Melkveehouders die in de problemen komen door de lage melkprijs |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Melkveehouders straks dieper in schulden»?1
Ja.
Is het waar dat de lagere melkprijs en de stijgende kosten van inputs leiden tot een verslechtering van de financiële positie van de helft van de Nederlandse melkveehouders?
Het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) verstrekt via de website (http://www.lei.wur.nl/NL/statistieken/Barometer) gegevens over de actuele economische situatie in onder meer de melkveehouderij. Daaruit blijkt dat de ontwikkeling van het saldo (opbrengsten minus toegerekende kosten, waarin ook de kosten voor veevoer en meststoffen zijn opgenomen) tot en met juli in 2012 hoger ligt dan het gemiddelde over dezelfde periode in de jaren 2006 – 2011. Het saldo tot en met juli 2012 ligt wel lager dan de vergelijkbare periode over 2011, maar in 2011 was sprake van een fors gestegen melkprijs.
Bent u het met NMV (Nederlandse Melkveehouders Vakbond) eens dat de stijging van de melkprijs in 2011 een eenmalige opleving was en dat er dus sprake is van een structureel dalende melkprijs?
Nee. Zoals verwacht blijkt de prijs de afgelopen jaren meer en vaker te fluctueren door ontwikkelingen op de wereldmarkt. De laatste weken is er sprake van een opleving van de prijzen op de wereldmarkt, die naar verwachting in de komende maanden zal leiden tot stijging van de melkprijzen voor de veehouders. Ook voor de komende jaren verwacht ik vergelijkbare prijstendensen en dus geen structureel dalende melkprijs. Mede omdat daarnaast de kosten tussen melkveebedrijven onderling sterk variëren, zal niet steeds en niet voor elk bedrijf sprake zijn van een volledig kostendekkende melkprijs.
Wat is uw verklaring voor de huidige lage melkprijs, gezien de stijgende zuivelprijzen op de wereldmarkt? Deelt u de mening dat Nederlandse melkveehouders een eerlijke en reële prijs moeten krijgen voor hun melk, waarin alle input- en milieukosten zijn meegenomen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat andere EU-landen van plan zijn om de toeslagen vervroegd uit te betalen? Zo ja, om welke landen gaat het?
De Europese Commissie heeft een voorstel gepresenteerd aan het beheerscomité voor directe betalingen van 25 juli jongstleden waarin zij alle lidstaten toestaat om vanaf 16 oktober 2012 vervroegd 50% van de bedrijfstoeslag 2012 te betalen, onder de voorwaarde dat alle controles zijn afgerond. Dit voorstel is vastgesteld en op 28 augustus officieel gepubliceerd.
In het voornoemde beheerscomité gaven acht lidstaten (Letland, Litouwen, Portugal, Roemenië, Griekenland, Italië, Tsjechië en Hongarije) aan dat zij zeer waarschijnlijk voorschotten gaan betalen. Zeven lidstaten gaven aan dat zij zeer waarschijnlijk géén voorschotten gaan betalen (Duitsland, Slowakije, Estland, Oostenrijk, Denemarken, Zweden en Finland).
Deelt u de mening dat de huidige uitzonderlijke omstandigheden voldoende aanleiding geven om een verzoek in te dienen bij de Europese Commissie om vervroegde betaling van de toeslagen in Nederland mogelijk te maken?
Nee. Nederland heeft dan ook geen verzoek ingediend.
Bent u nog van plan om andere acties te ondernemen om te zorgen dat melkveehouders niet verder in de problemen komen?
Zie antwoord vraag 3.
Uitbraak van vogelgriep |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u in detail aangeven hoe de ruiming van de leghennen in Hagestein op zaterdag 11 augustus 2012 is verlopen en daarbij aangeven hoeveel dieren er exact zijn gedood, hoeveel stallen het betrof, of de temperatuur en CO2 concentraties volgens de gestelde normen waren en binnen de daarvoor gestelde termijn bereikt zijn, en hoe lang de hele operatie heeft geduurd? Zo nee, waarom niet?
Zoals al gemeld in mijn Kamerbrief van 15 augustus 2012 (TK 807 nr. 151) heeft de NVWA naar aanleiding van de problemen bij het doden van de dieren op een kalkoenenbedrijf in Kelpen-Oler (Limburg) het contract met het ruimingsbedrijf beëindigd en de procedures rond de uitvoering en het toezicht op het doden van vogels bij een AI-uitbraak aangescherpt (zie ook Kamerbrief schriftelijk overleg vogelgriep van 29 mei 2012, TK 28 807 nr. 145, 30 mei 2012). Er is een ander bedrijf gecontracteerd voor het doden van de vogels.
Op het pluimveebedrijf waren in totaal 32 870 leghennen aanwezig, verdeeld over twee stallen: een oudere, vrij open stal en een tamelijk nieuwe stal. Beide stallen hebben een vrije uitloop. Het bedrijf dat verantwoordelijk was voor het doden van de leghennen is op zaterdagochtend 11 augustus begonnen met het afplakken van de stallen. Dit bleek voor de oude stal bewerkelijk te zijn. De voorbereiding kostte daarom meer tijd dan gepland. Om 16.50 uur is begonnen met het inbrengen van CO2 in de stallen. De vergassing heeft twee uren geduurd. Om 21.30 uur zijn de stallen vrijgegeven. Het hele proces is correct verlopen en de voorgeschreven indicatoren zijn behaald. De NVWA heeft continu toezicht gehouden op het proces.
Op zaterdagavond en op zondag zijn de dode leghennen van het bedrijf afgevoerd. Het afvoeren van de dode dieren heeft meer tijd in beslag genomen door met name de inrichting van de stallen (volièrestallen) en in mindere mate het gebruik van nieuwe maskers door de medewerkers (het zgn. volgelaatmasker). Dit masker biedt meer veiligheid, maar levert een zwaardere werkbelasting waardoor verplicht meer gepauzeerd moest worden.
Het gehele proces van taxeren tot ruimen en de eerste reiniging en ontsmetting heeft geduurd van vrijdagavond 20.00 uur tot zondagavond 23.00 uur.
Is het waar dat de ruiming van zaterdag tot en met zondagmiddag 12 augustus 2012 heeft geduurd? Zo ja, hoe verklaart u dit en deelt u de mening dat de ruiming dan veel te lang heeft geduurd en hoe beoordeelt u dit? Zo nee, tot wanneer heeft de ruiming dan wel geduurd en hoe komt het dat er geruchten gaan dat de ruiming tot zondag heeft geduurd?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven of het een stalvergassing was of een containervergassing en kunt u toelichten waarom voor de gebruikte methode is gekozen? Zo nee, waarom niet?
Het betrof een stalvergassing. Bij de voorinspectie door het vergassingsbedrijf bleek een stalvergassing mogelijk te zijn. Wanneer de stal zich daarvoor leent, verdient stalvergassing de voorkeur boven containervergassing. Voor de afweging tussen stalvergassing dan wel containervergassing verwijs ik u naar mijn brief inzake het Schriftelijk Overleg over de uitbraak van vogelgriep in Kelpen Oler, Limburg (TK 28 807 nr. 145 30 mei 2012).
Kunt u aangeven hoe lang het heeft geduurd totdat alle dieren dood waren en of bij het openen van de stal of container na de vergassing daadwerkelijk alle dieren dood waren? Zo ja, hoe beoordeelt u deze gegevens? Zo nee, waarom niet en hoeveel dieren waren er nog in leven?
Zie antwoorden op vraag 1 en 2. Er zijn 2 van de 32 870 hennen levend aangetroffen na de vergassing. Deze dieren zijn onmiddellijk conform de geldende regels geeuthanaseerd.
Kunt u hierbij toelichten of het verloop van het doden van de dieren dit keer wel correct is gemonitord, zoals u aangeeft in uw brief van 30 mei 2012 naar aanleiding van de gruwelijke dood van de kalkoenen in Kelpen-Oler? Zo nee, waarom niet?1
Tijdens het dodingsproces heeft de coördinator van de NVWA de metingen van de gasconcentraties gevolgd. Hij heeft vastgesteld dat de gestelde indicatoren, zoals CO2-concentraties en temperatuur, binnen de gestelde termijnen zijn gehaald.
Kunt u aangeven hoeveel en welke mensen er aanwezig waren tijdens de ruiming en wat hun taken waren? Zo nee, waarom niet?
In totaal zijn tijdens de ruiming de volgende personen een deel van de tijd aanwezig geweest: 1 taxateur (op vrijdag), 6 medewerkers van het vergassingsbedrijf, 18 personen voor het verzamelen en afvoeren van de kadavers, 4 chauffeurs en kraanbestuurders, 2 medewerkers voor hygiëne en ontsmetting, 2 leveranciers van ruimingsmaterialen en 1 medewerker voor de ongediertebestrijding.
Van de NVWA waren 6 medewerkers van het frontteam van de NVWA aanwezig, plus 3 medewerkers van het Incident- en Crisiscentrum van de NVWA, waaronder het hoofd/teamleider van deze afdeling. De aanwezigheid van de 3 laatstgenoemde medewerkers was vanwege het gebruik van een nieuw type beschermingsmasker voor het personeel en omdat voor de eerste keer het nieuwe vergassingsbedrijf werd ingeschakeld. Er is geen crisismanager van de NVWA aanwezig geweest. Wel heeft de Inspecteur-generaal van de NVWA zondag het bedrijf bezocht.
Is het waar dat er ook een crisismanager van de NVWA aanwezig was tijdens de ruiming? Zo ja, waarom was deze crisismanager aanwezig en wat waren zijn werkzaamheden?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u bevestigen dat u zelf ook aanwezig bent geweest op het bedrijf? Zo ja, wanneer en wat was de reden van uw bezoek?
Voor de direct betrokkenen is de ruiming ook emotioneel bijzonder zwaar. Ik heb daarom de veehouder en zijn familie bezocht om mijn medeleven te tonen en ze op deze wijze een hart onder de riem te steken. Het besmette deel van het bedrijf heb ik niet bezocht.
Kunt u aangeven of de medewerkers van de NVWA (Voedsel en Warenautoriteit) bij deze ruiming de meetapparatuur hebben kunnen volgen, zoals u aangeeft in uw brief van 30 mei 2012? Zo ja, hebben zij daardoor nauwkeuriger kunnen toezien op een goed verloop van het doden van de dieren? Zo nee, waarom niet en wat voor gevolgen heeft dit gehad voor het verloop van het doden van de dieren?
De NVWA-medewerkers hebben gedurende de vergassing de metingen nauwkeurig kunnen volgen.
Kunt u aangeven of het bedrijf dat de ruiming heeft uitgevoerd dit volgens alle gestelde regels heeft gedaan, of alle apparatuur goed heeft gefunctioneerd en of het bedrijf een gedetailleerd werkplan voor de ruiming heeft aangeleverd voordat het aan de werkzaamheden begon? Zo ja, kunt u dit nader toelichten en details geven over de inhoud van het werkplan? Zo nee, wat voor problemen zijn er ontstaan en wat gaat u doen om dergelijke problemen in de toekomst te voorkomen en schuldigen aan deze problemen aan te pakken?
Het vergassingsbedrijf heeft een werkplan ingediend. Dit is vooraf besproken met de NVWA. In het werkplan staat beschreven op welke wijze de uitvoering van de ruiming zal plaatsvinden (met name het afplakken van de stallen en de wijze van CO-2 toediening). De inhoud van het werkplan is in overeenstemming met de geldende regelgeving en het werkplan is correct gevolgd.
Het bericht dat gemeenten woonwagenkampen mijden |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gemeenten laten woonwagenkampen links liggen»?1
Ja.
Is het waar dat er in circa veertig gemeenten nauwelijks wordt gehandhaafd op een of meerdere woonwagenkampen? Zo ja, deelt u dan de mening dat dit ongewenst is en wat gaat u doen om dit te verbeteren? Zo nee, wat is er niet waar en over welke gegevens beschikt u?
In de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 augustus 2012 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 33000-VII, nr. 125) wordt vermeld dat uit onderzoek van de toenmalige VROM-Inspectie blijkt dat de inspectie het mogelijk acht dat 44 gemeenten te maken hebben met vrijplaatsenproblematiek op woonwagenlocaties.
Vrijplaatsen, waarbinnen personen zich niets gelegen laten liggen aan normen en geldende wet- en regelgeving, kunnen niet worden getolereerd. Zoals aangegeven in de genoemde brief zullen de aanbevelingen uit het rapport onder de aandacht worden gebracht van gemeenten. Door de toenmalige VROM-Inspectie is in 2011 een handleiding geactualiseerd voor de aanpak van (woon) overlast en verloedering in wijken. Ook specifiek voor de aanpak van woonwagenlocaties is door deze inspectie een handreiking beschikbaar gesteld. Verder kunnen de handhavingspartners bij het bepalen van hun handhavingsstrategie gebruik maken van het convenant van de Regionale Informatie en Expertise Centra (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 29 911, nr. 59), dat de grondslag biedt voor het uitwisselen van informatie.
