreven, ter beschikking gesteld aan scholen ter bevordering van het computeronderwijs. Uiteraard was en is hierbij wel de voorwaarde dat eventueel aanwezige gegevensdragers dienen te zijn geschoond. Bij de betreffende computer is dit helaas niet afdoende gebeurd.
Geldt bij het weggeven of afdanken van computers een bepaald protocol voor het wissen van vertrouwelijke gegevens en is dat bekend bij het personeel?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven dienen gegevensdragers van of af te danken computers afdoende te zijn geschoond. De wijze waarop dit dient te gebeuren is uitgewerkt in een protocol dat is gebaseerd op een voorschrift uit het Handboek «beveiliging Ministerie van Justitie». Het betreffende voorschrift luidt: «Personal computers, laptops e.d., waarop enig gerubriceerd gegeven kan zijn verwerkt, worden pas naar Domeinen of een particulier (bedrijf) afgestoten als de harde schijven eruit zijn verwijderd of de harde schijven zijn gewist met een door de Beveiligingsambtenaar van Justitie goedgekeurd product en volgens een door hem goedgekeurde procedure. De verwijderde harde schijven worden langs mechanische weg vernietigd of onbruikbaar gemaakt, bijvoorbeeld door samenpersen of bewerken met hamerslagen.»
Het protocol is aan alle informatiebeveiligingsfunctionarissen van DJI verstrekt.
Het bovengenoemde handboek en het DJI basispakket informatiebeveiliging waarin onder meer het beheer en de afvoer van personal computers en andere gegevensdragers voor de DJI-organisatie nader is uitgewerkt, is voor alle medewerkers digitaal beschikbaar. Verder wordt in diverse functionele overleggen regelmatig aandacht besteed aan informatiebeveiligingsonderwerpen, waaronder de veilige afvoer van ICT-middelen. Met de instelling in 2008 van een Shared Service Center voor ICT (SSC-I) geschiedt de afvoer van personal computers voor geheel DJI centraal vanuit dit SSC-I.
Vindt er nader onderzoek plaats hoe dit heeft kunnen gebeuren en wie daarvoor verantwoordelijk is?
Er heeft een forensisch onderzoek plaatsgevonden van de harde schijf. De uitkomsten van dit interne onderzoek zijn bevestigd door een extern bureau. Uit het onderzoek blijkt dat de schijf begin 2003 voor het laatst is gebruikt.
Aangezien de penitentiaire inrichting De Berg niet beschikt over gegevens met betrekking tot personal computers die aan scholen zijn verstrekt, kan niet worden achterhaald aan welke school de betrokken personal computer ter beschikking is gesteld.
De directeur van een penitentiaire inrichting is verantwoordelijk voor het veiligheidsbeleid binnen zijn inrichting en dus ook voor het op een afdoende wijze wissen van gegevens op gegevensdragers die worden afgestoten.
Ziet u reden tot aanscherping van het bestaand Justitiebeleid in de omgang met vertrouwelijke gegevens op (oud-)computers?
Ik zie geen aanleiding om het huidige Justitiebeleid in de omgang met vertrouwelijke gegevens te wijzigen. De vondst van de door de penitentiaire inrichting afgestoten personal computer bevestigt wel hoe belangrijk het is dat er op dit punt goede procedures zijn en dat daar de hand aan wordt gehouden. Op dit moment is er een bewustwordingscampagne op het gebied van informatiebeveiliging bij DJI gaande. Hierin krijgen ondermeer deze aspecten aandacht.
Bijensterfte en niet aangepaste zaaimachines |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Gerda Verburg (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Nog niet alle zaaimachines aangepast voor maiszaad»?1
Ja.
Is het waar dat nog niet alle zaaimachines uitgerust zijn met deflectoren om bijensterfte te voorkomen?
Ja, dat is waar. De deflectorverplichting is gekoppeld aan het gebruik van met bepaalde gewasbeschermingsmiddelen behandeld maïszaad. De situatie is daarbij als volgt: op verzoek van de houders van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen clothianidin, thiamethoxam en imidacloprid heeft het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) de desbetreffende toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen voor de behandeling van maïszaad gewijzigd met ingang van 8 januari 2010. In die toelatingen heeft het Ctgb bepaald dat het zaad slechts mag worden gezaaid met behulp van zogenoemde deflectoren op de zaaimachine. Tevens echter heeft het Ctgb een aflever- en opgebruiktermijn voor reeds behandeld maïszaad vastgesteld tot 1 juli 2010. Dit betekent dat bestaande voorraden van behandeld maïszaad nog tot 1 juli 2010 met het oude etiket op de markt mogen worden gebracht en dientengevolge ook mogen worden gebruikt zonder deflector. Nu de termijn op 1 juli eindigt, mag behandeld maïszaad nadien uitsluitend met behulp van een zaaimachine, voorzien van deflectoren worden uitgezaaid.
Het Ctgb heeft daarmee vooruitgelopen op Richtlijn 2010/21/EU van de Commissie van 12 maart 2010 tot wijziging van bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de specifieke bepalingen voor clothianidin, thiamethoxam, fipronil en imidacloprid (Pb EU, L65). Deze richtlijn stelt aanvullende regels ter bescherming van niet tot de doelsoorten behorende organismen, met name honingbijen. Deze regels moeten met ingang van
1 november 2010 worden toegepast. Voor zaadbehandelingen zijn de doelen het vrijkomen van stof zoveel mogelijk te beperken en een zo groot mogelijke inwerking van het zaad in de bodem te bereiken. Voor spuittoepassingen moeten zo nodig aanvullende risicobeperkende maatregelen worden genomen.
Is het waar dat de Algemene Inspectiedienst (AID) te kennen heeft gegeven hierop niet te zullen controleren? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? Zo nee, hoe zal de AID hiermee omgaan?
Nee. Tot op heden heeft de AID 22 controles uitgevoerd op de eisen gesteld aan het zaaien van maïs en daarbij geen overtredingen aangetroffen. De controles hadden een preventief karakter om te bevorderen dat zaaimachines zo spoedig mogelijk met deflectoren worden uitgerust. Vanaf 1 juli 2010 is het uitsluitend nog toegestaan om maïszaad dat is behandeld met de desbetreffende gewasbeschermingsmiddelen te zaaien met een machine voorzien van deflectoren. Bij constatering van een overtreding van deze eis, kan een bestuurlijke boete worden opgelegd.
Deelt u de mening dat het niet aanvaardbaar is om de gezondheid van de bijen in gevaar te brengen door te zaaien met niet aangepaste zaaimachines? Zo nee, waarom niet?
Ja. De door het Ctgb gekozen opgebruiktermijn betekent dat ruim voor de termijn die Richtlijn 2010/21/EU stelt, niet langer gebruik mag worden gemaakt van niet aangepaste zaaimachines. Zie verder mijn antwoorden op vragen 2 en 5.
Bent u bereid maatregelen te treffen om het zaaien met niet-aangepaste machines tegen te gaan? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De legalisering van de bevoorrading van softdrugs in Utrecht |
|
Ed Anker (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het voorgenomen coalitieakkoord in Utrecht waarin de partijen een legale bevoorrading van coffeeshops met een experiment willen opstarten?1
Ja.
Past dit experiment binnen de landelijke en Europese wetgeving en de door Nederland gesloten verdragen over de handel in softdrugs? Zo nee, op welke gronden is dit experiment niet passend?
Nee, artikel 3 van de Opiumwet verbiedt onder andere het verkopen, leveren, verstrekken of vervoeren van de op lijst II genoemde drugs. Het valt niet in te zien hoe een experiment zoals door het College van B&W van Utrecht wordt voorgestaan mogelijk is zonder een of meer van deze handelingen te verrichten. Bovendien valt een dergelijk experiment buiten de in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie vastgelegde criteria.
De Opiumwet is in overeenstemming met de bepalingen van de drie VN-drugsverdragen van 1961, 1971 en 1998. Alle EU-lidstaten hebben zich gebonden aan de VN-drugsverdragen.
Welke andere gemeenten zijn nog van plan aan bevoorrading van coffeeshops mee te werken door deze plaatselijk te reguleren? Loopt dit niet vooruit op de hoofdlijnenbrief die controversieel is verklaard?
Er zijn verschillende gemeenten geweest die naar aanleiding van de hoofdlijnenbrief Drugsbeleid van 29 september 2009 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2009–2010, 24077, nr. 239) hebben aangegeven dat zij een experiment met de bevoorrading van coffeeshops zouden willen uitvoeren. Door mijn departement is in het onderlinge contact, onder verwijzing naar de betreffende passage in de hoofdlijnenbrief, steeds aangegeven dat enigerlei experiment met gereguleerde teelt, al dan niet ten behoeve van de bevoorrading van coffeeshops, niet in deze kabinetsperiode plaats zal vinden.
Hoe beoordeelt u het voorgestelde experiment van de Gemeente Utrecht in het licht van het arrest inzake coffeeshop Checkpoint te Terneuzen?
Beide kwesties moeten mijns inzien los van elkaar bezien en beoordeeld worden. Bij het arrest inzake coffeeshop Checkpoint te Terneuzen was sprake van georganiseerde criminaliteit. Aan het voorgestelde experiment te Utrecht ligt een meer principiële juridische vraag ten grondslag met betrekking tot de bevoegdheden van de gemeente.
Hoe beoordeeld u de stelling van de coalitie in Utrecht dat het voorgenomen experiment met de bevoorrading van coffeeshops een positief effect heeft op criminalisering en overlast?2
Mij zijn geen gegevens bekend die deze bewering onderbouwen.
Bent u bereid hier op te treden en de Nederlandse wetgeving en de internationale afspraken te handhaven?
Het Openbaar Ministerie te Utrecht heeft aangegeven niet in het voornemen van het nieuwe Utrechtse college gekend te zijn, en conform het huidige beleid te zullen blijven handhaven. Zodra de gelegenheid zich voordoet zal ik het College van B&W aangeven dat het onwenselijk is dat het voornemen uit het Utrechtse coalitieakkoord in deze kabinetsperiode tot uitvoering wordt gebracht.
De rol van de Stichting van de Arbeid bij de compensatieregeling voor woekerpensioenen |
|
Ewout Irrgang |
|
Piet Hein Donner (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Kassa van 17 april jl.?1
Ja.
Heeft de Stichting van de Arbeid volgens u alleen toegezien op het proces van de totstandkoming van de regeling of zich ook bemoeid met de inhoud daarvan?
