Onduidelijkheid rondom regels voor machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) voor Surinaamse studenten |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
![]() |
Kent u de berichten van de Vereniging Surinaamse Studenten Amsterdam (VSSA) «Borgsom 10.000 euro geen verplichting»1 en «VSSA onderzoekt inschrijfprocedure»2?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat er aan de situatie ten aanzien van de borg van 10.000 euro, waarover studenten van buiten de EU, dus ook uit Suriname, moeten beschikken nog niets veranderd is, terwijl u in de beantwoording van schriftelijke vragen hierover3 aangaf het onwenselijk te vinden dat de procedures en eisen van instellingen voor Hoger Onderwijs onderling sterk verschillen?
Ik ben bekend met de verschillen in procedures. Studenten van buiten de EER kunnen maar beperkt werken naast hun studie (maximaal 10 uur per week) en zijn dus beperkt in hun inkomsten. Daarom moeten zij, voor ze toegelaten worden tot de opleiding, aan de instelling aantonen over voldoende middelen te beschikken. De instelling staat vervolgens garant voor de student. Er zijn verschillende mogelijkheden voor de student om voldoende middelen van bestaan aan te tonen. Bij de beantwoording van uw vragen over dit onderwerp, is u toegezegd dat de instellingen hierover geïnformeerd werden. Over dit onderwerp is met de koepels gesproken. Er blijkt echter nog steeds onduidelijkheid bij de instellingen te zijn. Ik zal de instellingen nader per brief informeren.
Hoe beoordeelt u de uitspraak dat deze borg een eis is van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Er is een vereiste dat de student bewijst voldoende solvabel te zijn, aangezien de instelling garant staat voor de student. Zoals aangegeven in de eerdere antwoorden kan dit op verschillende manieren. De borg is één van deze manieren. Op zichzelf is dit dus géén eis van de IND, maar één van de mogelijkheden.
Deelt u de mening dat, als dit een eis van de IND is, het des te vreemder is dat verschillende instellingen die eis verschillend uitvoeren?
Zie antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het vragen van een borg van 10.000 euro niet de beste manier is om jong talent te stimuleren in Nederland te studeren, maar voor een ander land te kiezen, omdat vrijwel niemand 10.000 euro zomaar op de plank heeft liggen?
In de antwoorden op de vorige vragen wordt duidelijk dat deze borg niet noodzakelijk is, maar dat studenten wél over voldoende middelen van bestaan moeten kunnen beschikken.
Deelt u de mening dat het vragen van een Financial Statement een even effectieve manier is om de financiële zekerheid te borgen en dat dit een meer vriendelijke methode is voor komende studenten?
Deze methode staat de studenten dan ook vrij. Ik merk hierbij wel op dat verschillende instellingen bij gesprekken te kennen gaven dat studenten deze mogelijkheid zelf niet graag gebruiken: het verkrijgen van een betrouwbare bankverklaring is niet altijd eenvoudig.
Bent u bereid deze vragen op korte termijn te beantwoorden, zodat er duidelijkheid komt over de eisen en procedures voor inschrijving aan Nederlandse Instellingen voor Hoger Onderwijs, nu de periode van inschrijving weer voor de deur staat?
Gezien de politiek hectische periode heeft de beantwoording van deze vragen helaas meer tijd gekost dan ik wenselijk acht. De beloofde brief aan de instellingen zal nog in juni worden verstuurd.
De inval van de NMa bij de LHV |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Henk van Gerven , Renske Leijten |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA), Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Wat is uw oordeel over de inval van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) bij de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV)? Oordeelt u hierover positief?1
Het toezicht op naleving van de Mededingingswet (Mw) is opgedragen aan de NMa. De NMa is bevoegd bij een vermoeden van een overtreding van de Mw onaangekondigde bedrijfsbezoeken af te leggen. Waar vermoedens zijn van mededingingsbeperkende afspraken is het wenselijk dat de NMa onderzoek doet. Mededingingsbeperkende afspraken kunnen de keuzevrijheid van patiënten aantasten.
Welke informatie over prijsafspraken of marktverdeling hoopt de NMa bij de LHV te kunnen vinden? Is die informatie niet veel beter te vinden bij individuele huisartsen?
De NMa doet onderzoek mede op basis van tips en signalen van cliënten en huisartsen over het mogelijk verdelen van patiënten en het belemmeren van huisartsen die actief willen worden binnen een bepaalde regio. De Mw is niet alleen van toepassing op overeenkomsten (of onderling afgestemde feitelijke gedragingen) tussen ondernemers, maar ook op besluiten van ondernemersverenigingen, zoals de LHV.
Heeft de NMa zelfstandig besloten tot deze inval? Heeft u c.q. het ministerie voor het tijdstip van de inval contact hierover gehad met de NMa? Was u op enigerlei wijze op de hoogte van de aanstaande inval of vermoedde u die, op basis van concrete informatie of door verneming bij geruchte? Is het ministerie van VWS op enigerlei wijze betrokken geweest bij de voorbereiding van het onderzoek?
De NMa besluit zelfstandig tot een inval. Rond het moment van binnentreden bij de LHV heeft de NMa de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ) op de hoogte gesteld van het onaangekondigde bedrijfsbezoek zodat eventuele vragen van de pers adequaat beantwoord zouden kunnen worden. De ministeries van VWS en EZ zijn niet betrokken bij het onderzoek of de voorbereiding daarvan.
Door wie wordt de NMa aangestuurd, daar waar het dossiers in de zorg betreft? Heeft u invloed op het beleid van de NMa en zo ja, welke? Is deze inval naar uw oordeel een voorbeeld van de rol die de NMa in de toekomst moet gaan spelen?
Op grond van de Mw heeft de NMa een aantal wettelijke taken, die zij verplicht is uit te voeren. De NMa heeft een discretionaire bevoegdheid in de keuzes ten aanzien van de afspraken waartegen en de wijze waarop zij handhavend optreedt. De minister van EZ is verantwoordelijk voor het algemene functioneren van de NMa. De minister van EZ heeft de bevoegdheid beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden van de NMa, voor zover deze geen betrekking hebben op individuele gevallen. Als de minister van EZ dergelijke regels stelt met betrekking tot de zorgsector, zoals door middel van de beleidsregel houdende bijzondere regels betreffende concentraties van zorgaanbieders2, dan komen deze regels in nauw overleg met het ministerie van VWS tot stand.
Zoals wij ook op vraag 1 antwoordden is het wenselijk dat de NMa daar waar vermoedens zijn van mededingingsbeperkende afspraken onderzoek doet, ook in de toekomst. Mededingingsbeperkende afspraken kunnen de keuzevrijheid van patiënten aantasten.
Deelt u de stelling dat het succes van huisartsenzorg valt en staat met onderlinge samenwerking? Zo ja, hoe verhoudt onderlinge concurrentie zich daarmee?
Samenwerking is van groot belang. Een goed voorbeeld hiervan is de opvang van patiënten in de Avond,- Nacht-, en Weekenduren (ANW-uren). Huisartsen, vaak verenigd in een dienstenstructuur, organiseren voor hun patiënten opvang voor spoedvragen in de ANW-uren. Zonder goede samenwerking, het delen van informatie over patiënten en het afstemmen van behandelmethodes, zou adequate zorg voor patiënten niet goed mogelijk zijn.
Niet alle vormen van samenwerking zijn toegestaan. Samenwerkingsafspraken kunnen te ver gaan en tot onwenselijke machtsconcentraties leiden. Een voorbeeld van afspraken die op grond van de Mw (bijna) altijd zijn verboden, zijn prijsafspraken en marktverdelingsafspraken. Als huisartsen onderling afspraken maken over wie met welke zorg welk gebied bedient, kan dit ertoe leiden dat huisartsen patiënten weigeren en de vestiging van nieuwe huisartsen tegengaan. Hierdoor kan een grote machtsconcentratie op huisartsenzorg in een bepaald gebied ontstaan. Consequentie daarvan kan zijn dat huisartsen weinig tot geen druk voelen om rekening te houden met de wensen van hun patiënten. In die gevallen wordt de keuzevrijheid van de patiënt in de kern aangetast en wordt bijvoorbeeld patiënten de mogelijkheid ontnomen om, als zij ontevreden zijn over hun huisarts, over te stappen naar een huisarts naar eigen keuze.
Samenwerkingsafspraken zijn vaak echter wel toegestaan. Ten eerste zijn er samenwerkingsafspraken die niet onder het kartelverbod vallen, simpelweg omdat zij de mededinging niet beperken, of anders gezegd omdat zij geen invloed hebben op de mate waarin huisartsen rekening dienen te houden met de wens van cliënten. Zo wordt door het bespreken van een inhoudelijke zorgvraag van een cliënt, het delen van best practices of het gezamenlijk uitwerken van kwaliteitsprotocollen de mededinging in principe niet beperkt. Ten tweede vallen bepaalde samenwerkingsafspraken buiten het toepassingsbereik van het kartelverbod als zij onder de bagatelbepaling vallen. De huidige bagatelbepaling stelt in geval van dienstverlening zoals huisartszorg afspraken vrij die tussen niet meer dan acht ondernemingen zijn gemaakt met een gezamenlijke omzet die niet hoger is dan EUR 1.100.000, of indien geldt dat het gezamenlijk marktaandeel van de betrokken ondernemingen niet groter is dan 5% en de gezamenlijke omzet waarop de afspraak betrekking heeft niet hoger is dan EUR 40.000.000.
Ook samenwerkingsverbanden die noodzakelijk zijn om (zuiver) de kwaliteit van zorg te dienen of de doelmatigheid van zorg te verbeteren, goed zijn voor cliënten en voldoende keuzemogelijkheden voor mensen overlaten, zijn geoorloofd en zeker wenselijk. De positieve effecten van deze samenwerkingsverbanden wegen op tegen het nadeel van de eventuele beperking van de mededinging. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om het eerder genoemde voorbeeld omtrent de zorg voor patiënten in de ANW-uren. Het uitgangspunt is dat een huisarts individueel kan bepalen hoe hij aan het wettelijk vereiste kwaliteitsniveau wil en kan voldoen. Voorts zijn ook gemeenschappelijke inkoop van de voor het aanbieden van de zorg benodigde producten, afspraken over waarneming, het gezamenlijk opzetten van elektronische netwerken en informatie-uitwisseling en samenwerking op administratief gebied veelal toegestaan.
Bent u van oordeel dat de kwaliteit van huisartsenzorg erbij gebaat is als huisartsen elkaar als concurrent ervaren en daarnaar handelen? Zo ja, kunt u drie belangrijke realistische voorbeelden geven van uitkomsten van concurrentie tussen huisartsen, die causaal de gezondheid van de patiënt positief beïnvloeden (niet zijnde service-aspecten van het huisartsenvak of prijsvorming, maar betrekking hebbend op kwaliteit die het ziekteproces beïnvloedt)?
Voldoende mededinging zal eraan bijdragen dat huisartsen een extra prikkel ondervinden om de wensen van patiënten centraal te stellen, bijvoorbeeld door zich te blijven verbeteren en innovaties door te voeren die de kwaliteit van de huisartsenzorg omhoog brengen. Kwaliteit is moeilijk meetbaar, zeker in de zorg, maar ook serviceaspecten kunnen bijdragen aan de kwaliteit die het ziekteproces beïnvloedt.
Voorbeeld 1: ten algemene geldt dat keuzevrijheid voor patiënten er bij voldoende aanbod aan huisartsenzorg in de regio toe zal leiden dat slecht functionerende huisartsen hun praktijk zien krimpen en bij afwezigheid van verbetering niet langer een praktijk zullen kunnen houden.
Voorbeeld 2: een huisarts die – in aanvulling op de reguliere behandeling – patiënten een paar dagen na een afspraak nabelt. Hiermee heeft de arts snel zicht op eventuele problemen die zich voordoen bijvoorbeeld rondom inname van medicatie. Daarnaast bevordert het mogelijk de zelfredzaamheid en het herstelproces van de patiënt.
Voorbeeld 3: huisartsen die zich – om zich te onderscheiden van andere huisartsen – specialiseren in bepaalde doelgroepen zoals gezinnen, allochtonen of studenten. Deze huisartsen laten zich bijvoorbeeld extra scholen in de problematiek van de specifieke doelgroep en doen ook meer ervaring op met die doelgroep. Dit kan de huisartsenzorg verbeteren.