Worden er veel aangiftes gedaan door toezichthouders, ambtenaren of hulpverleners vanwege bedreiging, geweldpleging of andere delicten waarvan woonwagenbewoners worden verdacht? Zo ja, hebt u de indruk dat het aantal aangiftes disproportioneel is ten opzichte van dergelijke aangiftes gedaan tegen niet-woonwagenbewoners? Zo nee, wat zegt dat over de vermeende status van «vrijplaats» van woonwagenkampen?
In de registratiesystemen van de politie wordt niet vastgelegd of een persoon woont op een woonwagenlocatie. Zodoende beschik ik niet over de gevraagde gegevens.
Is het waar dat het na een brand in Maastricht een meisje uit het woonwagenkamp geen slachtofferhulp krijgt? Zo ja, waarom is dat? Bestaan er concrete aanwijzingen dat medewerkers van slachtofferhulp onveilig zouden zijn als zij in het kamp hulp zouden verlenen?
Uit navraag bij Slachtofferhulp Nederland blijkt dat aan het slachtoffer van de brand in Maastricht wel degelijk slachtofferhulp is verleend. Slachtofferhulp Nederland deelt mee dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat het voor hun medewerkers onveilig zou zijn als zij op een woonwagenlocatie hulp zouden verlenen. In de dagelijkse praktijk bezoeken medewerkers van Slachtofferhulp Nederland met enige regelmaat cliënten die woonachtig zijn op een woonwagenlocatie.
Hebt u de indruk dat agressie tegen toezichthouders, ambtenaren of hulpverleners een probleem is dat op woonwagenkampen relatief vaker voorkomt dan elders? Zo ja, kunt u dit met cijfers onderbouwen en wat gaat u hiertegen doen?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat vrijplaatsen en een verziekte sfeer op een woonwagenkamp vooral ontstaan als een minderheid van de bewoners het voor de overgrote meerderheid van de kampbewoners verpest? Zo ja, deelt u dan de mening dat een aanpak die specifiek op die minderheid wordt gericht gewenst is? Zo nee, wat is er dan niet waar aan dat bericht?
Net als in andere buurten en wijken kunnen enkelen het voor velen bederven. Dat kan ook op woonwagenlocaties het geval zijn. Een handhavingsactie is erop gericht vast te stellen wie de regels overtreedt en wie niet. De verdere aanpak kan vervolgens worden gericht op de overtreders.
Deelt u de mening dat het doen van melding of aangifte door woonwagenbewoners zelf over misstanden op hun kampen kan bijdragen aan het terugdringen van die misstanden? Zo ja, wat gaat u doen om deze aangiftebereidheid te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Ja, het doen van aangifte of een melding door woonwagenbewoners kan bijdragen aan het terugdringen van deze misstanden. In het kader van het dienstverleningsconcept van de Nationale politie wordt gewerkt aan verbetering van het aangifteproces. Een van de onderdelen hiervan is het verbeteren van de mogelijkheden om aangifte te doen. Mocht een woonwagenbewoner vrezen voor represailles van medebewoners, dan kan gemeld worden via Meld Misdaad Anoniem en bestaat de mogelijkheid om beschermd aangifte te doen op grond van de OM-handleiding Opnemen (deels) anonieme aangifte/verklaring
(Kamerstukken II, vergaderjaar 2009–2010, 28 684, nr. 283).
Is het waar dat gemeenten uit onvermogen of angst de problemen met woonwagenkampen liever uit de weg gaan? Zo ja, waarom is dat zo? Zo nee, waarom niet?
In het rapport «Woonwagenbewoners in Nederland 2011» dat met de eerder genoemde brief van 28 augustus 2012 aan de Tweede Kamer is gezonden, wordt aangegeven dat er lang niet op alle woonwagenlocaties sprake is van problematische situaties. De redenen dat sommige gemeenten en andere gezagsdragers niet ingrijpen bij problematische situaties zijn volgens de onderzoekers divers. Zij kennen voorbeelden waarin woonwagenbewoners hun zin hebben gekregen door intimidatie en geweldsdreiging. Andere factoren die zij noemen zijn de complexiteit van de problematiek, de kosten die ingrijpen met zich brengt, een gebrek aan kennis en contacten en de geringe omvang van de groep woonwagenbewoners.
Vrijplaatsen zijn ontoelaatbaar. Desgevraagd ondersteun ik gemeenten bij de aanpak van problematische woonwagenlocaties, opdat gemeenten hun regierol invullen en er met de relevante partners (alsnog) een handhavingsstrategie wordt opgesteld en uitgevoerd. Verder bieden de in het antwoord op vraag 2 genoemde instrumenten gemeenten een basis om tot aanpak over te gaan.
Kent u andere vrijplaatsen dan kampen? Zo ja, welke zijn dat?
In de omschrijving die bijvoorbeeld het Van Traa-team voor de bestuurlijke aanpak van criminaliteit te Amsterdam hanteert, wordt onder vrijplaatsen begrepen: groepen of locaties waar(door) een effectief overheidsoptreden wordt belemmerd, met als gevolg dat een maatschappelijk ongewenste situatie ontstaat waar structurele fraude van wezenlijke betekenis is2. Het kan gaan om een winkelstraat, industriegebied of een clubhuis. Tegen vrijplaatsen kan worden opgetreden door met de verschillende samenwerkende partijen gebruikers van het gebied te controleren op naleving van de vigerende wet- en regelgeving. De overheid is weer zichtbaar aanwezig in het gebied en hierdoor wordt een signaal afgegeven dat negatieve ontwikkelingen in het gebied niet gewenst zijn.
In hoeverre worden, bijvoorbeeld in het kader van het programma Veilige Publieke Taak (VPT), toezichthouders, ambtenaren of hulpverleners, behalve in het omgaan met ervaren agressie, ook getraind in het voorkomen van agressie en het omgaan met potentieel moeilijke situaties?
Conform de Arbeidsomstandighedenwet is het de verantwoordelijkheid van werkgevers om een goed arbeidsomstandighedenbeleid te voeren. Het voorkomen van agressie en geweld is hiervan een afgeleide verplichting. Training op dat vlak is dan ook een van de acht standaard maatregelen uit het programma Veilige Publieke Taak van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Uit de monitor Agressie en geweld uit 2011 blijkt dat circa 50 % van de werknemers met een publieke taak aangeeft dat er trainingen zijn op dit gebied (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 28 684, nr. 327). Vanuit het expertisecentrum Veilige Publieke Taak wordt momenteel een handreiking «Voorkomen van agressie en geweld» opgesteld. Deze handreiking wordt beschikbaar gesteld aan alle werkgevers met een publieke taak. Het gaat om een stappenplan waarvan maatregelen als het in kaart brengen van risico’s, het opstellen van gedragsregels, het trainen van personeel en de samenwerking met andere organisaties deel uit maken.
De aanbesteding van elektrische bussen in Friesland |
|
Jacques Monasch (PvdA), Martijn van Dam (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Friese droombusorder gaat naar ... China»?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat Nederland dankzij stevige investeringen in innovatie één van de koplopers is als het gaat om de ontwikkeling van elektrische bussen?
Ja. Er zijn bedrijven in Nederland die bussen of componenten van bussen ontwikkelen die elektrisch worden aangedreven. Daarin is in de afgelopen jaren geïnvesteerd met behulp van onder meer rijkssubsidie programma’s (pilotprojecten openbaar vervoer per bus). Deze bussen draaien momenteel proef in een aantal regio’s waar ze kunnen bewijzen of deze bussen marktrijp zijn voor een verdere uitrol.
Deelt u de mening dat het goed zou zijn als de geïnvesteerde innovatiegelden gaan renderen door verkoop van deze bussen?
Ik deel deze mening volledig. Met de investeringen in onderzoek en innovatie willen wij onze industrie concurrerend maken voor de wereldmarkt. De investeringen gaan renderen als de bussen marktrijp zijn. Randvoorwaarde is dat de nieuwe technologie daarvoor voldoende bewezen en betrouwbaar is.
Deelt u de mening dat de overheid een ondersteunende rol zou kunnen spelen door als (eerste) klant innovatieve producten te kopen bij Nederlandse bedrijven?
Ik ben het met u eens dat een goede wisselwerking tussen de overheid als eerste klant en het innovatieve bedrijfsleven gewenst is. In het programma Inkoop Innovatie Urgent werkt het Ministerie van Economische Zaken (EZ) samen met overheden om de toepassing van innovatie in inkooptrajecten te stimuleren omdat daarmee effectiever en/of efficiënter overheidsdiensten aangeboden kunnen worden. Ook daar moeten de aanbestedingsregels worden toegepast. Voor een goede aanbesteding geldt dat het aanbod moet passen bij de gevraagde kwaliteit.
Regionale overheden die een aanbesteding voor bussen organiseren, zouden in hun aanbestedingsprogramma innovatieconcessies (proeftuinen) kunnen opnemen waarin innovatieve bussen, die dicht tegen de markt aanliggen, in de praktijk verder kunnen worden beproefd. Het rijk, als ook de EU middels haar subsidieprogramma’s, kan daar bij helpen. Dit is het geval in de zeven proeftuinen die momenteel lopen. In bedoelde concessie kan Nederlandse technologie een kans krijgen zoals de afgelopen jaren ook het geval is geweest. De Nederlandse technologie moet wel concurrerend zijn met buitenlandse producten, want de bussenmarkt is van internationaal karakter.
Deelt u de mening dat het nogal wrang is dat de provincie Friesland haar geld besteedt aan een Chinees bedrijf en niet aan de Nederlandse producent van elektrische bussen, die nota bene een fabriek in Heerenveen heeft staan?
Vanzelfsprekend zou ik graag zien dat Nederlandse producenten een dergelijke aanbesteding zouden winnen. Tegelijkertijd vind ik niet dat enkel de nationaliteit bepalend zou moeten zijn voor de besteding van middelen.
Met de aanbesteding voor zes elektrische bussen voor Schiermonnikoog heeft de provincie Friesland de Europese aanbestedingregels (Europese richtlijn 2004/18/EG) gevolgd. Bij een Europese aanbesteding mogen geen partijen worden bevoordeeld op grond van nationaliteit of op basis van de locatie van de productie. De winnende inschrijving heeft gewonnen op basis van een weging van prijs en kwaliteit. Daarbij is voornamelijk op kwaliteit gegund (63% van de beoordeling).
Kunt u bevestigen dat het Chinese bedrijf, dat de aanbesteding heeft gewonnen, forse staatssteun ontvangt van de Chinese overheid? Zo ja, deelt u de mening dat er sprake is van oneerlijke concurrentie?
Op grond van de Europese aanbestedingsregels mag een aanbestedende dienst een abnormaal lage inschrijving afwijzen. Het is aan een aanbestedende dienst om te bepalen of zo’n geval zich voordoet. Als een inschrijving opvallend laag is, kan een aanbestedende dienst navraag doen bij de inschrijver over de redenen daarvan. Als dan blijkt dat er bijvoorbeeld sprake is van onrechtmatige staatssteun of het niet toepassen van juiste arbeidsvoorwaarden, dan mag de inschrijving afgewezen worden.
In het geval van de aanbesteding door de provincie Friesland heb ik echter geen reden om aan te nemen dat oneerlijke concurrentie heeft geleid tot de gunning aan BYD Europe BV. De balans van het Chinese bedrijf laat zien dat in 2011 een omzet werd behaald van 46 miljard RMB. Dit is ongeveer € 5,8 miljard. Aan staatssteun werd 300 mln RMB (€ 37,6 mln) genoteerd, ongeveer 0,7% van de omzet. Een derde van dit bedrag was bestemd voor fundamenteel onderzoek. Voor een bedrijf dat actief is in energiebesparende techniek – zonne-energie, batterijen, licht, voertuigen – is deze omvang van staatssteun niet excessief.
Tegelijkertijd dient wel te worden opgemerkt dat de Chinese overheid de aankoop van elektrische bussen door lagere overheden subsidieert, zolang deze worden aangeschaft bij Chinese bedrijven. Het is bovendien in het algemeen zeer moeilijk voor buitenlandse bedrijven om mee te doen aan Chinese overheidsaanbestedingen. China is nog geen lid van het Government Procurement Agreement (GPA) van de WTO en kan hier dus moeilijk op worden aangesproken.
Derhalve kan geconcludeerd worden dat, terwijl de aanbesteding in isolatie bezien in alle eerlijkheid is verlopen, een bedrijf als BYD wel gebruik heeft kunnen maken van Chinese overheidsondersteuning om te kunnen groeien tot de huidige omvang.
De discussies over handelsaangelegenheden met China verloopt via het Europese kanaal. Mijn collega Ploumen en ik zullen ons in die discussies inzetten voor een krachtig Europees handels- en aanbestedingsbeleid richting China.
Bent u bereid de provincie Friesland te verzoeken, of indien mogelijk zelfs op te dragen door vernietiging van het aanbestedingsbesluit, de aanbesteding over te doen en het Chinese bedrijf uit te sluiten vanwege het verkrijgen van de oneerlijke staatssteun?