Voor een inhoudelijk oordeel over de toetsnorm voor beschikbare premieregelingen met beleggingsmogelijkheid, die door de verzekeraars op eigen initiatief is voorgesteld naar aanleiding van de toetsnorm voor individuele beleggingsverzekeringen, heeft de Stichting van de Arbeid zich tijdens het overlegproces met het Verbond gewend tot de Ombudsman Financiële Dienstverlening. Aan de Ombudsman, de heer J.W. Wabeke, is gevraagd aan te geven hoe hij de uitwerking door het Verbond van Verzekeraars met betrekking tot de structuur en de hoogte van de in de toetsnorm opgenomen parameters zou beoordelen. Met zijn specifieke inhoudelijke kennis heeft de Ombudsman vervolgens op een aantal punten concessies afgedwongen van de verzekeraars. De partners in de Stichting hebben dit proces gevolgd. Zonder de toetsnorm inhoudelijk te kunnen beoordelen, heeft de Stichting van de Arbeid op basis van een eindrapportage van de Ombudsman vastgesteld dat de norm als redelijk en juist beoordeeld is door de Ombudsman Financiële Dienstverlening.
Indien de Stichting van de Arbeid zich alleen met het proces heeft beziggehouden, deelt u dan de mening dat van deze regeling ten onrechte de suggestie uitgaat dat sociale partners zich verbonden hebben aan de inhoud van de regeling?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Indien het voorgaande niet het geval is, waarom ontkent de Stichting van de Arbeid dit dan in de uitzending?
De door Kassa uitgezonden geluidsfragmenten zijn opgenomen en uitgezonden zonder toestemming van betrokkenen. Betrokkenen waren zelfs niet op de hoogte van de opnames. De Stichting heeft verklaard zich niet te herkennen in het beeld dat in de uitzending over de betrokkenheid van de Stichting is opgeroepen.
Onderschrijft u de in de uitzending ingenomen stelling dat een gemiddeld kostenpercentage van 1% voor beleggingsfondsen gebruikelijk is? Zo ja, hoe verhoudt dat zich volgens u tot de norm van maximaal 1,5% en maximaal 9,5% van de premie-inleg?
Nee, dit is zijn algemeenheid niet te zeggen; het kostenpercentage hangt van veel verschillende factoren af. Van het Verbond van Verzekeraars hebben wij begrepen dat de gemiddelde beleggingskosten rond de 1,5% liggen.
Deelt u de mening dat er een groot verschil in kosten is tussen een individuele beschikbare premieregeling en een collectieve? Zo ja, waarom komt dit dan niet tot uiting in de compensatieregeling die aansluit bij de Wabeke-norm voor individuele woekerpolissen?
Het is niet aan mij om een oordeel te geven over de hoogte van de compensatieregeling. De gepresenteerde toetsnorm geldt voor overeenkomsten die in het verleden zijn gesloten en is door de sector zelf tot stand gebracht. De Stichting van de Arbeid neemt het oordeel van de Ombudsman Financiële Dienstverlening over dat deze norm op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Is het waar dat een betere compensatieregeling niet betekent dat verzekeraars de daarvoor benodigde middelen onmiddellijk op tafel moeten leggen, maar dat deze kosten pas over vele jaren of zelfs decennia genomen moeten worden?
De feitelijke betaling vindt plaats op pensioenleeftijd, of wordt verrekend bij de vernieuwing van een contract. Los daarvan moeten verzekeraars voorzieningen treffen in verband met toekomstige compensatie die ten laste gaan van het huidige resultaat.
Deelt u de mening dat de Wabeke-norm een woekernorm is?
Zie het antwoord op vraag 6.
Wat vindt u van de suggestie om banksparen open te stellen voor pensioenproducten?
Voor vermogensopbouw voor de oudedag in de derde pijler is banksparen mogelijk. In de tweede pijler is vanuit de optiek van bescherming van de deelnemer in de Pensioenwet dwingend voorgeschreven dat een ouderdomspensioen levenslang moet zijn. Omdat bankspaarproducten niet voorzien in een afdekking van het langlevenrisico acht het kabinet de gedane suggestie voor de tweede pijler onwenselijk.
Een Rijksrecherche onderzoek naar de schrijfproeven in de Deventer moordzaak |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
![]() |
Erkent u dat het overschrijven van een hele bladzijde strijdig is met de forensische norm voor het afnemen van een schrijfproef?1
Nee. De betreffende FT-norm schrijft slechts voor dat de tekst aan de betrokkene moet worden gedicteerd. Het gedeeltelijk overschrijven van de gedicteerde tekst is op zichzelf niet in strijd met die norm. Wel meen ik dat het overschrijven als bijzonderheid had moeten worden vermeld in het proces-verbaal van de betreffende schrijfproef.
Waarop baseert u de «overschrijfhypothese» terwijl die door de feiten en de betrokken getuigen wordt tegengesproken en allen stellen dat alles volgens de richtlijnen is verlopen en zich geen bijzonderheden hebben voorgedaan?
De «overschrijfhypothese» biedt een logische verklaring voor de herstelactie die mogelijk heeft plaatsgevonden nadat klaarblijkelijk was geconstateerd dat mevrouw W. de gedicteerde tekst op de achterkant van het eerste blad doorschreef. Zij past bovendien bij de verklaringen die mevrouw W. tegenover de Rijksrecherche heeft afgelegd en bij de destijds gemaakte aantekeningen in haar agenda. De enkele omstandigheid dat een aantal door de Rijksrecherche gehoorde getuigen heeft verklaard «dat alles volgens de richtlijnen is verlopen en zich geen bijzonderheden hebben voorgedaan», doet aan de aannemelijkheid van de overschrijfhypothese niet af.
Uit welke agenda-aantekeningen of verklaring van mevrouw W., van haar advocaat of van de betrokken rechercheur blijkt dat er een hele bladzijde zou zijn overgeschreven en de originele bladzijde is weggegooid?
Dat kan volgen uit de agenda-aantekeningen van mevrouw W. bij de datum 3 april 2006. Over die aantekeningen heeft mevrouw W. tegenover de Rijksrecherche verklaard dat zij zich meent te herinneren dat zij op het eerste blad op de achterzijde verder schreef, omdat zij de voorzijde had volgeschreven en dat dat niet de bedoeling was, omdat de tekst niet mocht doordrukken.
Verder verklaarde zij dat zij vervolgens op een nieuw blad moest verder schrijven en dat zij een nieuw blad uitgereikt kreeg waarop zij de proef had voortgezet.
Mede op basis daarvan is van de gang van zaken tijdens de schrijfproef een reconstructie gemaakt. Die geeft grond voor de aanname dat de bladzijde waarvan de achterzijde was beschreven, is weggegooid.
Waarom heeft de Rijksrecherche de mogelijkheid van het weggooien niet onderzocht, nu dit de pijler lijkt te zijn onder uw antwoord?
De mogelijkheid van het weggooien heeft wel deel uitgemaakt van het onderzoek door de Rijksrecherche. Getuigen zijn ernaar gevraagd, maar wisten zich de relevante feitelijke details niet of slechts ten dele te herinneren. Zie voorts het antwoord op vraag 3.
Waar in het rapport en door welke onderzoeksactiviteiten is de fraudehypothese van de Rijksrecherche weerlegd, anders dan het horen van getuige F. die slechts verklaart dat het ontbreken van de passage niet van invloed is geweest op de uitslag?
Deze fraudehypothese is door de Rijksrecherche geformuleerd ten behoeve van haar feitenonderzoek. Zij is vervolgens niet aannemelijk geoordeeld. Zie ook het antwoord op vraag 6. De getuige F. heeft overigens niets verklaard over de totstandkoming van de schrijfproef, maar over de bruikbaarheid van het resultaat voor het handschriftvergelijkend onderzoek. Ik citeer uit zijn verklaring: «De bedoeling is dat wij een stuk handgeschreven tekst of een aantal handtekeningen ontvangen dat wij als vergelijkingsmateriaal kunnen gebruiken. Indien er niet geheel is voldaan aan de richtlijnen, wil dat niet zeggen dat dit meteen onbruikbaar is. We hadden voldoende aan het aangeleverde materiaal om tot een oordeel te komen».
Uit de verklaring van getuige F. kan worden geconcludeerd dat, indien de FT-norm wel was overschreden, het materiaal volgens getuige F. niettemin bruikbaar zou zijn geweest.
Waarom zijn de in de bijlage2 opgenomen tegenstrijdige verklaringen van betrokkenen en onregelmatigheden in combinatie met de onmogelijke tijdlijn en de onverklaard gebleven ontbrekende passage, in tegenstelling tot hetgeen fraude-experts3 en statistici (zoals Richard Gill) volgens u geen aanwijzingen voor frauduleus handelen?
Met «frauduleus handelen» wordt kennelijk gedoeld op de mogelijkheid dat een ander dan mevrouw W. de schrijfproef heeft afgelegd, of dat mevrouw W. een aantal gedicteerde woorden bewust niet heeft opgeschreven. Het onderzoek van de Rijksrecherche geeft evenwel geen reden om eraan te twijfelen dat mevrouw W. de schrijfproef heeft afgelegd. De schrijfproefformulieren van mevrouw W. zijn daadwerkelijk beschreven door mevrouw W., gezien de door het NFI geconstateerde sterke samenhang tussen dit handschrift en het van mevrouw W. afkomstige handschrift op andere ter vergelijking gebruikte dragers. Voorts valt niet in te zien hoe met het enkele niet opschrijven van 15 van de 131 gedicteerde woorden het resultaat van het handschriftvergelijkend onderzoek zodanig zou kunnen worden beïnvloed, dat daardoor niet meer zou kunnen worden vastgesteld dat mevrouw W. de auteur is van de anonieme briefjes.
Het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut en het onderzoek door het Britse Forensic Science Services hebben tot slot geen aanwijzingen opgeleverd dat de tekst op de anonieme briefjes van dezelfde schrijver afkomstig is, noch dat die afkomstig is van een van de deelnemers aan de schrijfproef.
Hoe verhouden deze feiten en verklaringen zich tot uw antwoord op de achtste vraag van de eerder gestelde Kamervragen dat de geformuleerde eventualiteiten zich niet hebben voorgedaan?
Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u per punt van bijlage 1 uiteenzetten waarom de Rijksrecherche geen onderzoek (aanvullende vragen etc.) naar de fraudeaanwijzingen heeft verricht dan wel kunt u de pagina’s noemen, waarop de onderzoeksactiviteiten (inclusief de uitkomsten) zijn beschreven?
De herstelhypothese is niet onverenigbaar met de in de bijlage gereleveerde «feiten en verklaringen». De fraudehypothese heeft wel deel uitgemaakt van het feitenonderzoek van de Rijksrecherche maar is ondanks de «feiten en verklaringen» niet aannemelijk geworden.