Bent u van oordeel dat huisartsen elkaar economisch dienen te beconcurreren, in de zin dat zij in beginsel erop uit moeten zijn patiënten van elkaar te werven, zoals reguliere ondernemingen erop uit zijn uit economische overwegingen klanten van elkaar af te nemen? Zou u gelukkig zijn met deze houding en verwacht u daarvan per saldo voordelen voor de betrokken patiënten en zo ja, welke?
Het is van belang dat huisartsen de keuzevrijheid van cliënten respecteren en de vestiging van nieuwe huisartsen niet belemmeren. Het zou niet goed zijn als alle prikkels verdwijnen om zich positief van elkaar te onderscheiden (medisch inhoudelijk, maar ook op serviceaspecten zoals ruimere openingstijden).
Het is dan ook onwenselijk als huisartsen onderling afspreken om geen cliënten van elkaar over te nemen. Een patiënt dient zelf te kunnen kiezen naar welke huisarts hij of zij wil gaan en de huisarts moet individueel bepalen of de betreffende patiënt tot de praktijk wordt toegelaten3. De huisarts is iemand met wie een patiënt een goede vertrouwensband moet hebben. Als die band er niet is door bijvoorbeeld een conflict of ontevredenheid van de patiënt over de huisarts dan moet de patiënt kunnen wisselen van huisarts. Verder is het van belang dat niet de reeds gevestigde huisartsen bepalen of en onder welke voorwaarden een nieuwe huisarts mag toetreden tot een bepaalde regio. Dit kan immers tot gevolg hebben dat nieuwe initiatieven en keuzemogelijkheden voor patiënten worden belemmerd.
Is er wel sprake van een markt in de huisartsenzorg die door de NMa moet worden gecontroleerd c.q. bent u van oordeel dat de marktwerking daar dient te worden aangewakkerd?
De Nederlandse gezondheidszorg maakt de overstap van een systeem waarbij het aanbod van zorg voorop stond naar een systeem van vraaggestuurde zorg. Dit betekent dat patiënten meer dan vroeger de mogelijkheid hebben om te kiezen tot welke arts zij zich wenden. Door deze vraagsturing worden zorgaanbieders geprikkeld zich van elkaar te onderscheiden en zich te verbeteren, om zo de kwaliteit en doelmatigheid in de zorg hoog te houden. Om de betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van zorg te waarborgen zijn regels gesteld. Binnen dit systeem van gereguleerde marktwerking dient de NMa haar werk te doen. Dit geldt ook voor huisartsen.
Het systeem van vraaggestuurde zorg is vormgegeven in de Zorgverzekeringswet. De Mw ziet erop toe dat de ruimte voor vraaggestuurde zorg niet onterecht wordt ingeperkt. De NMa houdt toezicht op naleving van de Mw voor zover er ruimte wordt gegeven voor vraaggestuurde zorg. Relevante factor bij de toepassing van de Mw op de huisartsenzorg, is onder andere dat aan de beroepsbeoefening financiële risico’s verbonden zijn en dat met de vervanging van puntstarieven en opheffing van de contracteerplicht doelbewust door de wetgever is gekozen voor meer ruimte voor vraagsturing4. Het is vervolgens aan de rechter naar aanleiding van een beroep tegen een besluit van de NMa om te bepalen of de NMa een juist besluit heeft genomen, onder andere over de vraag of de Mw ook echt van toepassing is.
Klopt het beeld dat u naar buiten oproept dat u voorstander bent van een combinatie van concurrentie en samenwerking? Zo ja, waar begint concurrentie, dus waar eindigt geoorloofde samenwerking? Welke vormen van samenwerking zijn naar uw oordeel niet geoorloofd omdat die niet in de geest zijn met het concurrentie-principe van de Zorgverzekeringswet, dan wel strijdig zijn met uw beleid? Zo nee, deelt u de mening dat concurrentie tussen huisartsen onderling meer na- dan voordelen heeft?
Zie het antwoord op vraag 5.
Welke problemen voorziet u voor de zorg als huisartsen samenwerken? Welk gevaar bestrijdt de NMa met deze inval?
Zie het antwoord op vraag 5.
In hoeverre kan de inval van de NMa bij de LHV de ontwikkeling op het vlak van ketenzorg afremmen of anderszins schaden? Perkt de NMa hiermee niet de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering in? Vindt u dit een wenselijke situatie? Moet het NMa-principe van «markt, tenzij» niet worden vervangen door het zorgprincipe «samenwerking, tenzij»?
Ketenzorg en het ontstaan van zorggroepen zijn een relatief nieuw fenomeen. De NMa en de NZa spannen zich, op basis van vragen die leven bij het veld, in om duidelijk te maken wat wel en niet mag onder de Mw ten aanzien van samenwerking in het kader van ketenzorg. In december 2009 hebben de NMa en de NZa een consultatiedocument gepubliceerd. Het consultatiedocument bevat ook de expliciete uitnodiging melding te maken van zaken waar bijvoorbeeld de huisartsen niet mee uit de voeten kunnen en om daarover dan meer helderheid te kunnen geven. Deze zomer worden de definitieve richtsnoeren over zorggroepen van de NMa en de NZa verwacht.
De NMa heeft invallen gedaan bij de LHV mede op basis van tips en signalen over het mogelijk onderling verdelen van patiënten en het belemmeren van de vestiging van nieuwe huisartsen. De spelregels ten aanzien van overstapmogelijkheden van cliënten en vestiging van nieuwe huisartsen zijn duidelijk.
Overstapmogelijkheden voor cliënten en vestiging van nieuwe huisartsen enerzijds en de ontwikkelingen op het vlak van ketenzorg anderzijds zijn twee verschillende onderwerpen. De invallen van de LHV belemmeren de ontwikkelingen op het vlak van ketenzorg niet en schaden ook anderszins niet.
Wat vindt u van het voorstel van Actiz, GGZ-Nederland en de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) om de mededingingswet buiten de orde te verklaren bij ketensamenwerkingsovereenkomsten in de zorg?2
Actiz, GGZNederland en VGN pleiten voor een veilige haven in de vorm van een groepsvrijstelling voor ketensamenwerkingsovereenkomsten. Een groepsvrijstelling beoogt een bepaalde groep overeenkomsten (bijv. ketensamenwerkingsovereenkomsten) die in strijd is met het kartelverbod van dit verbod vrij te stellen, gelet op de grote voordelen die dergelijke overeenkomsten genereren.
Voor ketensamenwerkingsovereenkomsten bestaan reeds veilige havens in de vorm van bestaande groepsvrijstellingen voor specialisatieovereenkomsten, onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten en voor verticale overeenkomsten. Deze groepsvrijstellingen beperken zich tot die overeenkomsten waarvan met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat zij aan de uitzonderingsvoorwaarden van het kartelverbod voldoen. Deze verruimen dus niet de uitzonderingsregels van de Mw. De genoemde groepsvrijstellingen zijn ook op de zorgsector van toepassing.
Onderschrijft u de mening van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) dat inzake de mededingingstoetsing de NMa zorgverzekeraars coulanter lijkt te behandelen dan zorgverleners?3 Zo nee, waarom niet?
De Mw is zowel op zorgverzekeraars als zorgaanbieders op dezelfde wijze van toepassing. De NMa heeft een discretionaire bevoegdheid in de keuzes ten aanzien van de afspraken waartegen en de wijze waarop zij handhavend optreedt. Het is uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of de NMa in individuele gevallen de Mw op een juiste manier heeft toepast danwel bij haar ingediende klachten gegrond heeft afgewezen.
Daar waar verzekeraars en zorgaanbieders met elkaar onderhandelen kan vanuit de individuele vrijgevestigde zorgaanbieder een gevoel van ongelijkheid bestaan. De NMa heeft recent een document gepubliceerd waarin wordt ingegaan op de visie van de NMa over de positie van individuele, vrijgevestigde zorgaanbieders ten opzichte van zorgverzekeraars.7
Ziet u strijdigheden en/of spanningen tussen de Mededingingswet enerzijds en de Zorgverzekeringswet en uw beleidsagenda anderzijds? Zo ja, welke? Hoe gaat u daarop beleidsmatig inspelen?
Zie het antwoord op vragen 5 en 8. Wij zien geen strijdigheden tussen de Mw enerzijds en de Zorgverzekeringswet en de beleidsagenda van de minister van VWS anderzijds.
HWW Zorg en TZG |
|
Anouchka van Miltenburg (VVD) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de advertentie die Haagse Wijk- en Woonzorg (HWW Zorg) en Thuiszorg Groningen (TZG) afgelopen weekend in verschillend landelijke dagbladen hebben geplaatst?
Ja.
Waarom heeft u niet geëist dat de organisaties uit het voormalige Meavita voor het verlenen van staatssteun werden verkocht?
De stichtingen zijn zelfstandige private entiteiten. Van hen kon daarom niet zomaar worden geëist dat zij zichzelf moesten verkopen. Een dergelijke eis kan wel worden gesteld als voorwaarde voor steunverlening door de NZa. In het besluit tot steunverlening is door de NZa daarom wel de eis (in de vorm van een voorwaarde verbonden aan de steunverlening) gesteld dat de stichtingen zich aantoonbaar moeten inspannen om tot verkoop te komen.
Kunt u bevestigen dat de verleende staatssteun verwerkt zit in de marktconforme prijs die de organisaties nu zelf vragen?
Er is nog geen sprake van een marktconforme prijs, omdat de markt nog tot een prijs moet komen. Dat is een prijs die tussen verkoper en eventuele kopers tot stand zal moeten komen. In zijn algemeenheid kan wel worden aangenomen dat het waarschijnlijk is dat de reorganisatie die met de steunverlening is betaald, van invloed zal zijn op de door de markt te bepalen prijs.
Hoe oordeelt u achteraf over de gang van zaken met betrekking tot de afhandeling van het faillissement van Meavita?
Het faillissement van Meavita is nog niet afgerond. De curatoren zijn daarmee op dit moment druk doende. In die zin kan ik nu nog niet oordelen. Wel is mij duidelijk geworden dat het faillissement van Meavita ingrijpende gevolgen heeft gehad voor alle betrokkenen.
Kunt u bevestigen dat het de intentie is om met de verkoop (een deel van) de staatssteun terug te verdienen?
Er is sprake van steunverlening op grond van NZa-beleidsregels. Deze steunverlening was met name bedoeld om een reorganisatie door te kunnen voeren, opdat de zorg aan zorgvragers zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht kon worden voortgezet.
Er is geen intentie om met de verkoop van de stichtingen gelden terug te verdienen.
Hoe oordeelt u over de kwaliteit van de zorg in diverse instellingen, gezien de bemerkingen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de verschillende berichten over de kwaliteit in de media de afgelopen week, omdat de staatssteun deels werd verleend om de kwaliteit op orde te brengen?
Het is niet aan mij om te oordelen over de kwaliteit van zorg bij HWW Zorg. De IGZ heeft onlangs naar aanleiding van bezoeken aan diverse locaties kritische rapporten uitgebracht. Het plan van aanpak dat HWW Zorg vervolgens op verzoek van de IGZ heeft opgesteld en nu uitvoert, geeft de IGZ vertrouwen dat er voortvarend aan de verbetering van de kwaliteit wordt gewerkt. Of dit daadwerkelijk voldoende is, zal medio juni van dit jaar blijken.
De betalingstermijn van gemeenten |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het overzicht van de betalingstermijn van 158 gemeenten1, waaruit blijkt dat 27 van die gemeenten, ongeveer één op vijf, de beloofde betalingstermijn van 30 dagen niet haalt?
Het openbaar maken van het overzicht van betaaltermijnen van lagere overheden door MKB-Nederland is een zeer aansprekend voorbeeld van wat de markt zelf kan doen en ook doet om het probleem van late betalingen aan te pakken. Deze openbaarheid lijkt een gunstig effect op het betaalgedrag te hebben. Inmiddels is het aantal deelnemende gemeenten aan de inventarisatie door MKB-Nederland opgelopen tot 164 en het aantal te laat betalende gemeenten teruggelopen tot 25 (minder dan 1 op 6). Daarbij past het bovendien te vermelden dat blijkens de inventarisatie bij een zeer ruime meerderheid van die 25 gemeenten het merendeel van de rekeningen al wel op tijd betaald wordt en dat gemeenten ook de ambitie uitspreken om de scores verder te verbeteren.