Zie hiervoor mijn antwoorden op de vragen 1 t/m 6. Hieraan kan ik toevoegen dat het juridisch niet mogelijk zou zijn het besluit van de provincie Friesland om te gunnen aan BYD Europe BV te vernietigen. Op grond van de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten is het juridisch alleen mogelijk een aanwijzing te geven als de provincie Friesland niet of niet naar behoren voldoet aan een voor haar geldende rechtsplicht die voortvloeit uit de aanbestedingsrichtlijn (richtlijn nr. 2004/18/EG). Daarvan is in casu geen sprake geweest.
Op grond van de (Europese) aanbestedingsregels kan een aanbestedende dienst een abnormaal lage inschrijving afwijzen (artikel 55, eerste lid van de aanbestedingsrichtlijn). Een abnormaal lage inschrijving mag alleen worden afgewezen vanwege de ontvangst van onrechtmatige staatssteun aan de inschrijver.
In dit geval is geen sprake geweest van een duidelijk goedkoper bod door BYD Europe BV en daarmee geen sprake van een abnormaal lage inschrijving.
Deelt u de mening dat Nederlandse overheden bij het kopen van innovatieve producten in de eerste plaats naar het aanbod van Nederlandse bedrijven moeten kijken wanneer die kwalitatief niet onder doen voor andere aanbieders of zelfs voorop lopen?
Vanzelfsprekend juich ik het van harte toe als Nederlandse bedrijven in staat zijn deze beste prijs/kwaliteit te leveren. Het is echter van belang dat dit wordt bewezen in een open procedure en volgens heldere en eerlijke regels. Het is wenselijk dat Nederlandse overheden zaken doen op basis van de beste prijs/kwaliteitsverhouding. Dat is in het belang van de belastingbetaler. Bovendien is het op grond van de Europese aanbestedingsregels niet toegestaan om onderscheid te maken tussen Nederlandse en andere Europese ondernemers.
Inzake omkoping van ziekhuizen door thuiszorginstellingen |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat minstens vier ziekenhuizen zich hebben laten omkopen voor het doorverwijzen van patiënten?1
Ja, dat bericht is mij bekend.
Deelt u de mening dat het advies van een zorginstelling bij doorverwijzing altijd maatwerk voor de cliënt dient te zijn en daarbij eigen financieel gewin door zorginstellingen geen plaats heeft?
Met u ben ik van mening dat het advies van een zorginstelling maatwerk moet zijn als het om doorverwijzen gaat, maatwerk wat betreft de benodigde kwaliteit van de zorg, de gewenste locatie en/of aanbieder. Eigen financieel gewin mag geen drijfveer zijn. Daarom ben ik blij met de aanwijzing die de NZa vier ziekenhuizen heeft opgelegd omdat de betalingen die zij van thuiszorgaanbieders hebben ontvangen, strijdig zijn met de tariefbeschikkingen. De NZa onderzoekt op dit moment nog de rol van de AWBZ-instellingen in deze kwestie.
Deelt u de mening dat de eigen regie van de cliënt voorop dient te staan en dat dit soort omkooppraktijken die eigen regie en het vertrouwen in de zorg ernstig aantasten?
Ik ben samen met u van mening dat de eigen regie van de cliënt voorop moet staan. Het moeten betalen voor verwijzingen beperkt in zijn algemeenheid de keuzevrijheid van cliënten en werpt een drempel op voor nieuwe toetreders. Het woord «omkooppraktijken» lijkt echter een te zware term voor de praktijk die de NZa heeft aangetroffen. De NZa heeft niemand beticht van «omkopen». Het is de taak van de NZa om op te treden tegen de betreffende ziekenhuizen omdat zij tarieven in rekening hebben gebracht bij AWBZ-instellingen die niet in rekening gebracht hadden mogen worden. Op deze wijze kan worden voorkomen dat het vertrouwen in de zorg wordt aangetast.
Welke sancties kunnen de desbetreffende instellingen worden opgelegd?
De NZa heeft de betreffende vier ziekenhuizen een aanwijzing opgelegd om terstond het in rekening brengen van tarieven voor doorverwijzingen te staken. De aanwijzingen met naam en toenaam van de betrokken ziekenhuizen zijn tevens op de website van de NZa en/of in landelijke of plaatselijke media openbaar gemaakt om andere partijen te informeren en te waarschuwen. Als de ziekenhuizen zich niet aan deze aanwijzing houden of als daar anderszins reden voor is, dan zal de NZa nadere handhavingsmaatregelen overwegen, zoals de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete. Zoals hiervoor opgemerkt, onderzoekt de NZa op dit moment nog de rol van de AWBZ-instellingen in deze kwestie.
Bent u van plan het voordeel, dat de ziekenhuizen door de omkoping hebben gehad, terug te halen, zodat deze middelen aan zorg kunnen worden besteed?
De afhandeling hiervan is onderwerp van een lopende juridische procedure, waarover ik geen mededelingen kan doen.
Deelt u de mening dat omkoping in de zorg hard aangepakt dient te worden?
Ik vind het van het grootste belang dat onrechtmatig tarieven in rekening brengen in de zorg met verve wordt aangepakt, alle zorgaanbieders moeten de regels strikt volgen. Ik ga ervan uit dat door de interventie van de NZa de zorgaanbieders gewaarschuwd zijn en dat zij geen afzonderlijke doorverwijskosten meer in rekening zullen brengen. Tevens ga ik ervan uit dat verzekeraars daar, mede naar aanleiding van de signalen en het optreden van de NZa, beter op zullen toezien.
Welke maatregelen kunt en wilt u nemen om omkoping in de zorg aan te pakken?
Ik vind, zoals gezegd, dat het onrechtmatig in rekening brengen van tarieven met verve dient te worden bestreden. Verschillende partijen hebben daarin een verantwoordelijkheid. Ik hecht zeer aan het goed functioneren van het hele controle en toezichttraject dat begint met de eigen controle van zorgaanbieders op hun ingediende declaraties. Het is van belang dat aanbieders zich ervan vergewissen dat zij alleen juiste declaraties indienen. Om te bezien of de bij hen ingediende declaraties rechtmatig en doelmatig zijn, voeren de zorgverzekeraars hun formele en materiële controles uit en doen zij fraudeonderzoek. Ten slotte is de NZa belast met het toezicht op de aanbieders en de verzekeraars. Versterking van de keten van controle, toezicht en fraudebestrijding heeft mijn aandacht.
De veroordeling van de groep Pussy-riot door de Russiche rechter |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het vonnis van de Russische rechter, waarbij de leden van de Russische popgroep Pussy Riot zijn veroordeeld tot 2 jaar strafkamp voor «religieus hooliganisme»?
Ja.
Deelt u de mening dat dit vonnis duidelijk politiek gemotiveerd is en past in een patroon waarbij critici van president Poetin moeten vrezen dat zij voor hun kritiek op het bewind in een strafkamp kunnen belanden?
Ik deel de brede internationale zorgen over de verhouding tussen enerzijds de beperkte zwaarte van het vergrijp, en anderzijds de lengte van het voorarrest, de strafeis en de uiteindelijke straf. Ik heb mijn teleurstelling hierover publiekelijk kenbaar gemaakt. Daarnaast onderschrijf ik de verklaring die HV Ashton
op 17 augustus heeft uitgegeven. In deze verklaring uit de HV haar diepe teleurstelling over de veroordeling van de leden van Pussy Riot, die zij buiten proportie noemt. Zij geeft tevens aan dat dit geval bovenop de recente stijging van politiek gemotiveerde intimidatie en vervolging van oppositionele activisten komt. Zij noemt respect voor mensenrechten en de rechtsstaat een onmisbaar onderdeel van de relatie tussen de EU en Rusland. (http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/132192.pdf)
Zo ja, deelt u de mening dat de EU de vervolging van dissidenten in Rusland moet veroordelen en daarom ook onverwijld en ondubbelzinnig het vonnis in de zaak Pussy Riot als een aantasting van mensenrechten moet veroordelen?
Zie antwoord vraag 2.
Zo ja, bent u bereid zich ervoor in te spannen dat die veroordeling namens de EU er ook snel komt?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u verder de mening dat sinds de (her)verkiezing van president Poetin de mensenrechten in Rusland extra onder druk zijn gekomen en er dus alle aanleiding is de dialoog over mensenrechten tussen de EU en Rusland te intensiveren? Zo nee, waarom niet?
Ik zie in dit soort voorvallen aanleiding de reeds tussen de EU en Rusland bestaande intensieve mensenrechtendialoog met onverminderde kracht voort te zetten. De meest recente bijeenkomst hiervan vond plaats op 20 juli jl. in Brussel. Vrijheid van meningsuiting is daar uitgebreid besproken. Ook tijdens bilaterale consultaties tussen de Nederlandse en Russische mensenrechtenambassadeurs op 18 juli jl. in Den Haag kwam vrijheid van meningsuiting uitgebreid aan de orde. Zowel tijdens dit bilaterale gesprek als tijdens de Europees-Russische mensenrechtendialoog werden bovengenoemde zorgen over de Pussy Riot-zaak overbracht, alsmede de brede zorgen over recente NGO-wetgeving, LHTB-rechten en internetvrijheid.
Zullen de relaties tussen de EU en Rusland tegen het licht worden gehouden en worden heroverwogen indien de druk op de mensenrechtensituatie, de vervolging van dissidenten en de bestrijding van critici van president Poetin aanhouden? Zo nee, waarom niet?
Corruptie van politici op Bonaire |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU), Carola Schouten (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Corruptieschandaal op Bonaire» dat op 17 augustus 2012 in de Stentor verscheen?1
Deelt u de mening dat u al sinds lange tijd op de hoogte bent van dergelijke praktijken maar dat er geen actie is ondernomen? Zo nee, waaruit blijkt dat?
Er bestaan al langere tijd geruchten over corruptie op Bonaire. Dat is zorgelijk, maar daarmee zijn dit nog niet automatisch bewezen «praktijken», en dat is waar het in het strafrecht om gaat. Uiteraard is het van groot belang voor de bevolking van Bonaire dat het bestuur integer is en dat mogelijke gevallen van corruptie worden aangepakt. Het Openbaar Ministerie maakt hier ook werk van, zoals bijvoorbeeld mag blijken uit het strafrechtelijke onderzoek waarop het in uw vraag aangehaalde nieuwsbericht betrekking heeft.
Bij gelegenheden waarbij het kabinet concrete informatie over mogelijke corruptiegevallen heeft ontvangen is deze doorgeleid naar de verantwoordelijke justitiële autoriteiten. Ik verwijs in dit verband naar het zogenaamde zwartboek van de Fondashon Bon Governashon Bonaire uit 2007 en naar een nota van het lid Brinkman van uw Kamer uit 2008. Zoals de toenmalige Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uw Kamer meldde is deze informatie voor verdere behandeling doorgezonden aan het Openbaar Ministerie ter plaatse (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2007–2008, nr. 3095).
Om welke reden werd het internationaal onderzoek naar corruptie en fraude op Bonaire door de rechter-commissaris op het eiland stopgezet? Is het waar dat het Openbaar Ministerie zich hiertegen heeft verzet? Bent u van mening dat er voldoende aanleiding is om dit onderzoek weer nieuw leven in te blazen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het van cruciaal belang is dat zelfs de schijn van fraude en corruptie binnen het openbaar bestuur vermeden dient te worden en dat de bevolking van Bonaire er vertrouwen in moet kunnen hebben dat het algemeen belang ook daadwerkelijk gediend wordt? Op welke manier denkt u hier aan te kunnen bijdragen?
Is het waar dat u al eerder op de hoogte bent gesteld van mogelijke malafide praktijken op Bonaire maar dat er niet is ingegrepen? Op welke redenen is hiervan afgezien? Ziet u inmiddels reden om hier op terug te komen? Deelt u de mening dat de bevolking op Bonaire door deze praktijken ernstig gedupeerd wordt en dat opheldering daarom gewenst is? Zo ja, hoe gaat u dit bespoedigen?
Zie antwoord vraag 2.
De uitspraken van de Finse minister van Financiën dat het uiteenvallen van de eurozone slechts een kwestie van tijd is |
|
Geert Wilders (PVV), Teun van Dijck (PVV) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de berichten «Finse minister: «Voorbereiden op uiteenvallen eurozone»» en «Finland maakt zich klaar voor einde euro?»1 en 2
Ja. Hierbij zij opgemerkt dat Erkki Tuomioja geen minister van Financiën is zoals de leden Wilders en Van Dijck in de vraag stellen, maar minister van Buitenlandse Zaken.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de Finse minister van Financiën, Erkki Tuomioja, die stelt dat het uiteenvallen van de eurozone slechts een kwestie van tijd is en dat het europroject de toekomst vernietigt van Europa?
Het kabinet laat de uitspraken van de Finse minister van Buitenlandse Zaken, Erkki Tuomioja, voor rekening van de Finse minister die verschillende uitspraken heeft gedaan over verschillende scenario’s. In Finland komt het vaker voor dat ministers de partijpolitieke lijn uitdragen. De minister van Buitenlandse Handel en Europese Zaken, Alexander Stubb, heeft in een persverklaring en tijdens een speech voor de Finse ambassadeursconferentie op 20 augustus jl. laten weten dat minister Tuomioja niet de mening van de Finse regering heeft verkondigd.