Naar tijdstippen heeft de Rijksrecherche wel onderzoek gedaan, maar er is onduidelijkheid blijven bestaan over het exacte tijdstip waarop de opdracht tot het uitvoeren van de schrijfproeven bij het korps Noord- en Oost Gelderland is binnengekomen. Dit is ook vermeld in het persbericht en in mijn antwoord op vraag 7 van eerdere vragen van het lid Pechtold (D66) over een Rijksrechercheonderzoek naar schrijfproeven in het kader van de Deventer moordzaak en het klachtrecht bij het Openbaar Ministerie (TK 2009–2010, 1788). Ook dat doet echter in mijn ogen niet af aan de aannemelijkheid van de herstelhypothese en onaannemelijkheid van de fraudehypothese.
De bezuinigingen bij Bureau Jeugdzorg Utrecht en Trajectum te Utrecht |
|
Marianne Langkamp |
|
André Rouvoet (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport, minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
Kunt u aangeven hoe Bureau Jeugdzorg Utrecht hetzelfde aantal gezinnen kan begeleiden als zij naar verwachting 4,2 miljoen euro minder krijgt in 2010?1, 2 en 3
Zoals ik op 26 maart 2010 in antwoord op eerdere kamervragen heb gemeld3, heeft de provincie Utrecht mij laten weten dat deze informatie niet juist is. Er is volgens de provincie Utrecht geen sprake van een bezuiniging op de subsidie voor bureau jeugdzorg.
Is het waar dat Bureau Jeugdzorg Utrecht nog steeds te maken heeft met een groeiende hulpvraag en aantal aanmeldingen?4 Zo ja, hoe kunt u deze bezuinigingen dan rijmen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat Bureau Jeugdzorg de groeiende hulpvraag kan opvangen?
Met de provincies en stadsregio’s ben ik in IPO-verband het Afsprakenkader jeugdzorg 2010–2011 overeengekomen. Met dit afsprakenkader is vastgesteld welke middelen ik beschikbaar stel voor de provinciale jeugdzorg voor de jaren 2010 en 2011. In IPO-verband is een verdeelvoorstel gemaakt waarmee ik heb ingestemd. Over de precieze bedragen per provincie en stadsregio heb ik u geïnformeerd per brief van 20 januari (Kamerstukken 2009–2010, 31 839, nr. 32).
Op basis van het beschikbare budget is afgesproken dat provincies alle kinderen de noodzakelijke zorg geven binnen verantwoorde wachttijden. Dit geldt ook voor de provincie Utrecht.
Kunt u aangeven hoeveel jeugdhulpverleners er bij Bureau Jeugdzorg Utrecht en Trajectum inmiddels zijn ontslagen, of hun contract niet meer is verlengd vanwege bezuinigingen?4
Zoals ik u in antwoorden op eerdere kamervragen (d.d. 26 maart 2010) hierover heb gemeld, is er bij bureau jeugdzorg geen sprake van een bezuinigingsmaatregel. Wel zullen van bepaalde medewerkers de tijdelijke contracten niet worden verlengd omdat de incidentele bijdrage in verband met de wachtlijstaanpak niet wordt gecontinueerd. De provincie Utrecht is niet op de hoogte van het aantal hulpverleners voor wie dit het geval is. De provincie geeft aan dat er in elk geval geen sprake zal zijn van (gedwongen) ontslag.
Ook heeft de provincie Utrecht van Trajectum geen signalen ontvangen dat er ontslagen zullen vallen.
Kunt u aangeven hoeveel andere Bureaus Jeugdzorg minder subsidie hebben gekregen dan in 2009? Wat zijn de gevolgen voor deze Bureaus Jeugdzorg?
Zoals in eerdere beantwoording van kamervragen gemeld (d.d. 26 maart 2010), is het de verantwoordelijkheid van de provincies om middelen beschikbaar te stellen voor bureau jeugdzorg. Provincies informeren mij na afloop van elk jaar over de besteding van de doeluitkering.
Zijn er al provincies die afspraken gemaakt hebben met gemeenten hoe gemeenten intensief ambulante hulpverlening kunnen inschakelen zonder indicatie van Bureau Jeugdzorg? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel gemeenten al zo werken? Zo nee, hoe gaat u stimuleren dat gemeenten dit meer gaan doen?
Zoals ik u in eerdere antwoorden heb laten weten (d.d. 26 maart 2010), is het maken van afspraken over intensief ambulante hulptrajecten en andere vormen van zorg een verantwoordelijkheid van de provincies. Over de inhoud van deze afspraken is op centraal niveau op dit moment geen informatie beschikbaar.
De provincies informeren mij voor 1 oktober over de uitvoering van het Afsprakenkader. Zoals toegezegd in het algemeen overleg van 11 mei jongstleden zal ik uw Kamer na ontvangst van deze gegevens zo spoedig mogelijk hierover informeren.
Is het waar dat Bureau Jeugdzorg Utrecht onder aangescherpt toezicht staat? Kunt u aangeven wat hieronder precies wordt verstaan, en wat de gevolgen hiervan zijn?1
De provincie Utrecht zal de komende tijd het toezicht op bureau jeugdzorg verscherpen. Dit houdt in dat alle stukken die naar de Raad van Toezicht gaan ook aan de provincie Utrecht worden gezonden.
Is het waar dat de financiering voor de Deltamethode ontoereikend is? Zo ja, wat voor gevolgen heeft dit op de caseload van gezinsvoogden in het hele land?
Het bestaande normtarief voor de uitvoering van een maatregel van gezinsvoogdij volgens de Deltamethode is op 1 januari 2008 in werking getreden. Dit normtarief is vastgesteld na een uitgebreid en gedegen kostprijsonderzoek en met medewerking en instemming van de MOgroep Jeugdzorg en het IPO. Het normtarief is gebaseerd op een gemiddelde caseload van 1:15. Door de MOgroep Jeugdzorg zijn in juli 2009 signalen afgegeven dat het normtarief voor het jaar 2008 ontoereikend zou zijn en dat sprake is van tekorten in de exploitatie in 2008.
Het staat nog niet vast dat er inderdaad sprake is van een structureel tekort in de jeugdbescherming en zo ja, of dit tekort veroorzaakt wordt door een te laag normtarief. Met IPO en MOgroep Jeugdzorg is dan ook afgesproken dat onafhankelijk onderzoek wordt gedaan naar het normtarief jeugdbescherming. Dit onderzoek is inmiddels gestart en zal nog vóór de zomer 2010 worden afgerond.
Vooralsnog houd ik vast aan de met het IPO en MOgroep Jeugdzorg afgesproken gemiddelde caseload voor gezinsvoogdijwerkers van 1:15. Met deze caseload is uitvoering gegeven aan de ambitie zoals die geformuleerd is in het kader van het programma Beter Beschermd.
Wat gaat u eraan doen dat de gezinsvoogden op een gemiddelde caseload van 15 gezinnen blijven zodat zij de Deltamethode naar behoren kunnen uitvoeren?
Zie antwoord vraag 7.
Implementatie van Europese richtlijnen over consumentenbescherming in Nederland |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Nederland houdt zich niet aan de Europese richtlijn»?1
Ja.
Is Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997, die wijst op de noodzaak om de kopers van goederen of diensten tegen het eisen van betaling voor niet-bestelde goederen en tegen agressieve verkoopmethoden te beschermen, op een dergelijke manier in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd dat aan de doelbepaling voldaan is?
Ja. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Aanpassing van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek aan richtlijn nr. 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (PbEG L 144) (richtlijn verkoop op afstand, hierna richtlijn)2 is ingegaan op de doelbepalingen van de richtlijn en de wijze waarop de richtlijn is omgezet in de Nederlandse wet- en regelgeving. Hieruit blijkt dat de consument zelf diverse mogelijkheden heeft om naleving van de bepalingen af te dwingen, door bijvoorbeeld bij de rechter nakoming van de overeenkomst te vorderen, eventueel versterkt met een dwangsom (artikel 611a Rv). Hoewel hiermee al aan de richtlijnbepalingen inzake effectieve handhaving was voldaan, zijn de handhavingmogelijkheden bij latere wetswijzigingen verder versterkt, door de introductie van de mogelijkheid van de collectieve actie door belangenorganisaties (3:305a BW en 3:305d BW) en publieke handhaving door de Consumentenautoriteit.
Wat vindt u van de stelling dat de zogeheten «cowboys» in de telefonische verkoop hun gang kunnen blijven gaan omdat de richtlijn anders geïmplementeerd had moeten worden? Indien u het niet eens bent met de stelling, hoe verklaart u dan dat de agressieve verkooppraktijken nog steeds doorgaan?
De stelling dat de richtlijn anders geïmplementeerd had moeten worden, delen wij niet. Daarvoor verwijzen wij naar ons antwoord op vraag 2. De Wet verkoop op afstand en de Wet oneerlijke handelspraktijken bieden de consument een goede bescherming tegen agressieve verkooppraktijken. Dat laat onverlet dat er altijd bedrijven kunnen zijn die zich niet aan de wet houden of de grenzen van de wet opzoeken. Overtreding van de regels is vanzelfsprekend niet aanvaardbaar, zowel vanwege het vertrouwen van consumenten als vanuit het oogpunt van concurrentieverhoudingen, en moet daarom worden tegengegaan. Naast de al genoemde mogelijkheden tot handhaving, is het van belang dat consumenten op een laagdrempelige manier gebruik kunnen maken van hun rechtsmiddelen. Dat kan in veel gevallen door middel van geschillencommissies. Voorlichting, door bijvoorbeeld ConsuWijzer, vervult een belangrijke rol bij het waarschuwen van consumenten. Daarnaast kunnen consumenten bij ConsuWijzer hun beklag doen over bedrijven die zich volgens hen niet aan de regels houden. Deze klachten vormen een belangrijke bron van informatie voor de Consumentenautoriteit in het kader van de handhaving. Datzelfde geldt voor de rol die consumentenorganisaties en consumentenprogrammas op radio en televisie vervullen.
Welke verschillen zijn er tussen de implementatie van deze richtlijn in Duitsland en de implementatie van deze richtlijn in Nederland?
Allereerst is de Duitse regeling over verkoop op afstand aangepast aan het Duitse systeem van wet- en regelgeving. Dit betekent dat deze op onderdelen zal afwijken van het Nederlandse systeem, bijvoorbeeld bij de wijze van handhaving. Het doel van de richtlijn, namelijk de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake overeenkomsten op afstand en de bescherming van de consument bij het op afstand sluiten van overeenkomsten, moet uiteraard zowel in Duitsland als in Nederland worden bereikt. Voor de wijze waarop Nederland aan dat doel heeft voldaan, verwijzen wij naar de beantwoording van vraag 2. Hieraan zij toegevoegd dat de Nederlandse implementatiemaatregelen, zoals gebruikelijk, aan de Europese Commissie zijn gemeld, die niet heeft doen blijken van enig bezwaar tegen onze wijze van implementatie.