Bent u bereid om aan de overige 430 gemeenten te vragen of zij bekend willen maken binnen welke termijn zij betalen?
De rijksoverheid heeft geen zeggenschap over het betalingsbeleid van decentrale overheden. Zoals u in de afgelopen maanden in de antwoorden van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van mijzelf op vragen van de leden Elias, Blanksma-van den Heuvel, Vietsch, Van der Ham en Gesthuizen over deze zelfde materie hebt kunnen lezen, zijn de gemeenten op ons initiatief via de VNG opgeroepen om een betaaltermijn van 30 dagen te hanteren. Inmiddels blijkt door de publicatie waaraan uw vragen refereren ook dat marktpartijen zelf in staat zijn initiatief te nemen om maatregelen om het probleem van niet-tijdige betaling aan de orde te stellen. Derhalve ben ik van mening dat geen aanleiding bestaat voor de rijksoverheid om van overheden te vragen om betalingsgegevens openbaar te maken en/of als rijksoverheid daartoe het initiatief te nemen. Overigens stel ik het op prijs als decentrale overheden dat wel uit zichzelf doen.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om gemeenten te helpen de betalingstermijn te verkorten?
Voor de rijksoverheid zie ik geen taak weggelegd om gemeenten bij te staan in het adequaat inrichten van hun betalingsverkeer. Ik ben wel van mening dat het dienstig is dat de EU-richtlijn late betalingen wordt herzien om marktpartijen die worden benadeeld door het betaalgedrag van hun klanten, meer en eenvoudiger mogelijkheden te geven om dat nadeel te bestrijden. De besluitvorming rond die richtlijn lijkt voorspoedig te verlopen.
De resultaten van een onderzoek naar het gebruik van luchtwassers |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de resultaten van de «Evaluatie Project luchtwassers 2009»?1
Welke conclusies verbindt u aan de constatering dat 74% van de inwerking zijnde luchtwassers niet voldoet aan alle wet- en regelgeving?
Welke conclusies verbindt u aan de constatering dat bij 23% van de inrichtingen de emissie te hoog is?
Welke conclusies verbindt u aan de constatering dat 21% van de inrichtingen helemaal geen luchtwasser geplaatst had?
Hoe wordt in andere provincies gecontroleerd of de luchtwassers naar behoren geplaatst zijn en functioneren?
Bent u bereid extra in te zetten op handhaving op en controle van het gebruik van luchtwassers? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet?
Ziet u mogelijkheden en aanleiding om een strenger sanctie-regime te hanteren bij overtredingen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Wat betekenen deze uitkomsten in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof, met betrekking tot de luchtwasser als een emissiereducerende techniek?
Ziet u de noodzaak om nadere maatregelen in het kader van Natura 2000 te treffen, gezien het feit dat lokale stikstofemissies hoger waren dan vergund? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat Benno L. geen tbs krijgt |
|
Fred Teeven (VVD) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Geen tbs voor Benno L.»?1
Ja.
Is het waar dat een psycholoog en psychiater geconcludeerd hebben dat tbs met dwangverpleging niet nodig is?
Het klopt dat de als deskundige in de zaak tegen de heer L. benoemde psycholoog en psychiater hebben geadviseerd om aan hem geen tbs met dwangverpleging op te leggen. De inhoud en de conclusies van de rapporten zullen ter terechtzitting van 7 juni aanstaande worden besproken. De desbetreffende deskundigen zullen bij die gelegenheid ook worden gehoord. Vervolgens zal het Openbaar Ministerie hierover een standpunt innemen, naar verwachting (uiterlijk) op 9 juni wanneer vooralsnog het requisitoir staat gepland.
Is het waar dat de reden dat tbs met dwangverpleging niet nodig is omdat de kans na een eventuele vrijlating niet heel groot is dat Benno L. zich nog vergrijpt aan meisjes? Deelt het Openbaar Ministerie ook deze conclusie?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat een zwemleraar die misbruik zou hebben gemaakt van 57 zwemschoolleerlingen zich zonder behandeling niet meer zal vergrijpen aan meisjes?
Ingevolge de onafhankelijkheid van de rechtspraak is het aan deskundigen om hierover te adviseren en aan de rechter om hierover te oordelen.
De uitnodiging aan een Hamas-minister voor een conferentie in Duitsland |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Hamas minister invited to German academic conference»?1
Ja.
Deelt u de mening dat leden van een organisatie die op de EU-lijst staat van terroristische groeperingen, geen visum met toegang tot de EU mag worden verstrekt?
Ja.
Op welke wijze gaat u voorkomen dat buurland Duitsland, mogelijkerwijs abusievelijk, zoals in het verleden ook door onze eigen diensten is gebeurd, een visum verstrekt aan deze Hamas minister voor gezondheid?
Navraag leert dat betrokken Hamas-functionaris geen visum heeft aangevraagd. Duitsland volgt in deze aangelegenheid een vergelijkbaar beleid als Nederland. Het ligt dan ook niet in de rede aan te nemen dat Duitsland een visum verstrekt zou hebben.
Deelt u de opvatting dat duurzame vrede in het Midden Oosten alleen tot stand kan komen als er sprake is van Palestijnse verzoening tussen Fatah en Hamas, gebaseerd op vreedzame onderhandeling in plaats van op geweld? Bent u ook van opvatting dat zodra Hamas bereid is geweld af te zweren, de dialoog kan worden aangegaan? Wat is momenteel de stand van zaken van de Egyptische bemiddelingspogingen tussen Fatah en Hamas? Vindt u ook dat die bemiddelende taak eerder toebehoort aan Egypte dan aan Duitsland?
Verzoening tussen Fatah en Hamas op basis van de Kwartetbeginselen is noodzakelijk wil een vredesregeling tussen Israël en de Palestijnen op termijn duurzaam zijn. Dezelfde Kwartetbeginselen zijn voor Nederland leidend in de keuze van zijn gesprekspartners in de Palestijnse Gebieden. Nederland steunt wel pogingen van geselecteerde derde partijen, met name Egypte, om Fatah en Hamas bij elkaar te brengen. Deze bemiddelingspogingen boeken helaas geen voortgang. Hamas heeft vooralsnog geweigerd een Egyptisch compromisvoorstel te ondertekenen; contacten tussen Fatah en Hamas gaan evenwel voort, maar tot op heden zonder resultaat.
Duitsland speelt geen formele rol in deze verzoeningsbesprekingen. Wel is op uitdrukkelijk verzoek van Israël aan Duitsland gevraagd dat het een bemiddelaar ter beschikking stelt om te bereiken dat Hamas meewerkt aan vrijlating van Gilad Shalit, de Israëlische militair die Hamas inmiddels ruim drie jaar in gijzeling heeft. Dit verzoek is gebaseerd op eerdere inspanningen van Duitsland bij een gevangenenruil tussen Libanon en Israël. Tegen deze Duitse betrokkenheid kan geen bezwaar gemaakt worden.
De aangescherpte energieprestatienorm |
|
Jan van Bochove (SGP), Liesbeth Spies (CDA), Rikus Jager (CDA) |
|
![]() ![]() |
Kunt u uiteenzetten wat de stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering van het energieakkoord Noord Nederland en meer in het bijzonder met betrekking tot de afspraak om gebruik te maken van het experimenteerartikel duurzaam bouwen uit de Woningwet en voor nieuwbouwwoningen een aangescherpte energieprestatienorm van 0,5 te werken per 1 juli 2010 te hanteren?
Ik heb het ontwerp «Experimentenbesluit excellente gebieden en koplopergebied Noord-Nederland» in voorbereiding uit hoofde van het experimenteerartikel 120a van de Woningwet.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het ontwerpbesluit experimenten excellente gebieden en koplopergebied Noord-Nederland?
Het ontwerp «Experimentenbesluit excellente gebieden en koplopergebied Noord-Nederland» is 17 maart 2010 ter advisering voorgelegd aan de Raad van State. De Raad van State heeft mij inmiddels op 28 april 2010 bericht geen bezwaren te zien tegen publicatie.
Tevens is het ontwerpbesluit ter notificatie voorgelegd aan de Europese Commissie. De stand-stilltermijn van de notificatie eindigt 7 juni 2010.
Is voldaan aan de voorwaarden dat ten minste driekwart van de projectontwikkelaars en woningcorporaties instemt met de aanwijzing? Kunt u dat onderbouwen?
De provincies hebben mij bij brief van 23 november 2009 laten weten dat zij bij de marktpartijen voldoende draagvlak hadden weten te verwerven. Deze brief gaf mij het vertrouwen dat het in procedure brengen van het ontwerpbesluit gewenst en verantwoord was.
Na de besluitvorming over het Experimentenbesluit in de ministerraad van 29 januari jongstleden, is in Noord-Nederland discussie ontstaan. Corporaties en marktpartijen willen meer zicht krijgen op de te hanteren rekenmethodiek en de kosten van energiezuinig bouwen. De provincies hebben mij verzekerd dat zij met partijen tot overeenstemming kunnen komen en dat ze willen vasthouden aan het Experimentenbesluit. Er loopt nog ambtelijk overleg tussen de provincies en WWI over de rekenmethodiek om inzicht te krijgen in de kosten van energiezuinig bouwen.
Nog voor 1 juli 2010 zal overleg worden gevoerd met de provincies en de marktpartijen in Noord-Nederland over de stand van zaken.
Is voldaan aan de voorwaarde dat alle gemeenten uit de drie noordelijke provincies instemmen met de aanwijzing? Kunt u dat onderbouwen?
De provincies hebben mij in de brief van 23 november 2009 laten weten dat, met uitzondering van 2 gemeenten, alle gemeenten in Noord Nederland hebben aangegeven achter de aanscherping van de energieprestatie-eis te staan.
Is voldaan aan de voorwaarde dat gemeenten die een of meer nieuwbouwlocaties op hun grondgebied hebben voornemens en in staat zijn tot adequate handhaving van de grenswaarden? Kunt u dat onderbouwen?
De provincies hebben een ondersteuningsprogramma gestart om de grenswaarden adequaat te kunnen laten naleven en handhaven. Dit programma bestaat uit een handleiding en een opleiding. Deze worden aangeboden aan zowel gemeenten als marktpartijen. De doelstelling is dat gemeenten en marktpartijen per 1 juli 2010 klaar zijn voor de aanwijzing.
Bent u voornemens dit besluit per 1 juli 2010 in werking te laten treden?
Dat was mijn voornemen.
De drie noordelijke provincies hebben mij echter per brief van 23 april 2010 gevraagd of het mogelijk is het besluit later in werking te laten treden. Reden hiervoor is dat de provincies de betrokken bouwpartijen een overgangstermijn van 3 maanden willen geven om zich te kunnen voorbereiden op het werken met de scherpere EPC. Ik heb besloten het besluit op 1 oktober 2010 in werking te laten treden.
Op welke wijze bent u van plan de Kamer over dit traject te informeren en bij definitieve besluitvorming te betrekken?
Ik ben voornemens om uw kamer te informeren bij de publicatie van het besluit.
Bent u bereid geen definitief besluit te nemen dan nadat u dit expliciet aan de Kamer hebt voorgelegd?
Het besluit heeft zijn wettelijke grondslag in de Woningwet, artikel 120a. Anders dan bij andere besluiten op grond van de Woningwet (bijvoorbeeld het Bouwbesluit), geldt voor dit Experimentenbesluit geen nahangverplichting.
Kunt u deze vragen uiterlijk 11 mei 2010 beantwoorden?
Ja.
Toezeggingen aan de Drentse gedeputeerde Klop over het demonstratieproject voor CO2-opslag in Noord-Nederland |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA), Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «CO2 pas in Noorden als Barendrecht doorgaat»?1
Ja.
Welke afspraken heeft u gemaakt met of welke toezeggingen heeft u gedaan aan de gedeputeerde voor milieu van de provincie Drenthe?