De inzet van het Nederlandse kabinet is gericht op het versterken van de euro. Ook het Nederlandse kabinet houdt overigens rekening met verschillende scenario´s , waarschijnlijke en minder waarschijnlijke, wenselijke en onwenselijke scenario’s. Dit heb ik al meerdere keren aan de Tweede Kamer te kennen gegeven, zoals recentelijk nog in de antwoorden op de vragen die gesteld waren via een VSO over onder andere het verslag van de Eurogroep en informele Ecofin Raad van 30 en 31 maart jl. de geannoteerde agenda van de extra Ecofin Raad van 2 mei 2012 en de Eurogroep en Ecofin Raad van 14 en 14 mei 2012 (zie brief met kenmerk BFB2012-11372M). De inzet van het kabinet is een versterkte euro.
Deelt u de mening van Finland, één van de meest kredietwaardige EU-lidstaten, dat de eurozone een catastrofe is en dat het uiteenvallen van de eurozone Europa waarschijnlijk sterker zal maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze bereidt u zich op dit moment voor op het uiteenvallen van de eurozone?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven wanneer u eindelijk leiderschap zult tonen, stopt met blanco cheques tekenen en de Nederlandse uitverkoop aan Brussel zult stoppen?
Het kabinet zet in op het versterken van de euro. De inzet van het kabinet is onder andere verwerkt in de Kamerbrief over de Visie toekomst Economische en Monetaire Unie van 7 september 2011 (Kamerstukken 2010–2011, 21 501-07, nr. 839). De inzet van het kabinet is inmiddels al voor een belangrijk deel binnengehaald. Daarbij gaat het onder meer om de afspraken over meer automatisme in de besluitvorming van het Stabiliteits- en Groeipact zoals gemaakt in het Verdrag inzake Stabiliteit, Coördinatie en Bestuur in de EMU. Ook zorgt het tweetal toezichtsverordeningen waarover op dit moment tussen de Raad en het Europees Parlement onderhandeld wordt (het zogenaamde «twopack) voor meer toezicht vanuit de Commissie op eurolanden die de SGP-afspraken niet nakomen en op eurolanden met grote problemen met de financiële stabiliteit. Daarnaast gaat de financiële steun die vanuit het noodfonds EFSF wordt verstrekt aan programmalanden gaat gepaard met strikte conditionaliteit en betrokkenheid van het IMF. In de diverse debatten, ondermeer over de noodfondsen, is door het kabinet al het belang ervan benadrukt. Ook voor Nederland.
De bezuinigingen op de Nederlandse krijgsmacht |
|
Marcial Hernandez (Groep Kortenoeven/Hernandez) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u, naar aanleiding van het feit dat u in diverse landelijke media alarm heeft geslagen over gevolgen van nieuwe bezuinigingen op de krijgsmacht, de fractievoorzitters van de politieke partijen persoonlijk op de hoogte gesteld van de gevolgen van nieuwe bezuinigingen voor Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
Ik onderhoud op reguliere basis contacten over Defensie met politici, waaronder fractievoorzitters.
Over welke verplichtingen heeft u het, daar waar u via verschillende media heeft gesteld dat verder bezuinigen op defensie betekent dat Nederland zijn internationale NAVO-verplichtingen niet meer nakomt.? Op welke wijze voldoet Nederland niet meer aan de NAVO-verplichtingen?
Het Navo-bondgenootschap berust op het beginsel van een proportionele inbreng door alle deelnemende landen; de sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen. Overigens hanteert de Navo daarbij een norm van 2 procent van het BNP waaraan Nederland al jarenlang niet voldoet. De proportionele inbreng brengt voor Nederland verplichtingen mee. De Navo vraagt landen eenheden en materieel beschikbaar te stellen, waaronder F-16»s, mijnenjagers en Patriot-eenheden. Als gevolg van de meest recente bezuinigingen heeft Nederland de Navo moeten melden dat eerder gedane toezeggingen niet (de tankbataljons) of maar beperkt (F-16»s, Patriots en mijnenjagers) kunnen worden waargemaakt. Nieuwe bezuinigingen gaan onherroepelijk opnieuw ten koste van operationele capaciteiten, en opnieuw zal de Nederlandse inbreng in het bondgenootschap dan moeten worden beperkt. Nederland komt dan verplichtingen en afspraken niet na. Ons land zou nog verder onder de Navo-norm voor defensie-uitgaven komen, wat andere lidstaten zullen opvatten als een verdere afname van de Nederlandse bereidheid een evenredig aandeel aan de gemeenschappelijke veiligheid te leveren. Daarmee zal het animo voor internationale samenwerking bij andere lidstaten verminderen.
Wat zijn de gevolgen voor de veiligheid van de Nederlandse staat indien opnieuw bezuinigd wordt op de krijgsmacht? Wordt Nederland daarmee kwetsbaar voor toekomstige bedreigingen? Welke bedreigingen ziet u?
In de Beleidsbrief Defensie na de kredietcrisis van 8 april 2011 is duidelijk gemaakt dat de bezuinigingen zoveel als mogelijk gezocht zijn in maatregelen in het bestuur, de bedrijfsvoering en de ondersteuning. Desondanks was het onontkoombaar operationele capaciteiten af te stoten. Daarbij zijn pijnlijke keuzes gemaakt die erin resulteren dat de omvang en de duur van de bijdragen van de krijgsmacht aan internationale missies beperkter zullen zijn. Door onder meer de opheffing van de tankbataljons, de afstoting van een kwart van alle pantserhouwitsers en een deel van de mortieren van 120mm en de vermindering van het aantal jachtvliegtuigen boet de Nederlandse krijgsmacht aan slagkracht in. De mijnenbestrijdingscapaciteit op zee wordt beperkt waardoor telkens een keuze moet worden gemaakt tussen de uitvoering van taken op de Noordzee, de bijdrage aan internationale operaties en de bijdrage aan de Standing Naval Forces van de Navo. Daardoor is de bewegingsvrijheid op zee verminderd.
De internationale veiligheidsituatie is onrustig en Europa bevindt zich in economisch zwaar weer. De onzekerheid, en daarmee het risico op onveiligheid om ons heen neemt toe en er is vanuit het oogpunt van veiligheid dus geen aanleiding om op Defensie te bezuinigen. Nationaal en internationaal komt Defensie op voor de Nederlandse belangen, waarbij te denken valt aan de bestrijding van piraterij, de bescherming tegen digitale aanvallen en spionage en bijstand aan politieoperaties.
Nieuwe bezuinigingen zullen leiden tot de verdere aantasting van de operationele capaciteiten en ondermijnen zo het huidige streven van Nederland naar nauwere samenwerking met Europese en Navo-bondgenoten om de militaire slagkracht overeind te houden. Nederland kan dan immers zelf weinig voor deze samenwerking betekenen en kan afspraken dan niet nakomen. Daardoor zullen andere landen afhaken. Ook gaan bezuinigingen ten kosten van het internationale aanzien van Nederland en daaraan verbonden diplomatieke invloed.
Bent u in staat om nieuwe bezuinigingen op te vangen door de krijgsmachtdelen evenredig te reduceren in omvang? Zo nee, waarom niet?
Omdat sommige verkiezingsprogramma’s voor Defensie stelposten opvoeren en deze niet of amper met concreet beleid onderbouwen, is het lastig analytisch weerwoord te leveren. De gevolgen kunnen echter verstrekkend zijn voor de krijgsmacht.
Variant G uit de heroverwegingen bijvoorbeeld, waarnaar enkele partijen blijkens het CPB verwijzen, behelst grootscheepse reducties waardoor de zelfbescherming, het escalatievermogen en het voortzettingsvermogen in de lucht en op het land drastisch worden verminderd. Die variant heft zelfs de Landmacht als organisatie op. Omdat in die variant meer dan 20 000 banen verdwijnen, zullen er bovendien veel minder militairen beschikbaar zijn om civiele autoriteiten bij rampen te ondersteunen.
De lopende bezuinigingen plegen al een forse aanslag op de slagkracht van de krijgsmacht. De uitvoering daarvan is halverwege het traject. In het licht hiervan zouden verdergaande ingrepen grote consequenties hebben voor de samenhang van de krijgsmacht en voor de samenwerking met de bondgenoten. De benadering die het kabinet thans volgt, gebaseerd op het concept van Veelzijdig Inzetbaar, zou dan te niet worden gedaan. Dat heeft bijvoorbeeld ook gevolgen voor de werving en de naam van Defensie als aantrekkelijke werkgever. De gevolgen van dergelijke ingrepen, die veelal onomkeerbaar zijn, zouden decennialang voelbaar zijn.
Betekenen nieuwe bezuinigingen zoals voorgesteld door de SP dat er één of meerdere krijgsmachtdelen moeten worden opgeheven? Zo ja, wat zijn hiervan de gevolgen voor de positie van Nederland binnen de NAVO? Wat zijn de gevolgen hiervan voor de bescherming van de Nederlandse koopvaardijvloot en de Nederlandse handelsbelangen? Zo nee, hoe denkt u hier invulling aan te kunnen geven?
Zie antwoord vraag 4.
Wat zijn de gevolgen voor de operationele inzetbaarheid van de Nederlandse krijgsmacht indien na de verkiezingen opnieuw bezuinigd moet worden op de krijgsmacht?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen een week te beantwoorden, gezien het belang voor de Nederlandse krijgsmacht en de staatsveiligheid?
Ik ben bereid de vragen spoedig te beantwoorden.
Het bericht "Defensie in zee met USG voor reorganisatie" |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Angelien Eijsink (PvdA) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie in zee met USG voor reorganisatie»1
Ja
Welke uitzendconcerns hebben aangegeven mee te willen dingen naar de opdracht van Defensie en op basis van welke gronden is gekozen voor aanbesteding bij USG People?
De openbare aanbesteding van het contract voor de bemiddelingsorganisatie is volgens de Europese richtlijnen uitgevoerd. Bij de publicatie van de aankondiging van de opdracht zijn onder meer de beoordelingscriteria bekendgemaakt. Deze criteria hebben betrekking op de kwaliteit en op de prijs. Een groot aantal bemiddelings- en detacheringsorganisaties hebben gereageerd op publicatie van de aanbesteding. Vaak was sprake van bedrijven die zich in combinatie met andere inschreven. De beoordeling van de inschrijvingen heeft geleid tot de gunning van het contract aan USG People.
Zijn ook bemiddelingsbureaus en re-integratiebedrijven uit het Midden- en Kleinbedrijf (MKB), die veelal uitstekende netwerken hebben in het regionale bedrijfsleven, in de gelegenheid gesteld mee te doen in de aanbesteding van deze overheidsopdracht?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het van groot belang is om het lokale MKB te betrekken bij het helpen met het zoeken naar banen voor de ongeveer 6 000 werknemers die boventallig worden bij Defensie? Zo ja, op welke wijze gaat u er voor zorgen dat het MKB zo veel mogelijk betrokken wordt bij het helpen van defensiemedewerkers van werk-naar-werk? Zo nee, waarom niet?
Defensie is verantwoordelijk voor de goede begeleiding van werk naar werk van dat personeel dat bij reorganisaties boventallig raakt. Hiervoor heeft Defensie contacten met uiteenlopende bedrijven, ook bedrijven uit het midden en kleinbedrijf (MKB). Ook het samenwerkingsverband van USG werkt samen met het MKB. In 2013 zullen de resultaten van de samenwerking met USG zichtbaar worden.
Op welke wijze wordt er momenteel door USG People samengewerkt met het lokale MKB en wat zijn hier de resultaten van?
Zie antwoord vraag 4.
Een verplichte drugs- of alcoholtest |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de (aangehouden) motie-Marcouch van 20 januari 2011 (Kamerstuk 28 684, nr. 300), waarin gevraagd werd om het gebruik van alcohol en drugs bij geweld als strafverzwarende omstandigheid vast te leggen?
Ja.
Kent u de berichten «Opstelten wil verplichte drugstest1 en «Opstelten wil bij geweld drugs- of alcoholtest mogelijk maken»?2
Ja.
Is het waar dat de Kamer al in 2005 is toegezegd dat zou worden bezien hoe bij geweldsincidenten de registratie van alcohol- en/of drugsgebruik systematisch kan plaatsvinden (Kamerstuk 28 345, nr. 33)? Zo ja, waarom duurt het dan zo lang voordat deze toezegging tot actie leidt? Zo nee, wat is er dan niet waar aan die toezegging?