Ten tweede is de richtlijn gebaseerd op minimumharmonisatie. Dit betekent dat de nationale wetgevers ruimte hebben om extra maatregelen te treffen ter bescherming van de consument. Duitsland heeft op sommige punten verdergaande maatregelen getroffen dan de richtlijn vereist, onder meer door de herroepingstermijn te stellen op twee weken (vgl. art. 355 lid 1 BGB). De richtlijn hanteert als minimale termijn 7 werkdagen. In Nederland maken wij zeer terughoudend gebruik van nationale koppen. Bij de invoering van de Wet koop op afstand is hierover overwogen dat de richtlijn de consument voldoende bescherming biedt.2
Wat zijn de effecten van deze verschillen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat er inzicht gegeven zou moet worden in het aantal klachten per onderwerp dat de Consumentenautoriteit ontvangt?
De Consumentenautoriteit is een onafhankelijke toezichthouder die onder het ministerie van Economische Zaken ressorteert. Op www.ConsuWijzer.nl, het informatieloket van de toezichthouders de Consumentenautoriteit, de NMa en de OPTA, kan de consument informatie vinden over zijn rechten en plichten. Tevens kan de consument bij ConsuWijzer melding maken van de handelspraktijken van een ondernemer. Deze meldingen kunnen een signaal zijn voor de toezichthouders dat een ondernemer zich niet aan de wet- en regelgeving houdt. Overigens zijn niet alle meldingen te kwalificeren als klachten en is het onderscheid tussen vragen en klachten niet altijd helder. In de jaarlijkse terugblik van de Consumentenautoriteit doet de Consumentenautoriteit verslag van haar activiteiten en gaat zij tevens in op de meldingen van consumenten bij ConsuWijzer, onder meer door aan te geven in welke categorieën de meeste meldingen zijn geregistreerd. Deze terugblik wordt jaarlijks voor 1 juni met mijn bevindingen aan uw Kamer toegezonden. De meldingen die bij ConsuWijzer binnenkomen, worden overigens niet als individuele klachten behandeld. Ze zijn een bron van informatie voor de toezichthouders ten behoeve van hun toezichts- en handhavingspraktijk. Wel worden consumenten waar mogelijk individueel geadviseerd over hun rechten en de vervolgstappen die zij eventueel zelf kunnen zetten. Wij zijn van mening dat de Consumentenautoriteit op deze manier voldoende transparant is over haar toezichts- en handhavingsactiviteiten.
Acht u het noodzakelijk dat de transparantie over het aantal klachten en de inhoud van de klachten van de Consumentenautoriteit en de Geschillencommissie Telecommunicatie verbeterd wordt?
Zie ons antwoord op vraag 6. Wij zijn van mening dat de Consumentenautoriteit voldoende transparant is over haar activiteiten.
De Geschillencommissie Telecommunicatie valt onder de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken (SGC). Het doel van de Geschillencommissie is om geschillen tussen consumenten en ondernemers op een goedkope, snelle en eenvoudige manier uit de wereld te helpen. Wij zijn een groot voorstander van deze manier van geschilbeslechting. De SGC brengt ieder jaar een jaarverslag uit waarin per geschillencommissie het aantal klachten te vinden is. Daarnaast kan men op de website van de SGC in het online uitsprakenregister per commissie een selectie van uitspraken vinden. Deze selectie representeert de lijn van uitspraken van de Commissie. Bovendien kunnen geïnteresseerden bij de SGC specifieke uitspraken opvragen.
Op welke manier wordt, zoals beweerd in het artikel, de wetgeving momenteel verder aangescherpt, zodat de Consumentenautoriteit eerder in het proces kan ingrijpen als zij misstanden ziet?
Tijdens het Algemeen Overleg met de Vaste Commissie Economische Zaken op 8 april jl. is de minister van Economische Zaken ingegaan op haar voornemen het handhavingsinstrumentarium van de Consumentenautoriteit verder aan te scherpen. Uitgangspunt bij de maatregelen die de minister van Economische Zaken wil treffen is dat de goede ondernemers niet lijden onder de kwade ondernemers en dat ondernemers die de wet overtreden in een vroeg stadium kunnen worden gecorrigeerd. Daarnaast wordt met deze maatregelen ook de motie Gesthuizen/Aasted-Madsen-Van Stiphout (TK 24 095, 237) uitgevoerd, die de regering verzoekt de Consumentenautoriteit de mogelijkheid te geven om, hangende een onderzoek, bedrijven het deel van de bedrijfsvoering dat onderwerp is van het onderzoek naar de wens van de Consumentenautoriteit aan te laten passen. De voorstellen behelzen een aanwijzingsbevoegdheid voor de Consumentenautoriteit, een informatie- en waarschuwingsbevoegdheid, het verhogen van de boetes en het opleggen van aanvullende maatregelen bij een last onder dwangsom, om de naleving van de last op een effectieve wijze te kunnen controleren.
Wat vindt u van de stelling dat consumentenbescherming onder het ministerie van Justitie zou moeten worden ondergebracht, omdat de (regelmatig) tegengestelde belangen van ondernemers en consumenten niet onder één ministerie zou moeten vallen?
Het consumentenbeleid, de voorlichting via ConsuWijzer en de handhaving via de Consumentenautoriteit zijn bij het ministerie van Economische Zaken in goede handen. Bij het vormgeven van het consumentenbeleid is het van belang een evenwicht te vinden tussen een hoog niveau van consumentenbescherming en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven. Het Ministerie van Economische Zaken heeft hier oog voor en betrekt hierbij de belangen van zowel de consument als de ondernemer.
Daarbij wordt uiteraard intensief samengewerkt met het ministerie van Justitie, omdat de Minister van Justitie verantwoordelijk is voor het Burgerlijk Wetboek en daarin de hoekstenen van de consumentenbescherming zijn neergelegd. Het ministerie van Justitie is voorts verantwoordelijk voor de implementatie van Europese Richtlijnen op het gebied van burgerlijk recht.
Vanwege de onderlinge samenhang tussen de pijlers «beleid, handhaving en regelgeving» worden overkoepelende wetten, zoals de Wet oneerlijke handelspraktijken en de Wet handhaving consumentenbescherming, door beide bewindspersonen ondertekend. Ook trekken beide ministeries gezamenlijk op in de onderhandelingen over de Richtlijn Consumentenrechten in Brussel. Ons is niet gebleken dat hierdoor de consumentenbescherming in het gedrang komt.
Onveilig speelgoed |
|
Ine Aasted-Madsen (CDA) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de bekendmaking van de Europese Commissie dat 25 procent van het in Europa onderzochte speelgoed onveilig is?1
Ja.
Constaterende dat ook de veiligheid van kleding en motorvoertuigen vaker niet in orde blijkt te zijn, in 2009 een stijging van 7 procent, deelt u de mening van de Europese Commissie dat dit het gevolg is van betere controle?
Ja, die mening deel ik. De cijfers op basis van het jaarverslag van het Europees meldingensysteem voor gevaarlijke consumentenproducten (RAPEX) geven geen representatief beeld van de veiligheid van een bepaalde productgroep in algemene zin. De producten die via het RAPEX systeem worden gemeld zijn een afspiegeling van de toezichtsactiviteiten in de lidstaten. In Nederland houdt de Voedsel en Warenautoriteit (VWA) toezicht op de veiligheid van consumentenproducten.
De VWA voert haar toezicht op de veiligheid van consumentenproducten uit op een wijze die risicogericht is. Het toezicht geschiedt op basis van zogenaamde risicoprofielen van producten en handelskanalen. Dit betekent dat de VWA haar controles daar uitvoert waar zij, op basis van een analyse van risico’s, mag verwachten dat de kans het grootst is dat er onveilige producten worden verhandeld. Door dit type controles lopen toezichthouders in Europa en in Nederland tegen hoge afwijkingspercentages aan.
De stijging van de meldingen van motorvoertuigen in 2009 is mede toe te wijzen aan het feit dat sinds 1 mei 2009 de nieuwe kaderrichtlijn van toepassing is geworden. Deze richtlijn bevat voor het eerst de verplichting voor fabrikanten om melding te maken van onveilige producten. In Nederland houdt de rijksdienst voor het wegverkeer hier toezicht op.
Wat gebeurt er concreet als blijkt dat een product niet veilig is? Wordt dit onmiddellijk uit de handel genomen? Worden consumenten hier onmiddellijk over geïnformeerd? Wat wordt in Nederland gedaan om veiligheidsrisico’s voor de (kleine) consumenten tot een minimum te beperken?
De Warenwet verbiedt het verhandelen van onveilig speelgoed en andere consumenten producten. De producent en de distributeur hebben een meldingsplicht wanneer zij constateren dat een door hen op de markt gezet product niet veilig is. Onveiligheid kan ook aan het licht komen naar aanleiding van inspecties en onderzoek door de VWA. Het is aan hen om corrigerende acties te ondernemen. Afhankelijk van de ernst van het risico worden verschillende maatregelen genomen zoals publiekswaarschuwingen, terugroepacties en het uit de handel nemen. De VWA ziet hier op toe en kan sancties opleggen.
Hoe ziet u de verantwoordelijkheid van importeurs? Zouden zij zich niet vooral moeten vergewissen van de veiligheid?
Onder de huidige Speelgoedrichtlijn (78/378/EEG), geïmplementeerd in het Warenwetbesluit speelgoed heeft de importeur dezelfde verplichtingen als de producent. Een importeur dient zich te vergewissen van de veiligheid van het speelgoed dat hij van buiten de EU importeert alvorens het op de Europese markt gebracht mag worden.
In de nieuwe Speelgoedrichtlijn, waarvan de bepalingen medio 2011 van kracht worden, zijn de verschillende verplichtingen van producent, importeur en distributeur veel duidelijker aangegeven. Zo moeten producenten onder andere technische documentatie opstellen voor het speelgoed dat op de markt wordt gebracht. Importeurs zien erop toe dat de producten de juiste veiligheidsbeoordelingsprocedure hebben uitgevoerd. Distributeurs controleren zelf of het speelgoed vergezeld gaat van de vereiste documenten en instructies.
Wat zijn de consequenties voor de importeurs die in Nederland onveilig speelgoed op de markt brengen?
Zie vraag 3.
Rijden op groen gas |
|
Ger Koopmans (CDA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht waarin de Europese primeur van een vrachtauto die rijdt op vloeibaar biogas/groen gas wordt bekendgemaakt?1
Ja
Kunt u een overzicht verschaffen van de fiscale maatregelen die u heeft genomen om het rijden op biogas/groen gas door vracht- en personenauto’s te stimuleren? Kunt u aangeven hoe deze zich verhouden tot fiscale stimuleringsmaatregelen voor andere duurzame alternatieven zoals het rijden op biobrandstoffen, elektriciteit en waterstof?