Tijdens het bestuurlijk overleg d.d. 26 april jl. met de gedeputeerden van de drie noordelijke provincies hebben we gesproken over de stappen die zullen moeten worden gezet ter voorbereiding van de totstandkoming van een grootschalig CCS-demonstratieproject in het noorden.
Het rijk heeft toegezegd dat er een breed communicatietraject over CCS zal worden gestart, gericht op alle bewoners en stakeholders in Noord-Nederland, en heeft de wens uitgesproken dat de noordelijke provincies in dat traject zullen participeren. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop het rijk de lijst zal bekendmaken van de gasvelden die de voorkeur van het rijk hebben om als eerste in aanmerking te nemen voor grootschalige CO2-opslag in het noorden in het kader van een demonstratieproject. Tenslotte is afgesproken een bestuurlijk afstemmingsoverleg in te stellen tussen vertegenwoordigers van rijk, de betrokken provincie(s) en gemeenten. Doel van het overleg is elkaar maximaal te informeren en alle procedures en activiteiten zoveel mogelijk onderling af te stemmen.
Gelden deze afspraken/toezeggingen ook voor de provincies Friesland en Groningen?
Ja.
Op grond van welke overwegingen heeft u, anders dan in de brief van 12 april jl.2 en in het recente debat richting de Kamer is gecommuniceerd, tot deze afspraken/toezeggingen besloten?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, hebben de afspraken met het noorden betrekking op het communicatietraject, op de onderlinge taak- en rolverdeling tussen rijk en provincies en op het overleg tussen rijk en provincies.
Tijdens het recente debat in de Kamer is onder andere gewezen op het belang van goede communicatie en onderlinge samenwerking. De gemaakte afspraken zijn derhalve in lijn met hetgeen recentelijk met de Kamer is besproken.
Betekenen de genoemde afspraken/toezeggingen dat het traject voor het demonstratieproject in Noord-Nederland wordt stopgezet zodra het proefproject in Barendrecht niet doorgaat?
Zoals onder andere tijdens het recente overleg met de Kamer is aangegeven, ziet dit kabinet het project in Barendrecht als een noodzakelijke tussenstap voor de verdere uitrol van CO2-opslag in gasvelden onder land. De voorbereiding van het project wordt dan ook voortgezet. Het kabinet heeft tijdens het recente overleg met de Kamer toegezegd geen stappen te zullen zetten die onomkeerbaar leiden tot CO2-opslag bij Barendrecht, dan wel de juridische positie van Shell in deze versterken.
Wij zijn van mening dat indien zich onaanvaardbare veiligheidsrisico’s zouden voordoen bij het project Barendrecht, dit consequenties zal hebben voor het project in het noorden. Echter, zowel uit het MER als uit de aanvullende onderzoeken blijkt dat de veiligheid van het project in Barendrecht gewaarborgd is. Voor dit kabinet geldt dat veiligheid bij CO2-opslag, waar dan ook, een noodzakelijke voorwaarde is voordat toestemming voor een project zal kunnen worden gegeven.
Erkent u dat met de genoemde afspraken/toezeggingen de besluitvorming in de Kamer en het maatschappelijk debat en draagvlak onder ongewenste druk komen te staan?
Integendeel. Wij verwachten dat de gemaakte afspraken een positieve bijdrage zullen leveren aan het maatschappelijke debat en het draagvlak voor een CCS-project in het noorden. Zoals gemeld in het antwoord op vraag 2, hebben de afspraken betrekking op het communicatietraject, de bestuurlijke afstemming en de wijze waarop de lijst van potentiële opslaglocaties die de voorkeur hebben van het rijk bekend zal worden gemaakt. Al deze zaken zijn van belang bij het verwerven van voldoende draagvlak voor een project in het noorden.
Hoe rijmt u de uitspraak van gedeputeerde Klip dat «als het daar niet veilig is het niet uit te leggen is dat het hier wel kan» met het feit dat u richting de Kamer steeds hebt aangegeven dat het proefproject in Barendrecht nodig is vanwege de bedrijfseconomische en juridische leeraspecten en de veiligheid in orde is?
De uitspraak van mevrouw Klip heeft geen betrekking op de levenscyclus van CCS en op de volgorde van kleinschalige en grootschalige demonstratieprojecten, maar op de hypothetische situatie dat het project in Barendrecht zou worden stopgezet vanwege onaanvaardbare veiligheidsrisico’s van het project. Zij is van mening dat in een dergelijke situatie niet aan de bewoners in het noorden kan worden uitgelegd dat er in het noorden dan wel een grootschalig CCS-demonstratieproject zou kunnen worden gerealiseerd.
Zoals reeds in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, zijn wij van mening dat indien zich onaanvaardbare veiligheidsrisico’s zouden voordoen bij het project Barendrecht, dit consequenties zal hebben voor het project in het noorden.
Bent u bereid de gemaakte afspraken/toezeggingen te heroverwegen?
Heroverweging van de gemaakte afspraken vinden wij onwenselijk, omdat de gemaakte afspraken juist erop gericht zijn een positieve bijdrage te leveren aan het draagvlak voor een grootschalig CCS-demonstratieproject.
Vluchtgedrag als gevolg van jachtdruk |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Gerda Verburg (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Schade door wilde zwijnen in Epe»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van het afschotbeleid als zwijnen naar de bebouwde kom trekken?
Het gehanteerde afschotbeleid is gericht op het bereiken van een doelstand die bepaald wordt op grond van onder andere voedselaanbod, economische schade en verkeersveiligheid. Om te voorkomen dat wilde zwijnen in de bebouwde kom op zoek gaan naar eenvoudig te vinden voedsel, dienen rasters of hekken geplaatst te worden.
Hoe beoordeelt u wetenschappelijke publicaties2,3en4 die wijzen op een relatie tussen jachtdruk en vluchtgedrag van wilde zwijnen in het licht van uw eerdere beantwoording hierover?5 Deelt u de mening dat uw eerdere antwoorden deze publicaties tegenspreken? Zo ja, kunt u toelichten hoe dat kan? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij om wetenschappelijke publicaties te beoordelen. Het is wel zaak dat het bevoegde gezag (i.c. de provincie) en beheerders gebruik maken van de bestaande wetenschappelijke inzichten.
Voorts is het mijn inziens niet relevant of mijn eerdere antwoorden in tegenspraak zouden zijn met de stellingen of conclusies van betreffende onderzoekers of niet. Er zijn immers afwijkende meningen over dit onderwerp en ook wetenschappers zijn het niet altijd met elkaar eens.
Voor inzicht in de gangbare opvattingen, verwijs ik naar het rapport «Ex ante evaluatie van maatwerk beheer wilde zwijnen» (met bijbehorende literatuurlijst), dat ik u bij brief van 17 december 2009 heb toegezonden (Kamerstuk 31 581) en naar mijn brief van 29 maart 2010 (Kamerstuk 31 581, nr. 13) waarin ik vragen over genoemd rapport van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beantwoord.
Hoe beoordeelt u (wetenschappelijke) publicaties6en7 die wijzen op het uiteenvallen van de sociale structuur en «home range» door afschot van de leiderzeug in het licht van uw eerdere beantwoording hierover?8 Deelt u de mening dat uw eerdere antwoorden deze publicaties tegenspreken? Zo ja, kunt u toelichten hoe dat kan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De edelhertenpilot Meinweggebied |
|
Ger Koopmans (CDA) |
|
Gerda Verburg (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CDA) |
|
![]() |
Kent u de gezamenlijke verklaring van Duitsland en Nederland over de edelhertenpilot Meinweggebied zoals deze op 28 april 2010 in Herkenbosch is ondertekend? Kunt u een reactie geven op alle argumenten zoals de zijn verwoord in de gezamenlijke verklaring?
Ja, ik heb kennisgenomen van de protestverklaring van een aantal Duitse en Nederlandse organisaties van boeren, boseigenaren, grondbezitters, jagers en fruittelers. Zij verklaren tegen de herintroductie te zijn en zich in te zullen spannen die te voorkomen. Nu de ontheffingsaanvraag is ingetrokken, lijkt een reactie op hun argumenten mij niet langer opportuun.
Kent u de problemen met de damhertenpopulatie rond het Amsterdamse Waterleiding Duinengebied (AWD)? Welke overeenkomsten en verschillen zijn er met een eventuele edelhertenpopulatie rond het Meinweggebied?
De ontheffingsaanvraag voor de introductie van edelherten in het Meinweggebied is inmiddels ingetrokken.
Kunt u de stelling «voorkomen is beter dan genezen» onderschrijven? Zo ja, op welke wijze worden de ervaringen van eerdere herintroducties en andere populatievorming (zoals damherten in het AWD, Oostvaardersplassen e.d.) meegenomen in het ontheffingsverzoek edelhertenpilot in het Meinweggebied?
Zie antwoord vraag 2.
Is zowel de beleidslijn herintroductie als de International Union for the Conservation of Nature (IUCN)-richtlijn herintroductie doorlopen? Zo ja, vormen deze de basis van een principebesluit over het al dan niet toestaan van een herintroductie? Moest het ontheffingsverzoek edelhertenpilot Meinweggebied worden aangepast gedurende de hiervoor genoemde procedure? Zo ja, op welke punten?
Zie antwoord vraag 2.
Is bij de edelhertenpilot Meinweggebied herintroductie de achterliggende gedachte? Zo ja, gaat het hier om een zelfstandige populatie in een niet-omheind gebied of in een omheind gebied dat groter is dan 5000 hectare (zoals bijvoorbeeld de Oostvaardersplassen)? Indien het om een zelfstandige populatie in niet-omheind gebied gaat, wat is dan de minimale duurzame populatiegrootte voor de lange termijn? Zo nee, wat is dan de achtergrond van de edelhertenpilot Meinweggebied?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn bij deze edelhertenpilot Meinweggebied naast de ecologische afwegingen (beleidslijn herintroductie) ook niet-ecologische afwegingen (veterinair risico, schade aan landbouwgewassen) gemaakt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke schade wordt verwacht en is deze afgewogen tegen het belang van herintroductie?
Zie antwoord vraag 2.
Is uiteindelijk, in dit geval, de provincie verantwoordelijk voor het faunabeheer? Vergoedt het Faunafonds alleen bedrijfsmatige schade aan landbouwgewassen? Waar dienen andere schades verhaald te worden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat kost dit hele project en wie betaalt dit? Deelt u de opvatting dat het zeer onwenselijk is om dit project toe te staan, omdat de schaderegeling, vergoeding, afrasteringsproblematiek en verkeersveiligheid volstrekt onvoldoende zijn geregeld?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft Staatsbosbeheer of u overleg gehad met particuliere landeigenaren in het Meinweggebied?
Het is aan de aanvrager om te zorgen voor het vereiste maatschappelijk draagvlak. Staatsbosbeheer heeft overlegd met vertegenwoordigers van landeigenaren, waaronder boeren, in het gebied. Mijn rol beperkt zich ten aanzien van de ontheffingsaanvraag formeel tot de toetsing van de aanvraag, met inbegrip van de ingediende zienswijzen, aan de daarvoor geldende criteria (zie kamerstuk 32 123 XIV, nr. 216).
Is het waar dat Limburgs Landschap enkele jaren geleden heeft afgezien van een vergelijkbare introductie in het Weerterbos? Zijn de toen geldende argumenten niet eveneens aan de orde bij de herintroductie in het Meinweggebied?
Ik heb geen inzicht in afwegingen ten aanzien van mogelijke plannen van het Limburgs Landschap die niet tot wasdom zijn gekomen.
Heeft u overleg gehad met uw ambtsgenoot van Noordrijn-Westfalen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen en het resultaat daarvan aan de Kamer te melden en in uw besluitvorming te betrekken?
Zie antwoord vraag 2.
Het advies van het College voor Zorgverzekeringen inzake extra financiering Beleidsregel NZa |
|
Eeke van der Veen (PvdA) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de wijziging van de Beleidsregel Dure geneesmiddelen in ziekenhuizen CI 11351, waarmee de indicatie «eerstelijns behandeling van niet kleincellig longcarcinoom» voor pemetrexed is toegevoegd met terugwerkende kracht tot 1 mei 2008?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de notulen van de hoor- en wederhoorzitting van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) betreffende het protest van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) tegen het positieve advies van het CVZ over dit middel voor deze indicatie?