In de brief aan de Tweede Kamer van 17 februari 2005 over het rapport Geweld binnen en buiten is geconstateerd dat slechts in circa 10% van de onderzochte gewelddossiers informatie was opgenomen over alcohol- en drugsgebruik bij geweld.3 De geringe aantallen lieten geen conclusies toe over de invloed van middelengebruik bij het plegen van geweld in ons land. Vermoed werd dat de politie niet systematisch registreert op het middelengebruik. Daarom is toegezegd dat bezien zal worden hoe bij geweld de registratie van alcohol- en/of drugsgebruik systematisch kan plaatsvinden. Zoals aangegeven in antwoord op eerdere Kamervragen van de leden Joldersma en Çörüz4, is hierna in drie pilots de registratie van alcohol en drugs bij geweld beproefd (2006–2007) en geëvalueerd (2008). Daaruit bleek onder meer dat de omvang van middelengerelateerd geweld 31% van het totale geweld omvatte (als seizoenseffecten worden meegenomen stijgt het percentage naar bijna 50%), in bijna de helft van de gevallen het zwaar geweld betrof en de recidive rond de 50% lag. Hierna is besloten tot invoering van de registratie en zijn de technische, personele en financiële consequenties voor de politie berekend (2009–2010). Naar aanleiding van de motie-Marcouch5, waarin verzocht wordt het gebruik van alcohol en drugs aan te merken als een zelfstandig strafverhogend element in de strafeis, is het wetgevingstraject gestart dat voorziet in de mogelijkheid van een verplichte drugs- en alcoholtest bij geweldsdelicten.
Hoe lang is het al bekend dat er een relatie bestaat tussen alcohol en/of drugsgebruik en geweldpleging? Hoe lang is bij u die relatie al bekend?
In tal van – vooral buitenlandse – onderzoeken in de afgelopen decennia is een relatie gevonden tussen middelengebruik en geweldpleging. Vooral alcohol, ook in combinatie met drugs, blijkt dan een factor van belang. Het verband is statistisch aangetoond, maar is niet causaal; niet iedere gebruiker van alcohol of drugs pleegt immers geweld. Middelengebruik wordt dan ook beschouwd als een risicofactor voor geweldpleging. Bij personen die vanwege hun individuele, maatschappelijke of sociale achtergrond een grotere geneigdheid hebben tot agressief gedrag, verlaagt het middelengebruik de drempel om geweld te plegen. Niet voor alle vormen van geweld is het verband even sterk. Bovendien varieert de invloed van alcohol en drugs met de vigerende drinkcultuur; in het noordelijke deel van Europa is de sociale acceptatie van alcoholmisbruik groter dan in de mediterrane landen. Alcoholgerelateerd geweld komt daardoor vaker voor in bijvoorbeeld Groot-Brittannië (40% van alle geweldsdelicten), Finland (66%), Noorwegen (80%) en Zweden (86%) dan in Frankrijk (25%).6
Is het waar dat u nog steeds een plan hebt voor een verplichte alcohol- en drugstest? Zo ja, waarin verschilt dit plan dat u vorig jaar maart (Kamerstuk 28 684, nr. 311) al heeft genoemd en waarom blijft het zo lang bij plannen en komt u niet tot daden? Zo nee, wat is de stand van zaken ten aanzien van het bestraffen van alcohol en drugs bij geweld dan wel?
Op 17 augustus jongstleden is het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het terugdringen van geweld onder invloed van middelen in consultatie gegeven. Dit wetsvoorstel is in lijn met mijn brief van 25 maart 2011.7 Het voorziet in de mogelijkheid van een verplichte drugs- en alcoholtest bij geweldsdelicten. Op 15 februari 2012 heb ik uw Kamer gemeld dat het wetgevingstraject is gestart en de inwerkingtreding – onder voorbehoud van instemming van het parlement – voorzien is in 2013.8 De uitvoering van dit beleidsvoornemen ligt met het in consultatie geven van dit wetsvoorstel op schema.
Acht u het mogelijk dat de uitkomst van het in consultatie brengen van een wetsvoorstel kan betekenen dat u toch geen wetsvoorstel bij de Kamer indient?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de u ten aanzien van het reeds lang bekende gegeven dat alcohol en drugs factoren zijn die bijdragen tot geweldpleging, weinig alert heeft gehandeld om iets aan dat gegeven te doen? Zo ja, kunt u garanderen dat dat alsnog zeer snel wel gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het corruptieonderzoek op Bonaire |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat onderzoek door Fundashon Bon Governashon Bonaire aanleiding is voor verder onderzoek naar corruptie op Bonaire?1
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag 3 van de leden Ortega-Martijn en Schouten van uw Kamer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 135).
Waarom kon een onderzoek naar corruptie op Bonaire naar aanleiding van informatie van Fundashon Bon Governashon Bonaire uit 2007 pas eind 2009 starten en waarom moest dit onderzoek al binnen een jaar zijn afgerond?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de huidige minister van Defensie in 2007 als toenmalig adviseur van de eilandsraad sprak van een misverstand en zijn vertrouwen heeft uitgesproken in het toenmalige bestuur van Bonaire?
Blijkens het nieuwsbericht dat in vraag 1 is aangehaald, heeft de minister van Defensie tegenover de Stentor verklaard dat hij zich destijds niet over individuele bestuurders heeft uitgesproken en dat het recht zijn loop moet hebben.
Kunt u uitsluiten dat het proces van staatskundige vernieuwing, waarin Bonaire in oktober 2010 onderdeel moest worden van Nederland, een rol heeft gespeeld bij het stopzetten van dit corruptieonderzoek?
Zoals ik uiteen heb gezet in antwoord op vraag 3 van de leden Ortega-Martijn en Schouten van uw Kamer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 135) is het stopzetten van het onderhavige onderzoek een direct gevolg van de beschikking van de rechter-commissaris, en is de opdracht om de vervolging te hervatten gegeven door het Hof. Ik heb vast vertrouwen in de rechterlijke onafhankelijkheid, en heb geen enkele aanwijzing dat de genoemde beslissingen het gevolg zijn van politieke druk of inmenging.
Welke verantwoordelijkheid ziet u voor uzelf om te verzekeren dat onderzoek naar corruptie op Bonaire onafhankelijk kan plaatsvinden en geen onderwerp wordt van politieke onderhandelingen?
Zie antwoord vraag 4.
Het kopen van cliënten door thuiszorgorganisaties |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat tenminste vier ziekenhuizen door thuiszorginstellingen zijn betaald om cliënten naar hen door te verwijzen?
Ja, dit bericht heb ik in de krant gelezen.
Deelt u de mening dat dit doorgeschoten en ongewenste effecten zijn van marktwerking in de zorg?
Nee, die mening deel ik niet. De vier ziekenhuizen hebben gehandeld in strijd met de regels. Zij hebben gedeclareerd aan thuiszorginstellingen voor het naar hen doorverwijzen van cliënten terwijl dit niet is toegestaan. Op deze onrechtmatigheid heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de ziekenhuizen gewezen door het sturen van een aanwijzing. Ik ben van mening dat hierdoor het stelsel functioneert zoals het is bedoeld. De NZa corrigeert de spelers die zich niet aan de regels houden en bewaakt zodoende de keuzevrijheid van cliënten.
Hoe breed was het onderzoek dat u de Nederlandse Zorgautoriteit (Nza) naar dit fenomeen heeft laten doen? Zijn alle ziekenhuizen in Nederland bijvoorbeeld gescreend op dit gedrag? Hoe heeft u onderzoek laten doen aan de kant van de talloze thuiszorgaanbieders?
De NZa heeft mij laten weten dat zij op basis van ontvangen signalen aan vijf ziekenhuizen een informatieverzoek heeft toegestuurd. Bij vier van de vijf ziekenhuizen gaf de ontvangen informatie de NZa aanleiding tot het opleggen van een aanwijzing. Ziekenhuizen waarover geen signalen zijn binnengekomen, zijn door de NZa niet onderzocht. Wel doet de NZa momenteel ook onderzoek naar de rol van AWBZ-instellingen in deze kwestie en naar doorverwijzingen in de zorg in andere sectoren, eveneens op basis van signalen.
De verwachting is dat de aan de vier ziekenhuizen gegeven aanwijzingen, de mogelijk nog te volgen aanwijzingen aan de betrokken AWBZ-instellingen en de uit het onderzoek in andere sectoren voortvloeiende aanmerkelijke marktmacht besluiten met betrekking tot doorverwijzen, voldoende effect sorteren om ongewenste ontwikkelingen op dit gebied te stoppen.
Hebben u ook tijdens werkbezoeken minder «harde» en moeilijker te verifiëren signalen bereikt dat in sommige regio's transferverpleegkundigen steevast verwijzen naar dezelfde thuiszorgorganisaties? Heeft u de Nza of uw ministerie gevraagd daarnaar onderzoek te doen?
Een transferverpleegkundige informeert een cliënt over de verschillende (thuis)zorgorganisaties die zorg kunnen leveren. In eerste instantie moet een cliënt zelf kiezen en zo mogelijk een voorkeur voor een zorginstelling aangeven. Wel kan een transferverpleegkundige een suggestie doen voor een (thuis)zorgorganisatie bijvoorbeeld op basis van goede cliëntervaringen en/of als er goede ervaringen zijn met de kwaliteit van zorg die door die organisatie wordt geleverd. Zolang de cliënt vrij is om een andere afweging te maken, heb ik hiertegen geen enkel bezwaar. Ik heb geen onderzoek hiernaar uitgezet.
Wat vindt u van het feit dat ziekenhuizen een eigen thuiszorgorganisatie in het leven roepen, waarnaar ziekenhuizen hun patiënten na ontslag verwijzen?
Als ziekenhuizen eigen (thuis)zorgorganisaties in het leven roepen, is het zaak dat de keuzevrijheid, de kwaliteit en de continuïteit van de patiëntenzorg is geborgd. Het moet te allen tijde mogelijk blijven dat een patiënt de keuze maakt voor een andere (thuis)zorgorganisatie. Zorgaanbieders dienen daarom transparant te zijn over de zorg en overige diensten die zij bieden op een makkelijk toegankelijke manier. Deze verplichting vloeit voort uit de WMG en is handhaafbaar door de NZa.
Voor specifiek onderzoek naar die situaties heb ik geen opdracht gegeven.
Heeft u de Nza of uw ministerie gevraagd te onderzoeken of in dergelijke situaties de cliënten een realistische mogelijkheid hebben om hun eigen voorkeuren te volgen?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u de Nza of uw ministerie gevraagd te onderzoeken of cliënten in dergelijke afhankelijkheidssituaties voldoende in staat kunnen worden geacht tegenwicht te bieden tegen het aanbod van het ziekenhuis?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat dergelijke machtsconcentraties een zeer ongewenst effect zijn van de marktwerking in de zorg?
Machtsconcentraties in de vorm van monopolies of oligopolies zijn onwenselijk en moeten worden voorkomen. Samenwerking en/of bundeling kan op zichzelf bijdragen aan een betere kwaliteit van zorg en daarmee aan een betere kwaliteit van leven voor de cliënt. Zoals aangegeven in mijn antwoord op uw vragen 5,6 en 7 dient de NZa alert te zijn op voldoende transparantie met het oog op de keuzevrijheid van de cliënt. De NMa moet voorkomen dat er ongewenste machtsconcentraties ontstaan.
Wat vindt u van de mogelijkheid dat de transferverpleegkundige in een ziekenhuis op de loonlijst staat van een regionaal opererende thuiszorgorganisatie? Kan in dergelijke situaties nog sprake zijn van onafhankelijke en neutrale voorlichting over de keuzemogelijkheden van cliënten?
Deze constructie vind ik ongewenst. Eerst en vooral vanwege het risico van belangenverstrengeling. Patiënten moeten er zonder meer van uit kunnen gaan dat zij geheel onafhankelijk advies krijgen van een ziekenhuis over benodigde vervolgzorg en waar zij die, gegeven hun situatie, het beste zouden kunnen krijgen. Daarnaast is het risico niet uitgesloten dat als het ware tweemaal voor hetzelfde wordt betaald. Weliswaar is er geen rechtstreekse betaling tussen ziekenhuis en thuiszorgorganisatie maar de thuiszorgorganisatie neemt wel de verwijskosten van het ziekenhuis over. Tegelijkertijd spaart het ziekenhuis de kosten van een transferverpleegkundige uit.
Heeft u de Nza of uw ministerie gevraagd onderzoek te doen naar situaties waarin transferverpleegkundigen op de loonlijst staan van een regionaal opererende thuiszorgorganisatie? Zo ja, wat waren daarvan de resultaten? Zo nee, bent u bereid alsnog onderzoek te doen naar de minder «hard» aan te tonen verwijspraktijken dan wel «ophaalpraktijken» van ziekenhuizen en thuiszorgaanbieders?
Mij is geen onderzoek bekend naar situaties waarin transferverpleegkundigen op de loonlijst staan van thuiszorgaanbieders. Ik ben ook niet van plan hier specifiek onderzoek naar te laten doen. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb uiteengezet, verwacht ik dat de acties die de NZa recent heeft ondernomen en nog gaat ondernemen een halt zullen toeroepen aan ongewenste verwijspraktijken en ongewenste belangenverstrengeling.
Realisatie van station Barneveld-Zuid |
|
Arie Slob (CU) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Doortrekken Valleilijn naar Arnhem blijft onzeker»1
Ja.