Voor de vergelijking van de fiscale behandeling van biogas/groen gas met die van andere duurzame alternatieven zoals het rijden op andere biobrandstoffen, elektriciteit en waterstof verwijs ik naar mijn toezegging gedaan tijdens het Algemeen Overleg van 8 april jl. om voor de zomer een brief aan uw Kamer te sturen met daarin een integraal overzicht van de behandeling van de verschillende brandstoffen in het verkeer. In deze brief zal ook aandacht worden besteed aan het aspect techniekneutraliteit.
Biogas wordt nu, veelal mede gefinancierd uit de SDE-regeling, op relatief beperkte schaal geproduceerd door vergisting van bijvoorbeeld mest, rioolslib en reststoffen, soms met co-vergisting met andere organische materialen zoals maïs, gerst en aardappelen. Wanneer biogas wordt bewerkt zodat het dezelfde kwaliteit krijgt als aardgas in het aardgasnet wordt gesproken van groen gas. Biogas/groen gas is een van de meest duurzame biobrandstoffen maar is relatief duur om te produceren.
Biogas/groengas wordt fiscaal hetzelfde behandeld als aardgas. Voor aardgas in de vorm van CNG (Compressed Natural Gas) als motorbrandstof geldt een laag tarief in de energiebelasting (EB) van 3 cent per Nm3. Een belangrijk argument voor invoering van dit lage tarief was destijds het milieuvoordeel van aardgas ten opzichte van diesel. Met het schoner worden van dieselauto’s wordt dit milieuvoordeel steeds kleiner. De belastingdruk per kilometer op de brandstof CNG is lager dan op elektriciteit gebruikt in een vergelijkbare elektrische auto. Verder geldt een gunstiger behandeling dan voor dieselpersonenauto’s in de BPM en de MRB. Er geldt verder voor aardgaspersonenauto’s geen toeslag in de BPM en geen toeslag in de MRB ter compensatie van lagere belasting op de brandstof zoals die wel geldt voor LPG- en dieselauto’s. Bij de invoering van het tarief van 3 cent EB was de gedachte dat vooral bussen, bestelauto’s en taxi’s de overstap zouden maken van diesel naar aardgas. CNG is vanwege de beperkte actieradius een minder geschikte brandstof voor vrachtauto’s en touringcars. De in vraag 1 genoemde vloeibare gassen LNG (Liquefied Natural Gas) en LBG (Liquefied Biogas) zijn voor deze toepassing wel geschikt. De fiscale behandeling van deze beide vloeibare gassen is gelijk aan die van LPG: het accijnstarief bedraagt € 154 per 1000 kg. Dit komt overeen met 9 cent per Nm3 CNG. De gelijke fiscale behandeling van LNG en LBG aan LPG is verplicht op grond van de Richtlijn Energiebelastingen2. Het tarief voor LNG ligt hoger dan het tarief voor CNG, maar is fors lager dan het tarief voor diesel (42 cent accijns per liter). De facto worden ook LNG en LBG in fiscaal opzicht dus gunstiger behandeld dan diesel.
De discussie over het gebruik van biogas/groen gas in het wegverkeer is een zeer recente ontwikkeling. Tot voor kort werd alleen fossiel CNG in beperkte mate toegepast in het wegverkeer. Een belangrijke vraag is in hoeverre de inzet van groen gas in het verkeer de meest efficiënte en kosteneffectieve maatregel is om bij te dragen aan de CO2-doelstellingen. Groen gas is immers ook rechtstreeks toepasbaar in huishoudens door bijmenging in het bestaande gasnet, waarmee de CO2-uitstoot van huishoudens kan worden gereduceerd.
De stimulering van de toepassing van biobrandstoffen in het wegverkeer gebeurt in Nederland primair via een verplichtstelling en niet via de fiscaliteit. Voor leveranciers van benzine en diesel aan het wegverkeer geldt een verplichting om een deel hiervan te leveren als biobrandstof. Deze verplichtstelling is techniekneutraal aangezien de keuze voor het type biobrandstof wordt overgelaten aan de markt. Het verplichtingdeel bedraagt in 2010 4%. Op grond van Europese regelgeving wordt tot 2020 een tot minimaal 10% oplopend aandeel hernieuwbare energie in de vervoerssector voorgeschreven. In de praktijk wordt nu aan de verplichting voldaan door een bepaald percentage biobrandstoffen toe te voegen aan de reguliere brandstoffen, bijvoorbeeld ethanol aan benzine en biodiesel aan diesel. Geleidelijk komen ook (meer) pure biobrandstoffen als E- 85 en andere vormen van hernieuwbare energie, zoals hernieuwbare elektriciteit, meer in beeld.
Met de verplichtstelling wordt een groeiende inzet van biobrandstoffen in het verkeer gegarandeerd. Dit betekent dat indien groen gas in het verkeer wordt ingezet, er bij een gelijkblijvend verplichtingpercentage minder andere biobrandstoffen zoals bio-ethanol en biodiesel hoeven te worden toepast. Wanneer biogas/groen gas in het verkeer andere biobrandstoffen vervangt, ontstaat niet noodzakelijk een hogere CO2-reductie.
In hoeverre is het huidige beleid techniekneutraal? Ziet u aanleiding om techniekneutralere voorwaarden te formuleren om voor fiscale maatregelen in aanmerking te komen?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre geeft de in vraag 2 gevraagde vergelijking u aanleiding om het fiscale regime voor het rijden op biogas/groen gas aan te passen?
Zie antwoord vraag 2.
Het weigeren van een patiënte door huisartsen uit Drunen |
|
Henk van Gerven |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wat is uw mening over het feit dat huisartsen in Drunen weigeren een patiënte aan te nemen, zodat de patiënte thans geen huisarts heeft?1
In de KNMG richtlijn «Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst» (KNMG uitgave – versie 3.0, laatst gewijzigd in 2005, paragraaf 2.2) staat dat het een zorgvuldigheidsvereiste is om de medisch noodzakelijke zorg voort te zetten totdat een andere zorgverlener is gevonden. Omdat deze patiënte al een behandelrelatie met een huisarts uit de regio is aangegaan, zal zij de noodzakelijke zorg die uit zorgvuldigheidsvereiste van die richtlijn voorvloeit, kunnen blijven ontvangen.
Vindt u niet dat huisartsen de plicht hebben een regeling te treffen zodat men wel huisartsenzorg kan ontvangen?
De KNMG richtlijn omschrijft dat voor zover het gaat om medisch noodzakelijke zorg er een verplichting tot het voortzetten van zorg bestaat totdat een andere zorgverlener deze taak op zich neemt. Ik ben van mening dat dit in de praktijk neerkomt op de regeling waarnaar u vraagt. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Wat is de rol van verzekeraar CZ? Hoever reikt haar zorgplicht om huisartsenzorg voor een individuele verzekerde te realiseren? Kan een verzekeraar uiteindelijk huisartsen verplichten zorg aan patiënte te verlenen?
Centraal staat dat een zorgverzekeraar zich inspant om aan zijn zorgplicht (in casu: huisartsenzorg) voor een individuele verzekerde te voldoen. In deze casus heeft patiënte zich gewend tot CZ om hulp te vragen bij het vinden van een huisarts. Aan de hand daarvan zijn meerdere bemiddelingspogingen gedaan, mede met behulp van een onafhankelijke commissie van advies.
Het afdwingen van zorgleverantie door de huisarts is echter een (privaatrechtelijke) zaak tussen de patiënt en de arts en uiteindelijk dus niet van de zorgverzekeraar. De in de KNMG richtlijn beschreven zorgvuldigheidsvereisten zijn gebaseerd op de relevante wetgeving (in casu: Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst, Wgbo) en de gepubliceerde rechterlijke uitspraken over beëindiging van de behandelingsovereenkomst. In alle gevallen geldt dat de individuele arts verantwoordelijk is en blijft voor zijn besluit tot niet aangaan of beëindiging van de overeenkomst. Wordt de zaak door de patiënt aan de rechter voorgelegd dan zal deze op basis van de individuele omstandigheden moeten beoordelen of zorgvuldig is gehandeld.
Welke rol speelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in deze kwestie?
De NZa heeft een toezichthoudende rol op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg hier nog een taak, nu de toegankelijkheid tot huisartsenzorg in het geding is?
Ja. De IGZ ziet erop toe dat de richtlijnen van de KNMG worden gevolgd. Mij is meegedeeld dat de IGZ in deze casus ook betrokken geweest en met alle betrokken partijen (zorgaanbieders, verzekeraar en patiënte) overleg heeft gehad.
Tussenpersonen |
|
Ewout Irrgang |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
Kent u het bericht «DNB steekt stokje voor serviceabonnementen; intermediair niet blij met besluit»?1
Ja.
Vindt u het wenselijk dat, gezien de maatschappelijke discussie over provisies, De Nederlansche Bank (DNB) een betere vorm van betalen voor financieel advies nu tegenhoudt? Zo ja, waarom?
DNB heeft op verzoek van een financiële dienstverlener haar standpunt gegeven over de serviceabonnementen die de financiële dienstverlener van plan was aan te gaan bieden aan zijn klanten.
Kort gezegd wilde de financiële dienstverlener als onderdeel van dat abonnement een bedrag in rekening brengen voor dienstverlening, waarvan onzeker is of en hoe vaak de klant daar gebruik van gaat maken. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om begeleiding bij het claimen van schade bij de schadeverzekeraar.
Het standpunt van DNB is in dit specifieke geval dat een dergelijke abonnementsvorm dient te worden beschouwd als een verzekering in de zin van de wet. De klant moet in dit geval premie betalen voor iets waarvan onzeker is of het zich zal voordoen. Uit het standpunt van DNB vloeit voort dat de financiële dienstverlener voor deze abonnementsvorm een vergunning nodig heeft als verzekeraar.
DNB is er niet op gericht om een betalingssysteem in de vorm van een abonnement tegen te houden, maar wil er voor zorgen dat financiële dienstverleners de juiste vergunningen aanvragen.
Is het waar dat financiële tussenpersonen op dit moment wettelijk niet provisieloos mogen werken? Zo nee, kunt u dan uiteenzetten in welke gevallen financiële tussenpersonen wel met serviceabonnementen mogen werken en in welke gevallen niet?
Het uitgangspunt in de regelgeving is dat marktpartijen zelf kunnen kiezen voor een beloningsvorm. Bemiddelaars ter zake van een financieel product mogen een beloning of vergoeding van de consument ontvangen, met uitzondering van bemiddelaars in consumentenkrediet. Dit punt zal in de evaluatie van de provisieregelgeving worden meegenomen.