Ja, ik heb kennis genomen van de inhoud van de notulen.
Zijn de overwegingen van de NZa om onverkort het advies van CVZ over te nemen bekend? Zo ja, hoe luiden deze? Zo nee, kunt u deze achterhalen en weergeven?
Allereerst wil ik benadrukken dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) als zelfstandig bestuursorgaan zijn eigen afweging heeft gemaakt. De NZa heeft daarbij in principe de gebruikelijke procedure gevolgd. Dit houdt in dat de NZa de inhoudelijke beoordeling aan het CVZ heeft overgelaten, en dat de NZa uiteindelijk het positieve advies van het CVZ heeft overgenomen.
Wel heeft de NZa ten behoeve van een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming beide partijen (ZN en CVZ) aan tafel uitgenodigd om de verschillende standpunten te vernemen. Deze bijeenkomst was geen procedurele verplichting en dient niet verward te worden met een hoorzitting. Gegeven deze extra inspanning ben ik van mening dat de NZa voldoende moeite heeft gedaan om tot een afgewogen besluitvorming te komen.
De stukken die ten grondslag liggen aan de besluitvorming – waaronder de notulen – zijn niet openbaar, behalve voor de betrokken partijen.
Kunt u aangeven in hoeverre en in welke zin, het zowel inhoudelijke als procedurele protest van ZN, een rol heeft gespeeld bij de besluitvorming van de NZa? Is deze informatie openbaar? Is deze informatie bekend gemaakt bij de partij (ZN) die protest heeft aangetekend? Zo nee, acht u het dan waarschijnlijk dat de besluitvorming van de NZa zuiver procedureel is geweest?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u nog steeds van mening dat er sprake is van zorgvuldige besluitvorming (antwoord op vraag 14)2 door de NZa?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u nogmaals aangeven of er binnen de gehele procedure van het opnemen van een middel in de Beleidsregel, tot en met het verplichten van verzekeraars de kosten van deze middelen toe te voegen aan het budget van ziekenhuizen, voldoende bezwaar en inspraak-mogelijkheden bestaan die toetsbaar in deze procedure een rol spelen? Kan hiervan een overzicht worden gegeven? Kunt u aangeven of, en zo ja in hoeverre u deze procedure wil aanpassen om automatismen in vergoedingsverplichtingen te laten bekritiseren?
De procedure met betrekking tot de toetsing ten behoeve van plaatsing van geneesmiddelen op de beleidsregel is gevat in een werkprocedure tussen NZa en CVZ. Daarnaast zijn de werkafspraken in een convenant vastgelegd. De formele inbedding van de toetsingsprocedure is hiermee voldoende gewaarborgd.
Alvorens het CVZ een toetsingsrapport verzendt aan de NZa, is er gelegenheid voor belanghebbenden tot het kenbaar maken van commentaar op de conceptversie. ZN heeft hier in het geval van pemetrexed gebruik van gemaakt. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid om formeel bezwaar aan te tekenen tegen een NZa besluit.
Op zich lijkt er voldoende mogelijkheid voor partijen voor inspraak in het adviestraject en voor de mogelijkheid om bezwaar te maken. Wel vormt deze casus aanleiding voor mij om met CVZ en NZa te bespreken of de mogelijkheden voor inspraak en bezwaar in de procedure aanpassing behoeven.
Wat is uw mening ten aanzien van het feit dat de zorgkosten, in de huidige financiële crisis, met bijna € 30 miljoen per jaar extra worden belast voor ongeveer 2000 patiënten, met een behandeling zonder extra levensverlenging, waarvan de Franse overheid geen toegevoegde waarde heeft vastgesteld? Wat is precies het verschil tussen de Franse zienswijze en die van het CVZ? Welke argumenten worden daarbij gebruikt?
Zoals ik al aangegeven had, is het niet vreemd dat de beoordelingen tussen verschillende landen niet overeenkomen. De CFH heeft als onafhankelijke commissie haar eigen beoordeling gemaakt en is op basis van de beschikbare gegevens tot de conclusie gekomen dat het middel wel toegevoegde waarde heeft. Daarnaast wil ik u er nogmaals op wijzen dat het Nederlandse model, waarbij er sprake is van een tijdelijke opname op de beleidsregel en er na vier jaar een herbeoordeling plaatsvindt, anders is dan het Franse model.
Op welke wijze ziet de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) toe op een onjuiste en een publiekelijk toegankelijke claim van Lilly, zoals toegezegd in antwoord op vraag 13?2 Wat is uw mening ten aanzien van het feit dat deze claim nog steeds aanwezig is op de site van Lilly, en dat daarin als feit wordt gesteld dat pemetrexed beter werkt dan andere chemotherapie bij niet kleincellig longcarcinoom? Kunt u een nauwkeurige tijdslimiet aangeven waarbinnen deze claim wordt beoordeeld en op welke wijze deze zal worden bestraft/verwijderd?
De inspectie heeft het statement van Lilly op de website van Lilly (onder »pers en media», statement Lilly, 19 november 2009) beoordeeld conform de werkafspraken die de inspectie heeft afgesloten met de zelfreguleringsintanties op het gebied van geneesmiddelenreclame: de Stichting Code Geneesmiddelenreclame en de Keuringsraad KOAG/KAG.
De inspectie merkt op dat zij de strekking van het statement als informatief aanmerkt. De passage over de werkzaamheid van pemetrexed is ontleend aan de studie waarop de registratie is gebaseerd. De passage kan volgens de inspectie niet worden aangemerkt als onjuiste informatie of als publieksreclame. Verwijdering van de claim is dan ook niet aan de orde.
Het verlenen van verlof aan pooierboy M. O. |
|
Ton Heerts (PvdA), Khadija Arib (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Loverboy Murat O. mag op verlof»1 en herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over het vluchten van mensenhandelaar S. B.2 en uw brief d.d. 22 september 2009?3
Ja.
Is het in het genoemde krantenartikel gestelde feitelijk waar? Kunt u een overzicht geven van de feitelijke gang van zaken tot nu toe ten aanzien van de tijdelijke vrijlating van M. O?
Begin 2008 is onder leiding van het arrondissementsparket te Amsterdam een strafrechtelijk onderzoek gestart naar mensenhandel. M.O. was één van de hoofdverdachten in het onderzoek.
M.O. is op 11 november 2008 aangehouden en in verzekering gesteld. Ter (pro forma) zitting van 15 juli 2009 is de voorlopige hechtenis van M.O. geschorst tot 23 november 2009, de datum van de inhoudelijke behandeling, onder de bijzondere voorwaarde dat hij op geen enkele wijze contact zou opnemen met de (8) slachtoffers.
De rechtbank te Amsterdam heeft het in de prostitutie brengen en het uitbuiten van twee slachtoffers bewezen geacht, alsmede het witwassen van opbrengsten uit die prostitutie. M.O. is bij vonnis van 23 december 2009 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en een voorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden (voor feiten gepleegd toen hij nog minderjarig was). Tegen dit vonnis is zowel door de verdachte als door de officier van justitie hoger beroep ingesteld.
Tijdens de pro forma zitting van 23 april 2010 is door de raadsman van M.O. mondeling een schorsingsverzoek gedaan, onder meer in verband met de ernstig zieke moeder van M.O. en de schorsing in eerste aanleg. De advocaat-generaal heeft zich ter zitting verzet tegen schorsing. Het gerechtshof te Amsterdam heeft met ingang van 26 april 2010 de schorsing van de voorlopige hechtenis gelast tot de volgende zitting op 16 juli 2010, onder de bijzondere voorwaarde dat M.O. op geen enkele wijze contact zal onderhouden met 7 (met name genoemde) slachtoffers in de strafzaak. In een persverklaring van het gerechtshof is in het kader van de onderbouwing van die beslissing verwezen naar het feit dat de voorlopige hechtenis van M.O. eerder geschorst is en M.O. zich toen heeft gehouden aan de hem opgelegde voorwaarden, alsmede naar het feit dat de moeder van M.O ernstig ziek was.
Wat is de stand van zaken van de aangekondigde wetswijziging ten aanzien artikel 80 van het Wetboek van Strafvordering, waarbij de beleidsvrijheid van rechters om te kijken naar persoonlijke omstandigheden te kijken bij het verlenen van schorsing van voorlopige hechtenis wordt beperkt?
Ik verwijs u hieromtrent naar het antwoord op de vragen 5 en 6 van de leden De Roon en Wilders (beiden PVV), ingezonden 29 april 2010 (vraagnummer 2010Z07625).
In hoeverre zou de procedure om tijdelijke vrijlating te verlenen aan personen die zich in de situatie zoals die van M. O. bevinden anders zijn geweest als de aangekondigde wetswijziging al in werking zou zijn getreden?
In dat geval zou de beslissing omtrent een dergelijk verlof zijn voorbehouden aan de directeur van de inrichting, die dergelijke beslissingen onder mijn verantwoordelijkheid neemt.
Is het waar dat een schorsingsverzoek is ingediend zonder dat slachtoffers hiervan op de hoogte zijn gesteld? Is het waar dat de slachtoffers via de media moesten vernemen dat M. O. vrijgelaten is en zich pas op 16 juli 2010 zich weer moet melden?
In het gehele onderzoek zijn 27 mogelijke slachtoffers geïdentificeerd, waarvan 8 een rechtstreekse relatie zouden hebben gehad met M.O. Deze 8 mogelijke slachtoffers worden genoemd in de tenlastelegging van M.O.
Het schorsingsverzoek is ter zitting van 23 april 2010 mondeling gedaan door de raadsman van M.O.. Daarop is getracht de voornoemde 8 mogelijke slachtoffers te bereiken teneinde hen op de hoogte te stellen van de schorsing, met uitzondering van 3 slachtoffers die expliciet hadden laten weten op geen enkele wijze contact te willen met politie of justitie. Eén slachtoffer is nog dezelfde avond geïnformeerd. Van 2 slachtoffers van buitenlandse komaf zijn slechts vermoedelijke adressen bekend. Zij zijn schriftelijk op de hoogte gesteld. Twee van de 8 slachtoffers konden eerst op woensdag 28 april worden bereikt.
Ook de overige 19 slachtoffers uit het onderzoek zijn vanaf laatstgenoemde datum per brief op de hoogte gebracht van de schorsing, met uitzondering van de personen die expliciet hadden laten weten op geen enkele wijze contact te willen met politie of justitie. In de brief is aan de slachtoffers op de kortst mogelijke termijn een gesprek aangeboden met de advocaat-generaal die met de zaak is belast.
Hoe kan het dat het Openbaar Ministerie te laat de slachtoffers heeft geïnformeerd over de vrijlating van M. O?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid deze vragen vóór dinsdag 11 mei aanstaande te beantwoorden?
Ja.
Het bericht "Activiteiten van Gave in azc's onder de loep" |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Activiteiten van Gave in asielzoekerscentra (azc’s) onder de loep»?1
Ja.
Erkent u het belang van organisaties die sociale activiteiten verrichten onder asielzoekers? Hoe wordt gewaarborgd dat dergelijke organisaties niet met onnodige belemmeringen geconfronteerd worden?
Deze organisaties leveren een belangrijke bijdrage aan het vormgeven van een leefbare omgeving voor asielzoekers. Er zijn geen belemmeringen bij het verrichten van sociale activiteiten onder asielzoekers en organisaties kunnen deze activiteiten dan ook verrichten. Ook stelt het COA religieus en politiek geïnspireerde organisaties in staat om aankondigingen te doen op openbare mededelingsborden, mits deze binnen de waarden en kaders van het COA blijven. Voor al deze activiteiten op een opvanglocatie van het COA geldt dat deze moeten plaatsvinden binnen de kaders van het vrijwilligersbeleid en de huisregels van het COA. Evangelisatie en zending op een opvanglocatie van het COA vallen niet binnen deze kaders.
Voor het COA staat een veilige leefomgeving voor de asielzoeker voorop.
Is het waar dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) in sommige azc’s geen activiteiten van stichting Gave toelaat? Zo ja, wat is uw mening daarover? Hoe is dit te verenigen met de mededeling van het COA dat zij «wat scherper» op medewerkers van stichting Gave let?
Het is correct dat op een enkele locatie maatregelen zijn genomen tegen een vrijwilliger van de stichting Gave. Tegen de activiteiten van de stichting Gave zijn geen maatregelen genomen.