Klopt het dat station Barneveld-Zuid pas in 2014 gereed zal zijn, maar dat daarna ruim een jaar uitgebreid getest moet worden en het station op zijn vroegst eind 2015 operationeel zal zijn? Klopt het dat ProRail zelfs uitgaat van opening in 2016? Zo nee, wat is dan de openingsdatum?
ProRail gaat uit van een opening van Barneveld Zuid in 2015. De concessieverlener geeft aan te streven naar ingebruikname van de halte direct na oplevering vanwege de grote vraag van scholen en omwonenden uit de omgeving.
Kent u de haalbaarheidsstudie station Barneveld Zuid uit juni 2009 waarin het grote belang van de aanwezigheid van het station bij oplevering van de eerste huizen wordt onderstreept en wordt voorgesteld de realisatie van een tijdelijk «noodstation» te onderzoeken?2 Deelt u de mening dat de huidige vertraging problematisch is gezien het feit dat de nieuwbouwwijk Veller I inmiddels wordt gerealiseerd en de nieuwe bewoners hun mobiliteitskeuze maken?
Ja, ik ken de haalbaarheidsstudie naar station Barneveld-Zuid die in opdracht van de provincie Gelderland en de gemeente Barneveld is verricht.
Ik deel uw mening dat het de voorkeur heeft om een nieuwbouwwijk en een station gelijktijdig te realiseren. Het is jammer dat station Barneveld-Zuid pas iets later in gebruik kan worden genomen, maar ik vind dit niet problematisch gelet op de fase, waarin de woningbouw zich in Barneveld-Zuid bevindt, de relatieve nabijheid van station Barneveld-Centrum op ca. 2 kilometer en de korte periode die overbrugd moet worden.
Bent u ermee bekend dat de nieuwbouw van VMBO de Meerwaarde in de directe omgeving van het nieuwe station inmiddels geopend is en de bouw van het van Lodenstein College in Barneveld Zuid al is gestart en deze school september 2013 open gaat en dat Connexxion ook daarom de halte uiterlijk zomer 2013 open wil hebben?
Het is mij bekend dat de nieuwbouw van De Meerwaarde is geopend en dat de bouw van het Lodenstein College is gestart. Het nut van een halte Barneveld-Zuid onderstreep ik, vandaar dat mijn ministerie een subsidie heeft toegekend voor de studie naar de voorkeursvariant van de halte in het kader van de aanleg van Nieuwe Stations. De wens van Connexxion om een tijdelijke halte te openen in de zomer van 2013 is bekend. Het is aan de opdrachtgevers van station Barneveld-Zuid (provincie Gelderland en gemeente Barneveld) om in samenspraak met ProRail deze wens te wegen (zie verder antwoord 6).
Kent u het bericht «Start voorontwerpfase station Barneveld Zuid»?3 Klopt het dat de planstudie voor het station oktober 2010 is afgerond en dat ProRail voor ontwerp en realisatie twee jaar heeft gepland, maar dat ProRail de opening tot 2014–2015 heeft vertraagd vanwege de vermeende noodzaak van dubbelspoor bij Barneveld Noord? Is het waar dat Connexxion het daar niet mee eens was en op eigen kosten onafhankelijk onderzoek heeft laten uitvoeren? Is het waar dat ook ProRail inmiddels toegeeft dat de projectmatige «koppeling» inderdaad onterecht is geweest en dat dit, naast verspilling van tijd en geld aan onderzoek, ook minimaal 3 jaar onnodige vertraging voor Barneveld Zuid heeft opgeleverd? Wat is uw mening hierover?
Ja. Ik ken het bericht.
In oktober 2010 is de variantenstudie door ProRail afgerond. Daarna is de planuitwerkingsfase (Voorlopig Ontwerp) gestart, die ter besluitvorming bij de gemeente en provincie ligt. De doorlooptijd van deze studie is onder andere verlengd door het op diverse momenten toevoegen van aanvullende klantvragen door de provincie Gelderland en Connexxion.
Het klopt niet dat ProRail de opening van Barneveld Zuid heeft vertraagd als gevolg van een stuk dubbel spoor bij Barneveld Noord. Er is sprake van een inhoudelijke relatie tussen de opening van de nieuwe haltes Hoevelaken en Barneveld Zuid en het project dubbel spoor Barneveld Noord. Dit laatste project was bedoeld om een robuuste dienstregeling op de Valleilijn mogelijk te maken. Alle betrokken partijen hebben in 2010 ingestemd met de planuitwerking van het dubbel spoor bij Barneveld Noord, ook Connexxion. Tijdens de planuitwerking hebben betrokken partijen echter geconstateerd dat het dubbelspoor bij Barneveld Noord geen effectieve oplossing zou zijn en dat er effectievere mogelijkheden zijn om een robuuste dienstregeling te realiseren. Dit heeft inmiddels tot een aanpassing van de planuitwerking geleid. Het voorgaande heeft tot dusver niet geleid tot een vertraging voor het project station Barneveld Zuid, omdat de voorbereiding van dit project ondertussen door is gegaan.
Gaat ProRail de inkomstenderving van Connexxion vergoeden nu zij minder reizigers trekken door de jaren vertraagde opening van station Hoevelaken en de extreem vertraagde opening van station Barneveld Zuid? Welke mogelijkheden zijn er om de dreigende schade voor vervoerder, bereikbaarheid en mobiliteit te beperken, bijvoorbeeld middels de snelle realisatie van een tijdelijke voorziening medio 2013 vooruitlopend op de definitieve halte? Kunt u aangeven welke voorstellen Connexxion en/of provincie hiervoor hebben gedaan aan ProRail en of u deze voorstellen onderschrijft? Bent u bereid met alle betrokken partijen hierover in gesprek te gaan en te bewerkstelligen dat alsnog medio 2013 een haltevoorziening in Barneveld Zuid wordt gerealiseerd?
De opdrachtgevers voor station Barneveld-Zuid zijn de provincie Gelderland en de betrokken gemeente. Zolang er nog studies uitgevoerd werden (station Hoevelaken)/worden (station Barneveld Zuid), die de realisatie van een station beïnvloeden, wordt alleen gesproken over een definitieve/te verwachten datum van ingebruikname. Er zijn nog geen afspraken gemaakt over een vastgestelde datum van ingebruikname. ProRail is geen partij in de afspraken tussen concessieverlener en concessiehouder over de bediening van nieuwe stations. Ik zie derhalve geen reden waarom ProRail zal overgaan tot een vergoeding richting Connexxion.
Een tijdelijke voorziening wordt genoemd als een mogelijkheid in de studie.
ProRail heeft tot op heden geen concreet verzoek van haar opdrachtgevers ontvangen om naar de mogelijkheden voor een tijdelijke voorziening te kijken. Alle studies hebben betrekking op het realiseren van een definitief station.
Er is eerder tussen provincie Gelderland, Connexxion en ProRail gesproken over de mogelijkheden van versnelling door eerst alleen het perron te realiseren en later eventueel het stationsgebouw. Het gaat dan wel om de bouw van de definitieve voorziening.
Volgens informatie van ProRail kan er weinig tijdwinst bereikt worden door eerst een tijdelijk perron aan te leggen. De eisen waaraan voldaan moet worden bij de bouw van een tijdelijke perronvoorziening zijn grotendeels gelijk aan de eisen voor een definitief perron.
Bent u bereid de nieuwe uitwerking van de capaciteitsmaatregelen voor de Valleilijn in het kader van de bediening van Hoevelaken en Barneveld-Zuid inclusief planning uiterlijk voor het najaarsoverleg MIRT van dit jaar naar de Kamer te sturen zodat reizigers, vervoerder en decentrale overheden weten waar ze aan toe zijn?
Ik ben bereid de uitwerking van de kosteneffectieve maatregelen ter verbetering van de robuustheid van de Valleilijn aan de Tweede Kamer toe te zenden, zodra die beschikbaar is. De opdracht voor die uitwerking is nog niet aan ProRail gegeven, omdat ik eerst zeker wil weten dat NS, als ook betrokken vervoerder, instemt met een nadere uitwerking van die maatregelen in plaats van het oorspronkelijk geplande dubbel spoor bij Barneveld Noord. NS verwacht mij medio september duidelijkheid te kunnen geven. Connexxion heeft wel al ingestemd met de uitwerking van die maatregelen.
Zijn deze maatregelen toekomstvast ten opzichte van een uitbouw naar een kwartiersdienst op de hele Valleilijn? Kunt u aangeven wat de stand van zaken is met de uitwerking van de besteding van de middelen van het Lente-akkoord voor regionaal spoor en de kwartierdienst voor de hele Valleilijn?
Bij het maken van de definitieve keuze van de te realiseren maatregelen op de Valleilijn zal rekening worden gehouden met de mogelijk toekomstige uitbreiding tot een kwartierdienst.
Ten aanzien van de uitwerking van de besteding van de middelen uit het Lenteakkoord kan ik u meedelen dat drie van de in het Lenteakkoord vermelde lijnen deel uitmaken van het lopende vervolgonderzoek op de NMCA regionaal spoor in het kader van Beter Benutten. Dat zijn Arnhem-Doetinchem, Amersfoort-Ede/Wageningen (de Valleilijn) en Zwolle-Enschede. Wat betreft de lijn Tiel-Arnhem heb ik aan de provincie Gelderland, de Stadsregio Arnhem Nijmegen en ProRail gevraagd om een voorstel voor een maatregel in de infrastructuur, die beantwoordt aan het in het Lenteakkoord verwoorde doel, uit te werken en aan mij voor te leggen. Zodra dat het geval is, zal ik een besluit nemen en u daarover informeren.
Het artikel ‘Geld gratis onderwijs is ‘lening’ RdK’ |
|
André Bosman (VVD) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Geld gratis onderwijs is «lening» RdK»?1
Is het waar dat Curaçao 17 258 610 Nederlands Antilliaanse Guldens (NAF) beschikbaar stelt aan gratis onderwijs via een «voorschot op toekomstige dividenduitkering» van een overheids-nv?
Deelt u de mening dat financiering gebaseerd op toekomstige dividenduitkeringen, zeker gezien de zorgelijke situatie van de Curaçaose overheidsfinanciën en de Curaçaose overheids-nv’s, geen verantwoorde basis vormt voor de financiering van gratis onderwijs op Curaçao? Hoe schat u de risico’s in dat dit geld moet worden opgeteld bij de steeds groter wordende financiële tekorten van Curaçao?
Deelt u de mening dat Curaçao eerst haar financiële huishouding op orde moet brengen, zodat de ruim € 1,5 miljard schuldsanering, betaald door de Nederlandse belastingbetaler, niet al binnen twee jaar sinds de verwerving van autonomie door Curaçao wordt vervangen door een opnieuw niet houdbaar tekort?
Bent u het eens dat, in lijn met de motie-Bosman (TK 33 000 IV, nr. 19), tekorten op de Curaçaose begroting de verantwoordelijkheid zijn van het autonome land Curaçao, en dat Nederland daarom in de toekomst geen directe begrotingssteun zal geven?
Kunt u aangeven of het College Financieel Toezicht (CFT) akkoord is gegaan met deze financiële constructie? Heeft het CFT inzicht in de jaarrapportages van deze overheids-nv ? Zo nee, kunt u aangeven welke actie gaat worden ondernomen om te voorkomen dat dit plan voor een nog groter tekort zorgt op de Curaçaose begroting?
Het bericht ‘Verzekeraar wil luxe afkickresorts niet vergoeden’ |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Verzekeraar wil luxe afkickresorts niet vergoeden»?1
Ja.
Heeft u kennis genomen van de uitspraak van de directeur van zorgverzekeraar DSW dat het uit het Plan Samenwerking Nederlandse Antillen voor € 600 000,– gesubsidieerde Jellinek Retreat Curaçao «niet nodig en veel te duur» is, en van de kanttekeningen die hij plaatst bij de kwaliteit van de kliniek?
Ja.
Herinnert u zich de toezegging van de voormalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Kamer dat zij er zorg voor zou dragen dat de kliniek ook toegankelijk zou worden voor lokale Curaçaose verslaafden in plaats van alleen voor Nederlandse elite? Hoe strookt deze toezegging met de observatie van de directeur van DSW dat behandelingen bij Jellinek Curaçao «alleen bereikbaar zijn voor mensen die een ticket naar Curaçao kunnen betalen»? Is het waar dat een behandeling in de kliniek meer dan € 100 000,– per jaar kost? Wat is er terecht gekomen van de toezegging van de staatssecretaris dat lokale verslaafden ook bij Jellinek terecht zouden kunnen? Kunt u dit met cijfers onderbouwen? Wat is uw beoordeling van de stelling dat Jellinek Curaçao slechts uit is op zoveel mogelijk winst?
Iedereen kan zich voor behandeling in de Jellinek Retreat op Curaçao aanmelden, dus ook lokale Antilliaanse verslaafden. Naast de Nederlandse cliënten zijn er sinds de opening 6 cliënten geweest uit Curaçao en een klein aantal cliënten uit de omliggende (BES-) eilanden.