Aan het provisiesysteem zijn eisen gesteld in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo), waaronder art. 149a Bgfo. Op grond van datzelfde artikel mogen tussenpersonen ook rechtstreeks door de klant betaald worden voor hun diensten. Betaling kan bijvoorbeeld geschieden op basis van een uurtarief. Ook is mogelijk dat de adviseur of bemiddelaar voor door hem gedefinieerde vormen van dienstverlening een vast bedrag in rekening brengt of een percentage van bijvoorbeeld een te verstrekken hypothecair krediet.
De tussenpersonen mogen ook betaling door de klant afspreken in een abonnementsvorm. Het aanbieden van serviceabonnementen kan volgens DNB echter onder bepaalde omstandigheden kwalificeren als het uitoefenen van het bedrijf van schadeverzekeraar waarvoor een vergunning nodig is. De benaming van een product of dienst is daarbij niet bepalend. Voor zover de abonnementen geen element van onzekerheid bevatten, worden ze door DNB niet als verzekeringsovereenkomst beschouwd en is bovengenoemde vergunning niet nodig.
Bent u bereid de wet snel aan te passen en daarbij niet te wachten op komende of lopende evaluaties, zodat serviceabonnementen bij financiële tussenpersonen mogelijk worden, zonder dat daar een vergunning als verzekeraar voor nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Een verschillende collegeld voor dezelfde studie |
|
Jasper van Dijk |
|
Marja van Bijsterveldt (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Deelt u de mening dat de Universiteit van Tilburg (UvT) aan ongelijke behandeling doet, aangezien men voor de eigen studenten het wettelijk collegegeld rekent voor een tweede studie, terwijl men voor studenten die niet aan de UvT hebben gestudeerd, het veel hogere instellingstarief rekent?1 Zo ja, gaat u ervoor zorgen dat de Universiteit van Tilburg dit beleid wijzigt? Zo nee, waarom niet?
De Universiteit van Tilburg maakt gebruik van de mogelijkheid in artikel 7.46, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, zoals gewijzigd met de wet versterking besturing, om een instellingscollegegeld vast te stellen dat verschilt per opleiding of groep van opleidingen of per groep of groepen studenten. De medezeggenschap bij een instelling heeft inzake het instellingsbeleid op dit punt adviesrecht.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is over deze mogelijkheid om te differentiëren bij het vaststellen van het instellingscollegegeld het volgende opgemerkt: «Het instellingsbestuur bepaalt, zoals gezegd, zelf de hoogte van het instellingscollegegeld.
De instelling kan differentiëren in de hoogte van het instellingscollegegeld voor onderscheiden groepen studenten en opleidingen. Het is daarbij aan het instellingsbestuur om nut en noodzaak van een (gefaseerde) stijging van het collegegeld vast te stellen met inachtneming van een mogelijk onderscheid tussen zittende en nieuwe studenten. De instellingen zullen bij het vaststellen van de hoogte van het instellingscollegegeld in ieder geval moeten blijven binnen de Algemene wet gelijke behandeling. Onderscheid naar nationaliteit is bijvoorbeeld niet mogelijk tenzij dit objectief gerechtvaardigd kan worden. Gelijke gevallen moeten gelijk en ongelijke gevallen kunnen ongelijk worden behandeld. Instellingen moeten uitgebreid aandacht besteden aan de motivering van het besluit om verschillende hoogten van instellingscollegegeld vast te stellen en deze tijdig kenbaar maken.»
Is het toegestaan om aan studenten die niet aan de eigen instelling hebben gestudeerd, een hoger collegegeld te vragen dan aan studenten die wel aan de UvT hebben gestudeerd? Zo ja, hoe legitimeert u deze ongelijke behandeling?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat collegegelden van circa 10.000 euro ten koste gaan van de toegankelijkheid? Hoe rijmt u deze verminderde toegankelijkheid met uw doelstelling om meer hoger opgeleiden te krijgen?
Ik verwijs naar de behandeling van het wetsvoorstel versterking besturing waarin de wijziging van de collegegeldsystematiek zoals die per 1 september 2010 geschiedt, haar beslag heeft gekregen.
Langdurig verblijf van psychiatrische patiënten in de isoleercel |
|
Cisca Joldersma (CDA) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het trieste bericht «Levend begraven in een isoleercel»?1
Ja.
Hoe staat het met het onderzoek dat u zou laten doen naar het langdurig verblijf van psychiatrische patiënten in de isoleercel en de mogelijkheden om dit terug te dringen?
De Stichting IVA Beleidsonderzoek en Advies verricht momenteel onderzoek naar «de separeerpraktijk in Nederland en de vorderingen die worden gemaakt bij het daadwerkelijk terugdringen van separaties». In het onderzoek wordt onder andere gekeken naar separaties die in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet bopz) plaatsvinden en de mate waarin instellingen deze separaties en andere vormen van dwangtoepassing conform de wettelijke vereisten melden aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Ook wordt in het onderzoek meegenomen op welke wijze inzicht verkregen kan worden in de aard, de duur en de omvang van dwangtoepassing. Het onderzoek levert kwalitatieve en cijfermatige informatie op over de werking van het beleid rondom separaties, zowel op landelijk als op instellingsniveau en op de werkvloer. De resultaten van dit onderzoek worden begin juni 2010 verwacht. Vervolgens wordt de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek.
Hoe wordt de medische zorg voor gedwongen opgenomen psychiatrische patiënten gegarandeerd?
Artikel 38a van de Wet bopz bepaalt dat de geneesheer – directeur ervoor zorgt dat er een behandelingsplan wordt opgesteld. Patiënten met een inbewaringstelling of een rechterlijke machtiging krijgen zo spoedig mogelijk na opneming een behandelingsplan. Het behandelingsplan wordt opgesteld in overleg met de patiënt, tenzij deze patiënt niet wilsbekwaam is. Het behandelingsplan moet erop gericht zijn de stoornis zodanig te verbeteren dat het gevaar op grond waarvan de patiënt in het ziekenhuis moet verblijven, wordt weggenomen. Soms is de stoornis zelf echter niet te verbeteren, dan is het gevaar aangrijpingspunt voor de behandeling.
In artikel 56 van de Wet bopz staat dat in het patiëntendossier aantekening moet worden gehouden van de voortgang in de uitvoering van het behandelingsplan per maand. Het behandelingsplan moet dus zo zijn opgesteld dat een regelmatige toetsing van de middelen die erin zijn opgenomen aan de bereikte resultaten mogelijk is (zie het «Besluit rechtspositieregelen Bopz»).
Welke mogelijkheden ziet u om de rol van de familie te versterken, zoals via de familievertrouwenspersoon of via het recht op informatie, gezien het feit dat het nog steeds voorkomt dat de familie van de psychiatrische patiënt op afstand wordt gezet, en niet bij de behandeling wordt betrokken?
De familie van de patiënt heeft de mogelijkheid om zelfstandig, of na het inwinnen van advies van een familievertrouwenspersoon (fvp), contact op te nemen met de behandelaar van de patiënt.
In het wetsvoorstel Wet verplichte Geestelijke Gezondheidszorg (WvGGZ), dat binnenkort bij de Tweede Kamer zal worden ingediend, zal de fvp een wettelijke grondslag krijgen. Hiermee wordt de positie van de familie versterkt.
De fvp treedt op als de onafhankelijk belangenbehartiger van de directe familie of naaste van een psychiatrische patiënt. Hij geeft de familie advies en bijstand. De fvp zal daarbij, mits de patiënt daartegen geen bezwaar maakt, inzage krijgen in het dossier van de patiënt en dit met de familie kunnen delen.
Deelt u de opvatting dat zelfdoding door patiënten tot het uiterste moet worden voorkomen, en dat bij de wens tot zelfdoding de instelling de patiënt niet mag loslaten?
Ik ben van mening dat suïcides zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Om hieraan tegemoet te komen, heb ik, mede namens de Minister voor Jeugd en Gezin, de Beleidsagenda Suïcidepreventie uitgebracht. Dit uitgangspunt geldt voor iedereen en dus ook voor patiënten met een psychiatrische stoornis.
Dit neemt niet weg dat er patiënten met een psychiatrische stoornis zijn, die jarenlang ondraaglijk psychisch lijden en die zich met een nadrukkelijke en jarenlange persisterende doodswens tot een psychiater wenden. Voor deze uitzonderlijke situaties heeft de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVVP) destijds de «Richtlijn hulp bij zelfdoding» opgesteld. In die richtlijn zijn zorgvuldigheidseisen opgenomen die psychiaters in acht moeten nemen, indien een psychiatrische patiënt zich tot hen wendt met een verzoek om hulp bij zelfdoding.
In dit verband verwijs ik naar het recent uitgebrachte persbericht van de NVVP d.d. 19 april jl. «Psychiaters laten patiënten niet aan hun lot over!». Uit dit persbericht blijkt dat van de ruim driehonderd patiënten die zich jaarlijks melden tot een psychiater met een verzoek om hulp bij zelfdoding, jaarlijks slechts twee tot vijf van dergelijke verzoeken worden ingewilligd.
Het behoort tot de verantwoordelijkheid van ggz-instellingen om patiënten die suïcidaal zijn, noodzakelijke zorg te bieden. Dit houdt naar mijn mening in dat suïcidale patiënten niet uit een ggz-instelling ontslagen mogen worden zonder dat de nazorg adequaat geregeld is. De verantwoordelijkheden van de verschillende partijen bij nazorg maken tevens onderdeel uit van het Kwaliteitsdocument ketenzorg bij suïcidaliteit, dat door het Trimbos instituut wordt opgesteld.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat in de praktijk de Richtlijn «Omgaan met het verzoek om hulp bij zelfdoding door patiënten met een psychiatrische stoornis» zorgvuldig wordt toegepast?2
Het behoort tot de professionele verantwoordelijkheid van een psychiater om een richtlijn op een juiste en zorgvuldige wijze toe te passen.
Indien een psychiater daadwerkelijk overgaat tot het verlenen van hulp bij zelfdoding, dient hij of zij dit te melden aan de regionale toetsingscommissie euthanasie. De toetsingscommissie beoordeelt dan of voldaan is aan de zorgvuldigheidseisen zoals zijn vastgelegd in de wet Toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
Fraude bij Goldman Sachs |
|
Frans de Nerée tot Babberich (CDA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «ABN slachtoffer fraude door Goldman»?1
Ja
Is het waar dat ABN Amro en/of RBS hiervan schade hebben ondervonden? Zo ja, hoe groot is deze schade? Waar bestaat deze schade uit?
Ja, dit klopt. De schade bedraagt volgens de aanklacht van de SEC (afgerond) USD 841 miljoen.