Op 24 maart jl. heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het bestuur van de stichting Gave en de directie van het COA. Dit gesprek hield echter geen verband met de hiervoor genoemde maatregelen. Voorts hecht ik eraan dat partijen bij gerezen onderlinge vraagstukken daar zorgvuldig mee omgaan en deze in alle openheid met elkaar bespreken.
Welke kaders hanteert het COA voor organisaties die werken onder asielzoekers? Zijn de kaders landelijk eenduidig en worden deze helder gecommuniceerd? Herkent u de analyse dat de regels en houding van het COA ten aanzien van religieus geïnspireerde organisaties de afgelopen jaren strakker zijn geworden?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deze kaders zijn eenduidig voor alle locaties van het COA en helder gecommuniceerd.
De analyse dat de regels en houding van het COA ten aanzien van religieus of politiek geïnspireerde organisaties strakker zijn geworden, herken ik niet.
Bent u ook van mening dat het mogelijk moet zijn om met asielzoekers te praten over het geloof en om aankondigingen voor bijvoorbeeld kerkelijke activiteiten te verspreiden?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat het COA maatregelen ten aanzien van de activiteiten van stichting Gave heeft genomen alvorens met het bestuur van de stichting over de mogelijke problemen te praten? Deelt u de mening dat het vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk is dat bij eventuele problemen eerst met betrokkenen wordt overlegd?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van mening dat een goede samenwerking tussen het COA en organisaties voor ondersteuning van asielzoekers van groot belang is? Op welke wijze wilt u deze samenwerking bevorderen?
Zie antwoord vraag 2.
De relatie tussen arbeidsomstandigheden en ziekte dan wel sterfte |
|
Hans Spekman (PvdA), Anja Timmer (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Jaarlijks meer dan 3.000 doden door werk»?1
Ja.
Bent u het met de onderzoekers eens dat sterfte door werk een teken is van falend arbeidsomstandighedenbeleid? Zo nee, waarom niet? Wat is uw reactie op de conclusie dat de meeste van deze sterfgevallen voorkomen kunnen worden?
De door de FNV in beeld gebrachte cijfers leveren geen nieuwe inzichten op. Ook de enkele jaren geleden door SZW aan uw kamer gepresenteerde onderzoeken van het RIVM (Kamerstuk 2005–2006, 25 883, nr. 67 en Kamerstuk 2006–2007, 25 883, nr. 95) gaven gelijksoortige cijfers. Daarmee beoog ik niet deze te relativeren, ook al zijn deze cijfers veelal met een grote mate van onzekerheid omgeven. Het zijn schattingen omdat de directe doodsoorzaak van bijvoorbeeld hart- en vaatziekten, longaandoeningen en stress moeilijk is vast te stellen. Belangrijk is wel dat de belangrijkste doodsoorzaak te maken heeft met asbest en andere gevaarlijke stoffen. Tussen het moment van blootstelling en uiteindelijke sterfte zit vaak een lange periode. Daarmee zijn deze sterftecijfers een afspiegeling van de arbeidsomstandigheden uit een verleden dat niet zelden decennia terug ligt. De risico’s waren toen vaak onvoldoende bekend en de gevolgen zien we nu in deze treurige cijfers terug. Juist op deze terreinen zijn de, deels wettelijke, maatregelen de laatste jaren aangescherpt en daar gaan we mee door. Zo heb ik vorige maand nog voor vier kankerverwekkende stoffen de grenswaarde verlaagd. Andere voorbeelden zijn het rookverbod, het asbestverbod, het vervangingsbeleid voor vluchtige oplosmiddelen, de arboconvenanten, het programma Versterking arbeidsomstandigheden stoffen (VASt) en de arbocatalogi. De effecten hiervan zullen over een aantal jaren zichtbaar worden.
Ik ben van mening dat het arbobeleid succesvol is. Ter illustratie dient een van de hiervoor genoemde onderzoeken van het RIVM waarin naar voren komt dat de vervangingsverplichtingen voor vluchtige oplosmiddelen in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de vermindering van sterfte en ziekte door deze stoffen.
Deelt u de mening dat de overheid verantwoordelijk is voor een goed en eenduidig beleidskader voor arbeidsomstandigheden, zodat sociale partners daar verder op een goede manier invulling aan kunnen geven? Vindt u ook dat werkgevers en werknemers, voor het garanderen van veiligheid op het werk en de gezondheid van werknemers, niet gebaat zijn bij onduidelijkheid over zaken als grenswaarden en over de toepassing van de stand van de techniek?
De overheid neemt de volle verantwoordelijkheid voor een goed en eenduidig beleidskader. Uitgangspunt daarbij is dat de overheid de verantwoordelijkheden belegt waar deze het beste genomen kunnen worden. In lijn met het SER-advies Evaluatie Arbowet 1998 uit 2005 is de Arboregelgeving in 2007 herzien, waarbij de overheid de doelvoorschriften vastlegt en deze waar mogelijk voorziet van gezondheidskundig en veiligheidskundig onderbouwde grenswaarden. De Gezondheidsraad analyseert op mijn verzoek van vele risicoterreinen de mogelijkheid of een wetenschappelijk onderbouwde grenswaarde mogelijk is.
Sociale partners hebben nadrukkelijker de verantwoordelijkheid voor arbeidsomstandigheden gekregen: zij hebben de ruimte maar ook de verantwoordelijkheid de maatregelen uit te werken waarmee aan de doelvoorschriften kan worden voldaan. Zo kan worden voldaan aan het beoogde maatwerk per bedrijf met de stand van de wetenschap en techniek. Ik ondersteun dit proces van harte met bijvoorbeeld subsidieregelingen voor zowel de totstandkoming als de implementatie van arbocatalogi.
Als een belangrijk risico voor sterfte wordt in het rapport gezien het optreden van hart- en vaatziekten als gevolg van werkdruk. Het is dus belangrijk dat sociale partners dit oppakken en bijvoorbeeld in hun arbocatalogus opnemen. Momenteel is dit risico in de arbocatalogi van slechts 30 van de 133 branches opgenomen.
De stand der techniek is voor vele werksituaties uitgezocht in het project arboconvenanten van enkele jaren geleden. Wederom in belangrijke mate met financiering van SZW. Deze stand der techniek en wetenschap is vervolgens in een aantal arbocatalogi opgenomen en wordt geïmplementeerd in bedrijven.
Indien voor branches de stand der techniek niet is opgenomen in de arbocatalogus dan wel anderszins bekend is zoals in praktijkrichtlijnen, stelt de Arbeidsinspectie deze vast. Bij de jaarlijks uit te voeren inspectieprojecten wordt de opvatting van de stand van de techniek door de Arbeidsinspectie gecommuniceerd met de betreffende branches.
Bent u van mening dat het feit dat, nu slechts zo’n 40% van de werknemers in Nederland werkt onder dekking van een arbocatalogus, bijdraagt aan het verontrustende aantal sterftegevallen door werk? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om de dekkingsgraad van arbocatalogi te vergroten?
Per 1 januari 2010 viel ongeveer 50% van de werknemers onder de dekking van een arbocatalogus. Overigens is dat niet de enige manier om te werken aan goede arbeidsomstandigheden, ieder bedrijf kan zelf maatregelen nemen om te zorgen dat de werknemers goed beschermd zijn. Een arbocatalogus opstellen voor de branche mag maar is niet verplicht en levert duidelijkheid op voor de onder de betreffende branche vallende bedrijven. Tevens gebruikt de Arbeidsinspectie de marginaal getoetste arbocatalogi als referentiekader bij de handhaving.
Desalniettemin ondersteun ik de werkzaamheden van de Commissie Begeleiding Arbocatalogi (CBA) nog dit jaar, dus een jaar langer dan in eerste instantie werd voorzien. De werkzaamheden van de CBA bestaan dit jaar uit het bevorderen van een groter aantal arbocatalogi evenals het bevorderen van een grotere inhoud van de arbocatalogus: meer risico’s in de catalogus. Ook gaat de CBA trachten te bevorderen dat de arbocatalogi die door branches zijn opgesteld ook daadwerkelijk worden geïmplementeerd in de bedrijven.
Ik heb voor het lopende jaar nog een subsidieregeling ingesteld voor de implementatie van arbocatalogi waarvoor branches met een positief getoetste arbocatalogus nog € 10.000,– kunnen ontvangen. Branches die nog geen subsidie ontvingen uit de Subsidieregeling Stimulering Totstandkoming Arbocatalogi kunnen zelfs € 20.000,– ontvangen, dit om wederom een stimulans tot het opstellen van een arbocatalogus te geven.
Bent u het eens met de conclusie dat bedrijfsartsen slecht registreren? Bent u van plan de registratie van werkgerelateerde sterfgevallen te verbeteren? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Er is in Nederland helaas sprake van een behoorlijke onderregistratie door bedrijfsartsen. Ook in andere Europese landen is sprake van een onderregistratie. Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) wordt door mij gefinancierd om de registratie en melding van beroepsziekten te bevorderen en is daar ook zeer actief in. Zo zijn bijvoorbeeld bedrijfsartsen geschoold op dit vlak, wordt het meldingsproces vereenvoudigd en worden peilstations opgericht. In peilstations werken op vrijwillige basis bedrijfsartsen en specialisten samen in een gecontroleerde omgeving, waardoor een representatiever beeld ontstaat van een bepaalde beroepsziekte.
Het registreren van sterfgevallen acht ik een onbegaanbare weg. De praktijk leert dat op individueel niveau in het merendeel van de gevallen niet is vast te stellen of de sterfte beroepsgerelateerd is.
Is het waar dat de kans op een bedrijfsbezoek van de Arbeidsinspectie in theorie eens op de dertig jaar is? Deelt u de mening dat dit veel te laag is en dat de handhaving op arbeidsomstandigheden daarmee ernstig in gebreke is?
In theorie is dat juist. Er zijn ruim 600 duizend bedrijfsvestigingen (exclusief zelfstandigen) in Nederland en er worden ruim 20 duizend actieve inspecties per jaar uitgevoerd (daarnaast nog 3 tot 4 duizend reactieve onderzoeken). Theoretisch is er dan de kans dat een bedrijfsvestiging eenmaal in de dertig jaar door een inspecteur wordt bezocht.
De werkelijkheid is genuanceerder. Op grond van de beleidsuitgangspunten van «Het nieuwe inspecteren» controleert de Arbeidsinspectie selectief en treedt zij hard op waar dat moet en zacht waar dat kan. Dat betekent dat de Arbeidsinspectie zich voornamelijk richt op sectoren en bedrijven waar sprake is van hoge risico’s en lage naleving. Daarmee kan niet gezegd worden dat de handhaving ernstig in gebreke blijft.
Is het zo dat Arbeidsinspecteurs door grote hoeveelheden papierwerk in sommige gevallen afzien van het uitschrijven van boetes? Zo ja, wat is uw reactie daarop?
Nee, dat is niet het geval. Indien er sprake is van een ernstige overtreding van de wettelijke voorschriften, schrijft een inspecteur een boeterapport.
Bent u bereid op zeer korte termijn, doch in ieder geval vóór aanvang van het algemeen overleg Arbeidsomstandigheden op 12 mei a.s., een reactie op dit rapport naar de Kamer te zenden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Mijn reactie op dit rapport is verwerkt in de beantwoording van deze Kamervragen.
Bent u bereid bij ontbreken van catalogi vóór 1 januari 2011 dat als afzonderlijke sanctiegrond op te nemen in de Arbowet?
Zoals reeds eerder is gesteld bij vraag 3 is het uitgangspunt bij de herziene Arbeidsomstandighedenwet van 2007 dat de verantwoordelijkheid voor een goed arbeidsomstandighedenbeleid meer bij werkgevers en werknemers is komen te liggen. De arbocatalogus is daarbij als een goed hulpmiddel aangegeven.
Ik zie geen grond om het bezit van een arbocatalogus op te nemen in de Arbowetgeving. In de Arbowetgeving is reeds opgenomen dat een risico-inventarisatie en -evaluatie benodigd is om risico’s in te kunnen schatten en maatregelen te treffen. Dit is voldoende grond voor de handhaving om grip te hebben op een goed arbeidsomstandighedenbeleid in een bedrijf.