Voor iedereen geldt een zelfde tarief. Een behandeling in de kliniek duurt vier tot zes weken. Het tarief voor een opname van 4 weken is € 16 900,-. Dit is exclusief de kosten voor een vliegticket en de extra verblijfsactiviteiten (€ 750,- per week). Deze kosten komen niet ten laste van de verzekeraar. Voor verslaafden in Nederland en Curaçao staan tevens alternatieve vormen van verslavingszorg in het betreffende land ter beschikking.
Het Programma Samenwerking Nederlandse Antillen (PSNA) was primair bedoeld ter bevordering en diversificatie van de economie van Curaçao. Gelet op de doelstelling van dit project is een bedrijf opgezet dat de mogelijkheid heeft winst te maken. Dit is niet strijdig met de vergoedingssystematiek van de Zorgverzekeringswet. In dit kader is het cruciaal dat het aan verzekeraars is om met zorgaanbieders afspraken te maken over de vergoeding van een behandeling, waarbij de verzekeraar kan toetsen op doelmatigheid en kwaliteit van zorg. Er is immers sprake van maximumtarieven. Bovendien kan de verzekeraar, voor zijn natura polissen, toetsen of de behandeling op een andere plek doelmatiger en dus goedkoper kan worden gecontracteerd. Voor een restitutiepolis geldt dat de kosten die hoger zijn dan in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend is op basis van de Zorgverzekeringswet niet mogen worden vergoed en dus voor eigen rekening van de patiënt komen.
Herinnert u zich dat één van de voorwaarden voor de door Nederland verstrekte subsidie van € 600 000,– was dat er kennis en expertise over verslavingszorg overgedragen zou worden aan lokale arbeidskrachten? In hoeverre is hier sprake van geweest? Is het waar dat klinieken zoals Jellinek Curaçao momenteel veelal opgezet worden door ex-verslaafden in plaats van gekwalificeerd personeel? Is de vrees gegrond dat dit niet ten goede komt aan de kwaliteit van dergelijke klinieken? In hoeverre is hier sprake van geweest bij Jellinek Curaçao? In hoeverre heeft dit de overdracht van kennis en expertise in de weg gestaan? Is het waar dat de controle op de kwaliteit door de autoriteiten tekort schiet?
Eén van de voorwaarden voor de uitvoering van het project was dat het bedrijf minimaal 14 medewerkers in dienst zou nemen, waarvan de helft lokale personeelsleden. Aan het eind van dit project in het kader van het Programma Samenwerking Nederlandse Antillen (PSNA) in april 2011 is deze doelstelling gehaald. Er zijn op dit moment 10 lokale medewerkers in dienst als huishoudelijke kracht, verpleegkundige, klinisch psycholoog, sportinstructeur en diëtiste. Aan de voorwaarde dat een lokale arts deel zou uitmaken van het personeelsbestand kon helaas niet worden voldaan, omdat deze niet beschikbaar is. Om dit te compenseren wordt nu gebruik gemaakt van de diensten van lokale huisartsen. Bijkomend positief effect hiervan is dat deze huisartsen door Jellinek Retreat Curaçao worden ingehuurd en waar nodig ook training krijgen. Hierdoor wordt de kennisoverdracht tussen de locale huisartsen en de professionals van Jellinek Retreat Curaçao gestimuleerd.
Jellinek Retreat Curaçao werkt met (BIG) geregistreerde professionals. Het (behandel-)team op Curaçao bestaat onder andere uit een psychiater, internist, GZ psycholoog, klinisch psycholoog, verpleegkundigen, fysiotherapeut en een diëtiste. Bij het aanstellen van personeel zijn opleiding, kwalificaties en competenties een voorwaarde om in dienst te treden. Het behandelprogramma is gebaseerd op de methoden van Jellinek in Amsterdam. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de kwaliteit van de door Jellinek Retreat Curaçao geboden zorg.
Wat is uw eindoordeel over het project Jellinek Curaçao in het licht van de doelstellingen van het Plan Samenwerking Nederlandse Antillen? Bent u van mening dat de lokale werkgelegenheid voldoende is gestimuleerd, dat er voldoende kennis en expertise over verslavingszorg is overgedragen aan lokaal personeel, dat er voldoende samengewerkt is met de lokale verslavingszorg op Curaçao en dat er voldoende lokale verslaafden terecht kunnen bij Jellinek Curaçao om de subsidie van € 600 000,– door Nederland te rechtvaardigen? Herinnert u zich de toezegging van de voormalige staatssecretaris dat de subsidie teruggevorderd zou worden indien de doelstellingen van het project niet gehaald zouden worden? In hoeverre is dit volgens u aan de orde?
Voor het beantwoorden van deze vraag is het relevant om eerst de tweeledige doelstelling van PSNA te vermelden:
Geconcludeerd kan worden dat het Jellinek Curaçao project een positieve bijdrage heeft geleverd aan beide programmadoelstellingen.
Naast deze economische hoofddoelstelling van PSNA zijn met de uitvoerder vooraf afspraken gemaakt die de lokale impact van het project vergrootten. Naast het creëren van lokale werkgelegenheid en personeelstraining (zie het antwoord bij vraag 4) was de uitvoerder verplicht om diverse activiteiten te ontplooien gericht op lokale samenwerking met en kennisoverdracht naar organisaties en instanties zoals verslavingspreventie organisaties en scholen. Gedurende het project heeft uitwisseling van medewerkers plaatsgevonden tussen Klinika Caprilese en de moederorganisatie van Jellinek Curaçao in Nederland, Stichting Arkin. Er zijn tevens diverse trainingssessies en workshops gehouden in het kader van intensieve kennisuitwisseling met Fundashon pa Maneho di Adikshon (FMA). Met deze laatste organisatie is ook een preventieproject uitgevoerd op scholen. FMA is positief over de samenwerking met Jellinek Curaçao. Los hiervan heeft ook de samenwerking met lokale huisartsen geleid tot vergroting van de lokale kennis op het terrein van verslavingszorg.
Vanuit de PSNA-subsidie zijn geen voorwaarden gesteld met betrekking tot het behandelen van lokale verslaafden.
Overvolle peuterspeelzalen |
|
Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Peuterspeelzalen door de crisis tjokvol»?1
Ja.
Is het waar dat door de door u doorgevoerde bezuinigingen op de kinderopvang de goedkopere peuterspeelzalen overvol dreigen te raken en dat daar sprake is van groeiende wachtlijsten? Wat zijn de meest recente cijfers in dit opzicht?
Het is mogelijk dat ouders als gevolg van de stijgende kosten van kinderopvang een voorkeur hebben voor peuterspeelzaalwerk, waar ze veelal kleinere dagdelen kunnen afnemen dan in de reguliere dagopvang. Ik heb geen cijfers over wachtlijsten of een toenemend aantal kinderen in het peuterspeelzaalwerk. Peuterspeelzaalwerk is een gemeentelijke verantwoordelijkheid en geen wettelijke taak; dat betekent dat gemeenten zelf bepalen of en hoeveel peuterspeelzaalwerk zij aanbieden. Als er lokaal wachtlijsten dreigen te ontstaan, kunnen gemeenten daar in overleg met de branche op inspelen. Overigens zijn er veel kinderopvangorganisaties die ook peuterspeelzaalwerk aanbieden. Daarmee is de flexibiliteit van de markt om in te spelen op de veranderende vraag van ouders groot.
In hoeverre is er als gevolg van de doorgevoerde bezuinigingen sprake van het door de sector geconstateerde verdringingseffect waarbij kinderen, die voorheen naar de kinderopvang gingen, kinderen met taalachterstanden in peuterspeelzalen – voor wie de peuterspeelzalen het meest belangrijk zijn – verdringen?
Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat de groeiende belangstelling voor het peuterspeelzaalwerk ten koste zal gaan van het aanbod voor kinderen met een taalachterstand. Gemeenten hebben vanaf 1 augustus 2010 de wettelijke verantwoordelijkheid om een goed voorschools aanbod te doen voor alle jonge kinderen met een risico op taalachterstand. Vanuit het Rijk zijn middelen beschikbaar voor onderwijsachterstandenbeleid. Daarmee kunnen gemeenten plaatsen voor voorschoolse educatie in de gemeentelijke peuterspeelzaal financieren of inkopen bij de kinderopvang. Vanaf 2012 ontvangen de G37 extra middelen voor dit doel. Rijk en G37 hebben onder meer afgesproken dat met dit extra geld het aantal plaatsen in de voorschoolse educatie tot 2015 met ruim 20 procent wordt uitgebreid ten opzichte van 2011.
Deelt u de mening dat het een zeer zorgelijke ontwikkeling is als kinderen uit achterstandsgezinnen op deze manier het slachtoffer worden van de bezuinigingen op de kinderopvang?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 aangaf, verwacht ik niet dat kinderen uit achterstandsgezinnen het slachtoffer worden van de bezuinigingen op de kinderopvang.
Wat gaat u doen om de geconstateerde ontwikkeling te keren?
Ik verwacht niet dat er sprake zal zijn van een verdringingseffect. Als er lokaal wachtlijsten dreigen te ontstaan dan is het aan gemeenten om in te spelen op de toenemende vraag. Ze kunnen daar zelf hun beleid op aanpassen.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is dat er snel actie wordt ondernomen om de kinderopvang weer toegankelijk en betaalbaar voor ouders te maken?
De bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag zijn gegeven de financieel-economische situatie onvermijdelijk. De kinderopvang is na deze bezuinigingen echter nog steeds toegankelijk en betaalbaar voor ouders. Gezien de gedeelde belangen van ouders, werkgevers en overheid is het gerechtvaardigd dat naast de werkgevers ook de ouders meer gaan bijdragen. De overheid betaalde meer dan proportioneel mee aan de kosten van kinderopvang en een correctie daarop was nodig.
Deelt u de mening dat snelle actie essentieel is om het probleem van verdringing op peuterspeelzalen op te lossen?
Ik heb geen aanleiding te veronderstellen dat de groeiende belangstelling voor het peuterspeelzaalwerk ten koste zal gaan van het aanbod voor kinderen met een taalachterstand. Als er lokaal wachtlijsten dreigen te ontstaan, kunnen gemeenten daar in overleg met de branche op inspelen.
Bent u bereid om op zeer korte termijn een voorstel naar de Kamer te sturen om de kinderopvang weer betaalbaar en toegankelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat de kinderopvang ook na de bezuinigingen nog steeds betaalbaar en toegankelijk is. Nieuwe voorstellen acht ik dan ook niet noodzakelijk.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor 1 september 2012?
Ja.
De meldlijn zelfdoding |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU), Joël Voordewind (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichten «Wat wil de NVVE? Steun geven aan wie helpt bij zelfdoding, of actievoeren»1 en «Meldlijn voor hulp bij zelfdoding»?2
Ja.
Wat vindt u van de geopende meldlijn?
Zolang de NVVE niet pretendeert een hulplijn te zijn en zolang zij met de meldlijn binnen de grenzen van de wet opereert, zal ik hierop geen actie ondernemen.
Hoe verhoudt het publiceren van verhalen van hulp bij zelfdoding zich tot het verbod van artikel 294 Wetboek van Strafrecht op het opzettelijk aanzetten tot of behulpzaam zijn bij zelfdoding?
Ik verwijs u in dit verband naar de antwoorden op Kamervragen van u beiden over een handboek met methoden voor hulp bij zelfdoding (Kamerstukken II, 2009–2010 Aanhangsel, nr. 2100) en de uitgebreide uitleg van het wettelijk kader die de toenmalige Staatssecretaris van Justitie, mede namens de Minister en de toenmalige Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, heeft gegeven in antwoord op vragen van het lid Van der Staaij (Kamerstukken II, vergaderjaar 2007 – 2008, Aanhangsel, nr. 2339).
Hierin staat dat bij de vraag of iemand behulpzaam is geweest of middelen heeft verschaft zoals bedoeld in artikel 294, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, het erom gaat of diegene het door zijn handelen voor de ander mogelijk of gemakkelijker heeft gemaakt om zichzelf te doden. In het algemeen gesproken is het geven van informatie, het voeren van gesprekken en het bieden van morele steun niet strafbaar. Evenwel hangt de beantwoording van de vraag of het verzamelen en publiceren van ervaringen, zoals de NVVE thans doet, onder de reikwijdte van artikel 294 Wetboek van Strafrecht valt, af van de omstandigheden van het geval. De weging en waardering daarvan is uiteindelijk aan de rechter voorbehouden.
Hoe verhoudt de oprichting van de meldlijn voor hulp bij zelfdoding zich tot activiteiten op het gebied van suïcidepreventie (bijvoorbeeld het werk van 113Online)?
Anders dan het suïcidepreventiebeleid, wordt de meldlijn voor hulp bij zelfdoding vanuit de NVVE en niet vanuit de rijksoverheid geïnitieerd. Het suïcidepreventiebeleid is erop gericht suïcides en suïcidepogingen zo veel mogelijk te voorkomen. De meldlijn voor hulp bij zelfdoding is geen onderdeel van het suïcidepreventiebeleid van de rijksoverheid.
Wilt u het publiceren van verhalen van mensen die iemand geholpen hebben bij zelfdoding ontmoedigen?