De schade is gelopen bij het onderdeel van het toenmalige ABN Amro dat is overgenomen door RBS en dat nu de naam The Royal Bank of Scotland N.V. heeft. Sinds de separatie van ABN AMRO Bank op 1 april 2010 valt The Royal Bank of Scotland N.V. volledig onder RBS Group en is ABN AMRO Bank ondergebracht bij de 100% staatsdeelneming ABN AMRO Group. Het is dan ook aan RBS om nadere uitspraken te doen over deze schade.
In hoeverre is er een mogelijkheid dat Goldman Sachs door ABN Amro aansprakelijk wordt gesteld voor deze schade? Als RBS vooral getroffen is, heeft deze schade dan doorgewerkt in de bedragen die gemoeid zijn geweest bij de ontvlechting van het consortium? Kan de schade die hieruit voortvloeit dan verhaald worden?
Het deel van het oorspronkelijke ABN AMRO dat in handen is van de staat (ABN AMRO Bank N.V., waarin alle relevante activiteiten van de zogenaamde N-share zijn ondergebracht) heeft geen schade ondervonden van de fraude. Het bedrijfsonderdeel dat de schade heeft geleden is eigendom van RBS. Het is dan ook aan RBS om al dan niet een claim in te dienen bij Goldman Sachs.
De schade als gevolg van de fraude heeft niet doorgewerkt in de kosten rondom de ontvlechting van het consortium. Het bedrijfsonderdeel dat schade heeft ondervonden door de fraude door Goldman Sachs is als onderdeel van de afspraken binnen het consortium dat ABN AMRO heeft overgenomen al in 2007 toegewezen aan RBS. De schade heeft daarom niet doorgewerkt in de afrekening met het consortium.
In hoeverre zijn ook andere financiële instellingen waar de overheid bij betrokken is, zoals ING, geraakt door dergelijke praktijken?
Hiervan ben ik niet op de hoogte. Het kabinet heeft gekozen voor een zakelijke relatie met de financiële instellingen waar de Nederlandse Staat bij betrokken is. Het is niet aan de Minister van Financiën om uitspraken over dergelijke zaken te doen, maar aan deze instellingen zelf.
Wordt ook in Nederland door de AFM naar eventueel vergelijkbare praktijken gekeken?
De AFM kan een onderzoek instellen naar een financiële onderneming die mogelijk de regels heeft overtreden. Het is bij mij onbekend of de AFM thans onderzoek doet naar praktijken die vergelijkbaar zijn met de fraude waar Goldman Sachs van wordt beschuldigd. De AFM voert haar taken op het gebied van gedragstoezicht op de financiële markten zelfstandig uit. Ik heb als minister dan ook geen overzicht over de lopende onderzoeken van de AFM. Ik ga er van uit dat de AFM een onderzoek instelt indien de situatie hier aanleiding toe geeft.
Samenwerkingsverbanden tussen huisartsen |
|
Margreeth Smilde (CDA) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de ingezonden brief in Medisch Contact nr. 37 d.d. 9 september 2009 en het naschrift van de directeur van de Landelijke Huisartsen Vereniging bij deze brief?1
Ja.
Deelt u de mening dat samenwerkingsverbanden tussen huisartsen niet onnodig zouden moeten worden gefrustreerd door de btw-heffing? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken in het overleg met de sector over deze problematiek? Welke stappen gaat u zetten om deze problematiek op te lossen?
De brief waarnaar de leden in hun vraag verwijzen gaat over de aangelegenheid waarover ik de Tweede Kamer heb geïnformeerd in mijn brief van 11 mei jl., kenmerk MEVA/AEB – 2998940. Aangezien ik in die brief – ook mede namens de minister van Financiën – uitgebreid op de problematiek ben ingegaan, de (on)mogelijkheden voor de praktijk heb besproken en de te nemen stappen heb aangegeven, verwijs ik voor de beantwoording van de nu gestelde vragen integraal naar eerder genoemde brief.
ING Direct |
|
Ewout Irrgang |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
Is het waar dat het Franse depositogarantiestelsel € 70.000 vergoedt en niet € 100.000 zoals het Nederlandse?
Ja, het klopt dat het Franse stelsel maximaal € 70.000 euro per depositohouder per bank vergoedt, en het Nederlandse maximaal € 100.000. Overigens schrijft de Europese Richtlijn inzake depositogarantiestelsels (94/19/EC) voor dat vanaf 31/12/2010 overal in Europa een dekking van € 100.000 wordt gehanteerd. Vanaf die datum zal sprake zijn van volledige harmonisatie (maximumharmonisatie) van het dekkingsbedrag.
Was u op de hoogte van het feit dat ING in Frankrijk het Nederlandse depositogarantiestelsel gebruikt ter promotie van ING Direct?1 Of duidt u de nadruk die de website op het Nederlandse depositogarantiestelsel legt anders? Zo ja, hoe?
Op basis van Europese regelgeving (genoemde richtlijn) en de Wft dienen banken potentiële en bestaande depositohouders te informeren welk depositogarantiestelsel (DGS) op hen van toepassing is. Het is een financiële onderneming op grond van artikel 3:264, lid 1, Wet op het financieel toezicht (Wft) echter niet toegestaan deze informatie voor reclamedoeleinden te gebruiken. Lid 2 van dit artikel staat wel toe dat zij in een reclame-uiting vermeldt dat op haar een vangnetregeling van toepassing is. Het is niet aan mij om te oordelen of de informatie die ING op haar website had opgenomen in strijd is met lid 1 van dit artikel. De Nederlandsche Bank (DNB) ziet hierop toe en kan zo nodig direct of indirect corrigerend optreden. Echter, mijn indruk is dat de verwijzing naar het Nederlandse Depositogarantiestelsel (DGS) die ING op haar website heeft opgenomen summier is en niet in strijd is met lid 1 van dit artikel. DNB onderschrijft dit beeld.
Hoeveel door het Nederlandse depositogarantiestelsel gegarandeerd spaargeld heeft de Franse tak van ING Direct?
Zoals gebruikelijk laat ik mij niet uit over vertrouwelijke informatie aangaande individuele instellingen. Wel kan ik u melden dat ING mij heeft gewezen op haar jaarverslag 2009. Daarin meldt ING dat ING Direct in Frankrijk ongeveer 762.000 klanten heeft, die gezamenlijk zo’n 11,3 miljard euro aan ING Direct hebben toevertrouwd2. Dit bedrag valt voor een belangrijk deel onder het Nederlandse DGS, namelijk voor zover de tegoeden van individuele depositohouders aan de voorwaarden voor dekking voldoen en de maximale dekking niet overschrijden.
Vind u het wenselijk dat een bank waarbij de Nederlandse staat al twee keer heeft moeten ingrijpen om een faillissement te voorkomen, de Nederlandse belastingbetaler met nog meer potentieel risico belast? Zo ja, waarom?
Vooraf wijs ik erop dat niet een bank spaargelden onder het DGS laat vallen en daarmee – in uw woorden – de belastingbetaler met potentieel risico belast. De wet en daarvan afgeleide regelgeving bepalen welke deposito’s onder dit stelsel worden gegarandeerd. Daarnaast financieren de banken het DGS, en niet de Staat (belastingbetaler); het zijn dus de banken die eventuele risico's lopen onder het DGS.
ING Bank is een instelling met een Nederlandse bankvergunning, die in Frankrijk opereert via een bijkantoor. Tegoeden aangehouden bij een bijkantoor van een bank met een Nederlandse bankvergunning vallen, conform Europese regels, onder het Nederlandse DGS. Bij het toezicht op banken wordt uiteraard het algehele risicoprofiel van de instelling in ogenschouw genomen. Particuliere deposito’s, waaronder spaargelden, zijn één van de reguliere, doorgaans stabiele financieringsbronnen van een bank. Het risicoprofiel van banken wordt door vele verschillende factoren beïnvloed, de hoeveelheid aangetrokken deposito’s is daar een van.
Deelt u de mening dat ING alle buitenlandse takken van ING direct zo snel mogelijk om moet zetten naar een rechtsvorm waarbij de desbetreffende spaargelden onder het depositogarantiestelsel van het desbetreffende land vallen en niet langer onder het Nederlandse? Bent u bereid afspraken met ING hierover te maken? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Binnen Europese regels en de toezichtkaders zijn instellingen zelf verantwoordelijk voor hun structuur. In de EU/Europese Economische Ruimte (EER) is sprake van een gemeenschappelijke markt met vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal. De vrijheid van kapitaalverkeer wordt beschouwd als een grondbeginsel van het Verdrag en essentieel onderdeel voor het functioneren en voltooien van de interne markt.
Financiële diensten vallen onder het vrij verkeer van kapitaal. Dit betekent dat wanneer een financiële instelling een vergunning heeft gekregen in de ene lidstaat, deze instelling geen onnodige belemmeringen mogen worden opgelegd om in andere landen binnen de EU/EER vergelijkbare diensten aan te bieden. Gegeven dit uitgangspunt, kunnen banken op basis van hun «Europees paspoort» – eigenlijk de vergunning uit de lidstaat van herkomst – actief zijn in andere landen van de EU/ EER. Hieruit volgt dat het toezicht op een bank wordt uitgeoefend door de toezichthouder van de lidstaat van herkomst (zogenoemde home country control), behalve in de taakgebieden waarmee de Europese regelgeving de toezichthouder in de gaststaten heeft belast. Dit principe bepaalt tevens welk DGS van toepassing is.
Ten aanzien van die financiële instellingen die via een bijkantoor actief zijn in een of meerdere landen in de EU/EER, dienen de home country toezichthouder en de host country toezichthouder(s) (de toezichthouder van het land waar het bijkantoor is gevestigd) samen te werken en informatie uit te wisselen. In algemene zin zie ik hier ruimte voor verbetering van (samenwerking op het gebied van) het toezicht. Het is belangrijk om in Europees verband het toezichtsraamwerk te verbeteren, in plaats van ons achter de landsgrenzen terug te trekken, omdat dit aansluit bij het internationale karakter van de financiële markten en instellingen. Zo voorziet de nieuwe Capital Requirements Directive (CRD II) onder meer in de oprichting van colleges van toezichthouders, om de samenwerking en informatie-uitwisseling te verbeteren.
Het bericht dat Syrië aan Hezbollah Scudraketten verstrekt |
|
Atzo Nicolaï (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «VS vrezen dat Hezbollah Scudraketten krijgt»?1
Ja.
Bent u ook van mening dat levering van Scudraketten aan Hezbollah Libanon en de regio zal destabiliseren?
Zie het antwoord op vraag 4.
Wat is de reactie van Syrië, Libanon en Israël op deze aantijgingen?