De vergunningverlening voor radiotherapie aan de Hansa Oncology Clinics |
|
Eeke van der Veen (PvdA) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de dreigende overcapaciteit aan lineaire versnellers in het adherentiegebied Nijmegen na de vergunningverlening voor radiotherapie aan Hansa Oncology Clinics?1
De patiënten van Hansa Oncology Clinics zullen niet alleen binnen het adherentiegebied Nijmegen afkomstig zijn maar ook daar buiten. Door de toename van het aantal kankerpatiënten zal de komende jaren de behandelcapaciteit aanzienlijk moeten worden uitgebreid. In de behoefteramingen van de NVRO, gebaseerd op het KWF Signaleringsrapport «Kanker in Nederland» neemt het aantal lineaire versnellers in Nederland toe van 129 in 2010 tot 158 in 2015. Op basis van het planningsbesluit radiotherapie 2009 kan de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit worden gerealiseerd in bestaande en in nieuwe vergunninghoudende centra voor radiotherapie. Het thans vergunninghoudende centrum in de regio (UMC Radboud) heeft recent zelf ook plannen aangekondigd om de capaciteit in de regio uit te breiden2.
Waarom, en op basis waarvan, heeft u besloten na het nieuwe planningsbesluit op 17 december 2009 ook Hansa Oncology Clinics een vergunning voor radiotherapie te verlenen?
Ik heb de vergunningsaanvraag beoordeeld aan de hand van het geldende kader, in casu het Planningsbesluit Radiotherapie 2009 dat op 23 oktober 2009 is vastgesteld.
Zou deze vergunningverlening kunnen leiden tot kwaliteitsverlies, omdat kwaliteitsnormen betreffende apparatuur, personeel, en adherentiegebied door de regionale aanbieders niet meer gehaald kunnen worden? Zou dit kunnen leiden tot extra zorgkosten, omdat geïnvesteerd moet worden in gebouwen en apparatuur welke voor een belangrijk deel onbenut zullen blijven?
Hansa Clinics zal een landelijke functie vervullen in de oncologische zorg. Het adherentiegebied is daarbij niet beperkt tot de regio waarin het is gevestigd. Hansa Clinics zal daarom patiënten uit alle delen van het land aantrekken. Zo draagt het centrum bij aan de uitbreiding van het aantal versnellers die in nodig zijn in verband met de toename van het aantal patiënten.
Meer investeringen in gebouwen en apparatuur ter verruiming van de capaciteit van radiotherapie zijn de komende jaren onontkoombaar om te voldoen aan de groeiende behoefte aan radiotherapie. Instellingen zullen bij hun investeringsbeslissingen niet lichtvaardig te werk gaan. De hoge investeringen kunnen immers alleen worden terugverdiend als de geraamde opbrengsten uit behandelingen ook worden gehaald.
In hoeverre is rekening gehouden met het rapport van de Gezondheidsraad «Radiotherapie Belicht» uit 2008, waarin de kwaliteitsrichtlijn is opgenomen dat «vermeden moet worden dat de oprichting van een nieuw centrum ten koste gaat van volume en kwaliteit in bestaande naburige centra»?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat u op 23 oktober 2009, zonder gebruikelijk overleg met de beroepsgroep Nederlandse Vereniging van Radiotherapie en Oncologie (NVRO) en de Gezondheidsraad, de beslissing tot een nieuw planningsbesluit en daarmee nieuwe toetreding genomen heeft?
Op 23 oktober 2009 is het nieuwe planningsbesluit Radiotherapie 2009 door mij vastgesteld. Op 3 september 2009 heeft VWS met de NVRO overlegd waarbij mijn beleidsreactie op het Gezondheidsraadadvies Radiotherapie onderwerp van gesprek was. In die reactie heb ik de komende uittree van radiotherapie uit de WBMV per 2012 en de procedure rond nieuwe vergunningen in de tussengelegen periode aangekondigd.
Is het waar dat op 3 september 2009 in een overleg tussen u en de NVRO is afgesproken om gezamenlijk voor 1 januari 2012 te komen tot een nadere precisering van de kwaliteitseisen en een bijbehorende accrediterende instantie? Is het waar dat deze verdere gesprekken over de nieuwe toetsingscriteria en een bijbehorende accrediterende instantie tussen u en de NVRO nog niet plaats hebben gevonden? Zo nee, waarom niet?
VWS heeft in het overleg van 3 september de NVRO aangespoord om, net zoals dat het geval is voor andere beroepsgroepen, de inhoud van de radiotherapeutische zorg zo veel als mogelijk is in richtlijnen te vervatten. VWS staat in beginsel positief over de vorming van een accrediterende instantie.
Het vervolggesprek tussen NVRO en VWS heeft intussen op 22 april 2010 plaatsgevonden. Een eerdere afspraak kon van de zijde van de NVRO geen doorgang vinden. In het vervolggesprek hebben VWS en de NVRO afgesproken om ten minste twee keer per jaar de voortgang van de in te stellen accrediterende instantie te bespreken.
Op welke specifieke eisen doelt u, waar u in uw vergunningverleningbrief aan Hansa Oncology Clinics verwijst naar de kwaliteitseisen van de NVRO en stelt dat de kliniek aan deze eisen voldoet? Hoe is de kliniek hierop getoetst, en wie heeft dit gedaan?
Elk nieuw centrum, en dus ook Hansa Oncology Clinics, zal eerst in het bezit willen zijn van een vergunning voordat het hoge investeringen doet in gebouw en apparatuur. VWS kan de vergunningaanvraag daarom alleen beoordelen op grond van de ingediende plannen en een inschatting geven van de realiteitswaarde daarvan. Het Planningsbesluit radiotherapie 2009 regelt dat de Minister een vergunning verstrekt als het nieuwe centrum aannemelijk heeft gemaakt dat het aan de eisen van het planningsbesluit voldoet.
Wordt de vergunning afgegeven, dan dient het nieuwe centrum aan de Minister te melden wanneer het met patiëntenzorg zal starten. Vervolgens zal de IGZ mij advies uitbrengen over de vraag of het centrum voldoet aan de eisen van verantwoorde zorg. Alleen wanneer de IGZ daarover positief heeft geadviseerd zal het centrum kunnen overgaan tot het behandelen van patiënten met radiotherapie.
In hoeverre en wanneer is de Inspectie voor de Gezondheidszorg door u geïnformeerd over de rol die de IGZ moet gaan spelen, om uiteindelijk de daadwerkelijke behandeling van patiënten door de Hansa Clinic goed te keuren?
IGZ reserveert in haar werkprogramma altijd ruimte voor risico gestuurd toezicht. Daarnaast vindt vóór de start van de behandeling in de Hansa Clinics inspectie plaats door de IGZ (zie ook mijn antwoord op vraag 7).
Het stopzetten van het project 'zonnespoor' |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
Camiel Eurlings (minister verkeer en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Teveel risico’s Zonne-spoor»1 en het persbericht «Teleurstellende ontknoping rondom proefproject zonnespoor»?2
Ja.
Wat is uw oordeel over het voornemen van ProRail af te zien van een experiment met zonnepanelen boven het spoor in Zutphen, waar al sinds 2008 aan gewerkt wordt?
ProRail geeft aan serieus te hebben gekeken naar verschillende voorstellen om het spoor te benutten voor opwekking van zonne-energie. Naar aanleiding van de ProRail Prijsvraag 2008/2009 zijn ideeën hiervoor bij ProRail binnengekomen. ProRail heeft meerdere gesprekken gevoerd met de heer Hof van Europe Energy Point over zijn ideeën voor overkapping van het spoor. ProRail geeft aan te streven naar maximaal rendement van investeringen. De eerste aandacht gaat naar besparingsmogelijkheden, op de eigen processen, maar ook die van de vervoerder. Daarna kijkt ProRail naar de mogelijkheden voor opwekking van energie. Alles afwegend heeft ProRail ervoor gekozen dit concreet vorm te geven door de toepassing van zonnecellen op de daken van stations en een pilot met windenergie langs het spoor.
Bent u bereid het genoemde rapport van Ecofys, waarin kennelijk negatief wordt geoordeeld over «zonnespoor», naar de Tweede Kamer te sturen?
Het Ecofys rapport bevat geen oordeel over het voorstel «zonnespoor» van Europe’s Energy Point. In 2008 had de (tweejaarlijkse) ProRail PrijsVraag als onderwerp Duurzaamheid. Na een eerste ronde koos de jury drie finalisten, waaronder het idee Solar Rails (van indiener Eye-Tools). Ter ondersteuning van het advies en juryproces heeft ProRail toen Ecofys gevraagd om een expert opinion over de drie inzendingen, een vergelijking op investering, haalbare CO2 reductie en terugverdientijd te schrijven. De beoordeling van de prijsvraag is vertrouwelijk.
Wat is uw reactie op het persbericht van de initiatiefnemers «Europe’s Energy Point», waarin ondermeer gesteld wordt dat de beoordeling van Ecofys op onvolledige informatie gebaseerd is, waardoor het ontwerp ten onrechte negatief beoordeeld zou zijn?
Zie het antwoord op vraag 3. Het rapport van Ecofys gaat over een vergelijkbaar plan als het plan van Europe’s Energy Point.
Hoe verhouden, volgens u, de zes voordelen die ProRail ziet voor het plaatsen van zonnepanelen op stationsdaken zich tot het plaatsen van zonnepanelen boven het spoor? Ziet u überhaupt kansen voor het plaatsen van zonnepanelen boven het spoor?
De 6 voordelen voor toepassing op stationsdaken gelden niet of in mindere mate voor toepassing boven het spoor. De voordelen zijn:
Zonnepanelen boven het spoor leiden tot extra elementen in het spoor, waarvoor onderhoud, reparatie en schoonmaak noodzakelijk zijn. Met extra elementen wordt altijd voorzichtig omgegaan, omdat dergelijke elementen de treinenloop kunnen beïnvloeden. Daarnaast is de veiligheid bij calamiteiten op of rond het spoor een issue.
Capaciteit op het spoor, veiligheid en een goede doorstroming zijn de eerste zorg voor ProRail. Dit alles overziend zie ik weinig kansen voor het plaatsen van zonnepanelen boven het spoor.
Is er volgens u iets op tegen om verschillende experimenten met zonnepanelen te doen, dus zowel op stationsdaken als boven het spoor? Zo ja, wat?
Voor mij staat voorop dat ProRail zich primair richt op haar kerntaken. Daarnaast is het prima dat ProRail zich richt op energiebesparing en opwekking van energie op stations en – indien mogelijk – het spoor. Ik zal erop toezien dat ProRail hierbij de juiste balans hanteert tussen rendement van middelen en innovaties op het gebied van energiebesparing en -opwekking.
Bent u bereid de directie van ProRail te verzoeken het gesprek met Europe’s Energy Point aan te gaan om te bekijken of het experiment «zonnespoor» hervat kan worden? Zo nee, waarom niet?
Daartoe zie ik geen aanleiding, zie mijn antwoorden op de vragen 3–6.
Het detentieverlof voor een misdadiger |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Loverboy Murat O. mag op verlof»?1
Ja. Zie overigens ook mijn antwoord op de vragen van de leden Arib en Heerts over ditzelfde onderwerp. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009–2010, nr. 2492)
Kunt u zich de angst voorstellen van de slachtoffers van deze misdadiger?
Ja. Ik kan mij de angst van de slachtoffers voorstellen.
Kunt u zich de woede voorstellen van grote aantallen Nederlanders over het feit dat met de persoonlijke omstandigheden van deze gewetenloze misdadiger rekening is gehouden?
Ja, ik kan mij deze woede voorstellen.
Heeft het Openbaar Ministerie (OM) ingestemd met de verlofverlening aan deze crimineel? Zo ja, waarom? Zo nee, heeft het OM beroep ingesteld tegen die verlofverlening? Zo nee, waarom niet?
Het OM heeft zich tegen het verzoek verzet. Tegen de beslissing van het Hof staat geen hoger beroep open.
Wilt u ervoor zorgen dat het verlof van deze schurk onmiddellijk wordt ingetrokken zodat hij vanavond weer achter de tralies zit? Of accepteert u het dat, na de schandelijke vrijlating van S. B., nu ook diens criminele compaan M. O. op vrije voeten is?