Daar zie ik geen reden toe. Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 2.
Wilt u in gesprek gaan met de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) om te voorkomen dat de NVVE aanzet tot het overtreden van artikel 294 Wetboek van Strafrecht op het opzettelijk aanzetten tot of behulpzaam zijn bij zelfdoding?
Daar zie ik geen reden toe. Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 3.
Het aanleggen van graanvoorraden in Nederland. |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Nederland moet graan hamsteren»1 en «Hamsteren graan werkt averechts»?2
Ja.
Wat is momenteel de situatie op de Nederlandse graanmarkt? Is er reeds sprake van krapte, waardoor afnemers van graan in de problemen komen? Hoe groot zijn de effecten van een hogere graanprijs voor de consument?
De situatie op de Europese graanmarkt is stabiel. Er is geen sprake van krapte op de markt, de verwerkende sectoren en handel zijn prima in staat om risico's in de tijd te spreiden en zelf voorraden aan te houden. De Europese Unie is een netto-exporteur van granen. Half augustus bedroeg de netto export 1 250 000 ton graan. De effecten van een hogere graanprijs voor de consument laten zich moeilijk concreet vertalen. Sinds 2007 zijn de prijzen voor voedingsmiddelen gestegen maar in verhouding niet meer dan de gemiddelde inflatie. Het aandeel van graan in de kostprijs van bijvoorbeeld brood is beperkt.
Wat is uw reactie op de oproep van LTO-voorzitter Albert-Jan Maat om in Nederland graanvoorraden aan te leggen om de graanprijzen te stabiliseren?
Deze vraag heb ik beantwoord in mijn brief van 15 augustus 2012 (onze referentie 288507).
Is het waar dat Duitsland een «geheime graanvoorraad» heeft voor een jaar? Zo ja, was dit u bekend, en wat is hierop uw reactie?
Het is mogelijk dat enkele lidstaten (meer in het bijzonder een aantal van de nieuw toegetreden lidstaten in Oost-Europa) al voor hun toetreding tot de Europese Unie een graanvoorraad hadden, die bedoeld is voor crisissituaties als bijvoorbeeld een oorlog of nucleaire ramp.
Dit betreft een voorraad welke los staat van het granenmarktordeningsbeleid binnen de Europese Unie. Het is aan de lidstaten zelf om te bepalen of zij een voorraad bedoeld voor voornoemd gebruik aanhouden.
Lidstaten zijn wel gehouden het beheer van deze voorraden zodanig vorm te geven dat dit geen verstorend effect heeft op de goede werking van het communautaire granenmarktordeningsbeleid binnen de Europese Unie. Maatregelen in het kader van wereldmarktprijsverstoring en gevaar voor de voorziening op de communautaire markt zijn daarmee aan de Commissie voorbehouden.
Op welke wijze wordt momenteel in Europees en internationaal verband actie ondernomen om de prijsstijgingen op de graanmarkt op te vangen, en wat is uw inzet in dit verband?
Zowel de Europese Commissie als de FAO volgen de ontwikkelingen op de graanmarkt nauwlettend. Dit heeft geen aanleiding gegeven tot het ondernemen van acties.
Bent u ervan op de hoogte dat in de VS de krapte op de graanmarkt voor een groot deel wordt veroorzaakt door het verplichte gebruik van maïs voor de productie van biodiesel? Wat zijn de effecten van het Europese biobrandstoffenbeleid op de Europese en Nederlandse graanmarkt?
De situatie op de graanmarkt in de Verenigde Staten wordt veroorzaakt door de verwachting dat een deel van de oogst lager zal uitvallen dan oorspronkelijk voorzien.
Het verbruik van graan voor de productie van biobrandstoffen in de EU voor het marktjaar 2012–2013 is door de Europese Commissie voorzien op 9,8 miljoen ton. Het totaal verbruik van graan in de Europese Unie is echter voor dezelfde periode voorzien op 274,3 miljoen ton. Het verbruik voor ethanol/biobrandstof maakt daarmee ongeveer 3% uit van het totaal van het Europees verbruik. Een deel van het verwerkte graan voor ethanol/biobrandstof wordt echter ook verwerkt als bestanddeel voor veevoedergrondstoffen.
Deelt u de mening dat de effecten van het biobrandstoffenbeleid op de voedselmarkten- en prijzen eerst duidelijk moeten zijn, voordat tot verhoging van het Europese bijmengpercentage kan worden overgegaan, zeker gezien de huidige structureel hoge graanprijzen?
De zorg over de mogelijke effecten van het biobrandstoffenbeleid op de voedselmarkten en prijzen wordt serieus genomen. De beschikbaarheid en prijs van voedsel wordt door diverse factoren bepaald. De productie van biobrandstoffen levert hieraan een beperkte bijdrage. Op dit moment is er geen sprake van een verhoging van het Europese bijmengpercentage. Wel is de Europese Commissie voornemens eind 2012 te rapporteren over de gevolgen van het Europese biobrandstoffenbeleid voor de sociale duurzaamheid. Ook de beschikbaarheid en prijzen van voedsel zullen in deze rapportage een rol spelen. In oktober 2012 zal uw Kamer nader worden geïnformeerd over de uitvoering van de motie Leegte, Jansen en Dikkers (TK 2011–2012, 30 872, nr. 120) en de consequenties hiervan op het nationale biobrandstoffenbeleid.
Het bericht dat de werkloosheid sterk is toegenomen |
|
Tofik Dibi (GL), Jesse Klaver (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis kunnen nemen van het artikel «Werkloosheid boven 500 000»1 en het bericht «Stop de Europese jeugdwerkloosheid»?2
Ja.
Wat is uw reactie op de forse stijging van het aantal werklozen tot 510 000 mensen, een stijging van 6,5%?
Alleen met een sterke en gezonde economie kan de werkgelegenheid groeien. Randvoorwaarde voor economisch herstel is het herstel van de overheidsfinanciën. Daarom neemt het kabinet in het Begrotingsakkoord maatregelen om de overheidsfinanciën te verbeteren. Dit akkoord bevat naast bezuinigingen ook structurele hervormingen die de werking van de arbeidsmarkt verbeteren en de werkgelegenheid doen toenemen. Naar verwachting zal de werkloosheid, mede als gevolg van de bezuinigingen, eerst verder oplopen voordat hij weer gaat dalen. De stijging van de werkloosheid is op zichzelf dan ook geen reden om de maatregelen in het Begrotingsakkoord te herzien. Zeker niet gezien het feit dat de werkloosheid in Nederland nog altijd de op één na laagste van Europa is.
Kunt u inzichtelijk maken waarom het aantal werklozen in juli van dit jaar opnieuw zo fors is gegroeid en of hierin een stijgende trend is waar te nemen?
De stijgende werkloosheid lijkt vooral het gevolg van de zwakke economische groei de afgelopen kwartalen. Het CPB verwacht dat de werkloosheid tot 2014 verder zal oplopen voordat hij weer gaat dalen.
Deelt u de mening dat een dergelijk snelle stijging zorgwekkend is en extra inzet vergt? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat is uw reactie op het feit dat 12% van alle jongeren in Nederland werkloos is en dat dit een stijging is van 25% ten opzichte van vorig jaar?
Het werkloosheidspercentage onder jongeren is in de periode juli 2011 – juli 2012 gestegen van 10,1% naar 12,4%. De algemene werkloosheid is in die periode echter ook gestegen: van 5,3% naar 6,5%. De ratio jeugdwerkloosheid gedeeld door de algemene werkloosheid ligt daarmee nog onder het lange termijn gemiddelde van twee. Het huidige percentage van 12,4% ligt onder de top van maart 2010 (12,8%) en de top van de vorige recessie (14,2% eind 2004). Vergeleken met de rest van Europa presteert Nederland goed. Op Duitsland en Oostenrijk na heeft Nederland de laagste jeugdwerkloosheid van de EU-27.
Deelt u de zorg dat niet alleen in Nederland de jeugdwerkloosheid steeds verder oploopt, maar dat ook in Europa nu al ruim 22,8% van alle Europese jongeren werkloos is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uw reactie op het voorstel van de ILO (International Labour Organisation) om te komen tot een Europees jeugdgarantieplan?
Het is van belang om de ontwikkeling van de jeugdwerkloosheid, ook in Europa, nauwlettend te monitoren. We moeten voorkomen dat jongeren vroegtijdig in hun loopbaan op achterstand worden gezet. Dat is schadelijk voor de jongeren zelf, maar ook voor de samenleving als geheel. In Nederland zet het kabinet stevig in op het voorkomen en bestrijden van de jeugdwerkloosheid. Voor de maatregelen die het kabinet neemt, verwijs ik u naar mijn brief van 27 april 2012 (Kamerstuk 29 544, nr. 393). Deze zijn met name gericht op het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs-arbeidsmarkt en het voorkomen van voortijdig schoolverlaten met het landelijk programma «Aanval op schooluitval».
Het Europees jeugdgarantieplan («youth guarantee»), waarbij alle jeugdwerklozen na een bepaalde tijdsperiode een werk- en/of scholingsaanbod krijgen, is mij bekend. Het risico van een dergelijke aanpak is dat te weinig de eigen verantwoordelijkheid van jongeren wordt aangesproken. In Nederland kiest het kabinet voor een aanpak waarbij de eigen verantwoordelijkheid van jongeren voorop staat. Zij moeten zelf de regie nemen om hun kansen op de arbeidsmarkt te benutten. Het kabinetsbeleid om de Wet werk en bijstand (WWB) activerender te maken draagt hieraan bij. Een opleiding gaat voor een uitkering en werk is leidend. Het behalen van een diploma zorgt ervoor dat jongeren goed toegerust de arbeidsmarkt betreden. Jongeren worden gestimuleerd om eerst al hun scholingsmogelijkheden te benutten en daarna zelf op zoek te gaan naar een baan. Pas als hen dit zelf niet lukt, kunnen zij om ondersteuning bij de overheid vragen.
Wat is uw reactie op de oproep dat er een Eurotop moet komen speciaal over de hoge werkloosheidscijfers in Europa?
Een speciale Eurotop over de oplopende werkloosheid in de EU is niet nodig, omdat voor dit probleem op Europees niveau al volop aandacht is. Het huidige Cypriotische voorzitterschap heeft (jeugd)werkloosheid ook als een speerpunt aangemerkt. In de verschillende Europese gremia staan deze onderwerpen dan ook prominent op de agenda. Bij deze gelegenheden brengt Nederland naar voren dat ook de andere lidstaten hun overheidsfinanciën op orde brengen en structurele hervormingen invoeren om de werking van hun arbeidsmarkt te verbeteren.
Kunt u toelichten welke kabinetsmaatregelen van invloed zijn op het feit dat zo’n 100 000 werkloze jongeren zich niet meer melden bij gemeenten?
Er is altijd een groep jongeren die om uiteenlopende redenen niet participeert en zich ook niet meldt als werkzoekende. De omvang van deze groep is, ondanks de gestegen jeugdwerkloosheid, al jaren stabiel3. Het overgrote deel van de jongeren die het onderwijs verlaten vindt zelf zijn weg naar de arbeidsmarkt en heeft daar niet de hulp van de overheid bij nodig. De groep jongeren die dat wel heeft en op eigen kracht geen baan heeft kunnen vinden, kan voor ondersteuning terecht bij de gemeente.
De sleutel voor een goede aanpak ligt dan ook bij de samenwerking in de regio. In dat kader worden er door de VNG samen met andere betrokken partijen werkconferenties georganiseerd. In de werkconferenties kunnen partijen in de regio samen aan de slag om de gezamenlijke aanpak rond jongeren in een kwetsbare positie te bestendigen en verder te ontwikkelen.
Deelt u de mening dat alles op alles moet worden gezet om ervoor te zorgen dat deze jongeren, dit menselijk kapitaal, niet devalueren en verloren gaan? Zo ja, bent u bereid om deze jongeren intensief te gaan begeleiden naar werk of opleiding? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid om extra maatregelen te nemen om het grote aantal werkloze mensen aan het werk te helpen en daarin de hogere werkloosheid bij met name jongeren mee te nemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u inzichtelijk maken welke stappen u gaat zetten?
Het Begrotingsakkoord bevat naast bezuinigingen ook structurele hervormingen die de werking van de arbeidsmarkt verbeteren en op termijn de werkgelegenheid doen toenemen.
Het kabinet heeft daarnaast reeds een aantal maatregelen genomen om (jeugd)werkloosheid tegen te gaan en het voor werkgevers eenvoudiger te maken mensen uit de bijstand en andere uitkeringen aan te nemen. Ik wijs daarbij op het activerender maken van de WWB en het verkleinen van de armoedeval door het afschaffen van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon. Werken moet immers lonen.
Verder komen er 35 arbeidsmarktregio’s van waaruit gemeenten en UWV de dienstverlening aan werkgevers en werkzoekenden gaan vormgeven en ondersteunt het kabinet het programma «Impuls vakmanschap» waarin Divosa en VNG werken aan een verdere professionalisering en vakmanschap bij sociale diensten.