Israël heeft deze beschuldigingen aan het adres van Syrië geuit. President Shimon Peres heeft, kort voor zijn officiële bezoek aan Parijs twee weken geleden, Syrië beschuldigd van het leveren van Scudraketten aan Hezbollah. Volgens Israël zal het beschikken over dergelijke wapens de vuurkracht van deze organisatie aanzienlijk vergroten en staat deze bevoorrading haaks op de voorgestelde bereidheid van Syrië om de indirecte vredesonderhandelingen te hervatten. Syrië en Libanon ontkennen met klem dat er sprake is van levering van Scudraketten aan Hezbollah.
Indien sprake is van deze leveringen, welke gevolgen verwacht u voor het Vredesproces in het Midden-Oosten?
Vooralsnog zijn deze berichten niet objectief verifieerbaar gebleken. Het is derhalve niet opportuun om hieraan op dit moment stellige conclusies te verbinden. Vast staat wel dat levering van dergelijke wapens een grove schending zou inhouden van verplichtingen voortvloeiende uit de VN Veiligheidsraadresoluties 1559 en 1701, die beide oproepen tot ontwapening van milities in Libanon. Een dergelijke schending zal in voorkomend geval ongetwijfeld onderwerp van bespreking worden in de VN-veiligheidsraad en zal alsdan naar onze mening leiden tot het nemen van passende maatregelen.
Indien van deze leveringen sprake is, heeft dit gevolgen voor de relatie tussen Nederland en Syrië? En voor de relatie tussen de EU en Syrië?
Zie de beantwoording van vraag 6.
Indien van deze leveringen sprake is, heeft dit gevolgen voor het, nog door Syrië te ratificeren, associatieakkoord tussen de EU en Syrië?
Nederland deelt de zorgen van de VS over de bewapening van Hezbollah en hecht dan ook sterk aan de naleving van genoemde VNVR-resoluties. Daarmee gaat Nederland door, zowel in VN- en ook in EU-verband. Ik merk op dat deze berichten vooralsnog niet hebben geleid tot een herziening van het toenaderingsbeleid van de VS jegens Syrië. Mijn Amerikaanse ambtgenote Hillary Clinton heeft tijdens de NAVO-top in Estland nog eens uitdrukkelijk aangegeven het vaste voornemen te hebben om op korte termijn een Amerikaanse ambassadeur in Damascus te plaatsen.
Als blijkt dat deze berichten op waarheid berusten, verdient deze schending van VNVR-resoluties ook in EU-kader aan de orde te worden gesteld en welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden in de EU-relatie met Syrië. Ik wil daar niet op vooruitlopen.
De werkin gvan het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Duitsland voor Rijnvaartschippers |
|
Frans Weekers (VVD) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het feit dat er grote onduidelijkheid is ontstaan over de vraag of Rijnvaartschippers wel of niet belastingplichtig zijn in Nederland? (Ter illustratie: uitspraak rechtbank te ’s-Gravenhage1)?
Mij is bekend dat enkele Nederlandse binnenvaartschippers betwisten dat de winst die zij behalen met hun binnenvaartonderneming aan de heffing van Nederlandse inkomsten- of vennootschapsbelasting is onderworpen. Het is in Nederland gebruikelijk dat bij een niet in overleg op te lossen verschil van inzicht tussen een belastingplichtige en de Belastingdienst het oordeel van de rechter in belastingzaken wordt gevraagd. Dat is ook geschied in de zaak waarnaar in vraag 1 wordt verwezen.
Voor de verdeling tussen Nederland en Duitsland van het recht tot belastingheffing over de winst van een binnenvaartonderneming is op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied (verder te noemen «het Nederlands-Duitse belastingverdrag») van belang dat vastgesteld wordt waar het middelpunt van de algemene leiding van de binnenvaartonderneming zich bevindt. Deze leiding is in de regel in handen van de ondernemer zelf. In dat geval kan het middelpunt van de algemene leiding van de binnenvaartonderneming zich in diens woning aan de wal bevinden of aan boord van het schip waarop de ondernemer vaart. Als het middelpunt van de leiding van een binnenvaartonderneming zich aan boord van een schip bevindt, dan wordt voor de toepassing van het Nederlands-Duitse belastingverdrag de plaats waar het schip zijn thuishaven heeft, beschouwd als de plaats van de leiding van de onderneming. Het Nederlands-Duitse belastingverdrag geeft geen nadere richtlijnen voor de invulling van het begrip thuishaven. Invulling van dit begrip heeft plaatsgevonden in de belastingrechtspraak. Naar het oordeel van de Hoge Raad (arresten van 30 maart 1955, nr. 12 239 en 10 december 1958, nr. 13 784), alsmede recent nog het Hof ’s-Gravenhage (8 december 2009, nr. 08/00394) is de thuishaven van een schip de haven waar het schip zijn reizen aanvangt en eindigt. Een thuishaven zou aldus kunnen worden vastgesteld aan de hand van het logboek van een schip. Als dat echter onvoldoende houvast zou bieden, kan volgens de Nederlandse rechtspraak de thuishaven mede worden bepaald aan de hand van een aantal andere factoren, zoals de nationaliteit van het leidende deel van de bemanning, de plaats van waaruit het schip wordt gedirigeerd en waar het schip wordt bevoorraad.
Opgemerkt zij dat de regeling voor de winst van binnenvaartschippers in het huidige Nederlands-Duitse belastingverdrag in de kern overeen komt met de relevante bepaling in het OESO-modelverdrag, artikel 8. Dat wil zeggen dat ook op grond van artikel 8 OESO-modelverdrag het heffingsrecht ter zake van voordelen uit de exploitatie van binnenvaartschepen wordt toegewezen aan de staat waar de werkelijke leiding van de binnenvaartonderneming is gelegen, waarbij indien de werkelijke leiding zich aan boord van een schip bevindt, deze eveneens wordt geacht te zijn gelegen in de staat waar de thuishaven van het schip zich bevindt. Hieruit volgt derhalve dat het een internationaal algemeen aanvaard beginsel is om, indien de werkelijke leiding van een binnenvaartonderneming zich aan boord van het schip bevindt, aan te sluiten bij de plaats waar het schip zijn thuishaven heeft. Echter, ook in het OESO-modelverdrag en het bijbehorende commentaar wordt geen nadere invulling gegeven aan het begrip thuishaven.
Met Duitsland zijn onderhandelingen gaande over de herziening van het huidige belastingverdrag. Voor wat betreft de toewijzing van het heffingsrecht ter zake van voordelen uit de exploitatie van binnenvaartschepen zet Nederland hierbij in op opneming van een bepaling die (grotendeels) overeenkomt met artikel 8 van het OESO-modelverdrag. In afwijking van het huidige Nederlands-Duitse belastingverdrag bevat artikel 8 van het OESO-modelverdrag nog de aanvullende bepaling dat indien er geen thuishaven in vorenbedoelde zin is, de plaats van de werkelijke leiding van de binnenvaartonderneming wordt geacht te zijn gelegen in de woonstaat van de exploitant van het schip. Door aan te sluiten bij het OESO-modelverdrag zet Nederland derhalve erop in dat in het toekomstige Nederlands-Duitse belastingverdrag een «tie-breaker» (beslissingsbepaling) voor binnenvaartschippers wordt opgenomen voor gevallen dat er geen thuishaven is.
Bent u van mening dat het verdrag tussen Nederland en Duitsland ter voorkoming van dubbele belasting en/of de in Nederland van kracht zijnde wetten met betrekking tot de inkomstenbelasting voldoende helderheid verschaffen over het begrip «thuishaven», dat in deze kwestie bepalend is voor de plaats van de belastingplicht? Zo ja, welke concrete randvoorwaarden hanteert de belastinginspectie om te bepalen of er sprake is van een Nederlandse belastingplicht of niet? Zo nee, hoe gaat u het begrip thuishaven nader concretiseren zodat in de toekomst onduidelijkheid wordt voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarop is uw beslissing gebaseerd om niet eerder een overlegprocedure als bedoeld in artikel 22 van het verdrag op te starten dan nadat de aanslagen zijn vastgesteld en het duidelijk is dat er sprake is van dubbele belastingheffing? Hoe verhoudt deze beslissing zich tot het doel van het verdrag, namelijk het voorkomen van dubbele belasting?
Ik heb in een enkel geval de beslissing genomen niet eerder een overlegprocedure met de Duitse bevoegde autoriteit op de voet van artikel 22 van het Nederlands-Duitse belastingverdrag te starten dan nadat de door Nederland opgelegde aanslag over de door de betrokken ondernemers behaalde winst onherroepelijk is komen vast te staan. Uit inlichtingen die ik via de FIOD uit Duitsland heb verkregen is mij namelijk gebleken dat ook de Duitse fiscus zich – in de aan mij voorgelegde gevallen – op het standpunt stelt dat de betrokken binnenvaartschippers geen inwoners van Duitsland zijn en dat de leiding van hun binnenvaartonderneming evenmin in Duitsland is gelegen. Het ligt derhalve voor de hand dat Duitsland deze binnenvaartschippers niet in de belastingheffing naar de winst uit hun binnenvaartonderneming zal betrekken.
Omdat in de voorgelegde gevallen tussen Nederland en Duitsland geen verschil van inzicht bestaat ten aanzien van het gegeven dat voor de toepassing van het Nederlands-Duitse belastingverdrag de woonplaats van de binnenvaartschipper en/of de plaats van de leiding van diens binnenvaartonderneming niet in Duitsland is gelegen, is er geen enkele aanleiding om op de voet van artikel 22 van het Nederlands-Duitse belastingverdrag een procedure voor onderling overleg te starten.
In de twee gerechtelijke procedures waarin de binnenvaartschippers dit standpunt bestrijden, heeft de Nederlandse rechter in belastingzaken (Rechtbank 's-Gravenhage 22 september 2009, nr. 08/255, aangehaald in vraag 1, alsmede Hof ’s-Gravenhage 8 december 2009, nr. 08/00394, als eerder genoemd) het door de bevoegde inspecteur ingenomen standpunt, dat de leiding van de betrokken binnenvaartonderneming zich niet in Duitsland maar aan boord van het schip bevindt en dat het schip zijn thuishaven in Nederland heeft, bevestigd. Ik ben echter uiteraard bereid om – zodra daartoe aanleiding bestaat – met de Duitse bevoegde autoriteiten in onderling overleg te treden teneinde in voorkomend geval dubbele belastingheffing weg te nemen.
Een en ander laat evenwel onverlet dat ik in de afgelopen jaren met de Duitse bevoegde autoriteiten – en marge van onderling overleg over andere zaken – regelmatig ook reeds in meer algemene zin over de gesignaleerde problematiek betreffende de binnenvaartschippers van gedachten heb gewisseld teneinde het optreden van dubbele belastingheffing voor deze beroepsgroep waar mogelijk te vermijden.