Het is de beslissing van het gerechtshof te Amsterdam om de voorlopige hechtenis van O. te schorsen. Ik heb – zoals u bekend is – een wetsvoorstel in voorbereiding dat regelt dat de besluitvorming omtrent het tijdelijk verlaten van een inrichting vanwege persoonlijke omstandigheden tijdens de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis door de minister van Justitie en niet langer door de rechter plaatsvindt. Dit concept-wetsvoorstel gaat binnenkort voor advies naar de Raad van State en zal daarna bij de Tweede Kamer worden ingediend.
Bent u bereid met spoed een wetsvoorstel in te dienen dat het onmogelijk maakt dat rechters de persoonlijke omstandigheden van schurken mee laten wegen bij beslissingen over hun detentie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kiesrecht voor mensen met een verstandelijke beperking |
|
Margreeth Smilde (CDA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Tehuis gooit stempassen bewoners weg»?1
Ja.
Is het waar dat mensen met een verstandelijke beperking nauwelijks de kans krijgen om hun stem uit te brengen, omdat hun stempas meestal gewoon wordt weggegooid door de instelling waar ze verblijven? Zo ja, is dit probleem door betrokken instellingen al eerder gesignaleerd?
De Vereniging voor Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) heeft verklaard dat deze praktijk zeker geen schering en inslag is. Echter ook eerder hebben mij berichten bereikt dat het in sommige gevallen voorkomt dat stempassen worden weggegooid dan wel niet worden verstrekt aan de bewoners. In januari 2007 is daarom door mijn voorganger een brief gestuurd naar alle verpleeg- en verzorgingshuizen en naar alle ggz-instellingen en begeleid wonen projecten om hen er op te wijzen dat het belangrijk is dat zij hun bewoners (tijdig) voorzien van de stempas.
Deelt u de mening dat, nu de wettelijke belemmeringen om te stemmen voor mensen met een verstandelijke beperking zijn weggenomen, ook bevorderd moet worden dat zij van hun kiesrecht gebruik maken? Zo ja, welke maatregelen neemt u daartoe?
In 2008 is de Kieswet gewijzigd zodat personen die onder curatele staan niet langer uitgesloten zijn van het kiesrecht. Slechts een klein deel van de mensen met een verstandelijke beperking staat overigens onder curatele. Dit was ook een van de redenen om de uitsluiting van het kiesrecht voor deze groep op te heffen. Voor de meeste gehandicapten was er dus geen sprake van een nieuwe situatie. Mede op verzoek van de Kamer heb ik begin 2009 allerlei belangenorganisaties van mensen met een verstandelijke beperking, waaronder ook de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland gewezen op de wijziging van de Kieswet en hen verzocht hun achterban te informeren. Met het oog op de komende Tweede Kamerverkiezing ben ik bereid opnieuw de ggz-instellingen aan te schrijven om hen er op te wijzen dat zij de stempas tijdig aan hun bewoners moeten uitreiken.
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk overleg te voeren met de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN), zodat mensen met een verstandelijke beperking bij de komende Tweede Kamerverkiezingen gewoon kunnen stemmen?
Zie antwoord vraag 3.
Wilt u bij de evaluatie van de komende Tweede Kamerverkiezingen uitdrukkelijk de vraag betrekken, in hoeverre mensen met een verstandelijke beperking hebben kunnen stemmen en voor zover dat niet gelukt is, waar dat aan lag?
Ik ben bereid om te bezien of in het kader van de evaluatie van de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer is na te gaan of zich problemen hebben voorgedaan bij het stemmen door kiezers met een verstandelijke beperking.
Bent u van mening, dat hulp bij het stemmen ook voor mensen met een verstandelijke beperking wettelijk mogelijk gemaakt zou moeten worden? Zo ja, wilt u dat betrekken bij het wetsvoorstel herinrichting verkiezingsproces?
Ik verwijs hiervoor naar de behandeling van het voorstel tot wijziging van de Grondwet met betrekking tot het opheffen van de kiesrechtuitsluiting voor onder curatele gestelden en meer in het bijzonder naar de volgende passage uit de memorie van antwoord (Kamerstukken Eerste Kamer 2006–2007, 30 471, B):
«De regering is echter ook van opvatting dat het kiesrecht een persoonlijk recht is, hetgeen veronderstelt dat de kiezer zelf zijn of haar keuze bepaalt. Niet iedereen aan wie het kiesrecht is toegekend, zal daadwerkelijk tot het zelf maken van die keuze in staat zijn. Zowel onder curandi als onder de overige kiesgerechtigden komt het voor dat mensen daartoe niet in staat zijn. Zij zijn dan evenmin in staat op eigen initiatief een volmacht te verlenen. Het is niet de bedoeling dat begeleiders of familie hen een volmacht «ontfutselen» of op andere wijze de uitoefening van het kiesrecht van betrokkene beïnvloeden. De regering is dan ook niet voornemens in de Kieswet te bepalen dat de voorzitter van het stembureau bijstand bij het uitbrengen van de stem wegens gebrekkige verstandelijke vermogens, kan toestaan. Dit nog los van de vraag hoe de voorzitter moet beoordelen of het verzoek werkelijk een grondslag vindt in gebrekkige verstandelijke vermogens of dat veeleer ongeoorloofde dwang van de ene kiezer door de andere aan het verzoek om bijstand ten grondslag ligt.»
Een energiebesparingsplan voor de spoorsector |
|
Ernst Cramer (CU) |
|
Camiel Eurlings (minister verkeer en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bereid het energiebesparingsplan van ProRail uiterlijk 7 mei naar de Kamer te sturen?1
Ik heb u op 21 april 2010, zoals toegezegd, geïnformeerd over energiebesparing in de spoorsector, waaronder over de inhoud van het energiebeleidsplan van ProRail. Deze brief geeft een duidelijk overzicht van stand van zaken rondom energiebesparing in de spoorsector. Dit acht ik voldoende, zodat het in mijn ogen niet nodig is om het integrale energiebeleidsplan, dat een intern document van ProRail is, aan de Tweede Kamer te sturen.
Is er voor dit energiebesparingsplan een integraal onderzoek gedaan naar mogelijkheden voor energiebesparing voor het complete spoorsysteem (infrastructuur, beveiliging en treinen), inclusief een kosten-batenanalyse, zoals gevraagd in de motie Cramer/Koopmans2? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van deze motie heeft ProRail mij gemeld dat ProRail een eigen energiebeleidsplan aan het opstellen was. In reactie op de motie heb ik u hierover geïnformeerd en heb daarbij opgemerkt dat ik eerst dit plan wilde afwachten. Onderdeel van het energiebeleidsplan zijn enkele verbredingsthema’s. Dit zijn thema’s die energiebesparing opleveren bij de partners van ProRail. Voorbeelden hiervan zijn Routelint en het terugdringen van het verlies van tractie-energie. De gezamenlijke initiatieven van de spoorpartijen bevatten de in de motie genoemde aspecten, waarbij ook is en wordt gekeken naar effecten in de keten en de bijbehorende kosten en baten.
Daarnaast heb ik in het kader van een mogelijke nieuwe meerjarenafspraak AgentschapNL gevraagd om een studie te verrichten naar eventuele aanvullende mogelijkheden om energie in de spoorsector te besparen, waarbij ook gekeken moet worden naar het snijvlak tussen vervoer en infrastructuur.
Kunt u aangeven welke maatregelen NS neemt rond energiebesparing? Bent u bereid hierover ook afspraken te maken in de nieuwe concessie voor het hoofdrailnet?
Ja, NS Reizigers heeft energiebesparing en de daarmee samenhangende CO2 uitstoot als hoofdthema voor duurzaamheid. NS Reizigers heeft in 2009 een duurzaamheidprogramma uitgewerkt. Hierin zijn initiatieven uitgewerkt met het oog op vergroting van de energie-efficiency en/of het verminderen van de CO2-uitstoot. Deze initiatieven zijn in te delen in de drie categorieën:
Categorie: materieel
Categorie: mensen en processen
Categorie: energie-inkoop
Op dit moment koopt NS Reizigers 10% van de benodigde elektriciteit voor tractie groen in. Dit gebeurt via de aankoop van groencertificaten. Inkoop van groene elektriciteit leidt vooralsnog niet tot meer productie van duurzame elektriciteit en daarmee niet tot CO2-reductie c.q. milieuwinst. Daarom is NS Reizigers nu aan het onderzoeken of er innovatieve alternatieven zijn voor de inkoop van groene elektriciteit die wel tot milieuwinst leiden.
NS heeft zich in een convenant met mijn ministerie reeds gecommitteerd aan een reductie van de CO2-uitstoot met 20% tussen 2008 en 2020. Een aanzienlijk deel van deze inspanning wordt gerealiseerd door energiebesparing. NS is mede daarom zeer actief op het gebied van energiebesparing. Verder heeft NS niet alleen een maatschappelijk maar ook een duidelijk economisch belang bij het doorvoeren van een besparingsprogramma, zodat er niet aan hoeft te worden getwijfeld dat NS zijn plannen concretiseert. Daarom zie ik vooralsnog geen noodzaak voor nadere afspraken met NS op dit punt in een nieuwe concessie.
Wat zijn de kosten voor het realiseren van de voorstellen uit het energiebesparingsplan en welke partij(en) gaan dat betalen?
Er is nog geen duidelijk beeld over de exacte kosten van de voorstellen uit het energiebeleidsplan. ProRail is momenteel bezig haar beleid nader uit te werken in concrete maatregelen c.q. onderzoeksvoorstellen. Besluitvorming hieromtrent wordt verwacht in de tweede helft van het jaar. Daarbij is onder meer uitgangspunt dat maatregelen zich binnen een redelijke termijn dienen terug te verdienen. In eerste instantie gaat het om maatregelen die door ProRail zullen worden genomen.
Kunt u aangeven wat het energiebesparingsplan concreet oplevert in termen van energiebesparing en CO2-reductie voor de spoorsector als geheel?
De vigerende meerjarenafspraak energie-efficiëntie loopt eind 2010 af. Conform deze meerjarenafspraak heeft ProRail de doelstelling om in 2010 een energie-efficiency te halen van 16% ten opzichte van 1997. In 2008 is reeds een energie-efficiency verbetering gehaald van 17%. Zoals reeds aan u gemeld heeft ProRail in 2009 haar energiebeleidsplan voor de periode 2011–2020 vastgesteld, waarin de doelstelling is opgenomen om in de periode 2011–2020 30% energie-efficiency te bereiken ten opzichte van 2005.
In termen van CO2-reductie betekent dit ongeveer het volgende. In 2008 bedroeg de CO2-voetafdruk van ProRail 64 kton. Bij gelijkblijvende prestatiematen zou 30% energie-efficiëntie een reductie van 18 kton betekenen. Daar komen nog de besparing bij de partners van ProRail bij, als gevolg van de eerdergenoemde verbredingsthema’s en de verwachte besparing als gevolg van de recent geïntroduceerde CO2-prestatieladder.
Deelt u de mening dat er door het voorkomen van onnodig afremmen en weer optrekken meer energiebesparingswinst mogelijk is dan de 5% die met RouteLint volgens ProRail wordt bereikt? Bent u bereid de potentiële energiebesparing van deze maatregel verder te onderzoeken?
Dat kan ik niet beoordelen. ProRail en NS onderzoeken momenteel de energiebesparingswinst van RouteLint op de corridor Den Haag–Venlo. Op basis van evaluatie zal blijken of uw stelling juist is.
Waarom ontbreekt elektrificatie van diesellijnen in het plan van ProRail? Deelt u de mening dat dit kan bijdragen in de beperking van de CO2-uitstoot en bent u bereid dit verder te onderzoeken?
Elektrificatie van spoorlijnen kan in de exploitatiefase tot een gunstiger CO2-voetafdruk leiden. Of dit ook bij doorrekening van de hele cyclus het geval zou zijn, is nog niet duidelijk, de gegevens ontbreken daartoe. De ontwikkeling van steeds zuinigere en schonere diesellocomotieven hebben overigens veel invloed op de uitkomsten. Voor een beslissing voor elektrificatie zijn de zeer hoge kosten van aanleg echter met name bepalend.